21 501-33 Raad voor Vervoer, Telecommunicatie en Energie

30 196 Duurzame ontwikkeling en beleid

Nr. 698 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 13 april 2018

De vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat over de brief van 3 april 2018 over de geannoteerde agenda informele Energieraad 19 april 2018 (Kamerstuk 21 501-33, nr. 693), over de brief van 22 januari 2018 over het verslag van de Energieraad van 18 december 2017 (Kamerstuk 21 501-33, nr. 691) en over de brief van 21 maart 2018 over de appreciatie van de amendementen van het Europees parlement over de Europese doelen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie voor 2030 (Kamerstuk 30 196, nr. 597).

De vragen en opmerkingen zijn op 10 april 2018 aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat voorgelegd. Bij brief van 12 april 2018 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Diks

De adjunct-griffier van de commissie, Jansma

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de Minister

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De Minister geeft in het verslag van de formele Energieraad aan dat meerdere lidstaten, waaronder Nederland, niet tevreden waren met de definitieve bepalingen ten aanzien van het opleggen van een CO2-emissieprestatiestandaard (EPS), maar dat er met een krappe meerderheid alsnog een Algemene Oriëntatie werd bereikt. Kan de Minister aangeven wat de consequenties van dit voorstel zijn voor Nederland? Zijn er nog stappen mogelijk in de triloog of tijdens deze informele raad om te onderhandelen over aanpassingen?

Met het opleggen van een «CO2-emissieprestatiestandaard» (EPS) aan installaties wordt beoogd om te voorkomen dat de productie met hoge CO2 intensiteit subsidie kan ontvangen door middel van capaciteitsmechanismen. Wat Nederland betreft lagen in de Algemene Oriëntatie de einddata waarvoor een dergelijke subsidieverbod zal moeten ingaan te ver in de toekomst. Dit zou leiden tot een te sterke afzwakking van het Commissievoorstel. Het Europees parlement wil ambitieuzere invoeringsdata voor het ingaan van de EPS. De discussie over de ingangsdatum van de EPS zal naar verwachting in de triloog aan de orde komen. Het is niet voorzien dat dit tijdens de informele Raad zal worden besproken. Nederland kent zelf geen capaciteitsmechanismen, dus de EPS heeft niet een direct effect op de Nederlandse energiemix.

De Minister geeft aan dat Nederland heeft ingestemd met het derde inhoudelijke agendapunt op de agenda van deze raad, namelijk een wijziging in het voorstel voor een Algemene Oriëntatie op de Governance-verordening. De Minister geeft hierbij aan dat het eerste referentiepunt licht is verhoogd en een derde referentiepunt in 2027 is toegevoegd voor lidstaten met een ambitietekort. Graag horen deze leden met welke stappen het referentiepunt is gestegen en welke norm het derde referentiepunt hanteert.

De referentiepunten betreffen de procentuele voortgang van lidstaten tussen hun doel voor 2020 en hun zelfbepaalde hernieuwbare energiedoel voor 2030. De punten dienen om de voortgang van lidstaten te monitoren. Zodoende kan de Europese Commissie constateren of er een voortgangstekort is. Voorafgaand aan de Energieraad was het voorstel van het voorzitterschap om twee referentiepunten voor hernieuwbare energie in te stellen. Dit betroffen 22,5% in 2023 en 40% in 2025. Tijdens de Energieraad zijn de ministers overeengekomen om het eerste referentiepunt te verhogen en een derde referentiepunt toe te voegen. Hiermee zijn de referentiepunten als volgt vastgesteld: 24% in 2023, 40% in 2025, en 60% in 2027. Dit betekent een flexibiliteit van 20% ten opzichte van een lineair pad voor de eerste twee referentiepunten en een flexibiliteit van 15% voor het derde punt. Voor Nederland reflecteren de punten de juiste balans tussen het enerzijds waarborgen dat lidstaten hun zelfbepaalde doelen halen en anderzijds ruimte bieden voor nationale flexibiliteit in de uitrol van hernieuwbare energie.

De leden van de VVD-fractie zien op de geannoteerde agenda het discussiepunt herziening van de Energie-efficiency Richtlijn (EED) staan. Hierbij geeft de Minister aan dat Nederland heeft ingestemd met een indicatief energie-efficiëntiedoel en een nationale energiebesparingsverplichting van 1,5% per jaar in de periode 2021–2030. Deze leden snappen dat deze richtlijn past binnen de invulling van het CO2-reductiedoel van 49%, maar vragen wel wat de consequenties zullen zijn voor lidstaten als ze deze verplichting niet nakomen.

Lidstaten moeten voldoen aan de nationale besparingsopgave die wordt vastgesteld op basis van de definities uit de richtlijn. Indien een lidstaat onvoldoende energiebesparing realiseert, kan de Commissie besluiten om een ingebrekestellingsprocedure te starten.

Hoe kijkt de Minister naar de mogelijke verhoging van het energie-efficiëntiedoel naar 35%?

