Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032123-VI nr. 87

32 123 VI
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2010

nr. 87
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 maart 2010

Inleiding

Toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften door notarissen, advocaten en gerechtsdeurwaarders heeft in de afgelopen periode in toenemende mate de aandacht getrokken. Verschillende ontwikkelingen, waaronder enkele wetsevaluaties en de bevindingen van de parlementaire werkgroep verwevenheid onderwereld/bovenwereld, maken duidelijk dat de huidige wettelijke regelingen van het toezicht op naleving van wettelijke voorschriften door deze beroepsbeoefenaren, ook binnen de beroepsgroepen zelf, in meer of mindere mate onderwerp van discussie zijn. Zoals de toenmalige staatssecretaris van Justitie uw Kamer reeds bij enkele eerdere gelegenheden heeft laten weten (Kamerstukken II 2009/10, 32 123 VI, nr. 64, p. 6; Handelingen II 2009/10, p. 1750 (5 november 2009)), is het, mede met het oog op de wetgevingstrajecten naar aanleiding van de genoemde wetsevaluaties, wenselijk geacht om de huidige wettelijke regelingen over toezicht in samenhang te bezien en een visie te formuleren op de in de toekomst wenselijke en mogelijke inhoud van de wettelijke regelingen van het toezicht op het notariaat, de advocatuur en de gerechtsdeurwaarders. Ten behoeve daarvan is onder meer een expertmeeting georganiseerd waaraan zowel vertegenwoordigers van de betrokken beroepsgroepen als vertegenwoordigers vanuit onder andere de wetenschap, toezichthoudende organen, het openbaar ministerie en de tuchtrechtspraak hebben deelgenomen.

In deze brief is de bovenbedoelde visie op de in de toekomst wenselijke en mogelijke aanpassingen van de wettelijke regelingen van het toezicht op notarissen, advocaten en gerechtsdeurwaarders neergelegd. Ten eerste wordt een overzicht gegeven van de huidige regelgeving ten aanzien van toezicht op bovenvermelde beroepsgroepen (onder 1). Ten tweede worden enkele ontwikkelingen geschetst die zich in de afgelopen periode hebben voorgedaan met betrekking tot het toezicht op notariaat, advocatuur en gerechtsdeurwaarders (onder 2) en wordt vermeld wat de belangrijkste kenmerken zijn van de in het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het notarisambt naar aanleiding van de evaluatie door de commissie-Hammerstein van die wet (Kamerstukken II 2009/10, 32 250) opgenomen wijzigingen van de wettelijke bepalingen over het toezicht op notarissen (onder 3). Ten derde ga ik in op de uitgangspunten die naar mijn oordeel met betrekking tot het wettelijk regelen van het toezicht op notarissen, advocaten en gerechtsdeurwaarders dienen te gelden (onder 4). Ten vierde licht ik toe wat in het verlengde van die uitgangspunten naar mijn oordeel de hoofdlijnen van de toekomstige wettelijke regelingen van dat toezicht dienen te zijn en breng ik in kaart welke aanpassingen van de huidige wetgeving gewenst zijn om het toezicht op voormelde beroepsbeoefenaren volgens die hoofdlijnen te regelen (onder 5). Tenslotte ga ik in op de wijze waarop ik vervolg wil geven aan het in deze brief vermelde (onder 6).

Bij het voorgaande benadruk ik graag nog dat de in deze brief vervatte visie in hoofdzaak betrekking heeft op de wettelijke regeling van toezicht in enge zin op notarissen, advocaten en gerechtsdeurwaarders, oftewel controle op naleving van wettelijke voorschriften door deze beroepsbeoefenaren, en niet zozeer ook op die van bijvoorbeeld tuchtrecht of kwaliteitsbevordering door de publiekrechtelijke beroepsorganisaties (die soms onder de noemer toezicht in ruime zin worden gebracht). Wel wordt op een aantal punten uiteraard niet voorbij gegaan aan de verbanden die bestaan tussen toezicht (in enge zin) en bijvoorbeeld tuchtrecht.

Bovendien merk ik op dat uw Kamer nog afzonderlijk zal worden bericht over de wettelijke regeling van het specifieke toezicht op naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) met de kabinetsreactie over het rapport van de evaluatiecommissie Bureau Financieel Toezicht en het evaluatierapport tuchtrechtelijke handhaving Wwft (Brief van de staatssecretaris van Justitie van 16 september 2009; Kamerstukken II 2009/10, 29 911, nr. 33), die naar verwachting in het eerste kwartaal van 2010 aan uw Kamer zal worden gezonden.

1. Huidige regelgeving

1.1 Notarissen

Toezicht op de naleving van het bij en krachtens de Wna bepaalde, met inbegrip van verordeningen en andere besluiten van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB), wordt op basis van de Wna (artikel 93 en 95) op dit moment uitgeoefend door de kamers van toezicht. Deze kamers zijn tegelijkertijd belast met de tuchtrechtspraak in eerste aanleg (artikel 93 e.v. Wna). De voorzitter van de kamer van toezicht kan, al dan niet op verzoek van het bestuur van de KNB of het Bureau Financieel Toezicht (BFT), in verband met de uitoefening van toezicht een onderzoek gelasten. In het kader daarvan kan de (plaatsvervangend) voorzitter van de kamer van toezicht onder meer inlichtingen vragen, inzage van stukken verlangen en het BFT opdragen onderzoek in te stellen. Daarnaast is in artikel 110 van de Wna bepaald dat het BFT toezicht houdt op naleving door notarissen van financiële bepalingen in de Wna en daarop gebaseerde verordeningen (verbod op het verrichten van handelingen waardoor niet zal kunnen worden voldaan aan financiële verplichtingen, etc.). In dat verband kan onder meer inzage in de administratie van een notaris worden verlangd. In voorkomende gevallen kan het BFT bevindingen in de vorm van een klacht bij de voorzitter van de kamer van toezicht inbrengen (artikel 112 Wna). Ten aanzien van beide vormen van toezicht is titel 5.2 van de Awb, waarin bepalingen over toezicht zijn opgenomen, buiten toepassing verklaard. In artikel 22 van de Wna is vastgelegd dat een notaris, voor zover wettelijk niet anders is bepaald, verplicht is tot geheimhouding van al datgene waarvan hij kennis neemt.

