Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-2010nr. 86, pagina 7264

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 20 mei 2010 over Staatssteundossier woningcorporaties.

De voorzitter:

Er is geen sprekerslijst, maar ik zie de heer Jansen deze kant op lopen, dus ik neem aan dat hij een motie wil indienen.

De heer Jansen (SP):

Voorzitter. Ik dien de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat:

  • - de voorgenomen ministeriële regeling ex. artikel 2 BBSH (diensten van algemeen economisch belang) grote effecten heeft op de toegang tot de sociale huursector;

  • - maatschappelijke partijen vraagtekens zetten bij de effecten van de gehanteerde inkomensgrens en andere voorwaarden;

  • - het gekozen kader voldoende ruimte moet bieden, zowel aan woningzoekenden met middeninkomens in regio's met een krappe woningmarkt en woningzoekenden die op zoek zijn naar een zelfstandige woning met zorg, als voor het realiseren van de doelstelling van de wijkaanpak om te komen tot meer gemengde wijken;

verzoekt de regering, de ministeriële regeling ex. artikel 2 BBSH niet in werking te laten treden dan na voortgezet overleg met organisaties van huurders, woningcorporaties en andere stakeholders, gevolgd door een bespreking van het finale voorstel met de Kamer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jansen, Albayrak, Van Bochove en Van Gent. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 158(29453).

Minister Van Middelkoop:

Voorzitter. De heer Jansen moet het mij niet kwalijk nemen dat ik wat teleurgesteld ben over deze motie; dat geldt ook voor de medeondertekenaars. Ik dacht dat wij een goede afspraak hadden over de vervolgbrief op grond waarvan wij een voorbespreking van mijn finale besluit zouden houden. Die afspraak staat en daar zal ik mij aan houden. Dan is deze motie ofwel overbodig, ofwel verplicht zij mij ertoe om weer met iedereen te praten over zaken waar ik echt autonoom in ben. Dat oordeel houd ik liever aan mijzelf. Om die reden heb ik geen behoefte aan deze motie en ontraad ik haar.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor zijn oordeel over de motie, waarover gestemd zal worden bij de eindstemming.