Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433750-XIII nr. 9

33 750 XIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2014

Nr. 9 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 18 oktober 2013

De vaste commissie voor Economische Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet over het onderdeel Landbouw en Natuur, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 2 oktober 2013 voorgelegd. Bij brief van 17 oktober 2013 zijn ze door de staatssecretaris van Economische Zaken beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Hamer

Adjunct-griffier van de commissie, Van Bree

1 Hoeveel geld is er gereserveerd voor missies naar Brussel?

2 Hoeveel missies zijn dat per jaar?

3 Hoeveel missies zijn ter beleidsbeïnvloeding en/of ter stimulering van de Europese Commissie tot het komen met nieuwe wetgeving?

4 Hoeveel missies zijn ter beleidsuitvoering (onder andere in de verschillende comités)?

5 Voor hoeveel missies wordt het mandaat of de instructie goedgekeurd beneden het niveau van de directeur?

6 Op welk niveau wordt het effect van de missie geëvalueerd?

Een groot deel van het beleidsterrein van EZ is verweven met Europese wet- en regelgeving. Deelname aan Europese overlegorganen op alle besluitvormingsniveaus is een onlosmakelijk onderdeel van de beleidsontwikkeling op veel beleidsdossiers van EZ. De deelname aan Europese overleggen kan daarom niet worden aangeduid als «missie», maar is integraal onderdeel van het beleidswerk van beleidsmedewerker tot topambtenaar. Hiervoor zijn geen aparte begrotingsmiddelen gemarkeerd en er wordt geen aparte administratie bijgehouden van het aantal deelnames per jaar.

Bij de instructie voor de Nederlandse politieke deelname aan alle soorten Europese overleggen wordt uw Kamer nauw betrokken via geannoteerde agenda's, verslagen en Kamerdebatten over bijeenkomsten van de Raad van Ministers. Voor alle nieuwe wetgeving die de Commissie voorstelt, wordt de Kamer geconsulteerd over de Nederlandse inzet middels een BNC-fiche.

7 Hoeveel adviesraden zijn er binnen het ministerie van Economische Zaken actief?

Er zijn adviescolleges en er zijn commissies. Voor de externe advisering over nieuw beleid en wetgeving is de Kaderwet adviescolleges van toepassing. Deze adviescolleges zijn permanent, tijdelijk of eenmalig. Bij commissies is de term raad niet zo gebruikelijk. EZ gaat bij de beantwoording van de vragen ervan uit dat adviescolleges bedoeld zijn.

Binnen EZ zijn er drie adviescolleges actief:

  • Raad van deskundigen voor de nationale meetstanden;

  • Commissie Bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten (= CITES Commissie);

  • Adviescollege toetsing regeldruk (Actal).

Dit is eerder gerapporteerd in het Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2012.

8 Hoeveel fte werken er bij deze adviesraden en hoe is de verdeling per adviesraad?

De ondersteuning voor de Raad van deskundigen voor de meetstandaarden bestaat uit 0,2 fte. De secretariële en beleidsondersteuning voor de CITES Commissie is in totaal 1,4 fte. De ambtelijke en secretariële ondersteuning van het College van Actal is 10,89 fte. ‪

9 Welke subsidiestromen zijn gekoppeld aan de adviesraden en hoe groot zijn de subsidiebedragen per adviesraad vanuit het ministerie van Economische Zaken?

Aan de drie adviescolleges zijn geen subsidiestromen gekoppeld.

10 Hoeveel gevraagde en ongevraagde adviezen geven deze adviesraden jaarlijks?

De Raad van deskundigen voor de nationale meetstandaarden brengt één keer in de vier jaar een strategisch advies uit met betrekking tot de nationale meetstandaarden. Daarnaast adviseert de Raad de minister van Economische Zaken in het kader van toezicht op Van Swinden Laboratorium B.V. één maal per jaar over het werkprogramma voor het daaropvolgende jaar en twee maal per jaar over voortgangs- en eindrapportages.

De CITES Commissie levert jaarlijks ongeveer 270 gevraagde adviezen aan de Dienst Regelingen met betrekking tot in- en uitvoer van beschermde uitheemse dier- en plantensoorten conform de EU-verordening over Wildlife Trade. Daarnaast brengt de commissie jaarlijks enkele ongevraagde adviezen uit, zoals een wetenschappelijke beoordeling van de soortenvoorstellen die mondiaal gedaan worden in het kader van het CITES-verdrag en in het kader van de Scientific Review Group van de Europese Commissie.

Actal adviseert jaarlijks over tien omvangrijke wetsvoorstellen. Daarnaast brengt Actal ook ongeveer tien ongevraagde adviezen aan het kabinet uit over bestaande wetgeving.

11 Welk van de gevraagde en ongevraagde adviezen zijn effectief?

De Raad van deskundigen voor de nationale meetstandaarden staat dicht bij de uitvoering van de ontwikkeling en het beheer van de nationale meetstandaarden bij Van Swinden Laboratorium B.V. Alle adviezen hebben dan ook een vrijwel directe doorwerking.

De adviezen van de CITES Commissie aan Dienst Regelingen zijn verplicht op grond van de EU-regelgeving en worden volledig opgevolgd. De overige adviezen spelen een rol bij de standpuntbepaling van Nederland op het gebied van het CITES Verdrag en bij discussies in Brussel over het EU-beleid ten aanzien van handel in beschermde dier- en plantensoorten.

De adviezen van Actal spelen een rol bij het verminderen van de regeldruk voor bedrijven, burgers en professionals. Zowel de adviezen over voorgenomen als die over bestaande wetgeving dragen ertoe bij dat beleidsafwegingen transparant worden gemaakt en dat minder belastende alternatieven worden benut. Actal fungeert daarbij voor grote beleidstrajecten als kenniscentrum voor het verminderen van regeldruk. De Regeldrukaudit van Actal biedt het kabinet en beide Kamers der Staten-Generaal bovendien inzicht in welke mate en op welke wijze het kabinet de aandacht voor het verminderen van regeldruk structureel heeft geborgd.

12 Kunt u toelichten welke maatregelen u concreet gaat nemen om de regeldruk in de landbouw, tuinbouw en visserij te verminderen?

De minister van Economische Zaken heeft samen met zijn collega’s van BZK en voor Wonen en Rijksdienst op 25 april 2013 de programmabrief «Goed geregeld, een verantwoorde vermindering van regeldruk 2012–2017» aan uw Kamer aangeboden (Kamerstuk 29 362, nr. 212). Naast een generieke aanpak gericht op alle doelgroepen in Nederland is er onder andere voor de Agri- en Foodsector een specifieke maatwerkaanpak regeldruk. Deze maatwerkaanpak bevindt zich momenteel in de opstartfase. Samen met de sector wordt geïnventariseerd welke aanvullende knelpunten aangepakt moeten worden. Afhankelijk daarvan zal ik daarna in overleg met de sector bezien welke maatregelen daarvoor wenselijk en noodzakelijk zijn.

Concrete maatregelen die daarnaast spelen, betreffen:

  • dierrechten. De uitkomst van de discussie met uw Kamer over het mogelijk afschaffen van het dierrechtenstelsel in 2015 bepaalt of hiermee al dan niet een lastendrukvermindering kan worden gerealiseerd.

  • afschaffing van het bedrijfsregister. Reductie van de regeldruk in de land- en tuinbouw is mogelijk door afschaffing van het bedrijfsregister voor agrarische bedrijven. Dit is mede afhankelijk van besluitvorming in de EU.

  • het bewerkstelligen van digitale informatie-uitwisseling tussen verschillende ketenpartijen over de toepassingsvoorwaarden van gewasbeschermingsmiddelen.

  • met de Programmatische Aanpak Stikstof wordt beoogd de administratieve lasten van onder meer veehouderijen te verminderen.

  • het in behandeling zijnde wetsvoorstel natuurbescherming leidt naar verwachting tot een vermindering van de regeldruk voor de genoemde sectoren.

13 Kunt u aangeven hoe u zich ervoor gaat inzetten dat de administratieve lasten als gevolg van de wet- en regelgeving, die nu tot stand komt onder deze kabinetsperiode, gaan dalen voor de landbouw, tuinbouw en visserij?

Bij het tot stand komen van nieuwe wet- en regelgeving maak ik standaard inzichtelijk wat de effecten zijn op de administratieve lasten voor de land- en tuinbouw en visserij. Deze inzichten zijn belangrijk bij het proces van totstandkoming. De uiteindelijke effecten staan beschreven in de toelichting bij betreffende wet- en regelgeving. Bij dit alles streef ik ten minste naar het netto gelijk blijven, en zo mogelijk naar het verminderen van de lastendruk. Ik verwijs u voor de concrete maatregelen om de regeldruk te verminderen naar het antwoord op vraag 12.

14 Kunt u een overzicht geven van alle subsidierelaties van het ministerie van Economische Zaken van meer dan € 10.000?

Ik verwijs u naar het antwoord op de vragen 19 t/m 24.

15 Op welke wijze zal de niet-uitgekeerde prijsbijstelling worden verwerkt in de begroting, en wordt er gekozen om de prijsbijstelling generiek over de begrotingsposten te verspreiden of worden er specifieke bezuinigingen getroffen?

Uitgekeerde prijsbijstellingen worden in principe gebruikt om uitgavenbudgetten binnen de EZ-begroting (meerjarig) te indexeren voor prijsstijgingen. Nu het kabinet besloten heeft om de meerjarige doorwerking van de tranche 2013 van de prijsbijstelling 2013 niet aan de departementen uit te keren, worden de budgetten in nominale termen niet geïndexeerd voor de inflatie 2013. Binnen de begroting EZ is er niet voor gekozen om hiervoor bepaalde begrotingsposten te compenseren.

16 Kunt u kortingen op subsidieregelingen, die het gevolg zijn van de kortingen, ombuigingen en prijsbijstellingen, voor de begrotingsbehandeling aan de Kamer zenden, zodat aanvragers op tijd gewaarschuwd worden als subsidiebedragen verlaagd worden in 2014?

In de ontwerpbegroting 2014 zijn twee taakstellingen budgettair verwerkt die betrekking hebben op beleidsgeld (waaronder subsidieregelingen). Dit betreffen:

  • 1) De departementale bijdrage aan het € 6 miljard pakket en;

  • 2) Taakstelling Beperken subsidies bedrijfslevenbeleid en Topsectoren.

Voor de eerste taakstelling is op pagina 29 van de ontwerpbegroting een overzicht met de verdeling per beleidsartikel opgenomen. Het gaat om een taakstelling van totaal € 9,4 miljoen verdeeld over de programma-uitgaven in de beleidsartikelen 11, 12, 14, 16 en 18. Voor de tweede taakstelling verwijs ik u naar het overzicht op pagina 31 van de ontwerpbegroting.

17 Kunt u aangeven per Natura 2000-gebied hoe ofwel het beheerplan is vastgesteld, ofwel wanneer het naar verwachting zal worden vastgesteld en wanneer de deadline is van vaststelling (drie jaar na aanwijzing)?

Conform de motie Verhoeven/Van Veldhoven (Kamerstuk 32 670, nr. 80) zet ik er op in om de beheerplannen van Natura 2000-gebieden die voor 2012 zijn aangewezen, uiterlijk voor de zomer van 2014 vast te stellen en om de overige beheerplannen uiterlijk voor de zomer van 2015 vast te stellen. Daarbij vertrouw ik erop dat bij de gebieden waar de provincies voortouwnemer zijn, zij deze beheerplannen naar behoren en via een goed gebiedsproces afronden. In het kader van de decentralisatie zijn zij daar ook voor verantwoordelijk. In bijlage 1 vindt u de stand van zaken voor alle Natura 2000-gebieden.

18 Kunt u aangeven hoeveel geld er nu in totaal (bij het Rijk, provincies en derden) beschikbaar is voor de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en welke financiële opgave er ligt?

Voor de Programmatisch Aanpak Stikstof (PAS) zijn in totaal de volgende middelen beschikbaar:

  • De bij het ministerie van Economische Zaken nog beschikbare middelen voor de PAS voor de jaren 2014 (€ 29,9 miljoen) en 2015 t/m 2018 (€ 13,5 miljoen), als onderdeel van de oorspronkelijke intensivering voor de PAS van het kabinet Rutte-I van € 120 miljoen.

  • In het natuurpact (Kamerstuk 33 576, nr. 6) heb ik met provincies afspraken gemaakt over de ontwikkeling en het beheer van natuur in Nederland. Dit omvat het (herstel)beheer en hydrologische maatregelen voor de PAS, alsook de verwervings- en inrichtingsopgave onder andere in het kader van de PAS. Voor de dekking van het geheel van de afspraken in het Natuurpact verwijs ik naar hoofdstuk 4 van het Natuurpact.

Over de verwachte kosten voor Natura 2000 en PAS heb ik u reeds geïnformeerd bij beantwoording van het schriftelijk overleg Natuur- en milieueffecten veehouderij inclusief PAS d.d. 4 februari 2013 (Kamerstuk 33 037, nr. 42). Met bovenstaande middelen is invulling gegeven aan de financiële opgave die er ligt.

19 Welke exacte bedragen zijn er aan welke organisaties toegekend?

20 Welke organisaties, waaraan subsidies worden verstrekt, treden met dat geld zelf op als subsidieverstrekkers en welke specifieke doelen uit de aanvraag zijn gehonoreerd en waarom?

21 Aan welke organisaties verstrekken, de in de vorige vraag genoemde organisaties, subsidie, wat is de hoogte van de verstrekte subsidies en welke specifieke doelen uit de aanvraag zijn gehonoreerd en waarom?

22 Welk deel van de toegekende subsidies gaat naar andere overheden en zijn deze gelden geoormerkt? Zo ja, waarvoor?

23 Hoeveel van deze gelden worden door andere overheden aan derde partijen middels subsidie verstrekt?

24 Voor welke tijdsspanne zijn of worden er juridische verplichtingen aangegaan met betrekking tot subsidieverstrekkingen ten aanzien van de vorige twee vragen?

Voor een overzicht van alle subsidies verwijs ik u graag naar de subsidiebijlage van de begroting (vanaf pagina 251). In deze bijlage treft u per beleidsartikel de subsidieregelingen en de overige subsidies en bijdragen aan ZBO's en overige organisaties aan.

Voor de subsidieregelingen geldt de plicht tot een vijfjarige evaluatie. In de subsidiebijlage is opgenomen wanneer de laatste evaluatie heeft plaatsgevonden (met hyperlink naar vindplaats) en wanneer de volgende evaluatie zal plaatsvinden. Uw Kamer wordt ook regelmatig geïnformeerd over de resultaten van deze evaluaties. Als voorbeelden noem ik de Evaluatie investeringsregeling duurzame stal- en houderijsystemen (27 november 2012, Kamerstuk 28 973, nr. 128) en de Evaluatie van de regeling Praktijknetwerken en de regeling Marktintroductie energie-innovaties (23 april 2013, Kamerstuk 28 625, nr. 162).

Naast de periodieke evaluaties vindt in 2014 een Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) plaats voor het beleidsartikel 16. In dit onderzoek zullen ook de effecten van het ingezette subsidie-instrumentarium nader worden geanalyseerd. Over de resultaten van dit IBO zal ik uw Kamer informeren.

Voor de EU-subsidiegegevens van de landbouw en de visserij 2012 verwijs ik u naar:

http://www.drloket.nl/databank-eu-subsidiegegevens-2012

25 Welke controlemethodiek gebruikt u aangaande het behalen van doelen, en hoe en hoe vaak vinden evaluaties plaats?

In de begrotings- en beleidscyclus wordt op een systematische wijze aandacht besteed aan het meten van de doeltreffendheid, doelmatigheid en rechtmatigheid van overheidsuitgaven. In de begroting en het jaarverslag gebeurt dit voornamelijk aan de hand van kengetallen en prestatie-indicatoren. Daarnaast wordt in de begroting en jaarverslag verwezen naar achterliggende documenten die eerder naar de Kamer zijn verstuurd en openbaar zijn gemaakt en die beleidsinformatie bevatten over doelbereik, zoals voortgangsrapportages, visiedocumenten, beleidsnota's. In de bijlage bij de begroting is tevens een dekkend overzicht van evaluaties en beleidsdoorlichtingen opgenomen, inclusief de vindplaats van reeds afgeronde en aan de Kamer aangeboden evaluaties.

Per evaluatie wordt gekozen voor een onderzoeksmethodologie die inzicht geeft in de effectiviteit van het beleid. Dat is maatwerk en er is geen standaardmethodologie die bij alle beleidsinstrumenten toepasbaar is. De Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) schrijft voor dat het onderzoek valide en betrouwbaar moet zijn en wat dit van het onderzoek vraagt.

Het aantal evaluaties is afhankelijk van de soort evaluaties. Sommige evaluaties (prestatie-indicatoren) vinden jaarlijks plaats, beleidsartikelen worden periodiek geëvalueerd (bijvoorbeeld eens per vier jaar en tenminste eens in de zeven jaar) en daarnaast vinden er evaluaties plaats op een relevant moment in de beleidscyclus.

Ter verdere verbetering van de meting van de economische effecten van de instrumenten van het bedrijfslevenbeleid heeft de commissie Theeuwes in 2012 het rapport «Durf te meten» opgesteld. In dit rapport adviseert de commissie het departement over evaluatieontwerpen die kunnen worden toegepast om de effecten van beleidsinstrumenten in beeld te brengen. In navolging van mijn toezegging om te verkennen hoe de adviezen en aanbevelingen van de commissie Theeuwes buiten het terrein van het bedrijvenbeleid kunnen worden toegepast is in 2013 binnen EZ een Beleidskwaliteit en -evaluatiecommissie ingesteld die departementsbreed zal toezien op kwaliteitsborging, kennisdeling en kennisopbouw op het gebied van beleidskwaliteit, monitoring en evaluaties.

26 Welke functie binnen uw ministerie beslist uiteindelijk over de toekenning van een subsidie en hoe ziet het traject voor toekenning van een subsidie eruit?

Binnen het ministerie van Economische Zaken beslissen AgentschapNL en de Dienst Regelingen over de toekenning van een subsidie. Daarnaast worden subsidies aan Agrarische scholen toegekend door het Agentschap DUO van het ministerie van OCW. Het traject voor toekenning is afhankelijk van de modaliteiten van de subsidie. Subsidies voor projecten (bijvoorbeeld een tenderregeling) kennen een ander traject dan jaarlijkse subsidies aan instellingen. Alle subsidieregelingen moeten worden uitgevoerd conform de door de minister en staatssecretaris vastgestelde subsidieregelingen en het Uniform Subsidiekader van het ministerie van Financiën.

27 Welke subsidies lopen in 2013 af en worden niet meer geprolongeerd en waarom?

In de subsidiebijlage (vanaf pagina 251) van de begroting wordt een overzicht gegeven van de subsidies die in de begroting van EZ zijn opgenomen en daarbij aangegeven de einddata van de subsidies. Per 1 oktober 2012 is het verplicht om nieuwe subsidieregelingen te voorzien van een einddatum.

Op deze einddatum wordt de regeling beëindigd en kunnen er geen nieuwe aanvragen voor de desbetreffende subsidie worden ingediend. In 2013 lopen de volgende subsidieregelingen af zonder te worden geprolongeerd:

Art. nr.

Subsidie

Waarom?

12

Seed capital techonstarters (Vroege fase/Informal Invastors)

Eenmalige subsidie in kader van stimuleringspakket

 

Syntens

Per 2014 gaat Syntens op in de ZBO Kamer van Koophandel. Van de ZBO wordt de financiering verantwoord op beleidsartikel 13

13

Stichting voor Industriebeleid en Communicatie

Twee redenen: 1) De Stichting gaat op in Techniektalent.nu. 2) het betrof een tijdelijke subsidie. De stichting zou na afloop van de subsidie op eigen benen moeten staan.

14

Subsidieregeling zonnepanelen

Tijdelijke subsidie 2012–2013

 

Innovatievouchers elektrische mobiliteit

Incidentele subsidie

16

Meetprogramma duurzame stallen

Incidentele subsidie

 

Investering in aquacultuur

Onderdeel van het Europees Visserij Fonds (EVF) waarbij 2013 het laatste jaar is

 

Compensatieregeling Aalvisserij

Onderdeel van het EVF waarbij 2013 het laatste jaar is

 

Investering in verwerking en afzet

Onderdeel van het EVF waarbij 2013 het laatste jaar is

 

Subsidie innovatie in de visketen

Onderdeel van het EVF waarbij 2013 het laatste jaar is

 

Collectieve acties in de visketen

Onderdeel van het EVF waarbij 2013 het laatste jaar is

 

Subsidie kwaliteit, rendement en nieuwe markten in de visserij

Onderdeel van het EVF waarbij 2013 het laatste jaar is

 

Investering in vissersvaartuigen

Onderdeel van het EVF waarbij 2013 het laatste jaar is

 

Provincie Flevoland: Project Gooijermars

Incidentele subsidie die in 2013 afloopt

 

Stichting Flowers en Food, Winnen aan Waarde

Een incidentele subsidie voor 2 jaar

 

Productschappen Vee, Vlees en Eieren, programma Arbeidsmarkt en opleiding

Afspraak in het regeerakkoord voor het opheffen van product- en bedrijfsschappen, regeling komt te vervallen

 

Wageningen Universiteit Researchcentrum (WUR), hoogleraar leerstoel fysiologie van de bloembollen

Incidentele subsidie waarvan 2013 volgens afspraak het laatste jaar is

 

Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK), Duurzaam Dialoog 2011–2013

Incidentele subsidie waarvan 2013 volgens afspraak het laatste jaar is

 

NAJK subsidie bewust ondernemerschap

Eenjarige subsidie die vervolgens doorloopt in NAJK bewust ondernemen 2013–2015

 

Initiatief Duurzaam Handel, Aquaculture Stewardship Council (ASC)-keurmerk

Incidentele subsidie die in 2013 beëindigd wordt

 

Bijdrage onderzoek bijvangst watervogels IJsselmeer

Is eenmalige bijdrage

 

Productschappen Vee, Vlees en Eieren (PVE), Vaccinatieproeven vleeskalveren

Incidentele subsidie met 2013 als einddatum

 

Bijdrage verbeterplan antibiotica gebruik vleeskuikens

Incidentele subsidie met 2013 als einddatum

18

Marker Wadden

Incidentele subsidie

 

Groen en doen

Incidentele subsidie

 

Schaapskuddes

Incidentele subsidie

 

Stichting Gegevensautoriteit Natuur: exploitatiesubsidies

Incidentele subsidie

De genoemde regelingen onder beleidsartikel 16 die onderdeel uitmaken van het huidige Europees Visserijfonds (EVF) kunnen mogelijk weer terugkomen/onderdeel uitmaken van het operationele programma van het nieuwe Europese Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (2014–2020). De regelingen uit het programma 2007–2013 van het EVF kunnen nog t/m 2015 worden gedeclareerd bij de Europese Unie (zogenaamde N+2 regel).

28 Welke subsidies lopen in 2013 af en worden wel geprolongeerd en waarom?

Onderstaande subsidieregelingen lopen in 2013 af, maar er worden nog wel uitgaven gedaan in volgende jaren. Er kunnen geen nieuwe aanvragen worden ingediend, maar er is sprake van uitfinanciering van de aangegane verplichtingen.

Artikel

Subsidie

12

Prekwalificatie European Space Agency (ESA)/programma’s

 

Innovatiecontracten (inclusief verkenningen)

 

Phase 2

13

Programma Digivaardig & Digibewust

16

Subsidie honingverbetering

18

Nationale Cofinanciering Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) periode 2006–2013

29 Welke maatregelen zijn en worden er binnen uw ministerie genomen met betrekking tot verduurzaming en klimaat en wat zijn de kosten van deze maatregelen?

De begroting staat in het teken van groene groei en daarmee van verduurzaming. Meer in het bijzonder kan ik u melden dat voor de glastuinbouw gewerkt wordt met het publiekprivate Innovatie- en Actie-programma Kas als Energiebron, het CO2 sectorsysteem en de subsidieregelingen Marktintroductie Energie Innovaties (MEI) en InvesteringsRegeling Energiebesparing (IRE). De overheidsinzet hierbij is jaarlijks maximaal € 16 miljoen.

Voor de overige primaire agrosectoren is het Convenant Schone en Zuinige Agrosectoren een belangrijk instrument voor verduurzaming en klimaat. Voor de dierlijke sectoren is daarnaast het mestbeleid, door de reductie van methaanuitstoot bij mestverwerking en -opslag, een belangrijke randvoorwaarde bij het realiseren van de klimaatdoelstellingen. Voor realisatie van de doelen uit Schoon en Zuinig is jaarlijks vanuit EZ circa € 1 miljoen beschikbaar als cofinanciering.

30 Op welke wijze heeft u invulling gegeven of gaat u nog invulling geven aan het kabinetsbesluit om de prijs­bijstelling voor 2013, met effect op de jaren 2014 en verder, niet uit te delen?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 15.

31 Zal geen van de beleidsartikelen worden gecorrigeerd voor prijsstijgingen, of gaat u de totale korting als gevolg van het inhouden van de prijsbijstelling bij een specifiek beleidsterrein beleggen?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 15.

32 Via welke investeringsregeling komen de duurzaamheidsinvesteringen voor het mestbeleid beschikbaar?

In de periode 2010 tot en met 2013 is de module van de Regeling LNV-subsidies «investeringen in milieuvriendelijke maatregelen» opengesteld. Ondernemers hebben in deze periode de mogelijkheid om subsidie aan te vragen voor verschillende categorieën, waaronder mestbewerking, precisielandbouw en mestopslag voor dierlijke meststoffen.

De module «investeringen in nieuwe milieuvriendelijke maatregelen» maakt onderdeel uit van de begrote bedragen in bijlage 4.6 onder 16.1.

33 Waarom wordt er geen afzonderlijke beleidsdoorlichting over begrotingsartikel 16 uitgevoerd?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 159.

34 Wat is de taakverdeling en kostenverdeling tussen de ministeries van Economische Zaken en Infrastructuur & Milieu met betrekking tot de PAS?

Met betrekking tot de PAS is de staatssecretaris van Economische Zaken eindverantwoordelijk. De minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken stellen gezamenlijk het Programma Aanpak Stikstof vast. Voor de kosten (verdeling) van de PAS zie mijn beantwoording bij vraag 18.

35 Welke effecten heeft het verhogen van de maximumsnelheid naar 130 km per uur voor de ontwikkelingsruimte die beschikbaar is in de PAS en zijn de knelpunten bekend waar ontwikkelingsruimte nagenoeg onmogelijk zal blijken?

De verhoging van de maximumsnelheid tot 130 kilometer per uur is onderdeel van de autonome ontwikkelingen die het uitgangspunt vormen voor de bepaling van de benodigde maatregelen van het programma aanpak stikstof. Bij autonome ontwikkelingen is – aangezien het daar niet gaat om projecten of andere handelingen in de zin van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 – geen sprake van toedeling of reservering van ontwikkelingsruimte.

36 Heeft u sinds 10 oktober 2010 verklaringen van geen bezwaar gegeven voor de vergunningverlening door Rijkswaterstaat op de BES-eilanden, anders dan voor de uitbreiding van de pier bij Karels beach bar op Bonaire?

Op grond van de Wet Maritiem beheer BES vindt de vergunningverlening door Rijkswaterstaat voor wat betreft natuur plaats in overeenstemming met het ministerie van Economische Zaken. In de procedure geeft de staatssecretaris van Economische Zaken geen verklaring van geen bezwaar, maar een advies over de effecten van de aanvraag voor natuur en indien van toepassing de voorwaarden waaronder de activiteiten plaats kunnen vinden. Sinds 10 oktober 2010 is er naast de aanvraag genoemd in de vraag in zes vergunningprocedures in het kader van de Wet Maritiem beheer BES een advies gegeven. In deze procedures is vanuit natuuroogpunt het advies geweest dat de aangevraagde activiteit aangepast dan wel onder voorwaarden vergund kon worden

37 Wat is de stand van zaken met betrekking tot het wetsvoorstel aangaande een verbod op wilde dieren in het circus en is dit wetsvoorstel al aanhangig gemaakt bij de Raad van State?

Zoals aangegeven in de beleidsbrief Dierenwelzijn van 4 oktober jl. (Kamerstuk 28 286, nr. 651), zal ik uw Kamer over het in het regeerakkoord opgenomen verbod op wilde dieren in het circus nog nader informeren.

38 Wanneer verwacht u de Kamer te kunnen informeren naar aanleiding van de evaluatie van de landgoederenregeling Natuurschoonwet (NSW)?

Ik zal u de resultaten medio 2014 doen toekomen.

39 Kunt u een overzicht geven van de bestuurlijke overleggen die gepland staan met het Interprovinciaal Overleg (IPO) danwel met de Waterschappen tot het einde van 2013?

40 Kunt u een overzicht geven van de bestuurlijke overleggen die gepland staan met het IPO, danwel de Waterschappen in 2014?

Er worden geregeld met het IPO en/ of de Unie van Waterschappen Bestuurlijke Overleggen gevoerd over de verschillende onderwerpen in de portefeuille van de staatssecretaris van Economische Zaken. Uw Kamer wordt geïnformeerd, wanneer dit aan de orde is.

41 Wanneer zijn de provincies voor het eerst geïnformeerd over de kasschuif ten aanzien van de intensivering natuur in 2014 en 2015?

De provincies zijn geïnformeerd op Prinsjesdag.

42 Wanneer zijn de Terrein Beherende Organisaties (TBO’s) voor het eerst geïnformeerd over de kasschuif ten aanzien van de intensivering natuur in 2014 en 2015?

De TBO’s hebben op Prinsjesdag kennis kunnen nemen van de Rijksbegroting.

43 Kunt u een overzicht geven van welke vogelsoorten in Nederland beschermd zijn onder de Vogel- en Habitatrichtlijn, waar in andere EU-lidstaten actief op gejaagd mag worden?

De Vogelrichtlijn is van toepassing op alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten, waarop het EU-verdrag van toepassing is. Met uitzondering van bij Algemene Maatregel van Bestuur aangewezen gedomesticeerde vogels, zijn alle voornoemde vogelsoorten derhalve ook in Nederland beschermd. De Vogelrichtlijn staat de jacht op beschermde vogels toe onder voorwaarde dat de jacht geen afbreuk doet aan de gunstige staat van instandhouding van de soort en dat de soort is aangewezen in Bijlage II bij de Vogelrichtlijn.

Vogelsoorten waarop (op basis van voornoemde bijlage) in één of meer andere EU-lidstaten gejaagd mag worden, maar niet in Nederland, zijn de Knobbelzwaan, Kleine rietgans, Rotgans, Krooneend, Eidereend, IJseend, Zwarte zee-eend, Grote zee-eend, Brilduiker, Middelste zaagbek, Grote zaagbek, Hazelhoen, Moerassneeuwhoen, Korhoen, Auerhoen, Barbarijse patrijs, Aziatische steenpatrijs, Kwartel, Wilde kalkoen, Waterral, Waterhoen, Scholekster, Zilverplevier, Kievit, Kanoetstrandloper, kemphaan, Grutto, Rosse grutto, Regenwulp, Wulp, Zwarte ruiter, Tuureluur, Groenpootruiter, Kokmeeuw, Geelpootmeeuw, Stormmeeuw, Kleine mantelmeeuw, Zilvermeeuw, Grote mantelmeeuw, Holenduif, Turkse tortel, Tortelduif, Veldleeuwerik, Merel, Kramsvogel, Zanglijster, Koperwiek, Grote lijster, Spreeuw en Roek.

44 Hoe legt u het Aichi doel 11 uit en wat gaat u doen om dit doel te realiseren in Nederland?

Ik leg dit uit als het areaal op land (inclusief de grote zoete wateren en Waddenzee) en op zee dat een beschermde status heeft. Nederland draagt bij aan dit Achi-doel met onder andere het Natuurnetwerk Nederland en via de aanwijzing van Natura 2000-gebieden.

In Caribisch Nederland bestaat de bijdrage aan dit Aichi-doel uit een goed beheer van de natuurparken van de eilanden (onder water en land) en de Sababank.

45 Hoeveel budget is voorzien voor natuur in deze kabinetsperiode in 2014?

We verminderen de ombuigingen die het kabinet Rutte-I heeft doorgevoerd. Natuur krijgt met de extra middelen uit het regeerakkoord en de afspraken in het Natuurpact een forse impuls. In deze kabinetsperiode (2013–2017) zal vanuit rijksmiddelen in totaal € 1 miljard extra geïnvesteerd worden in de kwaliteit en omvang van de natuur (Kamerstuk 30 825, nr. 189, Kamerstuk 33 576, nr. 6). Vanaf 2018 zal structureel € 200 miljoen per jaar extra beschikbaar zijn.

In 2014 is het beschikbare bedrag minimaal € 385 miljoen (€ 240 miljoen vanuit artikelonderdelen 18.2 «Wederzijds versterken van ecologie en economie» en 18.3 «Behouden van de (inter)nationale biodiversiteit en versterken van onze natuur», € 145 miljoen via de op basis van het eerder gesloten Bestuursakkoord natuur overgehevelde middelen naar het provinciefonds voor beheer van natuur en afronding van het ILG). Dit bedrag is exclusief de middelen die provincies en derden zelf inzetten voor natuur, waarover in het Bestuursakkoord Natuur en het Natuurpact afspraken zijn gemaakt.

46 Hoeveel hectare nieuwe Ecologische Hoofdstructuur (EHS) gaat dit kabinet realiseren in 2014?

In het Natuurpact is afgesproken dat in de periode 2011 tot en met 2027 door de provincies 80.000 hectare nieuwe natuur zal worden ingericht. Het betekent dat in deze periode jaarlijks gemiddeld 5.000 hectare nieuwe natuur wordt toegevoegd aan het Natuurnetwerk Nederland.

47 Hoeveel budget wordt toegevoegd aan het provinciefonds ter compensatie van het decentraliseren van agrarisch natuurbeheer?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 451.

48 Om welke redenen is de Gegevensautoriteit Natuur niet meer opgenomen in de begroting 2014?

Sinds 2010 is het budget voor de Gegevensautoriteit Natuur niet meer in de Rijksbegroting opgenomen. De Gegevensautoriteit Natuur is sinds 2010 verzelfstandigd tot de stichting Gegevensautoriteit Natuur (sGaN). Wel is door middel van een subsidie tot en met 2013 het exploitatie tekort van de sGaN gedekt.

49 Welke kwantificeerbare natuurdoelstellingen hanteert u voor de begroting 2014?

Voor de begroting 2014 zijn de gekwantificeerde natuurdoelstellingen weergegeven als indicatoren in begrotingsartikel 18. U vindt deze indicatoren op pagina 118, 127 en 131 van de begroting.

50 Op welke wijze gaat u de Kamer over het behalen van de internationale doelen informeren, naast de online ingevulde formats, zie antwoord 1, 6, 7 en 8 in Kamerstuk 30 825, nr. 192?

De gezamenlijke monitoringssystematiek hangt samen met de nieuwe afspraken uit het Natuurpact. Ik zal u voor het einde van het jaar informeren over deze monitoringssystematiek.

51 Worden de doelen van de PAS nu in latere jaren bereikt?

Het doel van de Programmatische Aanpak Stikstof is om de achteruitgang van de biodiversiteit verbonden met de stikstofgevoelige habitats een halt toe roepen en een duurzame economische ontwikkeling mogelijk te maken. Daarmee draagt de PAS bij aan het behalen van de natuurdoelen, bijvoorbeeld door herstelbeheer en hydrologische maatregelen.

52 Wordt het Natuurpact, of onderdelen daarvan, nog verwerkt in een aanvullende of afzonderlijke begrotingswet? Zo ja, in welke?

De middelen dit ik inzet voor het natuurpact zijn opgenomen in de ontwerpbegroting 2014 onder artikelonderdeel 18.3. Deze middelen zal ik bij voorjaarnota 2014 (eerste suppletoire) via het provinciefonds beschikbaar stellen aan de provincies.

53 Waardoor wordt het verschil verklaard tussen de € 151 miljoen te decentraliseren middelen uit de begroting 2013 (18.4) naar de integratie uitkering in het provinciefonds (opvolger 18.4) van € 145 miljoen?

In het bedrag van de ontwerpbegroting 2013 is de bijdrage aan natuurcompensatie Westerschelde (€ 6 miljoen in 2014) nog als «te decentraliseren» opgenomen. Conform de ILG afrondingsovereenkomst met de provincie Zeeland die eind 2012 is overeengekomen, wordt dit niet gedecentraliseerd. Dit is bij voorjaarsnota 2013 verwerkt in de begroting. Dit verklaart het verschil van € 6 miljoen tussen de € 151 en de € 145 miljoen.

54 Kunt u aangeven onder welke begrotingsartikelen en daarbinnen op welke onderdelen, vrije ruimte is in de begroting?

In onderstaande tabel treft u de percentages «juridisch verplicht» aan. Deze percentages zijn per beleidsartikel ook opgenomen in de tabellen «budgettaire gevolgen van beleid». Onder elke tabel is onder het kopje «budgetflexibiliteit» een toelichting per instrumentcategorie (leningen, subsidies, opdrachten, bijdragen aan agentschappen enz.) opgenomen. Van de totale geraamde beleidsuitgaven van EZ voor 2014 (circa € 4,7 miljard) is circa € 4 miljard (87%) juridisch verplicht. Het niet-juridisch verplichte deel bedraagt dus circa € 0,7 miljard (13%). Deze middelen zijn beleidsmatig belegd en voor een deel bestuurlijk gebonden.

De budgettaire verdeling over de verschillende beleidsonderdelen/financiële instrumenten en de toelichting daarop is opgenomen in de afzonderlijke beleidsartikelen.

Art.

nr.

Omschrijving

 
   

Uitgaven 2014

Juridisch verplicht 2014

 

Beleidsartikelen

4.664.459

4.041.013

87%

11

Goed functionerende economie en markten

197.794

193.838

98%

12

Een sterk innovatievermogen

814.790

570.353

70%

13

Een excellent ondernemingsklimaat

319.466

277.935

87%

14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

1.538.633

1.323.224

86%

16

Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

565.726

486.524

86%

17

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

795.701

795.701

100%

18

Natuur en Regio

432.349

393.438

91%

55 Kunt u aangeven wat uw operationele doelen zijn, die worden beoogd met de begroting voor aankomend jaar, op het gebied van verduurzaming van productie en consumptie van voedsel?

Ik verwijs u hiervoor naar de beleidsbrief Duurzame Voedselproductie die ik op 11 juli jl. aan uw Kamer heb verzonden (Kamerstuk 31 532, nr. 118).

56 Kunt u aangeven wat uw operationele doelen zijn die worden beoogd met de begroting voor aankomend jaar, op het gebied van sluiten van kringlopen?

Hiervoor is geen aparte operationele doelstelling benoemd. Het sluiten van kringlopen is in mijn ogen namelijk integraal onderdeel van het mestbeleid en de verduurzaming van de veehouderij.

57 Kunt u aangeven wat uw operationele doelen zijn die worden beoogd met de begroting voor aankomend jaar, op het gebied van bevordering van agrobiodiversiteit?

Het doel van het beleid ten aanzien van functionele agobiodiversiteit (het FAB-beleid) is dat het gebruik van agrobiodiversiteit integraal onderdeel wordt van de bedrijfsvoering van elke grondgebonden agrarische ondernemer. Tevens moet het op het gebied van de drie p’s (people, planet, profit) renderen voor zowel de sector als de maatschappij zodat dit optimale meerwaarde biedt voor zowel de biodiversiteit als de agrarische productie. Op het onderwerp Functionele Agrobiodiversiteit wordt komend jaar kennis ontwikkeld op gebied van bodembiodiversiteit binnen het Topsectorenbeleid.

58 Wanneer kan de Kamer uw bijenactieplan tegemoet zien?

In mijn overleg met uw Kamer van 16 mei 2013 over bijensterfte heb ik u aangegeven het initiatief te nemen om samen met alle betrokkenen een gemeenschappelijk meerjarig actieprogramma over bijengezondheid te ontwikkelen, voor de korte en de langere termijn, waarbij een gezamenlijk gedragen programma het doel is. Er hebben inmiddels diverse bijeenkomsten plaatsgevonden. Eind oktober zal het programma aan mij worden aangeboden. Ik zal het voor het einde van het jaar aan uw Kamer sturen, voorzien van mijn standpunt daarop.

59 Wat zijn de kosten van de inzet van ambtenaren voor het toekennen en afhandelen van de Gemeenschappelijke Landbouw- en Visserijsubsidies?

De totale uitvoeringskosten voor 2014 worden ingeschat op € 133 miljoen inclusief de medebewindstaken (zie onderstaande specificatie).

1. 1e pijler GLB: Inkomenssteun en markt- en prijsbeleid (ELGF – Europees Landbouw en Garantiefonds)

2014

Dienst Regelingen (DR)

€ 66 mln.

NVWA

€ 8,7 mln.1

Medebewind

€ 19,5 mln.

Totaal

€ 94,2 mln.

   

2. 2e pijler GLB. EU-plattelandsbeleid (ELFPO Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling)

 

DR/DLG

€ 32,7 mln.

NVWA

€ 4,2 mln. 1

Regiebureau POP

€ 0,75 mln.

Totaal

€ 37,65 mln.

   

3. EFMZV – Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij

 

EU (uitvoering DR)

€ 0,4 mln.

DR

€ 0,8 mln.

NVWA

€ 0,03 mln.

Totaal

€ 1,23 mln.

   

TOTAAL

€ 133,08 mln.

X Noot
1

voor de NVWA zijn dit de cijfers in de begroting 2013. Zoals gemeld in het antwoord op vraag 509 wordt de Kamer in november nader geïnformeerd over uitvoeringskosten bij NVWA in 2014.

60 Hoeveel geld is er begroot voor inbreukprocedures en boetes van de Europese Unie (EU) wegens het niet nakomen van Europese verplichtingen en waar is dit in de begroting opgenomen?

Voor 2014 en volgende jaren is voor inbreukprocedures en boetes van de Europese Unie jaarlijks € 7.269.000 begroot. Dit bedrag staat vermeld bij artikel 16 in de tabel «budgettaire gevolgen van beleid» (pagina 88). Daarnaast is er een interne begrotingsreserve voor inbreukprocedures en boetes van de Europese Unie. De stand van de begrotingsreserve is per 31 december 2012 € 166.805.000. Deze tabel staat op pagina 90 van de begroting.

61 Wat zijn de kosten van de inzet van ambtenaren op het mestbeleid, inclusief de inzet in Brussel om tot aanpassing van de Europese regels te komen?

De kosten voor inzet van EZ-ambtenaren voor ontwikkeling en verantwoording rond mestbeleid (inclusief inzet voor de Nitraatrichtlijn en Meststoffenverordening) zijn constant en bedragen op jaarbasis ruim € 800.000. De precieze bedragen voor de kosten in 2014 van uitvoering (inclusief uitvoeringscommunicatie), controle en handhaving van het mestbeleid door Dienst Regelingen en NVWA zijn nog niet bekend. In 2013 zijn de volledige uitvoeringskosten van Dienst Regelingen op basis van een kostendekkend tarief, waarin de personeelskosten zijn verdisconteerd, ongeveer € 17 miljoen. Aangetekend hierbij dient te worden dat € 1,6 miljoen aan inkomsten verwacht wordt uit leges. Voor inzet van medewerkers van de NVWA in 2013 is een bedrag van bijna € 8,1 miljoen voorzien, exclusief de inzet van de NVWA-Inlichtingen en Opsporingsdienst.

62 Wat zijn de kosten van de inzet van ambtenaren op het dossier PAS?

Vanuit het kerndepartement van het ministerie van Economische Zaken wordt met ongeveer 8 fte (€ 720.000 per jaar) aan de PAS gewerkt. Gezien de brede toepasbaarheid van het instrument PAS, wat daarmee meerdere beleidsterreinen raakt, leidt dit ook tot inzet vanuit andere domeinen op mijn departement en andere overheden. Verder is DLG voor onderdelen van de PAS opdrachtnemer.

63 Wat zijn de kosten van de inzet van ambtenaren van de ammoniak- en fijnstofregelgeving en (subsidie)maatregelen?

De kosten van de inzet van EZ-ambtenaren van de ammoniak- en fijnstofregelgeving en (subsidie)maatregelen zijn vrijwel gelijk met die van 2013, namelijk ongeveer € 180.000. Ik verwijs u naar Kamerstuk 33 400-XIII, nr. 36.

64 Welke doelen met betrekking tot het stimuleren van biologische landbouw streeft u na?

65 Welke meetbare indicatoren kunt u geven voor de impuls van het aanbod van biologische producten?

Op grond van de Beleidsnota biologische landbouwketen 2008–2011 (Kamerstuk 29 842, nr. 15) is gewerkt aan de verdere verzelfstandiging van de biologische sector. Vanaf 2012 is, zoals in de nota was aangekondigd, het beleid op biologische landbouw geïntegreerd in algemeen landbouwbeleid als één van de vormen van duurzame landbouw. Dit, in overleg met het biologische bedrijfsleven. Daarmee zijn de doelen voor het stimuleren van biologische landbouw gelijk aan die van de reguliere landbouw. Wel ondersteun ik de biologische keten actief om aansluiting te vinden in het topsectorenonderzoek. Ik verwijs u eveneens naar het antwoord op vraag 176. Daarnaast draag ik in 2014 met een tijdelijke projectsubsidie van € 130.000 aan de sectororganisatie Bionext nog bij aan beleidsrelevante projecten die voor de sector van belang zijn en dienen om verder te professionaliseren.

66 Kunt u een overzicht geven van de samenwerkingsverbanden met ketenpartners om duurzame voedselinnovaties op de markt te brengen, van de deelnemers hieraan, van wat de overheid hieraan heeft bijgedragen, van hoeveel het bedrijfsleven heeft geïnvesteerd en van welke duurzame voedselinnovaties hieruit zijn voortgekomen?

De Alliantie Verduurzaming Voedsel bestaat uit de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie, Koninklijke Horeca Nederland, Vereniging Nederlandse Cateringorganisaties, Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland en het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel en is van start gegaan in januari 2013. De Alliantie heeft de Agenda Verduurzaming Voedsel 2013–2016 in samenwerking met EZ opgesteld. EZ heeft hier geen specifieke middelen voor gereserveerd maar draagt indien mogelijk bij via bestaand instrumentarium.

De Alliantie is de opvolger van het Platform Verduurzaming Voedsel met dezelfde ketenpartners en EZ. Het Platform is gestart in 2009 en is eind 2012 afgerond. In totaal is er in 3 jaar ongeveer € 12 miljoen besteed. Hiervan is € 5,85 miljoen financiering van het ministerie van Economische Zaken, verdeeld over projecten, onderzoek, communicatie, informatiesysteem en procesondersteuning. De overige € 6,2 miljoen zijn bijdragen door het bedrijfsleven aan de innovatiepilots in cash en in kind. Resultaten van het platform zijn onder meer de gezamenlijke werkdefinitie over verduurzaming van voedsel incl. verduurzamingsthema’s, 51 pilotprojecten, het Informatie-Systeem Verduurzaming Voedsel (www.duurzamereten.nl ) met als doel de transparantie over verduurzaming binnen de voedselketen te vergroten, de Werkgroep voedselverliezen en verwaarding reststromen en gezamenlijke communicatieactiviteiten als de website www.verduurzamingvoedsel.nl , 9 nieuwsbrieven, 3 jaaroverzichten en verschillende events.

Naast het Platform was er het Convenant Marktontwikkeling Verduurzaming Dierlijke Producten dat liep van 2009 tot en met 2011. Deelnemers waren het voormalig ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland, Nederlandse Organisatie van Pluimveehouders, Centraal Bureau Levensmiddelenhandel, Vereniging Nederlandse Cateringorganisaties, Centrale Organisatie voor de Vleessector, Vereniging van de Nederlandse Pluimveeverwerkende Industrie, Algemene Nederlandse Vereniging van Eierhandelaren, Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren en de Koninklijke Nederlandse Slagersorganisatie.

In het totaal is in dit convenant ruim € 2,5 miljoen besteed waarvan € 2 miljoen aan 32 projecten gericht op het ontwikkelen van zowel aanbod als vraag naar dierlijke producten die met meer aandacht voor dierenwelzijn geproduceerd zijn. Het ging daarbij om haalbaarheidsonderzoeken, marktverkenningen en ondersteuning van voorlichtingsprojecten aan consumenten. Een belangrijk resultaat is de verdere ontwikkeling en omzetgroei van producten met het Beter Leven Kenmerk. De overige middelen zijn besteed aan beheer.

Het samenwerkingsverband Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij (UDV) is met name gericht op verduurzaming in de primaire sector. Deelnemers zijn LTO, de Nederlandse Vereniging voor Diervoederindustrie (Nevedi), het Centraal Overleg voor de Vleessector (COV), de Nederlandse Zuivelorganisatie (NZO), de Dierenbescherming, Natuur & Milieu, de Rabobank, de provincies, het groene onderwijs en het ministerie van Economische Zaken. Omdat deze verduurzaming in sommige gevallen leidt tot een hogere kostprijs heeft een aantal UDV partners initiatieven ontplooid voor de vermarkting van duurzame dierlijke producten. Hiervoor wordt niet zozeer ingezet op technische voedselinnovaties maar meer op markt- en keteninnovaties.

