Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200929279 nr. 90

29 279
Rechtsstaat en Rechtsorde

nr. 90
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 april 2009

Eind 2008 heb ik in een brief aan de Tweede Kamer de visie van het kabinet op de herindeling van de organisaties van Rechtspraak en OM, oftewel de gerechtelijke kaart, weergegeven.1 De gerechtelijke kaart dient te worden herzien om nu en in de toekomst kwalitatief goede rechtspraak te blijven waarborgen. Om specialisatie mogelijk te maken en om de kwetsbaarheid van gerechten en parketten te verminderen is een aanpassing nodig van de huidige rechterlijke indeling die een geschiedenis heeft van 200 jaar. Op 29 januari van dit jaar heb ik overleg gevoerd met de Vaste Kamercommissie voor Justitie over de uitgangspunten voor de herziening van de gerechtelijke kaart.2 Uw Kamer heeft doen blijken de functionele benadering die ik kies te kunnen delen en graag op basis van een nadere uitwerking verder te willen discussiëren. Met het oog op dit vervolgoverleg treft u in deze brief de nadere uitwerking aan die zich vooral toespitst op de organisatie van de Rechtspraak. Over de regionalisering van het OM heb ik u, in het vervolg op de eerdere brieven van mijn ambtsvoorganger uit 20043, reeds ingelicht in mijn brief van 19 december 2008.

Achtereenvolgens ga ik in op:

1. wat voorafging

2. de bestuurlijke constellatie,

3. de plaatsen van de Rechtspraak en

4. de relatie met de omgeving van Rechtspraak en openbaar ministerie

5. de vervolgstappen.

Deze brief richt zich op de zogenaamde eerstelijnsorganisatie van de Rechtspraak, dus het niveau van de rechtbanken. De consequenties voor de tweedelijnsorganisatie, het niveau van de gerechtshoven, volgen in een later stadium.

1. Wat voorafging

Voordat ik inga op de verschillende aspecten van de herziening van de gerechtelijke kaart wil ik kort het kader schetsen binnen welke de diverse ontwikkelingen hebben plaatsgevonden.

Op 27 juni 2007 heb ik het kabinetsstandpunt inzake de door de Commissie-Deetman verrichte evaluatie van de modernisering van de rechterlijke organisatie (verder: kabinetsstandpunt Commissie-Deetman) aan uw Kamer gezonden.1 De aanbevelingen van de Commissie-Deetman en de op basis daarvan in het kabinetsstandpunt uiteengezette concrete voornemens, staan in het teken van de kwaliteit van de rechtspraak. De regering was en is van mening dat om die kwaliteit ook in de toekomst te waarborgen er behoefte is aan ruimte en flexibiliteit die het de Rechtspraak mogelijk maakt haar organisatie aan de eisen van een veranderende samenleving aan te passen. Voorbeelden daarvan uit het kabinetsstandpunt zijn het mogelijk maken van vergaande samenwerking tussen gerechten op het terrein van de bedrijfsvoering, het kunnen«delen» van bestuursleden en het scheppen van mogelijkheden om de behandeling van zaken te concentreren als er sprake is van een capaciteitsprobleem of als er behoefte is aan opbouw van deskundigheid (specialisatie).

Uitgangspunt daarbij was de huidige arrondissementale indeling. De Commissie-Deetman meent dat de huidige indeling voldoet voor het aanbod van reguliere veel voorkomende zaaksbehandeling. Dit oordeel was mede gebaseerd op het eindrapport van de door de Rechtspraak ingestelde Commissie-Van der Winkel.2 Deze commissie concludeerde dat niet alle gerechten groot genoeg zijn om het primaire proces voor alle zaken te voorzien in de noodzakelijke diepgaande kennis (in relatie tot voldoende volume). Als oplossing voor dit probleem adviseerde de Commissie-Van der Winkel om te komen tot een stelsel van verplichte samenwerking.