Het is de verwachting dat het Europese CO2-doel van 40% in 2030 niet toereikend is om de doelen van de Overeenkomst van Parijs te halen. Daarom pleit ik in de Europese gremia voor een ophoging van het Europese doel voor CO2-reductie naar 55% voor 2030. Bij de besprekingen over verhoging van de doelen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie zal ik blijven benadrukken dat deze discussie moet worden gekoppeld aan een verhoging van het Europese CO2-doel. Ik kan in principe meegaan met een ophoging van het indicatieve energie-efficiëntiedoel naar 35%, mits dit past bij een kosteneffectieve realisatie van het Nederlandse CO2-reductiedoel en het nationale Klimaatakkoord. Dit laat ik onderzoeken en ik zal uw Kamer op korte termijn nader informeren over de resultaten van dit onderzoek.

De leden van de VVD-fractie zijn tevreden met de toezegging van de Minister om terughoudend te zijn met het geven van vrijstellingen of een voorkeursbehandeling aan projecten die op de lange termijn de economische en technische houdbaarheid van het elektriciteitsnet schaden. Tevens geeft de Minister hierbij aan dat het Europees parlement voorstelt om het aandeel hernieuwbare energie in 2030 te verhogen naar 35% en dat de Minister op basis van onderzoek wil bepalen of Nederland met deze verhoging zal instemmen. Wanneer denkt de Minister de Kamer hierover te kunnen informeren?

Ik zal uw Kamer zo snel mogelijk informeren over de uitkomst van de onderzoeken, uiterlijk begin mei.

De leden van de VVD-fractie merken op dat het kabinet aan een kopgroep met gelijkgezinde landen werkt om het emissiereductiedoel te verhogen naar 55%. De Minister geeft hierbij aan dat het voor Nederland belangrijk is dat elementen zoals het als lidstaat zelf een nationaal doel kunnen bepalen en dat de Europese Commissie slechts niet-bindende aanbevelingen kan doen, worden behouden. Ook moet er een sterke governance-structuur zijn op het gebied van vergelijking, monitoring en rapportage. Wat is ervoor nodig om deze elementen te behouden in de onderhandelingen? Hoe wil de Minister dit aanpakken?

De voor Nederland belangrijke elementen, zoals het zelf mogen bepalen van de nationale doelen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie en de niet-bindende aard van aanbevelingen van de Europese Commissie, zijn opgenomen in de Raadspositie. Deze positie is het uitgangspunt voor de onderhandelingen tussen de voorzitter van de Raad en het Europees parlement. De genoemde elementen voor nationale flexibiliteit zijn voor een grote meerderheid van lidstaten belangrijk. De lidstaten stemmen voorafgaand aan elke onderhandelingsronde met het Europees parlement en de Europese Commissie in met het onderhandelingsmandaat van het voorzitterschap, die namens de Raad onderhandelt. De Nederlandse inzet in die mandaatsbepaling is er steeds op gericht om deze elementen voor nationale flexibiliteit te behouden.

Ook de governance-structuur met afspraken op het gebied van vergelijking, monitoring en rapportage is onderdeel van de Raadspositie. Het Europees parlement wenst eveneens een stevige governance-structuur, waardoor behoud hiervan waarschijnlijk is.

Tot slot beschrijft de Minister zeer uiteenlopende groepen lidstaten en standpunten ten aanzien van het voorstel van de Commissie tot herziening van de verordening tot oprichting van het Agency for the cooperation of Energy Regulators (ACER), die alleen geen meerderheid hebben. Kan de Minister aangeven welke groep groter is ten aanzien van het voorstel? Heeft de groep waar Nederland toe behoort ook een blokkerende minderheid?

Met de herziening van de verordening tot oprichting van een agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) wil de Commissie een aanscherping bereiken van de rol en de bevoegdheden van toezichthouder ACER bij onder meer beslissingen van nationale toezichthouders over grensoverschrijdende dossiers en het houden van toezicht op de samenwerkingsverbanden van netbeheerders en Europese energiebeurzen. Hierbij is met name van belang voor Nederland dat het huidige voorstel van de Europese Commissie een goede balans kent met betrekking tot de taken en bevoegdheden van ACER en haar onafhankelijke positie.

Nederland is evenals meerdere lidstaten positief over het voorliggende voorstel omdat de bevoegdheidsverdeling tussen de Board of Regulators (BoR, het gremium waarin de nationale energietoezichthouders zijn vertegenwoordigd) en de Directeur van ACER niet leidt tot inperking van de verantwoordelijkheden en onafhankelijkheid van ACER en haar directeur.

Hiernaast blijft de huidige besluitvormingsprocedure binnen de BoR gelden waarbij ieder lid van de BoR één stem heeft en besluiten worden genomen met tweederde meerderheid en dit niet wordt omgezet naar een aanpassing van de stemverhouding door te kiezen voor een systeem van gekwalificeerde meerderheid.