Naar aanleiding van het evaluatierapport van de commissie-Hammerstein (Brief van 28 september 2005; Kamerstukken II 2005/06, 23 706, nr. 62) is een wetsvoorstel tot wijziging van de Wna opgesteld, dat op 3 december 2009 bij uw Kamer is ingediend (Kamerstukken II 2009/10, 32 250). Op de inhoud van dit wetsvoorstel wordt, voor zover het de daarin opgenomen wijzigingsvoorstellen aangaande het toezicht betreft, hieronder onder 3 nader ingegaan.

1.2 Advocaten

In de Aw is geregeld dat klachten over een advocaat in beginsel pas in behandeling worden genomen door de tuchtrechter (raad van discipline) nadat zij zijn ingediend bij de deken van de orde waartoe de advocaat behoort én de deken een onderzoek naar aanleiding van deze klacht heeft verricht (artikel 46c). In dat verband moet de deken in beginsel steeds trachten de klacht in der minne te schikken (artikel 46d). Voorts is in artikel 12 van de Verordening op de administratie en de financiële integriteit geregeld dat advocaten, in het kader van het toezicht op naleving van de in deze verordening opgenomen voorschriften, aan de deken schriftelijk moeten verklaren dat aan de verplichtingen in de verordening wordt voldaan. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om verplichtingen met betrekking tot het voeren van de administratie en het gebruik van de rekening voor derdengelden. Ook kan de deken in dit verband een advocaat om inlichtingen vragen en een nader onderzoek verrichten. De verplichting tot geheimhouding is voor advocaten vastgelegd in artikel 6 van de Gedragsregels 1992. In artikel 37 van dezelfde gedragsregels is geregeld dat een advocaat bij een verzoek om informatie van de deken, dat verband houdt met een mogelijk tuchtrechtelijk onderzoek of een aan de deken opgedragen controle, verplicht is inlichtingen te verstrekken en zich daarbij niet op de geheimhoudingsplicht te beroepen, tenzij er sprake is van een bijzonder geval.

1.3 Gerechtsdeurwaarders

Toezicht op gerechtsdeurwaarders is in de Gdw alleen geregeld met betrekking tot de naleving van het bepaalde in een aantal wetsartikelen van financiële aard (artikel 30 e.v.). Daarbij betreft het met name verplichtingen betreffende het voeren van de kantoor- en privé-administratie en het aanhouden van een rekening ten behoeve van derdengelden. Dit toezicht geschiedt door het BFT. Het BFT kan in dit verband onder meer inzage in de administratie van een gerechtsdeurwaarder verlangen. In voorkomende gevallen kan het BFT bevindingen in de vorm van een klacht bij de voorzitter van de kamer van gerechtsdeurwaarders (de met tuchtrechtspraak belaste instantie) aanbrengen. Titel 5.2 van de Awb is buiten toepassing verklaard. Voor de gerechtsdeurwaarder geldt, als bestuursorgaan, de in artikel 2:5 van de Awb neergelegde algemene verplichting om geheimhouding te betrachten ten aanzien van vertrouwelijke gegevens waarover de beschikking wordt verkregen, tenzij een wettelijk voorschrift tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

2. Ontwikkelingen met betrekking tot toezicht

2.1 Wetsevaluaties

Zowel in het evaluatierapport van de commissie-Hammerstein over de Wna als in het evaluatierapport betreffende de Gdw van de commissie-Van der Winkel (Brief van 24 maart 2009, Kamerstukken 2008/09, 31 700 VI, nr. 113) wordt aandacht besteed aan de regeling van het toezicht op naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wna onderscheidenlijk de Gdw. In het rapport van de commissie-Hammerstein is aangedrongen op het van elkaar losmaken van toezicht en tuchtrecht én het toekennen van voldoende bevoegdheden aan de toezichthouder om het toezicht effectiever te doen zijn. Daarbij is onder meer in overweging gegeven om titel 5.2 van de Awb op het BFT van toepassing te laten zijn en de geheimhoudingsplicht te doorbreken ten behoeve van toezicht door het BFT. Zie hieronder onder 3. voor een toelichting op de voorgestelde wijzigingen van de Wna die naar aanleiding van deze aanbevelingen zijn opgenomen in het wetsvoorstel-Hammerstein. De commissie-Van der Winkel heeft in haar rapport geconcludeerd dat thans ten onrechte geen sprake is van volledig toezicht op de naleving door gerechtsdeurwaarders van het bepaalde bij en krachtens de Gdw. Aanbevolen wordt om te voorzien in toezicht dat niet slechts betrekking heeft op naleving van financiële voorschriften en dat bovendien in overwegende mate preventief van aard is. Ook is voorgesteld om dit toezicht zo mogelijk intern (oftewel binnen de beroepsgroep zelf) te beleggen. In het kabinetsstandpunt over dit rapport (Kamerstukken II 2009/10, 32 123 VI, nr. 64) is onderschreven dat het wenselijk is om volledig toezicht op naleving van het bij en krachtens de Gdw bepaalde wettelijk te regelen. Daarnaast is aangegeven dat, ook vanwege de samenhang met het toezicht op andere juridische beroepsgroepen, nader zal worden onderzocht hoe en waar dat toezicht het beste belegd zou kunnen worden. Datzelfde geldt overigens voor de eventuele keuze om bepaalde overtredingen voortaan door de toezichthouder bestuurlijk af te kunnen laten doen. In het evaluatierapport betreffende de Aw van de commissie-Van Wijmen (Brief van 24 april 2006; Kamerstukken II 2005/06, 30 300 VI, nr. 144) is niet in het bijzonder ingegaan op de regeling van het toezicht.

