Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2018-2019
Kamerstuk 35000-XIII nr. 2

Gepubliceerd op 18 september 2018 15:17



35 000 XIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (XIII) voor het jaar 2019

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

3

     

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

4

       
 

1.

LEESWIJZER

4

       
 

2.

BELEIDSAGENDA

8

   

Beleidsprioriteiten

8

   

Belangrijkste beleidsmatige mutaties

19

   

Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

26

   

Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

27

   

Overzicht van Risicoregelingen

28

   

Overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren

34

       
 

3.

BELEIDSARTIKELEN

37

   

1 Goed functionerende economie en markten

37

   

2 Bedrijvenbeleid: innovatie en duurzaam ondernemen

46

   

3 Toekomstfonds

71

   

4 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

80

   

5 Een veilig Groningen met perspectief

103

       
 

4.

NIET-BELEIDSARTIKELEN

116

   

40 Apparaat

116

   

41 Nog onverdeeld

121

       
 

5.

BEGROTING AGENTSCHAPPEN

122

   

Aansluiting raming begroting agentschappen met financiering door moederdepartement EZK

122

   

Agentschap Telecom (AT)

124

   

Dienst ICT Uitvoering (DICTU)

130

   

Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)

136

   

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

141

       
 

6.

BIJLAGEN

148

   

Bijlage 1: Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak

148

   

Bijlage 2: Verdiepingsbijlage

153

   

Bijlage 3: Moties en toezeggingen

166

   

Bijlage 4: Subsidieoverzicht

193

   

Bijlage 5: Evaluatie- en overig onderzoek

200

   

Lijst van afkortingen

204

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat/begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat/begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld en worden de verplichtingen, ontvangsten en uitgaven van verplichtingen-kasagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

  • 1. Begrotingsstructuur;

  • 2. Prestatiegegevens;

  • 3. Groeiparagraaf;

  • 4. Verwerking motie Schouw en motie Hachchi c.s.

1. Begrotingsstructuur

Beleidsagenda

De beleidsagenda begint met het onderdeel beleidsprioriteiten. Aansluitend bij de missie van EZK heeft de beleidsagenda de volgende opbouw: Inleiding, Economisch beeld en uitdagingen voor EZK, Duurzaam Nederland, Ondernemend Nederland en Digitalisering. Na het onderdeel beleidsprioriteiten volgen: de belangrijkste begrotingsmutaties voor de uitgaven en de ontvangsten, het overzicht van de niet-juridisch verplichte uitgaven, de meerjarenplanning van de beleidsdoorlichtingen, het overzicht van de risicoregelingen en tenslotte de overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren.

Beleidsartikelen

Aansluitend op de beleidsagenda volgt de toelichting op de beleidsartikelen. Per beleidsartikel is een algemene doelstelling en een beschrijving van de rol en verantwoordelijkheid van de bewindspersonen opgenomen. Voor elk beleidsartikel zijn de belangrijkste beleidswijzigingen apart opgenomen onder het kopje «beleidswijzigingen». De financiële instrumenten zijn voorzien van een korte toelichting. Waar mogelijk wordt, voor een meer inhoudelijke en gedetailleerde beleidstoelichting, verwezen naar de relevante beleidsnota’s of brieven die al naar de Tweede Kamer zijn gestuurd.

In de budgettaire tabellen van de beleidsartikelen zijn de financiële instrumenten onderverdeeld naar de volgende categorieën: subsidies, opdrachten, garanties, leningen, bekostiging, bijdrage aan agentschappen, bijdrage aan ZBO’s/RWT’s, bijdrage aan (inter)nationale organisaties en bijdragen aan medeoverheden. Deze onderverdeling komt ook terug in de structuur van het beleidsartikel.

In de begroting voorts: (bijlage 2) een toelichting op de mutaties ten opzichte van de stand Voorjaarsnota, (bijlage 4) het subsidieoverzicht met hyperlinks naar de betreffende subsidie, de meeste recent uitgevoerde evaluatie en geprogrameerde eerstvolgende evaluatie en de geplande einddatum van subsidie en (bijlage 5) het overzicht van evaluatie- en overig onderzoek met alle meest recent uitgevoerde en geprogrammeerde beleidsdoorlichten en evaluaties met hyperlinks naar betreffende rapporten.

Begrotingsreserves

Een begrotingsreserve mag met toestemming van de Minister van Financiën ten laste van een begrotingsartikel worden aangehouden (artikel 2.21, lid 1 Comptabiliteitswet 2016). De begrotingsreserves zijn bestemd voor een concreet doel en kunnen alleen voor dat doel worden gebruikt. De begrotingsreserves op de EZK-begroting worden ingezet voor de volgende doelen:

  • Als borg voor de afgegeven garantstellingen (Borgstelling MKB-kredieten, Garantie Ondernemingsfinanciering, Groeifaciliteit, MKB financiering, garantieregeling Aardwarmte. Uit deze begrotingsreserves kunnen eventuele mismatches in de tijd tussen (premie-)inkomsten en uitgaven (verliesdeclaraties) worden opgevangen;

  • De uitfinanciering (op kasbasis) van reeds aangegane en deels nog aan te gane verplichtingen (reserve voor duurzame energie en lening ECN). Via de reserves blijven de middelen beschikbaar voor het specifieke doel tot het moment van uitbetaling.

Omvang reserves eind 2017 (x € 1 mln)

Totaal

% Juridisch verplicht

Specificatie naar type reserve (x € 1 mln)

Borg garanties

Duurzame energie

Lening ECN

Artikel 2

162,2

100%

162,2

   

Artikel 4

1.803,9

99,6%

22,6

1.774,7

6,6

Totaal

1.966,1

99,7%

184,8

1.774,7

6,6

In de Incidentele Suppletoire Begroting en in de 1e suppletoire begroting 2018 zijn geen mutaties verwerkt bij de begrotingsreserves.

In de betreffende beleidsartikelen (2 en 4) van deze begroting worden de bovengenoemde begrotingsreserves apart toegelicht (conform artikel 2.21, lid 2 Comptabiliteitswet 2016). Naar aanleiding van de toezegging van de Minister van Financiën aan de Algemene Rekenkamer en de aangenomen motie Ronnes c.s. (Kamerstuk 34 475, nr. 20) wordt het percentage juridisch verplicht voor de begrotingsreserves in de beleidsartikelen 2 en 4 toegelicht. Daarnaast zijn conform de motie Van Veldhoven en Koolmees (Kamerstuk 34 475, nr. 12) de eventuele aanvullende afspraken over de begrotingsreserves opgenomen.

Als opvolging van de motie Geurts (Kamerstuk 34 000 XIII, nr. 64) worden de geraamde wijzigingen gedurende het begrotingsjaar in de 1e en 2e suppletoire begroting inzichtelijk gemaakt. Zie ook de passage over de begrotingsreserves in paragraaf 3 van de leeswijzer (groeiparagraaf).

Overzicht maatregelen ten behoeve van het Energieakkoord

Conform de motie Leegte (Kamerstuk 2014–2015, 30 196, nr. 278) is in beleidsartikel 4 (Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering) een totaaloverzicht opgenomen van alle maatregelen van alle ministeries ten behoeve van het energieakkoord.

Overzichtstabel agentschappen

In het hoofdstuk «De agentschappen» is een overzichtstabel agentschappen opgenomen. In deze tabel is de aansluiting te maken tussen de «opbrengst moederdepartement» zoals opgenomen in de agentschapsparagrafen en de «bijdrage aan agentschappen» zoals opgenomen in de begrotingsartikelen. Eventuele resterende verschillen zijn toegelicht.

2. Prestatiegegevens

In de beleidsartikelen wordt onder de algemene doelstelling aangegeven waar de Minister van EZK voor verantwoordelijk is. Indien voor deze doelstellingen een directe relatie gelegd kan worden tussen het gevoerde beleid en de gewenste (maatschappelijke) uitkomst, zijn prestatie-indicatoren opgenomen. De voorwaarde voor het opnemen van een indicator is een (doen) uitvoerende rol van de Minister. Bij de doelstellingen waarbij EZK een belangrijke bijdrage kan leveren door de juiste randvoorwaarden te creëren en het resultaat afhankelijk is van externe factoren, is het niet of beperkt mogelijk om prestatie-indicatoren op te nemen en wordt volstaan met kengetallen over ontwikkelingen op het betreffende beleidsterrein. Daarnaast zijn, waar mogelijk, prestatie-indicatoren en kengetallen opgenomen op instrumentniveau, die inzicht geven in het bereiken van specifieke resultaten.

3. Groeiparagraaf

In 2018 is nog sprake van een EZK-begroting, met naast een begrotingsstaat voor EZK een aparte begrotingsstaat voor LNV. Deze twee begrotingsstaten zijn ook de basis voor de nieuwe zelfstandige begrotingen van LNV en EZK ingaande 2019. De beleidsartikelen 6 en 8 uit de EZK-begroting 2018 zijn met ingang van de begroting 2019 volledig overgeheveld naar de LNV-begroting (XIV). De nummering van deze beleidsartikelen is gewijzigd in respectievelijk artikel 11 en artikel 12. Op begrotingshoofdstuk LNV (XIV) zijn ook twee niet-beleidsartikelen vormgegeven. Het gaat om het apparaatsartikel 50 en artikel 51 Nog onverdeeld. Dit waren de artikelen 42 en 43 op begrotingshoofdstuk XIII van EZK. Als gevolg van de herverkaveling maakt de NVWA met ingang van 2019 onderdeel uit van de agentschapsbegroting van LNV. Dit geldt ook voor het Diergezondheidsfonds.

Vanwege de inzichtelijkheid van de cijfers is er voor gekozen om bij de beleidsartikelen 11 en 12 de ramingen inclusief t-1 en t-2 weer te geven op de LNV begroting, ofschoon voor die jaren de ramingen formeel onderdeel uitmaken van de EZK-begrotingen 2017 en 2018. Dit geldt ook voor de risicoregelingen waar LNV voor verantwoordelijk is. De uitgaven, ontvangsten en verplichtingen van 2017 en 2018 zijn gemaakt op de begroting van EZK (XIII), maar worden vanaf de begroting 2019 daar niet meer op gepresenteerd. Dezelfde benadering is ook gevolgd voor de toelichting op de belangrijkste beleidsmatige mutaties van LNV.

Naar aanleiding van de bij het wetgevingsoverleg over het jaarverslag 2016 (28 juni 2017) aangenomen Motie Weverling c.s. (Kamerstuk 34 725 XIII, nr. 10) is er bij het opstellen van de ontwerpbegroting 2019 extra aandacht geweest voor het formuleren van de doelen en niet-financiële gegevens in de beleidsartikelen. Ook is er extra aandacht geweest voor de kwaliteit van de toelichtingen vanuit het perspectief van beleidsinformatie. Daarnaast is bij de beleidsartikelen aangegeven waar in de begroting aanvullende informatie te vinden is en welke informatiebronnen buiten de begroting interessant zijn.

In het wetgevingsoverleg over het Jaarverslag van EZ 2017 van 20 juni 2018 werd van de zijde van de Kamer aangedrongen op verdere verbetering van de informatie bij begrotingsreserves. Aan dit verzoek van de Kamer geef ik gehoor door in het vervolg:

  • In zowel de begroting als in jaarverslag aan te geven welk deel van de reserves wordt aangehouden voor reeds aangegane verplichtingen. Tot op heden gebeurde dit uitsluitend in de begroting.

  • In de begroting de reeds beschikbare informatie aan te vullen met een passage over te verwachten stortingen en onttrekkingen (geduid als «rolling forecast»). Daar waar er sprake is van concrete verwachtingen over stortingen en/of onttrekkingen is dit kwantitatief te specificeren. Zo niet, wordt kwalitatief het perspectief op toekomstige storingen en/of onttrekkingen geschetst. Deze informatie wordt uitsluitend in de begroting opgenomen, omdat het toekomstgerichte karakter hiervan zich minder goed verhoudt tot de functie van het jaarverslag (verantwoording).

Tijdens het wetgevingsoverleg heeft de Tweede Kamer tevens gevraagd naar extra toelichting op de stijgende uitgaven aan externe inhuur. Hier wordt in het apparaatsartikel 40 op ingegaan. Tevens treft u in de agentschapsparagraaf van DICTU en RVO een nadere toelichting aan.

Op basis van Motie Nijboer (Kamerstuk 34 960, nr. 10) presenteert EZK voortaan alle activiteiten betreffende gaswinning, schade, versterken en de toekomst van Groningen op één begrotingsartikel. Zo ontstaat samenhang en overzicht in de activiteiten en de besteding van middelen. Het beleidsartikel 5 «Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen» heet daarom nu beleidsartikel 5 «Een veilig Groningen met perspectief».

In deze begroting is de bijlage Europese geldstromen geschrapt. Het grootste deel van de bijlage Europese geldstromen zoals opgenomen in de begroting van het voormalige Ministerie van EZ heeft betrekking op het instrumentarium dat nu valt onder het Ministerie van LNV en wordt opgenomen in de begroting van het Ministerie van LNV. De Europese geldstromen die betrekking hebben op het Ministerie van EZK worden toegelicht in beleidsartikel 2 (Bedrijvenbeleid: innovatie en duurzaam ondernemen).»

4. Verwerking motie Schouw en motie Hachchi c.s.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw c.s. ingediend en aangenomen (Kamerstuk 2010–2011, 21 501-20, nr. 537). Deze motie beoogt de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma’s een eigenstandige plaats te geven in de departementale begrotingen. De Europese Commissie heeft een landenspecifieke aanbeveling gedaan omtrent investeringen in onderzoek en innovatie. In het beleidsartikel 2 (Bedrijvenbeleid: innovatie en duurzaam ondernemen) wordt ingegaan op de uitwerking van de aanbeveling.

Motie Hachchi c.s.

Ter uitvoering van de motie Hachchi c.s. (Kamerstuk 33 000 IV, nr. 28) brengen departementen in kaart welke uitgaven zij doen in Caribisch Nederland, uitgesplitst per instrument. Hiervoor geldt een ondergrens van € 1 mln. De totale uitgaven van EZK voor Caribisch Nederland in 2019 bedragen € 4,9 mln. Deze uitgaven zijn verdeeld over de beleidsartikelen 1, 2, en 4. De uitgaven voor het beleidsartikel 1 zijn lager dan de ondergrens van € 1 mln en worden derhalve niet opgenomen in de budgettaire tabel.

2. BELEIDSAGENDA

Beleidsprioriteiten

Inleiding

Een duurzaam en ondernemend Nederland. Daar staat het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) voor. En daarom zetten we in op verduurzaming en vernieuwing van de Nederlandse economie. Dat doen we in nauwe samenwerking met alle betrokken partijen.

Vanwege de grote verbondenheid van klimaat- en energiebeleid hebben de coalitiepartijen bij de formatie besloten klimaatbeleid onder te brengen in het Ministerie van EZK. EZK behoudt daarbij de effectieve samenwerking met het nieuwe gevormde Ministerie van LNV om optimaal gebruik te maken van de synergie die de afgelopen jaren is bereikt.

In 2019 richt EZK zich in het bijzonder op de transitie naar een duurzame en veilige energievoorziening, ambitieus klimaatbeleid, missiegedreven innovatiebeleid, versterking van het mkb, en het versnellen van de digitalisering van onze economie. Op al deze terreinen liggen kansen om ons verdienvermogen te versterken. Als het aan EZK ligt, grijpen we die.

Economisch beeld en uitdagingen voor EZK

Nederland behoort tot de meest concurrerende economieën van de wereld. Dit vertaalt zich naar een 4e plek in de Global Competitiveness Index en het World Competitiveness Yearbook. Met een 2e plek op de Global Innovation Index behoren we tevens tot de meest innovatieve landen. Economische groei heeft Nederland veel goeds gebracht. Het stelt ons in staat om onze publieke voorzieningen in stand te houden, zodat we nu en in de toekomst kunnen genieten van goed onderwijs, uitstekende zorg en een mooi pensioen.

De Nederlandse economie bevindt zich in een fase van hoogconjunctuur. Met verwachte groeicijfers van 2,8% en 2,6% voor respectievelijk 2018 en 2019 overtreft de Nederlandse economie die van de eurozone met 0,6%-punt per jaar. Dit is het gevolg van een gunstige internationale conjunctuur, een sterk aantrekkende woningmarkt en een stijging van de consumptie en investeringen. Door de stijgende werkgelegenheid en de dalende werkloosheid is de arbeidsmarkt voor het eerst in tien jaar weer gespannen. Naar verwachting leidt deze krapte in 2018 en 2019 tot een loongroei van respectievelijk 2% en 2,9%.

Maar het hoge groeitempo is niet vanzelfsprekend. Voor de komende tijd zijn er aanwijzingen voor het temperen van de groei in Europa. Bedrijven worden in toenemende mate geconfronteerd met productiebelemmeringen, zoals het vinden van geschikt personeel en hogere prijzen van grondstoffen. Daarnaast zijn er risico’s in het internationale speelveld. De brexit zal zich voltrekken in het voorjaar van 2019. Het vertrek van het Verenigd Koninkrijk, als belangrijke economische handelspartner, likeminded partner en buurland, kan voor Nederland grote economische gevolgen hebben. Hetzelfde geldt voor de afbouw van het ruime monetaire beleid van de ECB en onzekerheden over de politieke situatie van verschillende landen. De zorgen om een Italiaans vertrek uit de euro zijn voor nu getemperd, maar de binnenlandse problematiek in Italië is nog niet opgelost. Tot slot is er een reëel risico op een handelsconflict. De EU en China reageren op de importtarieven van de VS met het instellen van eigen importtarieven. Een verdere escalatie hiervan zal zijn weerslag kennen op de wereldhandel.

Tegen deze achtergrond zijn er verschillende uitdagingen. Ten eerste neemt de structurele economische groei als gevolg van de vergrijzing af. Dit betekent dat het vergroten van de materiële welvaart steeds meer moet komen van een verhoging van de arbeidsproductiviteit en productiecapaciteit. Technologische ontwikkeling en het slimmer organiseren van productieprocessen worden steeds belangrijker. Zo heeft Nederland veel te winnen bij het optimaal benutten van de mogelijkheden van digitalisering. Ten tweede is er een groeiende urgentie om de economie en samenleving te verduurzamen. Het is onvermijdelijk dat hier kosten mee gepaard gaan, maar het exporteren van oplossingen voor wereldwijde maatschappelijke vraagstukken biedt ook kansen voor ons verdienpotentieel. We moeten voorkomen dat de kosten van de transitie de consumptie en investeringen verdringen en daarmee het draagvlak voor de klimaat- en energietransitie op het spel zetten. Invulling geven aan deze maatschappelijke uitdaging vraagt daarom om ambitieus en kosteneffectief klimaatbeleid, onder meer via een verdere versterking van onze innovatiekracht. Met zo’n strategie houden we de transitiekosten laag en versterken we ons verdienvermogen.

Duurzaam Nederland

De effecten van de opwarming van de aarde worden wereldwijd en voor iedereen meer zichtbaar. Om de opwarming van de aarde en de impact van klimaatverandering te beperken, zijn forse stappen nodig. De transitie naar een duurzame, CO2-neutrale economie heeft dan ook hoge prioriteit.

In het Akkoord van Parijs is afgesproken de gemiddelde opwarming van de aarde ruim onder de 2°C te houden ten opzichte van het pre-industriële tijdperk, met het onder 1,5°C te houden als streven. De Europese Unie heeft namens alle lidstaten harde toezeggingen gedaan om de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met minstens 40% te verminderen ten opzichte van 1990. Die toezegging is winst, maar onvoldoende om de doelstellingen van ruim beneden 2°C te halen, laat staan de ambitie van 1,5°C. Daar is meer voor nodig.

Het kabinet legt daarom de lat hoger dan de toezegging die de EU gedaan heeft. In Nederland nemen we maatregelen die ons voorbereiden op een reductie van 49% in 2030. In de EU maken we ons daarnaast sterk voor het verhogen van de EU-reductiedoelstelling naar 55%. Ook pleit Nederland voor maatregelen die CO2-reductie versnellen, zoals de introductie van een minimum CO2-prijs. We kijken goed naar het internationale speelveld bij het bepalen van de Nederlandse strategie. Als het niet lukt om in Europees verband tot ambitieuze afspraken te komen, dan trekken we samen met buurlanden op om gezamenlijk een extra inzet af te spreken bovenop de EU-afspraken. Omdat de uitkomst van de internationale gesprekken in 2019 nog niet vaststaat, kan de uiteindelijke doelstelling voor 2030 afwijken van de 49% waar het kabinet nu van uit gaat.

De transitie richting 2030 en 2050 kost onvermijdelijk geld. Deze kosten komen uiteindelijk ten laste van de samenleving. Daarom is het voor het draagvlak noodzakelijk om de kosten te beperken door te sturen op maximale kostenefficiëntie bij de keuze van maatregelen. Dat vraagt om een intelligent, toekomstgericht kostenperspectief. Maatregelen die naar klassiek kostenperspectief nu efficiënt zijn, kunnen desondanks gezien het einddoel in 2050 verspillend zijn, terwijl maatregelen die nu geen aantrekkelijke terugverdientijd hebben, wel kunnen passen in het meest kosteneffectieve pad naar 2050. Dit speelt bijvoorbeeld in de gebouwde omgeving, waar het verstandig kan zijn om natuurlijke renovatiemomenten aan te grijpen door de woning meteen voor te bereiden op 2050 in plaats van nu op 2030 en later op 2050.

Nieuwe producten en processen, waaronder circulaire initiatieven, kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het bereiken van de reductiedoelstellingen op kostenefficiënte wijze. Om vernieuwing te versnellen investeert EZK in innovatie – de oplossingen van de toekomst. De focus ligt op technieken die, bij succesvolle doorontwikkeling, een grote bijdrage kunnen leveren aan de Nederlandse en wereldwijde klimaatopgave én het verdienvermogen van de Nederlandse economie1. Zo kunnen nieuwe technieken en producten vermarkt worden in het buitenland en nieuwe banen opleveren. Het daadwerkelijk tot stand brengen van innovaties vraagt ook om aanpassingen in wet- en regelgeving, normering, ruimte voor experimenten, vergunningverlening, beprijzing, de overheid als launching customer en toegesneden financieringsinstrumenten. Als we erin slagen innovatieve oplossingen mondiaal aan de man te brengen, dan gaan verduurzaming en verdienvermogen hand in hand. Nederland heeft alles in huis om groen én groei gelijktijdig op te laten lopen.

Naast innovatie is samenwerking cruciaal, zowel nationaal als internationaal. Onze overtuiging is dat we iedereen nodig hebben om van deze opgave een succes te maken; het beste resultaat bereiken we alleen als collectief. Daarom kiezen we voor een maatschappelijk breedgedragen Klimaatakkoord en werken we nauw samen met andere ministeries en stakeholders.

Klimaatakkoord

Met het Energieakkoord dat in 2013 werd afgesloten, zijn gezamenlijk de eerste stappen gezet naar een betrouwbare, betaalbare, veilige en CO2-arme energievoorziening in 2050; het is van belang dat we deze doelen voor 2020 en 2023 realiseren. De volgende stap is het afsluiten en uitvoeren van het Klimaatakkoord. Het kabinet heeft de kaders voor het Klimaatakkoord geschetst. Vijf sectortafels vormen het hart van het proces om tot een Klimaatakkoord te komen: gebouwde omgeving, elektriciteit, mobiliteit, landbouw en landgebruik en industrie. Hier worden afspraken gemaakt die invulling geven aan de reductieopgave voor 2030 en ons voorbereiden op de opgave tot 2050. Het langetermijnperspectief van het Klimaatakkoord maakt een geleidelijke transitie mogelijk, voorkomt schokeffecten en zorgt dat we economische kansen kunnen benutten. Naast de sectortafels zijn er vijf dwarsdoorsnijdende thema’s ingesteld: financiering, arbeidsmarkt en scholing, ruimte, innovatie, belemmerende wet- en regelgeving. Dit zijn onderwerpen die aan alle tafels spelen en door hun sector-overstijgende karakter baat hebben bij een integrale aanpak.

De afgelopen maanden hebben er intensieve gesprekken tussen een zeer groot aantal partijen plaatsgevonden om te komen tot een Klimaatakkoord. Uitgangspunt van deze gesprekken is de indicatieve opgave die aan de vijf benoemde sectoren (elektriciteit, industrie, mobiliteit, gebouwde omgeving en landbouw en landgebruik) is meegegeven. Dat heeft geresulteerd in het voorstel voor hoofdlijnen van een Klimaatakkoord dat op 10 juli 2018 naar beide Kamers is gestuurd2. Het kabinet zal naar verwachting in september, mede op basis van de doorrekening van het voorstel voor hoofdlijnen door het PBL in samenwerking met het CPB, een inhoudelijke appreciatie van het voorstel voor hoofdlijnen aan beide Kamers sturen. Na overleg met het parlement zal het kabinet in overleg treden met de partijen bij het Klimaatakkoord en met hen gezamenlijk bezien welke aanvullingen op en/of wijzigingen van de hoofdlijnen eventueel nodig zijn. Het streven is om voor het einde van het jaar te komen tot een eindvoorstel voor een Klimaatakkoord. Van dit eindvoorstel zal een doorrekening van het integrale pakket aan maatregelen door het PBL in samenwerking met het CPB plaatsvinden. Op basis van de resultaten van de doorrekening rondt het kabinet, in overleg met de betrokken partijen, het Klimaatakkoord af.

Klimaatwet

In het Regeerakkoord is ook een Klimaatwet aangekondigd, voor verankering van de hoofdlijnen van de afspraken op het terrein van klimaat en energie. Er lag echter al een initiatief Klimaatwet, die inmiddels in gewijzigde vorm door een groot aantal partijen (GL, PvdA, VVD, CDA, D66, CU en SP) voor behandeling door de Tweede Kamer is ingediend. Hierdoor ligt er nu reeds een breed gedragen Klimaatwet, waarin de doelen voor 2030 en 2050 wettelijk worden verankerd. Dit zorgt voor commitment en langjarige zekerheid. Als het wetsvoorstel door beide Kamers is aangenomen, dan zal het kabinet op korte termijn het in de wet vastgelegde 5-jaarlijkse Klimaatplan gaan opstellen, ter realisering van die doelen. Hiervoor zal nauw worden aangesloten bij het Klimaatakkoord.

Gaswinning in Groningen

Dit kabinet heeft het historische besluit genomen om de gaswinning in Groningen op zo kort mogelijke termijn te beëindigen, om de veiligheid te garanderen en veiligheidsbeleving van de inwoners te verbeteren. Uiterlijk per oktober 2022, maar mogelijk al een jaar eerder, daalt de gaswinning tot onder het door SodM geadviseerde niveau van 12 miljard Nm3. Om de vraag naar het Groningse gas af te bouwen nemen we verschillende maatregelen, zoals de bouw van een extra stikstofinstallatie in Zuidbroek waarmee hoog- naar laagcalorisch gas kan worden omgezet en de ombouw van 53 industriële grootverbruikers van laagcalorisch gas op alternatieven. We zetten ons daarnaast blijvend in voor additionele maatregelen, waardoor we mogelijk al in 2022 in een gemiddeld jaar onder de 4 miljard Nm3 komen. Met name de extra inkoop van stikstof door GTS en een versnelde afname van de export naar Duitsland lijken concrete mogelijkheden om de vraag naar Groningengas verder te verminderen.

De afhandeling van schade is, na een lange periode van stilstand, in maart 2018 hervat door de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (TCMG) die onafhankelijk van NAM besluit over toekenning van schadevergoedingen. De Minister van EZK werkt op dit moment aan het wetsvoorstel Instituut Mijnbouwschade Groningen om de onafhankelijke besluitvorming over schadevergoedingen structureel wettelijk te verankeren. Dit wetsvoorstel wordt naar verwachting begin 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden.

De opgave om woningen en andere gebouwen bouwkundig te versterken is in een nieuw daglicht komen te staan als gevolg van het kabinetsbesluit om de gaswinning in Groningen de komende jaren met grote stappen terug te brengen. Op basis van het advies van de Mijnraad en onderliggende adviezen van SodM, KNMI, TNO en NEN3 zijn rijk en regio, met ondersteuning van de NCG, op dit moment in gesprek over een nieuwe aanpak van de versterkingsopgave. Daarin neemt de NAM geen beslissingen meer, maar draagt wel de kosten voor versterking waar dat noodzakelijk is voor de veiligheid. De hoogste prioriteit wordt gegeven aan versterking van de circa 1.600 adressen die de Mijnraad als meest risicovol aanduidt.

Gelijktijdig vindt overleg plaats tussen rijk en regio over investeringen in het toekomstperspectief van het gebied. Voor dit doel is een totaalbedrag van minimaal € 1 mld beschikbaar4. Naar verwachting worden nog in 2018 afspraken gemaakt over de doelen en spelregels voor besteding van deze middelen in de komende jaren.

Ondernemend Nederland

Onze welvaart is voor een groot deel te danken aan vernieuwend ondernemerschap door een gevarieerd en robuust midden- en kleinbedrijf, innovatieve start-ups, trotse familiebedrijven en multinationals. Dit kabinet geeft ondernemers de ruimte om te vernieuwen en te groeien. Dit doen we door innovatie te stimuleren, digitalisering te versnellen en de juiste randvoorwaarden te scheppen met het MKB-actieplan en Invest-NL. En natuurlijk zetten we ons blijvend in voor een uitstekend ondernemings- en vestigingsklimaat. Zo bouwen we onze internationale toppositie verder uit.

Innovatie

Innovatie biedt nieuwe mogelijkheden voor de aanpak van maatschappelijke uitdagingen, creëert productiviteitsgroei en houdt bedrijven concurrerend in een internationaal speelveld. Slimmer werken bewerkstelligt bovendien dat talenten van medewerkers optimaal benut kunnen worden, wat het werkplezier vergroot.

Het kabinet stimuleert innovatie op drie manieren. Ten eerste door middel van aantrekkelijk generiek innovatiebeleid. Dit is met name vormgegeven via fiscale regelingen waar alle innovatieve bedrijven van kunnen profiteren. Ten tweede door het stimuleren van het aanbod van risicodragende financiering voor innovatieve bedrijven en projecten, bijvoorbeeld de Seed Capital regeling en het Dutch Venture Initiative. Ten derde door het bevorderen van publiek-private samenwerking tussen het bedrijfsleven, overheden en kennisinstellingen, via de Topsectorenaanpak. Deze publiek-private samenwerking heeft als doel een gerichtere inzet en een sterkere bundeling van kennis en draagt daardoor ook bij aan een betere benutting en verspreiding van kennis.

