Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201327858 nr. 215

27 858 Gewasbeschermingsbeleid

Nr. 215 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 september 2013

Tijdens het Nota-overleg (Kamerstuk 27 858, nr. 210) over de Tweede nota duurzame gewasbescherming «Gezonde Groei, Duurzame Oogst»1 (hierna Tweede nota) heb ik toegezegd u te informeren over een aantal aspecten inzake het gebruik van gewasbeschermings-middelen buiten de landbouw (hoofdstuk 8 van de nota). Deze brief strekt daartoe.

De Tweede nota beoogt ter bescherming van onze leefomgeving onnodig gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te voorkomen. Voor het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw stelt de nota, kort samengevat, de volgende maatregelen voor:

Professioneel gebruik op

 

– verhardingen

verbod 2018

– sport- en recreatieterreinen

verbod 2018

– overige terreinen, zoals parken

voortzetting huidig beleid, d.w.z. duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen; onnodig gebruik voorkomen

Particulier gebruik

risicoreducerende maatregelen 2015

Tijdens het overleg bleek dat de Kamer in meerderheid een aanscherping van bovenstaand voorstel wenste. Meerdere partijen hebben in het Nota-overleg aangedrongen op een verbod van particulier gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen en op kortere overgangstermijnen bij alle doelgroepen dan in de nota aangegeven, als invulling van de in 2011 aangenomen motie Grashoff (Kamerstuk 32 372, nr. 65). Al tijdens het overleg heb ik aangegeven hieraan gehoor te willen geven, door op het punt van terugdringing van onnodig gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen een duidelijke en eenvoudige stap te zetten door een stip op de horizon te plaatsen waarna het gebruik niet meer voorkomt. Een aantal moties die hierover gaan, is aangehouden.

Uw lid, mevrouw Lodders, vroeg mij om een nadere uiteenzetting over de beweegredenen voor deze stap. Naast het bovenstaande, zijn deze verder gelegen in mijn verantwoordelijkheid voor een goed milieu en de gezondheid van mensen. Er is maatschappelijke onrust over chemische bestrijdingsmiddelen, zoals verwoord ook door de Kamer. Daarbij wil ik uiteraard zorgvuldig handelen ten opzichte van gebruikers en leveranciers. In het onderstaande zal ik aangeven wat een mogelijk haalbare weg is, binnen deze grens van zorgvuldig handelen.

Het volgende lijkt mogelijk, waarbij wel nog een aantal vragen nader moeten worden beantwoord. Op deze vragen kom ik in de loop van deze brief terug.

  • 1. Met ingang van november 2015 – het einde van het spuitseizoen – wordt buiten de landbouw het professioneel gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, met name onkruidbestrijdingsmiddelen, op verhardingen verboden. Voor situaties waarin gebruik van gewasbeschermingsmiddelen volgens een op te stellen lijst technisch onvermijdelijk is, blijft toepassing met handgedragen spuitapparatuur toegestaan. Tegelijkertijd wordt het particulier gebruik van alle gewasbeschermingsmiddelen verboden.

  • 2. Met ingang van november 2017 wordt het verbod uitgebreid naar het professioneel gebruik van alle gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw, dus naast sport- en recreatieterreinen, ook de overige terreinen zoals parken. Uitzonderingen op dit verbod zijn noodzakelijk, zoals ter bestrijding van bijvoorbeeld de eikenprocessierups of de zeer schadelijke Aziatische boktor. Ook voor deze uitzonderingen zal een voorziening worden getroffen in de regelgeving.

Deze aanscherping leidt tot het volgende tijdspad

Professioneel gebruik op

 

– verhardingen

verbod 2015

– sport- en recreatieterreinen

verbod 2017

– overige terreinen, zoals parken

verbod 2017

Particulier gebruik

verbod 2015

Voor de periode tot aan de ingang van het verbod, zet ik uiteraard het staande beleid van verduurzaming van het gebruik voort.

Ik kies voor een zeer ambitieus tijdspad. Dit moet uiteraard mogelijk zijn. Bij deze weg horen daarom evaluatiemomenten. Op die momenten zal ik samen met betrokkenen bekijken of wij nog op het schema liggen om op zo kort mogelijke termijn het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw uit te bannen en slechts nog bij uitzondering toe te staan.

Bij deze weg hoort ook dat ik zo snel als mogelijk – na overeenstemming met uw Kamer over deze ambitie – alle betrokken partijen van de naderende verboden en de bijbehorende krappe termijnen op de hoogte stel. Daardoor kunnen zij per ommegaande inspelen op de komende verboden, bijvoorbeeld in hun voorraadbeheer, begrotingen en contracten. Dit geldt met name ook voor de gemeenten. Met hen ga ik verder in gesprek over de voorwaarden om deze transitie te doen slagen.