2.2 Parlementaire werkgroep verwevenheid onderwereld/bovenwereld

Vanaf januari 2008 is binnen uw Kamer een parlementaire werkgroep actief die zich bezighoudt met het onderwerp verwevenheid tussen onderwereld en bovenwereld. In oktober 2008 heeft deze werkgroep een rapport uitgebracht, waarin ook aandacht wordt besteed aan het notariaat en de advocatuur. De werkgroep stelt vast dat uit recent onderzoek niet valt af te leiden dat notarissen en advocaten structureel bijdragen aan genoemde verwevenheid, maar dat hun beroep en de daarbij behorende geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht daartoe wel gelegenheid geven. Ook wordt vermeld dat beroepsethiek, toezicht en tuchtrecht onvoldoende bescherming bieden tegen het risico van betrokkenheid van advocaten en notarissen bij criminele activiteiten. Volgens gesprekspartners van de werkgroep kan van zelfregulering door de beroepsgroepen niet te veel worden verwacht en is er daarnaast ook onafhankelijk toezicht op deze beroepsgroepen nodig. De werkgroep concludeert dat het toezicht op advocaten en notarissen niet altijd in verhouding staat tot hun bevoegdheden, dat zelfregulering onvoldoende van de grond is gekomen, dat binnen deze beroepsgroepen een klimaat lijkt te bestaan waarin men elkaar niet aanspreekt op ontoelaatbaar gedrag, en dat het toezicht op deze beroepsgroepen moet worden versterkt. Voorts wordt geconcludeerd dat mede gelet op de fraude in de vastgoedsector de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht, vanwege de mogelijkheid om criminele activiteiten af te schermen en ongebruikelijke transacties niet te melden, ter discussie moeten worden gesteld. In vervolg hierop heeft in mei 2009 een hoorzitting plaatsgehad over (onder meer) het verschoningsrecht en de geheimhoudingsplicht van notarissen en advocaten en het versterken van het extern toezicht op deze beroepsgroepen. In opdracht van uw Kamer is door Deloitte een onderzoeksrapport («Inzicht in verwevenheid; knelpunten en mogelijkheden bij uitwisseling van gegevens en informatie van de verwevenheid tussen boven- en onderwereld») opgesteld. Bij brief van 20 november 2009 is aan de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verzocht hierop een reactie te geven.

2.3 Evaluatie BFT

In het rapport van de evaluatiecommissie BFT (Brief van 16 september 2009; Kamerstukken II 2009/10, 29 911, nr. 33) zijn ook enkele aanbevelingen gedaan met betrekking tot toezicht op juridische beroepsbeoefenaren. Zo beveelt de commissie aan het huidige toezicht op naleving van financiële voorschriften door het BFT beperkt te laten blijven tot notarissen en gerechtsdeurwaarders. Daarbij is benadrukt dat met betrekking tot deze beroepsgroepen, met het oog op de betrokken publieke belangen, van belang is dat het financieel toezicht wordt opgedragen aan een toezichthouder die volledig onafhankelijk van de beroepsgroep is gepositioneerd. Toezicht door het BFT op naleving door notarissen van niet-financiële voorschriften (integriteitstoezicht), zoals voorzien in het wetsvoorstel-Hammerstein, vormt volgens de commissie een uitdaging die een investering in daarvoor benodigde expertise vergt. Ook acht de commissie het voorstelbaar dat het BFT op termijn ten aanzien van gerechtsdeurwaarders met integriteitstoezicht wordt belast. Om te voorkomen dat de geheimhoudingsplicht voor notarissen het toezicht door het BFT frustreert, acht de commissie van belang dat wordt geregeld dat de geheimhoudingsplicht dat toezicht niet in de weg staat, zoals ook is voorzien in het wetsvoorstel-Hammerstein. Zoals hierboven is vermeld zal uw Kamer naar verwachting in het eerste kwartaal van 2010 de reactie op zowel dit rapport als het evaluatierapport tuchtrechtelijke handhaving Wwft bereiken.

2.4 Advisering op verzoek van NOvA

De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) heeft vorig jaar de heer Docters van Leeuwen verzocht om onderzoek te doen naar en te adviseren over het toezicht op de advocatuur. Dit advies wordt in maart of april van dit jaar verwacht. Ook heeft de NOvA een commissie onder leiding van de heer Huydecooper gevraagd om voorstellen te doen voor vernieuwing van de bestuursstructuur. Deze commissie zal het advies over het toezicht bij haar advisering betrekken. Graag merk ik hier op dat het mij verheugt dat de advocatuur zelf ook het belang van een goede regeling van toezicht onderkent en het initiatief heeft genomen om het huidige toezicht kritisch te laten bezien.

3. Wetsvoorstel-Hammerstein

Zoals hierboven is vermeld, is naar aanleiding van het rapport van de commissie-Hammerstein een wetsvoorstel tot wijziging van de Wna opgesteld dat, naast andere voorstellen ter bevordering van de kwaliteit en integriteit van het notariaat (zoals een wettelijke grondslag voor het uitvoeren van kwaliteitstoetsen door deskundigen onder verantwoordelijkheid van de KNB), het voorstel bevat om de inrichting van het toezicht (in enge zin) op de naleving door notarissen van het bij en krachtens de Wna bepaalde te herzien. Op 22 januari 2010 heeft de Vaste commissie voor Justitie verslag uitgebracht (Kamerstukken II 2009/10, 32 250, nr. 5). Mijn streven is erop gericht de nota naar aanleiding van het verslag in maart a.s. aan uw Kamer toe te zenden.

Belangrijkste kenmerken van de voorgestelde wettelijke regeling van het toezicht op het notariaat zijn: (a) het toezicht betreft de naleving van financiële en niet financiële voorschriften; (b) het toezicht is preventief van aard; (c) het toezicht wordt verricht door een externe toezichthouder (het BFT); (d) toezicht en tuchtrechtspraak worden nadrukkelijk gescheiden; (e) op het toezicht is titel 5.2 van de Awb van toepassing; (f) het toezicht wordt niet beperkt door het notariële beroepsgeheim; en (g) de toezichthouder kan bepaalde overtredingen bestuurlijk afdoen.

In aanvulling op de in titel 5.2 van de Awb opgenomen bevoegdheden wordt geregeld dat de toezichthouder ook bevoegd is om inzage in de persoonlijke financiële administratie van een notaris te vorderen. Ten behoeve van het toezicht door het BFT komt te gelden dat de notaris ten opzichte van de voor het toezicht aangewezen personen niet gehouden is aan de in artikel 22 van de Wna vastgelegde geheimhoudingsplicht. Op de toezichthouder rust met betrekking tot informatie die normaliter onder het notariële beroepsgeheim valt, een afgeleide geheimhoudingsplicht. Het BFT kan bij gebleken overtredingen een klacht bij de tuchtrechter indienen. Daarnaast is het BFT bevoegd zelf een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom op te leggen in geval van overtreding van enkele voorschriften van administratieve aard.