De urgentie en complexiteit van maatschappelijke uitdagingen neemt sterk toe. Dit vraagt om nog gerichtere samenwerking op het gebied van wetenschap, toegepast onderzoek en innovatie. Daarom staan in het vernieuwde Missiegedreven Topsectoren en Innovatiebeleid de economische kansen van maatschappelijke uitdagingen, zoals voldoende duurzaam geproduceerd voedsel en betaalbare en toegankelijke gezondheidszorg, centraal5. Om te komen tot innovatieve oplossingen voor deze uitdagingen, zijn technologische doorbraken noodzakelijk. Daarom is binnen de vernieuwde aanpak door middel van meerjarige ontwikkelprogramma’s ook extra aandacht voor de benodigde sleuteltechnologieën, zoals fotonica, kunstmatige intelligentie en ICT. Daarnaast worden nieuwe bedrijven met creatieve ideeën steviger bij het innovatiebeleid betrokken in een open proces. Dat biedt kansen voor mkb’ers, startups en scale-ups, maar zorgt vooral dat de creativiteit van deze nieuwe partijen benut wordt. Ook maatschappelijke organisaties worden uitgedaagd om hun visie in te brengen. Om het Missiegedreven Innovatiebeleid tot een succes te maken investeert het kabinet in de kennisbasis van de instituten voor toegepast onderzoek, in publiek-private samenwerking en in de innovatiekracht van het mkb.

Concreet houdt de missiegedreven aanpak in dat heldere missies wordt opgesteld binnen vier maatschappelijke thema’s: landbouw, water & voedsel; gezondheid & zorg; energietransitie & duurzaamheid en veiligheid. Dit wordt door de meest betrokken ministeries opgepakt in samenspraak met relevante bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke partners. Nederland kan op deze terreinen zorgen voor oplossingen voor wereldwijde uitdagingen. Daarmee zijn deze thema’s niet alleen van belang voor vernieuwing, maar ook voor het Nederlandse verdienvermogen.

De missies zullen uiterlijk in 2019 door het kabinet worden vastgesteld en vervolgens worden uitgewerkt. De uitwerking van de missies wordt waar relevant gekoppeld aan maatschappelijke akkoorden die zijn of worden gesloten, zoals het Klimaatakkoord. Op deze manier wordt versnippering van agenda’s en middelen voorkomen. De missies zijn richtinggevend voor het opstellen van publiek-private kennis-en innovatieagenda’s (KIA’s). Daarin is aandacht voor dwarsdoorsnijdende vraagstukken als voldoende geschikt personeel en de exportkansen van Nederlandse bedrijven. Binnen deze innovatieagenda’s komt daarnaast sterker de nadruk te liggen op valorisatie: het benutten van de opgedane kennis en innovaties. Ook is er aandacht voor knelpunten in wet- en regelgeving, de rol van de overheid als «launching customer» en de aansluiting op Europese initiatieven en financiering.

MKB-actieplan

Meegaan en bijblijven bij de nieuwste ontwikkelingen is primair de verantwoordelijkheid van ondernemers zelf. Tegelijkertijd zijn er gebieden waar gezamenlijke coördinatie gewenst is en waar kleinere ondernemingen eigenstandig onvoldoende in staat zijn actie te ondernemen. Om mkb’ers – inclusief zzp’ers – in staat te stellen de vruchten te plukken van de groeiende, maar snel veranderende economie voert EZK het MKB-actieplan uit6.

Met het MKB-actieplan helpt het kabinet het mkb met de grootste uitdagingen waar zij mee te maken hebben. Deze uitdagingen zijn geïdentificeerd bij gesprekken met ondernemers, kennisinstellingen, publiek-private samenwerkingsverbanden en (regionale) overheden. De uitdagingen spelen zich vooral af op zeven themagebieden, waarlangs het actieplan ook is opgesteld: menselijk kapitaal, digitalisering, financiering, toepassing van innovatie, regelgeving, fiscaliteit en internationale handel. Het MKB-actieplan richt zich niet alleen op de koplopers (innovatieve bedrijven, starters en groeiers), maar ook op het brede mkb – het zogenaamde «peloton». Daarnaast zijn in de MKB-samenwerkingsagenda 2018–2019 afspraken gemaakt met de regio over samenwerking en ondersteuning van het (innovatieve) mkb. De afspraken dragen bij aan het realiseren van het MKB-actieplan en andere beleidstrajecten. Het gaat onder meer om de versnelling van de digitalisering van het mkb, het aanpakken van het tekort aan vakmensen en het aanjagen van regionale financieringstafels.

Investeringen in menselijk kapitaal (onderwijs en ontwikkeling van werkenden) zijn essentieel voor het concurrentievermogen van Nederland. Profiteren van de kansen die digitalisering en verduurzaming met zich meebrengen, kan niet zonder personeel met up-to-date kennis. Werkgevers geven aan moeite te hebben om voldoende en goed geschoold technisch personeel te vinden. Daarnaast blijkt dat mkb’ers door verschillende belemmeringen onvoldoende investeren in onderwijs en ontwikkeling van hun (toekomstige) werknemers. Dit belemmert de groeiambities van Nederlandse bedrijven en zet de sterke economische groei die we nu meemaken onder druk. Dit kabinet zet daarom het Techniekpact voort, met daarin concrete afspraken tussen bedrijfsleven, onderwijs en overheid om het tekort aan technici terug te dringen. Onderdeel daarvan is het project «MKB!dee», waarin het mkb wordt uitgedaagd om zelf met ideeën te komen hoe we het probleem van onderinvestering in een leven lang ontwikkelen kunnen oplossen. Het vernieuwde pact benadrukt ook de verbinding tussen techniek en technologie met de maatschappelijke opgaven. De unieke samenwerking tussen bedrijven, onderwijsinstellingen en overheden, en de blijvende inzet in het Techniekpact, is van groot belang om voorbereid te zijn op de uitdagingen van de toekomst.

In 2019 gaat de vierde fase van de publiek private samenwerking StartupDelta van start. Daarmee zetten we stevig in op het vergroten van de economische en maatschappelijke bijdrage van start-ups en scale-ups. StartupDelta biedt niet alleen ondersteuning bij het aantrekken van talent en financiering, maar helpt bedrijven ook bij het krijgen van toegang tot bepaalde markten en netwerken.

Zo min mogelijk regeldruk en ruimte voor experimenteren zijn belangrijke randvoorwaarden voor ondernemerschap en innovatie. Met het programma «Merkbaar betere regelgeving en dienstverlening 2018–2021» zet het kabinet hierop in. Belangrijke speerpunten in dit programma zijn het beter betrekken van mkb-ondernemers bij de totstandkoming van nieuwe wet- en regelgeving middels de mkb-toets, het merkbaar vereenvoudigen van wet- en regelgeving, o.a. met de maatwerkaanpak en de «life events» aanpak en de inzet van digitale tools om de dienstverlening aan ondernemers te verbeteren. Daarnaast werken we aan de hand van departementale actieprogramma’s aan het gericht en merkbaar verbeteren van wet- en regelgeving en dienstverlening in de verschillende domeinen. Ondernemers die willen investeren in duurzame innovaties en zich belemmerd voelen door regels, kunnen ook in 2019 terecht bij het Programma «Ruimte in Regels voor groene groei.»

Invest-NL

Een gebrek aan financiering vanuit de markt mag geen beperking zijn voor investeringen in projecten en bedrijven die veel potentie hebben en maatschappelijk relevant zijn. De private investeringen in sectoren die van belang zijn voor grote transitieopgaven kunnen achterblijven bij het niveau dat maatschappelijk gewenst is. De oorzaak daarvan zit doorgaans niet in de kwaliteit van de projecten en bedrijven, maar in de lange terugverdientijd, een onzekere risico-rendementsverhouding en een gebrek aan coördinatie tussen de vele publieke en private partijen. In zulke gevallen biedt de Nederlandse financierings- en ontwikkelingsinstelling Invest-NL die in 2019 wordt opgericht uitkomst7.

Invest-NL zal ondernemingen ondersteunen bij investeringsprojecten met maatschappelijke en economische baten, en waar nodig meefinancieren. Hiervoor wordt € 2,5 miljard als investeringskapitaal ter beschikking gesteld. De uitoefening van het aandeelhouderschap van de Staat in Invest-NL wordt uitgeoefend door de Minister van Financiën. De Minister van EZK is de eerste verantwoordelijke voor de wet «Invest-NL», en namens de Staat ondertekenaar van de aanvullende overeenkomst met de beleidsdoelen8. EZK stelt daarnaast een jaarlijkse subsidie van € 10 miljoen ter beschikking voor nationale projectontwikkeling. De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking stelt jaarlijks € 9 miljoen ter beschikking voor aansluiting van Nederlandse ondernemers op de ontwikkeling van internationale investeringsprojecten.

Door Invest-NL is er straks méér geld om méér te doen voor méér ondernemers. Zo kan Invest-NL risicokapitaal ter beschikking stellen ter ondersteuning van start-ups om door te groeien naar scale-ups of zelf participeren in doorgroeiende bedrijven. Tevens kan worden ingespeeld op Europese regelingen waarvoor nationale cofinanciering vereist is. Een samenwerkingsverband, dat wordt opgezet tussen Invest-NL en Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO), gaat zich specifiek richten op ondersteuning van exportfinanciering en van Nederlandse ondernemingen met oplossingen voor wereldwijde transitieopgaven.

Om investeringen samen met de markt tijdig aan te jagen wordt in 2018 al zoveel mogelijk gestart met de onderdelen en activiteiten van Invest-NL. Zo krijgt het Nederlands Investerings Agentschap (NIA) van EZK, die na de formele oprichting zal opgaan in Invest-NL, al extra capaciteit voor de ontwikkeling van bedrijven en projecten in Nederland. Mochten zich in de aanloop naar de formele oprichting in 2019 kansrijke investeringsprojecten aandienen, die passen in de doelstellingen van Invest-NL, dan kan het kabinet besluiten te investeren via de rijksbegroting. Vanzelfsprekend gebeurt dit alleen al wordt voldaan aan de begrotings- en staatssteunregels.

Regionale ontwikkeling

Door decentralisering is de regio steeds vaker aan het stuur. De regioambassadeurs van EZK spelen in het contact met de regio een belangrijke rol; door te signaleren, waar mogelijk agenda’s aan elkaar te verbinden en zo doelen in de praktijk te realiseren.

De Minister van LNV is verantwoordelijk voor de in het Regeerakkoord genoemde «preferente opgaven» en nog af te sluiten «Regio Deals». Deze worden gefinancierd uit de zogenaamde Regio Envelop, die bedoeld is om regionale knelpunten op te lossen. EZK ondersteunt LNV inhoudelijk bij de Regio Deals en preferente opgaven die raken aan het beleidsdomein van EZK. Dat geldt in ieder geval voor vijf van de zes preferente opgaven die in het Regeerakkoord genoemd zijn (Brainport Eindhoven, nucleair, ESTEC, Zeeland en BES-eilanden).

Daarnaast geven we uitwerking aan de mainportstatus van de regio Eindhoven met de meerjarige Brainport Nationale Actieagenda, waarin gezamenlijke ambities en acties van Rijk en regio staan die de positie van dit economisch kerngebied van Nederland versterken9. We zetten zowel in op het aanpakken van knelpunten als op de kansen die er liggen om de internationale concurrentiekracht van deze regio – en daarmee van Nederland – te versterken. De nadruk ligt op de onderwerpen talent, kennis, innovatie en ondernemerschap, vestigingsklimaat, digitalisering en maatschappelijke uitdagingen. Het is daarmee in de breedte en qua betroken actoren een unieke samenwerkingsagenda.

Europese samenwerking

Europa is een belangrijke pijler onder onze economie. Dankzij de Europese interne markt kunnen Nederlandse ondernemers hun producten en diensten gemakkelijk binnen de gehele EU kopen en verkopen, en hebben consumenten meer keuze uit betaalbare en betrouwbare producten. De werking van de interne markt is echter nog niet optimaal. Daarom maken we ons in de EU sterk voor verdere verbeteringen aan de hand van drie prioriteiten: zorgen voor een helder Europees regelgevend kader met betrekking tot digitalisering van de economie, het grensoverschrijdend aanbieden van diensten verder vergemakkelijken, en slimmer en beter handhaven10.

Een belangrijke Europese ontwikkeling in 2019 is de brexit. Zoals het er nu naar uitziet, treedt het Verenigd Koninkrijk op 30 maart 2019 uit de EU. De impact die dat zal hebben hangt sterk af van de lopende onderhandelingen. Wel staat vast dat er veel gaat veranderen. Onder het motto «prepare for the worst, strive for the best» bereiden we ons hierop voor. De Nederlandse economische inzet in de Brexit-onderhandelingen is gericht op een zo breed en intensief mogelijke economische samenwerking met het VK, uiteraard binnen de kaders die de EU27 hebben opgesteld met het oog op een gelijk speelveld. Met initiatieven als het Brexitloket.nl, de Brexit Impact Scan en stakeholderbijeenkomsten zet EZK, in samenwerking met BZ, parallel daaraan in op voorlichting en ondersteuning van bedrijven, in het bijzonder het mkb. Zo zorgen we dat de noodzakelijke voorbereidingen getroffen worden voor de nieuwe relatie met het VK. Daarnaast treffen we voorbereidingen voor het geval de onderhandelingen niet leiden tot een gezamenlijke brexit-deal.

Digitalisering

Digitalisering transformeert onze maatschappij en economie in een razendsnel tempo. Een wereld zonder digitale platforms is voor velen ondenkbaar geworden. Digitale technologie is alom tegenwoordig bij de wijzen waarop we communiceren en handelen. Deze ontwikkeling zet zich door en biedt tal van kansen voor het versterken van onze economie en maatschappij. Nederland heeft een uitstekende uitgangspositie om die kansen te verzilveren: de digitale infrastructuur is van wereldklasse, we hebben internationaal gezien een hoog opgeleide beroepsbevolking en Nederlandse consumenten lopen vaak voorop in het omarmen van nieuwe digitale toepassingen.

Om de kansen van digitalisering te benutten, heeft het kabinet de Nederlandse Digitaliseringsstrategie gelanceerd11. Het kabinet streeft ernaar om digitale koploper van Europa te worden. Nederland als pionier en proeftuin op het gebied van digitale innovatie. Dé plek waar bedrijven uit de hele wereld komen om op een verantwoorde manier nieuwe toepassingen te ontwikkelen en te testen. En waar we succesvolle innovaties vervolgens breed uitrollen. Op die manier versterken we niet alleen ons verdienvermogen, maar geven we ook richting aan technologische ontwikkelingen en zetten we vol in op de economische en maatschappelijke kansen van digitalisering.

Om de kansen van digitalisering te kunnen pakken, is het ook noodzakelijk dat burgers en bedrijven zich veilig en met vertrouwen kunnen bewegen in het digitale domein. Aan de hand van deze strategie worden de basisvoorwaarden versterkt op het gebied van privacybescherming, cybersecurity, digitale infrastructuur, digitale vaardigheden en eerlijke concurrentie. Zo maken we ons sterk voor het cyberweerbaar maken van ondernemers en burgers en het bevorderen van veilige (hard- en software) producten. Digitalisering raakt aan verschillende beleidsdomeinen. Het is belangrijk dat daarbij van elkaar geleerd wordt. Daartoe bevorderen we ook de onderlinge samenwerking tussen ministeries.

Om digitalisering van de industrie te versnellen is in 2018 de «Smart Industry Implementatieagenda 2018–2020» opgesteld12. Deze agenda beschrijft de acties die nodig zijn om te zorgen dat de Nederlandse industrie voorop blijft lopen. EZK steunt deze agenda door mee te investeren in kennis en vaardigheden, bedrijven en kennisinstellingen te helpen om veilig en effectief hun data te delen en door te investeren in Fieldlabs. Dit zijn proeftuinen waarin bedrijven en kennisinstellingen doelgericht experimenteren met de nieuwste technologieën om te komen tot innovatieve oplossingen. We werken daarbij nauw samen met de regio’s.

Het programma «Versnelling digitalisering MKB» stimuleert de benutting van (digitale) technologieën door het mkb. EZK stimuleert kennisoverdracht over technologieën die de productiviteit versterken zoals big data, automatisering, online sales en marketing.

Naast de toepassing van digitalisering door bedrijven, zijn ook kennisuitwisseling, innovatie en internationalisering op het gebied van digitalisering belangrijke voorwaarden voor succes. Om dit te stimuleren is ICT opgenomen in het innovatiebeleid als één van de sleuteltechnologieën. Tevens wordt een meerjarig publiek-privaat samenwerkingsprogramma onderzoek en innovatie gestart voor kunstmatige intelligentie en voor cybersecurity. Met de internationaliseringsagenda ICT wordt export bevorderd van Nederlandse kennis en kunde op het gebied van ICT en het naar Nederland halen van ICT-gerelateerde bedrijvigheid. Hierbij wordt nauw samengewerkt met brancheorganisaties, regionale ontwikkelingsmaatschappijen en overheden.

Nederland beschikt over een uitstekende digitale infrastructuur, met vier mobiele 4G-netwerken en twee vaste netwerken en internetknooppunten, datacenters en internationale verbindingen van wereldklasse. Deze netwerken leveren een belangrijke bijdrage aan het gunstige ondernemings- en vestigingsklimaat in Nederland. Ook dragen deze netwerken bij aan het effectiever aanpakken van maatschappelijke uitdagingen, bijvoorbeeld in de zorg, landbouw of mobiliteit. Het is van belang die sterke positie ook in de toekomst te behouden. Met het Actieplan digitale connectiviteit zet EZK zich in voor het creëren van de juiste randvoorwaarden, zodat elke Nederlander over snel en vast mobiel internet kan beschikken.13 Dit wordt gezamenlijke opgepakt door de rijksoverheid, andere overheden en marktpartijen. Het kabinet streeft naar kwalitatief hoogwaardige connectiviteit die een grote diversiteit aan vraag kan bedienen en altijd en overal beschikbaar is tegen concurrerende tarieven. Concreet is het doel dat álle Nederlanders in 2023 over snel vast breedbandinternet (100 Megabit per seconde) beschikken. Een grote meerderheid moet in datzelfde jaar een nog eens tien keer zo snelle verbinding (1 Gigabit per seconde) hebben. Daarnaast wordt een dekkingsverplichting ingevoerd bij de aankomende frequentieveilingen voor draadloze communicatie, bijvoorbeeld voor 5G. Deze doelen dragen bij aan de kabinetsambitie om van Nederland de digitale koploper van Europa te maken.

Door digitalisering verschuiven marktverhoudingen en ontstaan nieuwe (markt)rollen, zowel voor consumenten als voor bedrijven. EZK maakt zich in EU-verband sterk voor het competitief houden van markten en voor eerlijke onderlinge verhoudingen tussen digitale platforms en ondernemers die gebruikmaken van platforms. Ook vinden we het belangrijk dat consumenten geïnformeerde beslissingen kunnen nemen wanneer ze producten of diensten via een platform afnemen. Dit vereist dat consumenten weten van wie ze een product of dienst afnemen, naar wie ze toe moeten met een probleem en wat hun rechten zijn. We zetten ons ervoor in om hier in EU-verband op korte termijn meer duidelijkheid over te scheppen.

Tot slot

De Nederlandse economie is op stoom. Maar wat de toekomst ons brengt, hebben we niet alleen zelf in de hand. EZK zet in op verduurzaming en vernieuwing om onze sterke concurrentiepositie te behouden en hier op voort te bouwen. EZK brengt dit in de praktijk met gezamenlijke akkoorden, ambitieuze programma’s en concrete beleidsmaatregelen. Daar hebben we iedereen voor nodig: ondernemers, maatschappelijke organisaties, de verschillende ministeries, de regio, de EU en andere landen.

Belangrijkste beleidsmatige mutaties

Overzicht intensiveringen Rutte III

In het Regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» zijn verschillende budgettaire intensiveringsenveloppes opgenomen. De volgende tabel geeft weer welke intensiveringsmiddelen uit het Regeerakkoord zijn overgeheveld naar de EZK-begroting.

Envelop

Status

Toegevoegd aan begroting EZK (x € 1 mln)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

B8

Cybersecurity

c

 

5,0

7,0

9,0

9,0

9,0

E23

Klimaat

b

117,0

         

E24

Intensivering SDE+ uitgaven

a

           

E26

Invoeren alternatief salderingsregeling

a

           

G37

Toegepast onderzoek

c

75,0

112,0

150,0

150,0

150,0

150,0

L105

Regionale knelpunten

c

132,0

 

25,0

     

L107

Ombouw laag- naar hoogcalorisch

a

           

L108

Gas/regiofonds Groningen

a

           
 

Totaal

 

324,0

117,0

182,0

159,0

159,0

159,0

verklaring code status:

a = nog niets toegevoegd aan EZK-begroting; middelen staan nog op Aanvullende Post

b = deels toegevoegd aan EZK-begroting, deels nog op Aanvullende Post en nog niet verdeeld

c = aandeel EZK volledig toegevoegd aan begroting; geen middelen meer op Aanvullende Post

Totaaloverzicht belangrijkste mutaties

Aansluitend een beknopte toelichting op de voornaamste mutaties ten opzichte van de stand Voorjaarsnota 2018. In geval van intensiveringen Regeerakkoord is tussen haken aangegeven welke RA-envelop het betreft.

UITGAVEN (Bedragen x € 1.000)
 

Art. nr.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand Ontwerpbegroting 2018

 

3.799.496

4.335.502

4.990.471

4.896.439

5.009.279

 

Mutaties nota van wijziging

 

– 56.211

– 48.221

– 47.260

– 47.463

– 47.163

 

Mutatie ISB (RA-E23)

 

117.000

         

Mutaties Voorjaarsnota 2018

 

265.591

70.743

90.616

95.452

78.769

 

Stand Voorjaarsnota 2018

 

4.125.876

4.358.024

5.033.827

4.944.428

5.040.885

 
               

Nieuwe mutaties:

             

PPS-toeslag (RA-G37)

2

 

26.000

40.000

47.000

50.000

 

TNO, Deltares, MARIN en NLR (RA-G37)

2

 

38.154

49.620

49.620

49.620

 

Ruimtevaart (RA-L105)

2

15.000

 

25.000

     

Invest.nl in opbouw (projectontwikkeling)

2

 

10.000

10.000

10.000

10.000

 

Invest.nl in opbouw (opstartbudget)

2

– 13.809

         

Toekomstfonds – Innovatiekredieten

3

– 15.688

– 14.188

– 13.400

– 14.300

– 4.000

 

Toekomstfonds- Innovatiekredieten (RA-G37)

3

 

14.600

15.300

12.100

13.000

 

Kasschuiven Toekomstfonds

3

– 73.501

18.317

13.570

19.052

2.960

 

Demonstratieregeling Energie Innovatie (DEI)/Carbon Capture and Storage (CCS)

4

 

– 2.100

– 9.700

– 11.500

– 10.600

 

Bijdrage aan ECN voor saneren radio-actief afval (RA-L105)

4

117.000

         

Uitfinanciering Lening ECN

4

17.370

         

Ramingsbijstelling uitkoop en verkabeling

4

– 12.440

 

6.220

6.220

   

Schade-afhandeling Groningen door RVO.nl

5

47.422

41.991

       

Kosten Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen

5

1.630

2.085

       

Schadevergoeding aan particulieren

5

42.500

57.500

       

Verschuiving van werkzaamheden van de NAM naar de NCG

5

10.000

         

Herinrichting apparaat

40

 

– 47.608

– 46.068

– 44.291

– 44.291

 

LNV-bijdrage in concern brede hogere uitgaven

40

28.900

5.800

4.800

2.400

2.400

 

Ontwikkelbudget ICT

40

 

8.200

9.500

14.500

14.500

 

Loon- en prijsbijstelling LNV

41

– 13.043

– 12.634

– 12.451

– 12.368

– 12.393

 

Nog in te vullen posten

41

   

– 11.000

– 11.000

– 11.000

 

Overige mutaties

 

110

– 17.779

– 11.902

– 16.290

– 23.274

 
               

Stand Ontwerpbegroting 2019

 

4.277.327

4.486.362

5.103.316

4.995.571

5.077.807

5.160.559

Toelichting

PPS-toeslag (RA-G37)

Deze intensivering uit de enveloppe Toegepast Onderzoek wordt ingezet om de PPS-toeslag op het inmiddels verhoogde percentage van 30% te houden en de ondersteuning van ANBI-bijdrage voort te zetten.

TNO, Deltares, MARIN en NLR (RA-G37)

Vanuit de enveloppe Toegepast Onderzoek worden extra middelen uitgetrokken voorversterking van het toegepast onderzoek bij deze instituten.

Ruimtevaart (ESA) (RA-L105)

Uit de Regio Enveloppe uit het Regeerakkoord is € 40 mln beschikbaar gesteld voor het vergroten van de aantrekkelijkheid van het terrein van ESTEC door het ontwikkelen van een internationale ontmoetingsplek en een bijdrage aan de optionele ESA-programma’s (2020–2022).

Invest-NL (projectontwikkeling)

Voor de financiering van de projectontwikkeling door Invest-NL i.o. wordt € 10 mln per jaar gereserveerd. Met deze middelen zal Invest-NL bijdragen aan het ontwikkelen van oplossingen voor generieke en specifieke financieringsknelpunten van investeringsprojecten en startende, doorgroeiende en innovatieve ondernemingen. Daarnaast wordt een contactcentrum voor financieringsvraagstukken ingericht.

Invest-NL (opstartbudget)

Het resterend opstartbudget voor Invest-NL wordt overgeheveld naar het Ministerie van Financiën in verband met de overgang van de aandeelhoudersrol van EZK naar Financiën.

Innovatiekrediet

Als gevolg van vervroegde aflossingen en gewijzigde inzichten ten aanzien van de terugbetaling van innovatiekredieten is de ontvangstenraming van het innovatiekrediet aangepast. Omdat de ontvangsten weer worden ingezet voor nieuwe kredieten, werkt dit door in de uitgavenraming en wordt deze overeenkomstig verlaagd. Door verschuivingen binnen het Toekomstfonds kan het effect van deze verlaging worden beperkt.

Innovatiekrediet (RA-G37)

Door deze intensivering uit de enveloppe Toegepast Onderzoek kan het Innovatiekrediet structureel op het niveau van € 70 mln worden opengesteld.

Kasschuiven Toekomstfonds

De middelen die in 2017 niet tot benutting zijn gekomen, zijn bij 1e suppletoire wet 2018 aan het Toekomstfonds toegevoegd. Met deze kasschuif worden deze middelen op de verschillende instrumenten (waaronder het Innovatiekrediet, de Seed Capital regeling, DVI en Vroegefasefinancering) over de jaren verdeeld in het gewenste kasritme.

Demonstratieregeling Energie Innovatie (DEI)/Carbon Capture and Storage (CCS)

De ramingen voor de budgetten DEI en opdrachten CCS zijn bijgesteld op het niveau van de benutting in de afgelopen jaren. Voor 2018 is € 12 mln aan de Topsector Energie (TSE) toegevoegd voor cofinanciering van pilotprojecten en ondersteuning van kostenstudies van afvang- opslag en gebruik van CO2 (CCS en CCU).

Bijdrage aan ECN voor saneren radio-actief afval

Uit de Regio Enveloppe uit het Regeerakkoord is € 117 mln beschikbaar gesteld voor een bijdrage in 2018 aan de kosten van het opruimen van het historisch afval en de ontmanteling van gebouwen, installaties en apparatuur in Petten.

Uitfinanciering lening ECN

In oktober 2014 is ECN/NRG een lening van € 82 mln verstrekt voor het herstelplan van de Hoge Flux Reactor. Deze lening is niet kader-relevant. De kasuitloop van deze lening via de EZ-begroting werd in de begroting en meerjarenramingen verwerkt conform de destijds bestaande verwachtingen. In de praktijk is de lening aanzienlijk trager opgenomen dan destijds voorzien. Naar huidige inzichten wordt in 2018 een bedrag van € 20 mln opgenomen uit de lening. Daarom dient het oorspronkelijk voor 2018 geraamde kasbudget van € 2,6 mln te worden aangevuld met € 17,4 mln.

Ramingsbijstelling uitkoop en verkabeling

Huiseigenaren kunnen gedurende vijf jaar een aanvraag indienen voor uitkoop. Het is echter lastig in te schatten hoeveel huiseigenaren in enig jaar een beroep hierop doen. Op basis van de huidige inzichten ten aanzien van het beroep dat huiseigenaren doen op de uitkoopregeling wordt voorzien dat eigenaren pas in latere jaren een beroep op de regeling zullen doen. Daarom wordt een ramingsbijstelling van € 12,4 mln voorgesteld, van 2018 naar resp. 2020 en 2021.

Schade-afhandeling Groningen door RVO.nl

In 2018 is een nieuwe schadeprotocol Groningen overeengekomen. Dit betekent dat het Rijk de schade door bodembeweging in het Groninger gasveld afhandelt. Aanvragen tot schadevergoedingen worden afgehandeld door de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen. RVO doet de praktische uitvoering van het protocol, ter ondersteuning van de Commissie. De uitvoeringskosten van RVO worden verhaald op de NAM.

Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen

Voor de afhandeling van schademeldingen door bodembeweging in het Groninger gasveld is een Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade aangesteld. De Commissie bestaat uit twee deelcommissies. Een commissie voor de mijnbouwschade en een commissie voor de afhandeling van bezwaarschriften. De kosten die verband houden met deze commissies worden betaald door het Rijk.

Schadevergoeding aan particulieren

De TCMG besluit over schadevergoedingen aan bewoners uit Groningen die aardbevingsschade hebben als gevolg van de gaswinning. Deze schadevergoedingen worden uitbetaald door EZK en daarna volledig verhaald op de NAM, conform de hierover gemaakte afspraken.

Verschuiving van werkzaamheden van de NAM naar de NCG

In 2017 hebben de NCG, de Provincie Groningen en de bij de NCG aangesloten gemeenten (afhandelings-) werkzaamheden overgenomen van NAM als het gaat om Complexe schade, gebiedsgericht werken en versterken, en onderzoeksactiviteiten, welke werkzaamheden noodzakelijk zijn om tot oplossing van de aardbevingsgerelateerde problematiek te komen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de NAM de kosten van die concrete werkzaamheden op zich neemt. Daartoe heeft de NAM voor de kosten gemaakt in het jaar 2017 een bedrag van € 10 mln uitgekeerd aan EZK.

Herinrichting apparaat

Dit betreft een overboeking naar de begroting van LNV. De uitgaven bestaan uit het LNV-deel van de personele- en materiële uitgaven voor de dienstonderdelen die samen worden gedeeld met het Ministerie van EZK (onder andere de directies Bedrijfsvoering en Wetgeving en Juridische Zaken, Kamerstuk 34 775, nr. 138). Het budgettaire beslag van deze onderdelen slaat volgens een verdeelsleutel neer op beide begrotingen. Ook worden middelen overgeheveld van de begroting van EZK naar de begroting van LNV voor enkele specifieke taken.

LNV-bijdrage in concernbrede hogere uitgaven

Dit betreft het aandeel van LNV in concern brede problematiek van voormalig EZ. Voor 2018 bestaat dit onder andere uit een extra bijdrage aan het agentschap DICTU van € 18,1 mln ten behoeve van diverse ICT-ontwikkelingen bij de organisatieonderdelen van EZK en LNV. Dit wordt onder meer ingezet voor additionele capaciteit voor informatiebeveiliging (€ 4,1 mln) en hogere projectkosten van de Cloudwerkplek (€ 8,7 mln). Ook betreft dit een structurele bijdrage aan de uitgaven inzake de invoering van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) (€ 5,8 mln in 2018) en een toevoeging (€ 5,0 mln) ten behoeve van de opdracht aan het Inkoop Uitvoering Centrum (IUC).