Naast het Platform/de Alliantie en het genoemde (en al beëindigde) Convenant zijn er momenteel geen samenwerkingsverbanden met ketenpartners om duurzame voedselinnovaties op de markt te brengen. Wel is het voor partijen uit de voedingssector mogelijk om PPS-en in te dienen onder de Topsector Agri&Food en de Topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen, die kunnen leiden tot duurzame voedselinnovaties. Ook wordt er vanaf 2014 meer aandacht besteed aan mogelijke «doorbraakprojecten» op het gebied van duurzaamheid onder de topsector Agri&Food.

Ook de Taskforce Voedselvertrouwen is op dit moment aan het werk.

67 Bent u bereid om met een plan van aanpak te komen om de lokale effecten op de biodiversiteit van de buitenlandse productie van agrarische producten, alsmede producten ten behoeve van de agrarische producten hier, op te stellen, gezien onze verantwoordelijkheid inzake het afremmen van biodiversiteitverlies. Zo ja, op welke wijze en termijn?

De Nederlandse regering draagt bij aan de verduurzaming van agrogrondstofketens en duurzame landbouw om de lokale negatieve effecten op biodiversiteit te verminderen. Hierbij speelt het Initiatief Duurzame Handel een belangrijke rol.

Uw Kamer heeft de «Uitvoeringsagenda Natuurlijk Kapitaal» (Kamerstuk 26 407, nr. 85) ontvangen. Deze agenda concentreert zich specifiek op behoud én duurzaam gebruik van biodiversiteit. Een van de thema’s van de agenda is het verduurzamen van de belangrijkste agrogrondstoffenketens met een grote impact op biodiversiteit. Een ander thema betreft een duurzaam evenwicht tussen landbouw voor voedsel en biodiversiteit via geïntegreerde landgebruikplanning.

De Uitvoeringsagenda draagt bij aan het behalen van het internationale einddoel van het Biodiversiteitverdrag: behoud en duurzaam en eerlijk gebruik van het natuurlijke kapitaal in 2020.

68 Kunt u het budget voor dierenwelzijn nader specificeren per diersoort?

Ik verwijs u naar het antwoord op vragen 199 t/m 202.

69 Wat is op dit moment de stand van zaken met betrekking tot welzijnsmonitoring bij paarden?

In samenwerking met de sector is een welzijnsmonitor protocol voor paarden ontwikkeld volgens de Welfare Quality methode. De sector heeft zelf het initiatief genomen om te komen tot een zelftest (basischeck), gebaseerd op de ontwikkelde welzijnsmonitor en de Gids voor Goede Praktijken en met medewerking van de Faculteit Diergeneeskunde.

70 Per wanneer wilt u het houden van wilde dieren uit het circus hebben geweerd en wanneer kan de Kamer dit wetsvoorstel tegemoet zien?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 37.

71 Het welzijn van dieren in circussen wordt niet genoemd in de begroting, wat is uw inzet voor 2014 op dit gebied en hoe groot is het budget dat hiervoor wordt ingezet?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 37 en de antwoorden op de vragen 199 t/m 202.

72 Is in de begroting rekening gehouden met opvang van wilde dieren uit het circus, als het verbod op verbod wilde dieren in het circus in werking treedt?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 37.

73 Het welzijn van dieren in dierentuinen en dolfinaria wordt niet genoemd in de begroting, wat is uw inzet voor 2014 op dit gebied en hoe groot is het budget dat hiervoor wordt ingezet?

Dierentuinen, waaronder het Dolfinarium, dienen in het bezit te zijn van een dierentuinvergunning. Om de dierentuinvergunning te verkrijgen dient de dierentuin aan diverse voorschriften te voldoen waaronder de voorschriften op het gebied van dierenwelzijn. De uitvoeringskosten van het Dierentuinenbesluit bedragen in 2014 ruim € 370.000.

74 Wat is op dit moment de stand van zaken met betrekking tot de vervolgopdracht gegeven aan Wageningen UR Livestock Research op het in 2012 gereed gekomen rapport «Welzijnsindicatoren voor dierentuindieren. Mogelijkheden voor ontwikkeling van indicatoren.»?

Naar aanleiding van het advies van de wetenschappelijke commissie van de Nederlandse Vereniging van Dierentuinen wordt momenteel bezien of er een vervolgopdracht plaatsvindt. Dit in verband met de verwachte bruikbaarheid van het onderzoek.

75 Hoeveel geld is er gereserveerd voor de controle en de handhaving van de verplichte identificatie en registratie (I&R) voor honden in 2014 en waar is dit in de begroting opgenomen?

Handhaving van het besluit Identificatie en Registratie van honden vindt plaats in het kader van aanpak van malafide/illegale hondenhandel. Voor mijn inzet op dit terrein verwijs ik u naar het antwoord op vraag 509.

76 Hoeveel geld gaat er in 2014 en 2015 naar het subsidiëren of financieren van stallen groter dan 300 NGE in Nederland?

Het is niet bekend hoeveel geld er zal gaan naar stallen groter dan 300 NGE. Schaalgrootte is geen criterium voor de toekenning van een subsidie.

77 In welke landen worden stallen gefinancierd vanuit Nederland?

Vanuit de EZ-begroting worden geen stallen gefinancieerd in het buitenland. Wel kan de Nederlandse veehouderijsector gebruik maken van meerdere generieke instrumenten voor het bedrijfsleven van het ministerie van Buitenlandse Zaken, vooral in landen in Oost Europa, zoals in Oekraïne, maar ook in landen in Afrika en Zuid-Amerika, Azië, zoals China en Vietnam.

78 Hoeveel en wat voor projecten op het gebied van veehouderij zullen er in de komende begrotingsperiode vanuit Nederland (mede) worden gefinancierd in het buitenland en hoeveel en welke projecten zijn gericht op gangbare veehouderij of juist biologische veehouderij?

Nieuwe projecten komen in de loop van het begrotingsjaar binnen door middel van tenders die worden uitgeschreven door AgentschapNL. Daarom is nu nog niet aan te geven welke veehouderijprojecten het komende jaar in dit kader door het ministerie van Buitenlandse Zaken zullen worden gefinancierd.

Ook in de topsector Agri&Food kunnen buitenlandse projecten gericht op veehouderijaspecten worden gefinancierd. Deze projecten zijn gericht op zaken als integrale systeemoplossingen in opkomende en ontwikkelingslanden en de duurzaamheid van importstromen.

79 Hoeveel geld komt de komende periode beschikbaar voor het stimuleren van biologische veehouderij in Nederland?

De biologische veehouderij kan gebruik maken van bestaande financiële regelingen op het gebied van verduurzaming van de veehouderij, zoals de Investeringsregeling duurzame stal- en houderijsystemen (IDSH). Zie verder het antwoord op vraag 64.

80 Kunt u aangeven hoeveel geld er beschikbaar is voor de handhaving van de regelgeving omtrent CITES en kunt u uitsplitsen waar deze kosten precies voor worden gemaakt?

81 Wat is in 2014 uw inzet met betrekking tot de handhaving van het verbod op de illegale handel in dieren, welke streefwaarde wordt gehanteerd en welke operationele doelen zijn er gesteld?

82 Wat zijn de kosten van de inzet van ambtenaren voor de handhaving van handel in flora en fauna?

De handhaving vanuit mijn ministerie wordt uitgevoerd door Dienst Regelingen (DR) en de NVWA. De kosten van NVWA en DR maken onderdeel uit van de bedragen genoemd bij de bijdragen aan agentschappen blz. 121 van de begroting 2014.

Bij de NVWA is voor het toezicht en de opsporing met betrekking tot CITES-regelgeving een budget van € 1,9 miljoen beschikbaar. Daarbij gaat het onder meer om inspecties op internet, herkomst van jachttrofeeën, inspecties bij handelaren,fraude en illegale handel en de samenwerking met de Douane en Politie. Voor het toezicht door de NVWA op de naleving van de houtverordening is € 0,3 miljoen beschikbaar.

DR voert de bestuurlijke handhaving voor CITES en Flora- en faunawet uit. De geraamde kosten bedragen inclusief kosten voor opvang van in beslag genomen dieren € 3,2 miljoen.

Inzake CITES wordt nauw samengewerkt met Politie, Douane en Openbaar Ministerie (OM). Regelmatig vindt overleg plaats om de handhavingsprioriteiten en activiteiten op elkaar af te stemmen. In dit overleg worden concrete doelen geformuleerd. De vaststelling van deze doelen is opsporingsgevoelige informatie. Streefwaarden zijn in opsporingszaken niet vast te stellen.

83 Kunt u aangeven of onderzoek naar meer diervriendelijke vangst- en dodingstechnieken in de zee- en kustvisserij en in de aquacultuursector ook wordt gesubsidieerd uit het Europees Visserijfonds of uit eventuele andere subsidiestromen, hoeveel budget hiervoor beschikbaar is en waar in de begroting dit is opgenomen?

Met steun vanuit het Europees Visserij Fonds (EVF) zijn projecten gestart gericht op selectievere vangstmethoden en het testen van welzijnsvriendelijke dodingsmethoden in de visserij- en de aquacultuursector. Bij het EVF bestaat gemiddeld ruim de helft van de financiering van projecten uit nationale cofinanciering. Over de nationale invulling van het nieuwe visserijfonds (EFMZV) zal ik u nog nader berichten na besluitvorming hierover in de Visserijraad. In de beleidsbrief Dierenwelzijn, Kamerstuk 28 286, nr. 651, heb ik aangegeven middelen beschikbaar te blijven stellen voor verder onderzoek naar bedwelmingsmethoden van vissen.

84 Hoeveel subsidie is er beschikbaar voor onderzoek naar meer diervriendelijke vangst- en dodingstechnieken in de zee- en kust visserij en in de aquacultuursector en specifiek voor bedwelmingsmethoden en op welke termijn acht u hiermee specifiek invulling te kunnen geven aan de aangenomen motie Ouwehand (Kamerstuk 32 658, nr. 14) over het verbod op het doden van paling middels een zeebad en het ontwikkelen van diervriendelijke dodingsmethoden?

Vanaf 2014 start het vervolgonderzoek naar het bedwelmen en doden van vis aan boord van vaartuigen. Het betreft een driejarig onderzoek. Mijn voornemen is hiervoor de komende drie jaar, jaarlijks € 150.000 subsidie voor beschikbaar te stellen.

In uitvoering van de motie Ouwehand wordt het bedwelmen van paling voorafgaand aan de slacht vanaf 2015 verplicht.

85 Welk budget is er beschikbaar voor het onderzoeken van de omvang van highgrading op Nederlandse schepen in de visserij en op welke wijze gaat u hiermee invulling geven aan de toegezegde motie Ouwehand (Kamerstuk 29 675, nr. 153 ) over het onderzoeken van de omvang van highgrading op zee?

86 Hoeveel subsidie is er beschikbaar voor onderzoek naar de mogelijkheden van toezicht op zee ter voorkoming van highgrading in de visserij?

Het onderzoek kent vergelijkbare problemen inzet en problemen als de controle op de aanlandplicht en heeft voor mij prioriteit. Ik zal derhalve voldoende middelen vrijmaken voor het onderzoek. Uw Kamer zal worden geïnformeerd over het onderzoek, zodra het gereed is.

Daarnaast heb ik aangegeven, bijvoorbeeld in het AO Visserij van 20 juni en in het Schriftelijk Overleg over de Landbouw- en Visserijraad, Kamerstuk 21 501-32, nr. 726, dat we samen met de pelagische sector een pilot hebben opgestart waarin gewerkt wordt met cameratoezicht aan boord en waarin onder andere geëxperimenteerd wordt met meer selectieve vismethodes en verwerking aan boord in het kader van het nieuwe Gemeenschappelijk Visserijbeleid.

87 Kunt u aangeven of u bij de bewustwording van consumenten ook aandacht zult besteden aan de negatieve milieu- en gezondheidsaspecten van het eten van vlees en dierlijke eiwitten, en welke budgetten daarvoor gereserveerd zijn?

Het Voedingscentrum Nederland (VCN) houdt zich in opdracht van het ministerie van Economische Zaken bezig met de verhoging van de bewustwording van consumenten over onderwerpen die samenhangen met voedselkwaliteit en -veiligheid. Voorlichting over de effecten van het eten van vlees op milieu en gezondheid kunnen consumenten vinden op de website van het VCN. De verspreiding van deze informatie wordt gefinancierd uit een deel van de instellingssubsidie van het VCN (onderdeel kennis).

88 Hebben de handhavingsdiensten afgelopen jaar overtredingen van de Visserijwet geconstateerd? Zo ja, hoe vaak en wat voor soort overtredingen betrof dit en hoe vaak werd er aangifte gedaan?

Ja. In 2012 zijn er 115 overtredingen op het gebied van visserij en duurzaamheid geconstateerd. Het betreffen hier overtredingen op het gebied van technische maatregelen, vangstregistratie, visrechten, ontheffing wolhandkrab, real time closures, visgebieden en aanlandingsprocedures. De overtredingen zijn onder te verdelen in:

Binnenvisserij: 2

Vervoer / handel / verwerkers: 4

Kustvisserij: 19

Vissers algemeen: 10

Visstropers: 14

Zeevisserij: 66

In totaal zijn er 52 meldingen en aangiften gedaan van misstanden in de visserijbranche.

89 Aan de hand van welke criteria wordt bepaald welke bevorderingen van de duurzame ontwikkeling van de visserij in zee, binnenwateren en aquacultuur milieu- en diervriendelijk zijn en welke operationele doelen zijn hiervoor gesteld?

Voor de aspecten van diervriendelijkheid verwijs ik naar de beleidsbrief Dierenwelzijn van 4 oktober 2013, Kamerstuk 28 286, nr. 651. Voor de visserij op zee zijn de bepalingen van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid en de duurzaamheiddoelstellingen daarin leidend en levert de Kaderrichtlijn Mariene Strategie belangrijke criteria. Over de nationale invulling van het nieuwe visserijfonds (EFMZV) zal ik u nog nader berichten na besluitvorming hierover in de Europese Unie. Voor de binnenwateren wil ik hier het EU aalherstelplan noemen en de Kaderrichtlijn Water.

90 Op welke wijze wordt de visserij gereguleerd op de BES-eilanden?

De wetgeving voor Caribisch Nederland op het gebied van visserij is in 2010 overgenomen van de voormalige Nederlandse Antillen en waar nodig aangepast aan de nieuwe staatkundige situatie. Op 10 oktober 2010 is de Visserijwet BES (voorheen Visserijlandsverordening) en het Visserijbesluit BES (voorheen het Visserijlandsbesluit) in werking getreden. In voornoemde wetgeving zijn de visserijactiviteiten op Caribisch Nederland gereguleerd, zoals voorwaarden voor een vergunningstelsel, de instelling van een visserijcommissie, de visserij op volle zee of onder de rechtsmacht van een andere staat, geheimhoudingsplicht en de strafbepalingen.

91 Kunt u uiteenzetten hoeveel geld er beschikbaar is voor het Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven (NKCA) in 2014 en de daarop volgende jaren?

Voor het NKCA is in 2014 en de daarop volgende jaren € 698.000 op jaarbasis beschikbaar. Dit bedrag is inclusief € 0,3 miljoen intensiveringsgelden (vanaf 2012 toegekend naar aanleiding van de evaluatie van het NKCA).

92 Hoeveel subsidie is er beschikbaar voor dierproeven ten behoeve van de verbetering van de efficiëntie in de veehouderij, waaronder proeven met behulp van pony’s ter ontwikkeling van hormoonversnellingen, en kunt u een overzicht geven van de doelstellingen, de methoden, de gebruikte dieren en de kosten van de desbetreffende onderzoeken?

Ten behoeve van de veehouderij vindt regelmatig onderzoek plaats. Deze onderzoeken hebben tot doel om de emissie van fosfor (via mest naar de bodem), de stikstof (via mest naar de bodem en de lucht) en organische stof (voor emissie van broeikasgassen) te verlagen. Maar denk ook aan onderzoek naar darmgezondheidsproblemen waardoor minder antibiotica in de veehouderij nodig zijn.

Dierproeven die onderdeel zijn van dergelijke gesubsidieerde onderzoeken worden niet centraal en apart geregistreerd. In het VAO dierproeven van 24 september jl. heb ik toegezegd voor de plenaire behandeling van de wijziging van de Wet op de Dierproeven inzicht te geven in de systematiek van de registratie van dierproeven en welke gegevens beschikbaar zijn. Ten aanzien van de dierproeven ten behoeve van het produceren voor vruchtbaarheidsversnellers laat ik onderzoeken of de vergunning voor deze proeven nog binnen de kaders op de wet op de dierproeven valt.

93 Kunt u uiteenzetten hoeveel geld in 2014 en volgende jaren beschikbaar wordt gesteld voor onderzoek naar de bestrijding van zoönoses? Zo ja, wat is de totale bijdrage die hiervoor is gereserveerd en waar zijn de onderzoeken op gericht?

Voor de bestrijding van zoönosen heeft EZ in 2014 een budget van € 7,5 miljoen beschikbaar. Het betreft nieuwe en doorlopende onderzoeksopdrachten. Het onderzoek is gericht op: a) de (opzet van) monitoring en surveillance van mogelijke bedreigingen voor mens en dier uit veehouderij en gezelschapsdieren; b) diagnostisch onderzoek naar zoönosen; c) inzet van de meest effectieve beleidsmaatregelen om zoönosen te bestrijden; d) de verspreiding van zoönosen via ventilatielucht uit de stallen waar productiedieren verblijven terug te dringen. In volgende jaren zal het beschikbare budget mede afhankelijk zijn van de resultaten van de lopende onderzoeken.

94 Hoeveel subsidie is er in 2014 en volgende jaren beschikbaar voor het Convenant onbedwelmd ritueel slachten volgens religieuze riten?

Er worden geen subsidies verstrekt in het kader van het Convenant onbedwelmd ritueel slachten.

Er zijn wel middelen beschikbaar voor onderzoek in het kader van het Convenant onbedwelmd ritueel slachten. Hiervoor is in 2014 € 250.000 voorzien. Op basis van de bevindingen in 2014 zal dit onderzoek zo nodig na 2014 voortgezet worden. Ook vindt er onderzoek plaats in het kader van het onderzoeksprogramma Verbeteren Welzijn Slachtdieren. Zie ook het antwoord op vraag 364.

95 Waarom werkt u voor artikel 16 en 18 wel met operationele doelstellingen en waarom wordt bij de andere beleidsartikelen (11 tot en met 14 en 17) gewerkt met de reguliere opzet van Verantwoord Begroten (zonder operationele doelen/artikelonderdelen)?

Met Verantwoord Begroten wordt niet langer gewerkt met operationele doelstellingen. Daar waar dit toegevoegde waarde heeft voor de presentatie van het voorgenomen beleid en de hiervoor geoormerkte middelen zijn de financiële instrumenten geclusterd naar artikelonderdelen.

Dit is van toepassing voor de beleidsartikelen 16 en 18. Het gaat derhalve niet om specifieke operationele doelstellingen, maar puur om de clustering/bundeling van de instrumenteninzet. Deze clustering naar artikelonderdelen bevordert hier de leesbaarheid van beide artikelen.

96 Kunt u een onderscheid aanbrengen in de verschillende sectoren wat betreft het aantal faillissementen (grootbedrijf, midden- en kleinbedrijf (MKB), Zelfstandigen zonder personeel (ZZP), landbouw, tuinbouw, visserij et cetera)?

Op basis van CBS-cijfers kan vastgesteld worden dat in het hele jaar 2012 8.616 bedrijven failliet gegaan zijn waarvan 1.243 eenmanszaken en 7.373 vennootschappen. Het CBS maakt geen onderscheid in grote en kleine vennootschappen. In de eerste helft van dit jaar gaat het om 4.988 faillissementen waarvan 618 eenmanszaken en 4.372 vennootschappen. In 2012 was de onderverdeling naar sectoren als volgt: landbouw, bosbouw, jacht en visserij 172, industrie, delfstoffenwinning en nutsbedrijven 950, bouwnijverheid 1.464, handel en reparatie 1.865, horeca 400, vervoer, opslag en communicatie 552, financiële instellingen, verhuur en zakelijke dienstverlening 2.673 en onderwijs, cultuur, milieu en zorg 543. Bij de landbouw gaat het vooral om faillissementen in de plantaardige sectoren, met name de glastuinbouw.

97 Bent u bereid Greenport Westland-Oostland in het rijtje van erkende internationale knooppunten (Schiphol, Rotterdamse Haven en Brainport Zuidoost Nederland) toe te voegen? Zo nee, waarom niet?

De Greenport Westland-Oostland is één van de zes in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte opgenomen Greenports. Het is voor mij geen discussiepunt dat de greenport Westland-Oostland deel uit maakt van de Greenport Holland en in die zin ook onderdeel is van onze internationaal erkende positie als gidsland op het gebied van de tuinbouw. Het aangehaalde rijtje tussen haakjes noemt enkele voorbeelden van erkende internationale knooppunten (mainports en Brainport) in Nederland.

98 Kunt u objectief aangeven hoe de topsectoren Agri & Food en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen functioneren ten opzichte van de andere topsectoren?

99 Wat hebben de topsectoren Agri & Food en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen de afgelopen twee jaar opgeleverd en welke vervolgstappen gaat u concreet nemen ten aanzien van deze twee topsectoren?

100 Kunt u aangeven wat het bedrijfslevenbeleid heeft opgeleverd voor de landbouw, tuinbouw en visserij?

Voor een beeld van de topsectoren Agri & Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen verwijs ik u naar de voortgangsrapportage bedrijvenbeleid 2013 (Kamerstuk 32 637, nr. 82). Hierin staat een overzicht van de belangrijkste resultaten van speerpunten voor de toekomst van deze topsectoren. Met name op het gebied van vraagsturing en verbinding met maatschappelijke opgaven scoren de topsectoren Agri & Food en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen goed.

101 Kunt u toelichten hoe het doel van het bedrijfslevenbeleid om ruimte te geven aan ondernemers om te innoveren, te investeren en te exporteren in relatie staat tot steeds meer toenemende regeldruk vanuit het ministerie (verbod op het houden van nertsen, het ingrepenbesluit, Nederlandse koppen op Europees beleid ten aanzien van dierenwelzijn en diergezondheid et cetera)?

Een van de speerpunten van het kabinet is het inzetten op een ondernemend Nederland, met een sterke internationale concurrentiepositie en een excellent ondernemersklimaat. Ondernemers moeten de ruimte krijgen om te ondernemen, te groeien en te vernieuwen, zowel om de huidige crisis het hoofd te bieden als om voorbereid te zijn op de economische ontwikkelingen van de toekomst. Een van de instrumenten hiervoor is het aanpakken van de door ondernemers ervaren regeldruk.

De ambitie om de administratieve lasten per 2012 met 10% te verminderen ten opzichte van 2010 was medio juni 2012 nagenoeg gerealiseerd. Voor de jaren daarna zijn maatregelen in gang gezet die in totaal optellen tot een reductie van bijna 24% in 2015. Ik verwijs u hiervoor naar mijn antwoord op vraag 12 en 13. De nalevingskosten waren medio juni 2012 reeds met € 75 miljoen gereduceerd en voor eind 2012 werd de verwachting uitgesproken dat dit zou oplopen tot boven de € 100 miljoen. Met de maatregelen die voor de komende jaren nog gepland staan kan de oorspronkelijke ambitie van € 200 miljoen naar verwachting worden gerealiseerd (Kamerstuk 29 515, nr. 388).

Ten behoeve van een eerlijke concurrentieverhoudingen binnen de EU (level playing field) is het van belang is verder dat de ambities van Nederland onder andere op het vlak van dierenwelzijn ook hun weerslag krijgen in Europese regels. Tijdens het werkbezoek van eurocommissaris Borg aan Nederland op 30 september jl. heb ik daar nadrukkelijk aandacht voor gevraagd. Daarnaast levert Nederland een actieve bijdrage aan de invulling van EU-richtsnoeren. Deze zijn bedoeld als leidraad voor de controleautoriteiten, houders, voorlichters en dierenartsen en moeten de naleving van de Europese regelgeving verbeteren. Daarnaast zet de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking via de Europese Unie in op samenwerking en afspraken over dierenwelzijn in handelsakkoorden met derde landen en het in WTO-verband volwaardig erkend krijgen van dierenwelzijn als «non trade concern». Hierbij zetten we in op een aanpassing van het WTO-verdrag op dit punt in de lopende en komende onderhandelingsrondes.

102 Kunt u aangeven wat de stand van zaken is met betrekking tot de afhandeling van de 18.000 klanten van wie Deutsche Bank afscheid wil nemen en kunt u aangeven wat het percentage boeren, tuinders en vissers is van dit klantenbestand?

Ik verwijs u naar het verslag van het schriftelijk overleg dat de minister van Financiën met uw Kamer heeft gevoerd op 13 september jl., Kamerstuk 31 789, nr. 46.

103 Hoe gaat u innovatie bevorderen in de landbouw, tuinbouw en visserij?

In de Innovatiecontracten van de topsectoren zijn de innovatieambities beschreven. Om deze ambities te realiseren hebben de topsectoren de beschikking over een aantal instrumenten. Zo is met NWO afgesproken om een aantal programma’s specifiek voor de topsectoren Agri & Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen in te richten, is onderzoekscapaciteit van DLO en TNO ter beschikking gesteld en is budget vrij gemaakt om technische innovaties praktijkrijp te maken.

Daarnaast heeft het kabinet de volgende maatregelen genomen om innovatie in het MKB te bevorderen:

  • De ontwikkeling van een faciliteit om starters en innovatief mkb door de risicovolle eerste fase van businessontwikkeling te brengen. Het kabinet stelt hiervoor eenmalig € 75 miljoen beschikbaar (http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/09/17/brief-aan-de-tweede-kamer-stimulering-ondernemingsfinanciering .

  • Van de WBSO wordt de 1e schijf verlengd van € 200.000 naar € 250.000, wat het innovatieve mkb meer mogelijkheden biedt om door te groeien. Voor 2014 wordt voor de RDA een percentage van 60% voorzien, wat bij een vennootschapsbelastingtarief van 25% overeenkomt met een netto voordeel van 15%.

  • Om de deelname van het mkb aan de TKI’s te bevorderen, bedraagt de toeslag voor de eerste € 20.000 die een ondernemer bijdraagt 40% in plaats van 25%. Vanaf 2014 kunnen ondernemers de eerste € 20.000 ook «in kind» bijdragen.

  • Het kabinet versimpelt en harmoniseert de TKI-toeslag en de MIT-regeling op basis van de ervaringen van de topsectoren. De mogelijkheden om TKI-toeslag aan te vragen worden verruimd, onder andere voor gezondheidsfondsen.

104 Kunnen agrarische ondernemingen ook gebruikmaken van het MKB+ fonds? Zo ja, kunt u aangeven hoeveel agrarische bedrijven hiervan gebruik hebben gemaakt het afgelopen jaar?

Ook agrarische ondernemingen kunnen gebruik maken van het MKB+ fonds. Het aantal bedrijven uit de agrarische sector dat meedoet aan het MKB+fonds is echter beperkt, in 2011 ging het om twee toegekende aanvragen uit de agrofoodsector, in 2012 geen en dit jaar zijn er drie aanvragen ingediend. In 2011 was het totaal aantal toegekende aanvragen 39 en in het jaar 2012 36.

105 Hoe zorgt u ervoor dat reeds gevestigde bedrijven uit het agrocomplex in Nederland blijven en hun bedrijf niet naar het buitenland verplaatsen?

Gevestigde bedrijven blijven onder andere in Nederland vanwege het hoge kennisniveau, het goed opgeleide personeel en de stimulansen voor innovatie. Ik zet mij in voor een kwalitatief hoogstaand agrokenniscomplex van de WUR en andere agrarische kennisinstellingen, een sterk agrarisch onderwijs en de goed functionerende topsectoren Agri & Food en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen. Deze beleidsinzet draagt bij aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor het agrocomplex in Nederland.

106 Kunt u toelichten hoe de extra middelen voor natuur exact worden ingezet?

In mijn brief aan de Tweede Kamer over het Natuurpact op 18 september 2013 (Kamerstuk 33 576, nr. 6) heb ik u geïnformeerd over de afspraken die ik met provincies heb gemaakt over de besteding van de extra middelen voor natuur.

107 Kunt u aangeven in welke fase het Rijksinpassingsplan voor ontpoldering van de Hedwigepolder verkeert?

Het ontwerp-Rijksinpassingsplan Hertogin Hedwigepolder heeft van 20 augustus tot en met 30 september jl. ter inzage gelegen. In die periode konden zienswijzen worden ingediend. Momenteel worden de circa 2.000 ingediende zienswijzen beoordeeld. Op basis daarvan wordt een Nota van Beantwoording gemaakt, waarin alle zienswijzen van een antwoord worden voorzien. Naar verwachting kan dan, volgens de planning, het Rijksinpassingsplan in januari 2014 definitief worden vastgesteld. Daarna wordt het definitieve plan wederom ter inzage gelegd om belanghebbenden in de gelegenheid te stellen eventueel beroep aan te tekenen bij de Raad van State.

108 Welke herkenbare natuurontwikkelingsprojecten worden bedoeld?

Ik vind het belangrijk dat een robuust Natuurnetwerk in Nederland een breed draagvlak kent in onze samenleving. Om die reden is het belangrijk dat het voor de burger goed zichtbaar is waar het budget voor wordt gebruikt. Het grootste deel van de extra middelen voor de realisatie van het Natuurpact zetten de provincies in voor beheer en herstel van de bestaande natuurgebieden en het inrichten van nieuwe natuurgebieden (Kamerstuk 33 576, nr. 6). In de begroting refereer ik aan voor het publiek herkenbare ontwikkelingsprojecten omdat die zullen bijdragen aan een sterke natuur die verankerd is in de maatschappij.

109 Wat betekent het leidend zijn van de internationale verplichtingen concreet?

110 Welke internationale verplichtingen worden bedoeld?

Hiermee wordt bedoeld dat met de inzet van de extra middelen voor natuur voorrang wordt gegeven aan het voldoen aan de verplichtingen die met name voortvloeien uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en de bepalingen over de ecologische waterkwaliteit uit de Kaderrichtlijn Water. In mijn brief aan de Tweede Kamer over het Natuurpact op 18 september 2013 (Kamerstuk 33 576, nr. 6) is dit verder toegelicht.

111 Wanneer bent u van plan om de internationale verplichtingen te halen?

Het voldoen aan de internationale verplichtingen in het kader van de Vogel- en Habitarichtlijn is gericht op de duurzame instandhouding van soorten en habitats. Hieraan is geen einddatum gekoppeld.

Voor de Kaderrichtlijn Water, waarvoor de minister van Infrastructuur en Milieu eerstverantwoordelijk is, geldt dat voor 2027 de gewenste ecologische kwaliteit bereikt moet zijn. Om die reden kennen de afspraken uit het Natuurpact, waarover ik u 18 september heb geïnformeerd (Kamerstuk 33 576, nr. 6), een tijdshorizon tot 2027.

112 Wat is het percentage doelbereik van de maatregelen in deze begroting aan de internationale verplichtingen?

Ik verwijs u naar mijn brief aan uw Kamer van 24 september 2013, Kamerstuk 33 576, nr. 7.

113 Betekent volgens u het op orde brengen van de water- en milieucondities dat deze condities zodanig zijn dat de doelen gehaald kunnen worden zonder extra natuurbeheer?

Extra natuurbeheer blijft de komende decennia nodig in Nederland, omdat ook met de aanvullende maatregelen in de PAS nog niet alle milieucondities in 2030 op orde zijn. Zie ook het antwoord op vraag 114.

114 Betekent volgens u het op orde brengen van de water- en milieucondities dat deze condities zodanig zijn dat met extra beheer, herstelmaatregelen zoals de PAS, de doelen gehaald kunnen worden?

Hiermee kan voldaan worden aan de internationale verplichting om achteruitgang te voorkomen en verbetering te realiseren. Tegelijkertijd biedt dit ruimte voor de gewenste economische ontwikkeling.

115 Kunt u aangeven of de datum van inwerkingtreding van 1 januari 2014 inzake de Wet Natuurbescherming realistisch is, aangezien deze wet nog steeds niet naar de Kamer is gestuurd? 116 Wanneer wordt het wetsvoorstel Wet Natuurbescherming naar de Kamer gestuurd?

Ik verwacht de nota van wijziging van het bij uw Kamer aanhangige wetsvoorstel natuurbescherming, waarmee ik uitvoering geef aan het regeerakkoord, aan het einde van dit jaar naar de Kamer te sturen. Inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, eenmaal wet, per 1 januari 2014 is dus niet reëel. Dat neemt niet weg dat het kabinet hecht aan een spoedige inwerkingtreding van het wetsvoorstel, eenmaal wet, vanwege de realisatie van de afspraken met de provincies over de decentralisatie van de wettelijke uitvoeringstaken, en de vanwege de gewenste vereenvoudiging van het wettelijk kader.

117 Kunt u een overzicht van de stand van zaken geven over de voortgang, de risico's en het tijdpad van inwerkingtreding inzake de PAS?

Met de aanbieding van de nota naar aanleiding van het verslag voorstel van wet tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 programmatische aanpak stikstof d.d. 1 oktober 2013 heb ik u hierover reeds geïnformeerd (Kamerstuk 33 669, nr. 6). Mijn streven blijft gericht op vaststelling van het programma aanpak stikstof op 1 januari 2014, tegelijk constateer ik dat een aantal essentiële stappen nog moet worden gezet. Zoals toegezegd tijdens het AO Natura 2000 inclusief Natuurherstel Westerschelde van 19 september jl. kom ik nog met een brief over de voortgang en planning van de PAS.

118 Hoeveel geld wordt er uitgegeven ter bevordering van de circulaire economie?

Initiatieven ter bevordering van de circulaire economie vinden rijksbreed plaats. Ik verwijs u bijvoorbeeld naar Kamerstuk 33 043, nr. 15, waarin is aangekondigd met welke concrete beleidsacties dit kabinet komt. Aan de hand van deze beleidsacties zal ik in overleg met mijn collega van Infrastructuur en Milieu bepalen welke concrete acties in 2014 door Economische Zaken zullen worden gefinancierd.

Dat wil niet zeggen dat er ondertussen niets gebeurt: zo subsidieert Economische Zaken bijvoorbeeld een consortium bedrijven rond MVO NL, dat door PwC en DRIFT een onderzoek laat doen naar de kansen van de circulaire economie voor Nederland. De basis van dit onderzoek zijn de McKinsey rapporten voor de EllenMacArthur foundation, die zich richten op de kansen voor de EU.

119 Welke programma’s en acties worden er ondernomen ter bestrijding van grondstoffenschaarste?

Op 4 juli jl. heeft uw Kamer de voortgangsrapportage van de Grondstoffennotitie ontvangen (Kamerstuk 32 852, nr. 15). Hierin is de stand van zaken opgenomen van alle programma’s en acties die worden ondernomen rond grondstoffenvoorzieningszekerheid.

120 Hoeveel geld wordt er uitgegeven ter bestrijding van grondstoffenschaarste?

Op artikel 13 wordt er in 2013 € 60.000 bijgedragen aan de grondstoffen Green Deal Betonketen. In 2014 wordt er circa € 100.000 bijgedragen aan de monitor Materiaalstromen en € 130.000 uitgetrokken voor onderzoek kritische materialen in Nederlandse economie.

Op artikel 14 is er in 2013 € 4,8 miljoen aan expertise van Agentschap NL en € 4,5 miljoen aan onderzoeksbudget beschikbaar gesteld voor ondersteuning in het kader van de Meerjarenafspraken Energie-efficiëntie (MJA). In 2014 is er circa € 4 miljoen aan expertise van Agentschap NL en € 4 miljoen aan onderzoeksbudget beschikbaar. Hiervoor worden bedrijven die deelnemen aan de Meerjarenafspraken ondersteund bij het bereiken van efficiëntieverbetering. De ondersteuning die wordt gegeven, is in de vorm van informatieverstrekking en -deling, en het bijeenbrengen van partijen om gezamenlijk stappen te nemen naar grondstoffen- en energie-efficiëntere productieketens en -clusters.

Op artikel 18 is in 2014 circa € 1,5 miljoen beschikbaar voor acties voor de Uitvoeringsagenda Natuurlijk Kapitaal, waaronder bijvoorbeeld de TEEB studies.

121 Kunt u inzicht geven in de status van de beheerplannen van alle Natura 2000-gebieden (in plaats van alleen de prestaties van het Rijk), zoals u in mei 2013 heeft toegezegd in Kamerstuk 30 825, nr. 192, antwoord 25, en kunt u daarbij per beheerplan aangeven wat het belangrijkste knelpunt is, waardoor het plan nog niet is vastgesteld?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 17. Voor een groot aantal beheerplannen wordt op dit moment gewerkt aan de afronding van het ontwerp-beheerplan. Het ontwerp-beheerplan is gereed als dit is getekend door het bevoegd gezag. Hierna volgt de inspraak en het verwerken van de zienswijzen. Daarna kan het bevoegd gezag het definitieve beheerplan vaststellen en ter inzage leggen. Het beheerplan is dan definitief, maar kan door uitspraak van de rechter in de beroepsfase eventueel nog worden aangepast. Het belangrijkste knelpunt, dat ertoe leidt dat de meeste beheerplannen nog niet definitief zijn vastgesteld, is gelegen in de stikstofproblematiek. Met de PAS wordt hiervoor aan een oplossing gewerkt. Daarnaast spelen gebiedsspecifieke problemen een rol, waarvoor maatwerkoplossingen worden gezocht. Dit vergt onderzoek en tijd om samen met betrokkenen in de regio tot een gedragen oplossing te komen.

122 Hoe verhoudt zich de introductie van een nieuw stelsel van agrarisch natuurbeheer met de voorgenomen decentralisatie naar de provincies?

De introductie van een nieuw stelsel van agrarisch natuurbeheer past volledig in de voorgenomen decentralisatie naar de provincies, waarbij het Rijk de kaders en doelen aangeeft en de provincies de regie voeren over de realisatie.

123 Bent u van plan om de provincies een instructie mee te geven over hoe het agrarisch natuurbeheer moet worden geregeld? Zo ja, welke instructies gaat u meegeven?

Rijk en provincies werken het nieuwe stelsel samen uit. Het Rijk geeft de kaders en doelen mee en toetst op EU-conformiteit, de provincies voeren de regie over de realisatie van het agrarisch natuurbeheer.

124 Hoe verhoudt zich de betekenis van «circulaire economie» zich tot een begrip als «groene groei»?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 126.

125 Wat maakt de «circulaire economie» in uw optiek circulair?

Circulaire Economie is een economisch systeem dat de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen en het behoud van natuurlijke hulpbronnen als uitgangspunt neemt en waardecreatie voor mens, natuur en economie in iedere schakel van het systeem nastreeft (zie ook Kamerstuk 33 043, nr. 15).

Het ideaaltypisch oneindig kunnen circuleren van grondstoffenstromen maakt een economie «circulair». Dat houdt in dat de inrichting van het economisch systeem functioneert via ecologische principes, waarbij:

  • Alle grondstoffen ergens anders in het economische systeem kunnen worden ingezet op een duurzame manier (schoon, veilig, sociaal) en alle afval als grondstof wordt ingezet;

  • Hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen en het slim benutten van bestaande fysische processen de basis worden van de economie (biobased economy/blue economy);

  • De onttrekking van biologische en geologische hulpbronnen duurzaam plaatsvindt;

  • Er duurzame energie gebruikt wordt, en;

  • Er nieuwe organisatievormen en businessmodellen ontstaan om dit mogelijk te maken.

126 Aan welke voorwaarden moet het begrip «groene groei» voldoen?

Onder «groene groei» verstaan we een economische groei die niet inteert op ons natuurlijk kapitaal, maar dit natuurlijk kapitaal versterkt. Om «groene groei» te realiseren is het nodig de economie circulair en emissiearm te maken. Circulaire Economie is een economisch systeem dat de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen en het behoud van natuurlijke hulpbronnen als uitgangspunt neemt en waardecreatie voor mens, natuur en economie in iedere schakel van het systeem nastreeft. Zie ook het antwoord op vraag 125.

127 Kunt u toelichten hoeveel Caribisch Nederland zelf financieel bijdraagt aan de implementatie van het Natuurbeschermingsplan Caribisch Nederland?

129 Kunt u aangeven hoeveel Caribisch Nederland, uitgesplitst per eiland, zelf bijdraagt aan het Natuurbeleidsplan en kunt u tevens aangeven hoe de uitvoer en resultaten getoetst worden?

Het Natuurbeleidsplan Caribisch Nederland gaat over de rijksverantwoordelijkheden bij het natuurbeleid in Caribisch Nederland. De Openbare lichamen van de eilanden dragen niet bij aan deze rijksverantwoordelijkheden. Wel zijn er een aantal strategische doelen opgenomen in het natuurbeleidsplan waaraan het Rijk en de Openbare lichamen gezamenlijk zullen werken. Aan die strategische doelen dragen de Openbare lichamen in menskracht bij.

De Openbare lichamen komen voor elk eiland met een eilandelijk natuurplan, waarin het natuurbeleid meer in detail geregeld wordt. De uitvoering van dat eilandelijk natuurplan komt voor rekening van de Openbare lichamen. Deze eilandelijke natuurplannen zijn nog niet gereed.

De uitvoering en de resultaten van het Natuurbeleidsplan zullen na vijf jaar, bij totstandkoming van het volgende natuurbeleidsplan, geëvalueerd worden. Toetsing van uitvoer en resultaten van de in het natuurbeleidsplan genoemde natuurprojecten, waarvoor € 7,5 miljoen is toegezegd, zal geschieden conform de regeling bijzondere uitkering natuur voor Caribisch Nederland. (Staatscourant 25987, 19 september 2013).

128 Kunt u aangeven op welke wijze u een internationaal gelijk speelveld gaat waarborgen voor de Nederlandse landbouw, tuinbouw en visserij?

Binnen de Europese Unie hebben we in het kader van het nieuwe GLB afspraken gemaakt die zoveel mogelijk een gelijk speelveld bevorderen.

130 Is het mogelijk om natuurinrichtingsprojecten te financieren vanuit een schuif van pijler 1 naar pijler 2 van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en om hoeveel geld gaat het maximaal?

131 Is het mogelijk om hydrologische maatregelen gericht op natuurherstel te financieren vanuit een schuif van pijler 1 naar pijler 2 van het GLB en om hoeveel geld gaat het maximaal?

132 Is het mogelijk om stikstofbeperkende maatregelen gericht op natuurherstel te financieren vanuit een schuif van pijler 1 naar pijler 2 van het GLB en om hoeveel geld gaat het maximaal?

133 Is het mogelijk om financiering voor agrarische innovatie (onderzoek en praktijkproeven casu quo pilots) te financieren vanuit een schuif van pijler 1 naar pijler 2 van het GLB en om hoeveel geld gaat het maximaal?

134 Is het mogelijk om uitgaven uit de begroting te financieren door deze te dekken vanuit een schuif vanuit pijler 1 naar pijler 2 van het GLB, en hoeveel zou op deze wijze maximaal kunnen worden bespaard op de uitgaven binnen de begroting, gelet op de eisen voor cofinanciering?

Het nieuwe GLB wetgevingskader voor de periode 2014–2020 maakt het mogelijk voor lidstaten om tot maximaal 15% van het toegewezen 1e pijler budget doelgericht in te zetten in de 2e pijler van het GLB (POP3). Voor Nederland is dit een bedrag van maximaal ongeveer € 110 miljoen per jaar.

De middelen kunnen binnen het gehele kader van de 2e pijler worden ingezet. De 2e pijler geeft onder andere mogelijkheden voor agrarisch natuur en waterbeheer en natuur- en milieu-investeringen (inclusief herstel- en inrichtingskosten) op landbouwgronden, duurzame investeringen in innovatie op het boerenbedrijf (inclusief het ondersteunen van demoprojecten, innovatie- en praktijknetwerken). Voor Europese financiering van onderzoek zijn er mogelijkheden binnen het programma Horizon 2020, het nieuwe Europees programma voor onderzoek en ontwikkeling. Uw Kamer heeft hier met het aannemen van de motie Lodders c.s. (Kamerstuk 21 501-32, nr. 666) ook een uitspraak hierover gedaan.

135 Wat is de laatste stand van zaken met betrekking tot onderzoek ten behoeve van een nieuwe Natuurbeschermingswetvergunning voor de garnalenvisserij?

In 2012 is gestart met het Effectenonderzoek Garnalenvisserij in het algemeen en het onderzoek naar de effecten van de «garnalen-klossenpees» op het bodemecosysteem in de Voordelta, Noordzeekustzone en Waddenzee in het bijzonder. Voor het onderzoeksprogramma is het noodzakelijk dat er gebieden zijn gesloten voor iedere vorm van bodemberoerende visserij. In de loop van 2013 is echter gebleken dat de oorspronkelijke onderzoeksopzet in ernstige mate is gecompromitteerd doordat ongecontroleerde bevissing in een aantal van de onderzoeksgebieden heeft plaatsgevonden. Om de effecten van de klossenpees op het bodemecosysteem goed te kunnen beoordelen, is besloten de huidige onderzoeksopzet aan te vullen en te verdiepen. Als basis voor deze aanvulling en verdieping zal allereerst worden gewerkt met de vanaf 2012 reeds verzamelde onderzoeksgegevens. Daarnaast zullen geplande experimenten binnen andere onderzoeksprogramma's gecombineerd worden in dit aanvullende onderzoek.

De garnalensector beschikt thans nog over een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet (NB-wet) voor de periode tot en met 31 december 2013. Voor de periode vanaf 1 januari 2014 zal de sector derhalve een nieuwe aanvraag moeten doen.

136 Welk (aan)deel van de visserij binnen de Nederlandse 12 mijlszone is Marine Stewardship Council (MSC) gecertificeerd.

De Nederlandse visserij en kweek van schelpdieren, voornamelijk mosselen, oesters en mesheften is op een enkel bedrijf na, geheel MSC-gecertificeerd. Binnen de Nederlandse 12-mijlszone is de staandwantvisserij op tong en de handlijnvisserij op zeebaars MSC-gecertificeerd. Voor tong betreft dit maximaal 500 ton, circa 5% van het nationale quotum. Van de niet-gequoteerde handlijnvisserij op zeebaars zijn deze gegevens niet bekend.

De overige MSC-gecertificeerde visserij, zoals die op schol en haring, vindt buiten de 12 mijlszone plaats.

137 Hoeveel compensatie is er onder de regeling voor garnalenvissers in het kader van het Visserij in beschermde gebieden (VIBEG)-akkoord gemiddeld per schip uitgekeerd?

In het kader van de het VIBEG-akkoord is via het Perspectief Garnalenvisserij door het Rijk in 2012 € 2 miljoen beschikbaar gesteld voor projecten die bijdragen aan een gezonde en daarmee ook economisch duurzame garnalenvisserij. Van dit bedrag is momenteel € 881.380 beschikt. Naar verwachting zal op korte termijn de rest van dit bedrag worden beschikt. De projectplannen worden aangedragen door de Stichting Verduurzaming Garnalenvisserij. Er is geen sprake van individuele compensatie aan garnalenvissers.

Tevens ben ik een inspanningsverplichting aangegaan om voor 2013 en 2014 jaarlijks € 3 miljoen subsidie ter beschikking te stellen. Ik zet mij in om deze financiering binnen het EVF (2013) en het nieuwe EFMZV (2014) te vinden. De sector heeft inmiddels een eerste projectvoorstel ingediend voor het beschikbare budget voor 2013, dat momenteel wordt beoordeeld.

138 Zijn er eisen gesteld aan de investeringssubsidie jonge landbouwers ten aanzien van duurzaamheid?

139 Zijn er eisen gesteld aan de investeringssubsidie jonge landbouwers ten aanzien van dierenwelzijn?

Voor het in aanmerking komen voor subsidie uit de jonge landbouwersregeling, moet een investering bijdragen aan één of meerdere doelstellingen die zijn vastgelegd in de voorwaarden van de regeling. Verbetering van dierenwelzijn en duurzaam gebruik van biodiversiteit en energiebronnen zijn opgenomen als doelstelling.

140 Waarom ontwikkelt u beleid ten aanzien van het tegengaan van impulsaankopen van gezelschapsdieren, en waarom ziet u hier een rol voor de overheid weggelegd?

Voor het beleid rondom impulsaankopen van gezelschapsdieren verwijs ik u naar mijn beleidsbrief Dierenwelzijn van 4 oktober jl., Kamerstuk 28 286, nr. 651.

141 Waarom houdt u bij de vaststelling van het mestbeleid er alleen mee rekening of het milieuverantwoord is, en waarom wordt er geen rekening gehouden met de bodemvruchtbaarheid en bodemgesteldheid?

