32 500 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2011

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

  

blz.

   

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

3

   

B.

DE BEGROTINGSTOELICHTING

4

   

1

Leeswijzer

4

   

2

Beleidsagenda

7

   

3

Beleidsartikelen

16

11

Nederlandse rechtsorde

16

12

Rechtspleging en rechtsbijstand

26

13

Rechtshandhaving, criminaliteits- en terrorismebestrijding

41

14

Jeugd

68

15

Vreemdelingen

77

17

Internationale rechtsorde

91

   

4

Niet beleidsartikelen

95

91.1

Algemeen

95

92.1

Nominaal en onvoorzien

97

93.1

Geheim

98

   

5

De bedrijfsvoeringsparagraaf

99

   

6

De baten-lastendiensten

102

1

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)

102

2

Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)

108

3

Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB)

122

4

Nederlands Forensisch Instituut

127

5

Justitiële Uitvoeringsdienst Toetsing, Integriteit, Screening (JUSTIS)

133

6

Gemeenschappelijk Dienstencentrum ICT(GDI)

139

   

7

De Raad voor de rechtspraak

145

   

8

Verdiepingshoofdstuk

154

   

9

Moties en Toezeggingen

165

   

10

Overzicht ZBO’s en RWT’s

201

   

11

Bijlage Prognosemodel Justitiële Ketens

203

   

12

Wetgevingsprogramma

207

   

13

Lijst met afkortingen

210

   

14

Trefwoordenlijst

214

DEEL A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die deel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie voor het jaar 2011 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2011. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2011.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2011 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze Memorie van toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de baten-lastendiensten Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB), Nederlands Forensisch Instituut (NFI), Dienst Justis en Gemeenschappelijk Dienstencentrum ICT (GDI) voor het jaar 2011 vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze Memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de diensten die een baten-lastenstelsel voeren.

Wetsartikel 3

Met ingang van 2002 is het stelsel van de rechtspraak ingrijpend gewijzigd. De belangrijkste wijziging is dat de rechtspraak, mede door de instelling van de Raad voor de rechtspraak en de invoering van het principe van integraal management bij het besturen van de gerechten, verantwoordelijk is geworden voor het eigen beheer. Op grond van de nieuwe bevoegdheidsverdeling is de minister van Justitie niet verantwoordelijk voor de doelmatigheid van de rechterlijke organisatie, wel heeft de minister een toezichthoudende verantwoordelijkheid.

Met de vaststelling van dit wetsartikel wordt de positie van de minister van Justitie ten opzichte van de rechterlijke organisatie verduidelijkt. Dit betekent voorts dat in deel B naast de toelichting op beleidsartikel 12, waarin de beleidsdoelstelling van de minister van Justitie ten aanzien van de rechtspleging wordt toegelicht, een apart hoofdstuk Raad voor de rechtspraak wordt opgenomen, waarin de feitelijke vertaling van de aan de rechterlijke organisatie ter beschikking gestelde bijdrage in concrete beleidsdoelstellingen en prestaties van de Raad en de gerechten voor het jaar 2011 wordt gegeven.

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

DEEL B. BEGROTINGSTOELICHTING

HOOFDSTUK 1 LEESWIJZER

Algemeen

In deze leeswijzer wordt kort ingegaan op de beleidsagenda, de wijzigingen in de begrotingsstructuur, de overzichtsconstructies, een aantal specifieke afspraken met het Ministerie van Financiën en de opbouw van de memorie van toelichting.

Beleidsagenda en begrotingsartikelen

Ten tijde van het opstellen van deze begroting was sprake van een demissionair kabinet. Derhalve is gekozen voor een technische invulling van de beleidsagenda. Daar waar in de beleidsagenda in voorgaande jaren nog uitgebreid werd ingegaan op de prioriteiten van het kabinet, is de agenda nu sober van aard. In de beleidsagenda is eveneens een overzicht opgenomen van de belangrijkste beleidsmatige mutaties.

In de artikelen vindt u, evenals voorgaande jaren, de relevante financiële en beleidsinformatie die samenhangt met de voorgenomen uitgaven.

Begrotingsstructuur

De begrotingsstructuur is ongewijzigd ten opzichte van vorig jaar.

De overzichtsconstructies

Het Ministerie van Justitie levert een bijdrage aan twee interdepartementale overzichtsconstructies: «Grote Stedenbeleid» (GSB) en de «Homogene Groep Internationale Samenwerking» (HGIS). De coördinatie hiervan is in handen van respectievelijk het Ministerie van VROM en het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Specifieke afspraken

Het Ministerie van Justitie heeft ten aanzien van de begroting (vormvereisten en inhoud) specifieke afspraken gemaakt met het Ministerie van Financiën. Deze punten worden hieronder genoemd.

Meerjarenperspectief

Per beleidsartikel is een meerjarenperspectief opgenomen, waardoor in alle begrotingsartikelen steeds een doorkijk wordt gegeven naar de toekomst. In deze begroting is de tijdshorizon van de meerjarenperspectieven kort in verband met het nieuw te vormen kabinet.

Positionering apparaatsuitgaven

In de begroting 2011 van Justitie zijn – met uitzondering van het apparaatbudget van de Directie Wetgeving – alle apparaatsbudgetten van beleidsdirecties bij het niet-beleidsartikel 91 Algemeen «Effectieve besturing van het Justitieapparaat» ondergebracht.

Budgetflexibiliteit

In de begroting is de informatie omtrent budgetflexibiliteit opgenomen in de tabellen betreffende de «budgettaire gevolgen van beleid». Concreet betekent dit dat in deze tabellen een regel is opgenomen waarin wordt aangegeven welk deel van het totale budget op een beleidsdoelstelling juridisch verplicht is.

Subsidies

Bij de tabellen betreffende de «budgettaire gevolgen van beleid» worden de subsidieverplichtingen niet gespecificeerd. In het verdiepingshoofdstuk zijn uitsluitend die subsidieverleningen opgenomen die hun wettelijke grondslag aan deze begroting ontlenen zoals voorgeschreven in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.

Positionering baten-lastendiensten

De uitgaven aan alle uitvoerende diensten, inclusief de baten-lastendiensten van het Ministerie van Justitie, worden wat betreft de begrotingsindeling aangemerkt als programma-uitgaven.

Toelichten programma- en apparaatsuitgaven met volume- en prijsgegevens

In overleg met het Ministerie van Financiën zijn apparaats- en programma-uitgaven met volume- en prijsgegevens niet toegelicht indien Justitie dit niet zinvol acht.

Meetbare gegevens: outcome, output, throughput, input

In elk beleidsartikel is aangegeven welk type prestatiegegevens is opgenomen. Uiteraard wordt bij voorkeur het beoogde maatschappelijk effect van het beleid vermeld.

Het is echter niet altijd mogelijk om een inschatting te maken van het maatschappelijk effect van het beleid (outcome): soms omdat dit methodologisch te ingewikkeld is, soms omdat de relatie tussen het justitiebeleid en het beoogde maatschappelijke effect niet één-op-één is vast te stellen, soms omdat het eenvoudigweg nog te vroeg is om maatschappelijke effecten vast te kunnen stellen.

In het geval dat geen outcome-indicatoren kunnen worden opgenomen, wordt volstaan met indicatoren op een lager aggregatieniveau. Het kan gaan om outputgegevens (de concrete producten van het beleid), om throughputgegevens (die inzicht bieden in processen, zoals bijvoorbeeld doorlooptijden) of om inputgegevens. In het laatste geval gaat het om een weergave van de beleidsinspanningen: welke activiteiten worden ondernomen, welke middelen worden ingezet, etc. Dit alles om toch een zo maximaal inzicht te bieden in de beleidseffecten die met het Justitiebeleid worden beoogd. Door middel van het «comply or explain» principe wordt dit toegelicht.

Indien het in het geheel niet mogelijk is om prestatiegegevens op te nemen, wordt volstaan met een toelichting, waaruit blijkt op welke wijze op een meer kwalitatieve wijze inzicht wordt verkregen in de beleidsprestaties (explain).

Vaak zal worden verwezen naar het evaluatieonderzoek dat wordt uitgevoerd in 2011, voorafgaand aan concrete beleidsvoornemens (ex ante), ter evaluatie (ex post) of voor de doorlichting van een beleidsterrein als geheel.

Met betrekking tot de beleidsdoorlichtingen heeft Justitie een meerjarige programmering vastgesteld voor de periode van 2006 tot en met 2012. In deze programmering zijn alle operationele doelstellingen opgenomen.

Voor 2011 zijn de volgende beleidsdoorlichtingen gepland:

  • beleidsartikel 11 Nederlandse Rechtsorde;

  • beleidsartikel 17 Internationale Rechtsorde.

Raad voor de rechtspraak

In het wetslichaam is een apart wetsartikel opgenomen voor de Raad voor de rechtspraak. In de Wet op de Rechtelijke Organisatie is de verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering geattribueerd aan de gerechten en aan de Raad voor de rechtspraak. Per 1 januari 2005 kent de Rechtspraak een nieuwe bekostigingssystematiek gebaseerd op outputfinanciering en is gelijktijdig het baten-lasten stelsel ingevoerd. Door Justitie is gekozen voor een «bijdrage-constructie». Dit betekent dat op artikel 12 «Rechtspleging en rechtsbijstand» de bijdrage aan de Raad is opgenomen en de Raad voor de rechtspraak niet in de begrotingsstaat inzake baten/lastendiensten is opgenomen. Voor de Raad is in de begroting een apart hoofdstuk opgenomen (hoofdstuk 7).

Prognosemodel Justitiële Ketens

Als bijlage is opgenomen de uitkomsten van het Prognosemodel Justitiële Ketens. Deze uitkomsten geven de geraamde capaciteitsbehoeften in meerjarig perspectief weer binnen de Justitiële keten.

Opbouw memorie van toelichting

De memorie van toelichting is als volgt opgebouwd:

  • Artikelsgewijze toelichting bij het wetsvoorstel;

  • Begrotingstoelichting, uitgesplitst in:

    • 1. Leeswijzer;

    • 2. Beleidsagenda;

    • 3. Beleidsartikelen;

    • 4. Niet-beleidsartikelen;

    • 5. Bedrijfsvoeringsparagraaf;

    • 6. De baten-lastendiensten;

    • 7. Raad voor de rechtspraak;

    • 8. Verdiepingshoofdstuk;

    • 9. Moties en toezeggingen;

    • 10. Overzicht ZBO’s en RWT’s;

    • 11. PMJ-Bijlage;

    • 12. Wetgevingsprogramma;

    • 13. Lijst met afkortingen;

    • 14. Trefwoordenlijst.

HOOFDSTUK 2 BELEIDSAGENDA

Justitie staat voor een rechtvaardige en veilige samenleving. Een samenleving waarin respect de norm is, waarin mensen goed en tijdig hun recht kunnen halen als dat nodig is en waarin criminaliteit en overlast worden teruggedrongen door gericht te voorkomen, door persoonsgericht aan te pakken en door straf en zorg effectief met elkaar te combineren.

Werken aan een rechtvaardige en veilige samenleving doet Justitie niet alleen. Alleen samen met burgers, maatschappelijke organisaties, de politie, lokale en provinciale overheden en andere ministeries kan Nederland veiliger en rechtvaardiger worden. Justitie schept voorwaarden, stimuleert, regisseert en corrigeert waar nodig. Dat de burger moet kunnen rekenen op een goede en tijdige afhandeling van zaken, staat voor Justitie voorop. Dat daarbij burgers en bedrijfsleven in toenemende mate gestimuleerd en in staat gesteld worden om ook zelf problemen op te lossen, maakt deel uit van die gezamenlijke aanpak. Preventie wordt vanuit die gezamenlijke verantwoordelijkheid ook niet langer vrijblijvend geacht. Van burgers en bedrijfsleven wordt gevraagd al die mogelijkheden om preventief te handelen ook daadwerkelijk te benutten.

Justitie draagt zorg voor de infrastructuur van de rechtsstaat. Dat doet het met wet- en regelgeving, maar meer nog met die duizenden medewerkers die verspreid over het hele land werken in het hart van onze samenleving, in de eerste lijn van onze rechtsstaat. Bij de Rechtspraak, het Openbaar Ministerie, de Dienst Justitiële Inrichtingen, de Immigratie- en Naturalisatiedienst, de Raad voor de Kinderbescherming en een groot aantal in omvang wat kleinere organisaties doen zij werk dat voor de burgers van ons land vaak onmiddellijk zichtbaar en voelbaar is. Met hun inzet is in de afgelopen jaren al veel gerealiseerd. Nederland is veiliger geworden. Dat neemt niet weg dat er nog het nodige te doen is.

De economische en financiële crisis heeft consequenties voor onze samenleving en daarmee ook voor Justitie. In de voor de justitiebegroting relevante ramingen is een stevige toename zichtbaar van het aantal zaken bij de rechterlijke macht en de rechtsbijstand. Deze en andere effecten van de huidige economische en financiële situatie zijn zoveel als mogelijk meegenomen bij de voorbereiding van deze begroting. Al met al geldt dat het op de verschillende punten budgettair behoorlijk knelt. Vaak zitten achter deze budgettaire vraagstukken moeilijk door Justitie te beïnvloeden omstandigheden. Justitie zal alle zeilen moeten bijzetten om de zaken ook budgettair op orde te houden.

2.1. Nederlandse rechtsorde

Justitie is verantwoordelijk voor het in stand houden en waar nodig tot stand brengen van wet- en regelgeving die voldoet aan de eisen van een democratische rechtsstaat. Dit vraagt voortdurend onderhoud en aanpassing van de algemene wetboeken op het terrein van strafrecht en strafvordering, burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht en het bestuursrecht. Ook blijft het noodzakelijk om de kwaliteit van wetgeving te bevorderen en te bewaken. Deze taak strekt zich steeds meer uit tot de Europese en internationale regelgeving die haar weerslag heeft op de nationale rechtsorde.

De komende jaren zullen in ieder geval de volgende thema’s prioriteit moeten hebben:

  • stroomlijning van bestuurlijke processen en een effectiever bestuur;

  • een betrouwbare en slagvaardige rechtspleging en versterken van vertrouwen in de rechtsorde;

  • bevordering van betere dienstverlening door de overheid en terugdringen administratieve lasten;

  • coherentie tussen nationale en Europese rechtsorde en uitvoering van Europeesrechtelijke instrumenten.

2.2. Rechtspleging en rechtsbijstand

De maatschappij stelt ook de komende jaren hoge eisen aan het rechtsbestel. De wijze waarop de organisaties die verantwoordelijk zijn voor het functioneren van rechtsbescherming, rechtshandhaving en geschiloplossing moet aansluiten op maatschappelijke behoeften.

Drie doelen staan centraal:

  • een doelmatig functionerend rechtsbestel;

  • de kwaliteit en integriteit van de juridische dienstverlening;

  • de toegankelijkheid van het rechtsbestel.

Hogere instroom Rechtspraak

De begroting van de Rechtspraak is in belangrijke mate gebaseerd op de verwachte instroomontwikkelingen op de afzonderlijke rechtsterreinen (straf, civiel, bestuur). De economische recessie leidt tot een toename van het aantal zaken. Om de instroomontwikkelingen zo goed mogelijk in te kunnen schatten zijn voor de afzonderlijke rechtsterreinen (ketenbrede) prognosemodellen ontwikkeld die jaarlijks op basis van onder andere de meest recente macro-economische ontwikkelingen en de gerealiseerde instroom worden geactualiseerd. De uitkomsten laten een fors stijgende instroom zien, zeker in een aantal categorieën (arbeidszaken, faillissementszaken en handelszaken). Gegeven de budgettaire problematiek worden maatregelen voorbereid om met deze stijging te kunnen omgaan.

Herziening gerechtelijke kaart

In het verlengde van de parlementaire goedkeuring van het voorstel tot herziening van de gerechtelijke kaart (zie Kamerstukken 29 279, nrs., 85, 90, 97 en 100) en van de beoogde inwerkingtreding van de Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie (wetsvoorstel «Deetman») zal het jaar 2011 in het teken staan van verdergaande voorbereidingen voor de implementatie van de nieuwe gerechtelijke kaart.

Toezicht op notarissen, advocaten en gerechtsdeurwaarders

In de brief van de minister van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten – Generaal (Kamerstukken 32 123 VI, nr. 87) zijn de contouren geschetst van de in de toekomst wenselijke en mogelijke aanpassingen van de wettelijke regelingen van het toezicht op notarissen, advocaten en gerechtsdeurwaarders neergelegd. In 2011 zal hieraan nadere invulling worden gegeven.

2.3. Rechtshandhaving, criminaliteits- en terrorismebestrijding

Met repressie alleen kan criminaliteit niet worden teruggedrongen. Preventieve maatregelen zijn onmisbaar om herhaald daderschap te verminderen en om te voorkomen dat iemand dader of slachtoffer wordt van criminaliteit. Er zijn de afgelopen jaren verschillende programma’s ontwikkeld om criminaliteit terug te dringen en te voorkomen. Zo is er een samenhangende aanpak gerealiseerd tegen huiselijk geweld, geweld in het publieke domein en criminaliteit tegen ondernemingen.

Hetzelfde geldt voor de uitvoering en implementatie van de versterkingsprogramma’s voor georganiseerde misdaad, financieel-economische criminaliteit en cybercrime waarmee ook de minder zichtbare criminaliteit wordt bestreden.

Preventie en bestrijden van criminaliteit is pas dan effectief als er een doelmatige tenuitvoerlegging van sancties en maatregelen volgt op strafbaar gedrag.

Recidivisten hebben een belangrijk aandeel in de totale criminaliteit. De aanpak van recidive die zich kenmerkt door een persoonsgerichte aanpak, is succesvol gebleken en wordt daarom ook voortgezet.

De zorg voor slachtoffers van criminaliteit wordt versterkt mede doordat op 1 januari 2011 de Wet Versterking positie slachtoffers in het strafproces in werking treedt. Deze wet breidt de rechten van slachtoffers verder uit, bijvoorbeeld op het gebied van de informatieverstrekking aan slachtoffers, mogelijkheden voor schadeverhaal in het strafproces en inzage in het dossier. Slachtoffers van ernstige geweldsdelicten komen, onder bepaalde voorwaarden, in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming in de schade.

Vanaf 2011 moet de aandacht voor het slachtoffer ketenbreed, vanaf het eerste politiecontact tot de laatste relevante ontwikkeling rondom de veroordeelde dader, zodanig op orde zijn, dat slachtoffers hun rechten eenvoudig kunnen effectueren en zich daarbij ondersteund weten door Justitie.

Effectieve bestrijding van criminaliteit en ongewenst gedrag is niet mogelijk zonder consequente handhaving. Alle beschikbare instrumenten, preventief én repressief, zullen moeten worden ingezet om naleving van wet- en regelgeving te bevorderen.

Waar mogelijk zullen bovendien maatregelen moeten worden genomen om de effectiviteit van de diverse instrumenten verder te vergroten. Een belangrijk terrein is de verkeershandhaving. De inzet richt zich daarbij met name op overtredingen die blijkens ongevalsanalyses en overtredingspercentages de meeste slachtoffers in het verkeer maken. Het gaat bijvoorbeeld om het rijden met een te hoge snelheid (bij wegwerkzaamheden), rijden onder invloed en het door rood licht rijden. Naast strikte handhaving draagt naar verwachting ook zwaardere sanctionering van overtreders bij aan het gewenste effect dat men zich aan de regels houdt. Overtreders worden daardoor immers geconfronteerd met hogere boetes, terwijl men deze kosten ook kan vermijden door de wet niet te overtreden. Daarom zullen, aanvullend op de in 2010 in gang gezette optimalisering van de verkeershandhaving de boetetarieven in twee fasen worden verhoogd; 15 procent in 2011 en 20 procent in 2012. Ook de procentuele opslag op de boete bij de eerste en tweede aanmaning zal vanaf 2012 worden verhoogd. Met deze maatregelen kunnen ook de tegenvallende ontvangsten uit hoofde van boeten en transacties vanaf 2012 worden gedekt. Ook wordt ingezet op technische aanpassingen zoals het vervangen van de huidige analoge flitspalen door digitale flitspalen en het aanschaffen van nieuwe trajectcontrolesystemen die ook kunnen worden ingezet als het zogenaamde dynamiseren van de maximumsnelheid zou worden ingevoerd. Ook worden maatregelen genomen om het verwerken van door middel van flitspalen geconstateerde overtredingen effectiever en efficiënter te laten plaatsvinden.

Terrorismebestrijding

Het tegengaan van gewelddadige radicalisering en terrorismebestrijding is een blijvende prioriteit. Justitie coördineert het programma weerstandsverhoging. Een aantal CBRN-instellingen (zoals ziekenhuizen en laboratoria) is als risicovol gelabeld. Bij deze objecten worden maatregelen genomen om de fysieke beveiliging te vergroten. Het programma loopt tot 2013.

De gebeurtenissen op Koninginnedag 2009 hebben aanleiding gegeven tot het versterken van de beveiliging van nationale evenementen. Bij de voorbereiding en uitvoering van nationale evenementen die sinds Koninginnedag 2009 hebben plaatsgevonden is hier ervaring mee opgedaan. Deze ervaringen zullen worden vastgelegd in beleidsregels en handreikingen. Er is verder extra aandacht voor solistische dreigers. Dit zijn individueel opererende bedreigers van personen die een publieke functie bekleden. De dreiging die hiervan uitgaat dient te worden teruggedrongen. De betrokken partners in het stelsel bewaken en beveiligen zullen hun samenwerking rond solistische dreigers intensiveren en in samenspraak met de geestelijke gezondheidszorg bevorderen dat de benodigde zorg wordt verleend.

2.4. Jeugd

Justitieel jeugdbeleid strekt zich uit over verschillende terreinen. Zowel de bescherming van jeugdigen tegen aantasting van een goede opvoedings- en leefsituatie, als interlandelijke adoptie, bestrijding internationale kinderontvoering en de bestrijding en voorkoming van jeugdcriminaliteit behoren tot het beleidsterrein van justitie.

Naast de Minister van Justitie zijn ook andere bewindslieden, in het vierde kabinet-Balkenende in het bijzonder de Minister voor Jeugd en Gezin, verantwoordelijk voor vraagstukken rond jeugd.

In de taakafbakening met Justitie is de Minister voor Jeugd en Gezin eerstverantwoordelijk voor het beleid inzake jeugdbescherming, de voogdij van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, jeugdzorg, kindermishandeling en gezinsbeleid.

Justitie is verantwoordelijk voor het voorkomen en bestrijden van jeugdcriminaliteit. Jeugdcriminaliteit brengt zowel de samenleving als de ontwikkeling van de individuele jongere veel schade toe en moet daarom worden voorkomen. De aanpak zoals in de afgelopen jaren ten aanzien van jeugdcriminaliteit is ingezet zal in 2011 worden voortgezet. Speerpunten zijn vroegtijdig ingrijpen, een persoonsgerichte aanpak, een snelle en consequente jeugdketen, passende nazorg en de aanpak van recidive onder strafrechtelijk werkgestrafte jeugdigen. Gebruikmakend van ervaringen uit pilots op het terrein van 12-minners, zal in 2011 een landelijke werkmethode worden opgesteld. Vanaf 1 oktober 2010 kunnen burgemeesters hierbij mede gebruik maken van de nieuwe bepaling in artikel 172b van de Gemeentewet.

Om de recidive bij jeugdigen terug te dringen is de afgelopen jaren het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen ontwikkeld. Deze zal, na besluitvorming over de pilot, in 2011 landelijk geïmplementeerd worden. Een groot aantal criminele jongeren krijgt een werkstraf opgelegd. Aan de hand van de uitkomsten van het lopende onderzoek naar werkstraffen worden in 2011 verbeteringen doorgevoerd ter voorkoming van recidive.

De hierboven beschreven ketenbenadering, waarvan vroegtijdig ingrijpen een belangrijk element vormt, is succesvol gebleken. Dit heeft er mede toe geleid dat de instrumenten die aan het einde van de keten kunnen worden ingezet minder nodig zijn. De daling van de geregistreerde jeugdcriminaliteit, waarbij vooral het aandeel ernstige zaken is verminderd, draagt bij aan leegstand in de justitiële jeugdinrichtingen. De beschikbare capaciteit zal in evenwicht moeten worden gebracht met de behoefte aan capaciteit.

De verbeterplannen van de justitiële jeugdinrichtingen zijn gericht op het verder verhogen van de kwaliteit van de opvoeding en effectiviteit van de behandeling in de inrichtingen.

2.5. Vreemdelingen

Het vreemdelingenbeleid heeft betrekking op vreemdelingen die Nederland als veilig toevluchtsoord beschouwen, reguliere migranten en gezinsmigranten. Het beleid richt zich op gereglementeerde en beheerste toelating tot, verblijf in en vertrek uit Nederland of terugkeer van vreemdelingen, die in nationaal en internationaal opzicht maatschappelijk verantwoord is.

Prioriteiten voor 2011 zijn:

  • Consequente uitvoering van de betere en snellere asielprocedure ingevolge de op 1 juli 2010 in werking getreden herziening van de Vreemdelingenwet 2000 ten behoeve van een rechtvaardig en humaan asielbeleid. Beter door meer zorgvuldigheid bij de voorbereiding van de asielzoeker, medisch advies en continuïteit in de rechtsbijstand. Sneller door meer asielaanvragen te behandelen in de aanmeldprocedure. Blijvende aandacht voor kwetsbare groepen zoals gezinnen met kinderen, alleenstaande minderjarigen, asielzoekers met medische problemen, achtergebleven vrouwen en slachtoffers van mensenhandel. Herhaalde aanvragen zijn hierdoor in de regel onnodig en kunnen, voorzover ze toch worden gedaan, in beginsel versneld worden afgehandeld.

  • Een effectief en efficiënt toegangs- en grenstoezicht, waardoor illegale migratie en grensoverschrijdende criminaliteit wordt voorkomen.

  • De overgang naar een toelatingsbeleid dat selectief is: uitnodigend waar het kan en restrictief waar het moet. Gewenste vormen van migratie worden met een innovatief en eigentijds migratiebeleid gestimuleerd, ingevolge de op 1 januari 2011 in werking tredende herziening van de Vreemdelingenwet 2000. Ingezet wordt op vereenvoudiging van het huidige vergunningenstelsel, verbetering van toelatingsprocedures en versterking van toezicht en handhaving.

  • Effectieve terugkeer van vreemdelingen die niet voor toelating in aanmerking komen, uitgaande van de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling, met de nadruk op zelfstandig en vrijwillig vertrek en vermindering van herhaalde aanvragen.

  • Prioriteit bij het realiseren van vertrek van vreemdelingen die een veiligheidsrisico vormen, zoals criminele vreemdelingen, al dan niet illegaal.

  • Voor de verkrijging van het Nederlanderschap zal ingevolge de gewijzigde Rijkswet op het Nederlanderschap voor het gehele Koninkrijk, vanaf 1 januari 2011 de eis van voldoende kennis van het Nederlands gelden.

2.6. Europese en Internationale rechtsorde

Onze rechtsstaat en onze veiligheid zijn nauw verbonden met de Europese en internationale rechtsorde. Gelet op de grondwettelijke opdracht om de ontwikkeling van deze rechtsorde te bevorderen, zet Justitie zich ook op dit vlak in Effectiviteit en vertrouwen in de Europese en internationale rechtsorde zijn mede van belang om het economische tij te helpen keren en hernieuwde groei mogelijk te maken. Rechtszekerheid en veiligheid stimuleren het (Europese en internationale) economisch verkeer.

Justitie zet echter ook in op internationale samenwerking om het goed functioneren van Europese en de internationale instituties te bevorderen. Daarnaast is er de morele verantwoordelijkheid om naar vermogen bij te dragen aan de opbouw van veiligheid en rechtsstatelijkheid elders in de wereld, ook als daarmee niet een direct Nederlands belang is gediend. Het aanzien van de Nederlandse rechtsorde in de rest van de wereld, leidt er toe dat andere landen geregeld steun van Nederland vragen bij de opbouw van de rechtsorde en de versterking van de rechtsstaat, die waar de Nederlandse en Europese inzet dit vergen, naar vermogen wordt gegeven.

De ontwikkeling van de Europese en internatonale rechtsorde krijgt gestalte in de EU, in de interactie met internationale organisaties, zoals de Raad van Europa en de Verenigde Naties en tussen staten onderling.

Overzichtstabel met belangrijkste beleidsmatige mutaties

Belangrijkste beleidsmatige uitgavenmutaties x € 1 000
 

Beleidsartikel

2010

2011

2012

2013

2014

2015

 

Belangrijkste beleidsmatige prioriteiten:

       
         

1

Toename civiele toevoegingen rechtsbijstand

12

22 000

28 000

28 000

28 000

28 000

28 000

2

Toename productie Raad voor de rechtspraak

12

5 000

12 500

15 000

15 000

15 000

15 000

3

Structurele aanpassing Asielramingen

12, 15

96 150

227 138

251 988

255 388

255 488

255 488

4

Inzet personeel ten behoeve van brandveiligheid Justitiële inrichtingen

13

15 000

20 000

18 000

14 000

13 800

13 800

5

Toename autonome groei forensische zorg in het strafrechtelijk kader

13

10 000

10 000

10 000

10 000

10 000

10 000

6

Bijstelling aanbod straf gevangeniswezen

13

9 600

1 200

– 14 400

0

– 14 400

– 14 400

7

Afname aanbod justitiële jeugdinrichtingen

14

0

– 18 100

– 18 100

– 18 100

– 18 100

– 18 100

8

Tijdelijke overheveling exploitatiebijdrage Het Anker en Overberg (naar Jeugd en Gezin)

14

– 13 852

– 13 852

0

0

0

0

9

Taakstelling bedrijfsvoering rijksdienst

92

1 217

12 841

19 911

38 917

61 416

61 416

10

Taakstelling Boeten & Transacties 2009

92

15 300

0

0

0

0

0

11

Doelmatigheidskorting

92

  

– 50 953

– 50 953

– 50 953

– 50 953

12

Prijsbijstelling tranche 2010

92

0

17 606

17 613

17 740

17 605

17 610

1. Toename civiele toevoegingen rechtsbijstand

Het aantal civiele toevoegingen zal de komende jaren sterk gaan stijgen. Deze stijging wordt veroorzaakt door een toename van het aantal faillissementen en arbeidsconflicten als gevolg van de economische crisis. Ook wordt een forse stijging verwacht op het gebied van familiezaken, in het bijzonder jeugdzaken.

2. Toename productie Raad voor de rechtspraak

Mede als gevolg van de economische teruggang en de toegenomen werkloosheid neemt de capaciteitsbehoefte civiele zaken sterk toe. In de kantonsector is de stijging vooral het gevolg van een toename van incassozaken, kantonfamiliezaken en de competentiewijziging. Als gevolg van de toename van civiele (kanton)zaken zal ook de capaciteitsbehoefte bij de civiele sectoren in hoger beroep fors gaan toenemen. Ook de bestuursrechtspraak krijgt als gevolg van de toegenomen werkloosheid te maken met fors stijgende capaciteitsbehoeften. Met name het toenemend aantal bijstandszaken en sociale verzekeringszaken veroorzaakt de stijgingen in de bestuursrechtspraak.

3. Structurele aanpassing Asielramingen

De ramingen ten aanzien van de instroom van het aantal asielzoekers voor de periode 2011 en verder worden aangepast naar een realistisch niveau. Dit niveau is vastgesteld op een instroom van 17 000 asielzoekers per jaar en komt overeen met de gerealiseerde instroom in 2009. In het kader van deze aanpassing van de ramingen wordt een correctie doorgevoerd ten aanzien van de reeds beschikbare budgetten voor opvang, behandeling van aanvragen, rechtsbijstand, terugkeer en vertrek.

4. Inzet personeel ten behoeve van brandveiligheid Justitiële inrichtingen

In 2007 is binnen de Justitiële inrichtingen gestart met het project (brand)veiligheid. Het extra benodigde personeel dat in de avond en nacht aanwezig moet zijn, conform de voorschriften van de plaatselijke brandweer, leidt tot meerkosten.

5. Toename autonome groei forensische zorg in het strafrechtelijk kader

De financiering van de forensische zorg is overgeheveld vanuit de AWBZ naar het Ministerie van Justitie. De uitgavenraming voor forensische zorg is gebaseerd op de autonome groei van 8% die zich afgelopen jaren op dit terrein heeft voorgedaan. Derhalve wordt in 2010 € 10 mln. extra beschikbaar gesteld.

6. Bijstelling aanbod straf gevangeniswezen

Het Prognosemodel Justitiële Ketens raamt een structurele daling van de capaciteitsbehoefte voor het gevangeniswezen. Daarmee wordt de dalende trend van vorig jaar voortgezet. Langs de lijnen van het vorig jaar vastgestelde Masterplan wordt invulling gegeven aan deze lagere capaciteitsbehoefte. Dit gebeurt deels door reeds voorgenomen sluitingen in de tijd naar voren te halen, deels door meerpersoonscellen om te zetten in eenpersoonscellen. Daarnaast worden met ingang van 2014 367 extra plaatsen gesloten ten opzichte van het Masterplan. Voor de korte termijn betekent dit echter dat extra kosten moeten worden gemaakt om personeel versneld te laten afvloeien (doorbetalen salariskosten, kosten sociaal plan etc.). Daarnaast wordt ook rekening gehouden met de kosten voor het beëindigen van huurcontracten.

7. Afname aanbod justitiële jeugdinrichtingen

De raming uit het Prognosemodel Justitiële Ketens geeft meerjarig een substantieel lagere capaciteitsbehoefte aan over de brede linie van de jeugdstrafrechtketen. Met name in de Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI’s) en de jeugdreclassering is dit merkbaar. Een quickscan naar de oorzaken hiervan laat zien dat er vaker gekozen wordt voor zorg en behandeling in de jeugdketen in plaats van detentie. Daarnaast is de instroom van zaken met ernstige feiten afgenomen.

8. Overheveling van de exploitatiebijdrage voor «’t Anker en Overberg» (naar Jeugd en Gezin)

In verband met de behoefte aan plaatsen voor gesloten jeugdzorg en de onderbezetting van strafrechtelijke capaciteit worden de locaties Overberg van justitiële jeugdinrichting (JJI) de Heuvelrug en de locatie ’t Anker van JJI Harreveld tijdelijk ingezet als een gesloten jeugdzorginstelling. Als gevolg hiervan wordt de exploitatiebijdrage overgeheveld naar de begroting van Jeugd en Gezin.

9. Taakstelling bedrijfsvoering rijksdienst

Ter dekking van maatregelen uit het aanvullend beleidsakkoord (Balkenende IV) is er een taakstelling bedrijfsvoering opgelegd. Deze taakstelling is naar rato verdeeld over de verschillende Justitieonderdelen.

10. Taakstelling Boeten & Transacties 2009

Om het tekort in 2009 op de geraamde ontvangsten uit Boeten & Transacties op te vangen is bij Ontwerpbegroting 2010 een taakstellende korting van € 15,3 mln in 2010 opgelegd. Dit bedrag is naar rato verdeeld over de verschillende Justitieonderdelen.

11. Doelmatigheidskorting

Het kabinet Balkenende IV heeft in het aanvullend beleidsakkoord een besparing van € 3,2 mld. verondersteld uit hoofde van loonmatiging. Omdat loonmatiging niet in de veronderstelde mate is opgetreden, neemt het kabinet Balkenende IV zijn verantwoordelijkheid en kiest het voor een alternatieve invulling. Eén van de onderdelen van deze invulling is een doelmatigheidskorting van 1,5 % op de Rijksdienst vanaf 2012. Voor de Justitiebegroting betekent dit een taakstelling van € 51 mln. per jaar op personeel en materieel. Tot nadere verdeling is deze taakstelling «geparkeerd» op artikel 92 (Nominaal en onvoorzien). De invulling van de € 3,2 mld. wordt verder toegelicht in de Miljoenennota.

12. Prijsbijstelling tranche 2010

Dit betreft de prijsbijstelling die vooralsnog is «geparkeerd» op dit artikel. Bij eerste suppletoire begroting 2011 wordt dit bedrag verdeeld over de verschillende Justitieonderdelen.

Belangrijkste beleidsmatige ontvangstenmutaties x € 1 000
 

Beleidsartikel

2010

2011

2012

2013

2014

2015

 

Belangrijkste beleidsmatige prioriteiten:

       
         

1

Hogere ontvangsten griffierechten

12

5 000

12 500

15 000

15 000

15 000

15 000

2

Pluk-ze

13

10 600

0

0

0

0

0

3

Verbeurd verklaringen

13

7 500

8 000

9 000

9 500

10 000

10 500

4

Boeten & Transacties

13

– 80 500

– 57 000

26 000

64 500

47 000

 

1. Hogere ontvangsten Griffierechten

Op grond van de hogere instroomverwachting wordt een hogere opbrengst van de griffierechten verwacht.

2. Ontvangsten uit Pluk-ze

In 2010 doet zich een aantal specifieke zaken voor waardoor de geraamde ontvangsten uit Pluk-ze met € 10,6 mln. toenemen.

3. Verbeurd verklaringen

De huidige raming van verbeurdverklaringen blijkt op basis van de realisaties in de afgelopen jaren behoedzaam. Derhalve wordt de raming vanaf 2010 opgehoogd met € 7,5 mln. en in de daarop volgende jaren ieder jaar nog eens met € 0,5 mln.

4. Boeten & Transacties

In aanvulling op het vorig jaar in gang gezette programma ter optimalisering van de verkeershandhaving worden, om redenen zoals hierboven in de beleidsagenda uiteen gezet, de boetetarieven in twee fasen verhoogd; met 15 procent in 2011 en met 20 procent in 2012. Ook de procentuele opslag op de boete bij de eerste en tweede aanmaning zal vanaf 2012 worden verhoogd. De verhoging van de boetetarieven zal, ook wanneer de verwachte verbetering van de naleving wordt meegerekend en de handhavingsinzet gelijk blijft, vanaf 2012 de verwachte tegenvaller geheel compenseren.

HOOFDSTUK 3 BELEIDSARTIKELEN

11 Nederlandse rechtsorde

Algemene doelstelling

Een goed functionerende rechtsorde waarbinnen samenleving en burger tot hun recht komen.

Meerjarenperspectief

Ontwikkelingen in de maatschappij zorgen voor veranderende inzichten en ideeën over een goed functionerende rechtsorde. Justitie is verantwoordelijk voor het tot stand brengen en het in stand houden van wet- en regelgeving die voldoet aan de eisen van een democratische rechtsstaat. Veranderende inzichten vergen continue aandacht voor onderhoud en aanpassing van de algemene wetboeken op het terrein van strafrecht en strafvordering, burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht en de Algemene wet bestuursrecht. Ook blijft het, ongeacht de politieke context, noodzakelijk om de kwaliteit van wetgeving te bewaken en te bevorderen. Deze taak strekt zich steeds meer uit tot internationale regelgeving die haar weerslag heeft op de nationale rechtsorde.

De komende jaren hebben de volgende thema’s prioriteit:

  • stroomlijning van bestuurlijke processen en een effectiever bestuur;

  • waarborgen van de toegang tot het recht en betere dienstverlening door de overheid;

  • een betrouwbare en slagvaardige rechtspleging;

  • coherentie tussen nationale en Europese rechtsorde en uitvoering van Europeesrechtelijke instrumenten.

Omschrijving van de samenhang

Justitie heeft tot taak: de instandhouding van een juridische infrastructuur waarin het rechtsverkeer tussen mensen onderling en tussen overheid en burgers kan floreren. Het recht ordent, biedt structuur en ruimte en beschermt. De wet moet bestendig zijn en gebaseerd zijn op de in de samenleving gedragen rechtsovertuigingen. Dat vergt voortdurende aandacht voor onderhoud en aanpassing aan nieuwe ontwikkelingen op sociaal, cultureel, economisch en technologisch gebied.

In het verlengde daarvan wordt een algemeen wetgevingsbeleid gevoerd, gericht op de kwaliteit van wetgeving van alle ministeries en de afstemming daarvan op de juridische infrastructuur. De Nederlandse rechtsorde is deel van de Europese rechtsorde en omgekeerd is de Europese rechtsorde deel van de Nederlandse. Zorg voor een goed functionerende rechtsorde heeft derhalve altijd een Europese dimensie.

Verantwoordelijkheid

De Minister van Justitie is verantwoordelijk voor het tot stand brengen van wet- en regelgeving ter uitvoering van de grondwettelijke opdracht het burgerlijk recht, het burgerlijk procesrecht, het strafrecht en het strafprocesrecht in algemene wetboeken en algemene regels van bestuursrecht bij wet vast te leggen. Tevens is de Minister van Justitie verantwoordelijk voor het rijksbreed bevorderen van de kwaliteit van wetgeving en de coherentie en consistentie daarvan. Onder deze verantwoordelijkheid valt ook de versterking van de juridische kwaliteit binnen de rijksoverheid.

Externe factoren

Nieuwe sociale, culturele en economische ontwikkelingen hebben hun weerslag op het recht en de wet. Hetzelfde geldt voor zeer uiteenlopende factoren als demografische ontwikkelingen, (terrorisme)dreigingen, de bevolkingsintensiteit en de betekenis daarvan voor economie en milieu.

Meetbare gegevens

De maatschappelijke effecten van het beleid ter bevordering van een goed functionerende rechtsorde lenen zich niet goed voor kwantificering in outcome- en outputindicatoren. Het aantal op te stellen wetten en regels vormt geen doel op zich.

Voor wat betreft het algemeen wetgevingsbeleid geldt ook dat geen cijfermatig inzicht kan worden geboden in de te verwachten beleidseffecten. Op enkele onderdelen zijn echter wel indicaties te geven van de beoogde resultaten, zij het maximaal op het niveau van output. Bij individuele wetsvoorstellen is zo goed mogelijk op kwalitatieve wijze aangegeven wat de beoogde resultaten zijn.

De juridische functie van het Rijk is wel periodiek onderwerp van een visitatie die tot aanbevelingen tot versterking kan leiden (zie onder 11.2.). De kwaliteit van wetgeving wordt continu getoetst, per wetsvoorstel of ontwerp-AMvB. Dit wordt voor de behandeling in de ministerraad getoetst aan de kwaliteitscriteria zoals verwoord in de « Aanwijzingen voor de regelgeving » en bestaande toetsingskaders. Het effect van de toetsing blijkt uit de adviezen van de Raad van State en het uiteindelijk oordeel van de beide Kamers der Staten-Generaal.

Wel kan er enig inzicht gegeven worden in de ontwikkeling van het aantal regels en de ontwikkeling van de administratieve lasten.

Ontwikkeling aantal regels

Eén element van kwalitatief goede wetgeving is dat geen onnodige regelgeving wordt gemaakt. Nu zegt het aantal geldende regelingen op een bepaald moment niets over de vraag of regelgeving wel of niet onnodig is, maar het aantal regelingen is wel medebepalend voor de regeldruk die wordt ervaren. Waar in het rapport «Alle regels tellen» (2004) nog een gestage groei van het regelingenbestand sinds 1980 werd geconstateerd, is in de periode sinds 2004 het aantal geldende wetten, AMvB’s en ministeriële regelingen gedaald. In 2010 is voor het eerst weer sprake van een zeer lichte stijging van het aantal wetten, AMvB’s en ministeriele regelingen ten opzichte van 2009.

Aantal geldende wetten, AMvB’s en ministeriële regelingen per 1 januari 2004–2010

Aantal geldende wetten, AMvB’s en ministeriële 					 regelingen per 1 januari 2004–2010

Bovenstaande gegevens zijn verkregen uit het Basiswettenbestand. Met ingang van 2010 is er sprake van een permanente monitor.

De ontwikkeling van de administratieve lasten

In het Coalitieakkoord (Balkenende IV) is opgenomen dat de administratieve lasten voor bedrijven met 25% gereduceerd moeten worden ten opzichte van de nulmeting van de geldende regelgeving op 1 maart 2007. Voor ieder departement geldt deze norm van 25%.

De administratieve lasten voor burgers moeten gereduceerd worden met 25% ten opzichte van de nulmeting van de geldende regelgeving op 31 december 2002. De administratieve lasten voor burgers worden berekend in tijd en geld (out-of-pocket kosten).

Per departement zijn op basis van de nulmeting voor burgers minimum-reductiepercentages vastgesteld. Voor Justitie betekent dit dat voor burgers 20,9% in tijd en 19,7% in out-of-pocket kosten moet worden gereduceerd.

De uitvoering van de reductiedoelstellingen voor vermindering van administratieve lasten voor bedrijven en burgers op het Justitieterrein verloopt volgens planning en verwacht wordt dat de gerealiseerde reductie soms iets hoger is (23,5% in tijd in plaats van 20,9%). De ambities voor 2011 en daaropvolgend zullen mede afhangen van het nieuwe regeerakkoord.

Doelstellingen administratieve lasten
 

Stand medio 2010

2011

Administratieve lasten bedrijven uit Justitieregelgeving

Gerealiseerd 16,3%

Reductie van 26,1%

(t.o.v. nulmeting 1 maart 2007)

Administratieve lasten burgers uit Justitieregelgeving (in tijd)

Gerealiseerd 17,3%

Reductie van 23,5%

(t.o.v. nulmeting 31 december 2002)

Administratieve lasten burgers uit Justitieregelgeving (in out-of-pocket kosten)

Gerealiseerd 19,4%

Reductie van 19,7%

(t.o.v. nulmeting 31 december 2002)

Toelichting op de tabel:

De administratieve lasten voor bedrijven (in geld) en voor burgers (in tijd en in geld) worden gereduceerd door wijzigingen in wet- en regelgeving van Justitie, waarin informatieverplichtingen die de overheid aan bedrijven of burgers oplegt worden geschrapt of vereenvoudigd. De reductie percentages voor 2011 zijn gebaseerd op de huidige reductieprogramma’s en het wetgevingsprogramma.

Budgettaire gevolgen van beleid x € 1 000
  

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen

17 149

18 713

14 927

11 602

11 585

11 546

11 547

         

Apparaat-uitgaven

15 322

18 713

14 927

11 602

11 585

11 546

11 547

11.1

(Nationale) wetgeving

7 528

7 375

6 332

6 441

6 437

6 422

6 422

 

11.1.1 Directie Wetgeving

7 528

7 375

6 332

6 441

6 437

6 422

6 422

11.2

Wetgevingskwaliteitsbeleid

7 794

11 338

8 595

5 161

5 148

5 124

5 125

 

11.2.1 Directie Wetgeving

7 794

11 338

8 595

5 161

5 148

5 124

5 125

         

Ontvangsten

34

920

0

0

0

0

0

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Beleidsdoorlichting

Omschrijving

Status

Vindplaats

Nationale wetgeving en wetgevingsbeleid

Af te ronden in 2011

www.wodc.nl

Toelichting

In 2011 zal het justitiebeleid dat gericht is op een goed functionerende rechtsorde waarbinnen samenleving en burger tot hun recht komen integraal worden geëvalueerd. De resultaten van deze zogeheten beleidsdoorlichting worden ter beschikking gesteld aan de Tweede Kamer.

Operationele doelstelling 11.1

Het tot stand brengen van wet- en regelgeving ter uitvoering van de grondwettelijke opdracht het burgerlijk recht, het strafrecht, het burgerlijk- en strafprocesrecht in algemene wetboeken en algemene regels van bestuursrecht bij wet vast te leggen.

Motivering

Een goed functionerende rechtsorde waarbinnen samenleving en burger tot hun recht komen vraagt om nieuwe regelgeving en om aanpassing van bestaande op basis van de actuele behoeften in de samenleving. In onderstaande komen de prioritaire beleidsinstrumenten aan de orde.

Daarnaast wordt het wetgevingsinstrument ingezet ter realisering van overige beleidsdoelen van Justitie. Dit is terug te vinden onder de operationele doelstellingen op de overige beleidsartikelen van de Justitiebegroting.

Een coherente rechtsorde

Instrumenten

Wet- en regelgeving moet voldoen aan de behoeften van de samenleving en de rechtspraktijk. Dit vereist voortdurende aandacht voor noodzakelijke aanpassingen.

  • Zo zal naar verwachting in de volgende kabinetsperiode uit efficiencyoverwegingen stroomlijning van procedures in het Wetboek van Strafvordering worden bewerkstelligd.