De in het kabinetsstandpunt opgenomen voornemens om de gewenste flexibiliteit te bewerkstellingen, zijn in navolging van de Commissie Deetman, gebaseerd op het uitgangspunt van de huidige arrondissementale indeling. Dit betekent dat de maatregelen die zien op samenwerking tussen gerechten, het «delen» van bestuursleden en de (tijdelijke) concentratie van zaaksbehandeling hun begrenzing vinden in de grenzen van arrondissement en ressort.

Over dit kabinetsstandpunt heb ik met de vaste Kamercommissie voor Justitie een overleg gevoerd op 21 november 2007.3 In dat overleg bleek brede steun te bestaan voor de voornemens met betrekking tot de Rechtspraak. Een wetsvoorstel waarin de voornemens uit het kabinetsstandpunt zijn uitgewerkt (Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie), is vervolgens, na consultatie van alle betrokken partijen, in maart jl. voor advies aan de Raad van State toegezonden.

In het overleg op 21 november 2007 werd, naar aanleiding van de voornemens met betrekking tot Flevoland, Zwolle en Almelo, tevens een impuls gegeven aan de discussie over de herziening van de gerechtelijke kaart. Het in Uw Kamer breed gedeelde gevoelen was immers dat dit voorstel in het kader van een totale herziening van de gerechtelijke kaart dient te worden bezien.

In de afgelopen periode is de herziening van de gerechtelijke kaart gesprek van onderwerp geweest binnen en tussen de Rechtspraak, het OM, departement en andere organisaties gelieerd aan de rechtspraak. Hierbij worden principiële en fundamentele kwesties ter discussie gesteld. Met de voorgenomen herziening van de gerechtelijke kaart komt de huidige arrondissementale indeling in een nieuw daglicht te staan.

De gedachtevorming over de herinrichting van de gerechtelijke kaart laat nogmaals duidelijk zien dat het thans bij de Raad van State aanhangige wetsvoorstel zeer nodig is. Dit wetsvoorstel staat immers juist deels in functie en perspectief van de herziening van de gerechtelijke kaart. Enkele in het wetsvoorstel opgenomen maatregelen dragen een tijdelijk karakter, namelijk tot de invoering van de nieuwe gerechtelijke kaart een feit is. Zo voorziet het wetsvoorstel reeds in de mogelijkheid om personele unies te vormen bij rechtbankbesturen binnen één ressort. Ik acht dit wenselijk omdat de Rechtspraak met deze geboden (tijdelijke) ruimte kan voorsorteren op de wijzigingen die de herziening van de gerechtelijke kaart met zich mee zal brengen.

2. De bestuurlijke constellatie

In de huidige systematiek van de Wet op de rechterlijke indeling en de Wet op de rechterlijke organisatie kennen we negentien rechtsgebieden in de eerste lijn, de arrondissementen. Elk arrondissement heeft één hoofdplaats waar de rechtbank en het arrondissementsparket zijn gevestigd. Elke rechtbank wordt bestuurd door een gerechtsbestuur. Daarnaast zijn er 41 nevenlocaties voor rechtspraak waar vaak kantonzaken, dus relatief eenvoudige civiele en strafzaken, worden behandeld. Een groot aantal van deze nevenlocaties – wettelijk aangeduid als nevenvestigingsplaatsen – is bij wet vastgelegd (bijlage bij de Wet op de rechterlijke organisatie); de overige nevenlocaties, nevenzittingsplaatsen genoemd, zijn aangewezen bij algemene maatregel van bestuur (bijlage bij het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen). Overeenkomstig het kabinetsstandpunt Commissie-Deetman is in het wetsvoorstel Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie neergelegd dat de bevoegdheid tot het aanwijzen van nevenlocaties komt te liggen bij de Raad voor de rechtspraak.

Door nu grotere rechtsgebieden te creëren worden de nieuwe gerechtsbesturen in staat gesteld om binnen hun grotere rechtsgebied alle vormen van rechtspraak op kwalitatief hoog niveau te kunnen aanbieden. Concentratie, specialisatie, het oplossen van capaciteitsproblemen en de verdeling van de zaaksbehandeling kunnen dan binnen dit grotere rechtsgebied op voldoende niveau worden georganiseerd. Een uitzondering geldt voor de categorieën zaken die buiten de nieuwe grenzen – bijvoorbeeld landelijk – worden geconcentreerd.