4. Uitgangspunten voor wettelijke regeling van toezicht

Toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften (formele wetgeving, in verordeningen vastgelegde beroeps- en gedragsregels, etc.) door notarissen, advocaten en gerechtsdeurwaarders heeft als doel de kwaliteit en integriteit van de beroepsuitoefening te bewaken en bevorderen. Van de uitvoering van controles op de naleving van wettelijke voorschriften, zonder dat al van een overtreding hoeft te zijn gebleken, gaat een belangrijke preventieve werking uit. Zo kunnen in een vroegtijdig stadium gedragingen, die strijdig zouden zijn met een wettelijk voorschrift, worden voorkomen of kan door bijvoorbeeld aansporingen na constatering van een overtreding worden bereikt dat een wettelijk voorschrift alsnog wordt nageleefd. Daarnaast dient toezicht bij gebleken overtredingen, indien bijvoorbeeld aansporingen niet het gewenste resultaat opleveren of de zwaarte van de overtreding van dien aard is dat daarmee in redelijkheid niet kan worden volstaan, als voorfase van een tuchtrechtelijke handhaving en komt het zodoende ook de effectiviteit daarvan ten goede.

Met een volwaardig geregeld stelsel van toezicht op notarissen, advocaten en gerechtsdeurwaarders is naar mijn oordeel een belang gediend dat niet slechts een belang van de betrokken beroepsgroep zelf is. In het geval van notarissen en gerechtsdeurwaarders is dat alleen al evident vanwege het publieke karakter van een belangrijk deel van hun werkzaamheden, maar ook ten aanzien van advocaten geldt dat hun positie in het Nederlandse rechtsbestel van dien aard is dat toezicht eveneens een algemener belang dient, namelijk het vertrouwen dat burgers moeten kunnen hebben in de kwaliteit en integriteit van de juridische beroepsbeoefenaren waarmee zij in aanraking komen. Dat vertrouwen is ook mede bepalend voor het vertrouwen bij diezelfde burgers in de rechtsstaat.

In de afgelopen periode hebben zich met betrekking tot leden van de betrokken beroepsgroepen incidenten voorgedaan die de aandacht hebben getrokken en duidelijk hebben gemaakt dat wettelijke voorschriften niet in alle gevallen worden nageleefd. Te wijzen valt bijvoorbeeld op de betrokkenheid van notarissen bij malafide vastgoedtransacties en het gebruik door advocaten van gelden van de derdengeldenrekening voor andere doeleinden dan waarvoor die rekening is bestemd. Voorkomen moet worden dat hierdoor de gedachte postvat dat notarissen of advocaten op grote schaal de wettelijke voorschriften overtreden. Van bewijs daarvoor is, ook volgens de parlementaire werkgroep verwevenheid onderwereld/ bovenwereld, geen sprake. Wel is het naar mijn mening van belang dat onder ogen wordt gezien dat ook binnen het notariaat, de advocatuur en de gerechts-deurwaarderij niet alle leden van de beroepsgroep zich aan de wettelijke voorschriften houden én dat een enkele overtreding van bijvoorbeeld een notaris niet alleen schadelijk is voor het vertrouwen van de burger in die ene beroepsbeoefenaar maar ook voor het publieke vertrouwen in de gehele beroepsgroep. Met het oog hierop acht ik het nodig dat door een goed geregeld en functionerend stelsel van toezicht zo veel en zo vroegtijdig mogelijk wordt voorkomen dat overtredingen van juridische beroepsbeoefenaren zich voordoen én dat daardoor overtredingen zo veel mogelijk aan het licht worden gebracht (en handhaving zo mogelijk wordt gemaakt) als die zich welhaast onvermijdelijk toch voordoen.

Met het oog op het voorgaande is het naar mijn oordeel van groot belang dat er wetgeving totstandkomt die, in aanvulling op wetgeving over bijvoorbeeld tuchtrecht en kwaliteitsbevordering door de beroepsgroepen zelf, ertoe strekt dat er een volwaardig stelsel van toezicht op notarissen, advocaten en gerechtsdeurwaarders is dat zich kenmerkt door volledigheid, transparantie, onafhankelijkheid en daadkracht. Daarbij is het vanzelfsprekend van belang te beseffen dat de wijze waarop het toezicht wordt uitgeoefend uiteindelijk bepalend is voor het succes van dat toezicht, maar daaraan dient wel de totstandkoming van wetgeving vooraf te gaan die daartoe de voorwaarden schept. Zoals ik hieronder onder 5 zal toelichten, is de huidige wetgeving over toezicht op bovengenoemde beroepsbeoefenaren in verschillende opzichten niet alleen gebaat bij meer uniformiteit, maar is aanpassing hiervan met name ook gewenst ter bevordering van de volledigheid, de transparantie, de onafhankelijkheid en de daadkracht van dat toezicht.

Ik merk nog op dat toezicht uiteraard niet het enige is waarmee de integriteit en de kwaliteit van notarissen, advocaten en gerechtsdeurwaarders wordt bevorderd en bewaakt, maar wel een duidelijk andere functie heeft dan bijvoorbeeld tuchtrechtspraak of kwaliteitsbevordering door de beroepsgroepen. Voor het waarborgen van het belang van het publieke vertrouwen in de kwaliteit en de integriteit van deze beroepsbeoefenaren kan goed geregeld toezicht dan ook niet kan worden gemist. Toezicht behelst de controle op naleving van wettelijke voorschriften en voorziet erin dat vroegtijdig en stelselmatig kan worden nagegaan of zich binnen de beroepsgroep overtredingen van voorschriften voordoen, met name ook om zo veel mogelijk te voorkomen dat onnodig grote schade wordt toegebracht aan het vertrouwen van de burgers in de betrokken beroepsgroep. Belangrijk verschil tussen tuchtrechtspraak en toezicht is dat toezicht plaatsvindt zonder dat van een overtreding hoeft te zijn gebleken en vooral een preventief karakter heeft en dat tuchtrechtspraak reactief van aard is en pas aan de orde is als geklaagd wordt over een mogelijke overtreding. Wel kan de aanleiding voor tuchtrechtelijke behandeling van een gedraging van een juridische beroepsbeoefenaar onder andere zijn gelegen in een klacht van de toezichthouder en komt goed toezicht derhalve ook de effectiviteit van de tuchtrechtspraak ten goede. Voor het onderwerp tuchtprocesrecht is een afzonderlijk wetsvoorstel in voorbereiding dat tot doel heeft om waar mogelijk meer uniformiteit te betrachten in de wettelijke regelingen hiervan voor de verschillende beroepsgroepen.