  • De slagvaardigheid van het strafrecht moet verder worden vergroot door verbetering en versnelling van de tenuitvoerleggingsmodaliteiten. Hiervoor zal in 2010 een onderzoek gestart worden met het oog op uitbreiding van het arsenaal van effectieve maatregelen. Het onderzoek zal medio 2011 zijn afgerond. Daarmee wordt het beschikbare pakket aan maatregelen en straffen met het oog op generale en speciale preventie adequater en effectiever.

  • Het penitentiair recht en de wetgeving betreffende personen met een stoornis van de geestvermogens worden in onderlinge samenhang herzien door middel van de voorstellen Wet verplichte GGZ en de Wet forensische zorg. Deze wetsvoorstellen strekken ertoe het verlenen van niet-vrijwillige zorg aan personen met een psychische stoornis goed te regelen.

  • In 2011 is de voltooiing voorzien van boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (internationaal privaatrecht), waardoor de regels voor grensoverschrijdend rechtsverkeer op één plaats te vinden zijn. In aanvulling op Europese regels rond onder andere consumentenkrediet wordt gewerkt aan de regeling voor de huurkoop.

Het bevorderen van toegang tot het recht

De burger en overheid zijn gebaat bij een efficiënt bestuurs(proces)recht. Dit kan door middel van het efficiënter inrichten van procedures. Daartoe zullen in 2011 voorstellen worden opgesteld die gericht zijn op snellere procedures en meer probleemoplossend vermogen.

Door bundeling van gelijksoortige zaken, alternatieven voor een procedure bij de rechter en beperking van de noodzaak om in drie instanties te procederen zal de toegang tot het recht bevorderd worden. Daartoe dienen nieuwe procesrechtelijke instrumenten als de prejudiciële vraag aan de Hoge Raad en de verdere ontwikkeling van de Wet collectieve afwikkeling massaschade.

In het auteursrecht wordt een begin gemaakt met de geschillenregeling tarieven collectief beheer.

Het wetsvoorstel disclosure geeft een nadere wettelijke regeling van de mogelijkheden om informatie te verkrijgen ter onderbouwing van een vordering of verweer. Het dringt dure en omslachtige getuigenverhoren in een civiel geschil terug. De inzet is verder om door middel van wetswijziging ervoor te zorgen dat burgers en bedrijven meer gebruik kunnen maken van digitalisering, onder andere bij het aanbrengen van de dagvaarding.

Vertrouwen in de rechtsorde

Voor het versterken van het vertrouwen in de rechtsorde is de herzieningsregeling in het wetboek van Strafvordering van groot belang. Deze wetgeving maakt het mogelijk dat strafvonnissen en -arresten op een eenvoudiger wijze dan thans het geval is kunnen worden herzien. Het streven is dat de twee wetsvoorstellen in juli 2011 in werking treden.

Inspelen op behoeften van de economie

Innovatie en creativiteit zijn belangrijke motoren van onze economie. Intellectuele eigendomsrechten beschermen investeringen en creatief werk. In 2011 wordt in nationaal en in Europees verband gewerkt aan het bevorderen van nieuwe businessmodellen voor de verspreiding van auteursrechtelijk beschermd materiaal en worden de rechten en verplichtingen van makers vastgelegd in het auteurscontractenrecht. Voorzien is de voltooiing van het programma modernisering ondernemingsrecht, waaronder invoering van bestuur en toezicht van een vennootschap in één orgaan en de flexibilisering van het BV-recht. In het arbeidsrecht zal veel aandacht uitgaan naar de arbeidsrechtelijke gevolgen van de discussie over de pensioengerechtigde leeftijd en het bevorderen van de inzetbaarheid van werknemers. De herziening van het stelsel van zekerheden zal zich naast de implementatie van de richtlijn financiële zekerheidsovereenkomsten toespitsen op registratie van zekerheden en de mogelijke invoering van de trustfiguur in Nederland.

Betere dienstverlening door de overheid

In 2011 is de plenaire behandeling voorzien van het wetsvoorstel elektronische burgerlijke stand. Die maakt het elektronisch doen van aangiften van geboorte, huwelijk en overlijden mogelijk en noodzaakt burgers niet langer om allerlei uittreksels zelf te gaan halen en vervolgens bij een andere gemeente af te leveren.

Bevorderen dat mensenrechten gerespecteerd worden

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) doet uitspraak over klachten op onder meer het terrein van het strafrecht en het vreemdelingenrecht. Ons land is gehouden deze uitspraken te respecteren. Justitie toetst reeds bij de totstandkoming van regelgeving op de verenigbaarheid ervan met mensenrechtelijke waarden en normen. Belangrijk issue in 2011 zal zijn de in het Verdrag van Lissabon vastgelegde toetreding van de Europese Unie tot het EVRM. Dit betekent een institutionele versterking van de mensenrechtelijke standaarden in de nationale en internationale rechtsorde.

In 2011 zal de daadwerkelijke oprichting van een College voor Mensenrechten en Gelijke Behandeling worden afgerond door inwerkingtreding van een daartoe strekkend wetsvoorstel. Dit college zal als taak krijgen om de rechten van de mens, in het bijzonder het recht op gelijke behandeling, in Nederland te beschermen en de naleving ervan te bevorderen. Het college krijgt ook de taak om te oordelen op basis van de wetgeving inzake gelijke behandeling.

Implementatie Europese en internationale regelgeving

In toenemende mate is de nationale wetgeving een afgeleide van de Europeesrechtelijke regelgeving, dit naast de verdragen die leiden tot nationale wetgeving. Steeds vaker zal daarom de vraag gesteld moeten worden of bestaande wetgeving die in oorsprong een nationale herkomst heeft, vervangen moet worden door wetgeving die nauwer aansluit bij de Europese of internationale rechtsorde. Een consequentie van deze ontwikkeling is ook dat het belang toeneemt van beïnvloeding van de Europese of internationale beleidsvormende processen.

In 2011 is de parlementaire behandeling voorzien van wetsvoorstellen ter implementatie van onder andere de richtlijn mediation, de richtlijn timeshare, de richtlijn financiële zekerheidsovereenkomsten, de richtlijn consumentenkrediet en de richtlijn vereenvoudiging voorschriften bij fusie en splitsing (voor het bedrijfsleven).

De wetgeving zal voor wat betreft de gebruikte terminologie en verdragsverwijzingen door middel van een rijksbrede aanpassingsoperatie worden aangepast aan het in 2009 in werking getreden Verdrag van Lissabon.

Meetbare gegevens

De maatschappelijke effecten van het beleid ter bevordering van een goed functionerende rechtsorde laten zich niet goed cijfermatig in beeld brengen. Wel worden hieronder ten aanzien van enkele speerpunten, voortgangsindicatoren gegeven voor 2011.

Kwaliteit algemene wetboeken en wetgeving (operationele doelstelling 1)

(sub) doelstelling

Indicator/verwijzing

Streefwaarde 2011

Coherentie tussen nationale en Europese rechtsorde

Snelheid implementatie Europese richtlijnen, percentage binnen de Europese normen zoals beschreven in het Scoreboard van de interne markt.

– In 0% van de geldende richtlijnen termijnoverschrijding van meer dan 2 jaar (Nederland: 0%)

– In ten hoogste 1% van de geldende richtlijnen termijnoverschrijding (Nederland nu: 0,5%).

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Overig evaluatieonderzoek

Omschrijving

Status

Vindplaats

Praktijkervaringen in België met de ontbinding van de overeenkomst door de misleide consument

Af te ronden in 2011

www.wodc.nl

Toelichting

Het onderzoek wordt uitgevoerd op verzoek van kamerfracties in Tweede en Eerste Kamer, die met dit onderzoek willen weten of verruiming van de wettelijke sancties bij consumentenkoop verstandig is.

Operationele doelstelling 11.2

Het bevorderen van de kwaliteit van wetten en regels, van de onderlinge samenhang en consistentie van wetgeving en het versterken van de juridische functie van het Rijk.

Motivering

Heldere, uitvoerbare en rechtmatige wetgeving is noodzakelijk voor een rechtsorde waarin mensen vertrouwen stellen. Mensen moeten de ruimte krijgen zich te ontplooien en hun onderlinge relaties vorm te geven. Bedrijven moeten kunnen ondernemen en zo bijdragen aan het economisch herstel. De leefomgeving moet worden beschermd.

Wetgeving kan daaraan bijdragen door duidelijke regels en kaders te bieden. Dat eist dat regelgeving voldoet aan hoge kwaliteitseisen en dat departementen voldoende juridische kwaliteit leveren. Speerpunten voor 2011 zijn: aandacht voor nut en noodzaak van wetgeving en voor de uitvoerbaarheid ervan; ruimte voor burgers, professionals, bedrijven en medeoverheden en versnelling van procedures en van het wetgevingsproces zelf.

Instrumenten

Hieronder zijn de beleidsinstrumenten opgenomen die moeten bijdragen aan de kwaliteit van wetgeving en versterking van de juridische functie.

Kwaliteit van wetgeving

De volgende beleidsinstrumenten worden structureel ingezet om de wetgevingskwaliteit te bewaken.

  • Toetsing: alle ontwerpwetgeving wordt getoetst door Justitie voor behandeling in de ministerraad aan de algemeen aanvaarde kwaliteitscriteria als administratieve en bestuurlijke lasten, uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid, grondrechten en internationaal en Europees recht.

  • Kenniscentrum Wetgeving: het kenniscentrum vormt het permanente forum binnen de rijksoverheid voor de ontwikkeling van nieuwe instrumenten van wetgeving en uitwisseling van kennis en ervaring van betrokkenen bij het wetgevingsproces.

  • Academie voor wetgeving en Academie voor overheidsjuristen: opleiden van nieuwe en zittende wetgevingsjuristen én opleiden van juristen die belast zijn met taken op andere overheidsdomeinen.

  • Interdepartementale Commissie voor Constitutionele aangelegenheden en wetgevingsbeleid: de ICCW vormt het ambtelijke voorportaal van de Raad voor Veiligheid en Rechtsorde en is tevens het interdepartementale forum voor wetgevingsvraagstukken en andere aspecten van algemeen wetgevingsbeleid; in 2009 is deze taak uitgebreid tot alle juridische zaken.

  • Interdepartementale Commissie Europees recht: draagt bij aan de samenhang van nationaal en Europees recht onder meer door bewaking van voor het nationaal recht relevante ontwikkelingen op Europeesrechtelijk terrein en door Europeesrechtelijke advisering over nationale voorstellen.

Hieronder wordt aangegeven welke concrete beleidsinstrumenten in 2011 worden ingezet.

Vernieuwing en verbetering van het wetgevingsproces

In het licht van de uitgangspunten van de nota Vertrouwen in wetgeving (Kamerstukken II, 31 731, nr. 1) worden in 2011 maatregelen genomen ter verbetering van het wetgevingsproces. In 2011 wordt besloten over de structurele invoering van – de thans nog experimentele – internetconsultatie over nieuwe wetsvoorstellen.

Het Clearing House voor Wetsevaluatie verzamelt, via de analyse van concrete wetsevaluaties aan de hand van een analysekader, kennis over de werking van wetgeving. Deze kennis is bruikbaar voor zowel wetgevingsjuristen als voor beleidsmedewerkers, zodat geleerd kan worden van ervaringen uit het verleden en de kwaliteit van beleid en regelgeving wordt verbeterd. Ook is een vragenlijst ontwikkeld die benut kan worden bij de uitvoering van afzonderlijke wetsevaluaties. In 2011 wordt een tussenrapportage aan het parlement gezonden.

De toepassing van de verbreding van Vaste Verandermomenten (VVm) is per 1 januari 2010 ingevoerd en geldt voor wetten, AMvB’s en ministeriële regelingen. Deze wordt gemonitord en in 2012 geëvalueerd.

Het programma «Legis» is gericht op de ontwikkeling van ICT-instrumenten ter ondersteuning van het wetgevingsproces, waardoor onder andere de uitvoerbaarheid van nieuwe wetgeving beter kan worden geborgd. Eind 2010 zal aan de hand van een evaluatie worden besloten over voortzetting van het programma in 2011.

Integraal afwegingskader beleid en regelgeving

Het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (IAK) draagt bij aan een gestructureerd «evidence-based» beleid bij de beslissing tot overheidsinterventie door onder andere wetgeving. Bestaande toetsingsinstrumenten zijn gesaneerd en geïntegreerd in een digitaal systeem dat beleidsmedewerkers en wetgevingsjuristen ondersteunt bij de ontwikkeling en verantwoording van nieuw beleid en nieuwe regelgeving. In 2010 is geëxperimenteerd met het IAK in proefprojecten bij de ministeries. In 2011 wordt een beslissing genomen over structurele inbedding van het IAK in het beleids- en wetgevingsproces bij de rijksoverheid.

Versterking van de juridische functie van het Rijk

Via het programma «Versterking Juridische Functie Rijk» is de afgelopen jaren geïnvesteerd in de juridische kwaliteit van de rijksoverheid. Die investering richtte zich op werving en selectie van juristen, meer samenwerking bij de uitvoering van taken tussen juristen, beleidsmedewerkers en uitvoerders, maar ook tussen de directies juridische zaken van de verschillende departementen. Doel is ervoor te zorgen dat de ministeries juridisch «in control» zijn. Deze samenwerking op juridisch terrein wordt op permanente basis voortgezet.

In 2009 is het takenpakket van de Interdepartementale Commissie voor Constitutionele aangelegenheden en wetgevingsbeleid (ICCW) uitgebreid tot alle juridische zaken. De ICCW is het ambtelijke voorportaal van de Raad voor Veiligheid en Rechtsorde en is tevens het interdepartementale forum voor wetgevingsvraagstukken en andere aspecten van algemeen wetgevingsbeleid.

In het kader van de uitbreiding van het takenpakket van de ICCW komen met ingang van 2011 de volgende onderwerpen in de ICCW aan bod:

  • de kwaliteitsrapportages van de verschillende ministeries;

  • de afstemming van de grote juridische- en wetgevingsprojecten;

  • de inhoudelijke en procedurele ingrepen om het wetgevingsproces sneller te laten verlopen;

  • de uitvoering van het wetgevingsprogramma;

  • de strategische juridische agenda;

  • de uitvoering van het juridische onderzoeksprogramma;

  • de vormgeving van een gezamenlijk personeelsmobiliteit.

Meetbare gegevens

Voor het bereiken van maatschappelijke effecten op diverse beleidsterreinen is een goede kwaliteit van wetgeving en een sterke juridische functie van het Rijk van groot belang. De directe maatschappelijke effecten van de instrumenten die ingezet worden om de kwaliteit van wetgeving te bevorderen en ter versterking van de juridische functie, zijn echter moeilijk meetbaar. Zoals in bovenstaande is aangegeven, worden diverse inspanningen verricht om de kwaliteit van wetgeving voortdurend te monitoren en te verbeteren.

In onderstaande tabel zijn streefwaarden vermeld voor de belangrijkste beleidsinstrumenten.

Rijksbrede wetgevingskwaliteit (operationele doelstelling 2)
 

Indicator

2011

2012

Systematisch monitoren wetgevingskwaliteit en daar algehele beleidslijn t.b.v. wetgevingskwaliteit uit destilleren

Wetsevaluaties worden systematisch bijeengebracht in het clearing house wetsevaluatie en daar aan de hand van een analysekader geanalyseerd om informatie te verzamelen over de werking van wetgeving.

Nieuwe wetsevaluaties worden bijeengebracht in het clearing house wetsevaluatie

Het clearing house wetsevaluatie zal in 2011 een tussenrapportage opstellen, die door de Minister van Justitie aan het parlement wordt gezonden.

In 2012 wordt een eindrapportage opgesteld door het clearing house wetsevaluatie en door de Minister van Justitie aan het parlement gezonden.

Integrale voorbereiding van beleid en wetgeving en verantwoording van gemaakte keuzes

Toepassing werkwijze van het integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (IAK) en verantwoording van gemaakte keuzes in beleid- en regelgevingsvoorstellen.

Structurele inbedding in beleids- en wetgevingsproces houdt in dat zoveel mogelijk beleidsnota’s en wetsvoorstellen worden voorbereid met behulp van het IAK en dat de gemaakte keuzes expliciet worden verantwoord in de beleidsnota of toelichting bij een wetsvoorstel.

 

Vaste verandermomenten (VVM)

Toepassing VVM en verantwoording hierover in de toelichting bij een wettelijke regeling

In 2011 wordt systematisch gemonitord hoeveel van de in werking getreden regelingen toepassing geven aan VVM en in hoeverre hierover verantwoording wordt afgelegd in de toelichting bij een wettelijke regeling.

In 2012 wordt een evaluatieonderzoek uitgevoerd naar de werking van het systeem van VVM en de mate waarin het systeem wordt nageleefd. De resultaten van dit onderzoek worden gerapporteerd aan de Tweede Kamer.

12 Rechtspleging en rechtsbijstand

Algemene doelstelling

Een doeltreffend en doelmatig rechtsbestel.

Meerjarenperspectief

Het beleid van Justitie is erop gericht dat het functioneren van de organisaties verantwoordelijk voor rechtsbescherming, rechtshandhaving en geschiloplossing, aansluit op maatschappelijke behoeften, zowel afzonderlijk als in samenhang.

De gerichtheid op maatschappelijke behoeften betekent dat het algemeen belang van een effectief en efficiënt functionerend rechtsbestel centraal staat, waarbij zoveel als mogelijk rekening wordt gehouden met de burgers en bedrijven die er hun recht zoeken. De concrete individuele behoeften van burgers en bedrijven of van organen van de overheid zelf kunnen op gespannen voet staan met het algemeen belang. Er zijn grenzen aan wat het recht kan oplossen. Burgers en bedrijven hebben daarbij niet alleen rechten, maar ook plichten en eigen verantwoordelijkheden.

De maatschappij zal de komende jaren hoge eisen stellen aan het rechtsbestel en is in toenemende mate internationaal georiënteerd. Men verwacht veel van de overheid, terwijl de overheid kleiner moet worden en efficiënter moet werken. Justitie stelt zich tot doel de juiste koers te kiezen en eraan bij te dragen dat de rechtsstaat bij de tijd blijft. Voor dit beleidsartikel staan drie doelen centraal: het streven naar een doelmatig functionerend rechtsbestel, de kwaliteit en integriteit van de juridische dienstverlening en de toegankelijkheid van het rechtsbestel.

Omschrijving van de samenhang

De zorg voor het gehele rechtsbestel impliceert niet alleen «de zorg» dat het stelsel als samenhangend geheel blijft voortbestaan, maar ook dat de toegankelijkheid ervan is gegarandeerd (12.2) en dat het doeltreffend en doelmatig functioneert (12.3).

Verantwoordelijkheid

De stelselverantwoordelijkheid van de Minister van Justitie beperkt zich voornamelijk tot het scheppen van optimale voorwaarden voor het instandhouden en verbeteren van een goed en toegankelijk rechtsbestel ten behoeve van de civiele, bestuurlijke en strafrechtspleging. Dit omvat dus ook het vormgeven, onderhouden en verbeteren van de strafrechtsketen.

De beleidsverantwoordelijkheid ligt op het terrein van de rechtspleging (met inachtneming van de onafhankelijke positie van de rechter en de zelfstandige positie van de Raad voor de rechtspraak), de keteninformatievoorziening en de toegang tot het rechtsbestel. Tot dit laatste wordt ook de beleidsverantwoordelijkheid gerekend voor alternatieve geschillenbeslechting en schuldsanering. De Minister van Justitie is daarbij verantwoordelijk voor het wettelijke traject van de schuldsaneringsregeling, de faillissementsrechters en de bewindvoerders, terwijl de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verantwoordelijk is voor het daaraan voorafgaande (buitengerechtelijke) minnelijke traject van schuldhulp, uitgevoerd door de gemeenten en gemeentelijke kredietbanken.

Voor de Raad voor rechtsbijstand, het Bureau Financieel Toezicht (BFT) en het Register beëdigde tolken en vertalers (Rbtv) heeft de Minister van Justitie een sturingsverantwoordelijkheid, hetgeen betekent dat de uitvoering van Justitiebeleid is overgedragen aan extern verzelfstandigde taakorganisaties of aan privaatrechtelijke instellingen. Deze verantwoordelijkheid betreft in het bijzonder het in stand houden en conditioneren van productieve werkrelaties tussen het bestuursdepartement en betreffende organisaties.

De Minister van Justitie heeft een verantwoordelijkheid voor het wettelijk kader ten aanzien van tolken, vertalers, deskundigen en andere zelfstandige professionals binnen het justitiële domein zoals, advocaten, notarissen en gerechtsdeurwaarders.

Ten aanzien van de Commissie gelijke behandeling (CGB) en het College bescherming persoonsgegevens (CBP) heeft de Minister een beheersmatige verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid geldt ook voor de Raad voor de rechtspraak en de Hoge Raad en beperkt zich tot de financiering, het beheersmatig toezicht houden en het optreden als werkgever (voor de rechterlijke macht). Dit omvat ook de verantwoordelijkheid voor de arbeidsvoorwaarden van rechterlijke ambtenaren.

Externe factoren

Het goed functioneren en de inrichting van (de stelsels van) rechtspraak en rechtsbijstand wordt mede beïnvloed door een aantal externe factoren, dit betreft met name de factoren Europese wetgeving en Europese jurisprudentie. Daarnaast wordt het beroep op het rechtsbestel mede beïnvloed door economische, demografische en sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen, zoals het ontstaan van meer keuzemogelijkheden.

Meetbare gegevens

De bevoegdheid van de Minister van Justitie ten aanzien van het rechtsbestel is beperkt en vooral voorwaardenscheppend. Toch is Justitie verantwoordelijk voor de doeltreffendheid en doelmatigheid van het rechtsbestel als zodanig. Normen voor een adequaat rechtsbestel laten zich echter niet in indicatoren vatten, die in één oogopslag de beleidseffectiviteit in beeld brengen. Met behulp van monitoren, trendrapportages, beleidsdoorlichtingen en beleidsevaluaties wordt op kwantitatieve, maar ook op kwalitatieve wijze inzicht verkregen in de effecten van het beleid om de toegang tot de rechtspleging te bevorderen (12.2). Voor de rechtspraak (12.3) kan dit slechts met kwalitatieve indicaties. Daarnaast is bij de operationele doelstellingen een aantal input-, throughput- en outputindicatoren opgenomen die samen inzicht bieden in de effectiviteit van beleidsinstrumenten op de geformuleerde doelstellingen. In 2010 zijn twee rapporten van het WODC aan de Tweede Kamer aangeboden met een beleidsreactie inzake onderscheidenlijk geschillenbeslechting voor burgers en geschillenbeslechting in het midden- en kleinbedrijf (TK 31 753, nr. 19). Deze rapporten bieden inzicht in het gedrag van burgers en bedrijven die worden geconfronteerd met (potentieel) juridische geschillen. De onderzoeken bieden voorts materiaal dat nodig is om beleidsvoorstellen op het terrein van het civiele en bestuursrecht nader te onderbouwen en te ontwikkelen. Justitie zal moeten bezien of en zo ja, in hoeverre de kwalitatieve «rapportcijfers» uit bijvoorbeeld de geschilbeslechtingsonderzoeken een basis kunnen bieden voor kwantitatieve prestatie-indicatoren, zodat toekomstige begrotingen niet alleen kwalitatieve, maar ook kwantitatieve ambities kunnen bevatten ten aanzien van het rechtsbestel.

Budgettaire gevolgen van beleid x € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen

1 490 881

1 452 987

1 466 004

1 463 307

1 454 489

1 434 934

1 441 465

         

Waarvan garanties

0

0

0

0

0

0

0

         

Programma-uitgaven

1 435 514

1 452 987

1 466 004

1 463 307

1 454 489

1 434 934

1 441 465

         

12.1

Slagvaardige en kwalitatief goede rechtspleging

953 421

0

0

0

0

0

0

Waarvan juridisch verplicht

0

0

0

0

0

0

 

12.1.1 Raad voor de rechtspraak – gerechten

907 413

0

0

0

0

0

0

 

12.1.2 Hoge Raad

30 546

0

0

0

0

0

0

 

12.1.3 Overige diensten

15 462

0

0

0

0

0

0

12.2

Adequate toegang tot het rechtsbestel

482 093

507 916

513 200

513 874

511 473

498 173

504 611

Waarvan juridisch verplicht

478 132

59 057

28 960

28 908

28 944

28 947

 

12.2.1 Raden voor rechtsbijstand

455 200

477 140

481 901

483 914

481 565

468 229

474 664

 

12.2.2 Overig

26 893

30 776

31 299

29 960

29 908

29 944

29 947

12.3

Slagvaardige en kwalitatief goede rechtspleging

0

945 071

952 804

949 433

943 016

936 761

936 854

Waarvan juridisch verplicht

943 520

951 315

947 918

941 506

935 231

935 324

 

12.3.1 Raad voor de rechtspraak – gerechten

0

904 287

913 197

909 070

902 788

896 376

896 464

 

12.3.2 Hoge Raad

0

24 686

24 168

24 639

24 550

24 518

24 521

 

12.3.3 Overige diensten

0

16 098

15 439

15 724

15 678

15 867

15 869

         

Ontvangsten

194 389

207 382

218 882

223 382

219 655

219 655

219 655

Waarvan Griffie-ontvangsten

185 140

199 526

211 026

215 526

215 526

215 526

215 526

Artikel 12: Het niet-juridische verplichte deel op dit beleidsartikel is gereserveerd voor bestuurlijk gebonden uitgaven via diverse subsidiebeschikkingen, onder meer voor de Stichting Geschillencommissie Consumentenzaken, de Nederlandse Orde van Advocaten en het Bureau Financieel Toezicht. Daarnaast zijn er middelen gereserveerd voor de gesubsidieerde rechtsbijstand in de vorm van toevoegingen en piketten. Ook zijn er middelen bestemd voor toezicht en onderzoek, bijvoorbeeld op het terrein van rechtspraak, schuldsanering en rechtsbijstand.

Operationele doelstelling 12.2

Burgers en bedrijven hebben toegang tot een passende en effectieve vorm van geschillenbeslechting en/of rechtspleging.

Motivering

Een effectieve toegang tot het rechtsbestel is van belang om burgers en rechtspersonen in staat te stellen hun recht te halen. Daarbij staat centraal het waarborgen van de toegang tot het recht en het uitgangspunt dat burgers en bedrijven in eerste instantie proberen zelf en samen een oplossing te vinden voor onderling gerezen geschillen. Burgers en bedrijven hebben baat bij een toegankelijke juridische infrastructuur omdat die de rechtszekerheid biedt die noodzakelijk is voor het functioneren van de economie en het vertrouwen in de rechtsstaat.

De toegang is effectief als burgers met een juridisch probleem of geschil snel bij de meest passende dienstverlener (advocaat, mediator, notaris, deurwaarder, Juridisch Loket) terecht kunnen voor bijstand. Om de effectiviteit te vergroten wordt in 2011 ingezet op de volgende zaken:

  • het beter laten aansluiten van rechtspraak, rechtsbijstand en buiten gerechtelijke geschiloplossing;

  • het verbeteren van het maatschappelijke vertrouwen in het notariaat en

  • het bevorderen van het professioneel handelen van de advocaat.

Tot slot wordt gestreefd naar een effectievere en doelmatigere aanpak van schulden. Juist in tijden van economische recessie is een goede buitengerechtelijke schuldhulpverlening actueel en een daarop aansluitend stelsel van wettelijke schuldsanering noodzakelijk.

Rechtsbijstand en alternatieve geschillenbeslechting

Instrumenten

Programma Rechtsbijstand en Geschiloplossing.

Het doel van het programma Rechtsbijstand en Geschiloplossing is het realiseren van een structurele ombuiging op de rechtsbijstand van € 50 mln. waartoe in het Coalitieakkoord van het kabinet Balkenende IV is besloten. Reden voor deze ombuiging is de grote groei in de uitgaven voor gesubsidieerde rechtsbijstand in de afgelopen tien jaar.

In een brief van 24 oktober 2008 van de toenmalige staatssecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer (TK 31 753, nr. 1) is een groot aantal maatregelen aangekondigd die samen de beoogde ombuiging moeten opleveren en tevens moeten leiden tot innovatie in het stelsel. Inmiddels is een groot aantal van deze maatregelen gerealiseerd of zal binnenkort gerealiseerd worden, wanneer de desbetreffende (wijziging van de) regelgeving in werking is getreden. Hierbij valt te denken aan de indexering van de punten op basis waarvan proceskostenveroordelingen in het bestuursrecht plaatsvindt.

In 2011 wordt met de projecten «proactieve geschiloplossing door de overheid» (PAGO) en Echtscheiding en Diagnose & Triage getracht het beroep op alternatieve vormen van geschillenbeslechting te vergroten en het beroep op de advocaat en rechter te verminderen. Partners daarbij zijn onder andere de Raad voor Rechtsbijstand, het Juridisch Loket, de advocatuur en de rechtspraak. In 2011 rondt het WODC zijn tweede voortgangsrapportage af. Deze wordt medio 2011 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Juridische beroepsgroepen

Raadsman bij politieverhoor

Op 1 april 2010 is de «Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor» van het College van procureurs-generaal in werking getreden. Deze aanwijzing is een gevolg van arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de Hoge Raad. De arresten maken duidelijk dat de politie een aangehouden verdachte vóór het verhoor in de gelegenheid moet stellen een raadsman te consulteren. Als gevolg van de arresten van de Hoge Raad heeft de minderjarige verdachte het recht een raadsman aanwezig te laten zijn bij het politieverhoor. Uitvoering van de aanwijzing en van de beleidsregel wordt begeleid door een monitor.

Tegelijkertijd worden in samenspraak met de politie, het Openbaar Ministerie, de Rechtspraak en de advocatuur mogelijkheden onderzocht om de in het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven procedures voor aanhouden, ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling te vereenvoudigen. Vooruitlopend daarop zijn op initiatief van de Raad voor Rechtsbijstand twee experimenten in uitvoering genomen met de aanwezigheid van advocaten op politiebureaus in Utrecht en Rotterdam. Doel hiervan is kosten te besparen en doorlooptijden te verkorten.

In 2010 is de evaluatie beschikbaar gekomen van de uitvoering van een experiment dat het in gevallen van ernstige misdrijven mogelijk maakt de raadsman aanwezig te laten zijn bij het politieverhoor. Dit experiment is in de politieregio’s Amsterdam-Amstelland en Rotterdam-Rijnmond uitgevoerd naar aanleiding van de motie Dittrich (TK 30 800 VI, nr. 14). De uitkomsten hiervan worden betrokken bij genoemde beleidsvorming rondom de procedure van aanhouden, ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling. Naar verwachting wordt in 2011 een wetsvoorstel in behandeling genomen inzake mogelijke verbeteringen in de procedure.

Kwaliteit juridische beroepen

In 2011 zal de kwaliteit van de juridische beroepen verder geoptimaliseerd worden. In samenwerking met de beroepsorganisaties zullen de in de voorafgaande jaren ontwikkelde kwaliteitsnormen en kwaliteitstoetsingen worden verfijnd. De juridische dienstverlening heeft door de economische recessie te kampen met een afname van werkzaamheden. De prijzen voor de dienstverlening staan onder druk en daarmee ook de verdere ontwikkeling van de kwaliteit van de dienstverlening. Daarom is het van belang de ontwikkelingen binnen de juridische beroepen nauwlettend te volgen, waarbij zowel het kwaliteitsniveau van de dienstverlening op individueel niveau als het behouden en vergroten van de integriteit van de gehele sector van belang is. In 2010 doet het WODC onderzoek naar een verband tussen de prijsontwikkeling van de dienstverlening in het notariaat en de kwaliteit en integriteit.

Om het toezicht op de juridische beroepen te versterken zijn wetsvoorstellen in voorbereiding (TK 32 250, houdende wijziging van de Wet op het notarisambt en TK 32 282 inzake Aanpassing van de Advocatenwet, de Wet op de rechtsbijstand en de Wet tarieven in burgerlijke zaken in verband met de positie van de advocatuur in de rechtsorde). De beleidseffecten van deze voorstellen zullen naar verwachting medio 2011 hun beslag krijgen.

Voorts is aan de Tweede Kamer een brief gezonden over het standpunt ten aanzien van resultaatgerelateerde beloning voor de advocatuur. Het experiment met no-win- no-fee (de beloningsvariant waarbij de advocaat niets ontvangt als hij de zaak verliest, maar meer als hij wint, echter altijd gerelateerd aan het aantal uren dat hij voor de cliënt heeft gewerkt) zal uitsluitend betrekking hebben op letsel- en overlijdensschadezaken. De effecten hiervan zullen zich in 2011 manifesteren. Daarnaast wordt gewerkt aan een visie op het toezicht op de juridische beroepen en de rol van het tuchtrecht. Binnen de beroepsorganisaties zelf treedt duidelijk een bewustwording op van het belang van zichtbare kwaliteit en integriteit. In dit kader moet ook het beleid ten aanzien van de opleidingen van de togaberoepen worden herijkt.

Schuldsanering

Schuldsanering is met de economische recessie sinds 2008 in belang toegenomen door de groei van de schuldenproblematiek, zowel bij particulieren als bij kleine ondernemers die ook een beroep op de wet kunnen doen. Justitie heeft met het oog op het belang van de schuldeisers en van de schuldenaar de taak om een goede regeling van het particuliere faillissement in stand te houden. Inzet is en blijft een buitengerechtelijke oplossing bij een problematische schuldenlast en nadruk op preventieve maatregelen. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is binnen het kabinet voor deze eerstelijns oplossing primair verantwoordelijk. Dit neemt niet weg dat een schuldsanering in een aantal gevallen via de rechter moet worden doorlopen. Vanuit het oogpunt van civiele rechtshandhaving is het van belang dat de schuldsaneringsprocedure voorbehouden blijft aan de schuldenaar te goeder trouw die zich drie jaar maximaal inspant om zijn schuldeisers tegemoet te komen. Schuldsanering vormt ook een garantie dat de schuldeisers het maximaal haalbare op hun vordering ontvangen. Aandachtspunten voor de beleidsontwikkeling voor 2011 zijn een herziening van de structuur van de bewindvoerdersvergoedingen, toezicht op de kwaliteit van de bewindvoering via audits door de Raad voor Rechtsbijstand en een optimale samenwerking in de maatschappelijke keten van preventie via schuldhulp tot schuldsanering als uiterste middel.

Meetbare gegevens

Zoals aangegeven onder de kopjes verantwoordelijkheid en prestatiegegevens bij de algemene doelstelling is de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie voor een effectieve toegang tot het rechtsbestel beperkt tot het scheppen van optimale voorwaarden. Derhalve zijn nog geen outcome-indicatoren opgenomen, maar wordt volstaan met input-, throughput- en outputindicatoren.

In onderstaande tabellen worden gegevens gepresenteerd die samen inzicht bieden in de effectiviteit van de ingezette beleidsinstrumenten. Daarnaast geven evaluatieonderzoeken naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid kwantitatief en kwalitatief inzicht in de beleidseffecten. Bijvoorbeeld de twee rapporten van het WODC inzake onderscheidenlijk geschillenbeslechting voor burgers en geschillenbeslechting in het midden- en kleinbedrijf (TK 31 753, nr. 19) en de jaarlijkse monitors en trendrapportages bij dit beleidsartikel (onder meer programma Rechtsbijstand en Geschiloplossing, WSNP, gesubsidieerde rechtsbijstand).

A. Alternatieve geschillenbeslechting
Mediation
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Slagingspercentage mediations binnen het justitiële domein

58

60

60

60

60

60

60

Verwijzing door de rechter

4 183

4 500

4 500

4 500

4 500

4 500

4 500

Verwijzing door het Juridisch Loket

2 198

2 500

2 500

2 500

2 500

2 500

2 500

Afgegeven mediation toevoegingen

6 798

6 500

6 500

6 500

6 500

6 500

6 500

Bron: Conform opgave van Raad voor de rechtsbijstand en Raad voor de rechtspraak

Toelichting

Mediation

Het evaluatieonderzoek naar de mediaton van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) heeft de Minister van Justitie voorzien van een beleidsreactie op 20 november 2009 naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 29 528, nr. 6). Daaruit blijkt dat de doorverwijzingsvoorzieningen bij het Juridisch Loket en bij de rechtspraak effectief zijn en nodig blijven om ervoor te zorgen dat partijen hun verantwoordelijkheid voor de oplossing van hun conflict ook op zich nemen, al dan niet met behulp van een mediator. Op grond van het evaluatieonderzoek zijn bovenstaande prognosecijfers bijgesteld.

Geschillencommissies

Het jaarverslag van de Stichting Geschillencommissies Consumentenzaken (SGC) kan gedownload worden via: www.degeschillencommissie.nl. De evaluatie van de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken is in 2009 aan de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II 25 754, nr. 2). De SGC is op de meeste onderdelen positief geëvalueerd. De SGC is de afgelopen jaren gegroeid, waardoor steeds meer consumenten in de gelegenheid worden gesteld om op een eenvoudige, snelle en goedkope manier hun recht te vinden in geschillen met een leverancier of dienstverlener.

B. Rechtsbijstand

Zie ook de monitor gesubsidieerde rechtsbijstand 2009.

Rechtsbijstand
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Programma-uitgaven

       
        

Strafzaken (ambtshalve)

       

Aantal afgegeven toevoegingen

101 467

99 927

99 804

100 123

103 671

104 374

105 134

Uitgaven (mln.)

€ 114,4

€ 111,5

€ 111,4

€ 111,7

€ 115,7

€ 116,5

€ 117,3

        

Strafzaken (regulier)

       

Aantal afgegeven toevoegingen

54 079

54 412

56 468

57 826

57 886

57 868

58 481

Uitgaven (mln.)

€ 39,7

€ 41,7

€ 43,2

€ 44,3

€ 44,3

€ 44,3

€ 44,8

        

Civiele zaken

       

Aantal afgegeven toevoegingen

234 890

243 281

241 117

241 401

235 994

221 222

225 010

Uitgaven (mln.)

€ 185,9

€ 199,8

€ 197,6

€ 197,0

€ 191,7

€ 178,7

€ 181,6

        

Inverzekeringstellingen

       

Aantal toevoegingen

85 579

90 678

93 647

97 626

95 124

94 645

96 168

Uitgaven (mln.)

€ 23,2

€ 24,8

€ 26,1

€ 27,2

€ 26,5

€ 26,4

€ 27,8

        

Lichte adviestoevoeging

       

Aantal afgegeven toevoegingen

15 155

12 257

12 157

12 157

12 157

12 157

12 157

Uitgaven (mln.)

€ 3,8

€ 2,8

€ 2,7

€ 2,7

€ 2,7

€ 2,7

€ 2,7

        

Asiel

       

Instroom asielzoekers in AC

16 163

18 000

17 000

17 000

17 000

17 000

17 000

Aantal afgegeven toevoegingen

23 267

27 000

25 500

25 500

25 500

25 500

25 500

Uitgaven (mln.)

€ 33,2

€ 45,2

€ 49,2

€ 49,2

€ 49,2

€ 49,2

€ 49,2

        

Het Juridisch Loket

       

Aantal klantencontacten

770 252

777 955

785 657

801 062

816 467

831 872

847 277

Uitgaven (mln.)

€ 21,8

€ 21,8

€ 21,8

€ 21,8

€ 21,8

€ 21,8

€ 21,8

        

Uitvoeringslasten

       

Raad voor Rechtsbijstand

€ 30,5

€ 29,7

€ 29,5

€ 29,6

€ 29,5

€ 28,6

€ 29,3

        

Totaal uitgaven (mln.)

€ 452,4

€ 477,1

€ 481,9

€ 483,9

€ 481,6

€ 468,2

€ 474,7

Toelichting

Algemeen

De aantallen afgegeven toevoegingen opgenomen in bovenstaande tabel voor 2009 wijken af van het Jaarverslag van de Raad voor Rechtsbijstand. Dit heeft te maken met het feit dat Rechtsbijstand gefinancierd wordt op basis van het aantal toevoegingen afgegeven in de periode september 2008 tot en met augustus 2009. Voor de prijzen geldt als uitgangspunt de gemiddelde prijs van de afgehandelde declaraties, rekening houdend met de indexering voor 2009.

Ambtshalve straftoevoegingen

De ambtshalve straftoevoegingen vertonen een geringe stijging. De invoering van de verlengde piketfase heeft een dempende werking op deze stijging. De prijzen stijgen slechts in geringe mate, waarbij geen rekening wordt gehouden met toekomstige indexeringen. De piketfase is het moment waarop de verdachte in verzekering wordt gesteld en is de eerste fase van het strafproces.

Reguliere straftoevoegingen

Door de invoering van de verlenging van de piketfase is er een stijging van het aantal af te geven toevoegingen in strafzaken voor 2011 en 2012 te verwachten. De PMJ-ramingen gaan voor reguliere straftoevoegingen uit van een stabiel beeld.

De invoering van een hogere eigen bijdrage per juli 2009 heeft een verlaging van de prijs tot gevolg.

Civiele toevoegingen

De PMJ-ramingen laten voor de korte termijn (t/m 2012) een toename zien en daarna een lichte afname. De in te voeren maatregelen uit het Programma Taakstelling rechtsbijstand en geschiloplossing zullen leiden tot een afname van het aantal afgegeven toevoegingen. Deze afname zal zich naar verwachting vooral na 2012 aftekenen. De prijs zal een geringe stijging laten zien, zonder rekening te houden met toekomstige indexeringen.

Inverzekeringstellingen

In het verlengde van de dalende tendens inzake strafzaken geeft de PMJ-raming voor de afgifte van toevoegingen inverzekeringstellingen een licht dalend beeld. Echter, gelet op de verwachting dat het aantal consulten door advocaten voorafgaand aan het verhoor (als gevolg van arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de Hoge Raad, de zogenoemde Salduz-problematiek) zal stijgen, leidt dit per saldo tot een structurele toename.

De verlenging van de piketfase zal leiden tot een hogere gemiddelde prijs per toevoeging.

Lichte adviestoevoegingen

Per 1 juli 2009 is de eigen bijdrage voor de lichte adviestoevoegingen verhoogd. Dit heeft geleid tot een afname van het aantal toevoegingen ten opzichte van 2008 met 17 %. De verwachting is dat voor 2011 en de volgende jaren het aantal gelijk zal blijven. Door de verhoging van de eigen bijdrage zal de gemiddelde prijs vanaf 2010 lager zijn.

Asiel

Voor 2010 wordt uitgegaan van een instroom van 18 000 asielzoekers en de jaren daarna wordt een instroom van 17 000 verwacht. Op deze cijfers zijn de aantallen afgegeven toevoegingen begroot.

De invoering van de nieuwe asielprocedure per 1 juli 2010 leidt tot meer inzet van toegevoegde raadslieden aan het begin van de procedure en heeft een prijsverhogend effect. Daarnaast worden ook de advocaatkosten bij de aanmeldcentra en de kosten voor tolken en vertalers meegenomen.

Het Juridisch Loket

Het Juridisch Loket laat al een aantal jaren achtereen een aanzienlijke toename zien in het aantal klantencontacten. Voor de komende jaren is een verdere toename van de inzet van het Juridisch Loket voorzien in het kader van het Programma Rechtsbijstand en Geschiloplossing (het hiervoor genoemde project Diagnose en Triage). Door het intensiveren van de contacten met de burgers in verband met geschiloplossing en uitbreiding van de adviesmogelijkheden zullen meer geschillen buiten de advocaat en de rechter kunnen worden beslecht. De eerste activiteiten in dat kader geven een positief beeld. De huidige omvang van de organisatie wordt vooralsnog bestendigd.

Raad voor Rechtsbijstand

Medio 2010 is het formele traject van centralisatie tot één Raad afgerond. In organisatorische zin zijn veel activiteiten gericht op het verder stroomlijnen en afstemmen van de interne processen om tot eenvormig beleid te komen tot het afgeven van toevoegingen en het verwerken van de declaraties. Ook op het gebied van automatisering en digitalisering worden grote stappen gezet. Dit alles draagt bij aan het ontwikkelen van kwaliteitssystemen om ervoor te zorgen dat in de komende jaren de rechtmatigheid en doelmatigheid van de gefinancierde rechtsbijstand geborgd zijn. Dit omvormingsproces zal de efficiency verhogen.

inkomenscategorie

verzamelinkomen tot 1

eigen bijdrage1

aandeel in totaal inkomensafhankelijke toevoegingen 2

alleenstaande

niet-alleenstaande

A

€ 17 200

€ 24 000

€ 100

80%

B

€ 17 700

€ 24 800

€ 158

2%

C

€ 18 700

€ 26 100

€ 272

3%

D

€ 20 500

€ 29 000

€ 478

6%

E

€ 24 400

€ 34 400

€ 750

9%

    

100%

XNoot
1

per 1-1-2010

XNoot
2

bron: Monitor rechtsbijstand 2009

C. Juridische beroepsgroepen

In 2010 heeft een samenvoeging plaatsgevonden van de verschillende trendonderzoeken voor de juridische beroepen en de verwerking van gegevens van het CBS, de Raad voor de rechtspraak, rechtsbijstandverzekeraars, de Raad voor Rechtsbijstand en andere instanties. Dit heeft geleid tot de ontwikkeling van een nieuwe monitor rechtsbestel. Deze nieuwe monitor levert relevante beleidsindicatoren op die in totaliteit inzicht geven in de meerjarige trends en kwantitatieve ontwikkelingen in de onderscheiden beroepsgroepen en samenhangende verbanden en ontwikkelingen in het rechtsbestel.

Om een beeld te kunnen schetsen van de ontwikkelingen in het (maatschappelijk) functioneren van het rechtsbestel op het gebied van civiel en bestuursrecht is behoefte aan beleidsinformatie over de ontwikkelingen in het stelsel van geschilbeslechting in de afgelopen jaren. Er bestaan, onder andere bij het WODC, verschillende monitoren en trendrapportages die informatie geven over de juridische beroepsgroepen, rechtspraak en geschilbeslechting. Doel van de nieuwe «Monitor Rechtsbestel» is de informatie van verschillende monitoren en ander relevant onderzoek te bundelen in één – tweejaarlijks te verschijnen – rapport. De Monitor zal zich vooral richten op het weergeven van trends of nieuwe ontwikkelingen op het terrein van de toegankelijkheid en kwaliteit van procedures en juridische dienstverleners in het rechtsbestel. In 2007 is een eerste rapport van het WODC verschenen, «Geschilprocedures en rechtspraak in cijfers 2005», waarin gegevens over de jaren 2000–2005 zijn gepresenteerd. De huidige monitor bouwt hierop voort en wordt uitgebreid met gegevens die in voorgaande jaren werden verzameld voor de Trendrapportages van de juridische beroepsgroepen (advocatuur, notariaat, gerechtsdeurwaarderij).

D. Schuldsanering

Ondanks de recessie daalde in 2009 het aantal schuldsaneringprocedures. Inmiddels (2010) neemt het aantal schuldsaneringprocedures weer toe. Het is aannemelijk dat als gevolg van de economische recessie er meer mensen een beroep zullen moeten doen op de schuldhulp- en schuldsaneringsregelingen. Inzet is en blijft buitengerechtelijke oplossing bij een problematische schuldenlast. Voor nadere analyses wordt verwezen naar de Monitor Wet schuldsanering natuurlijke personen, Vijfde Meting (Kamerstukken 31 700 VI, nr. 11). In de 6e monitor WSNP, die medio 2010 gereed is, zal het aantal aanvragen, toekenningen, afwijzingen, intrekkingen en niet-ontvankelijkverklaringen van de minnelijke middelen per rechtbank in kaart worden gebracht. Tevens zal er in deze monitor een recidiveonderzoek uitgevoerd worden.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Beleidsdoorlichting

Omschrijving

Status

Vindplaats

Adequate toegang tot het rechtsbestel

Afgerond in 2008

www.wodc.nl

Overig evaluatieonderzoek

Omschrijving

Status

Vindplaats

Experiment met advocaat bij eerste politieverhoor

Afgerond in 2010

www.wodc.nl

Monitor Rechtsbijstand en Geschiloplossing

Gestart in 2009, af te ronden in 2012

www.wodc.nl

Toelichting

Experiment met advocaat bij eerste politieverhoor

De raadsman wordt momenteel niet toegelaten bij het (eerste) politieverhoor. Op verzoek van de Tweede Kamer bereidt Justitie een tijdelijke regeling /experiment voor op grond waarvan aanwezigheid van de raadsman wel is toegestaan in zaken waar sprake is van levensdelicten (moord en doodslag).

