Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 80, item 9

9 Kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een schriftelijk overleg over het wetsvoorstel Versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs ( 33472 ).

De voorzitter:

Ik richt een speciaal woord van welkom tot de minister van OCW.

Het woord is aan de heer Duisenberg van de fractie van de VVD. Hij heeft twee minuten spreektijd.

De heer Duisenberg (VVD):

Voorzitter. De VVD is van mening dat het wetsvoorstel inzake kwaliteitsborging niet langer hoeft te wachten op behandeling. Met uitzondering van één onderdeel, te weten het risicogericht toezicht door de inspectie, zijn alle andere onderdelen goede pragmatische oplossingen voor de hiaten in de kwaliteitsborging in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Wij vinden de evaluatie van het accreditatiestelsel en de discussie over governance geen redenen om de behandeling van het wetsvoorstel verder uit te stellen, tot na de zomer. Elke dag van uitstel vormt een onnodig risico ten aanzien van de borging van diplomakwaliteit in het onderwijs. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de minister van OCW de Tweede Kamer heeft laten weten het wetsvoorstel Versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs niet eerder dan na de evaluatie van het accreditatiestelsel deze zomer te willen behandelen;

overwegende dat het wetsvoorstel van groot belang is voor de borging van kwaliteit in het hoger onderwijs en een aantal tekortkomingen in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek repareert die in de afgelopen jaren een onvoldoende werking van het kwaliteitsstelsel in het hoger onderwijs hebben veroorzaakt;

overwegende dat kwaliteitsborging voor studenten van groot belang is en de Kamer na de gebeurtenissen rond Hogeschool Inholland aandrong op zo spoedig mogelijke aanpak van de tekortkomingen hierin;

constaterende dat de minister van OCW de aanwijzingsbevoegdheid van de minister wil versterken en daar voorstellen voor doet in de brief Versterking Bestuurskracht Onderwijs van 19 april 2013;

verzoekt de regering, de aanwijzingsbevoegdheid uit de brief Versterking Bestuurskracht Onderwijs zo spoedig mogelijk te verwerken in het wetsvoorstel Versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs en de nota naar aanleiding van het verslag inzake het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk aan de Tweede Kamer te sturen met als doel de plenaire behandeling voor het zomerreces te laten plaatsvinden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Duisenberg, Jasper van Dijk en Beertema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 7 (33472).

Minister Bussemaker:

Voorzitter. Ik ontraad deze motie. Dat is niet – laat ik dat heel nadrukkelijk zeggen – omdat ik niet zou hechten aan een spoedige behandeling of omdat ik niet zou hechten aan hetgeen in het wetsvoorstel staat. Het is omdat ik hecht aan een zorgvuldige behandeling. Ik acht het belangrijk voor de effectiviteit van de maatregelen om rekening te houden met de resultaten en inzichten van het overleg met de Kamer over de brief Versterking bestuurskracht die de Kamer onlangs heeft gekregen, met de aanscherping van de aanwijzingsbevoegdheid, en met de evaluatie van het accreditatiestelsel. Ik zal daarna zo spoedig mogelijk beslissingen nemen over mogelijke aanpassingen van dit wetsvoorstel.

Als de Kamer enig geduld betracht, kan ik in dit wetsvoorstel de aanwijzingsbevoegdheid aanscherpen. Het gaat om een forse aanscherping, waar de Kamer, als ik zo naar het verleden kijk, ook al indirect naar heeft gevraagd. Die aanscherping van de aanwijzingsbevoegdheid moet echter wel langs de Raad van State. Die kan ik dus niet even in een middag in het wetsvoorstel fietsen. Dat betekent dat ik, als ik de aanwijzingsbevoegdheid in verscherpte vorm in het huidige wetsvoorstel wil opnemen, de Kamer in september een nota naar aanleiding van het verslag zou kunnen sturen, met daarin dan ook de aanscherping van de aanwijzingsbevoegdheid. Dat heeft absoluut mijn voorkeur. Ik acht het ook acceptabel dat het dan misschien twee maanden langer gaat duren. Als ik de Kamer namelijk nu de nota naar aanleiding van het verslag zou sturen zonder wijziging van de aanwijzingsbevoegdheid, dan kan de Kamer dat op zijn vroegst begin juni, maar waarschijnlijker rond half juni verwachten. Dat is een verschil van tweeënhalve maand.

Als we van september uitgaan, wil ik in de tussentijd op een aantal onderdelen al wel bestuurlijke afspraken maken met de sectoren, zodat we op een heleboel thema's rondom examenkwaliteit voortgang kunnen boeken. Ik denk dat we dan het wetsvoorstel heel spoedig in het najaar kunnen behandelen. Als we dat niet doen, wijs ik de Kamer erop dat het wetsvoorstel dat thans in behandeling is bij deze Kamer, bij de Eerste Kamer ligt als de evaluatie van het accreditatiestelsel komt en dat er misschien nog aanpassingen moeten komen op grond van de brief over de governance. Mocht de Eerste Kamer daar dan commentaar op hebben, dan zou dat weleens kunnen leiden tot een wijziging van de wet of tot een novelle, hetgeen uiteindelijk tot een vertraging van het hele traject zou kunnen leiden. Dat zou ik pas echt onwenselijk vinden.