Particulieren zal ik met gerichte voorlichting bewust maken van het naderende verbod en de alternatieven. Particulieren moeten zich bewust zijn dat huis-, tuin- en keukenmiddelen niet per definitie weinig schadelijk of ongevaarlijk zijn voor de toepasser. Ik denk daarbij aan het gebruik van chloor of schoonmaakazijn bij bestrijding van onkruid tussen tegels of aan risicovolle situaties bij het gebruik van ongeschikte branders of kokend water.

Ik wil bij voorlichting aan particulieren ook de uitkomsten betrekken van de door mij aangekondigde studie naar de mogelijkheden van de verkoop achter de toonbank van biociden, c.q. plaagdierbestrijdingsmiddelen.

Hieronder ga ik in op de vraag waarom de aanscherping zorgvuldig en haalbaar moet zijn.

Ingangsdatum 2015 respectievelijk 2017

In de Tweede nota duurzame gewasbescherming was een belangrijk argument voor de datum van 2017 voor een verbod op professioneel gebruik op verhardingen, het respecteren van gebruikelijke afschrijvingstermijnen op de apparatuur voor gewasbescherming. Er zijn na de brief over de uitvoering van de motie Grashoff (Kamerstuk 32 372, nr. 72) nog maar weinig nieuwe investeringen gedaan in zulke apparatuur. Een afschrijvingstermijn van vijf jaar is normaal. Een verbod eind 2015 zal daarom weinig vervroegde afschrijving tot gevolg hebben2.

Zodra ik betrokken partijen op de hoogte heb gesteld van de voorgenomen verboden, hebben terreinbeheerders twee seizoenen (2014 en 2015) de tijd om hun begroting en vaak meerjarige contracten te wijzigen en de (resterende) chemische middelen toe te passen. Met dit laatste wordt het risico van een onzorgvuldige verwijdering van restanten voorkomen.

Voor het professioneel gebruik op sport- en recreatieterreinen en overige terreinen, zoals parken, zal een verbod in 2015 op problemen stuiten. Er zijn hiervoor op dit moment onvoldoende niet-chemische alternatieven beschikbaar, onder andere in het beheer van bossen. Daarnaast is er weinig ervaring met de wel beschikbare technieken, en bieden weinig bedrijven deze aan. De ruimte tot 2017 is dringend noodzakelijk voor het opdoen van ervaring, opbouw van kennis en innovatie in – en waarschijnlijk kostenreductie van – niet-chemische alternatieven. Er zijn signalen uit het veld dat 2017 te ambitieus zou zijn3. Evenwel, een ambitieuze datum is op zichzelf al een sterke stimulans voor de benodigde innovatie. Dat neemt niet weg dat onderzoek in gang wordt gezet, om zicht te krijgen op met name de technische haalbaarheid en financiële betaalbaarheid van de verschillende niet-chemische alternatieven en technieken, die in sport- en recreatie terreinen en in overig groen gebruikt kunnen worden. De uitkomsten van dit onderzoek zullen mede bepalen of de datum van november 2017 haalbaar is.

Voor particuliere gebruikers gelden deze overwegingen niet. Wel speelt hierbij dat uit oogpunt van zorgvuldigheid de leveranciers een zekere termijn de tijd hebben om lopende contracten af te bouwen en voorraden op te maken. De periode vanaf nu tot november 2015 is conform de gebruikelijke procedures rond toelating en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Overgangstermijnen voor ingroei en innovatie

In de tijd tot november 2015 respectievelijk 2017, kan een soepele overgang naar niet-chemische gewasbescherming plaatsvinden. Ik zal de aanbeveling uit het rapport «Inventarisatie onkruidbestrijding op verhardingen»4 uitvoeren en gericht voorlichting aan terreinbeheerders (overheden) organiseren, onder andere over de mogelijkheden om de kosten van gewasbescherming te verminderen. Daarnaast zal ik bijeenkomsten stimuleren waarbij terreinbeheerders, leveranciers van niet-chemische bestrijdingsmethoden en andere deskundigen van gedachten wisselen over prestaties, kosten en dergelijke, van aanwezige technieken.

Het verbod op chemische gewasbescherming in 2017 voor sport- en recreatieterreinen en overige terreinen lijkt nog ver weg. Deze periode is, zoals gezegd, hard nodig om de benodigde innovaties tot stand te brengen. Om deze innovaties in de periode tot 2017 te realiseren is een intensieve samenwerking nodig van gebruikers, deskundigen en relatieve buitenstaanders op dit terrein. Ik zal die bevorderen door deze partijen snel bij elkaar te roepen en met hen een innovatieagenda uit te werken. Parallel daaraan zal communicatie tussen gebruikers, leveranciers en deskundigen worden gestimuleerd, gericht op verdere verduurzaming van de visie op de groene buitenruimte en op de praktische toepassing van reeds bestaande niet-chemische technieken en methoden.