Ontwikkelbudget ICT

EZK heeft de afgelopen jaren telkens incidenteel middelen vrijgemaakt voor verschillende zaken op ICT-vlak. Bijvoorbeeld vernieuwings- of vervangingsactiviteiten (zoals de Cloudwerkplek) of investeringen die nodig zijn om te voldoen aan nieuwe regelgeving (zoals voor de Algemene Verordening Gegevensbescherming en op het gebied van informatie beveiliging). Vanaf 2019 is een structureel budget vrijgemaakt binnen de EZK-begroting, om de noodzaak voor incidentele ingrepen zoveel mogelijk te beperken.

Loon- en prijsbijstelling LNV

De bij 1e suppletoire wet 2018 ontvangen loon- en prijsbijstelling voor LNV is naar de begroting van LNV overgeheveld.

Nog in te vullen posten

Het tekort bij het onderdeel «Nog te verdelen» wordt bij 1e suppletoire begroting 2019 ingevuld. Het betreft een taakstellende reeks die is gereserveerd als dekking voor problematiek van het voorjaar 2018. Deze problematiek bestaat voornamelijk uit de uitbreiding van de klimaat- en energiedirecties, de versterking van de organisatie van SodM en het op orde brengen van de informatiebeveiliging.

ONTVANGSTEN (Bedragen x € 1.000)
 

Art. nr.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand Ontwerpbegroting 2018 (inclusief NvW)

 

3.441.801

4.004.686

4.580.518

4.485.967

4.595.389

 

Mutaties nota van wijziging

 

222.500

222.500

325.500

490.500

362.500

 

Mutaties Voorjaarsnota 2018

 

– 125.264

– 206.356

– 305.966

– 356.001

– 908.632

 

Stand Voorjaarsnota 2018

 

3.539.037

4.020.830

4.600.052

4.620.466

4.049.257

 
               

Nieuwe mutaties:

             

Innovatiekrediet

3

– 15.688

– 14.188

– 13.400

– 14.300

– 4.000

 

ETS-ontvangsten

4

226.000

76.000

76.000

76.000

76.000

 

Verschuiving raming Aardgasbaten

4

 

– 1.650.000

– 1.550.000

– 1.400.000

– 800.000

 

Verschuiving raming Aardgasbaten

5

 

1.650.000

1.550.000

1.400.000

800.000

 

Aanpassing raming Aardgasbaten

4/5

100.000

0

– 100.000

– 250.000

50.000

 

Verschuiving werkzaamheden van de NAM naar de NCG

5

10.000

         

Schade-afhandeling door RVO.nl

5

47.422

41.991

       

Schadevergoeding aan particulieren

5

42.500

57.500

       

Overige mutaties

 

3.396

– 2.286

– 2.286

– 2.293

– 2.286

 

Stand Ontwerpbegroting 2019

 

3.952.667

4.179.847

4.560.366

4.429.873

4.168.971

4.120.999

Toelichting

Innovatiekrediet

De verlaging van de ontvangstenraming is het gevolg van vervroegde aflossingen in de afgelopen jaren die nu zorgen voor minder ontvangsten dan oorspronkelijk geraamd en daarnaast gewijzigde inzichten in de terugbetaling van innovatiekredieten. Het streefcijfer van ten minste 60% revolverendheid voor Innovatiekredieten blijft nog steeds uitgangspunt.

ETS-ontvangsten (Emissions Trading System)

De ETS-ontvangsten komen voort uit de veiling van ETS-rechten, die sinds de vorige raming in prijs zijn gestegen. Vanaf 2019 daalt het aantal rechten dat wordt geveild, waardoor de mutatie voor 2019 lager is dan die voor 2018.

Verschuiving raming aardgasbaten (artikelen 4 en 5)

Op basis van Motie Nijboer (Kamerstuk 38 149) presenteert EZK voortaan alle activiteiten betreffende gaswinning, schade, versterken en de toekomst van Groningen op één begrotingsartikel. Met deze mutatie wordt de ontvangstenraming conform stand Voorjaarsnota 2018 van de aardgasbaten (Groningerveld en andere velden) met ingang van 2019 verschoven van artikel 4 naar artikel 5.

Aanpassing raming Aardgasbaten (artikelen 4 en 5)

Op 29 maart 2018 besloot het kabinet de gaswinning in Groningen op zo kort mogelijke termijn volledig te beëindigen (Kamerstuk 33 529, nr. 457). In de Voorjaarsnota 2018 is reeds inzicht gegeven in het budgettaire effect van dit besluit (Kamerstuk 34 960, nr. 1). In de begroting 2019 wordt dit beeld aangevuld op basis van de meest recente inzichten. Hierbij is het basispad voor de afbouw van de winning in Groningen van 29 maart jl. leidend. Daarnaast zijn in de gasbaten de meest recente prijzen doorberekend en is het nieuwe Akkoord op Hoofdlijnen met Shell en ExxonMobile verwerkt, wat gevolgen heeft voor de verdeling van de baten en lasten die samenhangen met de gaswinning in Groningen (Kamerstuk 33 529, nr. 493). Per saldo dalen de gasbaten door al deze ontwikkelingen sterker dan in de Voorjaarsnota 2018 werd voorzien.

Omdat de gasbaten vanaf de begroting 2019 worden gepresenteerd op artikel 5, worden mutaties van de gasbaten die 2018 raken nog op artikel 4 weergegeven.

Verschuiving werkzaamheden van de NAM naar de NCG

In 2017 heeft de NCG werkzaamheden overgenomen van de NAM welke noodzakelijk zijn om de aardbevingsgerelateerde problematiek op te lossen. De NAM neemt de kosten voor deze werkzaamheden op zich en heeft daartoe de gemaakte kosten van € 10 mln in 2017 aan EZK uitgekeerd.

Schade-afhandeling Groningen door RVO.nl

Aanvragen tot schadevergoeding door bodembeweging in het Groningergasveld worden afgehandeld door de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen. RVO doet de praktische uitvoering van het protocol ter ondersteuning van de Commissie. De uitvoeringskosten van RVO worden verhaald op de NAM.

Schadevergoeding aan particulieren

De TCMG besluit over schadevergoedingen aan bewoners uit Groningen die aardbevingsschade hebben als gevolg van de gaswinning. Deze schadevergoedingen worden uitbetaald door EZK en daarna volledig verhaald op de NAM.

Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven en bestemming (bedragen x € 1.000)

Art.nr.

Naam artikel

(€ tot. Uitg. art.)

Juridisch verplichte uitgaven

Niet-juridisch verplichte uitgaven

Bestemming van de belangrijkste niet-juridisch verplichte uitgaven

1

Goed functionerende economie en markten

(€ 196.389)

€ 188.634

(96%)

€ 7.755

(4%)

• Bijdrage ACM t.b.v. bemiddelingsdienst doven en slechthorenden

• Jaarlijkse bijdrage Commissie Aanbestedingsexperts

• Internationale contributies (HGIS-budget)

2

Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

(€ 889.968)

€ 785.771

(88%)

€ 104.197

(12%)

• PPS-toeslag regeling

• Regeling MKB Innovatiestimulering Topsectoren

• Bevorderen Ondernemerschap

• Regeling Internationaal Innoveren

• Subsidie Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen

• Regeling Eurostars

• ICT-beleid, Cybersecurity en Small Business Innovation Research

3

Toekomstfonds

(€ 181.977)

€ 118.717

(65%)

€ 63.260

(35%)

• Innovatiekredieten

• Seed Capital regeling

• Vroegefasefinanciering

• Startups MKB t.b.v. het MKB-actieplan

• Investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek

4

Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

(€ 2.799.175)

€ 2.673.047

(95%)

€ 126.128

(5%)

• Regelingen waarvan de openstelling afgesproken is in het Energieakkoord (DEI, TSE)

• Uitkoopregeling huiseigenaren onder hoogspanningsmasten

• Openstelling 2019 EETS-compensatieregeling

• Bijdrage aan ERANET-cofund (tweede tranche)

• Netbeheersubsidies Bonaire en Saba

• Storting van ontvangen provisies op basis van garantieregeling geothermie in reserve geothermie

• Uitgaven van E&O en SodM t.b.v. het Kennisprogramma Effecten Mijnbouw (KEM)

• Uitgaven ter ondersteuning RCR-projecten (= wettelijke taak)

• Planschade-uitkeringen

• Bijdrage TNO (voert wettelijke taken uit)

• Bijdrage ECN (langjarige subsidierelatie)

• Contributies aan verschillende internationale energie- en klimaatorganisaties

5

Een veilig Groningen met perspectief (€ 140.471)

€ 108.163

(77%)

€ 32.308

(23%)

• Verduurzamingsopgave uit aardgasbaten

• Onderzoek en compensatie gemeenten en provincie

• Werkbudget

Totaal aan niet verplichte uitgaven

 

€ 333.648

 

Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

Planning beleidsdoorlichtingen

Artikel

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Geheel artikel?

1

Goed functionerende economie en markten

       

X

   

Ja

2

Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

     

X

     

Ja

3

Toekomstfonds

     

X

     

Ja

4

Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

 

X1

   

X

   

Ja

5

Een veilig Groningen met perspectief

       

X

   

Ja

X Noot
1

Betreft de beleidsdoorlichting Klimaat die van IenW is overgegaan naar EZK (dit omvat slechts een deel van het oude artikel 19 van IenW).

Artikel 1: De beleidsdoorlichting van voormalig artikel 11 is op 28 april 2016 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstuk 30 991, nr. 31). De nieuwe planning staat in bovenstaande tabel vermeld.

Artikel 2: De beleidsdoorlichting van voormalige artikelen 12 en 13 is gezamenlijk uitgevoerd en op 13 mei 2015 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstuk 30 991, nr. 23).

Artikel 3: Dit artikel (voormalig artikel 19, in 2015 aan de begroting toegevoegd) zal voor het eerst in 2020 worden doorgelicht.

Artikel 4: De beleidsdoorlichting van voormalig artikel 14 (energie) is op 19 december 2014 naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstuk 30 991, nr. 17). Dit betrof een ex-post beleidsdoorlichting over de periode 2007–2012. De volgende beleidsdoorlichting zal de periode 2013–2019 beslaan en zal in 2020/2021 worden uitgevoerd.

De beleidsdoorlichting Klimaat is sinds Regeerakkoord Rutte III van IenW overgegaan naar EZK. Verwacht wordt dat deze beleidsdoorlichting in 2018 wordt afgerond.

Artikel 5: Dit artikel is in 2016 aan de begroting toegevoegd en zal voor het eerst in 2021 worden doorgelicht.

Voor het meest recente overzicht van de realisatie van beleidsdoorlichtingen, klik op deze link.

Voor een verdere onderbouwing van de meerjarenprogrammering zie bijlage 5 «Evaluatie- en overig onderzoek». In 2019 zijn voor EZK geen beleidsdoorlichtingen voorzien.

Overzicht van Risicoregelingen

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2017

Geraamd te verlenen 2018

Geraamd te vervallen 2018

Uitstaande garanties 2018

Geraamd te verlenen 2019

Geraamd te vervallen 2019

Uitstaande garanties 2019

Garantieplafond 2019

Totaal plafond

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

BMKB

1.820.578

765.000

523.069

2.062.509

765.000

470.981

2.356.528

765.000

 
 

Garantie Ondernemingsfinanciering

593.083

400.000

104.299

888.784

400.000

104.059

1.184.725

400.000

 
 

Groeifaciliteit

118.916

135.000

26.805

227.111

105.000

26.126

305.985

135.000

 
 

MKB financiering

68.200

200.000

 

68.200

   

68.200

 

268.200

 

Qredits

103.380

 

3.400

99.980

30.000

625

129.355

 

130.000

                     

Artikel 4 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Aardwarmte

70.539

66.600

23.800

113.339

66.600

18.000

161.939

66.600

 
                     
 

Totaal

2.774.696

1.566.600

681.373

3.459.923

1.366.600

619.791

4.206.732

1.366.600

398.200

Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000) «saldo» bestaat uit «uitgaven» (schadebetalingen) en «ontvangsten» (premieontvangsten)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2017

Ontvangsten 2017

Stand risicovoorziening 2017

Saldo 2017

Uitgaven 2018

Ontvangsten 2018

Stand risicovoorziening 2018

Saldo 2018

Uitgaven 2019

Ontvangsten 2019

Stand risicovoorziening 2019

Saldo 2019

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

BMKB

34.818

37.316

69.780

2.498

41.835

33.000

69.780

– 8.835

36.375

33.000

69.780

– 3.375

 

Garantie Ondernemings-financiering

1.610

9.132

65.052

7.522

6.646

13.000

65.052

6.354

11.745

13.000

65.052

1.255

 

Groeifaciliteit

4.216

5.510

18.313

1.294

8.850

8.000

18.313

– 850

8.972

8.000

18.313

– 972

 

MKB financiering

 

41

9.041

41

   

9.041

     

9.041

 
 

Qredits

                       
                           

Artikel 4 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Aardwarmte

 

833

22.573

833

6.000

2.291

18.864

– 3.709

 

4.700

23.564

4.700

                           
 

Totaal

40.644

52.832

184.759

12.188

63.331

56.291

181.050

– 7.040

57.092

58.700

185.750

1.608

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

De BMKB biedt zowel banken als niet-bancaire financiers een borgstelling voor leningen aan midden- en kleinbedrijven (≤ 250 werknemers) voor zover deze bedrijven onvoldoende zekerheden kunnen bieden aan de bank. Het knelpunt dat met de BMKB wordt bestreden is het verschijnsel dat in de kern gezond MKB – met voldoende zicht op rentabiliteit en continuïteit – niet of onvoldoende in een kredietbehoefte kan voorzien door een tekort aan zekerheden (onderpand).

De gemiddelde eenmalige premie die voor het borgstellingskrediet wordt betaald is 4,8%. De premie is afhankelijk van de looptijd van het bedrijfsborgstellingskrediet. Er zal gedifferentieerd worden tussen de premies voor enerzijds startende en gevestigde bedrijven (gemiddeld 4,65%) en anderzijds voor innovatieve bedrijven (gemiddeld 6,65%). Hierbij wordt de mogelijkheid geboden de premiebetaling gedeeltelijk over de looptijd van het krediet te voldoen. De premie is niet kostendekkend. Op de begroting is structureel vanaf 2023 € 10,8 mln (inclusief de uitvoeringskosten) beschikbaar ter afdekking van de schades die niet door premie-ontvangsten worden gedekt. In de jaren 2019–2022 is dit ca. € 5,8 mln per jaar.

Er is een begrotingsreserve (risicovoorziening) voor de BMKB waardoor een verevening mogelijk is van premie-inkomsten en schade-uitgaven over een reeks van jaren. De regeling is namelijk conjunctuurgevoelig (in tijden van krimp en recessie hogere verliezen) waardoor uitgaven en inkomsten kunnen fluctueren.

De horizonbepaling voor de BMKB is juli 2022. De volgende evaluatie zal in 2021 plaatsvinden.

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

De GO-regeling is bestemd voor ondernemers die financiering willen aantrekken bij banken en is gericht op (middel)grote ondernemingen met substantiële activiteiten in Nederland en met bevredigende rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven. De GO regeling biedt banken de mogelijkheid om nieuwe bankleningen te verstrekken en/of bankgaranties af te geven van minimaal € 1,5 mln en maximaal € 50 mln met een garantie van 50% door de overheid. De overheid deelt mee in de opbrengsten uit zekerheden. De GO is door het huidige kabinet structureel gemaakt met een jaarlijks garantieplafond van € 400 mln.

Het kredietbeheer ligt primair bij de bank. De bank heeft geen ander belang bij de betaling van rente en aflossing dan de overheid. Naast de 50% garantie van de overheid draagt de bank namelijk zelf eveneens 50% risico. RVO.nl beoordeelt de kredietaanvragen en wijziging van kredieten. Daarnaast is een kredietcommissie met externe deskundigen geïnstalleerd, die de kredietvoorstellen eveneens beoordeelt. De Commissie toetst – additioneel aan RVO.nl – het risico van het betreffende voorstel en bij fiattering wordt de premie bepaald op basis van het te lopen risico.

De premie bestaat in hoofdzaak uit de provisie op de rentemarge voor het debiteurenrisico van de bank onder aftrek van 0,25% die de bank voor haar beheersactiviteiten mag behouden. Andere bronnen van inkomsten zijn bijvoorbeeld afsluitprovisies en fees die ten gunste van bank en overheid komen. Uitgangspunt is dat de GO-regeling kostendekkend is. Een eventueel verschil tussen premieontvangsten, schades en uitvoeringskosten in enig jaar worden afgestort naar dan wel onttrokken aan de begrotingsreserve.

De horizonbepaling voor de GO is 1 juli 2020. De volgende evaluatie zal in 2019 plaatsvinden.

GO Energie Transitie Financierings Faciliteit

In 2017 is de pilot GO ETFF voor in beginsel twee jaar opengesteld. De GO ETFF heeft als doel bij te dragen aan het (versneld) realiseren van de ambities inzake de energietransitie door het verstrekken van risicodragend vermogen in de vorm van achtergestelde leningen. Voorbeelden zijn geothermie, decentrale opwekking, energiebesparing in de gebouwde omgeving en de circulaire economie. Voor de financieringen vanuit de GO ETFF kan in de pilotfase € 80 mln aan overheidsgarantie worden verstrekt (onderdeel van het totale GO-plafond van € 400 mln). De GO ETFF vormt een aparte subsidiemodule naast de bestaande subsidiemodule Garantie Ondernemingsfinanciering en is kostendekkend van opzet. In de brief van 15 februari (Kamerstuk 28 165, nr. 281) is aangekondigd dat de Energie Transitie Financierings Faciliteit zal worden uitgefaseerd en afgeschaft, omdat de doelen van deze faciliteit ook via de Investeringstak van Invest-NL bereikt kunnen worden. Om marktpartijen genoeg tijd te geven om in te spelen op het uitfaseren en afschaffen van de Energie Transitie Financierings Faciliteit (ETFF) en om een goed alternatief op te zetten bij Invest-NL, zal de regeling van kracht blijven tot de huidige termijn van uiterlijk 1 juli 2020, of zoveel eerder als de doelen via Invest-NL bereikt kunnen worden.

Groeifaciliteit

De regeling Groeifaciliteit helpt bedrijven bij het aantrekken van risicodragend vermogen door garanties te geven op achtergestelde leningen verstrekt door banken en op aandelen verstrekt door participatiemaatschappijen aan ondernemingen. De Groeifaciliteit kan ondernemingen in een groeifase, bij bedrijfsovernames en bij herstructureringen helpen bij het aantrekken van risicokapitaal. De regeling wordt ook opengesteld voor bedrijven uit de agrosector.

Alleen deelnemende financiers kunnen een garantieaanvraag bij de overheid indienen. De maximumgarantie van de overheid is 50%, dat bij participaties neerkomt op maximaal € 12,5 mln en bij bancaire achtergestelde leningen op maximaal € 2,5 mln.

Financiers betalen om de garantie te verwerven in ieder geval een eenmalige premie van 1% van het garantiebedrag vooraf en vervolgens een premie van 3% over het uitstaande garantiebedrag. Het uitgangspunt is dat de Groeifaciliteit hiermee kostendekkend is. Deze jaarlijkse premie kan gedurende de looptijd van de garantiemaatregel worden herzien en zo nodig naar boven worden bijgesteld om ervoor te zorgen dat de premies de kosten van de regeling blijven dekken. Een eventueel verschil tussen premieontvangsten, schades en uitvoeringskosten in enig jaar wordt met ingang van 2014 afgestort in de begrotingsreserve.

De horizonbepaling voor de Groeifaciliteit is 1 juli 2020. De eerstvolgende evaluatie wordt in 2018 uitgevoerd.

In de brief van 15 februari (Kamerstuk 28 165, nr. 281) is aangekondigd dat de Groeifaciliteit per 1 juli 2020 zal worden uitgefaseerd en afgeschaft, omdat de doelen van deze faciliteit ook via de Investeringstak van Invest-NL bereikt kunnen worden. Om marktpartijen genoeg tijd te geven om in te spelen op het uitfaseren en afschaffen van de Groeifaciliteit en om een goed alternatief op te zetten bij Invest-NL, zal de regeling van kracht blijven tot de huidige termijn van uiterlijk 1 juli 2020, of zoveel eerder als de doelen via Invest-NL bereikt kunnen worden.

MKB-financiering

In het kader van het aanvullend actieplan MKB-financiering van 8 juli 2014 heeft het kabinet inmiddels € 68,2 mln aan garanties verstrekt om de funding van nieuwe aanbieders van MKB-financiering mogelijk te maken. Naast alle andere initiatieven en plannen was er behoefte aan nieuwe financiers en nieuwe financieringsmogelijkheden voor het verstrekken van vreemd vermogen aan het MKB. Het vinden van funding voor deze nieuwe mogelijkheden was echter, bij gebrek aan voldoende track-record van dergelijke financiers, lastig. Met het Aanvullend Actieplan MKB-financiering is er daarom voor goede initiatieven ruimte beschikbaar gesteld om die funding te vereenvoudigen met behulp van een overheidsgarantie. De verstrekte overheidsgaranties zijn kostendekkend en mogen geen staatssteun inhouden. Met een partij wordt nog onderhandeld over een mogelijk garantie. Er is een begrotingsreserve voor de verevening van premie-inkomsten en schade-uitgaven.

Qredits

Er is een eenmalige garantie verstrekt aan de Europese Investeringsbank van € 86,7 mln voor de funding van Qredits met € 100 mln voor de verstrekking van micro- en MKB-krediet. Voor deze garantie is een premie van 0,4% verschuldigd. Daarnaast is een garantie van € 13,3 mln verstrekt aan de COE bank voor de funding van Qredits met een bedrag van € 16,6 mln waarvoor eveneens een premie van 0,4% is verschuldigd.

Artikel 4 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Aardwarmte

Aardwarmte wordt gezien als een kosteneffectieve duurzame energiebron met potentie. Het draagt bij aan het halen van de duurzame energiedoelstelling van Nederland. Binnen de SDE+ is het één van de gunstigste opties. Aardwarmte is tevens een belangrijke optie voor het behalen van energie- en klimaatdoelen. Stimuleren van aardwarmte is een prioriteit uit het energieakkoord, de warmtevisie, de beleidsbrief tuinbouw en de meerjarenafspraak energietransitie glastuinbouw 2014–2020. Ook het nieuwe Klimaatakkoord zet fors in op de ontwikkeling van geothermie in Nederland om de klimaatdoelen in 2030 te kunnen halen.

Het doel van de garantieregeling aardwarmte is het afdekken van het geologisch risico dat het boren van de putten voor de toepassing van aardwarmte, niet succesvol is. Het gaat om het risico dat de volgens het plan aangeboorde aardlaag minder warmwaterproductie oplevert en/of water van lagere temperatuur oplevert dan op basis van een gedegen geologisch vooronderzoek verwacht werd.

Het ontbreken van een (betaalbare) verzekering is nog steeds een belangrijk knelpunt voor de toepassing van aardwarmte. Door dit risico af te dekken wordt de toepassing van aardwarmte gestimuleerd. De garantieregeling dekt het risico dat een boring niet in een goede watervoerende laag uitkomt, waardoor het vermogen dat vooraf verwacht werd, niet wordt behaald. In dat geval wordt voor een deel van de gemaakte kosten een subsidie uitgekeerd, gerelateerd naar de mate waarin de aardwarmteboring mislukt is.

Er wordt een premie van 7% gevraagd.

De garantie wordt uitgekeerd wanneer projecten (deels) mislukken. Met de garantstelling worden projecten uitgelokt met een relatief klein risico (eis 90% slaagkans). Het verwacht vermogen dat aan de bodem onttrokken wordt (dit is het vermogen dat bij de aanvraag is opgegeven) is maximaal het vermogen dat met 90% zekerheid aan de ondergrond kan worden onttrokken (op basis van een locatiespecifiek geologisch onderzoek dat moet zijn opgesteld door een ISO 9001 gecertificeerde onderneming).

EZK maakt een garantieplafond en het maximaal te garanderen bedrag per boring bekend. EZK neemt binnen acht weken na de indiendatum een besluit op de aanvraag. De aanvrager moet binnen 12 maanden na goedkeuring van de aanvraag starten met het boorproject. Na de aanvang van de aardwarmteboring heeft de aanvrager een jaar voor de voltooiing. Het aardwarmteproject moet binnen twee jaar leiden tot toepassing van aardwarmte in Nederland.

De premieontvangsten worden gestort in de begrotingsreserve. Eventuele schade-uitkeringen komen ten laste van deze reserve. De horizonbepaling is 2020.

Overzicht uitstaande leningen per ultimo 2017

Bedragen x € 1.000

Artikel

Omschrijving

Uitstaande lening

Looptijd

Lening

Rente

percentage

Wijze van

aflossing

Artikel 2

Bedrijvenbeleid: innovatief ondernemen en beperking van de klimaatveranderingen

Microkrediet Nederland

46.430

tot en met 2036

0%

vanaf 2031

Artikel 4

Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Energieonderzoek Centrum Nederland

54.152

tot en met 2026

2,85%

Afhankelijk uitkomsten bedrijfsvoering ECN tot en met 2026

Artikel 4

Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Pallas

20.880

tot en met 2018

1,5%

uiterlijk 2019

Deze leningen zijn verstrekt in de context van de genoemde beleidsartikelen.

Overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren

De tabel bevat een meerjarig overzicht van de middelen die in 2018–2023 beschikbaar zijn binnen de begrotingen van een aantal departementen voor het bedrijvenbeleid en de topsectoren. De indeling van de tabel geeft inzicht in de samenhang tussen de verschillende onderdelen. Voor een groot deel betreft dit het innovatiebeleid, dat uit een generieke pijler en een specifieke pijler bestaat. Het generieke beleid ondersteunt innovatie voor alle bedrijven, binnen en buiten de topsectoren (tabel A1 en A2). Ook de bijdrage van Buitenlandse Zaken (A3) is generiek van aard. De kern van het specifieke beleid is publiek-private samenwerking (PPS, tabel B1 en B2). Door een intensievere samenwerking tussen de excellente Nederlandse publieke kennisinfrastructuur en de bedrijven vindt de kennis beter zijn weg in innovatieve producten. PPS wordt gestimuleerd met de PPS-toeslag en de MIT. Internationale PPS wordt mogelijk gemaakt dankzij EU-cofinanciering (B2), daarnaast door de Innovatie Attachés en technologiemissies. Via het onderzoeksdeel van het Toekomstfonds is € 100 mln beschikbaar gesteld voor hoogwaardige onderzoeksfaciliteiten en (publiek-private samenwerking) op specifieke thema’s. Opbrengsten uit deze investeringen vloeien terug in het fonds. Onderdeel C bevat de instrumenten voor aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt en tot slot bestaat onderdeel D uit verschillende specifieke bijdragen van departementen aan voor hun relevante topsectoren.

In de tabel is ook aangegeven op welk begrotingsartikel de middelen op de departementale begrotingen staan. Daar zijn de hier getoonde reeksen vaak niet één op één terug te vinden, omdat hier alleen de middelen zijn getoond die samenhangen met het bedrijfslevenbeleid en topsectoren. Een afnemend deel van de middelen is reeds belegd met uitgaven voor lopende programma’s. De verantwoording over dit budget vindt plaats via de reguliere begrotingscyclus via de desbetreffende departementale begrotingen.

(kasbedragen x € 1 mln)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Departement

Artikel

I Generiek

               
                 

A1. Ondernemerschap en innovatie

151

154

175

177

169

152

   

Financieringsinstrumenten Toekomstfonds

151

154

175

177

169

152

EZK

3

                 

A2. Fiscale maatregelen

1.169

1.211

1.211

1.211

1.211

1.211

   

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

6

6

6

6

6

6

EZK/FIN

2, belastingplan

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

1.163

1.205

1.205

1.205

1.205

1.205

EZK/FIN

2, belastingplan

                 

A3. Internationaal

217

255

241

241

241

235

   

Internationaal ondernemen en ontwikkelingssamenwerking

144

187

173

173

173

167

BH/OS

1,2,3

Dutch Good Growth Fund (DGGF)

73

68

68

68

68

68

BH/OS

1

                 

II Specifiek voor topsectoren

               
                 

B1. Kennis en innovatie

592

602

621

622

621

621

   

NWO

275

275

275

275

275

275

OCW/

EZK

16

NWO-TTW

26

23

23

24

24

24

EZK

2

KNAW

14

14

14

14

14

14

OCW

16

Toegepast onderzoek (TO2)

233

246

265

265

265

265

   

– TNO, Marin, NLR, Deltares

154

163

174

174

174

174

EZK

2,4

– Wageningen Research1

79

83

91

91

91

91

LNV

11

Profilering kennisinfrastructuur

44

44

44

44

44

44

OCW

16

                 

B2. Innovatie en PPS

265

264

271

278

278

274

   

PPS-toeslag

125

143

162

169

172

172

EZK

2

MKB Innovatiestimuleringsregeling Topsectoren

28

35

39

40

40

40

EZK

2

Cofinanciering EU-innovatieprogramma's en overige2

61

64

61

61

60

59

EZK

2

Investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek

50

22

9

7

5

3

EZK

3

                 

C. Onderwijs en arbeidsmarkt

41

42

38

33

28

25

   

Centers of Expertise

20

0

0

0

0

0

OCW

6

Regionaal investeringsfonds MBO3

21

42

38

33

28

25

OCW

4

                 

D. Specifieke bijdragen departementen

270

265

231

163

152

151

   

VWS: Life Sciences & Health/zorg

63

68

63

62

61

62

VWS

1, 2, 4, kader Zorg

EZK: Energie-innovatie (excl. ECN)

134

131

129

91

81

79

EZK

4

IenW: Logistiek4

25

22

17

0

0

0

IenW

divers H-XII, IF en DF

IenW: Water

27

23

0

0

0

0

IenW

divers H-XII, IF en DF

OCW: Creatief5

12

12

12

     

OCW

14

Defensie

8

10

10

10

10

10

DEF

6

                 

Totaal

2.705

2.793

2.788

2.725

2.700

2.669

   
X Noot
1

In 2018 maakt Wageningen Research nog deel uit van de EZK-begroting. Vanaf 2019 is Wageningen research onderdeel van de LNV-begroting.

X Noot
2

Overige betreft Holst, Werkbudgetten topsectoren en TTI-Transitiekosten.

X Noot
3

Een deel van het geld van het regionaal investeringsfonds gaat ook naar publiek-private samenwerkingsverbanden buiten de topsectoren.

X Noot
4

Voorbehoud voor de bijdrage vanuit IenW is dat deze alleen vrijkomt voor de door IenW goedgekeurde concrete projectvoorstellen vanuit de sector.

X Noot
5

De reeksen Creatief liggen vast in de BIS (2017–2020).