Ook voor kwaliteitstoetsen (of peer reviews), die onder verantwoordelijkheid van de betrokken publiekrechtelijke beroepsorganisatie (pbo) worden uitgevoerd, geldt dat zij een ander doel en karakter hebben dan toezicht en daarvan ook nadrukkelijk moeten worden onderscheiden. Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel-Hammerstein naar voren is gebracht, hebben kwaliteitstoetsen met name tot doel om inzicht te verkrijgen in de kwaliteit van de beroepsuitoefening en op basis daarvan door middel van bijvoorbeeld begeleiding die kwaliteit te verbeteren, en derhalve, in tegenstelling tot toezicht, niet als primair oogmerk om na te gaan of wettelijke voorschriften worden overtreden. Een en ander laat onverlet dat van de zijde van de pbo bij de toezichthouder of door een klacht bij de tuchtrechter melding kan worden gemaakt van een overtreding. Net als voor tuchtrechtspraak geldt ook voor (interne) klachtregelingen en geschillencommissies, waarmee ook een bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteitsbevordering, dat zij, anders dan toezicht, met name reactief van aard zijn. Tenslotte wijs ik in dit verband nog op het belang van een duidelijke, in wettelijke voorschriften vastgelegde, normstelling met betrekking tot de eisen waaraan een goede en behoorlijke beroepsuitoefening dient te voldoen. Zoals in het kabinetsstandpunt inzake het rapport-Van der Winkel is benadrukt, zijn duidelijke normen van belang ten behoeve van de toezichthouder en de tuchtrechter, maar ook voor de leden van de beroepsgroep als houvast bij de beoordeling of een bepaalde voorgenomen handeling al dan niet is toegestaan.

5. Hoofdlijnen van wettelijke regeling van toezicht

5.1 Regeling bij wet

In het geval van de advocatuur is de regeling van het toezicht slechts ten dele in de wet is opgenomen en voor het overige in een aantal door de NOvA opgestelde documenten (Verordening op de administratie en de financiële integriteit, Gedragsregels 1992). Op het punt van toezicht is het bepaalde in de Aw bovendien niet altijd even expliciet van karakter én onder de noemer tuchtrechtspraak te vinden. Dit doet naar mijn oordeel onvoldoende recht aan het gewicht dat, zoals ik hierboven heb benadrukt, vanwege het algemene belang van het publieke vertrouwen in de kwaliteit en integriteit van de advocatuur toekomt aan de regeling van het toezicht op de advocatuur. Voorts komt de omstandigheid dat het toezicht op de advocatuur nu verspreid is geregeld en zodoende moeizaam kenbaar is, de helderheid van die regeling voor met name burgers, maar ook de beroepsgroep zelf, niet ten goede. Voor de regeling van het toezicht op notarissen en gerechtsdeurwaarders geldt dat het al wel in hoofdzaak in de wet is opgenomen. Naar mijn oordeel dient gelet op het voorgaande ook het toezicht op advocaten voortaan in hoofdzaak bij wet te worden geregeld.

5.2 Integraal toezicht

Zoals ik hierboven heb toegelicht, is het voor het vertrouwen in de kwaliteit en integriteit van notarissen, advocaten en gerechtsdeurwaarders van belang dat toezicht wordt gehouden op naleving van wettelijke voorschriften waaraan zij zich dienen te houden. Een onderscheid als het gaat om de naleving van voorschriften waarop toezicht wordt gehouden veronderstelt ten onrechte dat sommige voorschriften meer relevantie hebben dan andere als het gaat om het bewaken en bevorderen van de integriteit en kwaliteit van voormelde beroepsbeoefenaren. Voorts wordt hiermee onvoldoende onderkend dat dwarsverbanden tussen het (niet) naleven van verschillende voorschriften kunnen bestaan. Voor een zo integraal mogelijk beeld van de integriteit en de kwaliteit van juridische beroepsbeoefenaren is het naar mijn oordeel van belang dat, het liefst door een en dezelfde toezichthouder, toezicht wordt gehouden op naleving van zowel financiële voorschriften (financieel toezicht) als andere voorschriften (niet-financieel toezicht).

Ten aanzien van gerechtsdeurwaarders wordt momenteel in de wet alleen voorzien in toezicht op naleving van enkele financiële voorschriften en ontbreekt een regeling van niet-financieel toezicht. In het kabinetsstandpunt inzake het rapport-Van der Winkel is al aangegeven dat dit onwenselijk is. In het geval van advocaten kan worden geconcludeerd dat niet ten aanzien van alle voorschriften even expliciet wordt voorzien in regeling van het toezicht op naleving hiervan. Bij verordening is nadruk gelegd op naleving van verplichtingen met betrekking tot de administratie en de financiële integriteit. Ook ten aanzien van notarissen wordt nu nog onderscheid gemaakt tussen financieel en niet-financieel toezicht. Met de in het wetsvoorstel-Hammerstein voorgestelde wijzigingen van de regeling van het toezicht vervalt ten aanzien van notarissen het onderscheid tussen financieel en niet-financieel toezicht en wordt voorzien in dezelfde wettelijke regeling voor beide vormen van toezicht. Naar mijn oordeel dient ten aanzien van advocaten en gerechtsdeurwaarders in navolging hiervan hetzelfde (toezicht op naleving van financiële en andere wettelijke voorschriften) wettelijk te worden geregeld.

5.3 Preventief toezicht

Om toezicht ook werkelijk toezicht te laten zijn, dient er sprake te zijn van controle op naleving van wettelijke voorschriften zonder dat van een overtreding hoeft te zijn gebleken. Zo kan worden voorkomen dat overtredingen plaatsvinden, kan bij gebleken overtredingen in een zo vroegtijdig mogelijk stadium worden bereikt dat wettelijke voorschriften alsnog worden nageleefd, en kan indien nodig door de toezichthouder tijdig een klacht bij de tuchtrechter worden ingediend. Een en ander laat uiteraard onverlet dat ook naar aanleiding van een klacht van een burger (aanvullende) controles kunnen plaatsvinden, maar toezicht dient met name een preventieve functie te hebben en niet in hoofdzaak reactief van aard te zijn. Met betrekking tot de huidige wetgeving geldt naar mijn oordeel dat het toezicht op met name notarissen en advocaten thans in een aantal opzichten te zeer gekoppeld is aan de indiening van een klacht of onvoldoende duidelijk is dat er sprake is van preventief toezicht.

