Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-2010nr. 86, pagina 7225-7260

Aan de orde is de voortzetting van het verantwoordingsdebat over de jaarverslagen en de slotwetten over het jaar 2009 en de rapporten bij de jaarverslagen.

De voorzitter:

Wij gaan luisteren naar het antwoord van de regering in eerste termijn. De minister-president zal beginnen met de Kamerleden in te wijden in de indeling van zijn antwoord.

Minister Balkenende:

Voorzitter. Ik dank de leden van de Kamer voor hun inbreng in eerste termijn. Daar zal ik uiteraard op reageren en dat zal ik langs de volgende lijnen doen. Ik zal eerst stilstaan bij de algemeneverantwoordingsbrief die de Kamerleden hebben ontvangen. Daarin worden vijf thema's in algemene zin genoemd. Ik zal die kort aanstippen. Naderhand zal ik uitgebreider stilstaan bij "duurzaamheid" en "krachtwijken"; dat is mijn taak. Ik geef dus eerst een algemene uiteenzetting; dan zal ik ingaan op veel van de vragen die door de Kamerleden zijn gesteld; daarna zal ik stilstaan bij deze twee onderwerpen.

Er zijn veel vragen gesteld. Het kabinet zal deze uiteraard beantwoorden. Het is goed om op te merken dat het gaat om de verantwoording over 2009. Jaarlijks legt het kabinet op de derde woensdag in mei verantwoording af over de prestaties van het afgelopen jaar, zowel in beleidsmatige als in financiële zin. Kabinet en Kamer hebben meermalen de wens uitgesproken om daarover op hoofdlijnen te debatteren. De algemeneverantwoordingsbrief 2009 is daarom beperkt tot de vijf door de Kamer aangedragen onderwerpen. Ikzelf zal de onderwerpen duurzaamheid en krachtwijken voor mijn rekening nemen; de vicepremier zal daarna ingaan op onderwijs en jeugdzorg; en de minister van Financiën zal ingaan op de effecten van de crisismaatregelen en het financieel jaarverslag van het Rijk.

Het kabinet-Balkenende IV heeft zich gecommitteerd aan de uitvoering van 74 doelstellingen en 10 projecten in een periode van 4 jaar. Ik betreur het uiteraard dat het kabinet niet de 4 jaar heeft kunnen volmaken. Dat heeft onder andere tot gevolg dat niet alle doelstellingen volledig zijn gerealiseerd. Zeker in het licht van de economische crisis ben ik echter van opvatting dat dit kabinet, dat nu demissionair is, goed voor de dag kan komen met het gevoerde beleid en de geboekte resultaten. Driekwart, 75%, van het beleidsprogramma lag eind 2009 goed op koers naar uiteindelijke realisatie van de doelstellingen in 2011. Natuurlijk kunnen er verschillende politieke keuzen en verschillende opvattingen zijn over de gestelde doelen en de beleidskeuzen die daaruit voortvloeien, maar het zijn de keuzen van dit kabinet. Daarover leggen wij verantwoording af.

De financiële verantwoording vindt plaats in het financieel jaarverslag van het Rijk. Dit financieel jaarverslag wordt vergezeld van een rechtmatigheidstoets van de Algemene Rekenkamer. Met tevredenheid kan ik melden dat de Rekenkamer dit jaar 99,8% van de uitgaven als rechtmatig beoordeelt. Op dat punt zal de minister van Financiën misschien nog nader ingaan. De financieel-economische en politieke situatie in 2009 is uitermate turbulent geweest. De ongekende krimp van onze economie staat centraal in het jaarverslag van het Rijk over 2009. Het kabinet is van mening dat er adequaat en goed is opgetreden om de economische crisis het hoofd te bieden. In internationaal perspectief doet Nederland het bovengemiddeld. Het is vooral de overheid geweest die de eerste klappen van de crisis heeft opgevangen. Dit is overigens op de lange termijn geen houdbare situatie, maar daarover later meer.

Ik geef eerst een nadere duiding van de economische situatie. Dan kom ik kort op de vijf focusonderwerpen, de onderwerpen die door de Kamer zijn aangereikt. Eerst iets over de economie. 2009 is het jaar dat de economische crisis zich in volle omvang openbaart in de Nederlandse samenleving. Ten opzichte van 2008 is onze economie met 4% gekrompen; dat is de grootste krimp sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. Vooral onze export heeft het zwaar gehad, maar ook de investeringen en de particuliere consumptie zijn teruggelopen. De overheidsbestedingen, zoals door het kabinet ingezet, hebben echter acyclisch gewerkt en hebben ervoor gezorgd dat de economische dip niet nog groter is geworden.

In 2009 zien wij een ongekende krimp van de economie. De overheid heeft de economie gestimuleerd. Wij zien dat de gemiddelde koopkracht van alle huishoudens in 2009 nog is gestegen met ruim 1,5%. Hoewel de werkloosheid in 2009 is opgelopen met 75.000 extra Nederlanders, doet Nederland het in Europees opzicht relatief goed. Met een werkloosheid van 4,9% staat ons land onderaan in de betreffende lijst van de Europese Unie; hetzelfde geldt voor de jeugdwerkloosheid.

Dit alles was een bewuste keuze van het kabinet en paste ook in de internationale afspraken die daarover zijn gemaakt. In het aanvullend beleidsakkoord, dat in februari 2009 werd gesloten door de coalitiepartijen, zijn veel maatregelen afgesproken die de economie op korte termijn moesten stimuleren. Wij kunnen nu al oordelen dat op macroniveau onze maatregelen succesvol voor de economie zijn geweest. De economie is in 2009 met ruim 30 mld. gestimuleerd. Het leeuwendeel daarvan had natuurlijk te maken met de automatische stabilisatoren. Dat leidt ertoe dat er niet is bezuinigd, terwijl de belasting- en premie-inkomsten door de crisis wel zijn teruggelopen. Wanneer het kabinet niet het beleid had gevoerd dat het heeft gevoerd, zou dat volgens het Centraal Planbureau in 2009 alleen al 50.000 extra werklozen hebben opgeleverd en zou daarnaast de economie 0,75% extra zijn gekrompen.

Dat heeft natuurlijk een prijs. Het gevolg is dat het overheidssaldo sterk negatief is geworden. Waar het kabinet op Prinsjesdag 2008 een overschot op de begroting raamde van 1,2%, realiseert het nu een tekort van 5,3%. Dat is geen houdbare situatie; dat is duidelijk. In de kabinetsformatie zal moeten blijken welke keuzen worden gemaakt om te werken aan het herstel van de overheidsfinanciën. Het kabinetsbeleid van de bijzondere uitdagingen als gevolg van de economische crisis is tot nu toe succesvol geweest. De werkloosheid is de laagste in Europa en de koopkracht is – ik zei het al – zelfs toegenomen. Hoewel het tekort sterk is opgelopen, zit Nederland zowel qua tekortontwikkeling als qua niveau van de staatsschuld nog onder het EU-gemiddelde. Wij vinden tegen die achtergrond dat het kabinetsbeleid alleszins verantwoord is geweest.

Natuurlijk heeft het kabinet ook nagedacht over een exitstrategie. Het stimuleren van de economie is een tijdelijke maatregel en kan niet structureel worden volgehouden. Zo heeft het kabinet in 2009 al besloten om in 2011 in totaal 1,8 mld. te besparen op de begroting en in totaal 3,2 mld. te besparen op de arbeidsvoorwaarden in de collectieve sector. Ook is besloten tot het gezond maken van de overheidsfinanciën op de lange termijn. Er zijn houdbaarheidsmaatregelen genomen in de vorm van de AOW-leeftijd, het woningforfait en de maatregelen in de zorg. Wij hebben gezegd dat dit niet genoeg is. Dat is de reden geweest om opdracht te geven aan twintig heroverwegingswerkgroepen om informatie boven tafel te krijgen, zodat de overheidsfinanciën op orde kunnen worden gebracht. Door de val van het kabinet is het nemen van beslissingen nu toegevallen aan een nieuw kabinet. Ik concludeer dat ook in het denken en doen over de exitstrategie Nederland vooroploopt in Europa.

Omdat de evaluatie van het experiment van verantwoorden en begroten nog even op zich laat wachten, zullen een nieuw kabinet en een nieuwe Kamer moeten beoordelen of de gezamenlijke inzet om meer politieke focus in het verantwoordingsdebat aan te brengen, is geslaagd. Dit jaar is uitvoering gegeven aan de breed gedragen motie van mevrouw Koşer Kaya met de vijf bekende onderwerpen. De keuze van die onderwerpen legt een verbinding tussen twee dragende thema's in het kabinetsbeleid, namelijk een duurzame kenniseconomie en sociale samenhang. In het verantwoordingsjaar 2009 hebben deze thema's evident een extra accent gekregen, al was het maar via het aanvullend beleidsakkoord en het daarop gebaseerde crisismaatregelenpakket. Ik zal de essentie daarvan schetsen; de minister van Financiën zal er verder op ingaan.

Het eerste onderwerp is de effectiviteit van de crisismaatregelen. Het pakket is erop gericht om de maatschappelijke effecten van de crisis te beperken, de bedrijvigheid te ondersteunen, de vraaguitval te voorkomen en een meer duurzame en innovatieve economie te creëren. Ik noemde al het getal van de 30 mld., bestaande uit de stabilisatoren, en de 2,6 mld. aan gerichte maatregelen. Dat had als oogmerk om investeringen niet onnodig verloren te laten gaan. Daarnaast is er een aantal niet-financiële maatregelen getroffen om de economie in beweging te krijgen, zoals een versnelling van de ingezette regeldrukoperatie – ik wijs op de Crisis- en herstelwet – en het voorkomen van bezuinigingen, waarbij ik met name denk aan de uitgaven voor de WW. Deze maatregelen geven een impuls aan het versterken van de economische structuur van Nederland. Het langetermijnperspectief van de economie is daarbij van groot belang geweest, uiteraard omdat een geloofwaardig pad naar herstel van de overheidsfinanciën noodzakelijk is. De rekening zal eens weer moeten worden betaald, hetgeen deze week ook blijkt in Europees verband. Het is ook van belang geweest omdat een dergelijk perspectief richting geeft aan het herstel, aan de noodzakelijke bezuinigingen, maar ook aan alle inspanningen in de samenleving op weg naar de economie na de crisis. Dat langetermijnperspectief betreft een duurzame en innovatieve kenniseconomie. Daarbij past de ambitie om als kenniseconomie in de top vijf van de wereld te komen. Daarbij past ook een aantal maatregelen in het crisispakket die zich op duurzaamheid richten. Deze koppeling tussen de langetermijnrichting en maatregelen die op korte termijn effect moeten sorteren, is een centraal onderdeel van het aanvullend beleidsakkoord geweest. Dit waren een aantal opmerkingen over de economie en het crisispakket.

Het tweede blokje betreft het thema duurzaamheid. Ik zal er straks uitgebreider op ingaan; nu maak ik slechts een enkele opmerking.

Duurzaam is het tweede onderwerp waarvan de Kamer heeft gezegd, er nader bij te willen stilstaan. Het kabinet heeft aan de hand van het programma Schoon en Zuinig gewerkt aan het verduurzamen van onze energieconsumptie, zowel door de uitstoot van CO2 bij de productie van energie terug te dringen als door besparing van energie. Er moet natuurlijk meer worden gedaan om de ambitieuze langetermijndoelen die aan het begin van de kabinetsperiode zijn gesteld, ook te halen. De Kamer weet welke doelen dat zijn.

Op internationaal niveau is eind vorig jaar het belangrijke klimaatakkoord in Kopenhagen gesloten. Alhoewel het ambitieniveau van Nederland fors hoger lag dan het niveau dat in Kopenhagen is afgesproken, biedt het akkoord wel een stevige basis voor de verdere onderhandelingen in de aanloop naar de komende klimaattop in Mexico aan het eind van dit jaar. De ambities zijn zo hoog, omdat wij het hebben over de toekomst van de aarde. De wereldwijde economische crisis heeft dat besef vergroot. Een fundamentele omslag is nodig om ervoor te zorgen dat onze welvaart niet langer ten koste gaat van de planeet, van mensen elders op de wereld of van toekomstige generaties. Het kabinet heeft in 2009, evenals in de voorgaande jaren, dan ook gestaag gewerkt aan de noodzakelijke transitie naar de meer duurzame samenleving. Ik zal hierna daarop ingaan, en daarbij zal ik vijf punten in het bijzonder uitdiepen: het internationale klimaatbeleid, het nationale klimaatbeleid, de duurzame energie, de klimaatadaptatie en de duurzame productie en consumptie.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Ik vind het fijn dat de minister-president daar uitgebreid per onderdeel op ingaat, maar ik zou ook graag een algemeen oordeel willen hebben over de prestaties van het kabinet op het terrein van milieu en klimaat. Zelfs de Partij van de Arbeid, die lang deel heeft uitgemaakt van het kabinet, heeft inmiddels erkend dat de prestaties ver zijn achtergebleven bij de doelstellingen.

Minister Balkenende:

Wij moeten onderscheid maken tussen wat het kabinet heeft afgesproken, wat wij moesten realiseren in 2011 en wat nodig is om de doelen in 2020 te bereiken. Dan constateer ik het volgende. Met datgene wat wij tot 2011 wilden realiseren, zitten wij op koers, met uitzondering van de energiebesparing in woningen. Op dat punt moet er nog meer worden gedaan. Ik zou het kunnen aangeven in kilojoules, maar verder zitten wij op schema. Om de doelstellingen voor 2020 te realiseren moeten er meerdere tanden worden bijgezet. Zoals voormalig minister Cramer ook heeft aangegeven, hebben wij de mogelijkheden geïnventariseerd. Die mogelijkheden zijn aan de Kamer toegestuurd, maar de Kamer heeft dit onderwerp controversieel verklaard. Ik ben dus tevreden over de realisatie van de doelen tot 2011, met uitzondering van één onderwerp, maar er moet nog meer gebeuren wat betreft het zetten van stappen richting 2020. Dat geef ik graag toe.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Over het behalen van de doelen voor 2011 heeft het Planbureau voor de Leefomgeving aangegeven dat dit niet het effect was van het kabinetsbeleid, maar van de economische crisis. Het lijkt mij dan iets te gemakkelijk om te zeggen dat het kabinet daarin zijn doelstellingen heeft gehaald. Als er geen economische crisis was geweest, dan zou het kabinet daarin ook hopeloos tekort zijn geschoten.

Minister Balkenende:

U kunt zeggen dat u het onvoldoende vindt wat het kabinet doet, maar bij "delivery" gaat het om wat er is afgesproken. Welnu, wat betreft de emissie van broeikasgas hebben wij maximaal 209 megaton CO2-equivalent afgesproken. Dat wordt naar verwachting gehaald. Wat de energiebesparing betreft wordt de doelstelling van 2961 petajoule gehaald. Hetzelfde geldt voor het aandeel biobrandstof van 4%. Behalve op het punt van de energiezuinige woningen behalen wij de doelstellingen op de punten die ik noemde. Als u mij vraagt "wat heb je destijds afgesproken en haal je dat?", dan geef ik daarop een positief antwoord.

Dan maak ik nu slechts een enkele opmerking over onderwijs en jeugdzorg, want daarop zal straks de vicepremier verder ingaan. Een duurzame kenniseconomie raakt direct aan de positie van jongeren in de samenleving. Ook zij ondervinden de gevolgen van de financieel-economische crisis zoals die zich in 2009 heeft afgetekend. Zij kunnen bijvoorbeeld minder gemakkelijk een stageplaats vinden. Na de afronding van de opleiding blijkt voor velen van hen het vinden van een baan geen eenvoudige opgave. Het kabinet heeft specifieke maatregelen getroffen om de gevolgen van de economische crisis voor jongeren te beperken. Dat zal straks nog nader worden belicht. Hoe belangrijk jongeren ook zijn voor de economie als potentiële beroepsbevolking, voorop staat het belang van hun welzijn, door het volgen van goed onderwijs en kansen op evenwichtige persoonlijke ontwikkeling en maatschappelijke participatie. In de praktijk blijken deze kansen en mogelijkheden helaas niet voor alle jongeren weggelegd. Waar kwetsbare jongeren problemen ondervinden in hun opgroei- en opvoedingssituatie, is er een taak weggelegd voor de overheid. Die groep jongeren vraagt om extra inspanningen en om het scheppen van waarborgen, zoals de vorming van centra voor jeugd en gezin en het bieden van een tijdig zorgaanbod. De bestuurlijke discussie die daarachter wegkomt, krijgt niet voor niets zo veel aandacht van het parlement, maar de dagelijkse noden van deze jongeren en hun ouders staan voorop.

Dan een enkel woord over de krachtwijken.

De heer Pechtold (D66):

Ik zou u bijna willen vragen om die tekst nog een keer voor te lezen. Het is werkelijk zo abstract! Zeer zwakke scholen: in 2008 waren dat er 109. Twee jaar later zijn het er nog steeds 101. Dat is een probleem. Het betekent dat elke dag duizenden kinderen in dit land zeer zwak onderwijs krijgen. Nu schetst u heel abstract iets met jongeren en kansen en bedreigingen, maar wat is nu afrekenbaar gebeurd, onder uw kabinet, aan de zeer zwakke scholen?

Minister Balkenende:

Voorzitter. Dat is nu precies wat ik bedoelde toen ik zei dat ik een paar algemene zaken aanstip om aan te geven waar wij het over hebben met deze vijf blokken die uw Kamer heeft geïndiceerd. Ik heb gezegd dat ik twee zaken nader zal belichten en dat onderwijs en jeugdzorg nader zullen worden besproken door de vicepremier. Meer dan dat wil ik daar nu niet over zeggen. Ik hoop dat de heer Pechtold de verdeling van werkzaamheden respecteert die wij hebben gemaakt binnen het kabinet.

De heer Pechtold (D66):

Dan zou ik omwille van uw en onze kostbare tijd deze algemene praatjes, die we ook in 2007 in de prospectus lazen, willen weglaten. Laten we de vragen die door Kamerleden zijn gesteld – die van mij ging bijvoorbeeld over zeer zwakke scholen – to the point beantwoorden. Verantwoordingsdag gaat immers over de concrete vragen waar we in 2007 stonden, waar we vandaag staan en met name wat er vorig jaar is gebeurd.

Minister Balkenende:

Ik kan nog een klein blokje doen over de krachtwijken en dan ga ik in op de verantwoordingssystematiek en de concrete vragen die van de kant van de Kamer zijn gesteld, behalve de twee blokken die ik naderhand zal belichten.

De heer Roemer (SP):

Voorzitter. Ik denk dat de minister-president anders naar een volgend blok gaat. Ik snap dat de verdeling in het kabinet is zoals hij dat heeft voorgesteld. Daar gaat de minister-president zelf over. Ik hoor echter vooral graag zijn mening over het feit dat ook in het afgelopen jaar er nog steeds 340.000 kinderen in Nederland in armoede moesten opgroeien. Dat moet hem als minister-president van het CDA toch vreselijk pijn doen? Waarom is dat zo vreselijk achtergebleven? Waarom is hij er niet in geslaagd om dat aantal fors terug te dringen?

Minister Balkenende:

In de loop van de tijd zien we dat armoede in Nederland op zichzelf terugloopt. Er treedt een verslechtering op als de economie tegenzit. U weet hoe deze mechanismen werken. Ik heb vaak ook met uw voorgangers hier in de Kamer daarover gesproken. U hebt gelijk: als mensen in een achterstandspositie zitten, is dat altijd buitengewoon pijnlijk en hebben wij er alles aan te doen om te voorkomen dat die situatie blijft bestaan en om, waar dat kan, hulp te bieden. Daarvoor hebben we ook instrumenten. We zitten nu in een fase waarin de economie tegenzit.

Waarom hebben wij in de afgelopen tijd genoegen genomen met een hoog financieringstekort? Dat was nu juist om ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk mensen aan het werk konden en hun werk konden houden. Dat is ook de reden waarom wij maatregelen hebben genomen, in de zin van bijzondere bijstand, om diegenen te ondersteunen die het moeilijk hebben. Daarmee is het probleem niet opgelost. Dat is ook zo, dat geef ik graag toe. Ik hoop echter wel dat u ook ziet dat het oogmerk steeds is geweest om door middel van versterking van de economie, door middel van het creëren van banen en door gerichte ondersteuning diegenen te ondersteunen die het het moeilijkst hebben.

De heer Roemer (SP):

Het laatste zie ik niet. Het aantal kinderen dat in het afgelopen jaar in armoede moest opgroeien, is dus niet minder geworden. Als het economisch tegenzit, dan wordt het voor ons als maatschappij moeilijker, dat klopt. Dat zijn echter politieke keuzes. Ik vind het onbegrijpelijk dat de minister-president dan armoede onder kinderen niet zo hoog op de prioriteitenladder heeft staan dat hij zegt: daar moeten we als eerste naar gaan kijken, of bijna als eerste. Hij heeft het het hele jaar laten gebeuren dat wij die kinderen in armoede hebben laten zitten en dat wij niets gedaan hebben aan de persoonlijke omstandigheden van gezinnen met kinderen in armoede.

Minister Balkenende:

Voorzitter. Ik vind dat de heer Roemer nu een heel algemene vraag stelt. Ik had mij voorgenomen om op het punt van de achterstanden terug te komen bij het thema krachtwijken. Dan zal de heer Roemer zien dat de inzet die geleverd is, heeft geleid tot een aantal verbeteringen in de kwaliteit van leven en bij de schooluitval. Die dingen doen zich ook voor. Hij geeft een erg zwart-wit oordeel. Ik heb aangegeven dat wij in de loop van de jaren zien dat de armoede wordt teruggedrongen in Nederland. Wanneer de economie tegenzit, dat zei ik zo-even al, dan zie je vaak dat de problemen weer toenemen. Dat is ook precies de reden waarom wij er zo veel aan doen om ervoor te zorgen dat de economie zo veel mogelijk overeind blijft, dat de economische dynamiek kan worden bevorderd, dat mensen aan werk kunnen worden geholpen en dat je altijd oog hebt voor de mensen die het het moeilijkst hebben. Concreet betekent dit dat je wilt investeren in bijvoorbeeld krachtwijken. Daarop kom ik later in mijn betoog terug.

De heer Roemer (SP):

Ik snap dat de minister-president graag aangeeft dat hij in wijken een aantal dingen heeft gedaan om de situatie in het algemeen te verbeteren. Hij zei dat het kabinet heeft geprobeerd om de armoede onder kinderen terug te dringen, maar dat het veel lastiger is om dat te doen op momenten waarop het economisch minder goed gaat. Op dergelijke momenten is het nodig om andere politieke keuzes te maken. Als we weigeren om voor die kinderen iets meer te doen op de momenten waarop het uit economisch oogpunt lastiger wordt, leggen we ons bij die situatie neer. Dat vind ik een kwalijke zaak.

Minister Balkenende:

Ook op momenten waarop het economisch tegen zit, moet je prioriteiten stellen. De heer Roemer weet ook dat wij op het ene moment debatteren over de veiligheid in Nederland en dat we op andere momenten spreken over het onderwijs en de zorg. Ik begrijp heel goed dat de heer Roemer de armoede aan de orde stelt, want daarover heeft de SP vaker gesproken. Ik ben het ermee eens dat ook de armoede een belangrijk onderwerp is en ik zal later in mijn betoog duidelijk maken dat de resultaten van het investeren in wijken zichtbaar zijn.

2009 is het laatste volledige jaar waarover dit demissionaire kabinet verantwoording kan afleggen. Het kabinet meende er goed aan te doen om bij de openbaarmaking van het integraal overzicht van doelstellingen en projecten uit het beleidsprogramma Samen werken, samen leven tevens aandacht te schenken aan de realisatie van het eerste kwartaal van 2010. Tijdens de presentatie van het beleidsprogramma 2007 heb ik aangegeven dat dit programma aan de samenleving duidelijk maakt welke zaken het kabinet wil realiseren. Burgers mogen het daarop aanspreken en de Tweede Kamer zal het controleren. Dat is immers de essentie van verantwoording afleggen.

Het kabinet spande zich de afgelopen jaren in om de verantwoording over het gevoerde beleid zo tastbaar en concreet mogelijk te maken. Het proces van begroten en verantwoorden is verbeterd. Doordat deliverymethoden zijn toegepast, is de inzichtelijkheid van de beleidsvoortgang verbreed en inmiddels is het mogelijk om de voortgang van drie achtereenvolgende jaren in de beleidsuitvoering te zien. De Tweede Kamer uitte de wens om het debat meer een politieke focus te geven door voor een beperkt aantal onderwerpen te kiezen. Het realiseren van die wens maakt onderdeel uit van een breder traject, namelijk dat van verbetering, verantwoording en begroting.

Het kabinet is in 2007 met dit traject gestart in nauw overleg met de Kamer en de Algemene Rekenkamer. Het deed dat in de vorm van een experiment waarbij een aantal departementale begrotingen en jaarverslagen is betrokken. Als gevolg van de val van het kabinet, schuift de evaluatie door naar 2011. Dat neemt echter niet weg dat er voor de nieuwe Kamer en het nieuwe kabinet voldoende opgaven zijn voor verdere verbetering. De introductie van een algemeneverantwoordingsbrief, gekoppeld aan meetbaarheid van kabinetsdoelstellingen, heeft naar mijn opvatting de aansluiting bij de begroting en de jaarverslagen verbeterd. De gehanteerde deliverymethodiek is nieuw voor Nederland en die is nog volop in ontwikkeling. De meerwaarde van die methodiek is dat, naast de inzet van beleid en de geleverde prestaties, wordt gekeken naar het maatschappelijk effect dat in de samenleving wordt bewerkstelligd. Vooral die laatste stap is niet eenvoudig te zetten binnen het tijdsbestek van één kabinetsperiode. Laat staan dat die goed te meten is. Dat is echter geen reden om daarvan af te zien. Elk kabinet weet zich in het proces van beleidsontwikkeling en uitvoering afhankelijk van vele andere partijen en partners, medeoverheden, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven, burgers en het parlement. Het beoogde effect van beleid is ook in hoge mate van hun bijdrage afhankelijk. Niet het kabinet zelf steekt de spa in de grond in geval van de bouw van een woning, de aanleg van een weg of van een bedrijventerrein. Het kan wel de rol vervullen van stimulator, regisseur en versneller, zoals bijvoorbeeld in het geval van de Crisis- en herstelwet. In een volgende periode zie ik vooral mogelijkheden om de doelmatigheid van het beleid, vertaald naar effecten voor de samenleving, verder te versterken. Daarbij kan worden overwogen, de doelstellingen zodanig te kiezen en te formuleren dat ze structurerend werken, dat ze meetbaar zijn op de punten input, output en outcome, dat differentiatie is toegestaan in de bijdrage van anderen en dat flexibel kan worden ingespeeld op de actualiteit van een veranderende politieke agenda. De aansluiting van de doelstellingen op de reguliere begrotings- en verantwoordingssystematiek is daarbij een belangrijk uitgangspunt. De eindevaluatie van het experiment verbetering en verantwoording begroting 2011 biedt volop mogelijkheden om daarover nader van gedachten te wisselen.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Ik hoor dat de minister-president nogal optimistisch spreekt over alles wat er is verantwoord, maar uit het rapport van de Algemene Rekenkamer blijkt dat er 44,3 mld. is uitgegeven zonder dat het doel bekend was. Daarnaast is 37 mld. uitgegeven, waarbij zeer beperkt is aangegeven of het doel wel bereikt is. Kan de minister-president uitleggen hoe dat zit?

Minister Balkenende:

Daar kom ik juist aan toe. Die vraag is namelijk ook gesteld door mevrouw Hamer. Ook de heren Van Geel en Rutte hebben daarover gesproken. Men vraagt hoe het precies zit met de percentages die mevrouw Verdonk zojuist noemde. Wat is er op dat vlak aan de hand? Daarbij moeten vier dingen worden genoemd. In de eerste plaats speelt een rol dat bij het opstellen van begrotingen en jaarverslagen drie vragen centraal staan. Wat mag het kosten? Wat gaan we met dat geld doen? Wat willen we bereiken in de maatschappij? De Rekenkamer constateert bij de vraag "wat mag het kosten?" een stijging van 87% naar 99% bij de beleidsartikelen. Bij de vraag "wat gaan we met dat geld doen?" constateert de Rekenkamer een stijging van 73% naar 76%. Bij de vraag "wat willen we bereiken?" constateert de Rekenkamer een stijging van 49% naar 51%. Kortom, er is sprake van een continue positieve ontwikkeling.

Het tweede dat moet worden genoemd, is het feit dat wij expliciet, en met instemming van de Rekenkamer en de Tweede Kamer, hebben afgesproken dat bij sommige beleidsartikelen het niet zinvol of mogelijk is om bij de vraag "wat willen we bereiken in de maatschappij?" beleidsinformatie op te nemen. Het gaat dan bijvoorbeeld om beleidsartikelen bij Defensie, overdrachten aan sociale fondsen, rente-uitgaven of financiering van het CPB. Bij die artikelen weten wij niet wat het maatschappelijk effect ervan is dat kan worden gemeten. Welke beleidsindicator is bijvoorbeeld zinvol voor Defensie? Wij beschrijven wel in kwalitatieve termen wat we willen bereiken.

Ik kom op het derde punt. Wij voeren met een aantal departementen een experiment uit met andere begrotingen en jaarverslagen. Dit experiment wordt uitgevoerd in samenwerking met de Rekenkamer en de Tweede Kamer. Onderdeel van dit experiment is, dat bepaalde beleidsinformatie niet meer bij de beleidsartikelen en het jaarverslag wordt opgenomen, maar in de beleidsartikelen van de begroting. Op die manier kunnen wij in de begroting uitgaven en ontvangsten beter in een historisch perspectief plaatsen. Dit experiment moet nog worden geëvalueerd.