Monitor Rechtsbijstand en Geschiloplossing

Een van de aanbevelingen uit het programma Duurzame rechtsbijstand is te komen tot een proactieve aanpak bij het tegengaan van conflicten tussen burgers en overheidsinstanties. Veel overheidsinstanties experimenteren hier al mee, waarbij verschillende methoden worden gebruikt. De meta-analyse beoogt deze initiatieven te inventariseren. Nagegaan wordt welke onderliggende mechanismen ertoe leiden dat initiatieven effectief zijn en of verwachtingen ten aanzien van de effecten van de proactieve aanpak gebaseerd zijn op eerder onderzoek. Welke resultaten leveren de initiatieven volgens beschikbaar onderzoek op, onder andere wat betreft het terugdringen van conflicten, bezwaar- en beroepszaken en het gebruik van (gesubsidieerde) rechtsbijstand? Hoe waardeert de burger deze initiatieven?

Operationele doelstelling 12.3

Optimale randvoorwaarden voor een doelmatig en doeltreffend rechtsbestel.

Motivering

In 2011 wordt, net als in de afgelopen jaren, ingezet op een doelmatig functionerend rechtsbestel. Dit wordt bereikt door samenwerking in de keten, het rechtsbestel als geheel. Efficiënt en doelmatig werken binnen het rechtsbestel ter bevordering van de kwaliteit komt de komende jaren tot uiting in de herziening van de gerechtelijke kaart, het streven naar betere digitale toegankelijkheid en het bevorderen van het gebruik van moderne technologie. Deze stappen zijn ook nodig tegen de achtergrond van een stijgende instroom bij de rechtspraak.

Instrumenten

Als gevolg van de economische crisis wordt in de rechtspleging in 2011, net als in 2010, een toename van zaken verwacht. Het gaat om faillissementszaken, schuldsanering, ontslagen en zaken op het terrein van de sociale zekerheid. Werkvoorraden en doorlooptijden dienen zoveel mogelijk binnen aanvaardbare grenzen te blijven. In tijden van financiële en economische onzekerheid is het van groot belang dat rechtzoekenden snel duidelijkheid, en daarmee zekerheid, krijgen in hun rechtsgang.

Herziening gerechtelijke kaart

In 2011 zal het wetsvoorstel Herziening gerechtelijke kaart worden opgesteld, in samenspraak met de Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal en na consultatie van andere betrokken partners, zoals de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en de Nederlandse Orde van Advocaten. De voornemens van het kabinet Balkenende IV tot herziening van de gerechtelijke kaart zijn aan de hand van enkele notities reeds enkele malen met de Tweede Kamer besproken (TK 29 279, nrs.85, 89, 90, 91, 97, 100, 102 en 104) en kunnen daar en bij de ketenpartners op brede steun rekenen. Het wetsvoorstel zal een vermindering inhouden van het aantal ressorten van vijf naar vier en van het aantal arrondissementen van negentien naar tien. Dit laatste overeenkomstig de door de Tweede Kamer aanvaarde motie-Heerts c.s. (TK 29 279, nr. 103). Verder zal het wetsvoorstel een grondslag bieden om bij algemene maatregel van bestuur rechtspraaklocaties aan te wijzen (in totaal tweeëndertig). Andere onderdelen zijn het loslaten van het sectormodel bij de gerechten en in het verlengde daarvan een wijziging van de voorschriften over de samenstelling van gerechtsbesturen.

Visie toekomst forensisch onderzoek

In zijn brief aan de Tweede Kamer van 26 juni 2009 heeft de minister zijn visie gegeven op de toekomst van het forensisch onderzoek. Het NFI blijft een centrale rol spelen. Echter, er moet worden ingespeeld op de behoefte bij politie, OM, rechtspraak en verdediging aan verbreding van het aanbod aan forensische dienstverlening. Om te bezien wat de effecten zijn als naast het NFI particuliere instituten worden ingeschakeld, is een experiment voor de inschakeling van particuliere instituten en een WODC-onderzoek naar kwaliteit en beschikbaarheid van forensisch onderzoek aangekondigd. De uitkomst hiervan dient als basis voor een nieuwe inrichting en financiering van het forensisch onderzoek. Het bovengenoemde experiment loopt tot eind 2011.

Betere digitale toegankelijkheid en bevorderen gebruik moderne technologie

Om te bevorderen dat organisaties uit het rechtsbestel hun digitaliseringsprocessen op elkaar afstemmen en vaker op elektronische wijze met elkaar communiceren, is een programma ingericht met de naam e-Rechtsbestel. Via dit programma heeft Justitie een coördinerende en faciliterende rol ten aanzien van een aantal ketenoverstijgende ICT-projecten. Justitie bewaakt de belangen van de keten als geheel, de partners zijn verantwoordelijk voor de implementatie in de eigen schakel. Doelstellingen van het programma zijn het wegnemen van alle wettelijke belemmeringen voor de totstandkoming van een elektronisch rechtsbestel, het tot stand brengen van technische voorzieningen voor de justitiële keten en het bevorderen van het project European e-Justice. In 2011 zal dit programma worden voortgezet: belangrijke resultaten in de zin van werkende systemen en de benodigde wetgeving worden in 2011 verwacht in het verbeteren van de digitale toegankelijkheid van de rechtspraak, het gebruik van een elektronisch proces-verbaal in de strafrechtsketen, de betere inrichting en ontsluiting van civielrechtelijke registers en het bevorderen van het grensoverschrijdend gebruik van videoconferentie bij rechtbanken.

Normstellende rol Hoge Raad

Samen met de Hoge Raad wordt in 2011 verder gewerkt aan de implementatie van de aanbevelingen van de Commissie normstellende rol Hoge Raad (Commissie Hammerstein) om te komen tot de invoering van prejudiciële vragen, een selectiekamer en andere instrumenten om de normstellende rol van de Hoge Raad te versterken. Het wetsvoorstel prejudiciële vragen (Wetsvoorstel introductie prejudiciële procedure bij de Hoge Raad in massaschadezaken) is beoogd op 1 juli 2011 in werking te treden. Het wetsvoorstel selectiekamer (Wijziging Wet RO in verband met versterking cassatierechtspraak) kan naar verwachting op 1 januari 2012 in werking treden.

College voor Mensenrechten en Gelijke Behandeling

In 2011 treedt de wet in werking die de oprichting van het College voor Mensenrechten en Gelijke Behandeling regelt, naar aanleiding van de toezegging van Nederland aan de Verenigde Naties en de Raad van Europa om een nationaal mensenrechteninstituut op te richten. In dit College zullen het nieuwe Nationaal Instituut voor de Rechten van de Mens (NIRM) en de Commissie gelijke behandeling (CGB) opgaan. Met dit onafhankelijke college ontstaat samenhang en een centraal aanspreekpunt voor Nederlandse en internationale organisaties op het mensenrechtenterrein. Het heeft tot doel de rechten van de mens, in het bijzonder het recht op gelijke behandeling, in Nederland te beschermen en de naleving daarvan te bevorderen. Het College brengt gevraagd en ongevraagd advies uit, rapporteert, doet aanbevelingen en geeft voorlichting. De nieuwe organisatie krijgt ook de taak om te oordelen op basis van de gelijke behandelingswetgeving.

Meetbare gegevens

Zoals aangegeven onder de kopjes verantwoordelijkheid en prestatiegegevens bij de algemene doelstelling is de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie voor de samenhang, slagvaardigheid en doelmatigheid van het rechtsbestel beperkt tot het scheppen van optimale voorwaarden. Vooralsnog wordt daarom volstaan met input-, throughput- en outputindicatoren. Wel wordt met evaluatieonderzoeken naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid ook op kwalitatieve wijze inzicht verkregen in de beleidseffecten. Zo is in twee rapporten van het WODC inzake geschillenbeslechting voor burgers en geschillenbeslechting in het midden- en kleinbedrijf (TK 31 753, nr. 19) geconstateerd dat er geen echte barrières zijn in de toegang tot het recht. Burgers weten de informatie en hulp te vinden die ze voor het oplossen van geschillen nodig hebben. Ze geven de ontvangen rechtshulp en het rechtsbestel als zodanig hoge scores. Ook ondernemingen uit het MKB zijn in hun algemene oordeel positief over het functioneren van de dienstverleners waarop zij een beroep hebben gedaan.

Een aantal jaren geleden is de Raad voor de rechtspraak begonnen met het publiceren van kengetallen over het functioneren van de gerechten in de vorm van afzonderlijke analyses per gerecht. Uit een evaluatie kwam naar voren dat er bij de rechtspraak zelf, maar ook bij het Ministerie van Justitie behoefte is aan een rechtspraakbrede vergelijkende analyse. Voor informatie over de waardering van of het vertrouwen in de rechtspraak en de kwaliteitsindicatoren die de rechtspraak hanteert wordt dan ook verwezen naar het jaarplan en het jaarverslag met als bijlage de publicatie kengetallen gerechten van de Raad voor de rechtspraak die elk jaar aan de Staten-Generaal worden gestuurd.

Instroom, financiering en productieafspraken

Belangrijke indicatoren voor het functioneren van de rechtspraak zijn de verwachte instroomontwikkelingen in relatie tot de financiering van de rechtspraak. Conform de Wet op de rechterlijke organisatie dient de Raad voor de rechtspraak jaarlijks zijn begroting in bij de Minister van Justitie. Deze begroting is in belangrijke mate gebaseerd op de verwachte instroomontwikkeling en de vastgestelde productgroepprijzen. Om de instroomontwikkeling zo goed mogelijk in te kunnen schatten zijn voor de afzonderlijke sectoren (ketenbrede) prognosemodellen ontwikkeld die jaarlijks op basis van onder andere de meest recente macro-economische ontwikkelingen en gerealiseerde instroom worden geactualiseerd. Die uitkomsten laten, evenals vorig jaar, een stijgende instroom zien. De totale instroomverwachting zoals de Raad in zijn begroting heeft opgenomen is in onderstaande tabel opgenomen.

Instroomontwikkeling
 

2009

2010

2011 1

2012

2013

2014

2015

instroom totaal

1 961 242

2 035 512

1 987 063

2 034 278

2 107 020

2 199 940

2 300 650

jaarlijkse mutatie

7,0%

3,8%

– 2,4%

2,4%

3,6%

4,4%

4,6%

Bron: Raad voor de rechtspraak

XNoot
1

Vanaf 2011 worden akten en verklaringen bij kanton niet meer meegeteld als product; indien dit wel het geval zou zijn, zou de mutatie in 2011 + 3,4% bedragen

Toelichting

Zeker in een aantal categorieën zoals arbeidszaken, faillissementszaken en handelszaken, is het zeer waarschijnlijk dat de instroom van zaken de komende tijd zal stijgen. Deze stijging is ook al zichtbaar geweest in de jaren 2008 en 2009.

De omvang en duur van deze stijging en de effecten van de economische recessie op andere sectoren zijn echter uiterst moeilijk te voorspellen. De moeilijke voorspelbaarheid en de zeer beperkte financiële ruimte heeft ertoe geleid dat de ingediende begroting van de Raad in overleg met de Raad maar beperkt is gehonoreerd.

Bijdrage Raad
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

bijdrage begroting 2010

907 272

913 218

909 536

905 312

904 349

903 450

903 450

mutatie

 

– 8 742

3 075

3 200

– 1 724

– 6 987

– 6 899

Onttrekking uit egalisatiereserve

 

15 253

10 000

7 500

7 500

  

bijdrage begroting 2011

 

919 729

922 611

916 012

910 125

896 463

896 551

Toelichting

Met deze bijdrage is de volgende productieafspraak met de Raad voor de rechtspraak gemaakt:

Productie
 

2009

2010

2011 1

2012

2013

2014

2015

productie totaal

1 934 225

1 927 198

1 880 382

1 866 543

1 853 854

1 824 408

1 824 597

jaarlijkse mutatie

5,9%

– 0,4%

– 2,4%

– 0,7%

– 0,7%

– 1,6%

0,0%

XNoot
1

Vanaf 2011 worden akten en verklaringen bij kanton niet meer meegeteld als product; indien dit wel het geval zou zijn, zou de mutatie in 2011 + 3,6% bedragen;

Toelichting

Het verschil met de instroomverwachting is met name in de latere jaren aanzienlijk. De potentiële gevolgen voor voorraden en doorlooptijden kunnen dan ook groot zijn. Het is van belang de ontwikkelingen nauwkeurig te volgen, zodat indien nodig en mogelijk alsnog maatregelen getroffen kunnen worden.

De financiële mogelijkheden en de expansiemogelijkheden van de rechtspraak zelf kennen beperkingen. Om te voorkomen dat de voorraden en doorlooptijden zullen oplopen, zal uitdrukkelijk moeten worden gekeken naar instroombeperkende maatregelen. Voor de kortere termijn zal een extra inspanning van de rechtspraak nodig zijn om het oplopen van voorraden en doorlooptijden zoveel mogelijk te voorkomen.

Ontwikkelingen Hoge Raad
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Straf

       

– instroom

3 554

3 450

3 450

3 450

3 450

3 450

3 450

– uitstroom

3 695

3 700

3 700

3 600

3 450

3 450

3 450

        

Civiel

       

– instroom

569

600

620

640

660

690

690

– uitstroom

586

660

650

640

660

690

690

        

Belasting

       

– instroom

867

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

– uitstroom

1 078

1 050

1 050

1 050

1 000

1 000

1 000

        

Totaal

       

– instroom

4 990

5 050

5 070

5 090

5 110

5 140

5 140

– uitstroom

5 359

5 410

5 400

5 290

5 110

5 140

5 140

Toelichting

Op het gebied van civiele zaken en strafzaken hebben de Hoge Raad en zijn parket maatregelen getroffen om meer zaken af te kunnen doen teneinde de doorlooptijden en werkvoorraden binnen aanvaardbare grenzen te houden.

Na de dalende tendens als gevolg van de invoering van een tweede feitelijke instantie doet zich in de belastingsector zich sinds 2009 weer een stijging voor. De werkvoorraad wordt door het treffen van maatregelen naar verwachting tot aanvaardbare proporties teruggebracht.

Het afremmende effect op de instroom van zaken die de invoering van de beoogde selectiekamer op termijn tot gevolg zal hebben, kan nog niet worden gekwantificeerd.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Beleidsdoorlichting

Omschrijving

Status

Vindplaats

Slagvaardige en kwalitatief goede rechtspleging (12.1)

In OB 2012 volgt nadere planning (tijdshorizon 2012 tot en met 2016)

www.wodc.nl

Toelichting

Door middel van de beleidsdoorlichting «slagvaardige en kwalitatief goede rechtspleging» wordt onderzocht in hoeverre het geheel aan beleidsmaatregelen bijdraagt aan een slagvaardige en kwalitatief goede rechtspleging.

Effectenonderzoek ex-post

Omschrijving

Status

Vindplaats

Raadslieden bij politieverhoor

Af te ronden in 2012

www.wodc.nl

Toelichting

Onderzoek naar de implicaties bij de politieorganisatie, de piketcentrale en de Raden voor de rechtsbijstand van de invoering van de regeling waarmee invulling wordt gegeven aan het recht (a) van aangehouden meerderjarige verdachten om voorafgaande aan het politieverhoor een advocaat te raadplegen en (b) van aangehouden minderjarige verdachten om voorafgaande aan het politieverhoor een advocaat te raadplegen en om bijstand van een wettelijke vertegenwoordiger en/of raadsman tijdens het politieverhoor. Aandachtspunten zijn de samenwerking tussen de genoemde organisaties, de omvang van de verleende rechtsbijstand, de vraag hoe jongeren deze rechtsbescherming ervaren en hoe zij ermee omgaan. Een andere vraag is of de waarde van het verhoor als opsporingsmethode is gedaald, met als mogelijk gevolg een grotere inzet van andere opsporingsmethoden zoals observatie en tappen.

13 Rechtshandhaving, criminaliteits- en terrorismebestrijding

Algemene doelstelling

Het bestrijden van criminaliteit en terrorisme door een doelmatige en effectieve preventie, rechtshandhaving en sanctietoepassing.

Meerjarenperspectief

De criminaliteit neemt al enige jaren af. Dat neemt niet weg dat de effectieve bestrijding van criminaliteit en overlast onverminderd belangrijk wordt gevonden in de samenleving. Door middel van effectief preventiebeleid wordt ingezet op het voorkomen van criminaliteit. Ook het voorkomen van herhalingscriminaliteit neemt een belangrijke plaats in, onder meer door te kiezen voor een persoonsgerichte aanpak. Daarnaast is er steeds meer aandacht voor het slachtoffer, met name ook in het strafproces.

Omschrijving van de samenhang

De bijdragen van Justitie aan rechtshandhaving, criminaliteits- en terrorismebestrijding liggen op de beleidsterreinen preventie (13.1), opsporing en handhaving van straf- en ordeningswetgeving (13.3), tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties en maatregelen (13.4) en slachtofferzorg (13.5). Ten slotte wordt ingezet op het afwenden van de directe gevaren van terrorisme en het voorkomen van terroristische dreiging (13.6).

Verantwoordelijkheid

Op het terrein van preventie, opsporing, vervolging, de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties en maatregelen en slachtofferzorg is de Minister van Justitie beleidsverantwoordelijk én verantwoordelijk voor de uitvoering van beleid. Op het gebied van corruptiebestrijding en ordeningswetgeving is deze verantwoordelijkheid beperkt tot de handhavingsaspecten van deze wetgeving. Voor wat betreft de opsporing beperkt de uitvoering zich tot een aantal specifieke taken. De (overige) opsporing gebeurt door bijzondere opsporingsdiensten die bij wet zijn ingesteld. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de betreffende vakdepartementen (de Ministers van Financiën, Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit en Sociale Zaken en Werkgelegenheid). De Minister van Justitie bepaalt op hoofdlijnen het landelijke opsporings- en vervolgingsbeleid en is samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) verantwoordelijk voor het beheer van de politie als het gaat om de opsporing in strafzaken.

De Minister van Justitie heeft een coördinerende verantwoordelijkheid op het terrein van fraudebestrijding. Hierdoor is de interdepartementale samenhang op dit terrein geborgd. Bij thema’s zoals prostitutie en overlastbestrijding is een taakverdeling tussen de Minister van Justitie en de Minister van BZK overeengekomen. Hierdoor is de interdepartementale samenhang op deze terreinen eveneens geborgd.

De kwaliteitsborgende verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie richt zich op het stimuleren van de professionaliteit van de rechtshandhaving door het ontwikkelen van instrumenten en het bevorderen van het gebruik daarvan door andere ministeries, overheden en bestuursorganen in de niet-strafrechtelijke handhaving.

De Minister van Justitie en de Minister van BZK zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding.

Externe factoren

Over de externe factoren die de criminaliteitsontwikkeling beïnvloeden bestaan diverse criminologische theorieën. Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) onderscheidt een aantal categorieën van factoren die de criminaliteit in positieve of negatieve zin kunnen beïnvloeden: demografische factoren, sociaal-economische factoren, maatschappelijke factoren en institutionele factoren.

Daarnaast zijn er uiteraard diverse internationale ontwikkelingen die invloed hebben op het beleid.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

De ontwikkelingen en samenhangen in de criminaliteit en de rechtshandhaving worden periodiek en systematisch in kaart gebracht en zoveel mogelijk geduid door beleidsdoorlichtingen/-evaluaties en door middel van de publicatiereeks «Criminaliteit en rechtshandhaving» (C&R). Door in deze publicatiereeks de informatie over de verschillende onderdelen met elkaar in verband te brengen, wordt de samenhang in de strafrechtketen kwantitatief in beeld gebracht (outcome).

Daarnaast wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de resultaten van de Integrale Veiligheidsmonitor (IVM) (Kamerstukken II 28 684, nr. 276). Deze monitor is een integraal onderzoek dat vanaf 2009 de sociale veiligheid in Nederland op landelijk, regionaal en lokaal niveau in kaart brengt. Naast departementen en politiekorpsen, meten ook veel gemeenten hun veiligheidscijfer volgens deze monitor. De IVM levert onder meer belangrijke informatie voor het meten van outcome-doelstellingen.

Afname geweldsdelicten
 

Overall doelstelling 2010 t.o.v. 2002

Herijkte doelstelling 2010 t.o.v. 2006

Gerealiseerd t/m 2008

Resultaat monitor 2009 t.o.v. 2006

Nog te realiseren

Geweld

19%

20%

14,5%

19%

1%

Bron: rapportage Veiligheid begint bij Voorkomen.

Toelichting

De doelstelling om het aantal geweldsdelicten te reduceren met 20% in 2010 ten opzichte van 2006 vloeit voort uit de ambities van het project Veiligheid begint bij Voorkomen. Met de afronding van het programma Geweld in 2011 wordt beoogd ook de nog resterende 1% reductie van de geweldscriminaliteit te realiseren.

Budgettaire gevolgen van beleid x € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen

2 938 544

2 857 806

2 890 781

2 899 125

2 892 588

2 881 635

2 878 838

         

Waarvan garanties 1

355

300

529

644

759

874

989

         

Programma-uitgaven

2 939 067

2 857 806

2 890 781

2 899 125

2 892 588

2 881 635

2 878 752

         

13.1

Preventieve maatregelen

19 315

22 358

24 499

25 453

25 328

25 245

25 247

Waarvan juridisch verplicht

 

22 358

24 460

25 412

25 287

25 205

25 207

 

13.1.1 Dienst Justis

4 537

6 707

9 739

10 408

10 308

10 211

10 212

 

13.1.2 Overig

14 778

15 651

14 760

15 045

15 020

15 034

15 035

13.3

Handhaving en vervolging

794 078

775 598

795 007

810 084

797 394

790 892

789 213

Waarvan juridisch verplicht

661 911

681 321

695 295

680 974

690 844

689 378

 

13.3.1 Rechtshandhaving

115 972

120 336

129 369

129 972

131 411

127 260

127 267

 

13.3.2 Openbaar Ministerie

611 165

589 216

594 017

607 435

593 868

591 735

590 042

 

13.3.3 NFI

66 941

66 046

71 621

72 677

72 115

71 897

71 904

13.4

Tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties

2 055 808

1 973 781

1 999 876

1 996 807

2 002 717

1 998 393

1 997 180

Waarvan juridisch verplicht

1 956 214

1 956 879

1 942 893

1 933 423

1 928 050

1 926 879

 

13.4.1 DJI-gevangeniswezen-regulier

1 164 888

1 020 512

996 535

993 110

1 005 257

997 467

996 340

 

13.4.2 DJI-Forensische zorg

577 162

670 752

691 467

700 385

700 493

698 837

698 723

 

13.4.3 Reclassering

236 982

242 909

276 433

288 830

289 143

289 529

289 557

 

13.4.5 CJIB

70 050

32 456

28 340

7 285

660

5 420

5 420

 

13.4.6 Overig

6 726

7 152

7 101

7 197

7 164

7 140

7 140

13.5

Slachtofferzorg

33 996

51 076

48 183

47 404

47 147

47 171

47 176

Waarvan juridisch verplicht

51 076

48 183

47 404

47 147

47 171

47 176

 

13.5.1 Slachtofferhulpbeleid

15 407

29 379

26 725

25 542

25 346

25 375

25 378

 

13.5.2 Schadefonds Geweldsmisdrijven (SGM)

18 589

21 697

21 458

21 862

21 801

21 796

21 798

13.6

Terrorismebestrijding

35 870

34 993

23 216

19 377

20 002

19 934

19 936

Waarvan juridisch verplicht

34 574

18 747

13 994

12 810

12 776

12 775

 

13.6.1 NCTb

32 697

31 925

21 156

17 319

17 978

17 946

17 948

 

13.6.2 IND

3 173

3 068

2 060

2 058

2 024

1 988

1 988

         

Ontvangsten

846 774

821 273

914 428

1 027 047

1 069 361

1 052 361

996 261

Waarvan Boeten & Transacties

763 627

750 491

859 705

971 324

1 008 138

990 638

934 038

Waarvan Pluk ze

39 010

38 420

30 820

30 820

35 820

35 820

35 820

Artikel 13: Het niet-juridisch verplichte deel op dit beleidsartikel is bestuurlijk gereserveerd voor onder meer strafrechtelijke handhaving door het Openbaar Ministerie, terrorismebestrijding en systeemvernieuwing van het CJIB. Daarnaast is een gedeelte complementair noodzakelijk of anderszins bestuurlijk gebonden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om projecten als Meld Misdaad Anoniem, Veiligheidshuizen, Regionale Arrondissementale Justitiële Beraden en bestrijding voetbalvandalisme. Indien de middelen niet besteedbaar zijn, heeft dit consequenties voor de capaciteit bij het OM en het CJIB. Voor wat betreft het programma Veiligheid begint bij Voorkomen (VbbV) zijn er plannen opgesteld waardoor steeds meer geld bestuurlijk gebonden is.

XNoot
1

De garanties betreffen het geschatte potentiële risico (4,6%) op het daadwerkelijk uit te keren bedrag inzake de afgegeven garanties aan faillissementscuratoren.

Operationele doelstelling 13.1

Het voorkomen en verder terugdringen van criminaliteit en het effectief bestrijden van huiselijk geweld.

Motivering

Een effectieve en efficiënte rechtshandhaving is het meest gebaat bij een combinatie van preventie en repressie. Bij preventie van criminaliteit heeft niet alleen de rijksoverheid verantwoordelijkheden, maar de samenleving als geheel. Elke burger, elke ondernemer, maar ook elke organisatie en overheid kan bijdragen aan de preventie van criminaliteit. In het bijzonder wordt ingezet op de aanpak van huiselijk geweld, de meest voorkomende vorm van geweld in onze samenleving.

De aanpak van geweld

Instrumenten

Om een daling van de geweldscriminaliteit te bewerkstelligen wordt met het programma «Geweld in het (semi-)publieke domein» ingezet op een combinatie van preventieve en repressieve maatregelen. In 2011 zal het programma worden afgerond en worden de resultaten geborgd, waarbij de preventieve en repressieve maatregelen onder de aandacht worden gebracht bij de 32 grote gemeenten en de 45 veiligheidshuizen.

Binnen het programma Geweld wordt onder andere ingezet op de dadergerichte aanpak geweldplegers. Een modelopstelling met betrekking tot de dadergerichte aanpak is vastgelegd in een handboek. Het landelijk beschikbaar stellen van dit handboek en de bijbehorende instrumenten ondersteunt regio’s bij hun integrale aanpak van geweldplegers.

Met betrekking tot risicogroepen worden/wordt:

  • leraren en Halt-medewerkers opgeleid tot agressieregulatietrainers om leerlingen die gewelddadig gedrag vertonen vroegtijdig bij te sturen.

  • agressieregulatietrainingen ingezet bij daders van uitgaansgeweld (horeca, voetbal, evenementen).

  • de aanpak van jeugdgroepen gemonitord en getoetst op effect van interventie.

In 2010 is het project weerbaarheid overgedragen aan het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid en de schoolbegeleidingsdiensten. Zij zullen in 2011 doorgaan met de uitbreiding van het aantal gedragscodes en bemiddelingsprojecten in buurten en op scholen. Daarnaast zal de aandacht vooral uitgaan naar het waarborgen van de kwaliteit, de te verwachten effectiviteit en de structurele inbedding van deze projecten.

Daarnaast worden drie belangrijke risicofactoren voor geweld aangepakt: alcoholgebruik, wapenbezit en de confrontatie op jonge leeftijd met schadelijk beeldmateriaal. Hiervoor wordt in 2011:

  • op basis van een in 2010 opgestelde business case naar (keten)consequenties, bezien hoe de registratie van alcoholgebruik bij geweld en de daarop aansluitende justitiële interventies, zoals de alcohol-interventie, verbeterd kunnen worden;

  • de lokale samenwerking bij de preventieve controle op wapenbezit gestimuleerd en het wettelijk verbod op stiletto’s, vlinder- en valmessen van kracht;

  • het traject afgerond om de naleving van de leeftijdsgrenzen bij de verkoop van films en games met minimaal 10% te verbeteren (2009: 14%). Dit is conform de afspraken die zijn vervat in een convenant tussen de Minister van Justitie en de audiovisuele branches.

Tegengaan van huiselijk geweld

In 2011 wordt het Plan van aanpak huiselijk geweld verder uitgevoerd. Daarbij zal extra nadruk worden gelegd op kinderen in een huiselijk geweldsituatie; dit betreft zowel kinderen die zelf mishandeld worden, als kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld tussen hun ouders. Er zal hiertoe in ieder geval worden bezien op welke manier de steunpunten huiselijk geweld en de advies- en meldpunten kindermishandeling beter op elkaar aangesloten kunnen worden. De volgende zaken hebben prioriteit in 2011:

  • De afronding van het wetgevingstraject voor een verplichte meldcode. Beroepsgroepen (naast artsen en leraren bijvoorbeeld medewerkers kinderopvang) worden gestimuleerd om meldcodes huiselijk geweld en kindermishandeling te ontwikkelen en het gebruik daarvan door hun professionals te bevorderen.

  • De ontwikkeling van een nieuwe gedragsinterventie voor daders van partnergeweld.

  • Het maken van een databank met effectieve interventies voor huiselijk geweld. Er is in 2009 een landelijke modelaanpak huiselijk geweld voor gemeenten ontwikkeld; in 2011 wordt gewerkt aan het inhoudelijk vullen van het model.

  • De start van een effectevaluatie van de Wet tijdelijk huisverbod in samenwerking met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).

Aanpakken van criminaliteit tegen het bedrijfsleven

In 2010 is de overvalcriminaliteit met kracht bestreden, mede dankzij de inzet van de Taskforce Overvallen, waarin private en publieke partijen hun verantwoordelijkheid nemen om overvallen te voorkomen en te bestrijden. Om te voorkomen dat het aantal overvallen opnieuw zal toenemen, wordt in 2011 ingezet op blijvende aandacht voor en borging van de getroffen preventieve maatregelen op lokaal niveau.

Eind 2009 is het tweede convenant aanpak criminaliteit transportsector gesloten. De private partners hebben hierin ook een verantwoordelijkheid om transportcriminaliteit te voorkomen. Ook in 2011 zullen de in dit convenant afgesproken maatregelen worden uitgevoerd. Het team bij de Bovenregionale Recherche Zuid Nederland, dat zich speciaal op transportcriminaliteit richt, zal in 2011 nog actief zijn onder aansturing van de in mei 2010 aangestelde landelijk officier transportcriminaliteit.

Ook in 2011 zal de aanpak van diefstal in de detailhandel aandacht krijgen. Hiertoe zullen met het bedrijfsleven afspraken gemaakt worden over het nemen van preventieve maatregelen. Voor kleine bedrijven is in 2011 de subsidieregeling «veiligheid kleine bedrijven» nog van kracht.

Herziening Toezicht Rechtspersonen

In 2011 verdwijnt de Verklaring van Geen Bezwaar bij oprichting en statutenwijziging van vennootschappen door invoering van de Wet controle rechtspersonen (Kamerstukken I 31 948 A). Hiervoor in de plaats komt een systeem waarmee tijdens de gehele levensloop van een rechtspersoon (van oprichting tot opheffing) wordt getoetst op het risico op fraude bij/door de rechtspersoon, zoals voorgesteld in het rapport «Snel en secuur toetsen; het alternatief voor de Verklaring van geen bezwaar» (zie bijlage bij Kamerstukken II 24 036, nr. 23). Deze methode beperkt tevens de administratieve lasten voor ondernemers.

Verklaring Omtrent het Gedrag

Conform de toezegging aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 31 521, nr. 47) wordt in 2011 gestart met de continue screening van taxichauffeurs (in plaats van eens in de vijf jaar) om daarmee te voorkomen dat chauffeurs na het plegen van bepaalde delicten langer dan wenselijk op de taxi kunnen blijven rijden. Wanneer een taxichauffeur in deze systematiek in aanraking komt met Justitie, wordt dit doorgegeven aan het Centraal Orgaan voor de Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG). Het COVOG voert een marginale toets uit en informeert indien nodig de Inspectie Verkeer en Waterstaat, opdat de Inspectie een chauffeur kan verzoeken om een nieuwe Verklaring Omtrent het Gedrag aan te vragen (een voorwaarde voor een vergunning).

BIBOB

Het doel van de Wet bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (Wet BIBOB) is te voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert. Bestuursorganen kunnen mede op grond van een BIBOB-advies beslissen of zij aan een (rechts)persoon een vergunning of subsidie verstrekken of een overheidsopdracht gunnen. In 2010 is de wijziging van de Wet BIBOB voorbereid. Met dit wetsvoorstel wordt niet alleen het toepassingsbereik van de Wet BIBOB uitgebreid, maar wordt ook tegemoetgekomen aan een aantal praktische wensen ten aanzien van de inzet van het instrument BIBOB. Na parlementaire behandeling kan de gewijzigde wet in 2011 of 2012 in werking treden.

Vrijwilligers

In 2010 is de beleidsvisie «Vrijwilligerswerk bij de sanctietoepassing» ontwikkeld. Met dit vrijwilligerswerk wordt beoogd een bijdrage te leveren aan een humane tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen en aan effectieve reïntegratie in de samenleving. De gesubsidieerde activiteiten betreffen voornamelijk activiteiten ter ondersteuning en begeleiding van ingeslotenen en hun gezinssysteem tijdens detentie of tot 6 maanden na afloop van de strafrechtelijke titel. Om voor subsidiëring in aanmerking te komen dienen vrijwilligersorganisaties te voldoen aan enkele subsidievoorwaarden, die dienen ter borging van de kwaliteit van de vrijwilligersorganisaties en hun vrijwilligers. Het gaat om voorwaarden op het gebied van selectie, deskundigheidsbevordering, begeleiding, afstemming en informatievoorziening.

In 2009 zijn in samenwerking met Movisie (koepelorganisatie voor vrijwilligers), de Ministeries van VWS en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het NOC-NSF maatregelen voorbereid ter voorkoming van seksueel misbruik van kinderen. Dit betreft onder andere het, in samenwerking met de Minister voor Jeugd en Gezin en de Minister van VWS, faciliteren van de vrijwilligerssector bij het opstellen en implementeren van tuchtrecht, met daarbij de introductie van een register. In 2011 worden deze verder ingevoerd (Kamerstukken II 31 200, nr. 43).

Kansspelbeleid

Het kansspelbeleid voorziet in een gereguleerd aanbod van kansspelen en is gericht op het bestrijden van excessen, zoals verslaving, witwassen en andere vormen van criminaliteit (Kamerstukken II 24 557, nr. 93). In 2011 is de invoering van de Kansspelautoriteit voorzien. Dit vergt een wijziging van de Wet op de kansspelen. Hiertoe is op 16 december 2009 een wijzigingsvoorstel bij het parlement ingediend (Kamerstukken II 32 264, nrs. 1 t/m 4). Parallel aan de behandeling van deze wetswijziging worden voorbereidingen getroffen voor de inrichting van de Kansspelautoriteit.

Meetbare gegevens

In 2011 is 80% van de 32 grote gemeenten waar er sprake is van een geweldsprobleem bekend met de integrale aanpak, zoals neergezet in het Programma Aanpak Geweld.

Subdoelen met betrekking tot de integrale aanpak geweld:

  • Het aantal bemiddelings- en gedragscodeprojecten in buurten zal de 200 naderen.

  • In ruim 150 gemeenten zullen de inwoners gebruik kunnen maken van (een vorm van) buurtbemiddeling (in 2008 waren dit er 110).

  • Justitie zal de inzet van schoolprogramma’s, zoals leerlingbemiddeling en gedragscodes, stimuleren met in totaal 75 projecten.

  • 100–120 trainers (docenten en Halt-medewerkers) verzorgen de agressieregulatietraining.

  • Inzet dadergerichte aanpak geweldplegers in gemeenten met een geweldprobleem.

Meetbare doelen risicofactoren geweldpleging

1. Alcoholgerelateerd geweld

Het terugdringen van alcoholgerelateerd geweld met 10% in 2011 ten opzichte van 2008. Dit zal inzichtelijk gemaakt worden door het aantal geregistreerde alcoholgerelateerde geweldsdelicten.

Alcoholgerelateerd geweld
 

2008

2011 1

Aantallen

38 600 2

34 740

Procentuele afname

 

– 10%

XNoot
1

Streefcijfers

XNoot
2

T.b.v. een landelijk cijfer is dit aantal geëxtrapoleerd uit 3 pilots.

2. Wapengerelateerd geweld

Het terugdringen van wapengerelateerd geweld op de hot spots scholen en horeca met 15% in 2011 ten opzichte van 2007. Dit wordt inzichtelijk gemaakt door het aantal incidenten in en rond de scholen en de horeca. In het tweede kwartaal van 2010 vindt een volgende meting plaats. Aan de hand van de uitkomsten wordt bepaald of het beleid aangescherpt dient te worden.

Wapengerelateerd geweld
 

2007

2011 1

Incidenten in percentages op scholen

24,0%

20,4%

Rond scholen

18,0%

15,3%

In de horeca

7,0%

6,0%

Rond horeca

23,0%

19,6%

Bron: SGBO «Wapens weren – onderzoek naar de aanpak van wapenbezit op het voortgezet onderwijs en in de horeca (nulmeting)»

XNoot
1

Streefcijfers

Toelichting

Van de scholen voor voortgezet onderwijs geeft 24% aan dat er in 2007 ten minste één incident geweest is waarbij sprake was van wapenbezit. Daarnaast meldt 18% wapenincidenten rondom de school. Van de responderende horecagelegenheden meldt 7% dat er in 2007 minstens één incident in de zaak is geweest, waarbij sprake was van wapenbezit. Rondom de horeca meldt 23% van de exploitanten incidenten met wapens.

3. Naleving leeftijdsgrenzen Kijkwijzer en PEGI

Het verhogen van de naleving van de leeftijdsgrenzen van Kijkwijzer en Pan European Game Information (PEGI) aan het einde van de distributieketen tot ten minste 70% in 2011.

De volgende indicatoren worden gehanteerd om te bepalen of deze doelstelling gehaald wordt:

  • Het percentage ouders dat daadwerkelijk de Kijkwijzer en PEGI gebruikt. Dit percentage wordt jaarlijks gemeten; in 2009 was dit percentage 92%.

  • Het percentage ondernemers dat de leeftijdsgrenzen van Kijkwijzer en PEGI naleeft. In 2007 betrof dit percentage 14%. In 2010 heeft de volgende meting plaatsgevonden. Daaruit blijkt dat de naleving gestegen is naar 42%.

Daling criminaliteit tegen ondernemingen
 

Doelstelling 2011

2004

2007

2008

2009

Nog te realiseren

Diefstal bij detailhandel

1 125 000

1 500 000

974 000

1 727 000

1 527 000

402 000

Geweld bij het bedrijfsleven (percentage bedrijven slachtoffer):

      

– bouw

1,5%

2%

2%

2%

1,7%

0,2%

– detailhandel

5,25%

7%

5%

6%

5,4%

0,15%

– transport

5,25%

7%

5%

4%

4,6%

– zakelijke dienstverlening

3%

4%

5%

4%

2,6%

– horeca

7,5%

10%

9%

9%

8%

0,5%

Bron: Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 2009.

Toelichting

Dit betreft een doelstelling uit het coalitieakkoord van Balkenende IV: daling criminaliteit tegen ondernemingen met vijfentwintig procent.

Integriteit: aantal aangevraagde en geweigerde VOG’s
 

2007

2008

2009

2010

2011

Aantal aangevraagde VOG’s

384 724

474 751

454 027

500 000

500 000

Waarvan geweigerd in de beschikkingsfase op basis van antecedenten

3 195

2 951

4 063

3 000

3 000

Bron: Justis

Integriteit: aantal BIBOB adviezen en BIBOB adviezen ernstig gevaar
 

2007

2008

2009

2010

2011

Aantal adviezen

197

265

300

350

400

Waarvan ernstige mate van gevaar

113

100

Nog niet bekend

Nog niet bekend

Bron: Justis

Toelichting

Zowel bij BIBOB als bij VOG is er sprake van beschikkingen op basis van aanvragen. Het aantal aanvragen dat ontvangen wordt, is niet door Justitie te beïnvloeden.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Beleidsdoorlichting

Omschrijving

Status

Vindplaats

Preventieve maatregelen

Af te ronden in 2012

www.wodc.nl

Toelichting

Door middel van de beleidsdoorlichting Preventieve maatregelen zal de doelmatigheid en doeltreffendheid van het preventiebeleid van de rijksoverheid worden geëvalueerd.

Effectenonderzoek ex ante

Omschrijving

Status

Vindplaats

Proces- en effectevaluatie van een in het buitenland effectief gebleken preventieve aanpak van geweld

Af te ronden in 2011

www.wodc.nl

Toelichting

Uit het rapport «Geweld verslagen?» is de aanpak «Responding in Peaceful and Positive ways» geselecteerd om te toetsen en te evalueren in de Nederlandse praktijk. In dit kader wordt het Nederlandse project C&SCO (Conflicthantering en Sociale Competentie in het Onderwijs) aangevuld met de sterke RiPP (Responding in Peaceful and Positive ways) elementen uit de Verenigde Staten.

Effectenonderzoek ex post

Omschrijving

Status

Vindplaats

Procesevaluatie van de Wet tijdelijk huisverbod

Af te ronden in 2011

www.wodc.nl

Toelichting

Onderzocht wordt hoe uitvoering wordt gegeven aan de Wet tijdelijk huisverbod en of de wet werkt zoals bedoeld.

Overig evaluatieonderzoek

Omschrijving

Status

Vindplaats

Landelijke invoering OK-punten

Afgerond in 2010

www.wodc.nl

Effect van «Behave» van gedragscodes in het onderwijs

Af te ronden in 2010

www.wodc.nl

Proces- en effectevaluatie Halt-afdoening Alcohol

Af te ronden in 2010

www.wodc.nl

Proces- en effectevaluatie Kwaliteitsmeter Veilig Uitgaan

Startfase

www.wodc.nl

Evaluatie aanpak huiselijk geweld periode 2002–2011

Voorgenomen

 

Toelichting

Landelijke invoering OK-punten

De pilot OK-punten, veilige plekken waar slachtoffers en getuigen terecht kunnen voor opvang en hulp, wordt geëvalueerd om te zien in hoeverre de OK-punten in een behoefte voorzien en welke effecten ze hebben. Het onderzoek vormt de basis voor eventuele landelijke invoering.

Effect van «Behave» van gedragscodes in het Onderwijs

In oktober 2007 is gestart met het project Codename Future ten behoeve van gedragscodes in het onderwijs. Door middel van een aanpak die jongeren aanspreekt (interactief, beeld- en filmmateriaal) worden op vijf scholen gedragscodes geïntroduceerd. Het doel van het onderzoek is het meten van de effectiviteit van de pilots.

Proces- en effectevaluatie Halt-afdoening Alcohol

Jongeren die onder invloed van alcohol een Halt-waardig delict hebben gepleegd, krijgen een leerstraf opgelegd die gericht is op het alcoholmisbruik in relatie tot de delictpleging. Ook de ouders worden erbij betrokken. De evaluatie moet uitwijzen wat de effecten zijn op het alcoholmisbruik en delictgedrag en kan leiden tot eventuele bijstelling van de modelaanpak.

Proces- en effectevaluatie Kwaliteitsmeter Veilig Uitgaan

In veel gemeenten zijn er samenwerkingsverbanden tussen de politie, het lokaal bestuur en de uitbaters van de horeca. Via convenanten Veilig Uitgaan en Kwaliteitsmeters Veilig Uitgaan (KVU) worden samenwerking en preventieve maatregelen gestimuleerd. Het effect van deze maatregelen wordt geëvalueerd.

Evaluatie aanpak huiselijk geweld periode 2002–2011

Na circa 9 jaar (vanaf 2002) beleid gevoerd te hebben met betrekking tot huiselijk geweld zal de aanpak worden geëvalueerd. Deze evaluatie dient enerzijds ter verantwoording van de afgelopen jaren, anderzijds zullen de conclusies gebruikt worden bij het vormgeven van het vervolgbeleid in de komende periode.

Operationele doelstelling 13.3

Het bestrijden van criminaliteit door een effectief en doelmatig instrumentarium van opsporing en vervolging.

Motivering

Opsporing en vervolging zijn het logische en noodzakelijk vervolg op preventie. Waar preventie faalt zal repressief optreden tegen criminaliteit volgen. Daarbij is niet alleen aandacht voor veel in het oog lopende criminaliteit, maar ook voor de minder zichtbare, zoals witwassen en vastgoedcriminaliteit, georganiseerde hennepteelt en corruptie. Deze vormen van criminaliteit ondermijnen onze rechtsstaat, vooral door het risico van het verweven van de onderwereld met de bovenwereld. Deze criminaliteit dient daarom bestreden te worden met een combinatie van preventieve, bestuursrechtelijke en strafrechtelijke maatregelen. In 2011 wordt dit beleid voortgezet. De kwaliteit en professionaliteit van de opsporing en de vervolging staat daarbij voorop, evenals internationale samenwerking. Dit geldt zowel voor wat betreft de bestrijding van de commune criminaliteit, zoals diefstal, inbraak en beroving, als voor de minder zichtbare criminaliteit, zoals de bestrijding van fraude, georganiseerde criminaliteit, cybercrime en milieucriminaliteit.

Versterkingsprogramma’s voor georganiseerde misdaad, financieel-economische criminaliteit en cybercrime

Instrumenten

De uitvoering en implementatie van de versterkingsprogramma’s voor georganiseerde misdaad, financieel-economische criminaliteit en cybercrime zal in 2011 nog veel aandacht vergen en daarom worden voortgezet.

Met het OM en de politie worden afspraken gemaakt over de wijze waarop de versterkingsprogramma’s vanaf 2011 kunnen worden geborgd in de staande organisaties.

Programma versterking strafrechtelijke milieuhandhaving (in ontwikkeling)

In diverse brieven (onder andere Kamerstukken II 22 343, nr. 236 en Kamerstukken II 29 383, nr. 130 ) aan de Tweede Kamer is aangekondigd dat een programma gericht op het versterken van de aanpak van overtredingen van milieuregelgeving, waaronder ook de (toenemende) zwaardere/georganiseerde milieucriminaliteit, in ontwikkeling is. In 2011 wordt ingezet op het verbeteren en borgen van de kwaliteit van de opsporing, de capaciteit, de informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de betrokken organisaties.

Ontraceerbare veroordeelden

In het landelijke opsporingsregister (OPS) staan veroordeelden gesignaleerd, waarvan het vonnis door het ontbreken van de kennis van de verblijfplaats van de veroordeelde, niet ten uitvoer wordt gelegd. Naar aanleiding van deze laatste constatering hebben OM en politie in 2007 gezamenlijk het team executie strafvonnissen (TES) gevormd, dat zich specifiek richt op het opsporen van de groep (gesignaleerde) veroordeelden, die nog een vrijheidsstraf van meer dan 300 dagen moeten ondergaan. Tevens vaardigt het TES voor de groep gesignaleerde veroordeelden met een vrijheidsstraf van 120 tot 300 dagen een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) uit.

In 2008, 2009 en 2010 was de zaaksvoorraad respectievelijk 2 279, 2 607 en 2 349. Met de formatieve capaciteit van het TES van 2007 is het in staat ongeveer 500 zaken per jaar te behandelen. Om de werkvoorraad substantieel te beïnvloeden is in het kader van het driejarige (2009–2011) programma versterking executie strafvonnissen het TES qua capaciteit vanaf eind 2009 tot eind 2011 verdubbeld met als doel per jaar ongeveer 1 000 zaken te kunnen behandelen. Het doel is om eind 2011 een beheersbare werkvoorraad voor de oorspronkelijke TES-formatie te hebben gerealiseerd.

Openbaar Ministerie

De taak van het Openbaar Ministerie (OM) ligt wettelijk vast. In de Wet op de rechterlijke organisatie staat die taak als volgt omschreven:

«Het Openbaar Ministerie is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en met andere bij wet vastgestelde taken», waaronder als belangrijkste de opsporing en vervolging van strafbare feiten.

