Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 2010, 244AMvB

Besluit van 23 juni 2010 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met het aanpassen van de asielprocedure en vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het aanpassen van de asielprocedure

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van onze Minister van Justitie van 1 april 2010, nr. 5648218/10/6;

Gelet op de artikelen 37 en 39 van de Vreemdelingenwet 2000;

De Raad van State gehoord (advies van 9 juni 2010, nr. W03.10.0111/II);

Gezien het nader rapport van onze Minister van Justitie van 18 juni 2010, nr. 5658170/10/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 1.1, onderdeel f, vervalt.

B

Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b van artikel 3.6, eerste lid, door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. de vervolging van mensenhandel.

C

Aan artikel 3.46 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder a of c, van de Wet of op de grond dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 van de Wet.

D

Aan artikel 3.47 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder a of c, van de Wet of op de grond dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 van de Wet.

E

Artikel 3.105d vervalt.

F

De artikelen 3.109 tot en met 3.118 komen te luiden:

Artikel 3.109

  • 1. De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet, wordt door de vreemdeling niet eerder ingediend dan zes dagen nadat hij overeenkomstig door Onze Minister gestelde regels te kennen heeft gegeven die aanvraag in te willen dienen.

  • 2. Gedurende de in het eerste lid bedoelde termijn wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om te worden voorgelicht over de asielprocedure en om zich op de asielprocedure voor te bereiden en zich daartoe te laten bijstaan. Aan de vreemdeling die te kennen geeft de in het eerste lid bedoelde aanvraag in te willen dienen wordt tijdig mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij een gehoor als bedoeld in de artikelen 3.112, eerste lid en 3.113, tweede lid, te doen bijstaan.

  • 3. Gedurende de in het eerste lid bedoelde termijn worden de vreemdeling van overheidswege geen vragen gesteld naar zijn asielmotieven.

  • 4. Van de vreemdeling die te kennen geeft de in het eerste lid bedoelde aanvraag in te willen dienen, worden door Onze Minister identificatiefoto’s vervaardigd en wordt een dactyloscopisch signalement opgemaakt. De vreemdeling verleent hieraan zijn medewerking.

  • 5. De vreemdeling die te kennen geeft de in het eerste lid bedoelde aanvraag in te willen dienen wordt een medisch onderzoek aangeboden. Voor dit onderzoek is de schriftelijke toestemming van de vreemdeling vereist.

  • 6. In afwijking van het eerste lid wordt geen termijn gesteld indien:

    • a. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;

    • b. de vreemdeling overlast bezorgt aan vreemdelingen die in een opvangvoorziening verblijven, aan personen die werkzaam zijn in de voorziening of aan anderen;

    • c. de vreemdeling reeds eerder een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, heeft ingediend, of

    • d. de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van artikel 59 van de Wet, tenzij de aanvraag wordt ingediend in een Aanmeldcentrum.

  • 7. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de in het eerste lid bedoelde termijn niet van toepassing is indien de aanvraag wordt ingediend in het Aanmeldcentrum Schiphol.

Artikel 3.110

  • 1. Voor het onderzoek naar de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet, zijn in een Aanmeldcentrum acht dagen beschikbaar.

  • 2. Onze Minister kan de in het eerste lid genoemde termijn verlengen. In dat geval zijn voor het onderzoek in een Aanmeldcentrum ten hoogste veertien dagen beschikbaar.

  • 3. De termijnen, genoemd in het eerste en tweede lid, vangen aan op de dag waarop de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet, wordt ingediend. Voor die termijnen tellen, met uitzondering van het Aanmeldcentrum Schiphol, de dagen gedurende het weekeinde en de dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen niet mee, tenzij bij ministeriële regeling wordt bepaald dat deze wel meetellen.

Artikel 3.111

  • 1. Bij de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet, worden door de vreemdeling in persoon alle gegevens verstrekt, waaronder begrepen de relevante documenten, op basis waarvan in samenwerking met de vreemdeling beoordeeld kan worden of er een rechtsgrond voor verlening van de vergunning aanwezig is.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de verstrekking van de in het eerste lid bedoelde gegevens.

Artikel 3.112

  • 1. Nadat de vreemdeling op de eerste dag de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet heeft ingediend, wordt hij op diezelfde dag door Onze Minister aan een eerste gehoor onderworpen.

  • 2. Het eerste gehoor geschiedt overeenkomstig een bij ministeriële regeling vastgestelde vragenlijst. De vragenlijst bevat geen vragen omtrent de beweegredenen van de aanvraag.

  • 3. Een afschrift van de ingevulde vragenlijst wordt op de eerste dag aan de vreemdeling ter kennis gebracht.

  • 4. In afwijking van het eerste lid kan een eerste gehoor achterwege worden gelaten indien de vreemdeling reeds eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 28 van de Wet, heeft ingediend.

Artikel 3.113

  • 1. Gedurende de tweede dag wordt de vreemdeling in staat gesteld zich op het nader gehoor voor te bereiden.

  • 2. Op de derde dag wordt de vreemdeling door Onze Minister aan een nader gehoor onderworpen.

  • 3. Van het nader gehoor wordt een schriftelijk verslag gemaakt. Een afschrift van het verslag van nader gehoor wordt op de derde dag aan de vreemdeling ter kennis gebracht.

  • 4. De vreemdeling kan uit eigen beweging of desgevraagd nadere gegevens verstrekken uiterlijk op de vierde dag. Het verslag van nader gehoor vermeldt deze termijn.

  • 5. In afwijking van het tweede lid blijft een nader gehoor in een Aanmeldcentrum achterwege:

    • a. indien de vreemdeling om medische redenen niet aan een nader gehoor kan worden onderworpen, of

    • b. ten aanzien van een alleenstaande minderjarige vreemdeling beneden de leeftijd van twaalf jaar.

    Bij ministeriële regeling kunnen andere gevallen worden aangewezen waarin een nader gehoor in een Aanmeldcentrum achterwege blijft.

  • 6. Indien een nader gehoor in een Aanmeldcentrum achterwege is gebleven wordt de vreemdeling door Onze Minister zo spoedig mogelijk aan een nader gehoor onderworpen. Van het nader gehoor wordt een schriftelijk verslag gemaakt. Een afschrift van het verslag van nader gehoor wordt zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling ter kennis gebracht. Het verslag van nader gehoor vermeldt de termijn waarbinnen de vreemdeling uit eigen beweging of desgevraagd nadere gegevens kan verstrekken. Deze termijn bedraagt ten minste twee dagen.

Artikel 3.114

  • 1. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, af te wijzen binnen acht dagen, wordt het schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling uitgereikt op de vijfde dag.

  • 2. De vreemdeling brengt zijn zienswijze op het in het eerste lid bedoelde voornemen schriftelijk naar voren uiterlijk op de zesde dag.

  • 3. De schriftelijke zienswijze is tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen.

  • 4. Het tijdstip van uitreiken van het voornemen en de ontvangst van de schriftelijke zienswijze worden door Onze Minister vastgelegd.

  • 5. Onze Minister houdt rekening met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt. Met een na afloop van de termijn ontvangen aanvulling op een eerder ingediende schriftelijke zienswijze wordt rekening gehouden, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt en de afdoening van de zaak daardoor niet ontoelaatbaar wordt vertraagd. Het ontbreken van de schriftelijke zienswijze, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, staat aan het geven van de beschikking niet in de weg.

  • 6. Onze Minister maakt de beschikking uiterlijk op de achtste dag bekend door uitreiking of toezending ervan.

Artikel 3.115

  • 1. Onze Minister kan de in artikel 3.110, eerste lid, genoemde termijn verlengen:

    • a. in geval van overschrijding van de termijnen, bedoeld in de artikelen 3.112, eerste en derde lid, 3.113, tweede en derde lid, en 3.114, eerste en zesde lid, tenzij de overschrijding aan Onze Minister kan worden toegerekend;

    • b. in geval van overschrijding van de termijnen, bedoeld in de artikelen 3.113, eerste en vierde lid, of 3.114, tweede lid, en de vreemdeling een met redenen omkleed verzoek om verlenging heeft ingediend, tenzij de overschrijding aan de vreemdeling kan worden toegerekend;

    • c. indien naar het oordeel van Onze Minister nader onderzoek naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling noodzakelijk is, of

    • d. indien de vreemdeling zijn eerder tijdens het onderzoek afgelegde verklaringen essentieel wijzigt of aanvult.

  • 2. De vreemdeling wordt van de verlenging schriftelijk in kennis gesteld. Bij de kennisgeving wordt de reden van de verlenging aangegeven alsmede op welk moment de verlengde termijn eindigt.

  • 3. Indien Onze Minister de in artikel 3.110, eerste lid, genoemde termijn heeft verlengd en voornemens is de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, af te wijzen binnen veertien dagen, wordt het schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling uitgereikt.

  • 4. De vreemdeling brengt zijn zienswijze uiterlijk op de dag na de uitreiking van het voornemen naar voren, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt ingewilligd.

  • 5. Artikel 3.114, derde tot en met vijfde lid, is van toepassing.

  • 6. Onze Minister maakt de beschikking uiterlijk op de veertiende dag bekend door uitreiking of toezending ervan.

  • 7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden omtrent de toepassing van het eerste lid alsmede de wijze waarop het onderzoek naar de aanvraag wordt vervolgd indien de in artikel 3.110, eerste lid, genoemde termijn wordt verlengd.

Artikel 3.116

  • 1. Het schriftelijke voornemen om:

    • a. de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, af te wijzen indien de termijnen, bedoeld in de artikelen 3.112, eerste en derde lid, 3.113, tweede en derde lid, of 3.114, eerste en zesde lid, dan wel de op grond van artikel 3.115, eerste lid, verlengde termijn, zijn overschreden;

    • b. de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, af te wijzen;

    • c. de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 33 van de Wet, af te wijzen, of

    • d. de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 28 en 33 van de Wet, in te trekken, wordt aan de vreemdeling meegedeeld door uitreiking of toezending ervan.

  • 2. De termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren brengt bedraagt, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt ingewilligd:

    • a. in het geval, bedoeld in het eerste lid, onder a: vier weken, en

    • b. in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d: zes weken.

  • 3. De termijn, bedoeld in het tweede lid, vangt aan met ingang van de dag na die waarop het voornemen is uitgereikt of toegezonden.

  • 4. De schriftelijke zienswijze is tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is de zienswijze tijdig ingediend, indien deze voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits deze niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

  • 5. De ontvangst van de schriftelijke zienswijze wordt door Onze Minister bevestigd.

  • 6. Onze Minister houdt rekening met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt. Met een na afloop van de termijn ontvangen aanvulling op een eerder ingediende schriftelijke zienswijze wordt rekening gehouden, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt en de afdoening van de zaak daardoor niet ontoelaatbaar wordt vertraagd. Het ontbreken van de schriftelijke zienswijze, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, staat aan het geven van de beschikking niet in de weg.

Artikel 3.117

  • 1. De termijnen, genoemd in de artikelen 3.112, 3.113, eerste tot en met vierde lid, en 3.114, zijn niet van toepassing op de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, van de vreemdeling aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van artikel 59 van de Wet terwijl de vrijheidsontneming voortduurt, tenzij de aanvraag is ingediend in een Aanmeldcentrum.

  • 2. De vreemdeling wordt door Onze Minister zo spoedig mogelijk na de indiening van de aanvraag aan een eerste gehoor onderworpen.

  • 3. De vreemdeling wordt door Onze Minister zo spoedig mogelijk nadat een afschrift van de ingevulde vragenlijst, bedoeld in artikel 3.112, derde lid, aan hem ter kennis is gebracht, aan een nader gehoor onderworpen.

  • 4. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag af te wijzen, wordt het schriftelijk voornemen daartoe zo spoedig mogelijk uitgereikt of toegezonden.

  • 5. De vreemdeling brengt zijn zienswijze binnen twee weken schriftelijk naar voren.

  • 6. De termijn, bedoeld in het vijfde lid, vangt aan met ingang van de dag na die waarop het voornemen is uitgereikt of toegezonden.

  • 7. De schriftelijke zienswijze is tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen.

  • 8. Artikel 3.116, vijfde en zesde lid, zijn van toepassing.

Artikel 3.118

  • 1. Indien Onze Minister voornemens is om:

    • a. de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, af te wijzen na ommekomst van de in artikel 3.110, eerste of tweede lid, genoemde termijn;

    • b. de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, af te wijzen, of

    • c. de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 33 van de Wet, af te wijzen, terwijl de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van artikel 6 of artikel 59 van de Wet en de vrijheidsontneming voortduurt, wordt het schriftelijk voornemen daartoe uitgereikt of toegezonden.

