Tweede Kamer der Staten-Generaal

36 200 XII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voor het jaar 2023

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Vergaderjaar 2022–2023

GERAAMDE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN

Figuur 1 Verdeling geraamde uitgaven IenW-begrotingen 2023 (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 12.981 miljoen

Figuur 2 Geraamde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 1.829 miljoen

Figuur 3 Geraamde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 42,9 miljoen

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld en worden de verplichtingen, ontvangsten en uitgaven van verplichtingen-kasagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Infrastructuur en WaterstaatM.G.J.Harbers

B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN

Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft drie begro-tingen:

  • de beleidsbegroting (Hoofdstuk XII van de Rijksbegroting),

  • de begroting van het Mobiliteitsfonds (Hoofdstuk A van de Rijksbegroting) en

  • de begroting van het Deltafonds (Hoofdstuk J van de Rijksbegroting).

Voor u ligt de beleidsbegroting Hoofdstuk XII.

De twee fondsbegrotingen van IenW, het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds, worden gevoed vanuit de beleidsbegroting Hoofdstuk XII via beleidsartikel 26 (Bijdrage Investeringsfondsen).

In de beleidsbegroting Hoofdstuk XII worden de uitgaven geraamd en verantwoord voor de beleidsuitgaven van IenW, waaronder beleidsonder-zoeken, subsidies en bijdragen aan medeoverheden en/of internationale organisaties. Ook de apparaatsuitgaven voor het kerndepartement worden begroot op de beleidsbegroting.

Op beide fondsbegrotingen worden de uitgaven aan concrete investeringsprojecten en -programma’s geraamd en niet-infrastructurele maatregelen die doelmatig gebruik van het huidige areaal beogen te verbeteren, evenals de uitgaven voor exploitatie, onderhoud en vernieuwingen van de infrastructuur. De doelstelling van het mobiliteitsfonds is wettelijk vastgelegd in de Wet Mobiliteitsfonds (Stb. 2020, 20472): «het faciliteren van mobiliteit van personen en goederen door middel van financiering en bekostiging». De instelling van het Deltafonds is wettelijk geregeld in de Waterwet (Stb. 2009, 107), met als doel de bekostiging van maatregelen, voorzieningen en onderzoeken op het gebied van waterveiligheid, zoetwatervoorziening en waterkwaliteit.

MIRT Overzicht

Alle investeringsprojecten en -programma’s in het Mobiliteitsfonds en Deltafonds zijn opgenomen in het MIRT Overzicht. Dit overzicht wordt aan de Tweede Kamer aangeboden op Prinsjesdag en biedt verdieping op de informatie die voor de projecten is opgenomen in de begrotingen van het Mobiliteitsfonds en Deltafonds. In principe is van ieder investeringsproject en -programma een projectblad opgenomen in het MIRT Overzicht. Naast specifieke informatie over projecten, biedt het MIRT Overzicht ook meer informatie over de belangrijkste opgaven die spelen in de verschillende MIRT Gebieden, zoals bijvoorbeeld verwoord in de MIRT Gebiedsagenda’s.

Deltaprogramma

Het Deltaprogramma is een nationaal programma. Rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen werken hierin samen met inbreng van maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven. Het doel is om Nederland ook voor de volgende generaties te beschermen tegen hoogwater en te zorgen voor voldoende zoetwater. In het Deltaprogramma wordt naast de lange termijn voorkeursstrategieën ook een overzicht gegeven van de financiële middelen voor het Deltaprogramma, waarvoor het Deltafonds een belangrijke financiële bron is.

De begrotingen van IenW zijn ook digitaal beschikbaar op www.rijksfinancien.nl.

1. Leeswijzer

Structuur

De opzet en structuur van de begroting voor Hoofdstuk XII zijn gebaseerd op de rijksbegrotingsvoorschriften van het Ministerie van Financiën.

  • Allereerst is de begrotings(wet)staat voor Hoofdstuk XII voor het jaar 2023 opgenomen. Deze dient ter autorisatie van de budgetten die op artikelniveau in de verplichtingen-, uitgaven- en ontvangstenramingen worden voorgesteld.

  • In de Beleidsagenda is vervolgens een overzicht gegeven van de prioriteiten voor 2023 en de hoofdlijnen van het (budgettaire) beleid. Daarna is eerst op hoofdlijnen inzicht verstrekt in de belangrijkste budgettaire voorstellen die leiden tot wijzigingen ten opzichte van de eerste suppletoire begroting 2022. Hiermee kan snel een indruk worden verkregen van de inhoud van dit wetsvoorstel.

  • In de artikelsgewijze toelichting bij dit wetsvoorstel wordt per beleidsartikel beschreven wat per beleidsthema de algemene doelstelling is, wat de rollen en verantwoordelijkheden van de Minister hierbij zijn en welke budgetten er per financieel instrument voor het beleidsthema zijn begroot.

  • In de verdiepingsbijlage (bijlage 2) worden per beleidsartikel de belangrijke mutaties toegelicht. In deze bijlage is door middel van een meerjarige mutatietabel op artikelonderdeelniveau de aansluiting gemaakt tussen de vorige stand van de begroting en de nu voorgestelde stand. Dit is een aanvulling op de standen die in de (niet-)beleidsartikelen zijn opgenomen.

    De mutaties in de bijlage worden toegelicht op het niveau van de financiële instrumenten en de totale verplichtingen volgens onderstaande uniforme ondergrenzen.

Tabel 1 Norm bij te verklaren verschillen

Omvang begrotingsartikel (stand ontwerpbegroting) in € miljoen

Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € miljoen)

Technische mutaties (ondergrens in € miljoen)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 < 1000

5

10

=> 1000

10

20

  • De overige bijlagen geven voor enkele specifieke onderwerpen inhoudelijk meer toelichting of betreffen overzichtsconstructies.

Mede naar aanleiding van overleg met de Tweede Kamer zijn in aanvulling op de rijksbegrotingsvoorschriften de onderstaande punten verwerkt:

  • Het beleidsartikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen kent de artikelonderdelen Bijdrage aan het Mobiliteitsfonds en Bijdrage aan het Deltafonds. Per artikelonderdeel is een overzicht opgenomen van de bijdrage per modaliteit aan het Mobiliteitsfonds en Deltafonds tot en met 2036.

  • Op de beleidsartikelen van Hoofdstuk XII waarop de bijdragen aan het Mobiliteitsfonds/Deltafonds betrekking hebben wordt direct onder de desbetreffende tabel «budgettaire gevolgen van beleid» extracomp-tabel de betrokken bijdrage aan het Mobiliteitsfonds/Deltafonds gepresenteerd (zoals opgenomen in artikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen). Hiermee worden de beleidsprestaties van de investeringen die worden verantwoord op de investeringsfondsen betrokken bij het formuleren van het integrale beleid van IenW. Daarnaast worden de beleidsindicatoren die hieraan gekoppeld zijn verantwoord in de Hoofdstuk XII-begroting.

Overzichtscontructie

Bijlage 8 (de overzichtsconstructie milieu) bevat een overzicht van (onderdelen van) beleidsartikelen van verschillende begrotingen met een milieudoelstelling.

Moties

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. In de beleidsagenda wordt ingegaan op de uitwerking van de aanbeveling (pagina 8).

Motie Hachchi c.s.

In oktober 2012 is de motie-Hachchi (Kamerstukken II 2011–2012, 33 000 IV, nr. 28) aangenomen. Hiermee wordt een overzicht van alle rijksuitgaven Caribisch Nederland, inclusief die vanuit de IenW-begrotingen opgenomen bij de begroting van het BES-fonds.

Motie Leegte c.s.

In januari 2015 is de motie-Leegte (Kamerstukken II 2014–2015, 30 196, nr. 278) aangenomen. In de begroting van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat wordt daarom een totaaloverzicht gepresenteerd van de maatregelen van alle ministeries in het kader van het Energieakkoord. Inmiddels is dit overzicht uitgebreid met maatregelen ten behoeve van het klimaatakkoord en CO2-reducerende maatregelen. Hierin zijn ook de maatregelen die onder de verantwoording van IenW vallen opgenomen. Bij de desbetreffende beleidsartikelen 14 Wegen en Verkeersveiligheid, 19 Uitvoering Milieubeleid en Internationaal en 21 Duurzaamheid worden de maatregelen genoemd.

Groeiparagraaf

In deze begroting zijn de volgende verbeteringen ten opzichte van het voorgaande jaar doorgevoerd:

Pilot beleidsartikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid

In het WGO jaarverslag van 23 juni 2022 is de informatiewaarde van de jaarverslagen en begrotingen behandeld. Het is voor de Kamer van belang dat in deze stukken inzichtelijk is wat de doelen zijn, welke middelen beschikbaar zijn en welke resultaten met deze middelen worden bereikt. In de begroting van 2023 is voor beleidsartikel 14 (Wegen en verkeersveiligheid) een pilot artikel opgesteld wat tegemoetkomt aan dit belang:

  • In het pilot artikel 14 zijn de subthema's 'netwerk', «verkeersveiligheid» en «duurzame en slimme mobiliteit» herkenbaar opgenomen met als doel de leesbaarheid van het artikel te verbeteren;

  • Om meer inzicht te geven in doelen en resultaten zijn vervolgens deze subthema's in samenhang met algemene- en operationele doelstellingen en indicatoren gepresenteerd;

  • Ter bevordering van de leesbaarheid is een samenvattende tabel toegevoegd voor de rollen en verantwoordelijkheden van de Minister, herkenbaar onderverdeeld per subthema;

  • De budgettaire tabel is per subthema geordend en meer in verband gebracht met de doelen en instrumenten van artikel 14;

  • Na afronding van de beleidsdoorlichting naar artikel 14 (voorzien in de tweede helft van 2023) is het streven om in 2024 de resultaten van de beleidsdoorlichting door te vertalen naar nieuwe operationele doelstellingen en indicatoren en kengetallen. Verwerking hiervan wordt geëfectueerd in de begroting van 2025.

Deze opzet zal, indien de pilot succesvol is, bij de begroting 2024 verder worden uitgewerkt.

Indicator SPV (artikel 14)

Met het Strategisch Plan Verkeersveiligheid (SPV) is de risicogestuurde aanpak geïntroduceerd. De essentie daarvan is dat beleid wordt gericht op het in beeld brengen en aanpakken van situaties waar er sprake is van gevaarlijke omstandigheden. De indicatoren hiervoor staan bekend als ‘Safety Performance Indicators’, kortweg SPI’s. Deze zijn op dit moment nog in ontwikkeling. Verwachting was dat de indicatoren voor ‘Snelheid’ en ‘Veilige wegen’ zouden kunnen worden toegepast in deze begroting (Kamerstukken II, 2019-2020, 35 300-XII, nr. 94). Dit is helaas nog niet mogelijk. De definities van deze SPI’s zijn weliswaar al uitgewerkt en een deel van de benodigde data is al landelijk beschikbaar voor wegbeheerders. Het kost echter nog meer tijd om alle benodigde data op structurele, geschikte, uniforme wijze en landsdekkend te ontsluiten. Het streven is om in 2025 alle benodigde data landelijk beschikbaar te kunnen stellen. Hiermee is de verwachting dat de nieuwe indicator kan worden opgenomen in de Ontwerpbegroting van 2026.

Daarnaast zal alle informatie met betrekking tot de SPI’s worden getoond in een dashboard dat momenteel wordt ontwikkeld door het Kennisnetwerk SPV. De SWOV levert al een overzicht van de ontwikkelingen rondom de SPI’s, de beschikbare metingen daarvan en de maatregelen die daaruit voortvloeien ter verbetering van de verkeersveiligheid (Staat van de Verkeersveiligheid 2021). De SWOV zal in de komende jaren over steeds meer data van SPI’s beschikken en die dus kunnen duiden in de jaarlijkse «Staat van de Verkeersveiligheid».

Strategische Evaluatieagenda

In de begroting 2022 was een stap gezet voor het beter inzichtelijk maken van de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid met de Strategische Evaluatieagenda (SEA). De SEA is een strategische evaluatie-agenda met passend monitoring- en evaluatieonderzoek, die circa 4 jaar vooruitkijkt. De geagendeerde onderzoeken leveren gezamenlijk inzichten op in de doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid, de voorwaarden daarvoor, en manieren om de (kans op) doeltreffend en doelmatig beleid te vergroten. In deze begroting is de SEA verder verduidelijkt met een verbeterde indeling en een kwalitatieve toelichting. 2023 geldt nog steeds als overgangsperiode voor de SEA. Na afloop van de overgangsperiode zal de nu nog gehanteerde term ‘beleidsdoorlichting’’ voor de reguliere ex-post synthese evaluaties plaatsmaken voor ‘periodieke rapportage’ (Kamerstukken II, 31 865, nr. 203).

Wijzigingen regeling Rijksbegrotingsvoorschriften 2022

Voor het opstellen van de begroting gelden de Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV) van de Minister van Financiën. In de RBV 2022 zijn een aantal wijzigingen doorgevoerd die doorwerken in de begroting 2023 op het gebied van:

  • Bijlage 8 NGF: Voorschrift vanuit de minister van Financiën is dat indien er vanuit het Nationaal Groeifonds (NGF) budgetten ter beschikking zijn gesteld, het betreffende departement een afzonderlijke NGF-bijlage opneemt.

  • Bijlage 2 specifieke uitkeringen: BZK neemt niet langer een gedetailleerd overzicht per departement op als bijlage bij zijn eigen begroting. In plaats daarvan neemt elk departement zelf een gedetailleerd overzicht op als bijlage bij de betreffende begroting.

  • Openbaarheidsparagraaf: In de beleidsagenda is als afzonderlijk onderdeel de openbaarheidsparagraaf opgenomen. Dit komt voort uit de kabinetsreactie op het rapport ‘Ongekend onrecht’ waarin het kabinet onder andere maatregelen heeft aangekondigd gericht op actieve openbaarmaking van informatie en op verbetering van de informatiehuishouding bij de ministeries (‘Open op orde’). Verder schrijft artikel 3.5 van de Wet open overheid voor dat een bestuursorgaan in de jaarlijkse begroting aandacht besteedt aan de beleidsvoornemens inzake de uitvoering van de Wet open overheid (Woo).

  • Geschatte budgetflexibiliteit: Vanaf de ontwerpbegroting 2023 wordt de informatieverstrekking over budgetflexibiliteit uitgebreid en opgenomen onder onderdeel Budgettaire gevolgen van beleid van het desbetreffende beleidsartikel. Er wordt ingegaan op de geschatte budgetfelxibiliteit en inzicht gegeven in de categorieën juridisch verplicht, bestuurlijk gebonden, beleidsmatig gereser­veerd en nog niet ingevuld/vrij te besteden. Met deze wijziging is het totaal­overzicht ‘niet-juridisch verplichte uitgaven’ komen te vervallen.

2. Beleidsagenda

2.1 Beleidsprioriteiten

Inleiding

Nederland bereikbaar, leefbaar en veilig houden: dat staat voorop bij het werk van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Daarom zorgt IenW voor een sterke en duurzame infrastructuur, boven en onder de grond. Bereikbaarheid en mobiliteit zijn van groot belang voor ons welzijn en onze welvaart: de huidige infrastructuur heeft ons de welzijn en welvaart gebracht waar we nu van genieten, en die we willen behouden en doorgeven aan komende generaties. Ook werkt IenW aan een gezonde leefomgeving met schone lucht, schone bodem, schone rivieren en een schone zee. En aan een klimaatneutraal, fossielvrij en circulair Nederland.

De oorlog in Oekraïne stelt uitdagingen aan veel aspecten van het werk van IenW. Mede door de oorlog in Oekraïne is de bescherming van onze vitale infrastructuur urgenter dan ooit. Daarnaast heeft de oorlog onze afhankelijkheid van schaarse grondstoffen nog eens extra benadrukt.

Ook de ambities op het gebied van woningbouw, stikstof en klimaat hebben directe invloed op het beleidsterrein van IenW.

De agenda voor de komende jaren is ambitieus en de genoemde uitdagingen zijn omvangrijk, complex en vragen soms om departement overstijgende oplossingen. We willen ervoor zorgen dat we de zaken op een goede manier beheren en doorgeven aan toekomstige generaties. Zodat Nederland optimaal bereikbaar is, schoner wordt en leefbaar blijft.

De beleidsagenda 2023 van IenW is een kernachtig overzicht van het voorgenomen beleid in 2023. In het beleidsprogramma van IenW dat afgelopen mei naar de Tweede Kamer is gestuurd, staat wat IenW aan het einde van deze kabinetsperiode bereikt wil hebben en welke stappen daarvoor nodig zijn. De beleidsagenda is net als het beleidsprogramma samengesteld aan de hand van de afspraken in het coalitieakkoord. De beleidsagenda 2023 is de eerste beleidsagenda waarin de prioriteiten uit het beleidsprogramma voor een individueel jaar worden geformuleerd. In deze beleidsagenda zijn afspraken uit het coalitieakkoord aangevuld met de hoofdlijnen van reeds voorgenomen beleid voor 2023.

In het vervolg van deze beleidsagenda is aan de hand van vier hoofdstukken terug te lezen wat de belangrijkste ambities zijn voor 2023. De eerste twee hoofstukken gaan over bereikbaarheid en veiligheid. Daarna volgt duurzaamheid en transities. Het laatste hoofdstuk gaat over het beheer, onderhoud en toekomstbestendig maken van onze infrastructuur.

Bereikbaarheid

Bereikbaarheid in heel Nederland

Vanuit het mobiliteitsfonds investeert IenW in de verbetering en uitbreiding van de infrastructuur voor openbaar vervoer, auto en vaarwegen. Dit gebeurt in samenhang met andere opgaven zoals de grote woningbouwopgave, energietransitie en klimaatadaptatie. Daarbij zijn veiligheid, oog voor nieuwe ontwikkelingen en duurzaamheid van belang. De stikstofproblematiek is voor alle opgaven in het fysieke domein een belangrijke beperkende factor. Ondanks de reeds ingezette daling van stikstofuitstoot heeft IenW deze kabinetsperiode schaarse stikstofruimte nodig om Nederland bereikbaar, leefbaar en veilig te houden.

Om de toekomstbestendigheid van onze bereikbaarheidsaanpak te borgen stelt IenW een Nationale Mobiliteitsvisie 2050 op. De scope beslaat het gehele spectrum van modaliteiten en beleidsinstrumenten. IenW weegt daarbij mee hoe bereikbaarheid de brede welvaart verhoogt en kijkt hierbij zowel naar het verdienvermogen van Nederland als een veilige en gezonde leefomgeving. Bij het opstellen van de Nationale Mobiliteitsvisie 2050 gaat IenW nadrukkelijk het gesprek aan met de gebruikers en omwonenden en partijen die hen bestuurlijk en maatschappelijk vertegenwoordigen. Eind 2022 komt IenW met een contourennota voor de Nationale Mobiliteitsvisie 2050 waarin aanpak, proces en planning beschreven staan.

Woningbouw en mobiliteit

Voor de ontsluiting van nieuwe woningen heeft het kabinet € 7,5 miljard vrijgemaakt. Deze middelen worden ingezet voor het ontsluiten van nieuwe woningen in de 17 grootschalige NOVEX-woningbouwlocaties en daarbuiten. De verdeling van de middelen wordt bepaald in samenwerking met de ministeries van BZK, EZK en LNV en de medeoverheden. In 2022 zijn versnellingsafspraken gemaakt om de woningbouw op de korte termijn te stimuleren. Daarnaast is een afweegkader ontwikkeld voor de ontsluiting van de grootschalige woningbouwgebieden, waarmee tevens in het najaar van 2022 de eerste beslissingen kunnen worden genomen. Waar de versnellingsafspraken zich richten op de korte termijn, leveren de grootschalige locaties meer woningen op middellange en lange termijn. In 2023 werkt IenW verder aan de uitvoering van deze versnellingsafspraken.

In 2023 monitort IenW de voortgang van de afspraken die in 2022 gemaakt zijn en zal IenW de programmering van besteding van de middelen voor woningbouw en de ontsluiting daarvan verder uitwerken. Tot slot treft IenW in 2023 voorbereidingen voor de langere termijn opgaven, om ook na 2030 (nieuwe) woningen bereikbaar te houden.

Bereikbaar wonen en grote spoorprojecten

Vanwege de ambities voor wonen en klimaat, zijn in het coalitieakkoord onder andere afspraken gemaakt over de Lelylijn, de Noord/Zuidlijn en de Oude Lijn. Het voorbereidend onderzoek naar de mogelijkheden voor de aanleg van de Lelylijn (één van de NOVEX-gebieden) is een nieuw project op het gebied van OV en Spoor. IenW werkt in 2023 samen met de ministeries van BZK en EZK en met de regionale partners aan het verkrijgen van de benodigde beslisinformatie en het sluitend maken van de begroting. Conform het coalitieakkoord wordt daarbij ook aandacht geschonken aan woningbouw, economie en de internationale bereikbaarheid. Via een breed participatietraject worden alle omwonenden en de bredere regio meegenomen in (de voorbereiding van) de besluitvorming. In 2023 ligt de focus op het realiseren van de eerste (onderzoeks)resultaten, onder andere voor een onderbouwde kostenraming en mogelijkheden voor medefinanciering vanuit de regio en uit Europese fondsen. Bij het Coalitieakkoord zijn de bedragen die door het Nationaal Groeifonds zijn gereserveerd voor de Noord/Zuidlijn en de Oude lijn, overgedragen aan het Mobiliteitsfonds. Beide projecten zijn daarmee onderdeel geworden van de reguliere MIRT-cyclus. Nadat de gesprekken met de regio gevoerd zijn kunnen MIRT-verkenningen starten.

Toekomstbestendig Openbaar Vervoer en Spoor

Met het Toekomstbeeld OV is voor het openbaar vervoer door alle betrokken partijen een aantrekkelijk en uitdagend perspectief neergezet. IenW blijft ook in 2023 de kwaliteit en de capaciteit van knooppunten en stations verbeteren. Hierbij werkt IenW onder andere aan de stations van Ede-Wageningen, Amsterdam Lelylaan en Groningen. Op basis van de Stationsbelevingsmonitor bekijken we samen met ProRail, de NS en decentrale overheden welke aanvullende locaties aandacht verdienen. Daarnaast ontwikkelt IenW nieuwe ov-concepten, zoals Bus Rapid Transit.

Door toenemend gebruik van de bestaande infrastructuur en door nieuwe opgaven zoals de woonopgave, klimaatadaptatie, duurzaamheid en cyberveiligheid staat de spoorcapaciteit onder druk. IenW blijft zich daarom inzetten om het spoor veilig te houden.

Ook grensoverschrijdende treinverbindingen zijn essentieel om Nederland, en in het bijzonder de grensregio’s, duurzaam te verbinden met de economische centra en de onderwijsinstellingen om ons heen. Het kabinet zal in 2023 nadere onderzoeken starten voor ov-lijnen die grensregio’s met elkaar verbinden en naar de verbeterde aansluiting op hogesnelheidslijnknooppunten over de grens. Ook is vanuit het Nationaal Groeifonds een voorwaardelijke toekenning gedaan voor de realisatie van het project Rail Gent-Terneuzen. Na afronding van de lopende studie naar Rail Gent-Terneuzen zal in 2023 met België worden gesproken over de realisatie van het project.

Goederenvervoer

Met efficiënt en duurzaam goederenvervoer ondersteunt IenW de verdere ontwikkeling van Nederlandse economie. In 2023 zet IenW daarbij in op een verdere stimulering van de modal shift, waarbij containervracht voor een deel verplaatst wordt van de weg naar de binnenvaart en het spoor. In aanvulling op de bestaande regeling wordt gekeken naar mogelijkheden voor de ondersteuning van zeer grote modal shift-projecten die invloed hebben op het landelijke goederenvervoer. Op basis van besluitvorming in het BO MIRT van najaar 2022 wordt het corridorprogramma Zuid in 2023 nader ingevuld. Onderdeel hiervan zal ook de samenwerking met Vlaamse corridorpartijen zijn. Daarnaast worden er in 2023 stappen gezet in het onderzoek naar de mogelijkheden van een buisleidingverbinding met het Duitse Ruhrgebied.

Schiphol en Lelystad

In juni 2022 heeft het kabinet besloten over de toekomst van Schiphol. Bij het besluit is gekeken naar enerzijds het belang van Schiphol als internationale luchthaven met een sterk netwerk aan bestemmingen wereldwijd en anderzijds naar het belang van de omwonenden van Schiphol en een goede leefomgeving. In de afweging van de publieke belangen rondom Schiphol heeft het voorrang de geluidsoverlast aan te pakken en tegelijk de economische functie van Schiphol te behouden. Daarom is besloten dat anticiperend handhaven zal worden beëindigd. Dit betekent dat de handhavingspunten voor geluidsoverlast niet meer overschreden mogen worden. Er zal een bovengrens van 440.000 vliegtuigbewegingen per jaar worden vastgelegd. Deze bovengrens kan naar verwachting met ingang van november 2023 worden ingevoerd. De eventuele opening van Lelystad Airport als overloopluchthaven van Schiphol wordt in dit kader bezien. Besluitvorming hierover zal niet eerder dan medio 2024 plaatsvinden. 

Met dit besluit wordt duidelijkheid geboden aan omwonenden, gemeenten en provincies, het bedrijfsleven en de luchtvaarsector. Daarbij worden de publieke belangen (op het gebied van bereikbaarheid, geluid, milieu en klimaat) integraal bezien en gewogen. In 2023 zal worden gewerkt aan de stappen die moeten worden gezet om het nieuwe maximum vast te leggen. Dit betekent dat de inzet gericht zal worden op het doorlopen van de Balanced Appoach, een ministeriële regeling en een nieuw Luchthavenverkeerbesluit. Tevens zal worden gewerkt aan de verdere invulling van de programmatische aanpak geluid en aan de totstandkoming en uitvoering van een gebiedsagenda.

Regionale luchthavens en luchtruim

Voor de regionale luchthavens Rotterdam The Hague Airport, Maastricht Aachen Airport, Groningen Airport Eelde en Eindhoven Airport wordt in 2023 en 2024 het traject doorlopen om per luchthaven te komen tot een nieuw Luchthavenbesluit . Tegelijkertijd is IenW met alle luchthavens in gesprek om meer samen te werken op het gebied van duurzaamheid, innovatie en het terugdringen van hinder voor de omgeving.

In 2023 zullen de civiele Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) en de militaire luchtverkeersleiding van het Commando Luchtstrijdkrachten (CLSK) integreren. De integratie van de beide organisaties biedt kansen en draagt maximaal bij aan een zo effectief mogelijk beheer en gebruik van het luchtruim, gegarandeerde dienstverlening voor civiel en militair vliegverkeer en aan borging van de grondwettelijke taken door Defensie.

Voor het internationale luchtruim zal de inzet in 2023 gericht zijn op de behandeling van de Single European Sky (SES) regelgeving. Daarnaast worden voorstellen van de Europese Commissie verwacht op verschillende technische gebieden van de SES, zoals communicatie, navigatie en toezicht. Voor 2023 is een werkplan opgesteld met dossiers voor General Aviation (GA). Prioriteiten daarbij zijn onder andere het Nederlands Veiligheidsprogramma, elektronische zichtbaarheid en duurzaamheid in GA.

Voor Caribisch Nederland werkt IenW in 2023 verder aan de veiligheid van de luchthavens.

Veiligheid

Verkeersveiligheid

Het Kabinet geeft prioriteit aan het verbeteren van de verkeersveiligheid. Daarom werkt IenW ook in 2023 samen met decentrale overheden en maatschappelijke partners aan de uitvoering van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030 (SPV). In het Landelijk Actieplan Verkeersveiligheid 2022-2025 zijn de maatregelen opgenomen die de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en Justitie en Veiligheid de komende periode nemen voor de uitvoering van het SPV. Zo wordt de risico-gestuurde aanpak verkeersveiligheid doorontwikkeld en worden de eerste maatregelen getroffen om de verkeersveiligheid op Rijks-N-wegen te verbeteren. Hier is in het coalitieakkoord €200 miljoen voor vrijgemaakt.

In 2023 wordt eveneens verdere invulling gegeven aan de investeringsimpuls verkeersveiligheid. Gemeenten krijgen verdere ondersteuning bij het identificeren van locaties binnen de bebouwde kom waar de maximumsnelheid zinvol verlaagd kan worden naar 30 km/uur.

Tot slot wordt uitgewerkt hoe invulling kan worden gegeven aan de motie Geurts die de regering verzoekt de tussendoelstelling te hanteren om in 2030 een halvering van het aantal verkeersslachtoffers te bewerkstelligen.

Cybersecurity

Cyberaanvallen zijn één van de grootste bedreigingen voor de werking van vitale processen in Nederland. Door de oorlog in Oekraïne is cybersecurity nog urgenter geworden. Sinds het uitbreken van de oorlog in Oekraïne is de digitale dreiging van statelijke actoren nog zichtbaarder.

De minister van IenW is zowel politiek als systeemverantwoordelijk voor de cybersecurity van een aanzienlijk deel van de vitale sectoren in Nederland.

Momenteel wordt de cyberstrategie van IenW voor 2022-2026 vernieuwd. Deze strategie loopt synchroon met de herziening van de Nederlandse cybersecuritystrategie.

De belangrijkste beleidsprioriteit voor 2023 is om invulling te geven aan deze cyberstrategie. Ook wordt het toezicht op de vitale sectoren versterkt. De haalbaarheid van deze ambities is afhankelijk van de Europese richtlijn Network and Information Security Directive. Deze heeft onder andere betrekking op de wettelijke verplichtingen van de digitale beveiliging van essentiële en belangrijke entiteiten.

Veilig containertransport over zee

In 2019 verloor de MSC Zoë in slechte weersomstandigheden 342 containers ten noorden van de Waddeneilanden. Recente kleinere ongevallen met containerschepen die boven de Wadden containers verloren hebben bevestigd dat de veiligheid van het transport van containers over zee verbeterd moet worden. Hiertoe is vanaf 2019 een aantal acties in gang gezet, zoals informatieverstrekking door de kustwacht aan containerschepen in stormomstandigheden.

In 2023 werkt IenW verder aan een gezamenlijk voorstel van Duitsland, Denemarken en Nederland voor de aanpassing van de scheepvaartroutes. Hierbij worden in de beschrijving van de routes aparte adviezen voor containerschepen opgenomen. Ook werkt IenW in 2023 verder aan de verplichting van een elektronische inclinometer voor containerschepen; deze meet en registreert nauwkeurig de slingerhoek op containerschepen.

Beleidstafel Wateroverlast en Hoogwater

De Beleidstafel wateroverlast en hoogwater is opgericht om te leren van de overstromingen in Limburg in 2021 en om beter voorbereid te zijn op de gevolgen van extreme neerslag. Analyses laten zien dat de neerslag extreem was, maar dat deze hoeveelheden neerslag vaker kunnen voorkomen, ook in andere delen van Nederland. De beleidstafel constateert dat het nu en in de toekomst niet mogelijk zal zijn om schade als gevolg van extreme neerslag volledig te voorkomen. Wel kan Nederland zich zo goed mogelijk voorbereiden op klimaatverandering. Daarom adviseert de beleidstafel onder andere in te zetten op het vergroten van het bewustzijn van risico’s onder burgers, bedrijven en overheden, de voorspelling en monitoring van neerslag en afvoeren te verbeteren en te blijven doorwerken aan een robuust hoofd- en regionaal watersysteem. In het najaar van 2022 zal de Beleidstafel Wateroverlast en Hoogwater haar tweede advies geven over hoe Nederland in de toekomst beter voorbereid kan zijn op extreme neerslag. In 2023 zullen deze aanbevelingen verder worden uitgewerkt en waar mogelijk geïmplementeerd.

Integraal Riviermanagement

In 2023 worden beleidsbeslissingen genomen over de eventuele verruiming van de afvoer- en bergingscapaciteit van de Maas en Rijn. Hierbij worden ook keuzes gemaakt over de sedimenthuishouding en de bodemligging van beide rivieren. Deze beslissingen worden vastgelegd in een programma onder de Omgevingswet waarin onder andere een visie over klimaatrobuuste riviersystemen in 2050 zal worden opgenomen. Deze visie bevat de opgaven en ambities voor waterveiligheid, bevaarbaarheid, zoetwaterbeschikbaarheid en natuur, met een prioritering van gebieden met meerdere opgaven die als eerste opgepakt moeten worden. Ook bevat het programma de meest urgente systeemmaatregelen, een kennisagenda en een werkwijze voor een efficiënte samenwerkingen tussen Rijk en regio.

VN Waterconferentie 2023

IenW geeft in 2023 een internationale impuls aan de water gerelateerde doelen uit de Agenda 2030. Ook werkt IenW verder aan de klimaatadaptatiedoelen van Parijs. In 2023 zal IenW door middel van programma’s en partnerschappen binnen het klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC) invulling geven aan de uitvoering van het Glasgow – Sharm el Sheikh werkprogramma ter bevordering van de mondiale klimaatadaptatie. Nederland organiseert samen met Tajikistan de VN Water conferentie 2023. In 2023 wordt tevens de internationale samenwerking op het gebied van delta’s en kustgebieden geïntensiveerd. Hierbij is het doel om een versnellingsimpuls te realiseren voor klimaatweerbare delta’s en kustgebieden in de wereld.

Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming

Door de afspraken in het Coalitieakkoord krijgt kernenergie in Nederland een impuls. Zo wordt ingezet op het langer openblijven van de kerncentrale in Borssele en zet dit kabinet stappen voor de bouw van twee nieuwe kerncentrales. Hiermee wordt kernenergie een aanvulling op zon, wind en geothermie. In 2023 zullen stappen worden gezet voor de aanpassing van de Kernenergiewet. Dit omvat o.a. het voorbereiden en opstarten van de benodigde procedures hiervoor, waaronder het opstellen (door EZK) en beoordelen (door IenW) van de milieueffectrapportage voor de wetswijziging. Ook wordt in 2023 het huidige stelsel van wet- en regelgeving doorgelicht om de veiligheid te borgen. Nieuwe initiatieven zullen aan strenge veiligheidseisen moeten voldoen.

Specifiek voor de opslag en eindberging van radioactief afval zal IenW in 2023 werken aan de verplichte actualisatie van het Nationaal programma radioactief afval. Verder wordt samen met het ministerie van EZK en andere betrokken departementen de kennisbasis in Nederland op het terrein van nucleaire technologie en stralingstoepassingen versterkt.

Omgevingsveiligheid

IenW werkt in 2023 verder aan de omgevingsveiligheid zodat activiteiten met gevaarlijke stoffen in de industrie of in het vervoer op een veilige manier kunnen plaatsvinden. IenW zal ook in 2023 nauw samen werken met medeoverheden om nieuwe ontwikkelingen van energieopwekking, energieopslag, en energiegebruik op een veilige manier te faciliteren.

Het bestaande aardgasnet wordt hergebruikt voor nieuwe energiestromen. Door regelgeving te veranderen kan waterstof binnenkort ook vervoerd worden door bestaande aardgasleidingen. Samen met de provincie Noord-Holland, de IJmondgemeenten en Tata Steel wordt hard gewerkt om de milieu- en gezondheidssituatie in de IJmond te verbeteren. Daarnaast worden er bindende maatwerkafspraken gemaakt met de 20 grootste industriële uitstoters van broeikasgassen.

VTH

Rijk, provincies, gemeenten en omgevingsdiensten werken samen met andere partners aan de versterking van het stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Dit doen zij in het interbestuurlijk programma versterking VTH-stelsel (IBP). In het IBP wordt gewerkt aan de opvolging van de aanbevelingen van de commissie Van Aartsen1 en de Algemene Rekenkamer2. Centrale thema’s zijn: 1. Robuuste omgevingsdiensten en financiering; 2. Bestuurs- en strafrechtelijke handhaving en vervolging; 3. Informatie-uitwisseling en datakwaliteit; 4. Kennisinfrastructuur en arbeidsmarkt; 5. Onafhankelijke uitvoering van toezicht en handhaving; 6. Monitoring kwaliteit milieutoezicht. Medio 2023 moet duidelijk zijn welke maatregelen partijen concreet gaan vastleggen in een bestuursakkoord. Het coalitieakkoord stelt structureel €18 miljoen beschikbaar voor de versterking van de omgevingsdiensten en een structureel bedrag oplopend naar €6 miljoen voor versterking van VTH bij de ILT. Na een stevige impuls in 2022 krijgen de onderdelen van het IBP vanaf 2023 een meer structurele financiering, waarbij de prioritering en verdeling van middelen zoveel mogelijk binnen het raamwerk van het IBP worden ingevuld.

Duurzaamheid en transities

Duurzame mobiliteit van personen en goederen

In 2023 zal verder worden gewerkt aan de afgesproken reductie van de CO2- en stikstofuitstoot van de mobiliteitssector. Daarnaast bepleit Nederland in Europees verband een zo ambitieus mogelijk reductiedoel voor de uitstoot van de CO2. Hierbij is het ook belangrijk om sterk in te zetten op de uitrol van laad- en tankinfrastructuur voor zero-emissie voertuigen. Ook maakt IenW met de bouwsector vervolgafspraken over Schoon en Emissieloos Bouwen.

In 2023 treedt de normerende regeling werkgebonden personenmobiliteit in werking. Met deze regeling komt er een gezamenlijk CO2-plafond voor werkgevers met 100 werknemers of meer. Ongeveer 8.000 organisaties zullen vanaf 2023 jaarlijks rapporteren over hun werkgebonden personenmobiliteit. Ook wordt in 2023 uitvoering gegeven aan een aantal gedragsmaatregelen, waaronder stimulering van het gebruik van de fiets.

In 2023 maakt IenW afspraken met de NAL-regio’s (Nationale Agenda Laadinfra) over de aanleg van voldoende laadinfrastructuur en gaan we met de sector in gesprek om de invoering van emissievrije personenauto’s te versnellen. Hierbij stimuleert IenW ook de ontwikkeling van een tweedehandsmarkt voor elektrische auto’s. In dit kader komt in 2023 een accu-check voor gebruikte elektrische auto’s beschikbaar. Voor waterstof wordt in 2023 een actieprogramma gestart dat onder meer waterstoftankstations stimuleert.

Betalen Naar Gebruik

Het kabinet wil vanaf 2030 een systeem van Betalen naar Gebruik invoeren. Doel is aanvullende CO2-reductie te realiseren en de grondslagerosie in de autobelastingen door emissievrije auto’s op te vangen. Zoals gemeld in de hoofdlijnenbrief treft het kabinet in deze kabinetsperiode de nodige voorbereidingen om Betalen naar Gebruik in te voeren in 2030. Een belangrijke eerste stap op weg naar de invoering is het uitwerken van openstaande beleidskeuzes. Dit betreft onder andere onderzoek naar de vormgeving van het vlakke kilometertarief en de beleidseffecten daarvan en onderzoek naar de wijze waarop het aantal gereden kilometers kan worden geregistreerd. Vervolgens zal dit in 2022 en 2023 in wetgeving worden uitgewerkt.

Vrachtwagenheffing

Voor de invoering van Vrachtwagenheffing is een wettelijke basis nodig. Wanneer het wetsvoorstel ook door de Eerste Kamer is aangenomen kan gestart worden met de realisatie van het heffingssysteem. In de afgelopen jaren is parallel aan het voorbereiden van het wetsvoorstel, gewerkt aan de voorbereidingen voor de uitvoering van de Vrachtwagenheffing. Op basis van een realisatieplan worden uitvoeringsopdrachten verleend aan de betrokken uitvoeringsorganisaties. In 2023 start een groot deel van de aanbestedingen van het heffingssysteem. Ook wordt een BIT toets (Bureau ICT-toetsing) uitgevoerd en het advies zal in 2023 aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Voor het terugsluizen van de netto-opbrengsten voor verduurzaming en innovatie van de sector, wordt een meerjarenplan opgesteld. Op basis van de huidige inzichten zal de start van de Vrachtwagenheffing ongeveer vier jaar na afronding van de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel plaatsvinden.

Duurzame luchtvaart

In 2023 worden de verduurzamingsvoorstellen uit de Luchtvaartnota in gang gezet. Dit betekent dat er per luchthaven een CO2-plafond wordt uitgewerkt. De Tweede Kamer ontvangt in het vierde kwartaal van 2022 een effectenstudie met daarbij een concreet voorstel voor het CO2-plafond. Het CO2-plafond zal terugkomen in de luchthavenbesluiten van 2023 en 2024.

Ook blijft de doelstelling staan om in 2030 14% duurzame brandstoffen bij te mengen. Nederland zal zich tijdens de Europese onderhandelingen over een bijmengverplichting inzetten op een zo hoog mogelijke bijmengverplichting. Ook zetten we ons in voor de mogelijkheid om nationaal een hogere bijmengverplichting in te kunnen voeren als dit wenselijk blijkt.

Nederland pleit in Brussel voor een Europese vliegticketbelasting. Wanneer er een Europese heffing wordt ingevoerd zal de nationale vliegticketbelasting tegen het licht worden gehouden.

Duurzame binnenvaart

Op 1 januari 2023 gaat voor de binnenvaart een bijmengverplichting van duurzame biobrandstoffen gelden. Met het oog op de voorziene evaluatie een jaar later, zullen vanaf 2023 de effecten van de bijmenging worden gemonitord.

Diverse voorstellen uit het Fit-For-55 pakket zijn relevant voor de verduurzaming van de binnenvaart, zoals de Energy Taxation Directive en de Renewable Energy Directive (RED 3). In 2023 en verder zal aan de verplichtingen voortvloeiend uit het fit-for-55 wetgevingspakket uitvoering worden gegeven.

Ook werkt Nederland in 2023 in internationaal verband mee aan een Europees breed labelsysteem voor de emissieprestaties van binnenvaartschepen en aan de totstandkoming van een Europees fonds voor de verduurzaming van de binnenvaart.

Tot slot wordt in 2023 verder gewerkt aan instrumentarium om de benodigde energietransitie voor de verduurzaming van de binnenvaart versneld in gang te zetten. Zo wordt met een bijdrage van 50 miljoen euro uit het Nationaal Groeifonds de batterij-elektrische binnenvaart verder uitgebreid.

Duurzame zeevaart

Diverse voorstellen in het Europese Fit-For-55 wetgevingspakket gaan over de verduurzaming van de Europese zeevaart. In 2023 komt er een normering van de maximale koolstofintensiteit in brandstoffen en wordt het systeem van de Europese emissiehandel in de zeevaart uitgebreid. Tegelijkertijd wordt er in de International Maritime Organization (IMO) gewerkt aan maatregelen om op mondiaal niveau energie efficiënter te werken, vervuiling adequaat te beprijzen en duurzame brandstoffen te stimuleren. Het pakket van kortetermijnmaatregelen, gericht op 2030, moet uiterlijk in 2023 in werking treden.

Nederland zet zich op mondiaal niveau in voor een klimaatneutrale zeevaart in 2050. Op nationaal niveau wordt in 2023 verder gewerkt om de energietransitie in de scheepvaart versneld in gang te zetten. Voor Nederland liggen er mogelijkheden om internationaal tot de koplopers te behoren. Vooral de positie van de Nederlandse zeehavens, als draaischijf voor de productie en levering van duurzame brandstoffen, biedt mogelijkheden.

Het Nationaal Milieuprogramma

In Nederland zijn de afgelopen decennia substantiële stappen gezet in het milieubeleid. Tegelijkertijd worden we nog altijd geconfronteerd met hardnekkige milieuproblemen en dienen nieuwe vraagstukken zich aan, zoals het vraagstuk rond PFAS. Daarom is IenW gestart met de opzet van het Nationaal Milieuprogramma (NMP), als uitwerking van het Nationaal Milieubeleidskader (NMK). Het NMP beschrijft concrete doelen voor een gezonde, schone en veilige leefomgeving. Deze doelen worden gesteld voor 2030 en 2050, inclusief een concreet pad hoe IenW deze doelen wil bereiken. Het NMP zal zich continu richten op het creëren van een gezonde, schone en veilig leefomgeving. Het schrijfproces van het NMP zal begin 2023 worden afgerond, waarna er medio 2023 een ontwerp NMP naar buiten worden gebracht. Naar verwachting wordt het NMP eind 2023 definitief vastgesteld.

Circulaire Economie

De ambitie van het kabinet is dat Nederland in 2050 volledig circulair is. De transitie naar een circulaire economie (CE) draagt bij aan vier maatschappelijke opgaven: klimaatverandering, vervuiling, biodiversiteitsverlies en leveringsrisico’s van grondstoffen. In 2023 draagt het kabinet via de uitvoering van het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030 (NPCE), bij aan het behalen van het in het coalitieakkoord genoemde klimaatdoel voor CE.

In 2023 werkt IenW aan de uitwerking van de maatregelen die voor CE in het coalitieakkoord staan. De subsidieregeling voor Circulaire Ketenprojecten wordt uitgebreid naar grotere ketendoorbraakprojecten. Daarnaast wordt in 2023 gestart met een MKB-stimuleringsprogramma voor de ontwikkeling en opschaling van recycling. Samen met BZK werkt IenW aan een verplicht percentage recyclaat in bouwmaterialen. Via aanbestedende rijksdiensten wordt zo een bepaald percentage recyclaat of hergebruik voorgeschreven bij de inkoop van bouwmaterialen. Mede op basis van de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) zal besloten worden welke circulaire beleidsmaatregelen in ieder geval zullen worden ingevoerd. Begin 2023 komt de Integrale Circulaire Economie Rapportage van PBL uit waarin de stand van de transitie wordt weergegeven.

Europees spitst de inzet voor CE zich toe op de voorstellen die volgen uit het EU-actieplan CE. De focus ligt hierbij op het verplichten van het gebruik van recyclaat, het verbeteren van de repareerbaarheid en het verlengen van de levensduur van producten. Daarnaast ligt de focus op prioritaire productgroepen als textiel, elektronica, batterijen, verpakkingen, auto’s en kunststof.

Verpakkingen en plastic

Op 31 december 2022 wordt de statiegeldverplichting voor blikjes ingevoerd. Het doel van de maatregel is om de circa 2 miljard blikjes die jaarlijks over de toonbank gaan, in te zamelen en te recyclen, in plaats van dat een deel daarvan in ons milieu belandt. Daarnaast gaat begin 2023 de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) voor een aantal wegwerpplastics van kracht. Ook wordt het gratis verstrekken van een aantal plastic wegwerpproducten verboden en moeten ondernemers herbruikbare alternatieven aanbieden.

Marktprikkels

Het Nationaal plan Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI) stimuleert alle overheden om hun inkoopkracht in te zetten voor het versnellen van de transitie naar een klimaatneutrale en circulaire economie. In 2023 worden investeringen in milieuvriendelijke technieken via de Milieulijst voor de Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil) bevorderd. Daarnaast werkt IenW samen met financiële instellingen om de financierbaarheid van circulaire business cases te bevorderen.

Biotechnologie

Biotechnologische innovaties bieden kansen voor een betere gezondheid(zorg), voedselzekerheid en voedselkwaliteit. Ook kunnen deze biotechnologische innovaties helpen om onze economie circulair te maken en de energietransitie te versnellen. Toekomstbestendig biotechnologiebeleid, dat meegroeit met de snelle biotechnologische ontwikkelingen, kan de komende jaren ook bijdragen aan een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving. In 2023 gaat specifieke aandacht uit naar de aangekondigde herziening van het Europese beleid voor Genetisch gemodificeerde organismen (GGO) en regelgeving voor planten die zijn verkregen met bepaalde nieuwe genomische technieken. Genetisch gemodificeerde organismen zijn organismen die zijn veranderd door een stukje erfelijk materiaal aan te passen. Op die manier kunnen planten, schimmels, bacteriën of dieren bijvoorbeeld immuun worden voor een bepaalde ziekte. Er wordt ingezet op aanpassing van de GGO-regelgeving ten behoeve van effectieve toepassing van nieuwe plantverdelingstechnieken in de land- en tuinbouw, mits veilig voor mens en milieu.

Chemische Stoffen, waaronder de Zeer Zorgwekkende Stoffen

Internationaal is vastgesteld dat naast klimaatverandering en biodiversiteit de vervuiling door chemische stoffen inmiddels de ‘planetaire grens’ heeft overschreden. De Europese Green Deal is voor Nederland uitgangspunt in de aanpak van die chemische stoffen. Nederland zet zich hierbij samen met andere lidstaten in op een Europees verbod voor Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS). Dit resulteert naar verwachting begin 2023 in een formeel voorstel voor een EU-brede restrictie van PFAS.

Het terugdringen van de risico’s van chemische stoffen, met name de Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS), vraagt om een meer samenhangende en integrale aanpak. Hiertoe is vanaf 2023 een Impulsprogramma Chemische Stoffen voorzien, waarin prioriteiten vanuit de evaluatie ZZS-emissiebeleid van 2022 worden geadresseerd.

Luchtkwaliteit

Het Schone Lucht Akkoord heeft als doel om in 2030 minimaal 50% gezondheidswinst te realiseren. Daarom werkt het kabinet samen met medeoverheden aan maatregelen om luchtkwaliteit te verbeteren. Zo komen er in 2023 pilots voor een aanvullende aanpak van de hoogst blootgestelde gebieden.

Onder de Omgevingswet blijft de luchtkwaliteit in Nederland gemonitord worden. De monitoring zal gebruikt worden om te meten of Nederland aan de EU-grenswaarden voor concentraties vervuilende stoffen in de lucht voldoet. In 2023 worden de Europese Richtlijn Industriële Emissies en de Europese Luchtkwaliteitsrichtlijnen herzien. Naar alle waarschijnlijkheid zal de herziening leiden tot strengere emissie-eisen en scherpere EU-grenswaarden.

Op basis van het advies van de Taskforce Versnelling Innovatieproces Stalsystemen wordt bezien wat de effecten zijn van de maatregelen die veehouderijbedrijven zelf nemen om de emissies van ammoniak, geur en fijnstof te reduceren («van middel naar doel»). In 2023 zet IenW in op een aanpak waarbij op een andere manier van geur gemeten wordt.

Stikstofdepositie

De sleutel voor het oplossen van het stikstofprobleem ligt bij het verbeteren van de basisvoorwaarden die nodig zijn voor de natuur. De stikstofdepositie moet omlaag en de water- en bodemcondities moeten verbeteren. In het coalitieakkoord staat dat iedere sector een evenredige bijdragen moet leveren aan de stikstofreductie, om zo de stikstofgevoelige natuur in Nederland te behouden. Door emissies te reduceren binnen mobiliteit en de bouw, en door maatregelen te nemen op het gebied van de waterkwaliteit werkt IenW bij aan de internationale verplichting uit de Habitatrichtlijn om instandhoudings- en passende maatregelen te nemen.

Vanuit de interbestuurlijke stikstofaanpak draagt IenW bij aan het instrumentarium om toestemming te verlenen aan activiteiten van groot maatschappelijk belang. IenW zal de komende jaren rondetafelgesprekken organiseren met kennisinstellingen, stakeholders en maatschappelijke organisaties, om zo de denkkracht te bundelen en te onderzoeken welke aanvullende stappen gezet zouden kunnen worden om Nederland, binnen de grenzen die het natuur- en stikstofbeleid stellen, bereikbaar te houden. Bereikbaarheids- en verduurzamingsprojecten kunnen de komende jaren alleen uitgevoerd worden als hiervoor stikstofruimte beschikbaar is.

Geluid

De nieuwe geluidregels van de Omgevingswet treden in 2023 in werking. Met de koepels zijn afspraken gemaakt over de monitoring van de effecten van de nieuwe geluidsregels. De voorbereiding op het werken met de Omgevingswet levert praktijksignalen op. Deze signalen worden meegenomen bij het invullen van de monitoringsafspraken. In 2023 werkt IenW beleidskeuzes die voortvloeien uit het eerder ontvangen geluidsadvies van de WHO, dat inzet op strenge gezondheidskundige advieswaarden, verder uit. Mocht er naar aanleiding van de praktijksignalen verbetermogelijkheden in het stelsel naar boven komen, dan worden deze bezien in samenhang met het eerdergenoemde WHO-traject.

Water en bodem sturend bij ruimtelijke planvorming

In het coalitieakkoord is afgesproken dat water en bodem sturend worden bij ruimtelijke planvorming. Grote delen van het landelijk gebied hebben te maken met problemen van bodemkwaliteit. Door verkeerd bodemgebruik wordt de natuurlijke functie van de bodem aangetast (verdroging, overbemesting, verontreiniging). Hierdoor verliest de bodem belangrijke functies voor onder andere landbouw en natuur. Daarnaast daalt de bodem door inklinking van veen. Urgent is de opgave om te zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende en schone bronnen voor de bereiding van drinkwater.

Het bodem- en watersysteem is niet in staat om zonder ingrijpen de impact van klimaatverandering op te vangen. Niet alles kan overal, er moeten ruimtelijke keuzes gemaakt worden en er is meer ruimte nodig voor het water. Daar waar adaptatie niet afdoende blijkt, is transformatie nodig. IenW concretiseert met medeoverheden de doelen en randvoorwaarden hoe rekening te houden met het water- en bodemsysteem in het ruimtelijk domein, ook om desinvesteringen te voorkomen. Dit gebeurt in verbinding met de aanscherping van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en programma NOVEX, het Nationaal Programma Landelijk Gebied en het Woningbouwprogramma. In 2023 worden bestuurlijke afspraken gemaakt en benodigd (juridisch) instrumentarium uitgewerkt.

Klimaatadaptatie

Het veranderende klimaat maakt ons kwetsbaarder en vraagt om snel werk te maken van een klimaatrobuuste ruimtelijke inrichting van Nederland. Water beter vasthouden is zowel voor droogte als wateroverlast een belangrijke opgave. Met het Deltaprogramma Zoetwater maken we Nederland in 2050 weerbaar tegen droogte en watertekorten. Tussen 2022 en 2027 wordt door Rijk en regio een ambitieus maatregelenpakket uitgevoerd ter grootte van €800 miljoen, waarvan € 250 miljoen uit het Deltafonds. Meer dan de helft van de investeringen is voorzien op de Hoge Zandgronden, om daar het water beter vast te houden. De programma’s voor de zoetwaterregio’s Oost en Zuid-Nederland zijn in 2022 van start gegaan en lopen door in 2023 en verder. Dat geldt ook voor de overige maatregelen die zijn gericht op het effectiever en doelmatiger verdelen van het beschikbare water, het gebruik van alternatieve bronnen en de (klimaat)robuustere inrichting en beheer van het watersysteem.

Waterkwaliteit en Kaderrichtlijn water

Het doel van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is om een goede chemische en ecologische toestand van het water te bereiken. Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten hebben hiervoor een gezamenlijke verantwoordelijkheid. De maatregelen die nodig zijn om doelen te halen, dienen uiterlijk in 2027 te zijn uitgevoerd. De Stroomgebiedbeheerplannen (SGBP’s) 2022-2027 bevatten maatregelen van rijk en regio om de waterkwaliteit te verbeteren, waaronder het voor vissen mogelijk maken om dammen en stuwen te passeren, aanpassing van rioolwaterzuiveringsinstallaties en de sanering van verontreinigde bagger, landbodems en grondwater. Met het regeerakkoord heeft het kabinet extra middelen (€ 811 miljoen) vrijgemaakt in het Transitiefonds.

De uitvoering van de SGBP’s is volop in gang in 2023 en vraagt stevige inzet van Rijkswaterstaat en andere waterbeheerders. Ook wordt in 2023 gestart met de tussenevaluatie van de KRW, informatieverzameling en eerste doorrekeningen, die in 2024 wordt afgerond.

Digitalisering

Het doel van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is om een goede chemische en ecologische toestand van het water te bereiken. Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten hebben hiervoor een gezamenlijke verantwoordelijkheid. De maatregelen die nodig zijn om doelen te halen, dienen uiterlijk in 2027 te zijn uitgevoerd. De Stroomgebiedbeheerplannen (SGBP’s) 2022-2027 bevatten maatregelen van rijk en regio om de waterkwaliteit te verbeteren, waaronder het voor vissen mogelijk maken om dammen en stuwen te passeren, aanpassing van rioolwaterzuiveringsinstallaties en de sanering van verontreinigde bagger, landbodems en grondwater. Met het regeerakkoord heeft het kabinet extra middelen (€811 miljoen) vrijgemaakt in het Transitiefonds.

De uitvoering van de SGBP’s is volop in gang in 2023 en vraagt stevige inzet van Rijkswaterstaat en andere waterbeheerders. Ook wordt in 2023 gestart met de tussenevaluatie van de KRW, informatieverzameling en eerste doorrekeningen, die in 2024 wordt afgerond.

Beheer, onderhoud en toekomstbestendig maken van onze infrastructuur

Instandhouding

Vanaf de jaren 50 van de vorige eeuw is een groot deel van de infrastructuur aangelegd. Deze infrastructuur raakt op leeftijd en wordt steeds intensiever en zwaarder gebruik. Daarnaast stellen ontwikkelingen op het gebied van klimaat, duurzaamheid en cyberveiligheid nieuwe eisen aan onze infrastructuur. In de afgelopen perioden heeft de instandhouding achterstanden opgelopen. Om het benodigde kwaliteitsniveau voor een bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland vast te houden zijn extra inspanningen nodig. Met het regeerakkoord heeft het kabinet extra middelen vrijgemaakt voor de instandhouding van de Nederlandse infrastructuur. Voor de jaren 2022 tot en met 2025 zijn deze middelen aan de begroting van het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds toegevoegd. Zo is er tot en met 2025 voor € 2,45 miljard aan het Mobiliteitsfonds en € 360 miljoen aan het Deltafonds toegevoegd.

Hinderaanpak

Onder andere door de grote instandhoudingsopgave zal de komende jaren een groot aantal werkzaamheden aan de infrastructuur nodig zijn. Rijk en regio hebben in de afgelopen bestuurlijke overleggen MIRT het gezamenlijk belang benadrukt om de hinder bij grootschalige werkzaamheden te beperken. Ook is afgesproken om de hinderaanpak te benutten als katalysator voor de lange termijnambities voor mobiliteit. Dat wil zeggen dat maatregelen naast beperking van de hinder ook bijdragen aan duurzaamheid en leiden tot structurele bereikbaarheidseffecten.

Voor de organisatie en uitvoering van de slim reizen maatregelen wordt mogelijk aangesloten bij de uitvoeringsprogramma’s van de regionale samenwerkingsorganisaties (zoals Zuid-Holland Bereikbaar, SmartwayZ.NL, Groningen Bereikbaar). De komende periode wordt benut om met alle MIRT regio’s in gesprek te gaan over verdere invulling aan deze afspraken.

Overig

Noordzee

In 2023 werkt IenW aan de implementatie van het Programma Noordzee 2022-2027. Dit programma verkent onder andere het nut en noodzaak van energiehubs op de Noordzee. Ook wordt uitwerking gegeven aan de Partiële Herziening van het Programma Noordzee 2022-2027. Dit moet leiden tot het aanwijzen van extra windenergiegebieden voor de periode na 2030 in lijn met de ambitie van het kabinet voor verdere verduurzaming van de energieproductie. Samen met de andere OSPAR-verdragspartijen zal Nederland in 2023 ook het Quality Status Report opleveren over de ecologische toestand van het noordoostelijk deel van de Noordzee.

Wadden

In 2023 zal invulling gegeven worden aan de toekomstvisie voor het Waddengebied: ‘Een veilig, vitaal en veerkrachtig Waddengebied in 2050’. De Beheerautoriteit Waddenzee geeft invulling aan een integraal beheerplan voor de Waddenzee.

2.2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties

Tabel 2 Belangrijkste beleidsmatige uitgavenmutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Stand begroting 2022 (inclusief NvW)

 

10.912.744

18.670.031

10.035.809

10.073.468

10.100.175

9.491.410

Mutaties 1e suppletoire begroting 2022 (inclusief ISB vuurwerk)

 

953.838

2.775.995

3.613.964

4.050.298

2.402.701

1.864.355

Stand 1e suppletoire begroting 2022 (inclusief ISB vuurwerk)

 

11.866.582

21.446.026

13.649.773

14.123.766

12.502.876

11.355.765

Belangrijkste mutaties

       

1) Overheveling loon- en prijsbijstelling

99

407.458

439.780

389.531

398.779

401.517

371.254

-waarvan naar Mobiliteitsfonds

26

‒ 344.005

‒ 362.413

‒ 325.533

‒ 342.982

‒ 343.033

‒ 308.370

-waarvan naar Deltafonds

26

‒ 63.453

‒ 77.367

‒ 63.998

‒ 55.797

‒ 58.484

‒ 62.884

2) Omvorming Prorail

26

0

‒ 7.557.000

8.318.000

20.000

20.000

20.000

3) WAU-middelen

Divers

7.300

18.700

22.000

22.000

22.000

22.000

4) Toevoeging CA-middelen

21

0

1.500

2.000

2.000

1.900

1.900

5) Beschikbaarheidsvergoeding regeling 2020 en 2021

16

411.621

150.950

13.350

   

6) Kaderaanpassing MF

26

0

‒ 1.142.098

‒ 330.416

‒ 834.738

‒ 401.758

285.498

Overige mutaties

 

‒ 58.868

63.229

126.864

37.153

56.004

26.114

Stand ontwerpbegroting 2023

 

12.226.635

12.981.307

21.801.571

13.370.181

12.201.022

11.711.277

Toelichting

  • 1. Dit betreft de overboeking van de loon- en prijsbijstelling tranche 2022 naar het Mobiliteitsfonds en Deltafonds.

  • 2. De financiele verwerking van de omvorming van ProRail in de begroting wordt met een jaar opgeschoven. De wetsbehandeling van de Omvorming van ProRail vond in 2022 plaats. De definitieve bepaling van het moment van inwerkingtreding zal plaatsvinden na afronding van de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel door de Tweede en Eerste Kamer waarbij met het oog op een zorgvuldige en beheerste start van het zbo voldoende implementatietijd in acht wordt genomen.

  • 3. Dit betreft de toevoeging van de middelen voor Werk aan Uitvoering (WAU) aan de IenW-begroting.

  • 4. Dit betreft de toevoeging van Coalitieakkoord-middelen voor stimuleren circular bouwen. Voor een nadere (en meerjarige) toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.7 Coalitieakkoordmiddelen Rutte IV.