In de nieuwe gerechtelijke kaart zullen er dus minder rechtsgebieden zijn dan de huidige negentien arrondissementen. Dit kleinere aantal rechtsgebieden zal worden bestuurd door een navenant kleiner aantal gerechtsbesturen dan de huidige negentien. In die grotere rechtsgebieden is er straks niet meer één enkele hoofdplaats maar zijn er meerdere vestigingsplaatsen voor rechtspraak die wettelijk worden verankerd. In de nieuwe situatie kan dan het gerecht in een bepaald rechtsgebied twee of zelfs drie vestigingen omvatten. Aan de Rechtspraak wordt overgelaten waar het gerechtsbestuur van het gerecht in het desbetreffende rechtsgebied zetelt.

Hoe de indeling van de rechtsgebieden er in de nieuwe gerechtelijke kaart uit gaat zien is momenteel onderwerp van gesprek binnen de Rechtspraak. Ik heb als leidraad meegegeven de indeling in elf regio’s waar het OM vanaf 1 januari 2009 mee werkt. Alvorens ik een voorstel doe aan uw Kamer voor de indeling van de nieuwe rechtsgebieden wil ik het advies van de Raad voor de rechtspraak ontvangen. Ik zal uw Kamer dan ook op een later moment hierover informeren.

3. De plaatsen van de Rechtspraak

Bij het bepalen van de vestigingsplaatsen in de nieuwe gerechtelijke kaart staat het perspectief van de rechtzoekende centraal. De rechtzoekende is gebaat bij hoge kwaliteit van rechtspraak. Hiermee doel ik op de juridische (inhoudelijke) kwaliteit van rechterlijke uitspraken maar ik doel ook op de dienstverlening oftewel de bejegening van justitiabelen en de tijdigheid van uitspraken.

Daarnaast is voor de rechtzoekende de bereikbaarheid van rechtspraak en de herkenbare aanwezigheid van rechtspraak van belang. Bij bereikbaarheid gaat het, naast financiële en digitale toegankelijkheid, ook om geografische bereikbaarheid: ondanks dat we leven in het tijdperk van de digitale snelweg in plaats van de postkoets en de trekschuit, moet de rechtzoekende binnen een redelijke tijd naar een rechtbank kunnen reizen en hij of zij is dus gebaat bij een goede spreiding van rechtspraak over Nederland.

Het gaat dus om een juiste balans tussen het op voldoende kwalitatief hoog niveau doelmatig kunnen afdoen van zaken en om een evenwichtige spreiding over Nederland. Hiervoor hanteer ik, zoals aangegeven in mijn brief van 19 december 2008, het uitgangspunt dat er vestigingsplaatsen van rechtspraak zijn in de tien grootste gemeenten in Nederland en de provinciehoofdsteden. Daarnaast kunnen bereikbaarheid en continuïteit bepalend zijn voor het aanwijzen van andere plaatsen.

Deze vestigingsplaatsen zullen zullen wettelijk worden verankerd. Het ligt in de bedoeling dat de Raad voor de rechtspraak in de toekomst de bevoegdheid krijgt om naast deze vestigingsplaatsen andere zittingsplaatsen aan te wijzen. Hieronder licht ik deze criteria toe en geef ik weer wat dit concreet betekent.

3.1 vestigingsplaatsen

Het criterium van de tien grootste gemeenten qua inwoneraantal wordt gehanteerd omdat rechtspraak en openbaar ministerie aanwezig en zichtbaar dienen te zijn in de plaatsen waar veel «werk aan de winkel» is en de nabijheid van rechterlijke autoriteiten van extra betekenis is. Daarvan is in ieder geval sprake in de tien grootste steden van Nederland.