  • 2. De artikelen 3.117, vijfde tot en met zevende lid, en 3.116, vijfde en zesde lid, zijn van toepassing.

G

Na artikel 3.118 wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 3.118a

  • 1. Indien Onze Minister oordeelt dat een ander land ingevolge een verdrag of een voor dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, en uit dien hoofde het andere land om overname of terugname zal verzoeken, wordt het schriftelijk voornemen om de aanvraag af te wijzen, vooruitlopend op aanvaarding van het verzoek tot overname of terugname door het andere land, aan de vreemdeling uitgereikt.

  • 2. Indien Onze Minister het voornemen, bedoeld in het eerste lid, op de vijfde dag aan de vreemdeling uitreikt, brengt de vreemdeling zijn zienswijze uiterlijk op de zesde dag schriftelijk naar voren. Indien Onze Minister de in artikel 3.110, eerste lid, genoemde termijn heeft verlengd en dat voornemen aan de vreemdeling uitreikt, brengt de vreemdeling zijn zienswijze uiterlijk op de dag na de uitreiking van het voornemen naar voren, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt ingewilligd.

  • 3. Indien Onze Minister het voornemen, bedoeld in het eerste lid, na ommekomst van de in artikel 3.110, eerste of tweede lid, genoemde termijn aan de vreemdeling uitreikt, brengt de vreemdeling zijn zienswijze binnen een week schriftelijk naar voren, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt ingewilligd. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het voornemen is uitgereikt.

  • 4. De schriftelijke zienswijze is tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen.

  • 5. In het geval, bedoeld in het tweede lid, worden het tijdstip van uitreiken van het voornemen en de ontvangst van de schriftelijke zienswijze door Onze Minister vastgelegd. In het geval, bedoeld in het derde lid, wordt de ontvangst van de schriftelijke zienswijze door Onze Minister bevestigd.

  • 6. Onze Minister houdt rekening met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt. Met een na afloop van de termijn ontvangen aanvulling op een eerder ingediende zienswijze wordt rekening gehouden, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt en de afdoening van de zaak daardoor niet ontoelaatbaar wordt vertraagd. Het ontbreken van de schriftelijke zienswijze, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, staat niet aan het verzoek om overname in de weg, en evenmin aan het nemen van de beschikking bij aanvaarding van het verzoek tot overname.

H

In artikel 4.21, eerste lid, aanhef en onder d, wordt «artikel 8, onder f, g, h, j of k» vervangen door: artikel 8, onder f, g, h, j, k, of m.

ARTIKEL II

Ten aanzien van een aanvraag die is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit blijft het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1.1, onderdeel f, 3.6, eerste lid, 3.46, 3.47 en 3.109 tot en met 3.118 van het Vreemdelingenbesluit 2000 zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing.

ARTIKEL III

De wet van 20 mei 2010, Stb. 2010, 202, tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het aanpassen van de asielprocedure en dit besluit treden in werking op 1 juli 2010.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 23 juni 2010

Beatrix

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Uitgegeven de negenentwintigste juni 2010

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Deze algemene maatregel van bestuur strekt tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) in verband met aanpassingen van de asielprocedure. Deze aanpassingen vloeien voort uit het coalitieakkoord van het kabinet (Kamerstukken II 2006/07, 30 891, nr. 4) en de brief «Naar een effectievere asielprocedure en een effectiever terugkeerbeleid» van 24 juni 2008 (Kamerstukken II 2008/09, 29 344, nr. 67).

In het coalitieakkoord is ten aanzien van de asielprocedure het volgende aangekondigd: «De procedure toelating van de nieuwe Vreemdelingenwet wordt verbeterd (mede in het licht van de aanbevelingen van de commissie Scheltema) en versneld en daarbij wordt in het bijzonder de regeling van de 48-uursprocedure verbeterd zodat deze zonodig verlengd kan worden om vertraging te voorkomen.» Voorts zegt het coalitieakkoord: «Er zal op korte termijn een studie over het zoveel mogelijk beperken van herhaalde asielaanvragen worden verricht. Daarbij wordt de mogelijkheid verkend dat later ingetreden beletselen op grond van artikel 3 EVRM en andere niet verwijtbare omstandigheden zonder herhaalde aanvraag in het kader van een lopende procedure kunnen worden beoordeeld.» In de bovengenoemde brief van 24 juni 2008 is hieraan verdere uitwerking gegeven.

De aanpassing van de asielprocedure is in de eerste plaats neergelegd in de Wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in verband met het aanpassen van de asielprocedure (Kamerstukken 31 994). Dit besluit beoogt om, in samenhang met die wijziging van de Vw 2000, de asielprocedure te verbeteren en de indiening van herhaalde aanvragen zoveel mogelijk te beperken. De invoering van de Vw 2000 heeft geleid tot belangrijke verbeteringen in de asielprocedure, maar er is ook kritiek uitgeoefend op de duur en de zorgvuldigheid van de procedures. In die kritiek wordt de procedure in het aanmeldcentrum te kort geacht en de procedure na het aanmeldcentrum te lang bevonden. Ook vanuit het oogpunt van bescherming hebben onder andere non-gouvernementele organisaties zich regelmatig kritisch geuit over de asielprocedure.

De commissie-Scheltema heeft bij de evaluatie van de Vw 2000 geconstateerd dat de procedure in het aanmeldcentrum en de procedure na het aanmeldcentrum op het punt van de doorlooptijd te ver uit elkaar zijn gegroeid. Zij heeft aanbevolen te zoeken naar mogelijkheden om de voordelen van de huidige procedure in het aanmeldcentrum – snelle afhandeling van aanvragen – te behouden en de nadelen – de door de tijdsklem veroorzaakte druk op de zorgvuldigheid van beslissingen – te ondervangen. Daarnaast heeft de commissie-Scheltema aanbevolen om de lengte van de asielprocedure sterk terug te dringen. De Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) heeft zich in haar adviezen «Naar één snelle en zorgvuldige asielprocedure» (februari 2004) en «Secuur en snel» (maart 2007) eveneens kritisch geuit.

Een snelle asielprocedure, waarin zorgvuldig beslist wordt wie wel en wie geen recht op verblijf heeft, is van groot belang. Asielzoekers moeten zo snel mogelijk duidelijkheid krijgen over hun aanvraag. Zo wordt voorkomen dat degenen die niet voor asiel in aanmerking komen, onnodig lang in de procedure en in de opvang verblijven, terwijl zij uiteindelijk toch Nederland moeten verlaten. Evenzeer is het van belang dat degenen die worden toegelaten zo snel mogelijk aan integratie en (arbeids)participatie kunnen beginnen.

De maatregelen tot aanpassing van de asielprocedure in de brief van 24 juni 2008, zoals neergelegd in de aanpassing van de wet en in dit besluit, leiden tot een zorgvuldigere en snellere asielprocedure terwijl tevens de terugkeer wordt bevorderd van asielzoekers van wie de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen. De verschillende maatregelen zijn er op gericht de procedure niet langer te laten duren dan nodig is om zorgvuldig op de aanvraag te kunnen beslissen en sluiten aan bij de essentie van de hierboven genoemde aanbevelingen van de commissie-Scheltema. De asielprocedure, in het bijzonder de procedure in het aanmeldcentrum, wordt zorgvuldiger en de procedure na het aanmeldcentrum wordt aanmerkelijk bekort. Uit de ex ante-uitvoeringstoets die de Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft verricht, blijkt ook dat het afdoeningspercentage in het aanmeldcentrum hierdoor naar verwachting zal stijgen.

Voorts bevat dit besluit een technische aanpassing van het Vb 2000 in verband met het arrest van 17 februari 2009 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake de uitlegging van artikel 15, onderdeel c, van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende minimumnormen voor de erkenning en de status van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PbEU L 304). Het arrest betreft een verzoek van de Raad van State om een prejudiciële beslissing. De aanpassing betreft het verplaatsen van de in artikel 3.105d genoemde onderdelen a en b naar artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000.

2. De maatregelen tot aanpassing van de asielprocedure

Hieronder worden de maatregelen tot aanpassing van de asielprocedure, die leiden tot wijziging van het Vb 2000, in grote lijnen geschetst.

De asielprocedure wordt verbeterd door een rust- en voorbereidingstermijn van ten minste zes dagen die voorafgaat aan de algemene asielprocedure in het aanmeldcentrum. In deze tijd wordt de asielzoeker rust gegund en de gelegenheid gegeven om te worden voorgelicht over het verloop van de procedure en inhoudelijk te worden voorbereid door rechtsbijstand. De asielzoeker wordt in deze periode een medisch onderzoek aangeboden. Deze periode kan ook worden benut voor (het opstarten van) onderzoek dat van belang is voor de identificatie van de asielzoeker, waaronder onderzoek naar de vingerafdrukken, en onderzoek naar documenten ter ondersteuning van het asielverhaal. Zekerheidshalve is op wetsniveau – in de artikelen 69 en 82 van de Vw 2000 – geregeld dat met dit onderzoek niet de termijn van de algemene asielprocedure in het aanmeldcentrum begint te lopen, zoals thans op grond van de jurisprudentie het geval is. Op de rust- en voorbereidingstermijn geldt een aantal uitzonderingen.

Er is niet een maximale termijn van de rust- en voorbereidingstermijn in het Vb 2000 opgenomen. De wachttijd in de huidige TNV (Tijdelijke Noodvoorziening) wordt voor het belangrijkste deel bepaald door aard en omvang van de instroom van asielzoekers. Dat zal in de nieuwe situatie niet anders zijn. De instroom is onvoorspelbaar. Een rust- en voorbereidingstermijn van ten minste zes dagen in de nieuwe situatie leidt op zichzelf niet tot een lang verblijf van de asielzoeker in de locatie waar hij of zij voorafgaand aan de algemene asielprocedure in het aanmeldcentrum verblijft.

De algemene asielprocedure in het aanmeldcentrum wordt ook verbeterd door de duur van de procedure niet meer uit te drukken in (proces)uren, maar in dagen en door een verlenging van de duur van de procedure. Deze procedure duurde in de oude situatie 48 (proces)uren en wordt verlengd tot in beginsel maximaal 8 dagen. Hiermee is er meer tijd voor de asielzoeker en zijn rechtsbijstandverlener en meer ruimte om een zorgvuldige beslissing op de asielaanvraag te nemen. In de oude situatie hadden de asielzoeker en zijn rechtsbijstandverlener formeel 5 procesuren ter beschikking. Thans zijn drie van de acht dagen beschikbaar voor rechtsbijstand. Het aantal uren dat aan de rechtsbijstandverlener wordt vergoed, blijft genormeerd.

Voorts is er meer tijd voor de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) om een zorgvuldige beslissing te nemen op de aanvraag voor het verlenen van een vergunning asiel voor bepaalde tijd. Tevens wordt hierdoor de planbaarheid van de algemene asielprocedure voor zowel de IND als voor de asielzoeker en rechtsbijstand vergroot, doordat in beginsel van te voren bekend is op welke dag een bepaalde stap in de procedure wordt gezet.

Verder wordt de asielprocedure verbeterd door in beginsel in alle gevallen het nader gehoor over de asielmotieven in het aanmeldcentrum af te nemen. Op deze hoofdregel gelden enkele uitzonderingen. Ook de correcties en aanvullingen op het verslag van het nader gehoor zullen in beginsel binnen de algemene asielprocedure in het aanmeldcentrum worden ingediend. Dit betekent dat alle processtappen waarbij de aanwezigheid van de asielzoeker nodig is, in beginsel binnen de algemene asielprocedure worden afgerond en vervolgens kan worden beoordeeld of er binnen die procedure zorgvuldig kan worden beslist. In de oude procedure waren voor de indiening van correcties en aanvullingen en de zienswijze op het voornemen op grond van het Vb 2000 in totaal drie procesuren beschikbaar. In de nieuwe procedure worden deze processtappen op twee verschillende dagen afgerond. Voor de asielzoekers op wiens asielaanvraag in de algemene asielprocedure kan worden beslist, betekent dit meer tijd in vergelijking met de oude situatie. Voor de asielzoekers van wie de asielaanvraag in de verlengde asielprocedure wordt afgedaan is dit een verkorting van de termijn. Deze verkorting acht ik, mede gelet op de voorgestelde verbeteringen van de asielprocedure en het belang van verkorting van de verlengde asielprocedure, verantwoord.