  • 5. Het betreft de toevoeging van middelen aan de regelingen BVOV 2020, 2021 en 2022 op basis van de huidige inzichten (juni 2022) in reizigersaantallen zoals die door het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid zijn berekend. Zoals in de Voorjaarsnota 2022 is aangegeven ademt de hoogte van de beschikbaarheidsvergoeding mee met de reizigersinkomsten. Bij de raming van het benodigde budget is uitgegaan van de prognose van het KiM over het herstel van het gebruik van het OV. Thans blijkt het benodigde bedrag op basis van de gedane aanvragen hoger te zijn dan eerder geraamd en daarom worden de benodigde middelen aan de begroting van IenW toegevoegd.

  • 6. Dit betreft een kaderaanpassing op het Mobiliteitsfonds. Voor specifieke informatie wordt verwezen naar het Mobiliteitsfonds.

Tabel 3 Belangrijkste beleidsmatige niet-belastingsontvangsten mutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Stand begroting 2022 (inclusief NvW)

 

45.011

38.380

38.503

38.538

38.748

37.838

Mutaties 1e suppletoire begroting 2022 (inclusief ISB vuurwerk)

 

7.145

1.776

197

   

Stand 1e suppletoire begroting 2022 (inclusief ISB vuurwerk)

 

52.156

40.156

38.700

38.538

38.748

37.838

Belangrijkste mutaties

       

1) Ontvangsten PBL

97

2.500

0

0

0

0

0

2) Ontvangsten Interreg voor NMP en GSS

19

1.335

0

0

0

0

0

3) Desaldering Winair

17

‒ 2.879

2.879

0

0

0

0

4) Desaldering Lelystad

17

‒ 378

‒ 164

‒ 123

‒ 35

‒ 210

910

Overige mutaties

 

362

0

0

0

0

0

Stand ontwerpbegroting 2023

 

53.096

42.871

38.577

38.503

38.538

38.748

Toelichting

  • 1. Dit betreft een desaldering van het uitgavenbudget PBL in verband met extra EU-ontvangsten.

  • 2. Dit betreft een desaldering van het uitgavenbudget op artikel 19 met de verwachte ontvangsten in het kader van de afwikkeling van eerdere Interreg programma's.

  • 3. Door het verlengen van de looptijd van de hypothecaire lening Winair vindt de aflossing niet in in 2022 plaats maar in 2023. Middels deze desalderingen in 2022 en 2023 wordt dit in de begroting verwerkt.

  • 4. Dit betreft de desaldering Lelystad in 2029 in verband met latere openstelling van Lelystad Airport waardoor ook de heffingen later binnenkomen t.o.v. de eerder voorziene reeks. De desaldering vindt plaats met het opdrachtenbudget ten laste waarvan de betalingen nadeelcompensatie plaatsvindt. d.w.z. de uitgaven die gedekt worden door inkomsten van de heffing Lelystad Airport.

2.3 Openbaarheidsparagraaf

In de kabinetsreactie op het rapport ‘Ongekend onrecht’ heeft het kabinet maatregelen aangekondigd gericht op actieve openbaarmaking van informatie en op verbetering van de informatiehuishouding bij de ministeries (‘Open op orde’). Tevens schrijft artikel 3.5 van de Wet open overheid (Woo) voor dat een bestuursorgaan in de jaarlijkse begroting aandacht besteedt aan de beleidsvoornemens inzake de uitvoering van de wet. Het doel van de Woo en de opvolging van ´Ongekend onrecht´ is een open overheid, die zorgdraagt voor een adequate en toegankelijke informatievoorziening op basis van een ordentelijke informatiehuishouding.

Sinds 2017 werkt IenW met het programma Open Overheid aan het verbeteren van de informatiehuishouding. De aanpak is met de komst van de Woo, het rijksbrede actieplan ´Open op orde´ en de beschikbare middelen stevig versterkt. Er is een nieuw IenW-breed actieplan ontwikkeld. Tevens zijn actieplannen voor verschillende dienstonderdelen van IenW en zelfstandige bestuursorganen (zbo´s) opgesteld. IenW sluit daarin aan bij wat er vanuit het Rijk aan afspraken wordt gemaakt en maakt gebruik van de rijksbreed ontwikkelde voorzieningen. In de actieplannen wordt de inzet van IenW geformuleerd voor de drie hoofdonderdelen uit de Woo en ´Open op orde´: actieve openbaarmaking, passieve openbaarmaking en verbetering van de informatiehuishouding. Voor deze drie hoofdonderdelen worden de middelen ingezet. De in de actieplannen geformuleerde ambities zijn afhankelijk van de beschikbare capaciteit en middelen.

Actieve openbaarmaking

Voor de actieve openbaarmaking verbetert IenW de processen voor en bewustwording over het openbaar maken van de informatiecategorieën. De beslisnota’s bij Kamerstukken over beleidsvorming en wetgeving worden openbaar gemaakt. Aansluitend op de fasering in de Woo zullen nieuwe informatiecategorieën actief openbaar worden gemaakt. IenW zet tevens stappen naar het meer inzichtelijk en toegankelijk maken van de informatie die al openbaar is.

Passieve openbaarmaking

Documenten die (nog) niet openbaar zijn, kunnen op verzoek openbaar worden gemaakt: passieve openbaarmaking. Het loket ´maatschappelijke correspondentie´ van IenW wordt ingezet voor het beantwoorden van de informatievragen aan de Woo-contactpersoon. Meerdere dienstonderdelen en zbo´s van IenW hebben een eigen contactpersoon voor de Woo benoemd. Daarmee is laagdrempelige toegang tot informatieverstrekking en het vinden van de juiste informatie in de organisatie van IenW verzekerd. Om te voldoen aan de toenemende vraag zet IenW in op extra capaciteit, deels gecentraliseerde behandeling, uniformiteit in werkwijzen en het opbouwen van expertise. De contacten met verzoekers van informatie worden geïntensiveerd om de informatiebehoefte snel scherp te krijgen. Met deelbesluiten worden documenten zo snel mogelijk openbaar gemaakt als door de omvang van het verzoek de totale behandeling meer tijd vergt. De interne werkprocessen worden verbeterd en daar waar mogelijk wordt software ingezet om de behandeling van verzoeken te bespoedigen.

Verbetering van de informatiehuishouding

Met de actieplannen wordt invulling gegeven aan de rijksbrede prioriteiten op het gebied van de verbetering van de informatiehuishouding. IenW werkt nauw samen met de regeringscommissaris informatiehuishouding, het coördinerende departement BZK en het rijksbrede programma Open op Orde. De ondersteuning voor de informatiehuishouding bij IenW wordt verder geprofessionaliseerd en versterkt. Investeringen in capaciteit en informatiesystemen zijn nodig.

De verbetering van de informatiehuishouding gaat langs de vier hoofdlijnen van het actieplan ´Open op orde´: bestuur en naleving, informatieprofessionals, informatiesystemen en informatievolume:

Bestuur en naleving

In de bestuursraad van IenW wordt de sturing en naleving via de systematiek van de actieplannen georganiseerd. Invulling van de CIO-structuur zoals die rijksbreed is afgesproken draagt tevens bij aan de sturing op de informatiehuishouding. De jaarlijkse meting, zoals gevraagd door de regeringscommissaris informatiehuishouding, en de tweejaarlijkse monitor van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed staan centraal in het vaststellen van de stand van zaken. Daarnaast ontwikkelt IenW een dashboard om te sturen op transparantie en voortgang op de Woo en de verbetering van de informatiehuishouding.

Informatieprofessionals

De capaciteit aan informatieprofessionals wordt, in elk geval tijdelijk, uitgebreid. Medewerkers, management en informatieprofessionals worden meegenomen in het belang van een goede informatiehuishouding en de eigen verantwoordelijkheid hierin. IenW-breed wordt de implementatie van het kwaliteitsraamwerk voor functies in de informatievoorziening (KWIV) geïmplementeerd. Voor het ontwikkelen van kennis en vaardigheden maakt IenW gebruik van de rijksbreed ontwikkelde cursussen en trainingen.

Informatiesystemen

IenW is bezig met het verbeteren van de informatiesystemen, met name een breed inzetbaar documentmanagementsysteem (DMS). Daarnaast wordt geïnvesteerd in aanvullende tooling om de informatie zo goed mogelijk te ontsluiten, te publiceren, onder meer op het rijksbrede platform voor openbaarmaking PLOOI, en de informatie te zijner tijd elektronisch over te dragen aan het Nationaal Archief.

Informatievolume

Het informatievolume waarover IenW beschikt, is omvangrijk en veelal langdurig (meerdere tientallen jaren) voor de eigen processen benodigd. IenW versterkt de structuur in de informatie, koppelt en stemt systemen beter op elkaar af om zo de aard en omvang van de informatie beter te beheersen en te ontsluiten. Het in de loop van de jaren divers geworden ICT-landschap wordt geconsolideerd en meer geüniformeerd, een actie die meerdere jaren zal vragen. IenW zet verder in op de omgang, opslag en archivering van nieuwe media (sociale media, berichtenapps, websites en e-mails). Daar waar mogelijk wordt het wegwerken van papieren achterstanden versneld.

2.4 Planning Strategische Evaluatie Agenda

De Strategische Evaluatie Agenda is opgebouwd uit hoofdthema’s, thema’s en subthema’s. IenW kent de volgende hoofdthema’s: Water en Bodem, Mobiliteit (wegen en verkeersveiligheid en openbaar vervoer en spoor), Luchtvaart en Maritiem en Milieu en Internationaal. Deze hoofdthema’s zijn onderverdeeld in thema’s die samenvallen met de opzet van de begrotingsartikelen. Onderstaande tabel bevat per thema de belangrijkste onderzoeken. Het betreft de periodieke verplichte rapportage (beleidsdoorlichtingen), aangevuld met andere geprioriteerde onderzoeken.

Tabel 4 Planning Strategische Evaluatie Agenda
     

DGWB

    

Thema

Type onderzoek

Afronding

Toelichting onderzoek

Artikel

Integraal Waterbeleid

Monitoring: Jaarlijkse voortgangsrapportage De Staat van Ons Water

2024

Met de Staat van Ons Water wordt elk jaar gerapporteerd over de voortgang van het waterbeleid in het afgelopen kalenderjaar. De Staat van ons Water is bedoeld om meer inzicht te hebben in de kwaliteit van ons (drink)water, alsook om inzicht te hebben in de mate van bescherming tegen wateroverlast en toenemende droogte.

11

Monitoring: Tussenevaluatie Kaderrichtlijn Water 2023/2024 van de Nederlandse plannen voor de KRW

2024

De Stroomgebiedbeheerplannen 2022-2027 voor de Kaderrichtlijn Water voor Rijn, Maas, Eems en Schelde zijn vastgesteld in maart 2022. Eind 2027 moeten de maatregelen genomen zijn die leiden tot doelbereik voor de KRW. In de evaluatie 2024 wordt de balans van de waterkwaliteit in Nederland opgemaakt en een eenduidig inzicht in prognose van het doelbereik 2027, resterende waterbeheerkwesties en het resterend handelingsperspectief.

11

DGMo

    

Thema

Type onderzoek

Afronding

Toelichting onderzoek

Artikel

Wegenen Verkeersveiligheid

Ex-post synthese: Artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid

2023

Conform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) dienen alle begrotingsartikelen eens per 4 tot 7 jaar onderzocht worden. De vorige beleidsdoorlichting van artikel 14 is afgerond in 2017 en betrof de onderzoeksperiode 2011 ‒ 2015 (documentatie: Wegen en verkeersveiligheid | Rijksfinancien). De komende beleidsdoorlichting zal betrekking hebben op de periode 2016 ‒ 2022.

14

Ex-post: Evaluatie Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030

2025

Het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030 (SPV) wordt geëvalueerd, om onder meer nieuwe technologische en maatschappelijke ontwikkelingen mee te nemen in het plan.

14

Monitoring: Staat van de Verkeersveiligheid

Jaarlijks

In de jaarlijkse Staat van de Verkeersveiligheid analyseert SWOV de ontwikkelingen op het gebied van de verkeersveiligheid. Belangrijke veiligheidsindicatoren hierbij zijn: het aantal verkeersdoden, het aantal verkeersgewonden en de risico's.

14

Ex-post: Evaluatie Wegenverkeerswet 1994

2023

De Wegenverkeerswet 1994 is het kader dat onder meer de toegang tot de weg en de voor alle verkeersdeelnemers voorgeschreven gedragingen en interacties op de weg bepaalt. In 2022 wordt gestart met het formuleren van de evaluatievragen, waarna in 2023 de evaluatie van de wet kan starten. De uitkomsten hiervan, die in 2023 worden verwacht, dienen als input voor een eventuele modernisering van de wet.

14

Ex-post: Evaluatie Hand aan de Kraan

2021, 2022en 2024

Ten aanzien van de modaliteit personenauto's is in 2021 de tweede jaarlijkse monitor stimulering elektrische auto's (Hand aan de Kraan) naar de Tweede Kamer gestuurd. In 2022 wordt een tussenevaluatie opgeleverd ten aanzien van het gehele stimuleringspakket Elektrisch vervoer (Hand aan de Kraan) en in 2024 volgt een integrale evaluatie.

14

Openbaar Vervoer en Spoor

Ex-post synthese: Artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor

2025

Conform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) dienen alle begrotingsartikelen eens per 4 tot 7 jaar onderzocht worden. De vorige beleidsdoorlichting van artikel 16 is afgerond in 2018 en betrof de onderzoeksperiode 2013‒ 2017 (documentatie: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-862132). De komende beleidsdoorlichting zal betrekking hebben op de periode 2018 ‒ 2024.

16

Monitoring: Evaluatie Staat van de infrastructuur

2022

Elk jaar wordt er middels een evaluatie een (figuurlijke) foto gemaakt van hoe de infrastructuur erbij ligt. Er wordt dan gekeken of de staat van de infrastructuur hetzelfde is gebleven, verslechterd of verbeterd is. Dit wordt gebruikt in het proces rondom de besluitvorming over investeringen in de infrastructuur.

16

Ex-post: Evaluatie beschikbaarheidsvergoeding OV

2022

N.a.v. de coronapandemie heeft de Rijksoverheid een beschikbaarheidsvergoeding beschikbaar ingesteld voor het openbaar vervoer in Nederland. Het Rijk vergoedt hiermee een deel van de kosten die vervoerders maken zodat deze, ook bij de lagere reizigersaantallen als gevolg van de coronapandemie, OV kunnen blijven aanbieden. De beschikbaarheidsvergoeding OV is in 2020 ingesteld en daaropvolgend een aantal maal verlengd tot in ieder geval 1 september 2022. Uitvoering vindt plaats via een subsidieregeling en de afstemming met betrokken partijen verloopt via het Nationaal OV-beraad.

16

Ex-post: Evaluatie Maatregelenpakket spoorgoederenvervoer

2022

Het doel van de evaluatie is het bepalen van het effect van het maatregelenpakket spoorgoederenvervoer op de beleidsdoelstelling. Twee opgaven stonden in de evaluatie centraal: Het analyseren van de ontwikkeling van het spoorgoederenvervoer in de afgelopen 3,5 jaar (2017-2021) en het duiden van die ontwikkelingen (een inventarisatie van de genomen maatregelen naar aanleiding van het Maatregelenpakket per cluster). Op hoofdlijnen is aangeven welke resultaten en effecten dit heeft opgeleverd.

16

DGLM

    

Thema

Type onderzoek

Afronding

Toelichting onderzoek

Artikel

Luchtvaart

Ex-post synthese: Artikel 17 Luchtvaart

2024

Conform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) dienen alle begrotingsartikelen eens per 4 tot 7 jaar onderzocht worden. De vorige beleidsdoorlichting van artikel 17 is afgerond in 2017 en betrof de onderzoeksperiode 2009 ‒ 2015 (documentatie: decisio-beleidsdoorlichting-artikel-17-luchtvaart.pdf). De laatste doorlichting Luchtvaart vond plaats in 2017 en staat weer op de agenda in 2024. De komende beleidsdoorlichting zal betrekking hebben op de periode 2016 ‒ 2022.

17

Scheepvaart en Havens

Ex-post synthese: Artikel 18 Scheepvaart en Havens

2022

Conform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) dienen alle begrotingsartikelen eens per 4 tot 7 jaar onderzocht worden. De vorige beleidsdoorlichting van artikel 18 is afgerond in 2015 en betrof de onderzoeksperiode 2007-2014 (documentatie: Scheepvaart en havens | Rijksfinancien). In 2022 wordt de beleidsdoorlichting uitgevoerd met betrekking op de periode 2015 ‒ 2020.

18

DGMI

    

Thema

Type onderzoek

Afronding

Toelichting onderzoek

Artikel

Lucht en Geluid

Ex-post synthese: Luchtkwaliteit, het Schone Lucht Akkoord

2025

Het Schone Lucht Akkoord is een bestuurlijke overeenkomst tussen het Rijk en de decentrale partners (provincies en gemeenten), en is gericht op het realiseren van gezondheidswinst voor alle burgers door een permanente verbetering van de luchtkwaliteit verdergaand dan de EU-normen voor luchtkwaliteit. Hierbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden in 2030. Voor luchtkwaliteit is in 2019 de beleidsdoorlichting Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) uitgebracht. Het NSL loopt tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het Schone Lucht Akkoord is op 13 januari 2020 van start gegaan en loopt tot 2030. Er is behoefte om vijf jaar na de start van het Schone Lucht Akkoord, het beleid door te lichten.

20

Ex-post synthese: Geluid

2022

Het doel van het beleid ‘Geluid’ is het bevorderen van een solide en gezonde leefomgeving door geluidhinder te voorkomen of te beperken. Hierbij ligt een belangrijke focus op geluidsanering, het aanpakken van knelpunten bij woningen met de hoogste geluidbelastingen. De doorlichting is eerder aangekondigd voor de jaren 2021-2022 in vervolg op de laatste doorlichting in 2016. In 2023 treedt de Omgevingswet in werking en verandert de wet- en regelgeving inhoudelijk. Een beleidsevaluatie in 2022 kan geen doorwerking meer hebben in de regels zoals die per 1-1-2023 van kracht gaan worden. Gegeven de inwerkingtreding van nieuwe regels voor de geluidsanering in 2023 kan op dat moment wel teruggekeken worden op de resultaten die bereikt zijn (ex-post) onder het bestaande recht (Wet geluidhinder). Een doorlichting gericht op evalueren van de werking van het nieuwe stelsel voor geluidsanering kan dan in 2027 plaatsvinden, in lijn met de voor dat moment geplande bredere evaluatie van de Omgevingswet.

20

Duurzaamheid

Ex-ante: Onderzoek Duurzame Agro emissiearme stalsystemen

2022

Naar aanleiding van een onderzoek van CBS dat suggereerde dat emissiearme stalsystemen minder goed functioneren dan verondersteld, onderzoekt WUR het proces van stalbeoordeling en regulering. Hierin wordt gekeken naar het meten van de emissiereductie, de toelatingsprocedure, het gebruik van de systemen in de praktijk en het toezicht daarop. De uitkomsten hiervan zullen worden gebruikt ter verbetering van de regulering van stikstof-, fijnstof- en geuremissies uit stallen.

21

Omgevings- veiligheiden Milieurisico's

Ex-post synthese: Artikel 22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico's

2025

Het doel van het beleid ‘Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s’ is het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving die door de inwoners van Nederland ook als zodanig wordt ervaren. In alle hierna opgenomen beleidsevaluaties vallend binnen artikel 22 dienen ter ondersteuning van deze beleidsdoorlichting. Over het beleid ‘Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s’ is eind 2018 uitgebracht (TK 32 861 nr. 42). Eén van de aanbevelingen daarvan was om voor de volgende doorlichting te zorgen voor meer kwantitatief evaluatiemateriaal. Er is behoefte om in 2024 het beleid wederom door te lichten.

22

Voor het meest recente overzicht van de realisatie van beleidsdoorlichtingen, klik op deze link: Status beleidsdoorlichtingen. Voor een verdere onderbouwing van de strategische evaluatie agenda zie "Bijlage 6: Strategische Evaluatie Agenda".

2.5 Overzicht risicoregelingen

In het overzicht van risicoregelingen worden garanties en/of achterborgstellingen opgenomen die een departement verstrekt aan derden buiten de sector Overheid. Een garantie is een voorwaardelijke financiële verplichting van de overheid aan een derde buiten de overheid, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet. Bij het Ministerie van IenW is momenteel sprake van de garantieregeling Borgstellingskrediet Bodemsanering midden- en kleinbedrijf (MKB), waarvan de lopende regelingen worden beheerd tot einde looptijd (2027).

Het Borgstellingkrediet Bodemsanering MKB betreft de mogelijkheid voor een ondernemer in het midden- en kleinbedrijf, met onvoldoende middelen of te weinig zekerheden voor krediet bij een bank, om een borgstelling voor een gedeelte van het benodigde budget voor bodemsanering aan te vragen. Overeenkomstig de aankondiging in de Begroting 2016 heeft er in 2016 een evaluatie plaatsgevonden naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling bijzondere financiering Borgstellingkrediet Bodemsanering MKB. De conclusie van de evaluatie, uitgevoerd door Ernst & Young (EY), is dat hoewel de regeling bodemsaneringsborgstellingskrediet complementair is aan andere regelingen op het gebied van bodemsaneringen, de relevantie van de regeling gering is. Het Borgstellingkrediet Bodemsanering MKB is mede naar aanleiding van deze evaluatie in 2016 beëindigd. In 2023 wordt alleen nog garant gestaan voor een lopende garantie ter grootte van € 230.000.

Tabel 5 Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Uitstaande Garanties 2021

Geraamd te verlenen 2022

Geraamd te vervallen 2022

Uitstaande garanties 2022

Geraamd te verlenen 2023

Geraamd te vervallen 2023

Uitstaande Garanties 2023

Garantieplafond

Totaal plafond

Artikel 13 Bodem en Ondergrond

MKB Krediet

230

0

0

230

0

0

230

0

0

 

Totaal

230

0

0

230

0

0

230

0

0

De verstrekte lening betreft een hypothecaire lening aan Winair op het luchthavengebouw van Winair ter waarde van $ 4,5 miljoen (USD). Daarmee kan het bedrijf, dat essentieel is voor de interinsulaire verbinding van Saba en Sint Eustatius, op korte termijn blijven opereren.

Tabel 6 Overzicht verstrekte leningen (bedragen x 1.000)

Art.

Omschrijving

Uitstaande lening in andere valuta

Uitstaande lening

Looptijd lening

Artikel 17 Luchtvaart

Hypothecaire lening Winair

$ 4.500

3.773

uiterlijk 31-12-2023

2.6 Overzicht Coronasteunmaatregelen

In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van corona-gerelateerde maatregelen op de IenW-begroting. Voor een uitgebreid overzicht wordt verwezen naar Overheidsfinancien in coronatijd op Rijksfinancien.nl. Hieronder worden de maatregelen toegelicht die middelen beschikbaar hebben in 2022 en latere jaren.

Tabel 7 Coronamaatregelen op de IenW-begroting (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving maatregel

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Vindplaats

13

Aftrekpost voor drinkwater kosten Caribisch NL

3.352

0

0

0

0

0

0

Kamerstuk II, 35 420, nr. 25 , 35 460, nr. 1

14

CBR

27.568

0

0

0

0

0

0

Kamerstuk II, 29 398, nr. 858

16 + 98

Beschikbaarheidsvergoeding OV

1.118.708

1.021.919

178.950

13.350

0

0

0

Kamerstuk II, 35 748, nr. 1 , 35 804, nr. 1 , 23 645, nr. 755 , 35 925, nr. 14 , 35 925, nr. 71

17

Lening Winair

3.774

0

1.711

0

0

0

0

Kamerstuk II, 35 705, nr. 1 , 31 936, nr. 896

19 + 22

Tegemoetkoming vuurwerkbranche

19.736

29.950

0

0

0

0

0

Kamerstuk II, 35 781, nr. 1 , 35 925, nr. 14 , 36 038, nr. 1 , 35 924, nr. 14

26 + 17

COVID-gerelateerde meerkosten RWS

54.278

0

0

0

0

0

0

Kamerstuk II, 35 925A, nr. 24

97 + 98

COVID-testen reizigers

100.725

32.238

0

0

0

0

0

Kamerstuk II, 35 864, nr. 1 , 35 925, nr 71

          
 

Totaal

1.328.141

1.084.107

180.661

13.350

0

0

0

 

Toelichting

Beschikbaarheidsvergoeding OV-sector

Om de beschikbaarheid van het openbaar vervoer tijdens de COVID-19-crisis te kunnen borgen is de beschiksbaarheidsvergoeding OV opgezet. De vergoeding is bestemd voor het waarborgen van de beschikbaarheid tijdens de COVID-19-crisis van het openbaar vervoer onder concessie in Nederland. De huidige beschikbaarheidsvergoeding OV loopt tot 1 januari 2023. Dit is gelijk aan de looptijd van de tijdelijke aangepaste (nood)concessies op grond waarvan de overheid aan OV-bedrijven vanwege COVID-19 een vergoeding kan verschaffen. Het streven voor de periode vanaf 1 januari 2023 is om terug te keren naar de gebruikelijke verantwoordelijkheidsverdeling tussen Rijk, concessieverleners en vervoerders ten aanzien van de opbrengsten en kosten. De bijdrage vanuit het Rijk is afhankelijk van de gerealiseerde reizigersopbrengsten. Bij de raming van het benodigde budget wordt uitgegaan van de prognose van het KiM over het herstel van het gebruik van het OV.

Lening Winair

De COVID-19-crisis heeft diepe sporen achtergelaten op de Caribische delen van het Koninkrijk. Het kabinet heeft daarom eind 2020 besloten een hypothecaire lening van max. € 2,7 miljoen (USD 3 miljoen) te verstrekken op het luchthavengebouw van Winair. Deze lening is door zowel het ministerie van BZK als door het ministerie van IenW gefinancierd. Vanwege de voortdurende COVID-19 situatie is in december 2021 de lening eenmalig verhoogd met € 1,3 miljoen (USD 1,5 miljoen), hiermee komt de totale lening uit op € 3,8 miljoen (USD 4,5 miljoen). Het budget van € 1,7 miljoen in 2023 is bedoeld voor de terugbetaling aan het ministerie van BZK voor hun deel van de lening.

Tegemoetkoming vuurwerkbranche

Dit betreft de middelen in verband met de tijdelijke subsidieregelingen voor de detailhandel en importeurs/distributeurs, die als doel hebben om de vuurwerkbranche tegemoet te komen in de extra kosten die zij maakt vanwege het vuurwerkverbod en voor de extra opslag en transport voor het F2-vuurwerk dat voor de jaarwisseling 2021 ‒ 2022 niet verkocht mocht worden.

COVID-testen reizigers

Dit betreft de middelen voor het project COVID testen voor reizigers, inclusief uitvoeringskosten. Van de totale kosten zal circa € 32 miljoen in 2022 tot betaling komen. De reden hiervoor is dat de controle van de facturen van de testaanbieders meer tijd kost dan verwacht. Dit is nodig om er voor te zorgen dat de rechtmatigheid van de betaalde kosten gewaarborgd blijft.

2.7 Overzicht Coalitieakkoordmiddelen Rutte IV

Binnen het Coalitieakkoord kabinet Rutte IV zijn middelen gereserveerd voor verschillende doelen binnen het Ministerie van IenW. Bij de eerste suppletoire begroting 2022 zijn reeds middelen toegevoegd aan Hoofdstuk XII. Voor de toelichting op deze middelen wordt verwezen naar het betreffende wetsvoorstel. Met dit wetsvoorstel worden aanvullende middelen toegevoegd voor circulair bouwen.

Stimuleren circulair bouwen

Dit betreft een structurele overboeking van de middelen voor het verplicht percentage recyclaat in bouwmaterialen vanuit de Aanvullende Post naar artikel 21. Het betreft het stimuleren van hergebruik en recyclaat in bouwmaterialen met Rijksinkoop: via de aanbestedingen van rijksdiensten een bepaald percentage recyclaat of hergebruik in bouwmaterialen bij inkoop. Dit leidt tot hogere kosten bij de aanbestedende diensten, waarvoor een aanvullende bijdrage (subsidie) nodig is. Dit geeft een impuls richting de markt via de voorbeeldrol en inkoopkracht van het Rijk met circulair inkopen en aanbesteden (kabinetsreactie op de Transitieagenda’s circulaire economie juni 2018).

Tabel 8 Overzicht toegekende middelen Coalitieakkoord (bedragen x € 1.000)

Art.

 

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

struc

Toegekende middelen 1e suppletoire begroting 2022

          

22

Versterking omgevingsdiensten

18.000

18.000

18.000

18.000

18.000

18.000

18.000

18.000

18.000

18.000

18.000

24

Versterking ILT

2.000

4.000

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

21

Circulaire ketenprojecten

 

300

2.300

2.300

3.100

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

21

Uitvoeringskosten MIA/VAMIL

   

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

21

Stimuleringsprogramma recycling

200

6.800

8.000

9.000

9.200

9.200

9.200

9.200

9.200

7.000

7.000

13

Drinkwater

4.500

2.250

2.250

2.250

2.250

2.250

2.250

2.250

2.250

2.250

2.250

Toegekende middelen ontwerpbegroting 2023

          

21

Stimuleren circulair bouwen

 

1.500

2.000

2.000

1.900

1.900

1.900

1.900

1.900

1.500

1.500

NGF-middelen

Bij de eerste suppletoire begroting 2022 zijn er ook middelen toegevoegd voor onderstaande NGF-projecten. Voor de toelichting op de NGF-middelen wordt verwezen naar bijlage 8 bij deze begroting.

Tabel 9 Overzicht toegekende NGF-middelen (bedragen x € 1.000)

Art.

 

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Totaal

18

Digitale Infrastructuur en Logistiek

674

13.868

12.938

11.812

11.812

    

51.104

17

Luchtvaart in Transitie

3.000

25.000

35.000

40.000

45.000

35.000

35.000

25.000

20.884

263.884

18

Zero-emissie binnenvaart batterij-elektrisch

9.500

15.600

25.100

      

50.200

3. Beleidsartikelen

3.1 Artikel 11 Integraal Waterbeleid

A. Algemene doelstelling

Het op orde houden van een duurzaam watersysteem tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten, waardoor Nederland droge voeten heeft, over voldoende zoetwater beschikt en schoon (drink)water heeft en kan blijven gebruiken, nu en in de toekomst.

Tabel 10 Samenvatting budgettaire gevolgen van beleid art. 11 per subthema (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

30.650

124.114

48.100

45.114

43.821

40.465

38.769

        

Uitgaven

45.678

68.821

59.877

56.431

55.037

51.674

49.983

        

Uitgaven onderverdeeld per subthema

       

1 Algemeen Waterbeleid

34.836

49.805

42.221

39.055

38.950

38.587

37.396

2 Waterveiligheid

2.905

3.076

3.129

3.129

3.129

3.129

3.129

3 Grote oppervlaktewateren

1.296

1.572

1.565

1.565

1.565

1.565

1.565

4 Waterkwaliteit

6.641

14.368

12.962

12.682

11.393

8.393

7.893

        

Ontvangsten

408

223

30

0

0

0

0

B. Rol en verantwoordelijkheid

(Doen) uitvoeren

Vanuit de begroting Hoofdstuk XII wordt bijgedragen aan het Deltafonds (zie extracomptabele verwijzingen). Vanuit het Deltafonds worden maatregelen en voorzieningen op het gebied van waterveiligheid (artikel 1), zoetwatervoorziening (artikel 2), beheer, onderhoud en vervanging (artikel 3) en waterkwaliteit (artikel 7) bekostigd. De rol (doen) uitvoeren heeft betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterveiligheid, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit, waterkwantiteit en internationaal:

  • Waterveiligheid. Het waarborgen van de bescherming door primaire waterkeringen langs het kust- en IJsselmeergebied en de rivieren volgens het wettelijk niveau; alsmede het dynamisch handhaven van de kustlijn conform herziene basiskustlijn 2018 en handhaving kustfundament.

  • Waterveiligheid en Zoetwatervoorziening. Het (doen) uitvoeren van verkenningen en studies.

  • Waterveiligheid en Waterkwaliteit. Het (doen) uitvoeren van aanlegprojecten, zoals het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP), Ruimte voor de Rivier, de Maaswerken (alle waterveiligheid), het Verbeterprogramma Waterkwaliteit Rijkswateren en de Programmatische Aanpak Grote Wateren (beiden waterkwaliteit).

  • Waterveiligheid, Waterkwantiteit en Waterkwaliteit. Het (doen) uitvoeren van exploitatie, onderhoud en vernieuwing.

  • Natuur, het (doen) uitvoeren van passend beheer op eigen areaal in N2000-gebieden.

  • Internationaal. Kennisuitwisseling met buitenlandse partijen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, waterzekerheid en ‘governance’ ter bevordering van de Nederlandse positie en verdienvermogen in het buitenland. Het betreft bilaterale en multilaterale samenwerking en richt zich vooral op klimaatadaptatie en water. De samenwerking is beschreven in de Nederlandse Internationale Waterambitie (NIWA) en is ondertekend door de Ministeries van IenW, BZ, LNV en EZK. Deze beleidsnotitie (Kamerstukken II 2018-2019, 32 605, nr. 204) is in 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden en is gericht op het behalen van de duurzaamheidsdoelstellingen van de Verenigde Naties per 2030.

  • In 2023 organiseert Nederland samen met Tajikistan de VN Water Conferentie in New York waar de midterm-review centraal staat van het 10-jaren actieplan (2018-2028) gericht op de voortgang van de water gerelateerde Sustainable Development Goals (SDG’s). Nederland zet zich breed in op het behalen van de SDG's en zet expliciet in kennisontwikkeling en kennisuitwisseling op Delta’s en Kustgebieden in de wereld.

  • IenW is als coördinator verantwoordelijk voor de nationale klimaatinzet en draagt bij aan het verhogen van klimaatweerbaarheid in de wereld onder het klimaatakkoord van Parijs (UNFCCC COP).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het integrale waterbeleid, voor het Deltaprogramma en het toezicht op de uitvoering van de gerelateerde wet- en regelgeving. Ook is de Minister verantwoordelijk voor het verbeteren van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de bestuurlijke organisatie en het instrumentarium ten behoeve van het waterbeleid. De rol «regisseren» heeft in dit artikel betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterveiligheid, waterkwantiteit, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit en innovatie, exportbevordering en internationale samenwerking (m.b.t. de Noordzee).

  • Waterveiligheid. Het zorgen voor het ontwikkelen en implementeren van waterveiligheidsbeleid gericht op alle primaire waterkeringen in Nederland. Tevens het zorgdragen voor de waterveiligheid van de regionale waterkeringen in het beheer van het Rijk.

  • Het zorgen voor wettelijke kaders en instrumentarium voor het beoordelen en ontwerpen van primaire waterkeringen. Ontwikkelen van kaders voor het toetsen op veiligheid van de regionale waterkeringen in het beheer van het Rijk. Deze aanpak is onder andere terug te vinden in het concept Nationaal Waterprogramma 2022-2027.

  • Waterkwantiteit en Zoetwatervoorziening. Het zorgen voor het ontwikkelen en implementeren van integraal waterbeleid in een aanpak gericht op de gebieden met grote Rijkswateren. Het realiseren van een maatschappelijk afgewogen verdeling van water en het daartoe zo te beheren hoofdwatersysteem dat wateroverlast en -tekort worden voorkomen. Het zorgen voor kaders en instrumentarium voor regionale afwegingen om het regionale watersysteem op orde te brengen en te houden. Deze aanpak is onder andere terug te vinden in het Nationaal Water Programma 2022-2027 (en het Beheer- en Ontwikkelprogramma voor de Rijkswateren 2022-2027).

  • Waterkwaliteit. Het ontwikkelen van beleid ten behoeve van het bereiken van een goede ecologische en chemische waterkwaliteit van de oppervlaktewateren in de Rijkswateren van de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde, Eems. De uitvoering gericht op het behalen van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden conform de voorschriften zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Water (KRW), om in drie planperiodes uiterlijk in 2027 aan de Europese verplichtingen te voldoen.

  • Nederlands deel van de Noordzee, zeeën van Caribisch Nederland en oceanenbeleid. Het gaat hier om het ontwikkelen van beleid en het nemen van maatregelen voor het bereiken van een gezonde zee met een duurzaam gebruik in het Nederlandse deel van de Noordzee. Dit gebeurt in samenwerking en samenhang met de andere Noordzeelanden, conform de vereisten zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM), de Richtlijn voor Maritieme Ruimtelijke Planning (MSP) en kader van het Oslo-Parijs (OSPAR)-verdrag waarvan Nederland verdragspartij is. De coördinerende verantwoordelijkheid voor de KRM, MSP en OSPAR ligt bij de Minister van IenW, tezamen in overeenstemming met de Ministers van LNV, EZK en BZK, en voor EK en NS voor zover het aangelegenheden betreft die mede tot hun verantwoordelijkheid behoren. Ook in de context van het Noordzeeakkoord draagt de minister van IenW een coördinerende verantwoordelijkheid, in dit geval voor de Rijksinbreng en financiële governance gedurende de implementatie van dit akkoord tot en met 2030. Dit geldt ook voor het Programma Noordzee 2022 ‒ 2027 waarin een evenwichtige ontwikkeling wordt beoogd om tot een veilige, efficiënte en qua ecosysteem gezonde Noordzee te komen. Daarbij wordt vorm gegeven aan een balans tussen drie transities op het gebied van energie, biodiversiteit en voedselvoorziening, onder andere door het aanwijzen van windenergiegebieden.Voorts draagt de minister van IenW onder coördinatie van de minister van voor Natuur en Stikstof bij aan de uitvoering van het Natuur- en Milieubeleidsplan voor Caribisch Nederland in de zeeën rondom Caribisch Nederland. In VN-verband zet de minister onder coördinatie van de minister van BZ in op de kaderstelling voor een duurzaam gebruik van gezonde zeeën in het kader van Duurzaam Ontwikkelingsdoel 14 (Leven onder water) en de ontwikkeling van verdragen voor duurzaam gebruik en bescherming van oceanen.

  • Natuur. Op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn worden beheerplannen voor Natura 2000-gebieden opgesteld. Er is een verantwoordelijkheid om maatregelen te nemen gericht op een goede staat van instandhouding. Bij aanlegmaatregelen wordt dit gecombineerd met verbeteringen op het gebied van waterkwaliteit en wordt gebruik gemaakt van de trajecten Kaderrichtlijn Water en de Programmatische Aanpak Grote Wateren. Daarnaast wordt op eigen terrein passend natuurbeheer gevoerd.

  • Innovatie en exportbevordering. Het ontwikkelen van beleid, onder andere ten behoeve van de Topsector Water, gericht op het ontwikkelen van kennis, het bevorderen van innovatie en het versterken van de samenwerking tussen het bedrijfsleven, de kennisinstellingen en de overheid (de gouden driehoek) om de internationale concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven te versterken. Hierbij wordt een sterke thuismarkt (kennis en innovatie) gekoppeld aan een concurrerend Nederland in het buitenland. Voor dit laatste gaat het daarbij onder meer om het ontvangen van buitenlandse delegaties en het organiseren en uitvoeren van bilaterale handelsmissies. Daarnaast regisseert de Minister de afstemming van het waterbeheer met de landen rondom de Noordzee en met de buurlanden bovenstrooms gelegen in de stroomgebieden van Rijn, Maas, Schelde en Eems. Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op de beleidsterreinen waterkwantiteit en waterkwaliteit (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

  • Het ministerie van IenW regisseert de afstemming van het waterbeheer met de landen rondom de Noordzee en met de buurlanden bovenstrooms gelegen in de stroomgebieden van Rijn, Maas, Schelde en Eems. Daarnaast regisseert de Minister de afstemming van het waterbeheer met de landen rondom de Noordzee en met de buurlanden bovenstrooms gelegen in de stroomgebieden van Rijn, Maas, Schelde en Eems. Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op de beleidsterreinen waterkwantiteit en waterkwaliteit (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

  • Conform de Waterschapswet stelt de Minister de vergoeding vast die de waterschappen verschuldigd zijn voor het organiseren van de waterschapsverkiezingen door de gemeenten. De vergoedingen worden jaarlijks rechtstreeks door BZK ontvangen en in het Gemeentefonds opgenomen.

  • De minister heeft een regisserende rol op het gebied van delta’s in de wereld als voorzitter van de Champions Group voor Delta’s en Kustgebieden waar verschillende landen zich hebben aangesloten om klimaatweerbaarheid aldaar te vergroten en actief kennis uit te wisselen.

Indicatoren en Kengetallen

Hoogwaterbescherming

Hieronder zijn in figuur 4 en 5 de beleidsmatige indicatoren voor hoogwaterbescherming opgenomen. In productartikelen 1, 2 en 3 van het Deltafonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Ongeveer 60% van ons land zou regelmatig onder water staan als er geen dijken en duinen zouden zijn. In dit gebied wonen negen miljoen mensen en wordt 70% van ons BNP verdiend. Maatschappelijk gezien is aandacht voor de waterveiligheid dus van cruciaal belang voor de leefbaarheid en de economie van Nederland (Kamerstukken II 2015–2016, 34 436, nr. 3).

Doel van het waterveiligheidsbeleid is:

  • Iedereen in Nederland die achter een dijk woont, krijgt ten minste een basis beschermingsniveau van 1/100.000 per jaar. Dat wil zeggen dat de kans voor een individu om te overlijden als gevolg een overstroming niet groter mag zijn dan 0,001% per jaar.

  • Daarnaast wordt extra bescherming geboden op plaatsen waar kans is op:

    • grote groepen slachtoffers;

    • en/of grote economische schade;

    • en/of ernstige schade door uitval van vitale en kwetsbare; infrastructuur van nationaal belang.

Als basis voor het bereiken van de doelen van het waterveiligheidsbeleid geldt sinds 1 januari 2017 een nieuwe normering voor de primaire waterkeringen. In 2050 moeten al deze keringen aan de wettelijke normen voldoen.

Figuur 4 Indicator 1: ontwikkeling in het halen van het basisbeschermingsniveau t.o.v de referentiesituatie.1

X Noot
1

Bron: RWS

2

De referentiesituatie zoals bepaald t.b.v. de tussentijdse wijziging NPW1 in 2014.

Toelichting

Het waterveiligheidsbeleid is erop gericht om het risico van overstromingen naar het aanvaard risiconiveau te krijgen in 2050. Dit betekent een basisbeschermingsniveau voor iedereen en een economisch risico waarbij de kosten en baten tegen elkaar opwegen. Daarvoor zijn in 2017 nieuwe normen in de wet vastgelegd waaraan alle primaire keringen in 2050 moeten voldoen. In de periode tot aan 2050 worden primaire keringen die niet aan die nieuwe normen voldoen versterkt via het HWBP.

De keringen voldoen nog niet allemaal aan die nieuwe norm. Er is berekend hoe groot het economische risico is en hoeveel mensen wonen in een gebied waar het basisbeschermingsniveau nog niet wordt gehaald op het moment dat het nieuwe beleid (2014) is vastgelegd. Dit wordt de referentiesituatie genoemd en de waarden zijn op 100% gesteld. Ten opzichte van deze referentie wordt de ontwikkeling van het overstromingsrisico in de tijd afgezet. Doordat keringen versterkt gaan worden, zal het aantal mensen waarvoor het basisbeschermingsniveau nog niet is gehaald en het economisch risico de komende 30 jaar afnemen tot het niveau dat volgens het beleid in 2050 bereikt moet zijn.

Figuur 5 Indicator 2: ontwikkeling in het afnemen van het economisch risico t.o.v. de referentiesituatie.1

X Noot
1

Bron: RWS

2

De referentiesituatie zoals bepaald t.b.v. de tussentijdse wijziging NPW1 in 2014.

Toelichting

Het (actuele) risico in 2022 is gebaseerd op de gerealiseerde versterking tot en met 2021 in het HWBP; tot en met 2021 is circa 28 kilometer dijk versterkt. De afname van het risico tot 2027 is gebaseerd op de realisatieprognose van dijkversterkingen tot en met 2026, zoals is opgenomen in het HWBP. Aangezien er tot 2022 nog maar weinig keringen in het HWBP zijn versterkt, is het economisch risico met circa 3% afgenomen ten opzichte van de referentiesituatie. Op basis van de verwachte realisatie van versterkingen tot en met 2026 zal het economisch risico tot 2027 met circa 12% ten opzichte van de referentiesituatie zijn afgenomen. Het aantal mensen in 2022 dat nog niet kan rekenen op de basisveiligheid is met circa 1% afgenomen t.o.v. de referentiesituatie. De verwachting is dat dit tot 2027 is opgelopen tot een afname van circa 6%.

In 2050 moeten alle keringen aan de nieuwe normen voldoen. Dan moet overal aan het basisbeschermingsniveau zijn voldaan en is het econo-misch risico afgenomen tot het aanvaard economisch risiconiveau. In de indicator wordt daarom ook het jaar 2050 geprojecteerd.

Waterkwaliteit (schoon (drink)water)

Het bereiken van een goede ecologische en chemische kwaliteit van de oppervlaktewateren in de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en Eems, en van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden is afhankelijk van de maatregelen die verschillende overheden in binnen- en buitenland treffen. Zowel in Nederland als in de omringende landen werkt men daaraan volgens de systematiek van de Kaderrichtlijn Water, in een cyclus van zes jaar. Een actuele beschrijving van de toestand is opgenomen in de Stroomgebiedbeheerplannen 2022-2027. Dit is een actualisatie van de toestandbeschrijving uit de vorige plannen van 2015. In 2027 zal het beeld opnieuw geactualiseerd worden. De voortgang van de uitvoering van maatregelen wordt jaarlijks gedaan in de rapportage «De Staat van Ons Water» en onderliggende jaarrapportage ecologische waterkwaliteit en natuur (Kamerstukken II 2020-2021, 27625 nr. 538); ons water)

Integraal waterbeleid

In De Staat van Ons Water wordt vanaf 2016 jaarlijks integraal door de partners van het Bestuursakkoord Water (BAW) gerapporteerd over de voortgang van de uitvoering van het waterbeleid in het voorgaande jaar. De Stuurgroep Water heeft in december 2018 besloten dat vanaf 2019 De Staat van Ons Water uitsluitend zal worden gericht op de Tweede Kamer als doelgroep. Meer uitgebreide informatie over De Staat van Ons Water is te vinden op Communicatie naar de burger zal plaatsvinden via de website www.onswater.nl en www.noordzeeloket.nl.

C. Beleidswijzigingen

Op dit artikel zijn geen beleidswijzigingen voorzien voor 2023.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 11 Budgettaire gevolgen van beleid art. 11 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

30.650

124.114

48.100

45.114

43.821

40.465

38.769

        

Uitgaven

45.678

68.821

59.877

56.431

55.037

51.674

49.983

        

1 Algemeen Waterbeleid

34.836

49.805

42.221

39.055

38.950

38.587

37.396

Opdrachten

2.625

14.143

12.979

10.130

10.161

10.127

8.923

FLOW

0

75

1.834

1.834

1.834

1.834

1.834

KAWI

0

1.395

1.345

1.000

0

0

0

Klimaat Bestuur/NOVI

838

1.310

1.228

1.295

1.184

1.183

1.189

CORA

272

1.131

450

0

0

0

0

VN Water

0

2.900

3.450

0

0

0

0

Overige Opdrachten

1.515

7.332

4.672

6.001

7.143

7.110

5.900

Subsidies

11.445

19.217

13.748

13.548

13.548

13.352

13.352

Partners for Water 4 (HGIS)

10.213

4.556

0

0

0

0

0

Partners for Water 5 (HGIS)

0

11.252

11.252

11.252

11.252

11.252

11.252

Blue Deal (HGIS)

1.090

2.230

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

WI

60

1.100

400

200

200

0

0

Overige Subsidies

82

79

96

96

96

100

100

Bijdragen aan agentschappen

16.160

16.445

15.494

15.377

15.241

15.108

15.121

Waarvan bijdrage aan KNMI

1.626

609

394

394

394

394

394

Waarvan bijdrage aan RWS

14.534

15.836

15.100

14.983

14.847

14.714

14.727

Bijdragen aan mederoverheden

4.506

0

0

0

0

0

0

WKB

4.506

0

0

0

0

0

0

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

100

0

0

0

0

0

0

        

2 Waterveiligheid

2.905

3.076

3.129

3.129

3.129

3.129

3.129

Opdrachten

2.905

3.076

3.129

3.129

3.129

3.129

3.129

RWS Waterveiligheid

2.395

2.476

2.456

2.456

2.456

2.456

2.456

Overige Opdrachten

510

600

673

673

673

673

673

        

3 Grote oppervlaktewateren

1.296

1.572

1.565

1.565

1.565

1.565

1.565

Opdrachten

1.196

1.472

1.465

1.465

1.465

1.465

1.465

RWS Zuid-Westelijke Delta

934

1.050

1.050

1.050

1.050

1.050

1.050

Overige Opdrachten

262

422

415

415

415

415

415

Bijdragen aan medeoverheden

100

100

100

100

100

100

100

        

4 Waterkwaliteit

6.641

14.368

12.962

12.682

11.393

8.393

7.893

Opdrachten

3.963

12.806

11.242

10.992

9.703

6.703

6.203

Noordzee akkoord

294

5.200

5.140

5.140

4.640

1.640

1.140

RWS WKK opdrachten

2.852

5.742

4.708

4.638

3.848

3.848

3.848

WKK opdrachten

462

1.037

898

928

928

928

928

Overige Opdrachten

355

827

496

286

287

287

287

Subsidies

400

30

30

0

0

0

0

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

2.278

1.532

1.690

1.690

1.690

1.690

1.690

WKK contributies

1.063

111

640

640

640

640

640

Overige bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

1.215

1.421

1.050

1.050

1.050

1.050

1.050

        

Ontvangsten

408

223

30

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen

Tabel 12 Extracomptabele verwijzingen naar artikel 1 Investeren in waterveiligheid van het Deltafonds (x € 1.000)
 

2023

2024

2025

2026

2027

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 1 Investeren in waterveiligheid

488.509

574.036

466.224

420.471

253.881

Andere ontvangsten van artikel 1 Investeren in waterveiligheid

164.608

150.945

141.478

152.036

168.307

Totale uitgaven op artikel 1 Investeren in waterveiligheid

653.117

724.981

607.702

572.507

422.188

waarvan

      

01.01

Grote projecten waterveiligheid

122.013

89.081

1.478

75.804

22.162

01.02

Ontwikkeling waterveiligheid

510.860

620.750

592.768

485.568

390.289

01.03

Studiekosten

20.244

15.150

13.456

11.135

9.737

Tabel 13 Extracomptabele verwijzingen naar artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds (x € 1.000)
 

2023

2024

2025

2026

2027

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening

142.386

47.159

45.198

51.511

78.688

Andere ontvangsten van artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening

     

Totale uitgaven op artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening

142.386

47.159

45.198

51.511

78.688

waarvan

      

02.02

Ontwikkeling zoetwatervoorziening

137.886

43.020

37.811

49.311

76.488

02.03

Studiekosten

4.500

4.139

7.387

2.200

2.200

Tabel 14 Extracomptabele verwijzingen naar artikel 3 Exploitatie, onderhoud en vernieuwing van het Deltafonds (x € 1.000)
 

2023

2024

2025

2026

2027

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 3 Beheer, onderhoud en vernieuwing

371.642

328.297

407.218

185.624

136.610

Andere ontvangsten van artikel 3 Beheer, onderhoud en vernieuwing

     

Totale uitgaven op artikel 3 Beheer, onderhoud en vernieuwing

371.642

328.297

407.218

185.624

136.610

waarvan

      

03.01

Exploitatie

8.028

8.055

8.055

8.055

8.283

03.02

Onderhoud en vernieuwing

363.614

320.242

399.163

177.569

128.327

Tabel 15 Extracomptabele verwijzingen naar artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet van het Deltafonds (x € 1.000)
 

2023

2024

2025

2026

2027

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet

243.009

193.233

103.707

91.346

95.802

Andere ontvangsten van artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet

     

Totale uitgaven op artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet

243.009

193.233

103.707

91.346

95.802

waarvan

      

04.02

GIV/PPS

243.009

193.233

103.707

91.346

95.802

Tabel 16 Extracomptabele verwijzing naar artikel 5 Netwerkgebonden kosten en overige uitgaven (x € 1.000)
 

2023

2024

2025

2026

2027

Bijdrage uit artikel 26 van Deltafonds aan artikel 05 Netwerkgebonden kosten en overige uitgaven

384.515

412.597

434.562

427.762

610.548

Andere ontvangsten van artikel 05 Netwerkgebonden kosten en overige uitgaven

     

Totale uitgaven op artikel 05 Netwerkgebonden kosten en overige uitgaven

384.515

412.597

434.562

427.762

610.548

waarvan

      

05.01

Apparaat

264.444

260.910

266.893

259.725

258.806

05.02

Overige uitgaven

95.355

72.947

73.288

73.417

75.107

05.03

Investeringsruimte

12.216

23.277

30.881

19.112

142.135

05.04

Reserveringen

12.500

55.463

63.500

75.508

134.500

Tabel 17 Extracomptabele verwijzingen naar artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds (x € 1.000)
 

2023

2024

2025

2026

2027

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 7 Investeren in waterkwaliteit

113.779

151.963

166.946

175.345

235.993

Andere ontvangsten van artikel 7 Investeren in waterkwaliteit

     

Totale uitgaven op artikel 7 Investeren in waterkwaliteit

113.779

151.963

166.946

175.345

235.993

waarvan

      

07.01

Ontwikkeling Kaderrichtlijn water

58.791

78.946

107.100

114.125

158.824

07.02

Ontwikkeling Waterkwaliteit

38.144

53.364

46.060

60.355

76.404

07.03

Studiekosten

16.844

19.653

13.786

865

765

Tabel 18 Extracomptabel overzicht Rijksbijdrage Noordzeeakkoord (x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Visserij: innovatie LNV (€ 10 miljoen excl. bijdrage uit EMVAF)

0

0

485

1.189

1.189

1.189

1.189

1.189

1.189

1.189

1.189

Onderzoek, monitoring en natuurherstel, IenW (€ 23,9 miljoen excl. bijdrage uit EMVAF)

0

294

5.073

5.000

5.000

4.500

1.500

1.000

500

500

500

Onderzoek, monitoring en natuurherstel: WOZEP vanaf 2024, EZK (€ 21 miljoen)

0

0

0

0

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

Versterking toezicht NVWA, LNV (€ 14 miljoen)

0

0

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

2.000

Veilige doorvaart windparken (€ 12 miljoen)

0

0

1.500

1500

1500

1500

1500

1500

1500

1500

0

Totaal: € 80,9 miljoen t/m 2030  (excl. bijdrage uit EMVAF)

0

294

9.184

9.111

12.111

11.611

8.611

8.111

7.611

7.611

6.611

Budgetflexibiliteit

Onderstaand is in lijn met de voorschriften uit de regeling Rijksbegrotingsvoorschriften een kwalitatieve toelichting voor de juridisch verplichte uitgaven opgenomen. Zie voor een nadere toelichting de ‘wijzigingen RBV 2022’ zoals opgenomen in de leeswijzer.

Tabel 19 Bugetflexibiliteit
 

2023

juridisch verplicht

71%

bestuurlijk gebonden

18%

beleidsmatig gereserveerd

11%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Toelichting

Van het totale budget voor artikel 11 is voor 2023 71% juridisch verplicht.

Opdrachten

Het beschikbare budget in 2023 is voor 16% juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de betaling van verplichtingen die tot en met 2022 zijn aangegaan met een kaseffect in 2023, waaronder de structurele uitwerking van de wettelijke taken op basis van de Waterwet en voor het programma gericht op acceleratie en implementatie van waterprojecten van de 2030 agenda, waarbij de Nederlandse inzet wordt gecompleteerd door de High Level Panel on Water (HLPW) coalitie van 11 landen, de Wereldbank en de Verenigde Naties. De wettelijke taken van de Waterwet heeft dit betrekking op onder andere werken met de nieuwe normering, regie op de kennisontwikkeling waterveiligheid, werkzaamheden ten behoeve van de Lange Termijn Ambitie Rivieren (onderzoek naar maatregelen voor Rijn, IJssel en Maas), de EU-richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) en advisering over de waterkeringen en kust. Verder heeft een deel betrekking op de betaling van de lopende verplichtingen die aangegaan zijn tot en met 2022, waaronder de gebiedsagenda Wadden 2050, Eems-Dollard 2050.

Subsidies

Het subsidiebudget in 2023 is voor 100% juridisch verplicht. Dit betreft o.a. het vervolgprogramma HGIS Partners voor Water vanaf 2022 en de subsidies voor Blue Deal, het Omgevingsberaad Waddengebied (OBW), Dutch Wavemakers, het Nationaal Waterplan en Free Flow. Voor het volledige subsidieoverzicht wordt verwezen naar bijlage 5 in deze begroting.

Bijdrage aan agentschappen

De uitgaven voor de agentschapsbijdragen RWS en KNMI zijn volledig juridisch verplicht en hebben een structureel karakter. De bijdrage aan RWS heeft betrekking op beleidsondersteuning en advies (BOA). RWS reserveert capaciteit voor het uitvoeren van studies of het leveren van bijdragen daaraan, adviezen met betrekking tot beleidsnota’s en de uitvoerbaarheid van beleid. De bijdrage aan het KNMI wordt ingezet voor diverse onderzoeken en analyses die betrekking hebben op kennisontwikkeling.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Het beschikbare budget in 2023 is voor 100% juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de structurele contributies voor de internationale riviercommissies en de Oslo en Parijs-commissie (OSPAR), die in internationale verdragen zijn opgericht. Daarnaast zijn ze bestemd voor de bijdragen aan: de High Level Panel on Water (HLPW), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), the Economic Commission for Europe van de United Nations (UN/ECE), de Deltacoalitie Water en Diplomatie en aan de Verenigde Naties (VN), die onder andere het gevolg zijn van een tweetal Memoranda of Understanding.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

1 Algemeen waterbeleid

Opdrachten

Serviceteam RijkHet Serviceteam Rijk (STR) digitaliseert de regelgeving onder de Omgevingswet. Departementen dragen naar gebruik bij aan de kosten voor het Serviceteam Rijk. Voor de bijdrage van IenW wordt een jaarlijkse bijdrage geleverd aan het ministerie van BZK.

Topsector Water en MaritiemIn het kader van het missiegedreven topsector- en innovatiebeleid ondersteunt en versterkt IenW de Topsector Water en Maritiem (TSWM). De economische kansen van maatschappelijke thema’s en publiek-private samenwerking staan hierbij centraal. Daarbij wordt in samenwerking met onder meer de Ministeries van EZK en LNV gewerkt aan maatschappelijk thema’s, zoals landbouw, water en voedsel. Ook werkt IenW met de TSWM aan een Human Capital Agenda, om te bevorderen dat er voldoende goed opgeleide en gekwalificeerde mensen werken in de watersector. Hiervoor wordt aan de hand van arbeidsmonitors bepaald hoe het ervoor staat binnen de topsector Water en Maritiem.

Programmeerfunctie kennis en innovatie voor water en bodemIn de programmeerfunctie werkt IenW met kennisorganisaties, bedrijven en overheden samen om vanuit maatschappelijke opgaven richting te geven aan de inzet van kennis en innovatie op water en bodem. IenW initieert en faciliteert het proces om overzicht te geven over kennis en innovaties voor water en bodem en jaarlijks op een aantal urgente thema’s kansen en knelpunten te verkennen en te komen tot vervolgacties.

Strategisch onderzoekIn samenwerking met NWO, wetenschap, TO2 onderzoeksinstellingen, bedrijfsleven en overheden wordt strategisch onderzoek ontwikkeld voor actuele maatschappelijke ontwikkelingen, zoals klimaatadaptatie en zeespiegelstijging. IenW draagt hieraan bij om kennis en innovatie te realiseren op het terrein van water en bodem, onder meer via de Nationale Wetenschaps Agenda, zoals het onderzoek gefinancierd op het terrein van onder andere de ecologische effecten van klimaatverandering in de wadden.

KlimaatadaptatieFinanciële middelen worden ingezet voor opdrachten die bijdragen aan de transitie naar een klimaatbestendige ruimtelijke inrichting van Nederland. IenW heeft hierbij een coördinerende rol, gericht het aanjagen van onderdelen van het eigen ministerie en de andere departementen, om in hun sectoren klimaatadaptatie onderdeel maken van beleid en uitvoering. Verder worden middelen ingezet om ook particuliere organisaties en burgers te stimuleren om maatregelen te nemen die de weerbaarheid tegen weersextremen vergroten. De uitgaven passen verder bij de verdere uitwerking van de Nationale Adaptatie Strategie. De uitwerking van de NAS loopt voor een belangrijk deel ook via het Deltaprogramma, in het bijzonder via Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie.

Helpdesk waterAan de Helpdesk Water, onderdeel van RWS, wordt jaarlijks een bijdrage geleverd. In 2021 is de integratie van de website van de Helpdesk Water in het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) grotendeels voltooid. Afhankelijk van de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de Helpdesk Water niet meer worden bijgehouden. Deze behoudt dan nog wel tijdelijk een archieffunctie. De actuele informatie is dan te vinden via de website van het IPLO. De vraagafhandeling vanuit de Helpdesk Water verloopt sinds 1 juli 2021 al onder de gezamenlijke afzender Help Desk Water en IPLO.

Omgevingsloket OnlineVoor de uitvoering van het bestaande Omgevingsloket Online (OLO) wordt een jaarlijkse bijdrage geleverd ten behoeve van water- en omgevingsvergunningen. Afhankelijk van de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet stopt deze bijdrage en wordt een bijdrage verwacht van IenW op het beheer van het digitaal stelsel Omgevingswet (DSO).

WaterheffingenSamen met de Unie van Waterschappen is gewerkt aan de voorbereiding van wetgeving om de zuiveringsheffing, de verontreinigingsheffing en de watersysteemheffing te moderniseren en een aantal knelpunten in de belastingheffing op te lossen.