Het OM draagt in 2011 bij aan het voorkomen en bestrijden van criminaliteit voor een veiliger samenleving. Het OM bouwt daarmee voort op het in 2007 neergelegde fundament voor de aanpak van criminaliteit. Het doel daarbij is maatschappelijk effect sorteren, onder andere blijkend uit de volgende beleidsambities:

  • Versterking aanpak georganiseerde misdaad;

  • Versterking aanpak financieel-economische criminaliteit;

  • Aanpak Cybercrime;

  • Effectieve inzet van een landelijk dekkend netwerk van 45 veiligheidshuizen;

  • Aanpak van jeugdcriminaliteit, jeugdgroepen met crimineel gedrag, en schoolverzuim;

  • Verstevigen positie slachtoffers;

  • Verbeteren van de advisering over en de tenuitvoerlegging van voorwaardelijke sancties en een toename van het aantal bijzondere voorwaarden.

Meetbare gegevens

De hieronder opgenomen tabellen laten zien welke bijdrage het OM, FIU NL en het CIOT leveren aan de opsporing en vervolging van criminaliteit.

Openbaar Ministerie

Productie en prestaties arrondissementsparketten
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Rechtbankzaken (afdoeningen)

260 000

253 800

250 100

245 400

241 100

241 400

242 000

Overdracht aan buitenland

100

300

300

300

300

300

300

Onvoorwaardelijke sepot

31 200

25 400

25 010

24 540

24 110

24 140

24 200

Transactie, strafbeschikking en voorwaardelijk sepot

77 100

76 100

75 000

73 600

72 300

72 400

72 600

Voegen (ter berechting of ad info)

8 600

12 400

12 190

11 960

11 790

11 760

11 800

dagvaardingen

139 600

139 600

137 600

135 000

132 600

132 800

133 100

wv Meervoudige kamer (inclusief economisch en militair)

13 800

13 300

13 100

12 800

12 600

12 600

12 600

wv Politierechter (inclusief economisch en militair)

113 300

113 800

112 100

110 000

108 100

108 200

108 500

wv Kinderrechter

12 500

12 600

12 400

12 200

11 900

12 000

12 000

Interventiepercentage (%)

86%

90%

90%

90%

90%

90%

90%

Gemiddelde doorlooptijd (in dagen)

161

130

130

130

130

130

130

Doorloopsnelheid jeugd binnen 3 maanden afgedaan OM (%)

79%

80%

80%

80%

80%

80%

80%

Rechtbankzaken (afdoeningen)

260 000

253 800

250 100

245 400

241 100

241 400

242 000

        

Kantonzaken (afdoeningen)

224 100

247 400

235 800

225 100

236 500

232 700

238 200

Sepot, transacties, voegen en overdracht buitenland

84 400

99 000

94 300

90 000

94 600

93 100

95 300

Dagvaardingen

139 700

148 400

141 500

135 100

141 900

139 600

142 900

        

Mulderzaken

       

Uitstroom beroepen Openbaar Ministerie

360 200

330 500

346 300

378 200

388 000

391 500

394 800

Bron: Gegevens WODC en OM

Toelichting

De omvang van de uitstroom van rechtbankzaken, kantonzaken en mulderberoepen is een inschatting op basis van de meest recente instroomramingen volgens het Prognosemodel Justitiële Ketens (PMJ) en van historische ervaringsgegevens. De laatste liggen ook ten grondslag aan de inschatting van het aantal zaken in hoger beroep. Er is sprake van een toename van de instroom van rechtbankappellen en klachten artikel 12 Sv.

Productie en prestaties ressortparketten
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Rechtbankappellen

13 600

13 800

14 000

14 000

14 000

14 000

14 000

Kantongerechtsappellen

4 800

5 000

5 000

5 000

5 000

5 000

5 000

Mulderberoepen

2 300

2 300

2 300

2 300

2 300

2 300

2 300

Klachten artikel 12 Sv

2 400

2 500

2 600

2 650

2 700

2 750

2 800

Bron: Gegevens WODC en OM

Financial Intelligence Unit Nederland (FIU NL)

Prestatiegegevens
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Aantal ongebruikelijke transacties

4 030 000

4 030 000

4 030 000

4 030 000

4 030 000

4 030 000

4 030 000

Aantal verdachte transacties

58 000

58 000

58 000

58 000

58 000

58 000

58 000

Percentage verdachte transacties

14%

14%

14%

14%

14%

14%

14%

Bron: management informatiesysteem FIU NL

Toelichting

Om witwassen en financieren van terrorisme te voorkomen zijn instellingen verplicht ongebruikelijke transacties te melden bij FIU NL. Dit zijn onder meer kredietinstellingen, geldtransactiekantoren, beleggingsinstellingen, juridische beroepsgroepen, casino’s en beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkopers van goederen. Ongebruikelijke transacties kunnen door FIU verdacht worden verklaard op grond van politiegegevens of strafvorderlijke gegevens, eigen onderzoek of gegevens van buitenlandse FIU’s. Meldingen van verdachte transacties worden door politie en OM gebruikt in het opsporingsproces. In verhouding tot het aantal ongebruikelijke transacties geeft het aantal verdachte transacties een indicatie voor de effectiviteit van dit opsporingsinstrument.

Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (CIOT)

Prestatiegegevens
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Aantal Aanbieders

114

140

160

180

200

200

200

Aantal vragen

2 930 941

3 100 000

3 200 000

3 200 000

3 200 000

3 200 000

3 200 000

Hit-rate 1

90%–94%

95%

96%

97%

97%

97%

97%

XNoot
1

Hit-rate is het aantal hits gedeeld door het aantal vragen maal 100%. De hit-rate wordt bepaald door het aantal aangesloten aanbieders, de kwaliteit van de vragen en de kwaliteit van de aangeleverde gegevens. Een hit op een vraag kan een of meerdere antwoorden bevatten.

Toelichting

Tijdens onderzoek naar criminele activiteiten, bij de opsporing van verdachten en ten behoeve van de bescherming van de nationale veiligheid vergaren de (Bijzondere) Opsporing- en Inlichtingendiensten op een snelle, efficiënte, veilige, gestructureerde en volume onafhankelijke wijze gegevens die noodzakelijk zijn voor het opsporingsproces. Deze aanpak heeft geleid tot een aanzienlijke verlaging van de administratieve lasten bij zowel de overheid als bij het bedrijfsleven.

De ondersteuning zal de komende jaren toenemen door meer aanbieders van telefoon en internet benaderbaar te maken. Het aantal vragen en de bijbehorende «hitrate» zijn hierbij graadmeters voor het belang en de doelmatigheid en effectiviteit van dit opsporingsinstrument.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Beleidsdoorlichting

Omschrijving

Status

Vindplaats

Opsporing en forensisch onderzoek

Afgerond in 2008

www.wodc.nl

Handhaving en vervolging

Afgerond in 2008

www.wodc.nl

Effectenonderzoek ex post

Omschrijving

Status

Vindplaats

Evaluatie proeftuinen

Gestart in 2008, af te ronden in 2010

www.wodc.nl

Toelichting

Het doel van het onderzoek is zicht krijgen op het verloop van de invoering van de programmatische aanpak in de vorm van proeftuinen bij de aanpak van georganiseerde misdaad, financieel-economische fraude en cybercrime. Van 2008 tot en met 2012 moet de professionele standaard van OM, politie, gemeenten en andere actoren bij de aanpak van zware en georganiseerde criminaliteit verhoogd worden door te voorzien in OM-proeftuinen. Elke proeftuin wordt geformeerd rondom een concrete zaak die zich leent voor innovatieve methoden van opsporing en/of de programmatische aanpak.

Overig evaluatieonderzoek

Omschrijving

Status

Vindplaats

Beleidsmonitor bestrijding witwassen

Af te ronden in 2011

www.wodc.nl

Handhavingsstelsels

voorgenomen

 

Monitor experiment inschakeling particuliere forensische instituten

Af te ronden in 2012

www.wodc.nl

Effectiviteit van opsporingsmiddelen: DNA-V en ANPR

Voorgenomen

www.wodc.nl

Evaluatie Veiligheidshuizen

Voorgenomen

www.wodc.nl

Toelichting

Beleidsmonitor bestrijding witwassen

De afgelopen jaren zijn diverse maatregelen genomen ter verbetering van de bestrijding van witwassen. In 2008 verscheen een rapport van de Algemene Rekenkamer (AR) over het bestrijden van witwassen en terrorismefinanciering. In dat rapport concludeert de AR dat de verantwoordelijke departementen onvoldoende inzicht hebben in de prestaties van de handhaving en dat de departementen (Justitie, Financiën en BZK) onvoldoende regie voeren en sturen op handhavingsprestaties. De nu te ontwikkelen beleidsmonitor heeft als doel inzicht te krijgen zodat de departementen beter in staat zijn om regie te voeren en doelmatiger te sturen in de handhavingsprestaties.

Handhavingsstelsels

Onderzoek naar de mogelijkheid om de eenheid in handhavingsstelstels te bevorderen door een systematiek aan de hand waarvan de hoogte van bestuurlijke en strafrechtelijke boetes evenwichtig kan worden vastgesteld.

Monitor experiment inschakeling particuliere forensische instituten

Bij politie, OM, rechtspraak en verdediging is sprake van een groeiende behoefte aan snelle, specialistische en kwalitatief goede forensische dienstverlening. Particuliere instituten kunnen hier een rol van betekenis spelen, ook uit het oogpunt van contra-expertise. Onderzocht wordt het aanbod en gebruik van deze diensten, expertise, doorlooptijden en de kwaliteit van de dienstverlening.

Het experiment heeft een looptijd van twee jaar en is gestart op 1 februari 2010. De evaluatie van het experiment is toegezegd in een brief van de Minister van Justitie aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 31700-VI, nr. 150).

Effectiviteit van opsporingsmiddelen: DNA-V en ANPR

Dit onderzoek moet een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van een visie op effectiviteit en methodiek om de effectiviteit van opsporingsmiddelen vast te stellen, in dit geval toegepast op DNA-Veroordeelden en op ANPR (Automatic Number Plate Recognition). In het eerste gedeelte wordt tevens vastgesteld welke informatie moet worden verzameld en vastgelegd om het tweede gedeelte van het onderzoek, de effectiviteitsmetingen voor DNA-V en ANPR, te kunnen uitvoeren. Afhankelijk van de uitkomsten van de gemeenschappelijke eerste fase kan in de tweede fase het onderzoek gesplitst worden tussen DNA-V en ANPR.

Evaluatie Veiligheidshuizen

In 1997 ontstonden de eerste vier experimenten waarin een aantal partners binnen Justitie (vooral het Openbaar Ministerie en de politie) samenwerkten bij de aanpak van lokale veiligheidsproblemen. Dit beleid is in 2002 geëvalueerd en aangepast. In 2002 ontstond het veiligheidshuis Tilburg waarin niet alleen justitiepartners samenwerkten maar ook een aantal zorgpartners. Vanaf eind 2003 is het beleid Justitie in de Buurt nieuwe stijl ontwikkeld. Dit beleid is beter bekend onder de naam veiligheidshuizen. Het einddoel van het beleid Justitie in de Buurt nieuwe stijl is het verminderen van overlast en criminaliteit.

Operationele doelstelling 13.4

Het bestrijden van criminaliteit met een effectieve en doelmatige tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties en maatregelen.

Motivering

Een groot deel van de maatschappelijke overlast als gevolg van criminaliteit wordt veroorzaakt door recidivisten. De aanpak om recidive terug te dringen is persoonsgericht: zowel bij de strafoplegging, de straftoepassing, als bij de nazorg wordt gekeken naar de specifieke problematiek van het individu en wordt bij voorkeur gekozen voor een traject waarbij repressie en preventie hand in hand gaan. Daarbij is het essentieel dat detentie wordt gevolgd door een goed nazorgtraject. Goede nazorg draagt bij aan het verminderen van de lokale overlast en het vergroten van de veiligheid.

Om de recidive te verminderen is verder een nauwe samenwerking tussen verschillende justitiepartners nodig, maar ook met niet-justitiële partners, zoals gemeenten, zorginstellingen en woningcorporaties. Zo worden justitiële en maatschappelijke interventies goed op elkaar afgestemd.

Ruimere toepassing justitiële voorwaarden

Instrumenten

Kortdurende vrijheidsstraffen zijn niet effectief gebleken in termen van het voorkomen van recidive. Daarom zijn kortdurende celstraffen bij de Brede Heroverweging ingebracht als ombuigingsvoorstel. Het onder toezicht stellen van veroordeelden die met de strafrechtelijke titel «voorwaardelijke straf» bijzondere voorwaarden opgelegd krijgen, vormt voor deze dadergroep een effectievere sanctietoepassing. Voor advisering, handhaving en opvolging bij overtreding zijn ketenafspraken en termijnen vastgelegd tussen OM, reclassering en politie. Het reclasseringstoezicht is aangescherpt. Als bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd, kan men rekenen op een snelle en consequente reactie. De belangrijkste mijlpalen voor 2011 zijn:

  • De wetswijziging van de regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de wijziging van de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling treden in 2011 in werking (Kamerstukken II 30 300, nr. 164).

  • Ketensamenwerking in ieder arrondissement is gericht op het beter nakomen van landelijk vastgestelde ketenafspraken en termijnen opdat het aantal voorwaardelijke sancties met bijzondere voorwaarden toeneemt.

  • Capaciteitsuitbreiding van de reclasseringsproducten «advies» (3% ten opzichte van 2010) en «toezicht» (6% ten opzichte van 2010).

  • Oplevering van een procesevaluatie van het vernieuwde reclasseringsproduct toezicht; op basis van aanbevelingen worden vervolgacties in gang gezet.

  • Oplevering van een – op wetenschappelijke basis – uitgevoerde kwalitatieve evaluatie van het vernieuwde reclasseringsproduct advies; op basis van aanbevelingen worden vervolgacties in gang gezet.

  • Verdubbeling van het aantal verslaafden dat onder justitiële voorwaarden in forensische zorg wordt geplaatst van 3 000 in 2006 naar 6 000 in 2011 (Kamerstukken II 31 110, nr. 1). Voor 2011 betekent dit een groei naar 6 000 plaatsingen in de forensische zorg, waarvan 1 150 extra ingekochte zorgtrajecten.

Tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen

Vrijheidsstraffen blijven onmisbaar, zowel met het oog op de doelstelling van vergelding, als op het ontnemen van de mogelijkheid om delicten te begaan. Een eerste vereiste is de beschikbaarheid van voldoende sanctiecapaciteit. In 2009 is het Masterplan Gevangeniswezen 2009–2014 opgesteld. Belangrijk onderdeel van het Masterplan is de regionale plaatsing van gedetineerden, zodat het strafproces en de reïntegratie beter op elkaar aansluiten. De regionale plaatsing van preventief gehechten (doelstelling is 90%), kort- en langverblijvenden in de laatste vier maanden van detentie dient eind 2012 te zijn gerealiseerd.

De persoonsgerichte aanpak op basis van de levensloopbenadering vormt de kern van het programma Modernisering van het gevangeniswezen (MGW). De persoonsgerichte aanpak richt zich op screening bij binnenkomst, een detentie- en reïntegratieplan voor elke gedetineerde en het aanbieden van een dagprogramma dat maximaal is gericht op resocialisatie en reïntegratie.

Ook 2011 staat in het teken van de implementatie van de verschillende projecten van MGW. Dit betekent een verdere uitwerking van de persoonsgerichte benadering. Belangrijke activiteiten zijn:

  • Verder ontwikkelen van interventies voor kortverblijvenden.

  • Tot stand brengen van meer interne bewegingsvrijheden van gedetineerden (beveiliging op maat).

  • Verlenen van persoonsgebonden verlof.

  • Verder ontwikkelen persoonsgerichte dagprogramma’s (onderwijs, arbeid, arbeidstoeleiding en dergelijke).

ISD-maatregel

Het beleid ten aanzien van (zeer actieve) veelplegers wordt voortgezet, met name in het kader van de uitvoering van de ISD-maatregel (plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders). De effectevaluatie van de ISD-maatregel bevindt zich in de startfase en zal niet voor 2013 zijn afgerond.

Nazorg

Hoofddoel van het Programma «Sluitende aanpak nazorg» is het leveren van een bijdrage aan het terugdringen van de recidive met 10%. Het streven is dat (ex-)gedetineerde burgers bij het verlaten van detentie beschikken over de noodzakelijke basisvoorzieningen (leefgebieden), zoals een identiteitsbewijs, huisvesting (ten minste maatschappelijke opvang), inkomen (ten minste een voorschot), een plan voor schuldhulpverlening (ten minste inzicht in de schuldenproblematiek) en de noodzakelijke geestelijke gezondheidszorg of verslavingszorg. De belangrijkste mijlpalen voor 2011 zijn:

  • Implementatie van landelijk dekkende, regionale afspraken tussen penitentiaire instellingen, gemeenten en maatschappelijke partners over nazorg in uitwerking van het Samenwerkingsmodel Nazorg.

  • Tijdige en volledige informatie-uitwisseling: voor 80% van de gedetineerde burgers wordt in beeld gebracht wat de noodzakelijke basisvoorzieningen zijn. Deze informatie wordt via het Digitaal Platform Aansluiting Nazorg (DPAN) overgedragen aan de gemeenten, waarna vervolgens in overleg tussen Justitie en de gemeente wordt bepaald welke vorm van nazorg benodigd is.

  • Er komt een landelijk dekkende Infrastructuur voor de nazorg: er zijn voldoende gemeentelijke contactpersonen nazorg die de regie voeren over de gemeentelijke nazorg.

  • Via de Handreiking Nazorg worden onder meer de beproefde werkwijze voor arbeidstoeleiding en schuldhulpverlening verspreid.

  • Een derde monitor nazorg moet inzicht bieden in de resultaten van de justitiële en gemeentelijke nazorginspanningen.

Terbeschikkingstelling/forensische zorg

De Tbs-maatregel is aantoonbaar veiliger geworden door de uitvoering van de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie Visser. Het aantal onttrekkingen uit verlof is aanzienlijk gedaald en daarmee ook het aantal incidenten. Tegelijkertijd neemt de behandelduur toe en daalt het aantal opleggingen. Op basis van het onderzoek van het WODC (2010) dat voor deze ontwikkelingen verklaringen biedt, worden in 2011 maatregelen doorgevoerd die erop gericht zijn de kwaliteit en de effectiviteit van de Tbs-behandeling te verhogen. Doel is te komen tot een toekomstbestendig Tbs-systeem, dat is aangepast aan de huidige tijd en dat maatschappelijk vertrouwen geniet.

Er wordt ook in 2011 ingezet op de verbetering van de forensische zorg, om zo de recidive te verminderen. De belangrijkste mijlpalen voor het programma «Vernieuwing Forensische Zorg» voor 2011 zijn:

  • Op grond van de zorgindicatie en het vonnis zal, onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie, een plaatsingsbesluit worden genomen. Aan de hand van het plaatsingsbesluit zal iedere justitiabele tijdig bij de meest passende zorginstelling worden geplaatst.

  • De zorginstellingen zullen de door hen verleende forensische zorg op basis van Diagnose Behandeling en Beveiliging Combinaties registreren en factureren in aantallen.

  • Het gevangeniswezen, de reclassering en het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) maken gebruik van een integraal informatiesysteem, dat moet zorgen voor een betere matching tussen zorgvraag en zorgaanbod.

  • De parlementaire behandeling van de Wet Forensische Zorg zal naar verwachting in 2011 zijn afgerond.

Ontwikkeling recidive

Meetbare gegevens

In de periode van 2002–2010 dient de 7–jaars recidive onder ex-gedetineerden te dalen met 10% en de 2-jaars recidive met 7,7%. In april 2009 is de laatste recidivemeting aan de Tweede Kamer verstuurd (Kamerstukken II 28 684, nr. 267). Belangrijkste bevinding inzake ex-gedetineerden is dat de gecorrigeerde 2-jaars recidive tussen 2002 en 2006 met 4,9%-punt is afgenomen, van 59% naar 54,1%. Voor een uitgebreidere toelichting op de doelstelling wordt verwezen naar de eindrapportage van het programma «Veiligheid begint bij Voorkomen» die op 23 april 2010 is verzonden naar de Tweede Kamer.

Vernieuwing Forensische Zorg

Het programma «Vernieuwing Forensische Zorg» draagt bij aan vermindering van recidive. Een kwantitatieve prestatie-indicator om te bepalen of de goede stappen worden gezet, is het aantal beschikbare zorgplaatsen in en ten behoeve van het gevangeniswezen. De schaarste aan juiste passende zorg voor gedetineerden ligt immers aan de basis van de vernieuwing forensische zorg. Evenals in 2010, zal in 2011 het aantal plaatsen 700 bedragen in het gevangeniswezen en 320 in de geestelijke gezondheidszorg.

In de onderstaande tabellen wordt op instrumentniveau inzicht geboden in de prestaties. Het betreft hier de toepassing van justitiële voorwaarden en de samenwerking met gemeenten op het gebied van nazorg.

Justitiële voorwaarden
 

2009

2010

2011

2012

Aantal kandidaten voorwaardelijk invrijheidstelling

667

1 070

1 300

1 380

Aantal verslaafden dat onder justitiële voorwaarden in zorg wordt geplaatst

4 264

5 000

6 000

6 000

Bron: Recidivebrief 2008, 24 587 nr. 299

Toelichting

Beide reeksen dragen bij aan de doelstelling om een toename van 25% te bewerkstelligen van trajecten met bijzondere voorwaarden.

Nazorg
 

2009

2010

2011

2012

Percentage screeningen en informatie-overdracht aan gemeenten 1

80

90

100

100

Percentage dekking gemeentelijke contactpersonen

90

95

100

100

Percentage regionale afspraken nazorg

 

75

100

100

Bron: Voortgangsrapportage VbbV

XNoot
1

Bij gedetineerden die korter dan twee weken verblijven, worden alleen naam, adres, woonplaats, datum van binnenkomst en verwachte ontslagdatum doorgegeven.

Toelichting

Het Samenwerkingsmodel nazorg wordt dit jaar regionaal uitgewerkt. Er moeten eind 2010 in alle centrumgemeenten afspraken zijn met de omliggende penitentiaire inrichtingen en maatschappelijke organisaties. Er is een implementatieadviseur bij DJI/Gevangeniswezen en de VNG om dit te bevorderen. Zij monitoren in hoeverre er sprake is van afspraken op het gebied van nazorg.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Beleidsdoorlichting

Omschrijving

Status

Vindplaats

Tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties

Afgerond in 2008

www.wodc.nl

Effectenonderzoek ex post

Omschrijving

Status

Vindplaats

Het verlof van de ter beschikking gestelde- het Adviescollege Verloftoetsing Tbs in de route van aanvraag tot beslissing

Af te ronden in 2010

www.wodc.nl

Meta-analyse Nederlandse effectstudies

Af te ronden in 2011

www.wodc.nl

Toelichting

Het verlof van de ter beschikking gestelde – het Adviescollege Verloftoetsing Tbs in de route van aanvraag tot beslissing

Naar aanleiding van het Besluit van de Staatssecretaris van 27 september 2007 is het Adviescollege Verloftoetsing Tbs ingesteld. Met ingang van 1 januari 2008 toetst het Adviescollege alle door de Forensisch Psychiatrische Centra ingediende aanvragen tot verlof van ter beschikking gestelden. Bij de instelling van dit Adviescollege is bepaald dat een evaluatie van het functioneren van het college zal plaatsvinden nadat het college één jaar heeft gefunctioneerd.

Meta-analyse Nederlandse effectstudies

Sinds de jaren 70 van de vorige eeuw worden in Nederland recidivemetingen verricht om de effectiviteit van strafrechtelijke interventies te helpen bepalen. Het gaat hierbij doorgaans om kleinschalige studies gericht op specifieke dadergroepen. Een systematische samenvatting van de resultaten van de diverse studies zal de kennis vergroten inzake de toepassing van straffen en maatregelen in Nederland.

Overig evaluatieonderzoek

Omschrijving

Status

Vindplaats

Effectevaluatie ISD

Af te ronden in 2013

www.wodc.nl

Proces- en effectevaluaties gedragsinterventies:

  

– Arva

Af te ronden in 2011

 

– CoVa

Af te ronden in 2011

 

– Leefstijltraining

Af te ronden in 2011

 

– Korte Leefstijltraining

Af te ronden in 2011

 

– Agressieregulatietraining

Af te ronden in 2011

 

Literatuursynthese effectiviteit interventies voor risicogroepen voor geweldpleging; vervolgonderzoek op «Geweld verslagen»

Af te ronden in 2010

www.wodc.nl

Evaluatie verplichting tot aangifte door tbs-kliniek van eenvoudige mishandeling

Voorgenomen

 

Evaluatie verzelfstandiging Van Mesdagkliniek

Voorgenomen

 

Procesevaluaties Justitiële Voorwaarden

Voorgenomen

 

Procesevaluatie observatieafdelingen Teylingereind

Af te ronden in 2010

www.wodc.nl

Toelichting

Effectevaluatie ISD

Op 1 oktober 2004 is de wet ISD in werking getreden. De ISD-maatregel is een persoonsgerichte maatregel, bedoeld voor zeer actieve meerderjarige veelplegers. De effecten van ISD worden geëvalueerd. De resultaten daarvan worden niet voor 2013 verwacht.

Proces- en effectevaluaties gedragsinterventies

De gedragsinterventies die zijn erkend door de Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie moeten worden geëvalueerd om te bepalen of ze overeenkomstig de gestelde doelen en werkwijzen worden uitgevoerd (procesevaluatie) en of ze effectief zijn (effectevaluatie). Voor de gedragsinterventie CoVa geldt dat reeds een procesevaluatie heeft plaatsgevonden en gaat het nu om onderzoek naar de effectiviteit.

Literatuursynthese effectiviteit interventies voor risicogroepen voor geweldpleging; vervolgonderzoek op «Geweld verslagen»

Het onderzoek valt onder het programma «Aanpak Geweld in het publieke domein». Het programma richt zich onder andere op maatregelen om geweldpleging te voorkomen bij personen met risicofactoren voor geweldpleging, zogenoemde «risicogroepen». Ten aanzien van deze «risicogroepen» is het wenselijk inzicht te krijgen in veelbelovende interventies voor de Nederlandse praktijk. Daartoe is het van belang om ook inzichtelijk te krijgen welke mechanismen aan de interventies ten grondslag liggen en de omstandigheden waaronder deze werken. Tevens is het van belang de selectie en responsiviteit voor deelname aan preventieve interventies te optimaliseren.

Evaluatie verplichting tot aangifte door Tbs-kliniek van eenvoudige mishandeling

De voormalig Staatssecretaris van Justitie heeft naar aanleiding van een incident in Tbs-kliniek de Kijvelanden een regeling ingevoerd, waarbij klinieken verplicht zijn aangifte te doen van (eenvoudige) mishandeling door Tbs-gestelden van medepatiënten. De voormalig Staatssecretaris heeft de regeling op uitdrukkelijk verzoek van de Kamer ingevoerd. Vanuit de Tbs-klinieken wordt aangegeven dat deze regeling belemmerend werkt bij de behandeling van Tbs-gestelden.

Evaluatie verzelfstandiging Van Mesdagkliniek

Het Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) Dr. S. van Mesdagkliniek is op 1 januari 2008 verzelfstandigd. De voormalig Staatssecretaris van Justitie heeft toegezegd om 2 jaar na de verzelfstandiging onderzoek te doen naar de resultaten ervan. De evaluatie is erop gericht om vast te stellen of de voordelen die werden nagestreefd ook daadwerkelijk zijn opgetreden en of onvoorziene neveneffecten zijn opgetreden.

Procesevaluaties Justitiële Voorwaarden

Het verbeteren van het stelsel van voorwaardelijke sancties is de inzet van het programma Justitiële Voorwaarden. Het gebruik van bijzondere voorwaarden biedt, meer dan detentie, ruimte om gedragsverandering te bereiken. Een brede en effectieve toepassing van bijzondere voorwaarden vraagt om snelheid, gerichte advisering, scherpte in vordering en vonnis, intensief toezicht op de naleving en nauwe samenwerking en afstemming tussen ketenpartners. In dat kader zijn eind 2009 de reclasseringsproducten advies en toezicht vernieuwd en geïmplementeerd. Belangrijk element van de verbeterde RISc-indicatiestelling is het indelen van de verdachte door de reclasseringsadviseur in één van de drie niveaus van toezicht. Een juiste indeling in toezichtniveau is een belangrijke voorwaarde voor succesvol toezicht. Daarnaast is de voorwaardelijke invrijheidsstelling op 1 juli 2008 in werking getreden. De procesevaluatie van het vernieuwde toezicht was gepland voor eind 2010 en is op initiatief van het WODC verschoven naar 2011.

Procesevaluatie observatieafdelingen Teylingereind

In Forensisch Centrum Teylingereind zijn in de loop van 2009 twee observatieafdelingen geopend voor observatie van PIJ-jongeren in het kader van de Pro Justitia rapportage en voor PIJ-jongeren waarvan de behandeling stagneert of waar advies nodig is over verlenging. Om na te gaan hoe de implementatie van deze afdelingen is verlopen en hoe de afdelingen functioneren wordt een procesevaluatie uitgevoerd.

Operationele doelstelling 13.5

Het bijdragen aan de beperking van de schade van slachtoffers door een effectieve slachtofferzorg.

Motivering

In een rechtsstaat zijn de rechten van slachtoffers stevig verankerd. Slachtoffers willen de geschonden norm herbevestigd zien. Hun – door het misdrijf – geschokte vertrouwen in de rechtsorde moet worden hersteld. Daarvoor is nodig dat de positie van slachtoffers in het strafproces wettelijk verankerd is, dat het uitvoeringsproces daarop is ingericht en dat slachtoffers als volwaardige partij in het strafproces worden bejegend.

Versterking positie slachtoffers

Instrumenten

Op 1 januari 2011 treedt de Wet Versterking positie slachtoffers in het strafproces in werking. Deze wet breidt de rechten van slachtoffers verder uit, bijvoorbeeld op het gebied van de informatieverstrekking aan slachtoffers, mogelijkheden voor schadeverhaal in het strafproces en inzage in het dossier. Het onderdeel uit de wet dat is gericht op de verplichte verschijning van ouders ter terechtzitting wordt, in afwachting van nader onderzoek naar de uitvoeringsgevolgen van dit onderdeel, vooralsnog niet geïmplementeerd.

Met de wet krijgt het slachtoffer een zelfstandige positie in het strafproces als benadeelde partij. Dit draagt bij aan de erkenning van slachtoffers, het fundament van effectieve slachtofferzorg. Uitgangspunt is dat slachtoffers zelf bepalen van welke diensten en rechten zij gebruik maken, daartoe gefaciliteerd door de organisaties in de strafrechtsketen. Slachtofferhulp Nederland biedt ondersteuning op juridisch, praktisch en sociaal-psychologisch gebied, afhankelijk van de ernst en het type delict. Slachtoffers van ernstige geweldsdelicten komen, onder bepaalde voorwaarden, in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming in de schade.

Meer doelmatigheid in de keten

Vanaf 2011 moeten de werkprocessen ketenbreed zodanig op orde zijn, dat slachtoffers hun rechten eenvoudig kunnen effectueren en zich daarbij ondersteund weten door Justitie. De uitbreiding van de rechten, zoals de uitgebreide voegingsmogelijkheden, zal vanaf 2011 vermoedelijk leiden tot een groei van het aantal zaken waarin slachtoffers moeten worden geïnformeerd over hun rechten en waarin zij een actieve rol zullen spelen.

Betere dienstverlening aan slachtoffers

Afhankelijk van de uitkomsten van de pilot Vernieuwd Slachtofferloket wordt vanaf 2011 toegewerkt naar een vernieuwd slachtofferloket in elk arrondissement. In een slachtofferloket werken Openbaar Ministerie, Slachtofferhulp Nederland en de politie samen, waarbij zij verschillende diensten voor slachtoffers centraal aanbieden.

Meetbare gegevens

De hieronder opgenomen tabellen laten zien welke bijdrage het Schadefonds Geweldsmisdrijven (SGM) en Slachtofferhulp Nederland (SHN) leveren aan de beperking van de schade van slachtoffers.

Aantal uitkeringen uit SGM
 

2007

2008

2009

2010

2011

Aantal positieve beslissingen SGM

4 689

4 459

5 464

5 500 1

6 400 2

Bron: Jaarverslagen SGM

XNoot
1

Gebaseerd op voorlopige cijfers

XNoot
2

Kaderbrief SGM 2011

Aantal slachtoffer-dadergesprekken
 

2007

2008

2009

2010

2011

Aantal slachtoffer-dadergesprekken

366

904

1 050

1 150 1

1 250 2

Bron: Jaarverslagen Slachtoffer in Beeld

XNoot
1

Gebaseerd op voorlopige cijfers

XNoot
2

Voorlopige raming

Aantal slachtoffers dat juridische ondersteuning ontvangt van SHN
 

2009

2010

2011

Juridische ondersteuning

43 802

48 200 1

43 200 2

XNoot
1

Gebaseerd op voorlopige cijfers

XNoot
2

Kaderbrief SHN 2011

Aantal slachtoffers dat emotionele ondersteuning ontvangt van SHN
 

2009

2010

2011

Emotionele ondersteuning

39 678

43 000 1

34 000 2

XNoot
1

Gebaseerd op voorlopige cijfers

XNoot
2

Kaderbrief SHN 2011

Aantal slachtoffers dat praktische ondersteuning ontvangt van SHN
 

2009

2010

2011

Praktische ondersteuning

23 867

28 000 1

29 200 2

Bron: Jaarverslagen Slachtofferhulp Nederland

XNoot
1

Gebaseerd op voorlopige cijfers

XNoot
2

Kaderbrief SHN 2011

Toelichting

Juridische ondersteuning bestaat uit de onderdelen «verhalen schade», «begeleiding in strafproces», «schriftelijke slachtofferverklaring/spreekrecht» en «kwaliteitscontrole voegen».

Praktische ondersteuning bestaat uit de onderdelen «doorverwijzingen» en «overige praktische ondersteuning».

Bovenstaande tabellen tonen dat het aantal slachtoffers dat door het SGM wordt geholpen stijgt. Hieruit kan worden afgeleid dat men het SGM steeds beter weet te vinden. Dit wordt bevestigd in onderzoeken die hebben plaatsgevonden naar de bekendheid van het SGM en naar het belang dat slachtoffers hechten aan de erkenning die blijkt uit een schadevergoeding. De cijfers van SHN laten zien dat de organisatie de hulp aan slachtoffers verder professionaliseert.

In 2011 is een onderzoek voorzien naar de waardering van slachtoffers van de dienstverlening door de verschillende organisaties in de keten.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Beleidsdoorlichting

Omschrijving

Status

Vindplaats

Slachtofferbeleid

Af te ronden in 2013

www.wodc.nl

Toelichting

Door middel van de beleidsdoorlichting «Slachtofferbeleid» wordt onderzocht in hoeverre het geheel aan beleidsmaatregelen bijdraagt aan een effectieve en zorgvuldige uitvoering van slachtofferbeleid.

Overig evaluatieonderzoek

Omschrijving

Status

Vindplaats

Landelijke implementatie van slachtoffer-dadergesprekken door de Stichting Slachtoffer in Beeld (SIB)

Af te ronden in 2010

www.wodc.nl

Evaluatie voorziening nabestaanden

Af te ronden in 2011

www.wodc.nl

Evaluatie nieuw slachtofferloket

Af te ronden in 2011

www.wodc.nl

Evaluatie van de invoering van de wet over spreekrecht

Af te ronden in 2010

www.wodc.nl

Ontwikkelingstraject Monitor slachtofferzorg

Af te ronden in 2011

www.wodc.nl

Toelichting

Landelijke implementatie van slachtoffer-dadergesprekken door de Stichting Slachtoffer in Beeld (SIB)

Onderzocht wordt wat de effecten van slachtoffer-dadergesprekken zijn voor zowel het slachtoffer als de dader.

Evaluatie voorziening nabestaanden

Eind 2006 is een pilot gestart bij Slachtofferhulp Nederland met een voorziening voor nabestaanden. De voorziening bestaat uit een casemanager die de nabestaanden bijstaat en fungeert als een spin in het web. Het eerste deel van het onderzoek is gericht op eventuele verdere uitbreiding van de pilot. Het tweede deel van het onderzoek richt zich op de ervaringen van nabestaanden met de voorziening.

Evaluatie nieuw slachtofferloket

In 2009 heeft een nulmeting plaats gevonden met betrekking tot de door slachtoffers ervaren kwaliteit van de dienstverlening. In 2010 is dit onderzoek herhaald om te bezien hoe het slachtofferloket bijdraagt aan een verbetering van de kwaliteit van dienstverlening van de betrokken organisaties. De resultaten van het onderzoek dragen bij aan de verdere uitrol van de slachtofferloketten over het land.

Evaluatie van de invoering van de wet over spreekrecht

Aan de Tweede Kamer is toegezegd dat de invoering van het spreekrecht na 3 jaar geëvalueerd wordt. Het onderzoek bevat zowel aspecten van een procesevaluatie als van een tevredenheidonderzoek.

Ontwikkelingstraject Monitor slachtofferzorg

Om de kwaliteit van de diensten aan slachtoffers te verbeteren en de uitvoering van de justitiële slachtofferzorg te kunnen blijven monitoren is een vragenlijst ontwikkeld. Periodiek onderzoek met behulp van deze vragenlijst geeft de justitieketen op termijn de mogelijkheid gericht te werken aan het verbeteren van aspecten die slachtoffers belangrijk vinden.

Operationele doelstelling 13.6

Het risico op en de vrees voor terroristische aanslagen in Nederland zo veel mogelijk verkleinen, alsmede het op voorhand beperken van schade als gevolg van een mogelijke aanslag.

Motivering

In Nederland zijn ruim twintig instanties betrokken bij de bestrijding van terrorisme. De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb) heeft tot taak een doeltreffende coördinatie, samenwerking en afstemming van beleid en uitvoering te ontwikkelen. Dit betreft niet uitsluitend een preventieve taak, maar is ook noodzakelijk op het moment van concrete dreiging.

Instrumenten

De beleidsinstrumenten op het gebied van terrorismebestrijding zijn te onderscheiden in de maatregelen die genomen worden om de voedingsbronnen voor terrorisme weg te nemen, concrete terrorismedreiging te signaleren en weg te nemen en die maatregelen te treffen die er aan bijdragen, dat als zich toch onverhoopt een aanslag voordoet, de schade beperkt blijft.

Wegnemen voedingsbronnen terrorisme

Jihadisme

Ondersteuning van lokale autoriteiten in het signaleren van jihadisme, rekrutering en reisbewegingen wordt gecontinueerd. Om te kunnen signaleren is specifieke kennis nodig. De NCTb organiseert, samen met BZK, regionale bijeenkomsten met lokale autoriteiten om de detectiecapaciteit en het kennisniveau te versterken. Verder worden de lokale autoriteiten ondersteund bij reïntegratie van gesignaleerde jihadisten.

Counter-narrative

Een wezenlijk onderdeel van de aanpak van het jihadisme is het ondermijnen van de (overtuigingskracht van de) extremistische boodschap. In binnen- en buitenland zullen initiatieven worden gesteund die de ontvankelijkheid onder relevante doelgroepen voor het jihadisme moeten verminderen. Tegelijkertijd wordt ingezet op het verminderen van de toegankelijkheid en aanwezigheid van jihadistische boodschappen op het internet via de Notice and Take Down gedragscode.

Internet

In samenwerking met diverse Europese partners worden radicale, extremistische of terroristische websites beter aangepakt. Uitgangspunt daarbij is dat publiek-private samenwerking soms effectiever is dan het wetgevende en strafrechtelijke instrumentarium. Doel van het project is een samenwerkingsverband te organiseren tussen de internetsector en lidstaten waarmee het illegaal gebruik van internet voor terroristische doeleinden beter kan worden tegengegaan.

In nauwe samenwerking met de Europese Commissie en partnerlanden als Duitsland, België en het Verenigd Koninkrijk zal de publiekprivate samenwerking bij het bestrijden van terrorisme op het internet op Europees niveau worden vormgegeven. Ook in VN-kader is de NCTb actief betrokken bij dergelijke samenwerkingsverbanden.

Herkenning Digitale Informatie en Fingerprinting

Ten behoeve van de bestrijding van cybercrime, terrorisme en radicalisering is het programma Herkenning Digitale Informatie en Fingerprinting gestart. Het programma stimuleert de ontwikkeling en het toepasbaar maken van digitale «fingerprinting» technieken, waarmee kenmerken van «digitale informatie» kunnen worden herkend. Met deze informatie kunnen verbanden worden gelegd tussen digitale bestanden, personen en objecten in die bestanden. Het programma loopt van 2010 tot 2012.

Signaleren en wegnemen terrorismedreiging

Bewaken en beveiligen – solistische dreigers

Het stelsel bewaken en beveiligen vormt het kader voor het nemen van beveiligingsmaatregelen bij dreiging tegen een persoon, object of dienst of het risico daarop. Bedreigingen aan het adres van politici en andere landelijk opererende gezagsdragers behoeven extra aandacht. Uit internationaal en nationaal onderzoek blijkt dat een groot deel van de aanslagen op politici in Europa en de VS is gepleegd door eenlingen, al dan niet met een psychische ziekte. In dit verband coördineert de NCTb een pilot project bij de KLPD, dat moet leiden tot betere informatiecoördinatie en toeleiding tot zorg van solistische dreigers.

Beveiliging burgerluchtvaart – PNR

De NCTb is betrokken bij de onderhandelingen over een voorstel van de Europese Commissie met betrekking tot het verzamelen van Passenger Name Records (PNR-gegevens) in de EU. Dit Europese systeem moet helpen bij het verkrijgen van inlichtingen over passagiersbewegingen en inzicht in verdachte gedragingen.

(Zelfgemaakte) explosieven

Het project «Zelfgemaakte explosieven» is erop gericht de fabricage en inzet van zelfgemaakte explosieven te bemoeilijken en loopt parallel aan het Europees Actieplan over de beveiliging van explosieven.

CBRN-terrorisme

Gezien de disproportionele effecten die een aanslag met chemische, biologische, radiologische of nucleaire (CBRN-)middelen teweeg kan brengen wordt de kans op CBRN-terrorisme geminimaliseerd. In 2011 worden de acties die volgen uit het Europees Actieplan CBRN voortgezet. Deze zijn gericht op weerstandsverhoging bij risicovolle CBRN-onderzoeksinstellingen – zoals ziekenhuizen, laboratoria en universiteiten. Implementatie bij de objecten loopt en ligt op koers. Bij de betrokken instellingen wordt gewerkt aan het op niveau houden van de beveiliging, bijvoorbeeld door het verzorgen van security awareness trainingen en verschillende oefentrajecten.

Security Awareness & Performance

Het programma Security Awareness & Performance is gericht op het veiligheidsbewustzijn (security awareness) van medewerkers. De nadruk ligt op het menselijk gedrag, naast de (fysieke) beveiligingsmaatregelen die genomen kunnen worden. Het programma richt zich verder op het realistisch oefenen en testen van de beveiliging bij bedrijven en instellingen.

Voorbereid zijn op een terroristische aanslag

Alertering

Het Alerteringssysteem waarschuwt operationele diensten en bedrijfssectoren in geval van een verhoogde dreiging of bij een concrete aanslag. Dat maakt het mogelijk snel maatregelen te nemen, die het risico van een aanslag kunnen verkleinen of de gevolgen ervan kunnen beperken. Het goed laten functioneren van het systeem vereist een voortdurende inzet van de sectoren en betrokken departementen. Ook in 2011 worden daartoe diverse oefeningen gehouden.

Meetbare gegevens

De maatschappelijke effecten in het kader van de terrorismebestrijding laten zich nauwelijks in prestatie-indicatoren uitdrukken (explain). Voor de kwalitatieve informatie wordt verwezen naar de periodieke voortgangsrapportage terrorismebestrijding waarin een beeld wordt geschetst van de stand van zaken van het terrorismebeleid in Nederland.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Beleidsdoorlichting

Omschrijving

Status

Vindplaats

Terrorismebestrijding

Afgerond in 2010

Toelichting

Bovenstaande beleidsdoorlichting is met de uitvoering van de aanbevelingen van de Commissie Suyver (Kamerstukken II 29 754, nr. 164) afgerond.

14 Jeugd

Algemene doelstelling

Het beschermen van jeugdigen tegen aantasting van een goede opvoedings- en leefsituatie op het terrein van interlandelijke adoptie en internationale kinderontvoering en het bestrijden en voorkomen van jeugdcriminaliteit.

Meerjarenperspectief

Op het terrein van interlandelijke adoptie wordt een nadere invulling gegeven aan de belangen van de te adopteren buitenlandse kinderen en de wensen van adoptiefouders. Daarbij wordt rekening gehouden met de druk op het adoptieproces door het afnemende aantal kinderen dat voor interlandelijke adoptie in aanmerking komt en een toename van het aandeel kinderen met «special needs».

Het bestrijden van jeugdcriminaliteit is één van de speerpunten. De inzet is om de recidive onder jeugdigen over 7 jaar te laten dalen met 10% in de periode van 2002–2010. De afgelopen jaren is geïnvesteerd in de persoonsgerichte aanpak en het verhogen van de effectiviteit van sancties. De komende jaren worden de genoemde investeringen voortgezet en wordt extra aandacht besteed aan de samenhang tussen preventie, repressie en nazorg.

Omschrijving van de samenhang

Kinderen hebben recht op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en groei naar zelfstandigheid. Dit recht is opgenomen in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind dat door Nederland is ondertekend. Het Rijk is voorwaardenscheppend ten behoeve van dit recht van kinderen. Het justitieel jeugdbeleid bestaat uit het beleid inzake de aanpak van jeugdcriminaliteit, interlandelijke adoptie en internationale kinderontvoering.

Verantwoordelijkheid

De Minister van Justitie is eerstverantwoordelijk voor de effectieve aanpak van jeugdcriminaliteit en het zorgvuldig uitvoeren van de vastgestelde internationale verdragen inzake internationale kinderontvoering en interlandelijke adoptie, conform Haags adoptieverdrag en het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). Wat betreft internationale kinderontvoering krijgt de Minister van Justitie, door de uitplaatsing van de procesvertegenwoordigende rol van de Centrale autoriteit voor internationale kinderontvoering, met ingang van januari 2011 uitsluitend een systeemverantwoordelijkheid.

Verschillende departementen en organisaties zijn verantwoordelijk voor de preventie van jeugdcriminaliteit. Het kabinet stimuleert dat deze organisaties gezamenlijk in een zo vroeg mogelijk stadium bedreigende situaties voor jeugdigen signaleren en passende maatregelen treffen. Zo wordt de druk op de jeugdstrafrechtketen tot een minimum beperkt. Ook voor de bestrijding van jeugdcriminaliteit wordt door vele organisaties samengewerkt, zoals politie, Halt, het Openbaar Ministerie, de Bureaus Jeugdzorg, de Raad voor de Kinderbescherming, de Dienst Justitiële Inrichtingen en de Zittende Magistratuur. De Minister van Justitie stuurt door middel van regelgeving, kaderstelling en financiering.

Naast de Minister van Justitie zijn ook de Ministers voor Jeugd en Gezin, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) verantwoordelijk voor vraagstukken rond jeugd. De Minister voor Jeugd en Gezin is verantwoordelijk voor een samenhangend Jeugd- en Gezinsbeleid. In de taakafbakening met Justitie is hij eerstverantwoordelijk voor het beleid inzake jeugdbescherming, de voogdij van alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s), jeugdzorg, kindermishandeling en gezinsbeleid waaronder scheiding en omgang. De Minister van OCW is primair verantwoordelijk voor de organisatie van het onderwijs en het tegengaan van voortijdig schoolverlaten.

Externe factoren

Justitie heeft geen invloed op het aantal kinderen dat voor interlandelijke adoptie in aanmerking komt. Evenmin heeft Justitie invloed op het aantal kinderontvoeringen.