Dit gebeurt nu bijvoorbeeld doordat bijvoorbeeld stikstofgebruiksnormen, behalve naar gewas, ook naar bodemsoort worden gedifferentieerd. Fosfaatgebruiksnormen zijn gedifferentieerd naar de fosfaattoestand van de bodem. Als een lage fosfaattoestand aangetoond kan worden, geldt een hogere fosfaatgebruiksnorm of mag onder omstandigheden reparatiebemesting toegepast worden. Zoals ik uw Kamer onlangs heb aangegeven in het AO Landbouwraad van 18 september jl., zal ik in het beleid aandacht hebben voor bodemvruchtbaarheid en bodemgesteldheid.

142 Kunt u toelichten welke rol de overheid heeft in de totstandkoming van robuustere, sluitende en betere gewaarborgde kwaliteitssystemen van het bedrijfsleven en welke rol het bedrijfsleven zelf hierin toebedeeld krijgt?

In de Taskforce Voedselvertrouwen werken overheid en bedrijfsleven gezamenlijk aan het realiseren van de (gemeenschappelijke) doelstellingen, waaronder robuuste, sluitende private kwaliteitssystemen, verbeterde informatievoorziening tussen overheid en bedrijfsleven en betere communicatie met consumenten. In het actieplan van de Taskforce staan 17 acties beschreven, die allemaal ook bijdragen aan beter gewaarborgde private kwaliteitssystemen. Veel acties worden gezamenlijk uitgevoerd, sommige alleen door het bedrijfsleven, sommige alleen door de overheid.

Het verbeteren en robuuster maken van private kwaliteitssystemen is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven. De overheid kan hieraan bijdragen vanuit haar rol als toezichthouder op de naleving van wet- en regelgeving. Dit betreft activiteiten zoals het gezamenlijk ontwikkelen van risicoprofielen, snellere uitwisseling van informatie over verdachte partijen c.q. bedrijven en communicatie en uitwisseling van informatie bij voedselincidenten. In het actieplan staat per actiepunt aangegeven of het een gemeenschappelijke actie is, een actie van het bedrijfsleven of een actie van de overheid.

Ik heb u het actieplan samen met de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 13 juni jl. aangeboden (Kamerstuk 26 991, nr. 361).

143 Kunt u toelichten hoe u de aanlandingsplicht praktisch gaat uitvoeren?

De implementatie van het nieuwe Gemeenschappelijk Visserijbeleid wordt ter hand genomen in een samen met de sector vorm te geven uitvoeringsagenda, waarover ik u heb bericht in mijn brief van 17 september jl., Kamerstuk 32 201, nr. 65.

144 Hoeveel geld is er gereserveerd in 2014 om de sector ingreepvrij te krijgen uitgewerkt naar diersoort?

Zoals aangegeven in de beleidsbrief Dierenwelzijn van 4 oktober jl., Kamerstuk 28 286, nr. 651, wil ik het dierenwelzijn verbeteren door onder andere ingrepen zo veel mogelijk te beperken. Voor de ondersteuning van projecten ten behoeve van de uitfasering van ingrepen is een bedrag van € 200.000 voor 2014 gereserveerd, alsmede voor 2015 en 2016. De verdeling van deze middelen per diersoort moet nog nader worden uitgewerkt.

145 Kunt u nader toelichten hoe de topsectoren Agri & Food en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen ondersteund worden door Agentschap NL en de ambassades?

De Topsectoren Agri & Food en Tuinbouw en Uitgangsmatarialen kennen beide een internationaliseringsagenda die gericht is op de Europese markt en wereldwijde groeimarkten. Bijvoorbeeld voor programma’s waar de lokale voedselzekerheidsbehoefte gekoppeld kan worden aan ondernemerskansen voor Nederlandse (MKB-)bedrijven uit deze sectoren.

De exacte vraagbehoefte in deze landen, of het nu transitie-, ontwikkelings- of ontwikkelde landen betreft, wordt daarbij in nauwe samenwerking met ambassades in kaart gebracht. De landbouwattachés/raden onderhouden hiervoor in hun werkgebied contact met autoriteiten die gericht zijn op voor de agribusiness essentiële zaken zoals wederzijdse markttoegang van agrarische producten en een stimulerend investeringsklimaat. Hier wordt vervolgens op ingespeeld met behulp van het beschikbare overheidsinstrumentarium, waaronder dat van Agentschap NL, om bedrijfsontwikkelingen te genereren ten behoeve van (consortia) van MKB-bedrijven.

146 Kunt u aangeven hoe vormgegeven kan worden aan garanties van de overheid voor deze topsectoren, zowel bij monde als financieel, in het buitenland en erkent u het belang van zulke garanties van de overheid voor de werkzaamheden van bedrijven in het buitenland en met name buitenlandse overheden

Ik verwijs u naar Kamerstuk 33 625, nr. 38, waarin specifiek wordt ingegaan op het bieden van garanties.

147 Wat zijn de operationele doelstellingen om de voedselproductie verder te verduurzamen?

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 55.

148 Welke maatschappelijke verwachtingen ten aanzien van de voedselproductie en de voedselveiligheid zijn aan de overheid kenbaar gemaakt?

149 Op welke wijze worden de maatschappelijke criteria in het beleid rondom voedselproductie en voedselveiligheid betrokken?

In aanloop naar het opstellen van de beleidsbrief Duurzame Voedselproductie, die ik u op 11 juli 2013 heb gestuurd (Kamerstuk 31 532, nr. 118), is een stakeholdersbijeenkomst georganiseerd met circa 60 organisaties en bedrijven. De nadruk lag daarbij niet alleen op wat de overheid kan doen, maar ook op wat het bedrijfsleven zelf kan doen om het aanbod te verduurzamen, de consument meer bewust te maken en voedselverspilling tegen te gaan. De stakeholders verwachten van de overheid dat zij een stip aan de horizon zet. Dat heb ik gedaan in genoemde beleidsbrief. Voor de uitvoering van het beleid werk ik samen met de Alliantie Verduurzaming Voedsel (CBL, FNLI, LTO, Veneca en KHN) aan de Agenda Verduurzaming Voedsel. Binnen dit verband zet ik mij ervoor in dat verder verduurzamen in de verschillende productieketens plaatsvindt.

De maatschappelijk verwachting ten aanzien van voedselveiligheid is eenduidig: men verwacht dat het voedsel veilig is. Zoals ik in uw Kamer ook heb aangegeven, staat voor dit kabinet volksgezondheid en daarmee ook voedselveiligheid voorop. In de Taskforce Voedselvertrouwen zijn daarnaast diverse stakeholders vertegenwoordigt, waaronder het Voedingscentrum.

150 Welke partijen zijn er betrokken bij de pilots in de agrofoodsector rondom de gedragscode eerlijke handelspraktijken?

De stuurgroep van de Nederlandse pilot voor de gedragscode eerlijke handelspraktijken bestaat uit vertegenwoordigers van het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel, de Federatie Nederlandse Levensmiddelenindustrie en Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) Nederland.

151 Op welke wijze gaat de veehouderijsector het antibioticagebruik reduceren naar zeventig procent in 2015?

In de Kamerbrief van juni 2012 (Kamerstuk 29 683, nr. 121) is toegelicht via welke systematiek komende jaren wordt gewerkt aan verdere reductie van het antibioticagebruik. Veehouders moeten hun antibioticagebruik verlagen tot onder het streefwaardeniveau dat de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit heeft vastgesteld. Sectoren hebben verbeterplannen opgesteld voor veehouders die structureel veel antibiotica gebruiken. Als het gebruik van alle veehouders onder de streefwaarde ligt, zal de reductie in 2015 ten opzichte van het referentiejaar 2009 uitkomen op circa 70%.

152 Kunt u aangeven op welke wijze de niet-financiële barrières, die de opschaling van hernieuwbare energie beperken, aangepakt worden en kunt hiervan enkele voorbeelden noemen?

De minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor het energiebeleid.

Per duurzame energie optie houdt de minister van Economische Zaken de belemmeringen nauwlettend in de gaten en pakken samen met de verschillende stakeholders de belangrijkste knelpunten aan. Adequaat flankerend beleid is daarbij van belang.

Enkele voorbeelden zijn;

  • Ruimte is een belangrijk knelpunt bij wind op land. Daarom hebben we een Structuurvisie Wind op Land ontwikkeld, tevens zijn er afspraken gemaakt met de provincies over de verdere inpassing van 6000MW Wind op Land.

  • Een ander knelpunt bij wind op land is de doorlooptijd van grootschalige projecten. Om de procedures en vergunningen sneller te laten lopen zet ik de Rijkscoördinatieregeling in bij projecten groter dan 100 MW.

  • Bij vergisting was het onduidelijk voor initiatiefnemers onder welke juridische en administratieve regimes de vergister zou vallen, daarom is er nu een Handreiking

  • (co)vergisting van mest opgesteld, waarin alle informatie samengevoegd is.

  • Houtketels met een thermisch vermogen kleiner dan 15 MW zijn per 1 januari 2013 in het Activiteitenbesluit opgenomen en kunnen volstaan met een melding. Een kostbare Omgevingsvergunning is dan ook niet meer benodigd.

  • Een laatste voorbeeld is geothermie. Belangrijkste knelpunten hier zijn de geologische risico’s en de relatieve onbekendheid met wettelijke procedures omtrent veiligheid en gezondheid. Hiervoor bestaat een garantiefonds voor misboringen en is er gezamenlijk met de sector een handboek geothermie gemaakt.

153 Wat zijn voorwaarden om in aanmerking te komen voor nieuwe projecten in het kader van energie-innovatie?

De middelen voor energie-innovatie worden vrijwel volledig ingezet voor publiekprivate samenwerkingsprojecten binnen de topsector energie. Daarbij wordt ingezet op zeven thema’s, te weten zonne-energie, wind op zee, gas, bio-energie, smart grids, energiebesparing in de gebouwde omgeving en energiebesparing in de industrie. Binnenkort wordt bezien of geothermie wordt ondergebracht in de Topsector Energie, in het kader van het dynamische portfolio van de Topsector Energie.

Projecten die bijdragen aan de onderzoek- en innovatieagenda van deze thema’s en die van voldoende kwaliteit zijn, komen in principe in aanmerking voor een bijdrage vanuit de EZ-middelen voor energie-innovatie. Aanvullende voorwaarden daarbij zijn dat de initiatiefnemers zijn aangesloten bij het relevante TKI en dat ook een private bijdrage wordt geleverd, in cash of in kind. Ten slotte geldt voor het deel van de EZ-middelen dat vanuit de SDE+ wordt ingezet voor energie-innovatie (€ 50 miljoen in 2014) dat projecten moeten bijdragen aan het behalen van de doelstelling van 16% hernieuwbare energie in 2023 en leiden tot een kostprijsverlaging van de betreffende hernieuwbare energietechnologie.

154 Kunt u aangeven op welke wijze de tuinbouwsector betrokken wordt bij uw plannen voor de afvang en opslag van CO2?

De toepassing van CCS in de tuinbouwsector wordt CCU (Carbon Capture and Utilisation) genoemd, omdat er sprake is van gebruik van CO2.

Wat betreft CCU heeft Nederland als enige ter wereld twee grootschalige projecten die CO2 uit industriële reststromen naar de glastuinbouw brengen: OCAP en WarmCO2. Het gaat om 0,4 Mton CO2 per jaar. In het SER-akkoord wordt erkend dat beschikbaarheid van voldoende duurzame, externe CO2 voor de glastuinbouwsector van belang is. De tuinbouwsector zal betrokken worden bij de nog op te stellen langetermijnvisie van het kabinet waarin naast CCS ook ingegaan wordt op CCU, omdat dit een vergroting van het toepassingsgebied van CCS-technologie betekent.

155 Zijn de middelen die beschikbaar zijn voor energie-innovatie ook beschikbaar voor de land- en tuinbouwsector? Zo nee, waarom niet?

Wanneer er vanuit de land-en tuinbouwsector projecten worden ingediend op gebied van de thema’s van de topsector energie en deze voldoen aan de overige daarbij geldende voorwaarden, dan kan dat. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 153.

Op dit moment worden binnen de topsector energie meerdere projecten ondersteund en uitgevoerd op gebied van mestverwaarding, biogas en groen gas. Ook op het gebied van bio-energie is een duidelijk verband met de land- en tuinbouwsector, bijvoorbeeld bij projecten op gebied van bio-cascadering en -raffinage vanuit het TKI Biobased Economy. Binnenkort wordt bezien of geothermie wordt ondergebracht in de Topsector Energie, in het kader van het dynamische portfolio van de Topsector Energie.

156 Kunt u toelichten waarom er een rol van de overheid weggelegd is om dekkende en slimme laadinfrastructuur op te zetten en waarom dit niet aan de markt wordt overgelaten?

Elektrisch rijden is een innovatieve ontwikkeling die kan bijdragen aan een aantal beleidsdoelen: CO2-reductie, luchtkwaliteit, energieonafhankelijkheid, energie-efficiency en groene groei. Nederland ziet hier kansen, en daarom is het bevorderen van elektrisch rijden een expliciet beleidsonderwerp en staat het in zowel het Regeer- als het Energieakkoord.

De relatie tussen de groei van het aantal voertuigen en de aanleg – door de markt – van voldoende dekkende laadinfrastructuur is een klassiek vraagstuk. Normaallaadpunten in de straat zijn nu niet rendabel aan te leggen en te exploiteren; op korte termijn verandert dit naar verwachting niet. Daarom zal «de markt» er niet spontaan in investeren. Tegelijkertijd zijn er elektrische rijders die afhankelijk zijn van laadpunten op straat omdat ze niet – of niet voldoende – op eigen terrein of bij het werk kunnen laden.

Bovendien zijn er mensen die aarzelen om over te stappen op een volledig elektrische auto, omdat ze bang zijn dat er niet voldoende laadinfrastructuur is. De verkoop van de auto’s blijft dus achter bij wat deze zou kunnen zijn omdat men vreest voor onvoldoende laadinfrastructuur, en de uitrol van de laadinfrastructuur op straat blijft achter omdat er onvoldoende auto’s zijn om ze rendabel te maken.

Voor de plug-in hybrides (auto’s die zowel aan op een laadpunt geladen kunnen worden als op benzine kunnen rijden) geldt dat ze zo vaak mogelijk geladen moeten kunnen worden om hun maximale rendement voor milieu en klimaat te bereiken. Per keer kunnen ze niet zo veel laden, omdat hun batterijcapaciteit relatief bescheiden is.

Het hierboven beschreven probleem kan alleen doorbroken worden als alle partijen – publieke (het Rijk en decentrale overheden), semipublieke (de netbeheerders), en private (zoals bedrijven en brancheorganisaties) – samen de schouders eronder zetten. De overheid heeft een specifieke faciliterende rol.

157 Welke duurzaamheids- en dierenwelzijnscriteria zijn er gesteld aan ondernemers om in aanmerking te komen voor de fiscale regelingen Research en Development Aftrek (RDA) en Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO)?

De WBSO en RDA zijn generieke fiscale regelingen die beogen om privaat speur- en ontwikkelingswerk (S&O) te stimuleren. Deze generieke instrumenten staan open voor alle innoverende bedrijven in Nederland. In de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is aangegeven wat wordt verstaan onder S&O. Om gebruik te maken van de WBSO en de RDA, dienen ondernemers te beschikken over een zogeheten S&O-verklaring. In de Afbakeningsregeling speur- en ontwikkelingswerk 1997 worden regels gesteld omtrent de inhoud van de aanvraag van een S&O-verklaring. Vanwege het generieke karakter van de WBSO en RDA worden daarin worden geen sectorspecifieke regels gesteld. Uiteraard is alle geldende wet- en regelgeving, ook op het gebied van duurzaamheid en dierenwelzijn, onverminderd van kracht bij de uitvoering van S&O.

158 Wanneer wordt de beleidsdoorlichting Groen onderwijs van hoge kwaliteit naar de Kamer gestuurd?

Het is mijn voornemen om in het voorjaar 2014 de beleidsdoorlichting en een beleidsreactie hierbij aan de Tweede Kamer te verzenden.

159 Waarom integreert u de beoogde beleidsdoorlichting over begrotingsartikel 16 «concurrerende, duurzame en veilige agro-, visserij- en voedselketens» in een Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) en welke gevolgen heeft dat voor het voldoen aan de vereisten zoals gesteld in de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE)?

In het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Agro-, visserij-, en voedselketens (IBO) worden, net als bij een beleidsdoorlichting, de doelmatigheid en doeltreffendheid van de instrumenten geanalyseerd. In het IBO worden aan deze analyse beleidsvarianten toegevoegd. De bouwstenen van een beleidsdoorlichting (zoals terug te vinden in de RPE), komen dus terug in het IBO. Zie ook de taakopdracht zoals weergegeven in de miljoenennota (Bijlage 6.2; www.rijksbegroting.nl/2014/voorbereiding/miljoenennota). Om efficiencyredenen is daarom de keuze gemaakt om de beleidsdoorlichting in het IBO te integreren.

160 Waarom heeft u geen beleidsdoorlichtingen gepland voor 2016 en 2017, de eindjaren van het kabinet Rutte-Asscher?

Een beleidsdoorlichting is een syntheseonderzoek naar zowel de doeltreffendheid als de doelmatigheid van al het beleid van een beleidsartikel. De Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) van 31 augustus 2012 schrijft voor dat al het beleid dat valt onder de beleidsartikelen in de begroting periodiek (bijvoorbeeld eens per vier jaar en ten minste eens in de zeven jaar) geëvalueerd wordt in een beleidsdoorlichting. In begroting en jaarverslag wordt aangegeven welke beleidsdoorlichtingen in welk jaar zijn of worden uitgevoerd. Doordat de frequentie van doorlichtingen tussen de vier en zeven jaar kan liggen, kunnen er in het ene jaar meerdere doorlichtingen plaatsvinden, terwijl er in een ander jaar geen doorlichting plaatsvindt. De planning van beleidsdoorlichtingen wordt niet afgestemd op de duur van lopende kabinetsperiode of het moment van de Tweede Kamer verkiezingen.

161 Kunnen de land- en tuinbouw en visserij ook aanspraak maken op het stimuleringspakket voor de kredietverlening en zo nee, waarom niet?

Het pakket voor stimulering van ondernemingsfinanciering bevat generieke maatregelen, die gericht zijn op stimulering van met name MKB-financiering. Het pakket staat dus ook open voor de land- en tuinbouw en visserij. Uitzondering zijn de BMKB en de GO die tijdelijk worden uitgebreid: deze regelingen zijn vanwege de bijzondere kenmerken van de primaire sector niet opengesteld voor land- en tuinbouw en visserij. Voor deze sectoren bestaan specifieke garantieregelingen.

162 Zal geen van de beleidsartikelen worden gecorrigeerd voor prijsstijgingen, of gaat u de totale korting als gevolg van het inhouden van de prijsbijstelling bij een specifiek beleidsterrein beleggen? Zo ja, welke?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 15.

163 Om welke redenen heeft u besloten tot de kasritmeschuif in de intensivering natuur?

De wijziging van de raming van de intensivering natuur uit het regeerakkoord is onderdeel van de augustusbesluitvorming in het kabinet over de begroting 2014. Deze ramingsbijstelling dient te worden gezien tegen de achtergrond van het streven van het kabinet om het EMU-tekort in 2014 terug te dringen.

164 Valt de intensivering natuur nu onder het budgetrecht van de Kamer?

De intensivering natuur valt nu nog onder het budgetrecht van de Kamer. De middelen worden conform bestuurlijke afspraken hierover met de provincies per 2014 in het Provinciefonds gestort. Deze decentralisatie van middelen is aangekondigd in de septembercirculaire voor het Provinciefonds en zal bij Voorjaarsnota 2014 begrotingstechnisch worden geformaliseerd.

165 Op welke posten zal de taakstelling in het kader van de 6 miljard euro op artikel 18 neerdalen (de tekst op pagina 247 biedt geen duidelijkheid)?

De taakstelling van € 6 miljard op artikel 18 is toegepast op onderstaande posten/instrumenten:

  • De resterende meerjarenbudgetten bestemd voor uitfinanciering van «Nota Ruimte»-projecten, zijn per 2018 neerwaarts bijgesteld op basis van een geactualiseerde liquiditeitsprognose;

  • De resterende meerjarenbudgetten bestemd voor de uitfinanciering van verplichtingen in het kader van de herstructurering van »bedrijventerreinen» zijn per 2018 neerwaarts bijgesteld op basis van een geactualiseerde liquiditeitsprognose;

  • Tot slot heeft een bijstelling plaatsgevonden van de nog beschikbare budgetten voor de uitfinanciering van diverse kleine subsidieregelingen.

Om de ombuigingen op de EZ-begroting in de begroting in te passen is op artikel 18 een kasschuif toegepast op de post NURG (Nadere Uitwerking Rivieren Gebied).

166 Welke landbouwsubsidies in artikel 16 worden er per 1 januari 2015 stopgezet?

Op artikel 16 staan over het algemeen landbouwsubsidies met cofinanciering uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) 2014–2020 (POP3). Aangezien het proces nog loopt om in overleg met de provincies het POP3-programma op te stellen, zal ik uw Kamer na het vaststellen van POP3 informeren over wat dit betekent voor de openstelling van landbouwsubsidies in 2015.

De op artikel 16 meerjarig gereserveerde subsidiebedragen betreffen, behalve een reservering voor de cofinanciering van open te stellen regelingen conform POP3, ook reserveringen voor de uitfinanciering van openstellingen tot 1 januari 2015, alsmede voor geheel nationaal gefinancierde regelingen, zoals de regeling Marktintroductie Energie Innovaties (MEI) en de InvesteringsRegeling Energiebesparing (IRE).

167 Kunt u toelichten hoe het komt dat er zulke hoge uitvoerings- en transitiekosten gemoeid zijn met de inwerkingtreding van het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB)?

Het merendeel van de uitvoerings- en transitiekosten heeft betrekking op:

  • Omschakeling van historisch naar regionaal steunmodel directe betalingen (GLB);

  • Voorbereiden en inregelen van nieuw gelaagd steunstelsel (basispremie, vergroeningspremie, extra betaling jonge boeren) (GLB);

  • Introductie van de vergroening (GLB);

  • Alle verplichte aanpassingen aan het perceelsregister (GLB).

Hoewel de nieuwe eisen van GVB leiden tot aanpassing van de uitvoering en investeringen in systemen, zijn er geen hoge uitvoerings- en transitiekosten voorzien. Grotendeels zal het systeem van het huidig Europees Visserij Fonds worden overgenomen voor het nieuwe fonds EFMZV.

168 Kunt u een specificatie geven van deze uitvoerings- en transitiekosten en kunt u aangeven hoe deze kosten gefinancierd worden en ten laste van welk budget?

De uitvoerings- en transitiekosten worden gefinancierd uit het uitvoeringsbudget Dienst Regelingen. Zie verder het antwoord op vraag 167.

169 Kunt u een nadere toelichting geven waarom er in 2013 11,2 miljoen euro en in 2014 13 miljoen euro aan de interne begrotingsreserve borgstellingsfaciliteit wordt onttrokken?

Op basis van de Garantstelling Landbouw stelt het Rijk zich garant voor eventuele verliezen die banken lijden als agrarische ondernemers waaraan zij leningen hebben verstrekt niet meer aan hun betalingsverplichtingen kunnen voldoen. De verliesdeclaraties van de banken worden gefinancierd uit de begrotingsreserve borgstellingsfaciliteit: deze is expliciet bedoeld om garant te staan voor bankleningen waarmee innovatieve en duurzame investeringen in de landbouw worden gefaciliteerd. Als gevolg van de voortdurende economische crisis is ook het aantal faillissementen in de agrarische sector en daarmee het bedrag aan verliesdeclaraties flink toegenomen. Ook voor 2014 wordt nog een omvangrijk beroep van de banken op de garantstellingsregeling verwacht.

170 Kunt u een toelichting geven waarom er sprake is van hogere uitgavenramingen op een aantal landbouwregelingen en waarom is gekozen om compensatie te laten plaatsvinden uit de interne begrotingsreserve landbouw en wat zijn gevolgen hiervan voor deze post?

De begrotingsreserve landbouw is bedoeld om sterk fluctuerende kasuitgaven op subsidieregelingen op landbouwgebied op te kunnen vangen. In het verleden zijn daarom kasvertragingen op subsidieregelingen in de begrotingsreserve landbouw gestort. Het gaat daarbij om onder andere de regeling Marktintroductie Energie Innovaties (MEI), de regeling duurzame stallen, de investeringsregeling gecombineerde luchtwassers, de regeling fijnstofmaatregelen en de subsidieregeling jonge agrariërs (SJA). In 2013 zijn voor al deze regelingen bedragen (totaal € 10,8 miljoen) onttrokken aan de begrotingsreserve en aan de begroting toegevoegd om aan de subsidieverplichtingen te kunnen voldoen. Alleen voor de SJA is ook voor 2014 al een bedrag (€ 1,2 miljoen) aan de reserve onttrokken om het tekort in 2014 op deze regeling te dekken.

171 Waarom heeft u ervoor gekozen om de bijdrage van het ministerie van Economische Zaken aan het € 6 miljard pakket te laten neerslaan op de onderzoeksbudgetten?

De bijdrage van € 9,4 miljoen betreft een generieke taakstelling. Bij de invulling van de taakstelling is getracht de beleidsmatige consequenties zo beperkt mogelijk te houden.

Aan de keuze voor de korting ook op de opdrachtenbudgetten voor onderzoek ligt de overweging ten grondslag dat de omvang aan middelen zodanig is dat op adequate wijze kan worden voorzien in noodzakelijk onderzoek.

172 Op welke wijze worden (startende) ondernemers, die diervriendelijk willen produceren, gestimuleerd?

Ondernemers kunnen gebruik maken van de beschikbare instrumenten zoals de regeling duurzame stallen, de Milieuinvesteringsaftrek (MIA) en Versnelde afschrijving milieu investeringen (Vamil) op basis van de Maatlat duurzame veehouderij en de Regeling Garantstelling Landbouw (Plus).

Mijn inzet is om in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2014–2020 (artikel 68 in 2014, Plattelands Ontwikkelingsprogramma 3) investeringen in dierenwelzijn te blijven ondersteunen (Kamerstuk 28 973, nr. 134 en Kamerstuk 28 286, nr. 631).

Verder wordt er voor jonge landbouwers binnen het nieuwe GLB voor de periode 2014–2020 ondersteuning geboden via een aantal wegen. Binnen de eerste pijler zal dat zijn via een optimale benutting van de 2% steun via directe betalingen voor jonge boeren. Voor de tweede pijler heb ik de provincies gevraagd om in POP3 invulling te geven aan duurzaamheid, innovatie en concurrentiekracht en daarbij ook aandacht te geven aan (startende) jonge boeren en duurzaamheidinvesteringen, waaronder dierenwelzijn.

173 Hoe staat het met de uitvoering van het convenant ritueel slachten?

De AMvB ter uitvoering van het Convenant onbedwelmd slachten volgens religieuze riten is ter advisering aan de Raad van State voorgelegd. Als reactie op het advies zal een nader rapport worden opgesteld. Zodra deze AMvB in werking is getreden, zijn de afspraken uit het convenant voor eenieder verbindend. Overigens wordt opgemerkt dat zolang de voorhangprocedure van het Besluit diergeneeskundigen nog niet is afgerond, het Besluit houders van dieren evenmin in werking kan treden, net zo min als de wijziging van het Besluit houders van dieren ter uitvoering van het convenant.

174 Hoeveel levert het de schatkist op als er een verplaatsing is van het vlees van het lage btw-tarief naar het hoge btw-tarief?

Het Centraal Planbureau en het Planbureau voor de Leefomgeving hebben in het kader van de doorrekening van de verkiezingsprogramma's, Keuzes in Kaart 2013–2017 (http://www.cpb.nl/publicatie/keuzes-in-kaart-2013–2017 ), berekend dat de verhoging van btw-tarief op vlees en vleesproducten leidt tot een lastenverzwaring van € 0,8 miljard.

Het CPB geeft ook aan dat het effect van deze maatregel op de biodiversiteit zeer gering is en op die in Nederland nihil, vanwege onder andere de geringe doorwerking van de btw-verhoging op het consumentengedrag en de netto-exportpositie van Nederland met betrekking tot vlees.

Verder zal de verhoging van het btw-tarief op vlees onder andere leiden tot stijging van de uitvoeringskosten voor de Belastingdienst en een toename van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven. De vormgeving is lastig en er kleven veel juridische en uitvoeringstechnische haken en ogen aan. Dit kabinet is derhalve geen voorstander van een hoog btw-tarief voor vlees, omdat het instrument niet effectief is.

175 Kunt u de normen en kaders die u stelt ten aanzien van het borgen van voedselveiligheid en voedselkwaliteit concreet specificeren?

De normen en kaders ten aanzien van voedselveiligheid van levensmiddelen zijn vastgelegd in de Europese algemene levensmiddelenverordening 178/2002 (General Food Law) en de daaraan verbonden verordeningen («hygiënepakket»). Naast veiligheid gaat het hierbij ook om traceerbaarheid van voedsel en transparantie in de keten. Naast normen en kaders voor de verwerking van levensmiddelen worden ook eisen gesteld ten aanzien van levende dieren op de boerderij, tijdens het transport en de aankomst op het slachthuis.

Ook ten aanzien van de diervoeders worden op Europees niveau de wettelijke kaders gesteld ten aanzien van de voedselveiligheid (hygiëneverordening voor diervoeders 183/2005). In Nederland zijn deze Europese regels, conform de verantwoordelijkheidsverdeling tussen het ministerie van Economische Zaken en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, voor Economische Zaken ingevuld via de Wet Dieren. Ten aanzien van de verduurzaming van de voedselproductie zijn er geen wettelijke normen en kaders, maar wordt een zo hoog mogelijk verduurzamingsniveau voor de verschillende productieketens nagestreefd. Ik verwijs u voor mijn inzet naar de beleidsbrief verduurzaming voedselproductie van 11 juli jl., Kamerstuk 31 532, nr. 118.

176 Hoe wordt invulling gegeven aan het amendement van het lid Van Gerven over onderzoek uit de biologische sector, zowel voor het lopende jaar als voor 2014?

Ik verwijs u hiervoor naar mijn Kamerbrief van 3 juli jl., Kamerstuk 33 400 XIII, nr. 144,.

177 Voormalig staatssecretaris van Economische Zaken, de heer Bleker, heeft bij brief van 23 december 2011 aan de Kamer laten weten dat pluimveeslachterijen, die de waterbadmethode nog gebruiken per 1 september 2012 met een aangescherpte norm voor de elektrische parameters krijgen te maken, heeft deze aanscherping plaatsgevonden, wat houdt zij in, hoe vindt de controle hierop plaats en welke sanctie staat er op het niet naleven ervan?

Uw Kamer is op 17 september 2012 geïnformeerd over het uitstel van de aanscherping tot 1 januari 2013 (Kamerstuk 28 286, nr. 589). Vanaf 1 januari 2013 is de Verordening doden van dieren van kracht. Hierin staan de elektrische parameters vermeld waaraan de slachterijen moeten voldoen indien zij gebruik maken van het waterbad als bedwelmingsmethode. De NVWA houdt hier toezicht op. Op het niet naleven staan sancties als waarschuwingen en boetes.

178 Wat is het tijdspad van het onderzoek naar zachte ligbedding bij kalveren en wordt hierbij serieus gekeken naar stro als alternatief?

De planning is om het onderzoek op 20 praktijkbedrijven in het najaar van 2015 af te ronden. Het onderzoek richt zich – conform de motie van Van der Vlies c.s., Kamerstuk 28 286, nr. 170 (februari 2008) – op perspectiefvolle alternatieven voor de gangbare houderij. Dit onderzoek vindt in nauw overleg en afstemming plaats met de kalfsvleesproductieketen op vleeskalverbedrijven. Stro is niet als alternatief opgenomen omdat dit in de gangbare kalverhouderij geen optie is vanwege de stalconstructie (roostervloeren) en fijnstof.

179 Klopt het dat er geen Hb-monitoring in de welzijnsmonitor vleeskalveren zit, waarom is dit en wilt u er voor zorgen dat deze alsnog opgenomen wordt?

Ik verwijs naar het antwoord op vraag 293.

180 Hoe staat het met het onderzoek naar terugdringen van de incidentie van keizersnedes in de dikbilhouderij? Hoeveel jaar is er nodig om de incidentie tot minder dan tien procent terug te brengen?

In de periode van 2006–2012 is onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om het routinematig gebruik van keizersnede en het probleem van moeilijke geboorten bij dikbilrunderen sterk te verminderen. Daarover is in december 2012 het WUR-onderzoekrapport «Naar een probleemloos afkalvende dikbilkoe» verschenen (http://edepot.wur.nl/249672 ). Uit de resultaten blijkt dat bij algemene toepassing van de onderzochte selectiemethode, naar verwachting ruim 40% van de koeien natuurlijk kan afkalven in 2020. Ik verwijs u voor mijn inzet naar de beleidsbrief Dierenwelzijn van 4 oktober jl.

181 Bent u bereid weidegang wettelijk verplicht te stellen bij koeien?

In 2012 hebben 59 partijen het Convenant Weidegang ondertekend, waaronder het ministerie van Economische Zaken. Inmiddels tekent zich een stabilisatie van de weidegang af. Ook betalen de meeste zuilfabrieken een toeslag op het leveren van weidemelk. Gezien deze initiatieven vind ik het niet nodig of wenselijk om weidegang wettelijk verplicht te stellen.

182 Werd de subsidieregeling duurzame stallen in voorgaande jaren ook gefinancierd vanuit PAS-middelen?

De openstellingen van de investeringsregeling duurzame stallen in het kader van de Regeling LNV-subsidies (RLS) zijn in 2012 gedeeltelijk en in 2013 geheel gefinancierd vanuit de PAS-middelen op beleidsartikel 18.

183 Hoeveel geld wordt er gereserveerd voor de subsidieregeling duurzame stallen?

184 Hoe groot is het totale budget dat beschikbaar is voor investeringsregelingen in duurzame stallen, en hoe verhoudt dit budget zich tot de afgelopen jaren en vertaalt deze verhouding zich door in de ambities van het kabinet?

Er zijn drie subsidieregelingen en financieringsbronnen waarmee de bouw van duurzame stallen wordt gestimuleerd: de regeling LNV-subsidies (RLS) met nationale financiering uit beleidsartikel 16.1, de RLS met financiering uit middelen van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 met financiering uit artikel 68 middelen van het GLB.

De middelen voor de regeling duurzame stallen (RLS) op beleidsartikel 16 zijn bestemd voor de financiering van reeds aangegane verplichtingen van eerdere openstellingen van deze regeling.

In 2013 heb ik met financiering uit PAS-middelen onder andere de investeringsregeling duurzame stallen in het kader van de Regeling LNV-subsidies (RLS) opengesteld (budgetplafond € 8 miljoen, openstellingstermijn tot en met 30 september 2013). Zoals ik aan de Tweede Kamer heb aangegeven (Kamerstuk 32 670, nr. 70) zal ik bij gebleken belangstelling in 2013 ook in 2014 uit de PAS-middelen van beleidsartikel 18 de investeringsregeling duurzame stallen openstellen. Besluitvorming hierover zal begin 2014 plaatsvinden.

Aanvullend hierop is mijn inzet om in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2014–2020 (artikel 68 in 2014, Plattelands Ontwikkelingsprogramma 3) investeringen in duurzame stallen te blijven ondersteunen (Kamerstuk 28 973, nr. 134 en Kamerstuk 28 286, nr. 631). Besluitvorming hierover zal naar verwachting eind dit jaar plaatsvinden.

Verder worden even als in de afgelopen jaren in 2014 investeringen in duurzame stallen gestimuleerd via fiscale regelingen (MIA (Milieuinvesteringsaftrek) en de VAMIL (Willekeurige afschrijving Milieu-investeringen)) op basis van de Maatlat duurzame veehouderij. Op de begroting van Infrastructuur en Milieu is in 2014 in totaal € 101 miljoen beschikbaar voor de MIA en € 30 miljoen beschikbaar voor de VAMIL. Binnen deze totaalbedragen is geen onderverdeling aangebracht voor de verschillende investeringscategorieën (waaronder duurzame stallen).

Naast de investeringsregeling duurzame stallen in het kader van de PAS zijn er de afgelopen jaren investeringsregelingen voor duurzame stallen in het kader van de Regeling LNV-subsidies (RLS) opengesteld met nationale (co)financiering uit beleidsartikel 16 van de EZ-begroting en investeringsregelingen voor duurzame stallen in het kader van de Regeling GLB inkomenssteun 2006 met 100% financiering uit GLB-middelen (artikel 68). De beschikbare programmamiddelen in de verschillende openstellingen zijn hieronder samengevat:

Openstelling

Beschikbaar budget (in mln. euro)

Artikel 68 GLB

 

2010

10.5

2011

9.5

2012-I

15.125

2012-II

14.125

   

RLS

 

2008

2.5

2009-I

4.7

2009-II

6

2010

15

2011

8.2

   

RLS PAS

 

2012

9.21

2013

8

X Noot
1

Totaal budget van € 9.2 miljoen bestaande uit een budgetplafond voor de nationale regeling van € 8 miljoen, waarvan 50% uit PAS-middelen op beleidsartikel 18 en 50% Europese cofinanciering (POP2) en uit een top-up van € 1.2 miljoen afkomstig van provinciale middelen.

Zoals aangegeven in mijn brieven van 18 juni en 12 augustus jl. (Kamerstukken 28 286, nr. 631 en Aanhangselnummer 2959) hebben de partijen van de Uitvoeringsagenda duurzame veehouderij (UDV) afgesproken dat vanaf 2015 alle nieuwbouwstallen integraal duurzaam moeten zijn. Hiervoor ontwikkelen de UDV-partijen een privaat stimuleringspakket dat een aanvulling is op de instrumenten van de rijksoverheid. Hoewel het budget van de zijde van de rijksoverheid daalt, verwacht ik dat er met deze afspraak sprake zal zijn van een versnelde toename van het aantal duurzame stallen.

185 De partners van de Uitvoeringsagenda Duurzame Stallen zullen een stimuleringspakket opstellen, gaat dat gepaard met extra financiële middelen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?

Op dit moment werken de partners van de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij aan dit stimuleringspakket. Dit zal eind november met de partners worden besproken. Ik kan over de inhoud van dit pakket derhalve nog geen toezeggingen doen. De primaire verantwoordelijkheid voor dit pakket ligt bij het bedrijfsleven.

186 Wat is de status van het convenant Schone en Zuinige Agrosectoren? Worden de doelstellingen behaald en welke specifieke afspraken zijn er voor het jaar 2014 gemaakt?

Het Convenant Schone en Zuinige Agrosectoren loopt door tot en met 2020 (Kamerstuk 31 209, nr. 1). Het convenant is een inspanningsverplichting, waarbij de CO2-doelen wettelijk zijn verankerd. Uit de «Energie- en klimaatmonitor Agrosectoren 2011» blijkt dat de realisatie van het convenant volgens plan verloopt. Op dit moment wordt met alle ondertekenaars gewerkt aan een actualisatie van het Convenant, waarbij rekening gehouden wordt met huidige ontwikkelingen, zoals het SER Energie-akkoord, biobased mogelijkheden en het wegvallen van de PBO’s.

187 Wat doet de overheid om ondernemers te faciliteren en te ondersteunen in het terugdringen van antibioticagebruik?

De overheid faciliteert ondernemers met name via kennisontwikkeling en kennisverspreiding. Dit jaar zijn diverse topsectoronderzoeken van start gegaan die zich richten op verbetering van de diergezondheid en vermindering van het antibioticagebruik, waaronder de onderzoeken «1Health4food»,» feed4foodure» en «samenwerkende varkenshouderijketen». Via het innovatieprogramma antibioticumvrije ketens ondersteunt de overheid ketenpartijen in de varkens- en pluimveehouderij bij het ontwikkelen van maatregelen om een laag gebruik van antibiotica te bereiken.

188 Wat zijn de contouren van de nieuwe koers ten aanzien van duurzaam voedsel die in 2014 wordt geïmplementeerd?

Ik verwijs u hiervoor naar de beleidsbrief Duurzame Voedselproductie, Kamerstuk 31 532, nr. 118.

189 Wat is de onderbouwing van de classificatie van 3,4 ten aanzien van het voedselvertrouwen van de consument in het licht van de afgelopen voedselschandalen?

Het voedselvertrouwen van de consument wordt gemeten door middel van een representatieve steekproef van consumenten. Als antwoord op een aantal vragen kunnen consumenten op een schaal van minimaal 1 tot maximaal 5 aangeven of ze weinig of veel vertrouwen hebben in voedsel. De classificatie is het gemiddelde van de respons van de consumenten. De laatste reguliere meting van het consumentenvertrouwen (met classificatie 3.4) is uitgevoerd tussen november 2011 en januari 2012.

In het licht van de voedselincidenten dit jaar is de ambitie om het licht gestegen vertrouwen van de afgelopen jaren de komende tijd tenminste vast te houden.

190 Wat is het budget dat gereserveerd is voor het handhaven van het voedselvertrouwen van de consument?

Voedselvertrouwen is een resultante van diverse factoren, onder andere de borging van de voedselveiligheid, het toezicht en handhaving ten aanzien van de wettelijke regels voor voedsel, het mogelijk plaatsvinden van incidenten, de communicatie naar de consument hierover en over voedsel in het algemeen. Naar aanleiding van de recente voedselincidenten is de Taskforce Voedselvertrouwen ingesteld waarin overheid en bedrijfsleven samenwerken om door een versterking van het systeem voor voedselveiligheid en -integriteit het voedselvertrouwen van de consument te herwinnen. Voedselvertrouwen heeft geen eigen gereserveerd budget; vanuit diverse beleidsterreinen, met de daarbij behorende budgetten, wordt door het kabinet bijgedragen aan het behoud en het versterken van dit vertrouwen.

191 Kunt u toelichten waarom het bedrag voor het versterken van concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij in 2014 met 52 procent daalt?

Bij de beantwoording van deze vraag wordt ervan uitgegaan dat de daling van 52 procent verwijst naar de daling van het budget in de categorie opdrachten van het artikelonderdeel 16.1 (versterken van concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij), zoals vermeld op pagina 88 van de EZ-begroting.

In het opdrachtenbudget op Versterking concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij (16.10) is in 2013 rekening gehouden met een bijdrage vanuit agrariërs (€ 4,5 miljoen) aan de kosten van het derogatiemeetnet dat door het RIVM en het LEI wordt beheerd. Omdat over een soortgelijke bijdrage voor 2014 nog geen afspraken zijn gemaakt, is dit bedrag niet opgenomen in de begroting 2014.

Bovendien heeft binnen de EZ-begroting in 2013 een eenmalige overheveling van € 5 miljoen van artikel 18 naar artikelonderdeel 16.10 plaatsgevonden. Het gaat hier om de inzet van Programmatische Aanpak Stikstof-middelen (PAS) voor het programma Emissiearm Veevoer. Daarnaast heeft een overheveling van € 2,2 miljoen plaatsgevonden naar andere onderdelen van artikel 16.

Ten slotte heeft in het kader van de bezuiniging op het topsectorenbeleid nog een korting plaatsgevonden van € 1,3 miljoen.

192 Wat houdt de borgstellingfaciliteit in en welke activiteiten werden hier vorig jaar uit gefinancierd met welk resultaat?

Uit het budget voor de borgstellingsfaciliteit worden de verliesdeclaraties in het kader van de Garantstelling Landbouw gefinancierd. De Garantstelling Landbouw voorziet in garantstellingen op leningen voor investeringen door primaire ondernemers. Over de resultaten wordt uw Kamer halfjaarlijks geïnformeerd via de halfjaarrapportage inzake de benutting van de EZ-financieringsinstrumenten. In de tweede halfjaar rapportage inzake de benutting EZ-financieringsinstrumenten van 28 februari jl., Kamerstuk 32 637, nr. 51, is u gemeld dat er in 2012 voor € 32,4 miljoen aan garantstellingen is verstrekt.

193 Het bedrag in 2013 besteed aan de verliesdeclaraties borgstellingfaciliteit was hoog en de komend jaar nog steeds hoog om daarna hard naar beneden te gaan, hoe zijn die verschillen te verklaren?

De omvang van het bedrag aan verliesdeclaraties is afhankelijk van de declaraties die door de banken worden ingediend. Dit is weer afhankelijk van de economisch situatie van de primaire sector. Voor de korte termijn is op basis van de beschikbare gegevens in te schatten wat de omvang van het verlies is, rekening houdend met de economische crisis. Voor de langere termijn wordt gewerkt met het gemiddelde verlies over een langere periode.

194 Op basis waarvan wordt op het borgen van voedselveiligheid en -kwaliteit stevig bezuinigd en welke doelstellingen moeten er voor dit budget behaald worden?

Binnen artikel 16 heeft een herschikking plaatsgevonden, waarbij een deel van de middelen bestemd is voor het op orde brengen van het handhavingsbudget van de NVWA. Het budget voor opdrachten voedselveiligheid- en kwaliteit heeft betrekking op onder andere de volgende activiteiten:

  • Aanscherping van regelgeving voor diergeneesmiddelen (inclusief antibiotica).

  • Herziening van Europese regels voor vleeskeuring en (risicogebaseerde) toezicht in de pluimvee- en varkenssector (zogenaamde Hygiënepakket).

  • Monitoring van alimentaire zoönosen (zoals salmonella).

  • Versoepeling van beheersingsmaatregelen inzake TSE/BSE.

  • Aanscherping van handhaving en toezicht en vervolgmaatregelen naar aanleiding van de uitkomsten van de «Taskforce Voedselvertrouwen» en de paardenvleesaffaire.

Voor voedselkwaliteit geldt dat er tot en met 2012 aanvullende middelen beschikbaar waren voor de uitvoering van de Nota Duurzaam Voedsel. Dit budget loopt vanaf 2013 terug naar het reguliere niveau en wordt grotendeels ingezet voor informatievoorziening aan consumenten over voedselveiligheid, voedselkwaliteit en voedselverspilling en voor een integrale aanpak van voedselverspilling. Voor wat betreft innovaties in duurzame voedselproductie is er budget beschikbaar onder de topsectoren Agri&Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen.

195 Hoe gaat het geld dat gereserveerd staat voor medebewind productschappen en de opheffing van de productschappen besteed worden en op grond van welk beleid of regeling?

Het voor medebewind productschappen gereserveerde geld blijft in beginsel ook de komende jaren beschikbaar voor de financiering van de uitvoering van de betreffende taken door de centrale overheid. Voor 2014 is dit geld nog apart opgenomen in de begroting, omdat ten tijde van de opstelling van de begroting nog niet duidelijk was of, en in welke mate deze uitvoeringstaken al in het begrotingsjaar 2014 konden worden overgenomen door de centrale overheid. De verwachting is de betreffende medebewindstaken op het gebied van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) inderdaad met ingang van 1 januari 2014 door de dienstonderdelen van EZ (met name Dienst Regelingen) kunnen worden uitgevoerd. Om organisatorische redenen kies ik er echter voor de begrotingssystematiek zoals die nu geldt voor het medebewind voor 2014 niet te wijzigen en daarmee de opdracht voor het huidige medebewind nog niet mee te laten lopen in het offertetraject met DR. Met ingang van de begroting 2015 zullen de betreffende kosten worden begroot bij het uitvoerende dienstonderdeel.

In de post medebewind productschappen is tevens het budget van € 31 miljoen opgenomen voor de financiering van de andere publieke taken dan medebewind die worden overgenomen door de centrale overheid. Dit betreft dus de publieke taken die zijn genoemd in de bijlage bij mijn brief van 1 mei jl. (Kamerstuk 32 615, nr. 8) en die door de productschappen werden betaald. De onderverdeling per taak wordt thans in detail in kaart gebracht. Met ingang van de begroting 2015 zullen de betreffende kosten worden begroot bij de uitvoerende dienstonderdelen.

196 Waarom wordt er in 2014 minder begroot voor ZonMw als het gaat om dierproeven?

In 2014 worden de activiteiten vanuit ZonMw ten behoeve van de huidige modules van het onderzoeksprogramma «Meer Kennis met Minder Dieren» afgerond en worden activiteiten ten behoeve van nieuwe modules onder de paraplu van «Meer Kennis met Minder Dieren» opgestart. In de afrond- en opstartfase is minder budget nodig. Bij de voorjaarsnota 2014 worden de benodigde middelen voor het nieuwe onderzoeksprogramma vastgesteld.

197 Waarom wordt er in 2014 geen budget gereserveerd voor de regeling fijnstof en onder welke voorwaarden wordt de regeling fijnstof in 2014 opnieuw opengesteld en wat is het budget?

Er was een openstelling van de module «fijnstofmaatregelen» voorzien in 2012. Om deze openstelling mogelijk te maken, diende een staatssteunmelding te worden gedaan bij de Europese Commissie. Aangezien de goedkeuring van de Europese Commissie begin 2013 is gepubliceerd, is deze openstelling vertraagd. De openstelling heeft plaatsgevonden van 1 april tot en met 15 mei 2013.

Ik heb uw Kamer aangegeven dat ik bij de afweging over de openstelling 2013 de uitkomsten van de derde rapportage over de voortgang van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit in 2011 en de ervaring en resultaten van de openstelling 2012 zou meenemen (Kamerstuk 33 400-XIII, nr. 36, vraag 122).