Water Internationaal Verder wordt er in 2023 uitvoering gegeven aan opdrachten in het kader van Operationalisering Resultaatgerichte Aanpak die vanuit de middelen Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) worden gefinancierd (HGIS), zoals: Valuing Water, Global Governance, Water as Leverage en (ondersteuning van) de Watergezant. En marge van de VN 2023 Water conferentie en de Klimaat conferenties (COP)’s) worden diverse jeugd evenementen georganiseerd.Diverse opdrachten worden in 2023 voorzien van vervolgopdrachten, zoals een vervolgprogramma voor Water as Leverage, Valuing Water Initiative (inclusief Water & Heritage),samenwerking met internationale kennisplatforms en coalities (Water & Climate Coalition) voor het aanjagen van de klimaatagenda en de SDG’s (2030 Agenda). HGIS middelen worden ingezet om bij te dragen aan de kennisproducten, rapporten en side-events die en marge van de United Nations Global Water Conference 2023 worden ge-presenteerd.

Subsidies

Ook in 2023 wordt uitvoering gegeven aan de in 2022 gestarte subsidie-regeling van het programma Partners voor Water (PvW) 2022–2027. Dit betreft het centrale uitvoeringsprogramma van de (interdepartementale) Nederlandse Internationale Water Ambitie (NIWA). Het programma wordt aangestuurd vanuit het Interdepartementale Water Cluster, waarin de vier ministeries BZ, EZK, LNV en IenW samenwerken. Voor de uitvoering van het PvW 2022–2027 programma is mandaat verleend aan de Rijks-dienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Het budget is onderverdeeld in een deel voor lange termijn samenwerking met negen Deltalanden, een subsidiedeel ten behoeve van marktbetrokkenheid en thematische component en Holland promotie.

In 2022 is de subsidieregeling van start gegaan van de Blue Deal (2022-2027). Het betreft een internationaal programma van 21 waterschappen die worden aangestuurd door de Unie van Waterschappen. Het ministerie van Buitenlandse Zaken en IenW zijn gezamenlijk subsidieverstrekker waarvan de tweede subsidiefase loopt tot en met 2027. De Blue Deal is een programma tot en met 2030 met één duidelijk doel: 20 miljoen mensen in 40 stroomgebieden wereldwijd helpen aan schoon, voldoende en veilig water. De focus ligt op het bieden van hulp, maar ook op het creëren van kansen voor het bedrijfsleven en leren van andere landen om het eigen werk in Nederland te blijven verbeteren. In 2022 is reeds een toezegging gedaan voor de tweede fase van het Blue Deal programma 2022-2027 op basis van HGIS financiering waaraan in 2023 uitvoering wordt gegeven.

Via het multilaterale spoor is Nederland actief betrokken in het organiseren van een VN 2023 Water Conferentie, gericht op het aanjagen van de uitvoeringsagenda voor waterveiligheid en waterzekerheid in de wereld. IenW werkt hierbij nauw samen met o.a. het ministerie van Buitenlandse Zaken en UN-WATER aan de voorbereiding.

In het licht van de bredere klimaatagenda worden jongerenorganisaties actief betrokken. De inzet is gericht op een internationaal platform (Wavemakers United) om draagvlak en betrokkenheid van een duurzame aarde te stimuleren. De samenwerking met de jongeren organisaties geeft ook een impuls aan de Human Capital agenda (toekomstige arbeidsmarkt) en stimuleert jongeren te kiezen voor klimaat-, water en milieustudies (Dutch Wavemakers Roadmap).

Ten aanzien van de Topsector Water en Maritiem wordt op basis van HGIS-financiering het WTEX10 programma (800K Euro) gesteund, de secretariaatsrol van het NWP voor het kernteam Water Internationaal (100K Euro) en het monitoren van de performance van de watersector via door middel van de WEX (100K Euro). De inzet ondersteunt de missie gedreven aanpak van de Topsector Water en Maritiem die interdeparte-mentaal speerpunt van beleid vormt om de economische samenwerking te versterken waarbij de overheid en de watersector samen nauw optrek-ken.

Er wordt een jaarlijkse bijdrage van € 69.000 verstrekt aan de provincie Friesland ten behoeve van het Omgevingsberaad Waddengebied (OBW). Het Omgevingsberaad Waddengebied is het adviesorgaan voor het Bestuurlijk Overleg Waddengebied (BOW). Het is tevens een platform waar gestructureerde discussies over het Waddengebied worden geïnitieerd en waar informatie over het Waddengebied wordt uitgewisseld. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.

Bijdrage aan agentschappen

De bijdrage aan RWS heeft betrekking op beleidsondersteuning en advies (BOA), vertegenwoordiging in internationale werkgroepen, opstelling van rapportages en evaluaties en begeleiding van opdrachten aan de markt en aan Deltares. Hiervoor wordt jaarlijks een opdracht aan RWS verstrekt. Tot deze opdracht behoren onder andere de bijdragen aan de uitwerking van de MIRT-onderzoeken waterveiligheid, zoetwatervoorziening en waterkwaliteit.

Aan het KNMI worden diverse onderzoeken en analyses gevraagd die betrekking hebben op kennisontwikkeling ten behoeve van windklimaat en afvoerstatistiek rivieren en voor klimaatadaptatie.

2 Waterveiligheid

Opdrachten

Europese Richtlijn overstromingsrisico’s (ROR) Conform de verplichtingen van de Europese Richtlijn overstromingsrisico’s (ROR) wordt in 2023 in een zes jaarlijkse cyclus gewerkt aan het opstellen van de voorlopige overstromingsrisicobeoordeling, de overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten en de overstromingsrisico-beheerplannen over de beoordeling en beheer van overstromingsrisico’s in de vier (internationale) stroomgebieden Rijn, Maas, Eems en Schelde. Dit in overeenstemming met de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW).In 2023 worden de resultaten van de eerste beoordelingsgronde van de primaire waterkeringen op basis van de nieuwe normen vertaald naar een landelijk beeld. Ook start vanaf 1 januari 2023 de tweede beoordelingsronde op basis van de nieuwe omgevingsregeling en bijpassend basinstrumentarium. Voor deze beoordeling worden diver-se opdrachten verstrekt ter ondersteuning van de waterkeringbeheer-ders. Daarnaast worden opdrachten verstrekt om kennis ten aanzien van waterveiligheid te ontwikkelen en vast te leggen.Ook worden opdrachten verstrekt voor verdere kennisontwikkeling ten aanzien van de kust, onder andere over (de gevolgen van) zeespiegel-stijging en de kustontwikkeling.Voor verdere kennis- en modelontwikkeling met betrekking tot rivieren worden in 2023 opdrachten verstrekt. Dit zijn onder andere opdrachten over lange termijn morfologische ontwikkeling van de rivieren onder invloed van onder andere klimaatverandering. Daarnaast wordt kennis-ontwikkeling ondersteund die betrekking heeft op de voorbereiding van de maatregelpakketten en de bijdragen aan diverse MIRT-projecten in het rivierengebied voor zowel de Rijn, de IJssel als ook de Maas.

3 Grote oppervlaktewateren

Opdrachten

Regio, Rijk en stakeholders werken vanuit het uitvoeringsprogramma van het Gebiedsoverleg Zuidwestelijke Delta verder aan onder meer de vervolgaanpak van de Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050, in samenhang met de prioritaire opgaven van de Omgevingsagenda Zuidwest. Samen met het Vlaams Gewest en de stakeholders (Schelderaad) wordt verder gewerkt aan het onderzoeksprogramma en de langtermijnperspectieven voor een klimaatbestendig veilig, economisch vitaal en ecologisch veerkrachtig Schelde-estuarium. De (tussen)resultaten daarvan worden betrokken bij de eerstvolgende evaluatie van de Vlaams-Nederlandse samenwerking op grond van het Verdrag Beleid en Beheer Schelde-estuarium. Deze start in 2023.

Eind 2022 worden, naar verwachting, door de minister van Infrastructuur en Waterstaat en de minister voor Natuur en Stikstof de projectvoorstellen voor de derde tranche van de PAGW geselecteerd. Deze projectvoorstellen zullen in de periode tot en met 2029 nader worden verkend en uitgewerkt en nadat deze stappen met succes doorlopen zijn zullen de uitgewerkte voorstellen vanaf 2030 tot en met 2033 worden gerealiseerd. In 2023 wordt invulling gegeven aan de toekomstvisies 2050 voor het Waddengebied en voor de Eems-Dollard, alsmede aan de pilot Waddenslib. De beheerautoriteit Wadden zal verder invulling geven aan de opstelling van een integraal beheerplan voor de Waddenzee.

Rijk en regio werken sinds 2015 structureel samen aan ecologische verbetering van de Eems-Dollard, door samenhangende inzet van middelen, maatregelen en onderzoeken op basis van een meerjarig adaptief programma. De ambitie is dat de Eems-Dollard in 2050 voldoet aan het ecologisch streefbeeld dat is geformuleerd. Hier wordt stapsgewijs naar toegewerkt door adaptief in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en inzichten.

In 2023 wordt samen met regio en stakeholders het ontwikkelperspectief van de Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta nader uitgewerkt. Voor het Volkerak-Zoommeer wordt het onderzoek naar de ontwikkeling van de ecologische waterkwaliteit en de zoetwaterfunctie van dat meer gecontinueerd. Voor de Oosterschelde wordt optimalisatieonderzoek uitgevoerd voor een duurzame balans tussen de functies van de Oosterschelde op het gebied van waterveiligheid, economie, ecologie en landschap. Samen met het Vlaams Gewest wordt voor de uitvoering van de Scheldeverdragen samen met de stakeholders verder gewerkt aan het (onderzoeks)programma 2019-2023 van de roadmap van de Agenda voor de Toekomst voor het Schelde-estuarium.

In 2023 wordt verdere invulling gegeven aan het Uitvoeringsprogramma 2021-2026 van de Agenda voor het Waddengebied 2050.

Voor Eems-Dollard werken rijk en regio sinds 2015 structureel samen aan ecologische verbetering van de Eems-Dollard, door samenhangende inzet van middelen, maatregelen en onderzoeken op basis van een meerjarig adaptief programma.

De drie landen die grenzen aan de Waddenzee, Nederland, Duitsland en Denemarken, vormen samen de Trilaterale samenwerkingslanden. Ze overleggen regelmatig over het vormen of aanpassen van het beschermingsbeleid van werelderfgoed Waddenzee. De beheerautoriteit Wadden geeft verder invulling aan de opstelling van een integraal beheerplan voor de Waddenzee.

Bijdrage aan medeoverheden

Aan Adaptief Meerjaren Programma ED 2050 is voor de periode 2021-2026 een nieuw programmaplan opgesteld. Voor het programma-management daarvan wordt een bijdrage voorzien van euro 100K in de MAB.

4 Waterkwaliteit

Opdrachten

De opdrachtverlening heeft betrekking op de Kaderrichtlijn Water, onderzoeken naar de emissies van de glastuinbouw, Emissieregistratie en onderzoeken naar chemische waterkwaliteit en zwemwaterkwaliteit.

De Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) kent een zesjarige plancyclus. In 2023 wordt verder invulling gegeven aan de verdere ontwikkeling van indicatoren en parameters om de milieutoestand te kunnen monitoren en de goede milieutoestand te bepalen: ter uitwerking van de geactualiseerde Mariene Strategie deel 1 en 2 uit respectievelijk 2018 en 2020, en ter voorbereiding van de actualisatie van de Mariene Strategie deel 1 in 2024 (beoordeling van de toestand van het mariene milieu, bepalen van goede milieutoestand, milieudoelen en bijbehorende indicatoren). De uitvoering van de KRM vindt plaats in samenwerking met de ministeries van EZK en LNV. Er wordt ingezet op internationale afstemming en samenwerking (Noordzeeregio, OSPAR, EU), op samenwerking met kennisinstituten en belanghebbenden en op cofinanciering uit EU-fondsen als Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) en Interreg Community Initiative (INTERREG).

De opdrachtverlening heeft betrekking op de KRW, Delta-Aanpak Waterkwaliteit, glastuinbouw, emissieregistratie en op Noordzee- en Internationaal waterbeleid.

NoordzeeakkoordMedio 2020 is tussen het kabinet en maatschappelijke organisaties het Noordzeeakkoord gesloten. Voor de uitvoering van het Noordzeeakkoord is een transitiebedrag van € 126 miljoen tot en met 2030 beschikbaar. Binnen het Noordzeeakkoord waren ook middelen beschikbaar gesteld (€ 74 mln.) voor het uitvoeren van een saneringsregeling. Omdat een sanering vanuit deze middelen niet mogelijk is gebleken, konden de middelen niet langer voor dit doel worden ingezet en komen deze te vervallen. Vanuit de BAR zullen wel middelen worden ingezet voor sanering in de visserijvloot (zie eerste suppletoire begroting LNV, Kamerstuk 36 120 XIV, nr. 2). Dit bedrag is inclusief € 45 miljoen vanuit het aanstaande Europese Maritieme, Visserij en Aquacultuur Fonds (EMFAF). Dit budget is bedoeld voor verduurzaming van de visserij, voor natuurherstel, monitoring en onderzoek, voor de veilige doorvaart binnen de aan te leggen windparken en voor extra handhaving door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Op de begroting van artikel 11 worden meerjarig uitgaven begroot voor monitoring, onderzoek en natuurherstel binnen het Noordzeeakkoord (€ 24 miljoen tot en met 2030). De overige uitgaven van het Noordzeeakkoord worden begroot en verantwoord op andere departementale begrotingen.

In het Programma Noordzee 2022-2027 zijn windenergiegebieden aangewezen om vorm te geven aan de energietransitie. Ook is aangekondigd dat Nederland een verkenning is gestart naar strategische samenwerking tussen Noordzeelanden, gericht op het behalen van gezamenlijke internationale en nationale doelen voor een gezonde zee met een duurzame blauwe economie volgend uit VN-Duurzaamheidsdoelen voor 2030, de Europese Green Deal en richtlijnen als KRM, MSP en Europese wetgeving voor natuur en visserij. doel is om in de eerste helft van 2023 samen met de Noordzeelanden en andere betrokken organisaties conclusies te trekken over een Noordzeebekkenstrategie.

In de zeeën rondom Caribisch Nederland en in de Atlantische oceaan investeert Nederland in de versterking van de monitoring van de waterkwaliteit en van de effecten van klimaatverandering op het oceaansysteem.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Ook in 2023 blijft Nederland werken aan het internationale profiel van Nederland als kenniscentrum voor watervraagstukken. Dit is verwoord in de Nederlandse Internationale Waterambitie van het kabinet. Het streven van Nederland als Centre of Excellence wordt gedeeltelijk ingevuld door middel van memoranda of Understanding (MOU) met twee internationale UNESCO-watercentra, namelijk ondersteuning capacity building door IHE-Delft en grondwater monitoring en assessment door IGRAC te Delft. Het gaat hier om ondersteuning capacity building. Water speelt een verbindende rol in de in VN-kader afgesproken Sustainable Development Goals (SDG’s). In een van de subdoelen van de SDG’s die zich richt op steden wordt specifiek de nadruk gelegd op het verminderen van risico’s van watergerelateerde rampen. Verder worden bijdragen geleverd aan onder andere het Sendai raamwerk van de ‘UN-office for disaster risk reduction (UNISDR)’, aan de United Nations Economic Commission for Europe (UNECE) voor grensoverschrijdend waterbeheer, Wereldbank, Water Global Practice WGP, aan de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) inzake waterbeheer en aan Habitat for Humanity voor schoon drinkwater (HABITAT).

Nederland participeert in verdragen waarin de internationale riviercommissies voor de Rijn, de Maas en de Schelde zijn opgericht. In deze commissies bespreekt Nederland watervraagstukken op het gebied van kwaliteit, droogte en overstroming en wordt de contributie voor deze commissies jaarlijks vastgesteld.

Nederland doet jaarlijks een contributie voor de uitvoering van het Oslo-Parijs (OSPAR)-verdrag, waarmee wordt ingezet op internationale samenwerking en afstemming over vraagstukken op het gebied van mariene milieu, ecologie en biodiversiteit in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, inclusief de Noordzee, mede in relatie tot de uitvoering van de KRM.

3.2 Artikel 13 Bodem en Ondergrond

A. Algemene doelstelling

Een duurzaam en efficiënt beheer en gebruik van bodem en ondergrond. Het doel is de vraagstukken op het gebied van bodemkwaliteit, drinkwatervoorziening, grondwater, bodemdaling, duurzaam bodembeheer in de landbouw, kabels en leidingen en bodemenergie in relatie met de maatschappelijke opgaven als energietransitie en klimaatadaptatie aan te pakken. Daarnaast is het beleid gericht op het tot stand brengen van een betrouwbare en betaalbare drink- en afvalwatervoorziening in Caribisch Nederland.

Het Rijk is enerzijds verantwoordelijk voor het systeem van wet- en regelgeving omtrent beheer en gebruik van bodem, ondergrond en water en stimuleert anderzijds de investeringen en de bescherming daarvan. Daardoor heeft de Minister van IenW een stimulerende en een regisserende rol.

Tabel 20 Samenvatting budgettaire gevolgen van beleid art.13 per subthema (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

73.935

122.472

117.282

133.846

142.776

133.808

135.808

        

Uitgaven

79.900

117.368

130.944

148.937

150.990

142.959

143.958

        

Uitgaven onderverdeeld per subthema

       

4 Ruimtegebruik bodem

77.902

115.499

130.944

148.937

150.990

142.959

143.958

5 Eenvoudig Beter

1.998

1.869

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

0

3.500

0

0

0

0

0

B. Rol en verantwoordelijkheid

Stimuleren

Voor het onderdeel Bodem en Ondergrond is de algemene doelstelling om te komen tot een duurzaam en efficiënt beheer en gebruik van bodem en ondergrond. De (Rijks)structuurvisie Ondergrond vormt een belangrijke basis voor het ordenen van activiteiten met betrekking tot bodem en ondergrond.

Het Rijk bevordert de investeringen in de kwaliteit van bodem en ondergrond door middel van:

  • Het bevorderen van de duurzame kwaliteit van het doelmatig gebruik van het bodem- en watersysteem.

  • De uitvoeringsprogramma’s van de bestuurlijke afspraken met andere overheden.

  • Het efficiënt beschermen van drinkwaterbronnen door het landelijk faciliteren/stimuleren van de totstandkoming van gebiedsdossiers.

  • Het aanpassen van de Wet VROM BES en de Wet Fin BES met als doel het mogelijk maken van het invoeren van een afvalwaterheffing en de verkoop van gezuiverd afvalwater voor irrigatie en zo de exploitatiekosten van het afvalwaterbeheer in het kader van de afvalwatervoorziening op Bonaire (Caribisch Nederland) te dekken.

Regisseren

De Minister van IenW heeft voor Bodem en Ondergrond een systeem - en stelselverantwoordelijkheid. De Minister van IenW is vanuit deze rolopvatting verantwoordelijk voor:

  • Het ondersteunen van de decentrale overheden bij het uitvoeren van de bodemtaken onder de Omgevingswet.

  • Het proces waarbij de decentrale overheden in staat worden gesteld om uiterlijk in 2030 de bodemverontreiniging-problematiek te beheersen.

  • De verdere ontwikkeling van regelgeving en kennis van de bodem en ondergrond. Deze ontwikkeling ondersteunt het beleid van bodem en ondergrond als basis voor maatschappelijke opgaven en faciliteert de toepassing daarvan door de andere overheden. Dit geldt ook voor nieuwe bodembedreigende stoffen, zoals PFAS.

  • De verkenning en uitwerking van een betere aansluiting van de stoffenregelgeving bodem met de andere milieudomeinen water en lucht.

  • Het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

  • Het programma Versterking bodemstelsel dat wil bijdragen aan de bescherming van de bodemkwaliteit in Nederland door het vertrouwen van alle betrokken partijen in het Kwaliteit Bodem en Ondergrond (Kwalibo) -te herstellen. Verbetering van het Kwalibo-stelsel is hiervoor noodzakelijk net als het versterken van invulling van de systeemverantwoordelijkheid; het verbeteren van vergunningverlening, toezicht en handhaving, en het versterken van de organisatie, kennis en samenwerking (binnen het ministerie: Beleid/RWS/ILT).

  • Het beleid (beleidsnota drinkwater), de regelgeving (drinkwaterwet) en het uitoefenen van toezicht/handhaving (via de ILT) op de levering van deugdelijk drinkwater,

  • De zorg – samen met andere bestuursorganen – voor de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening (zorgplicht)

  • De drinkwatervoorziening in Caribisch Nederland, middels het wijzigen van de Wet elektriciteit en drinkwater BES (verbeteren uitvoerbaarheid) om zo de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van drinkwater in Caribisch Nederland te garanderen. Door het insulaire karakter, de geringe bevolkingsomvang en het ontbreken van grote zoetwatervoorraden zal de drinkwatervoorziening in Caribisch Nederland nooit kostendekkend zijn. Het Ministerie van IenW stelt daarom een subsidie op de transportkosten voor drinkwater (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) beschikbaar en is voornemens dat ook te doen voor gebotteld drinkwater op Saba. Er wordt ook middels een subsidie bijgedragen aan de afvalwaterreiniging (Rioolwaterzuivering) op Bonaire. 

  • Beleid omtrent afvalwatervoorziening. De Minister wijzigt de Wet VROM BES en de Wet FIN BES ten einde een grondslag te organiseren voor een door de eilanden (vrijwillig) in te voeren afvalwaterheffing.

Indicatoren en Kengetallen

De budgetten voor de afspraken over Bodem en Ondergrond worden deels verdeeld via het Provincie- en Gemeentefonds en deels via subsidies. Gedurende de looptijd van de afsprakenperiode wordt aan RWS gerapporteerd over de bereikte resultaten. De monitoring wordt ontsloten door RWS Bodemplus.

Door de bevoegde overheden Wet bodembescherming wordt aan RWS gerapporteerd over de voortgang van de aanpak van de zogenaamde spoedopgave. Verder verstrekken de bevoegde overheden jaarlijks informatie aan de minister over de voortgang van de activiteiten waarover subsidie is ontvangen.

C. Beleidswijzigingen

Wanneer de Omgevingswet in werking treedt verandert daarmee het wettelijk kader en de bevoegd gezag verdeling tussen gemeenten en provincies met betrekking tot bodemsanering. Hiermee zal met het maken van nieuwe bestuurlijke afspraken rekening worden gehouden.

In december 2021 is een actualisatie van het handelingskader PFAS gepubliceerd. Op basis van dit handelingskader zal de verankering van PFAS in de bodemregelgeving plaatsvinden. Hiervoor worden de uitkomsten van enkele onderzoeken afgewacht, vooral het onderzoek naar het uitlooggedrag van PFAS naar grondwater. Ook zal moeten worden gezorgd dat de PFAS-bodemregelgeving aansluit op die van andere compartimenten. In 2023 zal verder worden gewerkt aan de ontwikkeling van een algemene methodiek voor niet-genormeerde stoffen in de bodem en waterbodem. In de tweede helft van 2022 is door middel van een pilot op bodem- en waterbodemlocaties bekeken of opkomende stoffen kunnen worden gemeten, hoe verspreid deze zijn en wat vervolgens het handelingsperspectief voor bevoegde gezagen en toepassers is. De resultaten van de pilot worden in de eerste helft van 2023 verwacht. Op basis hiervan wordt het handelingsperspectief verder uitgewerkt.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 21 Budgettaire gevolgen van beleid art. 13 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

73.935

122.472

117.282

133.846

142.776

133.808

135.808

        

Uitgaven

79.900

117.368

130.944

148.937

150.990

142.959

143.958

        

4 Ruimtegebruik bodem

77.902

115.499

130.944

148.937

150.990

142.959

143.958

Opdrachten

7.754

16.817

18.487

16.387

11.687

6.687

6.687

Bodem en STRONG

4.645

13.909

15.744

13.644

8.944

3.944

3.944

RWS Leefomgeving

3.109

2.417

2.535

2.535

2.535

2.535

2.535

Overige Opdrachten

0

491

208

208

208

208

208

Subsidie

14.087

18.380

18.902

24.135

25.936

24.943

26.142

Bedrijvenregeling

3.943

8.000

9.000

16.000

18.151

17.151

18.150

Subsidies Caribisch Nederland

10.144

10.380

9.902

8.135

7.785

7.792

7.992

Bijdragen aan agentschappen

3.825

6.916

5.087

5.087

5.087

5.087

5.087

Waarvan bijdrage aan RWS

3.825

3.869

3.869

3.869

3.869

3.869

3.869

Waarvan bijdrage aan RIVM

0

3.047

1.218

1.218

1.218

1.218

1.218

Bijdragen aan medeoverheden

52.176

73.386

88.468

103.328

108.280

106.242

106.042

Caribisch Nederland

144

0

0

0

0

0

0

Meerjarenprogramma Bodem

52.032

73.386

88.468

103.328

108.280

106.242

106.042

Bijdragen (inter)nationale organisaties

60

0

0

0

0

0

0

        

5 Eenvoudig Beter

1.998

1.869

0

0

0

0

0

Bijdragen aan agentschappen

1.998

1.869

0

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

1.998

1.869

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

0

3.500

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Onderstaand is in lijn met de voorschriften uit de regeling Rijksbegrotingsvoorschriften een kwalitatieve toelichting voor de juridisch verplichte uitgaven opgenomen. Zie voor een nadere toelichting de ‘wijzigingen RBV 2022’ zoals opgenomen in de leeswijzer.

Tabel 22 Budgetflexibiliteit
 

2023

juridisch verplicht

94%

bestuurlijk gebonden

6%

beleidsmatig gereserveerd

0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Toelichting

Van het totale budget voor artikel 13 is voor 2023 94% juridisch verplicht.

Opdrachten

Het beschikbare budget in 2023 is voor 58% juridisch verplicht. Dit betreft de uitvoering van het bodembeleid met onder andere de sanering van het EMK-Stormpolderdijkterrein te Krimpen aan den IJssel, alsmede voor bodemonderzoeken op het vlak van opkomende stoffen, bodemkwaliteit, grondwater en drinkwater, kennisinfrastructuur en informatievoorziening.

Subsidies

Het beschikbare budget is 100% juridisch verplicht. Het betreft subsidies voor de Bedrijvenregeling en drink- en afvalwater in Caribisch Nederland. Voor het volledige subsidieoverzicht wordt verwezen naar bijlage 5 in deze begroting.

Bijdrage aan agentschappen

De uitgaven voor de agentschapsbijdragen RWS en RIVM zijn volledig juridisch verplicht en hebben een structureel karakter. De bijdrage aan RWS heeft betrekking op beleidsondersteuning en advies (BOA). RWS reserveert capaciteit voor het uitvoeren van studies of het leveren van bijdragen daaraan, adviezen met betrekking tot beleidsnota’s en de uitvoerbaarheid van beleid. De bijdrage aan het RIVM wordt ingezet voor opdrachten met betrekkling tot Bodem en Ondergrond.

Bijdrage aan medeoverheden

Het beschikbare budget in 2023 is voor 100% juridisch verplicht. Dit betreft de juridisch verplichte bijdragen aan lokale overheden voor uitvoering van het meerjarenprogramma bodem.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

4 Ruimtegebruik bodem

Opdrachten

De opdrachtverlening heeft betrekking op uitbesteding van beleidsinhoudelijke onderzoeksopdrachten en evaluaties aan derden op het gebied van bodem, ondergrond, bodemenergie en Caribisch Nederland. Daarnaast wordt de sanering van het Stormpolderdijk terrein te Krimpen aan den IJssel hieruit bekostigd.

Voor de ontwikkeling van kennis rond het thema opkomende stoffen zullen onderzoeksopdrachten aan onderzoeksinstellingen als RIVM en Deltares verstrekt worden. Het gaat hierbij zowel om de verdieping van de kennis omtrent stofeigenschappen van PFAS, maar ook van mogelijk nieuwe opkomende, verontreinigende stoffen. Voor de effectieve aanpak van deze laatste categorie wordt gewerkt aan een algemene methodiek voor opkomende stoffen.

Subsidies

Iedereen moet toegang hebben tot drinkwater. Drinkwater in Caribisch Nederland is zeker 5 tot 10 keer zo duur als in Europees Nederland. Dit komt door de fysisch-geografische en demografische kenmerken van de eilanden. De subsidies op het transport van drinkwater dienen ervoor zorg te dragen dat drinkwater voor eenieder betaalbaar en toegankelijk is. De subsidies worden verleend aan de nutsbedrijven op Bonaire en Sint Eustatius, zodat zij de vaste drinkwatertarieven per maand kunnen verlagen t.o.v. de kostprijs. Op Saba wordt de subsidie verleend aan het Openbaar Lichaam (dat zelf de drinkwatervoorziening beheert) ten einde de distributiekosten van Reverse Osmosis water te verlagen en daarmee ook de tarieven voor de inwoners t.o.v. de kostprijs te verlagen. Eind 2021 is de drinkwaterbottelfabriek in werking is getreden en IenW is voornemens om de prijs van het gebottelde drinkwater te verlagen middels subsidie . Er zijn subsidies begroot voor de afvalwatervoorziening op Bonaire (RWZI).

Op grond van de Wet bodembescherming en het Besluit financiëlefinanciëlebepalingen bodemsanering worden subsidies ten behoeve van saneringsmaatregelen van bedrijven vastgelegd.

Bijdrage aan agentschappen

Aan de Uitvoeringsorganisatie bodem en ondergrond van RWS/WVL worden bijdragen verstrekt voor het verrichten van en ondersteuning van de beleidsontwikkeling op het gebied van bodem en ondergrond en voor de ondersteuning van de uitvoering van de bodemtaken onder de omgevingswet.

Bijdrage aan medeoverheden

Voor de periode vanaf 2023 wordt gewerkt aan bestuurlijke afspraken met de andere overheden: het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen (UvW). De middelen zijn meerjarig gereserveerd voor het doel van de meerjarige aanpak bodem. Tussen het Rijk en de andere overheden zijn in januari 2020 bestuurlijke afspraken vastgelegd in een intentieverklaring voor de verdere meerjarige aanpak. Deze afspraken zullen de basis vormen voor het verstrekken van een bijdrage aan de andere overheden voor de financiering voor de uit te voeren saneringen. De afspraken zullen betrekking hebben op de afronding van de aanpak van de historische bodemverontreinigingen en op de aanpak van andere bodemverontreinigingen waarvan de problematiek niet door een lokale overheid alleen gedragen kan worden. Hieronder kunnen bodemverontreinigingen met PFAS samenvallen. Verder zal ook de gestructureerde kennisopbouw en verspreiding over bodem worden uitgewerkt en uitgevoerd in samenwerking met de andere overheden. Daarnaast heeft het Rijk in het verleden afspraken gemaakt met individuele lokale overheden over de financiering van enkele specifiekespecifieke bodemsaneringslocaties. De uitvoering van deze afspraken loopt ook in 2023 nog door.

3.3 Artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid

A. Algemene doelstelling

Het ministerie van IenW streeft ernaar om weggebruikers zo veilig, betrouwbaar en duurzaam mogelijk van A naar B te laten reizen. Daarvoor worden verschillende instrumenten ingezet zoals: regelgeving, investeringen en toezicht. IenW ontwikkelt een hoofdwegennet dat bijdraagt aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. Daarbij zijn verkeersveiligheid, oog voor nieuwe ontwikkelingen en duurzaamheid van belang. Daarnaast wordt ingezet op een landelijke afname van het aantal verkeersslachtoffers. Om deze doelen te bereiken werkt IenW samen met medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

De doelstellingen voor de drie te onderscheiden subthema’s Netwerk, Verkeersveiligheid en Slimme en duurzame mobiliteit luiden als volgt:

Netwerk

Beter benutten van de infrastructuur, via gedragsmaatregelen, normering, beprijzen en kansen rond data en innovaties. De ontwikkeling van bestaande infrastructuur en aanleg van nieuwe infrastructuur blijft daarnaast ook nodig, Niet elk bereikbaarheidsvraagstuk vraagt om een mobiliteitsoplossing; soms is het beter om andere, ruimtelijke, keuzes te maken.

Verkeersveiligheid

Permanente verbetering van de verkeersveiligheid op de weg, vanuit een integrale visie op voertuig, gedrag en infrastructuur.

Slimme en duurzame mobiliteit

Het slimste, veiligste en meest duurzame mobiliteitssysteem van Europa, over weg en spoor, via lucht en water en via internet, waarbij zoveel mogelijk gebruik gemaakt wordt van innovatieve toepassingen.

Tabel 23 Samenvatting budgettaire gevolgen van beleid art.14 per subthema (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

341.514

493.849

206.740

189.766

141.567

109.207

97.159

        

Uitgaven

236.170

253.250

293.933

301.485

226.516

170.629

134.611

        

Uitgaven onderverdeeld per subthema

       

1 Netwerk

59.438

35.408

20.413

19.433

13.131

13.372

9.685

2 Verkeersveiligheid

51.575

21.280

19.789

15.965

16.163

16.516

16.516

3 Slimme en duurzame mobiliteit

125.157

196.562

253.731

266.087

197.222

140.741

108.410

        

Ontvangsten

2.672

6.782

5.782

5.782

5.782

5.782

5.782

B. Rol en verantwoordelijkheid

Voor rollen en verantwoordelijkheden die de Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft bij Wegen en Verkeersveiligheid heeft voor Netwerk, Verkeersveiligheid en Duurzame en slimme mobiliteit verschillende accenten. Onderstaande tabel geeft een in een overzicht de uitwerking wat deze rollen en verantwoordelijkheden zijn en op welke van de drie onderscheiden strategische doelen ze betrekking hebben. De Minister is verantwoordelijk voor de volgende rollen en verantwoordelijkheden: stimuleren, regisseren en (doen) uitvoeren.

Tabel 24 Rollen en verantwoordelijkheden
 

Stimuleren

Regisseren

(doen) uitvoeren

Algemene toelichting

 

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het beleid inzake wegen en verkeersveiligheid. Via (toezicht op) wet- en regelgeving, aansturing van RWS in het beheer van het hoofdwegennet en afspraken met medeoverheden, het bedrijfsleven en andere maatschappelijke organisaties, zorgt IenW voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan. Daarbij wordt ingespeeld op ontwikkelingen bij gebruikers, voertuigen en infrastructuur. Deze regierol wordt concreet ingevuld door:

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust en veilig mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor). Voor het hoofdwegennet betekent dit dat de Minister zorgt voor:

1. Netwerk

 

• Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, snelheden, doorstroming en duurzaamheid;• Samen met (internationale) overheden en marktpartijen te werken aan de marktcondities ten behoeve van veiligheid, bereikbaarheid en economie in het wegvervoer;• Het invoeren van vrachtwagenheffing in navolging van omringende landen;• Het vormen van de kaders voor de bereikbaarheidsopgaven zoals de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en de gebiedsagenda’s. Maatschappelijke en technologische ontwikkelingen maken een andere aanpak van deze bereikbaarheidsopgaven op (middel)lange termijn nodig én mogelijk;• Samen met de medeoverheden het uitwerken van het Nationaal Toekomstbeeld Fiets zoals samen met deze overheden inzetten op het wegnemen van knelpunten van bestaande fietsinfrastructuur en investeringen in fietsinfrastructuur onder andere in het kader van de woonopgave.

• De besluitvorming over en uitvoering van infrastructuur in relatie tot gebiedsontwikkeling; • Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd; • De bijdragen zijn gerelateerd aan het Mobiliteitsfonds.

2. Verkeersveiligheid

Omdat veruit de meeste verkeersslachtoffers vallen op gemeentelijke en provinciale wegen, wordt in het kader van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid een impuls gegeven aan het onderliggend wegennet. De Minister van IenW stimuleert met de Investeringsimpuls verkeersveiligheid: • Het aanpakken van de meest verkeersonveilige locaties en grootste risico’s op het onderliggend wegennet. Dit doet IenW door in verschillende tranches maximaal 50% bij te dragen aan verkeersveiligheidsmaatregelen van medeoverheden;• Innovatieve toepassingen op het gebied van verkeersveiligheid.

• Samen met de medeoverheden en maatschappelijke organisaties in te zetten op een risicogestuurde aanpak via het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030; • Het toezicht houden op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie artikel 24 Handhaving en Toezicht).

 

3. Slimme en duurzame mobiliteit

Om invulling te geven aan het klimaatbeleid wordt ingezet op de reductie van de CO2-uitstoot van het wegverkeer en de binnenvaart. In dat kader stimuleert het ministerie van IenW:• Schonere, zuinigere en stillere voertuigen. Dit gebeurt onder andere door de reeds in gang gezette transitie naar emissieloze voertuigen verder voort te zetten en samen met de decentrale overheden en sectorpartijen slimme logistieke concepten te ontwikkelen voor (stedelijke) distributie;• De productontwikkeling van klimaattechnologieën en -innovaties in de transportsector die bijdragen aan een lage of zero emissie CO2-uitstoot.

• Uitvoering geven aan de afspraken en ambities op gebied van CO2-reductie in de sector mobiliteit op basis van het Klimaatakkoord;• Het ontwikkelen van een slim en duurzaam vervoerssysteem met stakeholders en gebruikers, waarvan de onderdelen naadloos op elkaar aansluiten. Hierbij gaat het om een toekomstbestendig toelatingssysteem, digitalisering en het gebruik van data;• Het bevorderen van de veiligheid, bereikbaarheid en het beperken van de kosten door verbetering van de reisinformatie en het verkeersmanagement. Via inzet op de laatste technologieën en samenwerking tussen bedrijfsleven en wegbeheerders verbetert de reisinformatie voor de reiziger, die zich daardoor zowel beter kan voorbereiden op de reis, als de reis kan aanpassen;• Het verlenen van de opdracht aan de NEa om hernieuwbare energie voor het verkeer te registreren en te rapporten over duurzaamheid en de CO2-prestatie.

 

Operationele doelen, indicatoren en kengetallen

De operationele doelen, beleidsmatige indicatoren en kengetallen zijn in deze paragraaf beschreven voor de subthema's Netwerk, Verkeersveiligheid en Duurzame en slimme mobiliteit. In productartikel 12 van het Mobiliteitsfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

1 Netwerk

Operationele doelen

In de Ontwerpbegroting van 2025 zullen bij dit onderdeel operationele doelen worden toegevoegd met als doel een betere aansluiting met de indicatoren en kengetallen. Zie voor een nadere toelichting de leeswijzer.

Indicatoren en kengetallen

Hieronder zijn beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor het subthema Netwerk opgenomen.

Toelichting indicatoren en kengetallen Netwerk

Bereikbaarheid

Met de hoofdwegennet-indicator worden de economische verlieskosten van (toekomstige) knelpunten in beeld gebracht, met als doel om die nieuwe projecten te prioriteren, die de meeste economische verlieskosten oplossen. Rijkswaterstaat zal in haar Rapportage Rijkswegennet die jaarlijks in het laatste kwartaal verschijnt) een filetop 50 kaart en tabel opnemen met de hoogste economische verlieskosten. Deze tabel wordt overgenomen in de verantwoordingsrapportage. In het MIRT projectenboek wordt dezelfde kaart opgenomen en per MIRT-project de bijdrage aan het oplossen van de filetop 50 worden weergegeven.

Exploitatie

Verwezen wordt naar het Mobiliteitsfonds artikel 12.01.

Onderhoud en vernieuwing

Verwezen wordt naar het Mobiliteitsfonds artikel 12.02.

Regelgeving en afspraken

Verwezen wordt naar het Mobiliteitsfonds artikel 12.02.04 (beschikbaarheid, verhouding verstoring wegwerkzaamheden ten opzichte van totale versto ringen, tijdsduur percentage van het jaar dat de weg veilig beschikbaar is).

2 Verkeersveiligheid

Operationele doelen

In de Ontwerpbegroting van 2025 zullen bij dit onderdeel operationele doelen worden toegevoegd met als doel een betere aansluiting met de indicatoren en kengetallen. Zie voor een nadere toelichting de leeswijzer.

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor het subthema Verkeersveiligheid opgenomen.

Tabel 25 Indicator: Ontwikkeling aantal verkeersslachtoffers1
 

Basiswaarde 2002

2017

2018

2019

2020

2021

Aantal verkeersdoden

1.066

613

678

661

610

582

Ernstig verkeersgewonden

16.100

20.800

21.700

21.400

19.700

n.n.b.

X Noot
1

Bron:

Toelichting indicator: ontwikkeling aantal verkeersslachtoffers

Verkeersveiligheid

In het Strategisch Plan Verkeersveiligheid is de ambitie van 0 verkeersslachtoffers in 2050 opgenomen. De jaarrapportages van het aantal verkeersdoden en ernstig gewonden zijn belangrijke indicatoren, waar de SWOV duiding aan geeft in de «Staat van de Verkeersveiligheid». De analyse van de SWOV wordt jaarlijks aan de Kamer aangeboden.

Op 13 april 2022 maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) bekend dat er 582 mensen in het verkeer om het leven kwamen in 2021. Dat zijn 28 verkeersdoden minder dan in 2020 toen er 610 verkeersdoden waren en het derde jaar op rij dat het aantal verkeersdoden afnam Het aantal mensen dat verongelukte op de motor en de bromfiets nam toe, het aantal dodelijke slachtoffers op de fiets en in de auto verminderde. De meeste slachtoffers waren in 2021 fietsers (36%) en auto-inzittenden (30%). De meeste verkeersdoden in het verkeer vallen onder ouderen: 220 verkeersdoden waren 70 jaar of ouder (38%). Kinderen (0-14 jaar) komen juist relatief weinig om in het verkeer: 17 (3%). Vergeleken met 2000 is het aantal dodelijke slachtoffers van verkeersongevallen gehalveerd, ondanks de groei van de bevolking. De gegevens over ernstig verkeersgewonden 2021 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het opstellen van deze begroting. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij het jaarverslag 2022.

3 Duurzame en slimme mobiliteit

Operationele doelen

In de Ontwerpbegroting van 2025 zullen bij dit onderdeel operationele doelen worden toegevoegd met als doel een betere aansluiting met de indicatoren en kengetallen. Zie voor een nadere toelichting de leeswijzer.

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor het subthema Duurzame en slimme mobiliteit opgenomen.

Tabel 26 Indicator: Lokale luchtkwaliteit NO2 en geluidsknelpunten langs hoofdwegen waarvoor nog een saneringsplan moet worden opgesteld1
 

2017

2018

2019

2020

2021

Streefwaarde peildatum

Lokale luchtkwaliteit NO2

0

0

0

0

n.n.b.

0 knelpunten langs rijkswegen

Geluidsknelpunten langs rijkswegen waarvoor nog een saneringsplan moet worden vastgesteld

5.550

5.500

5.450

5.400

2.350

0 knelpunten in 2023

X Noot
1

Bron:

Toelichting indicator: lokale luchtkwaliteit NO2 en geluidsknelpunten

Luchtkwaliteit

De inzet is gericht op het voorkomen dat nieuwe knelpunten ontstaan. Hierover wordt in de jaarverslagen gerapporteerd op basis van de jaarlijkse monitoring over het gepasseerde jaar. Langs het hoofdwegennet was er in de jaren 2017-2020 geen sprake van overschrijding van de normen voor luchtkwaliteit. De gegevens over de voor luchtkwaliteit in 2021 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het opstellen van deze begroting. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij de Jaarverantwoording 2022.

Geluid

De genoemde getallen voor geluid betreffen het aantal objecten (met name woningen) met een geluidbelasting op de gevel boven de maximale waarde van 65dB, waarvoor nog een geluidsaneringsplan moet worden opgesteld. De peildatum van 2023 betreft de datum voor het opstellen van een saneringsplan. In deze context is sprake van nul knelpunten als voor alle saneringsobjecten een saneringsplan is opgesteld. De termijn voor de uitvoering van de saneringsmaatregelen wordt in de saneringsplannen vastgelegd en zoveel mogelijk gecombineerd met reguliere vervanging van het wegdek en eventuele wegaanpassingen.

Tabel 27 Ontwikkeling verplichting aandeel hernieuwbare energie in het vervoer, limiet conventionele biobrandstoffen en subdoelstelling geavanceerde biobrandstoffen (in %)12
 

2017

2018

2019

2020

2021

Jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer

7,75

8,5

12,5

16,4

17,5

Realisatie

7,75

8,9

12,7

16,5

17,2

Limiet conventionele biobrandstoffen

 

3

4

5

5

Realisatie

 

1,5

1,2

1,7

1,3

Subdoelstelling geavanceerde biobrandstoffen

 

0,6

0,8

1

1,2

Realisatie

 

0,8

1,9

2,6

6,8

X Noot
1

Bron:

X Noot
2

Bron:

Toelichting indicator: ontwikkeling verplichting aandeel hernieuwbare energie in vervoer

In artikel 3 van het Besluit Energie Vervoer is de ontwikkeling van de jaarverplichting hernieuwbare energie, de limiet op conventionele biobrandstoffen en subverplichting voor geavanceerde biobrandstoffen in het vervoer van 2018 tot en met 2021 vastgelegd. Jaarlijks moeten brandstofleveranciers van met name wegvervoer een verplicht aandeel hernieuwbare energie realiseren binnen de wettelijke kaders in vervoer. In 2021 is de verplichting van 17,5% gehaald. Weliswaar is het aandeel gerealiseerde Hernieuwbare Energie (HBE) 17,2%, maar bedrijven hebben spaartegoeden (overprestaties uit voorgaande jaren) aangewend om de verplichting te realiseren.

Het beleid tot 2021 stoelde op de Europese Richtlijn hernieuwbare energie (RED I). Vanaf 2022 is het beleid aangepast naar aanleiding van de RED II implementatie, rekening houdend met het Klimaatakkoord en het Duurzaamheidskader biogrondstoffen. Het aangepaste beleid zet een pad aan jaarverplichtingen, subdoelen en limieten tot en met 2030 en is in december 2021 vastgelegd in Nederlandse wetgeving.

Tabel 28 Kengetal: Ontwikkeling CO2-emissie nieuwe personenauto's in gram CO2 per kilometer1
 

2010

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Streefwaarde 2022

EU

140,3

119,6

118,1

118,5

120,8

122,4

130,3

n.n.b.

(95,0)

  

(130,0)2

       

Nederland

135,8

101,2

105,9

108,3

105,5

100

100,3

n.n.b.

(95,0)

X Noot
1

Bron:

X Noot
2

Norm

Toelichting kengetal: ontwikkeling CO2-emmissie nieuwe personenauto's

De CO2-uitstoot van nieuwe voertuigen in Nederland wordt jaarlijks gemonitord. De lichte stijging in de voorbije jaren van de gemiddelde uitstoot van nieuw verkochte voertuigen in Nederland heeft meerdere oorzaken. Ten eerste worden er de laatste jaren grotere, zwaardere en minder zuinige voertuigen aangeschaft. Ten tweede zijn alle fiscale stimuleringsmaatregelen voor plug-ins afgeschaft waardoor de verkoop van deze zeer zuinige voertuigen is gedaald. Op Europees niveau is aan fabrikanten opgelegd om in 2021 een gemiddeld CO2-uitstoot te realiseren van 95g/km. In 2025 moet de uitstoot met 15% zijn afgenomen, in 2030 met 37,5%. De Commissie heeft, als onderdeel van het fit-for-55 pakket voorgesteld om de doelstelling voor 2030 aan te scherpen tot 55%. De gegevens over 2021 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het opstellen van deze begroting. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij het jaarverslag 2022.

Tabel 29 Kengetal: Emissies luchtverontreinigende stoffen en broeikasgas door verkeer en vervoer. Betreft mobiele bronnen totaal, dus transportmiddelen en mobiele werktuigen, exclusief zeevaart, in kiloton1
 

Realisatie 2000

Realisatie 2005

Realisatie 2010

Realisatie 2015

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Realisatie 2021

Raming 2025

Raming 2030

NOx

299,2

266,8

220,4

169,9

154,5

150

138,5

119,8

n.n.b.

107

91

SO2

14,9

9,5

2,9

1

0,9

0,8

0,9

0,7

n.n.b.

0,6

0,5

PM2,5

15,9

12,2

7,7

4,9

3,7

3,2

n.n.b.

2,6

2,2

NH3

4,3

5,3

4,9

4,1

4,44

4,42

4,5

3,9

n.n.b.

5,1

5,5

NMVOS2

88,3

58,7

48,9

37,4

36,9

36,1

36,1

32,5

n.n.b.

26

24

X Noot
1

Bron: Voor NOx, SO2, NH3, NMVOS: ) Voor PM 2,5:

X Noot
2

Vluchtige Organische Stoffen, exclusief Methaan.

Toelichting kengetal: emmissies luchtverontreinigende stoffen en broeikasgas

De sector mobiliteit draagt substantieel bij aan de totale emissie van luchtverontreinigende stoffen. Nederland moet op grond van Europese regelgeving (NEC-richtlijn EU 2016/2284) voor iedere stof voldoen aan een nationaal emissieplafond, maar er is geen specifiek doel voor «mobiliteit». In december 2016 zijn de nieuwe doelstellingen voor luchtverontreinigende stoffen vastgesteld voor de periodes 2020 ‒ 2029 en de periode 2030 en verder. De tabel laat zien dat de emissies die aan mobiliteit gerelateerd zijn nog steeds stelselmatig dalen. Berekeningen van het PBL geven aan dat dit ook voor 2025 en 2030 het geval zal zijn. Mede dankzij deze trend is de verwachting gerechtvaardigd dat Nederland ook in de toekomst aan de NEC-verplichtingen kan voldoen. Daarnaast is in het Schone Lucht Akkoord als streefdoel opgenomen dat de negatieve gezondheidseffecten van verkeersemissies voor heel Nederland in 2030 met 70% afnemen ten opzichte van 2016. De gegevens over 2021 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het opstellen van deze begroting. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij het jaarverslag 2022.

C. Beleidswijzigingen

Instandhouding (Coalitieakkoord)

In het Coalitieakkoord zijn extra middelen beschikbaar gesteld voor exploitatie, onderhoud en vernieuwing van de Rijksinfrastructuur. Deze middelen komen vanaf 2023 beschikbaar op het Mobiliteitsfonds. Voor de korte termijn (periode tot en met 2025) worden de middelen ingezet om de programmering van Rijkswaterstaat en ProRail op te hogen. Ondanks de grotere financiële ruimte kan in de eerste jaren nog niet het uitgestelde onderhoud op de RWS-netwerken worden ingelopen, maar wordt wel toegewerkt naar een stabilisatie. Komende jaren zal kritisch gekeken worden naar het benodigde kwaliteitsniveau van de netwerken voor een bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Prestaties, budgetten en risico’s worden weer in evenwicht gebracht en er wordt ook rekening gehouden met het toekomstbestendig maken van de netwerken.

Verkeersveiligheid Rijks-N-wegen (Coalitieakkoord)

De afgelopen jaren is vanuit het programma «Meer Veilig» gewerkt aan het verbeteren van de verkeersveiligheid op het hoofdwegennet, op zowel autosnelwegen als N-wegen in beheer van het Rijk. Door het nieuwe Kabinet is € 200 miljoen beschikbaar gesteld voor de verbetering van verkeersveiligheid op Rijks-N-wegen. Dit betreft een forse intensivering ten opzichte van het huidige budget. Deze middelen komen vanaf 2023 beschikbaar op het Mobiliteitsfonds en in dat jaar zullen ook de eerste maatregelen worden getroffen.

Digitalisering

Smart Mobility bevindt zich in de fase waarin via projecten en programma’s de kansen van slimme toepassingen zijn verkend naar beleidsmatige borging, waarbij deze toepassingen structurele inpassing vergen in de reguliere processen en in beheer genomen dienen te worden. Hiertoe wordt de komende jaren een aantal zaken in gang gezet, waaronder de introductie van geautomatiseerde systemen in voertuigen via implementatie van de General Safety Regulation (GSR), het opzetten van een Nationaal Toegangspunt Mobiliteitsdata (NTM) om als Nederland vanuit de kaders van de Intelligent Transport Systems (ITS) Directive koploper te worden in Europa wat betreft het ontsluiten van mobiliteitsdata en het in samenwerking met de markt te komen tot maatschappelijk relevante diensten voor digitaal verkeersmanagement (projecten Road Monitor en Safety Priority Services).

Duurzame mobiliteit

Naar verwachting komt in 2023 een accucheck voor gebruikte elektrische auto’s beschikbaar. In 2023 worden beleidsconvenanten met de Nationale Agenda Laadinfrastructuur (NAL) regio’s gesloten voor de komende jaren om afspraken te maken over de uitrol van de laadinfrastructuur.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 30 Budgettaire gevolgen van beleid art.14 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

341.514

493.849

206.740

189.766

141.567

109.207

97.159

        

Uitgaven

236.170

253.250

293.933

301.485

226.516

170.629

134.611

        

1 Netwerk

59.438

35.408

20.413

19.433

13.131

13.372

9.685

Opdrachten

5.878

13.451

11.206

11.451

8.232

8.473

4.786

Wegverkeersbeleid

3.530

10.243

8.449

8.670

5.360

5.350

4.094

Unit Smart Mobility

1.390

1.940

2.378

2.439

2.439

2.672

0

Overige opdrachten

958

1.268

379

342

433

451

692

Subsidies

0

17

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

9.791

8.542

6.739

6.074

4.899

4.899

4.899

Bijdrage aan agentschap RWS

9.352

8.120

6.739

6.074

4.899

4.899

4.899

Overige bijdragen aan agentschappen

439

422

0

0

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

42.600

9.760

1.414

1.400

0

0

0

Regionale bijdrage MIRT

31.562

5.760

1.414

1.400

0

0

0

Overige bijdrage aan medeoverheden

11.038

4.000

0

0

0

0

0

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

500

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

669

3.638

1.054

508

0

0

0

        

2 Verkeersveiligheid

51.575

21.280

19.789

15.965

16.163

16.516

16.516

Opdrachten

6.629

7.731

6.387

4.510

4.747

5.511

5.511

Verkeersveiligheid

6.629

7.731

6.387

4.510

4.747

5.511

5.511

Subsidies

10.404

10.937

9.735

9.638

9.639

9.228

9.228

Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV)

4.121

4.278

4.131

4.131

4.132

4.365

4.365

Veilig Verkeer Nederland (VVN)

3.844

3.982

3.944

3.944

3.944

4.029

4.029

Overige subsidies

2.439

2.677

1.660

1.563

1.563

834

834

Bijdrage aan agentschappen

879

755

700

660

620

620

620

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

30

30

30

0

0

0

0

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

33.633

1.827

2.937

1.157

1.157

1.157

1.157

Bijdrage aan CBR

32.058

1.457

2.207

1.157

1.157

1.157

1.157

Overige bijdragen

1.575

370

730

0

0

0

0

        

3 Slimme en Duurzame Mobiliteit

125.157

196.562

253.731

266.087

197.222

140.741

108.410

Opdrachten

23.694

42.679

156.047

179.662

143.903

62.271

54.940

Reservering Klimaatakkoord

0

3.178

117.718

150.320

127.776

49.688

42.300

Duurzame logistiek

6.079

9.050

9.500

5.500

0

0

0

Innovatie en Intelligente Transportsystemen

9.278

9.067

9.131

4.822

160

159

160

Programma duurzame mobiliteit

1.225

4.508

8.453

8.971

6.146

6.189

6.400

Innovatie, strategie voor Mobiliteit (ISM)

0

2.755

3.740

3.740

3.740

0

0

Verkeersemissies

1.486

3.201

3.244

3.287

3.089

3.167

3.167

Programma fiets

1.311

1.380

2.505

1.237

1.322

1.364

1.375

Duurzame energiedragers in mobiliteit

2.225

1.273

1.338

1.338

1.338

1.338

1.178

Overige opdrachten

2.090

8.267

418

447

332

366

360

Subsidies

51.722

115.418

78.018

70.086

38.287

65.937

42.737

Bronmaatregelen stikstof

0

19.159

39.000

39.500

34.500

34.500

24.500

Elektrisch vervoer

26.620

72.678

23.800

22.500

1.000

30.000

17.000

Duurzame mobiliteit

23.693

22.002

13.740

6.598

1.350

0

0

Overige subsidies

1.409

1.579

1.478

1.488

1.437

1.437

1.237

Bijdrage aan agentschappen

17.251

20.356

7.404

8.039

7.432

5.933

5.933

Bijdrage aan agentschap Nea

3.905

4.705

5.359

5.994

5.387

3.888

3.888

Bijdrage aan agentschap RWS

2.994

3.446

1.679

1.679

1.679

1.679

1.679

Bijdrage aan agentschap RVO

10.352

11.842

366

366

366

366

366

Overige bijdragen aan agentschappen

0

363

0

0

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

30.520

17.701

12.262

8.300

7.600

6.600

4.800

Duurzame mobiliteit

6.030

4.075

10.200

7.300

6.600

6.600

4.800

Mobiliteit en Gebieden

24.490

13.626

2.062

1.000

1.000

0

0

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

954

100

0

0

0

0

0

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

1.016

308

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

2.672

6.782

5.782

5.782

5.782

5.782

5.782

Tabel 31 Uitsplitsing verplichtingen art. 14
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

341.514

493.849

206.740

189.766

141.567

109.207

97.159

waarvan garantieverplichtingen

31.000

0

0

0

0

0

0

waarvan overige verplichtingen

310.514

493.849

206.740

189.766

141.567

109.207

97.159

Tabel 32 Extracomptabele verwijzing naar artikel 12 Hoofdwegennet van het Mobiliteitsfonds (x € 1.000)
 

2023

2024

2025

2026

2027

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 12 Hoofdwegennet

3.137.043

3.861.012

3.739.238

3.075.323

2.790.057

Andere ontvangsten van artikel 12 Hoofdwegennet

8.307

44.797

49.951

59.676

70.975

Totale uitgaven op artikel 12 Hoofdwegennet

3.145.350

3.905.809

3.789.189

3.134.999

2.861.032

waarvan

      

12.01

Exploitatie

4.478

4.266

4.159

4.159

4.159

12.02

Onderhoud en vernieuwing

1.135.979

1.228.776

1.371.067

742.576

698.813

12.03

Ontwikkeling

714.418

1.113.186

1.124.159

1.159.608

891.570

12.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

514.098

887.350

616.391

628.301

677.374

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

776.377

672.231

673.413

600.355

589.116

Tabel 33 Extracomptabele verwijzing naar artikel 17.08 ZuidasDok van het Mobiliteitsfonds (x € 1.000)
 

2023

2024

2025

2026

2027

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk HXII aan artikel 17.08 Zuidasdok

183.980

157.212

77.265

119.759

155.136

Andere ontvangsten van artikel 17.08 Zuidasdok

     

Totale uitgaven op artikel 17.08 Zuidasdok

183.980

157.212

77.265

119.759

155.136

waarvan

      

17.08

Zuidasdok

183.980

157.212

77.265

119.759

155.136

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 34 Fiscale regelingen 2021-2023, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1
 

2021

2022

2023

BPM Vrijstelling nulemissievoertuigen2

28

28

40

MRB Vrijstelling nulemissievoertuigen3

133

199

260

IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto's4

481

453

338

MRB Halftarief plug-in hybride auto’s

42

48

56

X Noot
1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

X Noot
2

BPM = Belasting van personenauto’s en motorrijwielen

X Noot
3

MRB = Motorrijtuigenbelasting

X Noot
4

IB = Inkomstenbelasting; LB = Loonbelasting

Budgetflexibiliteit

Onderstaand is in lijn met de voorschriften uit de regeling Rijksbegrotingsvoorschriften een kwalitatieve toelichting voor de juridisch verplichte uitgaven opgenomen. Zie voor een nadere toelichting de ‘wijzigingen RBV 2022’ zoals opgenomen in de leeswijzer.

Tabel 35 Budgetflexibiliteit
 

2023

juridisch verplicht

88%

bestuurlijk gebonden

4%

beleidsmatig gereserveerd

4%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

4%

Toelichting

Van het totale budget voor artikel 14 is voor 2023 88% juridisch verplicht.

Opdrachten

Er moet op dit instrument onderscheid worden gemaakt in reguliere opdrachtenbudgetten en de gereserveerde klimaatakkoordmiddelen. Het beschikbare, reguliere opdrachtenbudget in 2023 is voor 25% juridisch verplicht. Van het reguliere opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen. Verder is een deel van de uitgaven gekoppeld aan Europese regelingen en dus volledig juridisch verplicht. De Klimaatakkoordmiddelen staan voor een groot deel nog gereserveerd op het opdrachtenbudget en worden jaarlijks gerealloceerd naar de subsidies voor elektrische auto's en die van bestel- en vrachtauto's. Deze subsidieplafonds liggen vast in regelingen en zijn dus volledig juridisch verplicht (voor 100%). Het niet-juridisch verplichte deel vande reguliere opdrachten op dit artikel wordt aangewend voor onder andere opdrachten voor het uitvoeren van onderzoeken en voor het uitvoeren van bijvoorbeeld verkeersveiligheidscampagnes.

Subsidies

Het beschikbare budget in 2023 is voor 100% juridisch verplicht. Dit betreffen subsidies aan Veilig Verkeer Nederland (VVN), Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV), CROW en TeamAlert. Voor de subsidies aan VVN, SWOV, CROW en Team Alert zijn de maximaal beschikbare subsidiebudgetten vermeld in de gepubliceerde meerjarensubsidieregelingen c.q. jaarlijks gepubliceerde subsidieplafonds. Ook de subsidies voor elektrisch auto's (particulier, bestel en vracht) liggen vast in regelingen en zijn dus volledig juridisch verplicht. Voor het volledige subsidieoverzicht wordt verwezen naar bijlage 5 in deze begroting.

Bijdrage aan agentschappen

De uitgaven voor de agentschapsbijdragen RWS, NEA en het RVO zijn volledig juridisch verplicht en hebben een structureel karakter. De bijdrage aan RWS heeft betrekking op beleidsondersteuning en advies (BOA). RWS reserveert capaciteit voor het uitvoeren van studies of het leveren van bijdragen daaraan, adviezen met betrekking tot beleidsnota’s en de uitvoerbaarheid van beleid. De bijdrage aan de NEa wordt verstrekt voor het uitvoeren van onder andere wettelijke taken op het gebied van Energie Vervoer (hernieuwbare energievervoer en brandstoffen luchtverontreiniging). Met de bijdrage aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) wordt een deel van de beleidsuitvoering (uitvoering van de DKTI-regeling, subsidies elektrisch vervoer en andere beleidsondersteunende werkzaamheden) uitbesteed.