Ik hanteer voorts de provinciehoofdsteden als criterium omdat dit steden zijn met een belangrijke politieke en bestuurlijke functie. Bovendien draagt toevoeging van dit criterium bij aan een goede spreiding over Nederland. Wanneer ik immers alleen uit zou gaan van het criterium van de tien grootste gemeenten zou rechtspraak ontbreken in provincies als Zeeland, Drenthe en Limburg. Dat is onwenselijk.

Omdat met de hierboven genoemde criteria de bereikbaarheid over Nederland nog niet voor alle gebieden is gegarandeerd heb ik aanvullend ook het criterium van bereikbaarheid en continuïteit genoemd. Continuïteit betreft de historie van rechtspraak in gemeenten in samenhang met de gebouwelijke en andere voorzieningen. Bereikbaarheid is gerelateerd aan het wel of niet aanwezig zijn van een vestigingsplaats in de nabijheid.

Vanuit dit perspectief geredeneerd kom ik op de volgende vestigingsplaatsen voor rechtspraak die in de nieuwe gerechtelijke kaart wettelijk worden verankerd (zie ook bijlage 1):1 Almelo, Almere, Amsterdam, Arnhem, Assen, Breda, Eindhoven, ’s-Gravenhage, Groningen, Haarlem, ’s-Hertogenbosch, Leeuwarden, Maastricht, Middelburg, Rotterdam, Utrecht en Zwolle.

Deze lijst vergt een nadere toelichting omdat bij de uitwerking van de gehanteerde criteria enkele knelpunten om een specifieke beslissing vragen. Bij het bepalen van de lijst van wettelijke vestigingsplaatsen heb ik nadrukkelijk gekeken naar het voorkomen van evidente ondoelmatigheden.

Zo is het vanuit bedrijfseconomisch perspectief onwenselijk om, indien twee wettelijke vestigingsplaatsen in elkaars directe nabijheid zijn gelegen, zoals het geval is bij de provinciehoofdstad Arnhem en bij de tiende stad van Nederland, Nijmegen, daar in dezelfde mate voorzieningen aanwezig te hebben. Hetzelfde geldt voor Almere en de provinciehoofdstad Lelystad. Een ander voorbeeld vormen Tilburg en Breda, de respectievelijk zesde en negende stad van Nederland. De steden Lelystad, Nijmegen en Tilburg zullen als zittingsplaatsen worden aangewezen.

Almelo, Dordrecht, Alkmaar, Roermond en Zutphen zijn huidige arrondissementshoofdplaatsen die geen top-tien-gemeente noch provinciehoofdstad zijn. De Raad voor de rechtspraak adviseert om de huidige arrondissementshoofdplaatsen (waaronder dus ook de hier besproken plaatsen) in de toekomstige kaart als vestigingsplaats aan te wijzen (bijlage 2).1 In debat met uw Kamer heb ik echter aangegeven bescheiden te willen zijn met het aanwijzen van vestigingsplaatsen op basis van het criterium van continuïteit en bereikbaarheid. Vanuit dit oogpunt wordt daarom alleen Almelo als in de Twentse stedelijke regio passende vestigingsplaats in de wet verankerd. Dordrecht, Alkmaar, Roermond en Zutphen hebben een vestigingsplaats op ongeveer of minder dan een half uur reistijd met auto en openbaar vervoer, maar zullen wel als zittingsplaats worden aangewezen.

In mijn brief van december vorig jaar schreef ik dat het gaat om vestigingsplaatsen waar een gebouw is met zittingszalen en werkkamers voor rechters en (juridische) medewerkers. De Raad voor de rechtspraak adviseert om aan de Rechtspraak zelf over te laten of, en in hoeverre, een vestigingsplaats een kantoorfunctie moet hebben of alleen een zittingsfunctie. Dit zou op basis van lokale overwegingen dienen te worden besloten waarbij ook bedrijfsvoeringsaspecten een rol spelen. Daarom zal worden bepaald dat in deze gevallen de kantoren op één locatie kunnen worden geconcentreerd. Ik ben van oordeel dat een vestigingsplaats zowel voor de justitiabelen als voor de rechtspraak zelf betekenis moet hebben. Zeker in vestigingsplaatsen als bijvoorbeeld Middelburg is vanwege de excentrieke ligging een kantoorfunctie noodzakelijk, zoals wat betreft Middelburg overigens ook door de Raad voor de rechtspraak wordt bevestigd. Ook in andere vestigingsplaatsen zal het wenselijk en nodig zijn om de beschikking te hebben over (flex)werkplekken, vergaderruimtes en een contactfunctie voor het publiek.