Voor het notariaat is met het oog hierop in het wetsvoorstel-Hammerstein dan ook een aantal aanpassingen van de Wna vervat om te bewerkstelligen dat ten aanzien van notarissen over de gehele linie een preventieve vorm van toezicht komt te gelden. Voor financieel toezicht wordt het proactieve karakter expliciet gemaakt door vast te leggen dat het toezicht in de zin van titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. Voor het overige toezicht wordt het huidige reactieve model ingewisseld voor een meer preventieve vorm van toezicht, door dit niet langer een taak van de (in hoofdzaak met tuchtrechtspraak belaste) kamers van toezicht te laten zijn en het toezicht door het BFT ook onder de werkingssfeer van titel 5.2 van de Awb te brengen. In het geval van gerechtsdeurwaarders verdient het naar mijn oordeel aanbeveling ten aanzien van het nu geregelde financieel toezicht door het BFT eveneens expliciet te maken dat het preventief toezicht betreft door het bepaalde in titel 5.2 van de Awb niet meer buiten toepassing te verklaren. Voor het niet-financieel toezicht op gerechtsdeurwaarders, waarvan ik het zoals hierboven is toegelicht wenselijk acht dat dit ook wettelijk wordt geregeld, is het gewenst dit in navolging daarvan ook in de Gdw vast te leggen.

Wat het toezicht op advocaten betreft wordt thans bij verordening in beginsel voorzien in een vorm van preventief toezicht, zij het met betrekking tot de naleving van een beperkt aantal voorschriften. Voor het overige kenmerkt de huidige regeling van het toezicht op advocaten zich in hoge mate door reactiviteit en een in mijn ogen te grote afhankelijkheid van de indiening van klachten. Gelet op het voorgaande ben ik van oordeel dat het toezicht op naleving door advocaten van alle voorschriften, waarvan de wettelijke regeling zoals hierboven toegelicht naar mijn mening gewenst is, in de Aw dient te worden losgekoppeld van de tuchtrechtelijke procedure, en daarmee in alle gevallen de afhankelijkheid van een klacht voor het houden van toezicht wordt weggenomen. Het toezicht dient in de Aw naar mijn oordeel derhalve niet meer als voorportaal van een tuchtrechtelijke procedure te worden ingericht. Uiteraard laat dat onverlet dat een klacht van een toezichthouder aanleiding kan zijn voor een tuchtrechtelijke procedure. Bovendien verdient het naar mijn oordeel aanbeveling om het toezicht op advocaten, net als dat op notarissen en gerechtsdeurwaarders, uitdrukkelijk als toezicht als bedoeld in titel 5.2 van de Awb aan te merken.

5.4 Onafhankelijk toezicht

Zoals hierboven onder 4 is toegelicht, is met een wettelijke regeling van toezicht op naleving van wettelijke voorschriften door notarissen, advocaten en gerechtsdeurwaarders een algemeen belang gediend en niet slechts een belang dat alleen de beroepsgroepen zelf aangaat. Juist omdat het toezicht er nadrukkelijk toe strekt het publieke vertrouwen in de integriteit en kwaliteit van genoemde juridische beroepsbeoefenaren te waarborgen, dient de regeling hiervan er ook in te voorzien dat het ten opzichte van de beroepsgroep waarop toezicht wordt gehouden zo onafhankelijk mogelijk wordt belegd en uitgeoefend. Aan deze voorwaarde wordt in de huidige wetgeving met betrekking tot toezicht op notarissen en gerechtsdeurwaarders in sterkere mate, zij het ook niet volledig, voldaan dan met betrekking tot toezicht op advocaten. Ten aanzien van notarissen is het financieel toezicht momenteel toebedeeld aan een externe toezichthouder (het BFT). In lijn hiermee bevat het wetsvoorstel-Hammerstein het voorstel om dezelfde externe toezichthouder voortaan ook te belasten met niet-financieel toezicht op notarissen. Daarmee zal met betrekking tot alle voorschriften die notarissen dienen na te leven komen te gelden dat toezicht op de naleving geschiedt door een buiten de beroepsgroep gepositioneerde instantie. Hiermee wordt naar mijn oordeel aan bovenbedoelde voorwaarde van onafhankelijk toezicht voldaan.

Ten aanzien van gerechtsdeurwaarders geldt eveneens dat financieel toezicht bij een externe toezichthouder is gelegd. Wat het niet-financieel toezicht betreft, waarvan wettelijke regeling zoals hierboven is toegelicht naar mijn mening gewenst is, is in het rapport-Van der Winkel opgemerkt dat dit in beginsel intern zou moeten worden belegd. In het kabinetsstandpunt inzake dat rapport is in reactie hierop al opgemerkt dat de wijze waarop dit toezicht het beste kan worden belegd, ook vanwege de samenhang met het toezicht op bijvoorbeeld notarissen, nader zal worden bezien. Van belang acht ik het dat gerechtsdeurwaarders in belangrijke mate belast zijn met het verrichten van publieke taken en dat hun positie met name ook in dit opzicht niet wezenlijk verschilt van die van notarissen. Naar mijn oordeel zijn de wel aanwezige verschillen met het notariaat niet van dien aard dat toezicht op gerechtsdeurwaarders, anders dan dat op notarissen, niet volledig bij een buiten de beroepsgroep gepositioneerde toezichthouder zou moeten worden belegd. Een onderscheid in het beleggen van financieel en niet-financieel toezicht komt bovendien naar mijn oordeel een integrale benadering van toezicht op gerechtsdeurwaarders in onvoldoende mate ten goede. Net als voor het notariaat zal een externe toezichthouder ten aanzien van gerechtsdeurwaarders uiteraard ook op niet-financieel terrein moeten investeren in voldoende expertise. Van de zijde van de KBvG zal onder meer door het laten verrichten van kwaliteitstoetsen anderszins aan kwaliteitsbevordering kunnen worden gedaan. Naar mijn oordeel dient dan ook wettelijk te worden geregeld dat het niet-financieel toezicht op gerechtsdeurwaarders, net als het financieel toezicht, wordt opgedragen aan een externe toezichthouder. Met dit extern toezicht wordt, net als dat op notarissen, voldaan aan de voorwaarde van onafhankelijk toezicht.