Ik heb deze afweging inmiddels gemaakt en kan u melden dat de module fijnstofmaatregelen nogmaals wordt opengesteld. De redenen hiervoor zijn:

  • de rapportage wijst uit dat de uitstoot van fijn stof uit de veehouderij verder omlaag moet;

  • de belangstelling voor de verlate openstelling 2012 was bijzonder groot. Er zijn 266 aanvragen binnengekomen, waarvan er inmiddels 80 subsidie toegewezen hebben gekregen. De overige aanvragen zijn afgewezen, omdat er onvoldoende budget was en/of omdat er niet voldaan werd aan de randvoorwaarden.

De openstelling vindt eind 2013 of begin 2014 plaats. De exacte openstellingperiode wordt op korte termijn bekend gemaakt.

Ik verwijs u voor het antwoord op de vraag over het beschikbare budget voor de module fijnstofmaatregelen naar Kamerstuk 33 400-XIII, nr. 36, vraag 122.

198 Wat zijn de resultaten van de regeling fijnstof?

Er is een effectevaluatie voorzien van de investeringsregeling fijnstofmaatregelen in 2014. Ik zal uw Kamer te zijner tijd deze evaluatie sturen.

199 Kunt u toelichten waarom het budget voor dierenwelzijn van productiedieren en gezelschapsdieren vanaf 2013 structureel lager is geworden vergeleken met 2012 en wat dit betekent voor het dierenwelzijn van productiedieren en gezelschapsdieren?

200 Kunt u een gedetailleerde opsplitsing maken van de kosten die vallen onder dierenwelzijn productiedieren en gezelschapsdieren en daarbij gedetailleerd aangeven hoe het geld besteed gaat worden, en welke concrete doelstellingen de regering hiermee wil behalen?

201 Wat is het totaalbedrag dat wordt uitgegeven aan de verbetering van dierenwelzijn, over welke posten is dat verdeeld, en welke afrekenbare prestaties worden aan de uitgaven verbonden?

202 Waarom neemt het budget voor dierenwelzijn niet toe en in de komende jaren zelfs af, als u stelt dat de aandacht voor gezondheid en welzijn van gezelschapsdieren en paarden toeneemt?

Het totaalbedrag dat in 2014 wordt uitgegeven aan de verbetering van het dierenwelzijn is nog niet te benoemen. Dit bedrag bestaat namelijk uit middelen op de verschillende beleidsartikelen in de EZ-begroting, de inzet binnen verduurzaming veehouderij, Europese middelen en fiscale middelen die niet uitsluitend betrekking hebben op dierenwelzijn of afhankelijk zijn van de aanvragen van ondernemers.

EZ begrotingsartikelen dierenwelzijn

Verbetering van het dierwelzijn van productiedieren en gezelschapsdieren is opgenomen in artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens.

Onder artikel 16.1 (Versterken concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij) vallen activiteiten gericht op verduurzaming van de veehouderij. Het gaat om bijvoorbeeld de financiering van eerdere openstellingen van de Investeringsregeling Duurzame stallen en de Praktijknetwerken veehouderij. Dierenwelzijn is een integraal onderdeel van verduurzaming van de veehouderij en daardoor zijn de uitgaven puur voor dierenwelzijnsverbetering niet te specificeren. Zie ook mijn antwoord op vraag 184 en 207.

Onder artikel 16.3 (Plant- en Diergezondheid) vallen de subsidies en projecten specifiek gericht op het verbeteren van dierenwelzijn. Voor 2014 is € 6 miljoen gereserveerd, waarvan ruim € 2 miljoen voor de kosten van de opvang van dieren die na een strafrechtelijke of bestuursrechtelijke procedure door de overheid worden opgevangen. De overige € 4 miljoen zijn gereserveerd voor projecten voor landbouwhuisdieren (circa € 1,2 miljoen) en gezelschapsdieren (circa € 2,8 miljoen).

Concrete projecten zijn: bijdrage Stichting Zeldzame Landbouwhuisdierrassen projectuitvoering stalbranden, afsprakenkader vroegtijdige signalering dierverwaarlozing, Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming, het Landelijk Informatie Centrum Gezelschapsdieren en aan projecten ter uitvoering van de beleidsbrief Dierenwelzijn (onder andere projecten ten behoeve van het uitfaseren van ingrepen, bewustwordingsprojecten gezelschapsdieren, ondersteuning van het plan «gezonde hond» en ondersteuning van de visserijpilot voor het doden aan boord van vis.

Voor onderzoek en kennisverspreiding is in totaal circa € 4,5 miljoen begroot. Dat is opgebouwd uit circa € 1,5 miljoen voor onderzoek om het dierenwelzijn van productiedieren en gezelschapsdieren te bevorderen (artikel 16.3). Daarnaast is voor Verduurzaming veehouderij in de topsector Agri&Food bij benadering een budget van € 1,5 miljoen opgenomen voor dierenwelzijn (artikel 16.4); dit bedrag is niet exact te noemen omdat het meestal verweven is met andere aspecten van de houderij van productiedieren.

Voor kennisverspreiding is een bedrag € 1,5 miljoen uitgetrokken dat voor het grootste deel wordt gevuld met doorlopende projecten vanuit 2013 (artikel 17). Deze projecten zijn gericht op het toepassen van bedrijfsmonitoring volgens Welfare Quality.

Europese middelen

De inzet in het kader van GLB 2014–2020 is nog niet bekend. Hierover wordt uw Kamer separaat geïnformeerd in november.

Fiscale regelingen

Voor de investeringen in integraal duurzame en diervriendelijke stallen kan gebruikt gemaakt worden van de fiscale regelingen Milieu-investeringsaftrek (MIA) en Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL). De bedragen van MIA en VAMIL staan op de begroting van het ministerie van Infrastructuur en Milieu.

Handhaving dierenwelzijn

Zoals aangegeven in de beleidsbrief Dierenwelzijn van 4 oktober jl. gaat voor handhaving van onder andere de positieflijst en het besluit gezelschapsdieren er jaarlijks € 1,6 miljoen naar de Landelijke Inspectiedienst. Ten aanzien van de inzet van de NVWA heb ik uw Kamer op 1 oktober toegezegd in november a.s. een plan van aanpak NVWA met een risicoanalyse te sturen, dat een handvat moet bieden voor prioriteitstelling en de noodzakelijke inzet voor handhaving en toezicht. Zie ook mijn antwoord bij vraag 509.

203 Welke concrete maatregelen worden er genomen om het welzijn van paarden te verbeteren, welk budget gaat hiermee gemoeid, en wat zijn de afrekenbare prestaties?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 69.

204 Kunt u een gedetailleerde opsomming geven van de maatregelen die u gaat nemen om het dierenwelzijn van gezelschapsdieren te verbeteren, welk budget gaat hiermee gemoeid, en wat de afrekenbare prestaties zijn?

In de beleidsbrief Dierenwelzijn die uw Kamer 4 oktober jl. heeft ontvangen, Kamerstuk 28 286, nr. 651, heb ik aangegeven waar de focus voor de komende jaren ligt en welke prestaties daarbij behoren. Daarnaast blijven lopende projecten doorgang vinden zoals initiatieven ter voorkoming en aanpak van verwaarlozing en mishandeling en de aanpak van stalbranden. Ik verwijs u verder naar het antwoord op vraag 199 t/m 202.

205 Hoeveel budget is er gereserveerd voor de bijstelling van het systeem voor de voedselveiligheid en -integriteit in de vlees- en zuivelsector?

Op dit moment is er geen specifiek budget gereserveerd voor deze bijstelling van het systeem omdat de binnen het kader van de Taskforce Voedselvertrouwen geplande activiteiten van de overheid dit vooralsnog niet noodzakelijk maken. Zie hiervoor ook mijn antwoord op vraag 190. Tijdens de voortgang zal regelmatig worden bekeken, in hoeverre een specifiek budget nodig is, als onderdeel van de begrotingspost «borging voedselveiligheid en -kwaliteit».

206 Welke operationele doelstellingen zullen er in het systeem voor de voedselveiligheid en -integriteit worden bijgesteld?

Hiervoor verwijs ik u in de eerste plaats naar het actieplan van de Taskforce Voedselvertrouwen beschreven 17 actiepunten. Het actieplan is u op 13 juni jl. (Kamerstuk 26 991, nr. 361) toegezonden. De operationele doelstellingen naar aanleiding van het onderzoek naar de risico’s in de vleesketen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid kunnen pas worden opgesteld als het rapport beschikbaar is. Over de aanpassingen bij de NVWA heb ik u geïnformeerd in mijn brief van 3 september 2013 (Kamerstuk 26 991, nr. 368). Tot slot ontvangt uw Kamer begin november, zoals toegezegd, een Plan van Aanpak van de NVWA.

207 Welke taken, subsidies of regelingen vervallen met de voorgenomen bezuinigingen op de duurzame veehouderij?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 258.

208 Welke bezuinigingen hebben er in 2013 op de duurzame veehouderij plaatsgevonden?

Het verschil tussen 2012 en 2013 wordt vooral verklaard doordat in 2012 ruim € 10 miljoen aan de regeling fijnstofmaatregelen is uitgegeven én € 10 miljoen in de begrotingsreserve landbouw is gestort om de betalingen op de openstellingen 2012 en 2013 van deze regeling te kunnen bekostigen. In 2013 was voor deze regeling geen budget meer beschikbaar, het verschil tussen 2012 en 2013 op deze regeling is daarmee zo’n € 20 miljoen.

In 2013 is niet bezuinigd op het budget duurzame veehouderij, maar zijn er extra middelen aan de begroting toegevoegd. In 2013 heeft een eenmalige overheveling van PAS-middelen (totaal € 8,4 miljoen) plaatsgevonden van artikel 18 naar artikelonderdeel 16.10 Duurzame Veehouderij ten behoeve van de openstelling van vijf regelingen. Daarnaast is in 2013 € 2,6 miljoen aan de begroting toegevoegd uit de interne begrotingsreserve landbouw ter financiering van de regeling duurzame stallen.

Het verschil tussen het budget 2012 en 2013 wordt dus vooral verklaard door het saldo van het in 2012 aflopende budget voor fijnstofmaatregelen en de bijplussing in 2013 van de PAS-middelen en het budget voor duurzame stallen.

209 Wat is de onderbouwing en de consequentie van het minimaliseren van het budget duurzame veehouderij in 2018?

Binnen artikel 16.1 duurzame veehouderij is de afgelopen jaren budget beschikbaar gesteld voor het openstellen van verschillende subsidieregelingen tot en met 2013. Dit artikel geeft invulling aan subsidies in het kader van het Plattelandsontwikkelingsplan 2 (POP2), het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). De bedragen op de begroting betreffen de financiering van de aangegane verplichtingen.

In het antwoord op vraag 183 ben ik ingegaan op de openstelling in 2014 van de subsidieregelingen in het kader van de PAS.

In het antwoord op vraag 197 ben ik ingegaan op de openstelling in 2013 en 2014 van de investeringsregeling fijnstofmaatregelen in het kader van het NSL.

In november 2013 ontvangt uw Kamer een brief over de implementatievoorstellen voor het gehele Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) voor de periode 2014–2020. Het opstellen van het Plattelandsontwikkelingsplan 3 (POP3) is een onderdeel van de implementatie van het GLB.

Het is mijn inzet dat in dit verband ook nieuwe activiteiten voor de verduurzaming van de veehouderij worden gestimuleerd. In het kader van POP3 zal worden besloten welk budget voor stimulering van duurzame veehouderij vanaf 2014 beschikbaar zal komen.

210 Op welke wijze denkt u te komen tot de doelstelling om alle nieuwbouwstallen in 2015 integraal duurzaam te bouwen.

De organisaties die betrokken zijn bij de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij hebben het initiatief en de verantwoordelijkheid genomen dat vanaf 2015 alle nieuwbouwstallen integraal duurzaam zullen zijn. Ik stel in de Regiegroep Duurzame Veehouderij en Agroketens de voortgang hiervan regelmatig aan de orde en met de beschikbare instrumenten wil ik deze beweging ondersteunen waar dat mogelijk is.

211 Welke bezuinigingen hebben er in 2013 plaatsgevonden op het borgen van voedselveiligheid en -kwaliteit?

212 Welke bezuinigingen zullen er in 2014 plaats gaan vinden op het borgen van voedselveiligheid en -kwaliteit?

Het budget voor voedselveiligheid en -kwaliteit, zoals geraamd op artikelonderdeel 16.2, vertoonde al een dalende lijn voor de komende jaren van € 12,8 miljoen in 2012 en € 11 miljoen in 2013 naar € 9 miljoen in 2014 en verder. Daar is in 2013 voornamelijk op het gebied van voedselkwaliteit een extra bezuiniging bijgekomen van € 2 miljoen en in 2014 van € 3 miljoen.

213 Verwacht u dat € 31 miljoen structureel voor financiering van de opheffing van Publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties (PBO’s) voldoende is en hoe worden tekorten gefinancierd?

Ik verwacht dat dit bedrag voldoende is voor de uitvoering van de autonoom publieke taken die overkomen naar de rijksoverheid.

214 Hoe wordt de situatie overbrugd, waarin er nog geen nieuwe organisaties zijn, laat staan heffingen of medefinancieringsmogelijkheden en voor veel taken medefinanciering door de sector een probleem wordt in 2014?

Het is in eerste instantie aan de sector om, met gebruikmaking van de bestaande en toekomstige mogelijkheden, de nodige voorzieningen te treffen waardoor de medefinanciering kan worden voortgezet. Over de medefinanciering van het Diergezondheidsfonds in 2014 wordt momenteel met de sector gesproken. Voor de private financiering van onderzoek en innovatie (in de topsectoren Agri&Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen) wordt 2014 gezien als overgangsjaar, waarbij de publieke bijdrage volledig beschikbaar blijft.

215 Op basis van welk besluit is de bijdrage aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) naar beneden gegaan?

Als gevolg van diverse opgelegde taakstellingen is er sprake van een aflopende meerjarige begrotingsreeks. In de eerste suppletoire begroting 2013 van EZ (Kamerstuk 33 640-XIII, nr. 2) zijn echter middelen toegevoegd aan het opdrachtenbudget voor de NVWA om de kwaliteit van de uitvoering, handhaving en toezicht te waarborgen (€ 10,1 miljoen in 2013, € 7,3 miljoen in 2014, € 5,7 miljoen in 2015, € 3 miljoen in 2016, € 3,8 miljoen in 2017 en € 4,7 miljoen in 2018). Tevens is, om uitvoering te geven aan de motie Jacobi c.s. (Kamerstuk 33 240-XIII, nr. 18), de bijdrage verhoogd ten behoeve van investeringen die het mogelijk maken de beoogde fusiebesparingen op het gebied van huisvesting, ICT en arbeidsvoorwaarden te realiseren (€ 14,1 miljoen in 2013, € 2,5 miljoen in 2014 en € 0,5 miljoen in 2015). De meerjarige bijdrage aan de NVWA in de begroting 2014 is daardoor hoger dan in de begroting 2013.

216 Kunt u aangeven waaruit de ontvangsten voor het versterken concurrentiekracht en de verduurzaming van agroketens en visserij bestaan en waarom deze in 2013 enorm zijn gestegen en in 2014 weer dalen?

De ontvangsten op dit artikel bestaan voor het grootste deel uit onttrekkingen uit de interne begrotingsreserves landbouw, visserij en borgstellingsfaciliteit (in 2013 in totaal € 33,5 mln. die vanuit de reserves als ontvangst op de begroting zijn gestort en geboekt).

Daarnaast wordt rekening gehouden met inkomsten uit visserijvergunningen (2013 € 6,7 mln.). Ook worden de ontvangsten van Dienst Regelingen in het kader van het I&R-systeem (2013 € 3,6 miljoen) op dit artikel verantwoord, evenals de provisies die agrariërs betalen aan Dienst Regelingen voor het afgeven van een garantstelling (€ 1,8 miljoen), de bijdrage van agrariërs aan het derogatiemeetnet (2013 € 4,5 miljoen) en de boete-inkomsten in het kader van het mestbeleid (€ 0,4 miljoen).

De reden dat de ontvangsten in 2012 lager waren is vooral omdat er minder onttrokken is aan de begrotingsreserve landbouw en niets aan de begrotingsreserve borgstellingsfaciliteit. De verliesdeclaraties van banken zijn in 2012 namelijk niet uit de begrotingsreserve borgstellingsfaciliteit bekostigd, maar uit de lopende uitgaven van artikel 16. Voor 2014 is voorlopig alleen rekening gehouden met een onttrekking van € 13 miljoen aan de begrotingsreserve borgstellingsfaciliteit en € 1,2 miljoen aan de begrotingsreserve landbouw, vandaar dat de ontvangsten in 2014 weer lager zijn dan in 2013.

Omdat Nederland nog in onderhandeling is met de Europese Commissie over het 5e Actieprogramma Nitraatrichtlijn en de derogatie (beide voor de periode 2014–2017), is het nog niet zeker dat boeren ook voor deze periode aan het derogatiemeetnet moeten bijdragen, vandaar dat hiervoor in 2014 en verder nog geen ontvangsten zijn geraamd.

217 Hoeveel controles op veetransporten heeft de NVWA de laatste vier jaar uitgevoerd, uitgewerkt per diersoort?

In onderstaande tabel staat het aantal gecontroleerde diertransporten per diersoort van de laatste vier jaar weergegeven. Het gaat hier alleen om controles wegtransporten, dus niet om de controles voorafgaand aan de export en administratieve controles achteraf. Zie voor de laatstgenoemde cijfers de jaarlijkse controlerapportages aan DG SANCO:

http://ec.europa.eu/food/animal/welfare/transport/inspections_reports_reg_1_2005_en.htm

Diersoort/ Jaar

2010

2011

2012

2013 (tot 1/10)

Runderen

285

516

354

358

Schapen/geiten

32

60

50

51

Varkens

285

543

602

318

Paarden

183

159

98

56

Pluimvee

32

60

72

39

Andere diersoorten

14

18

10

10

Leeg voertuig

301

518

438

286

Totaal

1132

1874

1624

1118

218 Hoeveel overtredingen zijn er de laatste vier jaar geconstateerd bij controles op veetransporten door de NVWA, uitgewerkt per diersoort?

Diersoort/ Jaar

20101

2011

2012

2013 (tot 1/10)

Runderen

 

95

152

90

Schapen/geiten

 

8

11

15

Varkens

 

43

63

55

Paarden

 

13

24

8

Pluimvee

 

11

43

8

Andere diersoorten

 

4

4

2

Leeg voertuig

 

48

55

41

Totaal

173

222

352

219

X Noot
1

Van het jaar 2010 zijn de gegevens gedifferentieerd naar diersoort niet beschikbaar.

Het gaat hier alleen om controles tijdens wegtransporten, dus niet de controles voorafgaand aan de export en administratieve controles achteraf. In 2013 betreffen het ook overtredingen arbeidstijden en regeling preventie.

219 Hoeveel en wat voor sancties zijn er de laatste vier jaar opgelegd bij het constateren van overtredingen bij diertransporten?

Zie onderstaand overzicht. Het gaat hier om controles wegtransporten, dus niet om de controles voorafgaand aan de export en administratieve controles achteraf.

Sanctie/ Jaar

2010

2011

2012

2013 (tot 1/10)

Schriftelijke waarschuwing

44

81

114

97

Geringe overtreding/ mondelinge waarschuwing

58

35

136

63

Bestuurlijke boete

1

72

68

42

Proces Verbaal

71

34

34

17

Totaal

173

222

352

219

X Noot
1

In 2010 bestond de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete nog niet.

220 Hoeveel veetransporten hebben er in 2012, in, door en vanuit Nederland plaatsgevonden?

Aantallen transporten uit Nederland: 5.500 transporten van runderen, 1.300 schapen en geiten, 42.800 varkens, 1.000 paarden en bijna 15.000 pluimvee. Aantal transporten naar Nederland: 16.500 transporten van runderen, 470 schapen en geiten, 3.630 varkens, 4.500 paarden en 34.500 slachtpluimvee. Binnenlands transporten worden niet geregistreerd.

221 Kunt u aangeven hoeveel controles van veetransporten er voor 2014 zijn gepland, uitgewerkt naar diersoort?

Zoals toegezegd aan uw Kamer op 1 oktober jl. stuur ik in november a.s. een plan van aanpak NVWA met een risicoanalyse, dat een handvat moet bieden voor prioriteitstelling en de noodzakelijke inzet voor handhaving en toezicht. Op basis hiervan zal het werkplan 2014 voor wat betreft veetransporten, mede gebaseerd op de lijn en de ervaringen van 2013, worden opgesteld.

222 Wat is het percentage controles op diertransporten jaarlijks in verhouding met het aantal diertransporten dat in, door en vanuit Nederland plaatsvindt?

Een percentage voor binnenlandse transporten kan niet gegeven worden omdat er geen registratie is van deze transporten (zie antwoord vraag 220). Het aantal diertransporten dat vanuit Nederland plaatsvindt naar het buitenland is wel bekend en ongeveer 65.000 per jaar. De NVWA controleert alle transporten vanuit Nederland bij de certificering van intraverkeer en export naar derde landen.

223 Kunt u aangeven wat het cursusaanbod is voor het personeel van een slachthuis dat met levende dieren omgaat en of dit toereikend is?

Informatie over het cursusaanbod is te vinden bij opleidingsinstituut SVO (Slagers Vak Opleiding): www.svo.nl . In de Regeling doden van dieren 2012 staan de eisen waaraan een opleidings- en exameninstituut moet voldoen. De capaciteit van de SVO-opleiding is voldoende.

224 Kunt u aangeven in welke talen de cursussen voor het personeel in slachthuizen worden aangeboden?

Deze wordt standaard in meerdere talen (zie www.svo.nl ) aangeboden.

225 Hoeveel controles heeft de NVWA in de afgelopen vier jaar uitgevoerd op het uitvoeren van cursussen door het personeel van slachthuizen en wat waren hier de bevindingen van?

Een getuigschrift van vakbekwaamheid (volgens artikel 7 lid 2 van de Vo 1099/2009), is sinds 1-1-2013 verplicht. Voor 2013 moest personeel ook vakbekwaam zijn, maar een getuigschrift was niet verplicht. De NVWA is in 2013 begonnen met bedrijven aan te spreken op deze verplichting. Verder maakt de controle op het beschikken over een getuigschrift van vakbekwaamheid deel uit van de jaarlijkse systeeminspectie die de NVWA bij elk slachthuis uitvoert.

De uitvoering van deze systeeminspectie is onlangs gestart, met de inwerkingtreding van de nieuwe verordening. Over aantal controles is derhalve nog niet te rapporteren.

226 Kunt u aangeven of er voldoende cursusaanbod is voor de opleiding Animal Welfare Officer in verhouding met het aantal slachterijen?

227 Hoeveel slachterijen zijn er die zoveel dieren slachten dat zij een Animal Welfare Officer moeten hebben en hoeveel van deze slachterijen hebben een Animal Welfare Officer?

228 Op welke wijze controleert de NVWA de slachthuizen op het hebben van een Animal Welfare Officer?

229 Kunt u aangeven of en hoe de NVWA controleert of een Animal Welfare Officer daadwerkelijk aanwezig is op de momenten dat er levende dieren zijn?

230 Controleert de NVWA op de functieomschrijving en bevoegdheden en de uitoefening van de functie van Animal Welfare Officer?

231 Controleert de NVWA op de aanwezigheid van Standing Operating Procedures (SOP) bij slachterijen en wat zijn hier de bevindingen van?

Volgens de Europese verordening 1099/2009 moet vanaf 2013 ieder slachthuis (mits een bepaalde minimale capaciteit) beschikken over een functionaris voor het dierenwelzijn (of Animal Welfare Officer). Deze functionaris (FDW) ziet namens het bedrijf toe op het dierenwelzijn op het slachthuis. De verordening bevat geen specifieke verplichting tot permanente aanwezigheid van de functionaris voor het dierenwelzijn (zie Vo 1099/2009 artikel 17).

Voor hoefdieren (runderen / varkens) geldt dat het moet gaan om meer dan 1000 groot vee eenheden (GVE) per jaar. In 2012 betrof het 84 slachthuizen waarop dit van toepassing was. Voor pluimvee en konijnen geldt een norm van 150.000 slachtingen per jaar. Dit is van toepassing op 21 pluimveeslachthuizen. Voor konijnen geldt dat er geen slachthuis is waar meer dan 150.000 konijnen per jaar worden geslacht.

Certificaten voor FDW kunnen bij erkende opleidingsinstituten worden gehaald, (zoals bij de SVO). Een getuigschrift van de FDW moet alle activiteiten bestrijken die in het slachthuis plaatsvinden waar deze functionaris verantwoordelijk is. Zie Vo 1099/2009 artikel 17 lid 4. De verantwoordelijkheden van de FDW moeten zijn vastgelegd in de standaardwerkwijzen, zie Vo (EU) 1099/2009 artikel 17 lid 3. Tijdens de jaarlijkse systeeminspectie doden van dieren (zie antwoord vraag 225), en als daar aanleiding toe is, wordt nagegaan of bedrijven standaardwerkwijzen (SWW) én monitoringsprocedures opgesteld hebben, of deze aan de eisen van de wet voldoen (Vo 1099/2009), en of zij werken zoals daarin beschreven is. Omdat veel bedrijven het lastig vinden om een SWW en monitoringsprocedures te beschrijven werkt de NVWA mee aan zogenaamde Gidsen voor goede praktijken van sectororganisaties (Vo 1099/2009 artikel 13). Deze gidsen zijn bedoeld om bedrijfsexploitanten te helpen bij het opstellen van een SWW en monitoringsprocedures.

De NVWA is in 2013 begonnen met bedrijven, waar van toepassing, aan te spreken op de verplichting van een FDW. Verder maakt de controle op het beschikken over een getuigschrift van vakbekwaamheid deel uit van de jaarlijkse systeeminspectie die de NVWA bij elk slachthuis uitvoert. De uitvoering van deze systeeminspectie is onlangs gestart, met de inwerkingtreding van de nieuwe verordening. Over aantal controles is derhalve nog niet te rapporteren.

232 Wat zijn de nadelen in het beoordelen van het dierenwelzijn en de voedselveiligheid bij de wijze van werken in de proef bij de VION-slachterij in Apeldoorn?

233 Wat kost de proef bij de VION-slachterij in Apeldoorn en door wie wordt dit betaald?

234 Wie gaat de proef bij de VION-slachterij in Apeldoorn evalueren en wanneer zal dat gebeuren?

235 Wordt de evaluatie van de proef bij de VION-slachterij in Apeldoorn ter beoordeling aan de Kamer voorgelegd?

Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 12 augustus jl., Kamerstuk 28 286, nr. 647, over de proef over het anders inrichten van controle van welzijnscomponenten voor de slacht, zijn voor de welzijnscomponenten vanaf het primaire bedrijf tot en met het lossen op de slachterij zijn tussen de NVWA en VION normen vastgesteld.

Het bedrijfsleven (in deze VION) voert daarbij continue waarnemingen en metingen in de keten uit om zo te sturen op de aanvoer van gezonde dieren, met zo min mogelijke afwijkingen en volgens de wettelijke bepalingen vervoerd. Via digitale data-uitwisseling is het voor de NVWA ter plaatse continu mogelijk deze informatie te raadplegen. Er worden vanuit het oogpunt van toezicht voor de beoordeling van dierenwelzijn en voedselveiligheid geen nadelen verwacht.

De kosten van de ontwikkeling van de Continuous Control Monitoring (CCMT) modules worden gedragen door de sector, aangevuld met specifiek budget van de Inspectieraad (€ 500.000).

De evaluatie waarin gekeken wordt of deze vorm van toezicht met gebruikmaking van CCMT bevredigende resultaten oplevert, wordt eind 2013 uitgevoerd door NVWA, VION en de intermediair Thauris. Ik zal uw Kamer begin 2014 informeren over de uitkomsten van de evaluatie.

Ik verwijs u ook naar de antwoorden op de vragen 506 en 507.

236 Hoe staat het met de ontwikkeling van alternatieven door Wageningen UR (WUR) voor kleine slachterijen, die niet over willen schakelen op de twee fasen CO2-bedwelmingsmethode?

De WUR heeft in nauwe samenwerking met de producent de head only bedwelmingsmethode ontwikkeld. Deze head only methode is een goed elektrisch alternatief voor de waterbadbedwelmingsmethod en geschikt voor de (kleinere) slachterijen die niet willen overschakelen op CO2 gasbedwelming. De head only methode zorgt ervoor dat de kippen effectief bedwelmd worden, waarbij de dieren niet meer bij bewustzijn aan hun poten worden gehangen. Daarnaast zijn er gasbedwelmingssystemen in ontwikkeling die ook geschikt zijn om toegepast te worden in kleinere slachterijen.

237 Kunt u een overzicht geven van het aantal pluimveeslachterijen in Nederland en de bedwelmingsmethoden die zij gebruiken?

239 Hoeveel pluimveeslachterijen passen de waterbadbedwelming nog toe?

Aantal actieve pluimvee slachthuizen

(met * zijn de grote pluimvee slachthuizen)

Soorten pluimvee

Bedwelmingsmethode

8*

vleeskuikens

Elektrisch waterbad

9*

vleeskuikens

Kooldioxide gasbedwelming

1

legkippen + moederdieren

Elektrisch waterbad

2

eenden

Elektrisch waterbad

1

diverse soorten pluimvee

Elektrisch waterbad

1

moederdieren + legkippen

Kooldioxide gasbedwelming

1

vleeskuikens

Elektrische bedwelming (Kop)

2

diverse soorten pluimvee

Geen bedwelming (rituele slacht)

* Nota bene: 1 groot vleeskuiken slachthuis heeft zowel kooldioxide gasbedwelming als een elektrisch waterbad (2 slachtlijnen). Er zijn dus in totaal 16 grote slachthuizen.

238 Hoeveel pluimveeslachterijen hebben de aangescherpte norm voor pluimveeslachterijen, die de waterbadmethode op 1 september 2012 nog toepasten, opgelegd gekregen?

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 177.

240 Wanneer komt de informatie naar de Kamer over de stand van zaken rondom cameratoezicht in slachthuizen, bij het uitladen van dieren in slachterijen, in de wachtstal voor dieren, in de gangen voor de dieren naar de bedwelmingsplaats en bij het bedwelmen en verbloeden van de dieren?

241 Op welke wijze wordt voorkomen dat er met camera-opnames gemanipuleerd wordt?

Zoals ik in mijn brief van 2 juli jl. (Kamerstuk 26 991, nr. 364) heb aangegeven zal ik met de sector in overleg treden over het starten van pilots. Ik heb u toegezegd in het AO Toezicht NVWA van 11 september jl. uw Kamer hierover te informeren.

242 Hoeveel fte is er jaarlijks naar de NVWA gegaan, en de organisaties voorafgaande de diverse fusies vanaf 2002?

Formatie en bezetting NVWA en haar rechtsvoorgangers (rechtsvoorgangers betreft: RVV, KvW, VWA, AID en PD):

Jaar

Formatie

2003

3.369

2004

3.306

2005

3.182

2006

2.984

2007

2.663

2008

2.533

2009

2.454

2010

2.360

2011

2.347

2012

2.181

2013

2.181

243 Kunt u aangeven hoeveel bedrijven paling doden en hoeveel van deze bedrijven inmiddels de benodigde bedwelmingsapparatuur hebben geïnstalleerd en gebruiken?

Er zijn circa 21 palingrokerijen die op grotere schaal paling opkopen, verwerken en roken maar ook paling aan kleinere rokerijen leveren. Eén rokerij, die circa 25% van de Nederlandse paling verwerkt, maakt gebruik van een bedwelmingsapparaat. Daarnaast zijn er vier palingkwekers die paling op het eigen bedrijf verwerken. Twee van die kwekers maken gebruik van een bedwelmingsapparaat waar het merendeel van de paling die op het eigen bedrijf wordt verwerkt mee wordt bedwelmd.

244 Hoe staat het met de plannen van die bedrijven die de bedwelmingsmethode nog niet hebben ingevoerd en wat zijn de gevolgen voor bedrijven die deze methode op 31 december 2014 nog niet hebben ingevoerd?

Momenteel wordt gewerkt aan de regelgeving voor het bedwelmen van paling waar uiteraard ook alle technische details in worden meegenomen. De sector is op de hoogte van het voornemen om de regelgeving omtrent het bedwelmen van paling per 1 januari 2015 in te laten gaan. Deze regelgeving zal ook gehandhaafd gaan worden. De stichting Dupan (Duurzame Paling Nederland) heeft afgelopen maand aan alle leden, onder anderen kwekers, vissers en verwerkers van paling, de dringende oproep gedaan om tijdig te beginnen met het investeren in een diervriendelijkere verwerkingsmethode.

245 Kunt u aangeven hoeveel bedrijven meerval doden en hoeveel van deze bedrijven inmiddels de hiervoor ontwikkelde welzijnsvriendelijkere bedwelming hebben ingevoerd?

Er zijn circa vier verwerkers van meerval/claresse. De grootste verwerker (circa 40% van het totaal) maakt gebruik van een bedwelmingsapparaat.

246 Voor welke andere vissoorten zijn inmiddels diervriendelijkere bedwelmingsmethoden ontwikkeld?

Momenteel werken bedrijven samen met een apparatenbouwer aan het praktijkrijp maken van een bedwelmingsapparaat voor tarbot, snoekbaars en Yellowtail kingfish. Voorts zijn de ontwerpeisen (technische criteria voor het bedwelmen en doden) gereed voor Nijltilapia en tong.

247 Op welke wijze zal de extra € 6,6 miljoen per jaar voor het NVWA worden ingezet?

De € 6,6 miljoen per jaar is ter compensatie van de btw die de NVWA in rekening wordt gebracht voor de inzet van practitioners en Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector (KDS) voor de dienstverlening toezicht en handhaving roodvlees, export, import, e.d. De NVWA mag deze in rekening gebrachte btw compenseren via het btw-compensatiefonds. Het bedrag maakt geen onderdeel uit van de opbrengsten van het moederdepartement.

248 Kunt u aangeven waarom de bijdrage aan Dienst Landelijk Gebied (DLG) niet wordt toegelicht en kunt u alsnog toelichten waar deze bijdrage voor bedoeld is?

De bijdrage heeft betrekking op de inzet voor DLG bij de Saneringsregeling O&S-fonds en verkenning uitvoeringsconsequenties invoering van het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid.

249 Hoeveel geld is er in 2014 bij Dienst Regelingen beschikbaar voor identificatie en registratie van dieren, uitgesplitst per diersoort?

De kosten worden gedekt door de leges die de sector betaald.

250 Hoeveel geld is er gereserveerd voor de fusie tussen de agentschappen Agentschap NL en Dienst Regelingen?

Voor de integratie van de bedrijfsvoering en ICT is circa € 10 miljoen gereserveerd. Hiervan komt de helft uit de eigen exploitatiereserve van AgentschapNL.

251 Welke operationele doelstellingen komen met de fusie van Agentschap NL en Dienst Regelingen te vervallen?

Als gevolg van deze fusie komen er geen operationele doelstellingen te vervallen. Met Verantwoord Begroten wordt niet langer met operationele doelstellingen gewerkt. De bijdragen aan de agentschappen zijn geclusterd onder de instrumentcategorie «bijdragen aan agentschappen». Op het moment dat de fusie tussen Agentschap NL en Dienst Regeling budgettair wordt verwerkt (bij de 1e suppletoire begroting 2014) worden de nu nog twee afzonderlijke bijdragen samengevoegd tot één bijdrage aan het nieuwe agentschap. Deze bijdrage wordt dan als één budgettaire reeks opgenomen in de budgettaire tabel.

252 Welke taken zullen met de fusie van Agentschap NL en Dienst Regelingen komen te vervallen?

Bij de fusie tussen AgentschapNL en Dienst Regelingen worden de taken van beide agentschappen ondergebracht bij het nieuw te vormen agentschap. Er komen geen taken te vervallen.

253 Wat wordt er betaald uit de post «overige» bij de begrotingspost duurzame veehouderij in het overzicht bij 16.1?

Onder de post «overig» op deze begrotingsinstrumenten vallen achtereenvolgens:

  • Agrarisch ondernemerschap (€ 5,7 miljoen): de jaarlijkse storting in de interne begrotingsreserve borgstellingsfaciliteit ten behoeve van het flankerend beleid pelsdierhouders en de uitfinanciering in 2013 van de regelingen Demonstratie Proefprojecten GLB en Bedrijfsadviesdiensten randvoorwaarden Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB).

  • Duurzame veehouderij (€ 4,8 miljoen): de van artikel 18 overgehevelde Programmatische Aanpak Stikstof (PAS)-middelen (2013 € 8,4 miljoen) ten behoeve van de regelingen duurzame stallen, meetprogramma duurzame stallen, grote praktijknetwerken en beroepsopleiding en voorlichting en de uitfinanciering van de lopende regeling praktijknetwerken en de subsidieregeling Stimulering Biologische Productiemethode (SSBP).

  • Plantaardige productie (€ 14,4 miljoen): de regeling verbetering honingproductie en de uitfinanciering van de Demonstratieregeling Schoon en Zuinig en de Set aside regeling.

  • Agrarische innovatie (€ 3,1 miljoen): de uitfinanciering van de Regeling Landbouw Subsidiesregeling (RLS) Samenwerking bij Innovatie voor de onderdelen plant, dier, intensieve veehouderij, melkveehouderij, open teelten en glastuinbouw en van de POP-NU (Plattelandsontwikkelingsprogramma – Nieuwe Uitdagingen) demonstratieregeling FAB-randen (Functionele Agro Biodiversiteit).

254 Is er al inzicht of de investeringsregeling fijnstofmaatregelen afdoende effectief is in het stimuleren van maatregelen die de fijnstofuitstoot terugdringen?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 198.

255 Wat is de status van VAMIL?

De VAMIL-vergoeding die in de begroting 2014 van het ministerie van Economische Zaken wordt genoemd betreft een compensatieregeling voor ondernemers die in 2007 of 2008 in het kader van de VAMIL hebben geïnvesteerd in een kas of stal. Door een wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 kon voor kassen en stallen in 2007 en 2008 niet volledig gebruik worden gemaakt van de VAMIL-regeling. De compensatieregeling dient hiervoor ter compensatie. Inmiddels heeft meer dan drie kwart van de ondernemers die in aanmerking komen voor de compensatie deze ondertussen ontvangen.

256 Verdwijnt VAMIL helemaal of gaat hij op in andere investeringsregelingen (EIA, MIA) en welke bezuiniging is voor deze regeling ingeboekt?

De VAMIL maakt het ondernemers mogelijk milieu-investeringen willekeurig af te schrijven. Deze fiscale regeling blijft bestaan.

De VAMIL-vergoeding zoals opgenomen in de EZ-begroting (zie ook het antwoord op vraag 255) is een tijdelijke vergoedingsregeling en zal op den duur verdwijnen als gevolg van het feit dat op een gegeven moment alle ondernemers zijn gecompenseerd voor het geleden nadeel als gevolg van het niet kunnen toepassen van de reguliere VAMIL-regeling in 2007 en 2008. Het opgaan van deze vergoedingsmaatregel is dan ook niet aan de orde. Er is geen bezuiniging op deze regeling voorzien.

257 Worden alle huidige middelen uit het Plattelandsontwikkelingsfonds in de verschillende regelingen gebruikt of is er onderbenutting?

Voor de gehele Nederlandse enveloppe voor plattelandsontwikkeling zijn verplichtingen aangegaan. Tot en met 2015 kunnen die leiden tot declaraties bij de EU.

258 Kunt u toelichten waarom er in 2014 veel minder budget beschikbaar is voor subsidies voor Duurzame veehouderij (€ 4,8 miljoen ten opzichte van € 17,5 miljoen in 2013)?

Het verschil tussen de begroting 2014 en 2013 wordt in de eerste plaats verklaard doordat in 2013 een eenmalige overheveling van de middelen van Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) (totaal € 8,4 miljoen) heeft plaatsgevonden van beleidsartikel 18 naar beleidsartikel 16.10 Duurzame Veehouderij ten behoeve van de openstelling van een viertal regelingen in het kader van de PAS. De voor 2014 voor de PAS gereserveerde middelen staan op beleidsartikel 18. Besluitvorming over de inzet van deze middelen zal begin 2014 plaatsvinden (zie ook antwoord op vraag 183).

In de tweede plaats wordt het verschil verklaard door een afname van het budget voor de regeling duurzame stallen in 2014 van € 4,3 miljoen vanwege het aflopen van de financiering van aangegane verplichtingen van eerdere openstellingen van deze regeling.

259 Kunt u toelichten welke subsidies vallen onder de post «overig» bij Duurzame veehouderij?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 253.

260 Wat valt er onder de posten «overig» op de tabel op bladzijde 92 onder Agrarisch Ondernemerschap, Duurzame veehouderij, Plantaardige productie en Agrarische innovatie?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 253.

261 Waarom loopt het budget voor de cofinanciering van het GLB en GVB na 2015 zo hoog op?

Voor het GLB is voor de periode 2014–2020 in totaal € 140 miljoen beschikbaar als nationale cofinanciering en voor het GVB bedraagt de nationale cofinanciering voor dezelfde periode € 21 miljoen. De oplopende kasbedragen zijn gebaseerd op de ervaring en verwachting dat de activiteiten in een nieuwe programmaperiode op gang moeten komen en gedurende de looptijd van het programma toenemen. Daardoor nemen ook de betalingen toe.

262 Kunt u een overzicht geven van de subsidies voor duurzame veehouderij, zoals die zijn uitgegeven in 2012 en 2013?

Bedragen x € 1.000

Subsidies Duurzame Veehouderij

2012 realisatie

2013 gepland budget

Investeringsregeling

Duurzame stallen

5.047

6.785

Investeringsregeling duurzame stallen (PAS)

 

6.400

SSBP

153

210

Beroepsopleiding en -voorlichting Biologisch

146

 

Meetprogramma duurzame stallen (PAS)

 

1.000

Demoregeling biologisch

31

78

AGNL SBIR Duurzame Stallen

 

640

Kleine praktijknetwerken veehouderij

462

730

Grote netwerken POP-NU

160

252

Demoregeling intensieve veehouderij

73

101

Investeringsregeling Luchtwassers

3.434

623

Projecten Fijnstofmaatregelen

16.054

350

Beëindigings & Saneringsregeling

584

437

Beroepsopleiding en -voorlichting (PAS)

 

200

Praktijknetwerken (PAS)

 

800

     

Totaal

26.144

18.606

263 Hoeveel duurzame stallen zijn er in totaal gebouwd met behulp van deze subsidieregeling, gespecificeerd per jaar en soort stal?

Uit de monitor duurzame stallen (Kamerstuk 28 286, nr. 631) blijkt dat op 1 januari 2013 in totaal 302 duurzame stallen zijn gebouwd die de afgelopen jaren een bijdrage hebben ontvangen uit de investeringsregelingen voor duurzame stallen. Dit betrof 78 pluimveestallen, 25 varkensstallen en 199 rundveestallen. Op deze peildatum waren in totaal 458 duurzame stallen in aanbouw die een subsidiebeschikking hebben in het kader van eerdere openstellingen van de investeringsregelingen duurzame stallen. Dit betreft 97 pluimveestallen, 80 varkensstallen en 281 rundveestallen.

Uit de monitor duurzame stallen 2013 blijkt tevens dat op 1 januari 2013 in totaal 2317 duurzame stallen zijn gebouwd met ondersteuning uit fiscale regelingen op basis van de Maatlat duurzame veehouderij en dat 1019 stallen in deze categorie in aanbouw waren.

Voor de ontwikkeling van het aantal duurzame stallen per diercategorie van 2009 tot 2012 verwijs ik u naar de Monitor duurzame stallen, die vanaf 2009 jaarlijks naar de Tweede Kamer is gestuurd (Kamerstukken 28 286, nr. 289, 413, 503 en 562).

264 Vervalt de ambitie voor nieuw te bouwen integraal duurzame stallen na 2015?

De ambitie voor nieuw te bouwen integraal duurzame stallen zal na 2015 niet vervallen, maar wordt vanaf 2015 juist van kracht. Dit is één van de acties om invulling te geven aan de ambitie van de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij gericht op een in alle opzichten duurzame veehouderij in 2023.

265 Betekent het stopzetten van de subsidie duurzame veehouderij dat de investeringen voor integraal duurzame stallen na 2015 op kosten komen van de veehouder?

Nee. Ondernemers kunnen gebruik blijven maken van de beschikbare instrumenten zoals de investeringsregeling duurzame stallen in het kader van de PAS op beleidsartikel 18, de Milieuinvesteringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving Milieu-investeringen (VAMIL) op basis van de Maatlat duurzame veehouderij en de Regeling Garantstelling Landbouw (Plus).

Mijn inzet is verder om in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2014–2020 (artikel 68 in 2014, Plattelands Ontwikkelingsprogramma 3) investeringen in duurzame stallen te blijven ondersteunen (Kamerstuk 28 973, nr. 134 en Kamerstuk 28 286, nr. 631).

266 Wat wordt bedoeld met de slechte economische situatie in de varkens- en leghenhouderij?

267 Met welke nadelige factoren hebben de varkens- en leghenhouderijen te maken ten opzichte van de andere sectoren?

In de varkens- en met name de legpluimveehouderij is sprake van overaanbod aan varkensvlees en eieren op de Europese markt. Daarnaast wordt de economische situatie in deze sectoren op dit moment bepaald door de hoge voerprijzen. Voor deze sectoren werken de hoge voerprijzen sterker door in de economische bedrijfsresultaten omdat de voerkosten 60 tot 70% van de productiekosten uitmaken.

Er is sprake van een tijdelijke verstoring van de markt die de komende periode geleidelijk tot een nieuw evenwicht in vraag en aanbod zal leiden. De situatie lijkt zich langzaam aan te verbeteren, onder andere door de ingezette daling van de voerprijzen.

268 Wat betekent de slechte economische situatie voor de duurzaamheidsdoelstellingen van de varkens- en leghenhouderij?

De huidige economische situatie in deze sectoren vormt geen aanleiding om af te wijken van de lange termijndoelstelling van een duurzame veehouderij. Ook de sector zet hier op in. Ik verwijs hiervoor ook naar mijn beleidsbrief Duurzame Voedselproductie van 11 juli jl. (Kamerstuk 31 532, nr. 118) en de beleidsbrief Dierenwelzijn van 4 oktober jl. waar het gaat om initiatieven vanuit de sector voor nieuwe marktconcepten.

269 Op welke wijze gaat u de varkens- en de leghenhouderij stimuleren in de aangekondigde verduurzaming?

Naast de ter beschikking staande financiële en fiscale instrumenten ondersteun ik de sectoren met onderzoek en innovatie in het kader van de Topsector Agro & Food, het bieden van experimenteerruimte waar nodig en mogelijk, het opstellen van beleidsregels voor mededinging en duurzaamheid, het versterken van de marktpositie van primaire producenten via Producentenorganisaties en de inzet van middelen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2014–2020 (Plattelands Ontwikkelingsprogramma (POP3)). Ik verwijs u hiervoor ook naar de beleidsbrief Duurzame Voedselproductie van 11 juli jl. (Kamerstuk 31 532, nr. 118).

270 Kunt u een zo gespecificeerd mogelijk overzicht geven van de subsidies op het gebied van visserij voor de periode 2012 tot en met 2018 en uitsplitsen of dit enkel EU-subsidies zijn of ook nationale subsidies eventueel ter cofinanciering?

Subsidies visserij (bedragen x 1.000 euro)

2012

2013

 

Subsidie innovatie in de visketen

2.930

2.365

EVF As 3

Collectieve acties in de visketen

2.375

2.523

EVF As 3

Investering in vissersvaartuigen

2.098

2.865

EVF As 1

Subsidie kwaliteit, rendement en nieuwe markten in de visserij

118

70

EVF As 3

Investering in aquacultuur

319

392

EVF As 2

Certificering in de visketen

194

283

EVF As 3

Compensatieregeling Aalvisserij

350

200

EVF As 3

Investering in verwerking en afzet

165

93

EVF As 2

Initiatief Duurzame Handel, ASC-keurmerk

300

300

Nationaal

Een overzicht van regelingen onder EFMZV programmaperiode 2014–2020 is nog niet beschikbaar. Besluitvorming omtrent EFMZV moet nog plaatsvinden. Bij de EVF regelingen is alleen het nationale cofinancieringsbijdrage in tabel opgenomen. Gemiddeld is het 50% EU en 50% nationale cofinanciering. De middelen voor de uitfinanciering van de in eerdere jaren opengestelde regelingen zijn opgenomen in de interne begrotingsreserve visserij.

271 Op welke wijze wordt het budget onder de post visserij uitgegeven?

De post visserij is onderverdeeld in een subsidie- en een opdrachtenbudget. Het subsidiebudget is alleen bestemd voor de nationale cofinanciering van het EVF.

Onder de post opdrachten visserij worden projecten uitgevoerd die niet in aanmerking komen voor Europese cofinanciering onder het EVF, zoals het Programma Rijke Waddenzee, onderzoek naar de pulskor en garnalenonderzoeken.