Het vierde dat moet worden genoemd, is het feit het budgetrecht van de Kamer absoluut niet in het geding komt. Bij de begrotingsbehandeling wordt namelijk in de verschillende begrotingen aangegeven bij welke artikelen er geen beleidsinformatie kan worden gegeven. De Kamer heeft met deze begroting ingestemd. De Kamer heeft ook de mogelijkheid om bij de begrotingsbehandeling te stellen dat zij wél een meetbare indicator wil.

Wij hebben dus met elkaar afgesproken hoe wij de zaak zouden opbouwen, en waar wel en waar geen beleidsinformatie zou worden verstrekt. Ik heb goed gehoord dat de Kamer nu heeft gezegd dat het percentage wellicht anders zou moeten zijn. Ik stel dat het percentage voortvloeit uit de gemaakte afspraken over wat wij wel en wat wij niet zouden doen. Als de woordvoerders nu zeggen: wij vinden dat dit scherper moet worden gemarkeerd en wij willen meer informatie, dan zal dat nader moeten worden ingevuld. Wat wij nu hebben aangeleverd, vloeit voort uit de afspraken die zijn gemaakt.

Ik stel daarom het volgende voor. Ik heb goed naar de Kamer geluisterd. Men zegt: wij zouden liever een ander percentage hebben dan 41. Ik zeg op mijn beurt dat dit afhankelijk is van de afspraken die worden gemaakt. Als men niet tevreden is over het percentage, moet een nieuw kabinet daarover afspraken maken met bijvoorbeeld de commissie voor de Rijksuitgaven. Ik zie dat er veel meer wordt gemotiveerd en uitgelegd. Wij zijn met een percentage van 99,8 met de rechtmatigheid op het goede spoor. Een en ander is echter afhankelijk van de afspraken die wij met elkaar maken. Alles is openbaar en transparant. Dit is mijn antwoord op de vraag hoe het zit met de percentages. Ik heb uitgelegd langs welke lijnen dit alles tot stand is gekomen.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Ik vind dat de minister-president zich er weer heel gemakkelijk van afmaakt met zijn spreektekst. Het gaat hierbij wel om 81 mld. Niet bekend is waarvoor dit geld is uitgegeven. Het is niet bekend wat het doel is waarvoor men het heeft uitgegeven. Bovendien is bij 37 mld. niet neergezet wat het effect is geweest van de inzet van het geld. Wij hebben het dus over 81 mld. Met zo'n bedrag kan de minister-president toch niet tevreden zijn over de verantwoording? Hij kan het nu wel afschuiven naar de Kamer, maar hij staat hier nu een vrolijk verhaal te houden. Ik zou dat niet doen als ik de minister-president was.

Minister Balkenende:

Niet voor niets heb ik uitgelegd hoe het feitelijk is. Wij zeggen ook niet dat wij niet weten wat er gebeurt. Wij zeggen wel dat het bij sommige beleidseffecten moeilijk is om een indicator op te nemen. Ik heb zojuist het voorbeeld genoemd van Defensie. Waarvan moet je bij Defensie uitgaan? Wij hebben afgesproken wat we wel en wat we niet zouden toelichten. Dat heb ik zojuist uiteengezet. Mevrouw Verdonk mag dus niet het beeld oproepen als zouden wij helemaal niet weten wat er gebeurt. Ik zeg dat het soms lastig is om precies te bepalen wat de beleidsindicator moet zijn. Die moeilijkheid hangt samen met het onderwerp dat in beeld is. Voor een ander deel zijn afspraken gemaakt over wat we wel of niet zouden toelichten. Als de Kamer nu vindt dat er meer informatie moet worden gegeven, zeg ik: laat een nieuw Kabinet in overleg met de commissie voor de Rijksuitgaven dit punt nader onder ogen zien. Ik heb gemerkt dat verschillende woordvoerders meer willen. Als dat zo is, moet je daarover afspraken maken.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Ik kan mij voorstellen dat niet overal het effect kan worden berekend. Het doel waarvoor het geld wordt ingezet, moet je volgens mij echter wel altijd weten. Je wilt immers weten waarvoor je geld uitgeeft. Geld uitgeven doe je niet zomaar. Ik vind het daarom heel raar dat bij 44,3 mld. niet bekend is waarvoor het is ingezet. Ik kan mij er dus iets bij voorstellen dat je achteraf wellicht niet van al het geld het effect kan meten. Ik kan mij echter niet voorstellen dat je niet weet voor welk doel je geld uitgeeft. Dat kan toch gewoon niet! Het gaat daarbij om een bedrag van 44,3 mld.

Minister Balkenende:

Ja, maar dat betwist ik toch een beetje. We kunnen ons afvragen waarvoor het wordt uitgegeven. Soms heb je te maken met beleidsartikelen die heel concreet aangeven wat er gerealiseerd moet worden. Andere keren heb je te maken met uitgaven die een algemeen doel dienen. Je hebt ook te maken met de vraag of het geld rechtmatig wordt besteed. Dat percentage is buitengewoon hoog, dat weet mevrouw Verdonk ook. We geven niet in het wilde weg geld uit. De kern van het debat dat het nieuwe kabinet moet voeren is ten eerste de vraag hoe we willen aankijken tegen de beleidsinformatie en ten tweede de vraag of op al die onderdelen beleidsindicatoren worden gegeven; of zich dat verdraagt met de vragen die aan de orde zijn. Dat is de kern van het debat dat moet worden gevoerd. Laten we echter niet doen alsof er niet iets zou gebeuren. Dat is een merkwaardige voorstelling van zaken.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Ik citeer gewoon uit het rapport van de Algemene Rekenkamer. Volgens mij is dat heel helder. Ik begrijp de minister dus goed dat wanneer het debat zo meteen gaat over krachtwijken, hij mij precies kan vertellen wat het doel is van iedere euro die daaraan is besteed en of die effect heeft gehad? Dat zou ik bijzonder op prijs stellen.

Minister Balkenende:

Ik kom er straks op terug.

Mevrouw Thieme (PvdD):

Als ik de minister-president goed begrijp, zijn er afspraken gemaakt over de vraag waarover wel en waarover niet informatie wordt verstrekt en over de vraag in hoeverre een bepaalde maatregel effect heeft gesorteerd. Is er ook afgesproken dat er van meer dan 80% van de lopende subsidies sinds 2005 het effect niet gemeten is? Dat staat namelijk ook in het rapport van de Algemene Rekenkamer. Het gaat dan over een bedrag van 4,7 mld.

Minister Balkenende:

Ik heb daar toevallig over gesproken met de minister van Financiën, toen het ging over de vraag wat je doet met subsidies die een fiscaal karakter hebben. Het is niet zo dat je continu alles weegt of onderzoekt, maar vaak worden er wel steekproeven genomen. Er vinden van tijd tot tijd wel discussies plaats over de vraag hoe het zit met deze instrumenten, maar dat wordt niet in volle omvang gedaan. Verder begreep ik zo-even – de minister van Financiën moet dit maar nader duiden – dat als je bepaalde subsidies, bepaalde belastinguitgaven, tegen het licht houdt, er vaak wel weer een argument is in de Kamer om te zeggen dat het maar ongecontroleerd moet blijven. Dit terwijl je toch de moed zou moeten hebben om te zeggen dat bepaalde subsidies of belastinguitgaven moeten worden teruggedrongen.

Mevrouw Thieme (PvdD):

Ik kan mij voorstellen dat je bepaalde keuzes maakt, omdat je ze wellicht niet allemaal kunt evalueren. Als je echter van meer dan 80% van de subsidies gewoonweg het effect niet weet, vind ik dat zorgelijk. Is de minister-president het met mij eens dat dit zo snel mogelijk moet veranderen?

Minister Balkenende:

Ik had het zojuist over de vraag wat je vindt dat er gedaan moet worden aan het percentage waarover mevrouw Thieme vragen heeft gesteld. Dat heb ik toegelicht. Mevrouw Thieme vraagt of je niet naar een systematiek toe moet om subsidies, belastinguitgaven, scherper onder ogen te zien. Ik denk dat het sowieso noodzakelijk is, maar om een andere reden. Het nieuwe kabinet en de nieuwe Kamer staan aan het begin van een debat over de vraag waar het geld aan uitgegeven moet worden: de heroverwegingsoperaties. De subsidies zullen daarvan absoluut onderdeel uitmaken. In het kader van dat debat kun je ook de discussie met elkaar aangaan over de vraag of je doorgaat met de bestaande subsidies en, als je subsidies intact laat of kiest voor nieuwe, hoe je omgaat met de vragen die mevrouw Thieme stelt. Dat lijkt me een mooie opdracht voor de toekomst.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Ik ga even terug naar het begin van de beantwoording door de minister-president op dit onderdeel. Ik heb vragen gesteld over het percentage van 41, dat verhoogd is ten opzichte van vorig jaar. Ik hoor de minister-president zeggen dat dit komt door de afspraken die wij met elkaar hebben. Ik blijf dan toch achter met de vraag waarom het dan vorig jaar wel lukte om voor meer onderwerpen een goede verantwoording te geven. Als kabinet en Kamer onvoldoende goed verkeer hebben en daardoor geen zicht krijgen op de doelen, doen ze op zijn minst allebei iets fout en moeten ze bovendien daarover eerder dan aan het einde van het jaar communiceren, gezien de grootte van het verschil.

Minister Balkenende:

Ik heb aangegeven wat de achtergronden hiervan zijn. Ik heb ook aangegeven dat als de Kamer vindt dat het percentage lager zou moeten zijn, er goede werkafspraken over moeten worden gemaakt. Ik kan het nu niet veranderen; het is nu zoals het is.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Dat begrijp ik wel. De minister-president verklaart daarmee echter niet waarom het zo is opgelopen het laatste jaar.

Minister Balkenende:

Ik heb het algemene kader geschetst van hoe het is ontstaan. Het heeft soms te maken met de materie zelf, die zich niet leent voor een bepaalde beleidsindicator omdat andere zaken een rol spelen. Je kunt wel aangeven waaraan het geld moet worden besteed. Dan moet er ook worden getoetst op rechtmatigheid. Bovendien heb je te maken met de vraag hoe je omgaat met het duiden van de beoogde effecten in de begrotingsstukken. Dat heb ik net aangegeven. Ik heb duidelijk gemaakt hoe het is ontstaan. Het is ook te verklaren hoe het van 25% naar 41% is gegaan. Ik kan het niet anders presenteren, want zo liggen de feiten. Als de Kamer vindt dat het anders moet, zullen daar nadere afspraken over moeten worden gemaakt. Dan spreken we wel over de technische aspecten van de inrichting van het begrotingshoofdstuk en de begrotingsartikelen. Ik herhaal dat afspraken zijn gemaakt over wat zou worden bekeken.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Hamer.

Mevrouw Hamer (PvdA):

We kunnen dan toch bijna niet anders dan de conclusie trekken dat er nieuwe afspraken moeten komen. Als volgend jaar bij het aantreden van een nieuw kabinet de systematiek, want zo versta ik de minister-president, zou uitlokken dat we dan van 60% niet weten wat uit wordt gegeven, zijn we met een heel vreemd proces bezig. Ik hoor graag van de minister-president dat hij het zelf ook noodzakelijk vindt, want dit is natuurlijk geen beeld naar de buitenwacht.

Minister Balkenende:

Wij zijn nu demissionair, maar ik heb naar u geluisterd. Van verschillende kanten zijn vergelijkbare opmerkingen gemaakt. Precies om die reden heb ik gezegd dat het op de weg van een nieuw kabinet ligt om met de commissie voor de Rijksuitgaven hierover afspraken te maken. Als u er behoefte aan hebt dat ik dit in de vorm van een aantekening geef aan degene die te zijner tijd een kabinetsinformatie doet, ben ik daartoe graag bereid, gewoon als een aandachtspunt dat voortvloeit uit dit debat.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Dat lijkt me sowieso goed, maar misschien kunnen we ook vandaag vaststellen dat het zo is en dat als het ware met elkaar afspreken.

Minister Balkenende:

Ja.

De voorzitter:

De minister vervolgt zijn betoog.

Minister Balkenende:

De heer Van der Staaij vraagt hoe ik verklaar dat het merendeel van de doelstellingen de afgelopen jaren verder achterop is geraakt. Er zijn 74 doelstellingen en 10 projecten. 17 blijven in het jaar 2009 achter bij de beoogde doelrealisatie.

Daar zijn drie factoren voor aan te geven. Een factor hangt samen met de economie. Dat is vorig jaar ook gezegd. Als je te maken hebt met een economische terugval van ongekende omvang, kun je niet alles realiseren. Dat geldt voor drie doelen en twee projecten. Dat is echt het gevolg van de economische crisis.

Dan zijn er de doelstellingen die te maken hebben met veiligheid of jeugdzorg. Bij de achterblijvende veiligheidsdoelstellingen is de oorzaak van de beperkte voortgang vooral gelegen in de hardnekkigheid van de problematiek en niet in de inzet van het beleid. De jeugdzorgdoelstelling hangt met name samen met de vertraagde opening van de Centra voor Jeugd en Gezin. De vicepremier gaat daar straks nader op in. Als je 2010 erbij betrekt, blijkt het beeld rondom dat soort doelstellingen alweer veel beter dan voor 2009.

Dan zijn er nog vijf andere doelstellingen. Die kun je gewoon afzonderlijk duiden. Het heeft soms te maken met een wetgevingstraject dat nog loopt en soms met de weerbarstigheid van de materie. Het is dus goed aan te geven. Ik vind deze score bepaald niet slecht. We hebben vorig jaar aangegeven dat de economie minder zal worden en dat we op een aantal fronten meer problemen zullen krijgen. Ik vind het over het algemeen een heel behoorlijke score.

Mevrouw Hamer heeft de interessante vraag gesteld hoe het nu zit met de morele agenda, ook in relatie tot het aanvullend beleidsakkoord. Toen we voor dit akkoord kozen, is nadrukkelijk het punt van de morele agenda naar voren gebracht. We hebben namelijk gezegd: de crisis gaat over meer dan alleen geld. De financieel-economische crisis, de millenniumontwikkelingsdoelen en het milieu- en klimaatvraagstuk moet je eigenlijk in samenhang bekijken. Er is een morele component. Wat zich heeft afgespeeld in de financiële sector, is niet alleen een kwestie van financiële techniek. Het heeft ook te maken met houding en gedrag. Het raakt dus het thema van waarden en normen in de samenleving.

Het ging om de doorgeschoten onevenwichtigheden in de financiële sector. De financiële sector in Nederland heeft gekozen voor een eigen gedragscode: de Code Banken. Dat is nooit eerder gebeurd, maar op deze manier gebeurde het wel. Het kabinet acht het van groot belang dat die principes daadwerkelijk worden nageleefd. De monitoringcommissie zal daarom vervroegd rapporteren, na de zomer. Er zal bijzondere aandacht worden besteed aan de beloningsprincipes in de code. Dat is één voorbeeld. Een tweede voorbeeld. We hebben de wet normering uit publieke middelen gefinancierde topinkomens. Die ligt nu bij de Raad van State. Dat wetsvoorstel maximeert of normeert de inkomens van de top van de publieke en semipublieke sector.

De morele agenda gaat natuurlijk ook over de balans in de economie. Onze samenleving moest op cruciale punten worden versterkt, zodat Nederland beter voorbereid op de toekomst uit de crisis kan komen. Dat is eigenlijk de combinatie van begrotingsevenwicht, aanpak van de werkgelegenheid, het leefbaar houden van de binnensteden en het bouwen aan een duurzame en innovatieve economie.

Dan is er nog een onderscheid te maken tussen de nationale en de internationale agenda. In het kader van de G20 hebben wij zeer nadrukkelijk gesproken over de morele component. U weet dat Nederland zeer actief is geweest om twee punten naar voren te brengen: het hele aspect van toezicht – hoe krijg je dat op een hoger plan? – en de doorgeschoten bonuscultuur. Op verschillende bijeenkomsten hebben wij deze zaken naar voren gebracht, ook in overleggen met de vorige minister van Financiën. Ook in andere debatten heb ik steeds gesteld dat het samenhangt met die morele component. Het raakt ook de vraag van economische ordening. Dat is allemaal naar voren gebracht. De manier waarop de Nederlandse regering zich bij de voorbereiding van de Europese raden, mede in samenspraak met de Kamer, heeft ingezet inzake deze onderwerpen, wat haar inzet is geweest bij de G20 en wat wij nu naar voren brengen – denk aan de bankenheffing en andere zaken – raken deze morele agenda. Als je de vragen van deze tijd zou ontdoen van die morele component, heb je problemen. Ik geef een aantal voorbeelden waaruit blijkt dat de regering de morele agenda nationaal en internationaal heeft willen oppakken.

Mevrouw Hamer (PvdA):

U zegt twee dingen die enigszins tegenstrijdig zijn. U zegt dat de morele agenda over meer ging dan de financiële crisis, namelijk ook over die andere dingen. Wij hebben destijds een debat daarover gevoerd. U zegt dat het ging over normen en waarden. Ik kan mij herinneren dat u na het sluiten van het akkoord zei: eigenlijk hebben wij het nu pas over de echte balkenendenorm gehad; die ging niet alleen over de financiële wereld maar ook over de publieke sector. Maar die ging volgens mij ook over de voorbeeldfunctie. Ik heb u toen zo verstaan dat u voor de balkenendenorm ging staan en dat wij iets gingen doen aan de hele cultuur van meer en meer willen hebben. In het tweede deel van uw antwoord verengt u het weer tot de financiële wereld. Wat hebt u in uw rol van minister-president breder dan die financiële wereld gedaan aan die cultuur en met wat u zelf de echte balkenendenorm noemde?

Minister Balkenende:

U hebt het juist geformuleerd: de discussie is begonnen rondom het hele complex van de financiële sector, aangezien daarbij sprake was van een doorgeschoten cultuur. Toen hebben wij gezegd: dat raakt aan een scheefgegroeide houding. Daarom kom ik bij mijn voorbeelden op zaken als de bankencode, de bonuscultuur mondiaal en vragen als: hoe ga je om met je morele verantwoordelijkheid om, hoe zit het met de beloningsstructuur en wat doet Nederland op het gebied van toezicht? Dat is één deel.

Wij hebben het in het tweede voorbeeld gehad over vragen als: hoe kijk je aan tegen het zakendoen? Een thema als maatschappelijk verantwoord ondernemen is buitengewoon belangrijk. Weet je combinaties te krijgen van innovatie en duurzaamheid? Toen wij het vorig jaar hadden over het aanvullend beleidsakkoord hebben wij om die reden gezegd: als wij de economie gaan stimuleren, dan proberen wij daarbij een verband te krijgen tussen economische dynamiek en duurzaamheid. Dat is weer een voorbeeld van moreel stilstaan bij vragen als: hoe kijk je aan tegen zakendoen en hoe stimuleer je de economie? Ik hoef het pakket nu niet toe te lichten, maar ook dat is een onderdeel daarvan.

Het derde punt ging over de discussie: hoe gaan wij met elkaar om en wat is de rol van waarden in de samenleving? Dat is een nog veel bredere discussie. Maar de volgende twee elementen zijn van grote betekenis. Wij moeten ervoor uitkijken dat de financiële sector in de oude sjablonen vervalt, want dan gaat het absoluut fout. Wij zijn er ook nog niet van af, want u ziet ook dat er soms een terugval is, zoals met de bonuscultuur in de VS bijvoorbeeld. Daarnaast hebben wij die morele component bij alles wat wij doen in de gaten te houden. Dat geldt voor een thema als maatschappelijk verantwoord ondernemen, maar evenzeer voor de activiteit die de overheid zelf verricht. Ik heb het voorbeeld genoemd van welke keuzes wij hebben gemaakt bij het aanvullend beleidsakkoord.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Ook dit zijn voorbeelden uit de financiële sector, met name het voorbeeld over de bankensector. Maar toen u sprak over de balkenendenorm sprak u veel meer over het voorbeeldgedrag van managers, mede in de publieke sector, over de hoge salarissen die daar ontwikkeld werden en over het streven naar steeds maar meer en meer verdienen waarbij je niet kijkt naar hoe je bedrijf of organisatie meegaat. Daarvan zei u: dat maak ik tot mijn eigen agenda. Ik hoor u dat nu weer onderstrepen. Dan mogen wij op een of andere manier in de verantwoording terughoren wat u daar zelf, buiten de financiële wereld – dat behoorde immers toch meer tot de competentie van de minister van Financiën – aan hebt gedaan.

Minister Balkenende:

Het gaat niet alleen om de financiële sector. Ik heb net het voorbeeld genoemd van het wetsvoorstel dat bij de Raad van State ligt, het wetsvoorstel normering uit publieke middelen gefinancierde topinkomens. Dat is een voorbeeld dat los staat van de financiële sector. Dat is gewoon wat gebeurt in de publieke en semipublieke sector. Ook dat is een voorbeeld van hoe je zaken aanpakt. Wat het andere punt betreft heb ik zo-even aangegeven dat het gaat om de verbinding tussen innovatie en duurzaamheid. Bekend is waarom we hebben gekozen voor zaken als wind op zee, energiebesparing van woningen, projecten in het kader van duurzaam ondernemen, de maatregelen voor de kenniswerkers, enzovoort. Dat zijn allemaal voorbeelden die te maken hebben met die morele component. Ik heb daarbij de financiële sector genoemd, de topinkomens in de publieke en semipublieke sector en ik heb het erover gehad hoe je de economie kunt stimuleren en welke rol duurzaamheid daarin speelt.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Ik heb twee vragen die niet direct in elkaars verlengde liggen. De minister-president refereert aan de discussie met de G20 als het gaat om de financiële problemen, als het gaat om de normen en waarden in het financiële stelsel. Het blijkt buitengewoon moeilijk te zijn om binnen Europa daarover goede afspraken te maken, laat staan met Amerika. Kan de minister-president toelichten hoe hij wat dat betreft in de toekomst echt een slag wil maken op basis van de normen en waarden – waar ik het overigens mee eens ben – die hij heeft uiteengezet?

Mijn tweede vraag gaat erover dat de crisis breder is dan alleen maar de financiële sector. Ik wijs in dit verband op de Niger-campagne als het gaat om armoede en om waterveiligheid en om zaken waar men in de derde wereld zelf niet voor kan zorgen. Nederland heeft wat dat betreft ook een inspanning. Hoe krijgt dat kleur in al het geweld als we het alleen maar hebben over de financiële tekortkomingen van deze maatschappij?

Minister Balkenende:

Twee heldere en goede vragen. Over de G20 kan ik kort zijn, omdat wij elkaar in G20-verband hebben aan te spreken precies op die morele component. Ik heb zojuist aangegeven: dat raakt het thema toezicht, dat raakt het thema bonuscultuur en dat raakt ook het thema – dat zal er absoluut bijkomen – het nemen van risico's. Voor de komende G20-top in Toronto, waarvoor wij zijn uitgenodigd zoals men weet, zullen wij ons daarvoor inzetten. Dat vind ik een heel duidelijk aanknopingspunt.

Ik voeg er het volgende aan toe. Er wordt wel gesproken over allerlei financiële instellingen, waar de minister van Financiën misschien iets over kan zeggen, maar daar hoort ook bij dat landen hun zaakjes op orde moeten houden. Terecht is vandaag gesproken over Griekenland. Als je het toch over morele normen hebt, kan men zich afvragen wat er is gebeurd met het vals voorstellen van zaken. Het kan natuurlijk niet dat het financieringstekort veel hoger is dan officieel uit de boeken bleek. Je mag nooit zo met elkaar omgaan, omdat de ontwikkeling in zo'n land relevant is voor bijvoorbeeld het vertrouwen in de markt. Het op orde houden van de overheidsfinanciën is een nadrukkelijk voorbeeld van die morele component. Daarom hechten wij zozeer aan een effectiever instrument in het kader van het Stabiliteits- en Groeipact, elkaar kunnen aanspreken, sanctiemechanismen, enz.

Dan het tweede punt. De heer Cramer heeft volkomen gelijk dat het om meerdere zaken gaat. We hebben steeds gezegd dat de derdewereldproblematiek, de millenniumontwikkelingsdoelen en de klimaatdoelen in samenhang moeten worden gezien. Ik vind het erg teleurstellend dat we mondiaal niet in staat zijn gebleken om nu eindelijk de WTO-onderhandelingen af te ronden. Toen we vorig jaar in London bij elkaar waren met de G20 is gezegd: we moeten eigenlijk in 2010 die hele zaak afronden. Waarom is dat van belang? Om ervoor te zorgen dat juist de minst ontwikkelde gebieden in de wereld een reële kans hebben op de wereldmarkt. Dat is nog steeds niet gelukt. Ik vind dat buitengewoon jammer.

Ik zie ook een morele component bij het thema klimaat. We hadden graag gezien dat we met onze Nederlandse inzet meer hadden bereikt in Kopenhagen om de simpele reden dat je mondiale afspraken nodig hebt voor een level playing field. Kortom, landen zullen hun inspanningen moeten versterken om ontwikkelingsdoelen te bereiken. De WTO-onderhandelingen moeten worden afgerond en in het verlengde daarvan moeten derdewereldlanden kansen hebben in het mondiaal economisch verkeer. Dit zijn allemaal elementen die nadrukkelijk te maken hebben met de morele component.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Ik dank de minister-president voor de antwoorden. Zijn reactie over het Stabiliteits- en Groeipact heb ik onderstreept, ook eerder in discussies met de minister van Financiën. Het gaat mij om de internationale financiële instellingen, met name in Amerika, die juichend hun bonussen presenteren, inclusief hun geweldige winsten als gevolg van de steun van de Amerikaanse overheid. Daar is buitengewoon weinig sprake van een normen- en waardenbesef. Ik vraag de minister-president of wij voortdurend moeten blijven hameren op de noodzaak daartoe of dat wij misschien zelfs afstand nemen van dat soort markten om op een gegeven moment te laten zien dat we het in Europa anders willen.

Dan het antwoord op mijn tweede vraag. De minister-president zegt dat we kunnen blijven hameren op de duurzaamheidsdoelstellingen. Hij haalt de WTO aan, de bestrijding van de armoede, onderwijsmaatregelen, alles wat met de Niger-campagne te maken had. Wat is de rol en de positie van Nederland om naast het bestrijden van deze mondiale economische crisis ook dit soort zaken op de agenda te houden, er zelf als land een slag in te maken en niet alleen maar te wijzen dat het internationaal niet gebeurt, dus dat wij het ook niet doen?

Minister Balkenende:

Nee, maar u weet ook van de debatten die wij de afgelopen jaren hebben gevoerd, dat Nederland altijd een actieve speler is. Dat is precies onze inbreng geweest in het klimaatdebat in Europa. U herinnert zich mijn briefwisseling met Tony Blair en de inzet van voormalig ministers Koenders en Cramer in het verleden. U weet hoe actief wij zijn geweest, ook in de contacten die we hadden in Kopenhagen. Op al die terreinen is Nederland een actieve speler, en dat moeten we vooral ook blijven. Dat betekent ook dat we in de gremia die voorbereidende activiteiten verrichten, zoals de raden van Europa, over deze onderwerpen spreken. Je moet ervoor zorgen dat er in het voortraject wordt gecommuniceerd, ook in de bilaterale contacten. Als ik spreek met de president van China, Brazilië of welk land dan ook, praat ik ook steeds over ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid en dat geldt voor andere bewindslieden evenzeer. Op alle mogelijke manieren moet je deze actieve inzet hebben om meer te bereiken, want er is nog heel veel te doen. Dat is feitelijk uw appel en dat versta ik zeer wel.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik ben het eens met de minister-president, maar vroeg of laat leidt een appel tot een conclusie of het appel nog zin heeft en dan zul je als land zelf actie moeten nemen. Ik vraag de minister-president of het streven van de regering is om uiteindelijk zelf ook de knoop door te hakken, als er een beslissing genomen moet worden, en dan niet te lang te wachten op getreuzel, als dat zich in internationaal verband zou voordoen.

Minister Balkenende:

Dat begrijp ik, maar dan moeten we wel even kijken naar de schaal waarop zoiets zich afspeelt. Kun je een emissiehandelssysteem zomaar in Europa introduceren als je een mondiale markt hebt? Dat is buitengewoon lastig. Wat nu gebeurt, is dat landen van goede wil elkaar opzoeken na Kopenhagen, juist om voortgang te krijgen, waarschijnlijk eerst met concrete stappen, maar je moet wel weten wat je wilt bereiken. Dat ontslaat je niet van de verplichting om zelf zorgvuldig te zijn op het gebied van klimaat of wat dan ook. Natuurlijk heb je je eigen verantwoordelijkheid. Je hoeft niet altijd te wachten, maar je moet wel even kijken hoe de effecten neerslaan, en dat is een kwestie van verstandig handelen.

De heer Roemer (SP):

Voorzitter. Ik was even getriggerd omdat de minister-president het over de morele agenda heeft, in één adem met de bonussencultuur. In de Code Banken is niets meer en niets minder afgesproken dan dat er geen bonussen boven 100% van het salaris mogen worden uitgekeerd, behalve als je er een goede reden voor hebt. Dan mag het er wel boven. En het geldt ook nog alleen voor bestuurders. Ik kan mij niet voorstellen dat dit de morele agenda van de minister-president is. Waarom kwam hij niet al veel eerder met een totaal bonusverbod voor banken met overheidssteun en waarom komt hij daar nu niet mee?