Bijdrage aan medeoverheden

De bijdrage aan medeoverheden zijn 100% juridisch verplicht. Het betreft betreft de specifieke uitkering (SPUK) voor «zero emissie bussen» voor € 10,2 miljoen, € 1,4 miljoen voor de RISM II (een Europees vastgestelde richtlijn ter verbetering van de verkeersveiligheid in Europa), € 1 miljoen voor de specifieke uitkering Veilig, doelmatig en duurzaam (VSD) en € 1 miljoen voor Pakket Zeeland (Living Lab).

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Het gaat hier om de bijdrage voor aan het CBR (€ 2,2 miljoen), RDW (€ 0,4 miljoen) en IBKI (€ 0,3 miljoen). De bijdrage aan het CBR voor onder andere het vorderingenonderzoek «medisch en rijvaardigheid» is voor 25% juridisch verplicht. Daarnaast is de bijdrage aan de RDW alsmede de bijdrage aan de IBKI voor 50% juridisch verplicht.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

1 Netwerk

Opdrachten

Het Ministerie van IenW geeft onderzoeksopdrachten op het gebied van verkeer en wegmaatregelen. Daarnaast vinden uitgaven plaats voor Smart Mobility (in het kader van de zelfrijdende auto) en Wegverkeersbeleid (zoals het kennisplatform tunnelveiligheid en taken in het kader van de wet Samen werken aan de uitvoering van nieuw geluidbeleid (SWUNG)). De uitgaven voor de overige opdrachten bestaan onder andere uit onderzoeken, communicatie, monitoring en evaluatie, gedrag- en vraagbeïnvloeding en het meerjarenprogramma MIRT.

Bijdrage aan agentschappen (RWS beleidsondersteuning en -advisering)

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en –advisering die RWS uitvoert. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

Bijdrage aan medeoverheden

Aan medeoverheden worden bijdragen verstrekt in het kader van het mobiliteitsprogramma SmartwayZ.nl. Ook worden hier bijdragen aan provincies en gemeentes verantwoord voor het uitvoeren van bepaalde procedures ten behoeve van de verkeersveiligheid bij het ontwerp, de aanleg en in de gebruiksfase van wegen (RISM II). Dit komt voort uit de richtlijn 2008/96/EG.

2 Verkeersveiligheid

Opdrachten

Onder opdrachten vallen de onderzoeken en activiteiten die gerelateerd zijn aan de uitvoering van het Landelijk Actieprogramma Verkeersveiligheid, dat een onderdeel vormt van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030 zoals beleidsontwikkeling voor beginnende bestuurders, maatregelen fietsveiligheid, het verbeteren van de verkeersveiligheid voor specifieke doelgroepen zoals ouderen. Onder dit artikel vallen ook opdrachten in verband met vergoedingen commissie rijgeschiktheid van de Gezondheidsraad en onderzoek rijden onder invloed. Het stimuleren van de verkoop van veilige voertuigen gebeurt door deelname aan Euro NCAP (New Car Assessment Programme). Euro NCAP beoordeelt onafhankelijk de veiligheidsprestaties van Europa’s meest verkochte auto’s. Om gedragsbeïnvloeding te bereiken wordt onder meer het Meerjarenprogramma Campagnes Verkeersveiligheid uitgevoerd (BOB en MONO).

Investeringsimpuls verkeersveiligheid

Voor het verbeteren van de meest verkeersonveilige locaties en grootste risico’s op het onderliggend weggennet is voor de periode 2020-2030 een investeringsbedrag van € 500 miljoen vrijgemaakt voor cofinanciering (maximaal 50%) in verschillende tranches. Deze middelen staan gereserveerd op het Mobiliteitsfonds en zullen per trache worden overgeheveld naar de beleidsbegroting Hoofdstuk XII.

Subsidies

Er worden in 2023 subsidies verstrekt aan maatschappelijke organisaties Veilig Verkeer Nederland (VVN), Team Alert, de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) en CROW. CROW is een onafhankelijk kenniscentrum voor infrastructuur, openbare ruimte en verkeer en vervoer.

Bijdrage aan agentschappen

Met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleidsdirectoraten van IenW. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

Incidentele werkzaamheden voor ZBO's en RWT’s (zoals CBR en RDW) komen ten laste van dit financieel instrument.

3 Slimme en duurzame mobiliteit

Opdrachten

Het Ministerie van IenW geeft onderzoeksopdrachten op het gebied van het verduurzamen van mobiliteit. Op het gebied van verkeersemissies worden opdrachten verstrekt voor de uitvoering van steekproefcontroleprogramma's door de Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) inzake voertuigemissies. Daarbij gaat het in hoofdzaak om metingen in zowel het laboratorium als op de weg van schadelijke stoffen in uitlaatgassen van personen-, bestel- en vrachtauto’s en bussen. De uitgaven voor de overige opdrachten bestaan onder andere uit onderzoeken, communicatie, monitoring en evaluatie, gedrag- en vraagbeïnvloeding, het MIRT en Intelligente Transportsystemen (ITS), ditalisering, Intelligente verkeersregelingsinstallaties (iVRI’s), Connected Transport Corridors en innovatie en opdrachten in het kader van wandel- en fietsroutes.

Middelen Klimaatakkoord

Het kabinet heeft met het nationale Klimaatakkoord en in het verlengde daarvan de doelstelling in het huidige Coalitieakkoord tot doel gesteld om de uitstoot van broeikasgassen in Nederland terug te dringen met 55% ten opzichte van 1990. Voor de reductie naar de mobiliteitssector is tot en met het jaar 2030 € 40 miljoen per jaar beschikbaar gesteld. De middelen zijn deels al naar het juiste financiële instrument overgeboekt. Het gaat dan met name om subsidies.

Subsidies

De Demonstratieregeling Klimaat Technologieën en Innovaties in Transport (DKTI-Transport) geeft invulling aan de doelstellingen van het Energieakkoord en het Klimaatakkoord. De regeling ondersteunt projecten voor duurzaam vervoer, met als doel het verminderen van de CO2-uitstoot. De projecten zijn vanwege het innovatieve karakter veelal meerjarige projecten en vanuit doelmatigheidsoverwegingen vinden de uitkeringen op basis van de verwachte kasbehoefte en gerealiseerde voortgang over een aantal jaren plaats.

De stimuleringsregeling elektrische personenauto's particulieren (SEPP) heeft tot doel het stimuleren van de aanschaf en lease van volledig elektrische personenauto’s in de kleinere en compacte middenklasse door particulieren, teneinde de emissie van CO2 te verminderen.

De stimuleringsregeling Emissieloze bedrijfsauto's (SEBA) heeft tot doel de ingroei van elektrische bestel- en vrachtauto’s te versterken.

In de tabel budgettaire gevolgen van beleid is de subsidiebijdrage voor reductie van stikstof voor lage en emissieloze bouwwerktuigen en bouwlogistieke voertuigen opgenomen. Met deze subsidieregeling wordt de bouwsector in staat gesteld op korte termijn zijn vervuilende materieel te vervangen door emissievrij materieel dat nu nog hogere kosten kent maar wel reeds beschikbaar is of om te bouwen naar emissiearm materieel in geval van lange afschrijvingstermijnen.

Voor onderzoeksprojecten die bijdragen aan het kennis- en innovatieprogramma bouwlogistiek en Mobiele Werktuigen als onderdeel van de routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB) is € 2,5 miljoen beschikbaar in 2023.

Inzake het Bestuursakkoord Zero Emissie Busvervoer tussen Nederlandse ov-concessieverleners is een subsidie verleend voor de periode 2022 tot en met 2025 voor de financiële administratie en het beheer van de Decentrale OV-Autoriteiten (DOVA).

Overige subsidies

In de tabel Budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel zijn de subsidieverplichtingen voor het jaar 2023 opgenomen. De uitgaven hebben betrekking op de mogelijke verlening van subsidies:

  • Een subsidie van maximaal € 600.000 aan de Vereniging Fietsersbond voor de belangenbehartiging voor fietsen;

  • Een subsidie van maximaal € 125.000 aan de Stichting Dutch Cycling Embassy voor de internationale profilering van Nederland als fietsland;

  • Een subsidie van maximaal € 262.000 aan de Stichting Fietsplatform voor de coördinatie en monitoring van de landelijke recreatieve fietsroutes;

  • Een subsidie van maximaal € 261.000 aan de Stichting Wandelnet voor de coördinatie en monitoring van het landelijk wandelroutenetwerk en de belangenbehartiging voor wandelen en lopen;

  • Een subsidie van maximaal € 200.000 aan de Stichting Coalitie Anders Reizen voor ondersteunende activiteiten ten behoeve van het verduurzamen van zakelijke mobiliteit van werkgevers;

  • Een subsidie van maximaal € 100.000 aan de Coöperatie Samenwerkingsverband DOVA U.A. voor de financiële administratie en het beheer, zoals voortvloeit uit het Bestuursakkoord Zero Emissie Busvervoer tussen Nederlandse ov-concessieverleners.

  • Bovenstaande begrotingsvermeldingen vormen de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverleningen als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.

Bijdrage aan agentschappen

Met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleidsdirectoraten van IenW. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

Jaarlijks verstrekt het Ministerie van IenW voor het uitvoeren van onder andere wettelijke taken op het gebied van Energie Vervoer (hernieuwbare energievervoer en brandstoffen luchtverontreiniging) een opdracht aan de NEa.

Aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) wordt een deel van de beleidsuitvoering (uitvoering van de DKTI-regeling, subsidies elektrisch vervoer en andere beleidsondersteunende werkzaamheden) uitbesteed.

Bijdrage aan medeoverheden

Aan medeoverheden worden bijdragen verstrekt in het kader van de tijdens de Bestuurlijke Overleggen gemaakte afspraken en bijdragen ter ondersteuning van enerzijds de innovatie en energietransitie op het mobiliteitsbeleid en anderzijds voor maatregelen die de reiziger zélf in staat moet stellen om slimme keuzes te maken. En verder voor snelfietsroutes op basis van specifieke uitkeringen (waaronder houdende een specifieke uitkering in verband met pilots Mobility as a Service (Regeling specifieke uitkering MaaS-pilots)).

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Hier worden bijdragen verstrekt aan internationale organisaties op het gebied van duurzame mobiliteit.

Bijdrage aan ZBO/RWT's

Hier worden bijdragen verstrekt aan de RDW zoals onderzoeken naar verbetering effectiviteit terugroepacties.

3.4 Artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor

A. Algemene doelstelling

Om ervoor te zorgen dat reizigers veilig, betrouwbaar en betaalbaar kunnen reizen van A naar B ontwikkelt, beheert en stuurt IenW de benutting van de hoofdspoorweginfrastructuur aan en stelt zij decentrale overheden in staat het Openbaar Vervoer buiten de hoofdspoorweginfrastructuur hiertoe te ontwikkelen, te beheren en te benutten. Daarbij zorgt IenW tegelijkertijd dat verladers van goederen over het spoor de trein in toenemende mate als een aantrekkelijke vervoersoptie beschouwen.

IenW zet in op een hoofdspoorweginfrastructuur en Openbaar Vervoer dat bijdraagt aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland, aan het behalen van de milieunormen en de sociale functie van het Openbaar Vervoer. Om deze doelen, die ook beschreven staan in de Lange Termijn Spooragenda deel 2 (Kamerstukken II 2013-2014, 29 984, nr. 474), te behalen werkt IenW samen met medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

Tabel 36 Samenvatting budgettaire gevolgen van beleid art.16 per subthema (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

1.476.750

784.458

26.306

11.654

10.981

9.759

9.199

        

Uitgaven

1.226.262

1.085.696

210.828

27.943

10.981

9.759

9.199

        

Uitgaven onderverdeeld per subthema

       

1 OV en Spoor

107.423

64.696

32.178

14.593

10.981

9.759

9.199

2 Maatregelenpakket OVS

1.118.839

1.021.000

178.650

13.350

0

0

0

3 Transitievangnet 2023

0

0

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

885

0

0

0

0

0

0

B. Rol en verantwoordelijkheid

(Doen) Uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid). Voor het Openbaar Vervoer en Spoor betekent dit dat de Minister zorgt voor:

  • Een concessie voor het vervoer over het hoofdrailnet (NS) waarin het aanbod van het reizigersvervoer op het hoofdrailnet is vastgelegd;

  • De uitvoering van exploitatie, onderhoud en vernieuwing van railinfrastructuur, verkeersleiding, capaciteitsmanagement en het oplossen van veiligheidsknelpunten door ProRail onder aansturing van IenW (via de beheerconcessie). Deze activiteiten zijn terug te vinden op het Mobiliteitsfonds (artikel 13);

  • De besluitvorming over en uitvoering van investeringen in de hoofdspoorweginfrastructuur (incl. stations) in relatie tot gebiedsontwikkeling. Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd. De middelen worden beschikbaar gesteld via het Mobiliteitsfonds;

  • Een bijdrage aan de financiering (via het Provinciefonds of de BDU) van het gedecentraliseerde Openbaar Vervoer;

  • Een concessie voor de Waddenveren (met uitzondering van Texel);

  • De financiering (via het Mobiliteitsfonds) van het programma Beter Benutten Decentraal Spoor;

  • Het vormgeven (in saneringsplannen) en uitvoeren van de aanpak van hoge geluidsbelastingen langs het hoofdrailnet door middel van het Meerjarenprogramma geluidsanering (MJPG);

  • Om onder meer de veiligheid verder te verhogen wordt het European Railway Traffic Management System (ERTMS) ingevoerd.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het beleid inzake openbaar vervoer (per trein, bus, tram, metro, taxi en waddenveren), waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. IenW zorgt voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan via wet- en regelgeving, aansturing van ProRail en NS in het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en stations en afspraken met decentrale overheden, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Uitvoering vindt plaats door middel van samenwerking in de gehele ov-keten en de gehele goederenketen. Het beleid stimuleert en faciliteert deze samenwerking.

Deze regierol wordt ingevuld door:

  • Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, doorstroming en duurzaamheid;

  • Regelgeving en afspraken over concessieoverstijgende onderwerpen waar het voor de reiziger van belang is dat zaken uniform geregeld worden, ongeacht de vervoerder of concessie (zoals sociale veiligheid, toegankelijkheid, ov-chipkaart, taxivervoer en ov-data);

  • Regelgeving en afspraken over de benutting van de ov-infrastructuur en de ordening van de ov-markt. Hierbij worden de aanbevelingen van de parlementaire enquête Fyra betrokken;

  • Het stimuleren van de samenwerking in de gehele ov-keten en de spoorgoederenvervoerketen, door het organiseren van platforms en tafels;

  • De inzet van de Beleidsimpuls railveiligheid (Kamerstukken II 2015-2016, 29 893, nr. 204), waarin de prioriteiten in de veiligheidsaanpak voor de komende jaren zijn benoemd, zoals het Landelijke Verbeterprogramma Overwegen, het programma niet-actief beveiligde overwegen (nabo), het STS-verbeterprogramma (reductie stop tonend sein passages), suïcidepreventie en externe veiligheid langs het spoor en bij emplacementen.

Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Tabel 37 Indicator: spoorveiligheid (naar risicodrager)1

Indicator

2017

2018

2019

20202

20213

Aantal STS-passages

105

137

142

95

n.n.b.

Waarvan gevaarpunt bereikt

36

26

34

20

n.n.b.

Aanrijding op overwegen4

34

35

46

28

n.n.b.

Aantal dodelijke slachtoffers bij aanrijdingen op overwegen

6

14

9

5

n.n.b.

Aantal spoorsuicides

215

194

194

198

n.n.b.

Totaal aantal treinkm’s

160 mln.

164 mln.

165 mln.

152 mln.

165 mln.

X Noot
1

Bron:

X Noot
2

De gerealiseerde cijfers in 2020 zijn gecorrigeerd t.o.v. de gepubliceerde cijfers in de Begroting 2021 om overeen te komen met het ILT Jaarverslag Spoorveiligheid 2020.

X Noot
3

Gegevens ILT over het jaar 2021 komen beschikbaar in het vierde kwartaal van 2022.

X Noot
4

De gerealiseerde cijfers in 2016 t/m 2020 zijn gecorrigeerd t.o.v. de gepubliceerde cijfers in de Begroting 2021 om overeen te komen met het ILT Jaarverslag Spoorveiligheid 2020.

Toelichting

Hierboven staan de indicatoren voor spoorveiligheid zoals worden gehanteerd op basis van de Beleidsimpuls Railveiligheid. Over de indicatoren wordt jaarlijks gerapporteerd op basis van het Jaarverslag Spoorveiligheid, opgesteld door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Hierin worden de indicatoren in samenhang met de achterliggende veiligheidsrisico’s nader toegelicht.

Voor meer indicatoren op het thema spoorveiligheid geeft de website van ProRail de laatste inzichten.

Tabel 38 Kengetal: Klanttevredenheid regionaal openbaar vervoer1

Indicator

2019

2020

2021

Totaaloordeel

7,9

n.b.

8

Veiligheid

8,2

n.b.

8,1

Snelheid

7,6

n.b.

7,7

Gemak

7,6

n.b.

7,7

Comfort

8

n.b.

8,2

Beleving

7,4

n.b.

7,5

Personeelsmonitor2

n.b.

6,7

n.b.

X Noot
1

Bron: en personeelsmonitor:

X Noot
2

De personeelsmonitor wordt eens in de twee jaar uitgevoerd.

Toelichting

De ov-klantenbarometer is het klanttevredenheidsonderzoek voor het openbaar vervoer. De ov-klantenbarometer is in 2019 geheel vernieuwd ten opzichte van de eerdere edities. Omdat de meetmethodiek is aangepast, zijn er geen vergelijkbare gegevens van voor 2018 bekend.

De onderwerpen zijn clusters, waarin de volgende zaken zijn meegenomen:

  • 1. Veiligheid: veiligheid rit, algemeen, halte/station

  • 2. Snelheid: frequentie, overstaptijd, reissnelheid, punctualiteit

  • 3. Gemak: gebruiksgemak ov-kaart, vervoersbewijs kopen, info halte, informatie rit, info vertragingen

  • 4. Comfort: klimaat, instappen, zitplaats, overlast, rijstijl

  • 5. Beleving: inrichting, netheid, klantvriendelijkheid, geluid

  • 6. Personeelsmonitor: sociale veiligheid medewerkers. De personeelsmonitor wordt tweejaarlijks onderzocht en gepubliceerd

In verband met de coronacrisis is het enquêteren voor de OV-Klantenbarometer 2020 op 12 maart 2020 stilgelegd. Dit in verband met de veiligheid van reizigers en enquêteurs en de oproep van de overheid om het openbaar vervoer alleen voor noodzakelijke reizen te gebruiken. Daarmee zijn er voor 2020 geen statistisch representatieve cijfers beschikbaar op het niveau van de afzonderlijke onderzoeksgebieden.

De OV-Klantenbarometer van 2021 is uitgevoerd midden in de coronapandemie. Daardoor is deze OV-Klantenbarometer anders dan in voorgaande jaren. De groep reizigers was in 2021 anders van samenstelling: met o.a. minder forenzen door thuiswerken en minder studenten door online onderwijs. Daarbij moesten reizigers verplicht een mondkapje dragen. Ook in de uitvoering van het onderzoek zijn er belangrijke verschillen. Hierover is meer informatie te vinden op de website van CROW. 

Voor meer indicatoren op het thema ov-keten geeft Resultaten onderzoek OV-Klantenbarometer 2021 - CROW van het CROW inzicht.

Tabel 39 Indicator: Punctualiteit en goederenvervoer1

Indicator

2017

2018

2019

2020

2021

Treinpunctualiteit reizigersverkeer

90,50%

91,50%

91,90%

93,50%

93,50%

Treinpunctualiteit goederenvervoer

74,70%

69,30%

69,70%

70,10%

66,30%

Impactvolle storingen op de infrastructuur

628

542

435

361

410

Vervoerd ladinggewicht per spoor (in miljoen ton)2

41,19

41,58

42,65

40,02

42,83

Aantal ov-chipkaart transacties

2,5 mld.

2,7 mld.

2,8 mld.

1,47 mld.

1,56 mld.

Aantal instappers regionale treinen3

52,1 mln.

51,7 mln.

50,9 mln.

27,2 mln.

n.n.b.

Aantal instappers NS4

1,26 mln.

1,28 mln.

1,34 mln.

0,59 mln.

0,62 mln.

X Noot
1

Bron: ; ; ; en

X Noot
2

Op basis van de meest actuele rapportages zijn de gegevens in onderstaande tabel geactualiseerd (voor het jaar 2019 en 2020). De cijfers van 2018 en 2019 zijn nader voorlopig en die van 2020 en 2021 voorlopig.

X Noot
3

Totaal aantal instappers regionale treinen over het gehele jaar.

X Noot
4

Gemiddelde aantal instappers per werkdag. Doordat de overzichten van NS in- en uitstappers weergeven zijn de aantallen bij de indicator ‘Aantal instappers NS’ abusievelijk structureel te hoog gerapporteerd. Dit is nu gecorrigeerd.

Toelichting

Bovenstaande cijfers geven inzicht in de punctualiteit van het spoorsysteem, het aantal impactvolle storingen en de aantallen goederen en reizigers die over het spoor vervoerd worden.

Voor meer indicatoren op het thema punctualiteit geeft de website van ProRail de laatste inzichten.

C. Beleidswijzigingen

Omvorming ProRail tot zbo

Momenteel wordt gewerkt aan de voorbereiding voor de omvorming van ProRail b.v. tot zelfstandig bestuursorgaan. Dit heeft tot doel de organisatie van ProRail vorm te geven op een wijze die past bij de publieke taken die ProRail uitvoert, de aansturing te vereenvoudigen en de publieke verantwoording over de wettelijke taken en de besteding van publiek geld (jaarlijks ruim € 2 miljard) te versterken. De omvorming van ProRail tot zbo is nodig om gesteld te staan voor de toekomstige opgaven van het vitale spoorproces en zal niet tot hogere kosten leiden of ten koste gaan van de investeringen op het spoor.

Marktordening spoor

In 2020 zijn de hoofdlijnen van het integrale besluit over de marktordening op het spoor na 2024 aan de Tweede Kamer gestuurd. In dit besluit is het voornemen opgenomen om de HRN-concessie opnieuw onderhands aan NS te gunnen. In 2023 wordt de concept-concessie opgesteld en aan de Eerste en Tweede Kamer voorgelegd. Doel is dat deze concessie per 2025 in zal gaan.

OV-knooppunten

In 2022 is de gezamenlijke Actie-agenda OV-knooppunten afgerond binnen het programma Toekomstbeeld OV (TBOV). Het ministerie van IenW coördineert na het verschijnen van de agenda de uitvoering van de afspraken en acties hierin. In 2023 start het ministerie daarnaast ook met het uitvoeren van het nieuwe stationsbeleid op basis van de Stationsagenda. Ook zet IenW zich in 2023 en verder in voor ov-verbindingen die grensregio’s met elkaar verbinden en een betere aansluiting op HSL-knooppunten over de grens. Meer over een toekomstbestendig ov en spoor is te lezen in de beleidsagenda.

Corona

De afgelopen jaren heeft de pandemie een aanzienlijke impact gehad op het openbaar vervoer. Om de aansluiting met de doelen uit het TBOV te behouden wordt er ingezet op een transitie van de OV sector. Samen met vervoerders en decentrale overheden zet het ministerie van IenW zich in voor een versnelde terugkeer naar een gezonde sector. Gezamenlijk en vanuit ieders individuele verantwoordelijkheid wordt er hard gewerkt aan de aantrekkelijkheid en kwaliteit van het openbaar vervoer, door middel van een gezamenlijk set van transitieafspraken.

Transitievangnet 2023

Er is voor 2023 besloten een eenmalig transitievangnet in te stellen. Dit vangnet kent een omvang van maximaal € 150 miljoen en biedt zekerheid aan de reizigers voor voldoende, veilig en betrouwbaar OV in 2023.

Modernisering spoor

Momenteel wordt gewerkt aan de modernisering van de huidige spoorwegwet: een flexibeler stelstel, waardoor beter kan worden aangesloten bij nieuwe ontwikkelingen (zoals het door ontwikkelende TBOV), gebaseerd op het gebruik van de verschillende spoorwegnetten en opgeschreven in één wet, met één algemene maatregel van bestuur en één ministeriële regeling. Hiermee wordt de wet in juridisch opzicht verbeterd, maar kan de nieuwe regelgeving ook toekomstige beleidsontwikkelingen op zowel nationaal als Europees niveau beter faciliteren. De planning is om de gemoderniseerde Spoorwegwet in 2023 aan de Kamer aan te bieden.

Oorlog Oekraïne

Door de oorlog in Oekraïne zien we dat de prijzen voor materialen hoger worden, maar ook dat de levering van grondstoffen en materialen stagneert. Aangezien een betrouwbaar en veilig spoor voor Nederland cruciaal is, wordt intensief contact onderhouden met aannemers en leveranciers om te horen waar problemen zitten en wat hun verwachtingen zijn. In veel projecten zitten namelijk jaren voorbereidingstijd en het is belangrijk dat die projecten door kunnen gaan. Dat kan betekenen dat het ministerie soms meer (financieel) risico van de markt naar zich toe zal moet trekken.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 40 Budgettaire gevolgen van beleid art. 16 Spoor (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

1.476.750

784.458

26.306

11.654

10.981

9.759

9.199

        

Uitgaven

1.226.262

1.085.696

210.828

27.943

10.981

9.759

9.199

        

1. OV en Spoor

107.423

64.696

32.178

14.593

10.981

9.759

9.199

Opdrachten

5.295

11.970

8.405

6.027

5.988

5.481

4.921

ACM

0

1.759

1.783

1.807

1.831

0

0

OV & Stations

1.632

5.001

2.336

1.305

1.341

2.783

2.911

Aanst. NS en ProRail

1.506

2.539

1.967

730

630

457

457

Opdrachten SU

710

990

1.702

1.702

1.701

1.710

1.022

Overige opdrachten

1.447

1.681

617

483

485

531

531

Subsidies

23.881

33.917

16.805

4.545

1.110

860

860

Maatregelen Spoorgoederenvervoer

18.469

17.976

12.176

0

0

0

0

NS IC Dordrecht - Breda

1.460

1.490

0

0

0

0

0

Consumentenorganisatie OV

852

1.095

663

627

579

579

579

Subsidie NS SV

0

6.000

2.000

2.000

0

0

0

Overige subsidies

3.100

7.356

1.966

1.918

531

281

281

Bijdrage aan agentschappen

899

903

877

877

877

877

877

Bijdrage aan RWS

823

826

830

830

830

830

830

Bijdrage aan KNMI

47

47

47

47

47

47

47

Bijdrage aan overige agentschappen

29

30

0

0

0

0

0

Bijdragen aan medeoverheden

77.275

17.831

5.989

3.042

2.904

2.439

2.439

Bijdrage medeoverheden OVS

74.735

15.354

3.512

565

465

0

0

CLU Betuwe en HSL

2.540

2.477

2.477

2.477

2.439

2.439

2.439

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

73

75

102

102

102

102

102

        

2. Maatregelenpakket OVS

1.118.839

1.021.000

178.650

13.350

0

0

0

Subsidies

1.118.839

1.021.000

178.650

13.350

0

0

0

Beschikbaarheidsvergoeding OV-sector

1.118.839

1.021.000

178.650

13.350

0

0

0

        

3. Transitievangnet 2023

0

0

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

885

0

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen

Tabel 41 Extracomptabele verwijzing naar artikel 13 Spoorwegen van het Mobiliteitsfonds (bedragen x €1.000)
 

2023

2024

2025

2026

2027

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 13 Spoorwegen

2.490.484

10.667.756

2.135.168

1.865.308

1.884.554

Andere ontvangsten van artikel 13 Spoorwegen

209.263

229.802

359.115

203.784

203.784

Totale uitgaven op artikel 13 Spoorwegen

2.699.747

10.897.558

2.494.283

2.069.092

2.088.338

waarvan

      

13.02

Exploitatie onderhoud en vernieuwing

1.990.766

1.974.893

1.968.690

1.570.185

1.635.044

13.03

Ontwikkeling

506.053

444.210

349.614

322.018

278.638

13.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

202.928

180.455

175.979

176.889

174.656

13.07

Rente en aflossing

0

8.298.000

0

0

0

Tabel 42 Extracomptabele verwijzing naar artikel 14 Regionale infrastructuur en bereikbaarheidsprogramma's van het Mobiliteitsfonds (x €1.000)
 

2023

2024

2025

2026

2027

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 14 Regionale infrastructuur en bereikbaarheidsprogramma's

3.290

37.740

70.569

69.070

10.408

Andere ontvangsten van artikel 14 Regionale infrastructuur en bereikbaarheidsprogramma's

     

Totale uitgaven op artikel 14 Regionale infrastructuur en bereikbaarheidsprogramma's

3.290

37.740

70.569

69.070

10.408

waarvan

      

14.01

Regionale infrastructuur

3.290

37.740

70.569

69.070

10.408

14.03

Bereikbaarheidsprogramma's

0

    
       
Tabel 43 Extracomptabele verwijzing naar artikel 17.07 ERMTS en 17.10 PHS van het Mobiliteitsfonds (x €1.000)
 

2023

2024

2025

2026

2027

Bijdrage uit artikel 26 van Mobiliteitsfonds aan artikel 17.07 ERTMS en 17.10 PHS

214.883

193.385

331.838

396.298

461.398

Andere ontvangsten van artikel 17.07 ERTMS en 17.10 PHS

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 17.07 ERTMS en 17.10 PHS

214.883

193.385

331.838

396.298

461.398

waarvan

      

17.07

ERMTS

46.074

54.226

123.354

125.816

158.998

17.10

Programma Hoogfrequent Spoorvervoer

168.809

139.159

208.484

270.482

302.400

       

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 44 Fiscale regelingen 2021-2023, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1
 

2021

2022

2023

Verlaagd btw-tarief Personenvervoer

383

555

575

MRB Vrijstelling taxi’s en openbaar vervoer2

50

50

50

Reisaftrek OV

5

6

6

X Noot
1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

X Noot
2

MRB = Motorrijtuigenbelasting

Budgetflexibiliteit

Onderstaand is in lijn met de voorschriften uit de regeling Rijksbegrotingsvoorschriften een kwalitatieve toelichting voor de juridisch verplichte uitgaven opgenomen. Zie voor een nadere toelichting de ‘wijzigingen RBV 2022’ zoals opgenomen in de leeswijzer.

Tabel 45 Budgetflexibiliteit
 

2023

juridisch verplicht

98%

bestuurlijk gebonden

0%

beleidsmatig gereserveerd

2%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Toelichting

Van het totale budget voor artikel 16 is voor 2023 98% juridisch verplicht.

Opdrachten

Van het opdrachtenbudget in 2023 is 50% juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen. Het betreft hier onder andere de bijdrage aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM), uitgaven voor de OV-begeleiderskaart, de continue screening van de taxibranche en de uitbesteding van Samen Werken aan de Uitvoering van Nieuw Geluidbeleid (SWUNG1) taken. Opdrachten zijn verplicht op grond van verstrekte opdrachtbrieven aan diverse opdrachtnemers.

Subsidies

Het subsidiebudget is op grond van de subsidieregelingen en beschikkingen en wettelijke bepalingen 100% juridisch verplicht. Dit betreffen met name de tijdelijke subsidieregeling stimulering spoorgoederenvervoer en de beschikbaarheidsvergoeding. De tijdelijke subsidieregeling stimulering spoorgoederenvervoer is onderdeel van het maatregelenpakket spoorgoederenvervoer om het transport van goederen over het spoor goedkoper te maken, door spoorgoederenvervoerders een gedeeltelijke compensatie van de gebruiksvergoeding te verlenen. De beschikbaarheidsvergoeding is bestemd voor het waarborgen van de beschikbaarheid tijdens Corona van het openbaar vervoer onder concessie in Nederland. Voor het volledige subsidieoverzicht wordt verwezen naar bijlage 5 in deze begroting.

Bijdrage aan agentschappen

De uitgaven voor de agentschapsbijdragen RWS en KNMI zijn volledig juridisch verplicht en hebben een structureel karakter. De bijdrage aan RWS heeft betrekking op beleidsondersteuning en advies (BOA). RWS reserveert capaciteit voor het uitvoeren van studies of het leveren van bijdragen daaraan, adviezen met betrekking tot beleidsnota’s en de uitvoerbaarheid van beleid. De bijdrage aan het KNMI is bestemd voor het verstrekken van informatievoorziening, bijvoorbeeld rondom winterse omstandigheden, die van belang zijn voor de veiligheid van het vervoer over het spoor.

Bijdragen aan medeoverheden

De bijdragen aan mede-overheden zijn op grond van de regelingen voor de specifieke uitkeringen en de reeds aangegane verplichtingen (bijvoorbeeld voor de specifieke uitkering Wunderline) 100% juridisch verplicht.

Bjjdragen aan internationale organisaties

De bijdrage internationale organisaties is op grond van verdragen voor 100% juridisch verplicht. Het betreft bijdragen aan de Organisation pour les Transports Internationaux Ferroviares (OTIF) en Railforum Nederland.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

1 OV en Spoor

Opdrachten

Dit betreffen voornamelijk (lopende) opdrachten voor de monitoring sociale veiligheid, het stimuleren van het beschikbaar stellen van (actuele) brongegevens voor reisinformatiediensten in het kader van het project Nationale Data Openbaar Vervoer (NDOV), de beheer- en vervoerconcessie, de uitbesteding van SWUNG1-taken en aanpassingen in de spoorwegwetgeving. Ook wordt bijgedragen aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en aan uitgaven om een gelijk speelveld te creëren in het openbaar vervoer.

Autoriteit Consument en Markt (ACM)

Daarnaast maakt de jaarlijkse vergoeding aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) onderdeel uit van deze middelen, wat een vergoeding is voor haar werk op het gebied van spoor zoals de Vervoerkamer. De Vervoerkamer reguleert de relatie tussen de beheerders en de gebruikers van het spoor.

Subsidies

Tijdelijke subsidieregeling stimulering spoorgoederenvervoer

Er is een bedrag van € 12,1 miljoen aan subsidieverplichtingen voor het jaar 2023 opgenomen. Dit bedrag is onderdeel van het maatregelenpakket spoorgoederenvervoer om het transport van goederen over het spoor goedkoper te maken, door spoorgoederenvervoerders een gedeeltelijke compensatie van de gebruiksvergoeding te verlenen. Doel van deze Tijdelijke subsidieregeling stimulering goederenvervoer per spoor is het verbeteren van de positie van goederenvervoerders. Deze subsidies worden verstrekt aan de goederenvervoerders.

Subsidie Sociale Veiligheid

Tussen IenW en NS is afgesproken dat beiden 50% van de kosten voor hun rekening nemen voor de continuering van de inzet van Veiligheid & Service-medewerkers. Dit komt voor NS en IenW neer op een bijdrage van eenieder van € 10 miljoen (€ 2 miljoen per jaar) over de periode 2020 tot en met 2024. NS betaalt daarnaast ook voor extra inzet voor hoofdconducteurs in de trein.

Subsidie beleidsondersteuning

In 2023 zal een bedrag van maximaal € 0,4 miljoen en in 2024 van maximaal € 0,4 miljoen verstrekt worden aan Vereniging Reizigers Openbaar Vervoer (Rover) voor beleidsondersteuning.

Subsidie tweedelijns OV-klachtenloket

Er vindt subsidieverlening aan de Stichting geschillencommissies voor consumentenzaken plaats voor het in stand houden van het tweedelijns OV-klachtenloket voor een bedrag van € 0,3 miljoen in 2023 en € 0,3 miljoen in 2024.

Subsidie OV-Klantenbarometer

In de tabel Budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel is in regel 1 een bedrag van € 0,24 miljoen aan subsidieverplichtingen aan de Stichting CROW voor het jaar 2023 opgenomen. Dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een subsidie voor de uitvoering van de OV Klantenbarometer 2023 aan de Stichting CROW, kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte, gevestigd te Ede. De OV-Klantenbarometer is het nationale klanttevredenheidsonderzoek voor het openbaar vervoer in Nederland. Het omvat het regionale stads- en streekvervoer en sinds 2018 ook het personenvervoer op het hoofdrailnet en de Friese Waddenveren. Het onderzoek wordt sinds 2001 in opdracht van Stichting CROW uitgevoerd. Stichting CROW is een onafhankelijke kennisorganisatie op het gebied van infrastructuur, openbare ruimte en verkeer en vervoer.

Bovenstaande begrotingsvermeldingen voor beleidsondersteuning, tweedelijns OV-klachtenloket en de OV-klantenbarometer vormen de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverleningen als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.

Bijdrage aan agentschappen

RWS beleidsondersteuning- en advisering

Met Rijkswaterstaat zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering. Dit zijn taken die Rijkswaterstaat uitvoert in opdracht van de beleidsdirectoraten van IenW. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij het agentschap gereserveerd.

KNMI informatievoorziening

Met het KNMI zijn afspraken gemaakt over informatievoorziening, bijvoorbeeld rondom winterse omstandigheden, die van belang zijn voor de veiligheid van het vervoer over het spoor.

Bijdrage aan medeoverheden

Dit betreft een jaarlijkse bijdrage voor de Complete Lijn Uitschakeling (waarbij bijvoorbeeld bij een incident een tracé als geheel wordt uitgeschakeld) en de inzet van de 25kV Spanningstester (CLU+) op de Betuweroute en HSL in het kader van de daartoe gesloten overeenkomst met de betrokken Veiligheidsregio’s.

Tevens betreft de bijdrage aan het Schadevergoedingsschap. Het Schadevergoedingsschap handelt schadevergoedingen af naar aanleiding van onder andere de HSL. Daarnaast betreft dit de specifieke uitkeringen die verstrekt worden voor Nijmegen-Heijendaal (€ 0,6 miljoen), OV Ambassadeurs (€ 1,5 miljoen), Heerlen-Landgraaf (5,8 miljoen) en Heerlen-Oost (€ 2,7 miljoen).

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Dit betreft een bijdrage aan de Organisation pour les Transports Internationaux Ferroviaires (OTIF). Deze internationale organisatie richt zich vooral op het creëren van een uniform rechtssysteem voor het vervoer van passagiers en vracht per rails.

2. Beschikbaarheidsvergoeding OV-sector

Dit betreft een beschikbaarheidsvergoeding voor het openbaar vervoer. De vergoeding is bestemd voor het waarborgen van de beschikbaarheid tijdens Corona van het openbaar vervoer onder concessie in Nederland.

Het kabinet heeft besloten (Kamerstukken 29984, nr. 991) om de huidige beschikbaarheidsvergoeding OV ongewijzigd te verlengen tot 1 januari 2023. Dit is gelijk aan de looptijd van de tijdelijke aangepaste (nood)concessies op grond waarvan de overheid aan OV-bedrijven vanwege COVID-19 een vergoeding kan verschaffen. Het streven voor de periode vanaf 1 januari 2023 is om terug te keren naar de gebruikelijke verantwoordelijkheidsverdeling tussen Rijk, concessieverleners en vervoerders ten aanzien van de opbrengsten en kosten. De bijdrage vanuit het Rijk is net als in 2020 en 2021 afhankelijk van de gerealiseerde reizigersopbrengsten. Op basis van de herstelprognoses van het KiM wordt voor de verlenging van de beschikbaarheidsvergoeding van 1 september 2022 tot en met 31 december 2022 een bedrag van € 25 miljoen geraamd.

Zoals in de Voorjaarsnota 2022 is aangegeven «ademt» de hoogte van de beschikbaarheidsvergoeding mee met de reizigersinkomsten. Bij de raming van het benodigde budget is uitgegaan van de prognose van het KiM over het herstel van het gebruik van het OV. Thans blijkt het benodigde bedrag op basis van de gedane aanvragen hoger te zijn dan eerder geraamd en daarom worden de benodigde middelen aan de begroting van IenW toegevoegd.

3. Transitievangnet 2023

Er wordt een eenmalig transitievangnet voor 2023 ingesteld (zie Kamerstukken 29984, nr. 991). Dit vangnet kent een omvang van maximaal € 150 miljoen en biedt zekerheid aan de reizigers voor voldoende, veilig en betrouwbaar OV in 2023. Dit vangnet ademt mee met de actuele reizigersontwikkeling. Wanneer de reizigersaantallen in 2023 hoger zijn daalt de omvang van dit vangnet. Het vangnet biedt hiermee prikkels en voldoende tijd voor de sector om zich klaar te maken voor het ‘nieuwe normaal’ waarbij vraag en aanbod weer in balans worden gebracht. Als beroep op de regeling gedaan moet worden, dan wordt hiervoor dekking gevonden in het Mobiliteitsfonds.

3.5 Artikel 17 Luchtvaart

A. Algemene doelstelling

IenW werkt aan een veilige en duurzame luchtvaart die Nederland goed verbindt met de rest van de wereld en waarbij de kwaliteit van de leefomgeving rond de luchthavens wordt gewaarborgd.

Tabel 46 Samenvatting budgettaire gevolgen van beleid art.17 per subthema (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

188.754

92.946

93.241

101.437

112.832

92.634

43.726

        

Uitgaven

26.662

32.281

46.693

51.783

57.955

58.945

45.037

        

Uitgaven onderverdeeld per subthema

       

1 Luchtvaart

26.662

32.281

46.693

51.783

57.955

58.945

45.037

B. Rol en verantwoordelijkheid

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van de kaders en voor het binnen deze kaders (doen) realiseren van de gewenste ontwikkeling van de Nederlandse luchtvaart.

De rol regisseren heeft betrekking op de volgende taken:

  • De kaders voor de veiligheid van de burgerluchtvaart komen grotendeels internationaal tot stand bij de internationale burgerluchtvaartorganisatie van de Verenigde Naties (ICAO). De implementatie vindt veelal plaats via regels die rechtstreeks van toepassing zijn in de lidstaten. De Minister levert een actieve bijdrage aan de totstandkoming van de kaders op mondiaal en Europees niveau. Nederland zet in op een hoge compliance met deze kaders. De Minister neemt de regie om het Nederlandse luchtvaartveiligheidssysteem verder te versterken.

  • De ontwikkeling van drones en onbemande luchtvaartuigen gaat snel. Deze ontwikkeling biedt economische kansen voor bedrijven en leidt tot nuttige maatschappelijke toepassingen. De Minister wil deze kansen benutten en de luchtvaartuigen veilig in het luchtruim integreren. Aandachtspunten zijn geluidshinder en privacy. De komende jaren komen er stapsgewijs meer Europese regels gericht op een veilige operatie van drones en een veilige integratie in het luchtruim.

  • Om de internationale verbondenheid voor Schiphol en de regionale luchthavens van nationale betekenis te beoordelen, ontwikkelt de Minister een beleidskader netwerkkwaliteit. Waar nodig en mogelijk zet de Minister in op vergroting van de beleidsruimte door EU-kaders aan te passen.

  • Het instellen van beperkingen van het maximum aantal vluchten op Schiphol en van het aantal nachtvluchten op Schiphol via het luchthavenverkeerbesluit (LVB) en het opstellen van regels voor openingstijden en extensieregelingen voor regionale luchthavens bij de betreffende luchthavenbesluiten.

  • In het kader van de Europese Green Deal zet de Minister actief in op de invoering van een Europese bijmengverplichting van duurzame luchtvaartbrandstoffen, waaronder duurzame biobrandstoffen en synthetische kerosine. Als een Europese verplichting niet (tijdig) wordt ingevoerd, streeft Nederland ernaar om per 2023 een nationale bijmengverplichting in te voeren.

  • Het uitwerken van een CO2-plafond voor de internationale luchtvaart vertrekkend uit Nederland.

  • Regie voeren op verbetering van de samenwerking tussen Schiphol en de regionale luchthavens op de publieke belangen veiligheid, duurzaamheid, kwaliteit van de leefomgeving en verbondenheid.

  • De Minister richt zich nationaal en internationaal op het veiligstellen en verbeteren van de inrichting, het beheer en het gebruik van het luchtruim en op de verbetering van de prestaties van Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) en het Maastricht Upper Area Control Centre (MUAC), een intensievere samenwerking tussen civiele en militaire luchtverkeersleidingsorganisaties (integratie) en een betere samenwerking van internationale luchtverkeersleidingsorganisaties binnen het Functional Airspace Block Europe Central (FABEC).

  • De Minister richt zich op het veilig stellen van voldoende nationale luchthavencapaciteit en geeft invulling aan de wettelijke taken en verplichtingen ten aanzien van inrichting en gebruik van luchthavens en de omgeving.

  • Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

  • Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Stimuleren

  • Het mogelijk maken van proefprojecten om geluidshinder te verminderen door middel van stedenbouwkundige, landschappelijke en bouwtechnische maatregelen.

  • Het faciliteren van de samenwerking tussen sectorpartijen, kennisinstellingen, brancheorganisaties en maatschappelijke organisaties aan de Duurzame Luchtvaarttafel.

  • Het stimuleren van de ontwikkeling van schonere en stillere vliegtuigen, vliegtuigmotoren en brandstoffen.

(Doen) Uitvoeren

  • Om het nieuwe maximum van 440.000 vliegtuigbewegingen voor Schiphol vast te leggen, zal in 2023 worden gewerkt aan de stappen die moeten worden gezet. Dit betekent dat de inzet gericht zal worden op het doorlopen van de Balanced Approach, een ministeriële regeling en een nieuw Luchthavenverkeerbesluit. Ook zal het anticiperend handhaven worden beëindigd. Dit betekent dat de handhavingspunten voor geluidsoverlast niet meer overschreden mogen worden. Tevens zal worden gewerkt aan de verdere invulling van de programmatische aanpak geluid en aan de totstandkoming en uitvoering van een gebiedsagenda.

  • Het uitvoeren van het Programma Omgeving Luchthaven Schiphol.

  • Het uitvoeren van het Nederlandse luchtvaartveiligheidsprogramma 2020-2024.

  • Het samen met de sectorpartijen op Schiphol, uitvoeren van de maatregelen die zijn aangekondigd naar aanleiding van het OVV-rapport over de veiligheid van Schiphol.

  • Het uitvoeren van de zeven aanbevelingen uit het rapport Vliegtuiggeluid: meten, rekenen en beleven dat in het kader van de Programmatische aanpak meten vliegtuiggeluid is verschenen.

  • Het door de burgerluchthavens van nationale betekenis laten opstellen van actieplannen om de uitstoot van geluid en stoffen (ultrafijnstof (UFS) en stikstof­oxide (NOx)) te verminderen.

  • Het uitvoeren van het programma Luchtruimherziening.

Indicatoren en Kengetallen

Veilige luchtvaart

Voor veiligheid is het handelen van het ministerie of de veiligheid in al zijn facetten, niet in één overkoepelende indicator te vatten. Daarom verschijnt vanaf 2021 jaarlijks een systeemmonitor luchtvaartveiligheid, die vanuit de regierol van het ministerie in beeld brengt hoe het systeem functioneert. De ILT brengt jaarlijks de Staat van Schiphol uit, waarin naar de operationele veiligheid wordt gekeken.

Tabel 47 Kengetal: Aantal passagiersbestemmingen waarnaar (> 2 x per jaar) met voornamelijk geregelde vluchten wordt gevlogen per luchthaven1

Luchthaven

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Amsterdam

266

261

264

263

262

266

272

277

271

265

Frankfurt

301

286

286

287

290

309

322

319

295

285

London Heathrow

176

176

179

180

186

203

210

220

249

219

Parijs Charles de Gaulle

256

258

278

274

290

294

316

330

294

264

Brussel

190

181

192

190

193

200

204

203

191

181

X Noot
1

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), op basis van APG

Toelichting

In deze tabel is het aantal passagiersbestemmingen per luchthaven opgenomen waarvoor geldt dat deze meer dan twee keer per jaar worden aangevlogen. Onder invloed van COVID-19 is het aantal bestemmingen ten opzichte van 2019 (laatst pre corona jaar) op alle luchthavens afgenomen. Opvallend is wel dat het aantal bestemmingen van Londen Heathrow stabiel is gebleven. Op Frankfurt, Parijs Charles de Gaulle en Brussel daalt het aantal bestemmingen ten opzichte van 2019 (laatste pre corona jaar) sterker dan op Schiphol.

Tabel 48 Indicator Duurzame luchtvaart: CO2-uitstoot van vluchten vanuit Nederland 1
 

2017

2018

2019

2020

2021

CO2-uitstoot (Mton)

12,3

12,4

12,2

6,8

n.n.b.

X Noot
1

Bron: op basis van CBS-cijfers over getankte kerosine voor luchtvaart.

Toelichting

De CO2-uitstoot van vluchten (internationale luchtvaart) vertrekkend vanuit Nederland is berekend aan de hand van de CBS-cijfers over getankte kerosine voor luchtvaart. Op basis van een emissiefactor kun je kg brandstof omrekenen naar kg CO2. ICAO hanteert een emissiefactor van 3,157. Nederland hanteert een emissiefactor van 3,15 conform EU ECTS en conform eerdere informatie aan de Kamer.

De lagere CO2-uitstoot in 2020 is het gevolg van sterk verminderde vluchten door de Coronacrisis. In het Akkoord Duurzame Luchtvaart is afgesproken om in 2030 de CO2-uitstoot terug te brengen tot het niveau van 2005 (11,3 Mton) en in 2050 tot 50% t.o.v. 2005 (5,6 Mton). De Gegevens voor CO2 uitstoot over 2021 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het opstellen van deze begroting. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij het jaarverlsag 2022.

In de tweede helft van 2022 zal de eerste editie verschijnen van de in de uitvoeringsagenda bij de Luchtvaartnota aangekondigde monitor luchtvaart. Daarin staat een uitgebreidere set van indicatoren en kengetallen (voor alle publieke belangen en thema’s) om het luchtvaartbeleid te monitoren en evalueren. Hiervoor wordt onder andere informatie gebruikt uit (bestaande) monitors, zoals de monitor Netwerkkwaliteit, de Staat van Schiphol en de systeemmonitor luchtvaartveiligheid.

C. Beleidswijzigingen

De Nederlandse luchtvaart staat voor een aantal grote opgaven. Nederland is een dichtbevolkt land en de luchthavens liggen op plekken waar veel belangen samenkomen en geregeld met elkaar botsen. De gezondheid van mensen die wonen en werken rondom de luchthavens staat onder druk. Zij worden blootgesteld aan een slechtere luchtkwaliteit en aan geluidsoverlast. Ook draagt de uitstoot van vliegtuigen bij aan de opwarming van de aarde en heeft het impact op de natuur. Maar luchtvaart is óók een belangrijke toegangspoort tot de wereld en een pijler onder onze economie. Dagelijks reizen duizenden Nederlanders met het vliegtuig de hele wereld over voor vakantie, familiebezoek en werk.

Het kabinet wil een goed evenwicht vinden tussen al die belangen en stelt de kwaliteit van deze publieke belangen centraal in plaats van de kwantiteit van het aantal vluchten van- en naar Nederland. Daarmee wordt de lijn uit de Luchtvaartnota 2020-2050 doorgetrokken. Het coalitieakkoord leidt tot andere accenten in de Uitvoeringsagenda en versnelt de maatregelen om de overlast in de omgeving van luchthavens te verminderen en de luchtvaart schoner en stiller te maken. Hiertoe worden deze kabinetsperiode de benodigde kaders en besluiten uitgewerkt die hierna worden toegelicht. Waar mogelijk wordt hierbij ingezet op maatregelen in internationaal verband (EU/ICAO (International Civil Aviation Organization)). Ook wordt een innovatiestrategie voor de luchtvaart uitgewerkt.

Bij luchtvaart staan de volgende publieke belangen centraal:

Veilige luchtvaart

Vliegen is een van de veiligste vormen van vervoer. Veiligheid in de luchtvaart (in de lucht en op de grond) is en blijft een topprioriteit om dit hoge niveau te behouden. Dit betekent veiligheid voor en beveiliging van vliegtuigpassagiers en bemanning, en veiligheid voor bewoners. Veiligheid blijft een topprioriteit en daarom werkt het ministerie hard om het hoge veiligheidsniveau te behouden en te verhogen. IenW werkt het Nederlands luchtvaartveiligheids-programma 2020-2024 uit in een actieplan. Nederland zet in op compliance met de internationale verplichtingen en heeft de ambitie om voortdurend tot de best presterende landen te behoren. Het gewenste resultaat is dat in de Nederlandse luchtvaart geen ongevallen gebeuren.

Veiligheid kan niet alleen door wet- en regelgeving worden afgedwongen. Hiervoor is ook een systeemaanpak noodzakelijk, bestaande uit regelgeving, toelating, operatie, toezicht en reflectie. Als alle onderdelen goed functioneren, draagt dit optimaal bij aan het in stand houden en continu verbeteren van de veiligheid. De jaarlijkse publicatie van de Systeemmonitor luchtvaartveiligheid geeft inzicht in het functioneren van dit veiligheidssysteem. Ook de internationale organisaties ICAO en EASA houden hier toezicht op. Ten slotte is ook een stevige Nederlandse luchtvaartautoriteit belangrijk. Het kabinet heeft middelen vrij gemaakt voor een eerste stap in de benodigde versterking van de luchtvaartautoriteit.

Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

In de omgeving van luchthavens is het borgen van de kwaliteit van de leefomgeving belangrijk voor de gezondheid en leefkwaliteit van mensen en natuur. Ook bepaalt die kwaliteit mede de keuze voor een vestigingsplaats van internationale ondernemingen. Daarom is die kwaliteit belangrijk voor ons welzijn en onze welvaart. De verbetering van de leefomgevingskwaliteit rond luchthavens is hard nodig. Het gaat om de gezondheid van zowel omwonenden van luchthavens als werknemers op die luchthavens. Het kabinet kiest voor een aanpak waarmee geluidsoverlast en de uitstoot van onder meer stikstof en ultrafijnstof wordt verminderd. Er wordt een sectorbrede aanpak uitgewerkt gericht op een stapsgewijze reductie van de stikstofuitstoot door de luchtvaart. Ook wordt onderzocht welke andere mogelijk schadelijke stoffenuitstoot verminderd moet worden. Verder wordt in het verlengde van de Luchtvaartnota gewerkt aan geluidbeleid dat beter aansluit bij de hinder die bewoners ervaren en waarmee de sturingsmogelijkheden op hinder toenemen. Er is specifiek aandacht voor slaapverstoring door vluchten in de nachtperiode. Bij de uitwerking van deze voorstellen zijn een zorgvuldig participatietraject en duidelijke communicatie belangrijk.

Nederland goed verbonden

Het Rijk geeft de ruimte om via de lucht de voor Nederland meest relevante plekken in de wereld te bereiken. Dit gebeurt voor het welzijn en de welvaart van de Nederlanders. Het Rijk zal de vraag naar luchtvaart ten behoeve van passagiers en vracht selectief ondersteunen, waar die de grootst mogelijke waarde heeft voor de Nederlandse economie.

Zoals aangekondigd in de Luchtvaartnota werkt IenW een kader netwerkkwaliteit uit dat voorziet in een nieuwe monitoringwijze van luchtvaartnetwerken. Hiermee wordt het internationale netwerk van verbindingen van Nederland en het belang van de hubfunctie van Schiphol objectief en eenduidig in kaart gebracht. Daarnaast wil het kabinet dat in Europa vervoer per trein zo snel mogelijk, zowel qua tijd als qua kosten, een goed alternatief wordt voor vliegen. Dit draagt bij aan de verbetering van de internationale bereikbaarheid van Nederland. In samenwerking met partners wordt de Actieagenda trein en luchtvaart uitgevoerd

Duurzame luchtvaart

De luchtvaart staat wereldwijd voor de uitdaging om de toenemende uitstoot van broeikasgassen om te buigen in een afname om bij te dragen aan de klimaatdoelstelling van het Parijs-akkoord. Voor de internationale luchtvaart vertrekkend vanuit Nederland zijn CO2-reductiedoelen afgesproken. De voorstellen voor verduurzaming uit de Luchtvaartnota worden doorgezet. Dat betekent een inzet op in-sector CO2-reductie die complementair is aan de Europese inzet gericht op netto reductie. In ICAO wordt mede door Nederland gewerkt aan de totstandkoming van een ambitieus mondiaal langetermijndoel voor CO2-reductie. Afspraken op mondiaal niveau worden vertaald naar de Nederlandse situatie en waar nodig volgt aanscherping van de doelen in de Luchtvaartnota.

Ook blijft de doelstelling staan om in 2030 14% duurzame brandstoffen bij te mengen. Hiertoe zet Nederland tijdens de onderhandelingen over een Europese bijmengverplichting (ReFuelEU Aviation, onderdeel van het Fit-for-55-pakket) in op zo hoog mogelijke doelstellingen én op de mogelijkheid om nationaal een hogere bijmengverplichting in te kunnen voeren indien dit nodig blijkt. Tevens wordt het voorstel van de Europese Commissie voor een kerosineaccijns op EU-niveau ondersteund. Het kabinet heeft ook besloten om de opbrengsten van de vliegticketbelasting te verhogen.

Naast de inzet van het kabinet op het verduurzamen van de luchtvaartsector, ondernemen luchthavens zelf ook de nodige stappen. Zo heeft bijvoorbeeld Schiphol een actieprogramma stikstof opgesteld waarin de komende jaren wordt gewerkt aan duurzamer vervoer van en naar de luchthaven, elektrificatie van de activiteiten op de luchthaven en duurzamer luchtvervoer.

Tot slot stimuleert het kabinet innovatie met het beschikbaar stellen van middelen uit het Nationaal Groeifonds voor het voorstel Luchtvaart in Transitie. Luchtvaart in Transitie heeft een toekenning van € 264 miljoen en een voorwaardelijke toekenning van €119 miljoen (totaal max. €383 miljoen). Luchtvaart in Transitie is een meerjarig programma gericht op het leveren van een bijdrage aan het verduurzamen van de luchtvaartsector naar een klimaatneutrale luchtvaart in 2050. De kern van de toekenning richt zich op doorbraaktechnologieën voor ultra-efficiënte vliegtuigontwikkeling en daarbij behorende onderzoek en flankerend beleid. Luchtvaart in Transitie adresseert een strategisch belangrijk en relevant nationaal en internationaal vraagstuk: het verminderen van de uitstoot door de luchtvaart. Het effect op het verdienvermogen hangt af van Nederlands succes in internationaal concurrerende markten én van effectief flankerend beleid. Daarom wordt door de vliegtuigindustrie nauw samengewerkt met internationale vliegtuigbouwers en overheden, en is deelname aan Europese onderzoeksprogramma’s zoals Clean Aviation en Clean Hydrogen essentieel. Een deel van het project is gericht op kennisborging na 2030 door laag TRL onderzoek en internationale samenwerking te stimuleren.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 49 Budgettaire gevolgen van beleid art. 17 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

188.754

92.946

93.241

101.437

112.832

92.634

43.726

        

Uitgaven

26.662

32.281

46.693

51.783

57.955

58.945

45.037

        

1. Luchtvaart

26.662

32.281

46.693

51.783

57.955

58.945

45.037

Opdrachten

9.925

17.664

14.582

14.299

15.609

11.600

7.692

Opdrachten GIS

3

98

23

23

0

0

0

Caribisch Nederland

940

599

465

467

465

465

465

Klimaatbeleid

1.011

1.406

404

405

404

400

400

Luchtruim Regio Luchthaven

643

1.642

1.549

1.388

1.426

1.429

1.489

Luchtruimherziening

1.104

2.767

2.243

2.304

3.273

2.013

1.118

Onbemande luchtvaart

0

2.045

1.637

1.470

2.148

1.569

1.160

Onderzoek luchtvaart

0

490

2.549

3.695

3.671

2.616

0

Overige opdrachten

6.224

8.617

5.712

4.547

4.222

3.108

3.060

Subsidies

3.417

6.439

28.702

35.785

40.712

45.711

35.711

Subsidies klimaatbeleid

0

461

2.850

0

0

0

0

Subsidies tarieven Bonaire

425

431

0

0

0

0

0

Subsidies omploegen graan

1.444

1.663

0

0

0

0

0

NGF-project Luchtvaart in transitie

0

3.000

25.000

35.000

40.000

45.000

35.000

Overige Subsidies

1.548

884

852

785

712

711

711

Bijdrage aan agentschappen

6.443

6.302

117

117

53

53

53

Waarvan bijdrage aan agentschap KNMI

14

14

14

14

0

0

0

Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

518

557

53

53

53

53

53

Waarvan bijdrage aan agentschap RWS tbv Caribisch Nederland

5.806

5.058

0

0

0

0

0

Overige Bijdragen aan agentschappen

105

673

50

50

0

0

0

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

1.563

1.476

1.481

1.482

1.481

1.481

1.481

Waarvan bijdrage International Civil Aviation Organization

1.454

1.311

1.311

1.311

1.311

1.311

1.311

Overige Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

109

165

170

171

170

170

170

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

1.540

400

100

100

100

100

100

Leningen

3.774

0

1.711

0

0

0

0

        

Ontvangsten

2.104

1.530

5.167

1.117

1.240

1.275

1.485

Tabel 50 Uitsplitsing verplichtingen art. 17
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

188.754

92.946

93.241

101.437

112.832

92.634

43.726

waarvan garantieverplichtingen

166.400

59.600

48.000

51.000

52.000

35.000

0

waarvan overige verplichtingen

22.354

33.346

45.241

50.437

60.832

57.634

43.726

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. Het betreft de Accijnsvrijstelling luchtvaartuigen en het Btw-nultarief personenvervoer. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de Fiscale regelingen’.

Budgetflexibiliteit

Onderstaand is in lijn met de voorschriften uit de regeling Rijksbegrotingsvoorschriften een kwalitatieve toelichting voor de juridisch verplichte uitgaven opgenomen. Zie voor een nadere toelichting de ‘wijzigingen RBV 2022’ zoals opgenomen in de leeswijzer.

Tabel 51 Budgetflexibiliteit
 

2023

juridisch verplicht

38%

bestuurlijk gebonden

55%

beleidsmatig gereserveerd

7%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Toelichting

Van het totale budget voor artikel 17 is voor 2023 38% juridisch verplicht.