De voorlichting en voorbereiding door Vluchtelingenwerk en rechtsbijstand voor en tijdens de algemene asielprocedure in het aanmeldcentrum en het beschikbaar komen van meer tijd voor die activiteiten zal naar verwachting leiden tot verbetering van de kwaliteit van het nader gehoor. Daarnaast leidt het afronden van het nader gehoor in het aanmeldcentrum en de indiening van correcties en aanvullingen op het verslag van het nader gehoor in het aanmeldcentrum, tot een versnelling in de procedure van circa acht weken voor die asielaanvragen die verder worden behandeld in de verlengde asielprocedure (na het aanmeldcentrum). Dit wordt enerzijds bereikt omdat in de oude situatie voor het indienen van correcties en aanvullingen in de praktijk vier weken werd gegeven. Anderzijds vervalt de verplichting om asielzoekers die al in het aanmeldcentrum over hun asielmotieven zijn gehoord, maar op wiens aanvraag niet is beslist in de procedure in het aanmeldcentrum, na de algemene asielprocedure opnieuw te horen over hun asielmotieven. Deze verplichting vloeide voort uit het oude artikel 3.111 van het Vb 2000 op grond waarvan de asielzoeker van wie de aanvraag niet in de procedure in het aanmeldcentrum wordt afgewezen, niet eerder dan zes dagen na de indiening van de aanvraag nader gehoord mag worden. Dit (onnodig) dubbel horen in de oude situatie wordt in de nieuwe procedure voorkomen.

Wanneer de IND de haar ter beschikking staande termijnen in de algemene asielprocedure in het aanmeldcentrum overschrijdt wordt, behoudens de mogelijkheid tot verlenging van die procedure, niet meer in het aanmeldcentrum op de asielaanvraag beslist. De asielzoeker wordt dan doorgezonden naar de verlengde asielprocedure en naar een opvangvoorziening, zoveel mogelijk na afronding van het nader gehoor en indiening van de correcties en aanvullingen in het aanmeldcentrum. In bepaalde gevallen zal de algemene asielprocedure in het aanmeldcentrum kunnen worden verlengd tot maximaal veertien dagen. Aldus wordt gerealiseerd dat in die gevallen noodzakelijk onderzoek in het aanmeldcentrum kan worden opgestart evenals dat de asielaanvraag, indien de zorgvuldigheid dat toelaat, nog in het aanmeldcentrum kan worden afgedaan.

Ook in het aanmeldcentrum Schiphol wordt de duur van de procedure uitgedrukt in dagen en op in beginsel maximaal 8 dagen vastgesteld. Asielzoekers aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd en een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd dienen hun asielaanvraag daar in. Zolang de voorzieningen van de locatie waar de asielzoekers voorafgaand aan de algemene asielprocedure in het aanmeldcentrum Schiphol dienen te verblijven nog niet op het benodigde niveau zijn, zal daar geen rust- en voorbereidingstermijn voor de procedure worden geplaatst. Tot die tijd zal het niet in alle gevallen mogelijk zijn het nader gehoor en de correcties en aanvullingen op het verslag van het nader gehoor af te ronden in de algemene asielprocedure op Schiphol. Net als nu zal daartoe aan de hand van de beschikbare informatie worden bezien of een zorgvuldige beslissing binnen het tijdsbestek van de algemene asielprocedure mogelijk is. Indien dat niet het geval is, zal de asielzoeker worden doorgezonden naar de verlengde asielprocedure.

Op het terrein van de luchthaven Schiphol wordt een nieuw Justitiecomplex ontwikkeld, waarvan het Aanmeldcentrum een onderdeel zal gaan vormen. De wensen ten aanzien van het voorzieningenniveau worden daarbij betrokken. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat de situatie op AC Schiphol ook in de oude situatie al anders was dan voor de andere aanmeldcentra. Ten aanzien van AC Schiphol stroomden ook in de oude situatie asielzoekers direct de procedure in en was geen sprake van verblijf in de TNV. De procedure van in beginsel maximaal 8 dagen en de daarmee gepaard gaande verbeteringen worden wel gelijk op Schiphol geïntroduceerd.

De bovengenoemde maatregelen leiden tot een snellere én zorgvuldigere procedure. Daarmee kunnen zij ook de noodzaak voor het indienen van tweede of volgende asielaanvragen en voor reguliere aanvragen voor een deel wegnemen. De redenen voor het indienen van tweede of volgende aanvragen zullen verder deels worden weggenomen door medische omstandigheden en het zijn van slachtoffer van mensenhandel zoveel mogelijk in de procedure mee te nemen of een aparte procedure daarover zoveel mogelijk parallel te laten verlopen. In dit besluit wordt daartoe geregeld dat ambtshalve een verblijfsvergunning regulier, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel kan worden verleend.

Voorts wordt in dit besluit de procedure voor de beoordeling van vervolgaanvragen vereenvoudigd. De procedure wordt eenvoudiger en korter door de voorbereidingstermijn van ten minste zes dagen achterwege te laten. Ook het eerste gehoor naar identiteit, nationaliteit en reisroute blijft in beginsel achterwege. Vanwege de eerdere gevolgde procedure zijn deze processtappen niet nodig met het oog op de zorgvuldige besluitvorming. Uitgangspunt blijft dat de zorgvuldigheid en de kwaliteit van het besluit op de tweede of volgende asielaanvraag gewaarborgd blijft. Er wordt daarom wel een (nader) gehoor afgenomen en rechtsbijstand blijft beschikbaar.

Bovenstaande wijzigingen zullen er, samen met de verruiming van de ex nunc-toetsing in de Vw 2000, naar verwachting toe leiden dat in de regel een afdoende beoordeling van verzoeken om toelating in de eerste procedure wordt bereikt. Vervolgprocedures zullen daardoor in elk geval korter en meer dan thans uitzonderlijk worden.

Tot slot wordt nog opgemerkt dat het bestaande systeem, waarin de procedure in het aanmeldcentrum niet als aparte procedure is opgenomen in de Vw 2000 en het merendeel van de procedurele bepalingen is neergelegd in het Vb 2000, in dit besluit gehandhaafd blijft. De artikelen 37 en 39 van de Vw 2000 vormen de delegatiebasis voor regeling van de daar genoemde onderwerpen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Op basis van deze delegatiebepaling kan de rust- en voorbereidingstermijn en de inrichting van de nieuwe procedure, waaronder de vereenvoudigde procedure in het geval van tweede of volgende asielaanvragen, in het Vb 2000 worden geregeld.

3. Kosten/bestuurlijke lasten

De uitvoeringsconsequenties van de kabinetsvoornemens die in de brief over de effectievere asielprocedure van 24 juni 2008 zijn opgenomen, zijn vooraf gevalideerd in de ex ante-uitvoeringstoets. Deze toets is als bijlage bij de beantwoording van de vragen die zijn gesteld in het kader van het schriftelijk overleg over de brief van 24 juni 2008, naar de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II 2008/09, 29 344, nr. 68). Hierin zijn enerzijds de operationele en organisatorische gevolgen van de maatregelen bezien en anderzijds de mogelijke financiële consequenties. Bij de uitvoeringstoets zijn diverse relevante organisaties betrokken, waaronder de IND, de Raad voor Rechtsbijstand, de Dienst Terugkeer en Vertrek, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en Vluchtelingenwerk Nederland (VWN). De Raad voor de Rechtspraak heeft op 15 mei 2008 over de gevolgen van de verruiming van de ex-nunc toetsing voor de werklast en de financiële gevolgen geadviseerd.

De invoering van de maatregelen uit de brief vergt in de eerste jaren een investering in de organisatie van diverse organisaties in de vreemdelingenketen. Het betreft onder meer het inrichten van rust- en voorbereidingslocaties, vrijheidsbeperkende locaties en het opschalen van de aanmeldcapaciteit bij de IND.

Tevens wordt in de nieuwe procedure meer gelegenheid geboden voor de rechtsbijstandverlening in een vroeg stadium. De uitvoeringstoets geeft inzicht in de effecten die als gevolg van de nieuwe procedure verwacht mogen worden. De effecten van de maatregelen die zijn doorgerekend in de uitvoeringstoets leiden tot meerkosten in de eerste drie jaren en structurele besparingen in verdere jaren. De besparingen doen zich in zijn volle omvang vanaf 2013 voor, waardoor de invoering meerjarig budgettair neutraal is.

Met de middelen die voor investeringen zijn gereserveerd wordt voorzien in de voorbereidingen die de betrokken organisaties, waaronder de IND, moeten treffen om in de geraamde capaciteitsbehoefte te voorzien. In de nieuwe algemene asielprocedure wordt de planbaarheid zowel voor de IND als voor de asielzoeker en rechtsbijstand vergroot, doordat in beginsel van tevoren bekend is op welke dag een bepaalde processtap in de procedure plaatsvindt.

Er komt meer rechtsbijstand, waaronder meer momenten voor rechtsbijstand (rust- en voorbereidingstermijn). Advocaten zullen daardoor vaker in de aanmeldcentra aanwezig moeten zijn. In overleg met de advocatuur en de Raad voor Rechtsbijstand zijn de mogelijkheden verkend voor het zoveel mogelijk beperken van het aantal advocaten per asielzoeker. In de brief van 7 oktober 2009 («rechtsbijstand en medische problematiek in het vreemdelingenbeleid» Kamerstukken II 2008/09, 19 637, nr. 1305) is uiteengezet dat door het de asielzoeker toe te staan in de rust- en voorbereidingstermijn naar zijn advocaat te reizen, en de voorbereiding op het nader gehoor door een spreekuurvoorziening te laten doen, er een hoge mate van continuïteit mogelijk wordt. Onder meer hierdoor is het mogelijk om te komen tot een situatie waarin een asielzoeker merendeels door één en dezelfde advocaat wordt bijgestaan. Dit zal de vertrouwensband vergroten en de kwaliteit van de rechtsbijstandverlening ten goede komen.

Het streven is om zodanig te plannen dat de advocaat die is bezocht tijdens de rust- en voorbereidingstermijn op dag 4 (correcties en aanvullingen) en dag 6 (zienswijze) van de procedure naar de asielzoeker toegaat. Hiermee is het advies van de projectgroep «Uren rechtsbijstand» overgenomen. Dit is voorts in een mondeling overleg met leden van deze projectgroep doorgesproken.

Het voorstel tot wijziging van het Vb 2000 is ter toetsing voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal). Het Adviescollege heeft besloten het voorstel niet te selecteren voor een advies.

4. Wijze van totstandkoming

Het ontwerp van deze wijziging van het Vb 2000 in verband met het aanpassen van de asielprocedure is voor advies voorgelegd aan de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACVZ), de Raad voor de Rechtspraak, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de Nederlandse Orde van Advocaten, Amnesty International, UNHCR en VWN. Van al deze organisaties zijn adviezen ontvangen. De adviezen zijn waar nodig op de daartoe geëigende plaatsen verwerkt in het wetsvoorstel of de toelichting.

Artikel I

Onderdeel A (artikel 1.1)

In artikel 1.1, onder f, was de definitie van procesuren neergelegd. Dit onderdeel vervalt omdat de duur van de algemene asielprocedure in een aanmeldcentrum niet meer wordt uitgedrukt in procesuren, maar in (kalender)dagen. Voor de processtappen in die procedure is in beginsel steeds één dag beschikbaar. Hiermee is er, in combinatie met de verlenging van die procedure, meer tijd beschikbaar voor de asielzoeker en zijn rechtsbijstandverlener, meer ruimte voor de IND om een zorgvuldige beslissing op de asielaanvraag te nemen en wordt de planbaarheid van de algemene asielprocedure voor zowel de IND als voor de asielzoeker en rechtsbijstand vergroot.

Onderdeel B (artikel 3.6)

Op grond van artikel 3.6, eerste lid, van het Vb 2000 kunnen bijzondere aspecten ten aanzien van de persoon van de asielzoeker, voor zover die aspecten leiden tot een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, worden meegenomen in de asielprocedure. Daarin is neergelegd dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ambtshalve kan worden verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken of verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling.

Hieraan wordt thans een categorie toegevoegd waarin de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ambtshalve kan worden verleend: de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel. Dat betekent dat er in de asielprocedure zo nodig een ambtshalve toets plaatsvindt, indien tijdens die procedure is gebleken dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze ambtshalve toets aan de geldende voorwaarden voor het betreffende verblijfsdoel kan vervolgens leiden tot verlening van een verblijfsvergunning regulier. Daardoor kan de noodzaak voor het indienen van een tweede aanvraag worden weggenomen.

De periode van maximaal drie maanden, waarbinnen vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel een beslissing moeten nemen of zij aangifte willen doen van mensenhandel of dat zij hiervan afzien, blijft gehandhaafd. Binnen het kader van de algemene asielprocedure in het aanmeldcentrum zal ambtshalve een vergunning onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel kunnen worden verleend wanneer binnen de termijnen van die procedure besloten is om aangifte te doen en aan de overige voorwaarden voor het betreffende verblijfsdoel is voldaan.