De omvang van jeugdcriminaliteit is deels afhankelijk van ontwikkelingen in de samenleving die niet direct door Justitie zijn te beïnvloeden, zoals sociale problemen en demografische veranderingen.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

De resultaten op het gebied van internationale kinderontvoering, interlandelijke adoptie en jeugdcriminaliteit worden door verschillende factoren beïnvloed. Deels ook buiten de directe beïnvloedingssfeer van de Minister van Justitie.

Hierdoor is het niet eenvoudig om precies te meten c.q. inzichtelijk te maken in hoeverre het beleid van Justitie bijdraagt aan de realisatie van de maatschappelijke effecten (outcome) die met dit artikel worden beoogd. Desalniettemin worden onder de operationele doelstellingen enkele meetbare gegevens opgenomen die inzicht bieden in de inspanningen van Justitie.

Voor de bestrijding van de jeugdcriminaliteit en vermindering van recidive (operationele doelstelling 14.2) zijn maatschappelijke effecten redelijk goed inzichtelijk te maken, op basis van een geheel aan input, output en outcome-indicatoren. Voor de beide operationele doelstellingen geldt dat naast de (kwantitatieve) prestatiegegevens door middel van evaluatieonderzoek periodiek en indien nodig onderwerpspecifiek, op kwalitatieve en kwantitatieve wijze informatie wordt verkregen over de beleidseffecten.

Jeugdrecidive

In de periode van 2002–2010 dient de recidive onder jeugdigen te dalen met 10%. De recidivecijfers met betrekking tot jeugdigen worden gepubliceerd in de jaarlijkse Recidivemonitor van het WODC (www.wodc.nl). In deze rapportage wordt naast de 7-jaars recidive ook bericht over de 2-jaars recidive. In april 2010 is de laatste recidivemeting aan de Tweede Kamer verstuurd als bijlage bij Kamerstukken II 28 684, nr. 276. Belangrijkste bevinding inzake jeugdigen met een strafzaak is dat de gecorrigeerde 2-jaars recidive tussen 1997 en 2004 is gestegen van 36,1% naar 41,6% en dat er tussen 2004 en 2006 sprake is van een lichte daling van 1,3%. In de JJI-sector is de prevalentie van de 2-jaars algemene recidive in de periode tussen 1997 en 2006 met circa 1,9% gedaald.

Budgettaire gevolgen van beleid x € 1 000
  

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen

528 109

454 295

452 497

480 375

490 835

494 823

494 519

         

Waarvan garanties 1

0

0

0

0

0

0

0

         

Programma-uitgaven

526 011

454 295

452 497

480 375

490 835

494 823

494 519

         

14.1

Uitvoering jeugdbescherming

7 020

10 561

10 480

10 736

10 666

10 618

10 619

Waarvan juridisch verplicht

9 872

9 701

9 937

9 690

9 467

9 290

 

14.1.1 RvdK – civiele maatregelen

5 070

4 590

4 487

4 574

4 515

4 459

4 460

 

14.1.4 Overig

1 950

5 971

5 993

6 162

6 151

6 159

6 159

14.2

Tenuitvoerlegging justitiële sancties jeugd

518 991

443 734

442 017

469 639

480 169

484 205

483 900

Waarvan juridisch verplicht

437 965

429 971

454 235

457 889

458 252

454 479

 

14.2.1 DJI – jeugd

324 912

253 207

251 362

271 205

275 258

278 242

277 917

 

14.2.2 RvdK – strafzaken

102 679

92 757

81 753

85 481

86 249

87 142

87 151

 

14.2.3 HALT

12 540

12 279

12 364

12 719

13 048

13 062

13 063

 

14.2.4 Bureaus jeugdzorg – jeugdreclassering

57 877

59 081

59 048

61 829

61 891

61 978

61 984

 

14.2.5 DJJ – overig

20 983

26 410

37 490

38 405

43 723

43 781

43 785

         

Ontvangsten

12 850

3 990

1 487

1 487

1 487

1 487

1 487

Artikel 14: Het niet-juridische verplichte deel van het budget op dit beleidsartikel is gereserveerd voor onder andere de aanpak van jeugdcriminaliteit en de verbetering van de kwaliteit van de Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI’s). De bekostiging van de particuliere justitiële jeugd- en TBS-inrichtingen alsmede de inkoop van forensische zorg in het strafrechtelijk kader zijn onder het verplichte deel inbegrepen.

XNoot
1

De garanties betreffen het geschatte potentiële risico (0%) op het daadwerkelijk uit te keren bedrag inzake de afgegeven hypothecaire garanties voor de particuliere jeugdinrichtingen.

Operationele doelstelling 14.1

Een zorgvuldige uitvoering van en toezicht op interlandelijke adoptie en zaken van internationale kinderontvoering in het licht van de relevante verdragen en Europese verordeningen op dit terrein.

Motivering

Om te voldoen aan het Haags Adoptieverdrag en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind wordt gewaarborgd dat ouders door de Stichting Adoptie Voorziening adequate voorlichting krijgen, wordt gezinsonderzoek uitgevoerd door de Raad voor de Kinderbescherming om de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders te onderzoeken en wordt toezicht gehouden op de vergunninghouders die verantwoordelijk zijn voor de adoptiebemiddeling. De Centrale autoriteit voor interlandelijke adoptie verleent en verlengt de vergunningen van deze vergunninghouders, conform de uitgangspunten van het Kwaliteitskader vergunninghouders, welke voor de Inspectie Jeugdzorg dient als toetsingskader. De Centrale autoriteit voor internationale kinderontvoering richt zich op de bescherming van jeugdigen in het kader van internationale kinderontvoering, onder meer door het geven van voorlichting.

Interlandelijke Adoptie

Instrumenten

Om de kwaliteit van het adoptieproces verder te verhogen wordt ingezet op:

  • Professionalisering van de vergunninghouder (zie kwaliteitskader, Kamerstukken II 31 265, nr. 8). In 2011 wordt de bedrijfsvoering van de vergunninghouders gevolgd aan de hand van de uitkomsten van het onderzoek uit 2010 van de Departementale Audit Dienst naar de bedrijfsvoering en de financiën van de vergunninghouders. Dit gebeurt in het kader van de beoordeling van verzoeken tot verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning.

  • Toezicht op en de controle van het voldoen aan de kwaliteitseisen door de vergunningshouders (wordt uitgeoefend door de Inspectie Jeugdzorg). Daarnaast wordt ingezet op een verantwoorde herziening van de deelbemiddelingsprocedure en verruiming van de leeftijdsgrenzen tot een maximale leeftijd van 48 jaar voor de aspirant-adoptiefouders en 8 jaar voor het adoptiekind, met een maximaal leeftijdsverschil van 40 jaar. Hiertoe wordt de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) gewijzigd, waarmee uitvoering wordt gegeven aan de kabinetsreactie op het rapport van de Commissie Kalsbeek.

  • Verlaging van de financiële drempels voor adoptiefouders. Hiervoor wordt de Regeling tegemoetkoming kosten van adoptie opgenomen in de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka). De regeling vervangt de mogelijkheid van aftrek wegens buitengewone uitgaven (Wet inkomstenbelasting 2001). De regeling komt tegemoet aan de motie Van der Vlies (Kamerstukken II 31 200, nr. 50) en een aanbeveling van de Commissie Kalsbeek om financiële drempels voor aspirant-adoptiefouders te verlagen. Het wetsvoorstel is in juli 2010 aangeboden aan de de Tweede Kamer (Kamerstukken II 32 446).

  • Meer aandacht besteden aan onderzoek naar bijzondere geschiktheid van aspirant-adoptiefouders voor het opnemen van een kind met speciale zorgbehoeften. Hiertoe zal de Raad voor de Kinderbescherming in samenspraak met de vergunninghouders een eenduidige definitie van het concept «kinderen met special needs» formuleren. Ook zal de bruikbaarheid van de gezinsrapporten voor de bemiddeling worden bevorderd door deze systematisch met de vergunninghouders te evalueren.

Internationale kinderontvoering

In 2011 worden de procesvertegenwoordigende taken van de Centrale autoriteit voor internationale kinderontvoering beëindigd en overgedragen aan de advocatuur. De uitplaatsing van de procesvertegenwoordigende rol van de Centrale autoriteit volgt onder meer uit het belang van «equality of arms» van ouders.

Meetbare gegevens

De beleidseffecten op het terrein van interlandelijke adoptie en internationale kinderontvoering zijn niet meetbaar te maken met outcome-indicatoren (explain).

Interlandelijke adoptie

In 2008 zijn 1 861 verzoeken om beginseltoestemming ingediend, 1 047 verleend en 767 kinderen opgenomen. In 2009 zijn 1 770 verzoeken ingediend, 946 verleend en 682 kinderen opgenomen.

Er wordt een indicator ontwikkeld die inzicht geeft in de zorgvuldigheid van de uitgevoerde adoptieprocedures en de bejegening van de aspirant-adoptiefouders. In het belang van de aspirant-adoptiefouders duurt de doorlooptijd vanaf het starten van de voorlichting tot aan het krijgen van de beginseltoestemming niet langer dan noodzakelijk. De doorlooptijd bestaat uit de voorlichtingsperiode die 12 tot 14 weken in beslag neemt, gevolgd door het gezinsonderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, dat binnen 90 dagen na aanvang ervan dient te zijn afgerond, waarna de Centrale Autoriteit binnen twee weken een beslissing neemt over het al dan niet toekennen van een beginseltoestemming. De kwaliteitseisen van het adoptieproces zijn vastgelegd in het in 2008 vastgestelde kwaliteitskader (Kamerstukken II 31 265, nr. 8).

Internationale kinderontvoering

De implementatie van de verkorting van de teruggeleidingsprocedure zal in 2011 zijn afgerond. Door de verkorting van de teruggeleidingsprocedure bij inkomende zaken van internationale kinderontvoering wordt de doorlooptijd verkort tot 6 maanden.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Beleidsdoorlichting

Omschrijving

Status

Vindplaats

Interlandelijke adoptie en internationale kinderontvoering

Starten in 2012

www.wodc.nl

Toelichting

Door middel van de beleidsdoorlichting «interlandelijke adoptie en internationale kinderontvoering» wordt onderzocht in hoeverre het geheel aan beleidsmaatregelen bijdraagt aan de zorgvuldige behandeling van interlandelijke adoptiezaken en van internationale kinderontvoeringszaken.

Operationele doelstelling 14.2

Het voorkomen dat jeugdigen delicten plegen èn wanneer zij dat wel doen, niet in herhaling vervallen (het verminderen van recidive).

Motivering

Jeugdcriminaliteit brengt zowel de samenleving als de ontwikkeling van de individuele jongere veel schade toe en moet daarom worden voorkomen. In de aanpak is een samenhangend pakket van maatregelen ondergebracht. Speerpunten zijn vroegtijdig ingrijpen, een persoonsgerichte aanpak, een snelle en consequente jeugdketen, passende nazorg en de aanpak van recidive onder strafrechtelijk werkgestrafte jeugdigen.

Vroegtijdig ingrijpen richt zich in het bijzonder op kinderen onder de 12 jaar die in aanraking komen met de politie. Dit is een belangrijke doelgroep, omdat de kans op gedragsverandering het grootst is wanneer de reactie zo vroeg mogelijk plaatsvindt. Het voorkomen van delicten betreft in veel gevallen het voorkomen van herhaling. Snelle tenuitvoerlegging van de sanctie en goede begeleiding dragen hier aan bij.

De verbeterplannen van de Justitiële Jeugdinrichtingen zijn gericht op het verhogen van de kwaliteit van de opvoeding en effectiviteit van de behandeling in justitiële jeugdinrichtingen.

Programma «Aanpak Jeugdcriminaliteit»

Instrumenten

Vroegtijdig ingrijpen

Jeugdigen die vroeg beginnen met het plegen van strafbare feiten, hebben een grote kans dit gedrag lange tijd voort te zetten. Het tijdig signaleren en beïnvloeden van dit gedrag, draagt bij aan het voorkomen van criminele carrières. Daarom wordt – in het kader van de verbeterde aanpak van 12-minners – ingezet op:

  • Vroegtijdige signalering van risico’s bij kinderen op basis van gegevens in de politieregistratie. Hiertoe is in 2010 in vier pilots ervaring opgedaan met het gebruik van de gevalideerde methodiek Pro-Kid. Gesignaleerde risicokinderen worden doorverwezen naar Bureau Jeugdzorg. Op basis van de ervaringen uit de pilot-projecten wordt Pro-Kid in 2011, bij gebleken succes, landelijk uitgerold.

  • Verbeteringen van de registratie van 12-minners met delictgedrag. In 2011 wordt getoetst of de verbeteringen zijn doorgevoerd. Verbetering van de registratie is de basis voor risicosignalering door Pro-Kid en een sluitende aanpak van 12-min verdachten.

  • Het verhogen van de pakkans. De pilot-projecten zijn in 2010 geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie zal in 2011 een advies beschikbaar komen over hoe de pakkans het beste kan worden verhoogd.

Persoonsgerichte aanpak

De effectiviteit van sancties neemt toe wanneer deze aansluit op de problematiek van de jongere. Inmiddels zijn verschillende interventies (voorlopig) erkend door de Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie. De persoonsgerichte aanpak wordt bevorderd door:

  • Erkenning van een volledig palet aan gedragsinterventies, zodat op alle criminogene factoren passende en kwalitatief goede interventies worden ingezet. In 2011 zal een volledig palet van erkende gedragsinterventies beschikbaar zijn. Daartoe zijn in 2010 enkele gedragsinterventies voor jeugdigen voorgelegd aan de Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie. De (voorlopig) erkende gedragsinterventies voor jeugdigen worden landelijk geïmplementeerd en gevolgd door evaluatieonderzoeken. Het streven is dat vanaf 2011 alleen erkende gedragsinterventies door Justitie worden gefinancierd.

  • De inzet van een gericht diagnose-instrumentarium voor de jeugdstrafrechtketen, waarmee zeer doelgericht informatie wordt verzameld over de jongere, zodat met een passende interventie kan worden gereageerd. Eind 2010 wordt naar aanleiding van pilots en de evaluatie daarvan besloten of het instrumentarium landelijk kan worden toegepast.

Snelle en consequente jeugdketen

Een sanctie dient snel te volgen op een overtreding of misdrijf gepleegd door een jongere. Op deze manier ervaart de jongere de relatie tussen de misstap en de straf. Het is daarom van belang dat de verschillende partners in de keten hun aanpak snel en consequent uitvoeren en goed op elkaar (kunnen) afstemmen. De volgende instrumenten dragen hier aan bij:

  • Het hanteren en naleven van realistische doorlooptijden in de jeugdstrafrechtketen. Op basis van een onderzoek naar de doorlooptijden is in 2010 een aantal verbetermaatregelen geïmplementeerd – zoals het herinrichten van een aantal logistieke werkprocessen – en zijn de scores op de Kalsbeeknormen gemonitord. In 2011 worden ten behoeve van de procedure «hoger beroep» verbetermaatregelen nader geïmplementeerd.

  • Beter toezicht op de naleving van de voorwaarden die worden opgelegd bij een vonnis op basis van resultaten van een in 2010 gehouden pilot.

Aanpak recidive onder strafrechtelijk werkgestrafte jeugdigen

Een werkstraf heeft een verplicht karakter en de jongere krijgt er niet voor betaald: het is tenslotte straf. Voorbeelden van werkstraffen zijn: schoonmaken in een ziekenhuis, afwassen in de keuken van een verzorgingshuis, parkeergarages vegen voor de gemeente en het verwijderen van graffiti. Als de jongere de werkstraf niet goed uitvoert, kan besloten worden de werkstraf om te zetten in detentie. De doelgroep werkgestrafte jongeren betreft circa 55% van de totale populatie gestraften en kent een recidive van tenminste 34%. Ter verbetering van de werkstraf wordt door middel van simulaties bezien of en in hoeverre maatregelen in het werkproces concreet bijdragen aan recidivevermindering. Mogelijke maatregelen zijn: professionalisering van de werkmeester; verbeterde informatievoorziening tussen de ketenpartners; consequente reactie op het niet-nakomen van afspraken door werkgestraften. In 2010 en doorlopend in 2011 worden de verbetermaatregelen doorgevoerd in het proces.

Verbeterplannen Justitiële Jeugdinrichtingen

De afgelopen jaren is een groot aantal maatregelen afgerond om in de Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI’s) de kwaliteit en veiligheid te verbeteren. Een aantal activiteiten zal in 2011 worden voortgezet. Om de verdere kwaliteitsverbetering vorm te geven en de kwaliteit te borgen zal een aantal maatregelen getroffen moeten worden. De belangrijkste zijn:

  • Hoger opgeleid personeel. Om te zorgen voor voldoende deskundigheid zal in 2011 de bijscholing van het zittende personeel tot op HBO-niveau voor de JJI’s worden voortgezet.

  • Certificering van alle justitiële jeugdinrichtingen. In 2010 zijn de JJI’s gestart met de implementatie van het in 2009 ontwikkelde kwaliteitsborgingsysteem. In 2011 worden alle JJI’s gecertificeerd. Daarmee is een stevige basis gelegd voor de kwaliteit van de primaire processen en een sluitend systeem van periodieke toetsing, evaluatie en bijstelling ontwikkeld.

Per 1 januari 2010 is de scheiding tussen strafrechtelijke en civielrechtelijke jeugdigen afgerond. Vanwege teruglopende capaciteitsbehoefte voor strafrechtelijke jeugdigen en de stijgende behoefte aan gesloten jeugdzorgplaatsen zijn in 2010 twee (delen van) JJI’s tijdelijk onder de verantwoordelijkheid van de Minister voor Jeugd en Gezin gebracht. Uiterlijk 2011 wordt beslist of deze tijdelijke uitleen wordt verlengd dan wel in 2012 zal zijn beëindigd.

Meetbare gegevens

De belangrijkste (outcome) indicator voor beoogde beleidseffecten vormt het recidivepercentage (de cijfers hierover zijn opgenomen onder het kopje «meetbare gegevens» bij de algemene doelstelling»). Aanvullend worden indicatoren gehanteerd die inzicht geven in doorlooptijd in de jeugdstrafrechtketen en het bereik van de nazorg. Deze indicatoren bieden in gezamenlijkheid zicht op de effecten van verschillende ingezette beleidsinstrumenten ter bestrijding van de jeugdcriminaliteit en het voorkomen van recidive.

Doorlooptijden Jeugdstrafrechtsketen: percentage binnen de norm voor doorlooptijden
 

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

2010

2011

2012

Eerste verhoor

      

Halt verwijzing (7 dgn.)

67

72

75

80

80

80

Ontvangst PV (1 mnd.)

75

76

80

80

80

80

Start Halt-afdoening (2 mnd..)

63

72

74

80

80

80

Afdoening OM (3 mnd..)

77

79

79

80

80

80

Vonnis ZM (6 mnd.)

57

54

62

70

80

80

       

Melding Raad

      

Afronding taakstraf (160 dgn.)

80

81

80

80

80

80

Rapport Basisonderzoek (40 dgn.)

60

63

65

80

80

80

Bron: Factsheets doorlooptijden jeugdstrafrechtketen (PaG).

Toelichting

Korte doorlooptijden dragen bij aan de vermindering van recidive omdat de interventie snel volgt op het delict. In 2001 is de landelijke richtlijn voor doorlooptijden vastgesteld (Kalsbeeknorm). Het hanteren van een percentage van 80% laat ruimte voor complexe jeugdstrafrechtzaken die mogelijk een langere doorlooptijd vergen. In het kader van het verder verbeteren van de doorlooptijden zijn reeds maatregelen geïmplementeerd. Dit heeft er toe geleid dat er sprake is van een stijgende lijn in de resultaten.

Bereik nazorgtraject
 

Realisatie 2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Percentage jongeren dat nazorg krijgt aangeboden

100

100

100

100

100

100

100

Percentage jongeren waarvoor een trajectberaad is gehouden

92

95

97

100

100

100

100

Toelichting

Goede nazorg is het sluitstuk van een strafrechtelijke interventie. Een geslaagde terugkeer in de samenleving vermindert de kans op terugval in het criminele gedrag. Naar aanleiding van diverse maatregelen is op dit moment voor alle jongeren die een JJI verlaten zorg gegarandeerd.

Vroegtijdig ingrijpen

Voor een verbeterde registratie van 12-min verdachten is in 2010 door de politie een verbetertraject uitgevoerd. Met ingang van 2011 wordt systematisch gemeten welk percentage ook daadwerkelijk wordt geregistreerd als verdachte. Het streven is dat dit in 2011 in 90% van de gevallen gebeurt ten opzichte van de 0-meting die is gehouden voorafgaande aan het verbetertraject.

Verbeteringen JJI’s

In 2011 worden alle JJI’s gecertificeerd.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Beleidsdoorlichting

Omschrijving

Status

Vindplaats

Doorlichting tenuitvoerlegging van jeugdsancties

Afgerond in 2010

www.wodc.nl

Toelichting

De beleidsdoorlichting stelt de adequate tenuitvoerlegging van justitiële sancties bij minderjarigen in de periode 2004 tot en met 2009 centraal.

De beleidsdoorlichting jeugdsancties is op 28 juni 2010 naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 31 101, nr. 8).

Overig evaluatieonderzoek

Omschrijving

Status

Vindplaats

Evaluatie gedragsmaatregel jeugdstrafrecht

Af te ronden in 2010

www.wodc.nl

Procesevaluatie gedragsinterventies

Af te ronden in 2010

www.wodc.nl

Beleving van de werkstraf in de buurt door jeugdigen

Af te ronden in 2010

www.wodc.nl

Vergelijking van de PIJ maatregel met bestaande alternatieve wettelijke afdoeningen

Af te ronden in 2010

www.wodc.nl

Validering/ verbetering landelijk instrumentarium jeugdstrafrechtketen

Voorgenomen

 

Evaluatie Verbetertraject Toezicht Jeugd

Af te ronden in 2010

www.wodc.nl

Toelichting

Evaluatie gedragsmaatregel jeugdstrafrecht

Evalueren van de invoering van de gedragsmaatregel en enige andere wijzigingen in het jeugdstrafrecht. Het gaat om de evaluatie van de Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met het oog op verruiming van de mogelijkheden tot gedragsbeïnvloeding van jeugdigen onder meer door de invoering van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (gedragsbeïnvloeding jeugdigen).

Procesevaluatie gedragsinterventies

De gedragsinterventies «Agressie Regulatie op Maat», «Sociale Vaardigheden op Maat» en «Tools4u» zijn erkend door de Erkenningscommissie gedragsinterventies Justitie. Bekeken wordt of de gedragsinterventies worden uitgevoerd conform afspraken.

Beleving van de werkstraf in de buurt door jeugdigen

Het onderzoek t.a.v. beleving van de werkstraf in de buurt door jeugdigen, moet inzicht geven in de (stigmatiserende) effecten van de werkstraf die ten uitvoer wordt gelegd in de (eigen) buurt en hoe jongeren deze manier van tenuitvoerlegging beleven. De Tweede Kamer wordt in het voorjaar van 2011 per brief geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek Motie-Çörüz (Kamerstukken II 2007–2008, 28 684, nr. 158).

Vergelijking van de PIJ maatregel met bestaande alternatieve wettelijke afdoeningen

Impliciete en expliciete doelen van de PIJ-maatregel en andere maatregelen worden vergeleken en afgezet tegen de mate waarin ze daadwerkelijk aansluiten bij de doelgroep (PIJ-jongeren).

Validering/verbetering landelijk instrumentarium jeugdstrafrechtketen

In 2009 is het landelijk instrumentarium jeugdstrafrecht opgeleverd en dit is/wordt in 2009/2010 uitgetest in 2 pilotgebieden. Het betreft hier een onderzoek naar de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid en eerste validering van de ontwikkelde instrumenten.

Evaluatie Verbetertraject Toezicht Jeugd

In dit onderzoek wordt als resultaat hiervan, antwoord gegeven op de volgende vraag: Wordt de pilot van het project «Verbetertraject Toezicht Jeugd» in het arrondissement Breda uitgevoerd zoals beoogd en zijn bijstellingen nodig voordat het project landelijk wordt geïmplementeerd?

15 Vreemdelingen

Algemene doelstelling

Een gereglementeerde en beheerste toelating tot, verblijf in en vertrek uit Nederland of terugkeer van vreemdelingen, die in nationaal en internationaal opzicht maatschappelijk verantwoord is.

Meerjarenperspectief

Met betrekking tot het vreemdelingenbeleid gelden verschillende uitgangspunten:

  • Een zorgvuldige en snellere asielprocedure ten behoeve van een rechtvaardig en humaan asielbeleid. Na de algemene asielprocedure wordt vreemdelingen een vertrektermijn gegund waardoor in vier weken vanuit een situatie van opvang gewerkt wordt aan vertrek. Hierbij is aandacht voor kwetsbare groepen zoals gezinnen met kinderen, alleenstaande minderjarigen, asielzoekers met medische problemen, achtergelaten vrouwen en slachtoffers van mensenhandel.

  • Een effectief en efficiënt toegangs- en grenstoezicht, waardoor illegale migratie en grensoverschrijdende criminaliteit wordt voorkomen. Het grenstoezicht wordt zo ingericht dat personen die een (potentieel) risico vormen vanuit veiligheids- en/of immigratie perspectief sneller worden gedetecteerd en dat reizigers die geen risico vormen vlot de grens kunnen passeren.

  • Een toelatingsbeleid dat uitnodigend is waar het kan en restrictief waar het moet. Gewenste vormen van migratie worden met een innovatief en eigentijds migratiebeleid gestimuleerd; daartoe behoort ook de pilot circulaire migratie. Het huidige vergunningenstelsel wordt vereenvoudigd, de toelatingsprocedures verbeterd en toezicht en handhaving versterkt.

  • Effectieve terugkeer van vreemdelingen die niet voor toelating in aanmerking komen uitgaande van de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling, met de nadruk op zelfstandig en vrijwillig vertrek en vermindering van herhaalde aanvragen.

  • Het realiseren van vertrek van vreemdelingen die een veiligheidsrisico vormen, zoals criminele vreemdelingen, al dan niet illegaal.

Omschrijving van de samenhang

Het vreemdelingenbeleid heeft betrekking op vreemdelingen die Nederland als veilig toevluchtsoord beschouwen, reguliere migranten die Nederland nodig heeft en gezinsmigranten. De toelating, het verblijf, de terugkeer en het grensbeheer zijn onder de operationele doelstellingen 15.2 en 15.3 uitgewerkt.

Daarbij zijn internationaal overeengekomen wettelijke uitgangspunten van belang:

  • 1) Voor vluchtelingen en asielzoekers is het beleid mede gebaseerd op het Vluchtelingenverdrag en het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden en de relevante Europese regelgeving;

  • 2) Reguliere migratie heeft onder meer betrekking op kennismigratie, au pairs en studenten, gezinsvorming of gezinshereniging en migratie op medische gronden. Van toepassing zijn Europese regelgeving, met name op grond van titel IV van het EG-verdrag (vrij verkeer van personen) en nationale regelgeving, zoals de Vreemdelingenwet 2000. Voor het behandelen van aanvragen tot naturalisatie is de Rijkswet op het Nederlanderschap van toepassing.

  • 3) Het vreemdelingenbeleid is gebaseerd op de geldende internationale en Europese kaders en houdt rekening met nationale en maatschappelijke belangen, vooral van economische, wetenschappelijke en culturele aard.

Verantwoordelijkheid

De Minister van Justitie is verantwoordelijk voor het vreemdelingenbeleid, de coördinatie en afstemming binnen de vreemdelingenketen en voor de uitvoering van het beleid. Goede ketensamenwerking is daarbij van groot belang.

De uitvoering is in handen van onder meer de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), de Koninklijke Marechaussee, de Vreemdelingenpolitie en de Zeehavenpolitie.

Voor de besturing van en samenwerking in de vreemdelingenketen is een besturingsmodel ontwikkeld, dat voorziet in bilaterale samenwerkingsafspraken tussen de ketenpartners, die gebaseerd zijn op prestatieafspraken. Daarnaast vindt informatieuitwisseling op zowel strategisch, tactisch en operationeel niveau plaats tussen de betreffende uitvoeringsdiensten en het Ministerie van Justitie.

Naast de samenwerking met collega-ministers wordt ook intensief samengewerkt met lagere overheden en diverse maatschappelijke partners.

Externe factoren

Het vreemdelingenbeleid wordt in hoge mate beïnvloed door wet- en regelgeving van de Europese Unie Nederland moet zich daarom actief blijven opstellen in de procedures voor de totstandkoming van deze wet- en regelgeving. Ten slotte beïnvloeden internationale factoren, zoals de medewerking van derde landen om de eigen burgers terug te nemen en de toestand in de landen van herkomst de uitvoering van het vreemdelingenbeleid.

Meetbare gegevens

Het is niet mogelijk om met een of enkele indicatoren volledig inzicht te bieden in de maatschappelijke effecten van het vreemdelingenbeleid (explain). Desalniettemin zijn diverse indicatoren opgenomen waarmee inzicht wordt geboden in de essentiële randvoorwaarden voor een maatschappelijk verantwoord vreemdelingenbeleid, waarbij wordt voldaan aan de internationaalrechtelijke eisen.

Zo wordt bij de operationele doelstellingen inzicht gegeven in de instroom, de tijdigheid waarmee besluiten worden genomen, de kwaliteit van de procedure, de opvang en de voortgang van de invoering van het modern migratiebeleid en de beleidsvoornemens in de asielbrief. Verder wordt ingegaan op de effectiviteit van de bestrijding van de illegaliteit, de terugkeer en de capaciteit in de vreemdelingenbewaring en vrijheidsbeperking.

Ten slotte wordt ook aan de hand van evaluatieonderzoeken inzicht verkregen in de gerealiseerde beleidseffecten.

Thema’s van toepassing op gehele vreemdelingenketen

Uniforme identificatie vreemdelingen – biometrie

Invoering van de opname van biometrische gegevens is gericht op uniforme identificatie van vreemdelingen in de diverse fasen van de vreemdelingenketen. In 2011 wordt de Europese verordening 380/2008 geïmplementeerd. Deze verordening verplicht lidstaten tot het opnemen van biometrische kenmerken op verblijfstitels van onderdanen van derde landen.

Het nationale wetsvoorstel biometrie zal voor advies en consultatie worden voorgelegd aan de relevante instituties en instellingen. Dit wetsvoorstel maakt het mogelijk om de toepassing van biometrie uit te breiden tot alle processen in de Vreemdelingenketen en biedt een juridische basis voor het opslaan van biometrische kenmerken in een database. Het wetsvoorstel is gericht op ketenbrede toepassing van biometrie.

Keteninformatisering

De Basis Voorziening Vreemdelingenketen (BVV) is een centraal informatiesysteem voor de vreemdelingenketen. De recente (technische) ontwikkelingen van de BVV hebben er toe geleid dat de BVV voor de komende jaren een toekomstvast systeem is geworden. Voor de langere termijn worden met de ketenpartners scenario’s ontwikkeld om tot vernieuwing van de keteninformatisering te komen.

Budgettaire gevolgen van beleid x € 1 000
  

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen

663 906

1 035 594

926 653

921 809

921 419

918 892

918 684

         

Waarvan garanties 1

0

0

0

0

0

0

0

         

Programma-uitgaven

1 099 984

1 035 594

926 653

921 809

921 419

918 892

918 684

         

15.1

Verblijfsrechten vreemdelingen

302 212

0

0

0

0

0

0

Waarvan juridisch verplicht

      
 

15.1.1 IND

302 205

0

0

0

0

0

0

 

15.1.2 Overig

7

0

0

0

0

0

0

15.2

Opvang gedurende beoordeling verblijf

521 702

779 532

685 707

673 086

670 382

669 231

669 241

Waarvan juridisch verplicht

-

776 027

677 017

659 839

652 885

651 831

651 841

 

15.2.1 COA en overige opvanginstellingen

494 772

464 973

395 572

404 646

409 692

409 693

409 693

 

15.2.2 Overig

26 930

18 649

18 883

14 085

12 063

12 058

12 058

 

15.2.3 IND

 

295 910

271 252

254 355

248 627

247 480

247 490

15.3

Terugkeer vreemdelingen

276 070

256 062

240 946

248 723

251 037

249 661

249 443

Waarvan juridisch verplicht

-

255 217

226 971

232 332

233 088

231 760

231 533

 

15.3.1 DJI – vreemdelingenbewaring

142 443

127 648

114 327

119 185

119 289

118 342

118 286

 

15.3.2 DJI – uitzetcentra

43 339

39 480

35 232

36 715

36 712

36 438

36 274

 

15.3.3 IND

24 111

23 754

22 933

22 422

22 389

22 388

22 388

 

15.3.4 Overig

7 161

7 697

3 321

4 775

7 274

7 274

7 274

 

15.3.5 Dienst terugkeer en vertrek

59 016

57 483

65 133

65 626

65 373

65 219

65 221

         

Ontvangsten

252 697

467

467

467

0

0

0

Artikel 15: Het niet-juridisch verplichte deel van het budget op dit beleidsartikel is bestuurlijk gereserveerd voor onder meer de Vereniging Vluchtelingenwerk Nederland (VVN), voor de begeleiding van asielzoekers. Daarnaast is een deel bestuurlijk bestemd voor de International Organisation for Migration (IOM) teneinde haar in staat te stellen om (gewezen) asielzoekers te faciliteren om Nederland vrijwillig te verlaten. Tevens worden de kosten voor tolken en vertalers hieruit betaald.

XNoot
1

De garanties betreffen het geschatte potentiële risico (0%) op het daadwerkelijk uit te keren bedrag inzake de afgegeven garanties voor het COA.

Ramingen meerjarige instroom en asielopvang

Naar aanleiding van het advies van de 13de studiegroep begrotingsruimte, heeft het kabinet Balkenende IV in 2010 besloten de budgettaire «spelregels» rond het asieldossier te veranderen door dit dossier te ontdoen van zijn generale karakter. Dit betekent dat alle toekomstige mee- en tegenvallers als gevolg van fluctuaties op het asieldossier binnen de Justitiebegroting zullen moeten worden opgevangen. Eventuele meevallers zullen door Justitie worden gestort in een interne begrotingsreserve om eventuele toekomstige tegenvallers te kunnen opvangen. De maximale omvang van de reserve bedraagt € 100 mln. Er worden nog geen toevoegingen aan de reserve voorzien. Deze is op dit moment dan ook niet gevuld.

Tevens is het financiële beslag van beleidsartikel 15 meerjarig aangepast. Deze aanpassing is het gevolg van het besluit van het kabinet Balkenende IV om met ingang van dit jaar meerjarig uit te gaan van een meer realistische raming van de instroom van asielzoekers en van de benodigde opvangcapaciteit voor de opvang van asielzoekers.

Voor 2011 en de jaren daarna wordt rekening gehouden met een asielinstroom van 17 000. De geraamde instroom is mede gebaseerd op het aantal asielaanvragen in de afgelopen jaren in Nederland. De raming van de doorlooptijden van de asielprocedure vormen, samen met de instroomraming, de grondslag voor de raming van de gemiddelde bezetting in de opvang.

Operationele doelstelling 15. 2

Zorgvuldige en tijdige afdoening van aanvragen van verlening van een verblijfsvergunning of van een naturalisatieverzoek.

Motivering

Voor asielzoekers die bescherming nodig hebben, wil Nederland een veilig toevluchtsoord zijn. Asielaanvragen moeten dan ook zorgvuldig, efficiënt en tijdig worden afgedaan. Gedurende de asielprocedure krijgt de asielzoeker opvangvoorzieningen aangeboden.

Voor vreemdelingen die op reguliere gronden tot Nederland willen worden toegelaten, wordt het toelatingsbeleid in het kader van Modern Migratiebeleid (Kamerstukken II 32 052) uitnodigend waar het kan en restrictief waar het moet. Het Modern Migratiebeleid draagt bij aan een innovatieve, concurrerende en ondernemende economie.

Het naturalisatiebeleid is gericht op de zorgvuldige en tijdige afdoening van naturalisatieaanvragen. Ook wordt toegezien op de zorgvuldige afwikkeling van procedures om met behulp van een optieverklaring via Nederlandse gemeenten en de autoriteiten in de Caribische delen van het Koninkrijk alsmede het Ministerie van Buitenlandse Zaken Nederlander te worden.

De asielprocedure

Instrumenten

Sneller en beter besluiten

De asielprocedure is in 2010 door het wetsvoorstel betreffende een wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 (Stb. jaargang 2010 nr. 244), in werking getreden op 1 juli 2010, fundamenteel verbeterd. 2011 is het eerste volledige jaar waarin de verbeterde asielprocedure van kracht is en de eerste effecten zichtbaar worden. De belangrijkste inzet voor 2011 is dan ook de goede uitvoering van deze procedure door de gehele keten.

Europese harmonisatie

Nederland is een belangrijke pleitbezorger van Europese harmonisatie van het asielbeleid. Onder «de vlag» van het Stockholmprogramma wordt in 2011 onderhandeld over de Kwalificatierichtlijn, de Procedurerichtlijn, de Opvangrichtlijn en de Dublinverordening om te komen tot een Europees asielstelsel.

De Nederlandse inzet is dat asielsystemen van de lidstaten zich zodanig tot elkaar verhouden dat een vreemdeling die binnen de Europese Unie internationale bescherming vraagt in alle lidstaten op eenzelfde uitkomst kan rekenen. Lidstaten behouden een zekere mate van procedurele autonomie, zolang wordt voldaan aan gezamenlijk vastgestelde procedurele waarborgen.

Verder draagt Nederland bij aan het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO). In de Verordening tot oprichting van het EASO is opgenomen dat de lidstaten nationale (asiel)deskundigen beschikbaar stellen aan zogenoemde asielondersteuningsteams, die operationele steun gaan verlenen aan lidstaten waarvan het asielstelsel en opvangvoorzieningen onder bijzonderde druk staan. Naar verwachting zijn in 2011 de eerste asielondersteuningsteams operationeel, waarvoor Justitie meerdere deskundigen met diverse expertise beschikbaar stelt.

Alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s)

Met de implementatie van een stringenter amv-beleid in 2001 is de instroom van amv’s substantieel gedaald, zowel in absolute zin als ten opzichte van de totale asielinstroom. Onderstaande figuur laat zien dat vanaf 2007 de instroom van het aantal amv’s weer toeneemt. Net als in de meeste Europese lidstaten, zijn Somalië, Afghanistan en Irak de belangrijkste landen van herkomst.

In december 2009 is de beleidsnotitie Herijking beleid voor (alleenstaande) minderjarige vreemdelingen aan de Tweede Kamer verzonden (Kamerstukken II 2009–2010, 27 062, nr. 64). Deze heeft betrekking op amv’s en gezinnen met kinderen in het reguliere vreemdelingenbeleid. Centraal uitgangspunt is het belang dat kinderen hebben bij het snel verkrijgen van duidelijkheid over hun toekomstperspectief. Als na een zorgvuldige beoordeling van de toelatingsvraag blijkt dat kinderen niet in aanmerking komen voor verblijf in Nederland, dienen zij zo snel mogelijk terug te keren naar het land van herkomst.

In 2010 heeft de Minister van Justitie de Tweede Kamer geïnformeerd over de volgende maatregelen (Kamerstukken II 2009–2010, 27 065, nr. 65) inzake het amv-beleid die binnen het bestaande financiële kader worden gerealiseerd:

  • met ingang van 1 juli 2010 is de verbeterde asielprocedure ook van toepassing op amv’s;

  • in vervolg op de pilot beschermde opvang wordt zorg gedragen voor het continueren van een verantwoorde vorm van beschermde opvang;

  • in combinatie met het vervolg van de beschermende maatregelen wordt een alternatief regime voor bewaring voor amv’s uitgewerkt.

Ontwikkeling instroom Alleenstaande Minderjarige Vreemdelingen (AMV’s)

 Ontwikkeling instroom Alleenstaande Minderjarige 					 Vreemdelingen (AMV’s)

In voorgaande jaren is enerzijds intensief ingezet op het tegengaan van fraude door middel van leeftijdsonderzoek en anderzijds op terugkeer van AMV‘s voor wie adequate opvang in het land van herkomst aanwezig is. Naar verwachting heeft deze inzet bijgedragen aan de geconstateerde daling van het aantal AMV‘s.

Geconstateerd wordt dat vanaf 2010 de instroom van amv’s in Nederland, net als in de meeste omringende lidstaten, weer afneemt.

Opvang

Opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers bij aanvragen op medische gronden

Sinds 1 januari 2010 wordt bij wijze van proef voor de periode van één jaar uitvoering gegeven aan de motie Spekman (Kamerstukken II 30 846, nr. 16). Daarmee wordt opvang geboden aan uitgeprocedeerde asielzoekers die een aanvraag op medische gronden hebben lopen, mits zij aan de in de motie gestelde voorwaarden voldoen. In 2010 zullen de opgedane ervaringen worden geëvalueerd en zal het kabinet besluiten of voortzetting van het beleid verantwoord en wenselijk is.

Uitplaatsing statushouders uit de centrale opvang

Asielzoekers die een verblijfsvergunning hebben ontvangen moeten zo snel mogelijk deelnemen aan de Nederlandse samenleving. Daarom is het van belang dat statushouders zo snel mogelijk in een gemeente worden gehuisvest, zodat de bezette opvangplaatsen kunnen worden vrijgemaakt voor nieuwe asielzoekers. In 2011 wordt gewerkt aan het versnellen van het uitplaatsings- en huisvestingstraject van deze doelgroep. Hiertoe is de Taskforce Thuisgeven, onder voorzitterschap van de heer E. Nijpels, door de Minister van Wonen, Wijken en Integratie en de Minister van Justitie in het leven geroepen. De Taskforce zal zich het komend jaar inzetten om de hoge wachtlijsten in de opvangcentra terug te dringen.

De reguliere procedure

Op 1 januari 2011 treedt de Wet modern migratiebeleid (Stb., jaargang 2010, nr. 290) in werking. Het modern migratiebeleid is selectief: uitnodigend waar het kan en restrictief waar het moet. Het beleid is gericht op een nieuw en efficiënt stelsel van verblijfsvergunningen, vermindering van het aantal procedures, kortere behandeltermijnen en op een beter gebruik van (digitale) gegevens binnen de overheid. Bedrijven, onderwijs- en onderzoeksinstellingen zullen als referent optreden bij het toelaten van migranten.

Voor de heffing van leges wordt een nieuw legesstelsel ontwikkeld. De IND zal in nauwe samenwerking met ketenpartners en overige relevante overheidsinstanties toezicht en handhaving vormgeven.

Gezinsmigratie

Een deel van de gezinsmigranten is onvoldoende toegerust om deel te nemen in de samenleving. Daarom heeft het kabinet maatregelen gepresenteerd (Kamerstukken II 32 175 nr. 1) die gericht zijn op het bevorderen van integratie en emancipatie, de inzet in Europa bij de verdere harmonisatie van het gezinsmigratiebeleid en de bestrijding van fraude en misbruik in de toelatingsprocedure. Een belangrijke maatregel in het kader van voorkoming van fraude en misbruik is de inzet van liaisonmedewerkers op de diplomatieke post. De liaisonfunctionarissen kunnen bijvoorbeeld ingezet worden om op verschillende posten medewerkers te trainen in het voorkomen en herkennen van fraude.

Verder wordt een wetsvoorstel voorbereid waarmee neef/nichthuwelijken worden verboden.

Staatkundige Hervorming Nederlandse Antillen en Aruba

In 2011 wordt de Wet toelating en uitzetting (WTU) BES ingevoerd. Daarnaast is door Curaçao, Sint Maarten en Nederland een onderlinge regeling getroffen waarin afspraken worden gemaakt over de vreemdelingenketen. Het gaat hier om afspraken over een gezamenlijk systeem, garanties voor professionaliteit, kwaliteit en integriteit, eenduidige procedures en registratiesystemen. In 2011 wordt de invoering van deze maatregelen afgerond.

Toezicht en handhaving

Om het toezichts- en handhavingsstelsel voor de reguliere procedure verder te versterken wordt in 2011 de gegevensuitwisseling met netwerkpartners en ketensamenwerking verbeterd. De IND zal nauw samenwerken met en gebruik maken van de expertise van organisaties zoals Politie, Openbaar Ministerie, Belastingdienst, Arbeidsinspectie, Rijksdienst voor het Wegverkeer, DUO, Kamers van Koophandel en het Centraal Justitieel Incassobureau.

Met de inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid (Kamerstukken II 35 052) zal de IND gaan toezien op de informatie-administratie en zorgplichten van referenten, kan ze bestuurlijke boetes opleggen bij overtreding daarvan en de erkenning van referenten schorsen of intrekken.

Naturalisatie

De wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap is in juli 2010 tot stand gekomen (Stb. jaargang 2010, nr. 242) en treedt in werking op 1 oktober 2010. De wijziging houdt een uitbreiding in van de plicht om afstand te doen van de vreemde nationaliteit wanneer men al sinds hun vierde jaar hun hoofdverblijf hebben binnen het Koninkrijk. Ook wordt de Nederlandse taaltoets vanaf 1 januari 2011 een verplicht onderdeel bij naturalisatie in de Caribische delen van het Koninkrijk. Ten slotte kan het Nederlanderschap worden ingetrokken na een onherroepelijke veroordeling wegens misdrijven die de essentiële belangen van de staat ernstig schenden.

Meetbare gegevens

Hieronder wordt inzicht geboden in de beoogde tijdigheid en kwaliteit van de (afhandeling van) de vreemdelingenprocedures. Ook wordt inzicht gegeven in de gewenste voortgang van de invoering van het modern migratiebeleid en zijn gegevens opgenomen over de opvangcapaciteit en de kwaliteit van de opvang.

a. Prognose instroom IND (autonome ontwikkeling)

Hieronder wordt de te verwachten instroom in de asielprocedure, de reguliere procedure en naturalisatieprocedure weergegeven. De verwachte instroom vormt het uitgangspunt voor het beleid.

Instroom vreemdelingenketen
 

realisatie

      
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

1.

Asiel

       

Asielinstroom

16 163

18 000

17 000

17 000

17 000

17 000

17 000

Overige procedure asiel

6 475

6 266

6 198

7 037

8 022

5 933

5 933

Regulier (asielgerelateerd)

1 659

1 675

3 975

4 225

4 225

4 225

4 225

Totale instroom

24 297

25 941

27 173

28 262

29 247

27 158

27 158

        

2.

Regulier

       

Instroom:

       

Machtiging tot voorlopig verblijf (MVV)

       

– gezinsvorming en -hereniging

29 000

28 300

28 300

28 300

28 300

28 300

28 300

– overig

21 700

21 000

21 000

21 000

21 000

21 000

21 000

Verblijfsvergunningen regulier (VVR)

       

– eerste aanleg gezinsvorming en -hereniging.

22 000

22 900

22 900

22 900

22 900

22 900

22 900

– eerste aanleg overig

36 100

37 200

37 200

37 200

37 200

37 200

37 200

– vervolg

96 200

98 100

98 100

98 100

98 100

98 100

98 100

– overig

22 000

21 700

60 100

82 000

20 700

20 700

20 700

Visa

9 000

5 700

5 700

5 700

5 700

5 700

5 700

Totale instroom

236 000

234 900

273 300

295 200

233 900

233 900

233 900

        

3.

Naturalisatie

       

Instroom:

       

– verzoeken

25 150

26 500

26 500

26 500

26 500

26 500

26 500

– fraudeonderzoek

200

200

200

200

200

200

200

Totale instroom

25 350

26 700

26 700

26 700

26 700

26 700

26 700

Bron: IND

Toelichting

De asielinstroom betreft het totaal aantal personen dat een asielverzoek indient bij een daartoe aangewezen aanmeldcentrum of vanuit een bewaringslocatie, waarmee de asielprocedure aanvangt. De behandelcapaciteit van de IND wordt ingericht op een instroom van 17 000 asielzoekers. Medio 2010 is de verbeterde asielprocedure binnen de IND ingevoerd. In 2011 beoogt deze procedure de zorgvuldigheid te vergroten en de doorlooptijden te verkorten.

Onder «overige procedure asiel» zijn de herbeoordelingen, intrekkingen en de zij-instroom opgenomen. De zij-instroom wordt veroorzaakt door vernietiging van beschikkingen door de rechtbank of door intrekkingen van beschikkingen door de IND.