3. BELEIDSARTIKELEN

1 Goed functionerende economie en markten

Algemene doelstelling

Het scheppen van voorwaarden voor een goed functionerende economie en goed functionerende markten, waaronder de markt voor elektronische communicatie.

Goed functionerende markten dragen in belangrijke mate bij aan de economische groei en innovatie. In een goed functionerende markt reageren vraag en aanbod effectief op elkaar. Consumenten en bedrijven profiteren daarvan. Op goed functionerende markten ontstaat een optimale prijs – kwaliteitverhouding van goederen en diensten en hebben gebruikers keuzevrijheid. Het slim benutten van en zorgdragen voor hoogwaardige elektronische communicatienetwerken en digitale infrastructuren waar de Nederlandse samenleving op kan bouwen én vertrouwen draagt bij aan het economisch groeivermogen en een goed functionerende economie.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZK is op grond van de Telecommunicatiewet verantwoordelijk voor het stellen van regels voor vaste en mobiele communicatienetwerken. Daarnaast ziet de Minister van EZK het als een taak eventuele belemmeringen voor het goed functioneren van markten te verminderen of weg te nemen en heeft een systeemverantwoordelijkheid voor de statistische informatievoorziening van rijkswege. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Stimuleren

  • Het stimuleren van een goede balans tussen de belangen van bedrijven en consumenten met generiek consumentenbeleid waarbij de Wet handhaving consumentenbescherming centraal staat.

Financieren

  • Het bijdragen aan het goed functioneren van markten door het financieren van een deel van de exploitatie van de Autoriteit Consument en Markt (ACM), van TenderNed (het elektronisch aanbestedingssysteem) en diverse organisaties op het gebied van metrologie, normalisatie, accreditatie en markttoezicht.

  • Het financieren van een deel van de exploitatie van het Agentschap Telecom en het verrichten van uitgaven voor opdrachten inzake beleidsvoorbereiding en evaluaties voor frequentiebeleid en veiligheid.

  • Het financieren van het CBS om het van overheidswege verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken mogelijk te maken.

(Doen) uitvoeren

  • Het tegengaan van mededingingsbeperkende gedragingen met de Mededingingswet, mededingingsbeleid in alle sectoren van de Nederlandse economie.

  • Het reguleren van de postmarkt met de Postwet 2009, waardoor een toegankelijke en betaalbare basisvoorziening voor de post is gewaarborgd (universele postdienst).

  • Het opstellen van verkeersregels voor het gebruik van de ether, door afspraken te maken in internationaal verband voor harmonisatie en door – in geval van schaarste – te bepalen op welke wijze het spectrum wordt verdeeld.

  • Het inzetten op het realiseren van hoogwaardige en innovatieve breedbandige mobiele communicatie en omroeptoepassingen door verruiming van gebruiksmogelijkheden van het spectrum en door de uitgifte van beschikbare frequentieruimte.

Regisseren

  • Het bevorderen van goed functionerende markten door het scheppen van randvoorwaarden via wet- en regelgeving.

  • Het scheppen van voorwaarden waarbinnen concurrentie kan plaatsvinden door middel van de Waarborgwet, de Winkeltijdenwet, de Aanbestedingswet 2012, de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie en de Metrologiewet.

  • Het op basis van de middellange termijnvisie op de ontwikkeling van telecommunicatie, media en internet verder moderniseren van de regelgeving om deze te kunnen laten meegroeien met de ontwikkelingen in de markt en de behoeftes in de samenleving.

Om – aanvullend op de begroting – de Kamer te informeren over voortgang en effecten van beleid treft u op de website www.cbs.nl/nl-nl/publicatieplanning de planning aan van de CBS-publicaties in de komende maanden. Actuele en gedetailleerde informatie over de specifieke beleidsgebieden treft u aan op de websites van PIANOo, de ACM (o.a. over de telecommunicatiemarkt), Agentschap Telecom (Staat van de Ether, jaarberichten), het CBS en NCSC (cybersecurity dreigingen, incidenten en maatregelen) en tenslotte het Digital Trust Center (DTC).

Beleidswijzigingen

Wetswijziging voor bescherming tegen eenzijdige opgelegde openingstijden

In 2019 wordt gewerkt aan aanpassing van de Winkeltijdenwet waardoor winkeliers beschermd worden tegen eenzijdige opgelegde openingstijden. Dit betekend dat door een wettelijke waarborg de winkelier niet gehouden is aan openigstijden waar hij of zij niet expliciet mee heeft ingestemd.

Versterking positie boer in de keten

In 2019 implementeren LNV en EZK gezamenlijk maatregelen die ertoe strekken de positie van de boer in de keten te versterken (Kamerstuk 28 625, nr. 257). Zo worden er maatregelen genomen om oneerlijke handelspraktijken tegen te gaan en om samenwerking tussen boeren te stimuleren.

Daarnaast draagt het wetsvoorstel Ruimte voor duurzaamheidsinitiatieven ertoe bij dat boeren, niet alleen met elkaar, maar ook verder in de keten, initiatieven ter bevordering van duurzaamheid ontwikkelen en aandragen voor omzetting in regelgeving.

Postmarkt

In 2018 heeft een postdialoog plaatsgevonden, waarbij gebruikersgroepen, marktpartijen en andere belangenorganisaties, onder leiding van Marjan Oudeman tot een advies zijn gekomen voor de toekomstige inrichting van de postmarkt. Op basis van dit advies heeft EZK een beleids- en wetgevingsagenda opgesteld. In 2019 wordt gewerkt aan aanpassing van regelgeving om, gegeven de (krimpende) postmarkt, de publieke belangen betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit te blijven borgen.

Connectiviteit

Digitalisering verandert de economie en samenleving in rap tempo en biedt volop kansen voor de aanpak van maatschappelijke uitdagingen. Altijd en overal de beschikking hebben over een goede verbinding is daarbij essentieel. Momenteel beschikt Nederland over hoogstaande mobiele en vaste infrastructuren. Maar om die ook in de toekomst te houden zijn investeringen in voldoende beschikbare, betrouwbare, innovatieve en snelle netwerken nodig. Dit maakt een beleidsintensivering noodzakelijk, bijvoorbeeld richting lokale overheden, specifieke sectoren, steden en maatschappelijke domeinen. Het actieplan digitale connectiviteit dat in 2018 is gepubliceerd zal de basis vormen voor deze verdere acties ook in 2019.

Implementatie nieuw Europees telecomkader

In 2018 is de herziening van het Europese telecomkader afgerond.

De nieuwe EU-richtlijn, die vier bestaande richtlijnen vervangt, zal in 2019/2020 nationaal worden geïmplementeerd middels een aanpassing van de Telecommunicatiewet.

Frequentieruimte 5G/3,5 GHz-band

Na de besluitvorming over de toekomstige inrichting van de 3,5 GHz-band eind 2018 kan in 2019 het verdeelbeleid voor deze frequentieband vormgegeven worden (waaronder vergunningsvoorwaarden en uitgiftemoment). Tevens zal dan het uitgiftebeleid van de 26 GHz-band, die specifiek geschikt is voor het leveren van hoge capaciteit in 5G- netwerken, vormgegeven worden.

Cybersecurity, continuïteit en betrouwbaarheid

Om de kansen van digitalisering te kunnen pakken, is versterking van cybersecurity een essentiële randvoorwaarde. Alleen als burgers en bedrijven zich veilig kunnen bewegen in het digitale domein, kunnen kansen worden benut. De kwetsbaarheden en dreigingen in het digitale domein nemen echter toe. EZK investeert in meer digitale veiligheid via het beter cyberweerbaar maken van ondernemers en burgers, het bevorderen van veilige (hard- en software) producten en cybersecurity-onderzoek.

Bedrijven zijn zich vaak onvoldoende bewust van digitale dreigingen en nemen te weinig maatregelen om zich daartegen te beschermen. Als een bedrijf onvoldoende weerbaar is, kan dit zijn concurrentiepositie schaden en leiden tot negatieve gevolgen voor derden als zijn systemen misbruikt worden voor aanvallen op derden of als vertrouwelijke gegevens van derden worden gestolen. Deze gevolgen kunnen ook optreden bij het gebruik van onveilige (hard- en software) producten. Met de opkomst van het Internet of Things worden steeds meer (vaak onveilige) producten aan het internet gekoppeld.

Het kabinet heeft totaal structureel € 95 mln beschikbaar gesteld voor cybersecurity. Hiervan komt in 2019 € 5 mln beschikbaar op de EZK-begroting (oplopend tot € 9 mln vanaf 2021), waarvan € 0,5 mln voor het bevorderen van veilige (hard- en software) producten, waaronder Internet of Things apparaten, € 1 mln voor voorlichtingscampagnes op het gebied van cyberhygiëne en € 3,5 mln voor het stimuleren van cybersecurity-onderzoek. Vanaf 2018 is in totaal € 2,5 mln beschikbaar voor het opzetten van een Digital Trust Centre (DTC) om MKB-bedrijven beter in staat te stellen hun eigen cyberweerbaarheid te organiseren. Onderdeel hiervan is dat EZK subsidie verstrekt aan groepen van bedrijven in niet-vitale sectoren. Zie de brief van 26 juni 2018 over de voortgang van de vorming van een Digital Trust Center (Kamerstuk 26 643, nr. 545) en deze link voor meer informatie over het Digital Trust Center en zijn activiteiten.

De roadmap veilige hard- en software (Kamerstuk 26 643, nr. 535) schetst de lijnen waarlangs de komende jaren wordt gewerkt om veilige (hard- en software) producten te bevorderen, zoals via het bevorderen van standaarden en certificering. Voor 2019 wordt ingezet op een voorlichtingscampagne cyberhygiëne om burgers en bedrijven bewust te maken van het belang van digitale veiligheid en bijpassend handelingsperspectief te bieden.

Verder wordt de Europese Richtlijn Netwerk- & Informatiebeveiliging geïmplementeerd. Hierbij krijgen vitale aanbieders en digitale dienstverleners een meldplicht voor ict-incidenten en een zorgplicht. EZK is verantwoordelijk voor de vitale aanbieders uit de sectoren digitale infrastructuur en energie en voor de (niet-vitale) digitale dienstverleners. Het Agentschap Telecom zal hier toezicht op gaan houden. Voor de (niet-vitale) digitale dienstverleners moet tevens een Computer Security Incident Response Team (CSIRT) worden opgericht.

Wetsvoorstel ongewenste overnames Telecom

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat is voornemens om een wetsvoorstel ongewenste zeggenschap telecommunicatie in te dienen bij de Tweede Kamer. Met dit wetsvoorstel krijgt de overheid de bevoegdheid om overnames in de Nederlandse telecommunicatiesector te verbieden dan wel terug te draaien indien deze overname een bedreiging vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Afronding van de parlementaire behandeling is voorzien in 2019.

Bewaarplicht telecomgegevens

De Minister van Justitie en Veiligheid heeft d.d. 26 maart jl. de Tweede Kamer (Kamerstuk 34 537, nr. 7) en de Eerste Kamer (Kamerstuk 32 317, nr. IU) geïnformeerd dat het wetsvoorstel Aanpassing bewaarplicht telecommunicatiegegevens ingrijpend wordt aangepast. De bewaarplicht uit het wetsvoorstel wordt bij nota van wijziging thans ingeperkt tot uitsluitend gebruikersgegevens. De nota van wijziging wordt op zijn vroegst in de tweede helft van 2018 voor advies voorgelegd aan de Raad van State. EZK werkt hierbij nauw samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Naar verwachting dient het wetsvoorstel in de Telecommunicatiewet te worden geïncorporeerd. EZK is verantwoordelijk voor de Telecommunicatiewet.

Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 (bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

VERPLICHTINGEN

212.076

201.902

197.060

193.227

195.210

194.717

194.778

UITGAVEN

208.677

201.340

196.389

192.556

194.539

194.046

194.107

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

96%

       
               

Subsidies

488

512

400

200

     

Digitalisering regionale radio

488

112

         

Cyberweerbaarheid

 

400

400

200

     
               

Opdrachten

6.400

7.435

11.545

10.507

14.877

14.384

14.445

Onderzoek en Opdrachten

1.366

2.292

2.543

1.843

1.830

1.830

1.830

PIANOo/TenderNed

69

           

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

4.965

3.617

6.347

5.554

6.811

6.446

6.507

Digital Trust Centre

 

1.526

1.122

1.322

2.532

2.532

2.532

Cyber Security

   

1.533

1.788

3.704

3.576

3.576

               

Bijdragen aan agentschappen

29.523

36.888

26.846

25.350

25.177

25.177

25.177

Agentschap Telecom

17.747

25.293

18.090

16.850

16.850

16.850

16.850

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

11.746

11.570

8.756

8.500

8.327

8.327

8.327

DICTU

30

25

         
               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

168.613

152.703

153.794

152.695

150.695

150.695

150.695

Metrologie

9.615

9.338

9.338

9.338

9.338

9.338

9.338

Raad voor Accreditatie

210

195

195

195

195

195

195

ACM

641

714

714

714

714

714

714

CBS

158.147

142.456

143.547

142.448

140.448

140.448

140.448

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

3.653

3.802

3.804

3.804

3.790

3.790

3.790

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

1.172

1.130

1.130

1.130

1.116

1.116

1.116

Internationale organisaties

2.481

2.672

2.674

2.674

2.674

2.674

2.674

               

ONTVANGSTEN

90.319

31.079

31.062

31.062

31.062

31.062

31.062

Ontvangsten ACM

162

162

162

162

162

162

162

High Trust

71.143

30.200

30.200

30.200

30.200

30.200

30.200

Diverse ontvangsten

19.014

717

700

700

700

700

700

Budgetflexibiliteit

Subsidies: Het bedrag dat geraamd is in 2019 voor deze subsidies vloeit deels voort uit verplichtingen die het in het verleden zijn aangegaan; deze zijn dus 100% juridisch verplicht.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 40% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van in voorgaande jaren verstrekte opdrachten, met name voor projecten op het gebied van wettelijke voorzieningen, onderzoeksopdrachten in verband met frequentie veilingen en telefonie. Het merendeel van de opdrachten zal worden afgerond in 2019.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van de opdracht 2019 aan Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl), Agentschap Telecom (AT) en DICTU en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Van de totaal voor 2019 geraamde uitgaven voor artikel 1 is circa 154 mln bestemd voor bijdragen aan ZBO’s/RWT’s. Hiervan is 100% niet flexibel inzetbaar in 2019 als gevolg van overeenkomsten met betrokken organisaties.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Van het beschikbare budget voor (inter)nationale organisaties is 70% juridisch verplicht. Het betreft o.a. contributies voor de Internationale Telecommunicatie-unie, Universal Postal Union en Internet Governance Forum. De afspraken gelden voor meerdere jaren.

Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies:

Cyberweerbaarheid

Naast de activiteiten van het Digital Trust Centre wordt subsidie verstrekt aan groepen van bedrijven in niet-vitale sectoren die op cybersecurity-terrein willen samenwerken. De uitvoering van de regeling ligt bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Opdrachten

Onderzoek en opdrachten/beleidsvoorbereiding frequenties

Dit betreft onderzoeksopdrachten die dienen ter ondersteuning van het beleid op het gebied van onder andere het marktordeningsbeleid, mededingingsbeleid, consumentenbeleid, aanbestedingsbeleid, Europese zaken en strategie en telecom.

Kengetal

Referentie-

waarde 2013

Waarde 2017

Raming

2019

Streef-

waarde

Planning

Penetratiegraad van digitale radio ontvangers in huishoudens

3%

10%

15%

35%

2022

Bron: CBS

Een indicatie voor het succes van de introductie van digitale radio is de penetratiegraad van digitale radio-ontvangers in huishoudens. Dit wordt gemonitord door het CBS. Belangrijke graadmeter voor dit succes is het percentage huishoudens dat over een DAB+ ontvanger beschikt (in huis en/of in de auto) en daarmee toegang heeft tot digitale radio. Het percentage draagt bij aan het bepalen van een afschakeldatum voor de analoge FM.

De rechtstreekse subsidiëring van EZK aan de Stichting Regionale Publieke Omroep had een looptijd tot medio 2018. Via een overheveling naar de begroting van OCW draagt EZK nog tot uiterlijk 2019 aanvullend bij aan de kosten van digitale radio voor de regionale publieke omroepen (Kamerstuk 24 095, nr. 435).

Digital Trust Centre

Vanaf 2018 is oplopend tot € 2,5 mln. beschikbaar voor het opzetten van een Digital Trust Centre (DTC) om MKB-bedrijven beter in staat te stellen hun eigen cyberweerbaarheid te organiseren. Deze middelen zijn voor opdrachten zoals de ontwikkeling van een online platform.

Cyber security

Voor 2019 wordt ingezet op een voorlichtingscampagne cyberhygiëne om burgers en bedrijven bewust te maken van het belang van digitale veiligheid en bijpassend handelingsperspectief te bieden en het bevorderen van veilige (hard- en software) producten, waaronder Internet of Things apparaten.

Bijdragen aan agentschappen

Agentschap Telecom

Agentschap Telecom draagt onder meer zorg voor de toelating tot het spectrum en ziet toe op het juiste gebruik daarvan. De voornaamste uitvoeringstaken zijn voorlichting in het kader van het antennebeleid, juridische procedures en een bijdrage voor werkzaamheden in het kader van vergunningsvrije toepassingen. De toezichtstaken hebben betrekking op onder meer toezicht ondergrondse netten (WION), Metrologiewet, Waarborgwet, bevoegd aftappen en dataretentie en de Cybersecuritywet voor netwerkbeveiliging en informatiebeveiliging (NIB-richtlijn).

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

RVO.nl is de uitvoeringsdienst van het Ministerie van EZK en is onder meer verantwoordelijk voor de voorlichting van ondernemers over de aanbestedingsregelgeving. Hieronder vallen ook de taken van PIANOo als expertisecentrum voor aanbestedende diensten. PIANOo en het daarbij behorende TenderNed, het systeem voor elektronisch aanbesteden.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Metrologie

Met de Metrologiewet worden nationale meetstandaarden beschikbaar gesteld, die de basis vormen van een internationaal herleidbare metrologische infrastructuur. Het gebruik van gecontroleerde meetinstrumenten bij het leveren van goederen draagt onder andere bij aan eerlijke handel en consumentenbescherming. VSL is het nationaal metrologisch instituut (NMI) van Nederland. VSL B.V. ontwikkelt, beheert en onderhoudt de nationale meetstandaarden in opdracht van EZ op basis van een overeenkomst voor onbepaalde tijd.

Raad voor Accreditatie (RvA)

De Raad voor Accreditatie is een ZBO dat controleert of een keuringsinstantie, certificeringsinstantie, inspectie-instantie of een laboratorium aan de accreditatienormen voldoet. De taken van de Raad voor Accreditatie zijn vastgelegd in de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie. De RvA ontvangt jaarlijks een bijdrage van de Staat voor de kosten die de RvA maakt in het kader van Europese en internationale activiteiten die relevant zijn voor de accreditatie sector als geheel.

Autoriteit Consument en Markt (ACM)

De ACM is belast met wettelijke taken op het gebied van het generieke mededingingstoezicht (Mededingingswet), generieke consumentenbescherming (Wet handhaving consumentenbescherming), de regulering van de telecommarkt en het sectorspecifieke markttoezicht in de sectoren energie, telecommunicatie, post en vervoer.

De apparaatsuitgaven van de ACM zijn geraamd op artikel 40, net als de kosten van de ACM die worden doorbelast naar marktorganisaties die onder het ACM-toezicht vallen. Het bedrag geraamd op artikel 1 betreft de geraamde kosten van de leden van het bestuur van de ACM. Informatie over de organisatie, onderwerpen en publicaties van de ACM treft u aan op: https://www.acm.nl/nl.

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

Het Centraal Bureau voor de Statistiek is opgericht om te zorgen dat cijfers aan de basis liggen van (solide) beleid. Het CBS heeft als onafhankelijk kennisinstituut dan ook tot taak het publiceren van betrouwbare en samenhangende statistische informatie, waardoor becijferde maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden. Het werkterrein van het CBS omvat alle onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Informatie over het CBS treft u onder meer aan op: https://www.cbs.nl/nl-nl/over-ons/organisatie. Statline is de databank van het CBS.

Voor Caribisch Nederland maakt het CBS statistieken op het gebied van o.a. prijzen, bevolking, bedrijven, gezondheid en internationale handel.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

Het Nederlands Normalisatie Instituut ontvangt een bijdrage van de Staat voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden die voortvloeien uit de Europese verordening voor normalisatie (Verordening (EU) Nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012) en de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen die over het geven van informatie over normen gaat. Tevens is de bijdrage bedoeld voor het informeren van Nederlandse belanghebbenden over initiatieven van de Europese en mondiale normalisatie-instellingen. Daarnaast gebruikt het NEN de bijdrage voor een deel van de contributies die het NEN is verschuldigd aan de Europese en mondiale normalisatie-instellingen en voor de controle op actualiteit van verwijzingen naar normen in regelgeving en kennisgeving aan ministeries indien verwezen wordt naar ingetrokken normen.

Internationale organisaties

Dit betreft bijdragen aan:

  • Universal Postal Union (UPU): is een internationale organisatie die de verschillende postovergangen tussen lidstaten controleert. Elke lidstaat gaat dan ook akkoord met de regels voor het internationaal postverkeer. Het is formeel een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties. De UPU speelt een voorname rol in het constant optimaliseren van postdiensten. De hoofddoelen van de UPU zijn de promotie van het mondiale postverkeer, toename van het aantal verwerkte poststukken door te voorzien in moderne producten en diensten, en een hoge servicekwaliteit voor de consument;

  • European Conference of Postal and Telecommunications Administrations (CEPT): De inzet in de ITU en UPU wordt regionaal voorbereid, voor landen in Europa is daarvoor CEPT het aangewezen kanaal. EZ draagt jaarlijks bij aan de kosten van ERO (het permanente ondersteunende bureau van CEPT in Kopenhagen);

  • Internationale organisaties Metrologie. Het gaat om bijdragen op het gebied van metrologie die vastliggen in internationale verdragen (Organisation Internationale de Métrologie Légale (OIML), WELMEC, Bureau International des Poids et Mesures (BIPM));

  • Nederland betaalt als lid van de International Telecommunications Union (ITU) lidmaatschap. Binnen de ITU worden internationale afspraken gemaakt over wereldwijde toewijzing van radiofrequenties aan categorieën van diensten en over de toewijzing van (schaarse) ruimteposities aan satellietsystemen;

  • EZ doneert jaarlijks een bedrag aan het secretariaat van het Internet Governance Forum (IGF). Dit forum is een uitvloeisel van het VN-top World Summit on Information Society in 2005;

  • Nederland heeft een stoel in het overheidsadviescomité binnen The Internet Corporation for Assigned Names and Numbers/Governmental Advisory Committee (ICANN/GAC). EZ financiert samen met Brazilië en Noorwegen het secretariaat van dit comité met als doel de slagkracht van overheden binnen ICANN te vergroten.

Toelichting op de ontvangsten

Diverse ontvangsten

De ontvangsten hebben onder andere betrekking op het afgeven van vergunningen en het ontvangen van wettelijke rentes door Agentschap Telecom.

High Trust

Deze ontvangsten hebben betrekking op boetes die toezichthouders van EZK opleggen en waar – in het kader van het zogenaamde High Trust-beleid – een meerjarige raming voor wordt aangehouden. Verreweg het grootste deel van de ontvangsten betreft boetes die opgelegd worden door de ACM. Eventuele terugbetalingen naar aanleiding van opgelegde boetes worden op dit artikelonderdeel geboekt als negatieve ontvangsten.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. Het betreft de BTW-vrijstelling voor post. Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de Fiscale regelingen».

2 Bedrijvenbeleid: innovatie en duurzaam ondernemen14

Algemene doelstelling

Met het bedrijvenbeleid werkt EZK aan een uitmuntend concurrerend ondernemings- en vestigingsklimaat dat bedrijven stimuleert om duurzaam en innovatief te ondernemen. Nederland behoort tot de mondiale top 5 van de meest dynamische en concurrerende kenniseconomieën in de wereld en is tevens ook één van de landen met de hoogste arbeidsproductiviteit ter wereld. Het kabinet zet er met het bedrijvenbeleid op in deze toppositie te behouden en verder te versterken in een wereld waarin digitalisering, verduurzaming en internationalisering nieuwe economische kansen biedt. Innovatie en duurzaam en succesvol ondernemerschap, zowel in het grootbedrijf als bij de verschillende type MKB-ondernemers in ons land, zijn cruciaal voor ons toekomstig verdienvermogen.

Om deze toppositie te handhaven en te versterken zet het kabinet in op het realiseren van de volgende vier strategische doelen:

  • 1. Stimuleren van (duurzame) innovatie;

  • 2. Versterken van het groei- en aanpassingsvermogen van bedrijven en in het bijzonder het Midden- en Kleinbedrijf (MKB);

  • 3. Ontwikkelen en benutten van hoogwaardig (internationaal) publiek gefinancierd onderzoek en technologie, inclusief publiek-private programma’s voor onderzoek, innovatie en menselijk kapitaal;

  • 4. Waarborgen van goede randvoorwaarden voor ondernemerschap en innovatie, onder meer in de vorm van lastenluwe en innovatievriendelijke regelgeving en met een adequate overheidsdienstverlening voor ondernemers.

1) Stimuleren van (duurzame) innovatie

Innovatie is één van de belangrijkste bronnen voor economische groei en welvaart. Succesvolle innovaties creëren niet alleen economische toegevoegde waarde, maar bieden ook (deel)oplossingen voor de grote maatschappelijke uitdagingen van deze tijd, bijvoorbeeld op het gebied van medische zorg, watermanagement en duurzaam energie- en materiaalgebruik. Om bedrijven aan te zetten tot innovatie, stimuleert en financiert de overheid onderzoek en ontwikkeling (R&D) bij publieke kennisinstellingen en bedrijven. Het kabinet houdt vast aan de in Europees verband vastgelegde Nederlandse ambitie om een R&D-intensiteit van 2,5% van het BBP te realiseren (Kamerstuk 33 009, nr. 63). Investeren in R&D is echter geen doel in zichzelf, maar vormt één van de fundamenten voor het innovatief vermogen van een land, naast een goed ondernemingsklimaat, een goede kennisinfrastructuur, kennissamenwerking, een goed werkende financieringsmarkt en het beschikbaar zijn van bekwaam personeel. Succesvol innoveren vereist bovendien niet alleen technologische vernieuwing, maar ook investeringen in software en databases, nieuwe verdienmodellen, organisatorisch en menselijk kapitaal en nieuwe logistieke concepten.

Met de klimaatambities van het kabinet zal innovatie zich ook nadrukkelijk gaan richten op het realiseren van een CO2-arme en innovatieve industrie in 2050. De nationale doelstelling in het Regeerakkoord van 49% CO2-emissiereductie ten opzichte van 1990, vertaalt zich voor de industrie (inclusief de afvalverwerkende industrie) in additioneel 14,3 Mton reductie in 2030 (59% reductie ten opzichte van 1990). In het klimaatakkoord wordt deze transitie nader uitgewerkt (Kamerstuk 32 813, nr. 193).

2) Versterken van groei- en aanpassingsvermogen bedrijven en in het bijzonder het MKB

Marktdynamiek en concurrentievermogen zijn gebaat bij een grote verscheidenheid aan bedrijvigheid in zowel grootbedrijf als MKB. Het MKB kent ook deze grote verscheidenheid. Zo behoren tot het MKB ondermeer grote, kennisintensieve en multinationaal opererende ondernemingen, maar ook kleine bedrijven, startende bedrijven, éénpitters die vooral (flexibel) hun arbeidsinzet leveren, en ook het «brede» reguliere MKB zoals in de detailhandel.

Het Nederlandse MKB staat er, naar internationale maatstaven gemeten, goed voor, maar er komt veel op deze bedrijven af. De economie is in transitie door de voortgaande digitalisering, internationalisering en verduurzaming van productie en consumptie. Dat stelt nieuwe en extra eisen aan de wendbaarheid en het aanpassingsvermogen van het MKB. Door hun beperkte schaalgrootte worden zij voor extra uitdagingen gesteld, bijvoorbeeld bij het verkrijgen van financiering, of het toepassen van (nieuwe) regelgeving en technologie.

In het MKB-actieplan (Kamerstuk 32 637, nr. 316) heeft het kabinet voor het MKB een samenhangende beleidsaanpak gepresenteerd op de terreinen van menselijk kapitaal, financiering, innovatie, internationaal ondernemen, regelgeving, fiscaliteit, economische samenwerking tussen Rijk en regio en digitalisering in het MKB. Het doel daarvan is om de aanpassing van de verschillende soorten MBK-bedrijven aan de nieuwe marktcondities te versnellen en te ondersteunen, onder meer bij de digitale transitie van de economie. In de Nationale Digitaliseringsstrategie (Kamerstuk 26 643, nr. 541) streeft het kabinet er naar om digitale koploper van Europa te worden. Nederland moet zich ontwikkelen als proeftuin op het gebied van digitale innovatie.

3) Ontwikkelen en benutten van hoogwaardig (internationaal) publiek gefinancierd onderzoek en technologie, inclusief publiek-private samenwerking

Voor innovatie en vernieuwend ondernemerschap is de benutting en toepassing van wetenschappelijke kennis en nieuwe technologie één van de belangrijkste voorwaarden. Het maatschappelijk rendement van publiek gefinancierde onderzoeksinstellingen kan worden vergroot door bedrijven en kennisinstellingen meer te laten samenwerken bij de uitvoering van onderzoek; in het bijzonder op het terrein van de maatschappelijke thema’s en sleuteltechnologieën. Relevant daarbij is dat innovatie geen lineair proces is dat zich binnen één organisatie afspeelt, maar een complex interactie- en kennisuitwisselingsproces is tussen verschillende actoren in een «open» innovatienetwerk of -cluster (van bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en/of consumenten). Niet alleen de ondernemer en zijn omgeving staat daarom centraal in het bedrijvenbeleid, maar ook het stelsel van toegepast onderzoek en de interactie en publiek-private onderzoeksamenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen en overheden (nationaal, regionaal en Europees) in het relevante innovatienetwerk. Daartoe faciliteert EZK met het bedrijvenbeleid ook een responsief stelsel van (toegepast) onderzoek.

In de brief «Naar missiegedreven innovatie met impact» (Kamerstuk 33 009, nr. 63) heeft het kabinet de vernieuwde aanpak van de topsectorenaanpak uiteengezet. De publiek-private R&D-samenwerking in de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI) hebben er de afgelopen jaren toe geleid dat met publieke kennisinvesteringen additionele private kennisinvesteringen en cofinanciering zijn gerealiseerd. Door deze PPS-werkwijze zijn de beschikbare publieke en private investeringen voor onderzoek en ontwikkeling toegenomen. Met de nieuwe aanpak geeft het kabinet aan die hefboom een nieuwe impuls.