De groep waartoe Nederland behoort, kent evenals de groep van tegenstanders, een blokkerende minderheid. De verwachting is dat het Bulgaarse voorzitterschap zal proberen om tijdens de Energieraad op 11 juni 2018 te komen tot een gemeenschappelijk standpunt van de Raad.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van deze fractie onderschrijven van harte de lijn van de Minister, namelijk dat het evident is dat voor de opgave van CO2-reductie de komende jaren een forse inzet op hernieuwbare energie en energie-efficiëntie nodig zal zijn. De leden van de D66-fractie constateren echter dat de Minister op dit moment slechts bereid is om «in principe» steun uit te spreken voor de amendementen van het Europees parlement die hogere bindende doelstellingen voorstaan ten aanzien van energie-efficiëntie (35%) en hernieuwbare energie (35%), aangezien hij nog onderzoek wil doen naar in hoeverre dit past binnen het Nederlandse beleid. De leden van deze fractie vragen of dit betekent dat de Minister in de tussentijd zich wel als onverkorte voorstander van deze ophoging zal opstellen in de lopende onderhandelingen. Zo nee, waarom niet? Deelt de Minister de mening dat het pas opportuun is om van deze lijn af te wijken wanneer het resultaat van het genoemde onderzoek daar aanleiding toe geeft en pas nadat daarover met de Kamer is gesproken? Zo nee, waarom niet?

Ik kan, zoals eerder gezegd, een ophoging van de doelen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie naar 35% ondersteunen indien uit onderzoek blijkt dat deze de kosteneffectieve realisatie van het Nederlandse CO2-reductiedoel niet belemmeren. Ik kan mij in de onderhandelingen nog niet vastleggen op hogere doelen zonder de uitkomst van dit aanvullende onderzoek te kennen. Dit levert namelijk een risico op dat ik hogere doelen ondersteun terwijl deze niet passen bij een kosteneffectieve realisatie van het nationale CO2-reductiedoel. De transitie richting 2030 en 2050 kost onvermijdelijk geld. Deze kosten komen uiteindelijk ten laste van de samenleving. Daarom is het voor het draagvlak noodzakelijk om de kosten te beperken door te sturen op maximale kostenefficiëntie bij de keuze van maatregelen. De onderzoeken dienen als waarborg dat ik mij niet vastleg op duurdere energie-efficiëntie en hernieuwbare energiemaatregelen die buiten het kosteneffectieve CO2-reductiepad vallen en die ik niet waar kan maken.

De leden van de D66-fractrie vragen voorts of de Minister al inzicht heeft in en/of bij de Europese Commissie wil opvragen/verifiëren wat de verwachte opbrengst is in termen van CO2-besparing van deze hogere Europese doelstellingen, gezien het feit dat de Minister aangeeft dat hij bij de besprekingen over de verhoging van de doelen wel wil blijven benadrukken dat de discussie moet worden gekoppeld aan een verhoging van het Europese CO2-doel. In de ogen van de leden van deze fractie is het, om deze afweging te maken, immers wel noodzakelijk om de effecten op CO2-besparing van verschillende reductiepercentages ten aanzien van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie goed in kaart te hebben. Indien de Minister die overweging niet deelt, waarom niet?

De Europese Commissie heeft begin dit jaar, naar aanleiding van de sterk gedaalde kosten voor hernieuwbare energie, in een update van haar model becijferd hoeveel de CO2-reductie op Europees niveau bedraagt bij verschillende hoogtes van de doelen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie in 2030. Een scenario met een doel van 30% voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie leidt tot 43% CO2-reductie; 33% hernieuwbare energie en energie-efficiëntie leidt tot 45,8% CO2-reductie; en 35% hernieuwbare energie en energie-efficiëntie leidt tot 47,5% CO2-reductie.

De leden van de D66-fractie wijzen erop dat er ook andere amendementen door de Europese Commissie zijn aangenomen, naast over hogere en meer bindende doelen. De leden van deze fractie vragen of de Minister ook een appreciatie kan geven van het Nederlandse standpunt ten aanzien van deze amendementen. Zo nee, waarom niet? Deze leden wijzen bijvoorbeeld op de amendementen die betrekking hebben op energiecoöperaties, waarbij de vraag voorligt of en zo ja hoe energiecoöperaties beter gepositioneerd zouden moeten worden ten opzichte van grote bedrijven. Deze leden staan in principe positief tegenover het wegnemen van belemmeringen voor energiecoöperaties zodat deze volwaardig mee kunnen doen in de energietransitie. Deelt de Minister deze mening en hoe verhoudt zich dat tot het voorgenomen standpunt van Nederland in dezen?