Opdrachten

Het beschikbare budget in 2023 is voor 73% juridisch verplicht. De juridische verplichtingen bij de opdrachten betreffen de uitfinanciering van aangegane verplichtingen voor onder meer de opdrachten geluidsisolatie Schiphol (GIS), Regionale luchthavens, uitvoering U-space, de uitvoering van de luchtvaartnota en het programma Schiphol.

Subsidies

Het beschikbare budget in 2023 is voor 13% juridisch verplicht. Het subsidiebudget betreft met name het NGF-project Luchtvaart in transitie dat bestuurlijk gebonden is (87% van het subsidiebudget). Voor het volledige subsidieoverzicht wordt verwezen naar bijlage 5 in deze begroting.

Bijdrage aan agentschappen

De uitgaven voor de agentschapsbijdrage RWS is volledig juridisch verplicht en heeft een structureel karakter. De bijdrage aan RWS heeft betrekking op beleidsondersteuning en advies (BOA). RWS reserveert capaciteit voor het uitvoeren van studies of het leveren van bijdragen daaraan, adviezen met betrekking tot beleidsnota’s en de uitvoerbaarheid van beleid.

Bijdragen internationale organisaties

Het beschikbare budget in 2023 is voor 100% juridisch verplicht. De bijdrage aan internationale organisaties betreft de jaarlijkse contributie aan de International Civil Aviation Organization (ICAO), aan het hiertoe opgezette samenwerkingsverband binnen ABIS en aan de European Civil Aviation Conference (ECAC). Dit bedrag is daarmee geheel juridisch verplicht.

Lening

De lening aan Winair is 100% juridisch verplicht in 2023.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

1 Luchtvaart

Opdrachten

Opdrachten Geluidsisolatie Schiphol (GIS)

Doel van het project Geluidsisolatie Schiphol fase 3 (GIS-3) is het verminderen van geluidshinder voor omwonenden van Schiphol door middel van geluidsisolatie. De geplande uitgaven voor 2023 hebben betrekking op aankopen in de geluidssloopzones en klachtenafhandeling.

Caribisch Nederland

Het betreft de aanschaf van apparatuur en installaties ter bevordering van het veilig gebruik van de luchthavens en ter verbetering van de bedrijfsvoering. Tevens betreft het de financiering van diverse onderzoeken, opleidingen, workshops en de jaarlijks terugkerende kosten voor instandhouding van de luchtvaartpublicaties.

Opdrachten klimaatbeleid

De overheid beoogt de duurzame ontwikkeling van de luchtvaart te versterken. Opdrachten zijn in dit kader bedoeld voor fundamenteel onderzoek, het verrichten van haalbaarheidsstudies, het opzetten van pilots/demo’s en het creëren van de juiste randvoorwaarden voor zowel de productie van verschillende (nieuwe) typen duurzame brandstoffen als het versnellen van duurzame innovaties (zoals hybride/elektrische aandrijving, nieuwe voertuigontwerpen en materialen). De middelen worden ook ingezet voor bredere kennisontwikkeling, bijvoorbeeld ten aanzien van de klimaatimpact van andere emissies dan CO2.

Opdrachten luchtruim regionale luchthavens

Voor de regionale luchthavens Rotterdam The Hague Airport, Groningen Airport Eelde, Maastricht Aachen Airport en de militaire luchthaven Eindhoven met civiel medegebruik worden de komende jaren nieuwe of gewijzigde gebruiksvergunningen (Luchthavenbesluiten) vastgesteld. Het Rijk vindt het van belang dat deze luchthavens zich ontwikkelen voor de regio’s waarin ze liggen. Daarom zijn voor Rotterdam The Hague Airport, Maastricht Aachen Airport en Eindhoven regionale verkenningen uitgevoerd om de toekomstige ontwikkeling van de luchthavens met betrokken stakeholders te bespreken. Leidend daarbij zijn de uitgangspunten uit de Luchtvaartnota. Er wordt een beroep gedaan op het Rijk om invulling te geven aan de te maken afspraken en het realiseren van ambities. Van belang bij de ontwikkeling is dat de geluidbelasting en uitstoot van verontreinigende stoffen eerst omlaag moet, voordat eventuele groei verdiend kan worden. Dat zal ook van het Rijk inzet vragen, bijvoorbeeld door onderzoek naar normstelling voor geluid en luchtkwaliteit of naar ondersteuning bij uitwerking en implementatie van hinderbeperkende maatregelen.

Opdrachten luchtruimherziening

Begin 2018 is het programma Luchtruimherziening van start gegaan. Het programma is gericht op het bereiken van drie samenhangende doelen: efficiënter gebruik en beheer van het luchtruim, beperking van klimaateffect en hinder in de omgeving, en verruiming van de civiele capaciteit en militaire missie effectiviteit. Het programma wordt gezamenlijk uitgevoerd door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het Ministerie van Defensie, het Commando Luchtstrijdkrachten (CLSK), Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) en Maastricht Upper Area Control Centre (MUAC). Het programma volgt een op Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) geïnspireerde aanpak, waarin participatie en internationale samenwerking centraal staan. Met de definitieve Voorkeursbeslissing die in het najaar van 2022 wordt vastgesteld, zal de Planuitwerkingsfase starten. De Planuitwerkingsfase zal in het teken staan van inhoudelijke stappen; onderzoek, ontwerp en simulaties. De Realisatiefase met stapsgewijze implementatie start vanaf 2024 tot 2035. De Tweede Kamer ontvangt halfjaarlijks een voortgangsbrief.

Onbemande luchtvaart (drones)

Het gebruik van onbemande luchtvaart (drones) neemt sterk toe. Deze ontwikkeling biedt nieuwe kansen voor bedrijven en leidt tot nuttige toepassingen. Het Rijk wil deze ontwikkeling de ruimte geven en innovatie in technologie en diensten mogelijk maken. De komst van drones in het lagere luchtruim zorgt naast kansen, ook voor nieuwe uitdagingen. Bij de ontwikkeling moet onder andere rekening gehouden worden met veiligheid, duurzaamheid en maatschappelijke acceptatie. De komende jaren komen er stapsgewijs meer Europese regels. Het beleid voor onbemande luchtvaart is adaptief. Belangrijkste stappen zijn: implementeren van Europese voorschriften, waaronder dynamische kaarten, zonering, producteisen en het opleiden en registreren van operators en piloten. Integratie van drones in het luchtruim door in te zetten op de ontwikkeling van U-space conform nieuwe Europese regels. Innovatie, kennisontwikkeling en onderzoek bijvoorbeeld voor het gebruik in steden van "urban airtaxis", als onderdeel van de «smart mobility» en «mobility as a service» ontwikkelingen.

Onderzoeken Luchtvaart

In de Luchtvaartnota zijn verschillende onderzoeken voorzien voor de komende jaren, onder andere t.b.v. monitoring en evaluatie van het beleid. Via de monitor uitvoeringsagenda luchtvaartnota worden de realisatie van de in de luchtvaartnota beschreven acties gemonitord en waar nodig bijgestuurd.

Overige opdrachten

Programma Omgeving Luchthaven Schiphol

Ten aanzien van Schiphol ziet het kabinet het als taak een goed evenwicht te vinden tussen de publieke belangen: leefbaarheid, duurzaamheid, veiligheid en de goede verbindingen met de wereld. Een belangrijk instrument om op de belangen te kunnen sturen is het vastleggen van de grenzen voor Schiphol met een aanpassing van het Luchthavenverkeersbesluit (LVB). Dit LVB heeft een directe relatie met het juridisch verankeren van het Nieuwe Normen en Handhavingsstelsel (NNHS) en de besluitvorming over een natuurvergunning voor Schiphol. Daarnaast spelen er rondom de luchthaven nog meer nationale en regionale opgaven die met elkaar strijden om de schaarse ruimte op het gebied van stikstof en anderszins. Om deze opgaven in samenhang met elkaar te bezien en tot de beste oplossingen te kunnen komen voor de luchthaven en voor het gebied waarin deze luchthaven ligt, is gekozen voor de opzet van een nieuw Programma Omgeving Luchthaven Schiphol. De regio Schiphol is toegevoegd aan het lijstje van NOVEX-gebieden.

Het doel van dit programma is tweeledig: het vaststellen van een LVB zodat daarmee ook het NNHS juridisch verankerd is en het rechtsvacuüm voor bewoners wordt opgeheven. En het verbeteren van de leefomgevingskwaliteit voor de inwoners van de Schipholregio, door gebiedsgericht te kijken naar de nationale en regionale opgaven die in dit gebied stapelen en daar in gezamenlijkheid keuzes in te maken en oplossingsrichtingen af te spreken.

OVV-follow-up

In 2023 wordt vervolg gegeven aan de implementatie van de aanbevelingen van het de OVV (Onderzoeksraad voor Veiligheid) rapport uit 2017 conform de aanpak zoals beschreven in de brief van het ministerie aan de OVV van 11 oktober 2017 (Bijlage bij Kamerstukken II 2017-2018, 29 665, nr. 242) en daarop volgende voortgangsrapportages. Met deze aanpak versterkt het ministerie de rol als eindverantwoordelijke voor de veiligheid.

Lelystad

Lelystad Airport moet fungeren als overloopluchthaven voor Schiphol, zodat op Schiphol meer ruimte vrijkomt voor mainportgebonden verkeer. In de Kamerbrief van 24 juni 2022 (Kamerstukken 2019-2020, 31936, nr. 732) is aangegeven dat besluitvorming over de eventuele opening van Lelystad Airport als overloopluchthaven van Schiphol niet eerder dan medio 2024 zal plaatsvinden.

Omgevingsmanagement en Projectbeheer

Om de realisatiekracht van de uitvoering in het luchtvaartbeleid te versterken worden o.a. de uitvoering van de Luchtvaartnota, de herziening van het luchtruim, de aanpak van drones, de ontwikkeling van de luchthavens in hun omgeving en het veiligheidsprogramma projectmatig opgezet. Een transparante en zorgvuldige besluitvorming staat voorop. Met het zorgvuldig betrekken van stakeholders en omgeving in brede zin. De middelen voor projectbeheer en omgevingsmanagement worden ingezet om de benodigde expertise aan te trekken, voor het organiseren van de participatie en voor en de verwerking van zienswijzen.

Nederlands luchtvaartveiligheidsprogramma (NLVP)

In 2023 wordt uitvoering gegeven aan het Nederlands Luchtvaartveiligheidsprogramma 2020-2024. Uitvoering van het NLVP is opgenomen in de uitvoeringsagenda bij de Luchtvaartnota en geeft invulling aan het publieke belang om Nederland veilig te houden in de lucht en op de grond. In het Nederlands Actieplan voor Luchtvaartveiligheid (NALV) worden de maatregelen opgenomen waarmee IenW samen met de sector werkt aan het continu verbeteren van de veiligheid van de burgerluchtvaart. Hierbij maken we onderscheid tussen de domeinen commerciële, kleine en onbemande luchtvaart en Caribisch Nederland

Verminderen risico op vogelaanvaringen

Uit een in 2021 afgeronde evaluatie naar het toen geldende convenant over het verminderen van het vogelaanvaringsrisico op en rond Schiphol bleek dat de huidige genomen maatregelen om het risico van aanvaringen met vogels en met name ganzen te verminderen, effectief zijn en moeten worden gecontinueerd. Om die reden wordt het sinds 2012 toegepaste viersporenbeleid, met daaraan toegevoegd een gedegen monitoring, in een nieuw vastgesteld convenant, dat loopt tot april 2024, voortgezet.

De vier sporen in dit beleid zijn de volgende:

  • Het technisch spoor: de inzet van en onderzoek naar technische middelen om vogels te detecteren en/of te verjagen.

  • Het ruimtelijk spoor: het voorkomen van nieuwe vogelaantrekkende bestemmingen rondom de luchthaven.

  • Het foerageer spoor: het beperken van het voedselaanbod voor vogels op en rondom de luchthaven.

  • Het populatie spoor: het beperken van de populatie en het aantal aanwezige overzomerende ganzen rondom Schiphol.

KDC

Er vindt opdrachtverlening plaats aan de Stichting Knowledge & Development Center (KDC) die kennis levert om innovatieve oplossingen te vinden voor de duurzame ontwikkeling van de Mainport Schiphol.

Programmatische aanpak meten (en berekenen) vliegtuiggeluid

In 2019 hebben de kennisinstituten RIVM, NLR en KNMI aanbevelingen op zeven thema’s gegeven om verbeteringen door te voeren bij het meten en berekenen van vliegtuiggeluid, rekening houdend met belevingsaspecten. Na de uitwerking van de aanbevelingen start de realisatiefase waarin de resultaten uit het uitgevoerde onderzoeksprogramma kunnen worden toegepast voor Schiphol. Dit omvat het uitvoeren van geluidmetingen, gekoppeld aan berekeningen, inclusief het analyseren en duiden van de verschillen. De realisatiefase wordt gefaseerd per thema ingevoerd, waarbij de laatste invoering volgens de prognose uiterlijk in 2023 plaatsvindt.

Cybersecurity

Het vergroten van de cyberweerbaarheid bij luchtvaartorganisaties is een continu aandachtspunt. De primaire verantwoordelijkheid voor de continuïteit en weerbaarheid van netwerk- en informatiesystemen ligt bij de organisaties zelf. Het ministerie van IenW draagt vanuit zijn systeemverantwoordelijkheid hieraan bij via algemene kaders (in beleid of in wet- en regelgeving, al dan niet voortvloeiend uit EU/internationaal verband) en initieert projecten/trajecten om de cyberweerbaarheid te verhogen.

Opdrachten elektrisch vliegen

Omdat veel innovaties op het gebied van hybride elektrisch vliegen nog niet klaar zijn voor de markt, is een financiële impuls vanuit de overheid van groot belang. De overheid kan de ontwikkeling op het gebied van hybride elektrisch vliegen stimuleren door middel van het verlenen van (onderzoeks)opdrachten en subsidies. Door financiële ondersteuning kan de innovatie versnellen door onderzoek naar en ontwikkeling van nieuwe technologieën. Daarnaast biedt het kansen aan de Nederlandse (maak)industrie, is het nodig om mee te kunnen doen aan Europese programma’s en in de internationale kopgroep voor hybride elektrisch vliegen.

Subsidies

Subsidies Klimaatbeleid

De overheid beoogt de duurzame ontwikkeling van de luchtvaart te versterken. SkyNRG ontvangt van IenW een subsidie van maximaal € 2,9 miljoen in 2023 (onder de voorwaarde dat de bijdrage voldoet aan de regels voor staatssteun) voor de duurzame kerosine fabriek Delfzijl (Project DSL-01). Met investeringen in schone energie en onder andere technologische innovaties wordt een impuls gegeven aan de transitie naar een toekomstbestendige duurzame petrochemische- en maakindustrie en luchthaven-infrastructuur in Nederland.

Subsidie luchtvaart in transitie (NGF)

Dit betreft de toegekende NGF-middelen Luchtvaart in Transitie zoals afgesproken in het coalitieakkoord ( € 263,9 miljoen). Deze middelen worden gebruikt om uiterlijk in 2050 een klimaatneutrale luchtvaart te kunnen realiseren. Er wordt ingezet op een duurzame luchtvaartsector en de ambitie om daarbij nieuwe toekomstbestendige banen te creëren. specieke maatregelen zijn:

  • De realisatie van een overkoepelde, decentraal georganiseerde data-deel-infrastructuur (BDI);

  • De ontwikkeling van nieuwe (digitale) infra-diensten;

  • De uitrol van een ‘transitieagenda’ om minimaal de helft van de Nederlandse bedrijven in de logistieke keten over de digitale streep te trekken.

Overige subsidies

Omgevingsraad Schiphol en Commissies Regionaal Overleg (CRO)

IenW draagt financieel bij aan de activiteiten van de Omgevingsraad Schiphol (ORS). Dit onafhankelijke overleg- en adviesorgaan verenigt bewoners, regionale en lokale overheden, luchtvaartpartijen en brancheorganisaties met als doel om de hinder van Schiphol zoveel mogelijk te beperken en een optimaal gebruik van de luchthaven te bevorderen. De jaarlijkse bijdrage bedraagt maximaal €264.000.

IenW investeert in lijn met de Luchtvaartnota in de verdere versterking en professionalisering van de overlegorganen bij de regionale burgerluchthavens van nationale betekenis (Commissies regionaal overleg bij de luchthavens van Eelde, Lelystad, Maastricht en Rotterdam), de instandhouding van het nieuwe Luchthaven Eindhoven Overleg (LEO) en het opleiden van de deelnemers aan deze overleggen (kennis/expertise). In 2023 bedraagt de rijksbijdrage per commissie maximaal €70.000.

Subsidie Klachtentelefoon Luchtverkeer Limburg

IenW stelt een subsidie beschikbaar aan de Stichting Klachtentelefoon Luchtverkeer Limburg voor de behandeling van klachten over de vliegbasis Geilenkirchen (AWACS) en de andere buitenlandse luchthavens in de grensregio met Limburg (Weeze-Niederrhein, Luik-Bierset). Gezien de specifieke situatie heeft IenW hiertoe besloten. Het gaat om buitenlandse luchthavens die milieueffecten hebben op Nederlands grondgebied, waarbij specifiek voor de vliegbasis Geilenkirchen sprake is van een bijzonder Rijksbelang (militaire bescherming van ons land in NAVO-verband) en relatief hoge geluidsoverlast vanwege de AWACS-vliegtuigen. De jaarlijkse subsidie bedraagt maximaal €75.000.

Subsidie Stichting Advisering Bewonersvertegenwoordiging Regionale Luchthavens ABReL

IenW vindt het van belang dat bewonersorganisaties die zitting hebben in de Commissies regionaal overleg (CRO’s) en het Luchthaven Eindhoven Overleg (LEO) een bijdrage kunnen leveren aan de uitwerking van (beleids-)vraagstukken uit de Luchtvaartnota. Dat is de reden dat een subsidie van maximaal €50.000 per jaar beschikbaar wordt gesteld aan de Stichting Advisering Bewonersvertegenwoordigers Regionale Luchthavens (ABReL), waardoor bewonersvertegenwoordigers extern ondersteuning kunnen inhuren die deze vrijwilligers adviseert en ontlast. Concreet ziet de subsidie toe op de bijdrage van ABReL aan de regionale verkenningen rond de regionale luchthavens, de bijdrage aan landelijke (beleids-)vraagstukken en deelname aan de nationale luchtvaarttafel (als uitwerking van de Luchtvaartnota).

Bovenstaande begrotingsvermeldingen voor de Omgevingsraad Schiphol en Commissies Regionaal Overleg, het Luchthaven Eindhoven Overleg, Klachtentelefoon luchtverkeer Limburg, verbeteren luchtvaartveiligheid Zuidoost Afrika, ondersteuning luchtverkeersdienstverlening Bonaire, leefbaarheidsfonds Eindhoven en Stichting ABReL vormen de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.

Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft voornamelijk de bijdrage die aan RWS ter beschikking wordt gesteld voor de uitvoering van de masterplannen luchthavens Caribisch Nederland gericht op het wegwerken van de tekortkomingen ten aanzien van de internationale regelgeving voor de vliegveiligheid en voor de wederopbouw van de Bovenwindse Eilanden als gevolg van de geleden schade door de orkanen Irma en Maria in september 2017.

Daarnaast betreft het investeringen voor de aanleg van platformen en landingsbaanverlichting op Bonaire. Deze investeringen zijn nodig om te kunnen voldoen aan internationale ICAO veiligheidsstandaarden. Er zal worden overgegaan tot de aanschaf van rescueboten. Het ontbreken hiervan is een groot veiligheidsrisico bij een onbedoelde landing op zee (crash).

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Voor de jaarlijkse contributie aan de International Civil Aviation Organization, aan het hiertoe opgezette samenwerkingsverband binnen ABIS (de ABIS-groep vertegenwoordigt de burgerlijke luchtvaartautoriteiten van Oostenrijk, België, Kroatië, Nederland, Luxemburg, Ierland, Zwitserland en Portugal), en aan de European Civil Aviation Conference (ECAC) wordt in 2023 een bedrag uitgegeven van circa € 1,5 miljoen, waarvan € 1,3 miljoen via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS).

Bijdrage aan ZBO’s/RWT's

Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL)

Voortvloeiend uit de afspraken die gemaakt zijn in de ‘Overeenkomst betreffende de operationaliteit voor civiel medegebruik van de militaire radar bij Soesterberg’ wordt ten behoeve van het operationeel houden van de Soesterbergradar voor de vliegveiligheid op en rond de luchthaven Schiphol, een bijdrage van € 0,1 miljoen verstrekt aan Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL). Onbemande luchtvaart zal waarschijnlijk bijdragen aan LVNL.

Leningen

Winair

Het betreft middelen die worden ingezet voor het verstrekken van een hypothecaire lening aan WinAir op het luchthavengebouw van Winair ter waarde van USD 3 miljoen. Daarmee kan het bedrijf, dat essentieel is voor de interinsulaire verbinding van Saba en Sint Eustatius op korte termijn blijven opereren.

Garantie LVNL

Voor de veilige afhandeling van het luchtverkeer in het Nederlandse luchtruim beheert LVNL vitale luchtvaartinfrastructuur. Dit betekent dat LVNL voortdurend moet investeren om de continuïteit van de dienstverlening te waarborgen door systemen die het einde van de levensduur bereiken tijdig te vervangen. Daarnaast moet LVNL investeren in nieuwe en innovatieve technologie, zodat LVNL niet alleen betrouwbare luchtverkeersleiding kan blijven geven, maar ook in de toekomst kan blijven voldoen aan de eisen en wensen die nationale en internationale partijen stellen aan de dienstverlening van LVNL. Hiervoor is een jaarlijks leningenplafond ingesteld. LVNL gaat bij het ministerie van Financiën leningen aan voor een bedrag van maximaal € 49,8 miljoen in 2021 en maximaal € 47,9 miljoen in 2023. IenW stelt zich garant voor deze leningen.

3.6 Artikel 18 Scheepvaart en Havens

A. Algemene doelstelling

Het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam goederenvervoersysteem, waarbinnen de internationale concurrentiekracht van de mainport en van de Nederlandse maritieme sector wordt versterkt.

Tabel 52 Samenvatting budgettaire gevolgen van beleid art.18 per subthema (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

42.649

56.115

115.127

93.365

66.609

58.436

56.859

        

Uitgaven

32.381

62.449

130.251

93.893

67.137

58.884

56.859

        

Uitgaven onderverdeeld per subthema

       

1 Scheepvaart en Havens

32.381

62.449

130.251

93.893

67.137

58.884

56.859

        

Ontvangsten

738

150

0

0

0

0

0

B. Rol en verantwoordelijkheid

(Doen) Uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor het in stand houden van een robuust hoofdnetwerk van vaarwegen. Vanuit de begroting Hoofdstuk XII (artikel 26.01) wordt een bijdrage gedaan aan het Mobiliteitsfonds. Via het Mobiliteitsfonds (artikel 11,15 en 17) investeert de Minister door middel van aanleg en benutting in dit netwerk, in binnenhavens en in de maritieme toegang van zeehavens om een goede en betrouwbare bereikbaarheid over water van de economische kerngebieden te realiseren. Aanleg- en benuttingsprojecten worden in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) vastgelegd. De Minister is verantwoordelijk voor toezicht en nautisch beheer. Rijkswaterstaat (RWS) voert als beheerder het beheer, onderhoud en vervanging uit. De uitgaven aan beheer, onderhoud en vervanging worden verantwoord op het Mobiliteitsfonds (artikel 15).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het maritiem beleid. De rol regisseren heeft betrekking op de volgende taken:

  • De Minister stelt normen en handhaaft deze om het veilige en duurzame gebruik van netwerken te waarborgen. De Minister ijvert regionaal en internationaal voor gelijke normen, bijvoorbeeld in de Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie van de EU en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), ook omdat een internationaal level playing field goed is voor de Nederlandse concurrentiepositie. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van IMO en Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en een gerichte bijdrage aan de totstandkoming van Europese regelgeving, inclusief een actieve rol in agentschappen als het Europese Maritieme Veiligheidsagentschap (EMSA) en andere organisaties;

  • De in 2015 vastgestelde Maritieme Strategie geeft de leidende principes aan: meerwaarde door samenwerking, ruimte voor ondernemerschap en oog voor de leefomgeving. Vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving wordt de innovatie en de transitie naar een duurzame scheepvaart bevorderd. IenW zorgt voor «state of the art» regelgeving op het gebied van milieu, veiligheid, marktordening, bemanningszaken en security. Waar nodig wordt hiervoor internationaal samengewerkt;

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor een permanente verbetering van de veiligheid en duurzaamheid van het transport over water;

  • IenW draagt, binnen het kabinetsbrede bedrijvenbeleid onder coördinatie van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, als vakdepartement verantwoordelijkheid voor de overheidsinbreng op de Topsector Logistiek en het maritieme cluster binnen de Topsector Water en Maritiem;

  • Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven;

  • Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht) en door de Autoriteit Consument en Markt.

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor scheepvaart en havens opgenomen. In productartikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Mobiliteitsfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Tabel 53 Indicator Passeertijd sluizen1
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Realisatie 2021

Streefwaarde 2022*2

Hoofdtransportas

66%

66%

63%

65%

65%

60%

80%

Hoofdvaarweg

80%

80%

75%

77%

78%

80%

75%

Overige vaarweg

91%

88%

87%

85%

87%

89%

70%

X Noot
1

Bron: Rijkswaterstaat 2022

X Noot
2

Er zijn geen afspraken gemaakt met Beleid over de streefwaarden voor 2022. Daarom zijn de streefwaarden voor 2021 overgenomen als referentiewaarde.

Toelichting

Voor elk type vaarweg (Hoofdtransportas, Hoofdvaarweg en Overige vaarwegen) wordt een te realiseren percentage schepen nagestreefd dat binnen de normtijd de sluis passeert (streefwaarde). De «passeertijd sluizen» is een absolute normtijd die voor elke sluis afzonderlijk is bepaald. De gerealiseerde passeertijden op de hoofdtransportassen voldoen nog niet aan de streefwaarden. Dit speelt al langere tijd en wordt voornamelijk veroorzaakt door gebrek aan capaciteit op de sluizen op de corridor tussen Zeeland en Rotterdam. Voor de sluizen op die corridor lopen dan ook MIRT-projecten, gericht op het verbeteren van deze capaciteit. De passeertijden voor de hoofd- en overige vaarwegen scoren wel ruim voldoende.

Tabel 54 Kengetal: Ontwikkeling van het procentuele marktaandeel (in tonnen) van de Nederlandse Havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest Europese havenrange (de Hamburg-le Havre range)1
 

Basiswaarde 2005

20162

2017

20183

2019

2020

2021

Totaal Nederlandse Zeehavens

44,9

48,3

47,9

50,3

50,3

49,7

49,94

Mainport Rotterdam

34,9

37,6

37,2

36,8

36,6

36,7

37,4

Overige Nederlandse Zeehavens

10

10,7

10,7

13,5

13,8

13

12,5

X Noot
1

Bron: Havenbedrijf Rotterdam

X Noot
2

Vanaf 2016 Havenbedrijf Rotterdam op basis van cijfers ESPO. ESPO beschouwt daarin alleen de Nederlandse havens van Rotterdam, Amsterdam en Zeeland. In eerdere jaren zijn ook de havens van Moerdijk en Groningen in het overzicht meegenomen. Deze worden niet meegenomen door ESPO.

X Noot
3

Marktaandeel overige Nederlandse zeehavens is vanaf 2018 inclusief Gent (B), na de fusie van de havenbedrijven Zeeland Seaports en Gent tot North Sea Port 9 december 2017. Er worden geen uitgesplitste cijfers gepubliceerd.

X Noot
4

Cijfers Le Havre zijn voorlopig, zodat het totale marktaandeel van de Nederlandse zeehavens nog (iets) kan wijzigen.

Toelichting

Dit kengetal geeft informatie over het marktaandeel van de Nederlandse zeehavens ten opzichte van de concurrerende Noordwest Europese havenrange (de zogenaamde "Hamburg-Le Havre range"). Het streven is het marktaandeel van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest (de "Hamburg-Le Havre range") ten minste te handhaven.

Het «Totaal Nederlandse Zeehavens» kent een kleine stijging van het marktaandeel. Mainport Rotterdam zag zijn aandeel stijgen met 0,7%. In absolute zin is Rotterdam de grootste haven (37,4,% aandeel tegenover 19,1% van Antwerpen).

Tabel 55 Kengetal: Ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT)1
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Van de vloot van in Nederland geregistreerde zeeschepen onder Nederlandse vlag

      

Aantallen

      

Handelsvaart

771

761

757

744

748

742

Zeesleepvaart

288

291

299

302

303

304

Waterbouw

171

176

168

170

169

166

Totaal

1.230

1.228

1.224

1.216

1.220

1.212

Bruto tonnage (GT) (x 1.000)

      

Handelsvaart

6.411

6.275

6.229

6.242

6.076

6.087

Zeesleepvaart

423

444

532

531

557

542

Waterbouw

542

572

545

552

566

540

Totaal

7.376

7.291

7.306

7.325

7.199

7.169

       

Van de vloot onder buitenlandse vlag in Nederlands eigendom of beheer

      

Aantallen

      

Handelsvaart

451

458

474

507

503

529

Zeesleepvaart

502

499

496

496

520

519

Waterbouw

62

63

57

69

69

67

Totaal

1.015

1.020

1.027

1.072

1.092

1.115

Bruto tonnage (GT) (x 1.000)

      

Handelsvaart

7.203

7.700

8.806

8.675

9.045

9.886

Zeesleepvaart

2.239

1.706

1.779

1.721

1.581

1.789

Waterbouw

322

328

319

333

340

341

Totaal

9.764

9.734

10.184

10.729

10.966

12.016

X Noot
1

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2022. Cijfers van zeeschepen onder buitenlandse vlag op basis van IHS.

Toelichting

Bovenstaande kengetallen geven informatie over de ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT) van de vloot in Nederlands eigendom of beheer onder Nederlandse en buitenlandse vlag. De gegevens zijn opgesplitst naar de sectoren handelsvaart, zeesleepvaart en waterbouw. In 2021 is de vloot onder Nederlandse vlag afgenomen met acht schepen. De vloot onder Nederlands beheer is toegenomen met drieëntwintig. Vijf schepen daarvan voeren eerder onder Nederlandse vlag. De groei c.q. afname van de vloot onder Nederlandse vlag is niet alleen van overheidsbeleid afhankelijk, maar ook van externe factoren zoals de wereldwijde groei van het ladingaanbod en investeringsklimaat, het zeevaartbeleid (waaronder fiscale klimaat) van andere landen en de individuele prestaties van de ondernemingen. Een toename van de vanuit Nederland beheerde vloot (en dan met name de Nederlandse vlag) is gunstig voor de ontwikkeling van de toegevoegde waarde.

Tabel 56 Kengetal: Scheepvaartongevallen Nederlandse deel van de Noordzee1
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Zeer ernstige scheepsongevallen

2

2

1

5

1

1

Ernstige scheepsongevallen

8

12

10

4

6

10

Andersoortige scheepsongevallen

49

16

32

31

24

31

Totaal aantal ongevallen

59

30

43

40

31

42

       

Aantal doden (van totaal aantal ongevallen)

0

1

0

3

0

0

Aantal gewonden (van totaal aantal ongevallen)

3

3

0

4

2

1

X Noot
1

Bron: Rijkswaterstaat 2022, Cijfers van zeeschepen onder buitenlandse vlag op basis van IHS

Tabel 57 Kengetal: Scheepvaartongevallen Nederlandse binnenwateren1
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

(Zeer) ernstige scheepsongevallen

163

161

178

160

175

148

Andersoortige ongevallen

1.166

973

1.179

1.119

1.068

1.077

Totaal aantal ongevallen

1.329

1.134

1.357

1.279

1.243

1.225

       

Aantal doden (van totaal aantal ongevallen)

7

8

2

5

3

5

Aantal gewonden (van totaal aantal ongevallen)

38

33

55

71

39

42

X Noot
1

Bron: Rijkswaterstaat 2022, Cijfers van zeeschepen onder buitenlandse vlag op basis van IHS

Toelichting

In 2021 is één zeer ernstig scheepsongeval geregistreerd en tien ernstige scheepsongevallen. Het zeer ernstige scheepsongeval betrof een zeiljacht dat verloren is gegaan, nadat het tegen de pier van Scheveningen was gevaren. Er zijn in 2021 geen dodelijke slachtoffers gevallen bij de (zeer) ernstige scheepsongevallen op de Noordzee.

Op de Nederlandse binnenwateren (inclusief de zeehavens) zijn in 2021 in totaal 1225 ongevallen geregistreerd, waarvan 148 (zeer) ernstige scheepsongevallen. Op de binnenwateren waren in 2021 vijf dodelijke slachtoffers te betreuren.

C. Beleidswijzigingen

In het Coalitieakkoord zijn extra middelen beschikbaar gesteld voor exploitatie, onderhoud en vernieuwing van de Rijksinfrastructuur. Deze middelen komen vanaf 2023 beschikbaar op het Mobiliteitsfonds. Voor de korte termijn (periode tot en met 2025) worden de middelen ingezet om de programmering van Rijkswaterstaat en ProRail op te hogen. Ondanks de grotere financiële ruimte kan in de eerste jaren nog niet het uitgestelde onderhoud op de RWS-netwerken worden ingelopen, maar wordt wel toegewerkt naar een stabilisatie. Komende jaren zal kritisch gekeken worden naar het benodigde kwaliteitsniveau van de netwerken voor een bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Prestaties, budgetten en risico’s worden weer in evenwicht gebracht en er wordt ook rekening gehouden met het toekomstbestendig maken van de netwerken.

In april 2022 heeft de Ministerraad ingestemd met het Nationaal Groeifondsvoorstel Digitale Infrastructuur Logistiek (DIL). Voor de bouw aan een Digitale Infrastructuur Logistiek is voor de jaren 2022 tot en met 2026 € 51,5 mln. budget verkregen uit het Nationaal Groeifonds. Daarbij wordt ingespeeld op de kansen die digitalisering biedt voor het vernieuwen en verduurzamen van de logistiek in Nederland

Digitale Infrastructuur Logistiek is een gezamenlijk initiatief van overheid en bedrijfsleven. Zij willen met DIL inspelen op de kansen die digitalisering biedt voor het vernieuwen en verduurzamen van de logistiek in Nederland. Digitale Infrastructuur Logistiek beoogt een efficiëntere en duurzamere logistiek te realiseren die bijdraagt aan economische groei. DIL beoogt in vijf jaar een toekomstbestendige infrastructuur voor bedrijfsleven en overheid te realiseren en de digital readiness van de sector te verhogen.

De met de Rijksbrede Nederlandse Maritieme Strategie 2015–2025 (Kamerstukken II 2014-2015, 31 409, nr. 70) ingezette koers wordt ook in 2023 voortgezet, evenals de samenwerking tussen de rijksoverheid en de maritieme sector bij de uitwerking van de Maritieme Strategie. De basis voor deze samenwerking wordt gevormd door een op 22 februari 2018 vastgesteld werkprogramma , waarin de prioriteiten op het gebied van zeevaart, zeehavens, binnenvaart en de maritieme maakindustrie voor de komende jaren zijn vastgelegd (Kamerstukken II 2017-2018, 31 409, nr. 184). Het werkprogramma had een doorlooptijd tot en met 2021. Een aantal onderwerpen uit het werkprogramma loopt door in 2023 (verbetering van het scheepsregister, Smart Shipping, structuurversterking binnenvaart etc.) of is inmiddels via een andere weg opgepakt. Onderwerpen op het gebied van vergroening van de zee- en binnenvaart zijn bijvoorbeeld opgepakt via de op 11 juni 2019 tot stand gekomen Green Deal Zeevaart, Binnenvaart en Havens.

Met de op 11 juni 2019 tot stand gekomen Green Deal Zeevaart, Binnenvaart en Havens (looptijd 2019 tot 2024) heeft de Minister de eerste stap gezet in de lange termijntransitie naar een klimaatneutrale en emissieloze scheepvaart. Om dat te realiseren nemen overheid en maritieme sector vele tientallen acties op zich die inmiddels al tot de nodige resultaten hebben geleid en nog zullen leiden.

Het kabinet heeft € 32 mln. beschikbaar gesteld om walstroom voor de zeevaart uit te rollen en daarmee gericht bij te dragen aan de verlaging van stikstofdepositie. Dit bedrag komt bovenop de eerder in de begroting voor walstroom beschikbaar gestelde € 32 mln. Daarnaast is € 150 mln. beschikbaar gesteld voor walstroom voor de zeevaart om een bijdrage te leveren aan de klimaatdoelstellingen en te anticiperen op aankomende Europese verplichtingen om walstroom aan te bieden voor cruiseschepen, containerschepen en ro-ro-ferries.

In november 2021 is een emissielabel voor de binnenvaart geïntroduceerd, waarmee de milieuprestatie van een binnenvaartschip kan worden geduid. In 2022 zullen nadere afspraken worden gemaakt met de sectorpartijen over de toepassing van het label. Op 29 januari 2021 is een regeling gepubliceerd voor investeringssubsidies waarmee de aanschaf van schone motoren in de binnenvaart wordt gestimuleerd (Staatscourant 2021-4018) Deze investeringsregeling loopt van 2021 tot 2025 en omvat eveneens de aanschaf van katalysatoren vanuit de permanente aanpak stikstofproblematiek. Hierover is de Tweede Kamer geïnformeerd bij brief van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Kamerstukken II 2019-2020, 35 334, nr. 82). Vanuit het Nationaal Groeifonds is in april 2022 50 mln Euro toegekend voor elektrificatie van binnenvaartschepen. Voor de zeevaart spant IenW zich in voor de invoering van mondiale prijsprikkels gericht op reductie van CO2 emissies.

Eind 2020 is de definitieve Havennota 2020 ‒ 2030 naar de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II 2020-2021, 31 409 nr. 306 ). De Havennota heeft tot doel de krachtige positie van de havens in onze delta-economie te behouden en te versterken zodat de toegevoegde waarde, de bijdrage aan het nationale verdienvermogen en de werkgelegenheid van de zee- en binnenhavens ook in een onzekere toekomst behouden blijven. De Havennota gaat daartoe uit van vijf havens van nationaal belang met een bijzondere positie voor mainport Rotterdam.Ter uitvoering van het havenbeleid investeert IenW volop in knelpunten in de zeehavens en op de achterlandverbindingen over weg, water en spoor. Ook zet het kabinet in op buisleidingen, voor ondergronds vervoer van duurzame energiedragers zoals waterstof. Duurzame scheepvaart speelt een belangrijke rol in de verduurzamingsopgave van de zeehavens.

Met de in 2019 naar de Tweede Kamer gezonden Goederenvervoeragenda is gericht ingezet op een integrale aanpak van het goederenvervoer en logistieke beleid. Er wordt verder invulling gegeven aan de implementatie van de Europese verordeningen EMSWe (Europees Maritime Single Window) en eFTI (Papierloos Transport) en de samenwerking met Douane, havens en hun port community systemen om data te delen in het transport. En tenslotte worden diverse acties binnen het Programma 2021-2023 van de Topsector Logistiek uitgevoerd, waarbij directe koppelingen worden gelegd met de acties van de Goederenvervoeragenda.

Vanuit de wens om de maritieme veiligheid structureel beter te borgen door een risicogestuurde aanpak, is in november 2020 het Beleidskader maritieme veiligheid naar de Tweede Kamer verzonden (Kamerstukken II 2019-2020, 31 409, nr. 307). Dit beleidskader omvat zowel de nautische veiligheid (safety) als maritieme security Vanuit deze risicogestuurde aanpak is de inzet gericht op continue verbetering van de nautische veiligheid en maritieme security.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 58 Budgettaire gevolgen van beleid art. 18 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

42.649

56.115

115.127

93.365

66.609

58.436

56.859

        

Uitgaven

32.381

62.449

130.251

93.893

67.137

58.884

56.859

        

1 Scheepvaart en Havens

32.381

62.449

130.251

93.893

67.137

58.884

56.859

Opdrachten

12.728

17.153

28.195

18.184

14.107

14.134

2.555

Caribisch Nederland

61

100

100

100

100

100

100

Topsector logistiek

6.448

11.000

9.096

0

0

0

0

NGF Project - Digitale Infrastructuur Logistiek

0

674

13.868

12.938

11.812

11.812

0

Overige opdrachten

6.219

5.379

5.131

5.146

2.195

2.222

2.455

Subsidies

15.990

40.422

94.910

72.210

50.110

41.830

51.832

NGF Project - Zero-emissie binnenvaart batterij-elektrisch

0

9.500

15.600

25.100

0

0

0

Innovatieve Duurzame Binnenvaart

10.444

20.900

13.330

13.330

13.330

13.330

13.332

Electrisch varen

4.000

0

0

0

0

0

0

Walstroom

0

5.882

62.900

33.700

36.700

28.500

38.500

Topsector Logistiek

0

4.000

3.000

0

0

0

0

Overige Subsidies

1.546

140

80

80

80

0

0

Bijdragen aan agentschappen

1.859

3.193

2.465

1.818

1.239

1.239

1.239

Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

1.392

2.465

2.465

1.818

1.239

1.239

1.239

Overige Bijdragen aan agentschappen

467

728

0

0

0

0

0

Bijdragen aan medeoverheden

35

0

3.000

0

0

0

0

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

1.525

1.581

1.581

1.581

1.581

1.581

1.133

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

244

100

100

100

100

100

100

        

Ontvangsten

738

150

0

0

0

0

0

Tabel 59 Extracomptabele verwijzing naar artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Mobiliteitsfonds (x € 1.000)
 

2023

2024

2025

2026

2027

Bijdrage uit artikel 26 van Mobiliteitsfonds aan artikel 15 Hoofdvaarwegennet

1.345.642

1.431.104

1.434.231

1.445.723

935.357

Andere ontvangsten van artikel 15 Hoofdvaarwegennet

5.587

10.121

9.441

1.741

489

Totale uitgaven op artikel 15 Hoofdvaarwegennet

1.351.229

1.441.225

1.443.672

1.447.464

935.846

waarvan

      

15.01

Exploitatie

10.152

9.826

9.661

9.661

9.661

15.02

Onderhoud en vernieuwing

591.958

744.527

704.055

352.138

270.351

15.03

Ontwikkeling

219.577

210.532

290.144

693.336

262.068

15.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

117.961

91.116

65.284

54.633

54.636

15.06

Netwerkgebonden kosten HVWN

411.581

385.224

374.528

337.696

339.130

Tabel 60 Extracomptabele verwijzing naar artikel 17.06 Project Mainportontwikkeling Rotterdam van het Mobiliteitsfonds (x € 1.000)
  

2023

2024

2025

2026

2027

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikelonderdeel 17.06 Project Mainportontwikkeling Rotterdam

799

700

810

690

810

Andere ontvangsten van artikelonderdeel 17.06 Project Mainportontwikkeling Rotterdam

     

Totale uitgaven op artikelonderdeel 17.06 Project Mainportontwikkeling Rotterdam

799

700

810

690

810

waarvan

      

17.06.01

Project Mainportontwikkeling Rotterdam

799

700

810

690

810

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. De fiscale regelingen die niet in onderstaande tabel zijn opgenomen, maar wel op dit beleidsartikel betrekking hebben, zijn:

  • Accijnsvrijstelling communautaire wateren

  • Willekeurige afschrijving zeeschepen

  • Btw-nultarief personenvervoer

Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Evaluatie Zeevaart

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft samen met de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst de evaluatie van de fiscale maatregelen in het Nederlandse zeescheepvaartbeleid aan de Tweede Kamer aangeboden. Onderzoeksbureau Deloitte heeft hierbij het toetsingskader fiscale regelingen toegepast en gekeken naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de volgende zeevaartregelingen over de periode 2014 t/m 2019: 1) de tonnageregeling, 2 de afdrachtvermindering zeevaart en 3) de willekeurige afschrijving op zeeschepen.

De drie fiscale regelingen hebben een brede doelstelling: het versterken van het maritieme cluster, het bevorderen van werkgelegenheid verbonden aan het varen onder Nederlandse vlag en het versterken van de Nederlandse concurrentiepositie. Het rapport concludeert dat de tonnageregeling en de afdrachtvermindering zeevaart doeltreffend en doelmatig zijn op basis van interviews met een representatieve groep van sectorpartijen en cijfers over de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse maritieme sector. Uitzondering is de willekeurige afschrijving op zeeschepen, deze blijkt nauwelijks gebruikt te worden. Voor alle regelingen geldt echter dat met name de doelmatigheid niet statistisch kan worden aangetoond bij een gebrek aan congruente data sets op Nederlands, Europees en mondiaal niveau.

Tabel 61 Fiscale regelingen 2021-2023, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1
 

2021

2022

2023

Tonnageregeling winst uit zeescheepvaart

115

115

127

Afdrachtvermindering zeevaart

107

106

105

X Noot
1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

Budgetflexibiliteit

Onderstaand is in lijn met de voorschriften uit de regeling Rijksbegrotingsvoorschriften een kwalitatieve toelichting voor de juridisch verplichte uitgaven opgenomen. Zie voor een nadere toelichting de ‘wijzigingen RBV 2022’ zoals opgenomen in de leeswijzer.

Tabel 62 Budgetflexibiliteit
 

2023

juridisch verplicht

43%

bestuurlijk gebonden

56%

beleidsmatig gereserveerd

0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Toelichting

Van het totale budget voor artikel 18 is voor 2023 43% juridisch verplicht.

Opdrachten

Het beschikbare budget in 2023 is voor 37% juridisch verplicht. Voor Topsector Logistiek (TSL) is het opdrachtenbudget volledig juridisch verplicht. Van het overige opdrachtenbudget is circa 8% juridisch verplicht. Het betreft de financiering van aangegane verplichtingen voor onder meer de uitvoering van toezichtstaken door de ACM en de monitoring van maritieme indicatoren en kengetallen. Het NGF-project Digitale Infrastructuur en Logistiek is bestuurlijk gebonden.

Subsidies

Het beschikbare budget in 2023 is voor 41% juridisch verplicht. Het beschikbare subsidiebudget voor verduurzaming en innovatie van de binnenvaart (uitvoering Tijdelijke subsidieregeling verduurzaming binnenvaartschepen 2021-2025) is 100% juridisch verplicht. Voor de subsidieregeling Walstroom Zeehavens is de Tijdelijke subsidieregeling walstroom zeeschepen 2022-2023 ook 100% juridisch verplicht. Het NGF-project Zero-emissie binnenvaart batterij-elektrisch is bestuurlijk gebonden. Voor het volledige subsidieoverzicht wordt verwezen naar bijlage 5 in deze begroting. De subsidies hebben een tijdshorizon.

Bijdrage aan agentschappen

De uitgaven voor de agentschapsbijdrage RWS is volledig juridisch verplicht en heeft een structureel karakter. De bijdrage aan RWS heeft betrekking op beleidsondersteuning en advies (BOA). RWS reserveert capaciteit voor het uitvoeren van studies of het leveren van bijdragen daaraan, adviezen met betrekking tot beleidsnota’s en de uitvoerbaarheid van beleid.

Bijdrage aan medeoverheden

De bijdragen aan medeoverheden en zelfstandige bestuursorganen of rechtspersonen met een wettelijke taak zijn 100% juridisch verplicht. Voor de aanleg van de nieuwe zeehaven ontvangt Saba in 2023 een aanvullende bijdrage van € 3 miljoen.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

1 Scheepvaart en havens

Opdrachten

Caribisch Nederland

Voor beleidswerk gericht op havens (onder andere havensamenwerking) en Caribisch Nederland (het openbaar lichaam Bonaire) is het benodigde budget begroot.

Klimaatbeleid zeevaart

Het beschikbare budget voor klimaataanpak wordt gebruikt om de nationale en internationale doelstellingen te behalen betreffende broeikasgasemissiereductie door de zeevaart. De aanpak is uiteengezet in de Kamerbrief ‘klimaatbeleid voor de zeevaart’ van 22 november 2021. (Kamerstukken II 2021-2022, 31 409, nr. 934)

Scheepvaartincidenten

Op de Noordzee vinden soms scheepvaartincidenten plaats, zoals het verlies van containers. Dit soort incidenten kan leiden tot onderzoeksvragen die uit de aard der zaak lastig planbaar zijn. Voor dergelijk onderzoek is budget beschikbaar.

Maritieme Strategie en Zeehavens

Het werkprogramma Maritieme Strategie en Zeehavens 2018-2021 is vanaf 2018 als onderdeel van het integrale werkprogramma ter uitvoering van de Maritieme Strategie doorgezet en liep eind 2021 ten einde. Een aantal onderwerpen uit het werkprogramma loopt door in 2023 (verbetering van het scheepsregister, Smart Shipping, structuurversterking binnenvaart etc.).

Als vlaggen-, kust- en havenstaat zet Nederland in International Maritime Organization (IMO)- en EU-verband in op verbetering van het stelsel van regelgeving (bij voorkeur door optimaliseren bestaande regelgeving).

De concurrentiepositie van het maritieme cluster vereist de implementatie van verdragen, een gelijk speelveld en vermindering van de administratieve lasten. De inzet richt zich bijvoorbeeld op een Europese maritieme ruimte zonder grenzen, het monitoren van de arbeidsmarkt, het faciliteren van verbetering van de efficiency van bemanningen en het wegnemen van knelpunten in de relevante wetgeving. Hiervoor wordt beleidsinformatie verzameld en onderzoek verricht.

De uitvoering van de acties uit de definitieve 2020 ‒ 2030 Havennota verlopen via het reguliere opdrachtenbudget met aansluiting op het Werkprogramma Zeehavens .

Green Deal

Voor de uitvoering van de Green Deal is budget beschikbaar voor verduurzaming en innovatie van de zeevaart.

Digitale Transport strategie

Voor de uitvoering van de Digitale Transport strategie is budget beschikbaar voor onderzoek en het begin van uitvoering van een geschikte architectuur om data delen tussen overheden en bedrijven mogelijk te maken .

VNAC

IenW heeft een deel van de zogenaamde VNAC-gelden (Verkenning Nationaal Actieprogramma Cybersecurity) gekregen om cybersecurity verder te ontwikkelen. De overkoepelende coördinatie voor de besteding van deze middelen ligt bij het ministerie van Justitie en Veiligheid. In 2023 zullen deze middelen voor de Versterking Nationale Aanpak Cybersecurity (VNAC) worden ingezet om de cyber weerbaarheid binnen de maritieme sector gericht te vergroten en planmatig vorm te geven. Daarnaast zal de implementatie van de richtlijn houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (NIS2) worden vormgegeven.

Topsector Logistiek

Voor de Topsector Logistiek worden in 2023 opdrachten uitgevoerd onder regie van het Topteam Logistiek. De opdrachten en subsidies hebben betrekking op de volle breedte van de logistieke sector, dat wil zeggen op alle modaliteiten. Het betreft hier het uitvoeringprogramma voor de periode 2021-2023.

Digitale Infrastructuur Logistiek

Voor uitvoering van het programma Digitale Infrastructuur Logistiek is in 2023 €13,9 mln. budget beschikbaar. Dit programma heeft tot doel de uitvoering van de Digitale Transport Strategie van het ministerie van IenW te versnellen en versterken. Het gaat over de realisatie van de Basis Data Infrastructuur, uitvoering van living labs ter validatie hiervan en het verhogen van de ‘digital readiness’ van met name het MKB-bedrijfsleven actief in logistieke ketens.

Subsidies

Verduurzaming binnenvaartschepen (NGF)

Voor de Tijdelijke subsidieregeling verduurzaming binnenvaartschepen 2021-2025 is vanuit de structurele aanpak stikstofproblematiek in 2023 € 13,3 miljoen beschikbaar, inclusief uitvoeringskosten.

Topsector Logistiek

Voor de gecombineerde Tijdelijke subsidieregeling onderzoek Topsector Logistiek 2022-2026 is in 2023 voor onderzoeksprojecten die bijdragen aan de Gezamenlijk Ambitie Logistiek en goederenvervoer € 3 mln. beschikbaar.

Betterij-elektrische binnenvaart (NGF)

Vanuit het Nationaal Groeifonds is in april 2022 € 50 mln. beschikbaar gesteld voor verdere uitrol van batterij-elektrische binnenvaart. In 2022 is een aanvang gemaakt met de werkzaamheden en in 2023 zullen deze werkzaamheden worden voortgezet. In 2023 is daarvoor € 15,6 mln. beschikbaar. Uiteindelijk moet het project leiden tot vijfenveertig zero emissie binnenvaartschepen in 2026.

Walstroom Zeehavens

In 2023 is voor de eerste tijdelijke subsidieregeling Walstroom Zeehavens 2022-2023 € 25,7 mln. (incl. uitvoeringskosten) beschikbaar. Op basis van de eerste ervaringen zal de regeling in 2023 verder worden geïntensiveerd en/of verlengd. Voor deze uitbreiding van de tijdelijke subsidieregeling Walstroom Zeehavens 2022-2023 is in 2023 van de € 32 mln. € 13,2 mln. (incl. uitvoeringskosten) beschikbaar. Daarnaast is in 2023 van de € 150 mln. 24 miljoen (incl. uitvoeringskosten) beschikbaar voor walstroom voor de zeevaart om een bijdrage te leveren aan de klimaatdoelstellingen en te anticiperen op aankomende Europese verplichtingen om walstroom aan te bieden voor cruiseschepen, containerschepen en ro-ro-ferries

Bijdrage aan agentschappen

In het kader van beleidsondersteuning en advisering zijn met RWS afspraken gemaakt over werkzaamheden, die RWS uitvoert in opdracht van de beleidsdirectoraten van IenW. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

Bijdragen aan medeoverheden

Voor de aanleg van de nieuwe zeehaven ontvangt Saba in 2023 een aanvullende bijdrage van € 3 mln. Op Saba wordt momenteel gewerkt aan de bouw van een nieuwe zeehaven die Saba beter bereikbaar moet maken en aantrekkelijker voor toeristen. De plannen voor de bouw van deze haven zijn tot stand gekomen na de verwoesting van de huidige zeehaven, Fort Bay Harbor, door orkanen Irma en Maria.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Vanuit de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) gelden betaalt IenW in totaal € 1,08 miljoen aan contributies in het kader van Maritieme Zaken. Hiervan gaat circa € 0,6 miljoen contributie naar de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en circa € 0,4 miljoen contributie naar de International Maritime Organisation (IMO) conform verdragsverplichtingen. Daarnaast worden bijdragen gedaan aan de International Association of Marine Aids to Navigation and Lighthouse Authorities (IALA), Regional Cooperation Agreement on Combating Piracy and Armed Robbery against Ships in Asia (ReCAAP), de Donaucommissie en de North Atlantic Ice Patrol.

Door de internationale brancheorganisaties in de binnenvaart is met een beroep op de gelden uit het reservefonds het European IWT-platform opgericht. Uit het Nederlandse deel van het door de sector opgebouwde fonds zal gedurende 10 jaar (2017-2026) een bedrag van € 448.000 per jaar aan het IWT uitgekeerd worden.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Voor het uitvoeren van een wettelijke taak Nationaal Register, uitvoering van de Single Point of Contact, wordt € 99.100 aan de Stichting Afvalstoffen en Vaardocumenten Binnenvaart (SAB) beschikbaar gesteld.

3.7 Artikel 19 Internationaal Beleid

A. Algemene doelstelling

IenW zet zich in het internationale domein in voor een klimaatbestendige en duurzame infrastructuur en leefomgeving. Met het agenderen van onderzoek en beleid, de ontwikkeling van internationale beleidsinstrumenten, de uitwisseling van kennis en expertise, het creëren van draagvlak en het versterken van marktkansen voor de Nederlandse IenW-sectoren, zet IenW gericht in op internationale samenwerking met overheden, bedrijfsleven en kennisinstellingen om de klimaatweerbaarheid, duurzaam waterbeheer, slimme en groene mobiliteit en circulaire economie in binnen- en buitenland te versterken.

Tabel 63 Samenvatting budgettaire gevolgen van beleid art. 19 per subthema (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

70.348

16.431

10.955

11.720

12.699

12.757

12.682

        

Uitgaven

73.422

12.018

11.377

11.349

12.088

12.146

12.071

        

Uitgaven onderverdeeld per subthema

       

2 Internationaal beleid coödinatie en samenwerking

73.422

12.018

11.377

11.349

12.088

12.146

12.071

        

Ontvangsten

1.868

1.335

0

0

0

0

0

B. Rol en verantwoordelijkheid

Regisseren

De Minister van IenW bepaalt de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese en het mondiale transport- en milieubeleid. Meer specifiek is de Minister van IenW verantwoordelijk voor:

  • De uitvoering van de voor IenW relevante SDG's uit de 2030 Agenda voor duurzame ontwikkeling.

  • De regie op de internationale aspecten van het IenW-beleid, inclusief het politieke optreden en de vertegenwoordiging in de betreffende internationale gremia. Daartoe horen onder andere de Transport- en Milieuraad van de EU, de UNECE, de OESO, OESO-ITF en UN Environment.

  • Het opstellen en uitdragen van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van normen en plafonds, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema's.

  • De nationale en Europese beleidscoördinatie op het gebied van satellietnavigatie en de IenW-inzet op het gebruik van satellietdata en satellietnavigatie.

Het internationale IenW-beleid vindt niet alleen zijn grondslag in dit beleidsartikel. Specifieke rollen en verantwoordelijkheden van de Minister op de verschillende beleidsterreinen van IenW zijn bij de betreffende artikelen vermeld.

Stimuleren

De Minister van IenW ontplooit ook diverse activiteiten om de nationale doelen van de transities naar een circulaire economie, een klimaatadaptieve inrichting van de leefomgeving en duurzame mobiliteit te bereiken door verbinding met internationale activiteiten.

  • Het onderhouden van een netwerk met landen, EU-instellingen en mondiale organisaties, denktanks en non-gouvernementele organisaties. Dit netwerk is cruciaal om tijdig (nieuwe) internationale ontwikkelingen te signaleren die van invloed (kunnen) zijn op de IenW-terreinen en het ontwikkelen van een visie en strategie voor de internationale beleidsinzet.

  • Voor ondersteuning van beleidsontwikkeling neemt IenW deel aan diverse bilaterale en multilaterale overleggen (formeel en informeel) gericht op de totstandkoming van coalities met gelijkgezinde landen.

  • Gerichte financiële ondersteuning van het werk van (inter)nationale organisaties die zich inzetten voor de bevordering van internationale samenwerking en overdracht/uitwisseling van kennis.

  • Ten slotte zet IenW samen met andere staten en actoren in op het bevorderen van concrete internationale samenwerking en activiteiten in internationale multi-stakeholderpartnerschappen

(Doen) Uitvoeren

IenW heeft een deel van de beleidsuitvoering uitbesteed aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Het gaat hier om een aantal uitvoerende taken in het kader van de Europese programma’s Horizon Europe, Connecting Europe Facility (CEF), Trans European Transport Network (TENT), Interreg en LIFE.

C. Beleidswijzigingen

Indicatoren en Kengetallen

De IenW-ambities kunnen door de hoge mate van verwevenheid met de internationale arena alleen maar effectief worden gerealiseerd in internationaal verband. Dit is niet alleen afhankelijk van de Nederlandse inzet, maar ook van de inbreng van partners en andere partijen. Het opnemen van kwantitatieve meetbare indicatoren gerelateerd aan het te realiseren doel is in dit verband zelden relevant of toepasselijk. Waar mogelijk zijn deze opgenomen bij de diverse beleidsartikelen.

Beleidswijzigingen

De belangrijkste wijzigingen op het terrein van internationaal beleid worden beschreven in de beleidsagenda. De internationale taken van IenW zijn bij verschillende dienstonderdelen belegd en worden op diverse beleidsartikelen gepresenteerd en verantwoord.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 64 Budgettaire gevolgen van beleid art. 19 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

70.348

16.431

10.955

11.720

12.699

12.757

12.682

        

Uitgaven

73.422

12.018

11.377

11.349

12.088

12.146

12.071

        

2 Internationaal beleid coördinatie en samenwerking

73.422

12.018

11.377

11.349

12.088

12.146

12.071

Opdrachten

6.733

4.823

4.613

5.035

7.419

7.476

7.401

Uitvoering Intereg

437

1.162

543

480

220

220

220

Uitvoering HGIS

2.011

843

1.408

2.200

2.200

2.200

2.200

Uitvoering niet-HGIS

3.802

1.229

814

1.238

1.040

1.043

1.008

Overige opdrachten

483

1.589

1.848

1.117

3.959

4.013

3.973

Subsidies

301

1.909

1.692

1.692

247

248

248

Interreg

35

1.819

1.622

1.622

247

248

248

Overige subsidies

266

90

70

70

0

0

0

Bijdragen aan agentschappen

59.698

2.464

2.278

2.278

2.278

2.278

2.278

Waarvan bijdrage aan RIVM

46.275

0

0

0

0

0

0

Waarvan bijdrage aan RWS

401

422

398

398

398

398

398

Waarvan bijdrage aan RVO

13.022

1.912

1.880

1.880

1.880

1.880

1.880

Overige bijdragen aan agentschappen

0

130

0

0

0

0

0

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

4.740

2.422

2.394

2.344

2.144

2.144

2.144

Waarvan bijdragen HGIS

4.010

2.222

2.194

2.144

2.144

2.144

2.144

Budgetflexibiliteit

Onderstaand is in lijn met de voorschriften uit de regeling Rijksbegrotingsvoorschriften een kwalitatieve toelichting voor de juridisch verplichte uitgaven opgenomen. Zie voor een nadere toelichting de ‘wijzigingen RBV 2022’ zoals opgenomen in de leeswijzer.

Tabel 65 Budgetflexibiliteit
 

2023

juridisch verplicht

85%

bestuurlijk gebonden

0%

beleidsmatig gereserveerd

10%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

5%

Toelichting

Van het totale budget voor artikel 19 is voor 2023 85% juridisch verplicht.