Minister Balkenende:

Als wij zouden kiezen voor een bonusverbod op nationale schaal, weet ik wat er gaat gebeuren. Dan krijg je dat het voor banken haast onmogelijk zal zijn, zeg maar onmogelijk, om geschikte CFO's te vinden. Je diskwalificeert je internationaal. Zo werkt het niet. We hebben gekozen voor een code. Je merkt nu al dat die code in Nederland bepaalde concurrentie-effecten heeft. Niettemin is daarvoor gekozen en dat vind ik goed. De heer Roemer verschilt van mening met het kabinet, ook in missionaire samenstelling, over de manier waarop dit zou moeten. Ik denk dat zijn voorstel enorme consequenties zou hebben en dat is niet mijn keus. Ik vind wel dat we naar die cultuur moeten kijken. Daarom vind ik de code gewoon goed, maar dat is het dan ook. Op dat punt wil de heer Roemer verdergaan, maar ik niet.

De heer Roemer (SP):

Ik vind het heel erg wat ik hoor. U hebt er miljarden voor over om die banken niet failliet te laten gaan en vervolgens wilt u niet afdwingen dat daar tegenover mag staan, op basis van uw morele agenda, dat er geen bonussen worden uitgekeerd. Daar hebben we het over. Ik refereer nog even aan ons eerdere debatje, hier net voor, dat er geen politieke keuzes waren om armoede onder kinderen aan te pakken. Ik begin ernstig te betwijfelen of uw morele agenda wel de mijne is, maar ik hoef niet te twijfelen, want dat is deze absoluut niet.

Minister Balkenende:

Ik begrijp uw opvattingen over de aanpak van de bonuscultuur, maar ik heb net aangegeven dat je ook oog moet hebben voor de context waarin banken die internationaal werken, hebben te opereren. Er zijn tal van landen die helemaal geen code hebben. Wij gaan al verder dan andere landen. Je moet ook oog hebben voor de context waarin je je bevindt. Nederland is al verder dan menig ander land. We zullen onze opvattingen uitdragen, maar u wilt echt heel erg ver gaan. Ik denk dat dit negatieve gevolgen zal hebben.

De heer Roemer (SP):

De context is dat diezelfde banken hebben gegokt met andermans geld en dat zij onaanvaardbare risico's hebben genomen, waardoor de hele financiële markt ineen is geklapt. Dat is de context waar wij over praten. De belastingbetaler in Nederland heeft er miljarden voor over moeten hebben om die banken niet failliet te laten gaan. En dat is geen context om perverse bonussen aan te pakken?

Minister Balkenende:

Ik heb aangegeven dat Nederland wat betreft zo'n code verder gaat dan tal van andere landen. Er zijn zelfs landen die niet zo'n code hebben. Daarnaast moet je oog hebben voor de internationale context. Wij praten over een bankenbelasting. Die discussie voert Nederland en dat dragen wij internationaal uit. De heer Roemer wil kennelijk een nationaal instrument inzetten, maar dat kan wel eens contraproductief werken.

Binnen het kabinet zien wij de irritatie en wat er in het verleden is gebeurd in de banksector. Wij hebben daarom niet voor niets gezegd dat er een bankencode moet komen. De vorige minister van Financiën heeft zich daarvoor met name ingezet. Dat was een verstandige houding. De heer Roemer zegt dat dit veel te weinig is. Dan verschillen wij dus van opvatting.

Ik blijf even bij de heer Roemer. Hij vroeg ook naar de opmerking van de vicepresident van de Raad van State over de dominantie van het marktdenken in het bestuur. De heer Roemer concludeert hieruit dat de overheid als bedrijf failliet is. Ik heb net als de heer Roemer met veel interesse kennisgenomen van de algemene beschouwing van de vicepresident van de Raad van State. De vragen die hij aanzwengelt over de verhouding tussen markt, overheid en burgers, zijn belangrijk. Daarom praten wij daar ook over.

De heer Roemer en ik zullen het erover eens zijn dat er essentiële publieke belangen zijn gemoeid met zaken als een goede energievoorziening, deugdelijk openbaar vervoer en een goede zorg voor allen. Ik heb een ander oordeel dan de heer Roemer over de vraag hoe wij die publieke belangen moeten organiseren in de samenleving. De heer Roemer stelt namelijk met zoveel woorden dat de overheid geen bedrijf is en dat de markt de schuldige is van slechte prestaties. Dat zie ik wat anders. Het gaat er niet om dat publiek eigendom van bedrijven in algemene zin beter is of dat de markt in algemene zin het beste werkt. Het is ook een denkfout dat bedrijfsmatig werk per definitie bureaucratie inhoudt, zoals de heer Roemer lijkt te suggereren. Als wij in de afgelopen decennia in Nederland iets hebben geleerd, dan is het dat het niet om meer markt of meer overheid gaat, maar om een duurzaam bloeiende economie en een sterke samenleving. Beide hebben elkaar nodig en versterken elkaar. Wij moeten dus vooral zoeken naar mogelijkheden om ruimte te geven aan de economische dynamiek binnen maatschappelijke voorwaarden. Deugdelijke wet- en regelgeving is dan ook noodzakelijk voor de borging van publieke belangen.

Om de publieke belangen van energievoorziening te borgen hoeft de overheid niet eigenaar te zijn. Wij moeten echter durven om in wet- en regelgeving de voorzieningszekerheid, de betaalbaarheid en de duurzaamheid te borgen. Om de publieke belangen van openbaar vervoer te borgen hoeven wij niet eigenaar te zijn en is bedrijfsmatig denken al helemaal geen taboe. Er is wel een deugdelijke aanbestedingssystematiek nodig. Om publieke belangen van de zorg te borgen zijn geen staatsziekenhuizen nodig, maar kwaliteit en toegankelijkheid van de zorg moeten wel geborgd zijn. De evaluatie van de verschillende marktwerkingsoperaties die enkele jaren geleden op verzoek van de Kamer werd uitgevoerd, was uiterst nodig, maar leverde in algemene zin geen grote wantoestanden op.

De heer Roemer (SP):

Dat moet de minister-president eens uitleggen aan de mensen in de thuiszorg. Als er van alle sectoren die hij noemt een voorbeeld is waar het gigantisch uit de klauwen is gelopen en het marktdenken in de publieke sector heeft geleid tot enorme bureaucratie, ontslag van heel veel mensen en uitbuiting van het personeel qua arbeidsvoorwaarden, dan is dit de thuiszorg.

De minister-president geeft aan dat marktdenken noodzakelijk is. Ik ben blij dat hij daar duidelijk over is, want dan weten de kiezers straks wat zij aan ons hebben. Het is mij heel duidelijk dat in de zaken die van ons allen zijn, het marktdenken ongelooflijk veel concurrentie heeft bevorderd. Dat heeft bureaucratie en het uitbesteden van werk tot gevolg gehad, net als ontslag van personeel dat onder veel mindere arbeidsvoorwaarden aan de slag moest. Mensen die behoefte hadden aan zorg kregen ineens zeven verschillende mensen op hun stoep, die de zaken in twee minuten moeten doen. Dat is het marktdenken van de minister-president. De heer Tjeenk Willink had inderdaad groot gelijk. De kiezer weet wel waar wij voor moeten staan.

Minister Balkenende:

Ik herinner mij op dit terrein heel veel debatten met de voorganger van de heer Roemer, mevrouw Kant. Op dat punt kunnen wij elkaar niet overtuigen, maar ik heb goed geluisterd naar wat hij heeft gezegd.

De heer Roemer (SP):

Ik beschouw dat als een groot compliment.

Minister Balkenende:

Dat is een mooie afronding van dit blokje.

De heer Roemer (SP):

Ik heb alle tijd hoor. Ik kan mij voorstellen dat de minister-president op deze moeilijke vragen heel moeilijk een antwoord kan geven.

Minister Balkenende:

Dit debat hebben wij heel vaak gevoerd. Ik heb ook voorbeelden genoemd van thuiszorg waarbij wel sprake is geweest van goede effecten. Ik heb ook aangegeven dat juist doordat er meer mogelijkheden zijn, er ook nieuwe initiatieven naar voren zijn gekomen. Ik heb bijvoorbeeld ook gewezen op een initiatief als buurtzorg, dat met veel minder bureaucratie werkt en dat met teams werkt die een veel betere kwaliteit leveren. Dat zorgt voor tevredenheid bij de klanten. Ook dat zijn elementen die ertoe doen. Nu weet ik ook wel dat er ook problemen zijn geweest. Ik loop daar niet voor weg. Maar er zijn ook een aantal andere kanten te noemen. Dat heb ik dan ook graag willen doen.

De heer Roemer (SP):

U kunt wel zeggen dat er ook andere voorbeelden zijn. Ik hoor ze graag als het gaat om de thuiszorg. Ik pak even een duidelijk voorbeeld bij de kop van marktwerking waarbij iets compleet kapotgemaakt is. De praktijk is geweest dat wij de zorg hebben geknipt en dat er bezuinigd is op die zorg. Er zijn aanbestedingen geweest waarbij de diensten uiteindelijk voor het laagste bedrag aanbesteed zijn. De gevolgen daarvan waren dat mensen ontslagen zijn en vervolgens als alfahulp voor een lager salaris terug konden komen. De gevolgen daarvan waren dat mensen die behoefte hadden aan zorg, van de ene op de andere dag hun vertrouwde kracht kwijtraakten. Ik ben gisteren in Twente geweest. Het was daar één grote puinhoop in de thuiszorg. Wat is dan uw weerwoord daarop waaruit blijkt dat de marktwerking in de thuiszorg toch positieve effecten heeft gehad? Die zijn er niet!

Minister Balkenende:

Ik heb al aangegeven dat de situatie niet overal hetzelfde is. U doet net alsof het overal niet werkt. Ik kan ook genoeg voorbeelden uit de praktijk noemen waarbij juist wel sprake is van voordelen. Ik heb een concreet voorbeeld genoemd van een instelling die gebruikmaakt van de mogelijkheden die er zijn en die gewoon in de praktijk tot grote klanttevredenheid leiden. Je ziet dat zo'n concept aanslaat en zich uitrolt over heel Nederland. Kortom, wat ik wil zeggen is het volgende. Ik loop niet weg voor problemen, maar ik zeg ook dat het geen zwart-witverhaal is. Dat is mijn oordeel.

Voorzitter. Er is een enkele vraag op het gebied van veiligheid gesteld. De heer Cramer heeft gesproken over de noodzaak om de samenwerking tussen politie, justitie en gemeenten te versterken. Daarbij hoort ook de uitvoering van de gedragsmaatregelen zoals afgesproken in het regeerakkoord. Ik wil daarover het volgende zeggen. Juist in de samenwerking tussen partners in de strafrechtketen is veel geïnvesteerd. Ik wijs bijvoorbeeld op het landelijk dekkend netwerk van 45 Veiligheidshuizen. In deze huizen werken gemeenten, jeugdzorginstellingen, politie en justitie samen in de aanpak van criminaliteit en overlast. In een Veiligheidshuis wordt een persoonsgerichte afspraak gemaakt over wie met welke interventie gaat ingrijpen.

Dit kabinet heeft daarnaast inderdaad verschillende pilots met gedragscontacten en burgemeestersbevelen volgens het "doe normaal"-principe opgezet. U kent het project FF Kappe in Rotterdam. De Kamer is 21 januari 2010 geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de verschillende pilots. Centraal staat de persoonsgerichte en gebiedsgerichte aanpak om hinderlijk, overlastgevend en crimineel gedrag door jongeren tegen te gaan. Het nieuwe artikel 172a van de Gemeentewet, opgenomen in het wetsvoorstel Voetbalvandalisme en ernstige overlast, biedt een meer uitgebreide wettelijke grondslag voor de gedragsmaatregelen. Met deze wijzigingen kunnen wij langer durende openbare-ordemaatregelen worden genomen waarmee ordeverstorende gedragingen kunnen worden aangepakt. Het wetsvoorstel wordt nu behandeld in de Eerste Kamer.

De heren Rutte en Van der Staaij hebben gevraagd wat het kabinet doet aan overvallen bij mensen thuis, aan vandalisme en aan de aanpak van overlast en verloedering. Helaas moeten wij constateren dat de ervaren overlast de afgelopen jaren sinds 2006 met 6% is toegenomen. De toename van het aantal delicten is vooral toe te schrijven aan vandalisme. De overlast bevindt zich daarmee weer op het niveau van 2002. Uit de integrale veiligheidsmonitor over 2009 bleek daarnaast dat de verloedering weliswaar met 3% afnam ten opzichte van 2006, maar de doelstelling is nog verre van behaald.

Die constatering onderstreept de noodzaak van de maatregelen die het kabinet de afgelopen jaren in gang heeft gezegd om overlast en verloedering terug te dringen. Niet alle voorgenomen maatregelen konden het afgelopen jaar worden ingezet. Zo ligt het wetsvoorstel inzake voetbalvandalisme nog bij de Eerste Kamer. Maar wel kunnen de G4 sinds begin 2009 de bestuurlijke strafbeschikking inzetten om overlast terug te dringen. Tot 15 september 2009 werden door de griffier circa 8300 strafbeschikkingen uitgeschreven. Dit wordt uitgebreid naar alle gemeenten. Daarnaast is in 2009 153 mln. extra uitgetrokken voor de aanpak van overlast en verloedering in 40 gemeenten in 2010 en 2011. Met deze 40 gemeenten is afgesproken dat zij zich maximaal inspannen om overlast en verloedering aan te pakken. De hoofdthema's in die aanpak zijn jeugdoverlast, alcoholmisbruik door veelal jongeren, en fysieke verloedering. Ten slotte wijs ik op het sympathieke initiatief van de Week van Nederland Schoon die van 15 tot en met 20 maart 2010 is gehouden. Ook een schone omgeving leidt immers tot minder verloedering en tot meer veiligheid.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

De minister had het even over veiligheid en over overlastgevers. Dit kabinet had zich ten doel gesteld om in 2010 25% minder overlast te hebben. Dat was vanaf 2002, ijkjaar 2006. De resterende opgave die er op dit moment nog is, is 23,5%. Dat is toch gewoon mislukt beleid!

Minister Balkenende:

Dit punt had ik graag iets anders willen presenteren; daar loop ik niet voor weg. Een heleboel dingen gaan de goede kant op, tal van doelstellingen van het kabinet worden gehaald, maar op dit punt moet echt nog meer gebeuren. Ik heb gezegd dat er al de nodige inzet is en dat we afhankelijk zijn van de medewerking op lokaal niveau. Mevrouw Verdonk weet ook dat bevoegdheden soms niet worden opgepakt. Er worden een heleboel instrumenten ingezet, maar er is nog veel werk te doen. Ik kan het niet mooier maken dan het is.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Dat vind ik een heel eerlijk antwoord. Ik hoorde net het eeuwige verhaal dat de Veiligheidshuizen zo goed werken, maar in de praktijk werken die helemaal niet goed. Van de heer Rouvoet heb ik hetzelfde verhaal ook al vijf keer gehoord; nu hoor ik het weer van de minister-president. Ik vind zijn antwoord heel eerlijk, vooral tegenover alle mensen die in hun wijken en buurten zo ontzettend veel last hebben van overlastgevers. We weten allemaal dat dit die "Marokkaanse rotjongens" zijn; 25.000 hebben we er in Nederland. Iedere politieagent weet wie het zijn en toch zijn we maar niet bij machte om ze op te pakken. Ik vind het heel eerlijk dat de minister-president in ieder geval zegt: mea culpa, dat beleid is gewoon mislukt.

Minister Balkenende:

De term "mislukt" vind ik niet gepast. Ik heb gezegd dat tal van instrumenten moeten worden ingezet en dat dit ook gebeurt. Ik heb gezegd: wij hadden meer en betere resultaten kunnen presenteren. Het woord "mislukken" vind ik echter niet terecht, want de beleidsinzet is er. Zijn wij tevreden? Nee, wij zijn niet tevreden. Dat geef ik toe.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Dat is weer zo'n papieren werkelijkheid. "De beleidsinzet is er." Nou, leuk! De doelstelling was een daling van 25%, maar het schiet helemaal niet op! De minister-president zegt dat instrumenten zijn ingezet. In denk dat hij in ieder geval kan concluderen dat het niet de juiste instrumenten zijn geweest, omdat de mensen zich nog steeds ontzettend onveilig voelen in hun wijken en omdat ze last hebben van zowel fysieke verloedering – zoals hij het zo mooi noemt – als sociale verloedering.

Minister Balkenende:

Ik kan een hele waslijst aan instrumenten noemen die op het ogenblik al gelden en ingezet kunnen worden. Wetsvoorstellen spelen ook nog een rol. De inzet is er, maar er moet nog veel gebeuren. Dat signaal heeft mevrouw Verdonk gegeven en dat is terecht.

De heer Van der Staaij (SGP):

De minister-president zegt onomwonden dat de resultaten zijn achtergebleven. Er is wel veel gebeurd, dat ben ik met hem eens, maar het heeft onvoldoende effect gehad. Kan hij nader aangeven waar dat aan ligt? Is dat geanalyseerd? Waar schort het aan in de praktijk?

Minister Balkenende:

Ik heb net gezegd dat bestaande bevoegdheden soms niet worden opgepakt. Ik heb aangegeven dat bepaalde instrumenten worden ingezet en uitgerold bij de G4. Ik heb gemeld dat bepaalde wetsvoorstellen nog in behandeling zijn. Kortom: de factoren zijn complex. Daar kan het niet bij blijven, want wij willen dat de kwaliteit van leven wordt versterkt. Dat raakt vooral aan de strijd tegen overlast en verloedering.

Er zijn ook wel goede dingen te melden. Samenscholingsverboden blijken in de praktijk te werken. De aanpak van veelplegers blijkt te werken. Bevoegdheden die de burgemeesters hebben, blijken te worden opgepakt. Kortom: er is het nodige aan inzet te melden. Alleen, we zijn er nog niet.

De heer Van der Staaij (SGP):

Mensen kunnen heel erg veel last hebben van zogenaamd "lichte" vormen van overlast en verloedering. Blijft het probleem niet het ontbreken van echt gezaghebbend optreden, dat mensen onvoldoende merken dat zij echt een tik op de vingers krijgen, figuurlijk gesproken, als zij zich aan dat soort gedrag schuldig maken?

Minister Balkenende:

We moeten ook niet de andere instrumenten die een rol spelen, vergeten, bijvoorbeeld de Veiligheidshuizen. Sommigen zeggen dat ik daar makkelijk over praat, maar in bepaalde gemeenten, zoals Tilburg, is het aantal recidivisten wel behoorlijk afgenomen. Met andere woorden: de aanpak van recidivisten loont. Een ander voorbeeld is het supersnelrecht. De minister van Justitie heeft gesproken over een soort "wasstraat". Als iemand echt in de fout gaat, treedt een directe keten in werking: het wordt ontdekt; het wordt onderzocht; het wordt berecht en dan moet de desbetreffende persoon een straf uitzitten of een boete betalen. Dat is een andere benadering. Nu is een van de problemen dat er vaak een lange tijd zit tussen enerzijds het begaan van het delict en anderzijds de uiteindelijke berechting en het ondergaan van de straf. Dat soort zaken kun je gewoon versnellen. Dat helpt natuurlijk, want er gaat een afschrikwekkende werking van uit.

De heer Wilders (PVV):

Ik hoorde de minister-president zojuist zeggen: de instrumenten in de G4 zijn nog niet uitgerold. Ik vroeg mij af wie die taal begrijpt. Wie van de mensen thuis die nu naar de televisie kijken, begrijpen wat de minister-president daar nu mee bedoelt?

Laat ik hem eens vragen om in normaal Nederlands, zodat de mensen thuis ook snappen wat hij zegt, te antwoorden op de vraag wat hij vindt van wat ik in mijn eerste termijn aan de orde heb gesteld, namelijk wat er in onze hoofdstad, in Amsterdam, de afgelopen jaren is gebeurd: meer misdaad, meer overvallen, meer bedreigingen, meer mishandelingen, meer inbraken, 70% meer moord en doodslag. Dat heeft niets te maken met het uitrollen van beleidsdingen. De mensen willen gewoon dat dit wordt aangepakt. Wat gaat u daar nu concreet aan doen, zodat het volgend jaar minder wordt? Niet meer, maar minder.

Minister Balkenende:

Er spelen twee dingen. Ik ga eerst concreet in op wat er gebeurt met de G4. Ik heb het voorbeeld genoemd van de strafbeschikking. Dat is een bevoegdheid die de burgemeester heeft. Het is een methode die de veiligheid dient. De strafbeschikkingen worden ingezet om de overlast terug te dringen. Dat gebeurt nu bij de G4, maar het is de bedoeling om dat uit te rollen naar andere gemeenten. Dat is een positief punt.

U hebt het over de onveiligheid in de stad Amsterdam. Ik begrijp heel goed dat u zegt dat er ontwikkelingen zijn die buitengewoon ernstig zijn. Hoe pak je dat aan? Welnu, precies zoals ik heb gezegd. Het heeft te maken met repressie, met de inzet van de politie, met de bevoegdheden die de burgemeester heeft, met de aanpak van recidivisten en met het in de gaten houden van groepen. U en ik hebben ongetwijfeld veel contact met de politie in Amsterdam. Ook ik hoor alle verhalen. Ik weet dat de inzet van bepaalde instrumenten kan werken. Soms heb je ook samenwerking tussen bepaalde groepen nodig. Het is volstrekt evident dat wij de zaak moeten aanpakken om de stad veiliger te krijgen.

De heer Wilders (PVV):

Dat klinkt prachtig, maar het werkt dus niet. Ik heb cijfers uit 2009 van de politie zelf in Amsterdam. Daaruit blijkt dat het aantal overvallen, bedreigingen, mishandelingen, inbraken en gevallen van moord en doodslag is gestegen, soms zelfs met 70%. Wat er nu allemaal in gang is gezet, werkt niet of onvoldoende. Dan is mijn vraag: wat gaat u doen om dit te veranderen en zou het bijvoorbeeld een idee zijn – ik heb het nu natuurlijk niet alleen over Amsterdam, maar over heel Nederland – om "three strikes, you're out" in te voeren? Als je één keer over de schreef gaat en een geweldsmisdrijf pleegt, krijg je een hoge straf. De tweede keer krijg je een nog hogere straf en de derde keer krijg je levenslang. Ik denk dat daarvoor veel draagvlak zou zijn en dat ook de politie daarmee heel erg blij zou zijn. Het geldt natuurlijk niet voor het stelen van een rolletje drop, hoe erg dat ook is, maar drie keer een geweldsmisdrijf betekent: levenslang. Wat vindt u daar nu van?

Minister Balkenende:

In de eerste plaats: de situatie in Amsterdam. Dat moet je wat breder zien. U hebt ook gezien dat er al gedurende een aantal jaren sprake is van een afname van het aantal geweldsdelicten. Dat geldt ook voor vermogensdelicten. Wij moeten dus oppassen om het algemene beeld van Nederland te vereenzelvigen met een stad waarover u spreekt, namelijk Amsterdam. Je ziet dan dat er wel degelijk veranderingen mogelijk zijn, want wij hebben ook gezien dat het aantal geweldsdelicten over een aantal jaren omlaag is gegaan. Dat komt door de instrumenten die zijn ingezet.

Het tweede punt betreft de strafmaat. Ik geloof niet dat wij hier nu het debat moeten voeren over wat er in de toekomst moet gebeuren, maar in het verleden hebben wij gezegd dat wij straffen zullen moeten verhogen. Dat is één. In de tweede plaats moeten wij recidivisten harder aanpakken. In het bijzonder mensen met een publieke taak moeten extra worden beschermd. Ik vind dit niet het moment om te gaan praten over iemand levenslang geven. Dat lijkt mij eerlijk gezegd een wat vergaande conclusie. Het is echter gewoon nodig dat wij oog hebben voor de strafmaat, voor de snelheid van vervolging, de geloofwaardigheid van de straf en dat soort zaken. Naast preventie hebben wij ook repressie. Dat is de afgelopen jaren vaak aan de orde geweest. Ik wijs in dit verband naar de opstelling van de minister van Justitie.

De heer Wilders (PVV):

Een laatste interruptie van mijn kant. Dit is natuurlijk een debat waarin wij terugkijken, maar terugkijken betekent ook dat wij proberen te leren voor de toekomst. Dat is ook de bedoeling van deze debatten die wij ieder jaar hebben. Ik denk dat mijn vraag heel gerechtvaardigd is. U kunt het niet meer uitvoeren, althans niet met dit kabinet, maar wat vindt u als minister-president van dit voorstel? Heel veel mensen die bij de politie werken, vinden het een goed voorstel. Stel dat iemand drie keer fors in de fout gaat en een ander zwaar mishandelt, of het nu een buschauffeur is, iemand met een publieke functie of gewoon een burger op straat 's avonds laat. Dan zeggen wij: nu is het levenslang. Sommige mensen zeggen zelfs dat je dit al na twee keer zou moeten doen. Je weet dan, als je al eens hebt gerecidiveerd, dat het de derde keer einde oefening is. Zou dat niet een enorm gedragseffect hebben en enorm kunnen helpen? Waarom zegt u niet dat u ernaar wilt kijken en dat u het een idee vindt dat de moeite waard is om te onderzoeken?

Minister Balkenende:

Dit is eigenlijk een merkwaardige vraag, want wij praten nu over de verantwoording. Wij praten over de vraag: wat is het beleid geweest in het afgelopen jaar of de afgelopen jaren? Daarover gaat het debat. Ik heb aangegeven dat het beleid de afgelopen jaren is geweest om te werken aan hogere straffen. Ik heb er een aantal andere voorbeelden aan toegevoegd. Wat u nu wilt, is een oordeel over het geven van levenslang. Ik vind dat ik dat oordeel nu niet moet geven. Wij kunnen daarover in een ander verband met elkaar spreken. Dit is echter het moment van het afleggen van verantwoording. Ik vind de strafmaat wel buitengewoon relevant. Dat is ook in de afgelopen jaren gezegd. Ik vind dat recidivisten zwaarder moeten worden aangepakt, vanwege het feit dat de samenleving straf heeft te geven en vanwege de preventieve werking die ervan uitgaat. Dat heeft de minister van Justitie de afgelopen jaren ook aangegeven. Dat is echter iets anders dan dat ik mij nu begeef in een oordeel over uw instrument. Dat doe ik gewoon niet.

De heer Wilders (PVV):

Voorzitter ...

De voorzitter:

Ik dacht dat u zei dat het de laatste keer was?

De heer Wilders (PVV):

Dat klopt.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Voorzitter ...

De voorzitter:

Volgens mij was u deze ronde begonnen.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Ja, voorzitter, maar ik laat graag de volgende ronde over duurzaamheid voorbijgaan, als ik over dit onderwerp nog even mag doorvragen.

De voorzitter:

Dat is dan wel afgesproken.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Ja, dat spreken we af. Deal. Voorzitter. Ik citeer uit het stuk, want ik moest er toch wel een beetje om lachen en ik denk de minister-president ook wel. Over de aanpak van de verloedering staat er: "Het bestaande palet aan instrumenten om overlast en verloedering aan te pakken, is zeer uitgebreid en wordt met de komst van bovengenoemde wetten nog groter. Gemeenten en andere partners zijn echter in veel gevallen nog onvoldoende bekend met het gebruik van de mogelijkheden die hun worden geboden. De communicatie hierover met en ondersteuning van gemeenten en veiligheidspartners zal een grote rol spelen in de voortzetting van de aanpak."

Dat is zo'n beetje de teneur van het hele stuk. Nu heb ik een paar vragen. Ik heb wel eens eerder voorgesteld om, wanneer kinderen 's avonds laat thuisgebracht worden door een politieagent – het is belachelijk – ook maar direct een boete van € 50 op te leggen aan die ouders om ervoor te zorgen dat ze hun kinderen van acht jaar na acht uur 's avonds binnen houden. Ik heb ook al veel eerder voorgesteld, en ik ben niet de enige, om ervoor te zorgen dat meer politieagenten op straat zijn. Dat heeft het CDA al die tijd tegengehouden. U mag zeggen dat het de PvdA is geweest, dat vind ik ook goed, maar ik wil wel graag weten waarom het niet gebeurd is. Dan heb ik ook al eerder het voorstel gedaan om de politie weer gewoon de wapenstok te laten gebruiken. Dat doen ze namelijk wel bij hooligans, maar het mag niet als ze een wijk ingaan waar een paar Marokkaanse jongens de boel terroriseren. Waarom is dat niet ingevoerd?

Minister Balkenende:

Dit is eigenlijk exact hetzelfde als wat de heer Wilders naar voren bracht, namelijk: ik doe een concreet voorstel.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Voorzitter. Het zijn voorstellen die ik al eerder heb gedaan.

Minister Balkenende:

Dan moet ik verwijzen naar hetgeen daar eerder over is gezegd door de betrokken bewindspersonen. Ik ga daar niet iets anders over zeggen bij dit debat. Dat zou heel gek zijn. Ik begrijp uw gevoelens wel en ik deel uw zorgen over de onveiligheid in Nederland. Ik vind met u dat je, als er bepaalde instrumenten zijn die nog onvoldoende worden toegepast op lokaal niveau, er alles aan moet doen om het gebruik daarvan te versterken, maar dat is het karakter van dit debat. Wij hebben al heel veel instrumenten en er zijn er ook nog in procedure. U zegt dat zaken op lokaal niveau niet gebeuren. Dan zeg ik: dat moet wel gebeuren. Dat is ook steeds de aandrang geweest vanuit het kabinet om zaken op te pakken. Op de politieagenten kom ik zo terug.

De voorzitter:

Dit lijkt mij uitputtend.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Voorzitter. Ik laat mijn hele interruptie, dat zijn drie mogelijkheden, bij duurzaamheid vallen. Ik heb nog één vraag aan de minister-president.