Tot slot. Ik wil bij instellingen van vertrouwen uitgaan waar het kan en van controle waar het moet. Ik vind het vanuit dat oogpunt ook belangrijk om instellingen niet onnodig steeds met nieuwe regelgeving op te zadelen. Als we dit wetsvoorstel in de huidige vorm zouden behandelen, dan zeggen we eigenlijk al tegen de sector: gaat u dit maar implementeren, maar we verwachten dat er binnen twee of drie maanden nog allemaal wijzigingen komen. Dat zou ik echt onwenselijk vinden. Alles overziend is voor mij uitstel geen afstel, maar betekent het wel een beter wetsvoorstel, dat wij – als de Kamer de behandeling snel agendeert – korte tijd na het zomerreces kunnen afronden.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Volgens mij liggen de ondertekenaars van de motie en de minister niet heel erg ver uit elkaar, behalve dan dat de ondertekenaars vragen om enige spoed. De discussie speelt al twee jaar en begon na het drama Inholland. We willen graag maatregelen nemen. We hebben gezien dat de minister de aanwijzingsbevoegdheid wil versterken. Dat waarderen wij. De minister vraagt om wat meer tijd, dan wordt het na de zomer. De ondertekenaars van deze motie en de leden die de motie zullen steunen, kunnen de versterking van de aanwijzingsbevoegdheid steunen. Wij steunen de minister en willen haar aanmoedigen om dat nu wat sneller te doen en om niet te wachten op een debat eind mei of op allerlei andere zaken. Eigenlijk is deze motie een aanmoediging. Laten we hier snel mee voortmaken, zodat we het mogelijk zelfs nog voor de zomer kunnen behandelen.

Minister Bussemaker:

Ik wil wel duidelijk zijn: dat gaat gewoon niet lukken. Het ligt niet alleen aan mij. Die aanscherping moet langs de Raad van State. Het gaat mij dus niet lukken om het hele traject van de Raad van de State en de nota aanleiding van het verslag voor de zomer af te ronden. Dat geef ik de heer Van Dijk mee. Als er niet "voor de zomer" zou staan, zou ik de motie zo kunnen interpreteren dat de Kamer mij tot spoed maant. Wij zouden dan kunnen afspreken dat het september wordt. Dan zou ik veel minder bezwaar hebben tegen deze motie. Nu staat er echter "zo spoedig mogelijk" en "plenaire behandeling voor het zomerreces". Ik ga overigens niet over wanneer de plenaire behandeling plaatsvindt. Dat doet de Kamer zelf. Ik kan alleen worden aangesproken op wanneer ik de Kamer iets moet sturen. Ik heb al gezegd dat ik afhankelijk ben van de Raad van State en dat ik de Kamer de gevraagde stukken op zijn vroegst ordentelijk kan sturen in september.

De heer Jasper van Dijk (SP):

De indieners van de motie beogen de minister, indien de motie wordt aangenomen, aan te sporen om zo snel mogelijk naar de Raad van State te gaan. De Raad van State gaat inderdaad over zijn eigen agenda, dus dat moeten wij dan afwachten. Wij willen de minister in elk geval aansporen om daar na aanneming van deze motie mee aan de slag te gaan.

Minister Bussemaker:

Ja, maar dan weet de Kamer dat zij een motie aanneemt die in deze vorm gewoon niet kan worden uitgevoerd. De indieners vragen namelijk twee dingen die niet met elkaar te combineren zijn: de aanwijzingsbevoegdheid spoedig verwerken en de nota naar aanleiding van het verslag zo snel te sturen dat het debat nog voor het zomerreces kan plaatsvinden. Ik zeg dat ik dat niet allebei kan. Ik kan de nota naar aanleiding van het verslag sturen. De Kamer heeft die dan halverwege juni. Daar zit dan echter de aanscherping van de aanwijzingsbevoegdheid niet in. Daar zitten veel risico's in, waardoor het in de Eerste Kamer vertraagd kan worden. Ik kan ook de aanscherping van de aanwijzingsbevoegdheid opnemen. Dan krijgt de Kamer een nota naar aanleiding van het verslag en een nota van wijziging. Dat zal dan september zijn.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Op zich heeft de minister gelijk, maar het is niet ongebruikelijk dat een minister een nota van wijziging schrijft na een nota naar aanleiding van het verslag. Dit zou zo'n geval kunnen zijn. Volgens mij moeten wij gewoon de stemming afwachten.

Minister Bussemaker:

Het is aan de Kamer. Het lijkt mij echter raar om een wetsvoorstel te gaan behandelen voor de zomer als ik in september een nota van wijziging stuur. Als de Kamer dat wetsvoorstel heeft aangenomen, kan ik namelijk geen nota van wijziging meer sturen. Dan moet ik een heel nieuw wetsvoorstel gaan maken voor die aanscherping van de aanwijzingsbevoegdheid. Ik weet wel zeker dat het dan heel veel langer gaat duren voordat die scherpere aanwijzingsbevoegdheid er in de praktijk staat. De keuze is aan de Kamer, maar, zoals gezegd, ontraad ik de motie.