Opdrachten

Van het opdrachtenbudget is circa 74% juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen voor onder meer de exploitatie kosten van het Galileo Reference Center te Noordwijk en het Galileo Sensor Station op Bonaire. Ook de opdrachten inzakede door de Europese secretariaten te leveren technische bijstand in het kader van de Interreg V en VI programma's zijn juridisch verplicht. Dit geldt eveneens voor de opdracht aan het Nederlands Space Office voor de dienstverlening in het kader van het programma ruimtevaart.

Subsidies

Het subsidiebudget is op grond van de subsidieregelingen Interreg en incidentele toekenningen 100% juridisch verplicht. Voor het volledige subsidieoverzicht wordt verwezen naar bijlage 5 in deze begroting. De subsidies hebben een tijdshorizon.

Bijdragen aan agentschappen

De uitgaven voor de agentschapsbijdragen RWS en RVO zijn volledig juridisch verplicht en hebben een structureel karakter. De bijdrage aan RWS heeft onder andere betrekking op capaciteitsinzet voor de uitvoering van de Antarcticaregelgeving. De bijdrage aan de RVO zijn bestemd voor de uitvoering van de subsidieregelingen Interreg V en Interreg VI en de capaciteitsinzet voor de uitvoering van enkele Europese programma's.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

De bijdrage aan internationale organisaties is voor 79% juridisch verplicht. Het betreft hier uitgaven op grond van internationale verdragen of andere internationale afspraken. 

Bekostiging

De middelen zijn 100% juridisch verplicht en betreffen de laatste 20% van de bekostiging van Stichting Global Center on Adaptation over 2022. De eindafrekening vindt plaats in 2023.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

2 Internationaal beleid, coördinatie en samenwerking

Opdrachten Uitvoering HGIS

Het ministerie van IenW draagt op het gebied van ruimtevaart bij aan de exploitatiekosten van het Galileo Reference Center (GRC). Ook worden de middelen aangewend voor activiteiten in het kader van internationale diplomatie, waaronder het uitvoeren van missies voor het bedrijfsleven en het ondersteunen en faciliteren van delegaties en internationale bijeenkomsten.

Opdrachten Uitvoering niet HGIS

Voor het benutten van de innovatiecapaciteit van data afkomstig van satellietinstrumenten is een pilotprogramma opgezet samen met het Netherlands Space Office (NSO) waarin onderzoeksvragen worden uitgewerkt en diverse ruimtevaartprojecten worden uitgevoerd. Binnen de beleidsverantwoordelijkheid voor de Europese programma’s voor satellietnavigatie (Galileo en EGNOS) wordt samengewerkt met kennis- en uitvoeringsorganisaties aan de ontwikkeling van de Europese infrastructuur en op het toekomstige beheer van de overheidsdienst van Galileo. IenW maakt ook gebruik van de diensten van NSO ter ondersteuning van deze beleidsverantwoordelijkheid.

Hiernaast zijn middelen gereserveerd voor de exploitatiekosten (gebruiksvergoeding) van het Galileo Sensor Station op Bonaire ten behoeve van het wereldwijde satelliet navigatiesysteem Galileo.

Daarnaast zijn middelen gereserveerd voor de technische bijstand in het kader van het Interreg VI programma.

Subsidies

De middelen zijn bestemd voor de subsidieverlening in het kader van het programma Interreg.

Interreg VI is een Europese subsidieregeling waarin partijen uit meerdere landen samenwerken op het terrein van energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie en regionale gebiedsontwikkeling. Met de beschikbare middelen wordt de Nederlandse bijdrage voor de kosten van de internationale uitvoering en de uitvoering in Nederland gefinancierd. Hiermee wordt de deelname van Nederlandse organisaties aan de transnationale en interregionale programma’s van Interreg bevorderd. Via de projectstimuleringsregeling Interreg VI worden subsidies verstrekt in de voorbereiding en indiening van Interreg-projectvoorstellen. Het gaat hierbij om de programma periode 2021-2027.

Daarnaast zijn er middelen gereserveerd ter afronding van Interreg V (programma periode 2014- 2020). De laatste projecten binnen dit programma worden uiterlijk in 2023 afgerond.

Bijdrage aan agentschappen

RVO

IenW heeft een deel van de beleidsuitvoering uitbesteed aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (uitvoering van subsidieregelingen en ander beleidsondersteunende werkzaamheden). De middelen zijn bestemd voor de uitvoering van de subsidieregelingen Interreg V en Interreg VI en de capaciteitsinzet voor de uitvoering van Europese programma's zoals LIFE, CEF/ TEN-T en Horizon.

RWS

Dit betreft de bijdrage voor capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van de Antarctica regelgeving en ondersteunende activiteiten in het kader van economische diplomatie en overige Europese programma's zoals Horizon.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Het ministerie van IenW kent op grond van internationale verdragen of andere internationale afspraken financiële bijdragen toe aan (inter)nationale organisaties. Dat is nodig om de kosten te dekken van de doorlopende ontwikkeling van het desbetreffende verdrag of de organisatie. In onderstaande tabel zijn de (verwachte) bijdragen en contributies vanuit dit artikel voor 2023 vermeld.

Tabel 66 Bijdragen (inter)nationale organisaties (bedragen x € 1.000)

United Nations Environment Programme (UNEP)

615

UNECE CLRTAP-verdrag (grensoverschrijdende luchtverontreiniging)

75

UNECE CLRTAP Coordination Centre for Effects

78

UNECE PRTR-verdrag (emissieregisters)

20

Verdrag van Rotterdam (melding vooraf export chemicaliën)

46

Verdrag van Stockholm (persistente organische stoffen)

75

Verdrag van Bazel (overbrenging gevaarlijk afval)

70

OESO Programme on Chemical Accidents (voorkomen en bestrijden van gevolgen van chemische ongelukken)

35

Cartagenaprotocol (verdrag over veiligheid van grensoverschrijdend vervoer van levende ggo's)

45

UNECE Aarhus-verdrag (toegang tot informatie, besluitvorming en rechter)

50

UNECE Helsinki-verdrag (bescherming tegen industriële ongevallen)

30

Verdrag van Minamata (Uitfasering kwik)

50

China Council (adviesraad voor duurzame ontwikkeling)

100

Global Center On Adaptation (opzetten kennis- en dataplatform klimaatadaptatie)

320

Control of Chemicals (OESO) (veiligheid van chemische producten)

20

International Transport Forum (ontwikkelingen op vervoersgebied)

164

International Resource Panel (informatie over gebruik natuurlijke hulpbronnen)

100

Totaal

1.893

De resterende middelen worden ingezet voor het verstrekken van incidentele en vrijwillige bijdragen aan (inter)nationale organisaties voor activiteiten die het internationaal milieubeleid van het ministerie van IenW ondersteunen.

3.8 Artikel 20 Lucht en Geluid

A. Algemene doelstelling

Het bevorderen van een solide en gezonde leefomgeving door de luchtkwaliteit te verbeteren en door geluidhinder te voorkomen of te beperken.

Tabel 67 Samenvatting budgettaire gevolgen van beleid art. 20 per subthema (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

34.247

63.455

52.142

40.787

47.867

48.097

49.966

        

Uitgaven

30.712

56.151

54.838

43.487

50.667

50.793

49.966

        

Uitgaven onderverdeeld per subthema

       

1 Gezonde lucht en tegengaan geluidshinder

30.712

56.151

54.838

43.487

50.667

50.793

49.966

        

Ontvangsten

2.038

400

0

0

0

0

0

B. Rol en verantwoordelijkheid

Regisseren

Om een solide en gezonde leefomgeving te realiseren op het gebied van luchtkwaliteit en geluid, regisseert de Minister van IenW de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese luchtkwaliteits- en geluidbeleid. Meer specifiek is de Minister van IenW verantwoordelijk voor:

  • het stimuleren van een gezonde leefomgeving door vermindering van luchtverontreinigende emissies en het voorkomen en verminderen van geluidhinder. In dat verband tevens de coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van grenswaarden en plafonds voor emissies van luchtverontreinigende stoffen, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en (zo nodig) de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema’s. De doelen, grenswaarden en plafonds hebben betrekking op verbetering van de luchtkwaliteit en op bronbeleid voor geluid- en luchtverontreinigende emissies.

  • de ondersteuning van gemeenten en provincies bij het toezicht op de naleving van algemene regels en bij de vergunningverlening ter vermindering van luchtemissies bij de industrie en bij een juiste toepassing van de geluidregelgeving.

  • de implementatie van de geluidregelgeving (wet SWUNG7) waarmee een optimale gezondheidsbescherming van burgers en flexibiliteit voor de beheerders van rijkswegen en hoofdspoorwegen wordt beoogd. SWUNG-2, fase 2 van de herziening van de geluidwetgeving, zal de aanpak van geluidhinder op gemeentelijk en provinciaal niveau versterken. Deze nieuwe geluidregels zijn ondergebracht in de Omgevingswet die in 2023 in werking treedt. Lagere overheden worden ondersteund bij de uitvoering van de geluidregels.

Stimuleren

Om de milieudoelen op het gebied van luchtkwaliteit en geluid te behalen, is het belangrijk deze op een proactieve wijze met maatschappelijke partners te delen. Daarom stimuleert de Minister van IenW:

  • het aangaan en organiseren van allianties met en tussen bedrijven, branches, overheden en kennisorganisaties om het Schone Lucht Akkoord, de monitoring van nationale omgevingswaarden, en SWUNG (geluid) tot een succesvolle uitvoering te brengen;

  • een permanente verbetering van de luchtkwaliteit om zo te komen tot een vermindering van gezondheidsrisico’s door luchtverontreiniging, via het Schone Lucht Akkoord. Hiermee werkt het kabinet – conform het advies van de Gezondheidsraad – toe naar de advieswaarden8 van de Wereldgezondheidsorganisatie in 2030.

  • medeoverheden tot uitvoering van maatregelpakketten in het Schone Lucht Akkoord om daarmee toe te werken naar de bovengenoemde advieswaarden en 50% gezondheidswinst ten opzichte van 2016.

Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Inspectie Leefomgeving en Transport).

Indicatoren en Kengetallen

Tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet ontvangt de Tweede Kamer jaarlijks een monitoringsrapportage over de voortgang van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De monitoring dient om de voortgang van de uitvoering van het NSL te volgen en biedt een basis om het programma waar nodig bij te sturen. De monitoring betreft de ontwikkeling van de luchtkwaliteit en de voortgang van projecten en maatregelen. De twaalfde rapportage is eind 2021 aan de Kamer verzonden (Kamerstukken II 2020-2021, 30 175, nr. 393). Daarnaast ontvangt de Tweede Kamer jaarlijks een update over de uitvoering van de Richtlijn Nationale Emissiereductieverplichtingen (NEC-richtlijn, 2016/2284/EU).

Elk jaar wordt een nieuwe analyse van de emissies luchtverontreinigende stoffen uitgevoerd en door nieuwe kennis kan dat betekenen dat ook eerdere cijfers soms nog enigszins worden aangepast. Zie ook de toelichting onder de tabel. De gerealiseerde emissies tot en met 2020 zijn vastgesteld in februari 2022:

Tabel 68 Kengetal: Emissies luchtverontreinigende stoffen(in kton/jr.)1
 

1990

2000

2005

2010

2015

2019

2010 ‒ 2019

2020

2020 ‒ 2029

2030

Vanaf 2030

       

Doel NEC- Richtlijn

 

Doel NEC-Richtlijn

Raming

Doel NEC-Richtlijn

SO2

197

78

68

36

31

23

50

20

49

23

32

NOx

619

442

394

322

249

201

260

177

217

137

154

NH3

345

173

153

133

129

124

128

124

133

122

121

VOC2

510

269

207

197

167

155

185

184

191

143

176

PM2,53

56

34

28

21

18

16

14

18

11

15

X Noot
1

Bron: www.emissieregistratie.nl. De ramingen komen uit het PBL-rapport “Emissieramingen luchtverontreinigende stoffen” van 30 november 2020. Het PBL brengt de emissieramingen tweejaarlijks uit.

X Noot
2

VOC staat voor Volatile Organic Compounds; dat zijn vluchtige koolwaterstoffen met uitzondering van methaan. Methaan valt niet onder de werking van deze richtlijn

X Noot
3

PM2,5 staat voor fijnstof met een diameter kleiner of gelijk aan 2,5 μm.

Toelichting

In december 2016 zijn de nieuwe doelstellingen voor luchtverontreinigende stoffen vastgesteld. Het betreft een aanpassing van de National Emission Ceilings (NEC) (richtlijn (EU) 2016/2284). In bovenstaande tabel zijn de reductiepercentages uit de richtlijn omgerekend naar vrachten, met 2005 als basisjaar. Elk jaar wordt een nieuwe analyse uitgevoerd en door nieuwe kennis kan dat betekenen dat ook eerdere cijfers soms nog enigszins worden aangepast doordat deze nieuwe inzichten met terugwerkende kracht ook worden meegenomen in de emissiecijfers van voorgaande jaren.

Deze raming ligt 1 kton/jr boven het NEC-doel voor 2030. De raming bevat vastgesteld en voorgenomen beleid tot 1 mei 2020. Later aangekondigd beleid om de uitstoot van ammoniak (NH3) te verminderen, zoals onder meer opgenomen in het Regeerakkoord valt, hier buiten. Eind 2022 publiceert het PBL nieuwe ramingen.

Tabel 69 Overzicht Sanering Verkeerslawaai Wet geluidhinder
 

Aantal woningen

Lokale infrastructuur

A-lijst

Overig

Totaal

Totaal

77.355

335.800

413.155

Uitgevoerd 1980–1990 (schatting)

nvt

40.000

40.000

Uitgevoerd 1990–2021

64.371

99.745

164.116

Verwacht 2022

200

2.500

2.700

Verwacht restant per einde 2022

64.171

97.245

161.416

verwacht 2023

200

2.500

2.700

Verwacht restant per einde 2023

63.971

94.745

158.716

    

Rijksinfrastructuur

Rijkswegen

Spoorwegen

Totaal

Opgave cf Bijlage 5 Bgm

775

5.330

6.105

Gereed t/m 2021

680

3.970

4.650

verwacht 2022

250

250

Restant einde 2022

95

1.110

1.205

verwacht 2023

125

125

Gepland restant per einde 2023

95

985

1.080

Toelichting

De eerste tabel betreft de geluidsanering langs gemeentelijke en provinciale wegen, zoals die door gemeenten worden uitgevoerd onder het regime van de Wet geluidhinder. De A-lijst betreft woningen met de hoogste geluidsbelastingen. Voor het jaar 2023 is gepland dat in totaal 2.700 woningen als gesaneerd kunnen worden aangemerkt.

De tweede tabel heeft betrekking op geluidsanering langs Rijksinfrastructuur zoals die op grond van overgangsrecht (Bijlage 5 bij het Besluit geluid milieubeheer) nog onder het regime van de Wet geluidhinder wordt afgerond. Deze sanering kent een ander normenkader dan de sanering vanwege Rijksinfrastructuur die momenteel door RWS en ProRail wordt uitgevoerd onder de Wet milieubeheer. Deze sanering is opgenomen onder beleidsartikel 14. Voor 2023 wordt verwacht dat een drietal projecten met in totaal 125 woningen gereed zullen komen.

C. Beleidswijzigingen

Het kabinet werkt samen met medeoverheden aan de uitvoering van het Schone Lucht Akkoord aan de hand van de uitvoeringsagenda 2021-2023. Het Schone Lucht Akkoord is gericht op een permanente verbetering van de luchtkwaliteit om gezondheidswinst voor iedereen in Nederland te realiseren. Het streven is 50% gezondheidswinst in 2030 ten opzichte van 2016. Hiermee werkt het kabinet – conform het advies van de Gezondheidsraad (Bijlage bij Kamerstukken II 2017-2018 30 175, nr. 292) – toe naar de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie in 2030. Het Ministerie van IenW heeft in totaal € 50 miljoen op het Mobiliteitsfonds (artikel 20.03) gereserveerd voor de uitvoering van het Schone Lucht Akkoord voor de periode 2020-2023, waarvan voor 2023 € 10 miljoen geraamd staat. Het kabinet werkt samen met medeoverheden aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren en de gezondheidswinst te realiseren. In 2023 vindt de tweede voortgangsmeting plaats en herijken de deelnemers de uitvoeringsagenda. Ook werken we in 2023, op basis van pilots, een aanpak uit om in gebieden met de hoogste blootstelling de gezondheidsrisico’s verder terug te brengen.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) eindigen. De minister van IenW blijft onder de Omgevingswet verantwoordelijk voor het monitoren van, en rapporteren over de Rijks omgevingswaarden voor luchtkwaliteit in Nederland. De monitoring onder de Omgevingswet zal in grote lijnen een voortzetting zijn van de huidige monitoring onder het NSL, waarbij aandacht blijft voor het zo snel mogelijk oplossen van de nog resterende overschrijdingen in enkele gebieden met intensieve veehouderij (fijnstof). Voor 2023 voorzien we besluitvorming over de herziening van de Europese Richtlijn Industriële emissies en de Europese Luchtkwaliteitsrichtlijnen, die naar verwachting zullen leiden tot scherpere emissie-eisen en EU-grenswaarden.

De Eerste Kamer heeft op 18 februari 2020 ingestemd met de aanvullingswet geluid waarmee geluidregels ondergebracht worden in de Omgevingswet. De verdere uitwerking in onderliggende regelgeving heeft plaatsgevonden, waarna het nieuwe stelsel in januari 2023 in werking zal gaan treden. Bij de beleidsdoorlichting voor geluid die in 2022 wordt uitgevoerd ligt een sterke nadruk op de inzet van middelen voor de geluidsanering. De saneringsoperatie wordt onder de Omgevingswet gewijzigd waarbij verbreding plaatsvindt naar situaties met hoge geluidbelastingen die onder de Wet geluidhinder zijn ontstaan en waarbij de efficiëntie van de uitvoering wordt vergroot. Tot slot zijn met betrekking tot het bezien van mogelijkheden van het versterken van geluidbeleid op basis van het advies van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) (Motie Schonis: Kamerstuk 35 000 A, nr. 60) verdere beleidswijzigingen verkend (Kamerstukken II 2019-2020, 29 383, nr. 343). De inzet is om dit de komende jaren te vertalen in concrete maatregelen en in specifieke wijzigingen van de regelgeving. Qua regelgeving gaat het om de doorvertaling in de geluidregels van de nieuwe inzichten ten aanzien van het verband tussen de blootstelling aan geluid en de kans op effecten zoals ernstige hinder en slaapverstoring bij bepaalde blootstelling aan geluid (dosis-effect relaties).

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 70 Budgettaire gevolgen van beleid art. 20 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

34.247

63.455

52.142

40.787

47.867

48.097

49.966

        

Uitgaven

30.712

56.151

54.838

43.487

50.667

50.793

49.966

        

1 Gezonde lucht en tegengaan geluidshinder

30.712

56.151

54.838

43.487

50.667

50.793

49.966

Opdrachten

4.602

10.736

5.566

6.308

6.477

6.463

5.636

Waarvan RIVM

0

6.407

0

0

0

0

0

Waarvan uitvoering geluid- en luchtsanering

4.241

3.726

5.566

6.308

6.477

6.463

5.636

Overige opdrachten

361

603

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

2.575

14.642

11.143

11.142

11.132

11.136

11.136

Waarvan bijdrage aan RWS

2.565

2.681

1.647

1.647

1.647

1.647

1.647

Waarvan bijdrage aan RIVM

0

11.642

9.486

9.485

9.485

9.489

9.489

Bijdrage aan overige agentschappen (RVO en KNMI)

10

319

10

10

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

23.180

30.358

37.666

25.574

32.595

32.730

32.730

Programma NSL en SLA

6.928

10.358

10.000

0

0

0

0

Uitvoering geluidsanering

16.252

20.000

27.666

25.574

32.595

32.730

32.730

Bekostiging

355

415

463

463

463

464

464

        

Ontvangsten

2.038

400

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Onderstaand is in lijn met de voorschriften uit de regeling Rijksbegrotings­ voorschriften een kwalitatieve toelichting voor de juridisch verplichte uitgaven opgenomen. Zie voor een nadere toelichting de ‘wijzigingen RBV 2022’ zoals opgenomen in de leeswijzer.

Tabel 71 Budgetflexibiliteit
 

2023

juridisch verplicht

85%

bestuurlijk gebonden

13%

beleidsmatig gereserveerd

2%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Toelichting

Van het totale budget voor artikel 20 is voor 2023 85% juridisch verplicht.

Opdrachten

Van het opdrachtenbudget is circa 85% juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen voor onder meer de uitvoeringskosten van de subsidieregeling Sanering Verkeerslawaai en de organisatie van een congres in 2023 in het kader van het Schone Lucht Akkoord (SLA)

Bijdrage aan agentschappen

De uitgaven voor de agentschapsbijdragen RWS en RIVM zijn volledig juridisch verplicht en hebben een structureel karakter. De bijdrage aan RWS heeft betrekking op beleidsondersteuning en advies (BOA). RWS reserveert capaciteit voor het uitvoeren van studies of het leveren van bijdragen daaraan, adviezen met betrekking tot beleidsnota’s en de uitvoerbaarheid van beleid. De bijdrage aan het RIVM wordt ingezet voor een deel van de beleidsuitvoering. Het RIVM voert als kennisinstituut beleidsvoorbereidend en -onderbouwend onderzoek uit ter bevordering van een gezonde leefomgeving door de luchtkwaliteit te verbeteren en geluidhinder te voorkomen of te beperken.

Bijdrage aan medeoverheden

De bijdrage aan medeoverheden is voor 74% juridisch verplicht. Het betreft de subsidieregeling Sanering verkeerslawaai (wordt elk jaar 100% uitgeput) en de Specifieke Uitkering Schone Lucht Akkoord. Voor laatstgenoemde gaat het om middelen die zijn gereserveerd voor de afwikkeling (de laatste 20%) van reeds toegekende subsidies in 2021 en 2022.

Bekostiging

De middelen op het financieel instrument bekostiging zijn 100% juridisch verplicht en worden aangewend voor (onderzoeks-)opdrachten aan TNO op de beleidsterreinen lucht en geluid.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

1 Gezonde lucht en tegengaan geluidhinder

Opdrachten

Het Ministerie van IenW verstrekt uitvoerings- en onderzoeksopdrachten in het kader van geluidhinder en luchtkwaliteit. Ten aanzien van het beleidsterrein geluidhinder gaat het met name om de opdrachtverlening aan het Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV), dat namens het Ministerie van IenW zorg draagt voor de uitvoering van de geluidsanering voor gemeentelijke en provinciale infrastructuur.

Ten aanzien van het beleidsterrein Luchtkwaliteit gaat het met name om een opdracht aan het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) voor de normontwikkelingen inzake emissiemetingen, geurmetingen, werkplek- en buitenluchtmetingen en sensoren luchtkwaliteit. Hiernaast zijn middelen gereserveerd ter uitvoering van de maatregelen zoals opgenomen in de uitvoeringsagenda Schone Lucht Akkoord voor o.a. binnenvaart en havens.

Bijdrage aan agentschappen

RIVM

IenW heeft een deel van de beleidsuitvoering uitbesteed aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Het RIVM voert als kennisinstituut beleidsvoorbereidend en -onderbouwend onderzoek uit ter bevordering van een gezonde leefomgeving door de luchtkwaliteit te verbeteren en geluidhinder te voorkomen of te beperken. Daarnaast ondersteunt het RIVM het beleid bij een groot aantal (vaak wettelijk vastgelegde) reguliere taken, zoals monitoring- en rapportageverplichtingen op het gebied van luchtkwaliteit en geluid.

RWS

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van diverse werkzaamheden ten behoeve van het programma Lucht en Geluid en het bevorderen van een gezonde leefomgeving. Het gaat hierbij onder meer om de algemene ondersteuning en het voeren van het secretariaat, de monitoring van de voortgang en doelbereik in het kader van de uitvoering van het Schone Lucht Akkoord en overige vraagstukken in relatie tot het reduceren van geluidoverlast.

Bijdrage aan medeoverheden

Hierbij gaat het om de bijdragen aan provincies en gemeenten voor het uitvoeren van saneringsmaatregelen met betrekking tot geluidhinder door het verkeer. Dit in het kader van de subsidieregeling Sanering Verkeerslawaai.

Hiernaast zijn middelen gereserveerd voor de Specifieke Uitkering Schone Lucht Akkoord (SPUK SLA) middels welke financiële steun wordt gegeven aan gemeentes en provincies voor projecten die zorgen voor schonere lucht en gezondheidswinst. Alleen provincies en gemeenten die het Schone Lucht Akkoord hebben ondertekend komen in aanmerking voor deze uitkering.

Bekostiging

Jaarlijks bekostigt het Ministerie van IenW een deel van het milieuonderzoeksprogramma van TNO.

Over de invulling van dit programma worden afspraken gemaakt met TNO, mede om te borgen dat het onderzoek en de resultaten dienstbaar zijn aan de beleidsontwikkeling en -onderbouwing door IenW.

3.9 Artikel 21 Duurzaamheid

A. Algemene doelstelling

Artikel 21 betreft met name circulaire economie en het beleid ten aanzien van emissies uit stallen en het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving rondom stallen.

Circulaire economie

Bevorderen van de circulaire economie met als doelen het behouden van natuurlijke hulpbronnen, zicht op de economische keten en op het gebruik van hulpbronnen, het verbeteren van de voorzieningszekerheid van grondstoffen, het verminderen van emissies en het versterken van de Nederlandse economie. Daarmee levert de circulaire economie een belangrijke bijdrage aan vier maatschappelijke opgaven: klimaatverandering, vervuiling, biodiversiteitsverlies en leveringsrisico’s van grondstoffen.

Stallen

Verminderen van emissies uit stallen en verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving rondom stallen.

Tabel 72 Samenvatting budgettaire gevolgen van beleid art. 21 per subthema (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

37.705

54.326

74.209

71.657

71.620

54.953

55.320

        

Uitgaven

47.166

64.047

71.886

69.912

69.830

52.878

52.855

        

Uitgaven onderverdeeld per subthema

       

4 Duurzaamheidsinstrumentarium

114

857

859

859

859

862

862

5 Duurzame productieketens

46.307

59.496

65.111

62.638

62.555

45.687

45.664

6 Natuurlijk Kapitaal

745

3.694

5.916

6.415

6.416

6.329

6.329

        

Ontvangsten

1.411

27

0

0

0

0

0

B. Rol en verantwoordelijkheid

Regisseren

Circulaire economie

De transitie naar een circulaire economie maakt een groot onderdeel uit van de duurzaamheidsvraagstukken waar we voor staan. Duurzaamheid moet expliciet onderdeel uit gaan maken van afwegingen en besluiten van organisaties en individuen in Nederland. Om dit te bereiken worden belemmeringen weggenomen, instrumenten ontwikkeld en samenwerkingsverbanden georganiseerd met (mede)overheden, bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke partners. De Minister van IenW is hierbij verantwoordelijk voor:

  • De coördinatie van de transitie naar een circulaire economie9 die bijdraagt aan vier maatschappelijke opgaven: klimaatverandering, vervuiling, biodiversiteitsverlies en leveringsrisico’s van grondstoffen. Bovendien wordt met een circulaire economie het verdienvermogen van de Nederlandse economie versterkt;

  • Het borgen van verduurzaming via wetgeving op nationaal, op EU- en internationaal niveau, bijvoorbeeld om de markt voor secundaire grondstoffen te vergroten, slim ontwerp van producten te stimuleren, het marktaandeel van circulaire producten te verhogen, ongewenste emissies te voorkomen, de kwaliteit van de leefomgeving in verdichte gebieden te verbeteren;

  • Het verder realiseren van hoogwaardige afvalverwerking met behulp van de minimumstandaarden in het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP);

  • Het coördineren en beïnvloeden van beleid in Europees en in mondiaal verband om het internationale level playing field voor duurzaamheid te versterken;

  • Het toepassen van slimme marktprikkels door het beprijzen van milieuschade;

  • Het faciliteren van circulair inkopen door overheden en invulling geven aan het interdepartementale plan van aanpak Maatschappelijk Verantwoord Inkopen overheden 2021-2025.

Stallen

Emissies van ammoniak, fijnstof en geur uit stallen hebben negatieve gevolgen voor milieu, gezondheid en kwaliteit van de leefomgeving. Ammoniak heeft daarnaast negatieve gevolgen voor de natuur. Het is daarom van belang emissies van ammoniak, fijnstof en geur uit stallen te verminderen. De minister van IenW is hierbij verantwoordelijk voor:

  • Regelgeving op het gebied van emissies van ammoniak, fijnstof en geur uit stallen.

  • Het mogelijk maken van het beoordelen van (nieuwe) stalsystemen in het kader van deze regelgeving.

Stimuleren

Zowel producenten als consumenten moeten concrete stappen kunnen zetten naar een meer circulaire economie. Om dit te bereiken steunt IenW duurzame initiatieven in de samenleving. Daarom stimuleert de Minister in samenwerking met andere ministers:

  • De verduurzaming van productketens waarbij de gehele productieketen van belang is; aan de voorkant bij de winning en het gebruik van (primaire) grondstoffen, bij het ontwerp van producten, tijdens de gebruiksfase gericht op langer gebruik en aan de achterkant gericht op hergebruik en hoogwaardige recycling. Hiertoe worden partijen gefaciliteerd via bijvoorbeeld het Versnellingshuis, Green Deals, subsidieregelingen en ketenprojecten;

  • Investeringen in productietechnieken met minder milieudruk. Bijvoorbeeld door het stimuleren van de aanschaf van milieuvriendelijke producten of bedrijfsmiddelen door middel van financiële stimulering (MIA/VAMIL en DEI+) en Groen Beleggen;

  • Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI) door het Rijk en het verantwoord inkopen bij decentrale overheden, met speciale aandacht voor klimaatneutraal en circulair inkopen, zoals uitgewerkt in het door IenW gecoördineerde interdepartementale actieplan MVI 2021-2025.

Indicatoren en Kengetallen

Monitoring

Als onderdeel van het Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie voert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) de regie over het monitoringsprogramma Circulaire Economie. Het monitoringsprogramma wordt in samenwerking met verschillende kennisinstellingen uitgevoerd. Eén keer in de twee jaar levert PBL in dat verband een Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER) op. Het andere jaar levert PBL een voortgangsrapportage op. Begin 2023 publiceert het PBL de tweede ICER. Sinds 2017 wordt jaarlijks in mei gerapporteerd over de stand van zaken met betrekking tot de duurzame ontwikkeling in Nederland, waaronder circulaire economie en kwaliteit van de leefomgeving, het meest recent in de Monitor Brede Welvaart en SDG's 2022 en de Zesde Nationale SDG rapportage ‘Nederland Ontwikkelt Duurzaam’. Naast deze reeks is in maart 2022 de publicatie ‘Circulaire economie en de Sustainable Development Goals‘10 van het CBS verschenen.

Doelentraject en uitbreiding indicatoren

Het ministerie van IenW werkt in een doelentraject samen met de andere betrokken departementen en transitieteams aan de concretisering van de circulaire economiedoelen voor 2030 en 2050. De uitwerking van het traject vormt een belangrijke basis voor het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030 (NCPE) dat in het najaar van 2022 verschijnt. Aangezien het nieuwe programma zeer bepalend is voor de richting van CE-beleid voor de komende jaren zal pas na publicatie een integrale afweging gemaakt worden van de doelstellingen en aanverwante indicatoren. Tot die tijd wordt gebruik gemaakt van de afvalindicator.

Afvalindicator

Figuur 6 Werkelijk afvalaanbod (in Kton) en afvalaanbod indien het de ontwikkeling van het BBP zou hebben gevolgd

Toelichting

In bovenstaand figuur is de vergelijking tussen de ontwikkeling van het totaal aan afval en die van het Bruto Binnenlands Product (BBP) weergegeven. Het verschil tussen beide lijnen is een indicator voor de bereikte reductie. In deze figuur is de hoeveelheid afval in 2010 het startpunt. Bij de lijn voor het BBP is uitgegaan van de jaarlijkse procentuele veranderingen van het BBP gekoppeld aan de startsituatie. Als de afvalproductie was toegenomen met de groei in het BBP, dan was de (fictieve)hoeveelheid afval in 2018 bijna 80 miljoen ton. De werkelijke hoeveelheid afval is ongeveer 60 miljoen ton.

C. Beleidswijzigingen

Circulaire economie

Het Rijksbrede programma Circulaire Economie geeft richting aan alle inspanningen die IenW, de andere betrokken departementen, medeoverheden en maatschappelijke partners doen om de transitie naar een circulaire economie te versnellen. De uitwerking van de geconcretiseerde doelen voor 2030 en 2050 vormt een belangrijke basis van het Nationaal Programma Circulaire Economie dat in het najaar van 2022 verschijnt. Onderdeel hiervan is het ambitieuze klimaatdoel dat IenW in gezamenlijkheid met EZK voor CE uitwerkt. Drie maatregelen uit het Coalitieakkoord zullen in 2023 hiertoe worden uitgevoerd, namelijk de subsidieregeling voor grote ketenprojecten, een nieuwe subsidieregeling voor ontwikkeling en opschaling van recycling en een verplicht percentage recyclaat in de bouw in gezamenlijkheid met de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ontwikkeling. Daarnaast werkt IenW In het kader van het ambitieuze klimaatdoel CE aanvullende circulaire maatregelen uit. Mede op basis van de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) zal naar verwachting besloten worden welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de aangescherpte klimaatdoelen te realiseren, waaronder welke circulaire beleidsmaatregelen, met de bijbehorende middelen, planning en volgtijdelijkheid.

Op Europees niveau spitst de inzet voor CE zich toe op de voorstellen die volgen uit het EU-actieplan CE. In 2023 worden de besprekingen tussen de Europese Commissie, de Europese Raad en het Europees Parliament van deze voorstellen voortgezet. Deze wetgeving en beleidsinitiatieven sluiten aan bij het beleid dat het kabinet voert ten aanzien van een circulaire economie om de circulaire principes beter te integreren in het economische systeem. De focus ligt hierbij op het verplichten van het gebruik van recyclaat, repareerbaarheid, levensduurverlenging van producten en op voorstellen voor prioritaire productgroepen als textiel, elektronica, baterijen, verpakkingen, auto’s en kunststof.

Nederland wil de aanwezigheid van kleine plastic flesjes en blikjes in zwerfafval voorkomen. Daarom is besloten om in navolging van de kleine plastic flesjes per 31 december 2022 ook statiegeld in te voeren voor blikjes (Kamerstukken II 2020-2021 28 694, nr.143). Voorts zijn recyclingdoelstellingen voor drankenkartons vastgesteld die per 2023 van kracht zijn (Kamerstukken 2021-2022, 32852, nr.203). Hiermee wordt een verdere stap gezet naar een circulaire verpakkingsketen.

Ter verdere implementatie van de Single Use Plastics Richtlijn (SUP-richtlijn) wordt op 1 januari 2023 de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik van kracht (Kamerstukken 2021-2022, 50452, nr.8376). Voor een aantal wegwerpplastics treedt in dit kader per 5 januari 2023 stapsgewijs een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid in werking, waarmee producenten moeten meebetalen aan de opruimkosten voor zwerfafval die door overheden worden gemaakt. Per juli 2023 wordt het gratis verstrekken van plastic wegwerpbekers en maaltijdverpakkingen verboden (Kamerstukken 2021-2022, 30872, nr.274). Ook wordt hergebruik gestimuleerd doordat ondernemers herbruikbare alternatieven moeten aanbieden. Voor de verdere ondersteuning van gemeenten bij het scheiden van huishoudelijk afval is het Uitvoeringsprogramma VANG 2021-2025 gepubliceerd (Kamerstukken 2021-2022, 32852, nr.184). De focus op de kwaliteit van het afval scheiden zal in 2023 worden voortgezet.

Het beleidsprogramma circulair textiel dat op 14 april 2020 naar de Tweede Kamer is gestuurd bevat het meerjarig beleid om de textielketen sluitend te maken (Kamerstukken II 2019-2020, 32852, nr.116). In het programma zijn doelen gesteld om toe te werken naar een halvering van de ecologische voetafdruk van de textielsector, meer toepassing van recyclaat in nieuwe kleding en meer hergebruik en recycling. Een belangrijk onderdeel is de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor textiel die per 2023 ingaat. De Tweede Kamer ontvangt in het voorjaar van 2023 de derde voortgangsrapportage.

In 2023 geeft het kabinet verdere uitvoering aan de Uitvoeringsagenda Duurzaamheidskader Biogrondstoffen. We brengen de regelgeving in procedure, waarmee de duurzaamheidscriteria worden geïmplementeerd. Daarnaast wordt een nieuwe toetsingscommissie biogrondstoffen ingesteld zodat zij, zodra de duurzaamheidscriteria in werking zijn getreden, aan de slag kunnen gaan met de certificatieschema’s voor de duurzaamheid van biogrondstoffen. Ook continueren we de inzet op het stimuleren van hoogwaardig gebruik van duurzame biogrondstoffen.

Het Nationaal plan Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI) stimuleert dat alle overheden hun inkoopkracht als instrument inzetten voor het versnellen van de transitie naar een klimaatneutrale en circulaire economie. In 2023 bestendigen we de MVI-aanpak en de opschaling naar transitiegericht opdrachtgeverschap. Ook bevorderen we in 2023 investeringen in milieuvriendelijke technieken via de jaarlijkse actualisatie van de Milieulijst voor de fiscale instrumenten MIA en Vamil. Urgenda-besluitvorming leidde ertoe dat het budget voor MIA/Vamil vanaf 2022 met 30 miljoen per jaar wordt verhoogd. Ook in 2023 wordt dit budget ingezet ter bevordering van investeringen die bijdragen aan onder andere CO2-reductie, de circulaire economie, duurzame mobiliteit en verduurzaming van de bouw en de landbouw. Daarnaast werken we samen met financiële instellingen om de financierbaarheid van circulaire business cases te bevorderen.

Stallen

Het doel voor ammoniak is emissies uit stallen naar de lucht te verminderen, als onderdeel van het maatregelenpakket om de stikstofdoelen in 2030 te realiseren, en BBT toe te passen. Daartoe werkt IenW ook in 2023 samen met het ministerie van LNV aan de aanscherping van de emissienormen voor ammoniak uit stallen.

Het beleid is daarnaast gericht op het verminderen van emissies van fijnstof uit stallen naar de lucht, halvering van emissies van fijnstof uit pluimveestallen in 2030 ten opzichte van 2016 en het toepassen van BBT. In 2023 wordt de regelgeving verder uitgewerkt in samenwerking met LNV, waarbij LNV financiële ondersteuning biedt aan veehouders om de vereiste stalaanpassingen te kunnen doen.

Het beleidsdoel voor geurhinder rond stallen betreft het beperken van geurbelasting voor omwonenden van nieuwe stallen of bij uitbreiding van bestaande stallen. Voor het terugdringen van geurhinder wordt mede ingezet op een aanpak die uitgaat van een andere manier van geur meten. In 2023 werken we verder aan het praktisch toepasbaar maken van deze andere methode.

Om emissiebeperking uit stallen mogelijk te maken, is het beleid ook in 2023 gericht op het stellen van voorschriften aan stalsystemen en het mogelijk maken van de ontwikkeling van nieuwe stalsystemen door ontwikkelaars.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 73 Budgettaire gevolgen van beleid art. 21 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

37.705

54.326

74.209

71.657

71.620

54.953

55.320

        

Uitgaven

47.166

64.047

71.886

69.912

69.830

52.878

52.855

        

4 Duurzaamheidsinstrumentatium

114

857

859

859

859

862

862

Opdrachten

114

857

859

859

859

862

862

        

5 Duurzame producieketens

46.307

59.496

65.111

62.638

62.555

45.687

45.664

Opdrachten

12.828

13.710

20.605

22.703

23.514

9.941

9.941

Uitvoering duurzame productieketens

7.704

7.920

14.650

16.748

17.559

4.856

4.856

Waarvan RWS

3.486

3.468

3.448

3.448

3.448

3.450

3.450

Overige opdrachten

1.638

2.322

2.507

2.507

2.507

1.635

1.635

Subsidies

21.324

24.314

22.162

17.961

18.072

14.776

14.753

Subsidies duurzame productieketens

21.312

24.314

22.162

17.961

18.072

14.776

14.753

Overige subsidies

12

0

0

0

0

0

0

Bijdragen aan agentschappen

9.427

20.511

20.512

20.512

20.512

20.512

20.512

Waarvan bijdrage aan RWS

9.427

10.585

10.585

10.585

10.585

10.585

10.585

Waarvan bijdrage aan RVO

0

9.113

9.114

9.114

9.114

9.114

9.114

Overige bijdragen aan agentschappen

0

813

813

813

813

813

813

Bijdragen aan medeoverheden

2.177

436

1.375

1.005

0

0

0

Waarvan bijdrage aan Caribisch Nederland

1.374

436

1.375

1.005

0

0

0

Overige bijdragen aan medeoverheden

803

0

0

0

0

0

0

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

101

50

0

0

0

0

0

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

450

475

457

457

457

458

458

        

6. Natuurlijk kapitaal

745

3.694

5.916

6.415

6.416

6.329

6.329

Opdrachten

745

3.235

5.457

5.956

5.957

5.870

5.870

Uitvoering Natuurlijk kapitaal

389

2.729

5.261

5.761

5.762

5.673

5.673

Overige opdrachten

356

506

196

195

195

197

197

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 74 Fiscale regelingen 2021-2023, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1
 

2021

2022

2023

Vrijstelling groen beleggen box 3

53

58

19

Heffingskorting groen beleggen

33

36

40

Milieu-investeringsaftrek (MIA)

101

144

1442

VAMIL

18

25

252

X Noot
1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

X Noot
2

Dit betreffen de voorlopige cijfers voor deze regelingen. Voor de definitieve cijfers wordt verwezen naar bijlage 9 in de Miljoenennota 2023.

Budgetflexibiliteit

Onderstaand is in lijn met de voorschriften uit de regeling Rijksbegrotingsvoorschriften een kwalitatieve toelichting voor de juridisch verplichte uitgaven opgenomen. Zie voor een nadere toelichting de ‘wijzigingen RBV 2022’ zoals opgenomen in de leeswijzer.

Tabel 75 Budgetflexibiliteit
 

2023

juridisch verplicht

52%

bestuurlijk gebonden

48%

beleidsmatig gereserveerd

0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Toelichting

Van het totale budget voor artikel 21 is voor 2023 52% juridisch verplicht.

Budgetflexibiliteit

Opdrachten

Van het opdrachtenbudget is 31% juridisch verplicht als gevolg van doorlopende opdrachten. Meer specifiek betreft het opdrachten die betrekking hebben op het ontwikkelen van een duurzaamheidsinstrumentarium, het verbeteren van het economisch functioneren van de huidige verdienmodellen, de campagne zwerfafval, events en monitoring van het plastic pact, uitvoering van wettelijke taken onder andere door RWS op het gebied van biomassa en ecosystemen en een deel van de opdrachten in het kader van CO2-reducerende maatregelen in de Grond- Weg- en Waterbouw (GWW). Daarnaast zijn de externe projectkosten door agentschappen ook juridisch verplicht.

Subsidies

Het beschikbare budget is voor 29% juridisch verplicht. Het betreft hoofdzakelijk maatregelen uit de Klimaatenveloppe en het Coalitieakkoord (CA). Voor het volledige subsidieoverzicht wordt verwezen naar bijlage 5 in deze begroting.

Bijdragen aan agentschappen

De uitgaven voor de agentschapsbijdragen RWS en het RVO zijn volledig juridisch verplicht en hebben een structureel karakter. De bijdrage aan RWS heeft betrekking op beleidsondersteuning en advies (BOA). RWS reserveert capaciteit voor het uitvoeren van studies of het leveren van bijdragen daaraan, adviezen met betrekking tot beleidsnota’s en de uitvoerbaarheid van beleid. Met de bijdrage aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) worden werkzaamheden bekostigd om de transitie naar een Circulaire Economie (CE) te bewerkstelligen.

Bijdragen aan medeoverheden

Het beschikbare budget is volledig juridisch verplicht en heeft betrekking op een bijdrage aan Caribisch Nederland voor de wederopbouw van Saba en Sint-Eustatius en verbetering van het afvalbeheer op Bonaire en Sint-Eustatius.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Het beschikbare budget is volledig juridisch verplicht. Het betreft middelen voor de bijdragen aan stichting Milieukeur (SMK) voor het uitvoeren van de wettelijke taken ten behoeve van het Ecolabel en de bijdrage aan de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) voor het uitvoeren van de overgedragen taken en werkzaamheden.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

4 Duurzaamheidsinstrumentarium

Het ontwikkelen van een duurzaamheidsinstrumentarium en het verbeteren van het economisch functioneren van de huidige verdienmodellen, zodat alle (maatschappelijke) kosten een rol gaan spelen bij de afwegingen van consumenten.

Opdrachten

In dit kader worden opdrachten verstrekt voor de ontwikkeling en implementatie van duurzaamheidsinstrumentarium, zoals monitoring, onderzoek en kennisontwikkeling en stimuleren van circulair ondernemen.

5 Duurzame productieketens

Productketens worden onderzocht met het oog op de gevolgen van de winning, verwerking en het (her)gebruik van grondstoffen. Actie- en resultaatgerichte samenwerking in ketens en in de ‘gouden driehoek' (onderzoekers, ondernemers en overheid) wordt ondersteund om te komen tot een circulaire economie gericht op het maximaliseren van de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen en het minimaliseren van waarde vernietiging.

Opdrachten

De opdrachten hebben betrekking op uitvoering van wettelijke taken op het gebied van het afvalbeleid (onder andere de uitvoering van het LAP3). Daarnaast heeft dit betrekking op opdrachten voor de uitvoering van onder andere: de rijksbrede coördinatie van het CE-programma, de monitoring van de voortgang en effecten, de uitvoering van een aantal doorsnijdende thema’s uit de actualisatie van het uivoeringsprogramma 2020-2023 (zoals producentenverantwoordelijkheid, Versnellingshuis, communicatie en circulair ontwerpen) en de versnelling en opschaling van de transitieagenda’s waar IenW verantwoordelijk voor is.

Onder de bestuurlijk gebonden budgetten vallen de verkregen middelen uit het CA en de beleidsrijke begroting 2022 omtrent het stimuleringsprogramma recycling en de uitvoeringskosten MIA/VAMIL. Daarnaast zijn de middelen voor het uitvoeringsprogramma CE bestuurlijk gebonden.

Rijksbrede programma Circulaire Economie

Om uitvoering te geven aan het Rijksbrede programma Circulaire Economie wordt in 2023 € 15 miljoen beschikbaar gesteld voor onder andere circulaire inkoop, circulair textiel en plastic, het stimuleren van kennisontwikkeling, het opschalen van (bijna-)marktrijpe technieken en voor uitvoeringskosten van de onderdelen van IenW binnen het programma Circulaire Economie, waaronder het Versnellingshuis, monitoring en communicatie.

Landbouw

Voor landbouw betreft het onder andere onderzoek naar toepassingen van maatregelen die de emissies uit veehouderijen naar de lucht en de leefomgeving verminderen en daarmee bijdragen aan een goed en gezond woon- en leefklimaat rond veehouderijen.

Subsidies

Dit betreft budget voor subsidieverlening in het kader van voorlichting aan burgers over duurzame handelingsperspectieven en ondersteuning van bedrijven bij verduurzaming van productieprocessen. Zoals vermeld in de ISB Urgenda (Kamerstukken II 2018–2019 35 235, nr. 1) worden subsidies verstrekt via de Demonstratieregeling Energie- en klimaatinnovaties (DEI+).

Onder de bestuurlijk gebonden budgetten vallen de verkregen middelen uit het CA en de beleidsrijke begroting 2022 omtrent de subsidieregeling circulaire ketenprojecten. Daarnaast zijn er klimaatmiddelen beschikbaar gesteld omtrent circulair inkopen, ketenaanpak en recycling van plastic en textiel.

Klimaatmaatregelen

In het kader van het Klimaatakkoord worden middelen uit de beschikbaar gestelde middelen voor klimaatmaatregelen ingezet ter stimulering van:

  • Ketenaanpak

  • Klimaatneutraal en circulair inkopen en aanbesteden

  • Recycling en hergebruik van (bio)plastics en textiel

  • Grond, weg en waterbouw (GWW).

Daarnaast zijn in de tabel Budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel in regel 1 de volgende subsidieverplichtingen opgenomen:

  • Een bedrag van € 0,03 miljoen aan subsidieverplichtingen per jaar voor de jaren 2023 en 2024. Dit bedrag heeft betrekking op de verlening van een subsidie voor de organisatie van het Springtij Forum 2023 en 2024 en daaraan gerelateerde projecten aan Stichting Springtij.

  • Een bedrag van maximaal € 0,5 miljoen per jaar voor de jaren 2023, 2024 en 2025. Deze bedragen hebben betrekking op de verlening van een subsidie voor het Versnellingshuis Nederland Circulair! aan Stichting Het Groene Brein in samenwerking met MVO Nederland.

  • Een bedrag van maximaal € 1,0 miljoen voor het 2023. Dit bedrag heeft betrekking op de verlening van een subsidie voor de stimulering van circulair ontwerpen door middel van het programma CIRCO aan TKI CLICKNL.

  • Een bedrag van maximaal € 0,03 miljoen voor het jaar 2023. Dit bedrag heeft betrekking op de verlening van een subsidie voor (het optimaliseren van) de informatieverstrekking aan consumenten over de beschikbaarheid en ontwikkelingen op het gebied van duurzame mode aan Stichting DSFW Foundation.

  • Een bedrag van maximaal € 1,0 miljoen per jaar voor de jaren 2023 tot en met 2025. Deze bedragen hebben betrekking op de verlening van een subsidie aan Milieu Centraal voor het uitvoeren van de basisactiviteiten gericht op de kerntaak van consumentenvoorlichting en het zijn van een onafhankelijke vraagbaak voor consumenten en media op verschillende duurzaamheidsthema’s, zoals milieukeurmerken, plaagdierbestrijding, minder afval, microplastics, duurzaam vervoer. Milieu Centraal dient hiervoor een gefundeerde kennisbasis op te bouwen, deze te ontsluiten en te onderhouden.

  • Een bedrag van maximaal € 0,7 miljoen per jaar voor het jaar 2023. Deze bedragen hebben betrekking op de verlening van een subsidie aan Milieu Centraal voor nadere focusactiviteiten gericht op consumentenvoorlichting, zoals project- en/of campagnematige activiteiten gefocust op een beperkt aantal duurzaamheidsthema’s zoals de week zonder afval, duurzaam schoonmaken, elektrisch vervoer, asbestdaken en andere toepassingen.

Deze begrotingsvermeldingen vormen de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening(en) als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft de bijdragen aan RWS, RIVM en RVO voor werkzaamheden om de transitie naar een Circulaire Economie (CE) te bewerkstelligen. Teven wordt aan RWS een opdracht verstrekt voor de uitvoering van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA), waar IenW – ook namens gemeenten en provincies – de opdracht voor verleent.

Bijdrage aan medeoverheden

De middelen voor de ontwikkeling van het afvalbeheer Bonaire staan op het budget voor bijdragen aan medeoverheden.

Bijdrage aan ZBO en RWT

Dit betreft de bijdrage aan de stichting Milieukeur (SMK) voor het uitvoeren van de wettelijke taken ten behoeve van het Ecolabel. Daarnaast wordt een bijdrage verstrekt aan de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) voor het uitvoeren van de overgedragen taken en werkzaamheden.

6 Natuurlijk kapitaal

Biotische (materiaal)ketens zijn een integraal onderdeel van de transitie naar een circulaire economie. Biotische ketens, zoals hout of biocomposiet, mits producten herbruikbaar blijven, kunnen vaak een alternatief zijn voor materialen van fossiele of minerale oorsprong. Duurzaam geproduceerde biotische grondstoffen maken het mogelijk om goederen of diensten duurzaam te kunnen benutten als circulair alternatief.

Opdrachten

Het betreft hier opdrachten voor de ontwikkeling van criteria voor duurzaamheid van onder andere biomassa.

Verder betreft dit de opdrachten aan RWS en RVO voor de uitvoering van het beleid op het gebied van biotische ketens. Bijvoorbeeld voor het ondersteunen van ketensamenwerking rond biotische grondstoffen zoals hout of nutriënten. In het kader van het Klimaatakkoord en de ISB Urgenda (Kamerstukken II 2018–2019 35 235, nr. 1) worden daarnaast middelen ingezet voor CO2-reducerende maatregelen in de Grond- Weg- en Waterbouw (GWW).

Onder de bestuurlijk gebonden budgetten vallen de verkregen middelen uit het CA omtrent verplicht percentage recyclaat in de bouw. Daarnaast zijn er klimaatmiddelen beschikbaar gesteld omtrent Grond, Weg en Waterbouw.

3.10 Artikel 22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico's

A. Algemene doelstelling

Het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving, die door de inwoners van Nederland ook als zodanig wordt ervaren.

Tabel 76 Samenvatting budgettaire gevolgen van beleid art. 22 per subthema (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

52.751

99.353

77.333

76.457

79.892

97.916

97.130

        

Uitgaven

48.318

96.203

87.006

86.290

89.054

97.521

96.815

        

Uitgaven onderverdeeld per subthema

       

1 Veiligheid chemische stoffen

6.232

20.299

20.816

20.253

20.895

21.213

20.507

2 Veiligheid biotechnologie

2.307

6.677

5.528

5.528

5.528

5.537

5.537

3 Veiligheid bedrijven en transport

39.779

69.227

60.662

60.509

62.631

70.771

70.771

        

Ontvangsten

313

1.015

250

250

250

250

250

B. Rol en verantwoordelijkheid

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de integrale kaderstelling rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die risico’s kunnen veroorzaken voor een gezonde en veilige leefomgeving. Deze regisserende rol komt naar voren in:

  • De normstelling en regels waaraan bedrijven en overheden zich bij de uitoefening van hun activiteiten moeten houden. Het daarvoor gewenste beschermingsniveau wordt bij voorkeur op Europees of internationaal niveau vastgelegd en nationaal geïmplementeerd, waardoor een level playing field bereikt wordt. De veiligheid van mens en milieu bij handelingen met genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s), bij de ontwikkeling en implementatie van regelgeving op het gebied van het op de markt brengen van chemische stoffen (REACH) en bestrijdingsmiddelen (Biociden verordening), bij risicovolle bedrijven, buisleidingen en bij het transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor en weg) en ook op het gebied van nucleaire veiligheid en stralingsbescherming zijn voorbeelden waarbij dit in de vorm van wet- en regelgeving gebeurt. Voor deze dossiers geldt dat Nederland een actieve bijdrage levert aan de Europese en soms mondiale processen die leiden tot verdere verbetering van de internationale regels.

  • Waar Europese regels (deels) ontbreken, of waar specifieke omstandigheden in Nederland het stellen van regels voor de veiligheid van de omgeving noodzakelijk maken, wordt in dialoog met stakeholders gezocht naar een optimum tussen de te bereiken doelen (en dus baten in termen van milieu en gezondheidswinst) en de lasten die deze regels veroorzaken. Dit is onder meer aan de orde bij de regelgeving rond buisleidingen, bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen, de emissies van zeer zorgwekkende stoffen en het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Met dat laatste wordt een balans gezocht tussen de belangen van vervoer, ruimte en veiligheid.

  • Waar nieuwe technologische ontwikkelingen aanleiding geven om na te gaan of beleid en regelgeving daarmee nog in de pas lopen, is het overwegen van nieuw of aanvullend beleid en regulering aan de orde. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de beleidsontwikkeling ten behoeve van een veilige energietransitie in de leefomgeving en van de veilige toepassing voor mens en milieu van nieuwe vormen van nanotechnologie. Voor de energietransitie wordt in dialoog met andere ministeries en stakeholders gewerkt aan uitgangspunten voor verantwoord omgaan met veiligheid en gezondheid in de energietransitie, tevens rekening houdend met andere publieke belangen. De inzichten hieruit worden ingebracht bij onder meer het Nationaal Programma Waterstof (NWP) en het Programma Energie-Systeem (PES) van het ministerie van EZK.

  • Nederland stelt nationaal in principe geen hogere eisen aan verpak­kingen en voer- of vaartuigen dan in de relevante internationale Verdragen is vastgelegd, conform de EU-Kaderrichtlijn transport gevaarlijke stoffen, en streeft tegelijk in de maatregelen onder die Verdragen naar een hoog beschermingsniveau. Daarmee wordt zowel de veiligheid als het level playing field voor bedrijven gediend.

  • Het versterken van het stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) voor het milieudomein. De minister heeft als eindverantwoordelijke een regisserende rol als stelselverantwoordelijke voor het VTH-stelsel. De staatssecretaris is voorzitter van het bestuurlijk omgevingsberaad. Provincies en gemeenten zijn bevoegd gezag voor de VTH-taken voor het milieudomein. Zij hebben de uitvoering van deze taken belegd bij de omgevingsdiensten. Hierbij hebben zes omgevingsdiensten een specialisatie voor het Besluit risico’s zware ongevallen. In 2021 heeft de commissie van Aartsen tien aanbevelingen gedaan voor de versterking van het VTH-stelsel. Met de Kamerbrief versterking VTH-stelsel van 13 december 2021 heeft de Staatssecretaris aangegeven welke acties ingezet moeten worden om deze aanbevelingen op te volgen. Hierbij baseert de Staatssecretaris zich ook op de bevindingen van de Algemene Rekenkamer in haar rapporten «Een onzichtbaar probleem» en «Handhaven in het duister». Het coalitieakkoord reserveert structureel 18 miljoen euro voor de versterking van de omgevingsdiensten en structureel een bedrag oplopend tot 6 miljoen euro voor versterking VTH bij de ILT. In 2022 is een interbestuurlijk programma versterking VTH-stelsel opgezet. In dit programma werken Rijk, provincies, gemeenten en omgevingsdiensten samen aan de implementatie van de adviezen van de commissie Van Aartsen. Dit programma loopt tot en met het eerste kwartaal van 2024.

  • Het verlenen van vergunningen met als doel bescherming van mens en milieu bij activiteiten met GGO’s.

  • Het verlenen van vergunningen voor een beperkt aantal bedrijven met een verhoogd risico voor de externe veiligheid in Caribisch Nederland.

Stimuleren

Het is primair de verantwoordelijkheid van bedrijven die risico’s voor een gezonde en veilige leefomgeving vormen om deze risico’s te identificeren en, te voorkomen of te beperken. Overheden zijn verantwoordelijk voor bijvoorbeeld ruimtelijke ordening of vergunningverlening en toezicht die invloed kan hebben op een gezonde en veilige leefomgeving. De Minister stimuleert:

  • Het in beeld (doen) brengen van bestaande of nieuwe risicosituaties en het vermijden of beperken hiervan. Dit geschiedt door inventarisaties van deze risico’s en het stimuleren van de aanpak daarvan. Voorbeelden zijn: het in beeld brengen van de risico’s van nieuwe technologieën zoals het gebruik van nanomaterialen en biotechnologie, het ‘vergroenen’ van het beschikbare pakket aan biociden en het terugdringen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw, het volgen van nieuwe wetenschappelijke inzichten op het gebied van hormoonverstoring en gecombineerde blootstelling aan stoffen en door het ontwikkelen van beleid ten aanzien van onzekere risico’s. Door integraal plaagdiermanagement (IPM) toe te passen, wordt gestreefd naar vermindering van het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen. Naar aanleiding van de plannen van het Kabinet om het verlengen van de bedrijfsduur van Kerncentrale Borssele mogelijk te maken, zal de daartoe noodzakelijke wijziging van de Kernenergiewet in gang worden gezet. Daarnaast zal, om het mogelijk te maken dat in Nederland twee extra kernreactoren worden gebouwd, het bestaande kader van wet- en regelgeving worden geëvalueerd om, indien nodig, deze te actualiseren. De eigen verantwoordelijkheid van bedrijven en andere overheden is een belangrijk anker, onder andere door openheid te geven ten aanzien van feitelijke risico’s. De Risicokaart (in overleg met het Ministerie van Justitie en Veiligheid ontwikkeld) en de Atlas Leefomgeving zijn hiervan voorbeelden. Op basis van deze informatie kunnen burgers nagaan hoe het is gesteld met de kwaliteit van hun directe leefomgeving. Daarnaast is er ook het landelijk asbestvolgsysteem dat alle ketenpartijen van de nodige informatie voorziet. Het Landelijk asbestvolgsysteem (LAVS) is bedoeld om via inzicht in de asbestsaneringsketen de uitvoering en het toezicht te ondersteunen, de naleving van de asbestregelgeving te verbeteren. Daarmee wordt voorkomen dat nadelige gevolgen optreden voor de gezondheid van de mens en het milieu.

  • Het signaleren en ondersteuning bieden op het gebied van veiligheid. In dit kader hebben onder andere de veiligheidsaspecten van de energietransitie de aandacht. Veiligheid moet worden meegenomen in de plannen (en uitvoering daarvan) die de energietransitie vormgeven. Een voorbeeld hiervan is het in beeld brengen van risico’s en oplossingen bij de verwachte toename van het gebruik van waterstofrijke energiedragers.

  • Het nemen van maatregelen ter bescherming van mens en maatschappij tegen moedwillige verstoring van onderdelen van de vitale infrastructuur door het bewustzijn bij bedrijven te vergroten zodat risico’s op moedwillige verstoring (bijvoorbeeld terroristische aanslagen en/of cyber aanvallen) worden geïdentificeerd en waar mogelijk beperkt. Het betreft hier onder andere chemische bedrijven, nucleaire installaties en buisleidingen.

  • Een continue verbetering van de omgevingsveiligheid bijvoorbeeld met het principe «Continuous improvement» dat is vastgelegd in de Europese richtlijn Nucleaire Veiligheid en met behulp van het instrument van de Safety Deals (subsidieregeling versterking Omgevingsbeleid).

  • Het versterken van de kennisbasis op het gebied van nucleaire technologie en stralingstoepassingen. Dit heeft betrekking op de beleidsterreinen van meerdere departementen en wordt samen met de ministeries van EZK, VWS, SZW en OCW aangepakt.