De voorzitter:

Een kort vraagje dan.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

We keken net terug. Ik heb in ieder geval één wens voor een volgend kabinet: laten we stoppen met al die onderzoeken en luisteren naar de mensen op de werkvloer, dan kunnen er gewoon praktische maatregelen ingevoerd worden en gaat er eindelijk iets gebeuren aan dit soort akelige criminaliteit waar mensen iedere dag tegenaan lopen.

Minister Balkenende:

Daar heb ik nota van genomen. Ik neem aan dat dit zowel in de verkiezingscampagne als bij de vorming van een nieuw kabinet of in andere debatten naar voren wordt gebracht. Je kunt verschillend denken over instrumenten, maar ik deel wel alle zorgen die er bestaan op het gebied van veiligheid in Nederland.

De voorzitter:

Dank u. U vervolgt uw betoog.

Minister Balkenende:

Dan kom ik op een vraag van de heren Wilders, Rutte en Van der Staaij. De veiligheid in krachtwijken is broos, de bezuinigingen op de politie worden op straat wel degelijk gevoeld. Hoe moet dat worden beoordeeld? In de afgelopen jaren zijn er fors extra mensen aangesteld ten behoeve van het primaire proces. Het gaat nu juist om die taken die voor burgers van belang zijn, zoals het doen van aangifte en het rechercheren naar daders. De cijfers spreken voor zich. Er zijn de afgelopen jaren 319 extra wijkagenten aangesteld en 233 extra forensische assistenten. De operationele sterkte van de politie heeft een forse groei doorgemaakt sinds 2006, van 45.781 mannen en vrouwen naar 49.597 op 31 december 2009. In 2009 zijn in totaal 1026 extra mensen aangesteld bij de politie en de groei komt ten bate van het primaire proces van de politie, recherche en blauw op straat. Eind 2009 waren er in totaal 53.348 politiemensen. Blauw op straat is van groot belang. Daarom is ook het aantal agenten op straat toegenomen. Ook voor de opsporing is het van belang dat de agenten soms achter het bureau hun werk doen, denk bijvoorbeeld aan cybercriminaliteit of financiële fraude. De investeringen in de recherche waren hard nodig en ik sta achter die keuze. Bovendien blijft de stijging van het blauw op straat ook nog steeds 600 fte ten opzichte van 2008. Ik wijs er wel op dat in ons bestel de regio's bepalen welke taken op lokaal niveau prioriteit krijgen en hoeveel mensen daarvoor worden ingezet. Dat kan de wijk zijn, maar ook het opsporen van overvallen of inbraken. Voor 2010 geldt de afspraak dat het niveau van de operationele sterkte van 31 december 2008 moet worden gehandhaafd.

De aspiranten zullen na hun opleiding hoofdzakelijk instromen in geval van noodhulp en ten behoeve van de handhaving.

De heer Wilders stelde een vraag naar aanleiding van het NYFER-onderzoek naar de kosten van immigratie en mevrouw Verdonk heeft daarover opmerkingen gemaakt. Dat rapport geeft een beperkt beeld. NYFER geeft dat zelf aan in het voorwoord van het rapport. Dat richt zich louter op de budgettaire gevolgen van immigratie. Effecten van immigratie op de economie, de arbeids- en de woningmarkt worden niet in beeld gebracht en de niet-economische gevolgen evenmin. Het profiel van de niet-westerse immigranten en hun kinderen die in de jaren zestig en zeventig naar Nederland kwamen, is als uitgangspunt genomen. De vraag is of dat profiel nog leidend kan zijn voor het beeld en het beleid. Naar mijn idee kan dat niet. Sindsdien is er heel veel veranderd. Een actueel voorbeeld is dat de Eerste Kamer gisteren instemde met het wetsvoorstel van het kabinet met de intentie om de asielprocedure effectiever te laten verlopen en die efficiënter te maken. Vorig jaar werd het categoriaal beschermingsbeleid Somalië afgeschaft. Eerder schafte het kabinet dat beleid ten aanzien van Irak af. Nederland krijgt namelijk de meeste asielverzoeken van die nationaliteiten. Het afschaffen van het categoriaal beschermingsbeleid voor deze groepen zet zeker zoden aan de dijk. Daarnaast nam dit kabinet maatregelen ten aanzien van de gezinsmigratie. Een voorbeeld daarvan is het verhogen van het niveau van het inburgeringsexamen. Bovendien is de toegang tot de sociale zekerheid versoberd en is het activeringsbeleid voor mensen met een uitkering aangescherpt. Kortom, het kabinet heeft verschillende instrumenten ingezet en maatregelen genomen om kansarme migratie te beperken. Nederland maakt zich daarvoor ook sterk binnen Europa en dit kabinet heeft de regels om tot Nederland toe te treden voor kennismigranten versoepeld. Dat was mogelijk dankzij de kennismigrantenregeling en een modern migratiebeleid.

Anders dan de heer Wilders stelt, heeft dit kabinet de vragen van de PVV-fractie over de kosten van de immigratie wel degelijk beantwoord. Zijn fractie en dit kabinet zaten wat het oordeel over de antwoorden betreft echter op een verschillend spoor. De PVV-fractie en dit kabinet hebben een principieel meningsverschil over het evalueren van burgers. Ik denk dat de heer Wilders de oude discussie overdoet. Dat is zijn goed recht, maar ik heb aangegeven hoe we zaken duiden en hoe wij hier in algemene zin tegenaan kijken.

De heer Wilders (PVV):

Het is onvoorstelbaar dat de minister-president, wiens kabinet ervoor heeft gezorgd dat de cijfers over de massa-immigratie staatsgeheimen zijn, dit zegt. Hij ging achter voormalig minister Van der Laan staan. Laatstgenoemde zei niets en wilde geen berekening maken. Nederland mocht niet weten wat de massa-immigratie kost. Dit kabinet weigerde het om een onderzoek te doen, omdat het de cijfers niet onder ogen wilde zien. Nu bagatelliseert de minister-president ons rapport. Waar haalt hij het lef vandaan! Er ligt een rapport voor waaruit blijkt dat de massa-immigratie ruim 7 mld. per jaar kost. De minister-president moet het niet bagatelliseren. Hij zou zich rot moeten schamen dat hij vorig jaar niet zelf die handschoen heeft opgepakt en dat onderzoek heeft gedaan. Wij lieten dat doen en er ligt nu een rapport voor. Het siert de minister-president niet dat hij zegt dat de gegevens in het rapport niet helemaal kloppen. Hij heeft er niets aan gedaan. De minister-president moet erkennen, ongeacht of het 6, 7, 8 of 9 mld. is, dat het onderdeel moet zijn van een oplossing voor het probleem van de economische crisis. Hij zou ook moeten kunnen zeggen dat hij de immigratie gaat beperken. Hij zou moeten zeggen: misschien hebben wij een andere opvatting over de vraag in hoeverre we de immigratie moeten beperken, maar we gaan dat geld gebruiken voor het houdbaarheidstekort of voor het eigen risico voor de zorg, de studiefinanciering of wat dan ook. De grenzen zijn door verschillende kabinetten, onder leiding van deze minister-president, wagenwijd open gezet. 50.000 niet-westerse allochtonen per jaar komen Nederland binnen. Zij kosten Nederland elk jaar 7 mld. In tien jaar tijd is dat dus 70 mld. Geef eens toe dat dit niet kan, dat we daaraan eindelijk iets moeten doen en dat we dat geld veel beter op een andere manier kunnen besteden.

Minister Balkenende:

Ik denk dat er sprake is van een gemengd beeld: er zijn maatregelen genomen die te maken hebben met een bepaalde uitstraling die anders is geweest, zoals het generaal pardon. Een ander deel van de discussie – ik kijk nu naar mevrouw Verdonk – gaat over het feit dat er in het verleden wel degelijk maatregelen zijn genomen die leiden tot beperking van de instroom. Ik heb gezegd dat het huidige kabinet maatregelen heeft genomen, bijvoorbeeld op het gebied van het categoriaal beschermingsbeleid, de asielprocedure, de gezinsmigratie en de sociale zekerheid. De heer Wilders kan vinden dat het te weinig is, maar toch zijn het maatregelen die zijn ingezet. Kortom, er is geen sprake van een zwart-witbeeld en het is niet waar. Soms is er sprake van het verminderen van aantallen, bijvoorbeeld van aantallen asielzoekers. Soms zien wij aantallen toenemen. Als dat zo is, nemen de aantallen ook in andere Europese landen toe. Er is dus geen sprake van een zwart-witbeeld.

Verder heeft de heer Wilders het over 7,2 mld. Ik heb een en ander niet kunnen beoordelen. Dit bedrag wordt mij genoemd in verband met de kosten. Ik heb al gezegd dat daarin bepaalde dingen niet zijn meegenomen. Als mensen in Nederland zijn, is er ook sprake van economische relevantie. Wij hebben straks te maken met tekorten op de arbeidsmarkt. Als mensen werk verrichten en belasting betalen, moet je daarmee ook rekening houden. Kortom, ook dit is geen zwart-witverhaal. Ik vind dat wij daarin eerlijk moeten zijn. Als wij de kosten bezien, moeten wij ook bezien wat de baten zijn. Hoe zit het precies met de gezinsvorming? Wat zijn de positieve kanten die ook kunnen worden genoemd? Ik wil een zakelijke en eerlijke discussie voeren. Ik begrijp dat de heer Wilders om dit rapport heeft gevraagd. Het kabinet is destijds in een document van 40 bladzijden ingegaan op een aantal vragen die de heer Wilders had gesteld. Dat heeft hem weer gebracht tot het laten verrichten van dit onderzoek. Dat is de stand van zaken.

De heer Wilders (PVV):

Onder leiding van de minister-president, die ook leider is van het CDA, is een generaal pardon ingevoerd. Bijna 30.000 mensen die de boel hebben belogen en bedrogen, en die waren afgewezen door de rechter, zijn daardoor toch gelegaliseerd. Onder verantwoordelijkheid van minister-president Balkenende is immigratierecord na immigratierecord gebroken. Vorig jaar waren er in totaal meer dan 140.000 immigranten. Weet de minister-president hoeveel mensen dat zijn? Ieder jaar opnieuw komen er bakken met vliegtuigen vol immigranten binnen, nog los van het generaal pardon van de minister-president. Dat kost de samenleving minstens 7 mld. per jaar.

Laat de minister-president mij dus niet verwijten dat er geen eerlijke discussie zou worden gevoerd. Omdat hij heeft geweigerd om dit onderzoek te laten uitvoeren, heeft mijn fractie veel geld besteed om het te laten uitvoeren. Dat hebben wij gedaan omdat de minister-president zijn werk niet deed. Omdat hij geen antwoord wilde geven op Kamervragen hebben wij het onderzoek zelf laten uitvoeren. De minister-president zet de grenzen open, heeft ze opengezet en blijft dat doen. Hij moet er nu eindelijk eens voor zorgen dat die grenzen dichtgaan, dat er minder immigranten Nederland inkomen. Bij de discussie over de vraag waar wij nu 29 mld. vandaan halen, en over het feit dat iedere Nederlander moet bloeden, bezuinigen en op de blaren moet zitten, moeten wij beseffen dat het een stuk minder kan als wij de grenzen sluiten en de immigratie beperken. De minister-president is het aan Nederland verplicht om de resultaten van het onderzoek serieus te nemen en het beleid erop af te stemmen.

Minister Balkenende:

Ik weerspreek wat de heer Wilders debiteert over de inzet van de laatste kabinetten. Hij noemt daarbij slechts één onderdeel, namelijk het generaal pardon. Ik kan daartegenover heel wat andere dingen stellen. Ik noem de inburgeringseisen en de inkomenseisen die zijn gesteld. Verder is de asielprocedure aangepast. Dat is een andere kant van het verhaal. De heer Wilders heeft het verder over de kosten. Ik vind dat je een ander element daaraan moet toevoegen. Dat heb ik al gezegd en ook dat is een belangrijk punt. Ik vind dus dat de discussie op een goede manier moet worden gevoerd.

Verder heeft de heer Wilders gesproken over de 29 mld. alsof er een een-op-eenrelatie zou moeten bestaan tussen een financieel probleem en één bepaalde groep. Ik ben het eens met wat minister Van der Laan destijds daarover heeft gezegd. Hij zei: wij moeten daarmee oppassen, want wij zouden op dezelfde manier kunnen gaan spreken over "de zieken in Nederland" of over "de AOW'ers". Ik ga graag het debat met de heer Wilders aan over de vraag wat een verantwoord migratiebeleid is. Hoe kijk je aan tegen kennismigratie? Welke eisen stel je aan gezinsvorming? Daarover wil ik graag met hem speken; tot uw dienst. Ik voer echter wel graag een eerlijke en zuivere discussie. Daarom hebben wij vorig jaar gehandeld zoals wij hebben gehandeld en heb ik vandaag geantwoord zoals ik heb geantwoord.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Zojuist, ik zat in mijn zetel, keek de minister-president mij aan terwijl hij zei: in het verleden zijn er maatregelen genomen om de cijfers te laten dalen. Hij keek mij daarbij met een tevreden blik aan. Dat gaf mij een heel goed gevoel. De minister-president sprak over het verleden, maar er is ook een heden. Zou hij hetzelfde zeggen tegen staatssecretaris Albayrak?

Minister Balkenende:

Ik heb zojuist geschetst wat er de afgelopen jaren is gebeurd. Ik heb geschetst dat er voorstellen zijn opgesteld om de asielprocedure effectiever en efficiënter te maken. Ik heb ook het categoriaal beschermingsbeleid genoemd. Op dat vlak heeft nota bene staatssecretaris Albayrak zelf zaken veranderd. Die elementen van aanscherping zijn gedragen door de toenmalige staatssecretaris.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Dat was natuurlijk niet helemaal mijn vraag. Het gaat mij om het dalen van de instroomcijfers en het stijgen van de terugkeercijfers tijdens Balkenende II. Vorig jaar – het staat ook in de rapportage van het ministerie van Justitie – zijn de instroomcijfers gigantisch gestegen en de terugkeercijfers gigantisch gedaald. Dat is dus de tegenovergestelde beweging. Mijn vraag is of de minister-president daarover een oordeel kan geven, want laten we eerlijk zijn, onder Balkenende II gingen we met z'n allen op het immigratiebeleid naar het noorden en onder Balkenende IV gingen we met z'n allen naar het zuiden.

Minister Balkenende:

Ik heb zojuist al aangegeven dat de instroom variaties vertoont in de loop der tijd. Er zijn tijden dat het getal omlaag ging. Ik heb ook aangegeven dat er soms sprake is van extra asielzoekers en dat je die ontwikkeling niet alleen in Nederland ziet. Dit soort ontwikkelingen tekenen zich vaak in meerdere landen af. Voor het overige herhaal ik wat ik heb gezegd over de instrumenten die worden ingezet om te komen tot aanscherping. Dat is de afgelopen jaren ook gebeurd.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Tot slot. De minister-president begrijpt heel goed dat hij mij en alle mensen die zitten te kijken niet overtuigt.

Minister Balkenende:

Dat kan gebeuren.

Voorzitter. Mevrouw Halsema heeft een vraag gesteld over de voortgang van de kabinetsdoelstellingen op het terrein van sociale zaken. Haar vraag betreft met name de arbeidsparticipatie, de 200.000 langdurig werklozen die niet aan een baan zijn geholpen en de huishoudens met problematische schulden. Zij heeft gelijk dat op deze punten de kabinetsdoelstellingen niet zijn gehaald. Nu waren het ook doelstellingen voor de gehele, volledige kabinetsperiode. Los daarvan echter is het een feit dat de economische crisis roet in het eten heeft gegooid. Dat wil niet zeggen dat het kabinet niets heeft gedaan om de werkgelegenheid op peil te houden. In het aanvullend beleidsakkoord heeft het kabinet maatregelen genomen om de stijging van de werkloosheid te beperken. Ja, mevrouw Halsema heeft gelijk dat de werkloosheid dit jaar naar verwachting stijgt naar 0,5 miljoen. Zonder de stimuleringsmaatregelen van het kabinet echter, zou de werkloosheid nog veel hoger zijn uitgevallen. Ik heb dit al eerder aangegeven.

Ook op het terrein van de problematische schulden heeft het kabinet beleid gevoerd. Er zijn extra middelen beschikbaar gesteld, 130 mln. voor de periode 2009-2011, aan gemeenten voor schuldhulpverlening. Die middelen worden ingezet voor zowel het voorkomen van problematische schulden als voor het opvangen van het hoger beroep op de schuldhulpverlening als gevolg van de crisis. Ook geeft het kabinet uitvoering aan de motie-Ortega waarmee vrijwilligers worden aangemoedigd om in de schuldhulpverlening te gaan werken en aan het amendement-Spekman, ingediend tijdens de begrotingsbehandeling 2009 om 4 mln. beschikbaar te stellen voor projecten van schuldhulpverlening in de wijk.

Dit is wat gemeld kan worden over doelen. Ook die hebben echter te maken met de slechte economische situatie van dit moment.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Even terug hadden we het over de milieudoelen in 2011, die wel gehaald worden, met dank aan de economische crisis. Toen nam de minister-president de eer. Hij zei dat het kabinet gewoon aan de milieudoelen heeft voldaan voor 2011. Natuurlijk weet ik dat de economische crisis roet in het eten heeft gegooid voor de werkgelegenheid en de werkloosheid. Als de minister-president echter zelf de eer neemt voor de milieudoelen, moet hij bij de sociale doelen ook zelf de verantwoordelijkheid nemen. Hij had immers een tandje bij kunnen zetten, met name ten aanzien van de problematische schulden. Mijn vraag is eenvoudig. Vindt de minister-president niet dat het kabinet tekortschiet, gezien het leed dat schuilgaat achter problematische schulden?

Minister Balkenende:

Wat mevrouw Halsema nu zegt, is niet fair ten opzichte van het kabinet. Ik heb net aangegeven dat er extra middelen zijn ingezet, 130 mln., voor schuldhulpverlening inde jaren 2009 tot en met 2011. Het kabinet heeft dat juist gedaan omdat je weet dat in een tijd van economische krapte, waarin de economie wegzakt, de armoede toeneemt. Dat is de reden voor de inzet van extra middelen. En dat in een tijd dat het toch al moeilijk is. Op dat punt ben ik het dus niet eens met mevrouw Halsema. We hebben nadrukkelijk een instrument willen inzetten om de nood te lenigen waar het kan, juist omdat de economie wegvalt.

Mevrouw Halsema en de heer Pechtold vragen hoe het uit valt te leggen dat de invoering van de kilometerprijs in 2009 op koers lag. Het kabinet heeft met het indienen van het wetsvoorstel over de kilometerprijs in 2009 een belangrijke stap gezet. Daarnaast is vorig jaar een start gemaakt met het aanbestedingsproces en zijn verschillende mobiliteitsprojecten in uitvoering gekomen. Daarmee is de conclusie gerechtvaardigd dat de invoering van de kilometerprijs in 2009 op koers lag. Begin 2010 zijn dit onderwerp en het wetsvoorstel controversieel verklaard door de Tweede Kamer. Op verzoek van de Tweede Kamer heeft de minister van Verkeer en Waterstaat aangegeven dat hij de voorbereiding van de beoogde uitrol van het systeem voorlopig stillegt.

Voor het standpunt van het CDA over de kilometerheffing moet worden verwezen naar het verkiezingsprogramma van het CDA. Ik sta hier niet als lijsttrekker van die partij. Verdere vragen over de positie van het CDA moeten in dit debat aan de heer Van Geel worden gesteld.

De heer Pechtold (D66):

Maar u staat er nog steeds achter?

Minister Balkenende:

De verantwoording is dat het kabinet zich heeft ingezet voor de kilometerheffing. Dit onderwerp is vanwege de val van het kabinet controversieel verklaard en dus weg. Ik leg uit wat vorig jaar is gebeurd. Daar leg ik verantwoording over af.

De heer Pechtold (D66):

Maar ik vraag of u er nog achterstaat.

Minister Balkenende:

Ik heb op het ogenblik nergens achter te staan om de simpele reden dat dit onderwerp vorig jaar is besproken, dat daarover is besloten in het kabinet, dat het kabinet is gevallen en dat dit onderwerp thans controversieel is verklaard. Het kabinet kan dus verder niks doen. Dat minister Eurlings het uitrollen van het systeem heeft stilgelegd, hangt samen met de situatie die is ontstaan. Dat betekent dat aan dat debat een vervolg moet worden gegeven bij de komende kabinetsformatie.

De heer Pechtold (D66):

Staat u nog achter de JSF?

Minister Balkenende:

Ik sta achter al die zaken die ik hier heb te verantwoorden. Over de JSF zeg ik het volgende. Wanneer iets niet controversieel is verklaard en iets gewoon op de agenda staat, dan handhaaf ik het kabinetsbeleid. Alleen, als de Kamer zegt niet over een zaak te spreken omdat die controversieel is, dan houdt voor mij ook de zaak op. Zo simpel is het.

De heer Pechtold (D66):

Dat vind ik zo gek. Wij staan hier tegenover een premier die in elk interview zegt dat zijn agenda tot 2015 gaat. Als ik dan een simpele vraag stel over de kilometerheffing, krijg ik een warrig antwoord. En over de JSF krijg ik ineens te horen dat hij er nog wel achterstaat. Ik wil graag van hem horen dat wat hem betreft alle dossiers gewoon doorgaan en dat hij het wel merkt als de Kamer zaken stopt.

Minister Balkenende:

Dat is een beetje lastig. Toen het kabinet was gevallen, is er even een discussie geweest waarin het ging over de vraag: welke onderwerpen kunnen wij wel en niet bespreken? Toen heb ik duidelijk van de Kamervoorzitter begrepen dat het aan de Kamer is om te beoordelen of iets wel of niet wordt behandeld. Dan kunnen wij als leden van het kabinet hoog of laag springen, maar de Kamer is in die politieke omstandigheid de actor die bepaalt of iets wel of niet wordt besproken. Dat kunnen wij leuk of niet leuk vinden; wij hebben ons te richten naar de Tweede Kamer. Als de kilometerheffing door de Tweede Kamer controversieel wordt verklaard, dan stopt dat werk voor ons omdat het niet anders kan. U doelt op heel iets anders. U zegt: ga maar gewoon door. Moet u zich eens voorstellen wat er zou gebeuren als wij maar door zouden gaan. Wij hebben ons toch iets aan te trekken van wat deze Kamer zegt over controversieel verklaren van onderwerpen? Ik begrijp u niet.

De heer Pechtold (D66):

Ik begrijp genoeg. Volgens mij heeft de premier inmiddels wat problemen met het wat knellend zittend pak van lijsttrekker en premier. Ik vind het heel erg jammer dat hij zo wegloopt bij die kilometerheffing. Maar na 9 juni komt hij daar wel weer op terug. Dat komt wel goed.

Minister Balkenende:

Voorzitter. De heer Pechtold vroeg verder of de Kamer een integrale evaluatie van het Innovatieplatform (IP) tegemoet kan zien. Eind juni komt de slotrapportage over het IP naar de Kamer. Het Innovatieplatform heeft zichzelf keer op keer bewezen als agendazetter, luis in de pels en adviseur van achtereenvolgende kabinetten. Er zijn brede en breed gedragen agenda's tot stand gekomen. Zo was er de Kennisinvesteringsagenda (KIA) in 2006 en de Concurrentiekrachtagenda in 2010. Er zijn concrete acties en ideeën naar voren gekomen: innovatievouchers, de InnovatiePrestatieContracten en de adviesrol ten tijde van het aanvullend beleidsakkoord. In de heroverwegingen en in de Concurrentiekrachtagenda is geconstateerd dat stroomlijning in het kennis- en innovatiebeleid wenselijk kan zijn. In een gestroomlijnd kennis- en innovatiebeleid past een kennis- en innovatieraad. Zo'n raad heeft tussen het kabinet en de Tweede Kamer enerzijds en universiteiten, ondernemingen en instellingen anderzijds een expliciet adviserende en sturende rol. Kortom, het is aan een nieuw kabinet om te bekijken of er zo'n kennis- en innovatieraad komt. Dat zullen wij dan zien. Er zijn veel goede dingen te melden, maar het debat kunnen wij voeren aan de hand van de rapportage die de Kamer eind juni bereikt.

De heer Van der Staaij vroeg: waarom geen structurele financiering voor tienermoeders? Het aantal tienermoeders en onbedoeld zwangere meisjes neemt de laatste jaren gestaag af bij vooral allochtone bevolkingsgroepen. Om die meisjes toekomst te geven in de samenleving zet dit kabinet in op het verbeteren van de hulp aan en opvang van tienermoeders. Deze kabinetsdoelen maken onderdeel uit van het bredere weerbaarheidsprogramma Beschermd en weerbaar. Dit actieprogramma is gericht op de opvang en re-integratie van tienermoeders in de samenleving. Bij de uitvoering van actieprogramma gaat het om structurele middelen. Vanaf 2009 is structureel € 650.000 beschikbaar voor hulp en opvang. Die middelen zijn toegevoegd aan de brede stroom extra middelen voor de 35 centrumgemeenten vrouwenopvang en opvang van en hulp aan slachtoffers bij geweld en afhankelijkheidsrelaties. Dan gaat het om een totaalbedrag van 18 mln. in 2008 tot 32 mln. in 2012. Het is aan een volgend kabinet om te besluiten over de voortzetting van structurele financiering van hulp en opvang.

Dat waren de zaken die ik wilde behandelen in mijn algemene ronde. Dan kom ik nu toe aan het thema klimaatbeleid.

In Kopenhagen is een internationaal klimaatakkoord gesloten dat wereldwijd bijzonder waardevolle zaken regelt. Ik hoeft nu op de inhoud niet in te gaan. Die is genoeg met de Kamer besproken. Het ambitieniveau van Nederland en van Europa ligt echter nog fors hoger dan afgelopen december in Kopenhagen is bereikt. Na Kopenhagen, op weg naar de klimaatonderhandelingen in Mexico, hebben ondertussen ruim honderd landen zich inmiddels geassocieerd met het akkoord. Het is van uitermate groot belang voor de CO2-reductie, omdat deze ruim honderd landen samen verantwoordelijk zijn voor 80% van de wereldwijde CO2-uitstoot. In Kopenhagen is dan ook een stevig fundament gelegd voor verdere onderhandelingen, die zullen moeten uitmonden in een allesomvattend juridisch bindend akkoord. Het ligt helaas niet in de verwachting dat een dergelijk akkoord reeds op de volgende conferentie in Cancún zal kunnen worden gesloten eind van dit jaar. Dat wordt ook erkend door de Europese Commissie in de mededeling die op 9 maart jongstleden is gepresenteerd. Dit kabinet is van mening dat de EU desondanks moet blijven benadrukken dat zij zelf in ieder geval klaar is voor een juridisch bindend akkoord en dient te streven naar een set concrete actiegerichte besluiten op alle deelterreinen als tussenstap naar een meer omvattend akkoord. De Europese Unie dient ook vast te houden aan het aanbod om onder voorwaarden een emissiereductie van 30% te realiseren in 2020. Dat is nodig in het belang van de aarde en van de gehele mensheid.

Dan kom ik bij het nationaal klimaat- en energiebesparingsbeleid. Met het programma Schoon en Zuinig is de laatste jaren goede voortgang geboekt. Met uitzondering van energiebesparing in de bebouwde omgeving worden alle kabinetsdoelen voor 2011 gehaald. Er zijn wel aanvullend beleid en extra maatregelen nodig om de langetermijndoelstellingen in 2020 te halen. Het ambitieniveau van ons klimaatbeleid, zoals vastgelegd in het programma Schoon en Zuinig, is inderdaad hoog, zoals de heer Van Geel ook op merkte. Met goede reden, gezien de uitdaging waar de wereld voor staat. Nederland kan dit natuurlijk niet alleen. Het internationale level playing field moet overeind blijven. Duidelijk is en blijft dat Nederland met een eigen beleid in de hand aanjager zal blijven van een ambitieuze internationale aanpak van het klimaatvraagstuk. De economische crisis heeft effecten op het realiseren van de duurzaamheidsdoelstellingen. Een krimpende economie leidt weliswaar tot vermindering van het totale energiegebruik – mevrouw Halsema wees daarop – maar maakt burgers en bedrijven ook terughoudend met investeren in de isolatie van gebouwen en huizen of in het energie-efficiënter maken van het productieproces.

Tegelijkertijd is het bewustzijn groter dan ooit dat de economie moet verduurzamen, dat een trendbreuk nodig is in het omgaan met grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen. Als gevolg van het Schoon en Zuinig-beleid wordt het gebruik van fossiele energie reeds getemperd. Het beleid van dit kabinet zal in dit opzicht ook na 2010 een doorwerking hebben. Om de voortdurende groei van het gebruik van fossiele energie tussen nu en 2020 echt in een daling te laten omslaan, is echter omvangrijk aanvullend beleid nodig. Het is aan een nieuw kabinet om op dit punt besluiten te nemen, maar dat betekent niet dat het denken stilstaat. We hebben een breed scala aan mogelijke aanvullende maatregelen geïnventariseerd waarmee een nieuw kabinet vlot van start kan gaan om de doelen voor 2020 binnen bereik te houden en om de noodzakelijke trendbreuk te bewerkstelligen. Deze afzonderlijke maatregelen en het verwachte effect zijn terug te vinden in het rapport over aanvullende beleidsopties Schoon en Zuinig van ECN en PBL, dat eind april aan de Kamer is gezonden. Ook de heroverwegingsgroep Energie en Klimaat heeft laten zien dat verschillende combinaties van maatregelen mogelijk zijn, waarmee de doelen voor 2020 alsnog kunnen worden bereikt.