Welke categorieën rechtzaken worden aangeboden in de vestigingsplaatsen wordt door het gerechtsbestuur van het nieuwe rechtsgebied bepaald, voor strafzaken gehoord het OM. Dit past immers in het idee dat ruimte en flexibiliteit voor de Rechtspraak geboden is om ook in de toekomst de hoge kwaliteit te kunnen blijven waarborgen. De Raad voor de rechtspraak stelt dat het niet mogelijk is om alle bestuursrechterlijke zaken overal over de volle breedte te blijven doen. Er is een te gering volume om ook in de toekomst in alle gerechten voldoende kwaliteit te kunnen blijven leveren. Dit werd vorig jaar ook geconcludeerd door een door de Rechtspraak ingestelde Commissie-Van der Winkel die onderzoek heeft gedaan naar de toedeling van zaakspakketten.2

Wijzigingen in het aanbod van rechtspraak wordt echter begrensd door de eis van toegankelijkheid van de rechtspraak voor de burger. Naar mijn mening wordt aan deze toegankelijkheid voldaan als zaken die een groot deel van de burgers en bedrijven aangaan of die een lokaal karakter hebben, worden aangeboden in de wettelijk verankerde vestigingsplaatsen. Ik denk bijvoorbeeld aan socialezekerheidszaken, politierechterzaken en familie- en jeugdzaken. Tevens is van belang dat verplaatsing van zaaksbehandeling niet leidt tot onduidelijkheid bij de burger over het aanbrengen van zijn zaak. Dit betekent bijvoorbeeld dat de verschillende vestigingen in een rechtsgebied een voor de burger eenduidig postadres dienen te hanteren.

3.2 overige zittingsplaatsen

In de visie van het kabinet, zoals vervat in het kabinetsstandpunt Commissie-Deetman, kan bij het aanbod van rechtspraak in Nederland een hoge kwaliteit, doelmatigheid en goede toegankelijkheid hand in hand gaan. Daarbij is van belang dat, hoe wezenlijk ook, de rechtspraak geen dagelijkse voorziening is, zoals huisartsenzorg of basisonderwijs. Immers, elke Nederlander komt hoogstens één keer in zijn of haar leven in een rechtszaal. Voor de spreiding van rechtspraak betekent dit, aldus het kabinet, dat een locatie een substantiële meerwaarde moet hebben in de toegankelijkheid en zichtbaarheid van de rechtspraak. Daarbij kunnen elementen van substantieel gebruik, bevolkingsdichtheid en het niveau van bedrijvigheid een rol spelen. Het kabinet meent dat de verantwoordelijkheid voor het beleid inzake aanvullende zittingsplaatsen, binnen de door de wetgever gestelde kaders, bij de Rechtspraak dient te worden gelegd.