272 Bedragen de subsidies voor het versterken van concurrentiekracht en het verduurzamen van agroketens en visserij in artikelonderdeel 16.1 enkel directe subsidies uit het Europees Visserijfonds (EVF) of zit hier ook nationale subsidies ter cofinanciering in verwerkt?

Onder de post subsidie visserij zijn de nationale cofinancieringsbijdragen opgenomen voor het Europees Visserij Fonds(EVF). De Europese cofinanciering van het EVF wordt buiten begrotingsverband verantwoord en alleen in de EU-bijlage genoemd. Een deel van de EVF middelen zijn vanwege de meerjarige uitfinanciering van het fonds opgenomen in de begrotingsreserve visserij. Zie ook het antwoord op vraag 271.

273 Hoe worden de visserijmaatregelen visvangst van het EVF verwerkt binnen het Europees Fonds Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV), hoeveel subsidie is er beschikbaar voor visserijmaatregelen visvangst en aan de hand van welke criteria wordt bepaald hoe de maatregelen bijdragen aan het verduurzamen van de visserij?

Besluitvorming over de maatregelen die onder EFMZV worden gefinancierd moet nog plaatsvinden. Ook de criteria moeten nog vastgesteld worden. De middelen uit het EFMZV zijn ook bedoeld ter ondersteuning van de implementatie van het nieuwe Gemeenschappelijk Visserijbeleid. De Kamer wordt hierover afzonderlijk geïnformeerd.

274 Kunt u aangegeven welke consequenties de afbouw van het budget voor de Brede Weersverzekering in combinatie met de verhoogde assurantiebelasting heeft voor de uitvoering van de brede weersverzekering?

De hoogte van het budget van de Brede Weersverzekering houdt verband met de animo voor de regeling. De afgelopen jaren is mij gebleken dat de vraag achterblijft. Ik heb het budget daarom verlaagd. Om te voorkomen dat deze Europese middelen onbenut bleven, heb ik deze ingezet op andere artikel 68-maatregelen. De verhoging van de assurantiebelasting staat los van de hoogte van het budget voor de Brede Weersverzekering.

275 Waarom wordt er in 2014 geen budget gereserveerd voor de regeling fijnstof, onder welke voorwaarden wordt de regeling in 2014 opnieuw opengesteld en wat is het te verwachte budget?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 197.

276 Op welke manier zorgt de regeling fijnstof voor het terugdringen van de fijnstofuitstoot en is er vooruitgang geboekt de afgelopen jaren?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 198.

277 Waarom wordt de subsidieregeling duurzame stallen in 2014 gefinancierd uit de PAS-middelen?

Zoals aangegeven in mijn brief van 16 april 2013 (Kamerstuk 32 670, nr. 70) zet ik een deel van de PAS-middelen in om regelingen open te stellen. Deze regelingen hebben als doel de kennis over ammoniakreducerende maatregelen te vergroten en innovatie te stimuleren (Kamerstuk 33 640-XIII, nr. 3). De module «investeringen in duurzame stallen» is overigens gericht op het verminderen van de uitstoot van ammoniak met minimaal 25% uit veehouderijbedrijven, die in een zone van 3.000 meter rondom Natura 2000-gebieden liggen.

278 De partners van de Uitvoeringsagenda Duurzame Stallen zullen een stimuleringspakket opstellen, gaat dat gepaard met extra financiële middelen? Zo ja, waarom. Zo nee, waarom niet?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 185.

279 Kunt u aangeven waarom de Investeringsregeling jonge agrariërs en de Brede Weerverzekering voor 2014 worden bezien in het kader van het nieuwe GLB, terwijl dit eerst niet het geval was?

De nieuwe GLB-periode 2014–2020 acht ik een logisch moment om te bezien of deze regelingen een plek kunnen krijgen in het vernieuwde GLB. Dit te meer daar de GLB-onderhandelingen voor het eerst hebben geleid tot een situatie waarin jonge boeren zowel vanuit de 1e als 2e pijler van het GLB kunnen worden ondersteund. Ik heb u eerder aangegeven dat ik uw Kamer in november wil informeren over de nationale implementatie van het nieuwe GLB.

280 Onder het kopje duurzame veehouderij staat dat we eventueel doorgaan met de investeringsregeling fijnstof, met welk bedrag word rekening gehouden en heeft de Kamer hier nog iets over te zeggen?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 197.

281 Is het mogelijk om weidegang voor melkvee op te nemen als voorwaarde bij de subsidieverlening bij de ontwikkeling van duurzame stallen?

Nee, deze subsidieregeling is gericht op de hardware voorzieningen in een melkveestal en subsidieert de extra kosten van duurzame investeringen.

282 Wordt het sterrensysteem van de Dierenbescherming betrokken bij de maatlat duurzame veehouderij?

Ja. Investeringsmaatregelen in het Beter Leven kenmerk zijn opgenomen in de dierwelzijnsmaatlat van de Maatlat duurzame veehouderij.

283 Is het voor provincies en gemeenten juridisch mogelijk om aspecten zoals leefbaarheid en volksgezondheid op te nemen in hun wetgeving over ruimtelijke ordening en is bekend of de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit toestaat?

Het is mogelijk dat provincies en gemeenten zulke aspecten meenemen in hun afweging met betrekking tot ruimtelijke ordeningsmaatregelen. In concrete gevallen waar dit aan de orde is, worden besluiten van provincies en gemeenten door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ook op dit aspect getoetst.

284 Waarom is er vanaf 2015 zoveel geld beschikbaar voor de fijnstofregeling, terwijl er dit jaar eerst nog afgewacht wordt of de openstelling wel nodig is?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 197.

285 Welke investeringen kunnen er gedaan worden vanuit de fijnstofregeling?

Ik verwijs u voor het antwoord op de vraag over het type investeringen dat gedaan kan worden vanuit de fijnstofregeling naar Kamerstuk 33 400-XIII, nr. 36, vraag 124, tweede deel.

286 Via welke investeringsregeling komen de duurzaamheidsinvesteringen voor het mestbeleid (€ 2,5 miljoen) beschikbaar?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 32.

287 Kunt u toelichten hoe de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij wordt gemeten en hoe worden deze uitkomsten vertaald naar nieuw beleid en ontwikkelruimte voor de veehouderij en andere sectoren?

Om de voortgang van de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij vast te stellen wordt gewerkt met een jaarlijks voortgangsrapportage. De 4e voortgangsrapportage zal op korte termijn aan uw Kamer worden aangeboden. In de voortgangsrapportage zal het samenwerkingsverband ook aangegeven hoe het deze uitkomsten vertaalt in focusgebieden en prioriteiten voor 2013 en 2014. Daarnaast wordt jaarlijks de voortgang van de realisatie van duurzame stallen gemonitord. De laatste monitor duurzame stallen is op 18 juni jl. aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstuk 28 286, nr. 631).

288 Kunt u een overzicht van de voorwaarden, waaraan investeringen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor financiële stimulering van de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij, naar de Kamer sturen?

De rijksoverheid stimuleert de verduurzaming van de veehouderij met diverse instrumenten (fiscaal, kennisinstrument, subsidies, garantstelling). Naast de ter beschikking staande financiële instrumenten van de rijksoverheid zetten de partners van de UDV versnellingsprojecten op die EZ cofinancieert. Voor 2012 en 2013 geldt als voorwaarde voor de UDV-projecten dat bij de uitvoering ten minste twee UDV-partners betrokken zijn (niet zijnde het ministerie van Economische Zaken) en dat de indiener een UDV partij is. Projecten moeten gericht zijn op een integrale verduurzaming van de veehouderij en op een versnelling in het realiseren van doorbraken op ten minste twee van de speerpunten van de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij.

Hierbij dient in elk geval aandacht te zijn voor het speerpunt «dierenwelzijn/diergezondheid. De projecten moeten verder passen binnen de duurzaamheidopgaven van de Topsector Agri&Food. Dit houdt in dat het project vernieuwend moet zijn en maatschappelijk en economisch relevant en moet leiden tot daadwerkelijk (nieuw) handelingsperspectief voor de veehouder en andere schakels in de keten. Voor 2014 zijn de voorwaarden nog niet vastgesteld.

289 Welke maatregelen zijn er de afgelopen vier jaar genomen om weidegang te behouden en waar nodig te herstellen?

De afgelopen vier jaar heeft de Stichting Weidegang bijgedragen aan de kennisoverdracht over weidegang aan veehouders door individuele advisering en bijeenkomsten met groepen melkveehouders. De WUR heeft met medefinanciering van mijn ministerie en het bedrijfsleven onderzoek uitgevoerd waarin weiden en opstallen van grotere koppels melkvee op het moderne melkveebedrijf met elkaar zijn vergeleken.

In 2012 hebben 59 partijen het Convenant Weidegang ondertekend, waaronder het ministerie van Economische Zaken, waarin als doel is gesteld het huidige niveau van weidegang te handhaven.

290 Wat is uw verklaring voor het teruglopen van weidegang naar inmiddels nog maar 70 procent van de koeien weidegang?

De afgelopen jaren is het aandeel melkkoeien met weidegang afgenomen. Met een weidegang-percentage van 71% in 2011 en 70% in 2012 is deze teruggang in 2012 vrijwel tot staan gebracht. Op de grotere melkveebedrijven en de slechter verkavelde bedrijven komt weidegang minder voor dan op andere bedrijven.

291 Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de resultaten van het onderzoek, aangekondigd in 2008, naar een zachte ligbedding voor kalveren in de vleeskalverhouderij?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 178.

292 Klopt het dat in het onderzoek alleen gekeken wordt naar het aanbrengen van een rubber toplaag op de hardhouten of betonnen roostervloer en niet naar het bieden van een zachte ligbedding van stro?

Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 178.

293 Klopt het dat er geen Hb-monitoring in de welzijnsmonitor vleeskalveren zit en wat zijn hier de argumenten voor?

Het protocol voor de welzijnsmonitor vleeskalveren is nog niet definitief vastgesteld. Met de betrokken sectororganisatie en onderzoekers wordt nog bekeken of en op welke wijze Hb-monitoring gewenst is en een plek in het protocol zal krijgen.

294 Hoeveel budget is er uitgetrokken voor het project stoppen van couperen van staarten en welke partijen zijn hierbij betrokken?

De Verklaring van Dalfsen waarin de ambitie is uitgesproken bijterij en het couperen van staarten aan te pakken is opgesteld door LTO Nederland, NVV, Dierenbescherming, Topigs, Vion Food Group, de KNMvD en Coppens Diervoeding. Wageningen UR en het ministerie van EZ ondersteunen deze verklaring. Op dit moment worden de concrete acties uitgewerkt en bekeken hoeveel financiering voor de komende jaren nodig is. Dit zal grotendeels opgepakt worden binnen het programma «samenwerkende varkensvleesketen» binnen de pijler onderzoek en innovatie van deze topsectoren.

295 Hoe passen het convenant Schone en Zuinige agrosectoren en het CO2-convenant Glastuinbouw in het recentelijk afgesloten energieakkoord?

In het SER Energieakkoord wordt specifiek aandacht gegeven aan zowel verbeteringen van het CO2-convenant voor de Glastuinbouw alsook wordt erkend dat de aanpak vanuit het Convenant Schone en Zuinige Agrosectoren de basis vormt voor de efficiëntieverbetering van 2 tot 3% per jaar. In het SER-akkoord wordt gesteld dat «de succesvolle samenwerking tussen overheid, onderzoek en bedrijfsleven gericht op de transitieketen van innovatie tot realisatie» aan de basis staat van dit besparingstempo. Daarnaast roept het akkoord, waarin zowel de landbouwsector als de milieu-organisaties een actieve bijdrage leverden, op om «deze aanpak te continueren en waar mogelijk te versterken.»

In het CO2-convenant is met de glastuinbouw een CO2-emissieruimte van 6,2 Mton afgesproken voor 2020. Bij overschrijding van de emissieruimte moet betaald worden aan de overheid.

Met de inzet om binnen deze CO2-emissieruimte in 2020 te blijven, wordt tevens invulling gegeven aan de in het Energieakkoord afgesproken 11 PJ extra energiebesparing per 2020.

296 Kunt u een toelichting geven op de referentiewaarde, de peildatum en de streefwaarde voor fosfaat en stikstof en kunt u voorts aangeven waarom wordt uitgegaan van streefwaarden en waarom de onderzoeken en bevindingen die bekend zijn over verlies van bodemvruchtbaarheid en bodemgesteldheid niet zijn meegenomen?

Het mestbeleid heeft tot doel de belasting van grond- en oppervlaktewater met mineralen uit de landbouw terug te dringen door de toegediende mineralen optimaal ten gunste te laten komen aan de opname door het gewas. Hoe hoger het aandeel van de toegediende mineralen dat ten goede komt aan de gewasgroei, hoe lager het aandeel dat uiteindelijk verloren gaat naar bodem, grond- en oppervlaktewater. De instrumenten die hiervoor ingezet worden, zijn de gebruiksnormen voor dierlijke mest, stikstof en fosfaat en de gebruiksvoorschriften voor de wijze en momenten van toediending van meststoffen. Een maat voor de efficiëntie is het bodemoverschot. Het bodemoverschot geeft aan hoeveel van de toegediende mineralen niet benut worden door het gewas en daardoor potentieel zorgen voor belasting van het milieu. De streefwaarde voor fosfaat is evenwichtsbemesting. Dit representeert een situatie waarbij de toegediende hoeveelheid fosfaat gelijk staat aan de fosfaatopname door het gewas, waarbij rekening gehouden wordt met een onvermijdelijk verlies van gemiddeld 5 kilogram fosfaat per hectare. Een situatie van evenwichtsbemesting voor fosfaat is voorzien voor 2015, zoals aan uw Kamer gemeld per brief van 10 september 2013 (Kamerstuk 33 037, nr. 74).

Stikstofverbindingen zijn over het algemeen veel mobieler in de bodem dan fosfaat(verbindingen) en spoelen daardoor makkelijker uit naar grond- en oppervlaktewater. Daarnaast vindt er denitrificatie plaats, alsmede emissies naar de lucht. Een situatie van evenwichtsbemesting is voor stikstof om die reden niet mogelijk. De streefwaarde voor stikstof representeert dan ook een bodemoverschot waarbij op termijn voldaan wordt aan de nitraatdoelstellingen, waaronder een Europese streefwaarde van 50 mg nitraat per liter. Het Vijfde Actieprogramma Nitraatrichtlijn, dat loopt tot en met 2017, voorziet in maatregelen die hierop gericht zijn. Daarnaast levert het Vijfde Actieprogramma Nitraatrichtlijn een bijdrage aan het realiseren van de doelen van de Kaderrichtlijn Water.

De huidige indicatoren zijn voor het eerst gemeld in de begroting van 2006 van het toenmalige ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In 2006 werd het stelsel van gebruiksnormen en gebruiksvoorschriften van kracht, ter vervanging van het mineralenaangiftesysteem (Minas). Met de beleidsbrief van het toenmalige kabinet van 19 mei 2004 (Kamerstuk 28 385, nr. 26) werden de contouren van het mestbeleid voor de periode na Minas aangekondigd. Streven van het mestbeleid was het geleidelijk terugdringen van de bodemoverschotten voor stikstof en fosfaat ter realisatie van een hogere benutting van mineralen door gewassen. Dit moest ultiem resulteren in een lagere belasting van het milieu. Als peildatum werden destijds de bodemoverschotten van het jaar 2002 gekozen, met de daarbij behorende referentiewaarden. De jaarlijkse cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek dienden hierbij als bron.

De streefwaarden zijn indicatoren die iets zeggen over de effectiviteit van het ingezette mestbeleid, te weten het verhogen van het aandeel mineralen dat opgenomen wordt door het gewas en terugdringen van het verlies van toegediende mineralen naar het milieu. Het streven naar een optimaal gebruik van mineralen hoeft geenszins in de weg te staan aan het op peil houden van een goede bodemvruchtbaarheid en bodemgesteldheid.

In antwoord op vragen van leden van verschillende fracties uit uw Kamer ben ik hier per brief van 24 juni 2013 al uitvoerig op ingegaan (Kamerstuk 33 037, nr. 67). Bodemvruchtbaarheid en bodemgesteldheid zijn om die reden niet (mede) bepalend voor de hoogte van de streefwaarde.

297 Hoe stimuleert u de precisielandbouw, wanneer er geen subsidie tegenover mocht staan?

Naast subsidie zet ik ook andere instrumenten in om precisielandbouw te stimuleren, zoals het ondersteunen van onderzoek via Topsectoren en het beschikbaar stellen van satellietdata ten behoeve van (de ontwikkeling van) managementondersteuning van de teelt.

298 Kunt u de schade, als gevolg van het stikstofoverschot in Nederland, kwantificeren voor het milieu, de natuur en de volksgezondheid?

Ik verwijs in dit verband naar het «European nitrogen assessment» uit 2011, waaraan vanuit Nederland bijgedragen is door onderzoekers van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en de Vrije Universiteit. Een samenvattend artikel hierover is te vinden op:

http://www.pbl.nl/publicaties/2011/the-european-nitrogen-assessment-bevindingen-en-lessen-uit-eerste-europese-stikstofanalyse .

Ik verwijs tevens naar de kabinetsreactie op dit rapport (Kamerstuk 30 654, nr. 95).

299 Wat is uw definitie van «duurzame intensivering van de teelt»?

De context van deze aanhaling uit de begroting («Plantenveredeling en duurzame intensivering van de teelt zijn van fundamenteel belang voor het vergroten van (mondiale) voedselzekerheid en concurrentiekracht van de betrokken sectoren») maakt duidelijk dat het hier gaat om duurzame intensivering van de teelt op mondiaal niveau. Duurzame intensivering betekent dat productkwantiteit en -kwaliteit worden verhoogd met in achtneming van duurzaamheid voor mens, dier en milieu. In veel landen op de wereld behoort een duurzame teeltintensivering tot een reële mogelijkheid om de bevolking meer zelfvoorzienend in de voedselbehoefte te laten zijn. Nederland wil daar graag een bijdrage aan leveren.

300 Kunt u bevestigen dat de teelt van voedsel die afhankelijk is van input, zoals fossiele brandstoffen en eindige grondstoffen zoals fosfaat, per definitie niet duurzaam kan zijn, aangezien deze grondstoffen schaars zijn en uiteindelijk op zullen raken, en bovendien bijdragen aan het broeikaseffect?

Voor de productie van voedsel is input van energie en grondstoffen, zoals (kunst)mest, nodig. Zonder energie en grondstoffen groeit immers niets. In de afgelopen jaren is in de primaire landbouwsectoren veel aandacht besteed aan het zo efficiënt mogelijk benutten van zowel grondstoffen als (fossiele) energie, waarbij er een grote mate van energie-efficiënte per eenheid product gerealiseerd wordt. Streven van deze sectoren is om een belangrijke rol te spelen in de koolstofarme bio-economie, zoals de EU schetst. Nederland loopt voorop in ontwikkelingen in de precisielandbouw: tractoren met gps-apparaten helpen om zo precies mogelijk te besproeien en te bemesten bijvoorbeeld. Ook in de mestverwerking wordt volop gewerkt aan de terugwinning van stoffen als fosfaat uit mest, hetgeen als een bouwsteen gezien kan worden van een meer circulaire economie. Tot slot zet Nederland via Climate Smart Agriculture in op landbouw als kans om voedselzekerheid te blijven garanderen en armoede te bestrijden door innovatieve en duurzame productiemethoden met boeren te ontwikkelen die klimaatbestendig zijn.

301 Hoe gaat de ondersteuning voor de verduurzaming van de visserijsector er concreet uitzien?

Voor de ondersteuning van de verduurzaming van de visserijsector is als financieel instrument het Europees Visserij Fonds (2007–2014) beschikbaar. De middelen uit het EVF worden ingezet voor de bevordering meer duurzame visserij- en kweektechnieken. Concreet betekent dit in hoofdzaak steun voor de ontwikkeling van meer selectieve, minder bodemberoerende, meer energiebesparende en welzijnsbevorderende visserij- en kweekmethoden. Besluitvorming in EU-kader over het toekomstige EFMZV is voorzien eind 2013, begin 2014.

In het Operationeel Programma, waarmee Nederland invulling geeft aan dit nieuwe visserijfonds, zal mijn inzet voor de komende jaren worden vastgelegd.

302 Is er een evaluatie van de VAMIL-regeling? Zo ja, kunt u die naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?

De evaluatie van de MIA en de VAMIL-regeling is op Prinsjesdag naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstuk 33 752, nr.5). De rapporten geven gevolg aan de periodieke evaluatieverplichting van de belastinguitgaven op grond van Regeling Prestatiegegevens en Evaluatieonderzoek.

303 Met welk bedrag wordt met betrekking tot de VAMIL-regeling mogelijk rekening gehouden voor 2014?

Er wordt voor de VAMIL-vergoeding in 2014 rekening gehouden met een half miljoen euro aan betalingen. Voor een nadere uitleg over de VAMIL-vergoeding verwijs ik u naar het antwoord op vraag 255.

304 Wat houdt de nieuw te introduceren garantiemaatregel op de marktintroductie voor innovatie in en welke ondernemers komen hiervoor in aanmerking?

Deze garantiemaatregel is bedoeld om de marktintroductie van risicovolle grensverleggende innovaties te ondersteunen, met name bij verdergaande verduurzaming. Het op de markt brengen van innovatieve producten en systemen wordt vaak gehinderd door de problematiek van de «valley of death»: tussen onderzoeksresultaat en marktintroductie ontbreekt durfkapitaal. Hierbij speelt mee het ondernemersrisico dat gepaard gaat met systeeminnovaties ten behoeve van verduurzaming. Met de garantiemaatregel beoog ik de noodzakelijke ontwikkelingen te versnellen. Ik bezie in het kader van het nieuwe GLB de introductie van deze maatregel. Voorloperbedrijven, die als eerste bedrijven investeren in maatschappelijk gewenste prototypen van dergelijke (systeem) innovaties en deze in de praktijk toepassen, komen in aanmerking voor deze maatregel. De concrete uitwerking hiervan zal in samenwerking met het bedrijfsleven vorm krijgen.

305 Op welke manier wordt er bij het verstrekken van garanties op leningen voor investeringen in de primaire sector een stimulans gegeven aan de verduurzamingsopgave van de primaire sector en welke criteria worden hierbij gebruikt?

In het kader van de Garantstelling Landbouw wordt onderscheid gemaakt tussen leningen voor regulier investeringen en leningen voor investeringen die extra bijdragen aan de verduurzamingsopgave van de primaire sector. De extra stimulans bestaat eruit dat deze leningen achtergesteld mogen zijn. En dat er een hogere lening onder de garantstelling valt: maximaal € 2,5 miljoen in plaats van maximaal € 600.000. Als criteria voor extra verduurzaming worden de eisen van de Maatlat Duurzame Veehouderij en de Groen Labelkas gehanteerd.

306 Wat houdt de nieuw te introduceren garantiemaatregel op de marktintroductie van innovatie in en welke ondernemers komen daarvoor in aanmerking?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 304.

307 Wat doet de overheid om ondernemers te faciliteren en te ondersteunen in het terugdringen van antibioticagebruik?

Ik verwijs naar het antwoord op vraag 187.

308 Welke opdrachten zullen worden gefinancierd uit de begrotingspost «borging voedselveiligheid en -kwaliteit» en wat wordt er verstaan onder transparantie in de keten?

Voor de opdrachten die worden gefinancierd uit deze post verwijs ik u naar het antwoord op vraag 194.

309 Verloopt de daadwerkelijke reductie van antibiotica in de veehouderij volgens de planning?

Ja, in de periode 2009 tot en met 2012 is een reductie bereikt van 49%. Ik heb u hierover in april 2013 geïnformeerd (Kamerstuk 29 683, nr. 156). Daarmee is de doelstelling van 50% reductie in 2013 reeds nagenoeg gerealiseerd.

310 Hoe staat het met de vermindering van het gebruik van de zogenaamde kritische antibiotica en kan het gebruik van kritische antibiotica volledig worden afgebouwd?

Met de brief van 29 augustus 2013 (Kamerstuk 29 683, nr. 168) bent u geïnformeerd over de reductie van het gebruik van kritische antibiotica. De verkoop van antibiotica die voor de humane gezondheid van kritisch belang zijn, fluoroquinolonen en derde en vierde generatie cefalosporinen, is in 2012 met respectievelijk 45% en 94% afgenomen ten opzichte van 2011.

Sinds begin 2013 is het verboden om deze kritische antibiotica te gebruiken indien uit een gevoeligheidsbepaling blijkt dat de desbetreffende ziekteverwekker ook gevoelig is voor een eenvoudig antibioticum. Daarmee wordt de toepassing van deze kritische antibiotica beperkt tot de voor de genezing van het dier absoluut noodzakelijke toepassing. De verplichting om een gevoeligheidsbepaling uit te voeren, zal leiden tot een verdere afname van de toepassing van de kritische antibiotica.

311 Hoeveel budget is er de komende vier jaar uitgetrokken voor de uitwerking van de adviezen, die het onderzoek van de Onderzoeksraad voor Veiligheid zal leveren?

De Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) zal zijn advies naar verwachting eind 2013, begin 2014 opleveren. Op dit moment is nog onbekend wat de aanbevelingen van de OvV zullen zijn. Afhankelijk van de aanbevelingen zal ik bezien of hiervoor aanvullende financiële middelen noodzakelijk zijn.

312 Wat zijn de contouren van de nieuwe koers ten aanzien van duurzaam voedsel die in 2014 wordt geïmplementeerd?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 188.

313 Welke mogelijkheden ziet u voor het benutten van reststromen en aan welke opties wordt gedacht?

Bij het verwerken van grondstoffen en voedsel ontstaan, al dan niet vermijdelijk, reststromen. In het kader van het beleid rondom de vermindering van voedselverspilling is het streven dat deze stromen zo «hoog» mogelijk worden verwaard. Hierbij wordt de zogenoemde Ladder van Moerman als uitgangspunt genomen, waarbij converteren voor menselijke consumptie de hoogste verwaarding is en het verbranden van reststromen de laagste verwaarding. Daartussen zitten nog toepassingen voor veevoer, vergisting en compostering. Het bedrijfsleven is primair verantwoordelijk om reststromen zo hoog mogelijk te verwaarden. De topsector Agri&Food heeft zich ten doel gesteld om door een efficiëntere omgang met grondstoffen en hogere valorisatie van reststromen de huidige € 500 miljoen kosten om te buigen in een miljard euro winst.

Ook in het kader van de biobased economy en het mestdossier worden reststromen omgezet in nuttige toepassingen of worden grondstoffen als bijvoorbeeld fosfaat teruggewonnen uit mest.

De overheid faciliteert de bedrijven in de ontwikkeling van deze toepassingen via haar bijdrage aan het topsectorenbeleid, SDE+ en SBIR regelingen zoals de SBIR Voedselverspilling en BioBased Economy.

314 Kunt u toelichten op welke wijze de interne begrotingsreserve landbouw wordt ingezet voor 2014?

Voor 2014 wordt vooralsnog alleen rekening gehouden met een onttrekking aan de begrotingsreserve landbouw ten behoeve van de uitfinanciering van de Subsidieregeling Jonge Agrariërs (€ 1,2 miljoen).

De begrotingsreserve landbouw is bedoeld voor sterk fluctuerende betalingen op de uitfinanciering van (subsidie)regelingen. Jaarlijks wordt aan het begin van het begrotingsjaar aan de hand van prognoses van de Dienst Regelingen bepaald of en in welke mate een onttrekking uit de begrotingsreserve noodzakelijk is. Een eventuele onttrekking wordt vervolgens in de Voorjaarsnota aan de Tweede Kamer voorgelegd en eventueel nog bij Najaarsnota gecorrigeerd.

315 Kunt u aangeven om welk budget het gaat wat betreft het budget «aanpassing van regelgeving gericht op veilige en duurzame toepassing» en gedetailleerd aangeven waar dit bedrag vorig jaar aan is besteed en waar het de komende jaren voor gebruikt gaat worden.

U doelt op de passage uit de begroting «aanpassing van regelgeving gericht op een veilige en duurzame toepassing van nieuwe technologieën in de agrosector». In 2014 is een budget van € 175.000 begroot voor het onderwerp «nieuwe technologieën».

Dit budget is bedoeld voor activiteiten op het vlak van onderzoek, communicatie en monitoring, mede met het oog op de beïnvloeding van het EU beleid voor biotechnologie.

In 2012 en 2013 is dit budget (tot dusver) besteed aan de financiering van het Informatieplatform Groene Biotechnologie, de wetenschappelijke publicatie en workshop over de duurzaamheid van de teelt van genetisch gemodificeerde gewassen, een workshop over wetenschappelijke harmonisatie van de risicobeoordeling van genetisch gemodificeerde planten, een studie naar de regulering van nieuwe veredelingstechnieken buiten de EU, behandeling van marktaanvragen GGO's, publieksenquête over klonen van dieren en monitoring van de import van genetisch gemodificeerde dieren.

316 Welke budgetten zijn er beschikbaar in de topsectoren Agri & Food en Tuinbouw & Uitgangsmateriaal voor een verdere verduurzaming van de voedselproductie en voor de regiegroep Duurzame Veehouderij en Agroketens voor het bewaken van de voortgang in de verschillende ketens?

Verduurzaming van de voedselproductie is een belangrijk thema binnen beide topsectoren, Bedrijfsleven wordt actief aangemoedigd PPS-en op dit thema te ontwikkelen. Het totale publieke en private budget voor aan dit thema gerelateerde inzet is niet op voorhand aan te geven, maar mede afhankelijk van de private belangstelling. Indicatief ging het in 2013 voor beide topsectoren gezamenlijk om ongeveer € 25 miljoen.

Voor de Regiegroep Duurzame Veehouderij en Agroketens is geen specifiek budget beschikbaar. Deze regiegroep richt zich vooral op het monitoren van de voortgang van de verduurzaming in de diverse ketens.

317 Welke concrete resultaten verwacht u van de topsectoren Agri & Food en Tuinbouw & Uitgangsmateriaal voor een verdere verduurzaming van de voedselproductie en van de regiegroep Duurzame Veehouderij en Agroketens over het bewaken van de voortgang in de verschillende ketens?

Verduurzaming van de voedselproductie is een belangrijk thema binnen beide topsectoren. Efficiënt gebruik van grondstoffen, verwaarding van reststromen en verduurzaming van dierlijke ketens zijn belangrijke onderwerpen binnen dit thema. Voor de resultaten die reeds zijn bereikt verwijs ik naar de voortgangsrapportage bedrijvenbeleid (Kamerstuk 32 637, nr. 82).

De Regiegroep Duurzame Veehouderij en Agroketens vormt een platform voor uitwisseling van ervaringen. Over de voortgang van de verduurzaming van de voedselproductie houd ik u op de hoogte via de Monitor Duurzaam Voedsel, die elk jaar voor de zomer verschijnt. Hierin worden de uitgaven van consumentenbestedingen aan duurzaam voedsel per sector in beeld gebracht. Ook de voortgangsrapportage Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij geeft een beeld, het gaat daarbij om de verduurzaming van de productie.

318 Welke concrete en afrekenbare resultaten op het gebied van milieu, biodiversiteit en dierenwelzijn wilt u in 2014 realiseren op basis van de Beleidsbrief Duurzame Voedselproductie?

Op basis van de Agenda Verduurzaming Voedsel ga ik in 2014 in samenspraak met het bedrijfsleven het gewenste duurzaamheidsniveau voor de agrifoodketen formuleren. Ik kan nog niet vooruitlopen op de resultaten, noch op de duurzaamheidsaspecten die aan de orde komen. Ten aanzien van dierenwelzijn verwijs ik u naar mijn beleidsbrief Dierenwelzijn van 4 oktober jl.

319 Wat heeft u concreet voor ogen met de «bevordering van de dialoog over kansen en risico’s van toepassing van Genetische Gemodificeerde Organismen (GGO’s) in de landbouw»?

De toepassing van GGO's in de landbouw is onderwerp van maatschappelijke discussie. Ik vind het belangrijk om over GGO’s een constructieve dialoog te starten tussen bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties, die erop gericht is om, ter invulling van het kabinetsbeleid terzake, «verantwoord kansen te benutten». Tevens wil ik bijdragen aan een gefundeerde meningsvorming bij het brede publiek. Daarom financier ik het Informatieplatform Groene Biotechnologie.

In dit platform voeren maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en overheid een structurele dialoog over de verantwoorde toepassing van GGO’s in de landbouw (kansen, risico’s, knelpunten en oplossingsrichtingen).

320 Hoeveel budget is er gereserveerd voor voorlichting aan de consument ter bevordering van de voedselveiligheid?

Consumentenvoorlichting over voedselveiligheid is belegd bij het Voedingscentrum Nederland (VCN), dat hiertoe vanuit het ministerie van VWS en het ministerie van Economische Zaken zowel een instellingssubsidie als projectsubsidie ontvangt. Het VCN heeft voor het voorlichtingprogramma voedselveiligheid 2014 circa € 200.000 gereserveerd (subsidie projecten en communicatie). Daarnaast besteedt het VCN jaarlijks € 400.000 van de instellingssubsidie aan de reguliere communicatie over voedselveiligheid.

321 Welke operationele doelen zijn gesteld aan de voorlichting aan de consument ter bevordering van de voedselveiligheid?

Het Voedingscentrum Nederland (VCN) heeft de volgende doelstellingen op het gebied van voedselveiligheid gesteld: het verhogen van bewustzijn en de vaardigheid om veilig om te gaan met voedsel bij consumenten, het verhogen van kennis over risicomanagement in de keten en het versterken van vertrouwen van de consument in de voedselketen.

322 Welke invulling zal gegeven worden aan de voorlichting van de consument ter bevordering van de voedselveiligheid?

Het Voedingscentrum Nederland (VCN) heeft de volgende activiteiten in het werkprogramma voedselveiligheid opgenomen:

  • Het houden van een verkenning om een «Nederlandse voedselveiligheidsweek» te organiseren in samenwerking met RIVM en NVWA.

  • 10 extra ketenpartners (retailers, fabrikanten, product promotie organisaties) gaan gebruikaken van de beschikbare informatie «5x veilig» (informatie over hygiëne met betrekking tot kopen, wassen, scheiden, verhitten en koelen).

  • Sociale media worden ingezet om consumenten bewust te maken van het veilig bewaren en bereiden van voedsel. Indien Nederlandse voedselveiligheidsweek gerealiseerd kan worden, is de verwachting van een bereik van 100.000 views via sociale media in relatie tot deze voedselveiligheidsweek.

  • Middels Free Publicity zijn 500.000 consumenten geattendeerd op de eigen rol bij veilig omgaan met eten (bewustwording) en krijgen ze handvatten aangereikt om hier iets aan te doen (vaardigheden).

  • Stijging van bezoek aan voedselveiligheidspagina’s van Voedingscentrum.nl (website VCN) met 10% ten opzichte van 2013.

  • Middels de bewaarwijzer en informatie «5x veilig met…» krijgen 500.000 consumenten kennis en handvatten aangereikt om thuis veilig met eten om te gaan.

323 Hoe ziet er Europees speelveld eruit met betrekking tot besluitvorming rond toelating van GGO's en welke verdeling voor en tegen is er?

Voor het aannemen van een ontwerpbesluit over een aangevraagde toelating van een GGO moet in het ambtelijke comité, horende bij de Europese GGO wetgeving, sprake zijn van een gekwalificeerde meerderheid van lidstaten. Bij stemmingen over de toelating van GGO's voor import (i.e. gebruik in diervoeder en levensmiddelen) wordt tot nu toe meestal geen gekwalificeerde meerderheid of blokkerende minderheid van lidstaten gehaald. In zo’n situatie wordt gestemd in het comité van beroep. De ervaring leert dat de standpunten van de lidstaten in het ambtelijk comité en het comité van beroep tot nu toe gelijk zijn. Bij gebrek aan een gekwalificeerde meerderheid in het comité van beroep is de Europese Commissie gerechtigd de beschikking overeenkomstig het ontwerpbesluit vast te stellen.

Stemmingen over toelatingen van GGO's voor teelt hebben al geruime tijd niet plaatsgevonden.

324 Op welke manier worden de administratieve lasten op de thema's plantgezondheid en uitgangsmateriaal teruggedrongen en welke regels zijn er bij en eraf gegaan de afgelopen jaren?

Beleid en inzet van EZ met betrekking tot de administratieve lasten op de thema's plantgezondheid en uitgangsmateriaal zijn gericht op het vereenvoudigen en stroomlijnen van regelgeving. Bij de behandeling van de voorstellen van de Europese Commissie voor de herziening van de EU Fytorichtlijn en de Verkeersrichtlijnen is dit mede mijn inzet. Mijn verwachting is dat na invoering van het nu in voorbereiding zijnde stelsel de regeldruk lager komt te liggen dankzij, bijvoorbeeld, de integratie van controles op het gebied van plantgezondheid en teeltmateriaal. Bovendien zal de regelgeving uitsluitend gelden voor «professionele exploitanten» en niet voor hobbyisten die onderling teeltmateriaal uitwisselen, niet voor ruilbeurzen en liefhebberscollecties die niet bedrijfsmatig van opzet zijn en niet voor zaaigoed in privétuinen of voor particulieren die met andere niet-professionele tuinders zaaigoed uitwisselen. Bovendien komt er meer ruimte voor teeltmateriaal dat niet aan de «klassieke» eisen voldoet. Dit schept ruimte voor traditionele rassen, draagt bij aan bescherming van de biodiversiteit en biedt kansen voor veredeling die gericht is op duurzame land- en tuinbouw. Daarbij zet ik mij in voor borging in de commissievoorstellen van de belangen van de biologische landbouw.

325 Wanneer zal het convenant Fytosanitair worden vastgesteld en welk doel heeft het convenant?

326 Wat is de stand van zaken met betrekking tot het Plantgezondheidsfonds?

Het ministerie van Economische Zaken en enkele sectororganisaties in de plantaardige sector voeren gesprekken om te komen tot een convenant Plantgezondheid vergelijkbaar met het convenant Diergezondheid. Het doel van een dergelijk convenant is de beperking van fytosanitaire risico’s in het algemeen. In het convenant worden afspraken voorzien over de eigen verantwoordelijkheid van de sector voor preventie en risicoafdekking. Die risicoafdekking zou gerealiseerd kunnen worden in de vorm van een Plantgezondheidsfonds. Het fonds moet gezien worden als een instrument om uitvoering te kunnen geven aan een convenant Plantgezondheid. Mijn streven is erop gericht in 2014 daadwerkelijk gestart kan worden met de concretere invulling van de convenantafspraken.

327 Kunt u toelichten waarom er 4,6 miljoen euro wordt uitgegeven aan dierenwelzijn productiedieren en gezelschapsdieren en 234 ton aan preventieve diergezondheid, en kan hieruit worden opgemaakt dat diergezondheid van ondergeschikt belang is?

De post preventieve diergezondheid ziet slechts op een beperkt deel van de activiteiten in het kader van diergezondheid. Onder de post monitoring, early warning en bewaking fytosanitaire en veterinaire veiligheid valt ook onderzoek dat uitgevoerd wordt ten behoeve van monitoring en early warning, met het oog op snelle detectie van dierziekten.

Daarnaast vind nog gericht onderzoek plaats via activiteiten die lopen via de begroting van het Diergezondheidsfonds (DGF). Ik acht zowel diergezondheid als dierenwelzijn van belang.

328 Op welke manier worden de administratieve lasten op de thema’s plantgezondheid en uitgangsmateriaal teruggedrongen en welke regels zijn erbij en eraf gegaan de afgelopen jaren?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 324.

329 Wat is de stand van zaken met betrekking tot het Plantsgezondheidsfonds en de opheffing van de Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO’s)?

De heer J. de Leeuw heeft, zoals is aangekondigd in het Regeerakkoord een doorlichting van de ZBO's uitgevoerd. Daarbij is de bedrijfsvoering van ZBO’s tegen het licht gehouden en gekeken of de ZBO-vorm de meest geëigende is. Het kabinetsstandpunt zal naar verwachting eind 2013 verschijnen. Voor het Plantgezondheidsfonds verwijs ik u naar het antwoord op vraag 326.

330 Wat is de werklast, in het bijzonder inzake het aantal verwachte toelatingen, van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) voor komend jaar en is er voldoende budget geraamd voor de verwachte toelatingen?

Binnen de begroting van EZ is geen budget opgenomen voor de afhandeling van aanvragen. Dit wordt volledig gefinancierd door het bedrijfsleven. Het Ctgb geeft aan dat in 2014 rekening wordt gehouden met de behandeling van circa 700 aanvragen voor gewasbeschermingsmiddelen en circa 440 aanvragen voor biociden.

331 Welke concrete resultaten wil u in 2014 realiseren op het gebied van het verminderen van de milieulast van gewasbeschermingsmiddelen?

In de tweede nota Duurzame Gewasbescherming (Kamerstuk 27 858, nr. 146) is aangegeven dat in 2014 een aantal maatregelen in regelgeving zal worden vastgelegd wat leidt tot een vermindering van de milieulast. Het gaat met name om het invoeren van driftreducerende maatregelen in de open teelt: minimaal 75% driftreductietechnieken op het gehele perceel en een minimum teeltvrije zone van 0,5 m voor alle teelten. Deze maatregelen betekenen een aanscherping van het Activiteitenbesluit Milieubeheer.

Met de fruit- en boomteeltsector zal worden overlegd over extra driftreducerende maatregelen ter verbetering van de waterkwaliteit.

Opvang en zuivering van erfafspoeling wordt verplicht gesteld in het Activiteitenbesluit Milieubeheer (implementatieperiode 2013–2018). Tevens dienen spuitmachines op verhard terrein overdekt te worden gestald. Ook deze maatregelen zullen worden vastgelegd in het Activiteitenbesluit Milieubeheer.

Voor enkele werkzame stoffen die de waterkwaliteitsnormen (KRW-normen) voortdurend overschrijden zullen emissiereductieplannen worden opgesteld door de betreffende toelatingshouder.

Verder zullen diverse projecten (bijvoorbeeld Water ABC en Schoon Water Brabant) de komende jaren hun effect hebben op het verminderen van de milieubelasting.

332 Hoeveel geld gaat er specifiek naar onderzoek voor het bevorderen van dierenwelzijn, wat voor type onderzoeken betreft het hier en door wie worden de onderzoeken uitgevoerd?

Ik verwijs hiervoor naar de antwoorden op vragen 199 t/m 202.

333 Welke wetenschappelijke onderzoeken en monitoringsprogramma’s lopen er met betrekking tot gezelschapsdieren?

Bij Universiteit Utrecht (Faculteit Diergeneeskunde) loopt het meerjarige onderzoek incidentie van erfelijke gebreken en schadelijke raskenmerken bij populaties van gezelschapsdieren. In 2013 en 2014 zullen de resultaten van onderzoek naar de fokkerijproblematiek van drie hondenrassen en een kattenras worden opgeleverd. Daarnaast zullen nog vier rassen onderzocht worden. Ook is onderzoek in voorbereiding rond de positieflijsten van vogels en reptielen. Voor zoogdieren is ten aanzien van de positieflijst vervolgonderzoek in ontwikkeling, gericht op beoordeling van dieren die thans aantoonbaar in Nederland als huisdier gehouden worden en die nog niet conform de daartoe ontwikkelde systematiek zijn beoordeeld. Ook loopt er nog een onderzoek naar de scheidingsleeftijden voor papegaaien.

334 Kunt u aangeven waarom het budget voor dierenwelzijn productiedieren en gezelschapsdieren in 2014 daalt, om in 2015 weer te klimmen en in 2016 weer te dalen?

Ik verwijs hiervoor naar de antwoord op de vragen 199 t/m 202.

335 Welke investeringen zijn er in 2012 en 2013 gedaan op het gebied van preventieve diergezondheid?

De post preventieve diergezondheid (€ 656.000) omvatte in 2012 en 2013 projecten rondom preventie enerzijds (onder andere bijdrage aan humaan/veterinair signaleringsoverleg, communicatie over diergezondheid en diverse kleinere onderzoeksprojecten en identificatie en registratie (I&R) van paarden anderzijds.

336 Welke maatregelen treffen de bezuiniging op preventieve diergezondheid?

Voor 2014 maken de kosten voor I&R paard niet langer onderdeel uit van deze begrotingspost. Deze kosten worden opnieuw bezien in het licht van de opheffing van de PBO's en het dientengevolge herbeleggen van taken.

337 Welke stappen worden er in 2014 gezet om te komen tot verdere samenwerking tussen veterinaire en humane geneeskunde?

Er worden in 2014 geen nieuwe stappen gezet om tot verdere samenwerking tussen veterinaire en humane geneeskunde te komen. De stappen, die al gezet zijn moeten de gewenste goede samenwerking borgen.

338 Welke onderzoeken en monitoring worden er gedaan voor de preventie van dier- en plantziekten?

Onder regie van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) voeren NVWA en keuringsdiensten in Nederland een fytosanitair inspectie- en monitoringprogramma uit ter preventie van nieuwe plantenziekten en -plagen. Het Nationaal Referentie Centrum van de NVWA doet diagnostisch onderzoek en voert ondersteunende onderzoeks- en kennisprojecten uit.

EZ financiert ook onderzoeksprojecten voor preventie van plantenziekten, die worden uitgevoerd bij onderzoeksinstellingen. Dit onderzoek is gericht op snelle detectie en herkenning van plantenziekten, methoden ter voorkoming van ziekten en naar duurzame beheersing van plantenziekten. In 2014 financiert EZ ongeveer € 3,5 miljoen aan doorlopend onderzoek vanuit de publiekprivate samenwerking in het topsectorenbeleid.

Vanuit Beleidsondersteunend onderzoek wordt in 2014 voor € 300.000 onderzoek gedaan ten behoeve van een snelle en effectieve opsporing van ziekten en plagen.

Ter preventie van dierziekten wordt door of onder de regie van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) ingezet op tijdige signalering en afhandeling van verdenking casu quo besmetting door onderzoek en monitoring/bewaking van onder andere dierziekten als scrapie, bluetongue, brucella melitensis, Klassieke Varkens Pest (KVP), mond- en klauwzeer (MKZ), aviaire influenza (AI) en boviene spongiforme encefalopathie (BSE). Daarnaast vindt monitoringsonderzoek naar dierziekten plaats via de zgn. basismonitoring op dierziekten, die wordt uitgevoerd door de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD), en via het signaleringsoverleg zoönosen.

Voor de onderzoeksprojecten die het ministerie van Economische Zaken financiert rond diergezondheid, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 390.

339 Wat is de werklast van het Ctgb voor komend jaar, en is er voldoende budget geraamd voor de verwachte toelatingen, en hoeveel aanvragen worden er in 2014 verwacht?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 330.

340 Wat is de welzijnsmonitor Welfare Quality, in welke sectoren is deze nu al actief en voor welke sectoren zijn de pilots bedoeld?

De welzijnsmonitor Welfare Quality is een door Europese onderzoekers gezamenlijk in het kader van een Europees project ontwikkeld protocol van metingen aan het dier waardoor op zo objectieve mogelijke wijze de mate van welzijn kan worden vastgesteld.

Met gezamenlijke financiering van het ministerie van Economische Zaken en het bedrijfsleven worden voor de sectoren melkvee, kalveren, en vleeskuikens pilots opgezet om te komen tot voor de praktijk werkbare protocollen.

Voor vleeskalveren en melkvee is eind 2012 een driejarig praktijkproject op 60 tot 70 bedrijven gestart. Voor vleeskuikens is begin 2013 een tweejarig traject gestart. In deze projecten wordt gekeken naar de bruikbaarheid van de monitors en de adviezen die op basis daarvan kunnen worden gegeven in de praktijk. Voor melkvee worden ook de al door de sector ontwikkelde meetsystemen voor dierenwelzijn en diergezondheid meegenomen in het project. Bij de uitvoering van deze projecten zijn Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) van Wageningen UR, Stichting Kwaliteitscontrole Vleeskalveren (SKV), Faculteit Diergeneeskunde van Universiteit Utrecht, DLV Rundvee Advies, Productschappen (zijn ook medefinancier) betrokken. In de begeleiding zijn vertegenwoordigers van de primaire en verwerkende sector, Dierenbescherming en Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD) betrokken. Het streven is om na dit project het objectief meten van dierenwelzijn (direct of indirect) aan het dier zelf op grote schaal te gaan gebruiken in de praktijk.

Voor legkippen en varkens wordt door de sector en het ministerie bezien hoe (delen van) het complete protocol bij kunnen dragen aan de welzijnsdoelstellingen die de sector en het ministerie hebben (zie ook het antwoord op vraag 373).

Voor welzijnsmonitoring bij paarden is door WUR Livestock Research in Nederland een protocol opgesteld. Dit is gedaan is samenspraak met de sector (ondernemers, hippische sport), de Dierenbescherming en de KNMvD.

De paardensector heeft aangegeven zelf op basis van de uitgebreide welzijnsmonitor een verkorte versie te willen maken die door paardenhouders kan worden toegepast. Een eerste versie hiervan wordt begin 2014 verwacht.