Onderdelen C en D (artikelen 3.46 en 3.47)

Deze onderdelen bevatten wijzigingen van de artikelen 3.46 en 3.47 van het Vb 2000. In het nieuwe derde lid van deze artikelen is geregeld dat een aanvraag om een verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf of wegens het ontbreken van voldoende middelen van bestaan indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000.

Als gevolg van de mogelijkheid van een medisch onderzoek in de zogenaamde rust- en voorbereidingstermijn (artikel 3.109, vijfde lid, van het Vb 2000) zullen medische omstandigheden bij de asielzoeker eerder worden onderkend. Deze omstandigheden worden zoveel mogelijk in de asielprocedure meegenomen. Indien deze omstandigheden geen grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zijn, zal (ambtshalve) worden beoordeeld of deze omstandigheden grond zijn voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000. De beleidsregels omtrent de toepassing van dit artikel worden opgenomen in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

Het resultaat van de beoordeling of de medische omstandigheden grond zijn voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 wordt waar mogelijk meegenomen in de meeromvattende beschikking waarin op de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt beslist. Indien wordt geoordeeld dat artikel 64 van de Vw 2000 van toepassing is, verkrijgt de asielzoeker rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder j, van de Vw 2000. De verkrijging van rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 van de Vw 2000 gedurende de asielprocedure laat de mogelijkheid van beroep tegen de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onverlet. Indien de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt afgewezen en de asielzoeker van oordeel is dat artikel 64 van de Vw 2000 ten onrechte niet is toegepast, zal de rechtbank dit kunnen meenemen bij de toetsing van de meeromvattende beschikking. De verruiming van de ex nunc-toetsing in artikel 83 van de Vw 2000 brengt met zich dat de rechtbanken ook rekening kunnen houden met medische omstandigheden die na het bestreden besluit zijn aangevoerd, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

Indien de uitzetting van de vreemdeling een jaar is opgeschort op grond van artikel 64 van de Vw 2000, kan hij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met medische behandeling. Deze aanvraag wordt uiteraard niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (artikel 16, eerste lid, onder a, van de Vw 2000), niet voldoet aan het vereiste van voldoende middelen van bestaan (artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vw 2000) of op de grond dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld. De mogelijkheid tot verlening van een reguliere verblijfsvergunning voor het ondergaan van een medische behandeling nadat de uitzetting een jaar is opgeschort op grond van artikel 64 van de Vw 2000, geldt niet alleen ten aanzien van (ex-)asielzoekers, maar ook ten aanzien van andere vreemdelingen. Zij geldt uiteraard niet voor vreemdelingen die in hun land van herkomst een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor het ondergaan van een medische behandeling indienen.

Onderdeel E (artikel 3.105d)

Artikel 3.105d was in het Vb 2000 opgenomen in verband met de implementatie van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende minimumnormen voor de erkenning en de status van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PbEU L 304) (hierna: de richtlijn). Op deze wijze werd gewaarborgd dat in de situaties als bedoeld in de onderdelen a en c van artikel 15 van de richtlijn, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onderdeel b, van de Vw 2000 kan worden verleend.

Op 17 februari 2009 heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een arrest gewezen betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betrof de uitlegging van artikel 15, onderdeel c, van de richtlijn. Naar aanleiding van het eerdergenoemde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 februari 2009 wordt het passend geacht om de onderdelen a en c van artikel 15 van de richtlijn op het niveau van de Vw 2000 te implementeren. In de wijziging van de Vw 2000 in verband met het aanpassen van de asielprocedure, is hierin voorzien. Deze onderdelen van artikel 15 van de richtlijn zijn opgenomen in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000. Artikel 3.105d kan daarmee komen te vervallen omdat het overbodig is geworden.

Onderdelen F en G (artikelen 3.109 tot en met 3.118a)
Artikel 3.109

Indien vreemdelingen na aankomst in Nederland te kennen geven asiel te willen aanvragen, wordt een aantal handelingen verricht. Er vindt identificatie en registratie plaats. Op grond van artikel 55, tweede lid, van de Vw 2000 worden zij onderzocht op de aanwezigheid van documenten aan kleding en lichaam. Tevens wordt hun bagage hierop onderzocht. Daarnaast wordt gecontroleerd of zij voorkomen in het opsporingsregister of in het (N)SIS en worden identificatiefoto’s vervaardigd en een dactyloscopisch signalement opgemaakt.

In de huidige praktijk worden zij in de meeste gevallen doorgestuurd naar de TNV nadat een afspraak is gemaakt voor de indiening van de asielaanvraag in een aanmeldcentrum. Daar worden zij opgevangen. Op deze wijze kan de instroom in het aanmeldcentrum worden gereguleerd en de asielprocedure in het aanmeldcentrum worden gepland. In de TNV verblijven zij enige weken alvorens de formele asielaanvraag te ondertekenen. Met de ondertekening van de asielaanvraag gaat de asielprocedure van start.

Genoemde handelingen zullen ook in de nieuwe situatie worden verricht indien een vreemdeling te kennen geeft asiel te willen aanvragen. Daarnaast bestaat er ook in de nieuwe situatie een procesmatig belang om een wachttijd voorafgaande aan de algemene asielprocedure aan te houden, opdat tolken en verwerkingscapaciteit zo efficiënt mogelijk kunnen worden ingezet en in overleg met betrokken partijen kan worden bepaald wanneer de vreemdeling instroomt in de algemene asielprocedure. In de nieuwe procedure verblijft de vreemdeling die te kennen geeft een asielaanvraag in te willen dienen, daarom net als nu eerst gedurende een bepaalde tijd in een opvangvoorziening voordat hij of zij de asielaanvraag indient. Deze situatie wordt thans geformaliseerd. Daartoe wordt de termijn van tenminste zes dagen, die op grond van het voormalige artikel 3.111 van het Vb 2000 werd gegund aan vreemdelingen van wie de asielaanvraag niet is afgewezen in het aanmeldcentrum, geplaatst vóór de formele indiening van de asielaanvraag. Dat is een meer voor de hand liggend tijdstip.

Deze periode, waarin de non-refoulementverplichting onverkort geldt, is een waarborg voor de vreemdeling: zij strekt er immers in de eerste plaats toe dat de asielzoeker tot rust kan komen en zich op de asielprocedure kan voorbereiden. Dit komt ook de zorgvuldigheid van de asielprocedure ten goede. De asielzoeker wordt gedurende deze periode de gelegenheid gegeven om te worden voorgelicht over het verloop van de procedure en inhoudelijk op de procedure en de gehoren te worden voorbereid. Daartoe kan hij zich gedurende deze periode met Vluchtelingenwerk en rechtsbijstand verstaan. Hiermee wordt geborgd dat de activiteiten voorlichting en voorbereiding voorafgaand aan de asielprocedure een formele plaats krijgen. In de huidige regelgeving en het huidige beleid zijn zij niet neergelegd.

Deze zogeheten rust- en voorbereidingstermijn en het geven van gelegenheid tot voorlichting en voorbereiding tijdens die termijn worden geregeld in het eerste en tweede lid, eerste volzin, van artikel 3.109. De tweede volzin van artikel 3.109, tweede lid, komt overeen met het voormalige artikel 3.113 van het Vb 2000, met dien verstande dat gesproken wordt over de vreemdeling die te kennen geeft een asielaanvraag in te willen dienen. Daarmee is deze volzin ook van toepassing op vreemdelingen die te kennen hebben gegeven een asielaanvraag in te willen dienen maar voor wie de rust- en voorbereidingstermijn niet geldt.

Tijdens de rust- en voorbereidingstermijn stelt de IND geen vragen aan de asielzoeker over de (inhoud van de) asielmotieven. Hierin onderscheidt de rust- en voorbereidingstermijn zich van de asielprocedure. Dat is vastgelegd in het derde lid. Dit laat overigens onverlet dat eventuele onderzoeksresultaten van onderzoek gedaan tijdens de rust- en voorbereidingstermijn al tijdens die termijn aan de asielzoeker c.q. diens rechtsbijstandverlener kunnen worden overhandigd. De IND zal de asielzoeker echter niet tijdens deze termijn over de resultaten van het onderzoek (in een gehoor) bevragen. Dat gebeurt pas nadat de asielzoeker (op afspraak) is opgenomen in de algemene asielprocedure.

Het vierde lid betreft het maken van identificatiefoto’s van de vreemdeling en het nemen van vingerafdrukken en komt overeen met het voormalige artikel 3.109 van het Vb 2000. De verplichting om medewerking te verlenen aan het maken van identificatiefoto’s en het maken van een dactyloscopisch signalement is gebaseerd op artikel 54, eerste lid, onder c, van de Wet.

In dit verband wordt overigens opgemerkt dat in de artikelen 69 en 82 van de Vw 2000 wordt bepaald dat onderzoek, voorafgaand aan de indiening van de asielaanvraag, naar de identiteit, vingerafdrukken en nationaliteit van de vreemdeling, naar de bij hem aangetroffen of door hem overgelegde documenten en bescheiden, dan wel naar de vraag of artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, kan worden toegepast, er niet toe leidt dat de termijnen van de asielprocedure gaan lopen. De in deze bepalingen bedoelde documenten zijn documenten die verkregen zijn op grond van artikel 55 van de Vw 2000, waarin de bevoegdheid is opgenomen tot onderzoek aan kleding en lichaam en het doorzoeken van bagage van de vreemdeling die te kennen heeft gegeven een asielaanvraag in te willen dienen. Voorts gaat het om documenten die de asielzoeker uit eigen beweging heeft overgelegd.

Dat onderzoek naar de identiteit en de vingerafdrukken snel kan plaatsvinden, is van groot belang in het kader van de Dublin1- en Eurodac-Verordening2 maar ook – bijvoorbeeld – bij de controle of sprake is van criminele antecedenten. Voorts komt het een snelle en zorgvuldige besluitvorming over de asielaanvraag ten goede en bevordert het het vertrek van de vreemdeling die daarvoor in aanmerking komt, uit Nederland. Indien daarvoor aanleiding bestaat kan een leeftijdsonderzoek worden opgestart.

Ook de mogelijkheid om snel onderzoek te kunnen verrichten naar reis- en identiteitspapieren dan wel andere bescheiden (zoals arrestatiebevelen en vonnissen ter ondersteuning van de asielmotieven) is van groot belang voor een efficiënte behandeling van de asielaanvraag. Zulk onderzoek wordt bijvoorbeeld verricht naar de authenticiteit van de documenten.

Ook is gewenst dat in het kader van de toepassing van de Dublinverordening, zo mogelijk reeds in de rust- en voorbereidingstermijn, de nodige stappen kunnen worden gezet, zoals het indienen van een claim, indien blijkt dat een vreemdeling eerder in een andere lidstaat heeft verbleven. Dit onderzoek laat onverlet dat de IND zich gedurende de rust- en voorbereidingstermijn niet inhoudelijk met de asielzoeker verstaat over de asielmotieven, zoals is bepaald in het derde lid. Het onderzoek leidt er niet toe dat de termijnen van de asielprocedure gaan lopen. Deze beginnen, blijkens het bepaalde in artikel 3.110, derde lid, op de dag waarop de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt ingediend.

In het vijfde lid is vermeld dat de vreemdeling die te kennen geeft een asielaanvraag in te willen dienen een medisch onderzoek wordt aangeboden. Dit medisch onderzoek, indien aan de orde, bevordert de zorgvuldigheid van de asielprocedure. Hiermee kunnen medische en psychische problemen die van invloed zijn op het horen van de asielzoeker worden onderzocht. Dit kan leiden tot het oordeel dat het horen om medische redenen niet mogelijk of wenselijk is en dat de asielzoeker wordt doorgezonden naar de verlengde asielprocedure. Het medisch onderzoek draagt er ook toe bij dat de eventuele noodzaak voor het starten van een medische behandeling snel kan worden onderkend en niet pas in een late(re) fase, bijvoorbeeld tijdens de voorbereiding van de terugkeer. Het vroegtijdig signaleren van medische aspecten strekt er ook toe dat medische aspecten waar mogelijk reeds tijdens de asielprocedure worden beoordeeld. Dit kan er ook toe bijdragen dat tweede asielaanvragen of reguliere aanvragen gedeeltelijk worden voorkomen.

Voor de contouren van het medisch onderzoek wordt verwezen naar de brief aan de Tweede Kamer van 16 december 2008 (Kamerstukken II, 2008/09, 29 689, nr. 243) en de eerder genoemde brief van 7 oktober 2009. Gelet op het belang van het medisch onderzoek is bepaald dat dit onderzoek aan de vreemdeling wordt aangeboden. Dit onderzoek geschiedt (uiteraard) op vrijwillige basis. Voor dit onderzoek is de schriftelijke toestemming van de vreemdeling vereist. Overigens wordt nog opgemerkt dat de omstandigheid dat de asielzoeker gedurende de rust- en voorbereidingstermijn een medisch onderzoek wordt aangeboden, onverlet laat dat medisch onderzoek ook op ieder ander moment in de procedure kan plaatsvinden indien dat nodig is.