In het kader van de herziening van de gerechtelijke kaart wordt nu nader ingevuld wat de betekenis is van de – eerder als nevenlocaties aangeduide – overige zittingsplaatsen. Daaronder zal worden verstaan een door de Raad voor de rechtspraak aangewezen plaats voor rechtspraak waar een beperkt aantal categorieën rechtzaken wordt aangeboden. Ik ben met de Raad voor de rechtspraak van mening dat restrictief dient te worden omgegaan met het aanwijzen van zulke additionele zittingsplaatsen. Zoals gezegd dient dient hieraan een substantiële meerwaarde te zijn verbonden, terwijl tevens rekening moet worden gehouden met kosten voor bijvoorbeeld huisvesting, ICT en veiligheid. De Raad voor de rechtspraak geeft aan het wenselijk te vinden om in gebieden met meer dan 300 000 inwoners een zittingsplaats te hebben als daarin geen vestigingsplaats aanwezig is. Dit leidt tot voldoende regulier zaaksaanbod. De Raad meent verder dat Haarlemmermeer gehandhaafd dient te worden vanwege de specifieke functie met betrekking tot Schiphol-gerelateerde strafzaken. Aangezien de door de Raad gehanteerde criteria aansluiten bij het eerder vastgestelde kabinetsstandpunt Deetman onderschrijf ik deze criteria.

Tenslotte maak ik van de gelegenheid gebruik in deze brief mededeling te doen van een concreet voornemen terzake van één bepaalde nevenlocatie. Dit betreft de huidige locatie Schiedam als nevenvestigingsplaats van de rechtbank Rotterdam. Deze locatie dient ingrijpend gerestaureerd te worden. Dit betekent dat het gebouw per 1 april 2010 voor langere tijd gesloten wordt. In het huidige wettelijke stelsel dient in die periode een andere voorziening te worden getroffen. Nu Schiedam in de toekomstige gerechtelijke kaart op termijn als zittingsplaats komt te vervallen zou zo’n tijdelijke voorziening onevenredig veel kosten met zich meebrengen. De Raad voor de rechtspraak heeft mij derhalve verzocht om, vooruitlopend op de nieuwe gerechtelijke kaart, een wetswijziging voor te stellen die resulteert in het schrappen van Schiedam als nevenvestigingsplaats zodat deze praktische problemen worden voorkomen. De Raad voor de rechtspraak meldde mij dat betrokken partijen in Rotterdam en Schiedam hiermee kunnen instemmen.

4. De omgeving

Het uitgangspunt is dat de buitengrenzen van Rechtspraak, OM, politie en veiligheidsregio’s congruent zijn. Dit is een randvoorwaarde voor goede samenwerking in de (strafrechts)keten. Concreet betekent dit dat de rechtsgebieden, de bestuurlijke eenheden, van Rechtspraak en OM één op één aan elkaar gekoppeld zijn. Daarbinnen kunnen één of meer regio’s voor de politie en de veiligheidsregio’s vallen.

In het kabinetsstandpunt over de doorontwikkeling van de politieorganisatie, dat mijn ambtgenote van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik eind vorig jaar aan uw Kamer hebben gezonden1 is een tweetal doelstellingen opgenomen die de gerechtelijke kaart raken. Dit betreft in de eerste plaats de bovenregionale samenwerking, waarbij op een aantal vastgestelde onderwerpen door de politiekorpsen binnen vaste gebieden wordt samengewerkt. In de tweede plaats betreft dit het voornemen om deze kabinetsperiode te besluiten over schaalvergroting, resulterend in 20 tot 22 politieregio’s.

Deze ontwikkelingen in het politiebestel en die van de gerechtelijke kaart versterken elkaar. Mijn ambtgenote en ik voeren regie op deze ontwikkelingen en houden een scherp oog op het onderlinge verband, zowel in tijd en tempo als in de ontwikkelingsrichting. Het OM biedt momenteel met de regionalisering voldoende flexibiliteit om zich te kunnen aanpassen aan ontwikkelingen in het politiebestel.

De Rechtspraak en het OM hebben vele stakeholders in hun omgeving die effect zullen ondervinden van een nieuwe gerechtelijke kaart. Een belangrijke partner is de advocatuur. De Nederlandse Orde van Advocaten meent dat een modernisering en aanpassing van de rechterlijke organisatie aan de huidige tijd nodig is om de kwaliteit en tijdigheid van de rechtspraak te waarborgen.