341 Kunt u aangeven waarom in het overzicht van de te nemen acties in het kader van het verminderen van de milieulast van gewasbeschermingsmiddelen de actie niet is genomen om het verbod op gebruik door particulieren en andere sectoren zoals sport- en recreatieclubs versneld in te voeren?

Ik verwijs hiervoor naar de brief aan uw Kamer van 3 september van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, Kamerstuk 27 858, nr. 215.

342 Waarom vindt u het noodzakelijk om een positieflijst te ontwikkelen voor vogels, en bent u voornemens om ook nog andere positieflijsten te ontwikkelen? Zo ja, waarom?

Het doel van de positieflijst zoogdieren is het reguleren van het houden van zoogdiersoorten opdat alleen die diersoorten worden gehouden die uit oogpunt van dierenwelzijn en risico’s voor de mens verantwoord gehouden kunnen worden. Dit doel is mede van toepassing op de soorten van alle andere dierklassen waarbij ik mij eerst richt op de dierklassen waarin de meest gehouden diersoorten zijn ingedeeld. Dit zijn vogels en reptielen. Ik streef ernaar om eind 2014 uw Kamer een voorstel te sturen voor een positieflijst voor reptielen en vogels.

343 Waarom wordt er financiële ondersteuning gegeven aan de LID terwijl het gaat om een private organisatie?

Het betreft een financiële bijdrage voor handhavingstaken die de LID voor de overheid uitvoert.

344 Kunt u een overzicht geven van alle subsidieregelingen, waar de voedselsector gebruik van kan maken, en daarbij aangeven of het niet doen van dierproeven een voorwaarde is voor het verkrijgen van een subsidie?

Naast de subsidiemogelijkheden die er zijn onder de topsectoren Agri&Food en Tuinbouw&Uitgangsmaterialen zijn er geen specifieke subsidieregelingen waar de voedselsector gebruik van kan maken. Ik verwijs u verder naar het antwoord bij vraag 345.

Vraag 345 Kan de topsector Agri & Food gezien worden als de opvolger van het subsidieprogramma Food and Nutricion, welke subsidies worden er in het kader van de topsector Agri & Food verleend en bij welke van de gesubsidieerde programma’s worden door de aanvragende partij of in opdracht van de aanvragende partij, dierproeven gedaan?

Ik verwijs u op de eerste plaats naar mijn brief van 4 juli jl., Kamerstuk 32 326, nr. 15. Aanvullend hierop kan ik aangeven dat al het onderzoek waarbij dieren betrokken zijn valt onder de Wet op de Dierproeven (WOD) van het ministerie van Economische Zaken en dat in het kader van deze wet zorgvuldig toezicht op het gebruiken van dieren bij onderzoek (rekening houdend met de drie V's, verfijning, vermindering en vervanging) verzorgd wordt door de daartoe bevoegde instanties.

Voor deelgebieden waarop dierproeven worden uitgevoerd verwijs ik daarnaast naar de rapportage die jaarlijks wordt uitgebracht door de NVWA getiteld «Zo Doende». Tenslotte hebben onderzoekers in beide topsectoren zelf een verantwoordelijkheid bij ethische kwesties. Voor NWO-aanvragen geldt dat de aanvragers de bestaande codes moeten onderschrijven en naleven.

346 Hoeveel geld is er in 2014 beschikbaar voor de gezondheid en het welzijn van gezelschapsdieren en paarden en hoeveel meer is dit vergeleken met 2012 en 2013?

In artikel 16.3 is er € 6 miljoen beschikbaar voor het verbeteren van dierenwelzijn van landbouwhuisdieren en gezelschapsdieren. Daarvan was in 2013 € 2,4 miljoen beschikbaar voor gezelschapsdieren. Dat is een toename van € 0,4 miljoen ten opzichte van 2012. In 2014 is circa € 2,8 miljoen beschikbaar voor gezelschapsdieren.

347 Met welk percentage wilt u mishandeling en verwaarlozing van dieren terugdringen?

De handhaving van het verbod op mishandeling en verwaarlozing van dieren geschiedt niet op basis van toezichtcontroles maar op basis van meldingen. Een afname of toename van het aantal meldingen zegt slechts in beperkte mate iets over het aantal dieren dat in Nederland wordt mishandeld of verwaarloosd. De bereidheid van mensen om dierenmishandeling of verwaarlozing te melden speelt bijvoorbeeld ook een belangrijke rol. Het noemen van een percentage acht ik derhalve niet zinvol.

348 Hoeveel geld is er in 2014 beschikbaar voor het stimuleren van en een maatschappelijk geaccepteerde fokkerij?

Voor gezelschapsdieren is er tot en met 2016 € 350.000 beschikbaar voor onderzoek naar fokkerijproblematiek bij honden- en kattenrassen (incidentieonderzoek), waarvan € 107.000 voor 2014. Voor ondersteuning van projecten geïnitieerd door derden is jaarlijks € 100.000 beschikbaar. Het Landelijk Informatie Centrum Gezelschapsdieren besteedt daarnaast in haar voorlichting over gezelschapsdieren ook aandacht aan fokkerij.

Voor de landbouwhuisdieren vindt onderzoek plaats in het kader van de PPS Breed4Food binnen de Topsector Agri&Food. Dit onderzoek moet handvatten bieden om met fokkerij een bijdrage te kunnen leveren aan de verduurzaming van de veehouderij.

349 Wat is uw definitie van een maatschappelijk geaccepteerde fokkerij?

Voor een maatschappelijk geaccepteerde fokkerij is het van belang dat belangen van dier en mens op een goede manier tegen elkaar zijn afgewogen. In de zienswijze «Fokkerij en Voortplantingstechnieken» van de Raad voor Dieraangelegenheden (RDA) van 10 december 2010 wordt hier uitvoerig op ingegaan. In deze zienswijze doet de RDA een aantal aanbevelingen om op maatschappelijke verantwoorde en transparante wijze om te gaan met fokkerij. Onder andere beveelt zij het gebruik van een afwegingskader aan om de afwegingen die gemaakt worden helder te maken.

Daarnaast is de RDA van mening dat fokkerij binnen de volgende kaders moet plaatsvinden, behoud van vitaliteit en fysieke gezondheid, behoud van soorteigen gedrag en mentale gezondheid, behoud van integriteit en behoud van genetische diversiteit.

De overheid onderschrijft dit afwegingskader en de kaders. Het fokkerijbedrijfsleven verenigd in de Initiatiefgroep Duurzame Fokkerij benut dit afwegingskader bij de fokkerij van landbouwhuisdieren.

Ik verwijs u verder naar mijn brief van 4 juli jl. over het besluit gezelschapsdieren (Kamerstuk 28 286, nr. 641).

350 Hoeveel geld wordt er in 2014 ingezet om impulsaankopen tegen te gaan?

Voor het beleid rondom impulsaankopen van gezelschapsdieren verwijs ik u naar mijn beleidsbrief Dierenwelzijn van 4 oktober jl. (Kamerstuk 28 286, nr. 651).

351 Hoe verhoudt het afschaffen van de dierenpolitie zich tot uw inzet op de vermindering van mishandeling en verwaarlozing van dieren en bent u van mening dat de dierenpolitie een belangrijke bijdrage kan leveren aan het omhoog brengen van het naleefniveau?

Ik ben van mening dat de politie een belangrijke bijdrage levert en in de toekomst kan blijven leveren aan een goede aanpak van mishandeling en verwaarlozing van dieren. In het regeerakkoord is opgenomen dat de reguliere politie verwaarlozing en mishandeling van dieren hard aan blijft pakken. Binnen de Robuuste Basis Teams (RBT’s) van de Nationale politie zijn taakaccent-houders beschikbaar voor de aanpak van dierenmishandeling. De afspraken tussen de politie, LID, NVWA en Dierenbescherming welke zijn gemaakt voor de komst van de dierenpolitie werken goed en blijven bestaan in deze nieuwe situatie.

352 Kunt u uiteenzetten per instantie hoeveel geld er beschikbaar is voor de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming, het landelijk informatiecentrum gezelschapsdieren de opvang van in beslag genomen dieren, waar dit specifieke geld aan besteed wordt en aan welke diensten (en waaraan) het geld nog meer besteed wordt.

Voor de LID is er een bedrag van circa € 1,6 miljoen beschikbaar voor toezicht op de naleving van de regelgeving voor gezelschapsdieren en voor de handhaving van het verbod op verwaarlozing en mishandeling van dieren en de positieflijst.

Voor in beslag genomen dieren (IBG) is een bedrag gereserveerd van ruim € 2 miljoen. Dit wordt met name gebruikt voor opvang en huisvesting van in beslag genomen dieren.

Met betrekking tot het LICG verwijs ik u naar het antwoord op vraag 355.

353 Kunt u per diergroep (landbouwhuisdieren, gezelschapsdieren, vissen, dieren in het wild, dieren in de vermaakindustrie) specificeren welk deel van de het budget ter verbetering van het dierenwelzijn aan hen wordt besteed?

Voor het beschikbare budget voor dierenwelzijn verwijs ik u naar de antwoorden op de vragen 199 t/m 202.

354 Kunt u aangeven hoe uw doelstellingen ten aanzien van dierenwelzijn zullen leiden tot een daadwerkelijke verbetering van het welzijn van dieren in Nederland en hoe u deze ambities in cijfers gaat vatten?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 204.

355 Hoe wordt de kennis en kunde van (aankomende) diereigenaren vergroot, hoeveel geld is hiervoor gereserveerd, hoe wilt u dit gaan doen en wat zijn de afrekenbare prestaties?

Het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren verzorgt voorlichting over de juiste wijze van houden van gezelschapsdieren middels drie projecten: huisdierbijsluiters, voorlichting en campagnes. De meerjarenfinanciering voor het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren 2014–2016 bedraagt € 270.000 subsidie per jaar.

Daarnaast is er voor projecten of campagnes in het kader van de uitvoering van de beleidsbrief Dierenwelzijn jaarlijks € 200.000 gereserveerd.

356 Met welk percentage wilt u het aantal impulsaankopen van gezelschapsdieren terugdringen?

Voor het beleid rondom impulsaankopen van gezelschapsdieren verwijs ik u naar mijn beleidsbrief Dierenwelzijn van 4 oktober jl.

357 Wanneer kan de Kamer de antwoorden op het schriftelijk overleg over de Positieflijst voor zoogdieren verwachten?

De antwoorden zijn 15 oktober jl. naar uw Kamer gestuurd.

358 Wanneer kan de Kamer de antwoorden op het schriftelijk overleg over dierenmishandeling verwachten?

Het voortouw voor de beantwoording van deze vragen liggen bij het ministerie van Veiligheid en Justitie. Ik zal uw vraag doorgeleiden.

359 Hoeveel geld wordt gereserveerd in 2014 en 2015 om het transport van dieren te verbeteren?

In het kader van het verbeteren welzijn slachtdieren in 2014 een bedrag begroot van € 240.000. Hierin wordt het transport van slachtdieren vanaf het primaire bedrijf naar het slachthuis in Nederland meegenomen. In 2014 wordt bezien of er aanvullende middelen benodigd zijn voor 2015.

360 Hoeveel budget is er gereserveerd voor de vermindering van ingrepen?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 144.

361 Welke criteria zijn er verbonden aan een maatschappelijk geaccepteerde fokkerij?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 349.

362 Welke condities moeten er volgens u verbeterd worden tijdens het transport en het doden van dieren?

363 Op welke wijze gaat u het verbeteren van het transport en het doden van dieren uitwerken?

Mijn inzet is vooral gericht op een goede naleving van de huidige regelgeving. Het naleven kan worden verbeterd door daar waar de normen onvoldoende duidelijk zijn beschreven, deze nader te specificeren. Inzake transport wil ik het risicogebaseerde toezicht op een dusdanige wijze inrichten dat de echte voorlopers ook werkelijk de vruchten kunnen plukken van hun voorloperschap en dat degenen die de grenzen van wat minimaal vereist wordt, opzoeken en overschrijden te maken krijgen met extra aandacht van de toezichthouder. Extra aandachtspunten zijn met name het transport van jonge dieren die nog melkvoeding krijgen en het transport van niet meer productieve dieren. De welzijnsregelgeving omtrent het doden van dieren biedt voldoende waarborgen om het doden op een zo diervriendelijk mogelijke wijze uit te voeren. In het kader van het project verbeteren welzijn slachtdieren wordt gewerkt aan het benoemen en uitwerken van kritische welzijnspunten tijdens het traject vanaf boerderij tot en met de slacht waarbij het mijn streven is het monitoren van deze welzijnspunten in de keten te laten indalen waarbij het naleven van best practices het uitgangspunt moet gaan worden. Daarnaast wordt er, zoals ik u in mijn brief van 2 juli 2013 (Kamerstuk 26 991, nr. 364) heb geschreven, onderzoek gedaan naar mogelijkheden om dieren die niet vervoerd mogen worden, op een welzijnsvriendelijke wijze door de houder op het primaire bedrijf te laten euthanaseren.

364 Hoeveel budget is verbonden aan het verbeteren van het diertransport en het doden van dieren?

In 2013 is er voor onderzoek op het gebied van transport en doden van productiedieren (inclusief verbeteren welzijn slachtdieren en convenant onbedwelmd slachten) € 905.000 beschikbaar. Voor onderzoek op het gebied van doden van productiedieren (inclusief verbeteren welzijn slachtdieren en convenant onbedwelmd slachten) is in 2014 € 585.000.

365 Hoeveel budget is er gereserveerd om de brandveiligheid in stallen te verbeteren?

Voor 2014 is € 40.000 gereserveerd. Dit maakt onderdeel uit van een totale reservering van € 160.000 gedurende de looptijd van het actieplan (2012–2016).

366 Op welke wijze gaat u het Welfare Quality-systeem praktijkrijp maken?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 340.

367 Welke andere welzijnsmonitors voor dierenwelzijn zijn van toepassing?

368 Welke initiatieven lopen er om ook voor andere diergroepen dan varkens, pluimvee en rundvee soortgelijke Welfare Quality-welzijnsmonitors te ontwikkelen?

Er is door sector en Wageningen UR gewerkt aan een welzijnsmonitor voor konijnen. Een lijst van potentiële welzijnsindicatoren is inmiddels opgesteld en gepubliceerd (Konijnen op koers).

In 2011 is een door de Europese Commissie gefinancierd vierjarig project gestart waarin specifiek gewerkt wordt aan welzijnsprotocollen voor andere diersoorten. Dit project («Animal Welfare Indicators» of AWIN) richt zich op schapen, geiten, kalkoenen, paarden en ezels. De verwachting is dat waarnemingsprotocollen niet voor het einde van het project gepubliceerd zullen worden.

In internationaal verband wordt er daarnaast gewerkt aan een welzijnsmonitor voor pelsdieren (WelFur), gebaseerd op het systeem van Welfare Quality. De protocollen voor WelFur zijn in mei 2013 door EFBA gepubliceerd. EFBA verwacht dat in 2015 alle aangesloten bedrijven aan de eisen zullen voldoen en gecertificeerd zullen zijn.

369 Voor welke van de genoemde doelstellingen wordt Welfare Quality in Nederland toegepast; Preventieve toetsing van nieuwe stal- en verzorgingssystemen, het laten onderbouwen van dierenwelzijnsclaims om onterechte claims tegen te gaan, gebruik bij modernisering van wetgeving, opname in programma’s voor kwaliteitsborging?

370 Zijn er nog andere doelstellingen waar Nederland het Welfare Quality Systeem wil gaan inzetten?

Er zijn verschillende mogelijkheden waarop Welfare Quality kan worden ingezet.

Als eerste zie ik Welfare Quality als een managementinstrument voor de veehouder om inzicht te krijgen in het niveau van dierenwelzijn op zijn bedrijf. Op basis daarvan kan hij gericht het welzijn verbeteren. Welfare Quality is ook bruikbaar voor de verwerkende industrie, catering en retail om claims op dierenwelzijn te ontwikkelen en te onderbouwen. Het kan daarbij gaan om etikettering van diervriendelijke producten maar ook om een «Business to Business» aanpak. Het is de verantwoordelijkheid van de marktpartijen om hun claims op dierenwelzijn te onderbouwen.

Daarnaast heeft de Europese Commissie in haar Strategie voor dierenwelzijn 2012–2015 aangegeven toe te willen naar «outcome-based animal welfare indicators», mogelijk op basis van Welfare Quality. De ervaringen opgedaan met Welfare Quality in Nederland kunnen hier mogelijk aan bijdragen.

De praktijkprojecten leveren de informatie die nodig is om te bepalen in hoeverre Welfare Quality op bovenstaande manieren kan worden ingezet

371 Wat gebeurt er momenteel concreet om de huidige protocollen van Welfare Quality voor varkens, vleeskalveren, melkrundvee, vleesrundvee, legkippen en vleeskuikens voor de praktijk hanteerbaar te maken en het gebruik in de praktijk te stimuleren?

Ik verwijs naar het antwoord op vraag 366.

372 Wat is het budget dat is begroot om Welfare Quality in de praktijk toepasbaar te maken?

Er is voor zes diersectoren (melkvee, vleeskalveren, vleeskuikens, varkens, legkippen en paarden) budget beschikbaar om Welfare Quality toepasbaar te maken; voor elke sector is € 667.000 gereserveerd. Het gaat om projecten met een looptijd tot drie jaar. Het bedrijfsleven kan initiatieven ontwikkelen om met medefinanciering van een derde van dit budget een project te starten voor een op bedrijfsniveau toepasbaar welzijnsprotocol, gebaseerd op Welfare Quality. Vanaf eind 2012 lopen er projecten voor melkvee, vleeskalveren en vleeskuikens.

373 Klopt het dat voor varkens nog geen soortgelijk Welfare Quality-project van de grond is gekomen, omdat de Land- en Tuinbouw Organisatie (LTO) en de Nederlandse Vakbond Varkenshouders (NVV) hier weinig of niets voor voelen?

In samenwerking met de varkensketen wordt bekeken hoe een dergelijk project tot stand kan komen. Het huidige protocol opgeleverd door Welfare Quality is niet zondermeer een op een toepasbaar voor de huidige Nederlandse situatie. Besproken wordt hoe een dergelijk project toch in Nederland uitgevoerd kan worden zonder teveel af te wijken van het protocol maar passend in de Nederlandse praktijk.

374 Welke initiatieven lopen er Europees en in andere EU-lidstaten voor verdere uitbouw van Welfare Quality en in hoeverre wordt hiermee samengewerkt of vindt afstemming van activiteiten plaats?

Internationaal bestaat het «Welfare Quality Network» (http://www.welfarequalitynetwork.net ), waar periodiek de ontwikkelingen in de verschillende landen uitgewisseld worden, en samenwerking gezocht wordt. De Nederlandse wetenschappers die betrokken zijn in de WQ projecten zijn deelnemer in dit netwerk. Gesteld kan worden dat Nederland voorop loopt in de implementatie van Welfare Quality in de praktijk.

375 Hoeveel dieren zijn er respectievelijk in 2011, 2012 en 2013 kwijtgeraakt in de I&R-databank?

Het I&R systeem voor de runderen dateert uit de begin jaren «90. Na forse inspanningen is het systeem nu nagenoeg sluitend en is de registratie goed op orde.

Het aantal runderen waarvan uiteindelijk niet meer is te achterhalen waar ze gebleven zijn bedroeg in 2011 183 runderen, in 2012 66 runderen. Voor 2013 zijn dat er tot op heden 1934. De ervaring leert dat het aantal over het lopende jaar nog fors zal afnemen.

De individuele registratie van schapen en geiten is sinds 2010 verplicht. Voor de jaren 2011 en 2012 zijn de volgende gegevens bekend: van de ruim 2 miljoen afgevoerde dieren zijn er circa 145.000 niet goed gemeld in het systeem. Voor 2012 betreft het ruim 1,9 miljoen dieren waarvan er ruim 210.000 niet goed zijn gemeld in het systeem. Voor 2013 zijn de cijfers nog niet beschikbaar. De verwachting is dat door de toename van het aantal dieren met de elektronische identificatie het aantal niet goed gemelde dieren zal afnemen.

376 Wat is het bedrag dat in 2012 en 2013 werd uitgegeven aan de bestrijding van dierziekten uitgewerkt naar ziekte?

In het jaarverslag van het Diergezondheidsfonds (DGF) wordt verantwoording afgelegd over de gerealiseerde uitgaven. In het jaarverslag over 2012 (Kamerstuk 33 605-F, nr. 1) staat voor zowel de bewakingsprogramma’s als voor de bestrijding van dierziekten een overzicht van de in 2012 gerealiseerde uitgaven uitgewerkt per dierziekte. Tot de overeengekomen plafondbedragen worden deze kosten gedragen door de sector.

De bestrijdingsuitgaven per dierziekte over 2013 zullen in het kader van het jaarverslag 2013 DGF worden opgeleverd.

377 Wat is het totale bedrag dat in 2013 wordt uitgetrokken voor de ontwikkeling, validatie, en implementatie van alternatieven voor dierproeven, onderverdeeld naar de verschillende posten?

378 Kunt u een uitsplitsing geven van de verschillende posten die betrekking hebben op dierproeven en de ontwikkeling, validatie en implementatie van alternatieven voor dierproeven en de verschillende projecten en bijbehorende doelstellingen nader toelichten?

Voor alternatieven voor dierproeven kan in 2014 het volgende budget worden aangewend:

  • in totaal € 698.000 voor het Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor Dierproeven»; dit bedrag is inclusief een bijdrage van OCW ad € 170.000 (trekkingsrecht, het geld staat op de begroting van VWS); Het NKCA is belast met de taken zoals die zijn opgenomen in het instellingsbesluit (Staatscourant 2009, nr. 11552 van 31 juli 2009).

  • € 347.000 voor RIVM-kennisvragen (trekkingsrecht, het geld staat op de begroting van VWS); Het onderzoek is gericht op het stimuleren van de ontwikkeling en toepassing van 3V alternatieven voor dierproeven en het bevorderen van de ketenprocessen. Het levert een bijdrage aan de versterking van de landelijke kennisinfrastructuur en internationale inbreng bij bijvoorbeeld herziening van testrichtlijnen die voor veiligheidstesten van chemische stoffen worden gebruikt.

  • voor het onderzoeksprogramma «Meer Kennis met Minder Dieren» van ZonMw (inclusief het voormalige ASAT): € 300.000; het doel van het programma is ontwikkeling van innovatieve 3V-alternatieven en toepassing van bestaande en nieuwe 3V-alternatieven.

  • intensiveringsmiddelen ten behoeve van het stimuleren van alternatieven en voor de uitvoering van activiteiten uit het Actieplan Dierproeven en alternatieven 2011–2021: € 677.000;

  • voor Intravacc (voorheen het Nederlands Vaccin Instituut/NVI): € 1.699.000 (trekkingsrecht, het geld staat op de begroting van VWS). Het budget wordt aangewend voor onderzoek naar 3V alternatieven voor vaccincontrole en onderzoek gericht op vermindering en verfijning.

In totaal betekent dit dat er in 2014 een bedrag van € 3.721.000 voor alternatieven voor dierproeven beschikbaar is.

379 Kunt u toelichten voor welke dierziekten Nederland een dierziektenvrije status heeft?

De genoemde indicator EU/OIE-dierziektevrijstatus refereert aan een aantal dierziekten waarvoor in het kader van het Diergezondheidsfonds (DGF) actieve bewakingsprogramma's worden uitgevoerd om de verleende erkenning «vrij van dierziekten» te behouden. Dit zijn Brucellose, Blauwtong (BT), boviene spongiforme encefalopathie (BSE), Klassieke varkenspest (KVP), Aviaire Influenza (AI) en mond- en klauwzeer (MKZ). Overigens geldt voor meerdere (bestrijdingsplichtige) dierziekten dat, zolang er geen uitbraak van die betreffende dierziekte wordt vastgesteld, een land ook als vrij van die dierziekte wordt beschouwd.

380 Kunt u aangeven welke dierziekten een groot risico, middel groot risico of een laag risico zijn?

Dierziekten zijn niet zo strikt in een dergelijke kwalificatie te vatten, hetgeen te maken heeft met de kans van optreden enerzijds en het effect anderzijds. Dierziekterisico’s worden vaak geduid aan de hand van de mate van verspreiding van de ziekte, de impact (gevolgen voor volks- en/of diergezondheid), de financiële consequenties en de mate waarin ze al dan niet door de veehouder zelf zijn te bestrijden. Deze criteria volgend kunnen de bestrijdingsplichtige dierziekten gezien worden als de dierziekten met de grootste risico’s.

381 Waarom heeft u geen ambitie om ook voor andere dierziekten een vrije status te verwerven?

Wereldwijd is slechts voor een beperkt aantal dierziekten sprake van een officiële vrijstatus op land- c.q. wereldniveau. Het streven naar een dierziektevrije status is niet voor alle dierziekten mogelijk (bijvoorbeeld omdat bepaalde kiemen in de omgeving kunnen overleven of het ontbreken van de juiste bestrijdingsinstrumenten) of gewenst (bijvoorbeeld door hoge kosten ten opzichte van de potentiële baten bij incidenteel voorkomende dierziekten met een beperkte schadelast).

Wanneer daar aanleiding toe is moeten nut en noodzaak van het streven naar een dierziektevrije status daarom per individuele dierziekte worden afgewogen.

382 Zijn er voorlichtingscampagnes gepland om de bevolking in regio’s met een hoge veedichtheid preventief voor te lichten over mogelijke zoönoseuitbraken?

Aangezien niet vooraf te voorspellen is of en zo ja waar mogelijk een uitbraak van een zoönose zal optreden zal, wanneer daar concreet aanleiding toe, gericht worden gecommuniceerd over risico’s die daaraan verbonden kunnen zijn. Voorlichting in algemene zin vindt onder andere plaats via bijvoorbeeld de website Overheid.nl of andere relevante media. Hierbij wordt nauw contact onderhouden met de humane gezondheidskolom. Ik ben me ervan bewust dat mensen zich zorgen maken over wat zoönoseuitbraak voor hen kan betekenen. Ik werk daarom samen met het ministerie van VWS aan een communicatiestrategie rondom zoönosen en antibioticaresitentie.

383 Op welke wijze gaat de voorlichting over diergezondheid en de preventie van dierziekten plaatsvinden?

Voorlichting vindt in algemene zin plaats via de media, de website Overheid.nl en/of websites van gerelateerde overheidsdiensten (NVWA) of gespecialiseerde instituten en/of diensten zoals het Centraal Veterinair Instituut (CVI), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en/of de GGD-en. Bij dierziekteuitbraken of het ontstaan van specifieke risico’s worden voorlichtings-bijeenkomsten georganiseerd of kunnen gerichte acties worden uitgezet in bepaalde regio’s of op bijvoorbeeld vliegvelden. Hierbij wordt nauw contact onderhouden met de humane gezondheidskolom.

384 Waarom ontvangt DLO 20 miljoen euro minder in 2014 ten opzichte van 2013, en worden taken of onderzoeken geschrapt? Zo ja, welke?

Het verschil tussen 2013 en 2014 wordt veroorzaakt door (oplopende) taakstellingen in 2014 (€ 7 miljoen) en in 2013 toegevoegde onderzoeksbudgetten (€ 13,8 miljoen). In 2013 is budget voor aanvullend onderzoek ten laste van andere begrotingsonderdelen toegevoegd. Om aan de taakstelling te voldoen worden geen taken of onderzoeken geschrapt, maar is er in 2014 binnen de DLO financiering minder ruimte voor nieuw onderzoek.

385 Kunt u een overzicht geven hoeveel geld er de afgelopen vier jaar besteed is aan het onderzoeksprogramma dierenwelzijn en hoeveel budget er voor de komende vier jaar begroot is?

Met het onderzoekprogramma dierwelzijn wordt het onderzoek aan gezelschapsdieren bedoeld. In de periode 2008–2012 is er aan dit onderzoeksprogramma in totaal € 1,7 miljoen besteed. Op dit moment worden de laatste onderzoeken van dit programma afgerond. Besloten is om niet een nieuw, meerjarig onderzoeksprogramma voor gezelschapsdieren in te richten, maar op basis van de beleidsbrief Dierenwelzijn, die op 4 oktober jl. (Kamerstuk 28 286, nr. 651) is verstuurd, onderzoek op maat uit te zetten.

386 Kunt u een overzicht geven van de onderzoeksbudgetten voor de topsector Agri & Food, sinds de instelling van deze topsector?

In de voortgangsrapportage bedrijvenbeleid (Kamerstuk 32 637, nr. 82) is een overzicht opgenomen van de onderzoeksbudgetten voor de topsector Agri & Food.

387 Wat zijn de onderzoeksbudgetten die de komende vier jaar voor de topsector Agri & Food begroot zijn?

Over de onderzoeksbudgetten voor de topsector Agri & Food worden afspraken gemaakt met de topsector in het innovatiecontract. Deze wordt elke twee jaar geactualiseerd. Op 2 oktober is het innovatiecontract voor de jaren 2014–2015 getekend. Het onderzoeksbudget voor 2016 en 2017 wordt vastgelegd in het geactualiseerde innovatiecontract voor de jaren 2016–2017. Deze zal in de loop van 2015 worden gesloten. Het innovatiecontract voor de jaren 2014–2015 is reeds naar uw Kamer gestuurd (Kamerstuk 32 637, nr. 82)

388 Wat is het aandeel voor de veehouderijsector in de begroting van de onderzoeksbudgetten voor de topsector Agri & Food?

389 Hoeveel van de onderzoeken die door de topsector Agri & Food in de afgelopen vier jaar zijn uitgevoerd, waren gericht op het dierenwelzijn in de veehouderij?

In de afgelopen twee jaar zijn er een aantal publiekprivate samenwerkingen gestart, die deels zijn gericht op dierenwelzijn. De belangrijkste hiervan zijn Duurzame Zuivelketen, Samenwerkende Varkensketen, Poultry4Food en Kleine Herkauwers. In bovenstaande PPS-en zetten overheid en bedrijfsleven gezamenlijk ongeveer € 3 miljoen in voor onderzoek naar dierenwelzijn.

390 Welke onderzoeken op het gebied van diergezondheid staan gepland voor 2014?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 19 bij het Diergezondheidsfonds.

391 Door wie worden de onderzoeken op het gebied van diergezondheid uitgevoerd?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 19 bij het Diergezondheidsfonds.

392 Wanneer verwacht u dat het onderzoek over de relatie tussen de volksgezondheid en de intensieve veehouderij is afgerond?

Het lopende onderzoek over de relatie tussen volksgezondheid en intensieve veehouderij, nu genoemd «Veehouderij en Gezondheid Omwonenden», heeft een geplande looptijd t/m 2015.

393 Wanneer verwacht u dat het onderzoek over het waarborgen van voedselveiligheid en diergezondheid is afgerond?

Onderzoek ten behoeve van het waarborgen van voedselveiligheid en diergezondheid is een doorlopende activiteit waaraan EZ op vele manieren bijdragen levert. Er zijn op wettelijke maatregelen gebaseerde onderzoeksactiviteiten. Dit betreft onder andere monsteranalyse, methodenontwikkeling, beleidsadviezen om nieuwe voedingsgerelateerde gevaren te beheersen of risico’s van nieuwe opkomende dierziekten in te schatten. Deze zijn samengebracht in de wettelijke onderzoekstaken (WOT) Voedselveiligheid respectievelijk Besmettelijke dierziekten. Naast de wettelijke onderzoekstaken, draagt de kennisontwikkeling via het topsectorenbeleid en het beleidsondersteunend onderzoek bij aan het waarborgen van de voedselveiligheid en diergezondheid.

394 Wanneer verwacht u dat het onderzoek over voedselzekerheid is afgerond?

395 Door welke organisatie wordt het onderzoek over voedselzekerheid uitgevoerd?

Het onderzoek naar voedselzekerheid wordt uitgevoerd door DLO en de Stichting Onderzoek Wereldvoedselvoorziening van de Vrije Universiteit Amsterdam (SOW-VU). Voor elk jaar wordt een werkplan geschreven en een rapportage opgeleverd.

396 Welke dierenwelzijnscriteria zijn meegenomen in de definitie duurzame voedselsystemen?

In de Agenda Verduurzaming Voedsel, die ik als bijlage bij de beleidsbrief van 11 juli jl. aan uw Kamer heb gestuurd, definieert de Alliantie Verduurzaming Voedsel verduurzaming als volgt: «de continue inspanningen van ondernemingen actief in de productie, verwerking, distributie, bereiding en verstrekking van voedsel, gericht op het doorvoeren van verbeteringen in het productieproces van voedsel, op het terrein van het verminderen van milieubelasting en afval, vergroten van dierenwelzijn en verbeteren van arbeidsomstandigheden, binnen een economisch haalbare context.» In 2014 wordt het te realiseren duurzaamheidsniveau voor alle branches en ketens gezamenlijk geformuleerd. Dierenwelzijn zal hier onderdeel van uit maken. Verder presenteert de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij later dit jaar 15 breed gedragen doelen voor een duurzame veehouderij. Ook hierin zal het thema dierenwelzijn worden meegenomen.

397 Wat is het totale bedrag dat in 2014 wordt uitgetrokken voor het nieuwe onderzoeksprogramma voor de ontwikkeling en uitvoering van alternatieven voor dierproeven opvolgend aan het programma «Meer Kennis met Minder Dieren» en waar in de begroting is dit opgenomen?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 377.

398 Hoe is het budget voor apurement opgesteld voor 2014 en is het budget afgelopen jaren volledig benut?

Het budget voor 2014 is gebaseerd op afspraken die in 2010 en 2011 zijn gemaakt over het beschikbare budget voor apurement. Het kabinet heeft toen besloten dat het ministerie van Economische Zaken vanaf 2010 zelf verantwoordelijk is voor het opvangen van tegenvallers als gevolg van opgelegde correcties door de Europese Commissie.

Het budget voor apurement is daarom destijds verhoogd met een reeks van € 27 miljoen in 2010, € 20 miljoen in 2011, € 15 miljoen in 2012, € 10 miljoen in 2013 en structureel € 5 miljoen vanaf 2014. Daarnaast is er in 2011 een begrotingsreserve gevormd van € 170 miljoen. De uitgaven voor apurement bedroegen in 2010 € 26,4 miljoen, in 2011 € 52 miljoen en € 20,5 miljoen in 2012.

399 Welke acties worden in 2014 genomen vanuit de topsectoren om agrokennis en innovatie in transitielanden te promoten en zijn er al uitvoeringsprogramma's van start?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 145.

400 Kunt u toelichten hoe het komt dat Nederland de afgelopen periode geconfronteerd is geweest met besluiten van de Europese Commissie over ingediende declaraties bij Europese Fondsen die tot gevolg hebben dat bedragen moeten worden terugbetaald en welke concrete maatregelen heeft u genomen om dit in de toekomst te voorkomen?

Financiële correcties zijn veelal het gevolg van achteraf niet door de Europese Commissie geaccepteerde interpretaties van begrippen in voor de uitvoering complexe Europese subsidieregelgeving.

De concrete maatregelen ter voorkoming van toekomstige financiële correcties betreffen:

  • Het tijdig voorleggen van interpretaties van begrippen in Europese subsidieregelgeving aan de Europese Commissie;

  • Het actief via werkgroepen meewerken aan vereenvoudigen van Europese regelgeving en het gebruik van eenduidige definities van begrippen in Europese subsidieregelgeving.

401 Op grond waarvan gaat het bedrag gereserveerd voor apurement gaat naar beneden?

Onttrekkingen van de begrotingsreserve (apurement) vinden plaats op basis van door de Europese Commissie aan Nederland opgelegde financiële correcties. Betaalde correcties worden toegelicht in suppletoire begrotingswetten. De in de meerjarenbegroting opgenomen verlaging van de middelen voor apurement zijn gebaseerd op de aanname dat de getroffen maatregelen ten aanzien van de versterking van de EU-conformiteit effect sorteren en dat dus op termijn de correcties lager worden.

402 Kunt u toelichten waarom het budget voor de Opdrachten voor het borgen voedselzekerheid en duurzame voedselsystemen zoveel afneemt de komen de jaren en welke gevolgen deze bezuiniging heeft?

In 2011 is het specifieke budget voor het borgen van voedselzekerheid ingesteld. De reden hiervoor was dat Nederland bij uitstek een bijdrage kan leveren aan landbouwontwikkeling en voedselzekerheid in de wereld. Door de intensivering van de laatste twee jaar kon een aanzienlijke impuls worden gegeven aan de uitvoering van het beleid, zoals de samenwerking rond climate smart agriculture met de Clinton Foundation, maar ook activiteiten op het gebied van Integrated Pest Management, oceanen en duurzame veehouderij.

Voor de voortzetting van deze activiteiten en het opstarten van nieuwe projecten is vanaf 2014 een constant budget voorzien van € 1,8 miljoen. Voor de vele activiteiten die het ministerie van Economische Zaken samen met de topsectoren doet, gericht op het verhogen van de voedselzekerheid, wordt het algemene internationale bedrijfsleveninstrumentarium gebruikt.

403 Kunt u aangeven hoeveel het productschap Vee, Vlees en Eieren, het productschap Zuivel en het productschap Diervoeder de afgelopen vier jaar aan onderzoek hebben bijgedragen en hoeveel daarbinnen voor dierenwelzijnsonderzoek bestemd was?

De afgelopen vier jaar hebben de genoemde productschappen gezamenlijk tussen de € 15 en € 20 miljoen per jaar aan onderzoek bijgedragen. Hiervan werd tussen de € 1,5 en € 3 miljoen per jaar besteed aan onderzoek naar dierenwelzijn.

404 Hoeveel trekt de overheid de komende vier jaar uit voor het verzorgen casu quo ondersteunen van voorlichting aan bedrijfsleven en publiek over verduurzaming van de voedselketen?

Op dit moment is nog niet bekend hoeveel geld de komende vier jaar specifiek in de voorlichting aan bedrijfsleven en publiek over verduurzaming wordt gestoken. Dit wordt nog nader ingevuld. In ieder geval ontvangt het Voedingscentrum Nederland een reguliere subsidie voor de communicatie richting consumenten over voedselkwaliteit. Deze subsidie bedraagt in 2014 € 1,2 miljoen.

405 Verwacht u dat 32 miljoen euro structureel voor financiering van de opheffing van PBO's voldoende is, en kunt u aangeven hoe u deze middelen gaat inzetten en hoe eventuele tekorten gefinancierd worden?

Ik verwijs u naar het antwoord op de vragen 195 en 213.

406 Kunt u aangeven of alle huidige landbouwraden in 2014 van kracht blijven en wat de landbouwraden de afgelopen jaren opgeleverd hebben voor de agrosector en wat de ambities zijn voor komend jaar?

Landbouwattachés/raden blijven een belangrijke rol vervullen bij de realisatie van de doelstellingen van het beleid van het Kabinet op het gebied van landbouw, agribusiness, voedselzekerheid en handel, zoals in het antwoord op vraag 408 wordt toegelicht. Als onderdeel van de totale Nederlandse vertegenwoordiging buitenland wordt ook voor de landbouwattachés/raden ingezet op het verder vergroten van de efficiency en het leveren van een bijdrage aan de financiële taakstelling op het gehele postennet. De verdeling van de presentie en accreditatie over partnerlanden zal daarin worden betrokken. Dienstverlening aan Nederlandse bedrijven en andere betrokkenen in de agrosector blijft centraal staan.

407 Welk bedrag is gereserveerd voor de landbouwraden en hoeveel fte’s zijn hierbij betrokken?

Voor de landbouwvertegenwoordiging op de Nederlandse ambassades in het buitenland is in de HGIS een budget gealloceerd van € 15 miljoen. Dit budget betreft personele en materiële kosten. In totaal zijn 32 landbouwattachés/raden en lokale ondersteuning op de bilaterale posten actief.

408 Kunt u toelichten hoeveel van de tijd, die landbouwraden en landbouwattachés tot hun beschikking hebben, wordt besteed aan het adviseren van bedrijven, en hoeveel geld dit de belastingbetaler kost?

Het werkpakket van landbouwattachés/raden omvat een combinatie van geïntegreerde taakvelden, waarvan de balans verschilt afhankelijk van het werkgebied waar hij/zij is geaccrediteerd. Landbouwattachés/raden onderhouden contacten met autoriteiten in hun werkgebied, gericht op het uitwisselen van informatie over de verdere ontwikkeling en uitvoering van beleid op het gebied van, of gerelateerd aan, landbouw, visserij, agribusiness, voedselzekerheid en natuurbeheer. Ze hebben een centrale rol in het bevorderen van een optimale uitvoering van beleid en regelgeving gericht op wederzijdse markttoegang van agrarische producten, in het bijzonder regelgeving inzake fytosanitaire en veterinaire aspecten, en voedselveiligheid.

In een aantal landen onderhoudt EZ ten behoeve van een effectieve bilaterale samenwerking reguliere landbouwwerkgroepen met counterpart ministeries, waarbij de landbouwattaché/raad de coördinatie heeft aan Nederlandse zijde. Verder beschikt de landbouwattaché/raad over een goed inzicht in de lokale situatie en onderhoudt hij/zij een netwerk van contacten in de landen van accreditatie. Op basis daarvan bevordert de landbouwattaché/raad mogelijkheden voor economische samenwerking tussen lokale bedrijven en de Nederlandse agribusiness, in veel gevallen in partnerschappen met Nederlandse en lokale kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties.

Landbouwattachés/raden in opkomende markten buiten Europa leggen een extra accent in de ondersteuning van de Nederlandse agribusiness en de realisatie van de internationaliseringsagenda’s van de topsectoren Agri & Food en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen.

Juist in deze opkomende markten is economische diplomatie op agro vlak van groot belang voor de dienstverlening aan Nederlandse bedrijven en andere betrokkenen in de agrosector. Landbouwattachés/raden spelen hierin belangrijke rol.

409 Wat zijn de kosten van de permanente staf in Brussel van dit ministerie?

De totale loonkosten inclusief buitenlandtoelage en inclusief werkgeverslasten op basis van de feitelijke bezetting gedurende 2013 is circa € 1,3 miljoen.

410 Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn van de bezuinigingen op groen onderwijs en of deze instellingen voldoende in staat zijn om deze bezuinigingen op te vangen?

Vanaf 2016 zal het Groen onderwijs te maken krijgen met een specifieke bezuiniging, namelijk het vervallen van de zgn. groene onderwijsvernieuwingssubsidies (€ 55 miljoen). Deze subsidies zijn verbonden aan een aantal onderscheidende kenmerken van het groene kennissysteem: het versterken van de verspreiding van kennis die bij WUR wordt ontwikkeld, het bevorderen van innovatie bij bedrijven, het collectief inhoud geven aan onderwijsvernieuwing en praktijkleren (oefenen in gesimuleerde praktijksituaties) binnen het Groen onderwijs. Het toekomstig effect van de bezuiniging op de individuele instellingen laat zich moeilijk inschatten.

411 Het is lastig om groen onderwijs aantrekkelijk te maken en te houden voor studenten, hoe wordt voorkomen dat de bezuinigingen op het groene onderwijs hier nog verder ten koste van gaan?

De aantrekkelijkheid van het Groen onderwijs ligt in een actueel en praktijkgericht onderwijsaanbod en een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Dit is een gezamenlijke opdracht van de onderwijsinstellingen en het bedrijfsleven. Het is van belang dat onderwijs en het bedrijfsleven alternatieve organisatievormen en aanvullende financieringsbronnen weten te realiseren. In de jaren 2014 en 2015 ondersteun ik de instellingen om deze omslag te maken.

412 Kunt u toelichten welke uitgaven vallen onder de post Educatie, onder Subsidies?

Het betreft subsidies ten behoeve van samenwerkingsovereenkomsten met organisaties (maatschappelijke organisaties, andere overheden, bedrijven) die educatieactiviteiten organiseren binnen het Kennisprogramma «Duurzaam Door, sociale innovatie voor een groene economie». Dit kennisprogramma is u in juni reeds toegezonden via de Kamerbrief Natuur- en milieueducatie (Kamerstuk 20 487, nr. 41).

413 Hoe verklaart u de grote schommelingen tussen de verschillende jaren bij de post Educatie?

De schommelingen tussen de verschillende jaren heeft twee oorzaken. Ten eerste is de uitkeringssystematiek gewijzigd. Tot 2012 werden meerjarige verplichtingen aangegaan. Per 2012 wordt een groot deel van het budget jaarlijks toegekend via de Verzameluitkering Binnenlandse Zaken.

Ten tweede staan de budgetten voor Duurzaam Door op andere begrotingsonderdelen dan de begrotingspost educatie. De uitgaven voor programma- en procesmanagement, inhoudelijke deskundigheid en netwerkbeheer zijn opgenomen onder de begrotingspost Bijdragen aan agentschappen.

414 Kunt u aangeven waarom de doorstroom van leerlingen niet vlot?

Nee, daar heb ik geen inzicht in. De cijfers in het kengetal Doorstroom MBO-BOL-4 naar hoger onderwijs zijn gebaseerd op het Schoolverlaters Informatie Systeem van het ROA. Dit is een enquête, gebaseerd op een steekproef van 25% van de (gediplomeerde) uitstroom van het groen MBO. De enquête vindt 10 maanden na uitstroom plaats. De respons is 18% (2012). Er wordt in dit onderzoek echter niet gevraagd naar de onderliggende oorzaken van de doorstroom.

415 Kunt u toelichten hoe en waar het budget van vier miljoen euro voor het programma Duurzaam Door verantwoord is in de begroting en kunt u hiervan een uitsplitsing geven?

Het toegezegd budgettair kader voor het programma Duurzaam Door bedraagt € 4 miljoen per jaar vanaf 2014 tot en met 2016 (Kamerstuk 20 487, nr. 41). De EZ-bijdrage in 2014 aan dit programma bedraagt € 3,5 miljoen per jaar, waarvan € 1,5 miljoen is opgenomen als onderdeel Bijdragen aan agentschappen, € 1,5 miljoen op het onderdeel Educatie staat en het resterend deel van € 0,5 miljoen staat op artikel 18.3 als onderdeel van Burgereducatie. Het resterend deel, namelijk € 0,5 miljoen per jaar, is afkomstig uit bijdragen van andere departementen. Deze bijdragen zijn nog niet budgettair verwerkt op de EZ begroting.

416 Wat zijn de bestedingen aan natuur geweest sinds 1990 tot en met 2013 door de Rijksoverheid?

Ik verwijs u naar Kamerstukken 30 825, nr. 2, 31588, nr. 3, 33 400 XIII, nr. 36 (antwoorden op de vragen 362 t/m 364) en 30 825, nr. 188.

Daarnaast hebben ook provincies, de Europese Unie en derden zoals terreinbeherende organisaties bijgedragen aan het natuurbeleid.

417 Binnen welke beleidsartikelen is sinds 1990 geld besteed aan natuur, om welke totaalbedragen ging dat en hoe zijn deze gelden nu verdeeld over de huidige begrotingsartikelen?

Ik verwijs u ook naar het antwoord op vraag 416. Voorheen werd geld besteed aan natuur op beleidsartikel 23 van de toenmalige LNV-begroting, en momenteel op beleidsartikel 18 van de EZ-begroting. Inmiddels zijn/worden de provincies verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeleid en bestedingen hiertoe.

418 Welke beleidsdoelen lagen ten grondslag aan de diverse uitgaven?

Aan de uitgaven in bovenstaande tabel (zie het antwoord op vraag 416) lagen als doelstelling ten grondslag de verwerving, inrichting en beheer van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) inclusief het realiseren van gunstige milieuomstandigheden, soortenbeleid en leefgebieden en agrarisch natuurbeheer. Deze maatregelen hebben als achterliggende doelstelling de bescherming van de nationale en internationale biodiversiteit.

419 Hoeveel van de natuurgelden van de Rijksoverheid gaat er naar verwerving, respectievelijk inrichting, respectievelijk natuurbeheer en welke verschuivingen zijn er in de afgelopen tien jaar in deze verdeling opgetreden?

De provincies gaan over de ontwikkeling en het beheer van het robuuste Natuurnetwerk Nederland en dus ook over de inzet van middelen voor verwerving, inrichting en beheer. Over de ontwikkeling van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in termen van verwerving inrichting en beheer, informeer ik u jaarlijks aan de hand van de voortgangsrapportage over het Groot Project EHS. In algemene zin is er de afgelopen 10 jaar relatief meer areaal verworven dan er is ingericht en toegevoegd aan het beheer. Deze grondvoorraad wordt door provincies benut voor ontwikkeling van het robuuste natuurnetwerk Nederland.

420 Welke beleidsevaluaties zijn er vanaf 1995 gedaan naar de effectiviteit en doelmatigheid van de bestedingen voor natuur en wat waren daaruit de voornaamste conclusies?