De «instroom regulier» heeft onder meer betrekking op aanvragen voor werk, studie, gezinsvorming en gezinshereniging. De stijging van het aantal Verblijfsvergunningen Regulier (VVR) «overig» heeft te maken met de periodieke omwisselingen in het kader van de Vreemdelingenwet 2000. Verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd moeten volgens de Vreemdelingenwet 2000 vijfjaarlijks worden vernieuwd. In 2002 heeft de Vreemdelingenpolitie een groot aantal verblijfsdocumenten vernieuwd, hetgeen tot gevolg heeft dat er vijfjaarlijks een extra inspanning gevergd wordt voor omwisseling van die verblijfsdocumenten. De instroom Machtiging tot Voorlopig Verblijf (MVV) en VVR eerste aanleg is onderverdeeld in «gezinsvorming/gezinshereniging» en «overig».

In de begroting is rekening gehouden met een instroom van 26 500 naturalisatieverzoeken. Dit zijn 24 500 verzoeken in Nederland en 2 000 verzoeken in het buitenland en de Caribische delen van het Koninkrijk. De verwachting is dat als gevolg van de pardonregeling uit 2007 vanaf 2012 een stijging zal plaatsvinden van het aantal naturalisatieverzoeken. Op dit moment wordt bezien hoe groot deze stijging is en in welke jaren deze plaatsvindt. Dit is nog niet verwerkt in bovenstaande aantallen. Fraudeonderzoek vindt plaats naar het verzwijgen van een voor de verkrijging van het Nederlanderschap relevant feit.

b. Streefwaarden doorlooptijden

In 2009 is een onderzoek uitgevoerd naar verbetering van de rapportage over de wettelijke termijnen. Dit heeft geleid tot een dusdanige verbetering dat wettelijke opschortingen verwerkt worden binnen de wettelijke termijnen. Voor de jaren 2010 en verder is het streefpercentage hierdoor op 100% gezet voor de onderdelen regulier en naturalisatie. Voor asiel is een percentage van 80% vooralsnog realistisch.

% vreemdelingenzaken waarop binnen de gestelde wettelijke termijn is besloten
 

Realisatie

      
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Asiel

73

80

80

80

80

80

80

Regulier

93

100

100

100

100

100

100

Naturalisatie

95

100

100

100

100

100

100

c. Streefwaarden kwaliteit procedures

In onderstaande tabel zijn de streefwaarden opgenomen ten aanzien van de standhouding van de beslissingen. Dit percentage zegt voor een deel iets over de kwaliteit van de beslissingen die de IND neemt in vreemdelingenzaken (asiel, regulier en naturalisatie). Het standhouden van beslissingen heeft echter niet alleen betrekking op de kwaliteit van de beslissingen, evengoed kunnen zich bijvoorbeeld in de tijd tussen een beslissing en een beroep nieuwe feiten voordoen.

Standhouding beslissingen
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Asiel

85%

85%

85%

85%

85%

85%

Regulier

80%

80%

80%

80%

80%

80%

Teneinde de kwaliteit van de vreemdelingenprocedures vast te stellen wordt het percentage klachten gemeten.

Kwaliteit vreemdelingenprocedure (streefwaarden % klachten als indicator)

Doelstelling

2010

2011

2012

2013

2014

asielprocedure

< 2

< 2

< 2

< 2

< 2

reguliere procedure

< 2

< 2

< 2

< 2

< 2

procedure naturalisatie

< 0,5%

< 0,5%

< 0,5%

< 0,5%

< 0,5%

In de afgelopen 4 jaar zijn er twee klanttevredenheidsonderzoeken geweest met een tussenperiode van 2 jaar. Hierbij is gekeken naar verschillende aspecten van de dienstverlening, zoals snelheid, gemak, duidelijkheid en betrouwbaarheid. De klanttevredenheid zal ook de komende jaren systematisch worden gemeten.

d. Voortgang modern migratiebeleid

Het streven is om het wetsvoorstel per 1 januari 2011 in werking te laten treden.

e. Opvang

In onderstaande tabel worden enige kerngegevens voor de opvang weergegeven.

Kerngegevens opvang

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Instroom

15 300

15 300

16 600

16 600

16 600

16 600

16 600

Uitstroom

13 700

13 200

16 600

16 600

16 600

16 600

16 600

TNV-capaciteit

2 300

800

Gemiddelde bezetting

20 700

20 100

19 400

19 400

19 400

19 400

19 400

Gemiddelde kosten per opvanggerechtigde (x € 1)

20 550

20 550

20 550

20 550

20 550

20 550

20 550

Toelichting

Sinds de inwerkingtreding van de verbeterde asielprocedure in 2010 worden degenen die te kennen geven in aanmerking te willen komen voor asiel opgevangen in een regulier opvangcentrum van het COA. Dit betekent dat de tijdelijke noodvoorziening (TNV) niet meer bestaat. Het COA heeft de verantwoordelijkheid voor de eerste fase van de asielprocedure overgenomen van de IND. Het verschil tussen de instroom van 17 000 en de instroom in de opvang wordt onder meer gevormd door uitgenodigde vluchtelingen (die met ingang van het jaar 2011 niet meer eerst een aantal maanden centraal worden opgevangen) en vreemdelingen die in bewaring zitten en een asielaanvraag indienen en derhalve niet in de centrale opvang terecht komen.

In 2011 verblijven naar verwachting gemiddeld 19 400 asielzoekers in de opvang.

Een asielzoeker van wie het asielverzoek is afgewezen krijgt een vertrektermijn van vier weken om zelfstandig of met behulp van DT&V of IOM het vertrek te realiseren. Na het verstrijken van deze termijn wordt de opvang beëindigd. Wel kan de vreemdeling in voorkomende gevallen voor maximaal twaalf weken een vrijheidsbeperkende maatregel worden opgelegd in een vrijheidsbeperkende onderdaklocatie van het COA. Het betreft een sobere onderdaklocatie, waar de Regeling verstrekkingen asielzoekers niet van toepassing is en waar de begeleiding volledig in het teken staat van terugkeer.

De kosten per opvanggerechtigde worden geraamd op € 20 550. Het is de verantwoordelijkheid van Justitie dat alle opvanggerechtigden worden opgevangen. In opdracht van het Ministerie van Justitie realiseert het zelfstandig bestuursorgaan COA voldoende opvangcapaciteit. Het COA heeft als zelfstandig bestuursorgaan een eigen verslaglegging.

f. Kwaliteit opvang

Het project Herijking producten en kostprijzen van het COA, dat in de laatste maanden van 2009 is gestart, is in de zomer van 2010 afgerond. Doel van deze herijking was onder meer een verbeterde omschrijving van de te leveren producten en diensten ten behoeve van de opvang van asielzoekers. Ook worden de kwaliteitseisen waaraan de opvang moet voldoen geëxpliciteerd. Dit onder meer in het licht van de herziening van de in Europees verband afgesproken minimumnormen voor de opvang van asielzoekers – en de eisen die worden gesteld op het gebied van veiligheid. Inmiddels zijn indicatoren ontwikkeld voor de kwaliteit van de opvang. In het Justitie-jaarverslag 2011 zal voor het eerst over de volgende kwaliteitsindicatoren worden gerapporteerd:

  • het aantal gegronde klachten;

  • de termijn waarbinnen huisvesting van statushouders wordt gerealiseerd;

  • de gemiddelde duur van de opvang.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Beleidsdoorlichting

Omschrijving

Status

Vindplaats

Zorgvuldige en tijdige afdoening van aanvragen van verlening van een verblijfsvergunning of van een naturalisatieverzoek

Start in 2013, af te ronden in 2014/2015

n.n.b.

Toelichting

Door middel van de beleidsdoorlichting «zorgvuldige en tijdige afdoening van aanvragen van verlening van een verblijfsvergunning of van een naturalisatieverzoek» wordt onderzocht in hoeverre het geheel aan beleidsmaatregelen bijdraagt aan de doelstelling. De beleidsdoorlichting loopt min of meer parallel aan de voorgenomen evaluatie van de verbeterde asielprocedure, die medio 2010 in werking is getreden en het Modern Migratiebeleid, dat op 1-1-2011 in werking treedt.

Overig evaluatieonderzoek

Omschrijving

Status

Vindplaats

Evaluatie Perspectiefprojecten

Af te ronden in 2011

www.wodc.nl

Evaluatie Vreemdelingentoezicht

Voorgenomen

www.wodc.nl

Evaluatie regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (pardonregeling)

Voorgenomen

www.wodc.nl

Toelichting

Evaluatie Perspectiefprojecten

Dit betreft een uitvoering van een motie (motie-Spekman, Kamerstukken II 2007–2008, 19 637, nr. 1211).

Doelstelling van het experiment is het voorkomen van het vertrek met onbekende bestemming van ex-amv’s. Het WODC zal evalueren of de Perspectief-aanpak het aantal gevallen van vertrek met onbekende bestemming doet dalen.

Evaluatie Vreemdelingentoezicht

Het onderzoek naar de effectiviteit van het vreemdelingentoezicht moet een beeld geven van het vreemdelingentoezicht door de politie en de resultaten hiervan sinds 2004. De beleidsevaluatie moet ook de vraag beantwoorden welke verbeteringen mogelijk zijn in de toekomst. Eveneens wordt bezien in hoeverre de prioritering voor het vreemdelingentoezicht (criminele vreemdelingen, vreemdelingen die overlast veroorzaken en uitgeprocedeerde en/of illegale vreemdelingen) effectief is gebleken.

Evaluatie regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (pardonregeling)

Vanaf medio 2010 zal het WODC de uitvoering van de regeling en de afspraken die daarover zijn gemaakt in het bestuursakkoord met de VNG evalueren (brief van 13 juli 2009 (Kamerstukken 2008–2009, 31 018, nr. 52)).

Operationele doelstelling 15.3

Een effectieve en zorgvuldige uitvoering van het vreemdelingentoezicht, grenstoezicht en terugkeerbeleid, opdat een vreemdeling die niet of niet meer rechtmatig in Nederland verblijft, Nederland zelfstandig of gedwongen verlaat.

Motivering

Vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven zijn maatschappelijk en sociaal-economisch bijzonder kwetsbaar. Bovendien vormen zij een belasting voor (gemeentelijke) overheden. Het terugkeerbeleid is gericht op het vertrek van vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven. Zij dienen terug te keren naar het land van herkomst of te vertrekken naar een ander geschikt land. Illegaal verblijf van vreemdelingen in Nederland moet zo veel mogelijk voorkomen worden, onder meer door een effectief en goed georganiseerd grenstoezicht. De uitvoering is onder meer in handen van KMar (grenstoezicht) en van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Vreemdelingenbewaring wordt uitgevoerd door de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI).

Effectievere terugkeer

Instrumenten

Strategische benadering landen van herkomst met het oog op terugkeer

Ook in 2011 blijft het realiseren van vertrek van vreemdelingen die niet (langer) in Nederland mogen verblijven prioriteit. Daarbij is voortzetting van de strategische benadering van landen van herkomst van belang, met als doel de verstrekking van (vervangende) reisdocumenten in het kader van gedwongen terugkeer te bevorderen. Hiertoe worden, in aanvulling op de bilaterale samenwerkingsrelaties die de DT&V met landen van herkomst onderhoudt, ook de relaties die de verschillende departementen onderhouden met landen van herkomst ingezet. Dit wordt periodiek in de Ministerraad besproken op basis van een rapportage van de Minister van Justitie. Het doel van deze strategische benadering is om aan inwilliging van verzoeken van landen van herkomst aan de Nederlandse overheid, de voorwaarde te verbinden dat er sprake is van effectieve medewerking aan de terugkeer van eigen onderdanen. Voorts kunnen waar mogelijk maatregelen worden getroffen tegen het betreffende land indien er sprake is van onvoldoende medewerking aan terugkeer.

Implementatie terugkeerrichtlijn

De Europese terugkeerrichtlijn (nr. 2008/115/EG) dient uiterlijk 24 december 2010 te zijn geïmplementeerd in het Nederlandse stelsel. In de terugkeerrichtlijn zijn duidelijke en transparante gemeenschappelijke (minimum) normen vastgesteld voor terugkeer, uitzetting, het gebruik van dwangmaatregelen, vreemdelingenbewaring en het opleggen van een inreisverbod aan niet-rechtmatig verblijvenden, met de volledige inachtneming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkenen. In 2011 zal bij de toepassing van genoemde instrumenten en maatregelen dan ook steeds conform de terugkeerrichtlijn worden gehandeld. Omdat de Nederlandse stelsels met betrekking tot uitzetting van vreemdelingen, vreemdelingenbewaring en de bewaringsregimes ten aanzien van vreemdelingen reeds in belangrijke mate in overeenstemming zijn met de bepalingen van de richtlijn zal dit slechts in beperkte mate invloed hebben op de uitvoering.

Beter grenstoezicht

Nederland voldoet aan de voorschriften die in de Schengen grenscode zijn opgenomen. Dit houdt in dat alle reizigers die zich voor de inreis melden worden onderworpen aan een grenscontrole, tenzij op basis van risicoanalyse kan worden vastgesteld dat kan worden volstaan met een administratieve controle. Aanbevelingen tot verdere verbetering van het proces uit de door de Europese Commissie in 2009 en 2010 uitgevoerde evaluatie zullen in 2011 worden opgevolgd.

In 2011 worden onderdelen van het Programma Vernieuwing Grensmanagement geïmplementeerd (Kamerstukken 30 315, nr. 8). Het gaat hier om het gebruik van passagiersgegevens op basis van richtlijn 2004/82/EG, het gebruik van automatische grenspassage en het uitbreiden van reizigersprogramma’s voor geregistreerde passagiers. De initiatieven hebben tot doel om met vooraf verkregen passagiersinformatie beter zicht te krijgen op risico’s waardoor het veiligheidsniveau wordt verhoogd. Door het gebruik van automatische grenspassages wordt het grenspassageproces voor bepaalde groepen passagiers versneld.

Effectieve bestrijding illegaliteit

In vervolg op de Illegalennota uit 2008 (Kamerstukken 29 537, nr. 2) zijn verschillende openbare ordemaatregelen getroffen om illegaal verblijf beter te kunnen bestrijden.

De aanpak van criminele vreemdelingen/illegalen heeft in 2011 prioriteit. De maatregelen betreffen het instellen van een programma Uitzetten/Vastzetten van criminele vreemdelingen/illegalen en de Taskforce VRIS (vreemdelingen in de strafrechtsketen). Het doel is een krachtige integrale aanpak van criminele vreemdelingen/illegalen. Meer precies: de toepassing van specifiek voor vreemdelingen geldende strafrechtelijke maatregelen, dan wel – waar nodig – de uitzetting van vreemdelingen.

Daartoe wordt het VRIS-protocol toegepast. De Taskforce VRIS is ingesteld voor een periode van 1,5 jaar. De Taskforce zal zijn werkzaamheden één jaar na zijn oprichting evalueren en hierover aanbevelingen doen aan de Minister van Justitie in het voorjaar van 2011.

Meetbare gegevens

Hieronder wordt ingegaan op de bestrijding van de illegaliteit, de terugkeer, de vreemdelingenbewaring en de vrijheidsbeperkende locatie. Daarbij moet worden opgemerkt dat resultaten voor een groot deel buiten de beïnvloedingssfeer van Justitie tot stand komen.

Bestrijding illegaliteit

Het illegalenbeleid is erop gericht de overlast van illegaliteit voor de samenleving te verminderen en terugkeer van niet rechtmatig verblijvende vreemdelingen te stimuleren. Periodiek worden de resultaten van het programma «Aanpak Uitzetten/Vastzetten» gerapporteerd aan de Tweede Kamer in de Rapportage Vreemdelingenketen (RVK). In 2010 zal het WODC het onderzoek «schattingen van het aantal illegale vreemdelingen» laten verrichten. Doel is om eind 2010 tot nieuwe periodieke schattingen van de omvang van illegaliteit in Nederland te komen.

Terugkeer

Justitie bevordert dat vreemdelingen die zijn uitgeprocedeerd Nederland verlaten. Daarbij heeft zelfstandig vertrek de voorkeur, maar wordt zo nodig ingezet op gedwongen terugkeer.

Streefwaarden terugkeer
 

Realisatie

      
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Zelfstandig vertrek

14%

15%

15%

15%

15%

15%

15%

Gedwongen vertrek

33%

35%

35%

35%

35%

35%

35%

Niet aantoonbaar vertrek

53%

50%

50%

50%

50%

50%

50%

Totaal

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Vreemdelingenbewaring en vrijheidsbeperking

De capaciteit voor vreemdelingenbewaring is voldoende om vreemdelingen in bewaring te stellen en te houden indien dit aangewezen is.

Voor een volledig overzicht van de capaciteitsbehoefte en beschikbare capaciteit van vreemdelingenbewaring wordt verwezen naar de batenlastenparagraaf van DJI.

Overzicht naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Beleidsdoorlichting

Omschrijving

Status

Vindplaats

Effectiviteit van het vreemdelingenbeleid

Start in 2014, af te ronden in 2015/2016

n.n.b.

Toelichting

Door middel van de beleidsdoorlichting «effectiviteit van het vreemdelingenbeleid» wordt onderzocht in hoeverre het geheel aan beleidsmaatregelen bijdraagt aan een effectieve en zorgvuldige uitvoering van het vreemdelingentoezicht, grenstoezicht en terugkeerbeleid.

17 Internationale rechtsorde

Algemene doelstelling

Bevorderen van de ontwikkeling van de Europese en de internationale rechtsorde.

Meerjarenperspectief

Justitie wil de effectiviteit van en het vertrouwen in de Europese en de internationale rechtsorde versterken. Justitie werkt mee aan een slagvaardig en democratisch Europa, meer veiligheid en stabiliteit in regio’s waar dat nodig is en aan de versterking van de mensenrechten.

Effectiviteit en vertrouwen in de Europese en internationale rechtsorde zijn van belang om het economische tij te helpen keren en groei mogelijk te maken. Rechtszekerheid en veiligheid stimuleren het (Europese en internationale) economisch verkeer.

Omschrijving van de samenhang

Onze rechtsstaat en onze veiligheid zijn nauw verbonden met de Europese en internationale rechtsorde. Op alle beleidsterreinen van Justitie zijn internationale raakvlakken, zoals zichtbaar in de andere beleidsartikelen van deze begroting. Justitie zet echter ook in op internationale samenwerking om het goed functioneren van Europese en de internationale instituties te bevorderen.

Daarnaast is er de morele verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de opbouw van veiligheid en rechtsstatelijkheid elders in de wereld. Ook als daarmee niet direct een Nederlands belang is gediend. Het aanzien van de Nederlandse rechtsorde (versterkt door de aanwezigheid van internationale juridische instellingen en gerechtshoven in Den Haag) in de rest van de wereld, leidt er toe dat andere landen geregeld steun vragen bij de opbouw van de rechtsorde.

Verantwoordelijkheid

De Minister van Justitie is samen met de Ministers van Buitenlandse Zaken en voor Ontwikkelingssamenwerking en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verantwoordelijk voor het beleid ten aanzien van de Europese en internationale ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Deze verantwoordelijkheid stoelt op artikel 90 van de Grondwet, dat bepaalt dat de regering de ontwikkeling van de internationale rechtsorde bevordert. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft hierin een coördinerende taak.

Externe factoren

De ontwikkeling van de Europese en internatonale rechtsorde krijgt gestalte in onderhandelingen in de EU met de Europese lidstaten, in de interactie met internationale organisaties, zoals de Raad van Europa en de Verenigde Naties en tussen staten onderling. De uitkomst van internationale besluitvorming is dan ook vrijwel altijd het resultaat van onderhandelingen.

Meetbare gegevens

De maatschappelijke effecten van de bijdrage van Nederland aan de ontwikkeling van de Europese en de internationale rechtsorde laten zich in algemene zin moeilijk in prestatie-indicatoren uitdrukken (explain). Wel kunnen ten behoeve van de Nederlandse Justitie-inzet bepaalde doelen en voorwaarden worden geformuleerd: het zo optimaal mogelijk inventariseren van de Nederlandse belangen en het in de internationale context voor het voetlicht brengen daarvan. Resultaten zijn veelal de uitkomst van onderhandelingen, waarbij compromisvorming vaak noodzakelijk is. In de Europese context is dit met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op het terrein van vrijheid, veiligheid en recht meer dan ooit het geval. Zo ook bijvoorbeeld op het terrein van de mensenrechten. De justitie-inzet is vaak onderdeel van een grotere inzet van verschillende contribuanten, waardoor de effecten vaak alleen als geheel zichtbaar kunnen worden gemaakt.

Dat neemt echter niet weg dat Justitie periodiek de internationale functie evalueert. Op basis van dergelijk evaluatieonderzoek, tracht Justitie de effectiviteit van deze functie te waarborgen. In 2010 is een beleidsreactie opgesteld op de evaluatie door Instituut Clingendael in opdracht van het WODC. Uit dit rapport blijkt dat Justitie binnen de onderzochte internationale dossiers voor Nederland van belang zijnde invloed heeft uitgeoefend op de besluitvorming en samenwerking. Er zijn aanbevelingen gedaan om met name de voor effectieve beïnvloeding cruciale interne informatievoorziening verder te versterken.

Onder operationele doelstelling 17.1 is aangegeven op welke wijze Justitie in 2011 bijdraagt aan vrijheid, veiligheid en recht in Europa en internationaal. Hierbij wordt ook gebruik gemaakt van meetbare gegevens (output, input).

Budgettaire gevolgen van beleid x € 1 000
  

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen

2 464

1 842

1 734

1 769

1 767

1 763

1 763

         

Apparaat-uitgaven

2 444

1 842

1 734

1 769

1 767

1 763

1 763

         

17.1

Internationale regelgeving

2 444

1 842

1 734

1 769

1 767

1 763

1 763

 

17.1.1 Directie Wetgeving

2 444

1 842

1 734

1 769

1 767

1 763

1 763

         

Ontvangsten

4

0

0

0

0

0

0

Operationele doelstelling 17.1

Bijdragen aan een Europese en internationale ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.

Motivering

Justitie staat voor een rechtvaardige en veilige samenleving, nationaal maar ook internationaal. Naast de Europese en internationale samenwerking op het terrein van vrijheid, veiligheid en recht wordt ook bijgedragen aan:

  • De ontwikkeling en instandhouding van de aan de Europese en de internationale rechtsorde verbonden instituties.

  • Regelgeving, beleid en structuren voor justitiële en politiële samenwerking, voor asiel, migratie en het grensverkeer.

  • Rechtsstatelijkheid elders binnen het Koninkrijk en in andere landen waarmee Nederland – onder meer op justitieel gebied – een samenwerkingsrelatie heeft en in fragiele staten.

  • Het vertrouwen in de rechtspleging in de andere EU-lidstaten

Het belang van (vroegtijdige) beïnvloeding van de Europese of internationale beleidsvormende en regelgevende processen en de inrichting van die processen neemt voortdurend toe. Primair vanwege de doorwerking in de nationale rechtsorde. Steeds vaker zal bestaande van oorsprong nationale wetgeving, vervangen moet worden door wetgeving die nauwer aansluit bij de Europese of internationale rechtsorde. Daarnaast werken mondiale knelpunten op het terrein van veiligheid, internationaal georganiseerde criminaliteit en illegale migratie door in de Nederlandse samenleving. De aanpak van die knelpunten is alleen effectief als die in Europees en internationaal verband kunnen worden aangepakt.

Door bij te dragen aan rechtsstaatopbouw elders wordt mede een basis geboden voor economische groei en welvaart in derde landen en een gezond investeringsklimaat waar ook de Nederlandse (export)economie van kan profiteren.

Slagvaardige instituties voor de mensenrechten

Instrumenten

Een pro-actief mensenrechtenbeleid in Europees en internationaal verband is een prioriteit van de regering. De Raad van Europa en in het bijzonder het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zijn hiervoor van groot belang.

  • Justitie draagt in bilaterale contacten actief het belang van de tenuitvoerlegging van uitspraken van het EHRM uit, mede aangezien een snelle en adequate tenuitvoerlegging van uitspraken bijdraagt aan de vermindering van de werklast van het EHRM.

  • Justitie probeert de werking van het EHRM te versterken, onder meer door aan te sturen op de uitvoering van de conclusies van de Interlaken-conferentie 2010.

  • Justitie zal samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken in de besluitvorming rond de toetreding van de EU tot het EVRM actief pleiten voor een spoedige en volwaardige toetreding.

Veiligheid, vrijheid en recht binnen de Europese Unie

In het in 2010 aangenomen Actieplan ter implementatie van het Stockholm Programma zijn de beleidslijnen en strategische doelstellingen uit het Stockholm Programma vertaald naar concrete voorstellen en initiatieven voor de periode 2010–2014. In het Actieplan is een tijdschema opgenomen voor de goedkeuring en uitvoering van de voorgestelde maatregelen. Dit tijdpad stelt de Minister van Justitie in staat om vroegtijdig en op planmatige wijze de Brusselse agenda te beïnvloeden (COM (2010) 171 def.).

De Minister van Justitie zal 1 de Tweede Kamer in 2011 informeren over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van het Stockholm Programma en over de gezette stappen en vorderingen ten aanzien van de Nederlandse prioriteiten.

Opbouw van de nationale rechtsorde in andere landen

Justitie biedt hulp bij de opbouw of versterking (capaciteitsopbouw) van de nationale rechtsorde in derde landen en draagt bij aan de regeringsbrede inzet bij de opbouw van fragiele staten. In 2011 is de aandacht gericht op onder meer de landen in de Westelijke Balkan, vooral Kroatië, het meerjarig programma ter versterking van de Indonesische rechtsstaat, Turkije en Marokko.

Justitie zal ook in 2011 experts beschikbaar stellen voor deelname aan civiele opbouwmissies van de EU. Deze missies zijn onder andere opgezet in Afghanistan, Palestijnse Gebieden, Georgië, Irak en Kosovo.

Vertrouwen in de rechtsordes van de EU lidstaten

In EU-verband is door Nederland de aandacht gevestigd op de bestendiging van het vertrouwen in de verschillende rechtordes van de EU-lidstaten, en daartoe is op initiatief van Nederland een voorstel tot een additioneel evaluatiesysteem opgenomen in de tekst van het Stockholmprogramma (Kamerstukken II 2008–2009, 23 490, nr. 557). In 2011 zal gestart worden met een pilot onder leiding van Nederland, Frankrijk en Duitsland om nadere uitwerking te geven aan dit idee, hetgeen vervolgens input zal leveren voor een voorstel van de Europese Commissie voor een evaluatiemechanisme voor de justitiële samenwerking in strafzaken in 2012 (COM (2010) 171 def., p. 72).

Meetbare gegevens

Zoals al bij de algemene doelstelling aangegeven laten de inspanningen ter versterking van de internationale rechtsorde, zich niet uitdrukken in uniforme maatschappelijke effectindicatoren (explain). Hieronder wordt met enkele streefwaarden een beperkte inschatting gemaakt van de te verwachten effecten van het beleid.

Bevorderen internationale rechtsorde

Maatschappelijk effect

Beoogd resultaat

Streefwaarde 2011 en verder

Bevorderen van de mensenrechten

• Appèls tot tenuitvoerlegging van uitspraken van het EHRM in bilaterale ministeriële contacten met Raad van Europa-lidstaten

• Snellere en adequatere tenuitvoerlegging van uitspraken van het EHRM door lidstaten van de Raad van Europa.

 

• Toetreding EU tot het EVRM

• Voorspoedig verloop van de toetredingsonderhandelingen tussen de EU en de Raad van Europa in 2011.

   

Nederlandse prioriteiten in JBZ-meerjarenprogramma

• Nederlandse prioriteiten en wensen uit het Stockholmprogramma worden ook in de voorstellen van de Europese Commissie opgenomen.

• Verwerking van de Nederlandse prioriteiten en wensen in de voor 2011 voorziene concrete voorstellen van de Europese Commissie

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Beleidsdoorlichting

Omschrijving

Status

Vindplaats

Internationale rechtsorde

Af te ronden in 2011

www.wodc.nl

Toelichting

Het onderzoek naar de Internationale functie van Justitie betreft de evaluatie van een in oktober 2006 ingezet traject te verbetering van het internationale werk van het ministerie. Beoogd wordt aanknopingspunten te vinden voor de verdere versterking van de effectiviteit van het internationale werk van Justitie.

HOOFDSTUK 4 NIET-BELEIDSARTIKELEN

Niet-beleidsartikel 91.1 Algemeen

Budgettaire gevolgen van beleid x € 1 000
  

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen

251 375

221 721

212 398

213 165

203 236

200 023

199 551

         

Apparaat-uitgaven

218 652

221 721

212 398

213 165

203 236

200 023

199 551

         

91.1

Algemeen

218 652

221 721

212 398

213 165

203 236

200 023

199 551

 

91.1.1 Effectieve besturing van het Justitie apparaat

218 652

221 721

212 398

213 165

203 236

200 023

199 551

         

waarvan verzameluitkering

       
 

Faciliteitenbesluit opvangcentra asielzoekers

0

3 000

0

    
 

Uitvoering motie Spekman experiment perspectief ex-amv’s

1 656

1 575

300

    
 

Nazorg volwassenen ex-gedetineerden

 

6 000

6 000

    
         

Ontvangsten

7 584

3 373

2 073

2 073

2 073

2 073

2 073

Het niet-beleidsartikel 91.1 «Algemeen» bestaat voor een groot deel uit apparaatsuitgaven die niet direct toe te rekenen zijn aan één van de operationele doelstellingen binnen de Justitiebegroting. Het betreft voornamelijk stafdiensten die werkzaamheden verrichten voor de Justitieorganisatie als geheel.

Naast de apparaatsuitgaven van de stafdiensten zijn ook de apparaatsuitgaven van de beleidsonderdelen onder dit niet-beleidsartikel opgenomen. De uitgaven voor het beleid (de programma-uitgaven) zijn opgenomen onder de beleidsartikelen. Omdat de hier opgenomen apparaatsuitgaven niet direct toe te rekenen zijn aan de uitvoering van het beleid, zijn deze opgenomen onder het niet-beleidsartikel. De beleidsartikelen 11 «Nationale rechtsorde» en 17 «Internationale rechtsorde» zijn de enige beleidsartikelen waarop ook apparaatsuitgaven zijn ondergebracht.

Tevens zijn bij niet-beleidsartikel 91.1 uitgaven opgenomen van de directoraten-generaal en hun staven en de uitgaven voor de politieke en ambtelijke leiding van het departement.

In incidentele gevallen komt het voor dat – ter voorkoming van veel administratieve werkzaamheden – ten laste van niet-beleidsartikel 91.1 (centraal) uitgaven worden geboekt die betrekking hebben op de gehele Justitieorganisatie. Het gaat hierbij altijd om uitgaven van een relatief gering materieel belang.

Verzameluitkering

De wettelijke grondslag van de verzameluitkering is artikel 16a van de Financiële-verhoudingswet (Fvw) en is op grond van het 2e lid van genoemd artikel van de Fvw opgenomen in de departementale begroting onder «Algemeen».

De verzameluitkering is één specifieke uitkering, waarin departementale beleidsthema’s zijn opgenomen waarvoor jaarlijks per beleidsthema gemiddeld maximaal 10 miljoen euro totaal wordt verstrekt aan provincies, gemeenten en/of gemeenschappelijke regelingen. Het betreft beleid dat ondanks expliciete afweging niet via eigen financiering door medeoverheden, via algemene uitkeringen of door bundeling met andere specifieke uitkeringen kan worden gefinancierd. Met de verzameluitkering worden taken en bevoegdheden gedecentraliseerd en worden bestuurslasten verminderd.

De verzameluitkering bevat het thema «Nazorg». De nazorg betreft het begeleiden van ex-gedetineerden terug in de maatschappij. Het bedrag is bestemd voor de versterking van de gemeentelijke coördinatie. Een uitgangspunt is dat de uitkering wordt verdeeld via centrumgemeenten door middel van een nader uit te werken verdeelsleutel. De uitvoering van de motie Spekman is eveneens als thema «Experiment perspectief ex-amv’s» in de verzameluitkering opgenomen.

Daarnaast bevat de verzameluitkering het Faciliteitenbesluit opvangcentra asielzoekers. Tot en met het jaar 2009 verzorgde het COA de uitbetalingen aan de gemeenten. Vanaf 1 januari 2010 vindt de uitbetaling aan gemeenten via de verzameluitkering plaats.

Niet-beleidsartikel 92.1 Nominaal en onvoorzien

Budgettaire gevolgen van beleid x € 1 000
  

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen

0

4 483

23 066

– 33 519

– 33 810

– 34 034

– 34 174

         

Apparaat-uitgaven

0

4 483

23 066

– 33 519

– 33 810

– 34 034

– 34 174

         

92.1

Nominaal en onvoorzien

0

4 483

23 066

– 33 519

– 33 810

– 34 034

– 34 174

 

92.1.1 Nominaal en onvoorzien

0

4 483

23 066

– 33 519

– 33 810

– 34 034

– 34 174

         

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

De grondslag voor het in de begroting opnemen van het niet-beleidsartikel «Nominaal en onvoorzien» staat in artikel 6, lid 1c van de Comptabiliteitswet 2001 (CW). Niet-beleidsartikel 92.1 wordt bij het Ministerie van Justitie echter niet gebruikt voor het aanhouden van middelen ter dekking van onvoorziene uitgaven. Dit niet-beleidsartikel wordt uitsluitend gebruikt voor het tijdelijk «parkeren» van nog te verdelen loon- en prijsbijstellingen, het tijdelijk «parkeren» van andere nog te verdelen middelen en nog te verdelen taakstellingen.

Niet-beleidsartikel 93.1 Geheim

Budgettaire gevolgen van beleid x € 1 000
  

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen

2 611

2 978

2 981

3 046

3 049

3 052

3 052

         

Programma-uitgaven

2 611

2 978

2 981

3 046

3 049

3 052

3 052

         

93.1

Geheim

2 611

2 978

2 981

3 046

3 049

3 052

3 052

 

93.1.1 Geheime uitgaven

2 611

2 978

2 981

3 046

3 049

3 052

3 052

         

Ontvangsten

111

0

0

0

0

0

0

De grondslag voor het in de begroting opnemen van geheime uitgaven staat in artikel 6, lid 1b van de Comptabiliteitswet 2001 (CW).

HOOFDSTUK 5 BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

In 2011 zal, uitgaande van het normenkader bedrijfsvoering, op een gestructureerde wijze aandacht worden besteed aan de primaire- en ondersteunende processen en de hiermee samenhangende beheertaken bij het Ministerie van Justitie. Op basis van risicoanalyses worden systematisch afwegingen gemaakt over in te zetten instrumenten van sturing en beheersing. Dit omvat mede het vaststellen van de relevante aandachtspunten voor de bedrijfsvoeringsparagraaf.

Eén en ander zal in 2011 moeten resulteren in beheerste bedrijfsprocessen. Daarbij zijn de volgende punten van belang:

  • Totstandkoming beleidsinformatie

  • Financieel en materieel beheer

  • Overige aspecten van bedrijfsvoering

In deze bedrijfsvoeringsparagraaf zijn opgenomen de aandachtspunten voor 2010, voortvloeiende uit de bedrijfsvoeringsparagraaf van het jaarverslag 2009, welke naar verwachting in 2011 nog actueel zullen zijn. Het resultaat van de totstandkoming van de bedrijfsvoeringsparagraaf in het jaarverslag 2010 zal leiden tot definitieve invulling en uitwerking van de aandachtspunten voor de bedrijfsvoering van Justitie in 2011.

Totstandkoming beleidsinformatie

De beschikbaarheid en betrouwbaarheid van beleidsinformatie verbetert binnen Justitie continu. De totstandkoming vindt echter plaats bij een veelheid en diversiteit aan onder de verantwoordelijkheid van het ministerie fungererende organisaties. Niet voor alle decentraal geaggregeerde (beleids) informatie kan echter de betrouwbaarheid altijd voldoende worden gewaarborgd. Het verbeteren van de waarborging van deze betrouwbaarheid is daarom een belangrijk attentiepunt binnen de bedrijfsvoering van het ministerie. De betrouwbaarheid van de geaggregeerde beleidsinformatie wordt daarom zoveel mogelijk structureel en systematisch gemonitord.

Bestuurlijke Informatievoorziening

Op basis van een analyse van de wijze waarop de (bestuurlijke) informatievoorziening binnen het Ministerie van Justitie is georganiseerd, is onderzocht hoe de informatievoorziening (behoefte, totstandkoming, «ist» versus «soll» en randvoorwaarden) voor wat betreft dit onderdeel kan worden verbeterd. In 2010 worden verbetervoorstellen ontwikkeld om voor een deel in 2010 en 2011 te implementeren. Daarbij gaat het onder andere om de operationalisering van de behoefte aan bestuurlijke informatievoorziening in aansluiting op de planning- en controlcyclus en het ontwikkelen van keteninformatie.

ICT-systemen

Een continu aandachtspunt binnen Justitie zijn de in gebruik zijnde ICT-systemen. Deze zijn voor een belangrijk deel de basis voor de informatievoorziening. Mede als gevolg van de veelheid aan nieuwe informatiesystemen en de daarmee gepaard gaande implementatieperikelen kunnen zich stagneringen in de bedrijfsprocessen rondom primaire ICT-systemen voordoen.

Financieel en materieel beheer

Het financieel en materieel beheer is een belangrijk aandachtspunt binnen de bedrijfsvoering van Justitie. Dit naar aanleiding van ontwikkelingen in de rechtmatigheid, maar ook zoals die zich op andere punten in het financieel en materieel beheer hebben voorgedaan.

Inkoopbeheer

Het inkoopbeheer, en meer in het bijzonder de naleving van de EU-aanbestedingsregels, blijft ook in 2011 actueel. Dit mede ingegeven door het feit dat ook in 2009 geen sprake was van een substantiële verbetering van de rechtmatigheid van inkopen. Een plan van aanpak verbetering inkoopbeheer is mede daarom opgesteld. Dit moet uiteindelijk in 2011 leiden tot een reductie van 80% van het bedrag aan onrechtmatigheden ten opzichte van 2009.

Het plan richt zich op een verscherpte monitoring en sturing op het inkoopbeheer door middel van een pakket van zestien maatregelen. Maatregelen betreffen onder andere de verbetering van de monitoring van de inkoop door periodieke rapportages, verbetering van de interne controle, versterking van de concerncontrol op inkoop en het verplicht gebruik van inkoopplannen.

Personeelsdossiers

De verbetering van personeelsdossiers zal in 2011 blijvende aandacht krijgen. De dossiervorming is sinds 2010 geïntegreerd in geautomatiseerde werkprocessen (Rijksbreed gecoördineerd door P-Direkt), zodat fouten in de opslag van documenten niet meer kunnen voorkomen. Met deze maatregelen zijn waarborgen gecreëerd voor de juiste opbouw van personeelsdossiers. De Regeling digitale vervanging personeelsdossiers moet een uniforme uitvoering van de digitalisering van de personeelsdossiers verder faciliteren.

Overige aspecten van bedrijfsvoering

Taakstelling

Met het programma Een Kleiner en Beter Justitie geeft het Ministerie van Justitie invulling aan de doelstelling van het kabinet om in 2012 een flexibele, effectieve en efficiënte rijksdienst te realiseren. Het programma sluit aan op het rijksbrede programma Vernieuwing Rijksdienst. Een onderdeel hiervan is een afslanking van de Justitie organisatie met 1 771 fte. De taakstellingsplannen zijn vastgelegd in het Justitieplan 2008–2011. Het programma monitort de voortgang van de taakstellingsoperatie. De realisatie van de taakstelling zal in 2011 definitief zijn beslag krijgen.

Externen

In samenhang met de rijksbrede taakstelling wordt vermindering van inzet van extern personeel door Justitie nagestreefd. Vanaf 2009 wordt door het kabinet een norm van 13% voor de inhuur van extern personeel gehanteerd. De norm voor de inhuur van extern personeel van 13% (van de totale personele uitgaven) heeft het karakter van «comply or explain». Dat wil zeggen dat als de norm wordt overschreden het ministerie moet motiveren waarom de overschrijding noodzakelijk was.

In 2011 zal mede daarom de omvang van de inhuur van externen extra kritisch worden gevolgd om binnen de door het kabinet vastgestelde normen te blijven. Door middel van maandelijkse rapportages aan de departementsleiding zal monitoring plaatsvinden zodat, indien nodig, tijdig maatregelen genomen kunnen worden.

HOOFDSTUK 6 DE BATEN-LASTENDIENSTEN

01 Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)

Algemeen

De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is dé toelatingsorganisatie van Nederland die als baten-lastendienst het beleid uitvoert zoals is vormgegeven binnen het beleidsartikel 15 Vreemdelingen.

Dit houdt in dat de IND alle aanvragen beoordeelt van vreemdelingen die in Nederland willen verblijven of Nederlander willen worden.

Daarnaast verricht de IND ook activiteiten in het kader van operationele doelstelling 13.6 Terrorismebestrijding als onderdeel van beleidsartikel 13 Rechtshandhaving, Criminaliteits- en Terrorismebestrijding.

Meerjarige begroting van baten en lasten

Meerjarige begroting van baten en lasten x € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Baten

       

Opbrengst moederdepartement

291 005

322 732

296 245

278 835

273 040

271 856

271 866

Opbrengst overige departementen

       

Opbrengst derden

44 183

51 977

57 560

57 560

56 560

56 560

56 560

Rentebaten

 

200

200

200

200

200

200

Bijzondere baten

       
        

Totaal baten

335 188

374 909

354 005

336 595

329 800

328 616

328 626

        

Lasten

       

Apparaatskosten

       

Personele kosten

228 454

217 146

203 978

192 201

177 976

177 976

177 977

Materiële kosten

131 599

139 783

128 467

115 525

119 876

120 750

120 759

Rentelasten

1 579

1 272

2 000

2 000

2 000

2 000

2 000

Afschrijvingskosten

       

Materieel

8 532

15 508

15 211

15 520

15 600

13 542

13 542

Immaterieel

 

1 200

4 348

4 348

4 348

4 348

4 348

Overige kosten

       

Dotaties voorzieningen

       

Bijzondere lasten

       

Totaal lasten

370 164

374 909

354 005

329 595

319 800

318 616

318 626

        

Saldo van baten en lasten

– 34 976

0

0

7 000

10 000

10 000

10 000

De IND haalt over de periode 2012–2015 een positief resultaat.

Baten

Opbrengst moederdepartement

De opbrengst moederdepartement is gebaseerd op de geldende kostprijzen, gerelateerd aan de bij de operationele doelstelling 15.2.3 opgenomen instroomaantallen van de hoofdproducten, aangevuld met financiering voor specifieke projecten (BES).

De opbrengst moederdepartement is inclusief de bijdrage voor het programma Vernieuwing Grensmanagement.

Opbrengst moederdepartement
 

2010

2011

Productiebudget IND incl. BES

317 232

292 345

Programmabudget Vernieuwing Grensmanagement

5 500

3 900

   

Totaal

322 732

296 245

Opbrengst derden

De opbrengst derden bestaat uit de leges die de aanvrager moet betalen voor een verblijfsvergunning regulier en bij een verzoek tot naturalisatie. De wettelijke basis voor de leges wordt gevonden in de Vreemdelingenwet 2000, de Rijkswet op het Nederlanderschap, het Besluit Optie- en Naturalisatiegelden 2002 en de Vreemdelingen Circulaire.

De verdeling van de leges is als volgt:

Opbrengst derden
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Regulier

40 825

43 408

43 408

43 408

43 408

43 408

Asiel

2 100

2 100

2 100

2 100

2 100

2 100

Naturalisatie

9 052

12 052

12 052

11 052

11 052

11 052

Totaal

51 977

57 560

57 560

56 560

56 560

56 560

Voor Regulier is in 2009 besloten om een aantal legestarieven in twee fasen te verhogen, dan wel in te voeren. Dit levert vanaf 2011 structureel extra inkomsten op. Hier tegenover staat dat als gevolg van een uitspraak in de zaak Sahin een aantal legestarieven voor Turkse onderdanen gelijk zijn gesteld met de tarieven voor EU-onderdanen (en lager zijn geworden).

Voor naturalisatie worden de leges voor de jaren 2011 en 2012 verhoogd met € 3 mln. en structureel met € 2 mln. Dit is in de agentschapbegroting verwerkt.

Rentebaten

Het betreft hier rentebaten, met geschat percentage van 2%, als gevolg van een positieve rekening-courant verhouding met het Ministerie van Financiën.

Doelmatigheid

Belangrijke indicator voor de doelmatigheid betreft hierboven genoemde kostprijzen per product. Daarnaast wordt verwezen naar de doelmatigheidskengetallen zoals opgenomen bij Operationele Doelstelling 15.2. De kostprijzen zijn gebaseerd op de gerealiseerde kostprijzen 2009 gecorrigeerd voor taakstellingen en besparingsmaatregelen.

Voor de operationele doelstelling 13.6 vinden binnen IND dossieronderzoeken plaats. Daartoe beoordeelt en behandelt de IND (in afstemming met de CT-infobox) dossiers van vreemdelingen waarbij een inbreuk op de openbare orde in verband met terrorisme of gevaar voor de nationale veiligheid aan de orde is. Deze dossieronderzoeken zijn activiteiten die plaatsvinden als onderdeel van de productie van de hoofdproducten.

 

2011

2012

2013

2014

2015

Integrale kostprijzen

     

Asiel

5 470

5 014

5 014

5 014

5 014

Regulier

621

567

567

567

567

Naturalisatie

358

349

349

349

349

      

Terrorismebestrijding

     

dossieronderzoeken

500

500

500

500

500

      

Omzet (€ 1 000)

     

Asiel

159 310

150 130

150 130

150 130

150 130

Regulier

170 822

167 327

167 327

167 327

167 327

Naturalisatie

18 513

18 039

18 039

18 039

18 039

Projecten (apart gefinancierd)

1 460

1 099

1 099

1 099

1 099

      

Het aantal fte’s (exclusief externe inhuur)

2 813

2 624

2 427

2 427

2 427

Saldo van baten en lasten als % van de totale baten

0%

2%

3%

3%

3%

De bovengenoemde kostprijzen voor de drie hoofdproducten worden gefinancierd uit de bijdrage van het moederdepartement die de IND ontvangt vanuit de operationele doelstellingen Verblijfsrechten vreemdelingen (15.2), Terugkeer (15.3) en Terrorismebestrijding (13.6.2). De activiteiten die de IND uitvoert in het kader van terugkeer en in het kader van terrorismebestrijding zijn geïntegreerd binnen de primaire processen van de IND.

De kostprijzen voor de IND zijn vastgesteld voor de jaren 2010 tot en met 2012. Voor 2013 en verder wordt in de bovenstaande tabel de kostprijs vooralsnog gelijk gesteld aan het jaar 2012.

Lasten

Personele kosten

De personele kosten worden bepaald door de benodigde formatie, die is gerelateerd aan de te leveren prestaties, en de gemiddelde loonsom. De kosten per formatieplaats worden verhoogd met de secundaire kosten zoals gedifferentieerd belonen, vorming & opleiding en woon-werkverkeer. De kosten van externe inzet, bijvoorbeeld uitzendkrachten en deskundigen, worden bekostigd uit het totale personele kader.

De IND heeft als beleid om een deel van zijn personeel flexibel aan te trekken/in te zetten. Zo kan de IND inspelen op de wisselingen (daling of stijging) in de instroom. De IND stuurt daarbij op een afname van de externe inhuur.

Personele kosten x € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Ambtelijk personeel

       

Kosten

184 730

184 680

168 780

157 440

145 620

145 620

145 620

Aantal fte

3 180

3 078

2 813

2 624

2 427

2 427

2 427

        

Overige personele kosten

       

Kosten

43 724

32 466

35 198

34 761

32 356

32 356

32 357

Aantal fte

368

265

290

286

264

264

264

        

– Postactief personeel

       

Dotatie voorziening post actief personeel

aantal fte’s

        

Totale kosten

228 454

217 146

203 978

192 201

177 976

177 976

177 977

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan uit programmakosten en apparaatskosten. De programmakosten hebben een directe relatie met de uitvoering van de te leveren prestaties. De volgende categorieën maken deel uit van de programmakosten: tolkenkosten, kosten procesvertegenwoordiging, verwijderingkosten en opvangkosten. De apparaatskosten houden verband met de bedrijfsvoering van de IND en betreffen onder andere huisvestingskosten en automatiseringskosten.