In het verlengde hiervan kom ik bij de duurzame energie. Mevrouw Halsema sprak daar al over. De duurzame energiedoelstelling voor 2011 wordt naar verwachting gehaald. De opwekking van duurzame elektriciteit laat een opvallend positief beeld zien. In 2009 is het aandeel opgelopen tot 9%, komend van 7,5% in 2008. 9% was ook het tussendoel voor 2010. Dus daar gaan we dit jaar al ruim overheen. Onderzoek van ECN wijst uit dat aanvullend beleid nodig is om het doel van 20% duurzame energie in 2020 binnen bereik te houden. Met name op het punt van duurzame warmte is nog een hoop te winnen, omdat op dit moment nog niet alle vormen van duurzame warmte onder de SDE-regeling vallen. Het kabinet heeft dan ook, juist als het om duurzame energie gaat, meerdere maatregelen voorbereid om alsnog het langetermijndoel te halen. Denk daarbij aan groen gas uit vergassing, toename biomassa en bioketels, diepe geothermie en warmtepompen en zonneboilers in de gebouwde omgeving. Dat is geen gemakkelijke route voor Nederland. Wij berusten er niet in. Wij blijven ook hier streven naar het hoogst haalbare.

Voorzitter: Ten Hoopen

Minister Balkenende:

Voorzitter. Dan de klimaatadaptatie. Een belangrijke mijlpaal in 2009 was de indiening van de Deltawet en de benoeming van een deltacommissaris. Ook heeft het kabinet het Nationaal Waterplan aan de Tweede Kamer gezonden. Het kabinet heeft niet alleen een plan en een Deltawet geproduceerd. Juist aan de uitvoeringskant is er veel gebeurd. De uitvoering van enkele belangrijke projecten is gestart in 2009, zoals van de Hoogwaterbeschermingsprogramma's 1 en 2, de Maaswerken en het programma Ruimte voor de Rivier. Het gaat om aanzienlijke projecten om grote delen van Nederland te beschermen tegen het water.

Wanneer een nieuwe Kamer de Deltawet en het Nationaal Waterplan heeft behandeld, zal een nieuw kabinet de uitvoering ervan vlot ter hand kunnen nemen, en een vlotte uitvoering is nodig. Ondanks de voortgang die nationaal en internationaal is geboekt ten aanzien van klimaat en energie, is de opwarming van de aarde een realiteit waarmee ons land de komende eeuw zal worden geconfronteerd. Omdat deze opwarming gevolgen zal hebben voor de neerslag en het peil van de zeespiegel, heeft het kabinet in 2007 de Nationale Adaptatiestrategie vastgelegd en de uitvoering daarvan in de jaren daarna ter hand genomen, vooral met het Deltaprogramma dat in 2009 van start is gegaan. Ondertussen wordt door de Deltacommissaris stevig doorgewerkt aan het opstellen van een Deltaprogramma en de plannen van aanpak voor de uitvoering van alle gebiedsgerichte en generieke deelprogramma's. Op Prinsjesdag van dit jaar zal het Deltaprogramma worden gepubliceerd.

Mevrouw Thieme (PvdD):

Degene die nauw betrokken is bij het Deltaplan en de Deltawet is natuurlijk CDA-prominent Cees Veerman, tevens voorzitter van Natuurmonumenten. Ik heb het net ook al gevraagd aan de fractievoorzitter van het CDA, de heer Van Geel. Mijnheer Veerman heeft het beleid van het CDA met betrekking tot natuur gediskwalificeerd. Hij heeft gezegd dat je niet bij het CDA terecht kan, als je met een groen hart wilt stemmen. In feite is dat het diskwalificeren van het kabinetsbeleid. Wat vindt de minister-president van deze uitlatingen van Cees Veerman?

Minister Balkenende:

Voorzitter. Ik vind het niet op mijn weg liggen om hier te worden betrokken in een discussie die ook een partijpolitiek karakter heeft. De heer Van Geel is ingegaan op de interruptie van mevrouw Thieme en heeft aangegeven hoe hij dit onderwerp ziet. Daar wil ik eerlijk gezegd buiten blijven. Ik beschouw de opmerking van de heer Veerman als een opmerking van de voorzitter van Natuurmonumenten. Hij heeft zijn bespiegeling gegeven en zich vooral gericht op een partij. Ik vind het niet op mijn weg als minister-president om daarop in te gaan.

Mevrouw Thieme (PvdD):

Voorzitter. Laat ik het dan anders stellen. Cees Veerman schaart zich nu bij andere CDA-prominenten zoals Wijffels, Van Agt en Lubbers, die eigenlijk als spijtoptanten aangeven dat de verkeerde koers is gevaren met betrekking tot natuur en milieu. Daarnaast heeft het Planbureau voor de Leefomgeving de noodklok geluid over de te halen doelen met betrekking tot milieu en natuur en gezegd dat alle seinen op rood staan. Twynstra Gudde geeft aan dat de milieudoelen onhelder zijn en dat onduidelijk is of de maatregelen effectief zijn. Dat alles bij elkaar moet de minister-president toch tot zorgen stemmen, zodat hij met wat minder trots hier verdedigt dat het kabinetsbeleid effectief is? Enige bescheidenheid zou toch op zijn plaats zijn, zeker omdat die kritiek uit de maatschappij enorm aanzwelt?

Minister Balkenende:

Ik doe niets af aan het belang van het thema klimaat, duurzaamheid en milieu. Dat is één. Twee: dit is een verantwoordingsdebat. Het debat dat u nu voert, hebt u meerdere keren gehad. U hebt deze debatten ook gevoerd met mevrouw Cramer, toen zij nog minister was, en met het kabinet. Ik sta hier om te verantwoorden wat het kabinet zich heeft voorgenomen en wat er is gerealiseerd. Ik ben daarop ingegaan in de richting van mevrouw Halsema en dat is ook mijn taak hier. Voor het overige hebben we te maken met een duiding van ontwikkelingen. Het heeft te maken met oordelen die gegeven moeten worden. Moet er meer gebeuren? Dan zeg ik: ja, natuurlijk moet er meer gebeuren, want we zijn er nog lang niet, alleen een punt voor nader debat is de mate waarin welke instrumenten worden ingezet. Ik geef hier aan wat wij ons hadden voorgenomen en hoe wij ervoor staan. Dat is mijn doel.

Mevrouw Thieme (PvdD):

Wat hebben wij nu aan onafhankelijke instituten zoals het Planbureau voor de Leefomgeving en andere, ook wereldwijd, als het kabinet hier zegt: ach ja, dat is een mening? In andere debatten hebben wij al eerder gehoord dat het maar een mening is, maar het gaat er wel om dat onafhankelijk onderzoek uitwijst dat de doelen en de maatregelen onhelder zijn en dat de effectiviteit ervan niet bewezen en niet gecontroleerd kan worden. Dat zijn nogal ferme uitspraken, niet van politiek getinte, maar van onafhankelijke instituten. Daar kan het kabinet niet omheen. Of moeten wij die instituten dan maar gaan wegbezuinigen, voor zover wij ze subsidiëren?

Minister Balkenende:

Kijk, hoe gaan die zaken in hun werk? Aan het begin van een periode wordt afgesproken wat wij willen bereiken. U weet wat onze ambities waren en zijn voor het internationale klimaatbeleid en de nationale milieudoelstellingen. Deze zijn vastgesteld. Je kunt dat genoeg vinden of niet. U bent er altijd kritisch over geweest. Wat dat betreft hebt u steeds een helder signaal gegeven, dat weet ik ook wel. Vervolgens duik je in de ontwikkelingen; wat is er gebeurd. Dan zeg ik: ik sta hier om mij te verantwoorden over het beleid en dat te verdedigen. Dan zeg ik dat ik daarvan kennisneem. In dit stadium kan ik de werkelijkheid niet anders maken dan zij is. Ik vertel hier wat wij hebben beloofd en wat er is uitgevoerd. De implicatie van de opmerking van mevrouw Thieme is dat er meer moet gebeuren. Ik heb gezegd dat dit op het vlak komt te liggen van een nieuwe kabinetsformatie en van de gedachtewisseling tussen Kamer en een nieuwe regering.

De voorzitter:

De minister-president vervolgt zijn betoog. Het spijt mij, mevrouw Thieme.

Mevrouw Thieme (PvdD):

Nog één puntje.

De voorzitter:

Nee, nee.

Mevrouw Thieme (PvdD):

De minister-president zegt namelijk dat het te laat is, omdat het kabinet nu klaar is met zijn werk. Dit wordt echter al vanaf 2007 keer op keer gezegd door de instituten. Al die tijd had het kabinet het kunnen doen.

De voorzitter:

Dit is echt een herhaling van zetten, mevrouw Thieme. De minister-president vervolgt zijn betoog.

Minister Balkenende:

Voorzitter. Ik kom bij het onderwerp duurzame productie en consumptie. Het kabinet heeft zich vorig jaar ingespannen voor het stimuleren hiervan. Een belangrijk onderdeel daarvan is de voedselketen, die van twee zijden is benaderd, aan de vraagkant en aan de aanbodkant. Bewustwording van consumenten is een belangrijk speerpunt in de Nota Duurzaam voedsel. Het kabinet schrijft niet voor wat mensen wel of niet moeten eten. Het uitgangspunt is daarom dat duidelijke informatie beschikbaar is, zodat consumenten een weloverwogen eigen keuze kunnen maken. Aan de producentenkant is in 2009 het Convenant Marktontwikkeling Verduurzaming Dierlijke Producten afgesloten met een groot aantal koepelorganisaties van de voedselbranche en met de Dierenbescherming, met een looptijd tot en met 2011. Het streven is een omzetgroei voor duurzame dierlijke producten met 15% per jaar, waarbij het project financieel wordt ondersteund vanuit het Rijk. Reeds in 2009 zijn diverse projecten gehonoreerd. Voorts is met het Belastingplan 2009 de tweede tranche fiscale vergroening ingevoerd.

Als grootafnemer van producten kan ook de rijksoverheid zelf een belangrijke stimulerende rol spelen en dat doet zij dan ook. Op weg naar de doelstelling van 100% duurzame inkoop in 2010 zijn voor alle 45 productgroepen de duurzaamheidscriteria in 2009 gereedgekomen en zijn de rijksinkopers hiermee aan de slag gegaan. Het kabinet realiseert zich dat met al deze maatregelen het doel van een volledig duurzame productie en consumptie niet is bereikt. Het gaat erom dat de rijksoverheid een stimulerend beleid voert en alle randvoorwaarden creëert waardoor duurzame productie en consumptie in aandeel steeds verder zal toenemen ten koste van niet-duurzame productie- en consumptiepatronen.

Mevrouw Thieme (PvdD):

Wij zijn hier bezig met verantwoording: waaraan zijn de gelden uitgegeven? In de begroting van het ministerie van LNV is 10 mln. beschikbaar gesteld voor de sanering van landbouw en visserij. Wat blijkt? Die 10 mln. is niet daaraan uitgegeven, maar aan iets onzinnigs als de ganzenproblematiek. Ik hoor graag hoe het mogelijk is dat deze gelden niet daar zijn terechtgekomen waarvoor zij bestemd waren.

Minister Balkenende:

Ik stel voor om deze vraag van mevrouw Thieme over te brengen aan de minister van LNV zodat dit onderwerp bij de behandeling van het departementale jaarverslag terugkomt. Dat zeg ik om de volgende reden. Ik heb een Verantwoordingsbrief geschreven met vijf hoofdonderdelen, waar door de Kamer om is gevraagd. Deze vraag gaat behoorlijk in detail. Ik heb deze informatie op dit moment niet. Het lijkt mij het beste, ook gegeven de aard van de vraagstelling, om hierop terug te komen bij de behandeling van het departementale jaarverslag.

Mevrouw Thieme (PvdD):

Dank. Ik gaf dit voorbeeld om te illustreren dat het ontzettend onduidelijk is waar de gelden naartoe zijn gegaan en wat met die gelden wordt beoogd. Dit is maar één van de vele voorbeelden die ik heb gevonden.

Minister Balkenende:

Ik heb een toezegging gedaan om dit over te brengen. De zaak komt dan terug.

De voorzitter:

Akkoord.

Minister Balkenende:

Voorzitter. Mevrouw Halsema heeft gemeld dat 240 hoogleraren pleiten voor een duurzame veeteelt. Zij vroeg of de minister-president dit initiatief steunt. Het kabinet beschouwt de oproep van de hoogleraren als ondersteuning van zijn beleid om te komen tot een duurzame veehouderij. Ik hoor mevrouw Halsema schaterlachen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Excuus!

Minister Balkenende:

Waarvoor dank. Ik zie dat mevrouw Halsema zich naar de interruptiemicrofoon spoedt. Zal ik eerst antwoord geven?

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Laat ik alleen zeggen dat ik even moest lachen omdat de hoogleraren heel nadrukkelijk de brief niet hebben geschreven als ondersteuning van het beleid, maar als kritiek op het beleid.

Minister Balkenende:

Dat begrijp ik ook, maar daarom zei ik ook dat het kabinet de oproep beschouwt als een ondersteuning. Ik heb mijn woorden zorgvuldig gekozen! Verduurzaming is een proces dat samen met maatschappelijke organisaties tot stand komt. Het kabinet deelt dan ook niet de inzet van hoogleraren, die de oplossing vooral bij de overheid neerleggen. Je hebt producenten, retail, verwerkers, ngo's en de overheid nodig voor een verduurzaming van de veehouderij. Het kabinet heeft een convenant afgesloten met marktpartijen en ngo's over marktontwikkeling en verduurzaming van dierlijke producten, om een omzetgroei te krijgen van de duurzame dierlijke producten. Ook is een platform opgericht, gericht op bewustwording bij consumenten over duurzaam voedsel. Meer stappen en initiatieven zijn nodig voor een verduurzaming van de veeteelt. Het denken van de hoogleraren kan daarvoor zeer bruikbaar zijn.

Mevrouw Thieme (PvdD):

De minister-president zegt dat hij dit ziet als een ondersteuning voor de discussie, terwijl de minister van LNV in een soort van repliek in NRC Handelsblad heeft gezegd dat de hoogleraren hun huiswerk niet hebben gedaan. Wat vindt de minister-president ervan om de wetenschappers, 680 in totaal, op die manier weg te zetten?

Minister Balkenende:

Ik vind dit lastig, want nu word ik in een discussie gedrongen die ik wel kan plaatsen vanuit wat mevrouw Thieme zegt. Zij vraagt mij om een oordeel over hoe erop is gereageerd. Ik wil daar eigenlijk buiten blijven. Ik heb aangegeven hoe ik aankijk tegen deze oproep. Ik heb gezegd dat het kabinet dit niet alleen een zaak van de overheid vindt, maar dat het veel breder moet worden bekeken. Dat wij moeten komen tot een duurzame veehouderij, heb ik als algemeen uitgangspunt genoemd. Bij deze algemene reactie wil ik het houden. Wanneer mevrouw Thieme verder wil ingaan op wat de minister heeft gezegd en bedoeld en wat daarachter zit, moet dit naar mijn mening worden voorgelegd aan de minister bij de behandeling van het departementale jaarverslag. Dat lijkt mij logischer. Ik zeg mevrouw Thieme wel toe dat ik haar gevoelen zal overbrengen. Ik volsta nu met het antwoord dat ik heb gegeven.

Mevrouw Thieme (PvdD):

Elke minister spreekt namens het gehele kabinet. Het is dus te gemakkelijk om weer te wijzen naar de minister zelf. Als minister Verburg zulke dingen schrijft in NRC Handelsblad, vind ik dat het gehele kabinet daarvan op de hoogte moet zijn en daar dus kennelijk ook achterstaat. Ik hoor graag welke waarde de minister-president hecht aan de oproep van de hoogleraren, wat hij vindt van de kwalificatie dat zij eigenlijk hun huiswerk niet hebben gedaan en of hij ook van mening is dat hier het motto "schoenmaker blijf bij je leest" geldt, dus dat de hoogleraren eigenlijk niet weten waarover zij het hebben.

Minister Balkenende:

Ik doe daarover geen uitspraken. Ik heb gezegd dat de oproep wordt beschouwd als een bijdrage aan het debat over duurzame veehouderij. Wij moeten die kant ook uit gaan. De kwalificaties die de minister van LNV heeft gegeven, kan ik niet direct plaatsen. Ik weet niet waarom zij het zo heeft gezegd en wat zij heeft bedoeld. Ik zal dit punt overbrengen, maar ik wil het hierbij laten in dit debat.

Voorzitter. Mevrouw Halsema heeft gevraagd waarom Nederland geen Duits feed-in-systeem heeft om zonne-energie te stimuleren. De transitie naar een duurzame energievoorziening blijft onverminderd een prioriteit, maar gezien de toestand van de overheidsfinanciën is het nog noodzakelijker dan voorheen om ons vol te richten op de meest kosteneffectieve opties. Dat zijn de bij- en meestook van biomassa in kolencentrales en wind op land. Zonder deze twee opties ten volle te benutten, is het een illusie om te denken dat wij ook maar enigszins in de buurt komen van de Europese doelstelling van 17% duurzame energie. Dit hoeft niet noodzakelijkerwijs met subsidie. De werkgroep heroverweging energie- en klimaatbeleid heeft bijvoorbeeld gesuggereerd om op termijn tot een verplichting over te gaan. De GroenLinks-fractie heeft eerder diverse keren een motie ingediend voor een verplicht aandeel "duurzaam" en daarvoor steun gekregen van de Kamer. De werkgroep heroverweging energie- en klimaatbeleid noemt het feed-in-tarief in zijn rapport met voor- en nadelen. Het is aan een volgend kabinet om hierover te beslissen.

Ik ga over tot het thema wijkenaanpak. De economische, demografische en culturele ontwikkelingen hebben zich de afgelopen decennia in combinatie gemanifesteerd in oude, vooroorlogse wijken en vervolgens ook in de nieuwe wijken, de groeikernen. De leefbaarheid is daar steeds verder achteropgeraakt ten opzichte van andere wijken, dorpen en steden in Nederland. De maatschappelijke problemen stapelden zich op op het gebied van wonen, werken, onderwijs, opvoeding en veiligheid. Wij hebben natuurlijk nooit de illusie gehad dat wij die problemen binnen één kabinetsperiode zouden kunnen oplossen en kozen daarom voor een periode van acht tot tien jaar om daadwerkelijke verbeteringen te realiseren in samenwerking met gemeenten en woningcorporaties. Eind 2009 lag de uitvoering van deze aanpak op ruim een kwart van dat traject. Een volgend kabinet dient dan ook te besluiten over de voortzetting van de wijkenaanpak.

In 1998 woonden 1,4 miljoen mensen in een gebied met leefbaarheidsproblemen. Momenteel zijn dat er nog 900.000. De grootste opgaven liggen nog in de grote steden, maar ook sommige kleine gemeenten hebben nog steeds met forse en hardnekkige leefbaarheidsproblemen te maken. Uit de Leefbarometer, een instrument om de leefbaarheid in wijken te meten, blijkt dat de leefbaarheidssituatie in de afgelopen tien jaar gemiddeld genomen is verbeterd. De samenwerking tussen kabinet, gemeenten en woningcorporaties in de wijkaanpak begint inmiddels vruchten af te werpen. De grootste vooruitgang is te vinden in de gebieden met de grootste achterstanden. Ik noem een paar voorbeelden. De werkloosheid in de wijken is gestabiliseerd, terwijl deze landelijk is gestegen als gevolg van de economische crisis, al is het aandeel werkzoekenden in aandachtswijken nog bijna tweeënhalf keer zo hoog als in de rest van Nederland. Relatief gezien doen deze wijken het echter beter. Het aantal voortijdig schoolverlaters in de 40 wijken is sneller gedaald: met 39% in de krachtwijken ten opzichte van 19% landelijk in de periode 2007-2009. Dat is echter nog twee keer zo hoog als in de rest van Nederland. De ondernemersquote in de wijken is gestegen van 5,4 in 2007 naar 6,3 in 2009.

In bijna alle aandachtswijken wordt gewerkt met een aanpak die tot achter de voordeur strekt. Vele duizenden bewoners zijn bezocht en geholpen op het gebied van werkloosheid, onderwijs, armoede of schuldenproblematiek. Verbetering van de leefbaarheid in de wijken begint met de aanpak van sociaaleconomische problematiek. Wijkbewoners zijn het meeste gebaat bij een goede woning, het hebben van een baan of het volgen van goed onderwijs. Het kabinet heeft in samenwerking met gemeenten en corporaties daarom het afgelopen jaar fors geïnvesteerd in diverse zaken op het gebied van wonen, gezondheid, wijkeconomie en onderwijs.

De heer Pechtold (D66):

Dat zijn algemene termen, maar volgens mij was het kabinet in 2007 van plan om 250 mln. bij de corporaties op te halen. Hoe veel is daarvan opgehaald?

Minister Balkenende:

Dat moet ik even nagaan. De heer Pechtold vraagt naar precieze getallen; die moet ik even vragen.

De heer Pechtold (D66):

Volgens mij was het niets. Wij hebben gewoon drie jaar lang gedoe gehad met corporaties. De minister-president kan wel zeggen wat er allemaal is verbeterd, maar dat is nog de naloop van het grotestedenbeleid dat onder de Paarse kabinetten is ingezet en dat nog doorliep vanuit het kabinet-Balkenende II. Het kabinet heeft na 2007 helemaal geen extra geld meer in het wijkenbeleid gestopt. Het is gewoon gestopt. De effecten die de minister-president noemt, zijn dus niet vanwege hetgeen hij vandaag dient te verantwoorden, namelijk datgene wat in het coalitieakkoord is afgesproken.

Minister Balkenende:

Zoals ik al heb toegezegd, zal ik nog terugkomen op de specifieke cijfers. Ik heb echter ook aangegeven dat door de gemaakte afspraken ... Laat ik een voorbeeld geven. De corporaties investeren jaarlijks zo'n 250 mln. extra, naast de reguliere investeringen. Dat zijn belangrijke zaken die de kwaliteit van wonen ten goede komen. Ik kan ook zaken noemen ten aanzien van gezondheid, het experiment in de aandachtswijken, het extra geld voor wijkverpleegkundigen of de wijkeconomie, waarin ook de corporaties een rol spelen. Al die zaken kunnen worden aangegeven. Ik ben het ook niet eens met de stelling dat dit alleen zou voortvloeien uit vorig beleid. Er is de afgelopen jaren natuurlijk het nodige aan gebeurd.

Voorzitter. Naast de sociaaleconomische problematiek staat het belang van veiligheid in de wijken centraal, evenals een effectieve bestrijding van overlast en verloedering, waarover wij het eerder hebben gehad. Ik hoef dat niet te herhalen. Het kabinet mag natuurlijk worden aangesproken op zijn faciliterende rol, ook op het gebied van veiligheid. Ik kan dat nu laten voor wat het is, omdat ik er al het nodige over heb gezegd.

De heer Van Geel heeft gevraagd of de verbeteringen in de 40 wijken wel toe te schrijven zijn aan de wijkenaanpak en of andere overheden en organisaties dit niet beter kunnen aanpakken dan het Rijk. In de 40 wijken komen problemen op het gebied van wonen, werken, onderwijs en veiligheid samen. Het zijn vooral de gemeenten en corporaties die, samen met de bewoners, de problemen aanpakken. Het kabinet heeft een in hoge mate ondersteunende rol door middelen met voorrang te bestemmen voor de 40 krachtwijken, deskundigheid ter beschikking te stellen, de inzet van extra wijkagenten en wijkverpleegkundigen te bevorderen, wettelijke mogelijkheden te creëren en te bevorderen dat woningcorporaties investeren in de krachtwijken. Die specifieke aandacht heeft effect. De grootste vooruitgang in de afgelopen jaren is te vinden in de gebieden met de grootste achterstanden. Ik heb het eerder genoemd: de stabilisatie van de werkloosheid, de daling van het aantal voortijdig schoolverlaters, de stijgende ondernemersquote en de wijkverbetering.

Voorzitter. Hiermee ben ik gekomen aan het einde van datgene wat ik naar voren wilde brengen in mijn eerste termijn.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Een vraag van mij over een brief van de minister van VROM in het kader van duurzaamheid is niet beantwoord. De urgentie om de krachten van de overheid, de wetenschap en het bedrijfsleven te bundelen is enorm. Daarover is een brief geschreven aan de Kamer, waarin de suggestie wordt gedaan om in het kader van de strategie en het schaarstedocument een adviesaanvraag te doen bij de WRR. Het standpunt van het kabinet is dat een nieuw kabinet dit moet doen. Mijn voorstel was dat dit kabinet het in ieder geval nog voorbereidt en aan de Kamer doet toekomen ofwel dat het de aanvraag zelf doet.

Minister Balkenende:

Excuus. Ik had mij inderdaad voorgenomen om hierover iets te zeggen. Het betreft hier de adviesaanvraag bij de WRR over milieu en schaarste. Het kabinet heeft volop aandacht gegeven aan de samenhang tussen de energie-, de klimaat-, de grondstoffen-, de water- en de voedselcrisis, mede op aandringen van uw partijgenoot in de Eerste Kamer, de heer Schuurman. Dat heeft geleid tot het project Schaarste en Transitie. De adviesraden, de planbureaus en de WRR zijn hier al volop bij betrokken. Het gaat erom dat we zicht krijgen op welke transitie mogelijk is naar een duurzame wereld, welke stappen nodig zijn en hoe die concreet gezet worden. Wat de heer Cramer feitelijk vraagt, gebeurt al in het traject dat ik zo-even noemde. Het lijkt mij het beste dat ik hetgeen hij naar voren brengt, kenbaar maak aan de WRR. Ik moet wel letten op de samenhang der dingen, want we zijn al bezig het traject in te zetten, maar ik zeg toe dat ik het zal bespreken met de voorzitter van de WRR.

De voorzitter:

Ik dank de minister-president voor de beantwoording.

Minister Rouvoet:

Voorzitter. Zoals gezegd door de minister-president, richt ik mij met name op de onderwerpen jeugd, Jeugd en Gezin en onderwijs. Uiteraard zal ik mij met name focussen op de verantwoording over 2009 en de beleidsdoelstellingen van het kabinet. Ik zal daarbij ingaan op de vragen die daarover door de Kamer zijn gesteld.

Ik begin met Jeugd en Gezin. Het jaar 2009 was voor dat beleidsterrein een belangrijk jaar. Er zijn allerlei belangrijke rapporten en onderzoeken uitgebracht, ook over de werking van de jeugdzorg in de meest brede zin. De meest opvallende hiervan is natuurlijk de wettelijk voorgeschreven evaluatie van de Wet op de jeugdzorg, maar ik noem ook het SER-advies over de participatie van jongeren met gedragsproblemen. Dat was een brede adviesaanvraag namens het kabinet aan de Sociaal-Economische Raad. Het zijn belangrijke rapporten die de aandacht van Kamer en kabinet meer dan verdienen.

Die hele stapel rapporten over jeugd en jeugdzorg is in de loop der tijd mede op verzoek van de Kamer, maar ook op initiatief van het kabinet tot stand gebracht. We hebben met elkaar vastgesteld dat we nu echt alle informatie op tafel hebben. Uit die stapel rapporten wordt duidelijk dat de afgelopen jaren weliswaar een heleboel is gebeurd en verbeterd op het terrein van de jeugdzorg, maar dat we nu wel aan de grenzen van de mogelijkheden zijn gekomen om de jeugdzorg binnen het huidige stelsel te verbeteren.

De verbeteringen die wij met elkaar nog willen bereiken, kunnen niet meer binnen dat stelsel worden gerealiseerd. Het kabinet en de werkgroep uit de Kamer die zich met jeugdzorg bezighoudt, zijn het erover eens dat er meer moet gebeuren aan het stelsel zelf, aan de wettelijke kaders die daarvoor vijf jaar geleden tot stand zijn gebracht. Ingrijpende wijzigingen zijn nodig en onvermijdelijk, anders blijft het aantal kinderen dat een beroep doet op de zwaardere vormen van gespecialiseerde zorg almaar toenemen en dat heeft natuurlijk effect op de wachtlijsten. Als we niet tot wijzigingen overgaan, komen ook de intersectorale zorg en de adequate begeleiding van met name de multiprobleemgezinnen onvoldoende van de grond, en we spreken hierbij wel over de groep jongeren die de ondersteuning het hardst nodig heeft.

Het aanpakken van het stelsel en de wettelijke kaders is ook nodig met het oog op de verdere bestrijding van de bureaucratie. De heer Roemer heeft daar een concrete vraag over gesteld waar ik straks nog even op terugkom, maar er is geen verschil van mening tussen kabinet en Kamer over de noodzaak om de stelsels, de kaders en de financieringsstromen aan te pakken.

De kaders die nu gemaakt moeten worden, zijn door het kabinet neergelegd in de kabinetsvisie Perspectief voor Jeugd en Gezin, die enige tijd geleden naar de Kamer is gestuurd. Dit is niet de plek om uitgebreid uiteen te zetten wat in de visie besproken wordt, maar gelet op de gestelde vragen hecht ik er wel aan om een paar belangrijke pijlers ervan te noemen.

Allereerst moet zorg, ook jeugdzorg, staan in het teken van de participatie, het meedoen, het versterken van de eigen kracht van jongeren en de gezinnen en netwerken waarin ze wonen en leven. Een andere pijler is dat de zorg en ondersteuning dicht bij het kind en het gezin moeten worden georganiseerd, op school, in de buurt en uiteindelijk, als het gaat om bestuurlijke verantwoordelijkheid, bij de gemeente.