  • Dat veiligheid en gezondheid van meet af aan ontwerpcriteria zijn bij innovatieve ontwikkelingen (Safe-by-Design). Daarbij hoort ook – in het kader van de circulaire economie – het stimuleren van Safe & Circular Design. Hiervoor wordt ingezet op kennisontwikkeling met betrekking tot veilig (en circulair) ontwerpen. Ook wordt aan de hand van casuïstiek inzichtelijk gemaakt hoe Safe-by-Design in de praktijk vorm kan krijgen. Hiervoor gaat in 2023 het onderzoeksprogramma «Naar een praktische Safe-by-Design aanpak voor chemische producten en processen», in het kader van de Nationale Wetenschapsagenda, van start. Ook heeft de Directie OenM recent een verkenning laten uitvoeren naar de mogelijkheden (en bestaande ervaringen) om Safe-by-Design nog verder te integreren binnen de energietransitie.

  • Met de Safety Delta Nederland (SDN) wordt in 2023 verder gewerkt door overheid, wetenschap en bedrijfsleven aan de verbetering van de veiligheid van de (petro)chemische industrie. Dat gebeurt door kennis- en innovatieprojecten.

  • De ILT (zie beleidsartikel 24 Inspectie Leefomgeving en Transport) houdt toezicht op en handhaaft (een deel van) de hierboven genoemde wet- en regelgeving. De ANVS houdt toezicht op en handhaaft specifiek ten aanzien van de nucleaire sector en bepaalde stralingstoepassingen (zie niet-beleidsartikel 97 en 98).

Indicatoren en Kengetallen

Veiligheid en veiligheidsbeleving zijn niet eenvoudig objectief te meten. Het streven is gericht op het voorkomen van onveiligheid: vermeden onveilige situaties laten zich niet meten.

Tabel 77 Tabel resultaten REACH in 2021, 2022 en 2023
  

Realisatie 20211

Geraamd 2022

Geraamd 2023

  

NL inbreng

Hele EU

NL inbreng2

Hele EU3

NL inbreng

Hele EU

1

Beoordelingen ontwerpbesluiten ECHA t.a.v. registratiedossiers en testvoorstellen van Europese bedrijven

133

469

80

300

75

300

2

Stofevaluaties:

      
 

- uitgevoerd

1

8

1

15

1

15

 

- beoordeelde ontwerpbesluiten

11

14

15

15

15

15

3a

Gescreende stofgroepen

2

onbekend

1

65

1

65

3b

RMO-analyses:

      
 

- ingediend

2

onbekend

5

onbekend

5

onbekend

 

- becommentarieerd

3

10

8

onbekend

6

onbekend

4a

Annex XV dossiers t.a.v. zeer ernstige zorgstoffen:

      
 

- ingediend

0

12

1

15

1

15

 

- becommentarieerd

12

12

8

15

6

15

        

4b

Autorisatieverzoeken:

      
 

- rapporteurschappen RAC & SEAC

3

 

2

 

2

 
 

- becommentarieerde opinies over clusters van autorisatieverzoeken

37

37

30

30

55

55

5

Restrictiedossiers:

      
 

- ingediend

0

6

1

 

2

 
 

- rapporteurschappen RAC & SEAC

2

6

2

 

2

 
 

- becommentarieerde opinies

6

6

2

2

9

9

6

Geharmoniseerde indeling & etikettering:

      
 

- ingediend

6

37

6-12

50

5-10

60

 

- rapporteurschappen RAC

7

39

6-10

 

6-10

 
 

- becommentarieerde opinies & publieke consultaties

39

39

60

60

50

50

X Noot
1

Bureau REACH Jaarverslag 2021

X Noot
2

Werkprogramma 2022 Bureau REACH

X Noot
3

https://echa.europa.eu/documents/10162/11209549/mb_39_2021_pid_2022-2025_en.pdf/b7c7105c-d3a8-1237-aba2-be978472a4e9?t=1643269659937

Toelichting

De Europese stoffenregelgeving (REACH) geeft bedrijven die een stof op de markt brengen de verantwoordelijkheid dat die stof veilig voor mens en milieu wordt toegepast. De benodigde informatie hiertoe moet bij het EU agentschap worden geregistreerd. De daadwerkelijke invulling van Nederlandse dossiers wordt afgestemd met de opdrachtgevende ministeries (IenW, VWS en SZW). Onderstaande tabel geeft aan wat de realisatie is in 2021 bij deze producten van het Europese systeem en wat naar verwachting de Nederlandse inbreng en voor de hele EU is in 2022 en 2023. Daarbij betreft de Nederlandse bijdrage de door Nederland ingebrachte dossiers en door andere lidstaten ingebrachte dossiers waar Nederland actief input op levert. Meest arbeidsintensief is de brede restrictie op PFAS, een groep van stoffen die diverse schadelijke eigenschappen kunnen hebben en die in het milieu niet afbreken. Het gaat hierbij om vele honderden, mogelijk duizenden stoffen en evenzovele toepassingen. Nederland heeft het initiatief tot deze restrictie genomen en werkt er samen met Duitsland, Denemarken, Zweden en Noorwegen aan. De submissie van het voorstel voor een restrictie bij het EU agentschap wordt voorzien in de eerste helft van 2023.

De looptijd van beoordeling- en besluitvormingstraject met betrekking tot de REACH-werkprocessen stofevaluatie, autorisatie, restrictie en geharmoniseerde indeling en etikettering is doorgaans langer dan één kalenderjaar waarmee de daarmee samenhangende werklast over meerdere jaren wordt verspreid. De getallen betreffen door Nederland ingebrachte of becommentarieerde dossiers of door Nederlandse leden van de wetenschappelijke comités (RAC en SEAC) gedragen (co)rapporteurschappen. De RAC- en SEAC-leden leveren input op alle dossiers, al dan niet met ondersteuning vanuit het RIVM.

Ad 1) Ondanks het eerdere signaal dat het aandeel beoordelingen door het Europese agentschap van registratiedossiers stijgt van 5% naar 20%, blijft de prognose van ECHA op 300 ontwerpbesluiten steken voor de komende jaren. Het RIVM hanteert een ongewijzigd regime en prioriteert ongeveer een kwart van alle ontwerpbesluiten, waarmee de daarmee gepaarde werklast voor NL gelijk zal blijven.

Ad 2) Er wordt naar gestreefd om voor 2023 één geschikte stof te selecteren voor stofevaluatie.

Ad 3a) Betreft het screeningswerk om tot de selectie te komen voor kandidaten voor maatregelen (stofevaluatie, classificatie, autorisatie of restrictie). ECHA zet hier sterk op in en mikt op een screening van 65 stofgroepen op regulatoire behoeftes. Bureau REACH leunt voor het screeningswerk sterk op ECHA en zal indien mogelijk één stofgroep hiervan uitvoerig screenen om te komen tot nieuwe aandachtstoffen voor andere REACH processen.

Ad 3b) Aan de hand van een RMO-analyse worden de meest adequate regulatoire maatregelen met ministeries en lidstaten afgestemd.

Ad 4a) De Nederlandse inbreng aan Annex XV SVHC dossiers wordt voor 2023 op één dossier geschat. Het lastige daarbij is om tot een geschikte stof te komen, deze volgt veelal uit andere processen zoals RMO-analyse en stofevaluatie.

Ad 4b) De taken met betrekking tot de autorisatieverzoeken laten zich lastig beschrijven in aantallen. De autorisatieaanvragen betreffen in de regel één tot drie gebruiken die afzonderlijke opinies behoeven. Aanvragen worden veelal geclusterd in groepen van vergelijkbare aanvragen die door dezelfde rapporteurs worden behandeld uit efficiëntieoverwegingen. Naast twee beoogde rapporteurschappen levert Nederland via het RAC- en SEAC-leden op alle opinies m.b.t. autorisatieverzoeken input.

Ad 5). Bureau REACH stelt in samenwerking met vier andere lidstaten een restrictiedossier op voor PFAS, welke in 2023 gereed zal komen. Er worden twee rapporteurschappen voorzien en Nederland levert input op alle restrictiedossiers.

Ad 6) De aantallen Nederlandse CLH-voorstellen nemen iets toe nu Ctgb zelf dossiers opstelt en Bureau REACH deze toetst, indient en procesmatig de dossiers afhandelt. Voor classificatievoorstellen worden zes tot 10 rapporteurschappen voorzien. In 2021 gaat de CLH werkgroep t.b.v. RAC van start, waarmee in navolging van autorisatieverzoeken alle dossiers bekeken zullen gaan worden.

Ad 7) Het RIVM beantwoordt zowel vragen van de REACH Helpdesk als de CLP-Helpdesk. Het aantal vragen lijkt de afgelopen jaren rond de 600 te stabiliseren.

Asbestdaken

Asbestdaken zijn de laatste grote bron van asbestvezels in Nederland. Sinds medio 2019 is sprake van een daling van het saneringstempo. Die daling is waarschijnlijk veroorzaakt door het eindigen van de subsidie op het saneren van asbestdaken (december 2018) en het verwerpen van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer om asbestdaken te verbieden (juni 2019). Daarom heeft IenW op 2 maart 2020 een samenwerkingsverklaring gesloten met een aantal provincies, gemeenten en andere partijen. Doel hiervan is om door middel van een pakket niet-wettelijke maatregelen op een veilige manier het saneren van asbestdaken in Nederland te versnellen.

Na ruim 2 jaar uitvoering van deze maatregelen is op basis van de saneringscijfers geconcludeerd dat deze aanpak niet heeft geleid tot de gewenste versnelling van de saneringen. Daarmee wordt de ambitie om alle asbestdaken voor 2030 te verwijderen niet gehaald. In dat kader is de inzet van het Rijk heroverwogen. Er is – naast financiering van het Programmabureau - gekozen voor inzetten op het stimuleren van vrijwillige saneringen door gerichte communicatie en bewustwordingscampagnes. Hiervoor wordt in de periode 2023 ‒ 2025 jaarlijks 3 miljoen euro beschikbaar gesteld.

Uit de op dit moment beschikbare cijfers blijkt dat het saneringstempo is gedaald naar circa 4 miljoen m2 per jaar.

Bevt (Besluit externe veiligheid transport)

Voor het oplossen van knelpunten veroorzaakt door het Basisnet vervoer is in 2015 de milde saneringsregeling Bevt gestart. Deze regeling heeft betrekking op het oplossen van huidige en mogelijke toekomstige knelpunten bij bestaande woningen langs basisnetroutes. Bij aanvang van deze regeling was er sprake van 42 kwetsbare objecten en in 2021 zijn de laatste woningen aangekocht. Alle aangekochte woningen worden gesloopt of doorverkocht als niet-kwetsbaar object. De regeling is in 2020 geëvalueerd en loopt door met oog op eventuele toekomstige knelpunten11.

Tabel 78 Realisatie Genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s)1

2021

Kengetal

Indicator

Ingeperkt gebruik:

  

Aanvragen vergunning2

41

100%

Kennisgeven3

385

100%

Verzoeken ex art. 2.8 besluit ggo

125

100%

Verzoeken ex art. 2.13 besluit ggo

24

100%

Verzoeken bijzondere procedures besluit ggo

17

100%

BVF

51

Introductie in het milieu, landbouw (inclusief marktaanvragen)

4

100%

Introductie in het milieu, medisch, veterinair

43

100%

MVF

1

Totaal

691

1

X Noot
1

RIVM, Bureau Genetisch Gemodificeerde Organismen.

X Noot
2

Het betreft vergunningaanvragen op niveau II-v en III inclusief wijzigingen op de respectievelijke niveaus.

X Noot
3

Het betreft kennisgevingen op niveau I en II-k.

Toelichting

Bij de uitvoering van de GGO-regelgeving (Genetisch Gemodificeerde Organismen) worden niet alleen kengetallen vermeld maar ook indicatoren. Immers, kengetallen geven uitsluitend een beeld van wat de bestede middelen voor vergunningverlening aan resultaten hebben opgeleverd, maar zij bieden geen inzicht in de mate waarin vergunningverlening aan het bereiken van het beleidsdoel heeft bijgedragen.

Kengetallen zijn de aantallen ontvangen vergunningaanvragen, aanvragen voor wijziging van vergunningen, kennisgevingen, wijzigingen op kennisgevingen en verzoeken ingevolge art. 2.8, art. 2.13 en bijzondere procedures van het Besluit ggo. Daarnaast worden ook de aantallen ontvangen aanvragen en aanvragen voor wijziging van BVF (biologische veiligheidsfunctionaris) en MVF (milieuveiligheidsfunctionaris) in beeld gebracht. Indicatoren zijn het percentage van het aantal vergunningaanvragen, kennisgevingen of verzoeken ingevolge art. 2.8, art. 2.13 en bijzondere procedures voor handelingen waarbij het risico voor mens en milieu gelijk of lager is dan een verwaarloosbaar risico.

De GGO-regelgeving is op 1 maart 2015 gewijzigd 12 waarbij naast vergunningen ook algemene regels, de mogelijkheid tot het doen van kennisgevingen en verzoeken ingevolge art. 2.8, art. 2.13 en bijzondere procedures van het Besluit ggo milieubeheer 2013 zijn geïntroduceerd en de structuur van de vergunningverlening is gewijzigd. De prognose voor 2023 is dat de realisatie eenzelfde beeld als 2021 te zien zal geven.

C. Beleidswijzigingen

REACH

In oktober 2020 heeft de Europese Commissie haar strategie voor duurzame chemicaliën gepresenteerd (Chemicals Strategy for Sustainability, CSS). Deze strategie omvat veel beleidsvoornemens die gericht zijn op de verdere verhoging van de veiligheid van chemische stoffen, die inmiddels volop in uitvoering zijn. In 2022 wordt een groot deel van deze beleidsvoornemens verder uitgewerkt en meegenomen in de evaluatie en herziening van REACH, die naar verwachting begin 2023 wordt gepubliceerd. Gezien het grote belang van het op een goede wijze formuleren en implementeren van de verbetervoorstellen, zal Nederland waar mogelijk actief aan voorbereidingstrajecten (zoals expertgroepen of consultaties) deelnemen.

Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS)

Het ZZS-emissiebeleid is gericht op het terugdringen van emissies naar de lucht en het water. Dat is sinds 2016 vormgegeven door de informatie- en minimalisatieplicht. Bedrijven moeten ZZS-emissies melden aan bevoegd gezag en een Vermijdings- en Reductieprogramma opstellen waarin zij maatregelen voorstellen om de emissies van ZZS te minimaliseren. Er wordt gewerkt aan een database waarin de ZZS-emissies ook op nationaal niveau zichtbaar zullen worden gemaakt. Naar verwachting kan deze database in 2024 in gebruik genomen worden. Daarnaast worden ZZS uit de leefomgeving geweerd door Europese beperkingen voor het op de markt brengen van stoffen (via REACH) en door het stimuleren van innovatie (substitutie van ZZS door een minder gevaarlijke stof of door andere technieken). In 2022 is een beleidsevaluatie over het Nederlandse ZZS-emissie beleid afgerond. Naar aanleiding hiervan wordt in 2023 een Impulsprogramma Chemische Stoffen gestart dat in samenspraak met belanghebbenden wordt uitgewerkt en waarmee de samenhang in het stoffenbeleid (lucht, water, bodem, afval) zal worden versterkt.

Biociden

Het biocidenbeleid is een beleidsveld in ontwikkeling. Op Europees niveau worden ‘werkzame stoffen’, het belangrijkste ingrediënt van deze niet-landbouwbestrijdingsmiddelen, beoordeeld en na stemming door de lidstaten van voorwaarden voorzien. Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden is als Zelfstandig Bestuursorgaan verantwoordelijk voor de toelating van biociden tot de Nederlandse markt. De Rijksverantwoordelijkheid ligt primair bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, in samenwerking met de departementen van LNV, VWS en SZW. De inzet voor 2023 richt zich op verdere verbeteringen in de uitvoering en de uitwerking van acties naar aanleiding van de beleidsdoorlichting die in 2022 is afgerond. IenW werkt met andere betrokken departementen samen aan de minimalisering van de milieubelasting door en blootstelling aan bepaalde risicovolle biociden, zoals de middelen die worden gebruikt voor knaagdierbeheersing.

Omgevingswet

In de Omgevingswet is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving één van de maatschappelijke doelen. Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid. Zo kunnen zij een ramp of crisis voorkomen of de gevolgen er van beperken. Onder de Omgevingswet is het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) opgesteld. In het Bkl is onder andere vastgelegd dat er een Register voor externe veiligheidsrisico’s (REV) moet komen, dat door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat wordt beheerd en dat voor eenieder langs elektronische weg toegankelijk moet zijn (artikel 10.8 Bkl).

Kort samengevat staat in de Omgevingswet dat vanaf 2022 in het REV de informatie van circa 40 activiteiten vanuit ruim 400 bronhouders elektronisch toegankelijk gemaakt moet worden.

Deugdelijke informatie over de leefomgeving is cruciaal voor uitvoering van de zorgplicht in de Omgevingswet. Vanaf 2022 gaat het REV stap voor stap voorzien in de informatiebehoefte van Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen. Via de Atlas Leefomgeving wordt de informatie uit het REV gepresenteerd aan burgers en bedrijven/organisaties. Daarbij ontstaat inzicht in de lokale situatie van externe veiligheid, omdat ook aandachtsgebieden voor brand, explosie en gifwolken worden gepresenteerd.

Bij het vaststellen van een omgevingsplan, een projectbesluit of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een activiteit met gevaarlijke stoffen moet het bevoegd gezag in deze aandachtsgebieden expliciet nadenken over de risico’s en mogelijke effecten van een incident met gevaarlijke stoffen. Mede op basis van het risicoprofiel van de activiteit met gevaarlijke stoffen zal het bevoegd gezag overwegen of en welke maatregelen in het aandachtsgebied moeten worden genomen, om personen te beschermen en om maatschappelijke ontwrichting te voorkomen.

Veiligheid biotechnologie

In 2023 wordt verder invulling gegeven aan het ontwikkelen en vormgeven van toekomstbestendig biotechnologiebeleid. Dit is beleid dat is toegesneden op nieuwe technologische ontwikkelingen en duurzame innovaties, waarbij de veiligheid voor mens en milieu wordt gewaarborgd. De Trendanalyse Biotechnologie 2022 van de Commissie Genetische Modificatie en de Gezondheidsraad vormt hiervoor belangrijke input.

Specifieke aandacht gaat in 2023 uit naar het, door de Europese Commissie, aangekondigde voorstel voor wetgeving voor planten die met bepaalde nieuwe genoomtechnieken worden geproduceerd.

Over deze herziening van de Europese GGO-regelgeving en de toekomstbestendigheid van het beleid inzake de veiligheid van biotechnologie wordt een structurele dialoog gevoerd met betrokken departementen (LNV, VWS, EZK en OCW), bedrijfsleven, beroepsverenigingen, belangenverenigingen, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties. De Tweede Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de ontwikkelingen.

Veiligheid vervoer gevaarlijke stoffen

In 2022 eindigt de tweejaarlijkse cyclus van aanpassing van de regels voor vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor en binnenwateren.

De regels zijn dan aangepast aan de laatste stand van wetenschap en techniek, en zij worden in 2023 geïmplementeerd in nationale wetgeving. In het internationale overleg hierover zet Nederland in op het investeren in voort durende verbetering van de veiligheid en harmonisatie van voorschriften. Hiermee sluit Nederland aan bij de Sustainable Development Goals zoals die zijn vastgesteld door de VN.

Wat betreft het beheersen van de risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt sinds 2020 ingezet op een Robuust Basisnet (Kamerstukken II, 30 373 nr. 71 en nr. 72), waarin veiligheid het uitgangspunt blijft bij de mogelijke toename van het vervoer van gevaarlijke stoffen in het kader van de energietransitie én bij de binnenstedelijke verdichting in de nabijheid van de infrastructuur waarover het vervoer plaatsvindt. In 2022 wordt de beleidsvormende fase afgerond en start de voorbereiding van de aanpassing van de regelgeving. In het kader van de energietransitie past speciale aandacht voor de mogelijke inzet van ammoniak als energiedrager.

Vuurwerk

Ook in 2023 is de beleidsinzet voor vuurwerk gericht op het realiseren van een veilige en feestelijke jaarwisseling. Op basis van de (letsel)cijfers van de jaarwisseling en de afkeuringspercentages van het consumentenvuurwerk, wordt het beleid waar nodig bijgesteld. Er is in 2023 een aanpassing van het Vuurwerkbesluit voorzien (met o.a. technische wijzigingen als gevolg van inwerkingtreding van de Omgevingswet). In 2023 worden middelen ingezet voor monitoring van de jaarwisseling door rapporten van VeiligheidNL, het ontwikkelen van een vuurwerkcampagne en een lesprogramma voor basisscholen.

Nucleaire veiligheid en stralingsbescherming

In 2023 worden verdere stappen gezet in het actualiseren van het nationaal beleid voor radioactief afval en verbruikte splijtstoffen, in voorbereiding op een nieuw Nationaal programma voor radioactief afval en verbruikte splijtstoffen (NP) dat uiterlijk in 2025 moet worden vastgesteld conform richtlijn 2011/70/Euratom. In het nieuwe Nationaal programma worden de gevolgen van de ambities van het kabinet op het gebied van kernenergie voor het aanbod van radioactief afval, de wijze van opslag bij Centrale Opslag Voor Radioactief Afval (COVRA) en eindberging, meegenomen.

Naar aanleiding van de plannen van het Kabinet om het verlengen van de bedrijfsduur van Kerncentrale Borssele mogelijk te maken, zal de daartoe noodzakelijke wijziging van de Kernenergiewet in gang worden gezet. Het streven is dit eind 2023 aan de Kamer aan te bieden.

Er zal worden gestart met de evaluatie van de bestaande wet- en regelgeving op het gebied van de nucleaire veiligheid en stralingsbescherming. Doel hiervan is te bepalen of er wijzigingen nodig zijn om de veiligheid te garanderen bij de eventuele bouw van nieuwe kerncentrales.

Ook zal met de andere betrokken departementen worden gewerkt aan het versterken van de kennisbasis op het gebied van nucleaire technologie en stralingstoepassingen.

Majeure risicobedrijven

Jaarlijks rapporteert de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer de Staat van de Veiligheid bij de Brzo-bedrijven (Besluit Risico’s Zware Ongevallen). De Staat van de Veiligheid Brzo-bedrijven schetst vanuit een breed perspectief een beeld van de naleving en de veiligheidssituatie van de Brzo-bedrijven in Nederland. Met deze benadering wordt vanuit verschillende invalshoeken het beeld over de veiligheid bij deze groep bedrijven losgekoppeld van de individuele casuïstiek bij bedrijven. Op basis van een jaarlijks terugkerende rapportage (eerste rapportage in 2014) kunnen tevens trends en ontwikkelingen over de veiligheid bij de Brzo-bedrijven zichtbaar worden en waar nodig specifieke sturingsmaatregelen worden genomen. In 2023 zullen de in 2021 geïdentificeerde aanvullende indicatoren waar mogelijk worden meegenomen in de rapportage, om zo een breder beeld van de veiligheidssituatie bij Brzo-bedrijven kunnen geven. De Staat van de Veiligheid Brzo-bedrijven is een monitoringsinstrument voor de stelselverantwoordelijke departementen (IenW, JenV en SZW).

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 79 Budgettaire gevolgen van beleid art. 22 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

52.751

99.353

77.333

76.457

79.892

97.916

97.130

        

Uitgaven

48.318

96.203

87.006

86.290

89.054

97.521

96.815

        

1 Veiligheid chemische stoffen

6.232

20.299

20.816

20.253

20.895

21.213

20.507

Opdrachten

3.536

5.109

6.717

6.174

6.907

7.220

6.514

Waarvan RWS

1.447

1.665

1.326

1.326

1.326

1.330

1.330

Waarvan RIVM

0

1.278

739

739

739

739

739

Uitvoering veiligheid

232

95

1.665

1.215

1.947

1.926

1.140

Uitvoering stoffen en M&G

1.332

786

1.007

1.145

1.146

1.472

1.552

Overige opdrachten

525

1.285

1.980

1.749

1.749

1.753

1.753

Subsidies

39

199

177

177

177

178

178

Bijdragen aan agentschappen

2.657

14.954

12.899

12.879

12.788

12.792

12.792

Waarvan bijdrage aan RWS

2.337

2.783

2.524

2.524

2.524

2.524

2.524

Waarvan bijdrage aan RIVM

0

11.846

10.050

10.030

10.031

10.035

10.035

Overige bijdragen aan agentschappen

320

325

325

325

233

233

233

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

0

37

1.023

1.023

1.023

1.023

1.023

Waarvan bijdrage aan CTGB

0

37

1.023

1.023

1.023

1.023

1.023

        

2 Veiligheid biotechnologie

2.307

6.677

5.528

5.528

5.528

5.537

5.537

Opdrachten

671

1.105

1.111

1.111

1.111

1.119

1.119

Uitvoering veiligheid GGO

671

1.102

1.111

1.111

1.111

1.119

1.119

Overige opdrachten

0

3

0

0

0

0

0

Bijdragen aan agentschappen

1.636

5.572

4.417

4.417

4.417

4.418

4.418

Waarvan bijdrage aan COGEM

1.636

1.700

1.700

1.700

1.700

1.700

1.700

Waarvan bijdrage aan RIVM

0

3.872

2.717

2.717

2.717

2.718

2.718

        

3 Veiligheid bedrijven en transport

39.779

69.227

60.662

60.509

62.631

70.771

70.771

Opdrachten

7.215

13.115

40.412

42.758

45.079

57.683

57.683

EPK bijdrage RWS

1.146

1.858

1.054

1.054

1.054

1.058

1.058

Opdrachten asbest

318

562

4.191

6.286

3.290

16.340

16.340

Programma omgevingsveilig

3.950

5.044

9.119

9.370

14.105

18.205

18.205

Veiligheid bedrijven Caribisch Nederland

74

316

0

0

518

524

524

VTH-stelsel

0

2.318

21.908

21.908

21.908

16.908

16.908

Uitvoering Buisleidingen

315

1.190

2.528

2.528

2.621

2.630

2.630

Uitvoering veiligheid VGS

797

1.184

952

952

953

956

956

Overige opdrachten

615

643

660

660

630

1.062

1.062

Subsidies

23.747

42.417

10.074

7.575

7.375

2.906

2.906

Subsidies inrichtingen & transport

4.356

6.516

7.001

7.001

6.801

2.331

2.331

Budgetflexibiliteit

Onderstaand is in lijn met de voorschriften uit de regeling Rijksbegrotingsvoorschriften een kwalitatieve toelichting voor de juridisch verplichte uitgaven opgenomen. Zie voor een nadere toelichting de ‘wijzigingen RBV 2022’ zoals opgenomen in de leeswijzer.

Tabel 80 Budgetflexibiliteit art. 22 (bedragen x € 1.000)
 

2023

juridisch verplicht

74%

bestuurlijk gebonden

18%

beleidsmatig gereserveerd

8%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Totaal

100%

Toelichting

Van het totale budget voor artikel 22 is voor 2023 74% juridisch verplicht.

Opdrachten

Het opdrachtenbudget is voor 45% juridisch verplicht. Dit betreffen opdrachten die juridisch zijn verplicht in het kader van het meerjarige onderzoeksprogramma Biotechnologie en Veiligheid, wettelijke taken inzake basisnetten en (inter-) nationaal stoffenbeleid, jaarlijkse bijdragen aan de Gezondheidsraad en opdrachten met betrekking tot het Meerjarenprogramma omgevingsveiligheid (MOV), buisleidingen, asbest en Vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Daarnaast betreffen het jaarlijkse opdrachten aan agentschappen (RVO, RIVM en RWS).

Subsidies

Het subsidiebudget is voor 95% juridisch verplicht. Met publicatie in de Staatscourant van de subsidieregeling Versterking omgevingsveiligheid chemische sector in 2022 is deze subsidie meerjarig verplicht. Daarnaast zijn er reeds enkele subsidies meerjarig juridisch verplicht die samenhangen met asbest, omgevingsveiligheid en vuurwerk. Voor het volledige subsidieoverzicht wordt verwezen naar bijlage 5 in deze begroting.

Bijdrage aan agentschappen

De uitgaven voor de agentschapsbijdragen RWS en RIVM zijn volledig juridisch verplicht en hebben een structureel karakter. De bijdrage aan RWS heeft betrekking op beleidsondersteuning en advies (BOA). RWS reserveert capaciteit voor het uitvoeren van studies of het leveren van bijdragen daaraan, adviezen met betrekking tot beleidsnota’s en de uitvoerbaarheid van beleid. De bijdrage aan het RIVM wordt ingezet voor de uitvoering van opdrachten op het gebied van Veiligheid Stoffen, Gezonde Leefomgeving en Onderzoek Beleid Nucleair.

Bijdrage aan medeoverheden

Dit betreft een bijdrage aan Caribisch Nederland en is volledig juridisch verplicht. De bijdrage wordt ingezet voor de herontwikkeling van het terrein van de bestaande olieterminal Hato op Bonaire.

Bijdrage ZBO's/RWT's

Dit betreft de bijdrage aan de College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) en is volledig juridisch verplicht.

Inkomensoverdrachten

De beschikbare middelen zijn volledig juridisch verplicht. Het betreft inkomensoverdrachten in het kader van de tegemoetkoming nabestaanden slachtoffers asbestose mesothelioom via SVB.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

1 Veiligheid chemische stoffen

Opdrachten

In dit kader worden opdrachten verstrekt aan onder andere de Gezondheidsraad voor de uitvoering van wettelijke taken op het gebied van asbest, chemische stoffen en externe veiligheid. Daarnaast worden opdrachten verstrekt voor de uitvoering van EU-regelgeving ten aanzien van zeer zorgwekkende stoffen in relatie tot andere overheden (vergunningverlening), voor de uitvoering van taken op de gebieden «veiligheid en gezondheid» (gezonde leefomgeving), «nieuwe risico’s» (nanotechnologie en synthetische biologie) en Nucleaire Veiligheid.

Subsidies

Het betreft hier de uitgaven in het kader van subsidies ten behoeve van het integraal pestdiermanagement en de Implementatie Afwegen Gezondheid.

Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor voornamelijk de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van InfoMil (centraal punt voor bundelingen verspreiding van milieu wet- en regelgeving) op het beleidsonderwerp asbest». Daarbij wordt inzet geleverd voor het beheer en verdere ontwikkeling van het Landelijk Asbestvolgsysteem (LAVS). Daarnaast wordt een bijdrage aan de NVWA verstrekt inzake toezicht op gebruik van gewasbe­schermingsmiddelen buiten de landbouw.

Daarnaast betreft dit de bijdrage aan RIVM voor de uitvoering van opdrachten op het gebied van Veiligheid Stoffen, Gezonde Leefomgeving en Onderzoek Beleid Nucleair. Hierbij wordt onderzoek gedaan naar onder andere nationaal en internationaal stoffenbeleid, biociden en gewasbeschermingsmiddelen en straling in de leefomgeving.

Bijdrage ZBO's/RWT's

Dit betreft de bijdrage aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) voor de uitvoering van het werkprogramma.

2 Veiligheid biotechnologie

Opdrachten

Het gaat hier met name om een meerjarig onderzoeksprogramma Biotechnologie en Veiligheid aan NWO-TTW. Een klein deel van het onderzoeksprogramma van in totaal € 10,0 mln. wordt in 2023 afgewikkeld.

Bijdragen aan agentschappen

Ter uitvoering van de wettelijke taak wordt jaarlijks een bijdrage verstrekt aan de Commissie Genetische Modificatie (COGEM) voor het maken van beoordelingen inzake risico’s verbonden aan werkzaamheden met genetisch gemodificeerde organismen en het adviseren over maatregelen risicobeheersing en monitoring die bij de uitvoering van werkzaamheden met GGO's kunnen worden toegepast.

Daarnaast betreft dit de bijdrage aan RIVM voor uitvoering van opdrachten op het gebied van Veiligheid Biotechnologie. Hierbij wordt uitvoering gegeven aan wettelijke taken ten aanzien van biotechnologie. Hiervoor zijn de opdrachtverlening en de bijbehorende budgetten aan het RIVM van een centraal budget terug verdeeld aan de betrokken beleidsdirecties.

3 Veiligheid bedrijven en transport

Opdrachten

Omgevingsveiligheid

Het betreft hier uitgaven in het kader van de Meerjarenagenda Versterking Omgevingsveiligheid (2021-2024) voor de clusters Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo), Publicatiereeks Gevaarlijke stoffen (PGS), Informatie / Kennisinfrastructuur, modernisering Omgevingsveiligheid, nieuwe ontwik-kelingen en prioriteiten Rijksomgevingsveiligheidsbeleid. Door middel van een programmatische aanpak wordt ingezet op het creëren van een veiligere leefomgeving. Het geheel wordt uitgevoerd onder de governance afspraken gemaakt in het Bestuurlijk Omgevingsberaad (BOb).

Voor de periode 2021 tot en met 2024 zijn de middelen ten behoeve van lokaal omgevingsveiligheidsbeleid toegevoegd aan het gemeente- en provinciefonds en daarmee opgenomen in de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Bij deze middelen is er afwegingsruimte voor provincies en gemeenten als het gaat om de concrete inzet van de middelen. Er is sprake van beleids- en bestedingsvrijheid met lokale verantwoording.

Overige opdrachten

Het betreft hier opdrachten voor (wettelijke) taken in het kader van Brzo- bedrijven, vuurwerk, de monitoring van basisnetten (weg, water, spoor), veiligheid energietransitie, modellenbeheer buisleidingen (Bevb), onderhouden Activiteitenbesluit voor het realiseren vermindering regeldruk bedrijven en de stelselontwikkeling en het beheer van standaarden voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Daarnaast worden opdrachten verstrekt voor onderzoek en implementatie van risicoreductiemaatregelen alsmede de ondersteuning en begeleiding van het verwijderen van asbestdaken.

Subsidies

Subsidies inrichtingen en transport

Het betreft hier de uitgaven in het kader van de Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid chemische sector, die door de RVO wordt uitgevoerd. Jaarlijks wordt in de Staatscourant het beschikbare jaarbudget gepubliceerd. Als onderdeel van de uitvoeringsagenda Brzo kunnen ook subsidies worden toegekend onder de noemer «Safety Deals». De Safety Deals zijn complementair aan de maatregelen die versterking van toezicht en handhaving tot doel hebben. Het gaat hier om het creëren van een duurzame veiligheidscultuur bij onder meer de bedrijfsprocessen binnen de chemiesector.

Subsidies asbest

Er is een (meerjarige) subsidie aan het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse Gemeenten (SVn) verstrekt ten behoeve van het instellen van een asbestfonds voor particulieren.

Overige subsidies

De overige subsidies hebben voornamelijk betrekking op incidentele subsidies aan organisaties die een bijdrage leveren aan het versterken van omgevingsveiligheid bijvoorbeeld rond de veiligheid van vuurwerk, en implementatie van de Omgevingswet. Daarnaast valt onder de overige subsidies de subsidie aan Veiligheid NL.

In de tabel Budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel is een bedrag van € 0.2 miljoen aan subsidieverplichtingen voor eht jaar 2023 opgenomen. Dit bedrag heeft betrekking op de mogelijke verlening van een subsidie voor het doen van onderzoek naar vuurwerkletsel, -aankoop en -gebruik en het geven van voorlichting via het lespakket voor op basisscholen aan Veiligheid NL. Deze begrotingsvermelding vormt de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening(en) als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van InfoMil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving) op de beleidsonderwerpen ‘kennisoverdracht omgevingsveiligheid’ en ‘vergunningverlening’. Daarnaast vinden hier uitgaven plaats voor werkzaamheden van de Dienst Verkeer en Scheepvaart van RWS in het kader van basisnetten en vervoer gevaarlijke stoffen. Tevens betreft het hier de bijdrage aan RVO voor de uitvoeringskosten voor onder andere de subsidieregelingen omtrent vuurwerk en de bijdrage aan RIVM omtrent vervoer gevaarlijke stoffen, veiligheid bedrijven, biotechnologie en stoffen, gezonde leefomgeving en onderzoek nucleair beleid.

Bijdragen aan medeoverheden

Dit betreft een bijdrage voor de herontwikkeling van het terrein van de bestaande olieterminal Hato op Bonaire. Het doel is om door middel van nieuwbouw de governance, leveringszekerheid en veiligheid van de bestaande brandstofinfrastructuur op Bonaire te verbeteren. Het project ¨transitie Hato¨ maakt onderdeel uit van een grotere samenwerkings-project tussen het OLB en de ministeries BZK, EZK en IenW.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten hebben betrekking op het honoreren van incidentele aanvragen in het kader van de Regeling tegemoetkoming niet-loondienst gerelateerde slachtoffers van mesothelioom en asbestose (TNS). Deze regeling is bedoeld voor iedereen die de ziekte van maligne mesothelioom of asbestose heeft als gevolg van contact met asbest buiten de werksituatie.

3.11 Artikel 23 Meteorologie, Seismologie en Aardobservatie

A. Algemene doelstelling

Het KNMI adviseert en waarschuwt de samenleving om risico’s met een atmosferische of seismische oorsprong terug te dringen. Het KNMI ontwikkelt daartoe hoogwaardige kennis, verricht waarnemingen, zet deze om in producten en diensten die de veiligheidsrisico’s verminderen, bijdragen aan een duurzame samenleving en economische mogelijkheden bevorderen.

Tabel 81 Samenvatting budgettaire gevolgen van beleid art. 23 per subthema (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

62.349

67.289

70.402

59.176

49.919

49.366

51.131

        

Uitgaven

63.434

68.229

69.462

60.666

49.529

50.856

50.741

        

Uitgaven onderverdeeld per subthema

       

1 Meteorologie en seismologie

46.387

47.641

47.575

46.637

41.452

40.767

39.711

2 Aardobservatie

17.047

20.588

21.887

14.029

8.077

10.089

11.030

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

B. Rol en verantwoordelijkheid

Financieren

De minister is verantwoordelijk voor het faciliteren van een internationaal systeem van organisaties waarin Nederland vertegenwoordigd wordt door het KNMI. Dit doet zij door haar rol van financier in de vorm van bijdragen en contributies. Met name te noemen zijn EUMETSAT13, ECMWF14 en WMO15.

(Doen) Uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet taken meteorologie en seismologie (Wtms). De Minister heeft deze taken belegd bij het agentschap KNMI. De rol ‘(doen) uitvoeren’ heeft betrekking op de volgende taken:

  • het kosteloos verstrekken van algemene weerberichten omtrent de toestand van het huidige weer en het te verwachten weer;

  • waarschuwingen aan het algemeen publiek bij verwacht of werkelijk gevaarlijk of maatschappij-ontwrichtend weer of waarschuwingen bij calamiteiten waarbij het weer een belangrijke rol speelt;

  • het onverwijld informeren van het algemeen publiek bij een significante bodembeweging door geofysische bronnen of vulkanische activiteit;

  • het kosteloos ondersteunen van bestuursorganen in gedefinieerde gevallen.

  • het voortbrengen of verzamelen van meteorologische, seismologische en andere geofysische gegevens in het kader van de uitvoering van de taken zoals opgenomen in de Wet taken meteorologie en seismologie;

  • het beheer en onderhoud van de voor de uitvoering van zijn taken noodzakelijke technische infrastructuur;

  • het overeenkomstig ministeriële regeling desgevraagd ondersteunen van bestuursorganen, de rechterlijke organisatie, overheidsbedrijven of openbare lichamen op het terrein van meteorologie, seismologie of andere geofysische terreinen bij de uitvoering van aan hen bij of krachtens wet opgedragen taken;

  • onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling met betrekking tot meteorologie, seismologie en andere geofysische terreinen;

  • meteorologische, seismologische en andere geofysische gegevens of het onderzoek, bedoeld in onderdeel h, op verzoek van internationale organisaties voortbrengen, verzamelen of beschikbaar stellen;

  • het voor hergebruik als bedoeld in de Wet hergebruik van overheidsinformatie, zonder dat daartoe een verzoek is gedaan op grond van die wet, beschikbaar stellen van meteorologische, seismologische en andere geofysische gegevens of onderzoeksresultaten, of de opzet daarvan, voor zover intellectuele eigendomsrechten van anderen dat niet beperken, waarbij er op basis van een overeenkomst aanvullende dienstverlening kan worden verleend;

  • internationale samenwerking op het gebied van meteorologie en seismologie en andere geofysische terreinen; en

  • het verlenen van meteorologische diensten voor de luchtvaartnavigatie.

De Minister van Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor het Kernstopverdrag en de minister van Economische Zaken en Klimaat is verantwoordelijk voor het kader van de Mijnbouwwet.

Indicatoren en Kengetallen

Naar aanleiding van de beleidsdoorlichting in 2019 van artikel 23 zijn de beleidsindicatoren op het artikel herzien. Het jaar 2021 (rapportagejaar 2020) gold als pilotjaar. Vanaf 2022 (rapportagejaar 2021) rapporteert het KNMI op basis van deze nieuwe indicatoren. Hiernaast zijn in de agentschapsparagraaf van het KNMI de doelmatigheidsindicatoren opgenomen.

Tabel 82 Indicatoren Meteorologie, Seismologie en aardobservatie

Indicator

Streefwaarde/norm

1. Algemene klanttevredenheid:

 

a.     Rapportcijfer voor kwaliteit van ontvangen producten/diensten

Overall cijfer ≥ 7,0

b.    Rapportcijfer voor communicatie over producten/diensten.

Overall cijfer ≥ 7,0

2. Weer *:1

 

a.   Beschikbaarheid en frequentie van de dagelijkse weersverwachtingen.

Max. 1 x per jaar >8 uur oud

b.   Waarschuwingen code oranje/rood:

 

i.   Het % uitgegeven codes oranje waarbij de bijbehorende meteorologische criteria daadwerkelijk zijn gehaald.

≥ 60%

ii.   Het aantal gemiste waarschuwingen voor code oranje als percentage van het totaal aantal weersituaties die voldeden aan criteria voor code oranje

≤ 15%

iii.   Het percentage van het algemeen publiek dat het weeralarm (code rood) als passend heeft ervaren.

≥ 70%

c.   % van het algemeen publiek dat wordt bereikt met weerwaarschuwingen.2

≥ 80%

d.   % van het algemeen publiek dat gedrag aanpast na een weerwaarschuwing (code oranje of rood).3

≥ 65%

3. Klimaat:

 

a.     Beschikbaarheid klimaatbericht KNMI.4

Gemiddeld 1x per week

b.    Klanttevredenheid (rapportcijfer) onder gebruikers klimaatproducten KNMI (zie verder punt 1).

Overall cijfer ≥ 7,0

4. Seismologie:

 

a.     Publicatie bevingen in Nederland met magnitude ≥ 4,5

≥ 98%

b.    Publicatie bevingen in Groningen met magnitude ≥ 2

≥ 98%

c.     Percentage burgers dat KNMI op seismologisch gebied als betrouwbaar beschouwt, te onderzoeken via het imago onderzoek (zie verder punt 2c).

≥ 75%

d.    Klanttevredenheid (rapportcijfer) onder gebruikers seismologische producten KNMI

Overall cijfer ≥ 7,0

5. Data beschikbaarheid:

 

a.     Beschikbaarheid van en data m.b.t weer en klimaat

≥ 98,5%

b.    Beschikbaarheid van data m.b.t. seismologie *

≥ 80%

6. Luchtvaart meteorologische dienstverlening:

 

a.     Rapportcijfer voor kwaliteit van ontvangen producten/diensten (zie verder punt 1).

Overall cijfer ≥ 7,0

b.    Rapportcijfer voor communicatie over producten/diensten (zie verder punt 1).

Overall cijfer ≥ 7,0

7. Wetenschappelijk onderzoek

 

a.     Aantal wetenschappelijke publicaties

≥ 65 per jaar

X Noot
1

In het jaarlijkse imago-onderzoek wordt onderzocht in hoeverre waarschuwingen burgers bereiken en leiden tot gedragsaanpassing.

X Noot
2

Conform Regeling taken meteorologie en seismologie (Rtms).

X Noot
3

Conform Rtms. Het uitgebreidere seismologische meetnetwerk in Groningen stelt het KNMI in staat om voor dit gebied ook alle bevingen met een magnitude van 1,5 procent of hoger waar te nemen.

X Noot
4

Wetenschappelijk onderzoek is geen kwantitatief doel op zich, maar ondersteunend aan de taken en de beleidsdoelstelling van het KNMI. Een minimum aantal peer reviewed publicaties is een indicator van de wetenschappelijke toets die het KNMI werk heeft doorstaan.

Toelichting

Ad. 1. Algemene Klanttevredenheid. Deze indicator is een maatstaf voor de kwaliteit van dienstverlening van het KNMI aan haar directe afnemers. Dit volgt uit het klantbelevingsonderzoek dat ieder jaar wordt afgenomen onder (professionele) gebruikers van KNMI producten en data. Bij klanttevredenheid wordt zowel gekeken naar productinhoudelijke als communicatieve aspecten.

Ad. 2. Weer. Weerwaarschuwingen worden uitgegeven op basis van de weersomstandigheden en zijn daarom niet genormeerd in aantal. Over het weer brengt het KNMI actuele verwachtingen uit. Belangrijk is dat er ten hoogste 8 uur tussen twee opeenvolgende weerberichten zit. Daarom geldt een indicator van max. 1 x per jaar >8 uur oud, voor dagelijkse weerverwachtingen. De uitgegeven weerwaarschuwingen code oranje en rood worden jaarlijks geëvalueerd, door achteraf de daadwerkelijk opgetreden weersituatie te beschouwen. Daarbij speelt onzekerheid altijd een rol. Er wordt ook geëvalueerd of er weersituaties opgetreden zijn waarvoor waarschuwingen zijn gemist. Met gerichte peilingen wordt nagegaan welk percentage van het algemeen publiek het weeralarm als passend heeft ervaren. Ook wordt gepeild in hoeverre waarschuwingen burgers bereiken en hoeverre deze leiden tot gedragsaanpassing.

Ad. 3. Klimaat. Het KNMI informeert het algemeen publiek wekelijks ten aanzien van het klimaat met een klimaatbericht. De klanttevredenheid van de gebruikers van klimaat-gerelateerde producten wordt gemeten bij het klantbelevingsonderzoek.

Ad. 4. Seismologie. Voor seismologie informeert het KNMI het algemeen publiek over elke beving in Nederland met een magnitude van 3,0 of hoger (wettelijk verplicht is 4,5). Het uitgebreidere seismologische meetnetwerk in Groningen stelt het KNMI in staat om voor dit gebied ook alle bevingen met een magnitude van 1,5 of hoger (wettelijk verplicht is 2,0) waar te nemen en het publiek te informeren. Er wordt gerapporteerd op basis van de wettelijke norm. Ten aanzien van de kwaliteit van dienstverlening en berichtgeving wordt gekeken naar de geloofwaardigheid onder burgers (imago-onderzoek) en de klanttevredenheid van de professionele gebruikers van seismologische data (klantbelevingsonderzoek).

Ad. 5. Data beschikbaarheid. Het KNMI streeft naar een beschikbaarheid van data voor weer en klimaat, van 98,5% over het hele jaar. De beschikbaarheid van seismologische data moet voldoende zijn om het publiek volledig en onverwijld te informeren over bevingen. Het meetnetwerk is ontworpen naar gelang de magnitude die minimaal moet worden gemeten en dat is niet voor heel Nederland hetzelfde. Daarnaast geldt dat door de redundantie in het meetnetwerk, de hoeveelheid data groot is en ook bij het uitvallen van één of meer onderdelen van het meetnetwerk alle aardbevingen worden geregistreerd. Dit is vertaald naar een indicator die de minimale gemiddelde beschikbaarheid van bruikbare data uit alle instrumenten in het veld weergeeft.

Ad. 6. Luchtvaart-meteorologische dienstverlening. Luchtvaart-meteorologische dienstverlening is een aparte categorie wettelijke taken van het KNMI. Daarom wordt de klanttevredenheid van de luchtvaartsector apart als indicator er uitgelicht.

Ad. 7. Wetenschappelijk onderzoek Wetenschappelijk onderzoek is geen kwantitatief doel op zich, maar ondersteunend aan de taken en de beleidsdoelstelling van het KNMI. Een minimum aantal peer reviewed publicaties is een indicator van de wetenschappelijke toets die het KNMI werk heeft doorstaan.

C. Beleidswijzigingen

MSP2025

Het KNMI werkt aan de ambities uit het Meerjarig Strategisch Plan (MSP2025). Centraal staat de ontwikkeling van het Early Warning Centre met als doel om verwachtingen en waarschuwingen beter en betrouwbaarder te maken, gericht op onze afnemers. Zo wordt het mogelijk om specifieke kansverwachtingsinformatie uit weermodeluitvoer te genereren en om geautomatiseerde waarschuwingen voor afzonderlijke buien te geven. In 2023 wordt bekeken hoe dit onderdeel gemaakt kan worden van het operationele proces.

ICT- en meetinfrastructuur

Een gemoderniseerde ICT- en meetinfrastructuur vormen belangrijke randvoorwaarden voor het Early Warning Centre. In 2023 worden deze verder verbeterd, zoals met de mogelijkheid om eenvoudig modules toe te voegen, zoals voor space weather (uitbarstingen van deeltjesstromen van de zon). Met een bijdrage uit het fonds voor wetenschap en onderzoek zal vanaf 2023 de Europese samenwerking aan onderzoek en innovatie op de werkterreinen van het KNMI een impuls krijgen.

Cyber

Aandacht blijft nodig voor cyber-veiligheid en het vernieuwen en vervangen van verouderde software. Modernisering van de waarneeminfrastructuur is in volle gang. In 2023 vinden naar verwachting de eerste installaties op productielocaties op land plaats. Ook wordt in 2023 de High Performance Computer op IJsland in gebruik genomen door het KNMI in samenwerking met de weerdiensten van Denemarken, IJsland en Ierland.

KNMI'23-klimaatscenario's

Medio 2023 verschijnen de KNMI'23-klimaatscenario's, deze vervangen de KNMI'14-klimaatscenario's. De klimaatscenario's zijn te zien als een vertaling van de mondiale IPCC-scenario's naar Nederland. Snelle klimaatattributie van extreme weersituaties wordt mogelijk in de dienstverlening van het Early Warning Centre. De evaluatie van de Wet Taken Meteorologie en Seismologie zal mogelijk tot beleidswijzigingen leiden, die in 2023 zijn beslag zullen krijgen.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 83 Budgettaire gevolgen van beleid art. 23 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

62.349

67.289

70.402

59.176

49.919

49.366

51.131

        

Uitgaven

63.434

68.229

69.462

60.666

49.529

50.856

50.741

        

1 Meteorologie en seismologie

46.387

47.641

47.575

46.637

41.452

40.767

39.711

Bijdragen aan agentschappen

41.136

43.649

43.485

42.550

37.365

37.380

36.324

Waarvan bijdrage aan agentschap KNMI

41.136

43.649

43.485

42.550

37.365

37.380

36.324

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

5.251

3.992

4.090

4.087

4.087

3.387

3.387

Contributie ECMWF (HGIS)

4.408

3.052

3.150

3.147

3.147

2.447

2.447

Overige Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

843

940

940

940

940

940

940

        

2 Aardobservatie

17.047

20.588

21.887

14.029

8.077

10.089

11.030

Bijdragen aan agentschappen

17.047

20.588

21.887

14.029

8.077

10.089

11.030

Waarvan bijdrage aan KNMI

17.047

20.588

21.887

14.029

8.077

10.089

11.030

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Onderstaand is in lijn met de voorschriften uit de regeling Rijksbegrotingsvoorschriften een kwalitatieve toelichting voor de juridisch verplichte uitgaven opgenomen. Zie voor een nadere toelichting de ‘wijzigingen RBV 2022’ zoals opgenomen in de leeswijzer.

Tabel 84 Budgetflexibiliteit
 

2023

juridisch verplicht

100%

bestuurlijk gebonden

0%

beleidsmatig gereserveerd

0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Toelichting

Van het totale budget voor artikel 23 is voor 2023 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan agentschappen

Het beschikbare budget in 2023 is voor 100% juridisch verplicht. Dit betreft de uitgaven voor het agentschap KNMI. De bijdrage heeft een structureel karakter.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

De bijdragen aan de internationale organisaties zijn 100% juridisch verplicht. De bijdragen zijn bestemd voor structurele jaarlijkse contributies aan de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) en het European Centre for Medium-Range Weather Forecasts (ECMWF).

E. Toelichting op de financiële instrumenten

1 Meteorologie en seismologie

Bijdrage aan agentschappen

KNMI Meteorologie

  • Reguliere uitgifte van een algemeen weerbericht en van waarschuwingen voor gevaarlijk weer (code geel, code oranje en weeralarm);

  • Ter beschikkingstelling van de meteorologische basisdata van het nationale meteorologische meetnet en de nationale meteorologische modelinfrastructuur, op basis van een open databeleid;

  • Ter beschikkingstelling van data, informatie en kennis over het huidige klimaat;

  • Het leveren van projecties over het toekomstige klimaat (klimaatscenario’s);

  • Verrichten van strategisch en toegepast onderzoek en het geven van beleidsadviezen op het gebied van de meteorologie;

  • Internationale vertegenwoordigingen op het gebied van de meteorologie (met name WMO, EUMETSAT en ECMWF);

  • Beantwoorden van vragen vanuit de maatschappij over weer en klimaat.

KNMI Seismologie

  • Continue monitoring van natuurlijke en geïnduceerde seismiciteit in Nederland;

  • Verrichten van strategisch en toegepast onderzoek en het geven van beleidsadviezen op het gebied van de seismologie;

  • Beantwoorden van vragen vanuit de maatschappij op het gebied van aardbevingen en tsunami’s;

  • Verrichten van waarnemingen en onderzoek ten behoeve van het Nationaal Data Centre (NDC) voor de CBTBO.

KNMI Caribisch Nederland

  • Reguliere uitgifte van een algemeen weerbericht en van waarschuwingen voor gevaarlijk weer

  • Dienstverlening voor de luchtvaart voor luchthaven Flamingo Airport (Bonaire International Airport)

  • Ter beschikkingstelling van de meteorologische basisdata van het nationale meteorologische meetnet en de nationale meteorologische modelinfrastructuur, op basis van een open databeleid;

  • Ter beschikkingstelling van data, informatie en kennis over het huidige klimaat;

  • Het leveren van projecties over het toekomstige klimaat (klimaatscenario’s);

  • Verrichten van strategisch en toegepast onderzoek op het gebied van de meteorologie;

  • Internationale vertegenwoordigingen op het gebied van de meteorologie (met name WMO, EUMETSAT en ECMWF);

  • Beantwoorden van vragen vanuit de maatschappij over weer en klimaat;

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

De beschikbare middelen worden gebruikt om de Nederlandse contributies aan de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) en het European Centre for Medium-Range Weather Forecasts (ECMWF) te voldoen. Deelname aan de activiteiten van de WMO en het ECMWF wordt gefinancierd uit HGIS.

WMO

De WMO is de overkoepelende gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties op het gebied van weer, klimaat en water. De WMO is van groot belang voor internationale samenwerking op meteorologisch gebied, de uitwisseling van meteorologische gegevens en producten en het bevorderen van wetenschappelijk onderzoek op het gebied van weer en klimaat.

ECMWF

Het Europees Centrum voor Weersverwachtingen op de Middellange Termijn (ECMWF), gevestigd in Reading, UK, is een intergouvernementele organisatie van 22 Europese lidstaten, waaronder Nederland. Het ECMWF ontwikkelt en onderhoudt numerieke globale weermodellen voor middellange en lange termijn weersverwachtingen. De operationele numerieke weersverwachtingen van het ECMWF worden 24/7 verspreid aan afnemers binnen de lidstaten. Ook stelt het ECMWF computer rekencapaciteit beschikbaar aan de lidstaten. Vanwege de Brexit is besloten om het Copernicus-gedeelte van het ECMWF naar Bonn te verplaatsen.

2 Aardobservatie

Bijdrage aan agentschappen

Het verzorgen van de waarnemingen vanuit polaire en geostationaire weersatellieten wordt in Europees verband uitgevoerd door EUMETSAT, een intergouvernementele organisatie van 30 lidstaten. Deze operationele satellieten leveren informatie die onontbeerlijk is voor het monitoren van weer en klimaat. Het KNMI vertegenwoordigt Nederland bij EUMETSAT. Het budget van EUMETSAT en daarmee ook de contributie aan EUMETSAT wordt jaarlijks in de EUMETSAT-Council vastgesteld.

De begroting volgt in grote lijnen de begroting van EUMETSAT. Deze begroting kende in de periode 2018-2022 een piek door het samenvallen van een aantal programma’s. Vanaf 2023 wordt de begroting van EUMETSAT lager waardoor ook de hier begrote bedragen lager zijn. Echter, de contributies van lidstaten aan EUMETSAT zijn mede afhankelijk van de kosten voor de ontwikkeling van de nieuwe generatie satellieten. Dergelijke programma’s kunnen soms vertraagd worden, zoals door een technisch probleem bij de ontwikkeling. Dit leidt tot een verschuiving van kosten naar latere jaren en soms ook een reductie van de contributie in het daaropvolgende jaar.

3.12 Artikel 24 Inspectie Leefomgeving en Transport

A. Algemene doelstelling

De Inspectie Leefomgeving en Transport werkt aan veiligheid, vertrouwen en duurzaamheid in transport, infrastructuur, milieu en wonen.

Tabel 85 Samenvatting budgettaire gevolgen van beleid art. 24 per subthema (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

151.220

183.403

203.598

203.536

204.138

202.311

200.369

        

Uitgaven

151.220

183.403

203.598

203.536

204.138

202.311

200.369

        

Uitgaven onderverdeeld per subthema

       

1 Personele uitgaven

151.220

155.242

170.735

170.465

170.738

169.458

197.224

2 Materiële uitgaven

0

28.161

32.863

33.071

33.400

32.853

3.145

        

Ontvangsten

0

24.700

24.700

24.700

24.700

24.700

24.700

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving in het transport en de leefomgeving. De Minister heeft een nationale coördinatie- c.q. verantwoordingsverplichting richting de EU ten aanzien van internationale milieuregelgeving. Binnen het departement is de uitvoering van de handhaving en het toezicht opgedragen aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Naast de activiteiten die de inspectie voor het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat uitvoert, worden ook taken verricht voor andere ministeries. De Minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van de wettelijke taken van de ILT. Deze wettelijke taken hebben betrekking op:

  • Vergunningverlening;

  • Toezicht;

  • Opsporing;

  • Dienstverlening: afhandeling van vragen en meldingen;

  • Incidentafhandeling;

  • Onderzoek.

De (inter)nationale wet- en regelgeving op het gebied van luchtvaart, scheepvaart, rail- en wegtransport en milieu vormt de basis voor het handelen van de ILT. Een uitgebreidere beschrijving van de activiteiten die de ILT verricht is te vinden in het Meerjarenplan 2023–2027 (MJP) dat in het najaar van 2023 aan de Tweede Kamer wordt verzonden. In dit meerjarenplan wordt de Tweede Kamer ook verder geïnformeerd over het toezicht op de woningcorporaties van de Autoriteit woningcorporaties. De ILT zet haar schaarse capaciteit selectief in op de terreinen waar de maatschappelijke risico’s het grootst zijn en waar het handelen van de ILT het meeste effect kan sorteren. Een belangrijke pijler voor deze afweging is de ILT-Brede Risicoanalyse (IBRA). Deze wordt tegelijk met het MJP aangeboden aan de Tweede Kamer. Deze ontwikkelde methode helpt de ILT om ordelijk te kiezen, op basis van maatschappelijke schade, aan welke taken zij prioriteit geeft en aan welke niet. De grootste maatschappelijke risico’s worden door de ILT programmatisch aangepakt, met telkens de meest kansrijke combinatie van disciplines, specialisten en instrumenten. Daarbij worden instrumenten ingezet van gerichte nalevingscommunicatie tot opsporing.

De basis voor de ILT- werkwijze is:

  • a. informatiegestuurd (data) werken en transparant over resultaten;

  • b. selectieve en effectieve inzet gebaseerd op de hiervoor genoemde risico-analyse;

  • c. invulling geven aan reflectieve en signalerende functie;

  • d. optimale dienst-(vergunning)verlening en verbetering kostendekkendheid.

C. Beleidswijzigingen

In het coalitieakkoord zijn middelen uitgetrokken voor de vorming van de Luchtvaartautoriteit. Doel is om te komen tot betere luchtvaartveiligheid, leefbaarheid en om de naleving van de internationale wet- en regelgeving te versterken. Het gaat daarbij om toezicht, vergunningverlening en versterking van de expertise in de organisatie. De ILT ontvangt daarvoor vanaf 2023 € 8,5 mln. per jaar structureel. Daarnaast wordt ook geïntensiveerd bij de Inlichtingen- en Opsporingsdienst (IOD) van de ILT om een betere grip te krijgen op milieucriminaliteit. Hiervoor is in 2022 € 2 mln. vrijgemaakt, oplopend naar € 6 mln. per jaar structureel vanaf 2024.

Naast deze nieuwe activiteiten uit het coalitieakkoord heeft de ILT vanaf 2023 een aantal nieuwe taken, waaronder het vervolg van de Board Computer Taxi, de voorbereidingen voor vergunning verlening en toezicht voor de Wet ter bescherming koopvaardij, toezicht cybersecurity en intensivering van het toezicht op het terrein bodem.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 86 Budgettaire gevolgen van beleid art. 24 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

151.220

183.403

203.598

203.536

204.138

202.311

200.369

        

Uitgaven

151.220

183.403

203.598

203.536

204.138

202.311

200.369

        

1 Personele uitgaven

151.220

155.242

170.735

170.465

170.738

169.458

197.224

Waarvan eigen personeel

0

134.244

149.455

153.188

153.632

153.641

143.378

Waarvan inhuur externen

0

20.789

20.755

16.665

16.411

15.211

53.721

Waarvan overige personele uitgaven

151.220

209

525

612

695

606

125

        

2 Materiële uitgaven

0

28.161

32.863

33.071

33.400

32.853

3.145

Waarvan ICT

0

2.441

2.679

221

221

221

113

Waarvan bijdragen SSO's

0

8.492

12.652

11.777

12.468

12.163

0

Waarvan overige materiële uitgaven

0

17.228

17.532

21.073

20.711

20.469

3.032

        

Ontvangsten

0

24.700

24.700

24.700

24.700

24.700

24.700

Budgetflexibiliteit

Onderstaand is in lijn met de voorschriften uit de regeling Rijksbegrotingsvoorschriften een kwalitatieve toelichting voor de juridisch verplichte uitgaven opgenomen. Zie voor een nadere toelichting de ‘wijzigingen RBV 2022’ zoals opgenomen in de leeswijzer.