De voorzitter:

Mijnheer Van Dijk, ik vrees dat de minister gelijk heeft op dit punt. Het is aan u om uw motie in stemming te brengen of te luisteren naar de raadgevingen van de minister.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat zou kunnen, voorzitter. Wij gaan inderdaad niet over de agenda van de Raad van State. Deze motie beoogt de minister tot spoed te manen. Zij zal dan naar de Raad van State gaan en die zal zijn eigen agenda bepalen. Mocht die voor de zomer klaar zijn, hoef je niet per se na de zomer met een nota van wijziging te komen.

De voorzitter:

Een aangenomen wetsvoorstel is een aangenomen wetsvoorstel. Daar heeft de minister wel gelijk in.

Minister Bussemaker:

Ja, daar kan ik niets meer aan doen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

De minister kan nu de nota naar aanleiding van het verslag naar de Kamer sturen. Tegelijkertijd kan zij aan de slag gaan met de aanscherping van de aanwijzingsbevoegdheid, de Raad van State en de nota van wijziging. En dan moeten wij maar zien of dat voor de zomer lukt.

Minister Bussemaker:

Mijn medewerkers kunnen heel hard werken, maar daar zitten wel grenzen aan. Wij hebben net deze week het wetsvoorstel Wet kwaliteit in verscheidenheid hoger onderwijs behandeld. Daar is heel hard aan gewerkt door dezelfde mensen die hieraan moeten werken. Zij hebben echt even tijd nodig voor de nota naar aanleiding van het verslag, want de Kamer heeft heel veel en complexe vragen gesteld in het verslag. Bovendien heb ik de Raad van State niet in de hand. Ik weet wat daar doorgaans de trajecten zijn: ik kom niet voor de zomer uit. Dan heb ik ook nog de evaluatie van het accreditatiestelsel. Als wij dat allemaal in één keer doen dan hebben wij in het najaar, in september of oktober, een heel ordentelijke gang van zaken. Bovendien zorgen wij er dan voor dat het veld niet maand op maand met nieuwe regelgeving en wetgeving van ons te maken krijgt. Dat lijkt mij namelijk volstrekt onnodig. Als ik nu in de tussentijd met het veld convenanten sluit over een aantal onderdelen, hebben wij wel voortgang in het hele proces. Nogmaals, ik wil ook voortgang. Maar ik wil geen onduidelijkheid over procedures. Evenmin wil ik onduidelijkheid voor het veld over de vraag waar men nu eigenlijk aan toe is. Een en ander creëert op dit moment een te snelle behandeling vanwege die nota van wijziging en de evaluatie van het accreditatiestelsel.

De voorzitter:

Helder. Er is nog een vraag van de heer Duisenberg; kort graag.

De heer Duisenberg (VVD):

Voor de duidelijkheid wil ik even weten of bij de minister is overgekomen wat wij met deze motie voorstellen. Wij stellen voor om nu niet het stuk van het risicogericht toezicht te behandelen – daarover bestaat volgens ons immers de meeste kritiek – maar wel dingen waarvan wij denken dat ze vrij onbetwistbaar geïmplementeerd kunnen worden, zoals de toets nieuwe opleiding na drie jaar of het onafhankelijk maken van de examencommissie.

Minister Bussemaker:

Dat heb ik begrepen. Ik denk dat een nota van wijziging om het risicogericht toezicht van de inspectie eruit te halen het minst ingewikkelde is; dat is een kwestie van iets uit de wet halen. Blijft staan dat er ook een nota van wijziging moet komen voor de aanscherping van de aanwijzingsbevoegdheid. Die hebben wij vorige week aangekondigd in de brief over governance. Het lijkt mij goed om daar eerst eens met de Kamer een debat over te voeren en vervolgens die aanwijzingsbevoegdheid als nota van wijziging in de wet op te nemen, het liefst in dit wetsvoorstel. Over de accreditaties heb ik nog een evaluatie lopen van het accreditatiestelsel. Als ik dat ik één keer doe en als de Kamer ervoor zorgt dat dit wetsvoorstel een spoedige behandeling krijgt – dat is in handen van de Kamer, niet in mijn handen – dan kan ik ervoor zorgen dat het wetsvoorstel snel naar de Eerste Kamer gaat en heb ik geen problemen met procedurele aspecten. Ik vermoed dat ik het risico op kritiek van Eerste Kamerleden over de wetstechnische kanten van de zaak dan in ieder geval kan beperken. Anders krijg ik zeker problemen. Ik kan dan ook het veld helpen door duidelijkheid te geven over wat men wanneer geacht wordt te implementeren. Als het allemaal in stukjes en brokjes gaat, zal er veel onduidelijkheid en ruis ontstaan.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Wij gaan vanavond stemmen over de motie-Duisenberg c.s. Ik dank de minister van OCW voor haar aanwezigheid en haar deelname aan het debat.

De vergadering wordt van 17.35 uur tot 17.50 uur geschorst.