Er moet gewerkt worden aan de indicatiestelling, de manier waarop jongeren nu zorg toegewezen krijgen. In allerlei debatten met de Kamer is al vastgesteld dat de huidige, nogal bureaucratische wijze van indicatiestelling, zoals voorgeschreven in de Wet op de jeugdzorg, waarvoor wij als wetgever en medewetgever destijds met elkaar getekend hebben, zal moeten worden vervangen door een veel eenvoudiger wijze van toewijzen van zorg en jeugdzorg aan de jongere zelf.

Verder moet het aantal financieringsstromen sterk worden teruggebracht. De regie zal bij de gemeente moeten worden belegd, vanuit het belang van het principe één gezin, één plan.

Dat zijn de hoofdlijnen van de kabinetsvisie op de toekomst van de jeugdzorg. Het doet mij deugd, vast te stellen dat ook de werkgroep uit de Kamer die zich bezighoudt met het voorbereiden van het debat dat we hierover zouden hebben gehad voor de zomer, deze uitgangspunten heeft onderschreven en dat er voor diezelfde uitgangspunten ook breed draagvlak is in het veld. Dat lijkt mij goed nieuws voor de kinderen, de jongeren, de ouders en de professionals, want dat betekent dat de nieuwe Kamer en het nieuwe kabinet straks snel knopen kunnen doorhakken.

Er zijn ook punten van verschil. Ik zal daar niet over uitweiden. Er zitten tussen de visie van het kabinet en de bevindingen van de werkgroep een paar punten waarover discussie mogelijk is, maar grosso modo is de richting waarin het gezocht wordt tot mijn vreugde grotendeels gelijk. Ik zal nu dus niet op die verschillen ingaan. Die komen vanzelf nog aan de orde. Ik heb al eerder gezegd dat ik beschikbaar ben voor dat debat, zeg ik even met de pet van minister voor Jeugd en Gezin op. Het is echter aan de Kamer om daar een beslissing over te nemen.

Het lijkt mij van belang dat wij met elkaar blijven streven naar een omslag, naar een versterking van het gezin en van de sociale netwerken en naar het geven van eerdere en lichtere hulp en ondersteuning aan jongeren en kinderen. Meer opvoedondersteuning in buurt en op school voorkomt onnodige medicalisering. Dan blijft de zware zorg dus beschikbaar voor de jeugdigen die deze echt nodig hebben.

Kortheidshalve, er is meer nodig dan het wijzigen van de bestuurlijke kaders en het stelsel. Een professionaliseringsslag is zowel in de visie van het kabinet als in de bevindingen van de werkgroep belangrijk. Terecht. Het versterken van de preventie via met name de Centra voor Jeugd en Gezin in het gemeentelijke domein wordt ook door beide onderschreven. Ik kom straks nog even terug op de centra naar aanleiding van een enkele vraag.

Ik kom bij een aantal meer specifieke vragen van de woordvoerders over het beleidsterrein Jeugd en Gezin. Ik begin bij de heren Van Geel en Cramer, die beiden opmerkingen hebben gemaakt over het programmaministerie als fenomeen.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Ik hoor hier de minister voor Jeugd en Gezin verantwoording afleggen. Hij is drie jaar lang minister geweest. Ik hoor hem dingen zeggen als: moeten, zullen, uitgangspunten formuleren, nieuw kabinet kan knopen doorhakken, er moet een professionaliseringsslag komen. Wat heeft deze minister de afgelopen drie jaar gedaan? Concreet graag, geen rapporten en onderzoeken; dat weten we allemaal wel. Die hebben we zat in Nederland. Concrete resultaten, graag.

Minister Rouvoet:

Ik heb aangegeven dat de afgelopen drie jaar heel hard is gewerkt binnen de wettelijke kaders. We wisten allemaal dat er een Wet op de jeugdzorg in werking is getreden per 2005 en dat er na vijf jaar een evaluatie daarvan zou komen. Dat is een keuze van de wetgever geweest. Dat betekent dat de punten waarop ik nu ben ingegaan en die in de kabinetsvisie aan de orde komen, wel moesten wachten tot die evaluatie er lag. Dat is wel zo ordentelijk als de wetgever zegt dat de wet moet worden geëvalueerd. Ondertussen is er hard gewerkt aan verbeteringen. Ik noem de aanpak van de kindermishandeling en de wachtlijsten. Er zijn een aantal centrale doelstellingen in het kabinetsbeleid, waarvan in de Verantwoordingsbrief is aangegeven dat die op schema liggen.

Over de gehele kabinetsperiode liggen alle doelstellingen van Jeugd en Gezin op schema. Dat is mooi. Ik heb echter ook aangegeven dat als we meer en verder willen en de verschillende financieringsstromen willen aanpakken, we het stelsel moeten aanpakken. Dat heeft het kabinet vastgesteld. Dat heeft de Kamer ook vastgesteld. Voor het overige mag ik mevrouw Verdonk verwijzen naar de vele debatten over de jeugdzorg en alle verbeteringen. Ik noem de gesloten jeugdzorg en het scheiden van straf en civiel, wat in de vorige periode is blijven liggen en in deze periode is gerealiseerd.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Ik ben niet onder de indruk. De scheiding tussen civielrechtelijk en strafrechtelijk was organisatorisch. Die was niet zo moeilijk: een aantal inrichtingen erbij bouwen en dan zorgen dat die jongeren gescheiden worden. U zegt dat alles moest wachten op de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg. Ook dat is flauwekul, want u was in die periode wel in staat om te beginnen met iets heel nieuws, namelijk de Centra voor Jeugd en Gezin. Ook daarvoor hebt u uw doelstellingen niet bereikt. U had het eerst over een landelijke dekking, toen werden het er 125 en nu is het nog niet gelukt. Nu heeft een aantal wethouders ineens bedacht: laten we even scoren voor de gemeenteraadsverkiezingen en zo'n centrum openen. Ik ben daar niet van onder de indruk. Kunt u mij concreet vertellen wat u hebt bereikt? Waar kijkt u met heel veel trots op terug, minister voor Jeugd en Gezin?

Minister Rouvoet:

Op al die dingen die ik de afgelopen jaren met de Kamer uitvoerig bediscussieerd heb. Mevrouw Verdonk was daar niet bij, maar er is heel veel gebeurd de afgelopen jaren. Zij kan het niet belangrijk vinden, maar ik vind het wel belangrijk. Toen ik aantrad, en dat was in de periode dat zij verantwoordelijkheid droeg, zaten er 1200 tot 1300 kinderen in de jeugdgevangenissen. Die hoorden daar niet thuis, maar in gesloten jeugdzorginstellingen. We hebben toen de termijn naar voren gehaald. Dat is niet een kwestie van bouw even een paar instellingen erbij en het is voor elkaar. Mevrouw Verdonk bagatelliseert het. Het is een brede wens van de Kamer en van het kabinet dat we jongeren die zorg nodig hebben, die zorg bieden. Mevrouw Verdonk doet onrecht aan de professionals die daar dag en nacht mee bezig zijn, als zij zegt: het is allemaal maar een kwestie van organisatie.

Ik wijs op de resultaten met de wachtlijsten. Ik wijs op de Centra voor Jeugd en Gezin. Mevrouw Verdonk heeft het mis als zij zegt dat we daarvoor de doelstellingen niet gehaald hebben. De afspraak met de VNG in juni 2007 was dat aan het einde van de kabinetsperiode – dat was toen nog 2011 – alle gemeenten Centra voor Jeugd en Gezin zouden hebben. We liggen op schema. We hebben die doelstelling niet teruggedrongen. Die afspraak staat nog steeds. Eind 2009 is er even een hiccup geweest van een aantal wethouders, ook van VVD-huize, die zeiden: het is toch wel leuk als je vlak voor de gemeenteraadsverkiezing dat centrum kunt openen. Maar we zitten ver boven de afgesproken norm. Het ligt allemaal op schema. Mevrouw Verdonk doet daar nogal geringschattend over, maar het zijn heel belangrijke wijzigingen.

Mevrouw Verdonk vraagt of dat zomaar kon binnen het stelsel. Ja, dat kon, omdat er al gemeentelijke bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn. Daar is de Kamer nauwgezet bij betrokken geweest. Misschien mag ik mevrouw Verdonk op dat punt bijlichten. Met instemming van de Kamer zijn de Centra voor Jeugd en Gezin er gekomen. Dat staat los van de evaluatie van de provinciale, de geïndiceerde jeugdzorg, waarbij we inderdaad met de evaluatie te maken hadden.

Er zijn veel dingen waar ik trots op ben. Niet zozeer omdat mijn medewerkers en ik daar hard aan getrokken hebben, maar omdat het veld de afgelopen periode keihard bezig is geweest met de aanpak van kindermishandeling, met de gesloten jeugdzorg, met de Centra voor Jeugd en Gezin. En, dat mag hier ook wel eens gezegd worden, er is heel hard gewerkt, ook zonder dat we hoefden te wachten op de evaluatie.

De voorzitter:

Laatste keer, mevrouw Verdonk.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Er is heel hard gewerkt. Jazeker. Er wordt altijd hard gewerkt door de mensen die aan de basis staan. Er is geen onderwerp waarover je als Kamerlid zo veel e-mailtjes krijgt als over de jeugdzorg. Die gaan dan vooral over alle ellende in de jeugdzorg, want het eerste mailtje met complimenten over de jeugdzorg moet ik nog ontvangen. De minister zegt dat ik de scheiding tussen civielrechtelijk en strafrechtelijk niet belangrijk vind. Die is wel degelijk belangrijk. Het enige wat ik opmerk, is dat het gewoon een organisatorische maatregel is. Ik ben jarenlang directeur geweest van de justitiële jeugdinrichtingen. Ik had het zo voor de minister geregeld. Daar zou ik maar twee maanden voor nodig hebben gehad in plaats van drie jaar. Want zo werkt het. Misschien heb ik wat meer ervaring in die sector dan de minister.

De voorzitter:

Uw vraag?

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Er lagen prachtige rapporten toen dit kabinet aantrad. Die rapporten heten Regie in de Jeugdzorg. Wat is er met die rapporten gebeurd? En wie is nu exact de doelgroep van de Centra voor Jeugd en Gezin? Ik zag laatst een advertentie en daarin stond: plast uw kind in de broek, wil het de fles niet, komt u naar de Centra voor Jeugd en Gezin. Ik kan mij toch niet voorstellen dat dat de bedoeling is geweest.

Minister Rouvoet:

Ik heb geen behoefte om de ervaring van mevrouw Verdonk in de justitiële jeugdinrichtingen te minimaliseren, maar zij slaat de plank mis als zij zegt dat het opzetten van een instelling voor gesloten jeugdzorg een kwestie is van een gebouw neerzetten en dat de rest organisatorisch van aard is. Er is de afgelopen jaren bij allerlei gelegenheden uitvoerig hierover met de Kamer gedebatteerd. Er is een kwaliteitsslag gemaakt. Het is een nieuwe, ingewikkelde vorm van zorg voor de moeilijkste groep jongeren. De instellingen zelf hebben een streefbeeld opgesteld. De inspectie heeft een kwaliteitskader ontwikkeld. Dat zijn geen organisatorische zaken, maar juist zeer belangrijke, inhoudelijke punten. Naast de justitiële jeugdinrichtingen waar mevrouw Verdonk haar expertise heeft opgebouwd, is dit een nieuwe tak van sport.

Er is een hoop te doen geweest in de jeugdzorg en dat is eigenlijk nog steeds het geval. Wij zijn zeker nog niet klaar. Ik ken de mailtjes die mevrouw Verdonk krijgt natuurlijk ook. Die zijn afkomstig van mensen die niet te spreken zijn over wat er gebeurd is. Er zijn ook reacties van mensen die het niet eens zijn met ondertoezichtstellingen. Ik ken de klachten. Er is hard gewerkt aan de klachtenafhandeling. Ik had de signalen die mevrouw Verdonk heeft gekregen graag van haar gehoord in de debatten van de afgelopen jaren. Ik heb haar daarbij echter niet mogen aantreffen. Dat mag, maar ik vind het iets te gemakkelijk om nu alleen in de terugblik op 2009 te zeggen dat de jeugdzorg ongelooflijk belangrijk is. Ik was daarover graag met mevrouw Verdonk in debat gegaan de afgelopen jaren, zoals ik dat met alle andere fracties heb gedaan.

Samen met de VNG ben ik tot de conclusie gekomen dat het Centrum voor Jeugd en Gezin geen nieuwe instantie moest worden. Er zijn allerlei gemeentelijke verantwoordelijkheden op het terrein van opvoedondersteuning, jeugdbeleid en jeugdgezondheidszorg. Die verantwoordelijkheden zijn gebundeld in de Centra voor Jeugd en Gezin. Daar is extra geld naartoe gegaan. Dat heet dan het bevorderen van preventie. De heer Cramer heeft daarop gewezen. Met de vragen waarvoor je nu al terecht kunt bij de opvoedondersteunpunten of bij de jeugdgezondheidszorg kun je voortaan bij de Centra voor Jeugd en Gezin terecht. Op die manier weet je zeker dat professionals elkaar feilloos weten te vinden en elkaar niet langs allerlei ingewikkelde lijnen eerst hoeven op te zoeken. Mevrouw Verdonk zou eens een bezoek aan een Centrum voor Jeugd en Gezin moeten brengen. Hier in Den Haag is er een zeer goede vestiging. De heer Dekker, een VVD-wethouder, is erg enthousiast over de Centra voor Jeugd en Gezin. Zo zijn er veel wethouders. Ik deel dat gevoel natuurlijk.

De doelgroepen zijn alle ouders en alle kinderen die vragen hebben over opvoeden en opgroeien. Ik noem ook de consultatiebureaus en de GGD. Ik zeg tegen de heer Rutte dat de Centra voor Jeugd en Gezin bedoeld zijn voor alle kinderen. Zij hoeven er niet heen, maar zij mogen er heen als zij vragen hebben of als zij daar behoefte aan hebben. De medewerkers staan klaar om iedereen die met een vraag naar binnen komt weer met een antwoord naar buiten te laten gaan.

Ik heb de breedte van onderwerpen aangegeven. Het varieert van jeugdwerkloosheid, via preventie tot gesloten jeugdzorg, de zware vormen van geïnitieerde jeugdzorg. De heer Cramer gaf een overzicht van onderwerpen waarmee het programmaministerie Jeugd en Gezin zich bezig heeft gehouden. Ik noem ook de alcoholproblematiek onder jongeren. Dit is een fors probleem en voor de oplossing daarvan hebben wij gezamenlijk voorstellen bij de Kamer ingediend in de vorm van wijziging van de Drank- en Horecawet.

De heer Cramer signaleerde dat het programmaministerie daarmee zijn toegevoegde waarde heeft bewezen. Dat doet mij natuurlijk deugd. Wij staan in die opvattingen overigens niet alleen. Drie onafhankelijke instanties hebben gezegd dat de twee programmaministeries voor Jeugd en Gezin en voor WWI nieuwe fenomenen zijn die zich hebben moeten bewijzen, maar dat voor Jeugd en Gezin geldt dat het zijn nut bewezen heeft. Ik doel op bureau Berenschot, de Raad voor Openbaar Bestuur en op de Nationale ombudsman. Zij zeggen ook dat wij er verstandig aan doen om daar nog ten minste één kabinetsperiode mee door te gaan.

Toen het kabinet in 2007 aantrad met twee programmaministers, hebben wij zelf ook gezegd dat dit een nieuw fenomeen was. Het was in die zin een experiment dat moest worden nagegaan wat een praktische werkwijze is. In beginsel moet dit een tijdelijk verschijnsel zijn omdat zich in nieuwe tijden nieuwe onderwerpen kunnen lenen voor een programmatische aanpak. Een programmatische aanpak kan op verschillende manier gestalte krijgen en dit is een zeer concrete vorm. Het is natuurlijk aan een nieuw kabinet om straks te bezien voor welke onderwerpen deze programmatische aanpak zich nog meer leent. Gezien de ervaringen is het goed om in ieder geval nog één periode door te gaan met Jeugd en Gezin.

De heer Van Geel heeft ook over de Centra voor Jeugd en Gezin gesproken. Inmiddels hebben circa 165 gemeenten zo'n centrum. Daarmee liggen wij royaal op schema. Mevrouw Hamer was daar positief over. Dat betekent dat ook die kabinetsdoelstelling mooi op schema ligt.

Ik heb de opmerkingen van de heer Rutte over de Centra voor Jeugd en Gezin beschouwd als een constructief meedenken over het belang van preventie voor jongeren. Ik blijf positief vandaag. De heer Rutte was wat kritisch in zijn vragen. Het is mij niet ontgaan dat wij, als het aan de VVD ligt, de Centra voor Jeugd en Gezin gaan afschaffen. Ik heb de indruk – maar ik laat mij graag corrigeren – dat de 0,4 mld. die daarmee wordt ingeboekt de gehele brede doeluitkering voor Jeugd en Gezin omvat. Dat geld is ook bestemd voor de huidige consultatiebureaus. Ik weet niet of het de bedoeling is om dat geld daar weg te halen, maar ik raad de VVD aan om daar toch voorzichtig mee te zijn zodat dit niet ten koste gaat van de GGD, de schoolartsen en de consultatiebureaus.

De heer Rutte (VVD):

Op dat laatste punt kan ik de minister volledig geruststellen. Het is overigens aan de gemeenten en daar moet het ook blijven. Wij zijn tegen het landelijk opleggen van dit soort bureaucratische structuren. In de meeste gevallen leidt dit niet tot minder loketten maar tot een extra loket. Als het lokaal wel kan werken, moet de lokale politiek dat beslissen. Kortom, het is aan de lokale politiek en blijkbaar functioneert het in de gemeente Den Haag goed.

Minister Rouvoet:

Met groot enthousiasme van de VNG en van alle gemeenten wordt er nu door alle wethouders, ongeacht hun politieke kleur, hard gewerkt aan de Centra voor Jeugd en Gezin, juist om te voorkomen dat er zes of zeven loketten zijn voor ongeveer dezelfde dienstverlening. Wij hebben hierover goede, bindende afspraken gemaakt. De gemeenten hebben extra geld gekregen om deze centra te realiseren. De gemeente Den Haag is niet de enige gemeente waar het goed werkt. Dit is op heel veel plaatsen het geval. De heer Rutte zou mij pas echt geruststellen als hij mij kan uitleggen wat er dan in het bedrag 400 mln. zit, als het niet de consultatiebureaus zijn. Ik kan mij daar eigenlijk niets anders bij voorstellen. Ik houd het er maar even op dat in de plannen van de VVD de consultatiebureaus en GGD's compleet worden afgeschaft. Dat lijkt mij een slechte gedachte, want dat bekent het einde van de jeugdgezondheidszorg. Anders zou ik niet weten waar de VVD die 400 mln. vandaan wil halen en de heer Rutte kennelijk ook niet. Ik hoor graag in tweede termijn van hem wat er dan wel in die bezuiniging zit.

Mevrouw Hamer heeft gevraagd hoe het staat met haar motie rondom de verkokering in de jeugdzorg, die zij twee jaar geleden bij de behandeling van de begroting heeft ingediend. Zij vroeg in de motie met name om na te gaan of de verschillende schotten en financieringsstromen in ieder geval in de grote steden, de G4, anders georganiseerd kunnen worden. De Kamer is daarover bij brief van alweer enige tijd geleden geïnformeerd. Wij hebben toen aangegeven, de analyse te delen dat de verkokering moet worden aangepakt. Wij hebben het aantal specifieke uitkeringen aan gemeenten fors teruggebracht. Wij hebben ook geconstateerd dat de grenzen van wat wij binnen het stelsel kunnen doen nu wel in zicht zijn gekomen. Als je verder wilt gaan in de lijn waarop ook mevrouw Hamer wees, dan moet je overgaan tot wijziging van de wetgeving, zodat de financieringsstromen dichter bij elkaar komen. Ik verwijs naar de kabinetsvisie op de wijze waarop dat zou moeten gebeuren. Daarover zal vroeg of laat een debat ontstaan, omdat dezelfde analyse wordt gemaakt in het rapport van de werkgroep van de Kamer. Overigens zijn er bij de invulling van de motie van mevrouw Hamer door het programmaministerie Jeugd en Gezin met Amsterdam en Utrecht specifieke afspraken gemaakt, aansluitend op de behoefte van die steden. In die zin hebben wij extra stappen gezet.

De heer Roemer heeft gevraagd om minder bureaucratie en gewezen op het probleem van bureaucratie in de jeugdzorg. Ik heb in algemene zin al gezegd dat dit ook iets te maken heeft met de huidige financieringsstromen die wat het kabinet betreft ook echt aangepakt moeten gaan worden. Ik verwijs naar wat daarover in de kabinetsvisie is opgenomen. Ik zeg direct tegen de heer Roemer dat ik al in 2007, direct na het aantreden van het kabinet, een concreet plan voor het terugdringen van bureaucratie in de jeugdzorg in de meest brede zin aan de Kamer heb gepresenteerd. Dat is uitvoerig met de Kamer besproken.

De naam van mevrouw Langkamp mag met ere genoemd worden vanwege haar inbreng in het debat over de jeugdzorg en in ieder geval op het punt van de bureaucratie. Wij waren het daarover hartgrondig eens. In alle eerlijkheid zeg ik hier dat mevrouw Langkamp eigen voorstellen heeft aangeleverd voor het nog verder terugdringen van de bureaucratie. Wij hebben daarover enkele keren met elkaar gedebatteerd. Ik heb aangegeven dat een deel van de voorstellen goed aansloot bij het door mijzelf neergelegde actieplan. Zij zijn daarin ook meegenomen. Het stemt mij bijzonder tevreden dat wij elkaar daarin konden vinden. Er is altijd meer te wensen. Dat geldt ook voor mevrouw Langkamp. Jeugd en Gezin heeft, met een vergelijkbare ambitie als op andere terreinen, gestreefd naar een reductie van de bureaucratie met 25%, maar heeft daar nog een slag bovenop gemaakt. Kabinetsbreed wordt gestreefd naar een reductie van 25%. Bij Jeugd en Gezin gaat het daarbij niet alleen om regels en bureaucratie die vanuit Den Haag met name in de richting van de provincies gaan, maar om een reductie van 25% van de ervaren regeldruk. De doelstelling is om wat er op de werkvloer wordt ervaren als regeldruk en onnodige regelgeving terug te dringen met 25%. Dat is dus nog ambitieuzer, maar ook die doelstelling ligt op koers. Wij zullen de eindevaluatie moeten afwachten. Wij hebben de nulmeting gehad en de vervolgmeting komt. Wij zullen die helaas niet in de komende maanden kunnen bespreken. Ik had dat graag, ook met mevrouw Langkamp, in deze constellatie nog willen meemaken, maar dat is ons op dit moment niet gegeven.

Bij het spreken over bureaucratie vind ik het van belang om een opmerking te maken over wat ik ook in het rapport van de werkgroep van de Kamer aantrof, namelijk het belang van vertrouwen in de professional. Ook daarin kunnen we elkaar goed vinden. Dat geeft ook de ruimte om zonder al te veel strakke regels de professionals de mogelijkheid te geven, hun werk goed te doen.

De minister-president is in algemene zin ingegaan op het armoedebeleid. De heer Rutte sprak nog specifiek over het beleid gericht op het terugdringen van het aantal kinderen dat vanwege financiële redenen niet kan participeren; kinderen in armoede. Het is goed, erop te wijzen dat wij niet voor niets daarvoor twee keer 40 mln. hebben uitgetrokken. Ik kan niet goed nagaan waarop de heer Rutte baseert dat dit geen effect zou hebben gehad. Wij hebben een nulmeting gehad en de vervolgmeting van het SCP moet begin 2011 nog komen. Op dit moment zijn er dan ook nog geen kwantitatief onderbouwde uitspraken mogelijk over de effectiviteit ervan. Ik weet wel dat meer dan 200 gemeenten via een convenant met Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben aangegeven, participatie van kinderen in armoede in de maatschappij te willen bevorderen door cultuur- en sportprojecten. Er zijn op dit moment veel voorbeelden in het hele land waarbij op lokaal niveau kinderen uit arme gezinnen door sport- en cultuurtrajecten worden ondersteund.

Daarnaast hebben wij niet voor niets het kindgebonden budget ingevoerd. Dat is door de inkomensafhankelijke vormgeving ervan gericht op de gezinnen in de lagere inkomensgroepen en de middeninkomensgroepen. Ook dat is een bijdrage aan het geven van meer financiële armslag aan gezinnen met kinderen.

Er ontstond discussie tussen mevrouw Halsema en de heer Rutte over de IQ-grens van licht verstandelijk gehandicapten. Voor de geschiedenis wil ik hier één opmerking over maken. De heer Rutte wekte de indruk dat dit kabinet een maatregel heeft genomen op het punt van de IQ-grens, die hij zou willen terugdraaien.

De heer Rutte (VVD):

Het was het kabinet hiervoor en betrof uw voorganger mevrouw Ross. Goed dat u het noemt.

Minister Rouvoet:

Dat was het CDA- en VVD-kabinet. Dat is dan rechtgezet. Tot zo ver mijn reacties op het punt van jeugd en gezin.

Op onderwijsterrein is het aantal opmerkingen iets beperkter. Ik zal daar nog kort op ingaan. De minister-president heeft in algemene zin het belang aangegeven van de kabinetsdoelstellingen op het terrein van onderwijs. Ik zie af van uitvoerige inleidende beschouwingen over dat belang, omdat dit in het verhaal van de minister-president is opgenomen. Het mag duidelijk zijn dat het gaat om de ontwikkeling van talenten van jongeren, om onderwijsinhoud en om het belang van onderwijs voor onze economie en onze samenleving.

In 2007 hebben wij voor de kwaliteit van het onderwijs een aantal doelstellingen geformuleerd gericht op de inhoud, het proces, het bestuur en het toezicht. In de Verantwoordingsbrief en de bredere verantwoording is men na kunnen gaan hoe het met die kabinetsdoelstellingen staat. Zij liggen grosso modo op schema, en dat doet goed. Het verbeteren van de basisvaardigheden taal en rekenen in het primair onderwijs, maar ook in het voortgezet en het middelbaar beroepsonderwijs hebben wij hoog op de agenda gezet. Een breed draagvlak in het onderwijsveld onderstreept de urgentie daarvan. Ik noem het verbeteren van de kwaliteit en de organisatie van het onderwijs ten behoeve zorgleerlingen. Ik wijs op het traject Passend Onderwijs. Ik noem de punten in staccato, maar dit zijn de thema's die zeker genoemd moeten worden. De invoering van het competentiegericht onderwijs in het middelbaar en hoger onderwijs is ingezet op zowel het verbeteren van de basiskwaliteiten als de excellente kwaliteiten.

Het voorkomen van schooluitval is ook onderdeel van onderwijskwaliteit. Het kabinet stelde zich in 2007 tot doel dat meer mensen een startkwalificatie halen op ten minste het niveau van havo of mbo-2. Om dat te bereiken heeft het kabinet ingezet op het halveren van het aantal voortijdig schoolverlaters van 71.000 in 2002 tot 35.000 in 2012.

Ruim drie jaar later is op alle genoemde terreinen veel bereikt. Ik wil daar graag een korte impressie van geven, omdat daarnaar is gevraagd. Allereerst de inhoud van het onderwijs. Enkele leden hebben gesproken over de referentieniveaus voor taal en rekenen. De heer Van der Staaij merkte op dat zijn fractie daar altijd wat kritisch over is geweest. Hij verwees naar de Engelse ervaring. Wij hebben recentelijk het wetsvoorstel referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen in de Kamer behandeld. Dat wetsvoorstel is inmiddels ook door de Eerste Kamer aangenomen. Op 31 maart hebben wij in deze Kamer uitvoerig over dit wetsvoorstel gedebatteerd.

In 2009 is met de Kamer overeenstemming bereikt over de aanscherping van de exameneisen in het voortgezet onderwijs, is de kennisbasis voor de hbo-lerarenopleiding versterkt en is de drempel voor de gewichtenregeling verlaagd van 6,4% naar 6%, waardoor scholen eerder aanspraak kunnen maken op extra bekostiging voor de bestrijding van onderwijsachterstanden. Het aantal van 1200 brede scholen dat het kabinet zich had voorgenomen voor 2011, werd reeds in 2009 behaald.

Ik heb al gesproken over de competentiegerichte kwalificatiestructuur. Een wetsvoorstel daarover is begin 2010 aan de Kamer aangeboden. Ik heb ook gesproken over excellentie in het hoger onderwijs in het kader van het Sirius Programma. Er is 50 mln. beschikbaar gesteld voor het bevorderen van excellentie in het hoger onderwijs. Internationaal gezien presteren Nederlandse leerlingen op 10- en 15-jarige leeftijd ruim boven het internationale gemiddelde voor lezen, rekenen en wiskunde.

In de afgelopen periode is het onderwijsproces verbeterd. Voor scholen die de wettelijk voorgeschreven onderwijstijd niet halen, worden sanctiemaatregelen uitgeschreven. Om de kwaliteit en de organisatie van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, te verbeteren, is een nieuwe visie op Passend Onderwijs ontwikkeld. Die visie is in november vorig jaar naar de Kamer gestuurd. De doelstelling is om het beleid beter te laten aansluiten op de bestaande samenwerkingsverbanden.

Er zijn flinke stappen gezet op het punt van bestuur en toezicht op het onderwijs. Ik wijs op het wetsvoorstel Goed onderwijs, goed bestuur. Daarnaast noem ik het wetsvoorstel Fusietoets, dat erop is gericht aandacht te blijven houden voor de menselijke maat in het onderwijs.