Met betrekking tot de energiecoöperaties zijn er tien amendementen ingediend die bepalingen treffen over het toekennen van meer rechten aan energiecoöperaties en de deelnemers in energiecoöperaties (amendementen 187–188), de criteria waaraan een energiecoöperatie moet voldoen (amendementen 189–194), het vrijstellen van de steun aan de energiecoöperaties van de staatssteunrichtlijnen en het creëren van een gelijk speelveld tussen de producenten van hernieuwbare energie (amendement 195) en een «enabling framework» dat door lidstaten moet worden opgesteld om de energiecoöperaties te stimuleren en te faciliteren met een analyse van de barrières die door lidstaten moet worden uitgevoerd (amendement 196). Het kabinet ondersteunt de ontwikkeling van de energiecoöperaties en wil voorkomen dat deze partijen tegen barrières aanlopen om zichzelf te ontwikkelen. Daarom kan het kabinet zich op hoofdlijnen vinden in de amendementen die door het EP worden voorgesteld. Het kabinet is kritisch als het gaat om de uitzonderingen voor energiecoöperaties ten opzichte van andere partijen, zoals wordt aangegeven in het antwoord op de vraag hierover van GroenLinks. Ook de overheidssteun die naar deze partijen gaat, moet voldoen aan de staatssteunregels. Het «enabling framework» en de analyse die daaraan vooraf gaat ziet het kabinet niet als een nuttige toevoeging omdat dit niet op Europees niveau afgesproken hoeft te worden.

Voor de Richtlijn hernieuwbare energie alleen heeft het Europees parlement 273 amendementen aangenomen. Voor de Energie efficiëntie Richtlijn zijn dat er eveneens 114. Een appreciatie van al die amendementen is erg omvangrijk en niet direct voorhanden. Een groot deel van de amendementen zijn technische wijzigingen en verbeteringen, waar op ambtelijk niveau in de Raad al overeenstemming is gevonden. De meest relevante politieke amendementen gaan over de hoogte en de aard van de doelen.

De leden van de D66-fractie constateren dat de transportsector op dit moment achterblijft in het behalen van de CO2-besparingsdoelstellingen. Is de Minister het met deze leden eens dat er snel meer moet gebeuren in de transportsector en is hij voorts bereid om daar namens Nederland voor te pleiten op de komende informele Energieraad en daarna? Zo nee, waarom niet?

Om de Nederlandse reductiedoelen in de transportsector te kunnen halen, is streng Europees bronbeleid een vereiste. CO2 normen voor voertuigen zijn bewezen effectief, efficiënt en creëren een gelijk speelveld voor fabrikanten om innovatieve technologie op de markt te brengen. Op dit moment onderhandelt de EU over nieuwe normen voor personenauto’s en bestelwagens. Het voorliggende voorstel van de Commissie mist ambitie. Nederland pleit samen met andere landen voor meer ambitie in deze onderhandelingen in Brussel. Dit is echter geen onderwerp in de informele Energieraad en wordt behandeld in de context van de Milieuraad. De normen moeten de reeds in gang gezette transitie naar nul-emissievoertuigen onomkeerbaar maken en versnellen. Daarnaast publiceert de Commissie in mei as. haar voorstel voor CO2 normen voor vrachtwagens en bussen. Ook hier zet Nederland zich ervoor in om het volledige reductiepotentieel te benutten. Naast normen uit Brussel doet Nederland al veel om de emissies terug te dringen. Samen met alle relevante belanghebbenden zijn afspraken gemaakt om de gehele busvloot in het OV naar nul te brengen, hetzelfde geldt voor de stadslogistiek. Tenslotte bouwt Nederland haar vooraanstaande positie steeds verder uit als het gaat om laadinfrastructuur. In het kader van het Integrale Nationale Energie en Klimaatplan (INEK) wordt nu gekeken hoe Nederland de 2030 doelen kan halen en welke nationale maatregelen moeten worden genomen. U wordt hierover in de loop van dit jaar verder geïnformeerd door de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat.

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie zijn verheugd over het feit dat het kabinet in principe mee wil gaan met het voorstel van het Europees parlement om het doel voor hernieuwbare energie op te hogen naar 35%, conform de motie Van der Lee en Wassenberg (Kamerstuk 21 501-33, nr. 686). Deze leden zien graag een zo ambitieus mogelijk en bindend doel. Deze leden zijn het met de Minister eens dat de doelen voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie met het emissiereductiedoel van 55% voor 2030 in het achterhoofd moeten worden opgesteld. Het kabinet is onder voorwaarden akkoord gegaan met een nationale energiebesparingsverplichting van 1,5%. Welke voorwaarden zijn dit precies?

Nederland heeft tijdens de Energieraad in juni 2017 ingestemd met de energiebesparingsverplichting voor gemiddeld 1,5% per jaar in de periode 2021 – 2030, omdat drie van de voor Nederland belangrijke flexibiliteitsopties in de Algemene Oriëntatie zijn opgenomen. Ten eerste kunnen lidstaten gedeeltelijk kleinschalige hernieuwbare energiemaatregelen in of op gebouwen meenemen. Ten tweede kunnen lidstaten besparing meenemen uit nieuwe individuele energiebesparingsmaatregelen uit beleid dat voor 2020 is geïmplementeerd. Ten derde behoudt Nederland de mogelijkheid om in de huidige verplichtingperiode tot en met 2020 de energiebesparing uit nieuwbouwnormen mee te kunnen tellen.