In het zesde lid zijn gevallen aangewezen waarin de rust- en voorbereidingstermijn van tenminste zes dagen niet van toepassing is. De rust- en voorbereidingstermijn, waarmee de zorgvuldigheid van de asielprocedure vergroot wordt, geldt in beginsel voor alle asielzoekers. Het is wenselijk dat hierop enkele uitzonderingen kunnen worden gemaakt, zodat de asielzoeker onder bepaalde omstandigheden direct in de procedure in het aanmeldcentrum kan worden opgenomen.

De rust- en voorbereidingstermijn geldt niet voor vreemdelingen die een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid vormen. In deze gevallen is het wenselijk dat de asielprocedure direct kan beginnen opdat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt over de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling en de vreemdeling, indien hij niet in aanmerking komt voor verblijf, terugkeert naar het land van herkomst. In het beleid in de Vc 2000 zal hieraan nadere invulling worden gegeven.

Een uitzondering op de rust- en voorbereidingtermijn geldt ook voor de asielzoeker die overlast bezorgt aan andere vreemdelingen in de opvangvoorziening, aan personen die werken in die voorziening of aan anderen. Ook dan moet het mogelijk zijn dat de asielprocedure zo snel mogelijk begint. Asielzoekers die niet hanteerbaar zijn in de TNV kunnen thans al zo spoedig mogelijk in de procedure in het aanmeldcentrum worden opgenomen. Deze mogelijkheid dient behouden te blijven. Ook aan deze uitzondering zal in de Vc 2000 nadere uitwerking worden gegeven.

De rust- en voorbereidingstermijn wordt ook achterwege gelaten voor asielzoekers die een tweede of volgende asielaanvraag indienen. Dit is gerechtvaardigd omdat vanwege de eerder gevolgde procedure deze termijn niet nodig is.

Verder is de rust- en voorbereidingstermijn niet van toepassing indien aan de vreemdeling zijn vrijheid is ontnomen op grond van artikel 59 van de Vw 2000, tenzij de aanvraag is ingediend in een aanmeldcentrum. Indien de aanvraag is ingediend in een aanmeldcentrum, wordt de procedure daar doorlopen met daaraan voorafgaand de rust- en voorbereidingstermijn. Indien een vreemdeling van wie op grond van de Vw 2000 de vrijheid is ontnomen (in een politiecel, een cel van de Koninklijke marechaussee (Kmar), een Huis van Bewaring of een uitzetcentrum) te kennen geeft een asielaanvraag in te willen dienen, kan de IND besluiten om de vreemdeling voor de indiening van de aanvraag over te plaatsen naar het aanmeldcentrum Schiphol. Daar wordt de vrijheidsontneming voortgezet en de vreemdeling in de gelegenheid gesteld de asielaanvraag in te dienen. Daarmee geldt voor asielzoekers die de asielaanvraag indienen in een aanmeldcentrum zoveel mogelijk dezelfde procedure.

Het zevende lid maakt het mogelijk om bij ministeriële regeling uitzonderingen te maken op de rust- en voorbereidingstermijn van het eerste lid voor de aanvraag die wordt ingediend in het aanmeldcentrum Schiphol. Asielzoekers aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd en een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd dienen hun asielaanvraag daar in. Voor het aanmeldcentrum Schiphol zal, zoals ook is opgemerkt in het algemeen deel van deze toelichting, de rust- en voorbereidingstermijn daarom eerst gelden indien de voorzieningen op de locatie waar de asielzoekers voorafgaand aan de algemene asielprocedure moeten verblijven op het voor een langer verblijf benodigde niveau zijn. De wensen ten aanzien van het voorzieningenniveau worden betrokken bij de ontwikkeling van een nieuw Justitiecomplex op Schiphol, waarvan het aanmeldcentrum onderdeel uitmaakt. Er wordt gestreefd naar een gesloten setting waarbinnen de asielzoekers zich zo vrij mogelijk kunnen bewegen. De uitzondering voor het aanmeldcentrum Schiphol zal worden vastgelegd in het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna te noemen: VV 2000) en zal komen te vervallen wanneer de voorzieningen op het benodigde niveau zijn.

Wellicht ten overvloede wordt nog opgemerkt dat de in dit artikel neergelegde regeling alleen betrekking heeft op de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet. Aanvragen tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en de intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde en onbepaalde tijd doorlopen niet de procedure in een aanmeldcentrum. Voor deze aanvragen is de rust- en voorbereidingstermijn niet van toepassing.

Artikel 3.110

Het eerste lid van dit artikel bepaalt de maximale duur van de algemene asielprocedure in het aanmeldcentrum op in beginsel acht dagen. Dit betekent een verlenging van de procedure ten opzichte van de oude situatie, waarin de procedure in het aanmeldcentrum ten hoogste 48 procesuren duurde.

De acht dagen worden als volgt ingericht: dag 1: (formele) indiening van de aanvraag en eerste gehoor; dag 2: voorbereiding op nader gehoor; dag 3: nader gehoor; dag 4: correcties en aanvullingen op het verslag van het nader gehoor; dag 5: schriftelijk voornemen; dag 6: zienswijze op het voornemen; dag 7 en 8: concipiëren en uitreiken van de beschikking. Deze processtappen vinden aldus op achtereenvolgende dagen plaats. Dat betekent dat aan de Minister van Justitie enerzijds en de vreemdeling en zijn rechtshulpverlener anderzijds steeds een dag ter beschikking staan om de betreffende processtap te realiseren. Het uitreiken van de beschikking moet op de achtste dag zijn gerealiseerd. Deze inrichting van de procedure betekent dat de dagen waarop de asielzoeker zich voorbereidt op het nader gehoor, de correcties en aanvullingen op het verslag van het nader gehoor indient en de zienswijze op het voornemen indient, ter beschikking staan van de asielzoeker en zijn rechtshulpverlener voor de door hen te verrichten werkzaamheden. Op de dagen die de IND ter beschikking staan kunnen zo nodig ook andere werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van de asielzoeker vereist is plaatsvinden, bijvoorbeeld een aanvullend gehoor naar aanleiding van de correcties en aanvullingen of de zienswijze.

In het tweede lid is bepaald dat het onderzoek naar de aanvraag in een aanmeldcentrum kan worden verlengd. De gevallen, waarin dat mogelijk is, zijn neergelegd in artikel 3.115. In die gevallen bedraagt de duur van de procedure ten hoogste veertien dagen. Deze verlengingsmogelijkheid van maximaal zes dagen is nodig om in een aantal gevallen noodzakelijk onderzoek in het aanmeldcentrum op te kunnen starten evenals de aanvraag, indien de zorgvuldigheid dat toelaat, nog in de algemene asielprocedure in het aanmeldcentrum af te kunnen doen. Zie in dit verband de toelichting op artikel 3.115.

Afdoening in die procedure blijft aangewezen in die gevallen waarin zonder tijdrovend onderzoek op zorgvuldige wijze kan worden vastgesteld dat de aanvraag kan worden afgewezen of ingewilligd. Op de aanvragen waarop een zorgvuldige beslissing in de algemene asielprocedure binnen het gegeven tijdsbestek niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat nader onderzoek nodig is dat niet binnen de beschikbare tijd kan worden verricht of omdat een besluitmoratorium van kracht is, wordt beslist in de verlengde asielprocedure.

Het derde lid geeft aan dat de termijnen in het eerste en tweede lid beginnen op de dag waarop de asielaanvraag wordt ingediend (ondertekend). De asielprocedure begint dus niet te lopen gedurende de rust- en voorbereidingstermijn nadat de asielzoeker te kennen heeft gegeven een asielaanvraag in te willen dienen, maar op het moment van indiening (ondertekening) van de asielaanvraag. De omstandigheid dat de asielprocedure eerst start op het moment van indiening van de asielaanvraag vormt tevens een waarborg dat geen afbreuk wordt gedaan aan het primaire doel van de rust- en voorbereidingstermijn: het gunnen van rust aan de asielzoeker voorafgaand aan, en het voorbereiden van de asielzoeker op de procedure. Een later moment in de procedure, bijvoorbeeld het tijdstip van het eerste gehoor zoals de ACVZ heeft gesuggereerd is, is minder geschikt als start van de asielprocedure omdat de procedure dan in feite al begonnen is. De (formele) indiening van de asielaanvraag bepaalt ook voor een groot deel de datum met ingang waarvan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend (artikel 44 lid 2 van de Vw 2000).

Het moment van indienen van een asielverzoek door de asielzoeker in de zin van richtlijn nr. 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingstatus (Pb EU L326, de procedurerichtlijn) is het startmoment voor het toepassingsbereik van de richtlijn. De minimumnormen in de richtlijn bepalen niet wanneer sprake is van een ingediend asielverzoek of de vorm waarin een asielverzoek zou moeten worden gedaan en laten de lidstaten derhalve vrijheid.

Verder wordt in het derde lid geregeld welke dagen niet meetellen voor het berekenen van de duur van de algemene asielprocedure in een Aanmeldcentrum. Het betreft, met uitzondering van Aanmeldcentrum Schiphol, de dagen gedurende het weekeinde en de dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen. Dit is ontleend aan het vervallen artikel 1.1, onder f, van het Vb 2000. In het Aanmeldcentrum Schiphol wordt gedurende de weekenden en tijdens erkende feestdagen dus in ieder geval gewerkt. In het artikellid wordt tevens in de mogelijkheid voorzien dat in een ministeriële regeling, te weten het VV 2000, wordt bepaald dat indien daartoe aanleiding bestaat, bijvoorbeeld in verband met een verhoogde asielinstroom, ook in andere aanmeldcentra op deze dagen wordt gewerkt. Het is derhalve uitsluitend mogelijk in het VV 2000 te regelen dat de feitelijke duur van de procedure, dus de duur in kalenderdagen, korter wordt. Verlengen bij ministeriële regeling is dus niet mogelijk.

Artikel 3.111

Artikel 3.111 komt overeen met het oude artikel 3.114. In de toepassing van dit artikel is geen wijziging beoogd. Dit artikel laat onverlet dat de asielzoeker reeds tijdens de rust- en voorbereidingstermijn uit eigen beweging gegevens, waaronder documenten, kan verstrekken op basis waarvan kan worden onderzocht of de asielzoeker voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking komt.

Artikel 3.112

In het eerste lid wordt bepaald dat de asielzoeker op de eerste dag het eerste gehoor ondergaat. Een eerste gehoor wordt alleen afgenomen in geval van een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dit blijkt uit de verwijzing naar het verlenen van de vergunning bedoeld in artikel 28 van de Wet. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd anders dan dat het eerste gehoor op de eerste dag plaatsvindt. De inhoud en de methode van het gehoor wijzigen niet. Wel kan dit gehoor in voorkomende gevallen effectiever zijn omdat de resultaten van onderzoeken die tijdens de rust- en voorbereidingstermijn zijn verricht naar identiteit, nationaliteit en reisroute kunnen worden meegenomen.

In de praktijk komt het voor dat de asielzoeker al tijdens het eerste gehoor, zonder dat hem daarnaar gevraagd is, verklaringen aflegt over zijn asielmotieven. Indien dat gebeurt zal, conform de huidige praktijk, omtrent die asielmotieven tijdens het eerste gehoor niet doorgevraagd worden. Dat past overigens ook niet in de algemene asielprocedure, waarin het nader gehoor op de derde dag plaatsvindt (artikel 3.113, tweede lid). Dat geldt temeer nu de asielzoeker in de nieuwe procedure in het belang van de zorgvuldigheid op de tweede dag in staat gesteld wordt zich op het nader gehoor voor te bereiden.

Het derde lid houdt in dat de vreemdeling op de eerste dag een afschrift van het eerste gehoor ter kennis wordt gebracht. De vreemdeling kan dan het resultaat van het eerste gehoor betrekken bij de voorbereiding op het nader gehoor.

In het vierde lid is opgenomen dat een eerste gehoor achterwege kan worden gelaten indien de vreemdeling eerder een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend. Bij tweede of volgende asielaanvragen is een eerste gehoor in beginsel niet nodig omdat in de eerder gevolgde procedure al een eerste gehoor heeft plaatsgevonden. In het beleid in de Vc 2000 kunnen gevallen worden aangewezen waarin een eerste gehoor bij tweede of volgende asielaanvragen niettemin plaatsvindt.