Materiële kosten x € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Programmakosten

30 544

30 000

30 000

30 000

30 000

30 000

30 000

Huisvesting, facilitair

47 943

48 000

46 000

44 000

44 000

44 000

44 000

Automatisering

35 209

41 000

38 000

35 000

35 000

35 000

35 000

Overige kosten

17 903

20 783

14 467

6 525

10 876

11 750

11 759

        

Totaal

131 599

139 783

128 467

115 525

119 876

120 750

120 759

Rentelasten

Dit betreft de te betalen rente in 2011 als gevolg van het beroep op de leenfaciliteit ten behoeve van investeringen in (im)materiële vaste activa. De gemiddelde rente over de stand van de leningen bedraagt 3,2%.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingsbedragen zijn bepaald volgens een consistente gedragslijn. De afschrijvingstermijnen sluiten aan op de richtlijnen die zijn vastgelegd in het Handboek Financiële Informatie en Administratie Rijksoverheid. Op de (im)materiële vaste activa wordt, op basis van de economische levensduur, lineair afgeschreven. Hierbij geldt als uitgangspunt dat als vaste activa worden aangemerkt:

  • Het actief dat langer dan 1 jaar wordt gebruikt voor de bedrijfsvoering van de IND;

  • Het economische eigendom ligt bij de IND;

  • De aanschafwaarde van de individuele activa is gelijk aan of groter is dan € 500,– (inclusief b.t.w.).

  • De afschrijvingen geschieden overeenkomstig de geschatte economische levensduur en zijn berekend op basis van de aanschafwaarde verminderd met de geschatte restwaarde.

De IND maakt gebruik van de onderstaande termijnen:

Afschrijvingstermijnen materiële vaste activa

Grond

niet afschrijven

Gebouwen

30 jaar

Immateriële vaste activa (IMVA)

10 jaar

Verbouwingen

5 jaar

Inventarissen / installaties

5 jaar

Hardware en software

4 jaar

Vervoermiddelen

4 jaar

Immateriële vaste activa: Als onderdeel van IND bij de Tijd is de ontwikkeling van een nieuw informatiesysteem INDIGO gestart. Om recht te doen aan de economische levensduur van INDIGO wordt het informatiesysteem in 10 jaar afgeschreven.

Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht x € 1 000
  

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

1.

Rekening courant RHB 1 januari (plus stand depositorekeningen)

26 704

13 370

12 665

6 517

6 529

12 574

21 819

         

2.

Totaal operationele kasstroom

– 37 126

16 508

19 360

26 669

29 748

27 690

27 690

         

3a

Totaal investeringen

– 36 941

– 37 716

– 10 200

– 10 200

– 10 200

– 10 200

– 10 200

3b

Totaal boekwaarde desinvesteringen

24

      

3.

Totaal investeringskasstroom

– 36 917

– 37 716

– 10 200

– 10 200

– 10 200

– 10 200

– 10 200

         

4a

Eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

      

4b

Eenmalige storting door moederdepartement

31 999

      

4c

Aflossingen op leningen

– 8 290

– 17 213

– 25 507

– 26 657

– 23 703

– 18 445

– 11 138

4d

Beroep op leenfaciliteit

37 000

37 716

10 200

10 200

10 200

10 200

10 200

4.

Totaal financieringskasstroom

60 709

20 503

– 15 307

– 16 457

– 13 503

– 8 245

– 938

         

5.

Rekening courant RHB 31 december (plus stand depositorekeningen)

13 370

12 665

6 517

6 529

12 574

21 819

38 371

Toelichting

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het saldo van baten en lasten gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in (eventuele) voorzieningen en het netto werkkapitaal.

Investeringskasstroom

Het betreft de investeringen die worden gedaan in materiële vaste activa. Het betreft zowel vervangings- als uitbreidingsinvesteringen. Voor 2011 worden onder andere investeringen voorzien in inventaris en installaties en hardware en software. Zie voor een verwachting bijgaand overzicht:

Investeringen € 1 000

Omschrijving

Looptijd (in jaren)

Vervanging

Uitbreiding

Hardware en software

4

4 500

2 850

Gebouwen

5

150

100

Verbouwingen

5

300

300

Inventaris / installaties

5

1 000

1 000

    

Totaal investeringen

 

5 950

4 250

Financieringskasstroom

Deze reeks heeft betrekking op storting door het moederdepartement, het voorgenomen beroep op de leenfaciliteit en op de aflossing van leningen. De storting in 2009 van het moederdepartement heeft betrekking op het compenseren van het nadelig verlies&winst saldo van 2008.

02 Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)

De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) levert een bijdrage aan de veiligheid van de samenleving door de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen en door de aan onze zorg toevertrouwde personen de kans te bieden een maatschappelijk bestaan op te bouwen.

De capaciteit van DJI is ondergebracht bij de beleidsartikelen «Rechtshandhaving, criminaliteitsbestrijding en terrorismebestrijding», «Jeugd» en «Vreemdelingen». DJI levert een bijdrage aan de operationele doelstellingen 13.4, 14.2 en 15.3.

Meerjarige begroting van baten en lasten

Meerjarige begroting van baten en lasten
x € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Baten

       

– Opbrengst moederdepartement

2 266 590

2 111 599

2 088 923

2 120 600

2 137 009

2 129 326

2 127 540

– Opbrengst derden

69 417

121 521

114 500

103 270

71 735

72 112

72 112

– Rentebaten

0

250

250

250

250

250

250

– Bijzondere baten

11 267

      

Totaal baten

2 347 274

2 233 370

2 203 673

2 224 120

2 208 994

2 201 688

2 199 902

        

Lasten

       

– Apparaatskosten

       

• Personele kosten

1 049 799

978 300

905 100

899 300

878 500

883 400

883 775

• Materiële kosten

1 147 322

1 179 043

1 178 492

1 225 563

1 231 773

1 213 890

1 210 366

– Rentelasten

3 081

2 392

3 147

3 731

4 122

4 548

4 548

– Afschrijvingskosten

       

• Materieel

57 602

57 173

57 964

57 694

53 307

50 145

47 868

– Overige kosten

       

• Dotaties voorzieningen

41 216

46 462

58 971

37 832

41 293

49 705

53 345

Totaal lasten

2 299 020

2 263 370

2 203 673

2 224 120

2 208 994

2 201 688

2 199 902

        

Saldo van baten en lasten

48 254

– 30 000

0

0

0

0

0

Saldo baten en lasten als % totale baten

2,1

– 1,4

     

Toelichting op de meerjarige begroting van baten en lasten

De ontwikkeling in de meerjarenraming van baten en lasten, ten opzichte van de realisatiecijfers 2009, wordt veroorzaakt door meerdere factoren. De voornaamste zijn:

  • de capaciteitsmutaties volgend uit het Prognosemodel Justitiële Ketens (PMJ);

  • de effecten als gevolg van brandpreventieve maatregelen en de (incidentele) overboeking van jeugdplaatsen naar Jeugd en Gezin;

  • het aandeel in de diverse kortingen en taakstellingen.

Het (negatieve) saldo van baten en lasten in 2010 (€ 30 mln.) wordt opgevangen binnen de exploitatiereserve van DJI (totaal € 63 mln.).

Baten

Opbrengst moederdepartement

De opbrengst moederdepartement is gebaseerd op de geldende kostprijzen, gerelateerd aan de – zie onderdeel kengetallen per operationele doelstelling – opgenomen productieaantallen. Uitvoering van de kerntaak van DJI betekent het tegen kostprijzen leveren van een gedifferentieerd aanbod van detentie-, behandel- en opvangplaatsen. In de jaarafspraken tussen het moederdepartement en DJI worden onder meer afspraken gemaakt over de hoeveelheid en kwaliteit van de te leveren producten en de kostprijzen. Bekostiging vindt plaats op basis van output (P x Q). Ook de uit te voeren projecten vormen een onderdeel van de jaarafspraken. De omvang van de bijdrage wordt hierop afgestemd.

Onderstaand overzicht bevat informatie over de (geraamde) gemiddelde prijs per plaats/per dag.

Overzicht gemiddelde prijs per plaats/per dag (x € 1,–)

Omschrijving

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Operationele doelstelling 13.4.

       

– Intramurale sanctiecapaciteit

216

231

231

231

231

231

231

– Extramurale sanctiecapaciteit

85

43

43

43

44

44

44

– FPC’s/forensische zorg

478

480

483

495

496

496

496

– Intramurale for.zorg in GW

328

361

362

371

374

374

374

– Intramurale for.zorg in GGz-inst.

283

290

290

303

306

306

306

Operationele doelstelling 14.2.

       

– Jeugdplaatsen

436

514

515

518

518

518

518

Operationele doelstelling 15.3.

       

– Vreemdelingenbewaring

170

197

197

197

197

197

197

– Uitzetcentra

170

197

197

197

197

197

197

In het algemeen geldt dat de dagprijzen per 2010 over de hele linie stijgen ten opzichte van 2009 als gevolg van:

  • de loon- en prijsbijstellingen

  • de intensivering van (brand-)veiligheidsmaatregelen

  • het opnemen van de financiën betreffende het Pieter Baan Centrum als opslag in de dagprijzen van de overige producten

  • het verlagen van de productietaakstelling en het creëren van (goedkopere) reservecapaciteit, waardoor de vaste kosten aan een lager aantal producten worden toegerekend

  • het aanpassen van de verdeelsleutels voor de toerekening van de overheadkosten aan de producten in verband met nieuwe capaciteitsvormen (zoals reservecapaciteit).

Specifiek geldt nog voor de prijsontwikkeling van de extramurale capaciteit dat deze daalt als gevolg van het in de tweede helft van 2010 schrappen van de executiemodaliteit «elektronische detentie».

Vermenigvuldiging van de kostprijs («P») en de gemiddelde capaciteit («Q») per product(categorie) levert voor de DJI in vergelijking met de meerjarenraming baten en lasten, het volgende beeld op:

Overzicht opbouw baten en lasten volgens P x Q – benadering

Omschrijving

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Operationele doelstelling 13.4.:

      

– Intramurale sanctiecapaciteit

1 020 068

964 909

972 977

951 093

974 484

989 081

– Extramurale sanctiecapaciteit

8 273

7 806

7 716

7 916

7 992

8 084

– FPC’s/forensische zorg

377 669

386 601

388 593

379 073

374 192

369 826

– TBS extramuraal inkoop ambulante zorg

40 000

40 000

40 000

40 000

40 000

40 000

– Intramurale forensische zorg in GW

92 236

92 582

94 867

95 684

95 632

95 602

– Intramurale forensische zorg in GGz-inst.

133 432

158 355

175 138

177 283

177 194

177 212

Operationele doelstelling 14.2.:

      

– Jeugd plaatsen

248 081

220 334

254 483

258 343

263 159

263 109

Operationele doelstelling 15.3.:

      

– Vreemdelingenbewaring

135 076

122 033

122 422

122 423

122 298

122 258

– Uitzetcentra

38 651

35 778

35 885

35 888

35 851

35 840

Subtotaal volgens p x q

2 093 489

2 028 400

2 092 082

2 067 702

2 090 805

2 101 012

Opbrengst derden 1

91 771

84 750

73 520

71 985

72 362

72 362

Verhuurcapaciteit België

30 000

30 000

30 000

   

Overig niet in PxQbegrepen

48 110

60 523

28 518

69 307

38 521

26 528

Totaal lasten

2 263 370

2 203 673

2 224 120

2 208 994

2 201 688

2 199 902

XNoot
1

Inclusief rentebaten

Toelichting

In bovenstaande tabel is per operationele doelstelling de uitkomst volgens de P x Q -systematiek gepresenteerd. De per operationele doelstelling gepresenteerde reeks loopt min of meer parallel met de ontwikkeling van de capaciteit. De onder de post «niet in P x Q begrepen» bedragen hebben met name betrekking op de (incidentele) kosten in het kader van flankerend beleid, afkoop boekwaarde alsmede de kosten verbonden aan de staatsrechtelijke hervorming Nederlandse Antillen. Het gaat hier om een (structureel) bedrag van € 9,3 mln ten behoeve van de exploitatie van 125 plaatsen.

Opbrengst derden

De opbrengst derden kunnen als volgt worden gespecificeerd:

Opbrengst derden x € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Opbrengsten arbeid

15 489

18 621

23 121

25 801

25 171

25 548

25 548

Opbrengst verdrag België

 

30 000

30 000

30 000

   

Diverse opbrengsten

53 928

72 900

61 379

47 469

46 564

46 564

46 564

Totaal opbrengsten

69 417

121 521

114 500

103 270

71 735

72 112

72 112

Opbrengsten arbeid

Het betreft hier de (bruto) opbrengsten uit de (als regimeactiviteit) verrichte arbeid, zoals die in de rijksinrichtingen plaatsvindt. Aan externe opdrachtgevers wordt geleverd tegen marktprijzen.

Opbrengst verdrag België

Het verdrag regelt dat Nederland tijdelijk de penitentiaire inrichting Tilburg en het daarbij behorende personeel ter beschikking stelt aan België en het gehele beheer van de inrichting tegen betaling blijft verzorgen. Het gaat hier om ten minste 500 detentieplaatsen.

Diverse opbrengsten

De «Diverse opbrengsten» betreffen voornamelijk de opbrengsten van het vreemdelingenvervoer voor de DT&V/IND, de externe dienstverlening (onder andere bijzondere bijstand en ondersteuning), de exploitatievergoeding voor de VN-bewaring en het Internationaal Strafhof, de opbrengst ESF-subsidies en de afrekeningen van verstrekte voorschotten aan particuliere inrichtingen.

De geraamde opbrengsten zijn in 2010 en 2011 incidenteel hoger als gevolg van het tijdelijk beschikbaar stellen van capaciteit ten behoeve van de gesloten jeugdzorg van de Minister voor Jeugd en Gezin.

Rentebaten

Het betreft hier rentebaten als gevolg van een positieve rekening-courant verhouding met het ministerie van Financiën, alsmede rentebaten door van het gebruikmaken van de depositofaciliteit. Bij de berekening is uitgegaan van een gemiddeld percentage van 0,6%.

Lasten

Personele kosten

Met als doel inzicht te geven in de raming en de realisatie van de personele kosten wordt het volgende overzicht gepresenteerd.

DJI heeft als beleid om een deel van het personeel flexibel (d.w.z. inhuur via bijvoorbeeld een uitzendbureau) aan te trekken. De hiermee gemoeide kosten zijn begrepen onder de post «overig personeel».

Personele kosten
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Ambtelijk personeel

       

Gemiddelde loonsom (x € 1,–)

52 578

54 100

54 100

54 100

54 100

54 100

54 100

Aantal fte’s

17 221

16 600

15 865

15 839

15 548

15 730

15 826

P x Q ambtelijk personeel

945 107

898 300

858 100

856 300

841 500

850 400

855 775

Overig personeel

104 692

80 000

47 000

43 000

37 000

33 000

28 000

Totaal (x € 1 000)

1 049 799

978 300

905 100

899 300

878 500

883 400

883 775

Toelichting

In de raming is onder meer rekening gehouden met de inzet van «ingehuurd (extern) personeel» bij de sector Bijzondere Voorzieningen. Opgemerkt wordt dat de raming per 2011 een voorlopig karakter kent. Dat komt omdat de personele consequenties van onder andere de capaciteitsramingen van het Prognosemodel Justitiële Ketens (PMJ), zich nog niet volledig hebben vertaald in een aanpassing van de personele meerjarenraming. Dit geschiedt op basis van concrete plannen van aanpak (onder andere het Masterplan GW).

Materiële kosten

Onder deze post zijn de reguliere exploitatiekosten van DJI begrepen. In het algemeen geldt dat de gepresenteerde reeks min of meer parallel loopt met de ontwikkeling van de capaciteit.

Materiële kosten x € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Huisvesting

276 304

292 283

315 334

325 267

336 149

340 616

344 616

Financiering particuliere inrichtingen

399 461

382 530

383 720

409 485

405 227

399 773

395 739

Inkoopplaatsen forensische zorg

145 977

186 978

197 535

214 104

215 660

214 429

214 454

Overig

325 580

317 252

281 903

276 707

274 737

259 072

255 557

Totaal

1 147 322

1 179 043

1 178 492

1 225 563

1 231 773

1 213 890

1 210 366

De opgenomen reeks voor huisvesting heeft met name betrekking op de aan de Rijksgebouwendienst te betalen kosten van huur en serviceovereenkomsten. De reeks «Financiering particuliere inrichtingen» betreft in hoofdzaak de bekostiging van de particuliere justitiële jeugd- en Tbs-inrichtingen alsmede de Tbs-contractplaatsen in de GGZ en gehandicaptenzorg. Verder is in de tabel rekening gehouden met de kosten verbonden aan de inkoop van forensische zorg in het strafrechtelijke kader.

Onder de post «Overig» zijn onder meer begrepen de kosten van de justitieel ingeslotenen in de rijksinrichtingen (onder andere voeding), (overige) huisvesting (onder andere energie en water), de kosten van de arbeid (onder andere materialen), de inhuur van deskundigen/adviseurs alsmede de overige exploitatiekosten betreffende DJI.

Rentelasten

Voor de vervangings- en uitbreidingsinvesteringen wordt in beginsel een beroep gedaan op de leenfaciliteit van het Ministerie van Financiën. De in dit kader te betalen rente wordt zichtbaar in de staat van baten en lasten en is verdisconteerd in de dagprijs. Uitgegaan is van een gemiddelde rente van 3,7% over de gemiddelde stand van de leningen per jaar.

Afschrijvingen

De afschrijvingsreeks is gebaseerd op de actuele omvang van de vaste activa, rekening houdend met de geplande vervangings- en uitbreidingsinvesteringen. De afschrijvingen vinden stelselmatig plaats, op lineaire basis en volgens voorgeschreven termijnen per activagroep en voorts op basis van de aanname dat de restwaarde (afgezien van uitzonderingen) nul is. De gehanteerde afschrijvingspercentages gaan in beginsel uit van de volgende gemiddelde levensduur:

  • inventaris/installaties 5–10 jaar

  • computerhard- en software 3–5 jaar

  • vervoermiddelen 4–5 jaar

  • overige materiële vaste activa 2–5 jaar

  • immateriële vaste activa 2–5 jaar

Dotaties aan voorzieningen

De jaarlijkse dotaties aan de voorzieningen hebben voornamelijk betrekking op dotaties voor Functioneel Leeftijdsontslag (FLO). In 2011 is tevens rekening gehouden met een bedrag van € 15 mln. in verband met de afkoop boekwaarde van de van de RGD gehuurde panden.

Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht x € 1 000
  

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

1

Rekening Courant RHB 1 januari

84 467

107 703

91 487

82 546

79 542

104 837

127 362

         

2

Totaal operationele kasstroom

91 945

16 425

26 300

25 426

53 500

54 900

54 900

         

3a

Totale investeringen

– 89 446

– 60 000

– 57 000

– 42 000

– 42 000

– 42 000

– 42 000

3b

Totaal boekwaarde desinvesteringen

33 377

      

3

Totaal investeringskasstroom

– 56 069

– 60 000

– 57 000

– 42 000

– 42 000

– 42 000

– 42 000

4a

eenmalige uitkering aan departement

       

4b

eenmalige uitkering door departement

       

4c

aflossing op leningen

– 12 640

– 12 641

– 18 241

– 16 430

– 21 205

– 25 375

– 25 375

4d

beroep op leenfaciliteit

 

40 000

40 000

30 000

35 000

35 000

35 000

4

Totaal financieringskasstroom

– 12 640

27 359

21 759

13 570

13 795

9 625

9 625

         

5

Rekening Courant RHB 31 december

107 703

91 487

82 546

79 542

104 837

127 362

149 887

Toelichting op het kasstroomoverzicht

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het geraamde saldo van baten en lasten gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in de voorzieningen en het werkkapitaal.

Investeringskasstroom

Het betreffen hier de voorgenomen investeringen die worden gepleegd in de materiële vaste activa. In hoofdzaak betreft het investeringen in gebouwelijke voorzieningen, installaties en inventaris alsmede computer hard- en software.

Investeringen 2011

Omschrijving

x € 1 000

Uitbreiding:

 

Verbouw en nieuwbouw

4 500

Inventaris/installaties

2 500

Automatisering

1 000

Vervoermiddelen

400

Overige materiële activa

Subtotaal

8 400

Vervanging:

 

Verbouw en nieuwbouw

25 500

Inventaris/installaties

12 500

Automatisering

8 600

Vervoermiddelen

2 000

Overige materiële activa

Totaal

57 000

Financieringskasstroom

Het saldo van deze reeks heeft betrekking op het voorgenomen beroep op de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën voor investeringen en de hierop betrekking hebbende aflossingen.

Garanties

Garanties x € 1 mln.
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Garantieplafond

       

Uitstaand risico per 1-1

77,2

73,6

56,2

52,9

49,4

45,8

44,5

Vervallen of te vervallen garanties

– 3,6

– 3,8

– 3,3

– 3,5

– 3,6

– 1,3

– 1,4

Verleende of te verlenen garanties

       

Overgedragen garanties aan J&G

 

– 13,6

     

Uitstaand risico per 31-12

73,6

56,2

52,9

49,4

45,8

44,5

43,1

Het feitelijke risico van de verleende garanties aan particuliere jeugdinrichtingen betreft borgstellingen ten behoeve van het restantbedrag van leningen die particuliere inrichtingen zijn aangegaan ter financiering van gebouwen. Zonder garantieverlening was het niet mogelijk tegen gunstige condities leningen bij externe financiers af te sluiten.

In 2010 is een deel van de lopende garantieverplichtingen overgedragen aan de Minister voor Jeugd en Gezin. Deze overdracht vindt plaats in het kader van de scheiding van straf- en civielrechtelijk geplaatste pupillen.

Conform het aangescherpte rijksbeleid worden geen nieuwe garanties ten behoeve van externe geldgevers meer afgegeven. De particuliere JJI’s hebben op vrijwillige basis toegang gekregen tot het geïntegreerd middelenbeheer van het Ministerie van Financiën. Voor de financiering van investeringen kunnen de toegelaten inrichtingen een beroep doen op de leenfaciliteit. Indien een beroep wordt gedaan op de leenfaciliteit staat het Ministerie van Justitie garant voor het nakomen van de verplichting.

Overzicht verplichtingen volgend uit het beroep op de leenfaciliteit Ministerie van Financiën door particuliere JJI’s:

x € 1 mln.

Omschrijving

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Uitstaand risico per 1-1

36,8

75,2

85,1

80,9

76,6

72,2

Vervallen of te vervallen garanties

– 0,6

– 2,1

– 4,2

– 4,3

– 4,4

– 4,5

Verleende of te verlenen garanties

36,8

39,1

12,0

    

Uitstaand risico per 31-12

36,8

75,2

85,1

80,9

76,6

72,2

67,7

Publiek Private Samenwerking (PPS)

x € 1 mln.

Omschrijving

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Detentiecentrum Rotterdam

5,9

8,6

8,6

8,6

8,6

8,6

Justitieel Complex Schiphol

1,8

7,0

7,0

7,0

Penitentiaire inrichting Zaanstad

nnb

nnb

Totaal

5,9

8,6

10,4

15,6

15,6

15,6

Toelichting

Het detentiecentrum Rotterdam is medio 2010 opgeleverd. Vanaf 2011 worden de kosten van het detentiecentrum geraamd op € 8,6 mln. bij een bezetting van 400 gedetineerden. In dit bedrag zijn naast de kosten voor huisvesting ook de kosten voor de verzorging van de gedetineerden opgenomen.

De bouw van het Justitieel Complex Schiphol is in 2010 gegund. In dit complex worden naast een detentiecentrum van DJI ook een aanmeldcentrum (IND) en een rechtbank gehuisvest. De oplevering vindt naar verwachting plaats in het vierde kwartaal 2012. Het aandeel in de kosten voor DJI wordt geraamd op € 7 mln. Ten aanzien van «Zaanstad» kan – gelet op de stand van zaken – nog geen kostenindicatie worden gegeven.

Kengetallen per operationele doelstelling

Capaciteiten en prijzen

Als belangrijkste indicator voor zowel de rijks- als particuliere inrichtingen alsmede de inkoopplaatsen geldt de capaciteitseenheid (plaats, bed) ten behoeve van gedetineerden, pupillen en Tbs-gestelden. Op basis hiervan en aan de hand van de overeengekomen prijs per capaciteitseenheid vindt bekostiging (in termen van p x q) van DJI plaats.

Operationele doelstelling 13.4

Het bestrijden van criminaliteit met een effectieve en doelmatige tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties en maatregelen.

Overzicht intramurale sanctiecapaciteit
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

13 593

12 230

12 539

12 419

12 601

12 815

12 815

– uitvoeringsverschillen

229

126

     

– bijstelling o.g.v. PMJ uitkomsten 2010:

       

– buiten gebruik stellen MPC plaatsen

 

– 84

– 604

– 415

– 610

– 610

– 457

– herstellen omvang strategische reserve

   

413

   

– van reg.cap. naar res.capaciteit 5,1%

   

– 413

   

– versnellen leegstand te sluiten locaties

  

– 208

– 208

   

– nader te bepalen te sluiten locaties

    

– 376

– 376

– 376

– tijdelijk aan te houden capaciteit

    

– 90

– 35

 

– omzetten reg.capaciteit (ivm arr.pol.bur.)

 

– 45

– 45

– 45

– 45

– 45

– 45

– in bewaring gestelden op pol.bureaus

 

45

45

45

45

45

45

Stand ontwerpbegroting 2011

13 822

12 272

11 727

11 796

11 525

11 794

11 982

verdeeld naar:

       

Direct inzetbare capaciteit:

       

– strafrechtelijke sanctiecapaciteit

12 578

11 717

10 963

11 019

10 826

11 030

11 183

– in bewaring gestelden op politiebureaus

64

70

70

70

70

70

70

– capaciteit t.b.v. internationale tribunalen

96

96

114

114

114

114

114

Aan te houden (tijdelijke) capaciteit:

       

– reservecapaciteit

285

389

580

593

515

580

615

– in stand te houden capaciteit

799

      
        

Gemiddelde prijs per plaats/per dag direct

       

inzetbare capaciteit (x € 1,–)

216

231

231

231

231

231

231

        

Totaal kader p x q (x € 1 miljoen)

1 089,7

      

– direct inzetbare capaciteit

 

1 001,6

937,2

944,5

926,3

946,6

959,5

– reservecapaciteit

 

18,5

27,5

28,1

24,4

27,5

29,2

        

Bezettingsgraad (in %) 1

90,4

91,3

91,3

91,3

91,3

91,3

91,3

XNoot
1

Betreft het percentage van de direct inzetbare capaciteit exclusief in bewaring gestelden op politiebureaus

Toelichting

Bovenstaande tabel geeft de meerjarige ontwikkeling in de intramurale sanctiecapaciteit weer. Ten opzichte van de ontwerpbegroting 2010 is de productietaakstelling neerwaarts bijgesteld als gevolg van de verwachte lagere behoefte aan sanctiecapaciteit binnen het gevangeniswezen. Naast de direct inzetbare capaciteit is in de tabel rekening gehouden met de aan te houden (tijdelijke) reserve capaciteit. Het gaat hier om (over)capaciteit die tegen een sterk gereduceerd tarief (gemiddeld € 130,– per plaats/per dag) in het kader van DJI is opgenomen. Indien deze capaciteit toekomstig wederom moet worden ingezet, kan deze op relatief korte termijn operationeel zijn.

Overzicht extramurale sanctiecapaciteit
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

642

697

704

708

719

719

719

– uitvoeringsverschillen

– 27

– 83

     

-beëindigen ED als sanctiemodaliteit

 

– 82

– 163

– 162

– 164

– 164

– 167

– bijstelling o.g.v. PMJ uitkomsten 2010

 

– 6

– 43

– 53

– 57

– 54

– 44

Stand ontwerpbegroting 2011

615

526

498

493

498

501

508

Verdeeld naar:

       

(B)PP met of zonder ET 1

466

435

498

493

498

501

508

ED

149

91

     
        

Gemiddelde prijs per plaats/per dag (x € 1, – )

85

43

43

43

44

44

44

        

Totaal kader p x q (x € 1 miljoen)

19,1

8,3

7,8

7,7

8,0

8,0

8,2

XNoot
1

Het betreft hier het aantal door DJI uitgevoerde penitentiaire programma’s (PP), eventueel in combinatie met een aanvullende maatregel als elektronisch toezicht (ET).

Toelichting

Ten opzichte van de ontwerpbegroting 2010 is de productietaakstelling neerwaarts bijgesteld op grond van de verwachte lagere behoefte aan extramurale capaciteit. Voorts is in de tabel rekening gehouden met de effecten van het in de tweede helft van 2010 beëindigen van ED als sanctiemodaliteit. Het stopzetten leidt tot een hogere bezetting bij de intramurale sanctiecapaciteit.

Overzicht FPC’s/Forensische zorg
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

2 084

2 190

2 223

2 232

2 230

2 230

2 230

– uitvoeringsverschillen

 

– 34

     

– bijstelling o.g.v. PMJ uitkomsten 2010:

       

– nader te bepalen te sluiten locaties/af te stoten

   

– 50

– 100

– 100

– 100

– omzetten reg.cap. naar reserve capaciteit

  

– 73

– 71

– 81

– 148

– 206

– reserve capaciteit

  

73

71

81

148

206

Stand ontwerpbegroting 2011

2 084

2 156

2 223

2 182

2 130

2 130

2 130

Verdeeld naar:

       

Direct inzetbare capaciteit:

       

– rijks Tbs-klinieken

427

427

427

427

427

427

427

– particuliere Tbs-klinieken

1 383

1 456

1 467

1 428

1 366

1 299

1 241

Inkoop GGZ en Gehandicaptenzorg

274

273

256

256

256

256

256

Aan te houden (tijdelijke) reservecapaciteit (part.)

  

73

71

81

148

206

        

Gemiddelde prijs per plaats/per dag direct

       

Inzetbare capaciteit (x € 1,–)

478

480

483

495

496

496

496

        

Totaal kader p x q (x € 1 miljoen)

       

– direct inzetbare capaciteit

363,6

377,7

379,1

381,3

370,7

358,9

348,6

– reservecapaciteit

  

7,5

7,3

8,3

15,2

21,2

        

Bezettingsgraad Justitiële Tbs-klinieken (in %) 1

94,6

91,3

91,3

91,3

91,3

91,3

91,3

XNoot
1

betreft percentage direct inzetbare capaciteit

Toelichting

Op grond van de PMJ uitkomsten 2010 is de capaciteitstaakstelling bijgesteld. Naast de direct inzetbare capaciteit is in de tabel rekening gehouden met de aan te houden (tijdelijke) capaciteit. Het gaat hier om reservecapaciteit die tegen een gereduceerd tarief (gemiddeld € 282,– per plaats/per dag) in het kader is opgenomen.

Overzicht intramurale inkoopplaatsen forensische zorg in het Gevangeniswezen
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

194

700

700

700

700

700

700

– uitvoeringsverschillen

       

Stand ontwerpbegroting 2011

194

700

700

700

700

700

700

        

Gem. prijs per plaats/per dag (x € 1,–)

328

361

362

371

374

374

374

Totaal kaders p x q (x € 1 miljoen)

23,2

92,2

92,6

94,8

95,7

95,6

95,6

Overzicht intramurale inkoopplaatsen forensische zorg in GGZ-instellingen/Gehandicaptenzorg
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

1 038

1 331

1 582

1 582

1 585

1 585

1 585

– uitvoeringsverschillen

– 2

– 72

– 88

    

Stand ontwerpbegroting 2011

1 036

1 259

1 494

1 582

1 585

1 585

1 585

        

Verdeeld naar:

       

Inkoop forensische zorg in strafrechtelijk kader

925

1 011

1 174

1 262

1 262

1 262

1 262

Inkoop forensische zorg voor gedetineerden

111

248

320

320

320

320

320

        

Gem. prijs per plaats/per dag (x € 1,–)

283

290

290

303

306

306

306

        

Totaal kader p x q (x € 1 miljoen)

107,0

133,4

158,4

175,1

177,3

177,2

177,2

Toelichting

De geraamde groei van het aantal intramurale plaatsen zal in 2011 naar verwachting niet volledig kunnen worden gerealiseerd. Compensatie vindt plaats door intensivering van de ambulante zorg. Naast de inkoop van de genoemde intramurale plaatsen, zal voor circa € 40 mln. ambulante zorg worden ingekocht ten behoeve van personen met een strafrechtelijke titel die niet in een justitiële inrichting zijn opgenomen. Dit is per 2010 – als gevolg van de autonome groei van de forensische zorg – circa € 10 mln. meer dan opgenomen in de begroting 2010.

Operationele doelstelling 14.2

Het voorkomen dat jeugdigen delicten plegen èn wanneer zij dat wel doen, niet in herhaling vervallen (het verminderen van recidive).

Overzicht Jeugd-plaatsen
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

1 925

1 523

1 667

1 667

1 667

1 667

1 667

– uitvoeringsverschillen

27

      

– schrappen STP’s als aparte entiteit 1

 

– 41

– 41

– 41

– 41

– 41

– 41

– bijstelling o.g.v. PMJ uitkomsten 2010:

       

– omzetten reguliere capaciteit in res.capaciteit

  

– 300

– 300

– 300

– 300

– 300

– reservecapaciteit

  

300

300

300

300

300

– tijdelijke uitleen capaciteit aan Jeugd en Gezin

 

– 151

– 151

    

Stand ontwerpbegroting 2011

1 952

1 331

1 475

1 626

1 626

1 626

1 626

verdeeld naar:

       

Direct inzetbare capaciteit:

       

– rijks jeugdinrichtingen

990

763

523

598

598

633

633

– particuliere jeugdinrichtingen

865

555

529

639

670

670

670

– inkoopplaatsen (niet justitieel)

28

      

Aan te houden (tijdelijke) capaciteit:

       

– reservecapaciteit

  

300

300

300

300

300

– in stand te houden capaciteit

 

13

123

89

58

23

23

Scholing- en trainingsprogramma’s (STP’s)1

69

      
        

Gemiddelde prijs per plaats/per dag direct

       

inzetbare capaciteit (x € 1,–)

436

514

515

518

518

518

518

Gemiddelde prijs per plaats/per dag STP’s1

32

      
        

Totaal kader p x q (x € 1 miljoen)

       

– direct inzetbare capaciteit

299,7

247,4

197,7

234,0

239,5

246,2

246,1

– reserve capaciteit

  

15,7

15,7

15,8

15,7

15,7

– in stand te houden capaciteit

 

0,7

6,5

4,7

3,0

1,2

1,2

– STP’s1

0,8

      
        

Bezettingsgraad ( in %) 2

67,4

90,0

90,0

90,0

90,0

90,0

90,0

XNoot
1

met ingang van 2010 worden de STP’s – gelet op het financiële belang – niet langer als aparte entiteit opgenomen. De hiermee gemoeide kosten zijn via een opslag opgenomen in de gemiddelde prijs per plaats/per dag direct inzetbare capaciteit.

XNoot
2

Betreft percentage direct inzetbare capaciteit.

Toelichting

Bovenstaande tabel geeft de meerjarige ontwikkeling van het aantal plaatsen in JJI’s weer. Ten opzichte van de ontwerpbegroting 2010 is de samenstelling van de productietaakstelling gewijzigd als gevolg van de verwachte lagere behoefte aan strafrechtelijke capaciteit. De lagere behoefte wordt veroorzaakt door een daling van de instroom van strafrechtelijke jeugdigen in combinatie met de beëindiging van plaatsing van civielrechtelijke jeugdigen. Volgens het Prognosemodel Justitiële Ketens 2010 (PMJ) loopt het overschot aan JJI-capaciteit, zijnde het verschil tussen de beschikbare capaciteit en de uitkomsten van de PMJ 2010 op. Om vraag en aanbod meer met elkaar in evenwicht te brengen, wordt een Toekomstplan opgesteld waarin een visie op flexibel capaciteitsmanagement en capacitaire maatregelen om het overschot af te bouwen, zijn opgenomen. Naast de direct inzetbare capaciteit is in de tabel rekening gehouden met de aan te houden capaciteit. Het gaat hier om (over)capaciteit die tegen een sterk gereduceerd tarief (gemiddeld € 144,– per plaats/per dag) in het kader van DJI is opgenomen. Indien deze capaciteit toekomstig wederom moet worden ingezet, kan deze op relatief korte termijn operationeel zijn. Ten aanzien van de in stand te houden capaciteit geldt eveneens een tarief van € 144,– per plaats/per dag.

Operationele doelstelling 15.3

Een effectieve en zorgvuldige uitvoering van het vreemdelingentoezicht, grenstoezicht en terugkeerbeleid, opdat een vreemdeling die niet of niet meer rechtmatig in Nederland verblijft, Nederland zelfstandig of gedwongen verlaat.

Overzicht capaciteit vreemdelingenbewaring
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

2 185

2 181

2 181

2 181

2 181

2 181

2 181

– uitvoeringsverschillen

       

– bijstelling o.g.v. PMJ uitkomsten 2010:

       

– omzetten in bew. gestelden op pol.bureaus

 

– 20

– 20

– 20

– 20

– 20

– 20

– vreemdelingenbewaring (art. 59 Vw)

 

20

20

20

20

20

20

– omz. in stand te houden cap. korte termijn

 

– 274

– 370

– 370

– 370

– 370

– 370

– omz. in stand te houden cap. lange termijn

 

274

370

370

370

370

370

Stand ontwerpbegroting 2011

2 185

2 181

2 181

2 181

2 181

2 181

2 181

verdeeld naar:

       

Direct inzetbare capaciteit:

       

– vrijheidsbeneming (art. 6 Vw)

96

196

168

168

168

168

168

– vreemdelingenbewaring (art. 59 Vw)

1 648

1 564

1 357

1 357

1 357

1 357

1 357

– in bewaring gestelden op politiebureaus

25

5

5

5

5

5

5

Aan te houden (tijdelijke) capaciteit:

       

– reservecapaciteit

102

102

102

102

102

102

102

– in stand te houden cap. korte termijn inzetbaar

314

40

179

179

179

179

179

– in stand te houden cap. lange termijn inzetbaar

 

274

370

370

370

370

370

        

Gemiddelde prijs per plaats/per dag direct

       

inzetbare capaciteit (x € 1,–)

170

197

197

197

197

197

197

        

Totaal kader p x q (x € 1 miljoen)

135,6

      

– direct inzetbare capaciteit

 

126,9

110,0

110,3

110,3

110,2

110,2

– reservecapaciteit

 

4,9

4,9

4,9

4,9

4,9

4,9

– in stand te houden cap. korte termijn inzetbaar

 

1,1

5,0

5,0

5,0

5,0

5,0

– in stand te houden cap. lange termijn inzetbaar

 

2,2

2,2

2,2

2,2

2,2

2,2

        

Bezettingsgraad ( in %) 1

72,6

91,3

91,3

91,3

91,3

91,3

91,3

XNoot
1

Als percentage van de direct inzetbare capaciteit exclusief in bewaring gestelden politiebureaus.

Toelichting

Ten opzichte van de ontwerpbegroting 2010 is de samenstelling van de productietaakstelling gewijzigd als gevolg van de verwachte lagere behoefte aan capaciteit. Naast de direct inzetbare capaciteit is in de tabel rekening gehouden met de reservecapaciteit. Het gaat hier om capaciteit die tegen een sterk gereduceerd tarief (gemiddeld € 132,– per plaats/per dag) in het kader van DJI is opgenomen. Deze capaciteit bestaat uit snel in te zetten reserveplaatsen. Ten aanzien van de in stand te houden capaciteit korte en lange termijn geldt een tarief van respectievelijk € 76,– en € 17,– per plaats/per dag.

Overzicht capaciteit uitzetcentra
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Stand ontwerpbegroting 2010

596

600

600

600

600

600

600

– uitvoeringsverschillen

       

Stand ontwerpbegroting 2011

596

600

600

600

600

600

600

verdeeld naar:

       

Direct inzetbare capaciteit:

       

– uitzetcentra

482

486

421

421

421

421

421

Aan te houden (tijdelijke) capaciteit:

       

– reservecapaciteit

28

28

28

28

28

28

28

– in stand te houden cap. korte termijn inzetbaar

86

86

151

151

151

151

151

        

Gemiddelde prijs per plaats/per dag direct

       

inzetbare capaciteit (x € 1,–)

170

197

197

197

197

197

197

        

Totaal kader p x q (x € 1 miljoen)

37,0

      

– direct inzetbare capaciteit

 

34,9

30,2

30,3

30,3

30,3

30,3

– reservecapaciteit

 

1,3

1,3

1,3

1,3

1,3

1,3

– in stand te houden cap. korte termijn inzetbaar

 

2,4

4,2

4,2

4,2

4,2

4,2

Toelichting

Naast de direct inzetbare capaciteit is in de tabel rekening gehouden met de reservecapaciteit. Het gaat hier om capaciteit die tegen een sterk gereduceerd tarief (gemiddeld € 132,– per plaats/per dag) in het kader van DJI is opgenomen. Indien deze capaciteit toekomstig wederom moet worden ingezet, kan deze op relatief korte termijn operationeel zijn. Ten aanzien van de in stand te houden capaciteit geldt een tarief van € 76,– per plaats/per dag.

03 Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB)

Het CJIB levert een bijdrage aan de operationele doelstelling 13.4

«Het bestrijden van criminaliteit met een effectieve en doelmatige tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties en maatregelen». In dit kader is het CJIB verantwoordelijk voor het afhandelen, innen en coördineren van opgelegde financiële straffen, sancties, transacties, strafbeschikkingen en maatregelen. Naast zijn reguliere taken binnen het Justitie domein, worden ook voor andere organisaties binnen de Rijksoverheid innings- en incassoactiviteiten uitgevoerd. Daarnaast is het CJIB aangewezen als centrale autoriteit bij de executie van buitenlandse geldelijke sancties in Nederland.

Meerjarige begroting van baten en lasten (x € 1000)

Meerjarige begroting van baten en lasten (x € 1000)
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Baten

       

Opbrengst moederdepartement

88 655

32 456

28 340

7 285

5 960

5 420

5 420

Opbrengst overige departementen

6 344

12 633

13 700

11 909

11 909

11 909

11 909

Opbrengst derden

15 143

63 624

70 601

111 324

114 778

115 667

116 513

Rentebaten

188

50

50

50

50

50

50

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

        

Totaal baten

110 330

108 762

112 692

130 568

132 697

133 046

133 892

        

Lasten

       

Apparaatskosten

       

Personele kosten

52 378

53 286

52 705

60 620

62 310

62 709

63 081

Materiële kosten

40 828

35 622

38 959

45 789

45 816

45 637

45 987

Gerechtskosten

6 537

13 114

14 077

16 145

16 354

16 438

16 518

Rentelasten

1 418

1 102

985

1 163

1 197

1 205

1 213

Afschrijvingskosten

       

Materieel

4 326

1 206

1 292

1 512

1 551

1 561

1 569

Immaterieel

6 089

3 427

3 671

4 336

4 464

4 494

4 523

Dovergelden

1 195

1 005

1 003

1 003

1 003

1 003

1 003

Overige kosten

       

Dotaties voorzieningen

2

0

0

0

0

0

0

Bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

112 773

108 762

112 692

130 568

132 697

133 047

133 893

        

Saldo van baten en lasten

– 2 443

0

0

0

0

0

0

Baten

Opbrengst moederdepartement

De onder deze post vermelde baten sluiten aan bij de in het budgettaire kader beschikbare middelen, eventueel verhoogd met aanvullend beschikbaar gestelde middelen vanuit de Justitiebegroting.

Opbrengst moederdepartement
 

boete vonnissen

transacties

OM-afdoening

vrijheidsstraffen

taakstraffen

schadevergoedingsmaatregelen

ontnemingsmaatregelen

diversen

totaal

P (x € 1,–)

€ 48,94

€ 13,67

€ 42,14

€ 58,70

€ 31,33

€ 348,91

€ 2 245,64

  

Q (stuks)

130 523

155 472

277 983

18 335

30 260

9 563

778

  

P x Q (x € 1000)

6 388

2 126

11 714

1 076

948

3 337

1 748

1 003

28 340

Opbrengst overige departementen

Dit betreffen de opbrengsten van andere overheidsorganisaties voor de inning van bestuurlijke boetes. Voorts int het CJIB voor het Ministerie van VROM ten onrechte uitgekeerde huursubsidies en voor het Ministerie van VWS de inning en incasso van de zorgpremie bij wanbetalers.

Opbrengst derden

Vanaf 2010 is de financiering van de WAHV-sancties volledig afkomstig van aan de burger in rekening gebrachte administratiekosten. Het tarief voor de administratiekosten bedraagt € 6,– per WAHV-sanctie. Deze opbrengsten worden hier verantwoord. Vanaf 2012 zal voor de producten boetevonnissen, transacties en strafbeschikkingen de financiering eveneens afkomstig zijn van aan de burger in rekening gebrachte administratiekosten. Het tarief moet nog worden vastgesteld; er wordt uitgegaan van een kostendekkend tarief.

Rentebaten

Voor het jaar 2011 wordt rekening gehouden met een renteopbrengst van € 50 000,– over de stand van de rekening-courant.

Lasten

Personele kosten

Onderstaand een opgave van het aantal fte’s en de kosten van het actief personeel. Het CJIB heeft als beleid om een deel van zijn personeel flexibel (inhuurconstructie via een uitzendbureau) aan te trekken.

Personele kosten x € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Ambtelijk personeel

       

kosten

42 556

48 916

49 905

51 331

51 541

51 967

52 387

aantal fte

804

924

943

970

974

982

990

        

Overige personele kosten

       

kosten

18 163

8 088

5 645

10 829

12 109

11 677

11 218

        

Postactief personeel

       

Dotatie voorziening post actief personeel

2

0

0

0

0

0

0

        

Totale kosten

52 378

53 286

52 705

60 620

62 310

62 709

63 081

In de opgave van het postactief personeel zijn de medewerkers die gebruik maken van de Remkes-regeling niet meegenomen. Voor de kosten hiervan is een voorziening getroffen.

Materiële kosten

Onder deze post zijn alle reguliere exploitatiekosten van het CJIB opgenomen. Het betreffen de volgende kostensoorten:

Materiële kosten x € 1 000

print- en mailservice

8 400

GBA/KvK-kosten

400

gebruikersvergoedingen huisvesting

5 800

exploitatiekosten huisvesting

3 400

werkplekgebonden kosten

2 300

kosten betalingsverkeer

1 750

ICT-onderhoud en -service

3 750

systeemvernieuwing

10 500

diverse materiële kosten

2 659

  

Totaal

38 959

Gerechtskosten

Dit betreffen onder meer de kosten voor de inschakeling van gerechtsdeurwaarders in het incassotraject met betrekking tot de OM-producten. Sinds 2009 int het CJIB voor het Ministerie van VWS de zorgpremie bij wanbetalers. Ook bij de incasso hiervan worden gerechtsdeurwaarders ingezet.

Rentelasten

Dit betreft de te betalen rente in 2011 als gevolg van het beroep op de leenfaciliteit van het Ministerie van Financiën ten behoeve van investeringen in (im)materiële vaste activa. De gemiddelde rente over de stand van de leningen bedraagt 4%.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingsbedragen zijn bepaald volgens een consistente gedragslijn (zelfde termijnen als voorgaande jaren). Afschrijvingen geschieden lineair en tijdsevenredig over het jaar. De afschrijvingstermijnen sluiten aan op de richtlijnen die zijn vastgelegd in het Handboek Financiële Informatie en Administratie Rijksoverheid.

Activa x € 1 000
 

Afschrijvingstermijn

Bedrag

Immateriële vaste activa

5 jaar

3 671

   

Materiële vaste activa

  

Hardware

3 resp. 5 jaar

699

Software

3 resp. 5 jaar

149

Inventarissen

7,5 resp. 10 jaar

228

Apparatuur

3 resp. 5 jaar

5

Verbouwingen

10 jaar

211

 

(subtotaal)

1 292

  

4 963

Dotaties aan voorzieningen

Dotaties aan voorzieningen worden niet voorzien. Wel zal jaarlijks worden beoordeeld of het saldo van de voorziening voor de FPU-regeling voldoende is voor de verplichtingen voor de komende jaren. Op basis hiervan zal een dotatie ten gunste dan wel vrijval ten laste van de voorziening worden geboekt.