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat het kabinet aangeeft geen beleid te willen voeren op het gebied van energie-armoede. Deze leden zijn van mening dat een betere verdeling van de lusten en lasten van de energietransitie rechtvaardig is en bijdraagt aan het draagvlak voor de energietransitie. Daarnaast loopt de aanpak van energie-armoede, bijvoorbeeld betere voorlichting over het treffen van eenvoudige maatregelen die energie besparen, vaak synchroon met het bevorderen van de energietransitie. Daarom zijn deze leden van mening dat het wel degelijk van belang is om energie-armoede apart te adresseren. Is de Minister bereid het standpunt op dit punt te wijzigen en wel degelijk in te stemmen met voorstellen op dit punt? Zo nee, waarom niet? Is de Minister het met deze leden eens dat het aanpakken van energie-armoede de energietransitie ten goede kan komen?

Het kabinet is geen voorstander van het apart adresseren van energie-armoede. Ik merk op dat we via de sturing op een gewenste verdeling van de directe lasten tussen burgers en bedrijven geen inkomenspolitiek kunnen en moeten voeren via bijvoorbeeld de energiebelasting of de Opslag Duurzame Energie (ODE). Uiteindelijk zal jaarlijks bij de vaststelling van de Miljoenennota worden bezien hoe de koopkracht van met name lagere inkomensgroepen zich ontwikkelt en of het dan vervolgens opportuun is om het resulterende koopkrachtbeeld te repareren. De wijze waarop de doelen voor de reductie van broeikasgassen bij voorkeur moeten worden behaald en de lusten en lasten dan zouden moeten worden verdeeld, is een onderwerp voor het te sluiten Klimaatakkoord. De besprekingen hierover zijn in volle gang.

Daarnaast is er geen eensluidende Europese definitie van wat we onder energie-armoede moeten verstaan. Dat is ook te verklaren, aangezien de situatie in de lidstaten van de EU in het algemeen niet vergelijkbaar is. Wel benadruk ik dat de klimaat- en energietransitie alleen draagvlak kan hebben als deze voor iedereen betaalbaar is en blijft. Daarom zet het kabinet nationaal in op een zo kosteneffectief mogelijke transitie. De verdeling van de lasten tussen burgers en bedrijven is daarbij een van de vraagstukken. Het gaat daarbij om het vinden van de juiste balans in de bijdragen van huishoudens en bedrijven aan de kosten van de energietransitie.

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat de Minister tegen een ambitieuzere inspanningsverplichting voor lidstaten op het gebied van de verduurzaming van warmte en koude is, omdat dit lidstaten mogelijk kan beperken. In welke zin zou dit lidstaten kunnen beperken? Zijn hier concrete voorbeelden van? Welke lidstaten zouden mogelijk beperkt kunnen worden in hun ambities?

In algemene zin is het kabinet geen voorstander van subdoelstelling of inspanningsverplichtingen in deze richtlijn. De inspanningsverplichting om het aandeel hernieuwbare energie in de levering van warmte en koude in elke lidstaat toe te laten nemen met 1%-punt per jaar, zoals ook opgenomen in de positie van de Europese Commissie en van de Raad, kan het kabinet accepteren omdat het grofweg in lijn ligt met de kosteneffectieve uitrol van hernieuwbare energie in Nederland. Een snellere toename van de verduurzaming van warmte en koude zou niet passen bij het Nederlandse kosteneffectieve CO2-reductiepad. Afgaande op de geluiden in de raadswerkgroepen, zijn er meer lidstaten die deze mening zijn toebedeeld.

De leden van de GroenLinks-fractie hechten veel belang aan de bijdrage van individuen en energiecoöperaties aan de energietransitie. De Minister wil geen vrijstellingen of voorkeursbehandeling aan dit soort projecten geven. Deze leden zijn erg bezorgd over dit standpunt. Deze leden zijn van mening dat voorlopers en personen die enthousiast bijdragen aan de energietransitie moeten zoveel mogelijk worden ondersteund. Kan de Minister nader uitleggen op welke wijze burgers en gemeenschappen die zelf hernieuwbare energie opwekken de lange termijn economische en technische houdbaarheid van het elektriciteitsnet zouden kunnen schaden? Deze leden dringen er op aan dat Nederland alle voorstellen steunt die belemmeringen wegnemen voor individuele energieopwekking en energieopwekking door gemeenschappen. Graag ontvangen deze leden hier een reactie op.