Voor advocaten geldt dat zij ten opzichte van de andere twee beroepsgroepen een andere positie innemen in het Nederlandse rechtsbestel. Belangrijk verschil ten opzichte van notarissen en gerechtsdeurwaarders is dat advocaten niet zijn belast met het verrichten van publieke taken. Advocaten zijn uitdrukkelijk geen publieke functionarissen, maar hebben als hoofdtaak in beginsel de belangen van de rechtzoekende te dienen. Mede in het licht van onder meer artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) geldt in het geval van advocaten bovendien dat een zwaarder gewicht moet worden toegekend aan de onafhankelijkheid en de vertrouwelijkheid waarmee zij ten opzichte van een cliënt ter voorbereiding van diens juridische positie moeten kunnen opereren. Ook is in dit verband, mede gelet op het draagvlak binnen de beroepsgroep, van belang dat ten aanzien van advocaten, anders dan ten aanzien van notarissen en gerechtsdeurwaarders, thans niet voor bijvoorbeeld financieel toezicht al geldt dat dit extern is belegd. Met het oog op enerzijds het belang dat, zoals hierboven is toegelicht, is gediend met een zo onafhankelijk mogelijk belegd toezicht en anderzijds de hierboven genoemde verschillen ten opzichte van notarissen en gerechtsdeurwaarders, ben ik van oordeel dat in de wet moet worden vastgelegd dat het toezicht op naleving door advocaten van wettelijke voorschriften belegd wordt bij een onafhankelijk toezichthoudend orgaan binnen de pbo. Met name ook op dit punt wil ik graag eerst kunnen kennisnemen van het advies dat de heer Docters van Leeuwen naar verwachting in maart of april 2010 aan de NOvA zal uitbrengen, waarna ik uw Kamer kort daarna ervan op de hoogte zal stellen hoe dit toezicht naar mijn oordeel meer uitgewerkt in de Aw zou moeten worden geregeld. Ik merk nog op dat uw Kamer, zoals ik hierboven in de inleiding heb aangegeven, over de specifieke regeling van het Wwft-toezicht nog afzonderlijk zal worden bericht.

5.5 Onderscheid toezicht – tuchtrechtspraak

Een belangrijk kenmerk van de in het wetsvoorstel-Hammerstein opgenomen voorstellen voor aanpassing van de regeling van het toezicht op notarissen is het nadrukkelijk scheiden van toezicht en tuchtrechtspraak. Voorgesteld wordt om een einde te maken aan de nu nog geregelde combinatie van beide taken bij de kamers van toezicht, het toezicht voortaan in volledigheid te laten geschieden door een externe toezichthouder, en de kamers van toezicht (die worden omgedoopt tot kamers voor het notariaat) zich in hoofdzaak toe te laten leggen op de tuchtrechtspraak. Naar mijn oordeel geldt dat de redenen die in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel-Hammerstein worden genoemd voor het scheiden van toezicht en tuchtrechtspraak evenzeer opgaan met betrekking tot gerechtsdeurwaarders en advocaten. Hierboven heb ik onder 5.3 al aangegeven dat het ten aanzien van alle drie beroepsgroepen gewenst is dat in plaats van een reactief model een meer preventieve vorm van toezicht komt te gelden, en dat meer in het bijzonder met betrekking tot de advocatuur daarom de huidige koppeling tussen toezicht en tuchtrechtspraak in de Aw dient te worden losgelaten. Daarnaast is er uit een oogpunt van versterking van de waarborgen voor onafhankelijke en onpartijdige tuchtrechtspraak ook in het geval van de advocatuur en de gerechtsdeurwaarders des te meer reden om toezicht en tuchtrechtspaak in de wet nadrukkelijk te scheiden. Voor gerechtsdeurwaarders geldt dat er thans al geen combinatie van bovengenoemde taken bestaat. Bij het wettelijk regelen van het niet-financieel toezicht dient hierin dan ook geen wijziging te worden gebracht. Voor de advocatuur zal naar mijn oordeel derhalve in de wet moeten worden vastgelegd dat toezicht en tuchtrechtspraak gescheiden zijn en toezicht in alle gevallen niet afhankelijk is van een klacht.

5.6 Toezichtsbevoegdheden

Van belang is dat de toezichthouder beschikt over voldoende bevoegdheden om waar te kunnen maken dat adequaat toezicht wordt gehouden op de naleving van alle voorschriften in de Wna, de Aw of de Gdw en de daarop berustende regelgeving. Ingevolge het bepaalde in titel 5.2 van de Awb komen aan personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op naleving van wettelijke voorschriften, verschillende bevoegdheden toe, zoals het vorderen van inlichtingen (artikel 5:16), het vorderen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden (artikel 5:17) en het betreden van plaatsen (artikel 5:15). Voor het toezicht op notarissen is in het wetsvoorstel-Hammerstein opgenomen dat deze bevoegdheden op zich voldoende zijn om zowel financieel als niet-financieel toezicht te houden. Hiertoe wordt voorgesteld de nu nog in de wet geregelde buitentoepassingverklaring van titel 5.2 van de Awb te schrappen. In aanvulling daarop is nog voorgesteld om de toezichthouder, net als in de huidige wet, ook bevoegd te maken om inzage in de persoonlijke financiële administratie van een notaris te vorderen. Ook voor het toezicht op gerechtsdeurwaarders en advocaten volstaat naar mijn oordeel in beginsel het totaal aan bevoegdheden ingevolge titel 5.2 van de Awb, eventueel aangevuld met een enkele extra bevoegdheid. Met het oog daarop is het dan ook gewenst om in zowel de Gdw als de Aw uitdrukkelijk te bepalen dat personen, aangewezen door het orgaan dat verantwoordelijk is voor het toezicht, worden belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij en krachtens de Gdw respectievelijk de Aw, zodat zij de in titel 5.2 van de Awb geregelde bevoegdheden kunnen uitoefenen. Voor toezicht op advocaten is het naar mijn oordeel daarnaast van belang dat ten behoeve daarvan in de wet wordt voorzien in een doorbreking van de geheimhoudingsplicht (zie onder 5.7).