Doelmatigheid

Een belangrijke indicator voor de doelmatigheid is de kostprijs per product in combinatie met kwaliteitsindicatoren. Belangrijke kwaliteitsindicatoren voor het CJIB zijn de innings- en afdoeningspercentages.

Doelmatigheid
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

WAHV-sancties

      

Tarief

€ 6,00

€ 6,00

€ 6,00

€ 6,00

€ 6,00

€ 6,00

% geïnde zaken binnen 1 jaar

95%

95%

95%

95%

95%

95%

Boetevonnissen

      

Kostprijs

48,94

48,94

48,94

48,94

48,94

48,94

% afgedane OH-zaken binnen 1 jaar

70%

70%

70%

70%

70%

70%

Transacties

      

Kostprijs

€ 13,67

€ 13,67

€ 13,67

€ 13,67

€ 13,67

€ 13,67

% geïnde zaken binnen 1 jaar

65%

65%

65%

65%

65%

65%

OM-afdoeningen

      

Kostprijs

€ 42,14

€ 42,14

€ 42,14

€ 42,14

€ 42,14

€ 42,14

Vrijheidsstraffen 1

      

Kostprijs

€ 58,70

€ 58,70

€ 58,70

€ 58,70

€ 58,70

€ 58,70

Taakstraffen1

      

Kostprijs

€ 31,33

€ 31,33

€ 31,33

€ 31,33

€ 31,33

€ 31,33

schadevergoedingsmaatregelen

      

Kostprijs

€ 348,91

€ 348,91

€ 348,91

€ 348,91

€ 348,91

€ 348,91

% afgedane zaken binnen 3 jaar

84%

84%

84%

84%

84%

84%

Ontnemingsmaatregelen

      

Kostprijs

€ 2 245,64

€ 2 245,64

€ 2 245,64

€ 2 245,64

€ 2 245,64

€ 2 245,64

% afgedane A-zaken binnen 3 jaar

60%

60%

60%

60%

60%

60%

% afgedane B-zaken binnen 10 jaar

80%

80%

80%

80%

80%

80%

XNoot
1

Voor vrijheidsstraffen en taakstraffen zijn er geen kwaliteitsindicatoren die direct aan de activiteiten van het CJIB zijn te koppelen. De taak van het CJIB is de administratieve regie (coördinatie) op de betreffende ketenprocessen

Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht x € 1 000
  

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

1.

Rekening courant RHB 1 januari (plus stand depositorekeningen)

30 821

– 227

9 455

5 338

1 852

2 806

2 456

         

2.

Totaal operationele kasstroom

– 15 615

17 825

4 963

5 849

11 316

6 055

6 091

         

3a.

Totaal investeringen

– 7 020

– 13 693

– 5 625

– 10 797

– 5 125

– 5 075

– 4 500

3b.

Totaal boekwaarde desinvesteringen

97

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

– 6 923

– 13 693

– 5 625

– 10 797

– 5 125

– 5 075

-4 500

         

4a.

Eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

4b.

Eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

4c.

Aflossingen op leningen

– 8 510

– 8 144

– 9 079

– 9 335

– 10 362

– 6 404

-6 539

4d.

Beroep op leenfaciliteit

0

13 693

5 625

10 797

5 125

5 075

4 500

4.

Totaal financieringskasstroom

– 8 510

5 549

– 3 454

1 462

– 5 237

– 1 329

-2 039

         

5.

Rekening courant RHB 31 december (plus stand depositorekeningen)

– 227

9 455

5 338

1 852

2 806

2 456

2 008

Toelichting op kasstroomoverzicht

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het geraamde saldo van baten en lasten gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in de voorzieningen en het werkkapitaal.

Investeringskasstroom

De investeringen betreffen de voorgenomen vervangings- en uitbreidingsinvesteringen in 2011.

Voor 2011 zijn de volgende investeringen gepland:

Investeringen x € 1 000

inventaris/installaties

vervanging

25

hardware

uitbreiding

3 100

software

uitbreiding

2 500

  

5 625

Financieringskasstroom

Dit betreffen de kasstromen die voortvloeien uit het voorgenomen beroep op de leenfaciliteit van het Ministerie van Financiën ten behoeve van de investeringen en de hierop betrekking hebbende aflossingen.

Rekening-courant

De daling van de rekening-courant wordt veroorzaakt door een afroming van de liquide middelen in 2009 door het moederdepartement in het kader van een efficiënter kasbeheer en vorderingen van het CJIB op het moederdepartement.

04 Nederlands Forensisch Instituut

Het NFI draagt bij aan de operationele doelstelling 13.3 «Handhaving en vervolging» door middel van het leveren van kwalitatief hoogstaand forensisch onderzoek ten behoeve van de partners in de strafrechtketen. De drie kernproducten daarbij zijn het uitvoeren van onderzoek op overwegend technisch, medisch-biologisch en natuurwetenschappelijk terrein, het doen van onderzoek naar nieuwe methoden en technieken en het overdragen van kennis op het gebied van forensisch- en wetenschappelijk onderzoek.

Meerjarige begroting van baten en lasten

Meerjarige begroting van baten en lasten x € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Baten

       

Opbrengst moederdepartement

68 941

66 046

71 621

72 677

72 115

71 897

71 904

Opbrengst derden

4 032

1 883

1 157

652

2 504

3 513

3 976

Rentebaten

86

95

111

116

120

130

128

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal Baten

73 059

68 024

72 889

73 444

74 739

75 540

76 007

        

Lasten

       

Apparaatskosten

       

– Personele kosten

37 514

35 109

38 060

38 440

38 825

39 213

39 605

– Materiële kosten

31 152

28 166

28 488

29 198

29 932

30 692

31 479

Rentelasten

664

734

574

552

572

580

600

Afschrijvingskosten

       

– Materieel

4 690

5 659

5 767

5 255

5 410

5 055

4 323

– Immaterieel

       

Overige kosten

       

– Dotaties voorzieningen

103

0

0

0

0

0

0

– Bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

74 123

69 668

72 889

73 445

74 739

75 540

76 007

        

Saldo van baten en lasten

– 1 064

– 1 644

0

0

0

0

0

Baten

Opbrengst moederdepartement

De opbrengst van het moederdepartement 2011 is inclusief toegekende middelen voor onderzoekscapaciteit, terrorisme en forensisch assistenten en is als volgt opgebouwd:

Opbrengst moederdepartement x € 1 000
 

2011

Productiebudget (a)

58 810

Projecten (b)

12 811

Totaal

71 621

Opbouw opbrengst moederdepartement
 

Aantal 2011

Prijs 2011 in €

a. Forensisch onderzoek (aantal)

84 969

692

b. Research & Development (uren)

79 292

nvt

c. Kennis & Expertise

28 281

nvt

De prijs van de producten voor forensisch onderzoek betreffen voorcalculatorische gemiddelden.

Opbrengst derden

Het beëindigen van FES-projecten zorgt voor een substantiële verlaging van de opbrengst derden. De verwachting dat het NFI de komende jaren in toenemende mate bepaald werk voor derden zal gaan verrichten leidt tot een verhoging van de opbrengsten. Deze afzonderlijke ontwikkelingen compenseren elkaar.

Rentebaten

De rentebaten betreft de rente van deposito’s bij het Ministerie van Financiën. Het rentepercentage voor termijndeposito’s (1 tot en met 12 maanden) is circa 1,5%.

Lasten

Personele kosten x € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Ambtelijk personeel

       

Kosten

35 805

35 054

38 005

38 385

38 770

39 158

39 550

Aantal fte’s

516

516

560

560

560

560

560

Overige personele kosten

       

Kosten

1 606

55

55

55

55

55

55

Aantal fte’s

Nb

      
        

Postactief personeel

       

Dotatie voorziening post actief personeel

103

0

0

0

0

0

0

Aantal fte’s

8

6

5

5

3

3

3

Totale kosten

37 514

35 109

38 060

38 440

38 825

39 213

39 605

Personele kosten

De groei van het aantal fte’s vanaf 2008 vloeit vooral voort uit het Programma Veiligheid begint bij Voorkomen. In de ontwikkeling van het aantal fte’s is rekening gehouden met een volledige invulling van de overeengekomen personele taakstelling.

Omdat in eerdere jaren een voorziening voor wachtgeld en een voorziening voor FPU is gevormd zijn er geen kosten voor postactief personeel opgenomen in 2010 tot en met 2015.

Materiële kosten x € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Huisvestingskosten

10 586

9 866

9 914

10 063

10 214

10 367

10 522

Huur

7 883

8 041

8 062

8 183

8 305

8 430

8 556

Beveiliging

698

712

723

734

745

756

767

Overige huisvestingskosten

2 004

1 113

1 129

1 146

1 164

1 181

1 199

Bureaukosten

1 890

1 882

1 911

1 939

1 968

1 998

2 028

Onderhoud en expl bedrijfsmiddelen

4 965

4 885

4 958

5 033

5 108

5 185

5 263

Laboratoriumkosten

6 849

7 228

7 336

7 446

7 558

7 671

7 786

Kosten deskundigen

4 419

1 843

1 871

1 899

1 927

1 956

1 985

Overige exploitatiekosten

2 443

2 462

2 498

2 818

3 157

3 515

3 895

Totaal

31 152

28 166

28 488

29 198

29 932

30 692

31 479

Materiële kosten

Het niveau van de materiële kosten is geraamd op basis van de planning 2010 en de afloop van projecten. De materiële kosten in 2010 zijn lager dan in 2009; dit komt met name door inhuur van minder externen. De materiële kosten lopen iets op in de periode 2011–2015; dit heeft te maken met prijsontwikkelingen.

Rentelasten

De rentelasten vloeien voort uit de leningen die nodig zijn voor de aanschaf van de materiële vaste activa. Voor 2011 wordt voor de nieuwe leningen uitgegaan van een gemiddeld rentepercentage van circa 4%.

Afschrijvingskosten x € 1 000
 

Afschrijvingstermijn

Afschrijvingskosten

Soort

  

Installaties

15

445

Meubilair

10

731

Kantoormachines

5

1

Audio-visuele middelen

5

92

Laboratoriumapparatuur

7

2 418

Overige inventaris

5

209

Werkplek hardware

3

1 208

Technische infrastructuur hardware

3

83

Netwerk

3

3

Motorvoertuigen

5

90

Overige vervoermiddelen

5

487

Totaal

 

5 767

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten zijn bepaald volgens een consistente gedragslijn met dezelfde afschrijvingstermijnen als voorgaande jaren. Alleen voor gebouwgebonden installaties (temperatuurreguleringssysteem, wapenkluizen en dergelijke) is de afschrijvingstermijn per 1 januari 2006 met goedkeuring van het Ministerie van Financiën gewijzigd van 5 naar 15 jaar.

Afschrijvingen geschieden lineair en tijdsevenredig over het jaar. Het NFI hanteert een grens van € 2 000,– bij het activeren van investeringen. De afschrijvingstermijnen sluiten aan op de richtlijnen die zijn vastgelegd in het Handboek Financiële Informatie en Administratie Rijksoverheid. Het NFI hanteert de bovenstaande afschrijvingstermijnen.

Saldo van baten en lasten

Het negatieve saldo in 2010 wordt gedekt uit de exploitatiereserve. Het kostenreductietraject dat in verband hiermee is ingezet door het NFI beoogt dat vanaf 2011 de baten weer toereikend zullen zijn voor de dekking van de kosten.

Doelmatigheid

In 2009 is voor het eerst met succes gewerkt met een Service Level Agreement (SLA) tussen het NFI en politie en OM voor zaakonderzoek. Doel van de SLA is de afstemming tussen vraag en aanbod te verbeteren.

Naast het maken van betere afspraken tussen NFI en haar opdrachtgevers is het ook van belang dat het NFI in 2011 voortgaat op de weg van verdere verbetering van productieprocessen.

In onderstaande tabel wordt inzicht gegeven in de beschikbare productiecapaciteit (productiebudget) van de verschillende productgroepen van het NFI.

Doelmatigheid NFI
 

2011

2012

2013

2014

2015

Digitale Technology en Biometrie

     

Aantal

1 467

1 503

1 496

1 490

1 491

Kostprijs

6 916

6 916

6 916

6 916

6 916

Omzet (p * q * € 1 000)

10 145

10 398

10 346

10 308

10 310

      

Frontoffice

     

Aantal

254

261

259

258

258

Kostprijs

8 639

8 639

8 639

8 639

8 639

Omzet (p * q * € 1 000)

2 196

2 251

2 239

2 231

2 231

      

Fysische en Chemische Technologie

     

Aantal

1 173

1 203

1 197

1 192

1 193

Kostprijs

5 478

5 478

5 478

5 478

5 478

Omzet (p * q * € 1 000)

6 429

6 589

6 556

6 532

6 533

      

Humane Biologische Sporen

     

Aantal

69 281

71 010

70 655

70 398

70 406

Kostprijs

265

265

265

265

265

Omzet (p * q * € 1 000)

18 331

18 789

18 695

18 627

18 629

      

Micosporen

     

Aantal

1 414

1 449

1 442

1 437

1 437

Kostprijs

5 864

5 864

5 864

5 864

5 864

Omzet (p * q * € 1 000)

8 291

8 498

8 455

8 424

8 425

      

Pathologie/Toxicologie

     

Aantal

6 423

6 584

6 551

6 527

6 528

Kostprijs

1 442

1 442

1 442

1 442

1 442

Omzet (p * q * € 1 000)

9 261

9 492

9 445

9 411

9 412

      

Verdovende Middelen

     

Aantal

4 957

5 080

5 055

5 036

5 037

Kostprijs

839

839

839

839

839

Omzet (p * q * € 1 000)

4 158

4 261

4 240

4 225

4 225

      

Totaal

     

Aantal

84 969

87 090

86 654

86 339

86 349

Kostprijs

692

692

692

692

692

Omzet (p * q * € 1 000) 1

58 810

60 278

59 976

59 758

59 765

      

Het aantal fte’s (exclusief externe inhuur) werkzaam bij de baten-lastendienst

560

560

560

560

560

      

Eind werkvoorraad 2

3 100

3 100

3 100

3 100

3 100

Gemiddelde levertijd (in kalenderdagen)

38

38

38

38

38

% op tijd

90%

90%

90%

90%

90%

XNoot
1

Productiebudget moederdepartement

XNoot
2

Afgeronde cijfers

Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht x € 1 000
  

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

1

Rekening Courant RHB 1 januari

11 637

5 789

6 920

7 832

7 593

8 462

8 898

         

2

Totaal operationele kasstroom

514

5 659

5 767

5 255

5 410

5 055

4 323

         

3a

totaal investeringen

– 3 974

– 5 730

– 4 643

– 4 163

– 3 724

– 3 781

– 3 794

3b

Totaal boekwaarde desinvesteringen

50

      

3

Totaal investeringskasstroom

– 3 924

– 5 730

– 4 643

– 4 163

– 3 724

– 3 781

– 3 794

         

4a

Eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

4b

Eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

4c

Aflossingen op leningen

– 5 118

– 4 527

– 4 855

– 5 494

– 4 541

– 4 619

– 5 021

4d

Beroep op leenfaciliteit

2 680

5 730

4 643

4 163

3 724

3 781

3 794

4

Totaal financieringskasstroom

– 2 438

1 203

– 212

– 1 331

– 817

– 838

– 1 227

         

5

Rekening courant RHB 31 december

5 789

6 920

7 832

7 593

8 462

8 898

8 199

Toelichting

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het geraamde saldo van baten en lasten, gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in de voorziening en het werkkapitaal.

Investeringskasstroom

Van de € 4,6 mln. investeringen voor 2011 is ongeveer € 3,8 mln. vervangingsinvesteringen. De rest (€ 0,8 mln.) betreft uitbreidingsinvesteringen. De vervangingsinvesteringen zijn van essentieel belang voor de continuïteit van de bedrijfsvoering. De uitbreidingsinvesteringen zijn vooral bedoeld voor de realisatie van de CBRNE-responscapaciteit. In 2011 zijn de volgende investeringen gepland:

Investeringen 2011 x € 1 000

Kantoormachines

13

Audio-visuele middelen

57

Laboratoriumapparatuur

1 869

Overige inventaris

1 038

Werkplek hardware

1 666

Totaal

4 643

Financieringskasstroom

Dit betreffen de kasstromen die voortvloeien uit het beroep op de leenfaciliteit van het Ministerie van Financiën voor investeringen, de aflossingen op de leenfaciliteit en de eenmalige uitkering aan moederdepartement.

05 Justitiële Uitvoeringsdienst Toetsing, Integriteit, Screening (JUSTIS)

Justis is de screeningsautoriteit op het gebied van integriteit van het Ministerie van Justitie. Integriteit is een maatstaf om betrouwbaarheid en kwaliteit van het functioneren van personen en organisaties te beoordelen. Justis toetst of personen relevante antecedenten hebben die het uitoefenen van een bepaald beroep of werk in de weg staan. Daarnaast toetst Justis of partijen die bepaalde verklaringen, vergunningen en subsidies aanvragen, aan integriteitseisen voldoen. Deze screening van betrouwbaarheid vermindert veiligheidsrisico’s en draagt zo bij aan een meer integere en veiligere samenleving. Ook voert Justis de regelgeving op het gebied van naamswijziging en gratie uit.

Justis levert een bijdrage aan de beleidsartikelen 13.1, 13.3 en 13.4.

Meerjarige begroting van baten en lasten

Meerjarige begroting van baten en lasten x € 1 000
 

Realisatie 2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Baten

       

Opbrengst moederdepartement

7 386

7 754

10 759

11 440

11 331

11 222

11 223

Opbrengst derden

19 456

20 579

21 397

20 391

21 155

21 835

21 719

Rentebaten

10

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

26 852

28 333

32 156

31 831

32 486

33 057

32 942

        

Lasten

       

Apparaatskosten

       

Personele kosten

14 044

16 040

15 806

16 124

16 376

16 561

16 561

Materiële kosten

10 713

10 805

14 860

13 272

13 272

13 272

13 272

Rentelasten

16

151

244

370

373

359

244

Afschrijvingskosten

       

Materieel

160

1 337

1 246

2 065

2 465

2 865

2 865

Overige kosten

       

Dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

24 933

28 333

32 156

31 831

32 486

33 057

32 942

        

Saldo van baten en lasten

1 919 1

0

0

0

0

0

0

XNoot
1

Het onverdeelde resultaat zal in 2010 als volgt worden verdeeld: € 209 000 zal worden toegevoegd aan het exploitatieresultaat, € 1 710 000 zal eenmalig worden uitgekeerd aan het moederdepartement.

Toelichting op meerjarige begroting van baten en lasten

Justis kent een aantal financieringsbronnen:

  • bijdrage door het moederdepartement voor producten waarvoor geen of geen kostendekkende leges (kan) worden geheven;

  • leges die worden geheven voor (een aantal van haar) producten; in de post «opbrengst derden» is rekening gehouden met de invoering van Herziening Toezicht Rechtspersonen (HTR) met ingang van 2011. In samenhang met de invoering van HTR zal het werkproces Verklaring van Geen Bezwaar (VvGB) vervallen en daarmee ook de (leges)opbrengsten. In de begroting is hier door middel van een stelpost rekening mee gehouden. Randvoorwaarde is dat het totaal van de leges opbrengsten bij de dienst Justis niet hoger is dan het totaal van de kosten.

Baten

Opbrengst moederdepartement

De opbrengst moederdepartement betreft de geraamde bekostiging van de producten waarvoor geen of geen kostendekkende leges worden geheven.

Product x € 1 000

Gratie

1 020

GSR (Garantstellingregeling)

739

HTR

3 500

BIBOB

4 000

WPBR, BOA en WWM

1 500

Totaal

10 759

Opbrengst derden

Deze geraamde opbrengsten betreffen de bij derden in rekening te brengen leges voor onderstaande producten.

Product
 

P x Q

 
 

aantal

leges

x € 1 000

Klantgroep

Verklaring van Geen Bezwaar (VvGB)

0

90,76

0

notarissen namens bedrijfsleven

Naamswijziging (NM)

2 250

487,50

1 097

particulieren

BIBOB

350

500,00

175

decentrale overheden

Verklaring omtrent het Gedrag (VOG NP)

520 000

22,55

11 726

particulieren, bedrijfsleven

Verklaring omtrent het Gedrag (VOG RP)

7 000

147,50

1 032

particulieren, bedrijfsleven

Verklaring omtrent het Gedrag Integriteitverklaring Beroepsgoederen Vervoer (IVB)

6 000

147,50

885

particulieren, bedrijfsleven

Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus (WPBR; vergunningen)

700

479,00

335

bedrijfsleven

Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus (WPBR; leidinggevenden)

1 100

58,00

64

bedrijfsleven

Wet Wapens en Munitie (WWM)

240

50,00

12

bedrijfsleven

Extra leges van diverse producten in verband met invoering Herziening Toezicht Rechtspersonen (HTR)

nnb

nnb

6 071

nnb

     

Totaal

  

21 397

 

De legesprijs voor Verklaring omtrent het Gedrag voor de Integriteitverklaring Beroepsgoederen Vervoer (IVB) is (nog) niet (wettelijk) vastgesteld. Bij het opstellen van de meerjarenbegroting is voorlopig rekening gehouden met een legesprijs die gelijk aan de Verklaring Omtrent het Gedrag Rechtspersonen. Het is mogelijk dat bij het in werking treden van IVB een andere legesprijs wordt vastgesteld.

Lasten

Personele kosten

Personele kosten x € 1 000
 

Realisatie 2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Ambtelijk personeel

       

gemiddelde loonsom

54

59,8

61,4

61,4

61,4

61,4

61,4

aantal fte’s

219

247,9

240

245

249

252

252

Loonsom ambtelijk personeel

11 836

14 822

14 744

15 061

15 313

15 498

15 498

        

Overig personeelskosten

2 208

1 519

1 062

1 063

1 063

1 063

1 063

        

Totaal

14 044

16 040

15 806

16 124

16 376

16 561

16 561

De in 2010 verwachte stijging van het aantal fte heeft zich niet voorgedaan omdat de groei van het aantal VOG-aanvragen is achtergebleven bij de verwachting.

In 2011 zijn een aantal organisatorische aanpassingen voorzien die Justis beter toerusten om de screeningsexpertise uit te bouwen.

Vanaf 2012 stijgen de aantallen BIBOB-adviezen als gevolg van de wijziging van de Wet BIBOB.

Materiële kosten

Materiële kosten x € 1 000
 

Realisatie 2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Facilitair (incl. huisvesting)

4 111

4 757

5 794

5 044

5 044

5 044

5 044

Automatisering

2 167

3 387

4 551

4 651

4 651

4 651

4 651

Overig materieel

4 435

2 661

4 515

3 577

3 577

3 577

3 577

        

Totaal

10 713

10 805

14 860

13 272

13 272

13 272

13 272

Facilitair

De facilitaire kosten zijn, ten opzichte van eerdere ramingen, gestegen. Structureel is deze stijging veroorzaakt door hogere kosten die de externe facilitaire dienstverlener in rekening brengt. Incidenteel zal in 2011 de toegangsbeveiliging van de huisvesting van Justis worden verbeterd.

Automatisering

De automatiseringskosten stijgen door de toenemende automatiseringsgraad van Justis. Het nieuwe stelsel van toezicht op rechtspersonen houdt onder andere een geautomatiseerde analyse van grote hoeveelheden data in. Dit brengt hoge beheerkosten met zich mee. Voor de andere werkprocessen zal het nu nog versnipperde IT-landschap worden vervangen door een samenhangend IT-geheel. Dit brengt projectkosten en rente en aflossing op investeringen met zich mee.

Overig materieel

Het werkproces HTR zal gefaseerd starten. Dit betekent dat de ontwikkeling in 2011 nog doorgaat. Dit brengt in 2011 nog projectkosten met zich mee (€ 0,7 mln.).

Rentelasten

Dit is de rente die betaald wordt voor het beroep op de leenfaciliteit, er is uitgegaan van een geraamd rentepercentage van gemiddeld 4,2%.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten zijn bepaald volgens een consistente gedragslijn met dezelfde afschrijvingstermijnen als voorgaande jaren.

Voor HTR en de IT-architectuur is gekozen voor een afschrijvingstermijn van vijf jaar.

Doelmatigheid

Belangrijke indicator voor de doelmatigheid zijn de kostprijs per product en de doorlooptijd.

Doelmatigheidstabel
 

Realisatie 2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Beleidsartikel 13.1

VvGB

Volume

77 564

40 000

nvt

nvt

nvt

nvt

nvt

Kostprijs (€)

54,53

41,92

     

Bedrag (x € 1 000)

4 229

1 677

     

VIV

Volume

30 360

10 215

nvt

nvt

nvt

nvt

nvt

Kostprijs (€)

31,4

37,73

     

Bedrag (x € 1 000)

953

385

     

HTR

Volume

nvt

nvt

2 400

2 400

2 400

2 400

2 400

Kostprijs (€)

  

2 633,69

2 633,69

2 633,69

2 633,69

2 633,69

Bedrag (x € 1 000)

  

6 321

6 321

6 321

6 321

6 321

GSR

Volume

418

390

750

750

750

750

750

Kostprijs (€)

1 063,72

568,75

1 124,64

    

Bedrag (x € 1 000)

445

222

843

    

BIBOB

Volume

232

400

350

400

450

480

480

Kostprijs (€)

11 208,99

11 557,13

15 250,53

    

Bedrag (x € 1 000)

2 600

4 622

5 338

    

VOG NP

Volume

454 027

550 000

520 000

520 000

520 000

520 000

520 000

Kostprijs (€)

17,37

14,75

20,32

    

Bedrag (x € 1 000)

7 886

8 112

10 568

    

VOG RP

Volume

6 046

3 350

7 000

7 000

7 000

7 000

7 000

Kostprijs (€)

86,84

216,2

106,42

    

Bedrag (x € 1 000)

525

724

745

    

IVB

Volume

1 750

6 000

6 000

6 000

6 000

6 000

Kostprijs (€)

270,88

81,49

    

Bedrag (x € 1 000)

474

489

    

Naamswijziging

Volume

2 143

3 300

2 250

2 250

2 250

2 250

2 250

Kostprijs (€)

759,32

483,07

739,62

    

Bedrag (x € 1 000)

1 627

1 594

1 664

    

Beleidsartikel 13.3

WWM beroepen

Volume

102

120

100

100

100

100

100

Kostprijs (€)

4 503,21

2 965,16

4 433,29

    

Bedrag (x € 1 000)

459

356

443

    

WWM ontheffingen

Volume

249

240

245

245

245

245

245

Kostprijs (€)

650,75

791,2

386,89

    

Bedrag (x € 1 000)

162

190

95

    

BOA

Volume

6 412

8 500

8 500

8 500

8 500

8 500

8 500

Kostprijs (€)

116,45

205,79

198,49

    

Bedrag (x € 1 000)

747

1 749

1 687

    

WPBR ondernemingen

Volume

648

1 090

840

840

840

840

840

Kostprijs (€)

271,79

665,32

578,92

    

Bedrag (x € 1 000)

176

725

486

    

WPBR leidinggevenden

Volume

1 321

395

1 135 1

1 135

1 135

1 135

1 135

Kostprijs (€)

181,19

669,01

276,52

    

Bedrag (x € 1 000)

239

264

314

    

WBP

Volume

100

150

130

130

130

130

130

Kostprijs (€)

1 056,36

255,82

271,86

    

Bedrag (x € 1 000)

106

38

35

    

EG-verklaringen

Volume

7

30

30

30

30

30

30

Kostprijs (€)

1 360,76

2 829,13

812,17

    

Bedrag (x € 1 000)

10

85

24

    

Beleidsartikel 13.4

Gratie

Volume

2 147

2 250

2 100

2 100

2 100

2 100

2 100

Kostprijs (€)

617,43

542,8

747,11

    

Bedrag (x € 1 000)

1 326

1 221

1 569

    
XNoot
1

De sterke stijging van het aantal vergunningen in de particuliere beveiliging is te verklaren door wijziging van de definitie van het begrip aanvraag. In voorgaande jaren kon één dossier meerdere aanvragen voor toestemming voor een leidinggevende bevatten. Deze werden echter als één aanvraag geregistreerd. Vanaf 2009 echter wordt elk verzoek om toestemming als afzonderlijke aanvraag gezien.

Bovengenoemde kostprijzen zijn berekend met behulp van het in 2010 vastgestelde nieuwe kostprijsmodel.

De kostprijzen 2011 wijken af van de kostprijzen 2010, met name als gevolg van de relatieve verschillen in de bezetting van de teams en de veranderingen in het aantal producten en de daarvoor in te zetten capaciteit per werkproces.

De norm voor de doorlooptijden is conform de wettelijke termijnen.

Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht x € 1 000
 

Realisatie 2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

1.

Rekening Courant RHB 1 januari

9 880

2 752

1 336

1 336

1 336

1 336

1 336

        

2.

Totaal operationele kasstroom

– 900

147

1 246

2 065

2 465

2 865

2 865

        

3a.

totaal investeringen

– 44

– 4 853

– 3 395

– 2 000

– 2 000

0

0

3b.

totaal boekwaarden desinvesteringen

0

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

– 44

– 4 853

– 3 395

– 2 000

– 2 000

0

0

        

4a.

eenmalige uitkering aan moederdepartement

– 6 018

– 1 710

0

0

0

0

0

4b.

eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

4c.

aflossingen op leningen

– 166

– 147

– 1 246

– 2 065

– 2 465

– 2 865

– 2 865

4d.

beroep op leenfaciliteit

 

4 583

3 395

2 000

2 000

0

0

4.

Totaal financieringskasstroom

– 6 184

3 290

2 149

– 65

– 465

– 2 865

– 2 865

        

5.

Rekening Courant RHB 31 december

2 752

1 336

1 336

1 336

1 336

1 336

1 336

Toelichting op het kasstroomoverzicht

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het geraamde saldo van baten en lasten, gecorrigeerd met afschrijvingen en mutaties in de voorzieningen en het werkkapitaal.

Investeringskasstroom

Voor 2011 zijn investeringen gepland voor HTR (€ 1 395 000). Voor de implementatie van de informatiearchitectuur is een investering gepland van drie maal € 2 000 000,– in de jaren 2011 tot en met 2013.

06 Gemeenschappelijk Dienstencentrum ICT (GDI)

Het GDI heeft als missie het leveren van excellente, generieke ICT beheerdiensten aan klanten bij Justitie én de Rijksoverheid. Het GDI heeft jarenlange ervaring met het beheren, ontwikkelen en onderhouden van ICT-diensten voor alle onderdelen van het Ministerie van Justitie en steeds meer ook voor andere ministeries. Het GDI wil in principe de ICT-dienstverlener voor de gehele Rijksoverheid worden door te groeien en te fuseren met andere ICT-dienstverleners. Dit sluit aan bij de nota Vernieuwing Rijksdienst waarin staat dat de bedrijfsvoering voor het Rijk centraler geregeld moet worden. In 2010 wordt de samenwerking en bundeling met andere ICT-beheerorganisaties binnen Justitie en Rijksoverheid onderzocht. In deze begroting zijn de effecten daarvan niet meegenomen, in afwachting van de verdere uitwerking en besluitvorming.

Het GDI levert beheerdiensten, business development en projecten. De beheerdiensten betreffen:

  • Digitale Werkplek Omgeving (DWO): beheer van ICT-werkplekken inclusief telefonie en applicaties;

  • Enterprise Resource Planning (ERP): advies en beheer van systemen in SAP, ORACLE, Siebel en PeopleSoft;

  • Enterprise Content Management (ECM): advies en beheer van documentmanagement en contentbeheersystemen voor internet- en intranetsites;

  • Operations & Infrastructure (O&I): housing en hosting van servers, beheer van netwerkinfrastructuren;

  • Gebruikersondersteuning en klantcontact: servicedesk, gebruikersopleidingen, account- en servicelevelmanagement.

  • Business development en projecten betreffen consultancy over nieuwe ICT toepassingen en dienstverlening en de projectuitvoering bij de invoering en verdere ontwikkeling van beheerdiensten.

Meerjarige begroting van baten en lasten

Meerjarige begroting van baten en lasten x € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Baten

       

Opbrengst moederdepartement

35 828

30 762

32 709

32 684

32 271

31 878

31 505

Opbrengst overige departementen

2 663

2 000

1 206

1 206

1 206

1 206

1 206

Opbrengsten derden

0

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

2

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

46

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

38 539

32 762

33 915

33 890

33 477

33 084

32 711

        

Lasten

       

Apparaatskosten

       

Personele kosten

20 143

14 899

16 242

16 653

16 653

16 653

16 653

Materiële kosten

12 906

12 083

13 145

12 710

12 296

11 903

11 530

Rentelasten

157

528

528

528

528

528

528

Afschrijvingskosten

       

Materieel

3 182

5 252

4 000

4 000

4 000

4 000

4 000

Immaterieel

0

0

0

0

0

0

0

Overige kosten

       

Dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

36 388

32 762

33 915

33 891

33 477

33 084

32 711

        

Saldo van baten en lasten

2 151

0

0

0

0

0

0

Baten

Baten per groep van producten en diensten

Het GDI werkt met afspraken met opdrachtgevers over de dienstverlening en de kosten daarvan op basis van kostencomponenten, tarieven en afname aantallen.

Opbrengst totaal x € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Beheer (incl. opleidingen)

30 751

28 866

27 310

27 310

27 310

27 310

27 310

Projecten

6 990

3 146

5 855

5 830

5 417

5 024

4 651

Bijdrage Computervloer SSC-ICT

750

750

750

750

750

750

750

Totale opbrengst overige departementen

38 491

32 762

33 915

33 890

33 477

33 084

32 711

Opbrengst moederdepartement

Dit betreft inkomsten voor geleverde diensten en producten aan dienstonderdelen van het Ministerie van Justitie.

Opbrengst moederdepartement
x € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Beheer (incl. opleidingen)

28 088

26 866

26 104

26 104

26 104

26 104

26 104

Projecten

6 990

3 146

5 855

5 830

5 417

5 024

4 651

Bijdrage Computervloer SSC-ICT

750

750

750

750

750

750

750

Totale opbrengst moederdepartement

35 828

30 762

32 709

32 684

32 271

31 878

31 505

Opbrengst overige departementen

Het GDI verleent al een aantal jaar ICT-diensten aan andere departementen, waaronder P-Direkt van het Ministerie van BZK. Eind 2010 wordt de dienstverlening voor P-Direkt uitgefaseerd waardoor de Opbrengst overige departementen daalt. Nieuwe opbrengsten worden pas in de begroting meegenomen indien de afspraken daarover concreet zijn vastgelegd.

Opbrengst overige departementen x € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Beheer (incl. opleidingen)

2 663

2 000

1 206

1 206

1 206

1 206

1 206

Projecten

0

0

0

0

0

0

0

Bijdrage Computervloer SSC-ICT

0

0

0

0

0

0

0

Totale opbrengst overige departementen

2 663

2 000

1 206

1 206

1 206

1 206

1 206

Rentebaten

Gelet op de beperkte omvang van de rekening courant in de afgelopen jaren wordt vooralsnog geen rekening gehouden met rentebaten.

Lasten

Personele kosten

Het GDI heeft een basisformatie van 141 fte met de mogelijkheid van 30% extra bezetting voor specifieke en tijdelijke dienstverlening zoals projecten; totaal komt dit op 183 fte. Met de taakstelling op basis van het Justitieplan Kleiner en Beter Justitie is een grens gesteld aan de personele omvang van het GDI voor de komende jaren. De variabele bezetting wordt ingevuld met tijdelijke contracten en inhuur.

Personele kosten x € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Ambtelijk personeel

       

kosten

11 324

11 399

13 692

13 203

13 203

13 203

13 203

aantal fte conform ijklijn

135,1

151

134

134

134

134

134

extra fte

27,5

12

34

28

28

28

28

Overige personele kosten

       

kosten

8 819

3 500

2 550

3 450

3 450

3 450

3 450

aantal fte

65

20

17

23

23

23

23

Postactief personeel

       

dotatie voorziening post actief personeel

0

0

0

0

0

0

0

aantal fte’s

0

0

0

0

0

0

0

Totale kosten

20 143

14 899

16 242

16 653

16 653

16 653

16 653

Materiële kosten

Het GDI maakt gebruik van huisvesting op meer locaties. De hoofdvestiging is in Zoetermeer aan de Luxemburglaan. Voor directe ICT dienstverlening bij opdrachtgevers en het lokale beheer van werkplekken en systemen beschikt het GDI over huisvesting op het bestuursdepartement en bij opdrachtgevers. In 2010 wordt het naast het GDI gelegen kantoorpand aan de Europaweg, nu nog deels in gebruik van IND, volledig overgenomen door het GDI. Daarmee beschikt het GDI over ruim 400 werkplekken voor de eigen organisatie, voor ICT-projecten van opdrachtgevers en voor collega ICT beheerorganisaties. In de begroting zijn de extra huisvestingskosten én de verwachte extra opbrengsten verwerkt die deze kosten moeten compenseren.

De automatiseringskosten betreffen de interne automatisering van het GDI, de beheerde systemen en omgevingen en het aandeel van het GDI in de gemeenschappelijke computervloer van het Shared Service Centrum ICT van Justitie, waar de productiesystemen staan en de kosten van de computervloer in Zoetermeer waar de ontwikkel-, test- en acceptatie systemen staan. Het (verder) implementeren van nieuwe technieken (bijvoorbeeld Virtualisatie in de hardware) moet het GDI in staat stellen efficiencyvoordelen op materiële kosten te realiseren.

Door toepassing van de Justitiebrede kostensoortindeling heeft verschuiving van de kosten van automatiseringskosten naar overige materiële kosten plaatsgevonden. De meerjarige ontwikkeling van het totaal van deze kostenposten daalt licht.

De post risico-opslag is in 2010 nog opgenomen als buffer voor niet voorzienbare kostenfluctuaties. Vanaf 2011 is deze post bedoeld om niet gerealiseerde werkplekopbrengsten te compenseren.

Materiële kosten x € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Huisvesting

2 299

2 340

3 540

3 540

3 540

3 540

3 540

Facilitair

481

400

400

400

400

400

400

Overig materieel

351

2 393

2 273

2 160

2 052

1 949

1 852

Automatisering (excl. afschr./incl. SSC)

9 775

6 750

6 432

6 110

5 804

5 514

5 238

Risico-opslag

0

200

500

500

500

500

500

Totale kosten

12 906

12 083

13 145

12 710

12 296

11 903

11 530

Rentelasten

De post Rentelasten is gebaseerd op de omvang van de leenfaciliteit en het gemiddelde rekening-courantsaldo bij het Ministerie van Financiën. Het gehanteerde gemiddelde percentage bedraagt 3%.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingsbedragen zijn een gemiddelde over de verschillende investeringsjaren, op basis van lineaire afschrijving en een tijdsevenredige verdeling over het jaar. Deze zijn in 2010 toegenomen door de overname van activa van de ICT-afdeling van het bestuursdepartement. Daarvoor is een interne financiële verrekening met het moederdepartement overeengekomen. Als gevolg hiervan lopen de omvang van de afschrijvingen tijdelijk niet in de pas met de omvang van de aflossingen op de bij het Ministerie van Financiën opgenomen leenfaciliteit. Nadat deze activa in het kader van vervangingsinvesteringen met de daarbij behorende opname van de leenfaciliteit zijn vernieuwd, komen de afschrijvingen en aflossingen weer in verhouding.

Voor de diverse activaklassen worden de volgende afschrijvingstermijnen gehanteerd:

Activaklassen

Termijn (jr.)

Meubilair

10

Installaties

5

Kantoormachines

5

Overige inventaris

5

Werkplek Hardware

3

Netwerk

3

Techn. Infrastructuur SW

3

Techn. Infrastructuur HW

4

Werkpleksoftware

4

Licenties

3

Saldo baten en lasten

Vanaf 2009 zijn de verwachte baten gelijk aan de begrote lasten. Een eventueel overschot waarmee het eigen vermogen boven de 5%-norm uitkomt wordt afgeroomd.

Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht x € 1 000
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

1.

Rekening Courant RHB 1 januari

– 1 029

7 389

3 714

5 784

8 293

10 715

13 137

2.

Totaal operationele kasstroom

8 883

834

3 839

3 967

3 922

3 922

3 922

3a.

Totaal investeringen

– 4 012

– 2 873

– 2 800

– 2 575

– 3 775

– 1 725

– 2 475

3b.

Totaal boekwaarden desinvesteringen

210

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

– 3 802

– 2 873

– 2 800

– 2 575

– 3 775

– 1 725

– 2 475

4a.

Eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

– 2 700

0

0

0

0

0

4b.

Eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

4c.

Aflossingen op leningen

– 803

– 1 809

– 1 768

– 1 458

– 1 500

– 1 500

– 1 500

4d.

Beroep op leenfaciliteit

4 140

2 873

2 800

2 575

3 775

1 725

2 475

4.

Totaal financieringskasstroom

3 337

– 1 636

1 032

1 117

2 275

225

975

5.

Rekening Courant RHB 31 december

7 389

3 714

5 784

8 293

10 715

13 137

15 559

Toelichting op het kasstroomoverzicht

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het saldo van baten en lasten, gecorrigeerd voor afschrijvingen, mutaties in (eventuele) voorzieningen en in het netto werkkapitaal.

Investeringskasstroom

De investeringskasstroom wordt bepaald door de vervangings – en uitbreidingsinvesteringen. Voor 2011 zijn conform de ingediende leenaanvragen de volgende vervangingsinvesteringen voorzien:

Investeringen x € 1 000

Omschrijving

Vervanging

Uitbreiding

Meubilair

0

0

Installaties

0

0

Kantoormachines

0

0

Audio-visuele middelen

0

0

Overige Inventaris

0

0

Werkplek Hardware

1 050

0

Netwerk

200

0

Techn. Infrastructuur SW

400

0

Licenties

225

0

Techn. Infrastructuur HW

925

0

Werkplek Software

0

0

Totaal investeringen

2 800

0

Gezien de financiële consequenties die de diverse bezuinigingsmaatregelen met zich mee brengen zullen opdrachtgevers terughoudend zijn met het investeren in nieuwe diensten en producten. Daarom is de verwachting dat de uitbreidingsinvesteringen minimaal zijn.

Financieringskasstroom

De financieringskasstroom bestaat uit het beroep op de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën ten behoeve van de vervangingsinvesteringen van materiële activa.

Doelmatigheid

Doelmatigheidsindicatoren

Generieke indicatoren

2011

2012

2013

2014

2015

Gemiddeld uurtarief

101

99

97

95

93

Totale omzet per product(groep)

33 915

33 890

33 477

33 084

32 711

Beheer (incl. opleidingen en expl. bijdrage SSC-ICT)

28 060

28 060

28 060

28 060

28 060

Projecten

5 855

5 830

5 417

5 024

4 651

Aantal fte’s (excl. inhuur) werkzaam bij de BL-Dienst

168

162

162

162

162

Aantal externe fte’s ingezet bij de BL-Dienst

17

23

23

23

23

Aantal externe fte’s als % van de totale fte’s

9%

12%

12%

12%

12%

Specifieke indicatoren

2011

2012

2013

2014

2015

Doelmatigheidsverbetering op de kostprijs bestaande diensten

5%

4%

4%

4%

4%

Benchmark ten opzichte van vergelijkbare ICT-organisaties

2%

2%

2%

2%

2%

Beschikbaarheid systemen

99,90%

99,90%

99,90%

99,90%

99,90%

Betrouwbaarheid dienstverlening

98%

98%

98%

98%

98%

Klanttevredenheid

7

7

7

7

7

Toelichting

Als baten-lastendienst streeft het GDI naar een zo efficiënt mogelijk ICT beheer. Optimale dienstverlening voor een zo laag mogelijke prijs. Dit komt tot uitdrukking in het uurtarief en de prijzen van de componenten.

Het GDI streeft er naar het gemiddelde uurtarief jaarlijks te laten dalen met 2%. Een belangrijke voorwaarde hiervoor is het kunnen verminderen van de inhuur door het internaliseren van externen voor de continuering van meerjarige beheeropdrachten.

Het GDI streeft naar doelmatigheidsverbetering van de dienstverlening. Dit werkt door in de kostprijzen en tarieven voor opdrachtgevers. In 2010 is het kostprijsmodel verder verbeterd. Voor 2011 streeft het GDI naar een efficiency verbetering met 5%.

Doelmatigheid is meer dan lagere kosten. Uit een jaarlijkse meting in een onafhankelijke benchmark ten opzichte van vergelijkbare ICT-organisaties, volgt de afwijking van de gemiddelde marktprijs. Hierin is rekening gehouden met vijf indicatoren die samen bepalend zijn voor de mate van doelmatigheid: volume, complexiteit, kwaliteit, productiviteit en kosten. De afwijkingen op deze indicatoren ten opzichte van de markt worden uitgedrukt in een gewogen gemiddelde percentage prijsverschil. Het GDI streeft naar een gemiddelde prijsafwijking van 2% voor 2011 en de jaren daarna ten opzichte van de referentiegroep. Voor de opdrachtgevers is dit een aanvaardbare afwijking ten opzichte van soortgelijke ICT-organisaties.

De beschikbaarheid van de systemen betreft de feitelijke toegang tot deze systemen tijdens de afgesproken openingstijden, uitgedrukt in een percentage van de totale openingstijd.

De betrouwbaarheid van de dienstverlening betreft het aantal service-niveaus dat wordt gehaald.

HOOFDSTUK 7 RAAD VOOR DE RECHTSPRAAK

Beleidsmatige ontwikkelingen

Een kwalitatief goede en efficiënte rechtspraak is een belangrijk fundament voor het functioneren van rechtsstaat en samenleving. Voor het tijdig en op kwalitatief goede wijze verwerken van de verwachte instroom van zaken zonder dat de doorlooptijd oploopt is de beschikbaarheid van voldoende middelen voor de rechtspraak een belangrijke voorwaarde. Bij de verwachte toename van het aantal rechtszaken en daarbij achterblijvende financiële middelen zal de druk op de gerechten toenemen. Dit mag echter niet ten koste gaan van de kwaliteit. Zoveel mogelijk zullen de inspanningen van de afgelopen jaren om de kwaliteit van rechtspraak ook op de lange termijn te verzekeren en waar nodig te verbeteren worden voortgezet. Daarnaast zal er ruimte dienen te zijn voor innovatie en organisatieverandering. Hieronder zullen de geplande activiteiten op de genoemde gebieden nader worden toegelicht.

Voor goede rechtspraak is evenzeer vereist dat de Rechtspraak in staat is te blijven beantwoorden aan de veranderende wensen uit de samenleving. Op de belangrijkste gebieden zal sprake zijn van het verdergaan op eerder ingeslagen wegen. Binnen de beperkte financiële middelen zal ruimte worden geboden voor kwaliteitsbepalende elementen, zoals de meervoudige behandeling van zaken, instructie en feitenonderzoek en het meelezen van vonnissen.

Aan de realisatie van de vier centrale doelstellingen van de Rechtspraak: deskundige rechtspraak, betrouwbare rechtspraak, effectieve rechtspraak en rechtspraak in de samenleving, zal op onderdelen ook in 2011 nog verder worden gewerkt.

Onderwerpen die in dit verband moeten worden genoemd zijn de verbetering van de digitale toegankelijkheid van de Rechtspraak. Hiervoor is in 2008 een meerjarig traject in gang is gezet. In 2011 zullen burgers een beroep bij de bestuursrechter elektronisch kunnen indienen en de voortgang in die procedures en ook in zaken bij de kantonrechter elektronisch kunnen volgen. Een project om het mogelijk te maken om procedures tot verhaal van een geldvordering digitaal aan te brengen zal in dat jaar worden afgerond indien ook de daarvoor benodigde wetgeving tijdig tot stand komt.

Voorts zullen op alle gebieden landelijk uniforme procesreglementen zijn vastgesteld, waarmee de rechtseenheid op dit punt voor de justit