Het kabinet onderkent het belang van het betrekken van burgers en energiecoöperaties in de energietransitie. Zonder hun betrokkenheid en steun zal de energietransitie niet slagen. Om die reden steunt het kabinet de voorstellen waarbij energiecoöperaties zoveel als mogelijk dezelfde rechten en kansen krijgen als andere spelers op de energiemarkt. Op die manier wordt de elektriciteitsmarkt voor kleinverbruikers beter ontsloten. Het handelen van deze partijen op de elektriciteitsmarkt moet wel zoveel mogelijk volgens de regels die gelden voor die elektriciteitsmarkt. Wanneer de aantallen en de volumes van zelf producerende burgers en energiegemeenschappen in de toekomst gaan toenemen, en aan deze groep een gehele uitzondering van de marktregels wordt voorgesteld, zal het voor de netbeheerders steeds lastiger worden om de balans in het net te handhaven. Technisch kan hierdoor de voorzieningszekerheid in gevaar komen. Daarnaast is het uitzonderen van deze partijen van het betalen van de bijdrage aan de kosten van het net niet houdbaar omdat ook hier bij groeiende aandelen de kosten van bepaalde verbruikers door anderen betaald moeten worden. Anderen, die wellicht niet kunnen participeren in een energiecoöperatie. Ten slotte merk ik op dat de huidige experimentenregeling in Nederland met name energiecoöperaties de kans geeft om ervaring op te doen met de energietransitie.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie benadrukken het belang om in Europees verband richting te geven aan de klimaatdoelen. Zij wijzen hierbij ook op de onlangs aangenomen motie Laçin/Beckerman (Kamerstuk 21 501-08, nr. 722) om de doelen tijdig bij te stellen,waar nodig, om de klimaatdoelen binnen handbereik te houden.De leden van de SP-fractie stellen wel dat het zaak is om de invulling van beleid aan individuele lidstaten te laten. Zaken als bemetering en facturering lijkt hen zeker geen zaak voor bemoeienis van de EU. Op welke wijze zou dit de klimaatdoelen dichterbij brengen, zo vragen zij.

De klimaatdoelen die worden besproken in de Europese Unie vergen uitwerking. In de Europese regels wordt veel belang gehecht aan goede informatievoorziening aan kleinverbruikers, zodat zij op basis daarvan actiever kunnen participeren op de energiemarkt. Deze Europeesrechtelijke kaders worden door de lidstaten verder uitgewerkt in nationaal beleid. Inzicht in de meetgegevens van het energieverbruik kan een basis zijn voor het nemen van energiebesparende maatregelen. Inzicht in de kosten of de herkomst van de energie kan een consument doen besluiten om over te stappen naar duurzame energie. Dit brengt het behalen van de klimaatdoelstellingen dichterbij.

Wat betreft energie-armoede wijzen de leden van de SP-fractie op het belang van en recht op schone en betaalbare energie voor iedereen. Op welke wijze wil het kabinet hier aandacht voor vragen tijdens de volgende bijeenkomst, zeker gezien de ook in Nederland almaar stijgende energiekosten voor juist minder draagkrachtige huishoudens? Hoe pakt de energierekening uit in overige lidstaten en hoe wordt daar vorm gegeven aan (inkomens-)ondersteuning aan minima die moeite hebben met het betalen van de energierekening?

Zoals ik aangaf in mijn eerdere antwoord op de vraag van de GroenLinks-fractie zie ik geen reden om een item als energie-armoede Europees onder de aandacht te brengen en daar generiek Europees beleid voor te gaan voeren als dat al mogelijk is.

De specifieke situatie in de afzonderlijke lidstaten van de EU is in het algemeen niet vergelijkbaar en een uniforme wijze waarop ondersteuning al dan niet vormgegeven wordt, is daarom niet aan te geven.

Wel benadruk ik dat de klimaat- en energietransitie alleen draagvlak kan genieten als deze voor iedereen betaalbaar is en blijft. Daarom zet het kabinet nationaal in op een zo kosteneffectief mogelijke transitie. De verdeling van de lasten tussen burgers en bedrijven is daarbij een van de vraagstukken. Uiteindelijk zal jaarlijks bij de vaststelling van de Miljoenennota worden bezien hoe de koopkracht van met name lagere inkomensgroepen zich ontwikkelt en of het dan vervolgens opportuun is om het resulterende koopkrachtbeeld te repareren.

Verder vragen de leden van de SP-fractie op welke wijze de privacy van consumenten is geborgd in verband met de toegang tot verbruiksinformatie. Wat wordt op lidstatenniveau geregeld en wat zijn de plannen op EU-niveau?

De privacy van persoonsgegevens, zoals verbruiksgegevens van consumenten, wordt per 25 mei 2018 geborgd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming die op dat moment in werking treedt. Vanaf die datum geldt in de hele Europese Unie dezelfde privacywetgeving.