In het Nationaal Hervormingsprogramma 2018 heeft het kabinet aangegeven hoe zij omgaat met de landenspecifieke aanbeveling van de Europese Commissie omtrent onderzoek en innovatie uit 201715. Dit jaar luidt de aanbeveling van de Commissie als volgt: «Met inachtneming van de middellangetermijndoelstelling, het budgettaire en het structuurbeleid gebruiken voor een verhoging van de publieke en private investeringen in onderzoek, ontwikkeling en innovatie.» Het kabinet onderschrijft het belang van publieke en private investeringen in onderzoek en innovatie voor toekomstige economische groei, de aanpak van maatschappelijke uitdagingen en het bewerkstelligen van wetenschappelijke doorbraken. Het kabinet investeert vanaf 2020 structureel € 400 mln extra in fundamenteel en toegepast onderzoek, plus een incidentele investering in de onderzoeksinfrastructuur16.

4) Het waarborgen van goede randvoorwaarden voor ondernemerschap en innovatie, onder meer in de vorm van lastenluwe en innovatievriendelijke regelgeving en een adequate overheidsdienstverlening voor ondernemers.

Om ondernemers de ruimte te geven om succesvol te kunnen ondernemen en hun positie zowel regionaal, nationaal als internationaal te versterken biedt EZK (veelal samen met andere departementen) verschillende publieke diensten aan. De geboden informatie en dienstverlening is veelzijdig: van informatie over wetgeving, belastingregels en maatschappelijk verantwoord ondernemen tot subsidies en directe (financiële) ondersteuning bij regionale en (inter)nationale activiteiten van ondernemers uit binnen- en buitenland. Toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige publieke diensten verhogen de kwaliteit van het ondernemerschap en bespaart ondernemers kostbare tijd. Om de (hoge) kwaliteit van het Nederlandse vestigings- en ondernemingsklimaat op peil te houden werkt EZK nauw samen met haar internationale, Europese en regionale partners en andere vakdepartementen. Hierbij besteedt het kabinet aandacht voor het vergroten van experimenteerruimte in wet- en regelgeving, betere regelgeving en het wegnemen van belemmeringen voor innovatie (Kamerstuk 32 637, nr. 314).

Rol en verantwoordelijkheid

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de belangrijkste rollen en verantwoordelijken die de Minister van Economische Zaken en Klimaat heeft in het Bedrijvenbeleid. In de tekst onder de tabel wordt verder toegelicht wat deze rollen en verantwoordelijkheden behelzen en op welke van de vier hierboven onderscheiden strategische doelen ze betrekking hebben.

In dit begrotingsartikel ligt de nadruk zoals aangegeven op overheidsinterventies met financiële gevolgen voor de begroting. Naast financiële interventies spelen in het Bedrijvenbeleid echter ook niet-financiële interventies een belangrijke rol bij het realiseren van de strategische doelen, bijvoorbeeld op het terrein van wet- en regelgeving, maar ook en vooral bij het organiseren van publiek-private samenwerking (bijvoorbeeld binnen de vernieuwde topsectoren aanpak en op regionaal niveau). Niet alleen de ondernemer en zijn omgeving staat centraal in het beleid, maar ook de interactie en publiek-private samenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen en overheden in het relevante innovatienetwerk (innovatiesysteem- en systeemperspectief).

 

Stimuleren

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

Stimuleren van innovatie

     

Versterken groei- en aanpassingsvermogen bedrijven

     

Ontwikkelen en benutten van hoogwaardig (internationaal) publiek gefinancierd onderzoek en technologie, inclusief publiek-private samenwerking

 

Goede randvoorwaarden voor ondernemerschap en innovatie

 

Stimuleren van (duurzame) innovatie

De Minister stimuleert een concurrerend, innovatief en duurzaam bedrijfsleven door:

  • private investeringen in R&D onder meer te bevorderen via de WBSO en het inrichten van een effectief en efficiënt werkend stelsel van intellectueel eigendom;

  • samen met de provincies de R&D-samenwerking in het midden- en kleinbedrijf binnen de Topsectoren te stimuleren via de regeling MKB-innovatiestimulering Topsectoren (MIT);

  • internationale samenwerking op het terrein van R&D te faciliteren, onder meer via Internationaal Innoveren en Eurostars;

  • cofinanciering van de EFRO-programma’s (Europees Fonds Regionale Ontwikkeling (EFRO); voor de EFRO-programma’s binnen Nederland draagt de Minister systeemverantwoordelijkheid;

  • het bevorderen van innovatiegericht inkopen door overheden;

  • samen met de (regionale) partners van het «Techniekpact» te zorgen voor voldoende technisch personeel;

  • in samenwerking met bedrijfsleven, maatschappelijke middenveld, de vakbeweging, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en andere ministeries door middel van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) convenanten in te zetten op het identificeren, voorkomen en verminderen van IMVO-risico’s in de waarde-ketens van het Nederlands bedrijfsleven.

Daarnaast heeft de Minister ook een uitvoerende rol bij het verlenen van Nederlandse octrooien volgens de in de Rijksoctrooiwet 1995 geformuleerde voorwaarden. Naast stimulering van private investeringen in R&D richt deze zich ook op valorisatie van publiek gefinancierde kennis.

Versterken van groei- en aanpassingsvermogen bedrijven en in het bijzonder het MKB

De Minister stimuleert het groei- en aanpassingsvermogen van bedrijven en in het bijzonder het MKB door:

  • het versnellen van de toepassing van digitalisering door het MKB via de programma’s «versnelling digitalisering MKB», «smart industry» de verlenging van de «retailagenda» en het identificeren en helpen opschalen van (regionale of sectorale) best practices op het gebied van digitalisering;

  • het versterken van de samenwerking tussen het MKB en HBO/MBO-instellingen zodat de toegang tot personeel verbetert en het toezien op belangrijke hervormingen van de arbeidsmarkt als het gaat om de in het Regeerakkoord aangekondigde aanpassing van de verplichting tot loondoorbetaling bij ziekte;

  • de toegang tot financiering te verbeteren door nieuwe financieringsinitiatieven (formules) als overheid actief te stimuleren zoals «financieringstafels» en «fintech», door garant te staan voor in de kern gezonde bedrijven, en door het verbeteren van toegang tot (risico)kapitaal in cruciale fases in de levenscyclus van bedrijven;

  • het aanbieden van een pakket van fiscale ondernemersstimulering gericht op zelfstandig ondernemerschap, bedrijfsoverdrachten en bedrijfsinvesteringen; daarnaast wordt gewerkt aan de oprichting van Invest-NL. Dit om gewenste investeringen in bedrijven en projecten mogelijk te maken die onvoldoende financiering in de markt kunnen aantrekken;

  • eerlijk en verantwoord handelsverkeer te bevorderen via afspraken, gedragscodes of regelgeving (corporate governance, franchise, betaalme.nu);

  • MKB-ondernemers beter bij wet- en regelgeving betrekken via MKB-toets waarvoor in de zomer van 2018 een platform wordt ingesteld en het toegankelijker maken van aanbestedingen voor het MKB via de actieagenda «beter aanbesteden»;

  • het inschakelen van de Nederlandse industrie en instituten bij de productie en ontwikkeling van militair materieel (industriële participatie).

Ontwikkelen en benutten van hoogwaardig (internationaal) publiek gefinancierd onderzoek en technologie, inclusief publiek-private samenwerking

De Minister van EZK en de bewindspersonen van OCW coördineren en borgen de publieke kennisinfrastructuur voor toegepast, praktijkgericht en fundamenteel onderzoek. De Minister financiert en regisseert het ontwikkelen en benutten van hoogwaardig (internationaal) publiek gefinancierd onderzoek en technologie, inclusief publiek-private samenwerking door:

  • de TO2-instituten TNO (inclusief ECN per 1 april 2018), Deltares, Marin en NLR te financieren.

  • gezamenlijke regie met OCW op de publiek-private samenwerking via NWO, waarbij EZK specifiek NWO-TTW (voorheen STW) subsidieert.

Sinds de oprichting van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is de Minister van LNV verantwoordelijk voor de aansturing van het onderzoek van Wageningen Research. De Minister van LNV verleent de subsidie aan dit instituut in overleg met de Minister van EZK vanuit diens systeemverantwoordelijkheid voor toegepast onderzoek.

Daarnaast heeft de Minister een stimulerende rol met:

  • de PPS-toeslag, voor het stimuleren van private deelname aan publiek-private onderzoeksinitiatieven vanuit de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s);

  • de financiële bijdrage aan het ruimtevaartbeleid, met name in Europees verband.

Tot slot heeft de Minister een regisserende rol bij het tot stand komen van publiek-private samenwerking binnen het bedrijvenbeleid.

Waarborgen van goede randvoorwaarden in de vorm van lastenluwe en innovatievriendelijke regelgeving en excellente overheidsdienstverlening voor ondernemers.

De Minister biedt overheids- en informatiediensten aan ter ondersteuning van ondernemers op regionaal, nationaal en internationaal niveau door:

  • toegang tot overheidsdiensten (financieel en/of door middel van kennis) via:

    • (a) de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;

    • (b) het aansturen van het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) met als oogmerk het aantrekken van buitenlandse investeerders naar Nederland, samen met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; en

    • (c) het Innovatie Attaché Netwerk ter ondersteuning van topsectoren, ondernemers en kennisinstellingen uit binnen- en buitenland bij hun internationale R&D en innovatie-ambities;

  • samenwerking met de relevante regionale netwerken en partners.

  • informeren en ondersteunen van ondernemers (van het starten van een bedrijf tot het vinden van een opvolger) via de Kamer van Koophandel (KvK).

  • het regisseren en uitvoeren van het Programma «Merkbaar betere regelgeving en dienstverlening 2018–2019».

Om – aanvullend op de begroting – de Kamer te informeren over voortgang en effecten van beleid treft u op de website https://www.bedrijvenbeleidinbeeld.nl informatie aan over de indicatoren en kengetallen. Deze website is te zien als een digitale bijlage van de EZK-begroting.

Beleidswijzigingen

Verduurzaming industrie

In 2018 wordt gewerkt aan het Klimaatakkoord. Het Regeerakkoord geeft het kader voor het Klimaatakkoord. De nationale doelstelling is 49% CO2-emissiereductie ten opzichte van 1990. Daarnaast wil het kabinet Europese afspraken maken voor een aangescherpte Europese doelstelling van 55% reductie ten opzichte van 1990. De nationale doelstelling is geen einddoel, maar een mijlpaal op weg naar 2050. In 2050 willen we een duurzame industrie hebben: een industrie die concurrerend én klimaatneutraal is. Uitgaande van de nationale doelstelling 49% en op basis van de laatste PBL-cijfers (Kamerstuk 32 813, nr. 186) en de voortgang onder het huidige beleid zoals berekend in de Nationale Energieverkenning 2017, is de opgave voor de industrie inclusief de Afvalverwerkende industrie 19,4 Mton (5,1 huidig beleid en 14,3 additioneel) en mag de industrie in 2030 nog maar 35,7 Mton uitstoten. Om deze CO2-reductie te realiseren en de transitie van de industrie te versnellen worden momenteel beleidsinstrumenten ontwikkeld.

MKB-actieplan

Om het MKB beter in staat te stellen zich versneld aan te passen aan een nieuwe marktdynamiek en daarmee hun groei- en aanpassingsvermogen te versterken, heeft het kabinet een strategie ontwikkeld in het MKB-actieplan (Kamerstuk 32 637, nr. 316). Dit is een integraal actieplan gericht op alle facetten die daarbij van belang zijn: personeel, financiering, regelgeving, toepassing van innovatie en digitalisering, fiscaliteit en internationale handel. Ook heeft het kabinet hiertoe, als onderdeel van het MKB-actieplan, een gezamenlijke economische samenwerkingsagenda van Rijk en regio ontwikkeld.

Nederlandse digitaliseringsstrategie

Willen we als Nederland de kansen van digitalisering optimaal benutten en problemen effectief aanpakken, dan moeten we vernieuwen en versnellen. Daarom streeft het kabinet er met de Nederlandse Digitaliseringsstrategie naar om digitale koploper van Europa te worden en de proeftuin op het gebied van digitale innovatie. Nederland moet zich ontwikkelen tot de plaats in Europa waar bedrijven uit de hele wereld komen om op een verantwoorde manier nieuwe toepassingen te ontwikkelen en te testen. In de Nederlandse Digitaliseringsstrategie beschrijft het kabinet de uitgangspunten en acties om deze ambitie realiseren (Kamerstuk 26 643, nr. 541).

Opzet kennis- en innovatieagenda Cybersecurity

Met de middelen uit het Regeerakkoord voor versterking van de kennisbasis en innovatie van cybersecurity wordt gewerkt aan een meerjarige kennis- en innovatieagenda. Voor de periode 2019–2022 is een bedrag van € 20 mln beschikbaar op artikel 2 uit het Regeerakkoord (ook op artikel 1 zijn middelen voor cyberecurity beschikbaar). Samen met andere departementen, kennisinstellingen en het bedrijfsleven, zal een Kennis- en Innovatie Agenda worden opgesteld. Deze agenda wordt leidend voor de gelden.

Vernieuwde innovatie- en topsectorenaanpak17

In de brief over de vernieuwing van de topsectorenaanpak en de inzet van de enveloppe toegepast onderzoek en innovatie heeft het kabinet de vernieuwde beleidsaanpak gepresenteerd. De urgentie van wereldwijde maatschappelijke uitdagingen en de technologische doorbraken die daarvoor oplossingen kunnen aandragen maken gerichte samenwerking op kennis en innovatie noodzakelijk. Binnen de vernieuwde aanpak zijn daarom economische kansen van de maatschappelijke uitdagingen en de ambitie om een vooraanstaande rol te spelen op sleuteltechnologieën de centrale uitgangspunten. Dit betekent dat op initiatief van de verantwoordelijke departementen – en in nauwe samenspraak met de topteams, kennisinstellingen, bedrijfsleven en andere betrokken partijen zal worden gewerkt aan missies op de maatschappelijke thema’s energietransitie en duurzaamheid; landbouw, water en voedsel; gezondheid en zorg; veiligheid, en gaat extra aandacht uit naar de sleuteltechnologieën die de technologische (kennis)basis vormen voor het aanpakken van deze uitdagingen. Dit doen topteams in nauwe samenwerking met kennisinstellingen en departementen.

Oprichting van Invest-NL

Het kabinet gaat met de oprichting van Invest-NL investeringen bij ondernemingen stimuleren op het gebied van grote transitie-opgaven, door risicokapitaal beschikbaar te stellen voor investeringsprojecten en voor doorgroei van ondernemingen en door ondersteuning te geven bij financiering van export en buitenlandse investeringen aan bedrijven. Invest-NL krijgt een projectontwikkelingstak met een jaarlijkse subsidie van € 10 mln vanuit de Staat, en daarnaast de mogelijkheid om zelf te investeren uit de € 2,5 miljard kapitaalstorting. Voor alle activiteiten van Invest-NL geldt dat aanvullend aan de markt wordt gewerkt; er moet sprake zijn van marktfalen. Voorwaarden voor de activiteiten van Invest-NL zijn bedrijfseconomische principes en een marktconform rendement op het eigen vermogen, waarmee de kapitaalstorting kwalificeert als financiële transactie en voldoet aan de staatssteuneisen. De instelling krijgt daarvoor een private rechtsvorm, als deelneming van het Rijk met een wettelijke basis. De uitoefening van het aandeelhouderschap van de Staat in Invest-NL wordt belegd bij het Ministerie van Financiën. Zie Kamerstuk 28 165, nr. 281 en 28 165, nr. 285.

Merkbaar betere regelgeving en dienstverlening

Het kabinet kiest voor betere regelgevingsbeleid dat andere accenten legt dan de afgelopen decennia. Het kabinet wil de al eerder in gang gezette transitie van een beleid gericht op regeldrukkostenvermindering naar een beleid dat meer gericht is op merkbaarheid kracht bij zetten. Hierin wil het kabinet ondernemers centraler stellen en samen met hen op zoek gaan naar juist die knelpunten die in de praktijk voor de meeste overlast zorgen.

Met het programma «Merkbaar betere regelgeving en dienstverlening 2018–2021» werkt het kabinet langs 5 actielijnen aan het beter betrekken van ondernemers bij de totstandkoming van wet- en regelgeving, het vergroten en beter benutten van ruimte in regels voor innovatie en ondernemerschap, het verminderen van regeldruk (ook in Europa en bij gemeenten) en het vebeteren van overheidsdienstverlening (Kamerstuk 32 637, nr. 314). In plaats van te sturen op resultaten op basis van een generieke reductiedoelstelling, kiest het kabinet voor departementale actieprogramma’s met hierin concrete ambities en acties gericht op merkbaar betere regelgeving en dienstverlening.

Ruimtevaart

Uit de middelen, die in het Regeerakkoord beschikbaar zijn gesteld voor de Regio Envelop, is in totaal € 40 mln beschikbaar voor Ruimtevaart/ESTEC. Een bedrag van € 15 mln hiervan is in 2018 beschikbaar gesteld voor een internationale ontmoetingsplek op ESTEC, het restant ad € 25 mln in 2020 voor optionele ESA-programma’s. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd op 19 februari 2018 (Kamerstuk 29 697, nr. 38) en in de Kamerbrief over de Evaluatie van het Ruimtevaartbeleid 2012–2016 op 22 mei 2018 (Kamerstuk 24 446, nr. 62).

Internationaal

Op het gebied van internationale handels- en investeringsbevordering en innovatiesamenwerking heeft het kabinet conform het adviesrapport van de Stuurgroep Buijink uit 2017 de International Strategic Board opgericht als opvolger van de Dutch Trade and Investment Board, met de opdracht het kabinet te adviseren over een publiek-private internationale strategie voor internationaal ondernemen. Voor het uitvoeren van deze strategie en van meerjarige internationale publiek-private programma’s en projecten is de Werkplaats ingericht. Daarnaast wordt in dit kader gewerkt aan sterkere publiek-publieke samenwerking (o.a. rijk-regio-gemeente in Trade & Innovate NL) en privaat-private samenwerking in NL International Business. Het doel is de samenwerking tussen departementen, kennisinstellingen en bedrijven te verankeren en daarmee de kennisbasis, het innovatieve vermogen en de internationale positie van Nederland te versterken en bij te dragen aan de duurzame ontwikkelingsdoelen in Nederland en wereldwijd.

De Minister van BHOS heeft de Tweede Kamer hierover geïnformeerd met de beleidsbrief «Investeren in perspectief» (Kamerstuk 34 952, nr. 1).

De Staatssecretaris van EZK heeft vanaf 2018 de Global Stars-regeling ingesteld voor internationale innovatiesamenwerking met niet EU- en niet-Eurekalanden. Hiervoor is structureel € 1 mln beschikbaar. De eerste call voor gezamenlijke onderzoeksvoorstellen met India is geopend.

Budgettaire gevolgen van beleid artikel 2 (bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

VERPLICHTINGEN

1.654.654

2.387.607

2.087.514

2.074.566

2.044.433

2.083.947

2.087.635

Waarvan garantieverplichtingen

823.852

1.500.000

1.300.000

1.250.000

1.250.000

1.250.000

1.250.000

UITGAVEN

843.401

920.494

889.968

941.079

918.749

917.751

923.091

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

88%

       
               

Garanties

58.916

57.331

57.092

57.272

57.892

57.992

62.552

BMKB

34.818

41.835

36.375

36.555

37.175

37.275

41.835

Storting reserve BMKB

11.147

           

Groeifaciliteit

4.216

8.850

8.972

8.972

8.972

8.972

8.972

Storting reserve Groeifaciliteit

2.144

           

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

1.610

6.646

11.745

11.745

11.745

11.745

11.745

Storting reserve GO

4.940

           

Garanties MKB Financiering

             

Storting reserve Garanties MKB Financiering

41

           
               

Subsidies

97.343

127.498

102.419

102.992

99.809

98.525

100.967

Lucht- en Ruimtevaart

1.587

           

MKB-Innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

15.818

28.080

34.747

38.517

40.317

40.317

40.317

Eurostars

13.325

17.808

17.958

17.958

17.958

17.958

17.958

Bevorderen Ondernemerschap

7.465

9.782

14.301

16.637

11.475

10.746

13.546

Groene Groei en Biobased Economy

1.147

1.023

         

Cofinanciering EFRO, inclusief INTERREG

37.356

33.803

27.464

23.361

24.090

23.535

23.177

Bijdrage aan ROM’s

5.375

5.507

5.507

5.507

5.507

5.507

5.507

Verduurzaming industrie

 

28.066

         

Overige subsidies

15.270

3.429

2.442

1.012

462

462

462

               

Opdrachten

29.971

21.159

19.578

23.396

24.609

22.859

22.477

Onderzoek en opdrachten

3.298

3.916

3.898

3.728

3.728

3.728

3.728

Caribisch Nederland

190

3.572

1.237

1.071

1.071

1.071

1.071

ICT beleid

16.834

7.069

5.871

8.222

9.242

9.799

9.417

Regeldruk

735

1.389

2.206

2.206

2.271

2.336

2.336

Mainport Rotterdam

7.537

           

Regiekosten regionale functie

263

971

650

665

665

665

665

Invest-NL in opbouw

157

972

         

Cybersecurity

   

3.216

5.004

5.132

5.260

5.260

Small Business Innovation Research

957

3.270

2.500

2.500

2.500

   
               

Bijdragen aan agentschappen

107.074

109.953

94.099

89.731

89.113

88.875

88.414

Bijdrage RVO.nl

98.351

91.052

78.499

78.342

77.724

77.486

77.413

Bijdrage Agentschap Telecom

3.240

1.949

1.949

502

502

502

143

Bijdrage Logius

2.672

887

887

887

887

887

858

Invest-NL in opbouw

2.811

16.065

12.764

10.000

10.000

10.000

10.000

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

268.831

307.574

296.809

303.834

302.895

302.395

302.296

Bijdrage aan TNO

138.926

153.930

152.551

161.761

161.511

161.511

161.511

Kamer van Koophandel

109.969

128.078

120.821

118.718

117.300

117.300

117.201

Bijdrage aan NWO-TTW

19.936

25.566

23.437

23.355

24.084

23.584

23.584

               

Bijdragen aan medeoverheden

2.045

1.655

         

Sterke Regio’s en Nota Ruimte

2.045

1.655

         
               

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

279.221

295.324

319.971

363.854

344.431

347.105

346.385

Internationaal Innoveren

36.499

40.451

41.336

40.836

40.536

39.936

38.857

PPS-toeslag (voorheen TKI-toeslag)

100.804

125.416

142.950

162.040

169.040

172.040

172.040

TO2 (Deltares, MARIN en NLR)

32.348

42.181

45.355

46.984

46.984

46.984

46.984

Topsectoren overig

31.193

3.241

7.285

5.513

5.308

5.505

5.505

Ruimtevaart (ESA)

66.599

70.063

68.610

94.184

68.266

68.266

68.625

Bijdrage NBTC

8.694

8.860

8.860

8.860

8.860

8.860

8.860

Bijdragen organisaties

3.084

5.112

5.575

5.437

5.437

5.514

5.514

               

ONTVANGSTEN

134.101

125.419

113.157

111.067

111.863

105.672

107.145

BMKB

37.316

33.000

33.000

33.000

33.000

33.000

33.000

Groeifaciliteit

5.510

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

Onttrekking begrotingsreserve Groeifaciliteit

             

Garantie Ondernemings-financiering (GO)

9.132

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouw-financiering (GSF)

178

           

Onttrekking GSF

10.136

           

MKB Financiering

41

           

Luchtvaartkrediet-regeling

13.507

9.046

9.906

6.116

5.912

4.012

4.409

Rijksoctrooiwet

40.260

40.275

36.312

36.012

36.012

33.012

33.012

Eurostars

1.629

4.821

5.094

5.094

5.094

4.000

4.000

Joint Strike Fighter

2.009

3.750

5.000

7.000

8.000

9.000

10.576

Diverse ontvangsten

14.383

13.527

2.845

2.845

2.845

1.648

1.148

Budgetflexibiliteit

Garanties: Het budget voor de verschillende garanties is voor 100% juridisch verplicht. Het budget is nodig om de verwachte schades te kunnen betalen op garanties die eerder zijn aangegaan.

Subsidies: Van het beschikbare budget is 64% juridisch verplicht. Het betreft onder andere de uitfinanciering van tot en met 2018 aangegane verplichtingen voor Eurostars, MKB innovatiestimulering Topsectoren, EFRO-cofinanciering en Bevorderen Ondernemerschap. Daarnaast is 15% van het budget bestuurlijk gebonden. Dit betreft € 5,5 mln voor de subsidiëring van de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen en € 9,5 mln van het budget van de regeling MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT) die in 2019 via het Provinciefonds aan de provincies wordt overgeheveld voor de decentrale uitvoering van de MIT.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 39% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van in voorgaande jaren aangegane verplichtingen voor onder andere beleidsondersteunend onderzoek, SBIR, Regeldruk en ICT-beleid.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van het opdrachtenpakket 2019 aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Agentschap Telecom, Logius en projectontwikkeling van Invest-NL in opbouw en is voor 97% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Het budget betreft de uitfinanciering van de verplichting 2019 aan TNO, de Kamer van Koophandel en NWO-TTW. Het budget is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Van dit bedrag is 83% juridisch verplicht. Dit betreft vooral de bijdragen aan de TO2-instituten, de regeling Internationaal Innoveren, Ruimtevaart, de uitfinanciering van verschillende innovatieprogramma’s en oud FES-projecten, en een groot deel van het budget voor de PPS-toeslag. Van het budget is 1% bestuurlijk gebonden. Dit betreft de bijdrage aan de World Tourism Organization (UNWTO), het eengemaakt octrooigerecht, de World Intellectual Property Organization (WIPO) en de Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie (AWTI).

Toelichting op de instrumenten

De financiële beleidsinstrumenten van het Bedrijvenbeleid richten zich op het realiseren van de geformuleerde strategische doelen. Bij de toelichting op de instrumenten worden de interventies daarom samenhangend per strategisch beleidsdoel beschreven. Voor elk van de strategische doelen wordt vervolgens, overeenkomstig de voorschriften, de indeling van de begrotingstabel naar aard van de financiële beleidsinterventie gehanteerd. Op die manier wordt zowel de inhoudelijke samenhang van verschillende instrumenten, alsook de aard van de financiële interventie zichtbaar gemaakt. Voor elk van de instrumenten worden kengetallen gepresenteerd. Een meer uitgebreide rapportage van kengetallen en indicatoren is te vinden in de Monitor bedrijvenbeleid. Voor elk instrument is een verwijzing opgenomen naar de relevante website.

Strategisch doel 1 Stimuleren van (duurzame) innovatie

Tabel kengetallen behorend bij strategisch doel 1

Kengetallen

2013

2014

2015

2016

2017

Bron

MIT

         

RVO.nl

Aantal bedrijven dat deelneemt aan MIT1

707

662

1.206

1.287

1.434

 

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met MIT (x € 1 mln)

26

61

86

83

96

 

Eurostars

         

RVO.nl

Aantal Nederlandse deelnemers aan Eurostars

49

20

69

75

72

 

– waarvan bedrijven

37

13

50

52

49

 

– waarvan hightech MKB (%)

81%

100%

96%

90%

98%

 

Door Eurostars ondersteunde private R&D-uitgaven van Nederlandse deelnemers

(x € 1 mln)

13

7

32

28

30

 

Horizon2020

         

RVO.nl/EC

Aantal Nederlandse deelnemers aan H2020

1.544

449

712

984

1.388

 

waarvan bedrijven

1.185

298

500

713

1.003

 

Omvang H2020-middelen voor Nederlandse deelnemers (retour x € 1 mln)

3.403

538

1.016

1.644

2.272

 

– waarvan bedrijven (%)

21%

31%

28%

25%

27%

 

Retourpercentage voor Nederland (%)

7,5%

8,1%

7,7%

7,5%

7,6%

 

WBSO

         

RVO.nl

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van WBSO

22.640

22.974

22.980

22.330

21.265

 

Door WBSO ondersteunde private R&D-uitgaven (S&O-loon, x € 1 mln)

3.917

3.997

3.868

3.930

4.008

 

Broeikasgasemissies voor industrie inclusief afval (Mton CO2-eq)

56,0

54,8

55,3

55,7

56,5

Emissieregistratie (2018)

X Noot
1

De realisatiecijfers van de MIT in 2017 wijken af van de cijfers die gepresenteerd zijn in het jaarverslag 2017, omdat nu ook de realisatiecijfers van de provincie Utrecht zijn verwerkt.

Subsidies

MIT

De regeling MKB Innovatiestimulering Topsectoren heeft ten doel het bevorderen van innovatie bij het MKB en het MKB beter in staat te stellen zich aan te sluiten bij de door de topsectoren opgestelde innovatieagenda’s en regionale innovatiestrategieën, onder andere door het stimuleren van samenwerking tussen MKB-bedrijven op het vlak van onderzoek, ontwikkeling en innovatie en het stimuleren van het gebruik van publiek gefinancierde kennis door het MKB. De regeling wordt in samenwerking met de provincies uitgevoerd en gefinancierd. Meer informatie over de ondersteunde projecten vindt u op Volginnovatie.nl.

Eurostars

«Eurostars» is een internationaal programma dat gezamenlijk gefinancierd wordt door 34 deelnemende landen en de EU. De regeling is met name gericht op het «hightech»-MKB en ondersteunt bedrijven en kennisinstellingen die met buitenlandse partijen samenwerken in projecten die gericht zijn op marktgericht technologisch onderzoek en technologische ontwikkeling.

Meer informatie over de ondersteunde projecten vindt u hier.

Cofinanciering EFRO, inclusief INTERREG

Innovatiestimulering en de transitie naar een koolstofarme economie zijn de hoofddoelen van de programma’s die worden gefinancierd vanuit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO). Daarbij is het MKB de belangrijkste doelgroep. EZK neemt namens het rijk de voor EFRO vereiste cofinanciering deels voor zijn rekening, voor projecten die bijdragen aan nationale beleidsdoelen op het gebied van innovatie en energie. Bij de projectselectie wordt in toenemende mate aansluiting gezocht bij de agenda’s van de topsectoren. Ook decentrale overheden en private partijen dragen bij aan cofinanciering van EFRO-projecten.

Nederland ontvangt voor de periode 2014–2020 vanuit het EFRO middelen van de EU voor vier landsdelige programma’s (€ 510 mln) en vier programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking «INTERREG A» (€ 309 mln).

Sterke sectoren en speerpunten per landsdeel (inclusief EFRO-budget) zijn:

  • Noord (€ 104 mln): energie, watertechnologie, healthy ageing, agribusiness, slimme (sensor)systemen en materialen en accent op maatschappelijke opgaven;

  • Oost (€ 101 mln): agri&food, health, High Tech Systemen en Materialen (HTSM), energie & milieutechnologie (EMT);

  • Zuid (€ 114 mln): agri&food, HTSM, chemie en nadruk op cross-overs;

  • West (€ 191 mln): alle topsectoren, nadruk op cross-overs, duurzaamheid, biobased en ICT.