Ook de eventuele gevolgen voor de andere juridische beroepsgroepen – ik denk hierbij met name aan de gerechtsdeurwaarders en notarissen – zullen in kaart worden gebracht in overleg met de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders onderscheidenlijk de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie. Daarnaast zijn voor OM en Rechtspraak diverse taakorganisaties van Justitie belangrijke ketenpartners. Ik zal bij het opstellen van het voorstel voor de nieuwe indeling van de gerechtelijke kaart kijken naar de mogelijke gevolgen voor de indelingen van de Raad voor de Kinderbescherming, de Reclasseringsorganisaties, de Dienst Vervoer & Ondersteuning en het gevangeniswezen.

5. Slotbeschouwing

In deze brief is een nadere invulling gegeven aan de uitgangspunten van het kabinet voor de herziening van de gerechtelijke kaart. De nieuwe gerechtelijke kaart is hiermee nog niet volledig getekend maar de contouren zijn scherper geworden. De bestuurlijke constellatie, dat wil zeggen de indeling van de nieuwe rechtsgebieden, is nog onderwerp van gesprek binnen de Rechtspraak. Deze brief gaat ook nog niet in op de consequenties voor de ressorten. De Raad voor de rechtspraak brengt voor de zomer advies uit over de gewenste bestuurlijke constellatie van de eerstelijnsorganisatie en over de gewenste bestuurlijke constellatie en vestigingsplaatsen van de tweedelijnsorganisatie. Ik wil dit advies afwachten en hierover met de Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal spreken, alvorens ik uw Kamer hierover een voorstel doe.

Ik wil ook tijd reserveren om de stakeholders van Rechtspraak en OM over mijn voorstel te consulteren. Daarbij betrek ik ook de beroepsgroep van rechters en officieren van justitie, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. Mijn voornemen is om voor het einde van dit jaar uw Kamer een concreet voorstel te doen voor de bestuurlijke constellatie van de eerstelijnsorganisatie van Rechtspraak en OM. In dat voorstel wil ik ook ingaan op de bestuurlijke constellatie en de vestigingsplaatsen van de tweedelijnsorganisatie. Na debat met uw Kamer hierover zullen de voornemens in een wetsvoorstel herziening gerechtelijke kaart worden opgenomen.

De afgelopen periode hebben diverse bestuurders hun zorgen geuit omtrent de gevolgen van de herziening van de gerechtelijke kaart voor de werkgelegenheid op het terrein van Rechtspraak en OM. Zeker in deze economisch zware tijden is dit een belangrijk aspect. De focus van dezebrief is het perspectief van de rechtzoekende. De toekomstige vestigings- en zittingsplaatsen worden beargumenteerd vanuit een visie op spreiding en aanbod van rechtspraak. Deze nieuwe gerechtelijke indeling zal gevolgen hebben voor, onder andere, de kantoorlocaties voor rechters, officieren van justitie en (juridische) medewerkers. Deze gevolgen zijn afhankelijk van de bestuurlijke indeling en de praktische uitwerking door de Rechtspraak en het OM zelf.

Ik benadruk dat de herziening van de gerechtelijke kaart tot doel heeft om de kwaliteit van het werk van de rechterlijke macht ook in de toekomst te kunnen waarborgen. Ik zal graag met u in overleg treden over deze nadere invulling van mijn uitgangspunten.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XNoot
1

Brief van 19 december 2008; Kamerstukken 2008/09, 29 279, nr. 85.

XNoot
2

Zie het verslag in Kamerstukken 2008/09, 29 279, nr. 89.

XNoot
3

Kamerstukken 2004/05, 28 684, nrs. 25, 30, 37 en 47.

XNoot
1

Kamerstukken 2006–2007, 29 279, nr. 55.

XNoot
2

Goede rechtspraak door sterke regio’s. Eindrapport Commissie Van der Winkel, Den Haag, oktober 2006.

XNoot
3

Kamerstukken 2007–2008, 29 279, nr. 64.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
2

Rapport Commissie Toedeling Zaakspakketten. Bijlage bij Kamerstukken 2008/09, 29 279, nr. 85.

XNoot
1

Kamerstukken 2008/09, 29 628, nr. 110.