De leden van de SP-fractie vragen wat de verhoging van het aandeel duurzame energie voor Nederland betekent. Wordt erkend dat Nederland erg achterloopt in het aandeel duurzame energie? Hoe wordt dit door het kabinet opgepakt? Deze leden vragen hierbij ook hoe het boren naar gas (onder andere in kleine velden en in het Waddengebied) valt te rijmen met het verhogen van het aandeel duurzame energie. Zij zien hierop graag uitleg tegemoet.

Een hoger doel voor hernieuwbare energie zal moeten leiden tot meer hernieuwbare energie in alle landen van de EU, ook in Nederland. Het kabinet zet dan ook sterk in op de toename van het aandeel hernieuwbare energie in 2030. Daarnaast mikt het kabinet op een aandeel hernieuwbare energie van 14% in 2020 en 16% in 2023. Om die doelen te behalen voert het kabinet het energieakkoord uit. Volgens de NEV van 2017 ligt Nederland op koers om het doel van 16% te halen en zijn er aanvullende acties nodig om het doel van 14% te halen.

Nederland heeft nog steeds een grote vraag naar aardgas. Het is het streven van dit kabinet om over te stappen op duurzame alternatieven. In de tussentijd blijft de vraag naar aardgas wel bestaan. Deze vraag wordt deels ingevuld door winning uit Nederland en deels door import van gas uit het buitenland. Als de winning van gas in Nederland zou stoppen, zou dit leiden tot nog een hogere import van gas en niet tot een toename van het aandeel hernieuwbare energie. Een mogelijk effect op het aandeel duurzame energie treedt pas op het moment dat afnemers van gas van een alternatief gebruik kunnen maken.

Verder vragen de leden van de SP-fractie of een actueel overzicht gegeven kan worden van het aandeel duurzame energie in de overige lidstaten. Wat zijn de bronnen van deze duurzame energie?

De Europese Commissie publiceert elke twee jaar een voortgangsrapportage hernieuwbare energie waarin de aandelen hernieuwbare energie per lidstaat zijn opgenomen. Deze rapportage is te raadplegen via de website van de Europese Commissie (https://ec.europa.eu/energy/en/topics/renewable-energy/progress-reports). Data over de mix van hernieuwbare bronnen per lidstaat is hierin niet opgenomen. Deze data heeft het kabinet ook niet beschikbaar.

Deze leden benadrukken dat biomassa nauwelijks duurzaam te noemen is en meer klimaatschade aanricht dan het oplost. Graag ontvangen deze leden hier een reactie van de Minister op.

Biomassa is een hernieuwbare bron voor de opwekking van hernieuwbare energie en levert een belangrijke bijdrage aan het verduurzamen van de energieproductie. Ik ben het met de leden van de SP eens dat het van belang is bij het gebruik van biomassa, dat deze uit een duurzame bron komt. Daarom heb ik, samen met de andere leden van het energieakkoord, ook in het kader van het energieakkoord vergaande eisen gesteld aan de biomassa die ingezet wordt voor de bij- en meestook.

De leden van de SP-fractie zijn positief over het voornemen om meer rechten te geven aan burgers die eigen duurzame energie opwekken. Dat het kabinet hier terughoudend op reageert, met het excuus dat dit het huidige net economisch benadeelt, vinden zij niet alleen teleurstellend maar met het oog op het belang van de verdere ontwikkeling van duurzame energie ook wat vreemd. Zij vragen hier een verdere toelichting op. Op welke wijze kan lokale opwekking verder worden gestimuleerd?

Burgers en energiegemeenschappen hebben in Nederland al de rechten om energie te produceren en direct te consumeren, te verkopen of op te slaan. Het kabinet kan er ook mee instemmen om deze rechten op Europees niveau te verankeren. Een verdere toelichting waarom het kabinet tegen het uitzonderen van deze groep met betrekking tot bijdragen aan de netkosten en het dragen van programmaverantwoordelijkheid is, verwijs ik u naar het antwoord op vraag hierover van GroenLinks.

Binnenkort informeer ik uw Kamer per brief over mijn voorgenomen beleid voor de stimulering van lokale energieproductie. Hierin zal ik ingaan op de opvolger van de salderingsregeling, de evaluatie van de postcoderoosregeling en mijn voorgenomen beleid ter ondersteuning van energiecoöperaties.

De leden van de SP-fractie vragen welke handhavingsmechanismen op tafel liggen er waar de knelpunten tussen lidstaten zitten. Ook hier wijzen zij op het belang om op EU-niveau ambitieuze en afrekenbare doelen te stellen, maar ook om de invulling van hoe deze doelen gehaald moeten worden op lidstaat-niveau moet blijven liggen. Dat de klimaatdoelen gehaald moeten worden en dat iedere lidstaat daar absoluut zijn aandeel in heeft en verplichtingen moet nakomen staat buiten kijf, deze leden benadrukken echter ook het belang van soevereiniteit van de individuele lidstaten. Een goed evenwicht hierin is essentieel, aldus deze leden.