De vier grensoverschrijdende programma’s waar Nederland aan deelneemt zijn Duitsland-Nederland, Euregio Maas-Rijn, Vlaanderen-Nederland en Twee Zeeën. De volgende sterke sectoren en speerpunten zijn per programma geïdentificeerd (inclusief het EFRO-budget dat Nederland ontvangt):

  • Duitsland-NL (€ 141 mln): Agrofood, LS&H, HTSM, Energie, Logistiek, sociaal culturele en territoriale grensoverschrijdende samenwerking;

  • Vlaanderen-NL (€ 94 mln): Agrofood, Chemie, Logistiek, HTSM, Energie, Life Sciences, bio-based, maintenance, grondstof efficiëntie, milieu, arbeidsmobiliteit;

  • Twee zeeën (€ 52 mln): Logistiek, Maintenance, Chemie, Water, Energie, bio-based, en de maritieme industrie;

  • Euregio Maas Rijn (€ 23 mln): Chemie, Logistiek, LS&H, HTSM, onderwijs, arbeidsmarkt en sociale inclusie.

Verduurzaming Industrie

Voor 2018 zijn uit de Klimaatenveloppe middelen beschikbaar gesteld ter bevordering van CO2-reducerende maatregelen in de industrie. Momenteel wordt in het kader van de verduurzaming van de industrie gewerkt aan beleidsinstrumenten die uitvoering kunnen geven aan het Klimaatakkoord. Hiervoor zijn vanaf 2019 nog geen middelen geraamd.

Bijdragen aan agentschappen

Bijdrage aan Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) – Octrooicentrum Nederland

De bijdrage aan Octrooicentrum Nederland, onderdeel van RVO.nl, is bestemd voor de uitvoering van taken die bij, of op grond van, wetten of verdragen zijn opgedragen, zoals bijvoorbeeld de verlening en registratie van octrooien, de inning van taksen, de vertegenwoordiging van Nederland in Europese en mondiale organisaties, de uitvoering van andere wettelijke taken onder de Rijksoctrooiwet 1995, evenals de nakoming van Europese en internationale verplichtingen. Daarnaast geeft Octrooicentrum Nederland voorlichting en advies aan bedrijven, kennisinstellingen, overheden en uitvinders. Doel is het vinden van de juiste balans tussen enerzijds kennisbescherming, om bedrijven te stimuleren om te innoveren, en anderzijds de verspreiding en benutting van kennis.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Internationaal Innoveren

In het kader van het beleid voor Internationaal Innoveren is voor Nederlandse deelname aan publiek-private onderzoeksprogramma’s in Europees verband cofinanciering beschikbaar. Deze middelen worden ingezet voor Eureka clusters en het Joint Technology Initiative ECSEL dat is gelieerd aan Horizon 2020.

Van dit budget wordt € 1 mln per jaar ingezet ten behoeve van de ondersteuning van innovatiesamenwerking van Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen met partners uit niet-Eureka landen. Dit wordt uitgevoerd door middel van het Global Stars instrument onder de vlag van Eureka.

Op Volginnovatie.nl vindt u meer informatie over de ondersteunde projecten van de Joint Technology Initiatives en KP7 (de voorganger van Horizon 2020) en van Eureka.

Fiscale maatregelen

WBSO

De WBSO is gericht op het stimuleren van Speur- en Ontwikkelingswerk door het bedrijfsleven, door het verlagen van de aan S&O-gerelateerde kosten18. De WBSO richt zich op de loonkosten van S&O-medewerkers en, door de integratie met de Research & Development aftrek, ook op de overige aan S&O-gerelateerde kosten en uitgaven.

Informatie over de totale toegekende WBSO-bedragen per provincie vindt u op Volginnovatie.nl

Strategisch doel 2 versterken groei- en aanpassingsvermogen bedrijven en in het bijzonder het MKB

Tabel kengetallen behorend bij strategisch doel 2

Kengetallen

2013

2014

2015

2016

2017

Bron

BMKB

         

RVO.nl

Verstrekte garanties BMKB, x € 1 mln

344

372

446

657

558

 

Totaal aantal verstrekte garanties

1.983

1.949

2.545

3.688

3.299

 

Groeifaciliteit

         

RVO.nl

Verstrekte garanties Groeifaciliteit, x € 1 mln

8

32

19

37

21

 

Totaal aantal verstrekte garanties

16

20

14

17

8

 

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

         

RVO.nl

Verstrekte garanties GO, x € 1 mln

103

82

137

58

91

 

Totaal aantal verstrekte garanties

51

39

76

36

80

 

Qredits

         

Qredits

Aantal verstrekte kredieten (Micro- en MKB-krediet)

1.020

1.187

1.500

1.750

2.238

 

Garanties

Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

De BMKB maakt mogelijk dat bedrijven met te weinig zekerheden (onderpand) toch financiering kunnen krijgen, doordat de overheid borg staat voor het deel van de lening waar het bedrijf geen onderpand voor heeft. De kredietverstrekker kan, mocht dat nodig zijn, voor dat deel dus terugvallen op de overheid. Het kabinet heeft besloten de BMKB permanent open te stellen voor niet-bancaire partijen (zie Kamerstuk 32 637, nr. 286). Het gebruik van de regeling hangt af van de kredietbehoefte van het bedrijfsleven en is afhankelijk van de ontwikkeling van de conjunctuur en de risicobereidheid van financiers. De raming betreft de verwachte schades die kredietverstrekkers declareren bij EZK als kredieten niet terug kunnen worden betaald. Tegenover de schades staan premies en ontvangsten bij uitwinning van faillissementen. In de budgettaire tabel is een splitsing gemaakt tussen de werkelijke schadebetalingen en stortingen in de begrotingsreserve BMKB.

Groeifaciliteit

De Groeifaciliteit richt zich op buffervermogen – zoals eigen vermogen van participatiemaatschappijen en achtergestelde leningen door banken – en is vooral gericht op de start-, groei- en expansiefase van een bedrijf. Achtergestelde leningen en aandelenkapitaal verstrekt door participatiemaatschappijen vallen tot maximaal € 25 mln onder de garantieregeling. Een bank kan een garantiefinanciering verstrekken tot maximaal € 5 mln in de vorm van achtergestelde leningen. De garantie van de overheid bedraagt 50%.

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

De GO-regeling geeft financiers de mogelijkheid om een garantie van 50% van de overheid te verkrijgen, indien zij vanwege het risicoprofiel niet zelfstandig of onvoldoende in staat zijn in de kern gezonde bedrijven te financieren. Jaarlijks kan voor maximaal € 400 mln aan garanties worden verleend; het gebruik is afhankelijk van de conjuncturele ontwikkeling. Het geraamde bedrag betreft de verwachte schades op de regeling. Tegenover de schades staan premieontvangsten. De GO-regeling is kostendekkend.

In 2017 is de pilot GO ETFF voor in beginsel twee jaar opengesteld. De GO ETFF heeft als doel bij te dragen aan het (versneld) realiseren van de ambities inzake de energietransitie door het verstrekken van risicodragend vermogen in de vorm van achtergestelde leningen. Voorbeelden zijn geothermie, decentrale opwekking, energiebesparing in de gebouwde omgeving en de circulaire economie. Voor de financieringen vanuit de GO ETFF kan in de pilotfase € 80 mln aan overheidsgarantie worden verstrekt (onderdeel van het totale GO-plafond van € 400 mln). De GO ETFF vormt een aparte subsidiemodule naast de bestaande subsidiemodule Garantie Ondernemingsfinanciering en heeft een vergelijkbare kostendekkende opzet.

Garanties MKB-financiering

Voor de funding van Qredits ten behoeve van micro- en MKB-krediet is in 2019 € 30 mln garantieruimte beschikbaar.

Subsidies

Bevorderen Ondernemerschap

Deze middelen zijn gereserveerd voor diverse initiatieven ter bevordering van het ondernemerschap, waaronder Valorisatie, Versnelling digitalisering MKB, «Startup Delta», «NL Groeit» en het «Techniekpact». Daarnaast is een bedrag van ca. € 0,3 mln gereserveerd voor een bijdrage aan FME ten behoeve van het programmabureau Smart Industry.

Microkrediet

In de categorie subsidies vallen ook de uitgaven aan «Qredits» ten behoeve van micro-en MKB kredieten voor ondernemers met een haalbaar ondernemersplan die geen toegang hebben tot het reguliere financiële circuit. Daarnaast biedt Qredits coaching en begeleiding aan kleine en startende ondernemers. De afgelopen jaren is er in totaal een lening van € 45 mln verstrekt voor micro- en MKB-krediet. Voor 2019 en volgende jaren zijn er geen aanvullende uitgaven geraamd op de begroting.

Bijdrage aan ROM’s

Met deze middelen worden de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen ondersteund: NOM (Noord), BOM (Brabant), LIOF (Limburg), Oost NL (Oost), «Innovation Quarter» (IQ, Zuidvleugel) en Impuls Zeeland (Zeeland). Deze middelen hebben tot doel de economische krachten in de regio te versterken en te bundelen met sectorale initiatieven vanuit het topsectorenbeleid en ander generiek beleid en daarnaast om de samenwerking tussen het (innovatieve) MKB en kennisinstellingen in de regio te bevorderen.

Overige subsidies

Deze middelen worden aangewend voor onder andere het Valorisatieprogramma en bijdragen aan de Nederland Maritiem Land (NML) voor Maritieme Innovatie Impulsprojecten en aan Stichting Toekomstbeeld der Techniek.

Opdrachten

Cybersecurity

De besteding van middelen uit het kennis en innovatiedeel van de cyber enveloppe uit het Regeerakkoord zal bestaan uit het doen van concrete kennis- en innovatie calls, die voortvloeien vanuit de Kennis- en Innovatie Agenda. Deze innovatie en onderzoekscalls zullen mede worden vormgegeven door de (vak)departementen. Het in te zetten instrumentarium, zal onder meer bestaan uit calls in samenwerking met NWO, versterken specifieke kennisvragen met SMO (Samenwerkingsmiddelen Onderzoek) programmering van TNO en het (mede) ontwikkelen van instrumenten ten behoeve van een technology transfer facility. Daarnaast zal gebruik worden gemaakt van bewezen EZK instrumenten als SBIR en MKB instrumenten.

Specifieke aandacht zal uitgaan naar activiteiten die de crosssectorale doelstellingen van de vernieuwde aanpak voor Topsectoren en Maatschappelijke Uitdagingen kunnen ondersteunen. Tot slot zullen middelen ingezet worden om een bijdrage te leveren aan het versterken van community building binnen de cybersecuritysector.

SBIR

Small Busines Innovation Research (SBIR) is innovatie in opdracht van de overheid. De overheid daagt door middel van een SBIR ondernemers uit om nieuwe producten te ontwikkelen en op de markt te brengen. SBIR is een competitie die de creativiteit van ondernemers gebruikt om maatschappelijke problemen op te lossen. Er is in de kabinetsperiode 2018–2021 jaarlijks € 2,5 mln beschikbaar voor het opzetten van SBIR oproepen.

Bijdragen aan agentschappen

Invest-NL in opbouw

Er is vanaf 2019 € 10 mln structureel beschikbaar voor projectontwikkeling van Invest-NL. Daarnaast is in de jaren 2018–2019 € 10,3 mln beschikbaar (€ 2,8 mln in 2019) voor de transitiekosten bij RVO.nl die samenhangen met de voorgenomen overheveling van de uitvoering van financieringsregelingen van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking naar het samenwerkingsverband met FMO.

Industriële participatie – Commissariaat Militaire productie

EZK werkt aan het inschakelen van de Nederlandse industrie en instituten bij de productie en ontwikkeling van militair materieel. Op de internationale defensiemarkt ontbreekt het aan een gelijk speelveld. Industriële participatie is noodzakelijk voor het borgen van een hoogwaardige en concurrerende defensie- en veiligheid (gerelateerde) industrie in Nederland. De defensiemarkt kenmerkt zich door een hoge kennisintensiteit en vraag naar innovatieve oplossingen. Gerichte inzet van industrieel participatiebeleid is van belang voor het beschermen van nationale veiligheidsbelangen en draagt bij aan het openen van internationale toeleveranciersketens, hetgeen ook innovatie- en bedrijfskansen met zich meebrengt.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. De fiscale regelingen die niet in onderstaande tabel zijn opgenomen, maar wel op dit beleidsartikel betrekking hebben, zijn:

  • Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

  • Vrijstelling aandelenopties werknemers van startups

  • Persoonsgebonden aftrekpost durfkapitaal

  • BPM Teruggaaf bestelauto ondernemers

Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Tabel x. Fiscale regelingen 2017–2019, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1
 

2017

2018

2019

FOR aftrek

169

170

168

FOR belaste uitkering

– 99

– 99

– 95

Zelfstandigenaftrek

1.737

1.780

1.747

Extra zelfstandigenaftrek starters

107

112

112

Meewerkaftrek

8

8

8

Stakingsaftrek

14

14

13

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk

6

6

6

Willekeurige afschrijving starters

8

8

8

Doorschuiving stakingswinst

262

273

276

MKB-winstvrijstelling

1.768

1.857

1.894

Terbeschikkingstellingsvrijstelling

17

17

17

Innovatiebox

1.554

1.502

1.562

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

364

381

379

OVB Vrijstelling bedrijfsoverdracht in familiesfeer2

16

16

16

Schenk- en erfbelasting Bedrijfsopvolgingsfaciliteit

430

430

430

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk WBSO

1.182

1.163

1.205

Verlaagd gebruikelijk loon voor dga’s van startups

25

25

25

BTW Kleine ondernemersregeling

159

165

172

MRB Verlaagd tarief bestelauto ondernemers3

826

873

909

X Noot
1

[–] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

X Noot
2

OVB = Overdrachtsbelasting

X Noot
3

MRB = Motorrijtuigenbelasting

Strategisch doel 3 Ontwikkelen en benutten van hoogwaardig (internationaal) publiek gefinancierd onderzoek en technologie, inclusief publiek-private samenwerking

Tabel kengetallen behorend bij strategisch doel 3

Kengetallen

2013

2014

2015

2016

2017

Bron

TKI’s

         

RVO.nl/ TKI’s

Omvang middelen PPS-programma’s TKI (x € 1 mln)1

571

814

970

1.060

1.250

 

waarvan private middelen (%)

35%

44%

49%

48%

46%

 

TO2

           

Klanttevredenheid Deltares

8,0

7,9

8,7

8,6

8,2

Deltares

Klanttevredenheid Marin

8,8

9,0

8,8

8,9

8,6

Marin

Klanttevredenheid NLR

8,5

8,7

8,8

8,7

8,7

NLR

Klanttevredenheid TNO

8,2

8,3

8,4

8,6

8,6

TNO

Kennisbenutting Deltares

   

96%

97%

93%

Deltares

Kennisbenutting Marin

   

97%

100%

100%

Marin

Kennisbenutting NLR

   

99%

99,5%

99%

NLR

Kennisbenutting TNO

   

98%

98%

98%

TNO

Europese Ruimtevaartorganisatie (ESA)

           

Aantal Nederlandse bedrijven dat deelneemt aan ruimtevaartprogramma’s ESA2

 

552

121

121

136

ESA

Ruimtevaart geo-return/retour (%)

1,10

1,14

1,02

1,18

1,16

ESA

X Noot
1

Het realisatiecijfer in 2017 betreft een voorlopig cijfer. In het jaarverslag 2018 wordt de definitieve realisatie opgenomen.

X Noot
2

Doordat ESA in 2015 is gestart met een nieuwe, opgeschoonde database valt de realisatiewaarde 2015 en 2016 substantieel lager uit dan de referentiewaarde en de cumulatieve waarden tot en met 2014. De realisatiewaarde betreft een cumulatief getal op basis van databestanden van ESA vanaf 1 januari 2015.

Opdrachten

Onderzoek en opdrachten

De middelen zijn gereserveerd ten behoeve van de monitoring, effectmeting en feitelijke onderbouwing van beleid («evidence based policy making») en beleidsexperimenten en proefprojecten.

ICT-beleid: SURF

De ICT-infrastructuur (rekencapaciteit, netwerk) van SURF maakt het mogelijk om digitale data te benutten voor onderzoek en onderwijs. EZK en OCW dragen ieder € 6 mln bij aan de vernieuwing van die infrastructuur voor 2017 tot en met 2020, naar aanleiding van motie Van Meenen/Vos. Voor EZK betreft het een incidentele bijdrage, omdat de ICT-infrastructuur van SURF met name ten goede komt aan (wetenschappelijk) onderzoek en onderwijs en nauwelijks directe voordelen heeft voor het bedrijfsleven als ICT-gebruiker. Tevens heeft de Permanente Commissie voor Grootschalige Onderzoeksfaciliteiten van NWO (december 2016) voorgesteld om de rol van SURF te versterken bij het beoordelen van investeringsvoorstellen voor grote onderzoeksfaciliteiten (onderdeel rekenkracht). Naast deze bijdrage van EZK heeft SURF in 2016 een bijdrage van € 11,1 mln uit het Toekomstfondskrediet voor Onderzoeksfaciliteiten ontvangen (amendement Vos-Verhoeven).

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Bijdrage aan TNO

TNO (Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek) werkt samen met ECN, Marin, Deltares, Wageningen Research en NLR in de federatie Toegepaste Onderzoek Organisaties (TO2). EZK investeert samen met enkele andere ministeries in deze instituten, omdat hier onafhankelijk onderzoek in Nederland plaatsvindt dat kansen kan creëren voor innovatie en economische groei en dat een bijdrage levert aan de publieke kennis op terreinen van maatschappelijk belang. TNO bestrijkt een breed onderzoeksgebied op het terrein van meerdere topsectoren, met name HTSM, en energie. Daarnaast ontwikkelt TNO kennis op een aantal maatschappelijke thema’s, met name defensie, maatschappelijke veiligheid en arbeid & gezondheid.

Bijdrage aan NWO-TTW

NWO financiert binnen het domein Toegepaste en Technische Wetenschappen (TTW) technisch wetenschappelijk onderzoek aan Nederlandse universiteiten en instituten. Met de bijdrage van EZK worden de Perspectiefprogramma’s gefinancierd, die worden ingezet voor innovatiecontracten van topsectoren. Voor de bijdrage aan NWO-TTW is structureel circa € 23 mln per jaar beschikbaar.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

PPS-toeslag

In 2013 zijn de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) gestart met het bundelen en stroomlijnen van de onderzoeksprogrammering in de gehele kennisketen. Het doel is om meer privaat-publieke samenwerkingsprogramma’s (PPS) vanuit de onderzoekagenda’s van de topsectoren (inclusief maatschappelijke uitdagingen) te genereren. De TKI’s zijn daarbij programmerend en regisserend. Via de PPS-toeslagregeling (voorheen TKI-toeslagregeling) kunnen PPS-projecten voor elke privaat ingelegde euro 30% toeslag verdienen voor onderzoek dat past binnen de onderzoekagenda’s van de topsectoren. Zowel de TKI’s als de PPS-en zelf kunnen toeslag aanvragen. Het toegenomen beroep op de PPS-toeslag heeft de aandacht in relatie tot het hiervoor meerjarige beschikbare budget.

Meer informatie over de ondersteunde projecten vindt u op Volginnovatie.nl.

TO2 (toegepaste onderzoeksorganisaties)

De middelen zijn gereserveerd voor de financiering van onderzoek in het kader van de topsectoren, maatschappelijke thema’s en voor onderzoek ten behoeve van (wettelijke) taken van de overheid. In 2018 is de subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek van kracht geworden (Staatscourant 2018 nr. 5475). Hiermee wordt bereikt dat de TO2-instellingen onder dezelfde voorwaarden de rijksbijdrage ontvangen. Naast TNO (zie «Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s»), omvat TO2 de volgende instituten:

  • Deltares (Delta Research): instituut op het gebied van deltatechnologie. Deltares levert ten behoeve van de overheid en de topsector water bijdragen aan innovatieve oplossingen voor water-, ondergrond- en deltavraagstukken die het leven in delta’s, kust- en riviergebieden veilig, schoon en duurzaam maken. De bijdrage aan Deltares bedraagt in 2019 circa € 16,3 mln;

  • MARIN (Maritiem Research Instituut Nederland): instituut op het gebied van hydromechanisch en nautisch onderzoek. De bijdrage aan Marin bedraagt in 2019 circa € 6,5 mln;

  • NLR (Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium): instituut op het gebied van militaire en civiele luchtvaart ten behoeve van de ministeries van Defensie en Infrastructuur en Waterstaat en de topsectoren HTSM en water. De bijdrage aan NLR in 2019 bedraagt circa € 22,5 mln;

  • Wageningen Research: dit instituut wordt toegelicht in artikel 11 van de LNV-begroting.

Topsectoren overig

Deze post bevat onder andere het beleidsondersteunend budget voor de topteams in het kader van het topsectorenbeleid.

Ruimtevaart (ESA)

De bijdrage aan Ruimtevaart bestaat uit verplichte programma’s (contributie) van het European Space Agency (ESA) en uit gerichte inschrijving op optionele programma’s van ESA. De ingeschreven middelen vloeien via opdrachten aan Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen ter realisatie van de onderscheiden ruimtevaartprogramma’s grotendeels terug naar Nederland («Geo Return»-systeem). Daarnaast kent het Ruimtevaartbeleid een (beperkt) nationaal flankerend beleid, waarin onder andere de interactie van bedrijven en kennisinstellingen met ESTEC wordt bevorderd. Ook wordt daarmee de benutting van satellietdata door onder andere overheidsinstellingen gestimuleerd. Uitvoering van het beleid is opgedragen aan het Netherlands Space Office (NSO). Uit de Regio-enveloppe zijn voor 2018 (€ 15 mln) en 2020 (€ 25 mln) middelen toegevoegd aan de EZK-begroting ter bevordering van het behoud van ESTEC en de Nederlandse hightech-sector.

Strategisch doel 4 waarborgen van goede randvoorwaarden in de vorm van lastenluwe en innovatievriendelijke regelgeving en excellente overheidsdienstverlening voor ondernemers

Tabel kengetallen behorend bij strategisch doel 4

Kengetallen

2014

2015

2016

2017

Bron

Innovatie Attaché Netwerk

       

IAN/RVO.nl

Geformaliseerde samenwerkingsverbanden

115

78

97

60

 

Klanttevredenheid1

8,8

8,6

8,1

n.b.

 

Netherlands Foreign Investment Agency

       

NFIA/RVO.nl

Projecten

187

207

227

224

 

Investeringsomvang (€ mln)

3.185

1.765

1.467

1.227

 

Werkgelegenheid (arbeidsplaatsen)2

6.304

7.779

7.570

8.158

 

KvK/Ondernemerspleinen

       

KvK

Waardering Kamer van Koophandel3

7,1

7,1

7,2

– 10

 

Bereik Kamer van Koophandel

51%

52%

55%

55%

 
X Noot
1

Vanaf 2015 is een nieuwe methodiek gehanteerd, waardoor het cijfer niet zonder meer vergelijkbaar is met voorgaande jaren. In 2017 is geen meting van de klanttevredenheid verricht.

X Noot
2

Zowel nieuwe werkgelegenheid als behoud van werkgelegenheid.

X Noot
3

In 2016 is de Kamer van Koophandel voor het meten van de waardering overgestapt op het meten van de Net Promotor Score (NPS). Hierbij wordt gemeten hoe klanten van de Kamer van Koophandel, de producten en/of diensten aanbevelen bij een collega of zakenrelatie. De NPS wordt verkregen door het verschil te berekenen tussen het percentage Promotors (zij die een score van 9 of 10 geven) en het percentage Criticasters (respondenten die een score van 0 tot 6 geven). Dit is een gangbare (internationale) meetmethodiek. De NPS was in 2016 – 13 en in 2017 – 10.

Bijdragen aan agentschappen

Bijdrage aan RVO.nl – Innovatie-attachés

De Innovatie Attachés, onderdeel van RVO.nl, werken in vijftien landen vanuit ambassades en consulaten. Zij leveren kennis en informatie over ontwikkelingen en trends op het terrein van innovatie, technologie en wetenschap in het buitenland, creëren verbindingen tussen Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen en bevorderen daarmee de internationale innovatiesamenwerking ten behoeve van het Nederlandse concurrentievermogen. Zij zorgen in samenwerking met de NFIA dat er meer buitenlandse R&D naar Nederland komt.

Bijdrage aan RVO.nl – Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA)

De bijdrage aan de NFIA is gereserveerd voor ondersteuning van buitenlandse bedrijven die zich willen vestigen of die willen uitbreiden in Nederland of Nederland als een strategische uitvalsbasis voor Europa zien. De dienstverlening bestaat uit advies, informatievoorziening en praktische assistentie en discrete toegang tot een breed netwerk van zakelijke partners en overheden.

Bijdrage aan RVO.nl – uitvoering instrumentarium

Deze middelen zijn grotendeels voor de uitvoering van de financierings- en innovatie-instrumenten (MKB Innovatiestimulering Topsectoren, Eurostars, Horizon2020, PPS-toeslag, WBSO, BMKB, Groeifaciliteit, Garantie Ondernemingsfinanciering). Dit betreft activiteiten als beoordeling van aanvragen, bedrijfscontroles, voorlichting over de instrumenten, de organisatie van innovatiemissies en het terugontvangen van kredieten.

Bijdrage aan Agentschap Telecom

Met deze bijdrage verzorgt Agentschap Telecom de uitvoering, het toezicht en de handhaving van de bepalingen uit de Wet ruimtevaartactiviteiten. Het gaat om werkzaamheden die voortkomen uit aanvragen, toetsen en eventueel afgifte van een ruimtevaartvergunning, registreren van ruimtevoorwerpen, deelname aan internationale gremia, adviseren en voorlichting geven over ruimtevaartactiviteiten. Het wettelijke toezicht heeft betrekking op de afgifte van ruimtevaartvergunningen. Verder voert Agentschap Telecom het toezicht uit op vertrouwensdiensten die onder de Europese eIDAS-Verordening vallen.

Bijdrage aan Logius

De bijdrage aan Logius betreft het EZ-aandeel voor het programma (Bureau) Forum Standaardisatie.

Opdrachten

Regeldruk

Het kabinet kiest voor een vernieuwende aanpak van het regeldrukbeleid. In de nieuwe aanpak wordt niet meer uitgegaan van het relatief smalle begrip van belemmerende regeldruk, maar zet het kabinet in op de totstandkoming van betere regelgeving die ondernemers de ruimte tot vernieuwing geeft en tegelijkertijd publieke belangen borgt. Hiervoor is in de nieuwe aanpak van het programma Merkbare Betere Regelgeving & Dienstverlening meer aandacht voor; onder meer door de «MKB-toets». Effecttoetsing van nieuwe regelgeving gebeurt door het adviescollege toetsing regeldruk (ATR).

Caribisch Nederland

Het budget betreft onder meer de uitgaven voor de Rijksdienst Caribisch Nederland en de kosten van statistisch en beleidsonderzoek door onder andere het CBS voor Caribisch Nederland.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Kamer van Koophandel

De Kamer van Koophandel voert wettelijke taken uit in het kader van ondernemerschapsbeleid: houden van het handelsregister, voorlichting en regiostimulering, innovatiestimulering en de ontwikkeling en het beheer van het digitale en de fysieke ondernemerspleinen. Met het Regeerakkoord is de beleidsverantwoordelijkheid voor het digitaal ondernemersplein en de bijbehorende middelen naar het Ministerie van BZK gegaan.

Bijdragen aan (internationale) organisaties

Bijdrage NBTC

EZK stelt op basis van meerjarenafspraken budget beschikbaar voor de internationale «branding», een goede spreiding in tijd en ruimte van toeristen en «marketing» van Nederland en internationale congreswerving. Het budget wordt ingezet op de belangrijkste toeristische herkomstmarkten en doelgroepen.

Overige bijdragen aan organisaties

De bijdrage is onder andere gereserveerd voor de stichting Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, die partijen (bedrijven, overheden, kennisinstellingen, ngo’s en vakbonden) informeert en stimuleert om bij te dragen aan een duurzame en eerlijke wereld. Daarnaast wordt een bijdrage verstrekt aan Ondernemersklankbord (circa € 0,4 mln), de Fraudehelpdesk (Stichting Safecin, € 0,25 mln) en de Koning Willem I Stichting (circa € 0,1 mln).

Toelichting op de ontvangsten

De ontvangsten BMKB, Groeifaciliteit, Garantie Ondernemingsfinanciering betreffen de premie-inkomsten in het kader van de verstrekte garanties. Bij de BMKB is daarnaast ook sprake van ontvangsten als gevolg van uitbetaalde maar later afgewezen verliesdeclaraties.

Vanwege het beëindigen van de Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering (GSF) is de begrotingsreserve van de GSF in 2017 opgeheven (onttrekking van € 10,1 mln).

De ontvangsten in het kader van de Luchtvaartkredietregeling betreffen terugbetalingen (kredietsom en rente) van kredieten, verleend in de periode 1998 tot en met 2003 en 2008 tot en met 2011 voor vliegtuigtechnologieprojecten.

De ontvangsten Rijksoctrooiwet 1995 betreffen de ontvangsten van OCNL, uit hoofde van procedure- en instandhoudingtaksen op basis van de Rijksoctrooiwet 1995. Daarin zijn begrepen de instandhoudingstaksen voor Europese octrooien, waarvoor geldt dat de hiervoor geraamde ontvangsten de helft zijn van de feitelijke ontvangsten uit taksen. De andere helft wordt afgedragen aan het Europees Octrooibureau.

De ontvangst Eurostars betreft de Europese bijdrage aan Eurostars-projecten. De bijdrage betreft 25,75% van de nationale bijdrage.

De ontvangsten JSF hebben betrekking op de geraamde afdrachten door de defensie-industrie aan de Staat. Op basis van de gesloten medefinancieringsovereenkomst over de deelname van Nederland aan de ontwikkeling van de F-35 draagt de industrie 2% over de gerealiseerde omzet voor ontwikkeling en onderhoud van de F-35 af aan EZK.

Toelichting op de begrotingsreserves

De begrotingsreserves zijn ervoor bedoeld inkomsten uit premies en uitgaven voor schades, die over de jaren kunnen fluctueren, te verevenen. De reserve wordt aangehouden om als buffer te dienen voor uitgaven door EZK indien bedrijven niet aan hun terugbetalingsverplichtingen kunnen voldoen inzake leningen bij financieringsinstellingen waarop EZK een borgstelling heeft afgegeven. Gegeven het huidige, gunstige, economisch klimaat wordt de komende jaren een groei van de buffers verwacht, als saldo van enerzijds stortingen (uit inkomsten premies en/of bijdragen uit de EZK-begroting) en anderzijds onttrekkingen (schades uit borgstellingen). Daarmee ontstaat een buffer voor jaren waarin het economisch klimaat minder gunstig is. Voor meer informatie van het ontwikkeling van de garanties en het verloop van de reserve wordt verwezen naar het overzicht van de risicoregelingen in het hoofdstuk Beleidsagenda van deze begroting.

Ter illustratie van de noodzaak van het aanhouden van een buffer is aansluitend de ontwikkeling van uitgaven en ontvangsten van de BMKB weergegeven.