Het aantal zeer zwakke scholen in het voortgezet onderwijs is gehalveerd en ligt nu op 1%. Van de scholen in het basisonderwijs heeft 92,8% de basiskwaliteit op orde. Het percentage zwakkere basisscholen nam af naar 5,9. Daar heeft in ieder geval de heer Pechtold naar gevraagd. Ik heb meer percentages voor hem als hij daarin geïnteresseerd is. Je ziet op alle fronten een afname van het aantal zwakke en zeer zwakke scholen. Ik zeg tegen de heer Pechtold dat ik bij de aanbieding van het onderwijsverslag, samen met staatssecretaris Van Bijsterveldt, heb gezegd dat dit een punt van aandacht blijft. Zolang er nog vele kinderen op zwakke tot zeer zwakke scholen zitten, kunnen wij daar niet in berusten. Het is mooi dat het percentage zwakke en zeer zwakke scholen in alle sectoren is gedaald. Het percentage zeer zwakke scholen in het basisonderwijs is gedaald van 1,5 in 2009 naar 1,3 in 2010. Dat is echt minder snel dan gewenst en daar moet dus een tandje bij. Die basisscholen moeten namelijk op orde zijn. Het is maar een klein percentage, maar het betreft heel veel leerlingen die op zwakke en zeer zwakke scholen zitten. Dat kan niet.

Soms is er ook mooi en goed nieuws. Vandaag kreeg ik een bericht onder ogen van een school in Amsterdam-Slotervaart. Die school stond destijds nog bekend als de slechtste school van Nederland, maar functioneert inmiddels goed. Daardoor is de stemming in de lerarenkamer volgens dit bericht aanzienlijk vrolijker geworden. Volgens mij zei de heer Rutte dat wij zwakke tot zeer zwakke scholen snel moeten sluiten. Ik begrijp die opmerking. Dat kan als uiterste sanctie gelden, maar daarvoor moet eerst het wetsvoorstel Goed onderwijs, goed bestuur worden aangenomen. Op dit moment kan dit namelijk niet zo maar. Ik zeg tegelijkertijd dat het sluiten van scholen niet het meest gewenste antwoord is op onderwijsproblemen. Ik heb liever dat ze zich ontwikkelen tot goede scholen. Maar in laatste instantie moeten stevige sancties mogelijk zijn. Daarover zijn wij het niet oneens. Vandaar ook dat het wetsvoorstel Goed onderwijs, goed bestuur bij de Kamer is ingediend.

De heer Rutte (VVD):

Dat is allemaal waar, maar stel er dan ook een maximale tijdgrens aan en zeg: als het na twee jaar niet op orde is, dan is het over. En dan zeggen de onderwijsbonden: ja, maar de leraren dan? Het aardige is dat de financiering gewoon met de leerlingen meegaat naar andere scholen. Daar zijn dan weer leraren nodig. Er komt dus helemaal geen werkloosheid van, want die leraren hebben we weer nodig. Maar je kunt het kinderen niet aandoen om zes jaar lang op een slechte lagere school te zitten. Daar zijn wij het volgens mij wel over eens. Mijn punt is dus: na twee jaar nog niet verbeterd, dan sluiten!

Minister Rouvoet:

Die discussie is gevoerd. Wij zijn het er natuurlijk over eens dat je kinderen niet eindeloos op zwakke tot zeer zwakke scholen moet laten zitten. Ik denk dat wij het er ook over eens zijn dat de inspanningen er primair op gericht moeten zijn om zeer zwakke scholen niet alleen tot zwakke scholen maar tot goede scholen te maken. Ik heb een voorbeeld gegeven waaruit blijkt dat dit mogelijk is. Het eerdergenoemde wetsvoorstel dat hopelijk op 1 augustus in werking zal treden, biedt ook de mogelijkheid om sneller in te grijpen. Dat debat is al met deze Kamer gevoerd bij de behandeling van dat wetsvoorstel.

Voorzitter. Er liggen tot slot nog enkele losse vragen op het gebied van onderwijs. De heer Van Geel heeft gezegd dat hij op terrein van de voor- en vroegschoolse educatie positieve resultaten zag. Hij zag die ook op andere terreinen – hij noemde de maatschappelijke stage en een aantal andere onderwerpen – maar hij was nog niet helemaal tevreden. Wij zijn ook blij met de voortgang van het vve-beleid en het bereik dat wij inmiddels hebben onder kinderen die deze educatie ook echt nodig hebben. Wij zijn het er ook over eens dat het nog beter moet. Het is van belang dat het wetsvoorstel Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie, dat nu nog bij de Eerste Kamer ligt, in werking kan treden. Als het meezit, kan dat op 1 augustus het geval zijn.

De heer Cramer heeft op datzelfde punt ook een vraag gesteld. Gaan wij dan weer nieuwe kwaliteitsplannen opleggen? Nee, dan hebben wij het over het wetsvoorstel dat al in de Tweede Kamer gepasseerd is en dat bij de Eerste Kamer ligt. Er komen geen nieuwe kwaliteitsplannen daaroverheen.

De heer Van Geel heeft nog een opmerking gemaakt over het belang van ambachtsscholen. Ik kan dat slechts onderstrepen. Die zijn nu zo'n tweeënhalf jaar bezig. Ze moeten zich nog wel definitief bewijzen, maar wat wij daar zien is veelbelovend. Het is een goede vorm van innovatie. Daarnaast zijn sinds augustus 2007 de vmbo-vakcolleges van start gegaan met een geïntegreerde zesjarige opleiding.

De heer Rutte heeft nog opmerkingen gemaakt over de kwaliteit van het hoger onderwijs. Dat waren eigenlijk meer observaties waar de minister-president in het kader van kennis en economie al op ingegaan is. Het is wel goed om te wijzen op het feit dat dit kabinet fors heeft geïnvesteerd in het hoger onderwijs en meerjarige afspraken over die investeringen heeft gemaakt met de onderwijsinstellingen zelf. Ik noemde 146 mln. die wij in de periode 2008-2010 in het hbo hebben geïnvesteerd voor het vergroten van studiesucces, het verminderen van uitval, het verhogen van het rendement van niet-westerse allochtonen en het verhogen van het opleidingsniveau van docenten in het hbo. Ik heb al gesproken over het stimuleren van excellentie. Daarvoor is 60 mln. uitgetrokken, onder andere uit de FES-middelen. Wij zijn eens over de kansen voor onze economie, maar het vraagt ook de nodige stevige inspanningen.

Voor het overige mag ik op dit terrein verwijzen naar het rapport van de commissie-Veerman rondom het hbo. Het kabinet heeft aangegeven dat het daar geen beleidsreactie meer op zal geven, maar het is wel van belang dat dit in de toekomst met de Kamer wordt besproken.

Voorzitter. Dan ben ik ook op het punt van onderwijs door de vragen heen.

Minister De Jager:

Voorzitter. Mevrouw Hamer heeft gevraagd welke actie wordt ondernomen om het inkoopbeheer bij justitie te verbeteren. Justitie is gestart met een project verbetering inkoopbeheer om het bedrag aan onrechtmatigheden eind 2011 met 80% te reduceren. Dat betekent bijvoorbeeld meer monitoring van de inkoop door periodieke rapportages, verbetering van de interne controle en het verplicht gebruik van inkoopplannen. Een deel van de fouten vloeit overigens voort uit in het verleden gemaakte fouten die doorwerken in 2009.

Voorzitter: Verbeet

Minister De Jager:

De heer Roemer vroeg naar de bedrijfsvoering bij Defensie en bij de Belastingdienst. Het is goed daarbij op te merken dat de Algemene Rekenkamer positief is over de vorderingen bij beide diensten. Er zijn of waren inderdaad problemen met de bedrijfsvoering van beide diensten. De Algemene Rekenkamer had om die reden bezwarenonderzoeken lopen. In beide gevallen heeft de Algemene Rekenkamer vastgesteld dat er voldoende vooruitgang is geboekt om bij beide departementen het bezwarenonderzoek niet voort te zetten. Wel zal de Algemene Rekenkamer de voortgang van de verbeterplannen blijven volgen en de vinger aan de pols houden. Dat lijkt mij ook heel verstandig.

De SP heeft ook gevraagd naar een beheersorganisatie voor de staatsdeelnemingen in de financiële sector. Er is nog geen beheersorganisatie. Ik heb hierover op 28 april jongstleden een uitgebreide brief geschreven. Er stond ook een AO gepland. In de brief wordt een aantal opties geschetst. Ik schets even de historie. Het was een idee, een voorstel van de Kamer. De minister van Financiën, zowel mijn voorganger als ik, heeft daar nooit heel veel voor gevoeld. Toen de Kamer door wilde zetten, is vanuit het ministerie van Financiën gezegd dat er een wet moest komen. Dat vond de Kamer dan weer te zwaar, er moest iets anders komen.

Ik heb in de brief verschillende opties geschetst, van zwaar naar lichter. Een kansrijke lichtere optie – mocht de Kamer dat willen – is certificering. Ik aanvaard echter mijn nederige positie in demissionaire status. In mijn brief van 28 april heb ik per optie de verschillende voor- en nadelen beschreven, zoals ik had toegezegd. Waarschijnlijk kunnen wij dit onderwerp na het verkiezingsreces snel weer oppakken. Van deze kant is er geen enkele tegenwerking. Als de Kamer iets wil, kunnen wij erover spreken, maar dan moeten wij wel verstandig zijn. Ik denk dat er voor de Kamer voldoende keuzemogelijkheden liggen in het uitgebreide palet, dat ik heel serieus heb geschetst. Als wij een keuze kunnen maken die wij gezamenlijk dragen, zal ik daar verder uitwerking aan geven.

De heer Roemer (SP):

Ik had niet gevraagd wat de minister zei, maar toch dank voor het antwoord op de niet door mij gestelde vraag. Het zal wellicht een collega zijn geweest.

Minister De Jager:

Het was de heer Van Geel, sorry.

De heer Roemer (SP):

Ik vermoedde al zoiets, maar ik wist het niet zeker.

Minister De Jager:

Er staat op mijn blaadje "SP" en dat is dan de heer Van Geel.

De heer Roemer (SP):

Dan zal ik hem gelijk een inschrijfformulier geven.

Ik heb een vraag over de Belastingdienst. De Algemene Rekenkamer heeft niet alleen gezegd dat er misschien hier en daar wat verbeteringen zijn, maar ook dat er een cultuurverandering moet komen. Hoe gaat de minister dat voor elkaar krijgen?

Minister De Jager:

Er is een zesmaandelijkse, forse rapportagecyclus bij de Belastingdienst. Die rapportages bespreken wij ook iedere keer in de Kamer. Dat systeem hebben wij ingezet toen na het aantreden van dit kabinet bleek dat er grote problemen waren bij de Belastingdienst. Het ging onder andere om ICT-problemen en procesproblemen. Wij hebben dat op alle punten aangepakt. Met instemming van de Tweede Kamer is toen een verbeterplan opgesteld, waarover ik rapporteer als staatssecretaris, en nu als minister, van Financiën. De Kamer heeft daar iedere keer voldoende zeggenschap over gehad.

Het gaat beter, zoals de Algemene Rekenkamer aangeeft. Om die reden heeft de Algemene Rekenkamer gezegd dat het bezwarenonderzoek stopgezet kan worden. Zijn wij er dan al helemaal? Nee, ik vind dat er nog veel moet worden verbeterd. Het is een continu proces. De Belastingdienst is binnen de rijksoverheid een van de belangrijkste organisaties en het kabinet heeft daar dus veel aandacht voor. Er wordt ingezet op alle verbeterpunten die zijn geconstateerd; recentelijk bijvoorbeeld een verbeterplan naar aanleiding van het McKenzie-onderzoek. De Kamer wordt daarover steeds gerapporteerd. Ik wil echter niet niet alle AO's herhalen ...

De heer Roemer (SP):

Nee, dat weet ik. Ik ben aardig bijgepraat, dus ik weet waar die AO's over zijn gegaan. Ik wil niet alleen spreken over de praktische verbeteringen die steeds naar voren zijn gekomen en waar hard aan is gewerkt. Ik wil vooral spreken over de zin dat er een cultuurverandering moet plaatsvinden. Ik beschouw dat als mensenwerk. Daar ging mijn specifieke vraag over: hoe krijgt u dat voor elkaar? Zolang er een stijgende lijn is als u computersystemen gaat verbeteren, ben ik al redelijk tevreden, maar voor een cultuurverandering is meer nodig. Erkent u dat, en zo ja, hoe gaat u dat dan doen?

Minister De Jager:

De Algemene Rekenkamer gaat over zijn eigen woordkeus. Ik kan natuurlijk niet aangeven wat men er precies mee heeft bedoeld. In de Kamer heb ik regelmatig het belang van dienstverlening benadrukt, en daar zetten wij vol op in. De Belastingdienst staat voor dienstverlening in zijn houding, bijvoorbeeld tegenover het midden- en kleinbedrijf. Als er vragen komen, moeten die worden beantwoord. Zo bleek er heel veel behoefte te zijn aan persoonlijk contact. De afgelopen tien jaar is het persoonlijk contact door de automatisering steeds minder geworden. Nu hebben wij weer directe lijnen in het leven geroepen, bijvoorbeeld voor ondernemers, met veel meer expertise "aan de andere kant". Het zijn speciale ingangen. Zoiets hebben wij ook voor intermediairs, die daaraan groot gebrek hadden. Het gaat om mensen die voor andere mensen de belastingaangifte doen. Zij hebben vaak heel specialistische vragen en willen dan niet te woord gestaan worden door iemand die net is ingewerkt op wat eenvoudiger vragen.

De voorzitter:

Dank u wel ...

Minister De Jager:

Cultuurverandering is wel ...

De voorzitter:

Daar was ik al bang voor, maar leuker kunnen wij het vanavond niet maken.

Minister De Jager:

Goed, mevrouw de voorzitter, dan doe ik het zo. Voor de rest zal ik in de reguliere rapportagecyclus extra aandacht besteden aan wat de Algemene Rekenkamer heeft opgemerkt. Ik zal ook nog even vragen wat de Rekenkamer precies heeft bedoeld.

Voorzitter. Is het toezicht op de financiële markten niet te veel uitgekleed? Ik denk wel dat het klopt dat hier SP boven staat.

Het Basel II Kapitaalraamwerk is op 1 januari 2008 in werking getreden. De crisis is oorspronkelijk eind 2007 ontstaan. Dat was nog onder het oude Basel I Kapitaalraamwerk. Met de introductie van Basel II op 1 januari 2008 is wel degelijk het toezicht op de banken verbeterd. Het is niet uitgekleed, maar juist verder uitgebreid. Ik zal niet alle technische details van Basel II herhalen, maar er zijn strengere eisen geformuleerd. Waar de Nederlandsche Bank dat kon doen, is dat ook gedaan, bijvoorbeeld op het gebied van liquiditeitstoezicht. Dit neemt natuurlijk niet weg dat Basel II verder verbeterd kan worden. Zeker met de kennis die wij nu hebben, moet een en ander nog verder worden aangescherpt. Het Baselcomité is daarmee bezig. Naast hogere kapitaaleisen zijn wij in Europa bezig met een systeemtoezichthouder, de ESRB. Er ligt nu een codecisieprocedure voor. De toezichthouder wordt opgericht om het grensoverschrijdende risico in het financiële systeem, een van de gebreken die wij in deze kredietcrisis hebben gezien, te adresseren.

Door de fracties van de SP en het CDA zijn in het licht hiervan vragen gesteld over actualiteit in de financiële markten, bijvoorbeeld op het punt van naked short selling. Eerder vandaag heb ik daarover een brief gestuurd naar de Kamer, om aan te geven dat de AFM de marktomstandigheden op dit moment voortdurend nauwlettend in de gaten houdt. Vandaag is binnen het CESR-verband van de Europese toezichthouders geteleconfereerd om de huidige situatie te bezien. Het lijkt mij niet verstandig om een soort alleingang te forceren. Ik benadruk wel dat de grensoverschrijdende aspecten sterk de voorkeur rechtvaardigen voor toezicht op Europees niveau. Morgen komt de Van Rompuy-groep bij elkaar. In het kader daarvan zullen wij dit weer bespreken. Eurocommissaris Barnier heeft vandaag aangegeven dat er binnen enkele weken een consultatiedocument zal worden opgesteld. Ik zal vragen of het wat eerder kan. Wij zitten er dus bovenop. Ik wil weléén ding rechtzetten, om geen paniekvoetbal te hebben. Wij zitten er bovenop en de AFM heeft met het wetsvoorstel inzake naked short selling de bevoegdheid gekregen om te acteren. De wetgever heeft die bevoegdheid onafhankelijk aan de AFM gegeven. De AFM zit er continu bovenop om te bezien of er iets nodig is in Europees verband. Maaréén ding moet ik rechtzetten. Naked short selling is ook "naked" niet altijd negatief. Er wordt weleens gedacht in de trant van: kan het positief zijn dat je iets verkoopt wat je niet bezit? Ik heb aan ons agentschap concrete voorbeelden gevraagd van gevallen waarin het juist positief uitwerkt voor de markt van staatsobligaties. Ik heb twee voorbeelden. Als Nederland bijvoorbeeld een obligatie uitgeeft, dan wordt hier vooraf al in gehandeld om liquiditeit in die obligatie te krijgen. Partijen kopen en verkopen dus op dat moment obligaties die ze nog niet hebben, want de emissie moet nog komen. Dat is dus naked short selling, maar het is wel positief, want er ontstaat vraag naar de obligatie, waardoor de uitgifte voordeliger wordt, omdat anders de bank of iemand anders meer risico's moet nemen bij het inschrijven. Dan zouden ze heel veel moeten inschrijven op die obligaties, terwijl ze nog niet weten of ze die wel kunnen verkopen. Daar zijn wij niet bij gebaat als staat. Dat is niet bevorderlijk voor onze risicopremie. Het is bevorderlijker dat onze cliënt al een afzetmarkt heeft gecreëerd, waardoor wij lager kunnen emitteren.

Een tweede voorbeeld: als een belegger een obligatie wil kopen bij een bank, dan verkoopt de bank de obligatie, ook als de bank de obligatie niet heeft en nog moet kopen op de secundaire markt. Ook dat is naked short selling en het is eveneens positief, want als de bank dat niet zou doen, moet de belegger wachten en daar wil de belegger dan weer compensatie voor, wat de kosten voor ons weer hoger maakt bij iedere volgende uitgifte. Er zijn dus zeker voordelen, maar ik zie ook de nadelen. Dat is nu juist de reden waarom niet één land zomaar iets zou moeten doen. We hebben de negatieve consequenties op de financiële markten deze week al gezien. Daarom zijn we ook in Europa naarstig in gesprek over wat we dan wel moeten doen, wat dan wel helpt en hoe we dat kunnen doen. De AFM zit daar ook absoluut bovenop. Ik heb begrepen dat de heer Hoogervorst vandaag persoonlijk heeft deelgenomen aan het gesprek.

De D66-fractie heeft gevraagd naar de stand van zaken aangaande de 3,2 mld. loonmatiging en de midterm review. De 3,2 mld. was een gevolg van het aanvullend beleidsakkoord, maar heeft betrekking op de jaren 2010 en 2011. Die komen dus aan bod bij de Voorjaarsnota voor het lopende jaar en in de begroting voor 2011 zullen we daarover rapporteren. De midterm review is materieel natuurlijk wel uitgevoerd. We hebben immers het aanvullende beleidsakkoord en daarin is echt wel stilgestaan bij de actuele situatie op dat moment. Ik denk niet dat zo'n uitgebreide midterm review in de recente parlementaire geschiedenis te zien was bij een ander kabinet.

De CDA-fractie vroeg naar het zicht op de belastinguitgaven. Is daar te weinig zicht op? De Algemene Rekenkamer maakte immers een opmerking dat er weinig evaluatie zou zijn op dat gebied. Bij die opmerking van de Algemene Rekenkamer is het aantal niet-geëvalueerde belastinguitgaven overschat. Een aantal dingen wordt dus ten onrechte niet meegenomen. Wat was de situatie? De Algemene Rekenkamer kijkt alleen maar naar de belastinguitgaven die separaat zijn bekeken, maar er zijn sowieso drie dingen gebeurd en wel vaak, in de afgelopen drie jaar. In de zogenaamde beleidsdoorlichtingen – denk aan die van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over arbeid en zorg – zijn bijvoorbeeld de levensloopregeling en de ouderschapsverlofregeling geëvalueerd. In de brede heroverwegingen is ook gekeken naar fiscale regelingen. Bijvoorbeeld de fiscale regeling kinderopvang is daarin meegenomen. Ten derde is ook in de Studiecommissie Belastingstelsel uitgebreid gekeken naar belastinguitgaven, dus relatief hebben recentelijk heel veel belastinguitgaven de revue gepasseerd.

Dan is er nog een vraag over een einddatum in de subsidieregelingen, naar aanleiding van de motie-Van As. De wens van de heer Van As is op een andere wijze grotendeels geregeld. Het merendeel van de subsidies loopt maar een jaar. Via de begroting wordt dan de beëindiging geregeld. Dat is misschien iets anders dan wat er in de motie stond, maar in materiële zin wordt het geregeld. In de begroting staat dan: subsidie voor een jaar. Ook zijn er in bestuursakkoorden afspraken gemaakt over subsidies. Ze worden daar beheerst, want we gaan natuurlijk zelf niet over gemeenten, maar we maken wel afspraken in bestuursakkoorden. Het ontbreken van een einddatum in de regeling wil niet zeggen dat een subsidie niet eindigt. Er worden regelmatig gewoon regelingen gestopt. Overigens heeft het kabinet naar aanleiding van het subsidieoverzicht 2010 toegezegd dat er in het eerstvolgende subsidieoverzicht ook bij subsidieregelingen aangegeven zal worden of er sprake is van ten eerste een einddatum en ten tweede een evaluatie, evenals in materiële zin wat er dan gebeurt.

Tot slot nog het effect van de stimuleringspakketten, in antwoord op vragen van de fracties van CDA en ChristenUnie. Er werd gevraagd naar de tijdigheid, de tijdelijkheid en de trefzekerheid. De fractie van de ChristenUnie voegde hier de vraag aan toe waarom deze mogelijkheid beperkt wordt gebruikt en bepaalde uitgaven, zoals infra, achterblijven.

Het stimuleringspakket richt zich uiteraard met name op 2009 en 2010. Dat zijn de crisisjaren waarin moet worden gestimuleerd. De middelen die in 2009 nog niet zijn uitgegeven, worden doorgeschoven naar 2010. Het is niet de bedoeling dat deze extra middelen verder doorschuiven. Dat zou het pakket immers zijn doel, namelijk crisisbeheersing, namelijk voorbijschieten. Op die manier is zowel de tijdigheid als de tijdelijkheid gewaarborgd. Het klopt dat in 2009 uiteindelijk minder kasuitgaven zijn gedaan dan was geraamd. Dat komt doordat sommige maatregelen aan de uitgavenkant van de begroting enige aanlooptijd hebben. Het kan ook zijn dat de kasuitgaven later plaatsvinden omdat een subsidie achteraf wordt afgerekend. Dat is het geval bij de glaszetters. Zij hebben in 2009 al extra werk gekregen, maar het geld wordt achteraf gedeclareerd. Het effect is er echter zeker.

Bij de infragerelateerde uitgaven is sowieso het probleem dat er vaak sprake is van een aanlooptijd. Het is niet zo dat er weinig is gerealiseerd. Er is heel veel echt gerealiseerd. In 2007 zijn bijvoorbeeld zeer urgente steenbestortingen in de Oosterschelde en de Westerschelde uitgevoerd. Ook is 65 mln. van de beschikbare 75 mln. uitgegeven aan het aanpakken van vorstschade aan wegen. Verder hebben extra baggerwerkzaamheden plaatsgevonden in het kader van deze maatregelen. Er is begonnen aan versneld onderhoud. Dat is naar voren geschoven. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Grevelingensluis en de stuw en de brug bij Borgharen. Er is ook begonnen aan de renovatie van de stuw in Lith.

Voorzitter, dat was het.

De voorzitter:

Dat is fijn. De heer Cramer vindt echter van niet.

De heer Cramer (ChristenUnie):

De vraag die ik heb gesteld over het Infrafonds is wat mij betreft wel erg onbevredigend beantwoord. Vorig jaar hebben wij die vraag ook gesteld, toen aan de minister-president. Toen waren er ook enkele honderden miljoenen over. Nu is er weer 400 mln. over. Wij hebben daar ook nadrukkelijk over gesproken in het debat over het voorjaarsakkoord, het aanvullende beleidsakkoord. Wij hebben gezegd dat dit een gat is en dat dit geld kan worden ingezet. De projecten die de minister noemt, zijn inderdaad opgepakt, maar desondanks blijft er weer 400 mln. over in het Infrafonds. Ik heb ook nog een vraag over de bekendheid van de maatregelen. Kan de minister aangeven of de verwachting is – dat ontbreekt in de rapportage – dat die gelden nog voor een groot deel besteed zullen gaan worden?

Minister De Jager:

Die verwachting is er zeker. Ik heb begrepen dat er wat betreft infrastructuurmaatregelen sprake was van een aanlooptijd, maar dat er nu veel projecten worden uitgevoerd. Deze vraag wil ik specifiek doorgeleiden naar de minister van Verkeer en Waterstaat. Ik heb begrepen dat er een extra hausse aankomt. Ik zal hem vragen om de Kamer daar een brief over te sturen.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Dat is echt onvoldoende. Vorig jaar hebben wij hierover gesproken. Toen heeft het kabinet toegezegd de Kamer hierover te rapporteren. Er is toen een toelichtende brief gekomen over de achterstanden. De afspraak die toen met de Kamer is gemaakt, is dat ervoor zou worden gezorgd dat er extra projecten in de markt gezet zouden worden. Er zijn achterstanden, bijvoorbeeld wat betreft het onderhoud van het spoor en het onderhoud van bruggen. Het geld kan dus relatief snel worden besteed. Dat onderhoud is tot nu toe opgehouden omdat er geen geld voor was. Nu is er geld over en kunnen deze projecten dus in de markt worden gezet. Ik vind de opmerking van de minister dat er een aanlooptijd nodig is, echt onvoldoende. Dit had vorig jaar – dat was al de tweede keer dat wij dit onderwerp aankaartten – al opgepakt kunnen worden.

Minister De Jager:

Voor alle duidelijkheid: in de meeste gevallen is geld niet het probleem. Het probleem zat nu juist in de procedures. Daarvoor heeft het kabinet de Crisis- en herstelwet ingediend. Die is nu, helaas met vertraging, aangenomen door het parlement. Die zal zeker helpen om de uitgaven voor en investeringen in infrastructuur te verhogen. Dat was in 2009 nog niet mogelijk. Ik deel de frustratie, als ik het zo mag noemen, van de heer Cramer, zeker waar het gaat om de lange duur van bepaalde infrastructuurprojecten. De minister van Verkeer en Waterstaat zal het met mij eens zijn dat het soms niet mogelijk is om de spa snel genoeg in de grond te zetten of de bulldozer te laten rijden. Helaas was dat vanwege bepaalde lastige procedures echter wel de praktijk. De Crisis- en herstelwet is aangenomen. Die zal ertoe bijdragen dat het probleem wordt opgelost dat de heer Cramer aankaart.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Ik moest er even over nadenken. Dit is het derde jaarverslag aan de hand waarvan wij dit aankaarten. Voortdurend wordt er beterschap beloofd. We hebben hierover met de minister van Verkeer en Waterstaat gesproken en begrepen dat er werk is. Het probleem is echter dat je dat niet altijd meteen in de markt kunt zetten. Gedurende een jaar blijkt dat er ruimte ontstaat. Dan kan er dus geacteerd worden en het kan versneld worden. Ik vind het prima dat de Crisis- en herstelwet van kracht wordt, maar dit is daarvan niet afhankelijk. Het geld was beschikbaar en dat kon voor kleinere klusjes sneller worden ingezet. Er is een schat aan werk op het terrein van de infrastructuur. Dat is helemaal niet afhankelijk van procedures. Dit bedrag kon al snel als stimuleringsgeld worden ingezet, maar dat is nagelaten. Graag verneem ik van de minister of dat nog kan worden aangepakt.

Minister De Jager:

Uiteraard is dat niet meer mogelijk voor het jaar 2009, waarover we nu spreken. Daarvoor is juist de Crisis- en herstelwet ingediend. De heer Cramer zei dat desondanks ook andere dingen mogelijk zijn geweest. Deze vraag moet echt worden doorgeleid naar de minister van Verkeer en Waterstaat, want ik kan een en ander niet beoordelen. Ik heb begrepen dat dit juist heel lastig was en dat ook daar sprake was van aanlooptijden, aanbestedingsprocedures, vergunningen en andere procedures. Ik zal de minister van Verkeer en Waterstaat verzoeken om die vraag te beantwoorden. Het is namelijk een vakinhoudelijke departementale vraag.

De heer Roemer (SP):

Hoe groot de neiging ook is om de heer Cramer wat dit betreft te ondersteunen, ik zal dat niet doen. Mijn vraag had betrekking op iets wat voor onze partij al lang een doorn in het oog is, namelijk het inhuren van externen. De minister-president heeft die vraag niet beantwoord, dus ik ging ervan uit dat de minister van Financiën die zou beantwoorden.

Minister De Jager:

Ik meen dat de heer Roemer vroeg of het boven de norm van 13% is uitgekomen.

De heer Roemer (SP):

Een aantal ministeries zit sowieso boven de norm. Hoe is dat mogelijk? Ik heb geopperd, het nog strenger te maken door te stellen dat het niet is toegestaan om komend jaar boven de 10% uit te komen. Zodoende zouden wij vele miljarden kunnen binnenhalen.

Minister De Jager:

Het is een "comply or explain"-norm. Je moet je er dus aan houden en anders dien je uit te leggen waarom je dat niet doet. Soms is inhuren wel degelijk efficiënt. Een aantal departementen heeft die norm inderdaad overschreden. Daarover staat netjes een toelichting in de jaarverslagen. Het lijkt mij verstandig om naar aanleiding van elk jaarverslag per geval aan de orde te stellen of er sprake was van efficiënte inhuur. De verschillen zijn namelijk groot. Voor een callcenter kan het namelijk gunstig zijn om in te huren, zeker in geval van grote uitslagen. Wat dat betreft heb ik ervaring opgedaan bij de Belastingdienst. Als je gedurende een korte tijd specialistisch inhuurt, kan dat ook gunstig zijn. Soms worden voortdurend mensen ingehuurd voor dezelfde soort taken. Dat lijkt mij minder verstandig.

Er werd gevraagd of een apart begrotingsartikel de oplossing is. Wij denken dat dit niet zal helpen voor de beheersing, omdat er dan op elk willekeurig beleidsartikel nog steeds externen kunnen worden verantwoord. Dan zou je de gehele begroting weer omzetten naar input. Ik doel op lonen, subsidies, garanties en zelfs artikelen. Dat vereist heel veel werk. Wij hadden juist het idee om een heel ander type begroting op te stellen om meer beleidsmatig te sturen. Dat zou daarmee in strijd zijn. Dat neemt niet weg dat ik de algemene zorg deel over het inhuren van externen. Ik ben het ermee eens dat we wat dat betreft zeer kritisch moeten zijn. Bovendien dienen wij ons steeds af te vragen of het wel verstandig is om in te huren, want dat zal per jaarverslag verschillend zijn.

De heer Roemer (SP):

De minister heeft veel woorden nodig om duidelijk te maken dat hij die vraag eigenlijk niet kan beantwoorden. Voor de voorbeelden die hij geeft, geldt dat 10% inhuur goed mogelijk is. Uiteraard is het soms nodig om bijvoorbeeld expertise in te huren, maar dan kom je niet boven de 10%. Als je boven 10% uitkomt, is er structureel iets aan de hand. Als je zelfs boven 13% uitkomt, is er van hogerhand niet op het punt van de inhuur gestuurd. Dan is er dus geen beheersmaatregel toepasbaar geweest waarmee kon worden ingegrepen. Ik wil dat de minister toezegt dat hij hier bovenop gaat zitten en dat hij zal ingrijpen om de inhuur terug te dringen. Ik wil dat hij het met de SP-fractie eens is dat de inhuur zelfs tot 10% moet dalen.

Minister De Jager:

Het laatste kan ik niet toezeggen. Voor dit beleid is de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verantwoordelijk. Ik kan wel toezeggen dat ik met hem zal bezien hoe wij dit in de toekomst nader kunnen verantwoorden. Wij zullen er inderdaad bovenop zitten. Volgens mij zit men er bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties al bovenop. Ik zal het verzoek hiertoe echter nogmaals doorgeleiden.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Klopt het dat de 30 mld. die wij in de banken hebben gestoken, inmiddels is verdampt tot 9,3 mld.?

Minister De Jager:

Nee.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Zo'n kort antwoord heb ik nog nooit gehad van minister De Jager. Heerlijk!

De voorzitter:

Ik ben er ook blij mee.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Zegt de minister dat het bericht dat deze week in de krant stond, niet waar is? Ik zie hem instemmend knikken. Dat is dan duidelijk. Ik heb nog een tweede vraag.

Minister De Jager:

Nee, dat heb ik niet gezegd. Mevrouw Verdonk stelt een vraag en daarop heb ik met "nee" geantwoord.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Kan de minister dan even toelichten wat er in de krant stond?

Minister De Jager:

Ik weet eerlijk gezegd niet wat er precies in de krant stond. Ik kan wel toelichten waarom ik de vraag van mevrouw Verdonk met "nee" heb beantwoord. Heel kort gezegd komt het erop neer dat als je een bepaalde deelneming iets langer aanhoudt, wat natuurlijk het geval is bij ABN AMRO, je op basis van waarderingsregels moet gaan waarderen tegen eigenvermogenswaardebepalingen. Daarvoor zijn bepaalde waarderingsregels. Het gaat dan om een andere waarde dan de oorspronkelijke verkrijgingswaarde. De eigenvermogenswaarde wijkt af van de waarde in het economische verkeer. Die is namelijk heel moeilijk voor staatsdeelnemingen vast te stellen. Daarom wordt op eigenvermogenswaarde gewaardeerd.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Dit antwoord had ik verwacht. Al met al gaat de belastingbetaler dus weer mooi het schip in. Ik heb ook nog een vraag gesteld over de commissie-Scheltema. Daarop heb ik ook geen antwoord gehad. Het rapport van de commissie-Scheltema komt pas na de verkiezingen uit. Heeft dat te maken met het feit dat hierbij mensen betrokken zijn die ofwel lid zijn van het CDA, ofwel van de PvdA, ofwel van de VVD?

Minister De Jager:

Nee. CDA'ers zijn er sowieso niet erg veel bij betrokken, voor zover mij bekend is, althans geen CDA'ers in politieke functies.

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Ik had het over betrokkenen bij het onderzoek, niet over politieke functies. Wij hebben het over de heer Wellink, toch?

Minister De Jager:

O. Mevrouw Verdonk weet uiteraard niet wat er precies is gewisseld tijdens het besloten overleg. Dat weet ik ook niet, want ik was er zelf ook niet bij. Daarna is er echter een algemeen overleg gevoerd in het openbaar met mij, en voor een deel ook opnieuw met de heer Scheltema. Toen is hierover uitgebreid gesproken. Ik kan herhalen wat er toen is gezegd, maar dat lijkt mij niet verstandig. Kort samengevat heeft de heer Scheltema gezegd dat het feit dat zijn rapport na de verkiezingen zal uitkomen helemaal niets met die verkiezingen te maken heeft. Niemand heeft die suggestie gewekt; niemand van het ministerie en niemand uit de commissie. De heer Scheltema heeft ook ontkend dat er druk op hem is uitgeoefend om het langzamer te doen. Sterker nog, de heer Scheltema zei tijdens dat openbare debat zelf dat hij juist druk had gevoeld om het sneller te doen. Toen er door leden van de Kamer werd gevraagd of het rapport dan vóór 1 juni kon worden gepubliceerd, zei hij dat dit onmogelijk was. Hij vindt namelijk dat hij een zorgvuldig rapport moet leveren waarbij waarheidsvinding vooropstaat en waarvoor hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. Ik herhaal hier wat deze onafhankelijke commissie zelf vindt en zegt. Daarbij laat ik het voor dit moment.

De voorzitter:

Ik vraag de leden of er behoefte is aan een tweede termijn. Ik zie dat dit het geval is. Ik dring erop aan om die tweede termijn beknopt te houden, met het oog op het verdere verloop van de avond. Het woord is aan mevrouw Hamer.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Voorzitter. Vandaag is uiteraard verantwoording afgelegd over 2009. Het debat ging echter natuurlijk vooral over de aanpak van de crisis. Vandaag hebben wij, net als in 2009, de grote vragen moeten stellen hoe wij de koopkracht op peil houden, hoe wij ervoor zorgen dat de rekening van de crisis wordt betaald en hoe wij ervoor zorgen dat die rekening eerlijk wordt verdeeld.

Ik heb de minister-president gevraagd of hij nog steeds achter de maatregelen van 2009 en die uit het crisispakket staat. Ik heb hem daar "ja" op horen zeggen. Ik moet constateren dat we dan met het oude CDA verstandige maatregelen hebben genomen om de crisis te bestrijden, de koopkracht te verlagen, de middeninkomens op peil te houden – dat blijkt uit de gegevens – de uitkeringen niet te ontkoppelen, in het onderwijs te investeren en om de fiscale behandeling van dure huizen aan te pakken. Met het oude CDA hebben we noodzakelijke maatregelen genomen en de lasten eerlijk verdeeld, maar uit de beantwoording van de vragen die we aan de heer Van Geel hebben gesteld, zien we dat het CDA vandaag een ander gezicht heeft. Dat hebben we ook kunnen zien in de CPB-berekeningen, waarin we lezen dat de koopkracht bij het CDA daalt, terwijl er degelijk ontkoppeld worden en waarin er ook, jammer genoeg, bezuinigd wordt op onderwijs. Ik weet dat u graag wilt dat we het kort houden, voorzitter, dus ik zal niet alle debatjes herhalen die we vandaag hebben gehad, maar hetzelfde wat we bij het CDA zagen, horen we vandaag natuurlijk ook van de VVD.

De PvdA denkt dat er het afgelopen jaar, in 2009, een verstandige crisisaanpak is geweest, gericht op werkgelegenheid en op banen. Die aanpak moeten we doorzetten en willen we ook graag doorzetten voor iedereen. Daarom wil ik aan het einde van dit debat specifiek aandacht willen vragen voor de groep mensen die daar de minste kans toe heeft, de groep uit de WSW en de Wajong. In het afgelopen jaar is het kabinet gevraagd om in 2011 een vast percentage mensen met een arbeidshandicap in dienst van het Rijk te nemen. Vooruitlopend daarop zouden er in 2010 100 extra WSW'ers en 150 extra Wajong'ers worden aangenomen. Vandaag blijkt de teller voor de WSW'ers op 50 te zijn blijven staan en bij de Wajong'ers op nog minder. Daarom dien ik graag de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de rijksoverheid als werkgever eind 2010 100 WSW'ers en 150 Wajong'ers extra in dienst zou nemen;

overwegende dat uit het jaarverslag 2009 niet blijkt dat deze doelstelling gehaald zal worden;

overwegende dat mensen met een beperking een moeilijke positie op de arbeidsmarkt hebben en de overheid als werkgever een voorbeeldrol dient te vervullen;

verzoekt de regering, alles in het werk te stellen om dit voornemen alsnog voor het einde van dit jaar te realiseren en hierover in de Voorjaarsnota van 2010 te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Hamer, Roemer, Cramer en Van Geel. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 3(32360).

Mevrouw Hamer (PvdA):

Voorzitter. Ik heb ook nog een motie van de heer Roemer ondersteund en een motie van het CDA over hoe we de financiële crisis verder kunnen aanpakken.

De heer Van Geel (CDA):

Voorzitter. Ik dank de minister-president en de beide ministers voor de beantwoording van de vragen in eerst termijn. Ik heb al aangegeven dat het vandaag de dag van het verleden was, maar ook een dag voor de toekomst. Het ging over verantwoording en nieuw beleid. De cesuur daartussen was niet altijd zichtbaar in het debat, zojuist ook al niet. Dat is op zich begrijpelijk, want de problemen in de samenleving trekken zich natuurlijk ook niets aan van een verkiezingsdatum. Ik noem als voorbeeld de problemen in de financiële sector, die helaas nog zeer actueel zijn; denk aan de positie van de euro. Ik blijf erbij en herhaal het heel kort: het evenwicht en het consistente pakket aan maatregelen van dit kabinet is in de financiële wereld zeer positief ontvangen. Er is vertrouwen in het beleid, dat zich ook uit in de mogelijkheid, zeker in Europees verband, om buitengewoon goedkoop te lenen voor onze staatsschulden. Zoals gezegd zijn we van en aantal problemen nog niet af. Ook in de toekomst is dit land gebaat bij een evenwichtig, consistent en stabiel beleid. Dat vindt u terug, mevrouw Hamer, bij zowel het nieuwe als het oude CDA.

Ten slotte heb ik nog een opmerking over de verantwoordingssystematiek. Ik hoop en verwacht dat de toezeggingen van dit kabinet over de verantwoordingsstructuur door het nieuwe kabinet worden overgenomen en uitgevoerd. Om het kabinet daarbij op één punt een handje te helpen, wil ik een motie indienen over de door ons voorgestelde toetsing door de Algemene Rekenkamer van de balans van staatsdeelnemingen. Deze motie is door alle sprekers van de Kamer van deze dag ondertekend.

Dank u wel.

De voorzitter:

U loopt al weg, maar leest u haar niet voor?

De heer Van Geel (CDA):

O ja, ik zal haar nog even voorlezen.

De voorzitter:

Ja, dat is wel de gebruikelijke gang van zaken.

De heer Van Geel (CDA):

Ik dacht dat dit mijn laatste verzuchting zou zijn in deze Kamer. De laatste:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat in het Financieel Jaarverslag van het Rijk 2009 de staatsbalans is opgenomen;

overwegende dat deze staatsbalans door de Algemene Rekenkamer niet op zijn juistheid is getoetst;

verzoekt de Algemene Rekenkamer, deze toets in de toekomst wel uit te voeren en over de juistheid en volledigheid te rapporteren in zijn rapport bij het Financieel Jaarverslag van het Rijk,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Geel, Rutte, Halsema, Hamer, Roemer, Van der Staaij, Cramer, Wilders, Pechtold, Verdonk en Thieme.

Zij krijgt nr. 4(32360).

De heer Roemer (SP):

Voorzitter. Ik wil nog een paar onderwerpen de revue laten passeren. Het eerste onderwerp betreft de inhuur van externen, waar ik het zojuist in een interruptiedebat al over heb gehad met de minister. De SP probeert al jaar op jaar de inhuur van peperdure externen terug te dringen, want die kost per dag veel klauwen met geld. Ik heb er net een heel gesprek over gehad, dus ik laat het grootste deel van mijn betoog daarover achterwege omwille van de tijd. Ik wil echter niet het moment voorbij laten gaan om een belangrijke motie voor te lezen over het terugdringen van de inhuur van externen, want dat is veel en veel te duur.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de ministeries gezamenlijk opnieuw meer geld hebben uitgegeven aan de inhuur van externe adviseurs, interim-managers en andere externe medewerkers;

van mening dat de overheid in tijden van crisis moet snijden waar het vet zit;

verzoekt de regering, de ministeries een afdwingbare norm op te leggen van 10% voor de inhuur van externen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Roemer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 5(32360).

De heer Roemer (SP):

De afgelopen weken is er in heel Europa steeds meer kritiek gekomen op de enorme speculatie op de financiële markten. Natuurlijk zijn landen in eerste instantie zelf verantwoordelijk als ze er een puinhoop van maken, maar het wordt steeds duidelijker dat onverantwoorde, af en toe zelfs bijna criminele, speculanten de paniek proberen aan te jagen. Niet voor niets heeft de Duitse toezichthouder afgelopen dinsdag een verbod afgekondigd op speculatieve transacties. En goed voorbeeld doet volgen. Er moet ook door de Nederlandse overheid snel actie worden ondernomen tegen deze casinopraktijken, zeker omdat het gevaar bestaat dat er grensoverschrijdende effecten optreden. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er massaal verzekeringen op staatsobligaties zijn afgesloten zonder de onderliggende obligaties te bezitten;

overwegende dat het ongewenst is wanneer deze vorm van speculatie overheden nog verder in problemen brengt;

constaterende dat deze vorm van speculatie ook in Duitsland is verboden, waardoor het gevaar bestaat dat er naar Nederland wordt uitgeweken;

verzoekt de regering, deze vorm van speculatie met behulp van kredietverzekeringen te verbieden, evenals vergelijkbare vormen van speculatie met aandelen van grote financiële instellingen, voor in elk geval de duur van het verbod in Duitsland,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Roemer en Hamer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 6(32360).

De heer Van Geel (CDA):

Even voor een goede gang Roemervan zaken, er is vorige week tot twee keer toe een motie ingediend door de heren De Nerée en Weekers over short selling, over precies deze problematiek. Vervolgens kwam er een brief aan de Kamer en nu komt er weer een soortgelijke motie. Waarom dienen wij moties in, behandelen wij ze, nemen wij ze aan en vragen een reactie van het kabinet daarop als er nu weer een motie komt over dit onderwerp? Dat gaat mij iets te ver.

De heer Roemer (SP):

Omdat wij ons na indiening van de vorige motie een beetje de kaas van het brood hebben laten eten, doordat het kabinet erop heeft gereageerd in de zin van: mag ik de motie zo zien dat wij een en ander verder moeten onderzoeken? Door die reactie van het kabinet werd de strekking van de motie heel erg vaag, waardoor wij nauwelijks vooruit kunnen. Omdat Duitsland nu heel duidelijk heeft aangegeven met een verbod te komen, is deze motie er nu om heel duidelijk te maken wat de Kamer wil. Daarom hebben wij nu een duidelijkere motie in stemming gebracht.

De heer Van Geel (CDA):

De minister zegt: ik wil dat graag doen; we gaan er morgen al over praten in de Van Rompuy-groep om te kijken hoe we dat internationaal kunnen doen. Ik begrijp dat u gewoon een alleingang wilt hebben op dit punt. Punt uit. Dat is de strekking van de motie.

De heer Roemer (SP):

Dat is geen alleingang, mijnheer Van Geel. Duitsland doet het al. Er komt nog een complicerende factor bij als Duitsland het doet. Speculanten in Duitsland denken dan: het mag in Duitsland niet meer; laat ik de grens maar oversteken, want in Nederland mag het nog wel. Die alleingang is niet van Nederland. Wij sluiten ons aan bij het verbod dat in Duitsland al wordt ingevoerd. Er is dus geen sprake van alleingang.

De heer Van Geel (CDA):

Het gaat precies zoals het niet moet gaan. Daarom heeft de minister volkomen terecht heeft gezegd dat we dit internationaal moeten doen. Duitsland had dat in onze ogen ook niet zelf moeten doen. Ik zou het buitengewoon betreuren als we een soort domino-effect krijgen doordat het ene na het andere land zijn eigen alleingang op dit punt gaat formuleren. Ik herinner u eraan dat de reactie van de minister buitengewoon adequaat is. Dit moet je niet zo regelen per land. Dat is echt een slecht verhaal, want dat leidt ertoe dat er in het ene na het andere land problemen gaan ontstaan. Laten we dit alsjeblieft Europees doen.

De heer Roemer (SP):

We verschillen hierover duidelijk van mening. Het wordt de hoogste tijd dat we hier paal en perk aan stellen. Duitsland snapt dat en deze Kamer hopelijk ook. Ik denk dat dit daarom een heel goede motie is. Ik reken erop dat zij breed gesteund zal worden.

Voorzitter. Ik had nog iets willen vertellen aan de minister-president over de armoede onder kinderen. Ik heb daar al veel over gezegd dus ik zal het laten bij het uitspreken van mijn teleurstelling daarover.

Ik kom op de marktwerking in de zorg. De SP weet wel hoe zij moet kiezen. Zij hoopt dat dit straks ook duidelijk wordt als de drie initiatiefwetsvoorstellen van mevrouw Kant in stemming komen. Ik hoop dat dit voor heel Nederland een groot feest gaat worden.

Ik wil afsluiten met 9 juni. Democratie valt of staat onder andere met het kiezen van nieuwe parlementen. Kiezen kunnen mensen niet vroeg genoeg leren. Op verzoek van de SP hebben Rindert Kromhout en Jan Jutte een kinderboek over kiezen gemaakt zonder enige politieke lading om kinderen vanaf vierjarige leeftijd ermee te helpen. Het is immers soms best lastig om te gaan kiezen.

Voorzitter, ik wil u dit boek graag overhandigen.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik zal het zo snel mogelijk voorlezen. Hartstikke leuk! Plotseling blijken we een heel vruchtbaar parlement te hebben. Dat is toch waar? Zo veel biologie hebben we toch allemaal wel gehad?

De heer Cramer (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik dank de regering hartelijk voor haar vrij uitgebreide antwoorden. In het bijzonder dank ik de minister-president voor zijn toezegging om met de WRR overleg te voeren over de vraag hoe het project Schaarste en transitie tot een adviesaanvraag kan leiden. Op welke termijn kan hij de Kamer daarover iets laten weten?

Ronduit teleurstellend was het antwoord over de onderbesteding in het Infrafonds. Ik heb dat reeds laten merken. Ik snap het procedurele antwoord van de minister van Financiën, maar ik vraag hem deze vraag alvast te noteren voor volgend jaar. Ik schat namelijk in dat het dan weer hetzelfde is. Zo kan hij met een inhoudelijk antwoord komen dat mede voorbereid is door de minister van Verkeer en Waterstaat, opdat we op Verantwoordingsdag die voortdurende achterstanden in het Infrafonds eens definitief kunnen bespreken.

De voorzitter:

Ik constateer dat de heer Rutte afziet van een inbreng in tweede termijn. Dan is het woord aan de heer Wilders.

De heer Wilders (PVV):

Voorzitter. Wat een zegen dat we over een kleine drie weken verkiezingen in dit mooie land hebben. Mijn partij, de PVV, heeft dan ook een agenda van hoop en optimisme, een agenda om dat mooie Nederland niet verder richting afgrond te duwen, zoals in de afgelopen jaren helaas is gebeurd, een agenda om Nederland sterker te maken, terug te veroveren op de elite, die de belangen van de burger zo schaamteloos heeft verkwanseld. Ook in dit verantwoordingsdebat heeft het kabinet niet een greintje van spijt laten zien. En er valt zoveel te verbeteren: op de zorg voor ouderen, op de aanpak van de criminaliteit, op het stoppen van de massa-immigratie en islamisering, op het snijden in die linkse hobby's, op het keren van de economische crisis. Allemaal gemiste kansen.

Voorzitter. Ten slotte – ik zal het ook kort houden – een enkel woord nog over de massa-immigratie. In het NYFER-rapport dat ik u overhandigd heb, staat dat het gaat om 7,2 mld. per jaar. Ieder jaar opnieuw komen niet-westerse allochtonen Nederland binnen die Nederland op termijn, steeds opnieuw, jaar na jaar 7,2 mld. kosten. Ondertussen laten we de burger bloeden om uit de crisis te komen, geven we de Grieken 5 mld. en hebben we nog zo'n 26 mld. voor de Portugezen en de Spanjaarden in het vooruitzicht gesteld. Geen Nederlander die snapt dat hij moet bloeden met bezuinigingen en ondertussen maar betalen voor de Grieken en anderen, terwijl er miljarden voor het oprapen liggen door de massa-immigratie te stoppen. Maar daar mag politiek niet over gesproken worden. Dat is een politiek taboe. Dat is niet alleen oerdom, maar ook heel erg laf. Wij zullen het keer op keer, ook de komende weken, op de agenda blijven zetten. Om dat te illustreren mijn enige en laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit onderzoek van NYFER blijkt dat de massa-immigratie van niet-westerse allochtonen ons land jaarlijks 7,2 mld. kost;

overwegende dat de miljarden kostende massa-immigratie, zeker in tijden van economische crisis, onverantwoord is;

verzoekt de regering, immigratiebeperkende maatregelen te nemen, waaronder het instellen van een immigratiestop voor mensen uit islamitische landen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Wilders. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 7(32360).

Mevrouw Verdonk (Verdonk):

Voorzitter. Verantwoordingsdag, wat een trieste bedoening. Een minister-president die moet concluderen dat er 81 mld. aan belastinggeld zonder enige vaststelling van een doel is uitgegeven, gewoon over de schutting, en dat de aanpak van Marokkaanse overlastgevers, van Marokkaanse criminelen gewoon is mislukt. Een minister voor Jeugd en Gezin die als enig succes heeft te melden dat hij asielrechtelijk en strafrechtelijk minderjarigen heeft gescheiden – tss, tss, tss – terwijl er nog steeds zoveel ellende is op het terrein van de jeugdzorg. Kortom, het is goed dat het tijdperk van Balkenende IV ten einde is. Luisteren, ruzie maken, zestien vergaderingen praten over een brief en de problemen waar onze burgers mee te maken hebben, zijn er nog steeds. Ik hoop op een moedig en daadkrachtig nieuw kabinet.

Minister Balkenende:

Voorzitter. Ik zeg de leden van de Kamer dank voor hun inbreng in tweede termijn. Er resten nog twee inhoudelijke punten. De heer Cramer vroeg wanneer ik hem zou kunnen rapporteren naar aanleiding van mijn contact met de WRR. Ik zal proberen dit in ieder geval voor het zomerreces te doen.

Ik ben de heer Pechtold nog een antwoord schuldig naar aanleiding van zijn opmerking over de corporaties. Corporaties en gemeenten investeren samen 250 mln. in krachtwijken. Momenteel zijn er geen signalen dat zij de onderling gemaakte afspraken daarover niet zouden nakomen. Die 250 mln. wordt door de corporaties zelf opgebracht en 75 mln. daarvan wordt opgebracht door het Centraal Fonds Volkshuisvesting. Dat is een heffing van de corporaties die vanaf 2009 wordt opgelegd. In oktober 2010 wordt de projectsteun en de investering in corporaties geëvalueerd en dan kan meer duidelijkheid worden gegeven.

Ik maak nog een opmerking over de eerste motie. Die betreft het verzoek aan het kabinet om alles in het werk te stellen om dit voornemen alsnog voor het eind van het jaar te realiseren. Dat betreft het inschakelen van WSW'ers en Wajong'ers bij de rijksoverheid. Wij beschouwen dit als een ondersteuning van het beleid. Ik weet niet of het lukt om de rapportage te koppelen aan de Voorjaarsnota. Misschien moet het een zelfstandige brief worden. In ieder geval is de intentie helder en dat leidt ertoe dat ik de motie kan overnemen.

Dan resteert nog een commentaar bij de motie van de heer Wilders op stuk nr. 7 over een immigratiestop voor mensen uit islamitische landen. We hebben dit onderwerp al vaker met elkaar besproken. Tegen de achtergrond van die eerdere discussies ontraad ik deze motie.

De voorzitter:

Dan dank ik de minister-president voor de beantwoording.

Minister De Jager:

Voorzitter. Ik zal de overige moties doen. In de motie-Van Geel c.s. op stuk nr. 4 wordt feitelijk een verzoek gedaan aan de Algemene Rekenkamer. Ik zie daar geen enkel probleem in. Mocht de Kamer deze motie aannemen, wat ik niet ondenkbaar acht, gelet op het feit dat er een indrukwekkend aantal handtekeningen van alle fractievoorzitters onder staat, dan zullen wij deze met groot plezier doorgeleiden naar de Algemene Rekenkamer, maar uiteindelijk gaat de Algemene Rekenkamer er zelf over wat hij daarmee doet.

Ik begrijp de zorgen die uit de motie-Roemer op stuk nr. 5 over de inhuur van externe adviseurs spreken. Er is al een motie-De Pater aangenomen over maximumtarieven bij inhuur. Het huidige systeem met de norm van comply or explain is er nog maar twee jaar, dus ik zou zeggen: laten we dat nog even afwachten. Ik ga er verder niet voorliggen en ik vind het niet nodig om deze motie te ontraden, maar het heeft mijn voorkeur om het huidige systeem nog even af te wachten.

Ik heb wel problemen met de motie op stuk nr. 6. In eerste termijn ben ik vrij duidelijk geweest over de procedure. Ik heb vandaag een brief gestuurd met alles wat er op dit moment plaatsvindt. Er zijn grote risico's. Ik moet ook zeggen dat de constatering dat er massaal verzekeringen op staatsobligaties zijn afgesloten, onjuist is. De motie is gericht op Nederland. Ik heb informatie gekregen van ons Agentschap dat het in Nederland naar alle waarschijnlijkheid om minder dan 1% van de uitstaande schuld gaat, dus we hebben dit probleem in Nederland helemaal niet zoals hier wordt aangegeven.

Het is niet effectief als alleen Duitsland en Nederland dat doen. Het creëert wel enorme onrust op de markt, zoals we hebben gezien met de Duitse Alleingang. Je vernietigt gewoon meer dan je lief is, want er wordt geen onderscheid gemaakt tussen wenselijke en onwenselijke vormen van CDS of short selling. Ik heb ook aangegeven dat het de Nederlandse Staat geld zou kosten, als hij dit niet zou doen. Ik heb twee concrete voorbeelden gegeven van goede, heel normale short selling, die noodzakelijk was om de liquiditeit in de markt op weg te helpen.

Ik verzoek om deze motie op z'n minst even aan te houden, want ik kom nog met meerdere reacties, ook naar aanleiding van het overleg in Europa. De Kamer heeft recent ingestemd met een wetswijziging om de AFM de onafhankelijke bevoegdheid te geven om hierin op te treden. Ik heb de AFM verzocht om er bovenop te zitten. De AFM heeft aangegeven dat te zullen doen en zit er dus bovenop. Zoals de heer Van Geel al heeft gezegd, is er een motie-De Nerée/Weekers, waarover ik die brief heb gestuurd.

We doen er alles aan, maar laten we het nu niet erger maken dan nodig is. Ik doe hier een klemmend beroep op de Kamer om het niet te doen, want het heeft echt een averechts effect. Ik heb de positieve punten heel concreet genoemd. Ik verwijs ook naar de brief. Ik zal de Kamer op de hoogte houden van de ontwikkelingen, maar ik ontraad deze motie met klem. Wellicht kunnen de indieners deze aanhouden en afwachten wat zich de komende weken op de markten zal afspelen. Op de manier waarop het in deze motie staat, wordt het alleen maar erger gemaakt dan het is.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Hiermee zijn wij gekomen aan het eind van het verantwoordingsdebat. Ik dank het kabinet voor de antwoorden.

Zoals afgesproken gaan we nu vier VAO's doen volgens een geheel nieuw regime, dat ik het wittekerstregime heb genoemd. Dat betekent dat ik vier VAO's in een halfuur ga doen en dat we om kwart over negen gaan stemmen, want er is even tijd nodig om de stemmingslijst te maken en sommige fracties willen nog overleggen.

Ik schors de vergadering niet. We gaan gelijk door met het VAO over de koopsubsidie. De minister is er al, zie ik. Dan kan ik het woord geven aan de heer Van Bochove. We gaan een heel korte klap maken. Dat betekent dat de moties worden voorgelezen en dat de minister daarover alleen een oordeel geeft, dus geen hervatting van een debat.