Biologische en ecologisch verantwoorde middelen

Middelen op basis van laag-risicostoffen of basisstoffen kunnen een belangrijke (tussen-)stap zijn op weg naar een duurzame gewasbescherming. In mijn brief van 3 juli (Kamerstuk 27 858, nr. 211) heb ik al aangegeven welke vragen ik beantwoord wil zien om een oordeel te kunnen vellen over dergelijke middelen. Hierover ga ik onder andere in gesprek met terreinbeheerders, leveranciers en deskundigen. Advies door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) en andere deskundigen, moet uitwijzen of een goed afgebakende en verantwoorde uitzondering op het verbod van chemische gewasbescherming mogelijk is voor gewasbeschermingsmiddelen, die bijvoorbeeld zijn gebaseerd op de werkzame stof maleinehydrazide, en voor middelen gebaseerd op laag-risicostoffen en basisstoffen. Indien bijvoorbeeld op basis van monitoring onvoldoende grond bestaat voor een verbod op het gebruik van middelen op basis van laag-risicostoffen en basisstoffen, dan wordt het verbod heroverwogen.

Ik zal U voor de zomer van 2014 een voorstel doen toekomen, hoe om te gaan met deze stoffen.

Regelgeving

Zorgvuldigheid is nodig ten aanzien van de juridische inbedding. Voor de aanpassingen heb ik daarom een procedure in gang gezet om juridisch advies in te winnen naar de grondslag van de verboden. Pas als duidelijk is welke grondslag(en) kunnen dienen voor het verbod, kunnen de benodigde aanpassingen in de regelgeving verwerkt worden. Dit is belangrijk omdat de Europese Richtlijn duurzaam gebruik slechts spreekt van verboden in bepaalde gebieden op basis van risico’s voor het publiek dan wel vanwege de waterkwaliteit.

De resultaten van de juridische advisering, zult U, tezamen met het eerder genoemde onderzoek naar de haalbaarheid en betaalbaarheid, ontvangen voor het einde van dit jaar.

Ik streef vervolgens naar een spoedige inwerkingtreding, begin 2015, van de regelgeving, waarin de verboden per november 2015 en november 2017 zijn vervat. Vertraging moet hierbij niet worden opgelopen omdat anders de verboden per 1 november 2015 in gevaar komen.

Tijdspad en evaluatiemomenten

Zoals aangegeven is sprake van een ambitieus tijdspad. Voor uw inzicht vat ik deze hierbij samen. Ik wil de voortgang nauwgezet monitoren en in overleg met Uw Kamer regelmatig evalueren of de voorgestelde data haalbaar zijn. Het eerste moment betreft de bespreking van het onderzoek begin volgend jaar. Daarna stel ik zoals al gezegd jaarlijkse peilmomenten voor, waarbij ik aan U zal rapporteren.

Verhardingen en particulier gebruik

Overig gebruik gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw

1 november 2013

– start voorlichting particulieren

– start overleg gemeenten

1 november 2013

– na Uw akkoord op deze brief, kennisgeving aan partijen

– opstarten innovatieoverleg

31 december 2013: onderzoeksresultaten naar Uw Kamer

31 januari 2014: besluit van Uw Kamer over gewasbeschermingsbeleid buiten de landbouw en tijdpad

1 juli 2014: voorleggen wetgeving voor advies aan de Raad van State

   

1 november 2014

eerste peilmoment

1 januari 2015

inwerkingtreding wetgeving

   

1 november 2015

inwerkingtreding verboden

1 november 2015

tweede peilmoment

   

1 januari 2016

besluitvorming overige gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw

   

1 november 2016

derde peilmoment

   

1 november 2017

inwerkingtreding verboden

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld


X Noot
1

Nota «Gezonde Groei, Duurzame oogst; tweede Nota duurzame gewasbescherming periode 2013–2023», bijlage bij Kamerstuk 27 858, nr. 146

X Noot
2

Tauw, «Inventarisatie onkruidbestrijding op verhardingen», bijlage bij TK 2012–2013, 27 858, nr. 146 blz. 63.

X Noot
3

Signalen van de vereniging Stadswerk aan mij, alsmede van de Wageningen Universiteit in de technische briefing aan Uw Kamer over de Tweede Nota.

X Noot
4

Zie Tauw, «Inventarisatie onkruidbestrijding op verhardingen», bijlage bij Kamerstuk 27 858, nr. 146