Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201932861 nr. 42

32 861 Beleidsdoorlichting Infrastructuur en Waterstaat

Nr. 42 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 december 2018

Inleiding

Bij brief van 19 september 2017 (Kamerstuk 32 861, nr. 26) heeft mijn voorganger een beleidsdoorlichting aangekondigd van artikel 22 van de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) betreffende Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s. Met deze brief stuur ik u het eindrapport van deze beleidsdoorlichting, die door het onderzoeks- en adviesbureau Ecorys is uitgevoerd in de periode januari–november 20181. Prof. dr. J.A. Knottnerus is als de onafhankelijk deskundige om een reflectie op de doorlichting gevraagd. Deze reflectie is bijgevoegd2.

Doel beleidsdoorlichting

De beleidsdoorlichting betreft het beleid dat valt onder het huidige begrotingsartikel 22: Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s. Dit beleid heeft tot doel om mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte veiligheid-, milieu- en gezondheidsrisico’s.

Op een beleidsdoorlichting zijn de kaders van de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) van toepassing. Dat betekent onder andere dat een beleidsdoorlichting het karakter heeft van een syntheseonderzoek: gebaseerd op beschikbare evaluaties. Doel van de beleidsdoorlichting is een goed beeld te krijgen van de doeltreffendheid en doelmatigheid van dit beleid in de afgelopen jaren, van wat de succesfactoren waren en op welke onderdelen er verbeteringen mogelijk zijn. Deze inzichten en aanbevelingen kunnen er aan bijdragen de komende jaren het beleid verder te optimaliseren.

Scope van deze beleidsdoorlichting

Het huidige begrotingsartikel 22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s is een breed begrotingsartikel, met veel onderwerpen die zich in verschillende fases van de beleidscyclus bevinden en waar verschillende beleidsinstrumenten ingezet worden. Vanwege de gekozen periode (2011–2017) is met name teruggekeken naar deze onderwerpen op de begrotingen van het toenmalige Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

Het begrotingsartikel 22 is opgebouwd uit drie artikelonderdelen:

22.01 Veiligheid chemische stoffen;

22.02 Veiligheid biotechnologie;

22.03 Veiligheid bedrijven en transport.

Tien onderwerpen zijn in het onderzoek nader uitgewerkt3. Voor deze onderwerpen is op basis van de voor dat specifieke onderwerp beschikbare informatie de doeltreffendheid en doelmatigheid beoordeeld op basis van de bijbehorende beleidstheorie per onderwerp. Doeltreffendheid gaat om de mate waarin het beleid bijdraagt aan het behalen van de beoogde maatschappelijke doelstellingen. Doelmatigheid betreft de relatie tussen de effecten van het beleid en de kosten van het beleid.

Op de begroting van IenW van 2017, het uitgangsjaar voor de doorlichting, is voor Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s een totaalbedrag van € 57,2 miljoen opgenomen: € 33,8 miljoen op artikel 22, € 18,8 op artikel 19 voor bijdragen aan agentschappen en vanuit het infrastructuurfond op artikel 18 een bedrag van € 4,6 miljoen.

De doorlichting omvat een bedrag van € 55,8 miljoen. Dat verschil van € 1,4 miljoen is te verklaren omdat gewasbescherming (buiten de landbouw) in deze beleidsdoorlichting niet wordt meegenomen. Dit onderwerp is pas sinds 2016 aan artikel 22 verbonden. Bovendien vindt in 2019 de tussenevaluatie plaats van de beleidsnota Gezonde Groei, Duurzame Oogst (2013–2023).

Per artikelonderdeel zijn er verschillende evaluaties van diverse onderzoeksbureaus beschikbaar4. Aanvullend op de bevindingen uit de synthese van de documenten zijn interviews gehouden met experts uit het veld die bij het beleidsveld betrokken zijn.

De opzet van de beleidsdoorlichting en de conceptrapportages zijn besproken met een begeleidingscommissie met daarin vertegenwoordigers van de Inspectie Leefomgeving en Transport, de Vereniging Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en het Ministerie van Financiën.

Conclusies doeltreffendheid en doelmatigheid

Het bureau stelt dat het beleid in zijn algemeenheid doeltreffend is en bijdraagt aan de doelstelling van het begrotingsartikel5. Deze overkoepelende conclusie is getrokken op basis van deelresultaten van de tien uitgewerkte onderwerpen. Vrijwel alle onderwerpen scoren voldoende tot goed op zowel doeltreffendheid als doelmatigheid.

De beleidsdoorlichting laat verder zien dat er op veel afzonderlijke onderdelen resultaten zijn geboekt die op een doeltreffende en doelmatige manier bijdragen aan de beleidsdoelen. Op basis van de beleidsdoorlichting kan het bureau geen conclusies trekken over welk instrument voor het beleid voor omgevingsveiligheid en milieurisico’s altijd het beste werkt. Het is per onderwerp en uitvoeringsfase van het beleid verschillend welke inzet van instrument(en) doeltreffend en doelmatig is.

Reductie Regeldruk

Ik heb het onderzoeksbureau gevraagd te onderzoeken wat gedaan is rond vermindering van de regeldruk en wat daarvan de resultaten zijn. Voor een aantal onderwerpen is hier specifiek onderzoek naar gedaan. Op basis hiervan geeft het bureau onder meer aan dat de regeldruk is verminderd omdat bij de sanering van asbestdaken voor een lichte administratieve procedure voor de subsidieregeling is gekozen. Verder is bij biotechnologie in een aantal gevallen voor het instrument van de melding in plaats van een vergunning gekozen. Nog niet overal is de lastenverlichting al zichtbaar. Dit is volgens het bureau bijvoorbeeld nog niet het geval bij vervoer van gevaarlijke stoffen waarbij gekozen is voor het basisnet om de veiligheid te versterken. Samenvattend concludeert het bureau dat een duidelijke inspanning is geleverd om de regeldruk te verminderen.

Reactie op verbeterpunten en aanbevelingen

Het beeld dat de doorlichting van het beleid geeft, ondersteunt het gevoerde beleid. De in het rapport genoemde suggesties en aanbevelingen geven mij input voor verdere verbetering van het beleid. In de beleidsdoorlichting zijn zeven suggesties voor verbetering opgenomen: vier algemene suggesties en drie suggesties die gericht zijn op een inhoudelijk beleidsonderwerp. Ik noem die hieronder kort en geef daar per aanbeveling mijn reactie op.

Algemene suggesties en aanbevelingen

1. Doelstelling breder verwoorden, ook beleving meenemen

De onderzoekers constateren dat de doelstelling van het beleid voor omgevingsveiligheid en milieurisico’s in de begrotingsteksten beperkter is geformuleerd dan in praktijk wordt toegepast. In de begroting van 2017 staat als doel: «Mens en milieu beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte veiligheid-, milieu- en gezondheidsrisico’s». Sinds het programma Bewust Omgaan met Veiligheid6 is daar meer expliciet aan toegevoegd dat ook de beleving van die veiligheid en gezondheid belangrijk is. De onderzoekers bevelen aan om de doelstelling aan te passen en wel door deze als volgt te formuleren: «Het realiseren van een schone, gezonde en veilige leefomgeving, die door de inwoners van Nederland ook als zodanig wordt ervaren.»

Deze eerste aanbeveling ondersteunt mij in de door mij ingezette beleidslijn om van saneren en beheersen te komen tot het meer voorkómen van milieurisico’s en gevaren, zoals ik dat in mijn brief van 5 juni 2018 aan de Tweede Kamer heb gedeeld7. Daarbij staat voorop dat de samenleving wordt betrokken, in de overtuiging dat dat niet alleen voor betere oplossingen en meer draagvlak kan zorgen, maar ook dat dat mede de beleving van veiligheid en gezondheid bepaalt. De onafhankelijk deskundige ziet hierin een belangrijke beleidsuitdaging. «Aansluiten bij de beleving, veiligheidsbehoeften en opvattingen van burgers is niet alleen van belang uit oogpunt van draagvlak, maar ook omdat beleving en behoeften in de samenleving essentiële drivers zijn van steeds voortgaande verbetering van de maatschappelijke veiligheid.»

Ik zal onder de doelstelling van beleidsartikel 22 een uitwerking toevoegen in lijn met de aanbeveling. Dit betekent dat we werken aan het realiseren van een schone, gezonde en veilige leefomgeving die ook door de inwoners van Nederland als zodanig wordt ervaren.

2. Overkoepelende beleidstheorie voor gehele beleidsartikel opstellen

In de beleidsdoorlichting zijn door het onderzoeksbureau op basis van evaluaties en interviews reconstructies van de algemene en thematische beleidstheorieën gemaakt. Door het ontbreken van een beleidstheorie voor het gehele artikel bleek het lastig om tot overall conclusies te komen. De aanbeveling is om deze beleidstheorie en de daarbij te verwachten effecten op het bereiken van de algemene beleidsdoelstelling nader in te vullen.

Deze aanbeveling geeft handvatten voor de verdere ontwikkeling van integrale afwegingen zoals dat uit het programma Bewust Omgaan met Veiligheid is voortgekomen. Zoals ik in reactie op de eerste aanbeveling al aangaf, staat mij een aanpak voor ogen die scherp gericht is op het voorkómen van risico’s voor mens en milieu. In eerder genoemde Kamerbrief van 5 juni 2018 heb ik daarbij het principe van «safe by design» centraal gesteld. Deze tweede aanbeveling is voor mij aanleiding dit principe in een integrale milieuvisie nog meer te verbinden met verschillende facetten van het milieubeleid. Ik zal uw Kamer daar in het komend jaar nader over berichten.

3. Beleids- en uitvoeringscycli nog beter met elkaar verbinden

Een derde algemene aanbeveling betreft het versterken van de verbindingen door de beleids- en de uitvoeringcycli heen. In de aanbeveling wordt ingegaan op het belang van de samenwerking tussen de beleidsmedewerkers op het departement en medewerkers bij adviesbureaus, kennisinstellingen en uitvoerende diensten.

Vanuit de beleidsonderwerpen die onderdeel uitmaken van artikel 22 en overigens ook breder in de beleidspraktijk onderschrijf ik het belang om continue aandacht te hebben en te houden voor deze verbindingen. Op het veiligheidsterrein van artikel 22 is bijvoorbeeld de kennisfunctie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) van cruciaal belang voor het beleid t.a.v. chemische stoffen. Dat blijkt ook uit de inzet van het RIVM op dat terrein vanuit het budget op artikel 19 van de begroting. In het kader van de aanpak van zeer zorgwekkende stoffen zorg ik ervoor dat die kennis ook beschikbaar is voor decentrale overheden, zodat die ook in de fase van vergunningverlening en naleving wordt benut. Een ander voorbeeld is het concept «Safety Delta Nederland» dat binnen het programma Duurzame Veiligheid 2030 wordt ontwikkeld met het oog op de veiligheid in de (petro)chemische industrie8. Als onderdeel hiervan maak ik samen met bedrijfsleven, wetenschap en andere overheden één gezamenlijke Kennisagenda Veiligheid en Innovatie. De voorbereiding hiervan is in gang gezet.

4. Meer kwantitatief evaluatiemateriaal beschikbaar maken

Het onderzoeksbureau geeft aan dat op veel deelonderwerpen voldoende evaluatiemateriaal beschikbaar was voor deze beleidsdoorlichting. Met het oog op een volgende beleidsdoorlichting wordt evenwel aangeraden om te zorgen voor meer kwantitatief evaluatiemateriaal om zo de doelmatigheid beter te kunnen beoordelen. Ook de onafhankelijk deskundige onderstreept in zijn brief deze aanbeveling.

Voor het beleidsveld omgevingsveiligheid en milieurisico’s is het doel incidenten en onveilige situaties te voorkomen door het risico daarop zoveel mogelijk te beperken. Het streven is om het bereikte basisbeschermingsniveau vast te houden, toe te werken naar een situatie waarbij de kans op een incident verwaarloosbaar klein wordt en waarbij de gevolgen van een incident, zo dat zich voordoet, zo gering mogelijk zijn.

In de Staat van de Veiligheid majeure risicobedrijven* die jaarlijks wordt uitgebracht, worden reeds kwantitatieve resultaten gepresenteerd. Zo wordt in kaart gebracht wat het effect is van preventieve maatregelen door jaarlijks te meten hoeveel incidenten een relatie hebben met het niet implementeren van die aanvullende noodmaatregelen. Te lezen valt bijvoorbeeld dat bij zes incidenten het uitblijven van herstel leidde tot dat incident.10 Ondanks de beschikbaarheid van dit soort kwantitatieve gegevens bij een aantal onderwerpen blijkt het in de praktijk niet eenvoudig om de beleidsinspanning een op een te relateren aan het achterwege blijven van incidenten. Desalniettemin ben ik gelet op de gegeven aanbeveling voornemens om bij de beleidsontwikkeling en bij toekomstige evaluaties te streven naar meer kwantitatieve meetbaarheid van de beleidsinspanningen.

Verbetersuggesties voor inhoudelijke thema’s

5. Verbeteren beleid rond de risico’s van blootstelling aan asbest

Elk jaar overlijden in Nederland ongeveer 1.000 mensen aan de gevolgen van asbest. Om het risico voor de gezondheid te beperken, is het de bedoeling om het houden van asbestdaken vanaf 2024 te verbieden. Asbest mag sinds 1993 niet meer worden toegepast in Nederland en asbestdaken zijn de grootste resterende bron van vezels in de leefomgeving. Het gevoerde beleid is volgens de onderzoekers doeltreffend en er wordt versneld gesaneerd.

Het rapport geeft een gemengd beeld ten aanzien het verbod op asbestdaken. Aan de ene kant is de uitkomst niet doelmatig (outcome) maar daar tegenover staat dat het beleid om dit verbod invulling te geven (output) wel als doelmatig wordt beoordeeld. De onderzoekers stellen daarbij de vraag wat de gevolgen zijn van het beëindigen van de subsidieregeling, gelet op de hefboomwerking en het aanjagend effect van de subsidie voor sanering die bijdragen aan een doelmatige uitvoering van dit beleid. De aanbeveling wordt daarom gedaan om te onderzoeken hoe groot de financiële problematiek is en op welke wijze die kan worden verlicht.

Zoals de onafhankelijk deskundige in zijn reflectie onderstreept, zijn beleidskeuzes gerechtvaardigd door meer dan alleen de afweging tussen bij de MKBA bij aanvang in beeld gebrachte kosten en baten. Het bronbeleid is gericht op het voorkómen van nieuwe asbestslachtoffers. Na eerdere grote veroorzakers van asbestvezels in de leefomgeving te hebben aangepakt (met name asbesthoudende remvoeringen en asbestwegen) resteren asbestdaken als laatst overgebleven grote bron. Met het tijdig saneren van asbestdaken wordt de situatie vermeden dat asbestdaken zo ernstig gaan verweren dat het aantal slachtoffers in komende decennia weer toe gaat nemen. Daarbij speelt ook de maatschappelijke aandacht en veiligheidsbeleving rond asbest een rol. Rond incidenten als asbestbranden wordt duidelijk dat van de overheid wordt verwacht om voor maximale veiligheid te zorgen. Kosten die asbestbranden met zich meebrengen kunnen mede om die reden zeer hoog uitpakken. Met het asbestdakenverbod wordt bovendien duidelijkheid geschapen voor dakeigenaren en het bevoegd gezag over de datum waarop asbestdaken gesaneerd moeten zijn. Zonder die duidelijkheid zou per dak, aan de hand van de mate van verwering, moeten worden bepaald wanneer sanering vereist zou zijn. De lasten en handhavingsproblemen die daarmee samenhangen worden met het verbod vermeden.

De subsidieregeling voor de sanering van asbestdaken is een stimuleringsregeling die als doel heeft de sanering te versnellen, ruim voordat het verbod op asbestdaken in werking treedt, en dient niet als financieringsinstrument. Er is hiervoor over de jaren heen € 75 miljoen beschikbaar gesteld. Zoals het rapport onderstreept is die versnelling ook bereikt, die fase van het beleid was doelmatig en doeltreffend. Met uw Kamer is uitgebreid gesproken over de overgang van subsidie naar financiering voor het vervolg van de asbestdakensanering. In dat kader verzoekt de Kamerbreed aangenomen motie Von Martels/Ziengs11 de regering om in overleg met decentrale overheden en de SVn12 te komen tot een asbestfonds voor eigenaren van asbestdaken die de sanering niet kunnen financieren. Dit overleg heb ik in gang gezet en zoals uw Kamer toegezegd zal ik begin 2019 rapporteren over de vorderingen van de vorming van zo’n fonds. De bedoeling is dat juist ook dakeigenaren met een beperkte investeringscapaciteit hier een beroep op kunnen gaan doen. Deze aanpak past bij de gegeven aanbeveling in het rapport om te onderzoeken op welke wijze de financiële problematiek kan worden verlicht.

6. Verbeteren doelmatigheid van de Atlas Leefomgeving

In het rapport wordt de verbetersuggestie gedaan om de aanbevelingen van Verdonck, Kloosters & Associates13 op te pakken om zo de doelmatigheid van de Atlas Leefomgeving te kunnen verbeteren. Genoemd worden o.a. een agile-werkwijze, het verhogen van beslissnelheid en het verkorten van doorlooptijden.

De Atlas Leefomgeving is sinds de evaluatie in 2013 doorontwikkeld tot het Atlas Portaal dat nu vier sub-sites omvat: de Atlas Leefomgeving, de Atlas Natuurlijk Kapitaal, de Nationale Energie Atlas en de Gids Gezonde Leefomgeving. Vast onderdeel bij de doorontwikkeling is het steeds opnieuw beoordelen van de samenwerking met de andere overheidspartners, als ook via het middel van de benchmark beoordelen of voldaan wordt aan de ICT-standaarden binnen de rijksvoorwaarden.

In de doorontwikkeling 2018–2019 staat centraal het moderniseren en verder toekomstbestendig maken van de standaardcomponenten in het Atlas Portaal, het platform waarop de Atlassen draaien. De Atlassen worden daarmee geschikt gemaakt om aan te sluiten op de knooppunten van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (het DSO) met het oog op het toegankelijk maken van de relevante milieudata. Bij de doorontwikkeling worden de aanbevelingen rond de verbetering van de doelmatigheid van de Atlas meegenomen: agile werken, kortere doorlooptijden, hogere beslissnelheid.

7. Voortzetten project aanpak zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) met overheden en bedrijfsleven.

De aanbeveling om door te gaan met de aanpak van ZZS (waaronder potentiële ZZS) samen met bedrijfsleven, IPO, gemeenten, waterschappen, omgevingsdiensten en RIVM, zie ik als ondersteuning van de door mij ingezette lijn.

Door de informatie-uitvraag door de bevoegd gezagen aan de bedrijven over de daadwerkelijke emissies van (potentiële) ZZS wordt de kennis over de emissies van deze stoffen geleidelijk vergroot. RIVM zal de gegevens van de opgevraagde emissie-gegevens in een centrale database opnemen. Hiermee wordt meer inzicht verkregen in de ZZS-emissies voor beleidsdoeleinden en tegelijkertijd biedt dit handvatten aan vergunningverleners.

Besparings- en intensiveringsvarianten

Een van de onderdelen van een beleidsdoorlichting is de vraag welke beleidsopties mogelijk zijn met significant (20%) minder of meer middelen. De beleidsdoorlichting van Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s omvat een totaalbudget van € 55,8 mln. Het gaat bij 20% derhalve om € 11,2 mln.

Het bureau geeft drie opties voor het geval met 20% minder middelen het beleid voor omgevingsveiligheid en milieurisico’s zou moeten worden gevoerd: stoppen met subsidie voor sanering van asbestdaken, verdeling van de korting over zes verschillende onderwerpen («kaasschaaf») en als derde, de rol van de rijksoverheid afbouwen en de verantwoordelijkheden te leggen bij andere partijen in de keten. Voor al deze opties benadrukt het rapport dat ze effecten hebben op het huidige of toekomstige beleid en de uitvoering ervan en dat een inventarisatie van deze effecten en een integrale afweging gewenst is. Ook prof. dr. J.A. Knottnerus noemt in zijn brief een aantal effecten. Ook pleit hij voor behoud van «vrije ruimte» op de begroting als bron voor de op lange termijn noodzakelijke vernieuwing. Zijn conclusie is dat de meeste opties weinig reëel zijn dan wel dat zij het beleid (en de doelbereiking daarvan) serieus kunnen schaden.