Ontwikkeling uitgaven en ontvangsten BMKB (x € 1 mln)

Ontwikkeling uitgaven en ontvangsten BMKB (x € 1 mln)

Er zijn begrotingsreserves voor de BMKB, de regeling Garantie Ondernemingsfinanciering (GO), de Groeifaciliteit (GF) en de garanties voor nieuwe aanbieders van MKB-financiering. De GO, GF en de garanties voor alternatieve aanbieders van MKB-financiering betreffen kostendekkende garanties, waarvan de te realiseren premieontvangsten toereikend zijn voor het afdekken van eventuele verliesdeclaraties.

In onderstaande tabel zijn de saldi van de begrotingsreserves per 31 december 2017 weergegeven (bedragen x € 1.000).

Stand begrotingsreserves per 31 december 2017

 

Waarvan juridisch verplicht

Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

69.780

100%

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

65.052

100%

Groeifaciliteit

18.313

100%

Garantie MKB-faciliteiten

9.041

100%

Budgetflexibiliteit begrotingsreserves

BMKB

Bij de BMKB is sprake van een niet geheel kostendekkende regeling. In de periode 2009–2015 is voor circa € 384 mln aan schades – veroorzaakt door het hoge aantal faillissementen als gevolg van de economische crisis – en uitvoeringskosten uit begrotingsmiddelen gefinancierd. Om in de toekomst bestand te zijn tegen een crisis met een dergelijke omvang, dient in tijden van hoogconjunctuur «gespaard» te worden. De begrotingsreserve kan als gevolg daarvan toenemen tot een forse omvang. Op het moment dat een economische crisis aan de orde is en de verliesdeclaraties toenemen, is de voorziening noodzakelijk om de tekorten aan te vullen. Het uitstaand obligo van de BMKB was ultimo 2017 circa € 1,8 mld waarmee de volledige begrotingsreserve juridisch verplicht is. Ervaring wijst echter uit dat slechts een beperkt deel van de garanties tot schadedeclaraties leidt. Voor een crisis, zoals hiervoor genoemd, dient echter een adequate buffer voorhanden te zijn.

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) en de Groeifaciliteit (GF)

Bij de Garantie Ondernemingsfinanciering en de Groeifaciliteit is sprake van in opzet kostendekkende regelingen. Bij deze regelingen dient de begrotingsreserve er toe de discrepantie in de tijd tussen ontvangsten en uitgaven te verevenen. Bij deze regelingen kunnen relatief grote verliesdeclaraties worden ingediend, die de omvang van de in enig jaar te ontvangen provisies te boven gaan. Voor die situaties is het nodig een forse begrotingsreserve aan te houden om deze tegenvallers binnen de begroting te kunnen accommoderen. Het uitstaande obligo voor deze regelingen was ultimo 2017 € 593 mln (GO) en € 119 mln (GF) waardoor de volledige reserves voor deze regelingen juridisch verplicht zijn. De omvang en benutting van de begrotingsreserves worden betrokken bij de evaluatie van deze regelingen. De begrotingsreserve GO wordt ook ingezet ten behoeve van de GO-Energietransitie Financieringsfaciliteit (GO ETFF).

MKB-faciliteiten

Dit betreft de begrotingsreserve ten behoeve van de fundinggaranties in het kader van het Aanvullend actieplan MKB-financiering. De begrotingsreserve dient er toe de discrepantie in de tijd tussen de premieontvangsten en de uitgaven te verevenen. Het uitstaand obligo ultimo 2017 van deze garanties is € 172 mln, waarmee de volledige voorziening juridisch is verplicht.

3 Toekomstfonds

Algemene Doelstelling

Versterken van de innovatieve kracht van Nederland door het beschikbaar stellen van financiering voor innovatief en snelgroeiend MKB en voor fundamenteel en toegepast onderzoek en het behouden van vermogen voor toekomstige generaties.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is rijksbreed verantwoordelijk voor versterking van het innovatievermogen, in het bijzonder gericht op het bedrijfsleven en verantwoordelijk voor het scheppen van randvoorwaarden voor een excellent ondernemingsklimaat.

De Minister van EZK en de bewindslieden van OCW coördineren en borgen de publieke kennisinfrastructuur voor toegepast en fundamenteel onderzoek.

Vanuit deze verantwoordelijkheden heeft de Minister een financierende en faciliterende rol, samenhangend met de stimulerende, regisserende en faciliterende rollen zoals vermeld in artikel 2 van deze begroting:

Financieren/faciliteren

  • Het mede-financieren van investeringen in R&D en innovatie;

  • Het faciliteren van toegang tot en financieren van (risico)kapitaal voor bedrijven;

  • Het mede-financieren van Europese en internationale samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie.

Om – aanvullend op de begroting – de Kamer te informeren over voortgang en effecten van beleid treft u op de website https://www.bedrijvenbeleidinbeeld.nl informatie aan over de indicatoren en kengetallen. Deze website is te zien als een digitale bijlage van de EZK-begroting.

Beleidswijzigingen

Het Toekomstfonds heeft een revolverend karakter, waarbij de middelen die verstrekt worden in beginsel terug moeten vloeien naar het fonds. Voor behoud van vermogen wordt vanaf 2018 een buffer opgebouwd van in totaal € 27,5 mln voor de niet renderende investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek.

In de Kamerbrief van 15 februari 2018 (Kamerstuk 28 165, nr. 281) is aangegeven dat Invest-NL het aandeelhouderschap van DVI zal overnemen van Oost-NL en het beheer van het co-investment venture capital instrument.

In 2018 worden diverse instrumenten uit het Toekomstfonds geëvalueerd. Het gaat dan om DVI, de Seed Capital regeling het Innovatiekrediet en Vroegefasefinanciering. Nadat deze evaluaties zijn afgerond zal de Kamer ook worden geïnformeerd over de voedingssystematiek en governancestructuur van het Toekomstfonds.

De middelen die zijn gereserveerd voor Start-ups/ MKB worden ingezet voor het MKB-actieplan. (Kamerstuk 32 637, nr. 316).

Om de beschikbaarheid van risicokapitaal te vergroten voor het mkb wordt in 2019 het EZK-aandeel in Seed Capital fondsen vergroot van maximaal € 6 mln naar € 10 mln. Dit betekent ook dat de private inbreng met dezelfde omvang toeneemt en de totale omvang per fonds minimaal € 20 mln wordt. Deze toename is conform de motie Vos.19 Voor deze ophoging wordt jaarlijks € 8 mln beschikbaar gesteld, waardoor het jaarlijkse te publiceren budget voor Seed Capital fondsen op € 32 mln uitkomt. Deze verhoging van de fondsgrootte en vervolgens ook investeringsbedragen per onderneming in de Seed Capital geldt alleen voor kapitaalintensieve sectoren waarin jonge mkb’ers actief zijn.

Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 (bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

VERPLICHTINGEN

198.306

197.945

149.275

148.150

149.284

158.133

166.727

UITGAVEN

130.371

207.868

181.977

190.093

191.279

180.883

161.298

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

65%

       
               

Leningen

122.593

196.255

174.284

182.482

183.683

174.086

154.527

I Startups/MKB-FINANCIERING

             

Volledig revolverend

             

Dutch Venture Initiative/Fund of Funds

13.500

32.492

25.851

35.733

31.592

39.292

24.266

Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen

15.001

8.856

         

Co-investment venture capital instrument/EIF

10.000

10.154

10.154

10.154

10.154

   
               

Gedeeltelijk revolverend

             

Innovatiekrediet

44.802

50.201

52.997

55.205

56.182

56.999

56.933

Risicokapitaal (Seed Capital)

18.461

30.971

34.971

45.172

49.969

54.339

54.837

Vroege fasefinanciering

11.676

15.329

15.335

15.337

15.341

15.749

15.632

Start ups/MKB

 

88

10.928

10.006

11.175

392

359

NL-Californië Duurzaam E-mobility fund

 

1.039

2.539

2.531

2.031

2.000

 
               

II INVESTERINGEN IN FUNDAMENTEEL EN TOEGEPAST ONDERZOEK

Met vermogensbehoud

             

Fundamenteel en toegepast onderzoek

8.816

43.959

18.500

5.500

4.500

2.500

2.500

Oncode Institute

 

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

 

Smart Industry

337

666

509

344

239

315

 
               

III Staatsobligaties Toekomstfonds

             
               

Subsidies

224

4.050

1.081

999

983

184

158

IV Reëel rendement voor onderzoek

             

V Overige subsidies

             

Smart Industry

168

2.506

281

199

183

184

158

Haalbaarheidsstudies TO2 innovatieve starters

56

1.544

800

800

800

   
               

Bijdragen aan agentschappen

7.554

7.563

6.612

6.612

6.613

6.613

6.613

Bijdrage Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

7.554

7.563

6.612

6.612

6.613

6.613

6.613

               

ONTVANGSTEN

52.632

33.581

28.500

34.600

44.000

45.300

50.200

MKB-FINANCIERING BESTAAND INSTRUMENTARIUM

             

Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen

10.500

6.835

         

Fund of Funds (DVI I/Business Angels)

 

800

2.900

8.050

17.900

17.900

17.900

Innovatiekredieten

26.812

15.000

17.000

17.000

15.000

16.000

20.000

Seed Capital

12.413

9.100

8.600

9.400

10.300

10.300

10.300

Vroege fasefinanciering

67

           
               

MKB-FINANCIERING INCIDENTELE MIDDELEN

             

Ontvangsten DVI II

     

150

800

1.100

2.000

               

Ontvangsten fundamenteel en toegepast onderzoek

             

Fundamenteel en toegepast onderzoek

2.840

1.846

         
               

Renteontvangsten Toekomstfonds

             

Budgetflexibiliteit

Leningen: Het budget in 2019 is voor 64% juridisch verplicht. Dit betreft een groot deel van het budget voor Innovatiekredieten, de Seed Capital regeling, Vroege fase financiering en de investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek. Het budget voor DVI/Fund of funds het Co-investment venture capital instrument/EIF, het NL-Californië Duurzaam E-mobility fund, Smart Industry en Oncode Institute is volledig juridisch verplicht.

Subsidies: Het budget in 2019 is voor 100% juridisch verplicht. Dit betreft de uitfinanciering van de verplichtingen aan NWO-TTW in het kader van de haalbaarheidssubsidies en de regeling Smart Industry.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van het opdrachtenpakket 2019 aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) en is 100% juridisch verplicht.

Toelichting op de financiële instrumenten

Het Toekomstfonds heeft een startkapitaal van € 200 mln en wordt gevoed door mogelijke meevallers in de gasbaten ten opzichte van de voor het Toekomstfonds actuele ijklijn. Deze middelen worden met behoud van vermogen ingezet voor de financiering van innovatieve en snelgroeiende MKB-bedrijven en voor fundamenteel en toepassingsgericht onderzoek. Ook de begrotingsmiddelen voor het Innovatiefonds MKB+ en de participatie van het Rijk in de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) zijn in het Toekomstfonds ondergebracht.

Leningen

Binnen de structuur van het in 2014 gevormde Toekomstfonds (Kamerstuk 34 000 XIII, nr. 5), bestaat het Innovatiefonds MKB+ uit volledig revolverende instrumenten (het Dutch Venture Initiative (DVI), de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen en het Co-investment venture capital instrument/EIF) en gedeeltelijk revolverende instrumenten (Innovatiekrediet, de Seed Capital-regeling (risicokapitaal), de regeling Vroegefasefinanciering en het NL-Californië Duurzaam E-mobility fund).

MKB-financiering: volledig revolverend

Dutch Venture Initiative

Het Dutch Venture Initiative stelt risicokapitaal beschikbaar voor doorgroei van het innovatieve MKB. Het DVI-1 wordt samen met het Europees Investeringsfonds (EIF) en het participatiefonds Oost NL uitgevoerd. Naast de € 130 mln bijdrage vanuit het Rijk dragen het EIF € 67,5 mln en de BOM € 5 mln bij, waarmee in totaal een investeringsfonds van € 202,5 mln actief is. Hiermee wordt geïnvesteerd in private investeringsfondsen die zich richten op innovatief en snel groeiend MKB. Samen met private investeerders in deze fondsen komt in totaal € 1,6 mld aan risicokapitaal beschikbaar voor het innovatieve MKB. Naast deze middelen is met het Aanvullend Actieplan MKB-financiering nog eens € 100 mln extra beschikbaar gesteld in 2014 voor het DVI-2 dat eenzelfde doelstelling en structuur heeft als DVI-1. De inzet van het kabinet is geslaagd, om evenals bij de eerste investering in DVI, het Europees Investeringsfonds/EIF weer mee te laten investeren. De bijdrage vanuit het EIF is zelfs hoger en bedraagt nu € 100 mln.

Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen

De eventuele participaties in de ROM’s worden onder de revolverende investeringen verantwoord. De € 6,5 mln in 2018 betreft de kapitaalstorting in het Investeringsfonds Zeeland B.V (Kamerstuk 29 697, D/nr. 47).

Co-investment venture capital instrument/EIF

Om de toegang tot risicokapitaal voor snelgroeiende innovatieve ondernemingen te versterken, is met financiering van private investeerders, inzet van EFSI-middelen en overheidsmiddelen het instrument Co-investment venture capital instrument/EIF operationeel. Het instrument is samen met het NIA en het EIF ontwikkeld. Dit co-investment fonds van € 100 mln stimuleert grotere risicokapitaal investeringen in Nederlandse ondernemingen. Het Ministerie van Economische Zaken en het EIF/EFSI hebben beide € 50 mln ingelegd (Zie Kamerstuk 22 112, nr. 2218). Door de aansluiting van de Provincie Noord-Brabant en het EIF met een omvang van € 60 mln kan de bedrijven nog meer investeringsruimte worden geboden. Het totale co-investment fonds heeft hierdoor een omvang van € 160 mln.

MKB-financiering: gedeeltelijk revolverend

Innovatiekrediet

Het innovatiekrediet biedt toegang tot financiering voor met name het innovatieve MKB en start-ups en helpt bij het aantrekken van risicokapitaal. In een fase waarin bancaire financiering niet of nauwelijks beschikbaar is, maakt het Innovatiekrediet onder voorwaarde van 50–75% eigen middelen innovatieprojecten mogelijk met een maximale ondersteuning van € 10 mln voor technische ontwikkelingsprojecten en € 5 mln voor klinische projecten.

Seed Capital regeling

De Seed Capital regeling (risicokapitaal) ondersteunt starters in high tech en creatieve sectoren bij het verwerven van risicokapitaal.

Vroegefasefinanciering

De regeling Vroegefasefinanciering biedt financiering – in de vorm van een geldlening – voor academische, hbo en TO2 starters, voor innovatieve starters en kleine bedrijven in een vroege ontwikkelingsfase: van validatie en onderbouwing van een business case, van idee naar concept. Hierdoor wordt ook de toegang tot vervolgfinanciering gefaciliteerd. Dit initiatief wordt door RVO.nl en de door NWO-TTW uitgevoerd.

Startups/MKB

Dit betreft de middelen die worden ingezet voor het MKB-actieplan voor onder andere het Techniekpact en de digitalisering van het MKB (Kamerstuk 32 637, nr. 316).

NL-Californië Duurzaam E-mobility Fund

In januari 2017 heeft de Minister van Economische Zaken namens de Nederlandse overheid een samenwerking gesloten met de Staat Californië. Onderdeel hiervan is een Seed Capital fonds voor smart mobility en E-mobility van € 20 mln met een bijdrage van € 10 mln van de Nederlandse overheid. Ondernemingen die in aanmerking komen, zullen vooral in Nederland als in Californië actief worden.

Bovengenoemde instrumenten versterken en stimuleren private vermogensverschaffers om innovatieprojecten van bedrijven te financieren en voorzien in de behoefte van bedrijven voor een betere toegang tot risicokapitaal voor innovatie.

Kengetallen

2013

2014

2015

2016

2017

Bron

Innovatiekrediet

         

RVO.nl

Aantal bedrijven dat Innovatiekrediet gebruikt

39

40

33

32

29

 

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met een Innovatiekrediet (x € 1 mln)

156

123

119

136

159

 

Seed Capital en Fund of funds

         

RVO.nl/EIF

Aantal participaties via Seed Capital en Fund of Funds

44

32

50

81

95

 

Omvang gestimuleerd risicokapitaal voor innovatieve bedrijven door Seed Capital en Dutch Venture Initiative/Fund of Funds (x € 1 mln)

390

257

553

744

182

 

Vroegefasefinanciering

         

RVO.nl

Aantal ondernemers dat Vroege Fase Financiering gebruikt

   

40

37

41

 

Investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek (met vermogensbehoud)

Vanuit het onderzoeksdeel van het Toekomstfonds wordt geïnvesteerd in nieuwe onderzoeksfaciliteiten, upgrading van bestaande faciliteiten en kennisbenutting.

De € 100 mln startkapitaal wordt geïnvesteerd in fundamenteel en toepassingsgericht onderzoek en kennisbenutting. Dit wordt ingezet voor de regeling Toekomstfondskrediet voor Onderzoeksfaciliteiten (TOF), Thematische Technology Transfer (TTT), Smart Industry (SI) en Proof of Concept (PoC).

Fundamenteel en toegepast Onderzoek

De middelen zijn nodig voor de uitfinanciering van de regeling Toekomstfonds Onderzoeksfaciliteiten (TOF), die in de periode 2015 tot en met 2017 is opengesteld voor investeringen in hoogwaardige onderzoeksfaciliteiten.

Daarnaast worden de middelen ingezet voor Thematische Technology Transfer. De beoogde regeling voor Thematische Technology Transfer zal de benutting van kennis bij universiteiten en kennisinstellingen ondersteunen.

Tot slot betreft dit de buffer die wordt opgebouwd voor de niet volledig revolverende investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek.

Oncode Institute

Oncode Institute (voorheen Onco Research) wordt gefinancierd uit het onderzoeksdeel van het Toekomstfonds, gericht op Thematische Technology Transfer. Oncode Institute is een pilot die zich richt op de translatie van wetenschappelijk oncologisch onderzoek naar betaalbare oplossingen voor de patiënt.

Smart Industry

Dit betreft de uitfinanciering van het leningendeel van de regeling Smart Industry Fieldlabs die in 2017 is gepubliceerd en eenmalig is opengesteld. De regeling heeft als doel om de digitalisering van de industrie te versnellen door de slimme inzet van nieuwe productietechnologieën (bijvoorbeeld 3D-printers, robots, drones en sensoren) in combinatie met ICT. De verstrekte subsidie bestaat voor tweederde uit een renteloze lening.

Investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek (zonder vermogensbehoud)

De reële rendementen uit het Toekomstfonds worden ingezet voor fundamenteel en toegepast onderzoek (waaronder ook Europese co-financiering) zonder de voorwaarde van vermogensbehoud. Vooralsnog worden dergelijke rendementen niet geraamd, zodat er voor deze uitgavencategorie geen raming is opgenomen.

Subsidies

Smart Industry

Dit betreft de uitfinanciering van het subsidiedeel van de regeling Smart Industry (zie toelichting onder investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek met vermogensbehoud. Daarnaast is voor 2018 € 3,5 mln beschikbaar gesteld voor de uitvoering van de Implementatieagenda Smart Industry 2018–2021.

Haalbaarheidsstudies

Via Proof of Concept, onderdeel van de investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek (met vermogensbehoud), is verspreid over de jaren 2017–2021 € 4 mln beschikbaar gesteld voor haalbaarheidsstudies voor innovatieve TO2 starters. Met een haalbaarheidsstudie kan de innovatieve TO2 starter het proof of principle aantonen evenals het commercieel perspectief van het beoogde product of proces of de beoogde dienst.

Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voor de uitvoering van de diverse regelingen van het Toekomstfonds, zoals het Innovatiekrediet, de Seed Capital regeling, Vroegefasefinanciering, Toekomstfondskrediet onderzoeksfaciliteiten en de regeling Smart Industry.

Toelichting op de ontvangsten

De ontvangsten van het Toekomstfonds betreffen de op de EZK-begroting geraamde terugbetalingen van kredieten (hoofdsom en rente) in het kader van het Innovatiekrediet en Vroegefasefinanciering. Daarnaast worden de terugontvangsten van het Dutch Venture Initiative (DVI) en de Seed Capital regelingen verantwoord. Deze ontvangsten bestaan uit de opbrengsten van rente, dividend en de verkoopwaarde van ondernemingen op het moment dat een fonds haar belangen daarin verkoopt.

Ook worden de ontvangsten in het kader van de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen in het Toekomstfonds verantwoord. Dit betreft eventuele dividenden of in voorkomende gevallen de opbrengst van aandelenverkopen.

Revolverendheid

De instrumenten voor MKB-financiering hebben een revolverend karakter, waarbij naar verwachting gemiddeld 60–80% van de investeringen wordt terugbetaald. Met betrekking tot de investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek kan pas op termijn inzicht worden verkregen in de mate waarin deze investeringen inkomsten genereren voor het Toekomstfonds.

Opbrengsten van succesvolle innovaties vloeien zo terug in het Toekomstfonds, zodat ze weer opnieuw kunnen worden ingezet. Het fonds is daarmee additioneel aan de markt: de overheid neemt het grootste risico, waardoor private investeerders kunnen mee-investeren in innovatieve ondernemingen. De overheid deelt echter mee in de opbrengsten van geslaagde innovaties, waardoor deze middelen opnieuw kunnen worden ingezet voor het vergroten van het beschikbare risicokapitaal voor innovatieve bedrijven.

Procedure staatsobligaties

Het Toekomstfonds wordt gevoed met mogelijke meevallers in de gasbaten vanaf 2014. Er is sprake van meevallers wanneer de gerealiseerde gasbaten in een bepaald jaar hoger zijn dan de gasbaten zoals die geraamd zijn in de onderstaande tabel20. De motie Pechtold c.s. (Kamerstuk 27 406, nr. 210) vraagt om het inzetten van de gasbaten met vermogensbehoud. De meevallers in de gasbaten worden, als ze zich voordoen, belegd in Nederlandse staatsobligaties. Voor een nadere beschrijving van de procedure voor het beleggen in staatsobligaties wordt verwezen naar de nota van wijziging op de ontwerpbegroting 2015 (Kamerstuk 34 000 XIII, nr. 11).

Toelichting ijklijn gasbaten

Het Toekomstfonds wordt mede gevoed met eventuele hoger dan geraamde ontvangsten uit de aardgasbaten, uitgaande van de raming voor aardgasbaten in de Miljoenennota 2015. Deze raming wordt herijkt als er beleidsmatige aanpassingen van de gasproductie plaatsvinden (Kamerstuk 34 000 XIII, nr. 5).

In de afgelopen jaren en bij Voorjaarsnota 2018 is de oorspronkelijke raming, relevant voor het Toekomstfonds, herijkt als gevolg van diverse beleidsmatige aanpassingen van de gasproductie.

Als gevolg van deze wijzigingen is er sprake van meevallers voor het Toekomstfonds wanneer de gerealiseerde gasbaten in een bepaald jaar hoger zijn dan de gasbaten zoals in onderstaande tabel is opgenomen.

Na de Voorjaarsnota 2018 is er een beleidsmatige aanpassing van de gasproductie doorgevoerd op basis waarvan de ijklijn aardgasbaten is gewijzigd. Het Kabinet besloot om de gaswinning uit het Groningenveld te beëindigen en heeft hiervoor een basispad uitgewerkt. Het kabinet heeft besloten om bij Miljoenennota 2019 het effect van het lagere volume te actualiseren op basis van de meest recente inzichten. Zo wordt de verandering in productie gewaardeerd tegen de gasprijzen waarop de meest recente openbare meerjarenraming is gebaseerd. Daarnaast wordt de nieuwe afdrachtensystematiek, zoals overeengekomen in het Akkoord op Hoofdlijnen met Shell en ExxonMobil, als uitgangspunt genomen. Dit volume-effect wordt in de Miljoenennota 2019 en in de EZK-begroting 2019 budgettair verwerkt.

Bedragen x € 1 mln
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Ijklijn aardgasbasten Miljoenennota 2018

6.300

5.750

5.950

4.950

1.550

2.100

1.650

Bijstelling n.a.v. beleidsmatige aanpassingen (volume-effect) bij Voorjaarsnota 2018

 

– 150

– 200

– 300

– 350

– 900

– 900

Bijstelling n.a.v. beleidsmatige aanpassingen (volume-effect) bij Miljoenennota 2019

 

50

– 100

– 150

– 350

– 150

– 600

Actuele ijklijn aardgasbaten Miljoenennota 2019

 

5.650

5.650

4.500

850

1.050

150

Deze actuele ijklijn wijkt af van de raming van de aardgasbaten op beleidsartikel 5 omdat voor het Toekomstfonds alleen de beleidsmatige aanpassingen van de gasproductie van toepassing zijn. Bij het vaststellen van de gasbatenraming op beleidsartikel 5 spelen onder andere de beursprijs van TTF-gas, de euro/dollar koers en de olieprijs een rol. Deze blijven bij de berekening van de ijklijn voor het Toekomstfonds buiten beschouwing.

Met de brief van 16 september 2014 (Kamerstuk 34 000 XIII, nr. 5) is de Kamer reeds geïnformeerd dat vanwege fluctuaties in de productie, prijs en wisselkoers moeilijk voorspelbaar is wanneer en in welke mate meevallers in de gasbaten zich zullen voordoen. Ook is de Kamer met deze brief geïnformeerd dat de verwachting wel is dat meevallers kleiner en minder frequent zullen zijn dan in het verleden.

4 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Algemene doelstelling

In het kader van het klimaatbeleid in internationaal verband bijdragen aan het realiseren van de doelen van de klimaatovereenkomst van Parijs en, in Europees verband, het beperken van de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met minstens 40% ten opzichte van 1990. Samen met andere lidstaten streven naar een ambitieuzer klimaatbeleid; een reductiedoel voor 2030 van 55%. Nationaal inzetten om op een kosteneffectieve wijze een reductie van 49% in 2030 te bewerkstelligen.

Uitstoot broeikasgassen Nederland in mld CO2-equivalenten

Uitstoot broeikasgassen Nederland in mld CO2-equivalenten

Bron: CBS

In het kader van het energiebeleid toewerken naar een CO2-arme energievoorziening die veilig, betrouwbaar en betaalbaar is, op zodanige wijze dat economische kansen worden verzilverd en energie in het ruimtelijk beleid is geïntegreerd.

Op de korte termijn stuurt het kabinet op de energiedoelstellingen, zoals overeengekomen in het Energieakkoord: 14% duurzame energie in 2020 en 16% in 2023; gemiddeld 1,5% energiebesparing per jaar en 100 PJ in 2020; creëren van ten minste 15.000 voltijdsbanen.

Om deze doelstellingen te bereiken zet EZK financiële instrumenten in zoals subsidies en garanties, maar ook niet-financiële instrumenten zoals het stroomlijnen van energieregelgeving om de werking van de energiemarkt te verbeteren, de regeldruk te verminderen en efficiënter toezicht mogelijk te maken.

Rol en verantwoordelijkheid

Op het gebied van het klimaatbeleid regisseert de Minister van EZK de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese en het mondiale klimaatbeleid.

De Minister van EZK is voorts op grond van de Elektriciteitswet 1998, de Gaswet en de Mijnbouwwet verantwoordelijk voor het energiebeleid. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Klimaatbeleid

Regisseren

  • Het door Nederland nakomen van de (onder andere) in UNFCCC en EU-verband gemaakte afspraken over het reduceren van emissies van CO2 en overige broeikasgassen en voor het emissiehandelssysteem, waaronder het toewijzen en het doen veilen van CO2-emissierechten.

  • De regie op het nationale klimaatbeleid en de internationale aspecten van het klimaatbeleid, inclusief het politieke optreden en de vertegenwoordiging in de betreffende internationale gremia. Daartoe horen onder andere de Europese Transport- en Milieuraad en relevante VN-bijeenkomsten.

  • De opdracht aan de Nederlandse Emmissieautoriteit (NEa) voor het handelssysteem in CO2-emissierechten. Ook de registratie van hernieuwbare energie voor het verkeer en de rapportage hierover ter controle van de duurzaamheid en de CO2-prestatie zijn hier onderdeel van.

(Doen)Uitvoeren

  • De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van normen en plafonds, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema’s. De doelen en normen hebben betrekking op het reduceren van CO2-emissies van motorvoertuigen, op brandstofkwaliteit, op de productie en de inzet van duurzame biobrandstoffen, op de mondiale uitfasering van ozonlaagafbrekende stoffen en van gefluorideerde broeikasgassen en op de handel in CO2-emissierechten (Emissions Trading System/ETS).

Stimuleren

  • Om de milieudoelen op het gebied van klimaat te behalen, is het belangrijk deze op een proactieve wijze met maatschappelijke partners te delen. Daarom stimuleert de Minister van EZK het in standhouden, aangaan en organiseren van allianties met en tussen bedrijven, branches, overheden en kennisorganisaties om de doelen uit de Overeenkomst van Parijs, de Klimaatagenda, de afspraken in het SER-Energieakkoord waar de Minister voor verantwoordelijk is en het Lokale Klimaatactieprogramma tot succesvolle uitvoering te brengen.

  • Via het Lokale Klimaatactieprogramma, de Nederlandse Klimaatcoalitie, Green Deals en initiatieven voor reductie van CO2-emissies brengt de Minister ondernemers, burgers en andere overheden beter in positie om maatregelen te nemen die goed zijn voor klimaat en economie. Ook worden in het kader van het Klimaatakkoord Regionale Energie Strategieën opgesteld waaraan de verschillende overheden met maatschappelijke partners samenwerken.

Energiebeleid

Financieren

  • Het voeren van het financieel instrumentarium op de beleidsterreinen hernieuwbare energie, energiebesparing, mijnbouwklimaat en innovatieve energietechnologieën.

(Doen)Uitvoeren

  • Namens het kabinet het Energieakkoord van 2013 uitvoeren.

Stimuleren

  • Het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie (conform afspraken Energieakkoord);

  • Het stimuleren van energiebesparing (conform afspraken Energieakkoord).

Regisseren

  • Het regisseren van de realisatie van grote energie-infrastructuurprojecten die onder de Rijkscoördinatieregeling vallen; dit betekent als projectminister, samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verantwoordelijk voor de ruimtelijke inpassing van projecten en voor de coördinatie van benodigde vergunningen;

  • Het stimuleren van een goed werkende Europese energiemarkt met een adequate infrastructuur;

  • Het actief participeren in Europese en internationale netwerken ten behoeve van energy governance, kennis brengen naar en leren van andere landen en instellingen;

  • Het creëren van randvoorwaarden waardoor de energievoorziening internationaal kan concurreren en het verdienpotentieel van de energiesector in relatie tot de energietransitie ten volle wordt benut;

  • Het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige, veilige en verantwoorde winning van onze bodemschatten;

  • Het stimuleren van de transitie naar een duurzame en betrouwbare energievoorziening.

  • Het bieden van mogelijkheden aan, en het faciliteren van, lokale duurzame energie-initiatieven;

  • Het coördineren van het energiebesparingsbeleid via de verschillende vakministers en het stimuleren van energiebesparing in de industrie en energiesectoren;

  • Het stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van innovatieve energietechnologieën;

  • Het stimuleren van de verdergaande reductie van CO2-uitstoot van energiebedrijven en industrie;

  • Het creëren van randvoorwaarden voor een goede positie op het gebied van nucleair onderzoek, en uraniumverrijking, met inbegrip van de taken die hierover zijn opgenomen in internationale verdragen, met het oog op de bewaking en beveiliging van de hierbij betrokken kennis en technologie.

Kengetal HHI en C3

De C3 is het gezamenlijk marktaandeel van de drie grootste leveranciers. De mate van concentratie op de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas vormt een indicatie voor de concurrentie op die markten. Een indicator hiervoor is de Herfindahl-Hirschman Index (HHI). Een markt met een HHI onder de 1.800 punten wordt gezien als een competitieve markt en een markt met een index tussen de 1.800 en 8.000 punten wordt gezien als een geconcentreerde markt. Het is vele jaren beleid van het ministerie geweest om de concentratiegraad te verlagen en dat beleid is nu geëffectueerd, zodat er geen actief beleid meer op gevoerd wordt. Wel wordt de concentratiegraad nog jaarlijks door ACM gemonitord.

Kengetal

2014

2015

2016

2017

1. Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit

– HHI

2.230

2.152

1.992

1.822

– C3

81%

79%

75%

72%

2. Concentratiegraad in de retailsector gas

– HHI

2.171

2.052

1.895

1.821

– C3

79%

76,8%

74%

72%

Bron: ACM

Om – aanvullend op de begroting – de Kamer te informeren over voortgang en effecten van beleid treft u op de website https://www.ecn.nl/nl/energieverkenning/ informatie aan over ontwikkeling van de Nederlandse energiehuishouding.

Overige informatieve links zijn: EBN (aanbod en verbruik van energie in Nederland), PBL (feiten en cijfers over energie en energievoorziening), CBS (verbruik van duurzame energie), RVO.nl (publicaties en documenten inzake duurzame energieproductie), energieopwek.nl (online benadering van dagelijks opgewekte duurzame energie) en de NEA (o.a. voor het klimaatbeleid en het Emissions Trading System).

Beleidswijzigingen Klimaatbeleid

Klimaatakkoord/na 2020

Het kabinet heeft in het Regeerakkoord een Klimaatakkoord aangekondigd om de uitstoot van broeikasgassen met 49% te beperken in 2030. Op 23 februari 2018 (Kamerstuk 32 813, nr. 163) heeft het kabinet de inzet voor het Klimaatakkoord aan beide Kamers gestuurd. Een voorstel voor hoofdlijnen van een Klimaatakkoord werd op 10 juli 2018 naar beide Kamers gestuurd (Kamerstuk 32 813, nr. 193). Het verdere proces en de afwegingen daarbij zijn toegelicht in de aanbiedingsbrief van deze hoofdlijnen en in de Beleidsagenda.

Er wordt gewerkt aan een terugleversubsidie ter vervanging van de huidige salderingsregeling (Kamerstuk 31 239, nr. 287). Daarbij wordt onderzocht of coöperaties en de utiliteitssector ook met deze regeling gestimuleerd kunnen worden. Daarnaast wordt er gewerkt aan een ontwikkelfaciliteit voor energiecoöperaties.

Beleidsdoorlichting artikel Klimaat

In 2017 is een beleidsdoorlichting voor het voormalige IenM-begrotingsartikel 19 «Klimaat» van start gegaan (Kamerstuk 32 861, nr. 24). Bij het aantreden van het nieuwe kabinet is met de overgang van klimaat naar het Ministerie van EZK ook een deel van het begrotingsartikel overgeheveld naar het begrotingsartikel 4 van EZK. Daarom zal de beleidsdoorlichting onder verantwoordelijkheid van EZK worden uitgevoerd mede namens IenW. De hoofdvraag van de doorlichting is in hoeverre het klimaatbeleid in de periode 2012–2016 op doeltreffende en doelmatige wijze heeft bijgedragen aan het tegengaan van klimaatverandering door menselijk handelen. De afronding van de doorlichting is voorzien in 2018.

Beleidswijzigingen Energiebeleid

Geothermie

Op 8 februari 2018 is de Tweede Kamer, mede als vervolg op de aanbevelingen van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) in «de staat van de sector geothermie», geïnformeerd over de voortgang van geothermie in Nederland en welke stappen gezet zullen worden om de ontwikkeling van geothermie verder te versterken en te versnellen (Kamerstuk 31 239, nr. 282). Belangrijke elementen hierin zijn aanpassing van de Mijnbouwwet specifiek voor geothermie, deelname van EBN in geothermieprojecten, borgen van continuïteit van kennis en ervaring en versnelde innovatie en kennisvergroting met betrekking tot de ondergrond. Voor kennisvergroting met betrekking tot de ondergrond is voor de eerste fase (extra seismiek) € 21 mln beschikbaar gekomen uit de klimaatenveloppe 2018. De Kamer wordt voor 1 oktober 2018 geïnformeerd of EBN ook financieel gaat deelnemen in geothermieprojecten en zo ja, welke vorm de deelneming aanneemt.

Wind op Zee

De voortgang van het in de Wetgevingsagenda Energietransitie (Kamerstuk 30 196, nr. 566) aangekondigde wetsvoorstel tot wijziging van de Wet windenergie op zee ligt op schema en zal de mogelijkheid tot het veilen van een kavel bevatten.

Het kabinet heeft verder een «Routekaart windenergie op zee 2030» naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstuk 33 561, nr. 42), zoals eerder in de Energieagenda was aangekondigd. De routekaart geeft aan welke windenergiegebieden in de periode 2024–2030 uitgegeven en ontwikkeld gaan worden op de Nederlandse Noordzee. Hiermee geeft het kabinet invulling aan de afspraken in het Regeerakkoord voor de bijdrage aan windenergie op zee aan de reductie van de CO2-uitstoot.

Energieakkoord

Het Energieakkoord is de eerste stap in de energietransitie en het is van belang om de doelen te realiseren voor 2020. De afgelopen jaren zijn daar belangrijke stappen in gezet. In het zicht van de haven concentreert de inzet voor energiebesparing zich op intensivering van de verplichting uit de Wet Milieubeheer om maatregelen met een terugverdientijd tot 5 jaar te nemen, onder ander door introductie van een informatieplicht en actualisatie van de erkende maatregellijsten (Kamerstuk 30 196, nr. 573). Voor hernieuwbare energie wordt met name ingezet op realisatie van de doelen voor wind op land (Kamerstuk 33 612, nr. 68). Met de provincies is afgesproken dat, in zoverre de 6.000 MW doelstelling niet tijdig gerealiseerd wordt, het restant van de opgave verdubbeld zal worden.

CCS

Binnen het Klimaatakkoord zal de afvang en opslag van CO2 (Carbon Capture and Storage, CCS) een belangrijk onderdeel van de mix aan maatregelen zijn om de CO2-reductiedoelstelling voor 2030 te realiseren. CCS is een onvermijdelijke transitietechnologie om de CO2-uitstoot terug te brengen in industriële sectoren waar op de korte termijn geen kosteneffectief alternatief is. Het precieze aandeel CCS (aantal Mton die met CCS gereduceerd wordt in 2030) zal later dit jaar worden vastgelegd in het Klimaatakkoord. Inzet van het kabinet is om parallel hieraan het CCS-beleid verder vorm te geven door voorbereidingen te treffen om de grootschalige uitrol mogelijk te maken.

Verbreding van de SDE+

In het Regeerakkoord heeft het kabinet aangekondigd de inzet van de middelen voor de SDE+ te verbreden van hernieuwbare energieproductie naar CO2-reductie.Voor maatregelen die kosteneffectief bijdragen aan CO2- reductie, maar op dit moment niet onder de SDE+ vallen, wordt uitgewerkt hoe deze het beste ondersteund kunnen worden. Op deze manier worden de beschikbare middelen zo kostenefficiënt mogelijk ingezet voor het realiseren van de ambities voor 2030. Tussentijds worden voor de verbreding van de SDE+ ook de benodigde aanpassingen in de Wet opslag duurzame energie (ODE) en het Besluit stimulering duurzame energieproductie onderzocht. Vooruitlopend hierop wordt ook bezien of de huidige SDE+ zich meer kan richten op CO2-reductie. Het wetsvoorstel ODE met de nieuwe tarieven voor 2019 wordt nog deze zomer aangeboden aan de Tweede Kamer.

Follow up evaluatie energie-innovatieregelingen

Er komt een integrale Kennis en Innovatie Agenda voor klimaat en energie over de breedte van de vijf sectoren, die aansluit bij het Klimaatakkoord. Deze agenda beschrijft wat er vanuit de klimaatopgave nodig is aan kennis en innovatie voor het realiseren van de CO2-reductiedoelen voor 2030 en 2050, als onderdeel van de bredere beleidsinzet die wordt afgesproken in het Klimaatakkoord. Op basis van de integrale agenda kunnen scherpe keuzen worden gemaakt waar de kennis- en innovatie-inzet op gericht moet worden en hoe dit (financieel) gefaciliteerd kan worden, ook voor energie-innovatie. Op deze wijze wordt invulling gegeven aan de aanbevelingen vanuit de beleidsevaluatie energie-innovatieregelingen (Kamerstuk 30 196, nr. 572), evenals aan de inzichten uit andere studies zoals die van de Adviesraad voor Wetenschap en Innovatie («Oppakken en doorpakken: durven kiezen voor energie-innovatie», november 2016).

Evaluatie subsidieregeling indirecte emissiekosten ETS

Voor de subsidieregeling indirecte emissiekosten ETS is, naar aanleiding van de beleidsevaluatie die is uitgevoerd in 2017 (Kamerstuk 30 196, nr. 569), afgesproken om de regeling in de huidige vorm tot en met 2021 te handhaven, conform het Energieakkoord. Eventuele voortzetting van de regeling na 2021 kan aan de orde komen bij het Klimaatakkoord, hiervoor zijn nog geen middelen gereserveerd.

Pallas

Sinds 26 april 2018 (Kamerstuk 25 422, nr. 220) valt de beleidsverantwoordelijkheid ten aanzien van de Pallas-reactor, gezien het belang voor de voorzieningszekerheid van medische radio-isotopen, onder de Minister voor Medische Zorg en Sport (VWS). De Minister van EZK blijft zorg dragen voor de bedrijfseconomische expertise en ook het (technisch) beheer van de lening aan Pallas valt onder de Minister van EZK.

Wijzigingen EIA

Op 14 juni 2018 is de periodieke evaluatie van de Energie Investerings Aftrek (EIA), inclusief de kabinetsreactie daarop, naar de Tweede Kamer verzonden (Kamerstuk 34 785, nr. 91). Naar aanleiding van de beleidsevaluatie heeft het kabinet besloten om het aftrekpercentage in het Belastingplan 2019 te verlagen van 54,5% naar 45%. Daarmee blijft het netto fiscale voordeel op termijn rond 10%. Dat wijkt nauwelijks af van het belastingvoordeel dat jarenlang tot 2016 voor de EIA van kracht was (circa 10,5%). Het vrijvallende EIA-budget blijft binnen de EIA beschikbaar en zal worden benut voor verbreding van de EIA in verband met het Klimaatakkoord. Conform de aanbeveling in de beleidsevaluatie wordt de eindverantwoordelijkheid voor de Uitvoeringsregeling EIA verplaatst van de Staatssecretaris van Financiën naar de Minister van EZK.

Europese Dossiers

Over de voortgang in de onderhandelingen tussen de Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie (trilogen) over de voorstellen van de Commissie voor de herziening van de richtlijnen hernieuwbare energie (RED) en energie-efficiëntie (EED), de nieuwe Governance-verordening en de voorstellen voor een nieuw marktontwerp van de elektriciteitsmarkt (met uitzondering van de ACER-verordening, waarover nog geen voorlopige positie in de Raad is bereikt) en de positie van Nederland daarbij, is de Kamer geïnformeerd aan de hand van het verslag van de Energieraad van 18 december 2017 (Kamerstuk 21 501-33, nr. 691), de geannoteerde agenda van de informele energieraad van 19 april 2018 (Kamerstuk 21 501-33, nr. 693), het verslag van het schriftelijk overleg daarover (Kamerstuk 21 501-33, nr. 698) en de geannoteerde agenda voor de Energieraad van 11 juni 2018 (Kamerstuk 21 501-33, nr. 702.

Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

VERPLICHTINGEN

8.618.677

17.206.459

10.605.329

615.817

395.435

355.993

359.855

Waarvan garantieverplichtingen

11.050

68.891

71.300

71.300

0

0

0

UITGAVEN

1.887.248

2.411.182

2.799.175

3.477.833

3.394.920

3.501.677

3.607.799

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

95%

       
               

Subsidies

1.635.472

1.970.507

2.558.099

3.242.465

3.165.643

3.299.417

3.403.582

Topsector Energie

69.725

103.700

86.490

86.490

53.990

41.490

38.990

– Tenderregeling Energie-innovatie

38.791

73.380

36.490

36.490

36.490

36.490

36.490

– SDE+-projecten (Hernieuwbare Energie Regeling)

30.934

30.320

50.000

50.000

17.500

5.000

2.500

Energie-efficiëntie

7.098

4.912

2.368

2.368

2.368

2.368

2.368

Green Deal

4.997

1.330

500

500

500

500

500

Klimaat- en Energieakkoord

22.664

32.957

44.100

41.600

36.400

38.000

37.900

– Demonstratie-regeling Energie Innovatie (DEI)

21.931

24.300

41.200

39.600

34.500

36.300

37.300

– Subsidieregeling Duurzame Scheepsbouw

0

500

2.900

2.000

1.900

1.700

600

– Nieuw Klimaat- en Energieakkoord

 

3.687

         

– Projecten Energieakkoord SER

733

4.470

0

0

0

0

0

MEP

149.960

23.633

47.025

40.025

0

0

0

SDE

552.127

630.696

652.451

659.442

664.131

687.700

648.500

SDE+

321.514

1.011.888

1.550.434

2.224.509

2.291.145

2.452.145

2.597.110

Storting in begrotingsreserve duurzame energie

377.819

     

66.333

66.333

66.333

ISDE-regeling

50.927

75.000

100.000

100.000

25.000

0

0

Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

53.477

45.000

61.000

72.800

13.995

0

0

CCS

865

1.530

3.080

4.080

3.380

2.480

3.480

Aardwarmte

 

21.458

0

0

0

0

0

Subsidieregeling Energiebesparing en duurzame energie sportaccommodaties (EDS)

6.170

8.000

0

0

0

0

0

Hoge Flux Reactor

14.500

7.250

7.651

7.651

5.401

5.401

5.401

Elektrisch rijden

538

200

0

0

0

0

0

Caribisch Nederland

574

2.319

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

Overige subsidies

2.517

634

0

0

0

0

0

               

Leningen

9.000

19.800

         

Pallas

9.000

19.800

         
               

Garanties

833

8.291

4.700

4.700

0

0

0

Verliesdeclaraties Aardwarmte

0

6.000

0

0

0

0

0

Storting in begrotingsreserve Aardwarmte

833

2.291

4.700

4.700

0

0

0

               

Opdrachten

9.188

16.778

12.357

13.364

13.421

13.421

12.421

O&O bodembeheer

1.167

2.781

1.816

2.816

2.870

2.870

1.870

SodM onderzoek

956

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

Joint implementation

434

0

0

0

0

0

0

Uitvoeringsagenda Klimaat

 

582

823

823

823

823

823

Klimaat mondiaal

 

343

359

359

359

359

359

Onderzoek en opdrachten

6.631

10.572

6.859

6.866

6.869

6.869

6.869

               

Bijdragen aan agentschappen

52.877

65.625

53.069

48.070

42.559

42.108

47.058

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

51.050

53.967

40.621

35.626

32.169

31.718

36.668

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

713

720

720

721

721

721

721

KNMI

1.114

1.307

1.193

1.193

1.193

1.193

1.193

Nederlandse Emissie Autoriteit (NEA)

0

8.285

7.875

7.868

5.816

5.816

5.816

RIVM

 

99

1.467

1.467

1.467

1.467

1.467

RWS

 

1.247

1.193

1.195

1.193

1.193

1.193

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

116.403

148.675

130.010

140.964

133.664

133.669

133.669

Doorsluis COVA heffing

110.263

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

TNO Kerndepartement

4.999

35.934

17.269

28.223

20.923

20.928

20.928

TNO SodM

1.141

1.741

1.741

1.741

1.741

1.741

1.741

               

Bijdragen aan mede-overheden

24.380

24.634

24.356

23.455

27.219

1.323

0

Uitkoopregeling

24.380

24.634

24.356

23.455

27.219

1.323

0

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

39.095

156.872

16.584

4.815

12.414

11.739

11.069

ECN/NRG/PBL

38.519

155.223

15.135

3.366

10.914

10.239

9.569

Diverse instituten

576

1.649

1.449

1.449

1.500

1.500

1.500

               

ONTVANGSTEN

3.202.936

3.626.296

2.232.211

2.908.211

3.067.511

3.111.511

3.257.811

COVA

110.263

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

Opbrengst heffing ODE (SDE+)

626.953

1.074.000

1.730.000

2.411.000

2.648.000

2.692.000

2.838.300

ETS-ontvangsten

 

450.000

300.000

300.000

300.000

300.000

300.000

Onttrekking begrotingsreserve duurzame energie

77.000

73.000

78.000

73.000

0

0

0

Aardgasbaten

2.373.989

1.900.000

0

0

0

0

0

Ontvangsten zoutwinning

2.525

2.511

2.511

2.511

2.511

2.511

2.511

Diverse ontvangsten

12.206

15.785

10.700

10.700

6.000

6.000

6.000

Budgetflexibiliteit

Subsidies: Van het totale subsidiebudget is 95% juridisch verplicht. Dit percentage is hoog als gevolg van uitfinanciering van tot en met 2018 aangegane verplichtingen, met name langlopende uitbetalingen op reeds afgegeven beschikkingen in het kader van de MEP en de SDE en verplichtingen die in 2011 tot en met 2018 zijn aangegaan voor de SDE+. Omdat het resterende budget van de duurzame energieregelingen in de begrotingsreserve duurzame energie gestort zal worden, is het subsidiebudget weinig flexibel.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 13% juridisch verplicht. Het betreft uitfinanciering van in voorgaande jaren verstrekte opdrachten, met name voor projecten op het gebied van mijnbouw/bodembeweging, energie- en klimaatonderzoek en ter ondersteuning van de uitvoering van de Rijkscoördinatieregeling (RCR). Het resterende budget is in zijn geheel bestuurlijk gebonden, onder meer door de afspraken die zijn gemaakt over het Kennisprogramma Effecten Mijnbouw (KEM), de wettelijke taken van EZK op het gebied van de RCR en de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) en de verplichting planschade als gevolg van energieprojecten te vergoeden.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van de opdracht 2019 aan RVO.nl, NVWA, het KNMI, de NEa, het RIVM en RWS en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Op dit onderdeel is sprake van zeer beperkte budgetflexibiliteit, 93% van het budget is juridisch verplicht. Het betreft met name de doorsluis van de COVA-heffing op aardolieproducten, bedoeld voor het dekken van de kosten van het aanhouden van voorraden. Dit is gebaseerd op nationale en internationale wetgeving. Daarnaast wordt de bijdrage aan TNO (energie-, klimaat- en mijnbouwonderzoek) uit dit budget bekostigd.

Bijdragen aan mede-overheden: Het budget betreft de bijdrage van EZK aan de kosten van uitkoop van woningen die loodrecht onder hoogspanningsmasten staan. De regeling is per 1 januari 2017 opengesteld en wordt door de betrokken gemeenten uitgevoerd. Het budget is daarmee slechts voor een klein deel juridisch verplicht, maar voor het overige zeer beperkt flexibel, aangezien het kabinet naar de betrokken huiseigenaren heeft aangegeven dat de uitkoopregeling een looptijd van vijf jaar kent.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Van het beschikbare budget voor (inter)nationale organisaties is 40% juridisch verplicht. De bijdrage aan ECN betreft een al langlopende gevestigde en op overeenkomsten gebaseerde subsidierelatie ten behoeve van energieonderzoek. Dit betekent dat er op dit onderdeel sprake is van enige budgetflexibiliteit, zij het beperkt op de korte termijn.

Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Topsector Energie

De Topsector Energie richt zich op de verduurzaming van de energievoorziening en de versterking van de toegevoegde waarde van de energiesector voor de Nederlandse economie. In samenwerking tussen de overheid, het bedrijfsleven en kennisinstellingen is ervoor gekozen om daarbij de focus te leggen op vijf thema’s waarvoor Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) in het leven zijn geroepen: windenergie op zee, bio-energie, energie in de industrie, urban energy (combinatie van inpassing zonne-energie, energiebesparing in de gebouwde omgeving en intelligente netten) en (hernieuwbaar) gas. Daarnaast zet de Topsector Energie in op twee doorsnijdende thema’s, de inpassing van energie uit hernieuwbare bronnen in het energiesysteem en maatschappelijk verantwoord innoveren, zodat de innovaties aansluiten bij de gebruikersvoorkeuren. EZK stimuleert en ondersteunt energie-innovaties enerzijds met de tenderregelingen voor de Topsector Energie en anderzijds met een speciaal voor innovatieprojecten afgezonderd deel van de SDE+-middelen via de Hernieuwbare Energie Regeling (HER). Deze laatste projecten richten zich op energie-innovaties die op termijn moeten leiden tot lagere SDE+-subsidies. EZK werkt, als onderdeel van de brede integrale kennis- en innovatieagenda voor klimaat en energie (gekoppeld aan het Klimaatakkoord) aan de ontwikkeling naar missiegedreven innovatieprogramma’s. Het Topteam Energie ziet toe op het onderzoeks- en innovatieportfolio van de TKI’s en stuurt zo nodig bij.

Kengetal

2014

2015

2016

2017

2018

Ambitie 2019

Aantal deelnemende bedrijven bij TKI

850

1.150

1.400

1.400

1.500

1.600

Kwaliteit van het Nederlandse energieonderzoek gemeten als retourpercentage van het Achtste EU kaderprogramma thema energie

6,9%

7,2%

7,0%

6,4%

7,0%

7,0%

Bron: RVO.nl

Energie-efficiëntie

EZK financiert projecten ter uitvoering van de Meerjarenafspraken Energie-efficiëntie (MJA-E) voor verbetering van de energie-efficiëntie. Deze afspraken zijn gericht op de realisatie van CO2-reductie en het behalen van de energiebesparingsdoelen in het Energieakkoord.

Green Deals

Green Deals zijn gericht op het ruimte geven aan vernieuwende initiatieven uit de samenleving om de transitie naar een duurzame economie te versnellen. De Green Deal aanpak is sinds 2011 een onderdeel van het groene groei beleid van het kabinet. Zij hebben een bijdrage geleverd aan de realisatie van de ambities in het lopende Energieakkoord. De Green Deal aanpak zal ook worden voortgezet. Green Deals kunnen een waardevolle bijdragen leveren aan de innovatie, opschaling en uitrol van de nog te maken afspraken in het Klimaatakkoord. De onderwerpen van deze energiedeals zijn zeer divers, variërend van participatie van de omgeving bij duurzame energieprojecten, energiebesparing, warmtenetten, aardwarmte tot elektrisch vervoer. Green Deals zijn grotendeels budgetneutraal: er is een kleine hoeveelheid procesgeld (€ 0,5 mln per jaar) beschikbaar om initiatieven verder te brengen. Een compleet overzicht van Green Deals is te vinden op: http://www.greendeals.nl/.

Klimaat- en Energieakkoord

De Demonstratieregeling Energie-innovatie (DEI) komt voort uit het Energieakkoord en is gericht op versnelling van de commercialisering van energie-innovaties voor de export. De regeling draagt bij aan de ambitie om de economische waarde van de schone energie-technologieketen in 2020 te verviervoudigen ten opzichte van 2010. De regeling is medio 2014 voor het eerst opengesteld. In het najaar van 2017 is de beleidsevaluatie van de energie-innovatieregelingen (waaronder de DEI) afgerond (Kamerstuk 30 196, nr. 572). Belangrijkste aanbeveling uit de evaluatie was om meer in te zetten op meerjarige innovatieprogramma’s dan nu het geval is. Het subsidieplafond zal in 2019 € 34 mln bedragen. De Nationale Energieverkenning (NEV) 2019 zal inzicht geven in de realisatie tot nu toe op weg naar de afgesproken ambitie naar 2020.

Bij amendement (Kamerstuk 34 550 XIII, nr. 117 en Kamerstuk 37 775 XIII, nr. 113) heeft de Tweede Kamer gevraagd om de instelling van een Subsidieregeling Duurzame Scheepsbouw (SDS) die tot doel heeft innovatieve manieren om de scheepsbouw te verduurzamen te stimuleren: de hiervoor opgenomen bedragen zijn van het DEI-budget afgezonderd en betreffen de voor de openstellingen 2017 en 2018 verwachte uitbetalingen in de komende jaren.

Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP) / Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE)

De voor 2019 en verder geraamde budgetten betreffen de uitfinanciering van verplichtingen die in het verleden in het kader van de subsidieregelingen Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP) en Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) zijn aangegaan. MEP-subsidie is verleend aan producenten van elektriciteit uit wind- en zonne-energie, waterkracht en biomassa. Projecten ontvangen MEP-subsidie tot aan het einde van de subsidietermijn. De MEP-subsidie geldt voor een periode van tien jaar. Aan het eind van de looptijd wordt de definitieve subsidie vastgesteld.

De SDE-regeling is de opvolger van de MEP. De SDE is een exploitatiesubsidie die het verschil vergoedt tussen de kostprijs van hernieuwbare energie en de marktprijs (de onrendabele top) voor projecten op het gebied van hernieuwbaar gas en hernieuwbare elektriciteit. De regeling is daarmee breder dan de MEP. Met ingang van 2011 is de SDE omgevormd en aangepast tot de SDE+.

Stimulering Duurzame Energieproductie+ (SDE+)

In het Energieakkoord voor duurzame energie is afgesproken dat Nederland in 2020 een aandeel van 14% hernieuwbare energieproductie heeft. Verder is afgesproken dat dit aandeel in 2023 16% zal zijn. Het belangrijkste instrument dat het kabinet heeft om dit te realiseren is de SDE+. De SDE+ richt zich op de opties hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas en hernieuwbare warmte en subsidieert het verschil tussen de kostprijs van hernieuwbare energie en de marktprijs, de zogenaamde onrendabele top. Doordat in de SDE+ goedkopere projecten voorrang hebben bij het verkrijgen van subsidie en er concurrentie is tussen verschillende vormen van hernieuwbare energie, zal op de meest kosteneffectieve wijze de productie van hernieuwbare energie worden gestimuleerd. De totale uitgaven zijn afhankelijk van de beschikbare projecten en de ontwikkeling van de energieprijs. Voor de reguliere SDE+ geldt dat een groot deel van de Najaarsronde 2017 pas in 2018 verplicht zal worden. Daarnaast is zowel voor de Voorjaarsronde 2018 als de Najaarsronde 2018 € 6 mld geïndiceerd. Voor 2019 is alleen rekening gehouden met een budget voor de reguliere SDE+ (€ 10 mld). De Tweede Kamer zal, met het oog op de uitkomsten van het Klimaatakkoord, in het najaar van 2018 worden geïnformeerd over het bedrag dat voor de reguliere SDE+ in 2019 gepubliceerd zal worden. In het budget wordt uitgegaan van een subsidieloze tender Windenergie op Zee.

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Realisatie 2016

Streefwaarde

Planning

Bron

Duurzame energieproductie

4,5%

2013

6%

16%

2023

CBS

Zie energieopwek.nl voor online informatie over de dagelijks opgewekte duurzame energie.

InvesteringsSubsidie Duurzame Energie (ISDE)

De regeling InvesteringsSubsidie Duurzame Energie (ISDE) is in 2016 ingevoerd en beoogt de stimulering van kleinschalige duurzame warmteopties. Volgens de huidige planning loopt de ISDE tot en met 2020 en de hoogte van het jaarlijks beschikbaar te stellen budget voor het afgeven van nieuwe beschikkingen wordt bepaald op basis van de ervaringen in de eerdere jaren en de verwachtingen over de ontwikkeling van het beschikbare potentieel. Voor 2019 is in eerste instantie rekening gehouden met een budgetplafond van € 100 mln.

Compensatie indirecte kosten ETS elektriciteitsgrootverbruikers

Door de introductie van het Europese Emissiehandelssysteem (ETS) wordt de CO2-prijs door de elektriciteitsproducenten aan de elektriciteitsgrootgebruikers doorberekend. Elektriciteitsgrootgebruikers die internationaal concurreren kunnen in veel gevallen die CO2-kosten (ook wel indirecte kosten genoemd) niet doorberekenen, omdat de concurrenten buiten de EU die kosten niet hebben. Naast verstoring van het gelijke speelveld leidt dit tot een CO2-weglekrisico (het verplaatsen van bedrijven met veel directe of indirecte CO2-uitstoot naar landen waar de uitstoot van CO2 geen prijs heeft). Voor de compensatie van de indirecte kosten in het kader van het ETS is in 2019 een bedrag beschikbaar van € 61 mln op de EZK-begroting.

Afvang en opslag van CO2

De afvang en opslag van CO2 (CCS) is naar verwachting een onmisbare transitietechnologie in de mix van maatregelen om kosteneffectief CO2-uitstoot te reduceren. CCS kan worden toegepast bij de industrie en bij elektriciteitscentrales. De rijksoverheid heeft haar lange termijn visie op CCS verwerkt in het Energierapport en de Energieagenda. Om CCS in de toekomst breed toe te kunnen passen is het belangrijk om in te zetten op (internationaal) onderzoek, grootschalige demonstratieprojecten, realiseren van kostenreductie en het wegnemen van belemmeringen.

Om internationaal onderzoek naar CO2-afvang, -transport en -opslag te bevorderen, neemt Nederland deel aan het Europese onderzoeksprogramma ACT (Accelerating CCS Technologies). EZK heeft voor ACT I ruim € 4 mln aan onderzoeksbudget beschikbaar gesteld (2017–2020). Voor ACT II (2019–2022) stelt Nederland hetzelfde budget beschikbaar. Nederlandse onderzoeksinstellingen en bedrijven werken hierin samen met Europese organisaties. Ook is in 2019 € 5 mln gereserveerd als extra bijdrage aan het Eranet-cofund CCS.

Daarnaast is het belangrijk om de kosten van CCS-projecten in verschillende industriële sectoren beter in beeld te krijgen. In 2018 is hiervoor € 12 mln uit de klimaatenveloppe beschikbaar gesteld voor de cofinanciering van pilotprojecten en ondersteuning van projectspecifieke kostenstudies van afvang- opslag en gebruik van CO2 (CCS en CCU) om inzicht in de kosten te krijgen en ervaring op te doen met de afvang van CO2. Dit budget is toegev