Artikel 3.113

Het eerste lid bepaalt dat de asielzoeker gedurende de tweede dag in staat wordt gesteld zich op het nader gehoor voor te bereiden. De vreemdeling kan zich daarop voorbereiden met behulp van een rechtshulpverlener. Wat betreft het nader gehoor zelf, dat blijkens het tweede lid op de derde dag plaatsvindt, is geen wijziging beoogd. Het nader gehoor dient er voor om de asielmotieven naar voren te brengen en is derhalve fundamenteel voor de beslissing op de aanvraag. Een afschrift van het schriftelijke verslag van het nader gehoor moet op de derde dag ter kennis worden gebracht aan de vreemdeling. De vreemdeling kan het verslag van het nader gehoor dan betrekken bij de verstrekking van de nadere gegevens (de correcties en aanvullingen op het verslag van het nader gehoor), als bedoeld in het vierde lid.

Zoals vermeld in het algemeen deel van deze toelichting, worden in beginsel alle vreemdelingen die een asielverzoek hebben ingediend in het aanmeldcentrum aan een nader gehoor onderworpen en worden in die gevallen ook de correcties en aanvullingen op het verslag van het nader gehoor in het aanmeldcentrum ingediend. Het nader gehoor wordt echter niet in alle gevallen in het aanmeldcentrum afgenomen. Dat wordt geregeld in het vijfde lid. Hierin is een aantal uitzonderingssituaties genoemd.

Ten eerste gaat het om vreemdelingen die om medische redenen niet aan een nader gehoor kunnen worden onderworpen. In de Vc 2000 zal nader worden vastgelegd wat moet worden verstaan onder «medische redenen». Ook alleenstaande minderjarige vreemdelingen onder de leeftijd van 12 jaar worden niet gehoord in de algemene asielprocedure in het aanmeldcentrum. Dat is een voortzetting van het huidige beleid. Een alleenstaande minderjarige vreemdeling beneden de leeftijd van twaalf jaar kan overigens ook, indien dat noodzakelijk is, de gehele asielprocedure in de verlengde asielprocedure doorlopen.

Bij ministeriële regeling kunnen andere gevallen worden aangewezen waarin een nader gehoor in het aanmeldcentrum achterwege blijft. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan asielzoekers aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd en die hun asielaanvraag indienen in het aanmeldcentrum op Schiphol. Hierboven is al geconstateerd dat op het aanmeldcentrum Schiphol tijdelijk, namelijk zolang de voorzieningen niet op het benodigde niveau zijn, geen rust- en voorbereidingstermijn voor de procedure zal worden geplaatst. Tot die tijd zal het niet mogelijk zijn het nader gehoor en de correcties en aanvullingen op het verslag van het nader gehoor in alle gevallen af te ronden op aanmeldcentrum Schiphol. Verder kan bijvoorbeeld gedacht worden aan asielzoekers voor wie voor een lange(re) periode een besluitmoratorium geldt. In dat geval wordt immers voorlopig niet op de asielaanvraag beslist en kan het aangewezen zijn om het nader gehoor op een later tijdstip plaats te laten vinden. Voor die gevallen waarin het nader gehoor niet heeft plaatsgevonden in het aanmeldcentrum, wordt de procedure vervolgd in de verlengde asielprocedure. Dat hoeft niet uitdrukkelijk te worden bepaald want vloeit voort uit het systeem van het Vb 2000.

Het zesde lid bevat waarborgen omtrent het nader gehoor in de verlengde asielprocedure. Deze waarborgen komen overeen met het voormalige artikel 3.111, tweede en derde lid, van het Vb 2000. Daaraan is toegevoegd dat dat nader gehoor zo spoedig mogelijk dient plaats te vinden.

Artikel 3.114

Na het nader gehoor en de correcties en aanvullingen op het verslag van het nader gehoor kan de asielprocedure worden afgerond, hetzij in de procedure in het aanmeldcentrum (artikelen 3.114 en 3.115), hetzij in de verlengde asielprocedure (artikel 3.116). Artikel 3.114 bevat de voornemenprocedure die wordt gevolgd indien het voornemen bestaat om de aanvraag in het aanmeldcentrum binnen 8 dagen af te wijzen. Indien de procedure in het aanmeldcentrum wordt voortgezet, wordt het schriftelijk voornemen uitgereikt op de vijfde dag en brengt de vreemdeling zijn zienswijze naar voren uiterlijk op de zesde dag. De verplichtende formulering sluit aan bij artikel 39, tweede lid, van de Vw 2000. De verplichting ziet op de termijn.

De vreemdeling is, net als in de oude situatie, niet verplicht een zienswijze naar voren te brengen. Indien de vreemdeling geen zienswijze naar voren brengt, dan kan de Minister van Justitie een beslissing op de aanvraag nemen. De vreemdeling heeft voor het naar voren brengen van een zienswijze beduidend meer tijd dan in de oude situatie, waarin voor het indienen van correcties en aanvullingen (inclusief de nabespreking van het nader gehoor) en het uitbrengen van de zienswijze op het voornemen drie procesuren beschikbaar waren. In de nieuwe situatie zijn het indienen van correcties en aanvullingen en het uitbrengen van de zienswijze processtappen waarvoor twee verschillende dagen in de procedure beschikbaar zijn.

Verder is, behoudens het bepaalde in artikel 3.115 (de verlengingsmogelijkheid), de termijn voor het uitbrengen van het voornemen bindend. Dat wil zeggen dat, indien niet aan die termijn is voldaan, de beslissing op het asielverzoek niet meer in de procedure in het aanmeldcentrum wordt genomen maar in de verlengde asielprocedure. De vreemdeling wordt in dat geval naar die procedure en naar een opvangvoorziening doorverwezen.

De leden drie tot en met vijf komen overeen met het oude artikel 3.117, derde tot en met vijfde lid, van het Vb 2000, met dien verstande dat in het vijfde lid is toegevoegd dat, indien de vreemdeling niet binnen de termijn zijn zienswijze schriftelijk naar voren heeft gebracht, dat niet in de weg staat aan het geven van de beschikking. Dat was niet neergelegd in het oude artikel 3.117 van het Vb 2000 maar was al wel in de Vc 2000 opgenomen beleid. De feitelijke situatie verandert op dit punt dus niet. De NVvR heeft voorgesteld deze bepaling (alsmede de artikelen 3.116, zesde lid en 3.118a, zesde lid, te formuleren als een bevoegdheid omdat er alleen behoefte zou kunnen bestaan aan zo een regel als de beschikking veel later wordt genomen dan het aflopen van de termijn voor het indienen van de zienswijze. Dit advies is niet gevolgd omdat deze bepalingen, die ook al in het huidige Vb zijn opgenomen, nuttig kunnen zijn in het kader van de termijnen van de algemene asielprocedure, mede gelet op de omstandigheid dat er twee dagen beschikbaar zijn voor het concipiëren en uitreiken van de beschikking.

In het zesde lid is opgenomen dat de beschikking uiterlijk op de achtste dag wordt uitgereikt of toegezonden. Dat betekent dat niet tot die dag hoeft te worden gewacht met de bekendmaking van de beschikking. Met name inwilligende beschikkingen zullen veelal eerder uitgereikt of toegezonden kunnen worden. In de Vc 2000 zal worden geregeld dat toezending van de beschikking kan plaatsvinden indien de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken. Indien dat niet het geval is, is uitreiking aan de vreemdeling aangewezen.

Artikel 3.115

In artikel 3.115 is bepaald in welke gevallen de procedure in het aanmeldcentrum van 8 dagen kan worden verlengd. Dit is mogelijk in een aantal nauwkeurig omschreven gevallen. Op deze wijze wordt geen afbreuk gedaan aan het uitgangspunt van een procedure van in de meeste gevallen 8 dagen.

Tijdens de ex-ante uitvoeringstoets die de IND heeft gedaan naar de contouren van de nieuwe asielprocedure is gebleken dat de termijnen in die procedure in veel zaken kunnen worden gehaald maar dat het wenselijk is om in een aantal gevallen meer flexibiliteit in te bouwen. De mogelijkheid tot verlenging is ten eerste wenselijk in gevallen waarin de termijnen die de Minister van Justitie heeft, worden overschreden, tenzij de overschrijding aan de Minister kan worden toegerekend en in gevallen waarin de termijnen die de asielzoeker en zijn rechtsbijstandverlener hebben worden overschreden en de asielzoeker een met redenen omkleed verzoek om verlenging heeft ingediend, tenzij de overschrijding aan hem kan worden toegerekend. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan ziekte van de tolk terwijl ondanks inspanningen een andere tolk niet tijdig beschikbaar is, (kortdurend) bezoek aan het ziekenhuis door de asielzoeker of, indien de asielzoeker zich in bewaring bevindt, bezoek aan de rechtbank voor een bewaringszitting.

In artikel 3.115, eerste lid, onder a, dat mogelijke termijnoverschrijdingen van de Minister betreft, is conform het advies van de ACVZ niet de term «verschoonbaar» gehanteerd. De ACVZ meent dat deze term daar niet op zijn plaats is omdat verschoning door een bestuursorgaan van een eigen termijnoverschrijding binnen het bestuursrecht een ongebruikelijke figuur is. De ACVZ adviseert in dit kader aan te sluiten bij de regeling van beslistermijnen in afdeling 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In reactie hierop wordt opgemerkt dat verschoning van een termijnoverschrijding door het bestuur bijvoorbeeld ook tot uitdrukking komt in de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (Stb. 2009, 383). Daarin worden gevallen genoemd waarin de termijn voor het geven van een beschikking door een bestuursorgaan wordt opgeschort, onder andere zolang de vertraging aan de aanvrager kan worden toegerekend of zolang het bestuursorgaan door overmacht niet in staat is een beschikking te geven. Omdat ik de opmerking van de ACVZ voor wat betreft het gebruik van de term «verschoonbaar» zelf echter wel begrijp, is de formulering van artikel 3.115, eerste lid, onder a, – en in aansluiting daarop het eerste lid, onder b, – gewijzigd.

Omdat de algemene asielprocedure in het aanmeldcentrum bestaat uit processtappen waarvoor in beginsel een dag ter beschikking staat, kan termijnoverschrijding door het bestuursorgaan zich ook bij de verschillende processtappen binnen de algemene asielprocedure voordoen. In gevallen waarin bijvoorbeeld voor de uitvoering van een bepaalde processtap door de IND de aanwezigheid van de asielzoeker vereist is (zoals bij het eerste en het nader gehoor), kan er sprake zijn van niet-toerekenbare termijnoverschrijding, indien de IND de processtap op de daarvoor bestemde dag niet kon verrichten omdat de asielzoeker niet aanwezig was. Wanneer de termijnoverschrijding aan de Minister is toe te rekenen, bijvoorbeeld capaciteitsgebrek aan de zijde van de IND, kan de procedure niet verlengd worden en kan niet meer worden beslist in de algemene asielprocedure. In dat geval wordt de aanvraag afgehandeld in de verlengde asielprocedure na het aanmeldcentrum.

In beroep zal de rechter kunnen toetsen of de Minister terecht heeft geoordeeld dat sprake is van niet-toerekenbare overschrijding van de termijnen in het eerste lid, onderdeel a, en daarmee of de Minister de algemene asielprocedure terecht heeft verlengd, hetgeen in voorkomende gevallen zal kunnen leiden tot vernietiging van de beschikking. De rechter zal ook kunnen toetsen of de Minister de termijnen in het eerste lid, onderdeel b, terecht niet heeft verlengd indien de asielzoeker en zijn rechtsbijstandverlener een verzoek om verlenging hebben gedaan. Overigens kunnen de asielzoeker en zijn rechtsbijstandverlener de vraag of de Minister de hem ter beschikking staande termijnen terecht verlengd heeft of de termijnen van de asielzoeker en zijn rechtsbijstandverlener, indien er een gemotiveerd verzoek om verlenging is gedaan, terecht niet verlengd heeft ook al tijdens het verdere verloop van de algemene asielprocedure aan de orde stellen, bijvoorbeeld in de zienswijze op het voornemen.

De termijnoverschrijding en de toepassing ervan kan in de lagere regelgeving nader worden uitgewerkt (zie het zevende lid).

De mogelijkheid tot verlenging bestaat ook indien naar het oordeel van de Minister nader onderzoek naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling noodzakelijk is. Hierbij kan worden gedacht aan het verrichten van leeftijdsonderzoek. Indien bijvoorbeeld het eerste of nader gehoor aanleiding geeft om te twijfelen aan de leeftijd die de vreemdeling heeft opgegeven, is het wenselijk om de procedure voor het verrichten van leeftijdsonderzoek te kunnen verlengen. Daardoor wordt het mogelijk om dat onderzoek bijvoorbeeld op de dag na het eerste of nader gehoor te doen. De procedure van 8 dagen biedt die ruimte niet. Daarin kan de vreemdeling zich op de dag na het eerste gehoor immers voorbereiden op het nader gehoor en is de dag na het nader gehoor beschikbaar voor het indienen van correcties en aanvullingen.