5.7 Doorbreking van geheimhoudingsplicht

Voor de uitoefening van bevoegdheden ingevolge titel 5.2 van de Awb door de toezichthouder geldt dat die ten aanzien van notarissen en advocaten in beginsel begrensd wordt door het bepaalde in artikel 5:20, tweede lid, van de Awb. Daarin wordt bepaald dat degenen die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, het verlenen van medewerking aan de toezichthouder die zijn bevoegdheden wil uitoefenen kunnen weigeren voorzover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit. De verplichting tot geheimhouding voor notarissen en advocaten dient om de vertrouwelijkheid van gegevens van hun cliënten te waarborgen en zodoende de vertrouwensrelatie tussen de notaris of advocaat en zijn cliënt te beschermen. Om effectief toezicht te kunnen houden op de integriteit van een notaris en advocaat, waarmee evenzeer een groot belang is gediend, zoals ik hierboven onder 4 heb toegelicht, kan het echter noodzakelijk te zijn om als toezichthouder onbeperkt inzage te hebben in de dossiers van die notaris of advocaat en geen belemmering te ondervinden van het bepaalde in artikel 5:20, tweede lid. Met het oog hierop is in het wetsvoorstel-Hammerstein reeds voorzien in het voorstel om in de Wna een doorbreking van de geheimhoudingsplicht van de notaris ten behoeve van het toezicht op naleving van het bij en krachtens de Wna bepaalde te regelen. Deze uitzondering op de geheimhoudingsplicht is, vanwege het belang van bescherming van de vertrouwelijkheid, van enige waarborgen voorzien, door de bepaling dat deze uitdrukkelijk dient ten behoeve van voormeld toezicht en alleen geldt ten opzichte van degenen die met dat toezicht zijn belast. Op de toezichthouder rust een afgeleide geheimhoudingsplicht. Vanwege bovengenoemd belang van het toezicht op de integriteit en kwaliteit dient naar mijn oordeel ten behoeve van het toezicht op de naleving van het bij en krachtens de Aw bepaalde eenzelfde doorbreking van de geheimhoudingsplicht in de Aw te worden geregeld. In samenhang hiermee acht ik het aangewezen dat de geheimhoudingsplicht voor advocaten, die thans nog een plek heeft in gedragsregels van de pbo, ook in de wet wordt geregeld. Regeling op wetsniveau doet ook veel meer recht aan het evidente belang van dit beginsel. Voor notarissen is de geheimhouding ook al bij wet geregeld. Zoals hierboven onder 1.2 is aangegeven geldt ook nu al, zij het geregeld op het niveau van gedragsregels, dat bij controles door de deken een advocaat verplicht is om inlichtingen te verstrekken en zich niet op zijn geheimhoudingsplicht te beroepen.

Overigens merk ik in dit verband graag nog op dat thans tevens door mij wordt bezien of en in hoeverre de wetgeving aanpassing behoeft om te voorkomen dat in het geval van de advocatuur de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht ook betrekking hebben op werkzaamheden die niet als «advocatuurlijk» kunnen worden aangemerkt. Dit zal, zoals uw Kamer reeds is bericht (Handelingen II 2009/10, p. 1750), worden betrokken bij het wetsvoorstel waarmee in hoofdzaak uitvoering wordt gegeven aan het evaluatierapport van de commissie-Van Wijmen.

5.8 Bestuurlijke afdoening door toezichthouder

Hoofdregel dient te zijn dat de toezichthouder controle uitoefent op de naleving van wettelijke voorschriften en bij gebleken overtredingen een klacht kan indienen bij de tuchtrechter én dat de tuchtrechter degene is die na beoordeling van een overtreding van een wettelijk voorschrift eventueel sanctionerend optreedt. Van belang is derhalve dat wettelijk is vastgelegd dat ook de toezichthouder een klacht kan indienen bij de tuchtrechter. In het wetsvoorstel-Hammerstein is daarnaast, in afwijking van de hoofdregel, voorgesteld om in de Wna te voorzien in de mogelijkheid voor de toezichthouder om overtredingen van een beperkt aantal wettelijke voorschriften bestuurlijk af te doen, hetzij door oplegging van een bestuurlijke boete, hetzij door oplegging van een last onder dwangsom. Daarbij gaat het in hoofdzaak om wettelijke voorschriften die verband houden met de administratie van de notaris. Hiermee wordt, zoals ook is aangegeven in de memorie van toelichting, de effectiviteit van het toezicht verhoogd door de mogelijkheid van snel ingrijpen als het gaat om overtreding van voorschriften waarvan naleving van belang is voor het goed kunnen uitoefenen van toezicht, en wordt bereikt dat niet zonder meer een zware tuchtrechtelijke procedure in geval van overtredingen van relatief geringe ernst hoeft te worden gevoerd. Ik wijs er nog graag op dat de omstandigheid dat de toezichthouder een bepaalde overtreding niet bestraft onverlet laat dat hierover bijvoorbeeld naar aanleiding van een klacht van een burger toch een tuchtrechtelijke procedure wordt gevoerd. Om dezelfde redenen als hierboven vermeld verdient het naar mijn oordeel aanbeveling om ook met betrekking tot toezicht op gerechtsdeurwaarders en advocaten in bovenbedoelde mate bestuurlijke afdoening door de toezichthouder wettelijk mogelijk te maken.

6. Vervolg

Uit het voorgaande moge blijken dat de huidige wetgeving over toezicht op notarissen, advocaten en gerechtsdeurwaarders naar mijn oordeel in meerdere opzichten aanpassing behoeft. Zoals ik hierboven heb toegelicht, zijn de naar mijn oordeel met betrekking tot dit onderwerp wenselijke wijzigingen van de Wna reeds vervat in het wetsvoorstel-Hammerstein. Het door uw Kamer over dit wetsvoorstel uitgebrachte verslag zal ik, in maart 2010 beantwoorden. Met betrekking tot de naar mijn oordeel op het punt van het toezicht gewenste aanpassingen van de Aw en de Gdw zal ik de daarvoor benodigde voorstellen tot wetswijziging laten opstellen. Daarbij zal vanzelfsprekend ook, evenals dat bij het wetsvoorstel-Hammerstein het geval is geweest, overleg met de betrokken beroepsgroepen plaatsvinden.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin