Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-2008nr. 52, pagina 3773-3774

Vragen van het lid Sterk aan de minister voor Jeugd en Gezin over het bericht dat veel ouders niet weten dat zij sinds 1 januari 2008 recht hebben op een kindertoeslag.

Mevrouw Sterk (CDA):

Voorzitter. Vorig jaar is de regeling van de kinderkorting veranderd. Het bleek namelijk dat mensen die geen belasting betaalden vanwege een uitkering, ook geen kinderkorting kregen, terwijl zij daarop wel recht hadden. Daarom is de regeling veranderd in een toeslag waarop iedereen in principe recht heeft. Nu blijkt echter uit onderzoek van Trendbox dat één op de drie ouders met kinderen niet weet dat men sinds 1 januari 2008 in aanmerking kan komen voor de kindertoeslag. Dit kan betekenen dat men per maand maximaal € 82 misloopt. De verzilveringsproblematiek is dus opgelost met de komst van de kindertoeslag, maar er dreigt een nieuw probleem te ontstaan. De vraag is of de minister ons op dat punt kan geruststellen.

Klopt het dat één op de drie Nederlanders met kinderen niet op de hoogte is van onder meer de kindertoeslag?

Betekent dit dan ook dat zij deze kindertoeslag niet krijgen? Als dit niet zo is en sommigen de kindertoeslag wel krijgen, hoe groot is dan de groep die deze niet ontvangt?

Wat gaat de minister doen om de bekendheid met de regeling onder deze ouders te vergroten, zodat zij krijgen waarop zij uiteindelijk recht hebben?

Minister Rouvoet:

Voorzitter. Ik ben blij dat mevrouw Sterk deze vragen stelt, al was het alleen omdat mij dit de gelegenheid biedt om eventuele onduidelijkheden en misverstanden die zouden kunnen zijn gerezen, weg te nemen. Het goede nieuws is dat ik de vraag van mevrouw Sterk of ik haar kan geruststellen, met een volmondig "ja" kan beantwoorden.

Mevrouw Sterk begon met de stelling, afgeleid uit het Trendbox-onderzoek, dat één op de drie ouders met kinderen niet op de hoogte zou zijn van de mogelijkheid om de kindertoeslag te ontvangen. De situatie is als volgt. In Nederland zijn 1,9 miljoen gezinnen met kinderen. Daarvan zijn 1,1 miljoen gezinnen rechthebbende op de kindertoeslag, onder andere in verband met de hoogte van hun inkomen en de andere criteria die daarvoor gelden. Het goede nieuws is dat 97% van deze 1,1 miljoen gezinnen ambtshalve de kindertoeslag sinds 1 januari uitgekeerd krijgt. Dat is mogelijk omdat de Belastingdienst al beschikt over de benodigde gegevens om deze gezinnen van de toeslag te voorzien. Ambtshalve krijgt dus 97% ten eerste de beschikking, die de gezinnen in december ontvangen, en ten tweede een bevoorschotting, die zij eveneens in december ontvangen voor januari van het daaropvolgende jaar. Meestal vindt er nauwelijks verrekening plaats. In de praktijk betekent dit dat zij dan al het bedrag ontvangen hebben waarop zij recht hebben. Ten overvloede: zowel bij de beschikking alsook bij de vermelding op het bankafschrift staat met zoveel woorden dat het bedrag betrekking heeft op de kindertoeslag.

Gezinnen waarvan de gegevens die nodig zijn om tot ambtshalve uitkering over te gaan, niet bekend zijn bij de Belastingdienst, omdat deze gezinnen niet eerder een kinderkorting kregen dan wel omdat zij geen andere toeslag van de Belastingdienst ontvingen, moeten de toeslag zelf aanvragen. Dit betreft 3%, oftewel 30.000 gezinnen. Daartoe is in het najaar een voorlichtingscampagne geweest via de huis-aan-huisbladen om iedereen te attenderen op de mogelijkheid dat men rechthebbende is. Daarnaast is via de gemeenten het nodige aan voorlichting gedaan. Vanaf 1 januari vindt bij aangifte van een geboorte mede voorlichting plaats over het recht op de kindertoeslag.

Ik kom op het onderzoek. Hoe heeft dit beeld kunnen ontstaan? In dit opzicht is de berichtgeving verwarrend, omdat de kop luidt: "Ouders laten toeslag liggen". Bij lezen van de berichtgeving over het Trendbox-onderzoek, zou men gemakkelijk de indruk kunnen krijgen dat één op de drie Nederlanders met kinderen niet weet dat hij de toeslag kan krijgen en deze dus ook niet krijgt. Ik heb zojuist uitgelegd dat dit gelukkig een onjuiste indruk is. Het misverstand zit er met name in dat in de berichtgeving vooral staat dat het om één op de drie Nederlanders met kinderen gaat. Dit kwam ook in de vraagstelling van mevrouw Sterk naar voren, hetgeen begrijpelijk is op basis van de berichtgeving. Het onderzoek is echter gedaan onder achttienplussers. Dat is dus iets anders dan gezinnen met kinderen. Het kan zijn dat van de 505 respondenten een flink aantal niet weet of hij gerechtigd is voor de kindertoeslag en evenmin weet of hij deze gekregen heeft. Ik heb echter zojuist aangetoond dat 97% van de gezinnen de bevoorschotting, oftewel de kindertoeslag, al in december heeft ontvangen. Ik kan op dit moment niet helemaal overzien hoeveel mensen van de overige 3% een aanvraag hebben gedaan en hoeveel niet. Later in het jaar kan dit wel duidelijk worden. De berichtgeving kan de indruk wekken dat één op de drie gezinnen een aanzienlijk bedrag per jaar misloopt, oplopend tot € 1000. Gelukkig is deze berichtgeving onjuist.

Mevrouw Sterk (CDA):

Ik dank de minister voor de beantwoording. Ik denk dat het goed is dat de cijfers nu op tafel liggen. Toch moet ik constateren dat de minister ons nog niet helemaal heeft gerustgesteld. De 3% impliceert dat nog steeds tienduizenden gezinnen niet krijgen waar zij recht op hebben. De minister zegt dat hij een voorlichtingscampagne heeft gevoerd, maar zal moeten constateren dat daaraan blijkbaar onvoldoende gevolg is gegeven en dat de campagne onvoldoende bekendheid heeft gegenereerd. Kunnen de ontzettend grappige spotjes van de Belastingdienst misschien eens gewijd worden aan de kindertoeslag? Wellicht levert dat meer rendement op. Kan de minister garanderen dat ouders die recht hebben op de toeslag, maar niet weten dat zij hem kunnen aanvragen, met terugwerkende kracht aanspraak kunnen maken op de misgelopen kindertoeslag?

Minister Rouvoet:

Het is van groot belang om de juiste formuleringen te gebruiken. De gedachte dat 3% van de gezinnen met kinderen op dit moment de kindertoeslag niet krijgt, kan ik niet staven. Wij weten nog niet hoeveel van deze ongeveer 30.000 gezinnen al een aanvraag hebben gedaan. De reden daarvoor is simpelweg dat deze mensen niet ambtshalve hebben uitgekeerd gekregen, bijvoorbeeld vanwege hun inkomen of omdat zij tot nu toe geen andere toeslag kregen. Wij kunnen op dit moment niet overzien hoeveel van hen de toeslag hebben aangevraagd en hebben ontvangen. Dat wordt later dit jaar duidelijk. De toeslag waarop je met ingang van januari 2008 recht hebt, krijg je ook als je hem later aanvraagt. Daar mag geen misverstand over bestaan. De stelling dat op dit moment tienduizenden gezinnen niet zouden krijgen waar zij recht op hebben, is op dit moment niet te onderbouwen. Ik waag dit sterk te betwijfelen.

Mevrouw Sterk vroeg naar onze inspanningen voor voorlichting. Ik stel vast dat zo'n 103.000 gezinnen bij de fiscale kinderkorting niet kregen waar zij recht op hadden. Daarom zijn wij overgegaan op een kindertoeslag. Volgend jaar wordt deze per kind uitgekeerd in de vorm van het kindgebonden budget. Deze stap was nodig om de verzilveringsproblemen op te lossen. Nu wij deze slag hebben gemaakt, bedraagt het aantal gezinnen waarvan wij niet zeker weten of zij de toeslag krijgen hooguit 30.000. Waarschijnlijk is het aantal nog lager. Deze gezinnen kunnen het geld alsnog verzilveren door het aan te vragen. Zowel de Belastingdienst als mijn programmaministerie heeft via de gemeenten en de huis-aan-huisbladen actie ondernomen om de kindertoeslag onder de aandacht te brengen. Daarmee gaan wij door.

De heer Dibi (GroenLinks):

Deze regeling is onnodig bureaucratisch en onrechtvaardig. Ik vraag daarom mevrouw Sterk en de minister waarom zij de kindertoeslag niet combineren met de kinderbijslag in één inkomensafhankelijke regeling, zodat de ouders die het minste hebben het meeste krijgen. Dat is rechtvaardig en vermindert de regeldruk.

Minister Rouvoet:

Of de kinderbijslag inkomensafhankelijk moet worden gemaakt, is echt een andere discussie. De vraag wordt gesteld of de kindertoeslag niet ontzettend bureaucratisch en omslachtig is. Het tegendeel is het geval. In goed overleg met de Kamer hebben wij vastgesteld dat maar liefst 103.000 gezinnen niet kregen waarop zij recht hadden, namelijk de fiscale kinderkorting. Ik denk dat het een heel goede stap is geweest om dit te veranderen in een kindertoeslag, die bovendien ambtshalve wordt uitgekeerd. De toeslag is dus het tegendeel van bureaucratie. Je hoeft hem namelijk niet aan te vragen om hem te krijgen. Dat is een goede zaak.

Mevrouw Sterk (CDA):

De kosten van een kind hangen niet af van het gezinsinkomen. Daarom willen wij de kinderbijslag niet inkomensafhankelijk maken. De kindertoeslag willen wij wel inkomensafhankelijk maken. Deze toeslag krijg je als je een laag inkomen hebt.

Mevrouw Langkamp (SP):

Van 30.000 gezinnen is het op dit moment nog onduidelijk of zij de kindertoeslag hebben aangevraagd. De minister zegt dat in de loop van het jaar duidelijk zal worden of zij hem hebben aangevraagd en of zij er recht op hebben. Ik vind het een beetje slap om dat maar af te wachten. Mijn vraag aan de minister is dan ook of hij bereid is om deze groep van 30.000 gezinnen actief te benaderen en hen erop te wijzen dat zij hier recht op hebben.

Minister Rouvoet:

Dat is een intrigerende vraag, maar het gaat juist precies om die groep waarvan wij niet kunnen vaststellen of die er recht op heeft. De Belastingdienst beschikt immers niet over gegevens waaruit blijkt of mensen daar wat hun inkomen betreft recht op hebben. Als mensen al een toeslag krijgen – een huurtoeslag of een zorgtoeslag – zijn de inkomensgegevens van die mensen bekend. Bij de totstandkoming van de koppeling met de kindertoeslag is ook gewaarborgd dat degenen die een kinderbijslag krijgen, automatisch met hun gegevens bekend zijn bij de Belastingdienst, zodat ambtshalve tot uitkering van de kindertoeslag kan worden overgegaan. Er is een groep van 3% die niet in de bakken van de Belastingdienst voorkomt. Die groep kennen wij vanuit die optiek dus niet en die kunnen wij ook niet rechtstreeks benaderen. Wat wij wel kunnen doen – ik heb aangegeven hoe wij dat hebben aangepakt – is zoveel mogelijk voorlichting geven, zodat mensen op de hoogte zijn van de mogelijkheid dat zij rechthebbenden zijn en de toeslag kunnen aanvragen. Dat kan tot op de dag van vandaag gebeuren.

De heer Omtzigt (CDA):

Dertigduizend gezinnen met kinderen zijn meer gezinnen dan er in de hele stad Utrecht wonen. Die kunnen niet zoek zijn in de kaartenbak van de Belastingdienst. Als dat wel zo is, hebben wij een ander probleem. Kunt u ervoor zorgen dat deze gezinnen aangeschreven worden en kunt u voor 15 maart aan de Kamer melden hoe deze gezinnen met terugwerkende kracht de kindertoeslag krijgen waarop zij gewoon recht hebben?

Minister Rouvoet:

Die vraag heb ik zojuist beantwoord, omdat die ook is gesteld door mevrouw Langkamp. Het is geen kwestie van zoekraken van gezinnen. De Belastingdienst beschikt over de gegevens die de Belastingdienst nodig heeft voor het uitvoeren van de taken. Met de komst van de kindertoeslag is dus geborgd dat de Belastingdienst, die normaal niet de gegevens heeft over het aantal kinderen, die gegevens wel heeft via de koppeling met de SVB, die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Algemene kinderbijslagwet. Daardoor is de Belastingdienst in staat gesteld om de mensen die in de bakken van de Belastingdienst voorkomen omdat zij een andere toeslag krijgen en kinderen hebben, ambtshalve de toeslag te verstrekken. Vergeet niet dat wij daarmee een enorme slag hebben gemaakt ten opzichte van de 103.000 gezinnen die niet konden verzilveren, ook niet in een later stadium.

Wat ons nu te doen staat, is ervoor zorgen dat de gezinnen die mogelijk rechthebbend zijn – dat hangt af van het inkomen, van de kinderen en van de vraag of je kinderbijslag krijgt – worden geattendeerd op de mogelijkheid om de toeslag zelf aan te vragen. Dat kan dus niet ambtshalve. Dat moet door voorlichting. Ik wil uiteraard wel toezeggen dat ik, zodra ik er zicht op heb hoeveel van die 3% alsnog zelfstandig tot aanvraag zijn overgegaan, de Kamer daarover zal informeren. Dan hebben wij namelijk zicht op de overblijvende, waarschijnlijk zeer bescheiden groep die mogelijk rechthebbend is maar de toeslag niet zelf heeft aangevraagd.