Het is van belang de mogelijkheid van leeftijdsonderzoek tijdens de procedure in het aanmeldcentrum, die in het kader van de 48-uursprocedure ook bestond, te behouden. Gelet op het belang om snel te beslissen in zaken waarin dat zorgvuldig kan binnen de termijnen van de algemene asielprocedure, is er geen reden om de asielzoeker in gevallen waarin nader onderzoek naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling noodzakelijk is en dat onderzoek kan worden afgerond binnen de korte termijn waarmee de algemene asielprocedure is verlengd, bij voorbaat door te sturen naar de verlengde asielprocedure.

De algemene asielprocedure kan ook worden verlengd in gevallen waarin de vreemdeling zijn eerder tijdens de procedure afgelegde verklaringen essentieel wijzigt dan wel aanvult. In de huidige praktijk kan de IND in deze gevallen besluiten de procedure in het aanmeldcentrum opnieuw te laten beginnen. Het kan gaan zowel om gevallen waarin de vreemdeling bijvoorbeeld zijn leeftijd, identiteit, nationaliteit of reisroute essentieel wijzigt als om gevallen waarin de vreemdeling zijn inhoudelijke relaas essentieel wijzigt dan wel aanvult, dat wil zeggen een wijziging of aanvulling van het relaas die een geheel nieuwe toetsing met zich meebrengt en waarbij derhalve ook opnieuw gehoord moet worden. In deze gevallen is de verlenging van de procedure aan de vreemdeling zelf toe te rekenen. Overigens wordt, indien de vreemdeling zijn verklaringen in een laat stadium wijzigt, eerst bezien of de aanvraag wegens ongeloofwaardigheid binnen de algemene asielprocedure kan worden afgedaan.

Door de verlenging blijft de mogelijkheid tot afdoening van de asielaanvraag in de algemene asielprocedure in het aanmeldcentrum behouden. Of de asielaanvraag daadwerkelijk in die procedure wordt afgedaan wordt bepaald door de vraag of zorgvuldige afdoening binnen het gegeven tijdsbestek mogelijk is.

Voor een goed begrip van de algemene asielprocedure in het aanmeldcentrum wordt er op gewezen dat, indien de procedure in het aanmeldcentrum verlengd wordt, de termijnen voor de processtappen die volgen op de processtap waarvan de termijn is verlengd, vanzelfsprekend in de tijd opschuiven. Indien bijvoorbeeld op de tweede dag leeftijdsonderzoek plaatsvindt, kan de vreemdeling zich op die dag niet voorbereiden op het nader gehoor. Die voorbereiding kan dan plaatsvinden op de derde dag. De termijnen voor alle volgende processtappen schuiven dan een dag op. Het kan bijvoorbeeld ook voorkomen dat de termijnen voor de processtappen tot en met de uitreiking van het voornemen binnen de daarvoor beschikbare termijn van een dag worden afgerond en zich pas later in de procedure, bij de termijn voor het uitbrengen van de zienswijze, een verschoonbare termijnoverschrijding voordoet. Indien in dat geval de termijn voor het uitbrengen van de zienswijze wordt verlengd, schuift uitsluitend de termijn voor het concipiëren en uitreiken van beschikking in de tijd op.

Indien de procedure in het aanmeldcentrum wordt verlengd zijn voor die procedure, zoals blijkt uit artikel 3.110, ten hoogste veertien dagen beschikbaar. De duur van de verlenging bedraagt dus ten hoogste zes dagen. De duur kan, al naar gelang de reden van de verlenging, uiteenlopen. Ook indien de procedure verlengd wordt, blijft vooropstaan dat de procedure niet langer dient te duren dan nodig is voor een zorgvuldig onderzoek en een zorgvuldige beslissing. Deze verlenging waarborgt enerzijds dat het onderzoek in het aanmeldcentrum kan worden voortgezet en de asielaanvraag zo mogelijk nog in het aanmeldcentrum kan worden afgedaan. De asielzoeker kan dan snel duidelijkheid worden gegeven over zijn aanvraag en verblijft niet onnodig lang in de procedure en in de opvang. Anderzijds wordt met deze verlengingstermijn gewaarborgd dat de verblijfsduur van de vreemdeling in het aanmeldcentrum niet onredelijk wordt verlengd. De verlenging met zes dagen maakt het mogelijk om, in gevallen waarin de vreemdeling zijn verklaringen in een laat stadium wijzigt, de processtappen eerste gehoor tot en met het naar voren brengen van de zienswijze op het voornemen op basis van de gewijzigde verklaringen van de asielzoeker te doorlopen, zodat de aanvraag, indien de zorgvuldigheid dat toelaat, nog in het aanmeldcentrum kan worden afgedaan.

Het tweede lid bepaalt dat de vreemdeling schriftelijk in kennis wordt gesteld van de verlenging. Daarbij wordt de reden van de verlenging aangegeven alsmede wanneer de verlengde termijn eindigt.

Indien de termijn van 8 dagen is verlengd, wordt het voornemen tot afwijzing van de aanvraag aan de vreemdeling uitgereikt, aldus het derde lid.

Het vierde lid regelt dat, in de in het eerste lid bedoelde gevallen, de zienswijze naar voren wordt gebracht op de dag nadat het voornemen is uitgereikt, tenzij de vreemdeling een met redenen omkleed verzoek om verlenging van de termijn voor het uitbrengen van de zienswijze heeft ingediend en dat verzoek is ingewilligd.

Verder is van toepassing hetgeen artikel 3.114, derde tot en met vijfde lid, bepaalt omtrent de tijdige indiening van de zienswijze, de vastlegging van het tijdstip van uitreiken van het voornemen en van de ontvangst van de zienswijze als ook het rekening houden met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze. Dit is neergelegd in het vijfde lid.

Het zesde lid bepaalt dat de beschikking uiterlijk op de veertiende dag wordt uitgereikt of toegezonden. In de Vc 2000 zal worden geregeld dat toezending van de beschikking kan plaatsvinden indien de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken. Indien dat niet het geval is, is uitreiking aan de vreemdeling aangewezen.

In het zevende lid wordt geregeld dat in het VV 2000 nadere regels gesteld kunnen worden omtrent de toepassing van het eerste lid alsmede de wijze waarop het onderzoek naar de aanvraag wordt vervolgd indien gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om de procedure te verlengen. Omdat de verschillende processtappen, afhankelijk van de reden(en) van de verlenging en de duur ervan, op verschillende dagen kunnen plaatsvinden, kan het verdere verloop van de procedure in die gevallen in lagere regelgeving nader worden uitgewerkt. Onder meer kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de verlenging van de procedure in het Aanmeldcentrum indien de vreemdeling niet voldoende in staat is om de vragen van het eerste gehoor te beantwoorden op de dag van het indienen van de asielaanvraag wegens medische omstandigheden of vanwege het feit dat de minderjarige vreemdeling alleenstaand en beneden de leeftijd van twaalf jaar is.

De ACVZ heeft geadviseerd om, in het kader van de rechtszekerheid, in het Vb 2000 concretere bepalingen op te nemen over het vaststellen van nieuwe termijnen in geval van termijnoverschrijding. Dit is niet gevolgd. De bepalingen dat de termijnoverschrijding niet-toerekenbaar moet zijn alsmede dat de algemene asielprocedure ingeval van verlenging maximaal 14 dagen duurt, zijn voldoende concreet en bieden voldoende zekerheid voor een zorgvuldige uitwerking in de lagere regelgeving. Wellicht ten overvloede wordt erop gewezen dat, zoals hiervoor reeds is opgemerkt, de vraag of de Minister de hem ter beschikking staande termijnen terecht heeft verlengd onderscheidenlijk de termijnen voor de asielzoeker en zijn rechtsbijstandverlener terecht niet heeft verlengd onder controle van de rechter staat en dat de asielzoeker en zijn rechtsbijstandverlener deze vraag al tijdens de procedure in het aanmeldcentrum aan de orde kunnen stellen.

Artikel 3.116

Artikel 3.116 bevat de voornemenprocedure indien de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verder wordt behandeld in de verlengde asielprocedure. Deze procedure wordt gevolgd indien de Minister van Justitie de termijnen inzake het eerste gehoor, het nader gehoor, het voornemen en de beschikking, al dan niet na verlenging ervan, heeft overschreden. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat de (verlengde) termijnen voor de Minister van Justitie bindend zijn. Dit is een extra stimulans om ook daadwerkelijk op deze termijnen te sturen. Tevens biedt het voor de IND houvast in het bepalen van welke zaken in de verlengde procedure dienen te worden behandeld, namelijk de zaken waarin de asielaanvraag binnen de gegeven termijnen niet zorgvuldig in het aanmeldcentrum beoordeeld kan worden.

De al dan niet verlengde termijnen voor de asielzoeker en zijn rechtsbijstandverlener worden in het eerste lid, onder a, niet genoemd. Indien deze termijnen worden overschreden kan de IND de procedure in het aanmeldcentrum voortzetten.

In de verlengde procedure kan zo nodig een aanvullend gehoor worden afgenomen, kunnen verdere aanvullingen en correcties worden ingediend of nadere documenten ter ondersteuning van het asielrelaas worden overgelegd.

Dit artikel bevat verder de voornemenprocedure in gevallen van afwijzing van de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en afwijzing van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Het advies van de ACVZ om naast genoemde aanvragen in artikel 3.116 Vb ook een aanvraag als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000 op te nemen, wordt niet gevolgd omdat dat niet nodig is. Waar mogelijk wordt de toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 tijdens de asielprocedure ambtshalve beoordeeld. Daartoe is in de Vw 2000 geregeld dat een voornemen, naast het voornemen om niet ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 te verlenen, eveneens betrekking kan hebben op het voornemen om de uitzetting niet op grond van artikel 64 van de Vw 2000 achterwege te laten. Indien de toepassing van artikel 64 niet wordt meegenomen in de asielprocedure, wordt niet een voornemenprocedure gevolgd, maar staat, net als nu, in geval van een afwijzende beslissing de mogelijkheid van bezwaar en beroep open. Van een zelfstandige voornemenprocedure inzake de toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 is geen sprake.

Voor wat betreft de termijnen en het verloop van de voornemenprocedure in de verlengde asielprocedure is er geen wijziging beoogd ten opzichte van de oude situatie. De bewoordingen van het voormalige artikel 3.115 van het Vb 2000 terzake zijn dan ook overgenomen.

Artikel 3.117

Dit artikel heeft betrekking op de procedure die wordt gevolgd als de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van artikel 59 van de Vw 2000 terwijl de vrijheidsontneming voortduurt en de asielaanvraag niet is ingediend in een aanmeldcentrum. Indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen en de aanvraag is ingediend in een aanmeldcentrum dan is de procedure van acht dagen evenals de mogelijkheid tot verlenging van toepassing. Deze procedure wordt echter niet gevolgd indien de vrijheidsontneming op een andere plaats, zoals een politiecel, een cel van de Kmar, een Huis van Bewaring of een uitzetcentrum ten uitvoer wordt gelegd. Dit komt overeen met het huidige beleid.

Het eerste lid van artikel 3.117 bepaalt dat de termijnen van de procedure van acht dagen in dit geval niet van toepassing zijn. In het tweede en derde lid wordt geregeld dat de vreemdelingen zo spoedig mogelijk na de indiening van de aanvraag aan een eerste gehoor wordt onderworpen en zo spoedig mogelijk nadat hem een afschrift van de vragenlijst aan de hand waarvan het eerste gehoor plaatsvindt ter kennis is gebracht, aan een nader gehoor wordt onderworpen.

De vrijheidsontneming op grond van artikel 59, eerste lid, onder b, van de Wet is aan een termijn gebonden. Zij mag, indien een voornemenprocedure is voorgeschreven, op grond van het vierde lid van dat artikel niet langer duren dan zes weken. Wanneer niet binnen zes weken op de aanvraag beslist wordt, wordt de bewaring opgeheven. Hierom wijkt artikel 3.118 op een aantal punten af van het bepaalde in artikel 3.116. Het vierde lid bepaalt dat, indien het voornemen bestaat de asielaanvraag af te wijzen, het schriftelijk voornemen zo spoedig mogelijk wordt uitgereikt of toegezonden. In het vijfde lid wordt de termijn voor het uitbrengen van de zienswijze op twee weken gesteld. Deze termijn komt overeen met de termijn die was opgenomen in het oude artikel 3.116 van het Vb 2000. Voor het indienen van de zienswijze wordt geen uitstel verleend. De termijn voor het uitbrengen van de zienswijze gaat lopen met ingang van de dag na die waarop het voornemen is uitgereikt of toegezonden, aldus het zesde lid. Het zevende lid bepaalt dat de zienswijze tijdig is ingediend indien ze voor het het einde van de termijn is ontvangen. Deze afwijkingen van het bepaalde in artikel 3.116 komen overeen met het oude recht. Uit het achtste lid volgt dat artikel 3.116, vijfde en zesde lid, van toepassing zijn.

Artikel 3.118

Dit artikel regelt de voornemenprocedure indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van artikel 6 of artikel 59 van de Vw 2000 terwijl de vrijheidsontneming voortduurt en de asielaanvraag is ingediend in het aanmeldcentrum maar niet is afgewezen in het aanmeldcentrum. Voorts regelt het artikel de voornemenprocedure indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen terwijl de vrijheidsontneming voortduurt en het voornemen bestaat om de aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af te wijzen of de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd af te wijzen.

Het artikel ziet op de situatie dat een vreemdeling, nadat hij in bewaring is gesteld, een van de genoemde aanvragen indient. Het is ook mogelijk dat bij of na het indienen van de aanvraag omstandigheden bekend worden die aanleiding vormen om de vreemdeling in bewaring te stellen. De vrijheidsontneming op grond van artikel 59, eerste lid, onder b, van de Wet is aan een termijn gebonden. Zij mag, indien een voornemenprocedure is voorgeschreven, op grond van het vierde lid van dat artikel niet langer duren dan zes weken. Wanneer niet binnen zes weken op de aanvraag beslist wordt, wordt de bewaring opgeheven.

Artikel 3.118 ziet ook op het geval dat de vreemdeling zijn vrijheid is ontnomen op grond van artikel 6 van de Wet. Weliswaar is de vrijheidsontneming op grond van artikel 6 niet aan een termijn gebonden, maar ook hier geldt dat de ingrijpende maatregel van vrijheidsontneming niet langer moet duren dan strikt noodzakelijk is. Op grond van het eerste lid zal het voornemen worden uitgereikt of toegezonden. Het tweede lid bepaalt dat de artikelen 3.117, vijfde tot en met zevende lid, en artikel 3.116, vijfde en zesde lid, van toepassing zijn.

De aan een asielzoeker opgelegde bewaring op grond van artikel 6 Vw 2000 mag slechts onder bepaalde omstandigheden worden voortgezet nadat hij is aangemeld voor het indienen van een asielaanvraag. De criteria voor toepassing van de zgn. GOC-procedure op Schiphol zullen, net als in de oude situatie (hoofdstuk C12/2.2 Vc 2000), in het beleid in de Vc 2000 worden opgenomen.

Het voortzetten van de toegangsweigering op grond van artikel 3 van de Vw 2000 en de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 van de Vw 2000 na de afwijzing in de algemene asielprocedure is niet in strijd met internationale verplichtingen, zoals Amnesty International in het advies heeft aangevoerd. Artikel 18 van de procedurerichtlijn bepaalt dat lidstaten een persoon niet in bewaring houden uitsluitend omdat hij een asielzoeker is. De vrijheidsontnemende maatregel wordt conform artikel 18 van de procedurerichtlijn niet opgelegd of voortgezet vanwege het enkele feit dat de vreemdeling een asielverzoek heeft ingediend. De bewaring houdt verband met bovengenoemde criteria in relatie tot de asielaanvraag.

Voorts belet de toegangsweigering aan de grens niet de indiening van een asielaanvraag. Er is derhalve evenmin strijd met artikel 3 van verordening nr. 562/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (PbEU L105; Schengengrenscode). Dit artikel bepaalt dat deze verordening van toepassing is op iedereen die de binnen- of buitengrenzen van de lidstaten overschrijdt, onverminderd de rechten van vluchtelingen en personen die subsidiaire bescherming verzoeken, met name wat betreft non-refoulement. Artikel 13 van de Schengengrenscode houdt onder meer in dat een toegangsweigering de toepassing van de bijzondere bepalingen inzake asielrecht en internationale bescherming onverlet laat. Dit betekent dat de vreemdeling een asielaanvraag in moet kunnen dienen. Dat is het geval.

Van strijd met artikel 31 Vluchtelingenverdrag is evenmin sprake. In dat artikel wordt – kort samengevat – bepaald dat geen strafsancties, op grond van onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatig verblijf, worden toegepast op vluchtelingen en dat de bewegingsvrijheid van vluchtelingen niet verder wordt beperkt dan noodzakelijk; deze beperkingen zullen alleen worden toegepast totdat hun status in het land van toevlucht is geregeld of totdat zij er in geslaagd zijn toegelaten te worden in een ander land. In onderhavig geval is echter geen sprake van strafsancties, maar van een maatregel van vreemdelingentoezicht. Voorts worden, zodra in de asielprocedure blijkt dat een asielzoeker vluchteling is, de toegangsweigering en de vrijheidsontnemende maatregel niet langer voortgezet.

Tot slot is de duur van de grensdetentie ook in de nieuwe asielprocedure niet onevenredig lang. Er is derhalve geen aanleiding van grensdetentie af te zien.

Artikel 3.118a

Dit artikel sluit aan bij het voormalige artikel 3.118 van het Vb 2000. Alhoewel afwijzing van de asielaanvraag pas mogelijk is als het andere land de verantwoordelijkheid voor behandeling van de asielaanvraag heeft aanvaard, wordt het voornemen reeds uitgereikt op het moment dat de Minister van Justitie heeft vastgesteld dat een ander land om overname of terugname zal worden verzocht (eerste lid). Mocht onverhoopt geen claim-akkoord gegeven worden, dan zal de aanvraag inhoudelijk beoordeeld moeten worden en wordt verder de voornemenprocedure ex artikel 3.116 gevolgd. Omdat de Dublinverordening verzoeken tot overname en verzoeken tot terugname onderscheidt, worden in het eerste lid van artikel 3.118a, anders dan het oude artikel 3.118 van het Vb 2000, beide verzoeken voor de duidelijkheid genoemd. Een wijziging ten opzichte van de situatie onder het oude artikel 3.118 is hiermee echter niet beoogd.

Voor de voornemenprocedure ingeval er een Dublin-claim wordt gelegd worden twee termijnen gehanteerd: de termijn die geldt indien de voorgenomen claim al in het aanmeldcentrum wordt onderkend, en een termijn van een week indien de claimmogelijkheid pas later wordt onderkend (tweede en derde lid). In veel gevallen zal de claimmogelijkheid reeds in het aanmeldcentrum, binnen 8 dagen, onderkend worden. De vreemdeling zal dan in het aanmeldcentrum ter zake van de voorgenomen Dublin-claim gehoord worden. Tijdens dit gehoor heeft de vreemdeling gelegenheid te reageren op de voorgenomen overdracht. Indien er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan Nederland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag op zich neemt stelt de Minister van Justitie vast dat een ander land om overname verzocht zal worden. De Minister van Justitie reikt vervolgens op de vijfde dag het voornemen uit waarin hij aan de vreemdeling kenbaar maakt een ander land om overname te zullen verzoeken en voornemens te zijn de aanvraag af te wijzen, tenzij het andere land het verzoek tot overname onverhoopt niet mocht aanvaarden. De vreemdeling kan vervolgens uiterlijk op de zesde dag zijn zienswijze naar voren brengen. Indien de termijn van 8 dagen is verlengd brengt de vreemdeling zijn zienswijze uiterlijk op de dag na de uitreiking van het voornemen naar voren, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt ingewilligd.

Het zal niet steeds mogelijk zijn reeds gedurende de algemene asielprocedure in het aanmeldcentrum tot de vaststelling te komen dat een Dublin-claim wordt gelegd. Wanneer een claimmogelijkheid pas later in de procedure wordt onderkend, bijvoorbeeld op het moment dat resultaten binnenkomen van vingerafdrukkenonderzoek, wordt de vreemdeling die reeds in de opvang verblijft, in de verlengde asielprocedure gehoord ter zake van het voornemen om een Dublin-claim te leggen. Tenzij de vreemdeling tijdens het Dublin-gehoor omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan Nederland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag op zich neemt, wordt het voornemen waarin de Minister van Justitie aan de vreemdeling kenbaar maakt een Dublin-claim te gaan leggen en voornemens te zijn de aanvraag af te wijzen, aan de vreemdeling uitgereikt. Uit de uitvoeringspraktijk is naar voren gekomen dat er meer tijd nodig is voor het naar voren brengen van de zienswijze dan de drie dagen die in het voormalige artikel 3.118 van het Vb 2000 werden gegeven. De termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze op het voornemen naar voren brengt, is gesteld op een week. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het voornemen is uitgereikt.

Gelet op de aard van de Dublin-procedure als zojuist omschreven wordt in het vierde lid bepaald dat de zienswijze tijdig is ontvangen indien zij voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het voornemen wordt uitgereikt in het aanmeldcentrum is net als voor de andere zaken in het aanmeldcentrum voorgeschreven dat het tijdstip van uitreiking van het voornemen, alsmede van ontvangst van de zienswijze door de Minister van Justitie worden vastgelegd (vijfde lid). In de verlengde asielprocedure is bevestiging van de ontvangst van de zienswijze voorgeschreven. Dit alles komt overeen met het oude recht.

Het zesde lid komt overeen met het vijfde lid van artikel 3.114 en het zesde lid van artikel 3.116. Duidelijkheidshalve is nadrukkelijk bepaald dat het ontbreken van de zienswijze na het verstrijken van de daartoe gestelde termijn niet aan het leggen van de claim in de weg staat. Deze bepaling ziet zowel op de situatie in het aanmeldcentrum als op de situatie na het aanmeldcentrum.

H

Met de wijziging van de Vw 2000 in verband met het aanpassen aan de asielprocedure, is aan artikel 8 van de Wet een onderdeel toegevoegd, waarin wordt geregeld dat een vreemdeling in Nederland ook rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de indiening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28, voor zover die vreemdeling overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels te kennen heeft gegeven die aanvraag in te willen dienen en bij of krachtens algemene maatregel van bestuur daartoe een termijn is gesteld (Kamerstukken II, 2009/10, 31 994, nr. 27).

Met deze aanvulling wordt beoogd het rechtmatig verblijf van vreemdelingen die een rust- en voorbereidingstermijn wordt gegund, buiten twijfel te stellen. Dit met het doel dat vreemdelingen die in deze termijn naar een advocaat mogen reizen zich kunnen legitimeren. Zoals uit de aan artikel 8 toegevoegde bepaling blijkt, is wel vereist dat de vreemdeling overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen. Het is niet wenselijk dat de enkele telefonische of schriftelijke mededeling dat het voornemen bestaat om een asielaanvraag in te dienen, voldoende zou zijn om rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 van de Vw 2000 te doen ontstaan. In het VV 2000 zal worden geregeld hoe en waar de vreemdeling zijn voornemen kenbaar moet maken.

Voorts is in het aan artikel 8 toegevoegde onderdeel opgenomen dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur een termijn moet zijn gesteld voor de indiening van de aanvraag. Daarmee wordt gedoeld op de rust- en voorbereidingstermijn. In dit verband wordt er op gewezen dat in artikel 3.109, zesde lid, van het Vb 2000 is geregeld dat de rust- en voorbereidingstermijn niet van toepassing is in situaties waarin:

  • de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;

  • de vreemdeling overlast bezorgt aan vreemdelingen die in een opvangvoorziening verblijven, aan personen die werkzaam zijn in de voorziening of aan anderen;

  • de vreemdeling reeds eerder een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, heeft ingediend, of

  • de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van artikel 59 van de Wet, tenzij de aanvraag wordt ingediend in een Aanmeldcentrum. In deze gevallen ontstaat dus ook geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 van de Vw 2000.

Door de wijziging van artikel 4.21, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000 wordt mogelijk gemaakt dat aan de vreemdeling die niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding in de rust- en voorbereidingstermijn een document kan worden verstrekt waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. Dit document zal worden aangewezen in het VV 2000.

Artikel II

Dit artikel bevat het overgangsrecht. De in de onderdelen A, B, C, D, F, G en H voorgestelde wijzigingen zijn niet van toepassing op lopende aanvragen. Als de aanvraag is ingediend voor de inwerkingtreding van dit besluit, wordt de aanvraagprocedure nog volgens het oude recht afgehandeld. Hier is dus sprake van eerbiedigende werking.

Artikel III

Uit praktisch oogpunt wordt in dit besluit tevens het tijdstip van inwerkingtreding van de wet vastgesteld.

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XNoot
1

Verordening nr. 343/2003/EG van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend.

XNoot
2

Verordening nr. 2725/2000/EG van de Raad van 11 december 2000 betreffende de instelling van Eurodac.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.