Ik sluit mij bij die constateringen aan wat de tweede en derde optie betreft. De eerste optie ligt in lijn met de afspraken die ik daarover met uw Kamer heb gemaakt. De subsidieregeling asbestdaken wordt niet voortgezet; er zal naar andere vormen van financiering worden gekeken. Dit betekent niet dat ik het asbestbeleid kan uitvoeren zonder passend budget. De andere instrumenten die in het leven worden geroepen om asbest uit de leefomgeving te verwijderen zullen immers ook gefinancierd moeten worden.

Het Rapport doet ook enkele suggesties voor geval er substantieel meer geld beschikbaar zou zijn. Zo wordt een vergroting van de capaciteit bij onderzoeksinstellingen voor verschillende thema’s en participatie van het publiek genoemd. Ik onderschrijf het belang van onderzoek en kennisontwikkeling, ook in relatie met de eerder genoemde versterking van de beleidscyclus.

Beoordeling/conclusies onafhankelijk deskundige

De onafhankelijk deskundige, prof. dr. J.A. Knottnerus, heeft een oordeel gegeven over het evaluatieproces en op bevindingen en aanbevelingen van het externe onderzoeksbureau. Naast de inhoudelijke opmerkingen waarvan hierboven een aantal is aangehaald, heeft hij ook het proces beschreven en een enkele procesmatige verbetersuggestie opgenomen. Hij heeft in het proces speciaal gelet op de waarborgen voor de onafhankelijkheid van de evaluatie. Op basis van de afspraken over de rol van de begeleidingscommissie, die gezien de onafhankelijkheid van het onderzoek bijvoorbeeld geen bevoegdheid tot amendering van rapportteksten had en zich in haar suggesties richting onderzoekers moest beperken tot feitelijke aspecten, was, aldus de heer Knottnerus, sprake van een zinvolle interactie tussen de onderzoekers en de begeleidingscommissie. Zijn advies is echter om bij een volgende evaluatie een klankbordgroep te vormen bestaande uit deskundigen wier eigen werk en belang mede wordt geëvalueerd. Daarnaast zou dan een begeleidingscommissie ingesteld kunnen worden bestaande uit onafhankelijke externe deskundigen met expertise vanuit de meest relevante disciplines. Hij sluit af met de constatering dat «er een over het geheel genomen gedegen beleidsdoorlichting ter tafel ligt».

Ik ben de onafhankelijk deskundige erkentelijk voor zijn rol bij de beleidsdoorlichting en voor de door hem gegeven reflectie.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
3

De tien onderwerpen betreffen het afwegingskader uit het Programma Bewust omgaan met veiligheid, stoffenbeleid (ZZS/ REACH) en nanomaterialen, sanering asbestdaken, de regisserende en stimulerende rol bij biotechnologie, BRZO, transport van gevaarlijke stoffen, het VTH-stelsel en de Atlas Leefomgeving.

X Noot
4

De lijst gebruikte evaluaties is als bijlage bij het onderzoeksrapport gevoegd.

X Noot
5

Beleidsdoorlichting art 22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s 2011–2017, Ecorys, p. 19.

X Noot
6

Kamerstukken 28 663 en 28 089, nr. 71, Resultaten van Bewust Omgaan met Veiligheid.

X Noot
7

Kamerstukken 28 089 en 28 663, nr. 88, Beleidsaanpak milieurisico’s en Omgevingsveiligheid: op weg naar een schone, gezonde en veilige leefomgeving.

X Noot
8

Kamerstuk 28 089, nr. 88 Beleidsaanpak Milieurisico’s en Omgevingsveiligheid: Op weg naar een schone, gezonde en veilige leefomgeving. p. 4.

XNoot
*

Staat van de Veiligheid majeure risicobedrijven 2017, Kamerstuk 26 956, nr. 211.

X Noot
10

idem p 20–21.

X Noot
11

Kamerstuk 34 675, nr. 23.

X Noot
12

Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting.

X Noot
13

Benchmark Atlas Portaal, Verdonck Klooster & Assosiates, 2018.