Sinds 1995 zijn vele beleidsevaluaties uitgevoerd. Een aantal recente brede evaluaties op het terrein van natuur zijn onder andere de Mid-term review ILG (2011, Kamerstuk 29 717, nr. 7), het Interdepartementale Beleidsonderzoek (IBO) Natuur (2010, Kamerstuk 31 588, nr. 3), de evaluatie van het Beleidsprogramma «Biodiversiteit werkt» (5 juli 2012, Kamerstuk 26 407, nr. 63), en meer recent de kwalitatieve evaluatie van het Investeringsbudget Landelijk gebied (ILG) uitgevoerd door Alterra (januari 2013; Kamerstuk 30 825, nr. 188). Het IBO natuur van 2010 is uitgevoerd als «beleidsdoorlichting». Een beleidsdoorlichting is een syntheseonderzoek naar zowel de doeltreffendheid als doelmatigheid van een geheel beleidsartikel. Hierin worden dus ook de resultaten van eerder uitgevoerde specifieke 'beleidsevaluaties» meegenomen.

Voornaamste conclusies:

De beide ILG-evaluaties hadden een bredere scope dan alleen natuur. Belangrijkste conclusies met betrekking tot de besteding voor natuur uit de Mid-term review «ILG in uitvoering» (MTR) zijn dat de provincies het gebiedsproces voortvarend oppakken, maar dat het tempo van de realisatie nog achterloopt, met name bij het inrichten van de natuurgebieden en het realiseren van de goede milieuomstandigheden.

De Mid-term review benoemde enkele systeemknelpunten over voortgang en verantwoording die samenhingen met het hybride karakter van het ILG. Die systeemknelpunten waren mede aanleiding om het ILG tussentijds te beëindigen. In de kwalitatieve evaluatie van het ILG door Alterra kwam dit punt ook terug. Alterra concludeerde dat de resultaatgerichtheid zich ontwikkelde tot een prestatiegerichtheid wat de ruimte voor creatieve oplossingen en een gezamenlijk leerproces belemmerde. In het rapport IBO natuur wordt geconcludeerd dat het natuurbeleid uitgaat van een overtuigend concept (i.c. de EHS) maar dat er ruimte is voor verbeteringen. Die verbeteringen hadden betrekking op: meer rekening houden met de dynamiek van de natuur en de vormgeving van de EHS daarop inrichten en voorkómen dat praktische problemen bij de uitvoering van beleid kunnen leiden tot verlies aan maatschappelijk draagvlak.

De afspraken die ik nu in het Natuurpact met de provincies heb gemaakt, richten zich daarom ook meer op 1. maatschappelijke verankering van het natuurbeleid, 2. lange termijn ambities en doelen 3. heldere verantwoordelijkheidsverdeling en 4. het gezamenlijk lerend evalueren van het gevoerde beleid.

Belangrijke conclusie van de evaluatie van het beleidsprogramma «Biodiversiteit werkt» betrof enerzijds de constatering dat circa 90% van de voorgenomen acties in gang was gezet en anderzijds dat het interdepartementale karakter van het programma onvoldoende meerwaarde had.

Deze conclusie heeft geleid tot een nieuwe meer pragmatische uitvoeringsgerichte aanpak, de Uitvoeringsagenda Natuurlijk Kapitaal, die ik op 22 juni 2013 (Kamerstuk 26 407, nr. 85) aan uw Kamer heb gestuurd.

421 Zijn de «internationale afspraken» op deze pagina dezelfde als de «internationale verplichtingen» op pagina 15? Zo ja, waarom worden ze eerst verplichtingen en later afspraken genoemd? Zo nee, wat zijn de verschillen?

Met de internationale afspraken op pagina 117 van de begroting worden alle afspraken bedoeld waar Nederland als verdragstaat mee heeft ingestemd. In de beantwoording van Kamervragen naar aanleiding van Groot Project EHS op 23 mei 2013 (Kamerstuk 30 825, nr. 192) heb ik u geïnformeerd over de belangrijkste verdragen op het gebied van natuur en biodiversiteit. Een deel van deze afspraken heeft een verplichtend karakter en zijn omgezet in nationale wetgeving. Het betreft dan vooral verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De verplichtingen op pagina 15 van de begroting hebben hierop betrekking en zijn leidend voor het Natuurpact (Kamerstuk 33 576, nr. 6).

422 Waarom zit er een verschil in de tekst over de ambitie betreffende EHS in de begroting ten opzichte van het regeerakkoord, terwijl er wel naar het regeerakkoord verwezen wordt?

Er is geen sprake van verschil van ambitie. Het Natuurpact vormt een duidelijke «plus» bovenop de afspraken uit het Bestuursakkoord Natuur. De doorrekening van het PBL ondersteunt dit.

423 Staat u nog achter de ambitie, zoals door uw voorganger en de Minister-president is geformuleerd, dat de oorspronkelijke EHS gerealiseerd moet worden?

Het doel van de oorspronkelijke EHS is niet veranderd. Met de afspraken in het Natuurpact geef ik op een realistische wijze invulling aan dit doel in de periode 2011 tot en met 2027.

424 Hoe formuleert u het doel van de oorspronkelijke EHS, bijvoorbeeld in hectares?

De oorspronkelijke EHS had als doel om een coherent netwerk van aaneengesloten kwalitatief hoogwaardige, beschermde natuurgebieden te realiseren waarmee een wezenlijke bijdrage wordt geleverd aan het behoud en de versterking van de biodiversiteit (Eindrapportage van de werkgroep IBO natuur, interdepartementaal beleidsonderzoek 2008–2009, nr. 2). De beoogde omvang en ligging varieerden in de afgelopen jaren naar gelang beschikbare middelen, wetenschappelijke inzichten en maatschappelijk draagvlak; het doel is hetzelfde gebleven en wordt gerealiseerd met het Natuurnetwerk Nederland waarover ik in het Natuurpact met de provincies afspraken heb gemaakt.

425 Op basis van welke wetenschappelijke rapporten acht u het afronden van de oorspronkelijke EHS voldoende om de achteruitgang van biodiversiteit in 2020 in zijn geheel te stoppen en hoe verhoudt dit zich tot de conclusies van het Planbureau voor de Leefomgeving dat alleen de oorspronkelijk beoogde EHS en de Natura 2000-gebieden niet voldoende zijn om aan de internationale doelen te voldoen en de lange termijn doelen te behalen?

Met het Natuurpact zetten we een grote stap vooruit; het is een plus op het natuurbeleid. We zijn er daarmee echter nog niet. De opgave om alle bedreigde dieren en planten en habitats in een goede staat van instandhouding te krijgen vergt veel inspanningen op allerlei terrein. Dat doen we als overheden, maar ook de samenleving en het bedrijfsleven zal op dit gebied moeten bijdragen. Dit is een van de aandachtspunten van de natuurvisie die ik uw Kamer in 2014 voorleg.

Samen met inspanningen in andere sectoren en andere terreinen, zoals bijvoorbeeld opgenomen in de Uitvoeringsagenda Natuurlijk Kapitaal, werken we hier aan.

426 Welke stappen in decentralisatie van het natuurbeleid moeten nog worden gezet en wat is de planning voor 2014?

In het Natuurpact heb ik samen met provincies en maatschappelijke organisaties afspraken gemaakt over het natuurbeleid tot en met 2027. De bijbehorende middelen zijn in de septembercirculaire van het provinciefonds aangekondigd. Eind dit jaar zal ik u nader informeren over de opzet, de inhoud en het proces van de evaluatie.

Voor de formele beëindiging van de ILG-systematiek is het wetsvoorstel houdende wijziging van de Wet inrichting landelijk gebied (decentralisatie investeringbudget) bij de Eerste Kamer aanhangig (Kamerstukken 33 441). Het bij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel Natuurbescherming voorziet daarnaast in de decentralisatie van wettelijke taken en bevoegdheden op het vlak van natuurbescherming (Kamerstukken 33 348).

427 Hoeveel EFRO-gelden kunnen worden ontvangen in 2014, en hoeveel cofinanciering staat daar tegenover, en wat is de verdeling tussen Rijk en provincie met betrekking tot de cofinanciering?

De totale Nederlandse ontvangsten aan EFRO-gelden voor de nieuwe programmaperiode 2014–2020 zijn gebaseerd op de EU-meerjarenbegroting. De verwachting die de Europese Commissie uitspreekt in zijn brief d.d. 22 juli 2013 naar aanleiding van de politieke overeenstemming met het Europese Parlement over de meerjarenbegroting, is dat Nederland € 509 miljoen aan EFRO middelen zal ontvangen en € 389 miljoen voor EFRO-grensoverschrijdende samenwerking. De definitieve bedragen zijn bekend nadat het Europese Parlement en de Europese Raad dit najaar definitief hebben ingestemd met de juridische verordeningen die ten grondslag liggen aan de uitvoering van de EFRO-programma’s 2014–2020. Het bedrag dat Nederland aan EFRO gelden ontvangt in 2014 is gebaseerd op declaraties van projecten.

De EFRO-gelden die de Europese Commissie beschikbaar stelt voor de programma’s omvatten maximaal 50% van de totale kosten. Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, bedrijfsleven en kennisinstellingen leveren de resterende 50% aan nationale cofinanciering. De Commissie stelt geen eisen aan de verdeling tussen de verschillende cofinanciers die een bijdrage leveren aan de nationale cofinanciering. Het Rijk stelt € 91 miljoen (circa 20%) aan cofinanciering beschikbaar voor EFRO en € 49 miljoen (14%) voor de EFRO-grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma’s.

428 Welke invloed zal het doorschuiven van de intensiveringsmiddelen natuur hebben op de doelstellingen van de PAS, gezien het feit dat een deel van de intensiveringsmiddelen wordt besteed aan beheer en voor het verbeteren van de hydrologie van de PAS, en worden de doelen van de PAS nu in latere jaren bereikt?

In het Natuurpact zijn met provincies afspraken gemaakt over het beheer van Natura2000-gebieden, inclusief herstelbeheer en hydrologische maatregelen in het kader van de PAS. De voor de PAS voorziene maatregelen worden uitgevoerd in een periode van zes jaar. Het is aan provincies om deze maatregelen tijdig te realiseren met onder andere de intensiveringsmiddelen voor natuur.

429 Wanneer zal de Kamer de dit jaar toegezegde uitwerking van de tussentijdse natuur evaluatie in 2016 ontvangen (zie ook Kamerstuk 33 341, nr. 6, pagina 15)?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 50.

430 In hoeverre zal de driejaarlijkse natuurevaluatie gericht zijn op het behalen van nationale doelen en in hoeverre zal deze gericht zijn op het behalen van internationale doelen en in hoeverre zal deze gericht zijn op provinciale doelen?

De driejaarlijkse natuurevaluatie heeft primair betrekking op de ambities uit het Natuurpact. Die ambities zijn de gezamenlijke ambities van rijk en provincies en gericht op het behalen van internationale doelen.

431 Is de Bestuursovereenkomst Grond, waarnaar u in het Natuurpact verwijst, een nieuwe (recente) overeenkomst? Zo ja, bent u bereid deze overeenkomst naar de Kamer te sturen?

Ja, de bestuursovereenkomst grond betreft een nieuwe recente overeenkomst tussen de twaalf provincies en het ministerie van Economische Zaken. In de bijlage bij deze brief heb ik de overeenkomst bijgesloten.

432 Worden alle gronden buiten de EHS of het Robuust Natuurnetwerk Nederland verkocht?

De provincies krijgen de beschikking over het gehele BBL-oud bezit (18.643 ha per 1 januari 2011) en zij bepalen op welke wijze de gronden worden ingezet voor de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland. In de overeenkomst tussen de Manifestpartijen en provincies zijn daar afspraken over gemaakt.

De aanvankelijk geplande verkoop van gronden van Staatsbosbeheer buiten het Natuurnetwerk Nederland is vooralsnog opgeschort. Daarover heb ik u op 14 juni 2013, Kamerstuk 29 659, nr. 118, geïnformeerd.

433 Wat is de besteding van het Rijk aan beheer van natuur door private organisaties?

Zoals afgesproken in het Natuurpact draagt het Rijk financieel bij aan natuurbeheer. Het Rijk heeft echter geen inzicht in de verdeling van de subsidiebedragen door provincies over de begunstigden en het rijksaandeel van die bijdragen.

434 Wat voegt de nieuwe natuurvisie, die in het voorjaar van 2014 wordt verwacht, toe aan het natuurpact dat recentelijk is afgesloten, en zorgt de visievorming voor vertraging in de uitvoering van het natuurbeleid?

De natuurvisie die in 2014 verschijnt, schetst de lange termijnopgaven voor de volle breedte van het natuurbeleid. Het natuurpact is daar een cruciaal onderdeel van. De visie is er verder op gericht om de natuur een plek te geven middenin de samenleving. De visie zorgt niet voor vertraging in de uitvoering van het natuurbeleid.

435 Hoeveel financiering verwacht u van private partijen voor 2014 en hoeveel is nodig om het natuurbeleid te kunnen uitvoeren?

Een van de afspraken uit het Natuurpact is dat particuliere beheerders en natuurorganisaties in staat worden gesteld om de vastgestelde doelen voor het beheer van bestaande en ontwikkelde Natuurnetwerk Nederland efficiënt te bereiken. Gelijkberechtiging van private partijen is hierbij het uitgangspunt en moet nog in nader overleg tussen provincies en alle betrokken partijen worden uitgewerkt. In dit kader is ook afgesproken dat provincies en maatschappelijke partijen zich inspannen om in de gebiedsprocessen het budget dat jaarlijks beschikbaar is voor de ontwikkelopgave met 15% te verhogen.

436 Kunt u toelichten in hoeverre er een instrument bestaat om nieuwe soorten te meten?

Voor een groot aantal soortgroepen bestaan meetnetten die uitgevoerd worden in het kader van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM). Mocht een nieuwe soort ontdekt worden, waarvan het noodzakelijk is om deze te monitoren, dan kan dit via het NEM kader geregeld worden.

437 In het pakket van 6 miljard euro is afgesproken om de intensivering van natuur te temporiseren, kunt u aangeven hoe deze temporisering wordt aangepast aan de ambities op het gebied van natuur?

438 Zal aan alle internationale doelen en verplichtingen worden voldaan, nu een deel van de intensiveringsmiddelen natuur zijn doorgeschoven van 2014 en 2015 naar 2016 en 2017 en op welke wijze gaat u de Kamer over het behalen van de internationale doelen informeren, naast de online ingevulde formats (zie antwoord 1,6,7 en 8) in Kamerstuk 30 825, nr. 192)?

In de periode 2013 t/m 2017 wordt € 1 miljard extra geïnvesteerd in natuur en daarna wordt er € 200 miljoen per jaar extra geïnvesteerd. Daarmee is de financiering voor het natuurbeleid structureel geregeld. De verschuiving in kasritme zal mogelijk in 2014 en 2015 enig effect hebben op het uitvoeren van maatregelen op de korte termijn, maar de afgesproken ambities uit het Natuurpact en daarmee ook de bijdragen aan de internationale verplichtingen, blijven ongewijzigd. Zie voor het tweede deel van de vraag het antwoord op vraag 50.

439 Welke afwegingen liggen ten grondslag aan het besluit om een indicator voor de bijdrage van de natuur aan de economie in internationaal verband te berekenen?

Er zijn twee overwegingen geweest om niet zelf een indicator te gaan ontwikkelen: de eerste betreft de wens om de Nederlandse situatie goed te kunnen duiden door internationaal te vergelijken. Ten tweede moet de kwaliteit van de indicator gegarandeerd zijn.

Vergelijkbaarheid en kwaliteit zijn beiden geborgd door de internationaal erkende berekeningsmethodiek toe te passen die recent in VN verband is ontwikkeld.

440 Om welke redenen heeft u besloten om niet in Nederland een volledige inventarisatie te maken van de ecosysteemdiensten?

Een actie in de Uitvoeringsagenda Natuurlijk Kapitaal (Kamerstuk 26 407, nr. 85) is het bijeenbrengen van informatie in de Digitale Atlas Natuurlijk Kapitaal (DANK) over de staat van de ecosystemen en de diensten die deze (potentieel) leveren. Een eerste operationele versie zal conform planning eind 2014 worden opgeleverd en vooral gebaseerd zijn op reeds beschikbare informatie. Naar verwachting zal deze versie daarom inderdaad niet volledig zijn. Echter, in de periode tot 2020 zal de DANK op basis van de maatschappelijke vraag wel degelijk verder worden uitgebouwd tot een volledige, landsdekkende inventarisatie.

441 Waarom is besloten om de bestaande subsidierelatie met de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen te continueren tot en met 2016?

Sinds de start van het bedrijvenbeleid is aansluiting op het regionaal economisch beleid voor het kabinet een belangrijk aandachtspunt en vindt hierover voortdurend dialoog met de regio plaats. Ook in zijn recente briefadvies met eerste observaties uit de «Balans voor de Topsectoren» heeft de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) geadviseerd om in dialoog te treden met decentrale overheden en regionale clusterorganisaties over optimale afstemming voor ondersteunende activiteiten voor topsectoren.

De ROM’s hebben hun activiteiten toegespitst op de topsectorenaanpak. De reden voor het besluit om de bestaande subsidierelatie met de ROM’s te continueren, is dat zij een belangrijke schakel vormen in de door de AWT bepleite afstemming. Hun activiteiten liggen namelijk in het verlengde van de landsdekkende eerstelijns dienstverlening van de KvK’s en Syntens, en richten zich op advisering aan innovatieve koplopers, het leggen van de verbinding met de TKI’s, ontwikkeling van innovatieprojecten en daaruit voortvloeiende valorisatie-inspanningen.

442 Hoe wordt de € 100 miljoen vooruitschuiving op natuur ingeboekt en kunt u een overzicht geven per post waar deze bezuiniging voor 2014 wordt ingeboekt?

De middelen die ik inzet voor het natuurpact zijn opgenomen onder artikelonderdeel 18.3. bij het onderdeel «decentralisatie natuur» met een meerjaren reeks van € 100 mmiljoenln in 2014 en 2015, € 300 miljoen in 2016 en 2017 en structureel € 200 miljoen vanaf 2018.

Deze middelen zal ik bij voorjaarnota 2014 via het provinciefonds beschikbaar stellen aan de provincies.

443 Wordt de begroting van € 40 miljoen voor de verkoop van gronden voor 2014 gehaald, en is de begrote € 35 miljoen voor de verkoop van gronden in 2013 gehaald?

De begroting van € 40 miljoen voor de verkoop van gronden in 2014 wordt gehaald. Ik heb hierover onlangs afspraken gemaakt met de provincies. Ook de invulling van de verkooptaakstelling 2013 maakt onderdeel uit van afspraken met de provincies. Mocht de verkooptaakstelling niet volledig in 2013 worden gerealiseerd, dan zullen de provincies het restant alsnog realiseren in 2014.

444 Kunt u een overzicht geven van alle organisaties waaraan een bijdrage wordt verleend in het algemeen en in het bijzonder aan de organisaties voor het behouden van (inter)nationale biodiversiteit en versterken van onze natuur en kunt u per organisatie de doelstelling en de meerwaarde voor het Nederlandse natuurbeleid vermelden?

Algemene bijdragen aan internationale organisaties, die zich bezig houden met behoud van biodiversiteit, bestaan uit de jaarbijdragen voor het lidmaatschap van internationale verdragen (zie ook p. 127 van de begroting). Aan nationale organisaties worden geen algemene bijdragen verstrekt door het Rijk.

Het betreft contributies aan de volgende organisaties:

  • Verschillende VN-verdragen en VN-organisaties vanwege de mondiale samenwerking om (inter)nationale biodiversiteit te beschermen, in het bijzonder in die gevallen waarbij de instandhouding van soorten in Nederland afhankelijk is van situatie in het buitenland en vice versa, zoals bij migrerende soorten. Biodiversiteit is grensoverschrijdend en vergt internationale afspraken en samenwerking.

  • Bijdrage aan Wetlands International en is bijdrage aan de RAMSAR Convention on Wetlands vanwege internationale samenwerking om (inter)nationale wetlands te beschermen.

  • Bijdrage aan de International Whaling Convention vanwege bescherming van walvissen en het beheer van walvispopulaties.

  • Bijdrage aan het Netherlands Polair Programme vanwege bescherming van polair gebied en bijbehorende biodiversiteit.

  • Bijdrage aan International Union for the Conservation of Nature (IUCN) vanwege internationale samenwerking bij de bescherming van de mondiale biodiversiteit

445 Is het juridisch mogelijk om het tarief voor een jachtakte te verhogen?

De staatssecretaris van Economische Zaken stelt de tarieven voor het verlenen van een jachtakte bij ministeriële regeling vast. De huidige tarieven zijn te vinden in artikel 3 van de Jachtregeling. Voor de verkrijging van de jachtakte moeten drie bedragen worden voldaan. Ten eerste wordt een bedrag in rekening gebracht voor de kosten van de uitgifte van een akte. Het tarief van dit bedrag gaat uit van kostendekkendheid en kan in dat licht verhoogd of verlaagd worden. De andere twee tarieven betreffen een bijdrage in de kosten van onderzoek en voorlichting op het gebied van jacht, beheer en schadebestrijding en een bijdrage ten behoeve van het Faunafonds. Ik zie nu geen aanleiding om deze tarieven te verhogen.

446 Kunt u aangeven hoe de kosten van een jachtakte in Nederland zich verhouden tot andere Europese landen, waaronder in ieder geval Duitsland, België, Luxemburg en Frankrijk?

De kosten van een jachtakte in de ons omringende landen lopen uiteen. Ook de opbouw van kostenelementen waaruit een jachtakte samengesteld, zoals uiteengezet in mijn antwoord op vraag 445, loopt per land uiteen. Een integrale vergelijking is daarom niet te maken.

De kosten van een jachtakte in Nederland zijn € 85 per jaar. In Frankrijk bedragen de kosten € 30 voor een jachtakte die levenslang geldig is. In Noordrijn-Westfalen bedragen de kosten van een jachtakte € 65 voor een jaar, € 110 voor twee jaar en € 155 voor drie jaar. In België bedragen de kosten € 150 en € 223 per jaar voor respectievelijk Vlaanderen en Wallonië.

447 Kunt u een overzicht geven van de NSW-landgoederen die niet zijn opengesteld, met daarbij de redenen die daarvoor zijn opgegeven?

Van het totaal aantal NSW-landgoederen is 57% niet opengesteld. In oppervlakte betreft dit echter slechts 27% (circa 38.000 ha) van het totaal oppervlakte van alle landgoederen tezamen (circa 140.000 ha). De informatie over niet-opengestelde landgoederen betreft fiscaal vertrouwelijke informatie. De redenen om het landgoed niet open te stellen zijn niet bekend bij mij: de terreineigenaar wordt niet gevraagd naar redenen als hij zijn landgoed niet openstelt. Niet-openstelling is een legitieme optie binnen de NSW.

448 Hoeveel budget is beschikbaar voor natuurbeheer in 2014?

In het Natuurpact hebben Rijk en provincies afspraken gemaakt over de financiële dekking van de ontwikkelopgave natuur en over de inzet van BBL-bezit hierbij. De provincies zullen deze middelen en gronden inzetten voor de ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. U kunt dit vinden in hoofdstuk 4 van het natuurpact. Daarnaast heeft het kabinet extra middelen voor natuur vrijgemaakt. In 2014 is € 100 miljoen beschikbaar. De provincies bepalen welk deel van de beschikbare gronden en middelen in 2014 wordt ingezet voor verwerving, inrichting en beheer voor het Natuurnetwerk Nederland.

Specifiek voor beheer stelt het Rijk tevens, conform het bestuursakkoord natuur, jaarlijks € 105 miljoen beschikbaar; de bijdrage van de provincies bedraagt daarnaast € 65 miljoen Ingeschat wordt dat jaarlijks € 30 miljoen aan EU-cofinanciering voor agrarisch natuurbeheer wordt ontvangen.

449 Hoeveel budget is beschikbaar voor herstelmaatregelen in het kader van de PAS in 2014?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 18.

450 Hoeveel budget is beschikbaar voor inrichting van de EHS in 2014?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 448.

451 Hoeveel budget is beschikbaar voor agrarisch natuurbeheer in 2014?

Het definitief vaststellen van de hoeveelheid beschikbaar budget voor agrarisch natuurbeheer 2014 is onderdeel van de afspraken die met de provincies moeten worden gemaakt over de invulling en financiering van POP3. De afspraken uit het Natuurpact, waarover ik u heb geïnformeerd (Kamerstuk 33 576, nr. 6) zijn leidend voor de definitieve bedragen. Naast een nationale reservering van € 30 miljoen wordt ingeschat dat € 30 miljoen aan EU-cofinanciering voor agrarisch natuurbeheer wordt verkregen.

452 Hoeveel budget is beschikbaar voor aankoop van grond voor realisatie van de EHS in 2014?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 448.

453 Hoeveel budget is beschikbaar voor het project de Marker Wadden?

Natuurmonumenten stelt als initiatiefnemer € 15 miljoen beschikbaar. Ik heb, evenals de minister van Infrastructuur en Milieu, een bijdrage toegezegd van € 15 miljoen onder voorwaarde dat de uitvoering pas ter hand genomen mag worden op het moment dat Natuurmonumenten € 60 miljoen van de voor de eerste fase benodigde € 75 miljoen ter beschikking heeft.

454 Hoeveel budget is beschikbaar voor hydrologische maatregelen?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 18.

455 Welke inspanningen leveren verschillende sectoren (industrie, verkeer en landbouw) om ontwikkelingsruimte te creëren?

De dalende stikstofdepositie op basis van vaststaand nationaal en Europees beleid en de aanvullende landbouwmaatregelen die in het kader van de PAS zijn afgesproken en de uitvoering van herstelmaatregelen legitimeren de uitgifte van ontwikkelingsruimte. Met het vaststaande beleid daalt de stikstofdepositie naar verwachting de komende jaren gestaag verder, ook wanneer wordt uitgegaan van een economische groei van 2,5%. Dit komt doordat de meeste stikstofemitterende sectoren, zoals verkeer en landbouw steeds schoner worden. Zo zal op basis van het vaststaande beleid in het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit de NOx emissie van verkeer in de periode 2009–2020 afnemen met circa 40%. De ammoniakemissie van de landbouw zal in deze periode op basis van vaststaand beleid met circa 3% afnemen. Door de afgesproken aanvullende landbouwmaatregelen uit de PAS zal de uitstoot vanuit de landbouwsector met 10kton extra dalen. De ammoniakuitstoot vanuit de landbouw daalt hierbij in de periode 2009–2030 met circa 12%.

456 Hoeveel heeft het rekeninstrument Aerius inmiddels gekost, en wat is het percentage van de totaalkosten van de PAS?

Het rekeninstrument AERIUS, inclusief het register dat de vergunningverlening gaat ondersteunen, kost circa € 7 miljoen tot en met 2013. Gerelateerd aan de intensivering voor de PAS van het kabinet Rutte-I van € 120 miljoen is dit circa 5%.

457 Wanneer vindt er een evaluatie plaats van de afgesloten Green Deals, en worden de afspraken in de Green Deals nagekomen en de doelen behaald?

In 2012 is begonnen met het opzetten van een monitoringssysteem voor alle afgesloten Green Deals waarmee de voortgang van de deals wordt gevolgd. Op basis van actuele monitoringsinformatie over green deals wordt momenteel de laatste hand gelegd aan de voortgangsrapportage 2013 die begin november aan de Tweede Kamer zal worden toegestuurd. Daarin wordt, samen met de resultaten van een externe audit, meer in detail ingegaan op de voortgang van de deals en de behaalde resultaten.

458 Om welke redenen heeft u besloten om de financiering van de verlaging van de ammoniakemissie uit de landbouw uit de natuurbegroting te halen?

Het kabinet Rutte I heeft € 120 miljoen beschikbaar gesteld voor de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Deze middelen zijn toegevoegd aan artikel 18. Zoals aangegeven in mijn brief van 16 april 2013 (Kamerstuk 32 670, nr. 70) zet ik een deel van deze zgn. PAS-middelen in om regelingen open te stellen ter verduurzaming van de landbouwsector. Deze regelingen hebben als doel de kennis over ammoniakreducerende maatregelen te vergroten en innovatie te stimuleren. Deze regelingen vallen beleidsmatig onder de maatregelen die behoren bij artikel 16 van de EZ-begroting. Het benodigde budget voor de uitvoering is derhalve naar dit artikel overgeheveld. De mutaties hebben dus geen gevolgen voor de PAS-doelen aangezien middelen worden besteed ten behoeve van de PAS.

459 Is in het kader van de PAS overwogen om de sector voor de eigen vervuiling verantwoordelijk te houden?

Alle stikstofemitterende sectoren (landbouw, verkeer en industrie) zijn afgelopen decennia schoner geworden. In de komende decennia zal de uitstoot vanuit de landbouw en verkeer verder dalen. Aan het investeren in technieken om schoner te produceren zijn kosten verbonden. Door het terugdringen van stikstofemissies neemt ook de stikstofdepositie in natuurgebieden af. Het is deze daling van stikstofdepositie die de PAS mogelijk maakt. Een deel van deze vermindering leidt tot dalen van de achtergrondconcentratie van stikstof in Nederland. Het andere deel wordt ter beschikking gesteld in de vorm van ontwikkelruimte.

De stikstofemitterende sectoren profiteren van de PAS, maar hebben ook kosten gemaakt om de PAS mogelijk te maken. Op deze manier nemen de sectoren hun maatschappelijke verantwoordelijkheid om de stikstofoverbelasting van natuurgebieden te verminderen.

460 Is het waar dat de bijdrage van een hectare veehouderij 6.677 kg NH3/NOx wordt uitgestoten en slechts 0.03 fte werkgelegenheid oplevert, zoals beschreven door Ecorys en hoe heeft dat uw besluitvorming inzake de financiering van de PAS beïnvloed?

Volgens de gegevens van de emissieregistratie en het CBS wordt per hectare grasland 115 kg stikstof of 160 kg NH3/NOx uitgestoten. Dit levert 0,09 fte werkgelegenheid op. Deze gegevens heb ik niet betrokken in mijn besluitvorming over de financiering van de PAS. Het Ecorys rapport toont vooral aan dat de PAS relevant is voor de economische ontwikkeling en de daarmee samenhangende ontwikkeling van de werkgelegenheid. Ook daarom is het van belang in natuur te blijven investeren. Ik verwijs u ook naar het antwoord op vraag 459 voor de toelichting op mijn beleidsoverwegingen inzake de PAS.

461 Is het waar dat één fte in de veehouderij 222.567 kg NOx/NH3 uitstoot per jaar met zich meebrengt, tegenover 15 kg/ha/j voor een fte op een regulier bedrijventerrein en hoe heeft dat uw standpunt inzake de PAS beïnvloed?

Volgens de gegevens van de emissieregistratie brengt 1 fte werkgelegenheid in de veehouderij circa 1.500 kg stikstof of 2.100 kg NH3 /NOx met zich mee. Voor de industrie zijn de getallen erg afhankelijk van over welke industrietak het gaat. Afhankelijk van de bedrijfstak komt het neer op ongeveer 60 tot 400 kg NOx per fte per jaar. Voor de dienstensector geldt circa 0,16 kg NOx per m2 vloeroppervlak of 1.600 kg/ha/jaar. Deze gegevens hebben mijn standpunt inzake de PAS niet beïnvloed. Ik verwijs u ook naar het antwoord op vraag 459 voor de toelichting op mijn beleidsoverwegingen inzake de PAS.

462 Is het waar dat 99% van de vervuilingsruimte in de PAS zal worden benut door de veehouderij? Zo nee, wat is het juiste percentage en hoe heeft dat uw standpunt inzake de PAS beïnvloed?

Een van de doelstellingen van de PAS is ontwikkelingsruimte te bieden aan projecten in verschillende sectoren, waaronder agrarische bedrijven, industrie en infrastructuur. De mate waarin projecten uit de verschillende sectoren beroep doen op ontwikkelingsruimte verschilt sterk tussen de verschillende Natura 2000-gebieden. Dit heeft met name te maken met de ligging van de projecten ten opzichte van gevoelige habitattypen leefgebieden van soorten en met de kenmerken van de uitstoot. In veel gebieden zal naar verwachting een groot deel (gemiddeld circa 66%) van de ontwikkelingsruimte ingezet worden voor ontwikkelingen in de veehouderij. Daar staat tegenover dat in de veehouderij aanvullende maatregelen zullen worden genomen die leiden tot een vermindering van de uitstoot van stikstof van zo’n 10 kiloton per jaar. Slechts de helft van de daarmee gerealiseerde vermindering van de depositie op gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten wordt ingezet voor ontwikkelingsruimte. Daarmee levert de agrarische sector een belangrijke bijdrage aan het realiseren van de doelstellingen van de PAS.

463 Wat zijn de totale kosten van de PAS en over welke budgetten en jaren zijn die kosten verdeeld?

Voor de financiële opgave voor de PAS zie mijn beantwoording bij vraag 18. In het Natuurpact zijn met de provincies afspraken gemaakt over het beheer van Natura 2000-gebieden, inclusief (herstel)beheer en hydrologische maatregelen in het kader van de PAS. Het is aan provincies om deze maatregelen tijdig te realiseren en te voorzien van dekking. De intensiveringmiddelen vormen een bijdrage hiervoor.

464 Hoeveel hectare beheert de ZBOStaatsbosbeheer?

465 Hoeveel fte werkt er bij Staatsbosbeheer?

466 Hoeveel personeel werkt er bij Staatsbosbeheer?

468 Hoeveel gebouwen heeft Staatsbosbeheer?

473 Hoeveel commerciële activiteiten ontplooit Staatsbosbeheer jaarlijks?

475 Welke inkomsten worden door Staatsbosbeheer gegenereerd met commerciële activiteiten?

Eind 2012 had Staatsbosbeheer 261.487 hectare in beheer en 938 fte in dienst, verdeeld over 1000 personen. Staatsbosbeheer bezit circa 1.700 bouwwerken. Dit loopt uiteen van eenvoudige kampeervoorzieningen tot aan (rijks)monumenten. Staatsbosbeheer ontvangt circa 60% van zijn inkomsten uit bijdragen van overheden (Rijk en provincies). 40% van de inkomsten wordt gegenereerd uit marktactiviteiten. Voor meer informatie verwijs ik u naar de jaarstukken 2012 van Staatsbosbeheer. Deze jaarstukken zijn gepubliceerd op de website van Staatsbosbeheer, http://www.staatsbosbeheer.nl/Over%20Staatsbosbeheer/Jaarverslag%202012.aspx , en worden u tevens separaat toegezonden.

467 Hoeveel stagiaires lopen jaarlijks stage bij Staatsbosbeheer?

In 2012 waren bij Staatsbosbeheer acht stagiaires in het kader van het leerlingenstelsel Bos en natuurbeheer. Daarnaast voerden enkele tientallen studenten in het kader van hun studie een onderzoekopdracht uit bij Staatsbosbeheer en volgden circa 1000 scholieren een maatschappelijke stage.

469 Hoeveel waarde vertegenwoordigen de gebouwen van Staatsbosbeheer?

De gebouwen staan voor een bedrag van ruim € 53 miljoen op de balans.

470 Hoeveel bezoekers komen jaarlijks in door de Staatsbosbeheer beheerde gebieden?

Circa 150 miljoen bezoekers.

471 Hoeveel bezoekers komen jaarlijks in de educatiecentra van Staatsbosbeheer?

Staatsbosbeheer registreert in zijn Buitencentra jaarlijks circa 1,2 miljoen bezoeken. Dit is exclusief de bezoekerscentra waarin Staatsbosbeheer als een van de deelnemende partijen participeert, zoals EcoMare en Nationaal Park Zuid Kennemerland.

472 Hoeveel scholen en hoeveel leerlingen maken jaarlijks gebruik van de educatiemogelijkheden van Staatsbosbeheer?

Circa 650.000 kinderen maken gebruik van de mogelijkheden die Staatsbosbeheer in zijn gebieden biedt. Hiervan neemt ongeveer een kwart (162.000) deel aan begeleide educatieve activiteiten. De overige kinderen maken gebruik van de Speelbossen van Staatsbosbeheer of komen in de Staatsbosbeheergebieden onder begeleiding van derden, zoals scouting, het IVN, vereniging voor natuur- en milieueducatie en de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN). Het aantal scholen wordt niet geregistreerd.

474 Worden in alle educatieve centra commerciële activiteiten ontplooid of verschilt dit per centrum?

Alle activiteiten dragen bij aan het algemene doel voor Buitencentra: mens en natuur verbinden door diverse vormen van natuurbeleving (natuur voor iedereen). Een aantal onderdelen uit de formule van het Buitencentrum is op commerciële leest geschoeid: de winkel en horeca. Deze activiteiten moeten bijdragen aan de exploitatie van het gehele Buitencentrum. Vooral de winkel draagt bij.

476 Zijn er voldoende mogelijkheden in wet- en regelgeving om Staatsbosbeheer zelfstandiger en commerciëler te kunnen laten opereren?

Nadat de besluitvorming heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de rijksbrede doorlichting van alle zelfstandige bestuursorganen, zal ik uw Kamer een brief sturen over de positionering van Staatsbosbeheer mede in het licht van de wenselijkheid om meer eigen middelen te verwerven.

477 Hoeveel subsidie in het kader van landschap en natuur ontvangt de Drager van de Kroon in 2014?

481 Kunt u een volledige specificatie geven van de kosten voor het beheer van de Kroondomeinen en wat zijn de kosten per ha?

482 Welk deel van de kosten voor recreatief medegebruik van de Kroondomeinen worden gedekt uit de beheersvergoeding?

De Drager van de Kroon ontvangt subsidies in het kader van natuurbeheer en agrarisch natuurbeheer voor het Kroondomein, onder dezelfde voorwaarden als het provinciaal Subsidiestelsel Natuur en Landschapsbeheer. Deze bijdrage is voor 2014 geraamd op € 570.000. Dit budget is onderdeel van begrotingsartikel 18.3 en wordt toegelicht op pagina 127 en 128 van de begroting van het ministerie van Economische Zaken.

478 Hoe wordt de taakstelling op Staatsbosbeheer verdeeld?

479 Hoe verhoudt de taakstelling op Staatsbosbeheer zich tot de € 100 miljoen die Staatsbosbeheer nog boven het hoofd hangt?

480 Kunt u de redenen uiteen zetten waarom u verwacht dat deze taakstelling bovenop de al ingezette nog niet ingevulde taakstelling op Staatsbosbeheer gerealiseerd kan worden?

Het betreft een rijksbrede apparaattaakstelling uit het regeerakkoord voor zelfstandig bestuursorganen, vanaf 2016. Deze taakstelling is technisch verdeeld over de verschillende begrotingsartikelen, maar nog niet daadwerkelijk ingevuld. Het is dus ook nog niet duidelijk hoe deze taakstelling op Staatsbosbeheer van toepassing is. Deze nog in te vullen taakstelling staat los van de verkooptaakstelling grond van € 100 miljoen. Zoals u weet, werk ik samen met Staatsbosbeheer aan een alternatieve invulling van deze taakstelling van € 100 niljoen (Kamerstuk 29 659, nr. 118).

483 Kunt u aangeven hoeveel en op welke dieren er gejaagd wordt in de Kroondomeinen?

Er is sprake van één Kroondomein Het Loo, bestaande uit het eigenlijke Kroondomein, het Staatsdomein bij Het Loo afdeling Hoog Soeren en Paleispark Het Loo.

Op het Kroondomein vindt geen jacht plaats. Wel is sprake van afschot in het kader van populatiebeheer, op basis van het faunabeheerplan Kroondomein Het Loo.

484 Hoeveel nieuwe landgoederen zijn in 2013 onder de NSW-regeling beschikt?

In het jaar 2013 zijn tot 4 oktober 2013 139 nieuwe landgoederen onder de NSW als landgoed aangemerkt.

485 Kunt u aangeven welk deel van de onder de NSW-regeling beschikte landgoederen een waarde hebben van minimaal een miljoen euro?

Een NSW-eigenaar hoeft deze gegevens in het kader van de NSW niet te overleggen bij zijn NSW-aanvraag. Deze informatie is mij dus niet bekend.

486 Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van de gezamenlijke (van Rijk en provincies) monitoringssystematiek om de internationale natuurdoelen te meten, wanneer de Kamer deze ontvangt en of de passage op pagina 129 van de begroting betrekking op de toegezegde monitoring?

De monitoring als genoemd op blz. 129 van de begroting is onderdeel van de gezamenlijke systematiek Rijk-provincies. Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 50.

487 Wanneer kan de Kamer de eerder voor mei 2013 toegezegde monitoringssystematiek tegemoet zien?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 50.

488 Wordt de toegezegde monitoringssystematiek (van Rijk en provincie) zo ingericht dat ook de ontwikkeling van individuele habitattypen en soorten in individuele Natura 2000-gebieden ten opzichte van de begintoestand gevolgd kan worden (ten behoeve van onder meer het nemen van passende maatregelen en vergunningverlening)?

Ja, de gevraagde ontwikkeling wordt meegenomen.

489 In hoeverre zal de gezamenlijke monitoringssystematiek tussen Rijk en provincies gebruikt worden bij de in het Natuurpact afgesproken dierjaarlijkse evaluatie?

De gegevens die, volgend uit de gezamenlijke monitoringsystematiek, worden ingewonnen zullen door het Planbureau voor de Leefomgeving benut gaan worden voor de in het Natuurpact afgesproken driejaarlijkse evaluatie.

490 Zijn de »internationale rapportages» de rapportages voor de «internationale verplichtingen» van pagina 15 of de «internationale afspraken» van pagina 117? Zo nee, wat dan en waarom weer een andere term?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 421.

491 Kunt een volledig overzicht geven van de internationale afspraken/ verplichtingen waarover u rapportages maakt?

Dat overzicht kan ik u toezeggen. Ik zal u voor de komende begrotingsbehandeling het overzicht voor Nederland sturen.

492 Zijn de internationale verdragen weer dezelfde als de internationale afspraken, verplichtingen, rapportages van resp. pagina’s 15, 117 en 129? Zo nee, naar welke verdragen verwijst u?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 421.

493 Kunt u een compleet overzicht geven over alle voorraden grond in het bezit van DLG, ROVB en andere overheidsdiensten, en kunt u voorts een overzicht geven van alle gronden die worden ingezet voor het natuurbeleid, en kunt u tot slot een overzicht geven van alle gronden die verworven zijn, maar waarvan de realisatie geen doorgang zal vinden?

Binnen de verantwoordelijkheid van mijn departement zijn er twee organisaties die grond in bezit hebben: Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) en Staatsbosbeheer. BBL bezit per 31 december 2012 in totaal 35.523 hectare, waarvan 16.273 hectare gefinancierd door de provincies, 2.023 hectare gefinancierd door derden en dus 18.800 hectare gefinancierd door het Rijk.

Staatsbosbeheer bezit 261.487 hectare (per 31 december 2012).

In het Natuurpact heb ik afgesproken dat het aan de provincies is om het Natuurnetwerk Nederland nader uit te werken. In een afzonderlijke bestuursovereenkomst grond heb ik met de provincies nadere afspraken gemaakt over de inzet van gronden voor de ontwikkelopgave. Voor een antwoord op de vraag welke gronden worden ingezet verwijs ik naar hoofdstuk 4 van het natuurpact en de afzonderlijke bestuursovereenkomst grond.

494 Kunt u een overzicht geven van de verkochte gronden ten behoeve van de inkomenstaakstelling ZBO's?

Binnen mijn departement hebben Staatsbosbeheer en BBL een inkomenstaakstelling.

Bij Staatsbosbeheer zijn in de eerste tranche 34 hectare gronden verkocht bij Daarle. Ik heb in mijn brief aan uw Kamer (Kamerstuk 29 659, nr. 118) aangegeven goede mogelijkheden te zien voor een (deels) alternatieve invulling van deze taakstelling.

Voor de inkomenstaakstelling BBL is in 2011 € 15 miljoen gerealiseerd. Daarvoor zijn 385 hectare verkocht (aan terreinbeherende organisaties). Bovendien ben ik met de provincies overeengekomen dat zij 4.000 hectare grond van het Rijk overnemen. Met deze opbrengsten kan de BBL-taakstelling worden voldaan en een deel van de Staatsbosbeheer-taakstelling.

495 Kunt u voor ieder van de fiscale regelingen aangeven of het mogelijk is om deze per 1 januari 2014 volledig te beëindigen of te sluiten voor nieuwe gevallen zonder afbreuk te doen aan lopende juridische verplichtingen?

Deze regelingen zijn vastgelegd in fiscale wetgeving en zouden door wijziging van het Belastingplan 2014 kunnen worden beëindigd. Beëindiging van deze regelingen ligt echter niet in de rede, omdat daarmee een aantal beleidsprocessen zou worden geschaad. De afspraken die gemaakt zijn in het kader van het natuurpact zouden worden geraakt, vooral doordat de verwervingskosten van BBL hoger worden: de geformuleerde ambities van het natuurpact komen dan in gevaar. Verder zullen particulieren niet makkelijk meer meewerken aan grondruilen, die zowel nodig zijn om de afspraken uit het natuurpact te realiseren en als om structuurverbetering van bedrijven te realiseren. De vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer is een belangrijke schakel in het kabinetsvoornemen om «boeren en tuinders een fatsoenlijke beloning te geven voor hun bijdragen aan het cultuurlandschap en de natuur».

De vrijstelling bos- en natuurterreinen forfaitair rendement draagt ook bij aan het behalen van de internationale verplichtingen voor natuur.

496 Kunt u de apparaatsuitgaven of -kosten per agentschap/ZBO en Rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT) uitsplitsen naar aantal fte’s, extern inhuur, huisvestingslasten et cetera?

In de tabel op pagina 133 van de EZ-begroting zijn de totale apparaatsuitgaven/-kosten van de agentschappen, ZBO's en RWT's opgenomen. Voor agentschappen is een nadere uitsplitsing opgenomen in de desbetreffende agentschapsparagrafen van de begroting. Hieronder treft u de gevraagde aanvullende informatie aan waarbij ook het aantal fte's wordt vermeld:

Agentschappen:

Agentschap NL (AgNL)

  • Voor 2014 wordt het gemiddelde aantal fte geraamd op 1.361 (1.272 Ambtenaren en 89 inhuur).

  • De bijdrage aan SSO’s bedraagt € 25,1 miljoen. Hiervan heeft € 17,4 miljoen betrekking op de verwachtte omvang van producten en diensten van DICTU. De bijdragen aan de Rijksgebouwendienst en P-direkt bedragen respectievelijk € 7,3 en € 0,4 miljoen

Agentschap Telecom (AT)

  • De verwachte bezetting voor 2014 is 242,2 waarvan 230,1 fte ambtelijke personeel.

  • De bijdrage SSO’s van in totaal circa € 5,2 miljoen bestaat voor € 3,7 miljoen uit DICTU, € 0,2 miljoen P-Direkt, € 1,2 miljoen RGD en € 0,1 miljoen IUC.

Dienst ICT Uitvoering (DICTU)

  • De verwachte gemiddelde bezetting voor 2014 is 718 fte, waarvan 445 fte ambtelijk personeel.

  • De kosten voor de Shared Service Organisaties (SSO’s) hebben betrekking op huisvesting (€ 3,6 miljoen).

Dienst Landelijk Gebied (DLG)

  • De personele kosten voor 2014 zijn gebaseerd op een gemiddelde bezetting van 920 fte.

  • De kosten voor de Shared Service Organisaties (SSO’s) hebben betrekking op het beheer van ICT € 8,5 miljoen, de huurkosten voor huisvesting € 4,8 mln en het Personeelservice Center € 0,7 miljoen.

Dienst Regelingen (DR)

  • Bij de berekening van de personele kosten 2013 is uitgegaan van 945 fte aan ambtelijk personeel en daarbij een flexibele schil (uitzendkrachten) voor piekwerkzaamheden. De mate waarin DR een beroep doet op uitzendkrachten is afhankelijk van de opdracht die jaarlijks aan DR wordt verstrekt.

  • Verschillende diensten worden afgenomen via Shared Service Organisaties (SSO’s), namelijk: € 39 miljoen, bijdrage DICTU; € 7 miljoen, bijdrage aan Rijksgebouwendienst (huurkosten); € 0,3 miljoen, bijdrage P-direkt.

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

  • De verwachte gemiddelde bezetting voor 2014 is 2.230 fte, waarvan 2.181 fte ambtelijk personeel.

  • Voor Shared Service Organisaties (SSO) is € 28,5 miljoen aan kosten begroot. Dit betreft de bijdrage aan DICTU in het kader van ICT (€ 19,1 miljoen), huurkosten voor kantoorpanden en laboratoria aan de RGD (€ 7,5 miljoen), bijdragen aan P-direkt en Expertise Centrum P&O (€ 1,9 miljoen).

ZBO’s / RWT’s:

Voor ZBO's en RWT's zijn in de tabel op pagina 133 van de EZ-begroting de totale apparaatsuitgaven/-kosten opgenomen.

Dit hoeft niet bij alle ZBO's/RWT's overeen te komen met de bijdrage vanuit de EZ-begroting omdat sommige organisaties deels ook via in rekening te brengen tarieven dan wel privaat gefinancierd worden. De totale apparaatsuitgaven/-kosten voor 2013 zijn gebaseerd op de begrotingen van deze organisaties omdat bij het opstellen van de begroting 2014 de jaarverslagen nog niet beschikbaar zijn. Hieronder treft u de gevraagde uitsplitsing aan:

CBS

Bron:

Gemiddeld aantal fte in 2012: 1.875

(Bedragen x € 1.000)
 

2013

Personele lasten

138.212

Extern personeel

7.374

Huisvesting

13.930

Bureaukosten

5.487

Automatiseringskosten

6.366

Totaal reis- en verblijfskosten

4.306

Totaal advieskosten

3.440

Overige bedrijfslasten

4.681

   

Totaal

183.796

Stichting COVA

Bron: Begroting 2013 COVA

2 directieleden en 5 medewerkers waarvan in totaal 3 parttime

(Bedragen x € 1.000)
 

2013

Personeel

797

Huisvesting en afschrijvingen

101

Diensten en assurantie algemeen

271

Overige kosten

92

   

Totaal

1.261

VSL, inclusief Verispect

Bron: Jaarrekening VSL 2012 en Jaarverslag 2012 Verispect

Aantal medewerkers in 2012:

Verispect 48,2 fte

VSL gemiddeld 93,7 fte

(Bedragen x € 1.000)

VSL

2013

Salarissen en sociale lasten

7.104

Werk derden

2.258

   

Verispect

2013

Personeelskosten

3.339

Overige bedrijfskosten

1.484

   

Totaal

14.185

Raad voor Accreditatie

Bron:

In 2012 had de RvA een bezetting van 86,9 fte.

(Bedragen x € 1.000)
 

2013

Personeel

7.302

Assessorbeheer

144

Huisvesting

363

Bureaukosten

329

Raad van Toezicht

100

Voorlichting

70

Reis- vergader en representatiekosten

114

Accountant en financiële verslaglegging

24

Contributies

58

Externe beoordelaars

3.172

   

Totaal

11.676

Raad van bestuur NMa/ ACM

De Raad van bestuur NMa/ ACM wordt gevormd door drie personen.

In 2013 bedraagt de begrote bijdrage EZ aan de Raad van Bestuur NMa/ACM € 779.000.

OPTA

Bron:

In 2012 had de OPTA een formatie van gemiddeld 143 fte.

(Bedragen x € 1.000)
 

2013

Personeelslasten

8.801

Opdrachten aan derden

1.593

Materiële lasten

3.486

   

Totaal

13.880

TNO

Bron:

In 2012 had TNO gemiddeld 3.892 medewerkers.

(Bedragen x € 1.000)
 

2013

Directe projectkosten

74.431

Personele lasten

315.847

Overige bedrijfslasten

111.580

   

Totaal

501.858

Staatsbosbeheer

Bron:

  • Begroting 2013 Staatsbosbeheer

  • Jaarverslag 2012 Staatsbosbeheer

Aantal medewerkers Staatsbosbeheer in 2012: 938 fte.

(Bedragen x € 1.000)
 

2013

Lonen en salarissen en sociale lasten

52.500

Overige personeelsgebonden kosten

3.500

Huisvestings- en kantoorkosten

5.300

   

Totaal

61.300

Raad voor de plantenrassen

1 fte secretaris en 0,1 fte voorzitter. 7,5 fte voor administratie bij Naktuinbouw.

In 2013 bedraagt de bijdrage van EZ aan de Raad voor plantenrassen € 942.000.

Ctgb

Bron:

De personeelsformatie bedroeg in 2012 90,7 fte.

(Bedragen x € 1.000)
 

2013

Collegekosten

177

Commissie van deskundigen

6

Salariskosten

8.723

Overige personeelskosten

780

Huisvestingskosten

682

Kantoorkosten

193

Overige bedrijfskosten

180

ICT-kosten

821

Projectkosten

318

   

Totaal

11.879

Kamers van Koophandel

Bron:

– Geconsolideerde begroting 2013 Kamer van Koophandel Nederland

In totaal bedroeg het aantal fte’s in 2012 voor alle Kamers van Koophandel bij elkaar 1937.

(Bedragen x € 1.000)
 

2013

Lonen + salarissen

93.306

Sociale lasten en overige personeelskosten

37.036

Uitbesteed werk

27.735

Overige bedrijfskosten

60.650

   

Totaal

218.727

Stichting DLO

Bron:

In 2012 bestond het gemiddeld personeelsbestand van DLO uit 2634 fte.

(Bedragen x € 1.000)
 

2013

Personeelskosten

191,9

Huisvestingskosten

21,1

Overige apparatuurkosten

7,6

Overige algemene kosten

16,1

   

Totaal

236,7

497 Via welke methodiek of verdeelsleutel bent u voornemens de taakstelling Rijksdienst over de verschillende agentschappen en ZBO’s te verdelen?

De taakstelling Rijksdienst van het huidige kabinet is voorlopig pro forma verdeeld. De specifieke apparaattaakstelling van het huidige kabinet per organisatieonderdeel van EZ voor 2016–2018 en verder wordt eerst voorzien bij Voorjaarsnota 2014. Ten behoeve van deze specifieke toedeling wordt de situatie van elk organisatieonderdeel meegewogen. Na de specifieke toedeling van de apparaattaakstelling zullen de organisatieonderdelen nader uitwerken hoe zij die taakstelling per jaar in hun organisatie.

498 Wordt bij het verdelen van de taakstelling Rijksdienst rekening gehouden met de kwetsbare (financiële) positie van de NVWA, de problemen waar deze dienst mee kampt en de kritiek op haar functioneren?

Zoals toegezegd aan uw Kamer op 1 oktober jl. stuur ik in november a.s. een plan van aanpak NVWA met een risicoanalyse, dat een handvat moet bieden voor prioriteitstelling en de noodzakelijke inzet voor handhaving en toezicht.

499 Op welke wijze heeft u invulling gegeven of gaat u nog invulling geven aan het kabinetsbesluit (miljoenennota 2014) om de prijsbijstelling voor 2013 met effect op de jaren 2014 en verder niet uit te delen?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 15.

500 Kunt u toelichten waarom de Kamer pas recentelijk is geïnformeerd over de voorgenomen fusie tussen Agentschap NL en Dienst Regelingen, terwijl deze fusie met ingang van 1 januari 2014 moet plaatsvinden?

De fusie van deze twee agentschappen vloeit voort uit het samenvoegen van de voormalige departementen van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Economische Zaken, conform het regeerakkoord van het kabinet Rutte-I en de beweging van het programma Compacte Rijksdienst om overheidstaken te clusteren. U bent in maart jl. geïnformeerd dat het fusietraject loopt (Kamerstuk 31 490, nr. 112). Hiermee wordt de formele instellingsprocedure zoals voorgeschreven in de regeling Agentschappen gevolgd door het kabinet. De hiermee gemoeide doorlooptijd bij een geplande startdatum per 1 januari 2014 voorziet in voorlegging van het voorgenomen besluit aan de Tweede Kamer in september 2013, zoals met de brief van de minister van Economische Zaken van 19 september jl. gedaan is, Kamerstuk 33 744, nr. 1.

501 Kunt u aangeven of het voorgenomen tijdpad van de fusie tussen Agentschap NL en Dienst Regelingen haalbaar en realistisch is en kunt u voorts aangeven in welke fase de fusie zich nu bevindt?

Het tijdpad voor de fusie van AgentschapNL en Dienst Regelingen is haalbaar en realistisch. Op dit moment wordt de plaatsing van de medewerkers in de nieuwe organisatie voorbereid.

502 Welke lessen heeft u geleerd bij de fusie van de NVWA, die nu worden toegepast bij de voorgenomen fusie tussen Agentschap NL en Dienst Regelingen?

Vanzelfsprekend worden de ervaringen uit eerdere fusies, zoals van de NVWA en de eerdere integratie van EZ-agentschappen tot AgentschapNL, meegenomen in dit traject. Eén daarvan is dat bij de integratie gelijksoortige processen en expertise gebundeld worden (bijvoorbeeld de uitvoering van subsidieregelingen). Daarnaast is er veel aandacht voor het overleg met de medezeggenschap.

503 Kunt u aangeven welke taken DLG exact uitvoert en hoe deze taken in relatie staan tot de taken die Staatsbosbeheer en andere TBO's uitvoeren?

De meeste werkzaamheden van DLG vinden plaats in opdracht van provincies voor natuurontwikkeling en integrale gebiedsontwikkeling. Het gaat daarbij vooral om de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland, landinrichting en verkaveling. Hieronder vallen ook grotendeels de werkzaamheden van DLG voor het Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) inzake de verwerving en vervreemding van grond.

Tevens wordt DLG in opdracht van EZ ingeschakeld voor ondermeer grondtransacties (ook via BBL), ecologische adviezen bij de vergunningsverlening, internationale natuur- en waterprojecten, opstellen van DLG beheersplannen voor Natura 2000 gebieden en gebiedsanalyses voor de Programmatische Aanpak Stikstof. Ook werkt DLG in opdracht van Rijkswaterstaat aan onder meer het programma Ruimte voor de Rivier en Kaderrichtlijn Water.

Al deze taken zijn onderscheidend van de taken van terreinbeherende organisaties, zoals Staatsbosbeheer en TBO’s, omdat DLG geen eindgebruiker van gronden is en geen natuurbeheerder is.

504 Kunt u toelichten hoeveel fte van de DLG naar de provincies gaat als gevolg van het decentralisatieakkoord?

505 Hoe ziet de verantwoordelijkheid vanuit het Rijk voor DLG eruit nu een deel van DLG gedecentraliseerd wordt naar de provincies en hoeveel gaan de provincies zelf financieel bijdragen aan DLG?

Ik verwijs u naar mijn brief van vrijdag 11 oktober aan uw Kamer.

506 Kunt u nauwkeuring beschrijven hoe de huidige ante mortem-keuring door een NVWA dierenarts er in het slachthuis uit ziet en wat er in de proef bij de VION-slachterij in Apeldoorn verandert en hierbij ook aangeven welke maatregelen worden genomen om te kunnen controleren of de medewerkers van de slachterij wel de juiste handhavingsattitude hebben?

De officiële dierenarts van de NVWA onderwerpt alle aangeboden dieren aan een ante mortem (AM) keuring. Deze AM-keuring vindt plaats binnen de 24 uur na de aanvoer op het slachthuis en minder dan 24 uur vóór het slachten. Als tussen de AM-keuring en het moment van slachten meer dan 24 uur verloopt, moeten de dieren opnieuw een AM-keuring ondergaan.

De officiële dierenartsen controleren de voedselketeninformatie, de identificatie en registratie van de dieren en zij doen een visuele beoordeling op reinheid, diergezondheid en welzijnsaspecten. Daar waar nodig wordt een dier onderworpen aan een uitgebreidere klinische inspectie.

De proef bij VION-Apeldoorn betreft de AM-keuring van varkens. Het verschil is dat de dierenarts nu de varkens uitsluitend controleert in de hokken van de stal van het slachthuis. Slachthuismedewerkers zien toe op het lossen. Zij selecteren afwijkende dieren bij het lossen uit en bieden deze dieren separaat aan de NVWA-dierenarts aan voor nadere beoordeling.

De NVWA-dierenarts blijft bij de proef bij VION-Apeldoorn alle dieren zien ter controle voor de AM-keuring. Aangezien de NVWA dierenarts alle dieren op stal visueel inspecteert kan hij nagegaan of de selectie vooraf door de slachthuismedewerkers op de juiste wijze is uitgevoerd. Bovendien geven de resultaten van de postmortem keuring ook inzicht of deze selectie goed is uitgevoerd.

507 Wie zijn er betrokken geweest bij het opzetten van de proef bij de VION-slachterij in Apeldoorn, en wat is er afgesproken voor monitoren, en zijn er naast vertegenwoordigers van de slachterijwereld en de NVWA ook onafhankelijke deskundigen bij de evaluatie betrokken?

NVWA- en VION-medewerkers zijn op alle niveaus van de organisaties betrokken geweest bij het opzetten van de proef. De monitoring vindt continu plaats en de resultaten of constateringen worden gedurende de pilot tussen de NVWA en VION uitgewisseld. Voor de evaluatie verwijs ik u naar het antwoord op de vragen 232 t/m 235.

508 Hoe staat het met de plannen van die slachterijen die nog niet van de waterbadbedwelming zijn afgestapt; wat is het tijdspad, ziet de NVWA hierop toe?

Ik verwijs u naar de antwoorden op de vragen 177 en 237.

509 Kunt u aangeven waar er bij de NVWA wordt geïntensiveerd in 2014 en waar de handhavingscapaciteit (in geld en fte) wordt versterkt, en kunt u tevens aangeven of dit ook ten koste gaat van de uitvoering van andere taken?

Zoals toegezegd aan uw Kamer op 1 oktober jl. stuur ik in november a.s. een plan van aanpak NVWA met een risicoanalyse, dat een handvat moet bieden voor prioriteitstelling en de noodzakelijke inzet voor handhaving en toezicht.

510 Hoeveel fte is er in 2012 en 2013 benut voor controles door het NVWA op dierenwelzijn, uitgewerkt naar sector en hoeveel overtredingen op het gebied van dierenwelzijn zijn er in deze twee jaren geconstateerd, uitgewerkt naar sector?

De NVWA rapporteert jaarlijks over de resultaat van de controles op naleving van dierenwelzijnswetgeving aan de EU. De rapportage over 2012 was, mbt aantallen afwijkingen, als volgt (tabel 1 en 2).

Tabel 1: Naleving diersoortspecifieke welzijnsbesluiten
 

Legkippen

Kalveren

Varkens

Vleeskuikens

Productieplaatsen die in aanmerking komen voor inspectie

915

1.809

5.531

578

Geïnspecteerde productieplaatsen

227

84

629

100

Productieplaatsen zonder inbreuken

190

72

456

54

Tabel 2: naleving besluit welzijn productiedieren
 

Runderen (m.u.v. kalveren)

Schapen

Geiten

Kippen

Loopvogels

Eenden

Ganzen

Pelsdieren

Kalkoenen

Productieplaatsen die in aanmerking komen voor inspectie

26.739

6.234

432

   

56

 

156

46

Geïnspecteerde productieplaatsen

802

404

84

43

0

4

3

1

2

Productieplaatsen zonder inbreuken

667

364

75

40

0

3

2

1

2

In 2014 zal over 2013 een vergelijkbaar totaaloverzicht gerapporteerd gaan worden. Voorlopige cijfers (tot 30 september 2013), aantallen controles:

Specifieke welzijnsbesluiten:

Kalveren

112

Legkippen

8

Vleeskuikens

69

Varkens

714

Gezelschapsdieren

92

Diersoortbreed primair bedrijf (o.a. n.a.v. meldingen)

2.493

Aantal afdoeningen overtredingen tot dusver in 2013 inclusief overloop vanuit 2012:

Kalveren

11

Legkippen

9

Vleeskuikens

24

Varkens

370

Gezelschapsdieren

48

Diersoortbreed

436

Aantal controle uren (=exclusief opleiding en staf), 1 FTE is 1.300 uur

 

2012

2013 (t/m 30 september)

Toezicht primair bedrijf

   

– Kalveren

2.277

1.490

– Legkippen

3.342

427

– Vleeskuikens

1.276

1.093

– Varkens

8.471

9.475

– Gezelschapsdieren

2.614

1.862

– Diersoortbreed

36.726

47.929

Toezicht welzijn slachthuis

3.728

2.052

511 Kunt u een overzicht geven, vanaf 2002 tot en met 2013, van de uitgevoerde controles vanuit de overheid op het gebied van dierenwelzijn en op het gebied van voedselveiligheid?

Ik verwijs u naar antwoorden op de vragen 217 tot en met 222.

512 Hoe correspondeert de afnemende begroting betreffende de toezichtstaken van de NVWA met het beleidsvoornemen het toezicht te intensiveren en te verbeteren?

Zoals toegezegd aan uw Kamer op 1 oktober jl. stuur ik in november a.s. een plan van aanpak NVWA met een risicoanalyse, dat een handvat moet bieden voor prioriteitstelling en de noodzakelijke inzet voor handhaving en toezicht.

513 Op welke wijze wordt de mogelijke invoering van een retributiestelsel bij de NVWA betrokken in de begroting?

Als extra opbrengst van de herziening van het retributiestelsel is € 10 miljoen verwerkt in de ontwerpbegroting 2014, conform Kamerbrief over de uitvoering van motie Jacobi (Kamerstuk 33 400-XIII, nr. 66). In deze ontwerpbegroting laat de omzet derden (= grotendeels retributies) een stijging van € 3 miljoen zien ten opzichte van vastgestelde begroting 2013 (€ 65,5 naar € 68,5 miljoen). De mutatie naar € 68,5 miljoen is het gevolg van diverse ontwikkelingen: 1. privatisering trichinenonderzoek, 2. effecten van vereenvoudiging regeldruk en andere vernieuwingen, 3. ontwikkelingen in de markt die leiden tot minder retribueerbare activiteiten, 4. de vernieuwing van het retributiestelsel, 5. meer overige baten. Over de herziening van het retributiestelsel zal ik de Tweede Kamer zoals toegezegd een brief sturen, samen met het plan van aanpak. Mogelijke bijstellingen van de begroting naar aanleiding van deze brief zullen in de 1esuppletoire 2014 worden verwerkt.

514 Kunt u toelichten hoe het plan van aanpak verandercapaciteit NVWA eruit ziet en kunt u aangeven wanneer dit plan is opgesteld en waar de investering van € 6,5 miljoen voor nodig is?

In 2012 heeft de NVWA ingezet op vernieuwing van de informatievoorziening. Hiertoe is een meerjarig plan voor de periode 2013–2016 opgesteld. Het betreft investeringen van circa € 6,5 miljoen voor onder andere een stabiele basisvoorziening en informatiebeleid, en informatiegestuurde toezicht.

515 Waarom wordt het wetsvoorstel over de PAS in de begroting gezien als afgedaan, terwijl de nota naar aanleiding van het verslag nog niet is ontvangen door de Kamer en wanneer kan de Kamer dit wetsvoorstel tegemoet zien?

Het wetsvoorstel strekkende tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 (programmatische aanpak stikstof) is op 19 juni 2013 bij de Tweede Kamer ingediend (Kamerstukken 33 669, nrs. 1–3). De vaste commissie voor Economische Zaken heeft op 10 september 2013 het verslag vastgesteld (Kamerstuk 33 669, nr. 5). Ik heb op 1 oktober 2013 de nota naar aanleiding van het verslag naar de Tweede Kamer verzonden (Kamerstuk 33 669, nr. 6). Ingeval het wetsvoorstel nog dit jaar door beide Kamers der Staten-Generaal wordt behandeld en op 1 januari 2014 kracht van wet heeft verkregen en in werking is getreden, geldt het wetsvoorstel als afgehandeld in het begrotingsjaar 2013.

516 Wanneer wordt de beleidsbrief Dierenwelzijn naar de Kamer gestuurd?

Ik heb de beleidsbrief Dierenwelzijn op 4 oktober jl. (Kamerstuk 28 286, nr. 651) naar uw Kamer gestuurd.

517 Waarom is de toezegging niet opgenomen om een overzicht naar de Kamer te sturen met alle nationale koppen op Europees beleid voor de gehele agroketen?

Zoals gebruikelijk is er een selectie van gemaakt van aangenomen moties en gedane toezeggingen.

518 Waarom wordt de motie van het lid Ouwehand (Kamerstuk 21 501-32, nr. 359) niet uitgevoerd?

Ik neem aan dat uw verwijzing betrekking heeft op de motie van het lid Ouwehand, Kamerstuk 21 501-32, nr. 659, inzake de aanscherping van de criteria voor landbouwsubsidies zodat een einde gemaakt kan worden aan de (in)directe financiering van megastallen met publiek geld. Aan deze motie wordt uitvoering gegeven door de positie van het Nederlandse parlement naar voren te brengen in het desbetreffend beheerscomité bij de bespreking van de ontwikkeling van uitvoeringsbepalingen voor het plattelandsbeleid.

519 Hoeveel geld is er beschikbaar in 2014 voor dierenopvang?

Voor de opvang van gevonden dieren geldt een bewaarplicht voor de gemeente voor twee weken. De gemeenten maken hiertoe afspraken met asielen. Hoeveel de gemeenten besteden aan de opvang van dieren wordt niet landelijk geregistreerd.

De kosten van de opvang van dieren die na een strafrechtelijke of bestuursrechtelijke procedure door de overheid worden opgevangen bedragen ruim € 2 miljoen. Hiervoor staan middelen gereserveerd op artikel 16.

520 Wat is op dit moment de stand van zaken met betrekking tot het onderzoek naar het fokken van dieren met erfelijke aandoeningen?

Na literatuuronderzoek, interviews met specialisten aan de universiteitskliniek voor gezelschapsdieren te Utrecht en data-analyse van de voorkomende aandoeningen, is onderzoek gedaan naar het voorkomen van aandoeningen bij de hondenrassen Franse Bulldog, Chihuahua, de Labrador Retriever en de Perzische kat binnen eerstelijns dierenartspraktijken. Momenteel worden de onderzoeksresultaten voor de Chihuahua en Franse Bulldog geanalyseerd. Eind oktober zal een eerste klankbordgroep bijeenkomst plaatsvinden.

Voor het eind van 2013 wordt het onderzoeksrapport met betrekking tot de hondenrassen Chihuahua en Franse Bulldog verwacht, in het eerste kwartaal van 2014 zullen de resultaten van onderzoek naar de andere twee rassen volgen.

Daarna zullen nog vier rassen onderzocht worden, waaronder de Cavalier King Charles Spaniël.

De onderzoeken dienen als basis voor private partijen om gezonde dieren te fokken volgens de in het besluit gezelschapsdieren gestelde regels (aanbodkant) en voor bewustwording bij een breder publiek (vraagkant).

521 Waarom wordt er niets gemeld over de uitvoering van de aangenomen motie van het lid Thieme (Kamerstuk 33 400-XIII, nr. 12) over de bevordering van de lokale teelt van veevoer?

Deze motie wordt uitgevoerd. Het bedrijfsleven is daarbij primair aan zet. In het Verbond van Den Bosch hebben de partijen met elkaar afgesproken dat in januari 2020 minimaal 50 procent van het eiwitrijke diervoer uit Europa komt, onder de voorwaarde dat daarmee de eindbalans duurzamer is dan vandaag de dag. Deze ambitie zal immers leiden tot een verschuiving van de teelt van diervoedergrondstoffen naar Europa vanuit onder andere Zuid-Amerika. Deze verschuiving mag er niet toe leiden dat er meer grondstoffen nodig zijn voor dierlijke productie en ook niet dat de klimaatvoetafdruk van de veehouderij wordt verhoogd. Bij het realiseren van deze ambitie wordt samengewerkt tussen het Verbond van Den Bosch en de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij. De Taskforce Optimalisatie Voer-mest kringlopen van de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij gaat na welke effecten te verwachten zijn. Over de resultaten zal ik uw Kamer informeren.

522 Welke stappen heeft u ondernomen om in Europa in te zetten op een Europees import- en handelsverbod voor producten van ijsberen, met wie heeft u al gesproken en wanneer denkt u dat deze motie volledig uitgevoerd zal zijn?

Zoals ik u tijdens het AO Biodiversiteit van 3 oktober jl. heb meegedeeld heb ik naar aanleiding van de uitkomsten van de CITES Conferentie van Partijen in Bangkok en door u aangenomen motie een brief geschreven aan Eurocommissaris Potoçnik.

In de brief heb ik onze gedeelde zorgen overgebracht en hem gevraagd actie op Europees niveau te ondernemen om tot een verbod te komen.

De heer Potoçnik heeft mij geantwoord dat een generiek verbod onmogelijk is maar dat de EU zo streng mogelijk zal zijn binnen de mogelijkheden van de huidige Appendix II listing van de ijsbeer. Dit kan betekenen dat de EU meer informatie gevraagd wordt maar ook dat er door de EU handelsbeperkende maatregelen ingesteld worden. Inmiddels is voor de twee meest bedreigde en meest bejaagde subpopulaties al een handelsverbod ingesteld dat ik van harte ondersteund heb. De Commissaris heeft mij verzekerd dat de EU de (sub)populaties ijsberen blijft monitoren en indien nodig maatregelen zal nemen

523 Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de uitvoering van de motie, waarin de regering verzocht wordt zich in Europa ervoor in te zetten dat er geen landbouwsubsidies meer worden verstrekt aan de stierenvechtsector?

524 Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de stand van zaken aangaande het wetsvoorstel dat stierenvechten tot immaterieel cultureel erfgoed verklaart en wat de consequenties hiervan kunnen zijn voor (Europese) subsidies voor stierenvechten?

Ik verwijs naar het verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 23 september jl., Kamerstuk 21 501-32, nr. 745.

525 Kunt u nader toelichten op welke wijze de aangenomen motie van de leden Ouwehand en Thieme (Kamerstuk 32 563 nr. 35 ) over het overbrengen van de zorgen van de Kamer over het afschieten van herten in draag- en zorgtijd «onderhanden» is, en of er al een gesprek heeft plaatsgevonden tussen u en de Gedeputeerde Staten van Gelderland?

Ik heb over dit onderwerp een brief aan de Tweede Kamer gezonden, Kamerstuk 31 581, nr. 20. Daarin geeft zij aan dat het afschieten van herten in de draag- en zoogtijd niet hoort te gebeuren en dat jagers dat uitgangspunt onderschrijven. Dit is ook te kennen gegeven aan Gedeputeerde Staten van Gelderland.

526 Welke dieren vallen onder «overige productiedieren» bij de uitvoering van de motie van de leden Ouwehand en Thieme (Kamerstuk 33 605-XIII, nr. 18)?

Herkauwers: melkvee, schapen en geiten. En incidenteel ook paarden, voor zover niet als hobbydier gehouden.

527 Waarom is de keus gemaakt om de meeste controles bij de uitvoering van de motie van de leden Ouwehand en Thieme (Kamerstuk 33 605-XII, nr. 18) bij de categorie «overige productiedieren»?

528 Waarom zijn er bij legkippen slechts negen controles geweest bij de bij de uitvoering van de motie van de leden Ouwehand en Thieme (Kamerstuk 33 605-XII, nr. 18)?

Er is voor gekozen om bij alle geplande controles op veehouderijen – dus ook die met herkauwers – die de NVWA ging uitvoeren in de zomerperiode, uitvoering aan de motie te geven voor de onderdelen luchtkwaliteit en temperatuur en daarnaast ook de beschikbaarheid van vers drinkwater erbij te betrekken, gelet op het welzijnsbelang bij hitte.

Deze aanpak leidt tot het geschetste beeld waarover ik uw Kamer per brief d.d. 26 september 2013 heb geïnformeerd, Kamerstuk 28 286, nr. 650.

529 Hoe wordt de regeling duurzame ontwikkelingen van visserijgebieden verwerkt binnen het EFMZV, hoeveel subsidie is er beschikbaar voor duurzame ontwikkeling van visserijgebieden en hoe is de budgetverhouding tussen people, planet, profit binnen deze regeling?

Gelet op de nog lopende EU-onderhandelingen over de EFMZV-verordening, zijn keuzes over de inrichting van het fonds op dit moment nog niet aan de orde. Ik kan daarom nog niet aangeven of duurzame ontwikkeling van visserijgebieden onderdeel zal uitmaken van het visserijfonds. Mocht ik hiertoe besluiten dan zijn voor de subsidietoekenning voor visserijgebieden de doelen people, planet, profit vanzelfsprekend integraal van belang, maar zijn afzonderlijk niet onderscheidend als criterium voor toekenning van budget.

530 Kunt u toelichten welke randvoorwaarden worden ingezet bij het opstellen van het POP-plan om te voorkomen dat de sjoelvereniging of andere vergelijke verenigingen gebruik kunnen maken van deze middelen?

Bij het opstellen van het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014–2020 (POP3) is het Europese wetgevingskader leidend. Hierin wordt bepaald dat minimaal 5% van de middelen besteed moet worden aan een bottom-up benadering voor lokale initiatieven, LEADER genoemd. Deze LEADER aanpak geeft sociaaleconomische impulsen op gebiedsniveau door middel van financiering van lokale en regionale initiatieven.

De LEADER-aanpak werkt met lokale actiegroepen (LAG's), die een eigen ontwikkelingsplan maken voor hun gebied. Initiatiefnemers van LEADER-projecten kunnen private partijen, plaatselijke verenigingen, ondernemers en gemeenten zijn. De provincies toetsen de inhoudelijke voorstellen.

Ik werk op dit moment samen met de provincies aan de invulling van POP3 waarbij we POP3 meer dan voorheen willen richten op agrariërs en landbouwgronden. Ik zal samen met de provincies streven naar een zinvulle besteding van het geld voor de Leader-aanpak die maximaal aansluit bij de doelen van het plattelandsbeleid.

531 Wanneer na de zomer van 2013 zal de Kamer het plan van aanpak voor de beleidsdoorlichting van artikel 16 (dat u beoogt te integreren in een IBO) ontvangen, conform uw toezeggingen hierover in het Wetgevingsoverleg Jaarverslag 2012 van Economische Zaken, onderdeel Landbouw en Natuur (Kamerstuk 33 605-XIII, nr. 22) en de toezeggingen van voormalig staatssecretaris van Economische Zaken, de heer Verdaas, (Kamerstuk 33 400-XIII, nr. 18)?

In de taakopdracht die aan de ambtelijke werkgroep gegeven is, vindt u het plan van aanpak dat in het IBO gevolgd wordt. Deze taakopdracht is met de rijksbegroting aan uw Kamer gestuurd (Bijlage 6.2; //www.rijksbegroting.nl/2014/voorbereiding/miljoenennota). De precieze doorvertaling van de taakopdracht maakt deel uit van de opdracht die aan de ambtelijke werkgroep is gegeven.

532 Op welke wijze zal de Kamer de effectiviteit van uw beleid aan het einde van dit kabinet kunnen beoordelen, nu u in 2016 en 2017 geen beleidsdoorlichtingen heeft gepland? (pagina 25)

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 16.

533 Wanneer zal de Kamer de dit jaar toegezegde uitwerking van de tussentijdse evaluatie in 2016 ontvangen (Kamerstuk 33 341, nr. 6, pagina 15)?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 50.

534 Betekent de afspraak uit het Natuurpact om het Natuurnetwerk Nederland eens per drie jaar te evalueren dat er in 2016 twee evaluaties zullen worden uitgevoerd (de driejaarlijkse evaluatie in het kader van het Natuurnetwerk Nederland, en de eerder toegezegd tussentijdse evaluatie in 2016)?

Nee, de afspraak uit het Natuurpact vervangt de eerder beoogde tussentijdse evaluatie van het Bestuursakkoord Natuur. Ik verwijs u verder naar het antwoord op vraag 50.

535 Kunt u toelichten waarom de energiekosten in Caribisch Nederland zo fors stijgen?

De energietarieven op Bonaire zijn jaren niet aangepast aan de kostenontwikkeling waardoor deze lang niet kostendekkend waren. Voorts diende WEB ingevolge een arbitrage-uitspraak in het langlopende conflict tussen WEB en energieproducent Ecopower een achterstallige betaling aan Ecopower van circa € 11 miljoen te voldoen.

De energietarieven op Saba en Sint Eustatius zijn een stuk hoger dan in Nederland, vanwege met name de hoge kosten van de brandstofsoort waar men ter plaatse op aangewezen is.

De minister van Economische Zaken heeft uw Kamer eerder over dit dossier geïnformeerd: Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 2677.

536 Kunt u aangeven waarom Nederland geld beschikbaar stelt voor stijgende energiekosten in Caribisch Nederland en wat gaat er gebeuren als blijkt dat de inwoners na tien jaar nog steeds niet zelf deze kosten kunnen dragen?

De elektriciteitstarieven op Caribisch Nederland zijn een stuk hoger dan in Nederland terwijl het gemiddeld inkomen er aanzienlijk lager is. De benodigde tariefverhoging op Bonaire dreigde een ontwrichtend effect op de samenleving te hebben. De minister van Economische Zaken heeft via een voorlopige subsidieregeling de tariefstijging weten te dempen.

Dankzij ingrijpen door het bestuurscollege van Bonaire en met steun van de minister van Economische Zaken heeft WEB nu een functionerend management en Raad van Commissarissen die er alles aan zullen doen om te komen tot kostenreductie en het vermijden van inefficiëntie.

Een vergelijkbare aanpak staan de bestuurscolleges en de minister van Economische Zaken voor ogen waar het gaat om Saba en Sint Eustatius.

537 Kunt u aangeven waarom het Afghanistan-project wordt verantwoord in de begroting van het ministerie van Economische Zaken maar gefinancierd wordt vanuit de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken en kunt u voorts aangeven of er nog andere projecten zijn die onder het basisbedrag van verantwoording vallen? Zo ja, welke?

Het betreft hier een kennisverspreidingsproject van de ministers van Economische Zaken en Buitenlandse Zaken (BZ) gezamenlijk. Ten tijde van het opzetten van het project is de afspraak gemaakt dat, gezien het onderwerp van het project (landbouwkennis), het ministerie van Economische Zaken (toen nog Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) de opdrachtgever is mede namens het ministerie van BZ. Uit dien hoofde wordt het project verantwoord in de begroting van het ministerie van Economische Zaken. Voorts kan ik u laten weten dat geen andere projecten onder het basisbedrag van dit project vallen.

538 Kunt u toelichten welke afspraken zijn gemaakt over de ILG-gelden met de provincies en wat de stand van zaken is met betrekking tot de uitvoering hiervan?

In het Bestuursakkoord Natuur is afgesproken dat de lopende ILG-periode van 2007–2013 halverwege wordt afgebroken. Afgerekend wordt over de prestaties tot 1 januari 2010 (in totaal € 2,014 miljard). Over deze tussentijdse afronding van het ILG zijn met alle provincies afspraken gemaakt in de zogenoemde ILG-afrondingsovereenkomsten (Staatscourant nr. 2920–25, 2927, 2928, 2930, 2932–34). Verder is de Kamer hierover geïnformeerd, Kamerstuk 30 825, nr. 188.

539 Wanneer wordt de uitvoeringsregeling voor de Natuurtaken Caribisch Nederland bekend gemaakt en is een verdeling per eiland al bekend?

De Regeling bijzondere uitkering natuur is op 19 september 2013 in de Staatscourant gepubliceerd en de dag erna in werking getreden. In artikel 3 van de regeling is bepaald dat de middelen van de bijzondere uitkering natuur aan de openbare lichamen worden verstrekt volgens de volgende verdeling:

Bonaire:

$ 5.238.400,00;

Sint Eustatius:

$ 2.488.240,00;

Saba:

$ 2.095.360,00.

540 Kunt u nader specificeren waaruit de transitiekosten Subsidie Natuur en Landschap (SNL) bestaan?

De transitiekosten voor rekening van het Rijk hebben betrekking op de investeringen, in de periode 2014–2016, die nodig zijn om deze omslag naar een nieuw, effectiever en efficiënter stelsel voor agrarisch natuurbeheer mogelijk te maken. Het gaat daarbij om het professionaliseren van de agrarische natuurverenigingen (de zogenaamde «collectieven») en het EU conform betalen en verantwoorden middels collectieve contracten.

Onder kosten ten behoeve van een EU-conforme uitvoering moeten ook (onder andere) worden verstaan investeringen in ICT bij zowel Dienst Regelingen (als Europees betaalorgaan) als bij de Provinciale beheerorganisatie.

541 Waarom is in 2012 de taakstelling verkoop gronden van € 20 miljoen niet gerealiseerd?

In verband met de doorgaande besprekingen over de decentralisatie van het natuurbeleid – en de daarbij behorende middelen – is de voor 2012 geplande tranche van de verkooptaakstelling (€ 20 miljoen) opgeschort. Door het recent ondertekende bestuursakkoord grond (als onderdeel Natuurpact, Kamerstuk 33 576, nr. 6) is de opbrengst van de verkooptaakstelling echter zeker gesteld. In de Najaarsnota zal ik de actuele ontvangstenraming verwerken.

542 Is er een impactanalyse gemaakt van het schrappen van subsidies voor de biologische sector en wat is het streefpercentage voor het aandeel van de biologische sector dat u hanteert voor het jaar na het schrappen van de subsidies?

Vanaf 2012 is er geen sprake meer van aparte subsidies voor de biologische sector en wordt er geen streefpercentage voor het aandeel biologisch meer gehanteerd. Ik verwijs u tevens naar het antwoord op vraag 64.

543 Klopt het dat er, los van de onderzoeksgelden, geen subsidie meer gegeven wordt in 2014 aan de biologische sector (in onderdeel 4.6 Subsidieoverzicht vanaf pagina 2541 worden de budgettaire voorstellen in detail vermeld), is dit een beleidskeuze en waar is deze op gebaseerd?

Nee, dit klopt niet. Met een subsidie aan de sectororganisatie Bionext draag ik ook in 2014 bij aan het verder professionaliseren van deze sector. Dit is in de begroting 2014 echter niet expliciet zichtbaar opgenomen. Ik verwijs u verder naar de antwoorden op vragen 64, 65 en 176.

544 Hoe garandeert u dat er binnen bestaande onderzoeks- en marktstimuleringsprogramma's ook voldoende aandacht blijft voor onderzoek en stimulering van de biologische landbouw?

Ik verwijs u naar de antwoorden op de vragen 64, 65 en 176.

545 Waarom wordt er geen financiële bijdrage meer geleverd aan ondersteuning biologische sector, met name Bionext?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 543.

546 Kunt u aangeven waarom de bijdrage aan agentschap ZonMw voor dierproeven € 300.000 bedraagt in 2014 ten opzichte van € 1.850.000 in 2013 en € 1.880.000 in 2015 tot en met 2018?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 196.

BIJLAGE 1:

Natura 2000-nr

Natura 2000 gebied

Beheerplannen

Stand van zaken d.d. oktober 2013

Deadline beheerplan

(3 jaar na besluit)

1

Waddenzee (HR Eems-Dollard alleen aangemeld)

geen ontwerp gereed

2012–02

1a

Eemsdollard (onderdeel van Waddenzee)

geen ontwerp gereed

n.v.t.

2

Duinen en Lage Land Texel

geen ontwerp gereed

2012–02

3

Duinen Vlieland

geen ontwerp gereed

2012–02

4

Duinen Terschelling

geen ontwerp gereed

2012–02

5

Duinen Ameland

geen ontwerp gereed

2012–02

6

Duinen Schiermonnikoog

geen ontwerp gereed

2012–02

7

Noordzeekustzone

geen ontwerp gereed

2012–02

8

Lauwersmeer

geen ontwerp gereed

2013–12

9

Groote Wielen

vastgesteld ontwerpbeheerplan

2013–12

10

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

geen ontwerp gereed

2013–12

11

Witte en Zwarte Brekken

geen ontwerp gereed

2013–12

12

Sneekermeergebied

geen ontwerp gereed

2013–12

13

Alde Feanen

geen ontwerp gereed

2016–06

14

Deelen

vastgesteld ontwerpbeheerplan

2012–12

15

Van Oordt’s Mersken

geen ontwerp gereed

2016–09

16

Wijnjeterper Schar

geen ontwerp gereed

2012–12

17

Bakkeveense Duinen

geen ontwerp gereed

2016–06

18

Rottige Meenthe & Brandemeer

geen ontwerp gereed

2016–05

19

Leekstermeergebied

geen ontwerp gereed

2013–12

20

Zuidlaardermeer

geen ontwerp gereed

2013–12

21

Lieftinghsbroek

geen ontwerp gereed

2016–06

22

Norgerholt

vastgesteld ontwerpbeheerplan

2013–12

23

Fochteloërveen

geen ontwerp gereed

2016–06

24

Witterveld

geen ontwerp gereed

2012–09

25

Drentsche Aa-gebied

geen ontwerp gereed

2016–09

26

Drouwenerzand

geen ontwerp gereed

2016–05

27

Drents-Friese Wold & Leggelderveld

geen ontwerp gereed

2013–12

28

Elperstroomgebied

geen ontwerp gereed

2012–12

29

Havelte-Oost

geen ontwerp gereed

2016–05

30

Dwingelderveld

geen ontwerp gereed

2016–09

31

Mantingerbos

geen ontwerp gereed

2016–05

32

Mantingerzand

geen ontwerp gereed

2016–05

33

Bargerveen

geen ontwerp gereed

2016–06

34

Weerribben

geen ontwerp gereed

n.v.t.

35

Wieden

geen ontwerp gereed

n.v.t.

36

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

geen ontwerp gereed

2016–09

37

Olde Maten & Veerslootslanden

geen ontwerp gereed

2016–09

38

Uiterwaarden IJssel6

geen ontwerp gereed

n.v.t.

39

Vecht- en Beneden-Reggegebied

geen ontwerp gereed

2016–09

40

Engbertsdijksvenen

geen ontwerp gereed

2012–09

41

Boetelerveld

geen ontwerp gereed

2016–05

42

Sallandse Heuvelrug

geen ontwerp gereed

2016–05

43

Wierdense Veld

geen ontwerp gereed

n.v.t.

44

Borkeld

geen ontwerp gereed

2016–05

45

Springendal & Dal van de Mosbeek

geen ontwerp gereed

2016–09

46

Bergvennen & Brecklenkampse Veld

geen ontwerp gereed

2016–06

47

Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek

geen ontwerp gereed

2016–05

48

Lemselermaten

geen ontwerp gereed

2016–06

49

Dinkelland

geen ontwerp gereed

2016–09

50

Landgoederen Oldenzaal

geen ontwerp gereed

2016–09

51

Lonnekermeer

geen ontwerp gereed

2016–06

53

Buurserzand & Haaksbergerveen

geen ontwerp gereed

2016–06

54

Witte Veen

geen ontwerp gereed

2016–06

55

Aamsveen

geen ontwerp gereed

2016–06

56

Arkemheen

geen ontwerp gereed

2012–09

57

Veluwe

geen ontwerp gereed

n.v.t.

58

Landgoederen Brummen

geen ontwerp gereed

2016–06

60

Stelkampsveld

geen ontwerp gereed

2016–05

61

Korenburgerveen

geen ontwerp gereed

2016–05

62

Willinks Weust

geen ontwerp gereed

2016–05

63

Bekendelle

geen ontwerp gereed

2016–05

64

Wooldse Veen

geen ontwerp gereed

2016–05

65

Binnenveld

geen ontwerp gereed

n.v.t.

66

Uiterwaarden Neder-Rijn6

geen ontwerp gereed

2016–09

67

Gelderse Poort 6

geen ontwerp gereed

n.v.t.

68

Uiterwaarden Waal6

geen ontwerp gereed

n.v.t.

69

Bruuk

geen ontwerp gereed

2016–05

70

Lingegebied & Diefdijk-Zuid

geen ontwerp gereed

2016–06

71

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

geen ontwerp gereed

2016–06

72

IJsselmeer

geen ontwerp gereed

2012–12

73

Markermeer & IJmeer

geen ontwerp gereed

2012–12

74

Zwarte Meer

geen ontwerp gereed

2012–12

75

Ketelmeer & Vossemeer

geen ontwerp gereed

2012–12

76

Veluwerandmeren

geen ontwerp gereed

2012–12

77

Eemmeer & Gooimeer Zuidoever

geen ontwerp gereed

2012–12

78

Oostvaardersplassen

geen ontwerp gereed

2012–12

79

Lepelaarsplassen

vastgesteld beheerplan

reeds vastgesteld

81

Kolland & Overlangbroek

geen ontwerp gereed

2013–12

82

Uiterwaarden Lek

geen ontwerp gereed

n.v.t.

83

Botshol

geen ontwerp gereed

2016–09

84

Duinen Den Helder – Callantsoog

geen ontwerp gereed

2016–05

85

Zwanenwater & Pettemerduinen

geen ontwerp gereed

2016–05

86

Schoorlse Duinen

geen ontwerp gereed

2012–12

87

Noordhollands Duinreservaat

geen ontwerp gereed

n.v.t.

88

Kennemerland-Zuid

geen ontwerp gereed

2016–05

89

Eilandspolder

geen ontwerp gereed

2016–05

90

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

geen ontwerp gereed

n.v.t.

91

Polder Westzaan

geen ontwerp gereed

2016–06

92

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

geen ontwerp gereed

2016–06

93

Polder Zeevang

vastgesteld ontwerpbeheerplan

2013–12

94

Naardermeer

geen ontwerp gereed

2016–06

95

Oostelijke Vechtplassen

geen ontwerp gereed

2016–06

96

Coepelduynen

geen ontwerp gereed

2012–12

97

Meijendel & Berkheide

geen ontwerp gereed

2016–05

98

Westduinpark & Wapendal

vastgesteld beheerplan

reeds vastgesteld

99

Solleveld & Kapittelduinen

vastgesteld ontwerpbeheerplan

reeds vastgesteld

100

Voornes Duin

geen ontwerp gereed

2011–02

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

geen ontwerp gereed

2011–02

102

De Wilck

geen ontwerp gereed

2016–05

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

geen ontwerp gereed

reeds vastgesteld

104

Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein

vastgesteld beheerplan

2013–12

105

Zouweboezem

geen ontwerp gereed

2016–09

106

Boezems Kinderdijk

geen ontwerp gereed

2013–12

107

Donkse Laagten

geen ontwerp gereed

2012–12

108

Oude Maas

geen ontwerp gereed

2013–12

109

Haringvliet

geen ontwerp gereed

2016–09

110

Oudeland van Strijen

vastgesteld beheerplan

2012–12

111

Hollands Diep

geen ontwerp gereed

n.v.t.

112

Biesbosch

geen ontwerp gereed

2016–09

113

Voordelta

vastgesteld beheerplan

start 2e beheerplan

114

Krammer-Volkerak

geen ontwerp gereed

n.v.t.

115

Grevelingen

geen ontwerp gereed

2016–09

116

Kop van Schouwen

geen ontwerp gereed

2016–09

117

Manteling van Walcheren

geen ontwerp gereed

2016–09

118

Oosterschelde

geen ontwerp gereed

2012–12

119

Veerse Meer

geen ontwerp gereed

reeds vastgesteld

120

Zoommeer

geen ontwerp gereed

n.v.t.

121

Yerseke en Kapelse Moer

geen ontwerp gereed

2013–12

122

Westerschelde & Saeftinghe

geen ontwerp gereed

2012–12

123

Zwin en Kievittepolder

geen ontwerp gereed

2016–05

124

Groote Gat

geen ontwerp gereed

2013–12

125

Canisvliet

geen ontwerp gereed

2013–12

126

Vogelkreek

geen ontwerp gereed

2013–12

127

Markiezaat

geen ontwerp gereed

2013–12

128

Brabantse Wal

geen ontwerp gereed

2016–05

129

Ulvenhoutse Bos

geen ontwerp gereed

2012–12

130

Langstraat

geen ontwerp gereed

2016–06

131

Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

geen ontwerp gereed

2016–05

132

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

geen ontwerp gereed

2016–06

133

Kampina en Oisterwijkse Vennen

geen ontwerp gereed

2016–05

134

Regte Heide & Riels Laag

geen ontwerp gereed

2016–05

135

Kempenland-West

geen ontwerp gereed

2016–05

136

Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux

geen ontwerp gereed

2016–09

137

Strabrechtse Heide & Beuven

geen ontwerp gereed

2016–05

138

Weerter- en Budelerbergen (Ringselven apart aangemeld)

geen ontwerp gereed

2016–06

139

Deurnsche Peel & Mariapeel

geen ontwerp gereed

2012–09

140

Groote Peel

geen ontwerp gereed

2012–09

141

Oeffelter Meent

geen ontwerp gereed

2016–05

142

Sint Jansberg

geen ontwerp gereed

2016–06

143

Zeldersche Driessen

geen ontwerp gereed

2016–05

144

Boschhuizerbergen

geen ontwerp gereed

2016–06

145

Maasduinen

geen ontwerp gereed

2016–06

146

Sarsven en De Banen

geen ontwerp gereed

2016–06

147

Leudal

geen ontwerp gereed

2016–05

148

Swalmdal

geen ontwerp gereed

2016–06

149

Meinweg

geen ontwerp gereed

2016–06

150

Roerdal

geen ontwerp gereed

2016–06

151

Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop

vastgesteld ontwerpbeheerplan

2013–12

152

Grensmaas

geen ontwerp gereed

2016–09

153

Bunder- en Elsloërbos

geen ontwerp gereed

2016–06

154

Geleenbeekdal

geen ontwerp gereed

2016–09

155

Brunsummerheide

geen ontwerp gereed

2016–09

156

Bemelerberg en Schiepersberg

geen ontwerp gereed

2016–09

157

Geuldal

geen ontwerp gereed

n.v.t.

158

Kunderberg

geen ontwerp gereed

2016–05

159

Sint Pietersberg en Jekerdal

geen ontwerp gereed

2016–09

160

Savelsbos

geen ontwerp gereed

2016–05

162

Abtskolk en De Putten

geen ontwerp gereed

2013–02

161

Noorbeemden & Hoogbos

geen ontwerp gereed

2016–06

163

Vlakte van de Raan

geen ontwerp gereed

2013–12

164

Doggersbank

geen ontwerp gereed

n.v.t.

165

Klaverbank

geen ontwerp gereed

n.v.t.


X Noot
6

In verband met het samenvoegen van deze vier gebieden tot het Natura 2000-gebied Rijntakken, komt het totaal aantal gebieden op 160.