Tabel 87 Bugetflexibiliteit
 

2023

juridisch verplicht

96%

bestuurlijk gebonden

4%

beleidsmatig gereserveerd

0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Toelichting

Van het totale budget voor artikel 24 is voor 2023 96% juridisch verplicht.

Het budget voor de ILT is volledig apparaatbudget en op basis van de huidige inzichten in formatie en bezetting wordt dit deel juridisch verplicht verondersteld. Het meerjarenprogramma van de ILT laat zien dat het volledige apparaatsbudget noodzakelijk is om dit uit te voeren dus het restant van 4% wordt gezien als beleidsmatig gereserveerd.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

De activiteiten die de ILT uitvoert zijn toe te wijzen aan de wettelijke taken van de ILT. In het MJP 2023-2027 staat uitgebreider beschreven welke taken worden uitgevoerd en de bijbehorende informatie ten aanzien van programma’s, vergunningverlening en toezicht. Vanaf 2023 zet de ILT structureel meer capaciteit in op een groot aantal taken.

De ILT zet haar middelen,die bestaan uit personele- en materiële kosten, in op de taken met de grootste maatschappelijke risico’s, zoals die met behulp van de ILT-Brede Risicoanalyse (IBRA) zijn berekend. De maatschappelijke vraagstukken vereisen steeds vaker een integrale in plaats van sectorale benadering waarbij ook rekening is gehouden met de technologische ontwikkelingen. De grootste maatschappelijke risico’s worden als eerste programmatisch opgepakt. Deze aanpak vraagt om samenwerking met andere inspecties op basis van een gedegen informatiepositie, een efficiënte inzet van multidisciplinaire teams en de juiste middelen, gericht op het grootste maatschappelijke effect. Op basis van IBRA, de wettelijke verplichtingen, de beleidsinzet en het beeld van verwachte toekomstige risico’s breidt de ILT haar programmatische aanpak steeds verder uit. Hieronder de drie belangrijkste pijlers van de ILT: 1. toezicht en handhaving, 2. opsporing en 3. dienstverlening en vergunningverlening.

1. Toezicht en handhaving

Hierna volgt een overzicht van 17 grotere onderwerpen waaraan de ILT de komende jaren aandacht besteedt. Het betreft soms een cluster van (deel)onderwerpen (bijvoorbeeld luchtvaart), regelgeving (zoals vracht­wagen­heffing), of rol (Wabo-advies en inter­bestuurlijk toezicht). Voor een aantal onderwerpen uit de lijst geldt, dat ze niet via een programma worden opgepakt, maar als onderdeel van het reguliere toezicht.

Afval

De ILT werkt aan de bevordering van de juiste verwerking van afval om schade aan mens en milieu te voorkomen of beperken. De komende jaren zoekt de ILT nadrukkelijk aansluiting bij de transitieagenda's voor een circulaire economie die voor een aantal sectoren zijn opgesteld. Daarnaast zet in de ILT in op het voorkomen van weg­lekken van waardevolle grondstoffen uit Nederland en de Europese Unie en op het sluiten van de keten, zodat gerecyclede materialen hoogwaardig en veilig – zonder aanwezigheid van zeer zorgwekkende stoffen – kunnen worden toegepast en afvalstoffen juist worden verwerkt

Bodem- en grondwaterkwaliteit

Op het terrein van bodem, grond- en oppervlaktewater werkt de ILT aan een goede kwaliteit van de bodem en veilig grond- en oppervlaktewater. Het gaat primair om veilig en duurzaam (her)gebruik van grond en bouw­stoffen, en veilig gebruik van oppervlaktewater. De focus van het bodemtoezicht richt zich op het voorkomen van risicovolle en ongewenste gebeurtenissen op het gebied van het (weg)mengen van verontreinigingen in de ketens van grondverzet en toepassing van bouwstoffen. Bij de watertaken van de ILT gaat de focus uit naar actualisering van verleende vergunningen voor lozingen op oppervlaktewater, waarbij opkomende stoffen speciale aandacht krijgen.

REACH en biociden

De ILT werkt aan het beperken van de risico's van chemische stoffen voor de gezondheid, het milieu en de veiligheid. REACH staat voor: Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van Chemische stoffen. Hierbij gaat het om (risico's bij) productie, handel, gebruik en misbruik van industriële chemicaliën, biociden en explosieve stoffen en precursoren. Het toezicht richt zich de komende jaren op de sturing op (blootstellings)risico's van gevaarlijke chemische stoffen in de keten door meer (internationale) samenwerking, benutten signalen en uitbreiden kennis, REACH toezicht en het versterken van de eigen verantwoordelijkheid van de sector.

Uitstoot OAF en F-gassen

De ILT wil een bijdrage leveren aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en de afbraak van de ozonlaag. Daarvoor wordt ingezet op het terug­dringen van de illegale handel in en de emissies van deze stoffen. Er wordt daarbij intensief samengewerkt met de Omgevingsdiensten.

Taxi- en busvervoer

De ILT zet zich in voor veilig, eerlijk en duurzaam weg­transport. Ongelukken in wegtransport kunnen ontstaan door oververmoeidheid van chauffeurs, gebrekkige opleiding van chauffeurs, technische gebreken aan voertuigen of overbelading. Het niet-naleven van regels voor arbeids- en rusttijden, belading of cabotage leidt tot oneerlijke concurrentieverhoudingen tussen trans­porteurs. Bovendien kan het niet naleven van de regels schade veroorzaken aan weggennet en luchtkwaliteit. De ILT zet in op versterking van het informatiegestuurd en risicogericht toezicht in het wegtransport. De komende jaren zet de ILT onder meer in op digitaal toezicht op de tachograaf (manipulatie), technische eisen aan de vrachtwagen en over­belading, gestelde eisen aan chauffeurs en emissie eisen. Verder wordt onderzocht in welke mate manipulatie van AdBlue-systemen in vrachtwagens aangepakt kan worden, om zo een bijdrage te leveren aan de vermindering van stikstofdepositie.

Markttoezicht op producten

Het markttoezicht dat de ILT uitvoert op producten kent meerdere doelen: de veiligheid en gezondheid van mensen, duurzaamheid van de leefomgeving en een gelijk speelveld ('level playing field') voor bedrijven. De basis voor dit toezicht ligt in Europese verordeningen en richtlijnen, geldt dus voor alle lidstaten en wordt op gelijke wijze toegepast. Een belangrijk kenmerk van het toezicht op producten is dat dit toezicht in eerste instantie privaat is geregeld. Voor de productie gelden vaak private toezichtsvormen en producten worden pas op de markt toegelaten als zij een privaat certificaat hebben. De rol en positie van de publieke toezichthouder(s) is vooral het bekijken (monitoren) of het systeem naar behoren functioneert en signalen af te geven wanneer dit niet het geval is.

Emissies

Het toezicht op emissies van diverse transport­modaliteiten is primair gericht op duurzaamheid. Het gaat om het voorkomen van schade aan het milieu door de te grote uitstoot van schadelijke stoffen – in het bijzonder zwavel (SO2), stikstof (NOx) en broeikasgas (CO2) – te verminderen. In het verlengde hiervan gaat het om het voorkomen van gezondheidsschade bij mensen door de uitstoot van schadelijke stoffen. De ILT blijft zich conform de verplichtingen inzetten op het controleren van brandstoffen op zwavelgehalte. Onder meer door gebruik van technieken die hun waarde hebben bewezen, zoals remote sensing, snuffelpalen en monsternames.

Zeevaart en binnenvaart

De ILT werkt aan veilige en duurzame scheepvaart, zowel over zee als op de binnenwateren (inclusief Waddenzee en Westerschelde). Om op efficiënte wijze risico's op ongewenste gebeurte­nissen te verkleinen wordt gebruikgemaakt van en gekeken naar innovatieve alternatieve methoden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het toezicht op varend ontgassen. Objecttoezicht van binnenvaart richt zich op alle vaartuigen die bedrijfsmatig gebruikmaken van de Nederlandse binnenwateren. Op het gebied van techniek, maar ook rondom arbeidsomstandigheden, vaar- en rusttijden, en de veiligheid van bemanning en passagiers. Hierbij wordt ook gekeken naar uitbuiting van personeel, in samenwerking met de Arbeids­inspectie.

Railvervoer

De ILT zet zich in voor een veilig transport van personen en goederen over het spoor. Belangrijk voor de veiligheid zijn de bekwaamheid van personeel, de juiste werking van veiligheids-beheerssystemen en -procedures, en de kwaliteit van het rijdend materieel én de spoorinfra­structuur. De ILT voert het railtoezicht informatie- en risico­gericht uit. Daarbij maakt de ILT gebruik van nieuwe toezicht­technieken, zoals de inzet van drones en satellieten en streeft naar online inzage in systemen van infra­beheerders, railondernemingen en -voertuigen.

Luchtvaart

De ILT werkt op diverse manieren aan een veilige luchtvaart, op het terrein van commerciële, kleine en onbemande luchtvaart. Daarbij is er ook steeds meer oog voor duurzaamheids- en leefbaarheidsaspecten. De luchtvaartsector is een van de meest veilige transport­sectoren ter wereld. Er is daarbij veel aandacht voor een verdergaande systeem­benadering van luchtvaartveiligheid en drones. Voor diverse technologische innovaties geldt, dat het inrichten van de benodigde test- en experimenteer­ruimte om betrokkenheid van de ILT vraagt omdat de wettelijke kaders soms nog onvoldoende ontwikkeld zijn. Hierover worden met de beleidsmakers afspraken gemaakt. Daarnaast wordt de verdere ontwikkeling van het toezicht op Schiphol voortgezet, waaronder de inzet van besturingstoezicht en aandacht voor veiligheids­managementsystemen. Ook continueert de inspectie de jaarlijkse uitgave van de Staat van Schiphol en wordt deze inhoudelijk verdiept en doorontwikkeld tot de Staat van de Luchtvaart. Naar aanleiding van de Kabinetsreactie van 26 november 2021 op het OVV-rapport «Veilige vliegroutes» breidt ILT het toezicht uit met een beoordeling (achteraf) van de beslissingen van luchtvaartmaatschappijen over de gekozen vliegroutes. Ten slotte gaat de ILT met andere partijen, zoals de Europese toezichthouder EASA en Neder­landse partijen, in gesprek over een efficiëntere, risico­gestuurde inrichting van het toezicht.

Wabo-advies en interbestuurlijk toezicht

Als wettelijk adviseur in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) heeft de ILT het doel Nederlandse en Europese wetgeving op het gebied van externe veiligheid, afval en luchtemissies juist toe te passen. Het Wabo-advieswerk van de ILT richt zich vooral op advies richting het bevoegd gezag – de provincies – bij vergunningverlening omtrent externe veiligheid en emissies, met een focus op de zogeheten BRZO-bedrijven. De commissie Van Aartsen concludeert dat verbeteringen mogelijk en nodig zijn om de effectiviteit en slagvaardigheid van het VTH-stelsel te vergroten en de stelselverantwoordelijkheid van de bewindspersoon beter in te vullen. De komende jaren focust de ILT zich op het verbeteren van de informatiedeling met de verschillende uitvoerders binnen het VTH-stelsel en implementatie van de aan­bevelingen van de commissie Van Aartsen. Hiernaast wordt de Wabo-advisering verbreed waarbij de inspectie ook kijkt naar geconstateerde risico's breder dan het voldoen aan de norm en signalering.

Vervoer gevaarlijke stoffen

De ILT houdt toezicht op veilig transport van gevaarlijke stoffen in alle transportmodaliteiten: spoor, binnenvaart, scheepvaart, wegverkeer, luchtvaart, en buisleidingen. Het toezicht richt zich op de hele keten, van productie tot (afval)verwerking. In het toezicht op het vervoer van gevaarlijke stoffen maakt de ILT slim gebruik van technologische ontwikke­lingen, zoals de inzet van drones en webscraping om meer kennis van de lading, locatie en beweging daarvan te verkrijgen. Daarbij richt het toezicht zich op de aanpak van risico's in de transportketen (integraal toezicht).

Hoogwaterveiligheid

In het waterbeheer zijn de belangrijkste maatschappe­lijke risico's gerelateerd aan overstromingen vanuit de zee en grote rivieren die plaatsvinden als een primaire waterkering faalt. De veiligheidseisen die gesteld worden aan deze waterkeringen moeten de kans op falen klein houden, want het effect dat een dergelijke overstroming heeft op burgers, natuur en economie is immens. Vanaf 2023 ligt de prioriteit bij het vormgeven en organiseren van de controles in de tweede beoordelings­ronde (LOB2) bij de waterkering­beheerders. Daarbij worden de bevindingen uit de eerste toezichtsronde meegenomen. Het streven is in de planperiode ongeveer 50 tot 70 trajecten uit te voeren. Ook ligt de focus voor de periode 2023-2026 op toezicht op de zorg­plicht.

Drinkwater

Drinkwater is een eerste levensbehoefte. Goede drink­watervoorziening is essentieel voor volksgezond­heid, welzijn en welvaart van de samen­leving. Centraal daarbij staat de duurzame veiligstelling van de drinkwatervoorziening. De ILT anticipeert als vergunningverlener en toezicht­houder door met een bredere blik te beoordelen hoe de drinkwatervoorziening op een verantwoorde manier op de korte en lange termijn geborgd en vernieuwd wordt. Met de inzet van besturingstoezicht wil de ILT de eigen kracht van drinkwaterbedrijven om compliant te zijn vergroten. Ontwikkelingen als klimaatverandering, antropogene stoffen, energietransitie, cybersecurity en een toe­nemen­de investeringsopgave worden daarnaast nadruk­ke­lijker in het toezicht en bij de beoordeling van meet­programma's en verstoringsrisicoanalyses betrokken. Ook in wettelijke ILT-onderzoeken (zoals drinkwater­kwaliteit en prestatievergelijking) hebben ze nadrukke­lijk een plek. Daarnaast geeft de ILT meer aandacht aan de feitelijke uitvoering van de leveringsplannen en verbetering van deze plannen voor verhoging van de leveringszekerheid en kwaliteit van het drinkwater. Tot slot richt de ILT het toezicht op de drinkwatervoorziening in Caribisch Nederland, waar beschikbaarheid en betaal­baarheid een opgave zijn, verder in. Via een hand­havings­­plan worden de mogelijkheden van lokaal toezicht verkend.

Cybersecurity

De ILT zet zich in op het voorkomen en beperken van maatschappelijke schade die ontstaat door cyber­incidenten. De ILT is toezichthouder voor de sectoren drinkwater, luchtvervoer, spoorvervoer, wegvervoer en vervoer over water (inclusief havens). In deze sectoren zijn op dit moment 17 aanbieders van essentiële diensten (AED's) aangemerkt waarop de ILT – in aanvulling op het toezicht op de sectorale wetgeving – toezicht houdt volgens de Wet Beveiliging Netwerk- en Informatie­systemen (Wbni). De ILT verbetert de informatiepositie rondom de AED's. In eerste instantie gebeurt dat via een self-assessment maar later ook risicogericht via onder andere audits, of bijvoorbeeld besturingstoezicht, door cybersecurity­inspecteurs in samenwerking met inspecteurs uit de betreffende sector. Ook richt de ILT zich op de opbouw en uitwisseling van kennis, ontwikkelen van toezichtmethodieken, en coördineren en verder uitbreiden van nationale en internationale samenwerking.

Autoriteit Woningcorporaties

De Autoriteit woningcorporaties ziet erop toe dat woningcorporaties zich concentreren op hun kerntaak: zorgen dat mensen met een laag inkomen goed en betaalbaar kunnen wonen. Nu en in de toekomst. De woningcorporaties beheren gezamenlijk ongeveer 2,4 miljoen woningen. De Aw houdt toezicht op het gedrag van woningcorporaties en op hun financieel beheer.

In 2020 is getoetst hoe de opgaven binnen de corporatiesector zich verhouden tot de middelen in de sector. Dit is gebeurd in een studie van drie departementen (BZK, Economische Zaken en Financiën) en brancheorganisatie Aedes. De uitkomsten zijn gedeeld met de Tweede Kamer. In 2021 is een update gepubliceerd voor het dossier van de formatie. Uit de confrontatie van de opgave met de beschikbare middelen blijkt, dat de corporatiesector tot 2035 onder het huidige beleid een tekort heeft van €20 tot €30 miljard.

2. Opsporing

Opsporing is gericht op personen en bedrijven die de regelgeving op het gebied van transport, infrastructuur, milieu en wonen stelselmatig en op een ernstige manier overtreden. Vaak gaat het om georganiseerde criminaliteit met een ondermijnend karakter en veelal met internationale (financiële) constructies en handels­stromen, zoals internationale milieucriminaliteit. Dit vraagt om een integrale aanpak, waarbij de ILT nauw samenwerkt met andere opsporingspartners in binnen- en buitenland, zoals politie en Interpol, maar ook met de omgevingsdiensten, waarmee informatie-uitwisseling plaats vindt. Vanwege de bijzondere juridische kaders heeft de ILT de opsporing in een apart organisatieonderdeel onder­gebracht: de Inlichtingen en Opsporingsdienst (IOD). De IOD werkt onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie. Met het OM zijn werkafspraken gemaakt.

3. Dienstverlening en Vergunningverlening

De ILT werkt aan kostenefficiency door het optimaliseren en verzakelijken van de dienstverlening en de vergunningverlening. De ILT is altijd bereikbaar via haar meld- en informatiecentrum. Via de informatievoorziening op de website, de webcare, mediavoorlichting, afstemming met sectoren en branches en door middel van direct contact met het klantcontactcentrum. Het frontoffice van de ILT herkent en vangt signalen op uit de omgeving, bundelt die signalen en zet deze door in de organisatie. Via klanttevredenheidsonderzoeken meet de ILT de tevredenheid van klanten. De ILT streeft er naar de aanvrager duidelijkheid, eenvoud en gemak te bieden op het gebied van vergunningverlening.

3.13 Artikel 25 Brede Doeluitkering

A. Algemene doelstelling

Het realiseren van maatwerkoplossingen voor verkeers- en vervoersvraagstukken door de twee krachtens artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 aangewezen openbare lichamen die verkeer- en vervoerstaken verrichten (vervoerregio’s). Dit betreffen thans de Vervoerregio Amsterdam en het samenwerkingsverband van gemeenten in de zuidelijke Randstad, de Metropoolregio Rotterdam Den Haag.

Tabel 88 Samenvatting budgettaire gevolgen van beleid art. 25 per subthema (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

988.863

1.028.812

991.492

991.599

991.599

991.599

991.599

        

Uitgaven

967.127

1.005.694

991.493

991.492

991.599

991.599

991.599

        

Uitgaven onderverdeeld per subthema

       

1 Brede Doeluitkering

967.127

1.005.694

991.493

991.492

991.599

991.599

991.599

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

B. Rol en verantwoordelijkheid

Financieren

De Minister is systeemverantwoordelijk voor de bijdrage aan de Brede Doeluitkering verkeer en vervoer (BDU), die het mogelijk maakt dat er in de gebieden waar de vervoerregio’s actief zijn maatwerkoplossingen kunnen worden geboden voor verkeers- en vervoervraagstukken. Dit artikel hangt samen met artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid en artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor waarin het bredere beleidsveld wordt geschetst.

De samenwerkingsverbanden Vervoerregio Amsterdam en Metropool-regio Rotterdam Den Haag zijn verantwoordelijk voor de beleidsinhoude-lijke beslissingen over hun verkeer- en vervoeraangelegenheden.

C. Beleidswijzigingen

Voor 2023 zijn er geen beleidswijzigingen.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 89 Budgettaire gevolgen van beleid art. 25 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

988.863

1.028.812

991.492

991.599

991.599

991.599

991.599

        

Uitgaven

967.127

1.005.694

991.493

991.492

991.599

991.599

991.599

        

1 Brede Doeluitkering

967.127

1.005.694

991.493

991.492

991.599

991.599

991.599

Brede doeluitkering

967.127

1.005.694

991.493

991.492

991.599

991.599

991.599

Bijdrage Brede doeluitkering

967.127

1.005.694

991.493

991.492

991.599

991.599

991.599

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Conform de Wet BDU wordt jaarlijks voorafgaand aan het uitkeringsjaar de brede doeluitkering ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het regionaal verkeer- en vervoersbeleid geheel als betalingsverplichting vastgelegd.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

1 Brede doeluitkering

Jaarlijks wordt een beschikking verstrekt voor de Brede Doeluitkering aan de Vervoerregio Amsterdam en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag. Deze beschikking wordt berekend op basis van de in de Wet BDU Verkeer en Vervoer opgenomen methodiek. Uitbetaling vindt plaats in vijf termijnen, waarvan de tweede termijn een dubbele is.

De Vervoerregio Amsterdam en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag zijn vrij in de afweging aan welke verkeer- en vervoertaken zij de BDU-middelen besteden. Zij bepalen dat aan de hand van de doelen die zij willen bereiken op hun verkeer- en vervoersterrein. Daarbij hebben zij veel ruimte voor een eigen invulling, rekening houdend met de specifieke kenmerken van hun regio.

3.14 Artikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen

A. Algemene doelstelling

Op dit artikel worden de bijdragen aan het Mobiliteitisfonds en het Deltafonds verantwoord.

Tabel 90 Samenvatting budgettaire gevolgen van beleid art. 26 per subthema (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

8.228.644

8.599.470

10.064.928

19.269.747

11.089.457

10.087.670

9.092.550

        

Uitgaven

8.228.644

8.594.939

10.160.555

19.199.201

10.896.124

9.815.912

9.398.048

        

Uitgaven onderverdeeld per subthema

       

1 Bijdrage Investeringsfondsen (Mobiliteitsfonds)

6.976.246

7.480.565

8.416.715

17.491.916

9.272.269

8.463.853

7.986.526

2 Bijdrage Investeringsfondsen (Deltafonds)

1.252.398

1.114.374

1.743.840

1.707.285

1.623.855

1.352.059

1.411.522

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

B. Rol en verantwoordelijkheid

Financieren

Zaken die op het Mobiliteitsfonds en Deltafonds worden verantwoord zijn terug te vinden in de verschillende beleidsartikelen op deze begroting.

C. Beleidswijzigingen

Voor de beleidswijzigingen wordt verwezen naar de betreffende beleidsar tikelen.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 91 Budgettaire gevolgen van beleid art. 26 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

8.228.644

8.599.470

10.064.928

19.269.747

11.089.457

10.087.670

9.092.550

        

Uitgaven

8.228.644

8.594.939

10.160.555

19.199.201

10.896.124

9.815.912

9.398.048

        

1 Bijdrage Investeringsfondsen

6.976.246

7.480.565

8.416.715

17.491.916

9.272.269

8.463.853

7.986.526

Bijdrage aan het Mobiliteitsfonds

6.976.246

7.480.565

8.416.715

17.491.916

9.272.269

8.463.853

7.986.526

        

2 Bijdrage Investeringsfondsen

1.252.398

1.114.374

1.743.840

1.707.285

1.623.855

1.352.059

1.411.522

Bijdrage aan het Deltafonds

1.252.398

1.114.374

1.743.840

1.707.285

1.623.855

1.352.059

1.411.522

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

De mate van budgetflexibiliteit is terug te vinden bij de afzonderlijke artikelen op het Mobiliteitsfonds en Deltafonds.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

1 Bijdrage aan het Mobiliteitsfonds

Het betreft hier de bijdrage vanuit de begroting Hoofdstuk XII aan het Mobiliteitsfonds ten behoeve van uitgaven die op het fonds worden verantwoord.

Tabel 92 Opbouw artikelonderdeel 26.01 Bijdrage aan het MF (bedragen x € 1.000)
  

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

11

Verkenningen, reserveringen en investeringsruimte

73.442

1.096.826

1.210.085

1.545.516

1.559.608

1.842.158

2.198.236

2.179.333

11.01

Verkenningen

2.019

2.750

17.100

4.111

223.903

368.275

644.736

554.517

11.02

Korte termijn mobiliteitsmaatregelen

672

0

0

0

0

0

0

0

11.03

Reserveringen

68.709

1.088.035

1.178.607

1.472.970

1.192.247

1.288.102

1.322.560

1.261.358

11.04

Generieke investeringsruimte

2.042

6.041

14.378

68.435

143.458

185.781

230.940

363.458

12

Hoofdwegennet

3.393.892

3.145.350

3.905.809

3.789.189

3.134.999

2.861.032

2.960.268

2.441.109

12.01

Exploitatie

4.479

4.478

4.266

4.159

4.159

4.159

4.168

4.168

12.02

Onderhoud en vernieuwing

1.279.349

1.135.979

1.228.776

1.371.067

742.576

698.813

590.563

498.495

12.03

Ontwikkeling

663.012

714.418

1.113.186

1.124.159

1.159.608

891.570

1.225.505

809.373

12.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

606.138

514.098

887.350

616.391

628.301

677.374

543.998

537.679

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

840.914

776.377

672.231

673.413

600.355

589.116

596.034

591.394

13

Spoorwegen

2.717.192

2.699.747

10.897.558

2.494.283

2.069.092

2.088.338

1.822.349

1.720.576

13.02

Exploitatie, onderhoud en vernieuwing

1.965.307

1.990.766

1.974.893

1.968.690

1.570.185

1.635.044

1.439.812

1.464.555

13.03

Ontwikkeling

552.933

506.053

444.210

349.614

322.018

278.638

251.042

170.206

13.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

198.952

202.928

180.455

175.979

176.889

174.656

131.495

85.815

13.07

Rente en aflossing

0

0

8.298.000

0

0

0

0

0

14

Regionaal, lokale infrastructuur

87.177

3.290

37.740

70.569

69.070

10.408

17.392

0

14.01

Regionale infrastructuur

36.068

3.290

37.740

70.569

69.070

10.408

17.392

0

14.03

Bereikbaarheidsprogramma's

51.109

0

0

0

0

0

0

0

15

Hoofdvaarwegennet

1.530.325

1.351.229

1.441.225

1.443.672

1.447.464

935.846

943.430

886.961

15.01

Exploitatie

10.972

10.152

9.826

9.661

9.661

9.661

9.661

9.661

15.02

Onderhoud en vernieuwing

541.864

591.958

744.527

704.055

352.138

270.351

241.556

224.286

15.03

Ontwikkeling

379.028

219.577

210.532

290.144

693.336

262.068

296.832

257.213

15.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

185.834

117.961

91.116

65.284

54.633

54.636

54.575

54.477

15.06

Netwerkgebonden kosten HVWN

412.627

411.581

385.224

374.528

337.696

339.130

340.806

341.324

17

Megaprojecten Verkeer en Vervoer

479.702

399.662

351.297

409.913

516.747

617.344

810.079

896.608

17.06

Project Mainportontwikkeling Rotterdam

1.335

799

700

810

690

810

1.810

690

17.07

ERMTS

107.712

46.074

54.226

123.354

125.816

158.998

249.867

456.615

17.08

ZuidasDok

137.750

183.980

157.212

77.265

119.759

155.136

149.941

100.965

17.10

Programma Hoogfrequent Spoorvervoer

232.905

168.809

139.159

208.484

270.482

302.400

408.461

338.338

18

Overige uitgaven en ontvangsten

5.851

0

0

0

0

0

0

0

18.06

Externe veiligheid

3.345

0

0

0

0

0

0

0

18.08

Netwerkoverstijgende kosten

2.506

0

0

0

0

0

0

0

          
 

Totaal Uitgaven

8.287.581

8.696.104

17.843.714

9.753.142

8.796.980

8.355.126

8.751.754

8.124.587

Tabel 93 Opbouw artikelonderdeel 26.01 Bijdrage aan het MF (bedragen x € 1.000)
  

2030

2031

2032

2033

2034

2035

2036

2022 ‒ 2036

11

Verkenningen, reserveringen en investeringsruimte

2.040.592

1.917.298

1.288.919

1.133.850

503.996

1.509.195

1.935.878

22.034.932

11.01

Verkenningen

409.001

260.716

99.793

0

0

0

0

2.586.921

11.02

Korte termijn mobiliteitsmaatregelen

0

0

0

0

0

0

0

672

11.03

Reserveringen

1.442.800

1.279.208

919.208

732.208

224.370

117.028

136.216

13.723.626

11.04

Generieke investeringsruimte

188.791

377.374

269.918

401.642

279.626

1.392.167

1.799.662

5.723.713

12

Hoofdwegennet

2.332.205

2.728.472

2.252.279

2.445.263

2.831.124

2.380.199

2.095.883

42.697.073

12.01

Exploitatie

4.168

4.168

4.168

4.168

4.168

4.168

4.168

63.212

12.02

Onderhoud en vernieuwing

618.164

780.550

780.550

816.988

848.038

824.842

863.689

13.078.439

12.03

Ontwikkeling

587.039

832.067

396.672

561.506

1.022.902

573.354

267.489

11.941.860

12.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

531.440

520.293

485.222

476.934

369.844

391.663

374.365

8.161.090

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

591.394

591.394

585.667

585.667

586.172

586.172

586.172

9.452.472

13

Spoorwegen

1.830.688

1.760.169

1.775.780

1.996.276

1.925.694

1.954.919

2.046.690

39.799.351

13.02

Exploitatie, onderhoud en vernieuwing

1.610.523

1.630.035

1.672.155

1.761.286

1.860.699

1.834.041

1.979.713

26.357.704

13.03

Ontwikkeling

134.112

83.145

103.625

234.990

64.995

120.878

66.977

3.683.436

13.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

86.053

46.989

0

0

0

0

0

1.460.211

13.07

Rente en aflossing

0

0

0

0

0

0

0

8.298.000

14

Regionaal, lokale infrastructuur

0

0

0

0

0

0

0

295.646

14.01

Regionale infrastructuur

0

0

0

0

0

0

0

244.537

14.03

Bereikbaarheidsprogramma's

0

0

0

0

0

0

0

51.109

15

Hoofdvaarwegennet

692.795

803.454

816.530

836.068

917.219

895.386

883.956

15.825.560

15.01

Exploitatie

9.661

9.661

9.661

9.661

9.661

9.661

9.661

146.882

15.02

Onderhoud en vernieuwing

202.278

317.978

332.437

350.732

423.300

395.642

395.642

6.088.744

15.03

Ontwikkeling

87.497

82.397

82.398

82.548

93.065

98.514

98.013

3.233.162

15.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

53.555

53.614

52.930

54.023

52.089

52.465

41.536

1.038.728

15.06

Netwerkgebonden kosten HVWN

339.804

339.804

339.104

339.104

339.104

339.104

339.104

5.318.044

17

Megaprojecten Verkeer en Vervoer

575.055

434.920

454.596

186.588

62.290

62.293

62.289

6.319.383

17.06

Project Mainportontwikkeling Rotterdam

690

690

690

57.186

0

0

0

66.900

17.07

ERMTS

314.896

276.330

319.153

50.537

25.537

25.537

25.536

2.360.188

17.08

ZuidasDok

107.531

44.223

27.868

0

0

0

0

1.261.630

17.10

Programma Hoogfrequent Spoorvervoer

151.938

113.677

106.885

78.865

36.753

36.756

36.753

2.630.665

18

Overige uitgaven en ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

5.851

18.06

Externe veiligheid

0

0

0

0

0

0

0

3.345

18.08

Netwerkoverstijgende kosten

0

0

0

0

0

0

0

2.506

          
 

Totaal Uitgaven

7.471.335

7.644.313

6.588.104

6.598.045

6.240.323

6.801.992

7.024.696

126.977.796

2 Bijdrage aan het Deltafonds

Het betreft hier de bijdrage vanuit de begroting Hoofdstuk XII aan het Deltafonds ten behoeve van uitgaven die op het fonds worden verantwoord.

Tabel 94 Opbouw artikelonderdeel 26.02 Bijdrage aan het DF (bedragen x € 1.000)
  

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

1

Investeren in waterveiligheid

567.828

653.117

724.981

607.702

572.507

422.188

570.908

514.183

1.01

Grote projecten waterveiligheid

103.634

122.013

89.081

1.478

75.804

22.162

84.883

0

1.02

Ontwikkeling waterveiligheid

444.348

510.860

620.750

592.768

485.568

390.289

478.454

506.612

1.03

Studiekosten

19.846

20.244

15.150

13.456

11.135

9.737

7.571

7.571

2

Investeren in zoetwatervoorziening

161.985

142.386

47.159

45.198

51.511

78.688

982

1.604

2.02

Ontwikkeling zoetwatervoorziening

157.093

137.886

43.020

37.811

49.311

76.488

982

1.604

2.03

Studiekosten

4.892

4.500

4.139

7.387

2.200

2.200

0

0

3

Exploitatie, onderhoud en vernieuwing

257.806

371.642

328.297

407.218

185.624

136.610

207.659

202.157

3.01

Exploitatie

8.028

8.028

8.055

8.055

8.055

8.283

7.829

7.829

3.02

Onderhoud en vernieuwing

249.778

363.614

320.242

399.163

177.569

128.327

199.830

194.328

4

Experimenteren cf. art. III Deltawet

128.577

243.009

193.233

103.707

91.346

95.802

95.127

94.300

4.02

GIV/PPS

128.577

243.009

193.233

103.707

91.346

95.802

95.127

94.300

5

Netwerkgebonden kosten en overige uitgaven

372.170

384.515

412.597

434.562

427.762

610.548

580.680

519.183

5.01

Apparaat

261.761

264.444

260.910

266.893

259.725

258.806

257.864

257.393

5.02

Overige uitgaven

105.852

95.355

72.947

73.288

73.417

75.107

69.467

69.126

5.03

Investeringsruimte

4.557

12.216

23.277

30.881

19.112

142.135

66.849

68.664

5.04

Reserveringen

0

12.500

55.463

63.500

75.508

134.500

186.500

124.000

7

Investeren in waterkwaliteit

103.095

113.779

151.963

166.946

175.345

235.993

36.487

22.869

7.01

Ontwikkeling Kaderrichtlijn water

45.465

58.791

78.946

107.100

114.125

158.824

0

0

7.02

Ontwikkeling Waterkwaliteit

34.339

38.144

53.364

46.060

60.355

76.404

36.222

22.604

7.03

Studiekosten waterkwaliteit

23.291

16.844

19.653

13.786

865

765

265

265

          
 

Totaal Uitgaven

1.591.461

1.908.448

1.858.230

1.765.333

1.504.095

1.579.829

1.491.843

1.354.296

Tabel 95 Opbouw artikelonderdeel 26.02 Bijdrage aan het DF (bedragen x € 1.000)
  

2030

2031

2032

2033

2034

2035

2036

2022 ‒ 2036

1

Investeren in waterveiligheid

442.576

384.538

296.094

576.314

353.649

310.144

426.367

7.423.096

1.01

Grote projecten waterveiligheid

0

0

0

0

0

0

0

499.055

1.02

Ontwikkeling waterveiligheid

435.005

376.967

288.523

568.727

346.318

302.813

419.036

6.767.038

1.03

Studiekosten

7.571

7.571

7.571

7.587

7.331

7.331

7.331

157.003

2

Investeren in zoetwatervoorziening

0

0

0

0

0

0

0

529.513

2.02

Ontwikkeling zoetwatervoorziening

0

0

0

0

0

0

0

504.195

2.03

Studiekosten

0

0

0

0

0

0

0

25.318

3

Exploitatie, onderhoud en vernieuwing

181.105

264.781

254.122

198.410

218.051

228.051

243.598

3.685.131

3.01

Exploitatie

7.829

7.829

7.829

7.829

7.829

7.829

7.829

118.965

3.02

Onderhoud en vernieuwing

173.276

256.952

246.293

190.581

210.222

220.222

235.769

3.566.166

4

Experimenteren cf. art. III Deltawet

56.679

55.879

55.718

55.328

55.609

54.927

54.257

1.433.498

4.02

GIV/PPS

56.679

55.879

55.718

55.328

55.609

54.927

54.257

1.433.498

5

Netwerkgebonden kosten en overige uitgaven

595.254

634.762

634.198

607.852

606.397

907.324

831.218

8.559.022

5.01

Apparaat

257.289

256.670

254.070

254.070

254.070

254.070

254.070

3.872.105

5.02

Overige uitgaven

69.126

69.126

69.126

69.083

69.083

69.083

69.083

1.118.269

5.03

Investeringsruimte

73.039

72.466

74.102

73.899

72.444

373.371

298.265

1.405.277

5.04

Reserveringen

195.800

236.500

236.900

210.800

210.800

210.800

209.800

2.163.371

7

Investeren in waterkwaliteit

22.869

22.869

265

265

265

265

265

1.053.540

7.01

Ontwikkeling Kaderrichtlijn water

0

0

0

0

0

0

0

563.251

7.02

Ontwikkeling Waterkwaliteit

22.604

22.604

0

0

0

0

0

412.700

7.03

Studiekosten waterkwaliteit

265

265

265

265

265

265

265

77.589

          
 

Totaal Uitgaven

1.298.483

1.362.829

1.240.397

1.438.169

1.233.971

1.500.711

1.555.705

22.683.800

4. Niet-beleidsartikelen

4.1 Artikel 97 Algemeen Departement

A. Algemene doelstelling

Op dit artikel worden de IenW-brede programma-uitgaven verantwoord.

B. Budgettaire gevolgen

Tabel 96 Budgettaire gevolgen artikel 97 Algemeen (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

209.091

49.541

41.543

38.400

38.166

42.592

46.436

        

Uitgaven

161.676

93.329

50.988

47.695

47.311

47.240

46.585

        

1 Algemeen departement

62.094

62.540

50.988

47.695

47.311

47.240

46.585

Opdrachten

35.009

47.843

38.289

34.868

34.467

34.425

33.797

van A naar Beter

1.440

2.358

1.903

1.913

1.913

1.913

1.913

Ext. juridische adv.

1.365

1.925

1.731

1.799

1.827

1.822

1.743

Onderzoeken PBL

5.920

6.627

2.811

2.741

2.741

2.741

2.401

Onderzoeken ANVS

2.667

5.175

3.839

3.880

3.888

3.884

3.836

DCC

7.702

8.527

8.570

8.834

8.549

8.645

8.588

Regeringsvliegtuig

13.775

18.558

13.973

9.766

9.586

9.586

9.586

Overige Opdrachten

2.140

4.673

5.462

5.935

5.963

5.834

5.730

Subsidies

250

0

377

377

377

377

502

Bijdragen aan agentschappen

26.835

14.697

12.322

12.450

12.467

12.438

12.286

Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

2.874

3.223

3.174

3.204

3.203

3.207

3.174

Waarvan bijdrage aan agentschap KNMI

2.673

2.436

227

229

229

229

227

Waarvan bijdrage aan agentschap ILT

13.404

0

0

0

0

0

0

Dienstverlening RIVM

7.884

9.038

8.921

9.017

9.035

9.002

8.885

        

3 Covid19 Testen reizen

99.582

30.789

0

0

0

0

0

Opdrachten COVID-19

99.491

30.789

0

0

0

0

0

Subsidies

91

0

0

0

0

0

0

Ontvangsten

6.231

2.101

1.101

1.101

1.101

1.101

1.101

C. Toelichting op de financiële instrumenten

1 Algemeen departement

Opdrachten

Van A naar Beter

Het betreft de uitgaven voor beleidscommunicatie voor de grote publiekscampagne van A naar Beter.

Externe juridische advisering

Om de kosten voor het inhuren van juridische expertise, voornamelijk voor het inschakelen van de Landsadvocaat, (en andere advocaten) beheersbaar te houden, worden opdrachten hiertoe centraal gegeven door de Bestuurskern. Dit om de kwaliteit te bewaken en tevens wordt hiermee voorkomen dat er meerdere malen vanuit verschillende diensten dezelfde vragen worden uitgezet.

Onderzoeken PBL

Dit betreft uitgaven ten behoeve van onderzoeksactiviteiten van PBL, zoals de aanschaf van databestanden, onderhoud en ontwikkeling van modellen, uitbesteding van onderzoek en vervaardiging van (web)publicaties. Een deel van deze uitgaven wordt door externe opdrachtgevers vergoed. Voor nieuws en publicaties van het PBL, zie de website van het PBL (www.pbl.nl).

Onderzoeken ANVS

Het betreft uitgaven voor opdrachten aan (inter)nationale technische supportorganisaties inzake technische ondersteuning, advisering en onderzoek op terreinen van nucleaire veiligheid, stralingsbescherming alsmede beveiliging en waarborging (safeguards). Daarnaast worden ook de uitgaven die verband houden met samenwerking tussen ANVS en internationale organisaties (zoals bijvoorbeeld HERCA, OECD/NEA en IAEA) inzake voornoemde terreinen op dit artikel verantwoord.

Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing (DCC)

DCC is verantwoordelijk voor een effectief crisisbeheersingsbeleid en een professionele aanpak van crises. De uitgaven betreffen o.a. de financiering van assets en programma’s, het jaarlijkse IenW opleidings-, trainings- en oefeningsprogramma, kosten van het aansluiten van nationale kennisinstituten op het crisis expert team milieu en drinkwater (CET-md) en het 24/7 beschikbaar houden van de daarvoor noodzakelijke kennis en kunde. Tevens is het DCC is verantwoordelijk voor de inrichting, werking en kwaliteit van het CET-md en systeemverantwoordelijk voor de Milieu-ongevallendienst (MOD) van het RIVM en het beheer en onderhoud van meetapparatuur. en het beschikbaar maken bij het RIVM van expertise op het gebied van monstername, metingen en analyses, verspreidingsberekeningen en toxicologie.

Regeringsvliegtuig

Dit betreft de uitgaven van IenW voor het onderhoud en exploitatie van het regeringsvliegtuig.

Overig opdrachten

Dit betreft uitgaven voor communicatie, voor opdrachten op het gebied van strategisch advies en voor analyses van mobiliteit en mobiliteitsbeleid door het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KIM) die doorwerken in de beleidsafwegingen. Soms worden deelonderzoeken uitbesteed, omdat expertise op een bepaald deelonderwerp niet in huis is.

Subsidies

Deze uitgaven hangen samen met subsidies die IenW verstrekt, met name aan de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek voor het programma SURF (Smart Urban Regions in the Future), Urban Futures en het programma Duurzame Logistiek.

Bijdragen aan agentschappen

KNMI

Dit betreft de bijdrage aan het KNMI voor afname van meteorologische producten en diensten relevant voor de uitvoering van diverse taken door RWS waaronder gladheidbestrijding en afname van maatwerk dienstverlening door ANVS.

RWS

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van beleidsondersteuning en advies en de capaciteitsinzet van het DCC.

ILT

De Agentschapstatus van de ILT is per 1-1-2022 opgeheven. De bijdrage aan ILT die was bestemd voor de kosten van vergunningverlening die niet geheel gedekt worden door de inkomsten die de ILT verkrijgt vanuit de tariefheffing worden verantwoord op artikel 24.

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

Het RIVM is de vaste partner van de ANVS voor een aantal taken op het terrein van stralingsbescherming. Dit zijn taken als het beheer van de ongeval-organisatie, het in stand houden van het Radionucliden laboratorium alsmede het beheer van het Nationaal Meetnet Radioactiviteit en de stralingsmeetwagens. De bijdrage aan het RIVM hangt hiermee samen.

4.2 Artikel 98 Apparaatsuitgaven Kerndepartement

A. Algemene doelstelling

Op dit artikel staan alle personele en materiële uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat met uitzondering van de agentschappen Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut en Rijkswaterstaat, en de Inspectie Leefomgeving en Transport. Het omvat de verplichtingen en uitgaven voor ambtelijk personeel, inhuur externen en ICT, bijdragen aan rijksbrede SSO's en overige materiële voor het kerndepartement.

B. Budgettaire gevolgen

Tabel 97 Budgettaire gevolgen artikel 98 Apparaat Kerndepartement (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

348.191

436.660

401.985

398.877

383.394

379.792

352.319

        

Uitgaven

342.540

431.801

407.254

400.387

384.113

379.788

352.315

        

1 Personele uitgaven

272.011

320.229

294.588

290.746

279.183

274.462

254.112

Waarvan eigen personeel

233.600

266.224

260.851

260.239

253.925

252.220

238.619

Waarvan inhuur externen

34.555

48.530

27.897

24.710

19.461

16.402

9.653

Waarvan overige personele uitgaven

3.856

5.475

5.840

5.797

5.797

5.840

5.840

        

2 Materiële uitgaven

70.529

111.572

112.666

109.641

104.930

105.326

98.203

Waarvan ICT

25.753

34.694

37.028

26.656

22.839

23.954

23.827

Waarvan bijdrage SSO's

35.526

52.233

35.775

35.923

36.100

35.357

35.280

Waarvan overige materiële uitgaven

9.250

24.645

39.863

47.062

45.991

46.015

39.096

        

Ontvangsten

16.781

11.333

5.841

5.627

5.430

5.430

5.430

C. Toelichting op de financiële instrumenten

1 Personele uitgaven

Dit betreft alle uitgaven van het eigen personeel, de externe inhuur en postactieven voor het kerndepartement.

Eigen personeel

Onder uitgaven eigen personeel vallen de loonkosten en de uitgaven voor de personele exploitatie.

  • Onder loonkosten wordt verstaan alle uit de rechtspositiebepalingen en aanverwante (wettelijke) regelingen voortvloeiende uitgaven aan en ten behoeve van de werknemers, zoals salaris, vakantie- en eindejaarsuitkering, vergoedingen voor inbesteding van personeel, toelagen, toeslagen en vergoedingen, gratificaties, onkostenvergoedingen waaronder woon-werkverkeer (ook collectieve inkoop openbaar vervoerskaarten), sociale lasten en de bijdrage aan de zorgverzekeringswet, pensioenpremies en de eindheffing loonbelasting.

  • Onder personele exploitatie worden andere personele uitgaven verstaan zoals verhuiskosten, hotels in het kader van dienstreizen, werving en selectie, keuringen, assessments, outplacement, loopbaanbegeleiding en re-integratie, arbeidsgezondheidskundige begeleiding, werkplekaanpassing, uitbesteding arbo-dienstverlening, bedrijfshulpverlening, representatie voor eigen personeel, opleiding, coaching, training, bezoek van symposia en congressen, personeelsevenementen, bijeenkomsten en recepties, noodzakelijke contributies van personeel, uitgaven sociaal flankerend beleid en dergelijke.

Externe inhuur

Dit betreft de uitgaven voor externe inhuur voor interim-management, organisatie- en formatieadvies, beleidsadvies, communicatieadvisering, juridisch advies, advisering opdrachtgevers automatisering, accountancy, financiën en administratieve organisatie en de inhuur van uitzendkrachten. De externe inhuur heeft onder andere betrekking op uitgaven voor programma’s, zoals de Vrachtwagenheffing, Duurzame mobiliteit, Fiets, en de Luchtruimherziening.

Overige personele uitgaven

De overige personele uitgaven betreft de uitgaven aan postactieven. Onder postactieven wordt verstaan uitgaven aan en ten behoeve van voormalig personeel, voor zover niet ten laste komend van derden (pensioen- of uitkeringsfonds) zoals Functioneel leeftijdsontslag (FLO), werkloosheidsuitkeringen, wachtgelden en de daarmee samenhangende uitvoeringskosten van derden.

2 Materiële uitgaven

Dit betreft de materiële uitgaven van de ondersteunende processen, zoals ICT, bijdrage aan de Shared Service Organisaties en overige materiële uitgaven (o.a. schoonmaak, consumptieve diensten, kantoorartikelen, afvalzorgmanagement).

ICT

Bevat zowel de uitgaven voor projecten als structurele uitgaven zoals onderhoud en licenties.

Bijdrage aan de Shared Service Organisaties

De bijdrage aan de Shared Service Organisaties betreft onder andere P-Direkt (Salarisbedrijf van het Rijk), FM Haaglanden en het Rijksvastgoedbedrijf.

Overige materiële uitgaven

Dit betreft materiele uitgaven van het kerndepartement waarvoor geldt dat deze betrekking hebben op uitgaven die bedoeld zijn voor activiteiten ter ondersteuning van het primaire proces.

D. Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten

Tabel 98 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten inclusief agentschappen en zbo's/rwt's (bedragen x € 1.000) - Deel 1
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Totaal apparaatsuitgaven ministerie

342.540

615.204

610.852

603.923

588.251

582.099

552.684

Kerndepartement

342.540

431.801

407.254

400.387

384.113

379.788

352.315

ILT

0

183.403

203.598

203.536

204.138

202.311

200.369

Tabel 99 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten agentschappen en zbo's/rwt's (bedragen x € 1.000) - Deel 2
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Totaal apparaatskosten Agentschappen

1.565.450

1.450.588

1.432.742

1.410.104

1.398.837

1.277.599

1.261.323

RWS

1.308.722

1.369.687

1.357.693

1.335.369

1.329.387

1.208.134

1.192.792

KNMI

72.509

80.901

75.049

74.735

69.450

69.465

68.531

ILT

184.219

      
        

Totaal apparaatskosten ZBO's en RWT's

629

622

619

610

606

598

591

ProRail

629

622

619

610

606

598

591

Tabel 100 Apparaatsuitgaven per Directoraat Generaal (bedragen x € 1.000)

Directoraat-Generaal Mobiliteit

52.435

Directoraat-Generaal Milieu en Internationaal

34.180

Directoraat-Generaal Water en Bodem

29.063

Directoraat-Generaal Luchtvaart en Maritieme zaken

35.065

Beleids- en Bestuursondersteuning

41.779

Financiën en Bedrijfsvoering

162.710

- Waarvan IenW-brede apparaatsuitgaven

101.164

Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming

21.584

Planbureau voor de Leefomgeving

30.437

Totaal apparaat

407.254

4.3 Artikel 99 Nog onverdeeld

A. Algemene Doelstelling

Dit artikel is een administratief begrotingstechnisch artikel. Dit betekent dat er geen daadwerkelijke uitgaven ten laste van artikel 99 worden gedaan. Het artikel dient als tussenstation voor de overboeking van middelen naar de andere artikelen op de IenW-begroting, zoals loon- en prijsbijstelling.

B. Budgettaire gevolgen

Tabel 101 Budgettaire gevolgen artikel 99 Nog onverdeeld (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

0

21.088

324

7.084

7.112

7.128

20.266

        

Uitgaven

0

956

324

7.084

7.112

7.128

20.266

        

1 Nominaal en onvoorzien

0

956

324

7.084

7.112

7.128

20.266

Onvoorzien

0

956

324

7.084

7.112

7.128

20.266

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

C. Toelichting op de financiële instrumenten

1 Nominaal en onvoorzien

Dit betreft de centraal gereserveerde middelen voor Werk aan Uitvoering en de POK/Wet open Overheid die op een later moment aan de verschillende IenW-onderdelen zullen worden toebedeeld.

5. Begroting agentschappen

5.1 Agentschap Rijkswaterstaat

Introductie

Rijkswaterstaat (RWS) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. RWS beheert en ontwikkelt de rijkswegen, -vaarwegen en -wateren en zet in op een duurzame leefomgeving.

Samen met anderen werkt RWS aan een land dat beschermd is tegen overstromingen, waar voldoende groen is, waar voldoende en schoon water is en waar je vlot en veilig van A naar B kunt. Samenwerken aan een veilig, leefbaar en bereikbaar Nederland. Dat is Rijkswaterstaat.

Het Ministerie van IenW kent een scheiding tussen beleid, toezicht en uitvoering. RWS fungeert hierbij als uitvoeringsorganisatie van het ministerie. Het formuleren van beleid is belegd bij de beleidsdirectoraten-generaal. Dit betekent dat de doelstellingen van het agentschap afhankelijk zijn van de (veelal lange termijn-) beleidsdoelstellingen en kaders die door IenW worden aangegeven. Deze beleidsdoelen zijn geformuleerd in de beleidsartikelen van de beleidsbegroting Hoofdstuk XII.

Producten en diensten

RWS treedt op als manager van het gebruik van een aantal hoofdinfrastructuurnetwerken (hoofdwegennet, hoofdvaarwegennet, hoofdwatersystemen), als beheerder van die netwerken, als realisator van uitbreidingen van deze netwerken en als adviseur voor het ten aanzien hiervan te voeren beleid. RWS voert deze taken uit vanuit een netwerkbenadering. Belangrijkste producten zijn:

  • Verkeersmanagement: het inzetten van instrumenten en hulpmiddelen om vraag en aanbod op elk moment zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen en om het verkeersaanbod zo goed mogelijk af te wikkelen. Het betreft vooral bediening van objecten als bruggen en sluizen, verstrekken van route-informatie en incidentmanagement.

  • Watermanagement: reguleren van de hoeveelheden water in het hoofdwatersysteem en van de kwaliteit daarvan, door het hanteren van de te onderscheiden categorieën «vasthouden/bergen/afvoeren» en «schoonhouden/scheiden/zuiveren».

  • Beheer, onderhoud en vervanging: instandhouding van objecten en areaal op een vooruitstrevende, toekomstgerichte manier, gericht op het ook in technische zin steeds verder ontwikkelen van het netwerk of systeem.

  • Aanleg: dit betreft investeringen om de functionaliteit van het netwerk te vergroten. Nieuwe verbindingen of verbreding van bestaande.

  • Beleidsondersteuning en –advisering: het uitvoeren van studies of het leveren van bijdragen daaraan, adviezen met betrekking tot beleidsnota’s en de uitvoerbaarheid van beleid.

  • Leveren van kennis, expertise en materieel: ten behoeve van beleidsondersteuning en -advisering, milieu en leefomgeving, grote (aanleg)projecten en aansturing projecten en uitvoeringsorganisaties, het verstrekken van subsidies en basisinformatie.

Tabel 102 Begroting van baten-lastenagentschap voor het jaar 2023 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Baten

       

- Omzet

3.353.216

3.784.385

3.591.488

3.670.000

3.665.795

2.293.776

2.282.697

waarvan omzet moederdepartement

2.918.321

3.495.487

3.307.096

3.204.351

3.198.817

2.013.625

2.002.546

waarvan omzet overige departementen

80.781

85.077

80.571

76.330

76.330

76.330

76.330

waarvan omzet derden

207.128

203.821

203.821

203.821

203.821

203.821

203.821

waarvan omzet nog uit te voeren werkzaamheden

146.986

0

0

185.498

186.827

0

0

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

2.146

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

1.641

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

Totaal baten

3.357.003

3.785.885

3.592.988

3.671.500

3.667.295

2.295.276

2.284.197

        

Lasten

       

Apparaatskosten

1.308.722

1.369.687

1.357.693

1.335.369

1.329.387

1.208.134

1.192.792

- Personele kosten

1.028.235

1.077.149

1.095.760

1.096.464

1.094.056

977.293

968.056

waarvan eigen personeel

948.392

989.800

1.009.917

1.015.244

1.013.015

904.901

896.348

waarvan inhuur externen

79.843

87.349

85.843

81.220

81.041

72.392

71.708

waarvan overige personele kosten

0

0

0

0

0

0

0

- Materiele kosten

280.487

292.538

261.933

238.905

235.331

230.841

224.736

waarvan apparaat ICT

38.521

38.431

38.510

38.189

38.102

33.870

33.535

waarvan bijdrage aan SSO's

67.760

67.601

67.740

67.176

67.023

59.579

58.990

waarvan overige materiële kosten

174.206

186.506

155.683

133.540

130.206

137.392

132.211

Externe productkosten

1.985.530

2.387.397

2.203.690

2.304.069

2.304.183

1.050.172

1.051.584

Rentelasten

711

697

723

779

887

995

1.028

Afschrijvingskosten

18.414

18.949

21.727

22.128

23.683

26.820

29.638

- Materieel

18.035

18.577

21.285

21.781

23.418

26.803

29.621

waarvan apparaat ICT

5.027

5.144

5.114

5.053

4.079

3.983

4.348

waarvan overige materiële afschrijvingskosten

13.008

13.433

16.171

16.728

19.339

22.820

25.273

- Immaterieel

379

372

442

347

265

17

17

Overige lasten

16.144

3.800

3.800

3.800

3.800

3.800

3.800

waarvan dotaties voorzieningen

13.962

3.800

3.800

3.800

3.800

3.800

3.800

waarvan bijzondere lasten

2.182

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

3.329.521

3.780.530

3.587.633

3.666.145

3.661.940

2.289.921

2.278.842

        

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

27.482

5.355

5.355

5.355

5.355

5.355

5.355

Agentschapsdeel Vpb-lasten

130

130

130

130

130

130

130

Saldo van baten en lasten

27.352

5.225

5.225

5.225

5.225

5.225

5.225

Dotatie aan reserve Rijksrederij

0

5.225

5.225

5.225

5.225

5.225

5.225

Te verdelen resultaat

27.352

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Baten

Omzet

Omzet moederdepartement 

De omzet moederdepartement bestaat uit een apparaatsdeel en een programmadeel. Het apparaatsdeel dient ter dekking van de interne kosten van RWS (apparaatskosten inclusief rente- en afschrijvingskosten) die verband houden met verkeers- en watermanagement, beheer, onderhoud en vervanging, aanleg en beleidsondersteuning en –advisering. Het programmadeel dient ter dekking van de externe productkosten voor verkeers- en watermanagement, beheer en onderhoud, verkenningen en planuitwerkingen, servicepakketten, landelijke taken, Caribisch Nederland en Omgevingswet.

Tabel 103 Specificatie omzet moederdepartement (bedragen x € 1.000)
 

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Agentschapsbijdrage Deltafonds

613.474

716.630

640.910

681.436

453.124

456.433

Artikel 1 Investeren in waterveiligheid

2.724

1.863

910

572

460

460

Artikel 3 Beheer Onderhoud en Vervanging

240.511

356.474

308.988

343.707

122.901

125.439

Artikel 5 Netwerkgebonden kosten en overig

363.523

355.988

330.070

336.372

329.333

330.104

Artikel 7 Waterkwaliteit

6.716

2.305

942

785

430

430

Agentschapsbijdrage Infrastructuurfonds

2.806.436

2.530.094

2.504.508

2.460.379

1.503.628

1.489.260

Artikel 12 Hoofdwegennet

1.922.392

1.645.631

1.597.226

1.585.589

993.677

981.081

Artikel 15 Hoofdvaarwegennet

884.044

884.463

907.282

874.790

509.951

508.179

Agentschapsbijdrage Hoofdstuk XII

66.577

51.372

49.933

48.002

47.873

47.853

Artikel 11 Waterkwaliteit

15.836

15.100

14.983

14.847

14.714

14.727

Artikel 13 Ruimtelijke ontwikkeling

5.738

3.869

3.869

3.869

3.869

3.869

Artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid

12.321

9.118

8.413

7.198

7.198

7.198

Artikel 16 Spoor

826

830

830

830

830

830

Artikel 17 Luchtvaart

5.615

53

53

53

53

53

Artikel 18 Scheepvaart en Havens

2.465

2.465

1.818

1.239

1.239

1.239

Artikel 19 Klimaat

422

398

398

398

398

398

Artikel 20 Lucht en geluid

2.681

1.647

1.647

1.647

1.647

1.647

Artikel 21 Duurzaamheid

10.585

10.585

10.585

10.585

10.585

10.585

Artikel 22 Externe veiligheid en risico's

6.865

4.133

4.133

4.133

4.133

4.133

Artikel 97 Algemeen departement

3.223

3.174

3.204

3.203

3.207

3.174

Overige omzet IenW

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

Totaal

3.495.487

3.307.096

3.204.351

3.198.817

2.013.625

2.002.546

Van totaal omzet IenW

      

*apparaat (interne kosten)

1.261.580

1.255.099

1.235.782

1.231.463

1.113.455

1.100.964

*programma (externe productkosten)

2.233.907

2.051.997

1.968.569

1.967.354

900.170

901.582

Omzet overige departementen

De omzet overige departementen heeft met name betrekking op:

  • Vergoedingen van het ministerie van Defensie, het ministerie van Financiën en het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor het gebruik van de vaartuigen van de Rijksrederij.

  • Vergoedingen van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties voor de capaciteit die RWS levert in het kader van de Omgevingswet en de bijbehorende externe productkosten.

  • Vergoedingen van diverse ministeries voor het door RWS ter beschikking stellen van kennis, expertise en materieel in het kader van Werken voor en met Partners.

  • Vergoedingen van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties voor de capaciteit die RWS levert in het kader van beleidsondersteuning en advisering en de bijbehorende externe productkosten.

Tabel 104 Specificatie omzet overige departementen (bedragen x € 1.000)
 

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Rijksrederij

40.804

40.804

40.804

40.804

40.804

40.804

Omgevingswet

26.507

22.001

17.760

17.760

17.760

17.760

Werken voor en met Partners

10.500

10.500

10.500

10.500

10.500

10.500

Beleidsadvisering en ondersteuning (BOA)

6.266

6.266

6.266

6.266

6.266

6.266

Overig

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

Totaal

85.077

80.571

76.330

76.330

76.330

76.330

Omzet derden

De omzet derden heeft met name betrekking op:

  • Vergoedingen van o.a. provincies, gemeenten en de Europese Unie in het kader van het beheer en onderhoud van de infrastructuur.

  • Uitkeringen van verzekeraars in het kader van Schaderijden en Schadevaren ter dekking van de kosten van reparatiewerkzaamheden.

  • Ontvangsten uit de pacht van benzinestations, de ingebruikgeving van RWS areaal (huur, pacht) en incidentele verloop van RWS areaal. Deze ontvangsten worden via het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) ontvangen.

  • Opbrengsten voor de Nationale Bewegwijzeringsdienst (NBD) en de Nationale Databank Wegverkeersgegevens (NDW).

  • Vergoedingen van o.a. provincies, gemeenten, waterschappen, kennisinstellingen en bedrijven voor het door RWS ter beschikking stellen van kennis, expertise en materieel in het kader van Werken voor en met Partners.

  • Opbrengsten uit vergunningverlening in het kader van de Waterwet.

Tabel 105 Specificatie omzet derden (bedragen x € 1.000)
 

2022

2023