De handhavingsmechanismen van de governance-verordening waarborgen dat alle lidstaten eraan bijdragen dat de doelen van de energie-unie voor 2030 en de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs worden behaald. De wetgeving kent een balans tussen enerzijds waarborgen dat alle lidstaten een bijdrage leveren aan de gezamenlijke doelstellingen en anderzijds ruimte laten aan de lidstaten om hun bijdragen naar eigen inzicht op efficiënte wijze te realiseren. Dat is ook steeds de inzet van Nederland geweest. De lidstaten zijn in de Energieraad van december 2017 reeds een Raadspositie overeengekomen die de basis vormt voor de onderhandelingen met het Europees parlement en de Europese Commissie. De discussie over handhavingsmechanismen die momenteel nog op tafel ligt, speelt tussen het Europees parlement, de Europese Commissie en de Raad. Dit betreffen voornamelijk discussiepunten over de mate waarin de Europese Commissie zich mag mengen in de ambities en voortgang van lidstaten.

De leden van de SP-fractie vragen wat gezegd kan worden over de voortgang van het vormen van een kopgroep van landen om het reductiedoel te verhogen.

Ik heb uw Kamer in mijn brief van 28 maart (Kamerstuk 21 501-08, nr. 717) geïnformeerd dat voor de ophoging van de EU-doelstelling voor broeikasgasreductie Nederland samenwerkt met andere ambitieuze landen in de EU om een kopgroep te vormen. Doel is een krachtige lobby op te zetten voor het zo ver mogelijk ophogen van het EU-klimaatdoel naar 55%. Frankrijk en Zweden hebben al aangegeven samen met Nederland deze kopgroep te willen trekken. Tijdens de informele Milieuraad in Sofia is deze kopgroep bijeengekomen en zijn er contacten met andere landen gelegd die mogelijk interesse hebben deze kopgroep te willen versterken. Als vervolg heeft Minister Hulot de kopgroep, aangevuld met Duitsland, Luxemburg en Portugal voor een ronde tafel bijeenkomst op 25 april a.s. in Parijs uitgenodigd.

Parallel agendeert Nederland waar mogelijk de noodzaak tot aanscherping van de EU-klimaatambitie politiek via de (informele) bijeenkomst van milieuministers, de (informele) bijeenkomst van energieministers, de voorbereidingen van de Europese Raden en de voorbereiding van de Klimaattop (COP 24) in Katowice.

De leden van de SP-fractie vragen of een verdere toelichting kan worden gegeven op hoe de Europese Commissie maar ook de lidstaten verdere aanscherping van toezicht en bevoegdheden van ACER voor zich zien. Deze leden vragen dit met name voor wat betreft de taken die toezichthouder ACER zal gaan vervullen. Wanneer wordt op dit punt een gemeenschappelijk standpunt verwacht?

Graag verwijs ik naar de beantwoording van een vergelijkbare vraag van de VVD-fractie.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

De leden van de PvdD-fractie lezen In de geannoteerde agenda dat de Minister zal meegaan met ophoging van de doelen gericht op energie-efficiëntie en hernieuwbare energie (beide doelen zijn door het Europees parlement gezet op 35%, maar door de Raad op 30% en respectievelijk 27%). Maar, zo stellen deze leden, «meegaan» is wel een erg passieve opstelling voor een land dat zegt het voortouw te willen nemen en naar een 55% CO2-reductiedoel per 2030 zegt te streven. Is de Minister bereid zich actief in te zetten voor aanscherping van de doelen en voor een constructieve houding in de triloog van de Raad en het Bulgaars voorzitterschap richting het Europees parlement? Graag ontvangen deze leden een reactie.

Graag verwijs ik naar de beantwoording van een vergelijkbare vraag van de D»66-fractie.

De leden van de PvdD-fractie merken op dat de Minister stelt dat het ophogen van de doelen niet het nationale Klimaatakkoord over het Nederlandse CO2-doel mag belemmeren. Graag merken deze leden hierbij op dat de effecten van ambitieuzer EU-beleid op het kosteneffectief bereiken van de Nederlandse CO2-doelen al door ECN in kaart zijn gebracht. Vooral in de industrie is er nog veel besparingspotentieel, waardoor een hoger energie-efficiëntiedoel geen probleem zou mogen zijn. Gezien de voorspoedige uitrol van wind op zee hoeft ook een hoger hernieuwbare energiedoel niet te leiden tot hogere kosten per vermeden ton CO2. Daarbij komt dat het EU-beleid buiten Nederland ook tot emissiereductie leidt en dat het EU-beleid een grote markt voor duurzame techniek creëert, die zal leiden tot kostenbesparing. Daarnaast zijn energiebesparing en duurzame energie de meest zekere opties voor vermindering van CO2 emissies. Graag ontvangen deze leden een reactie op het bovenstaande. Deze leden vragen waarom de Minister voornemens is om meer onderzoek te verrichten naar de effecten voor Nederland, aangezien deze gegevens al voorhanden zijn.

Het kabinet wil in 2030 49% CO2-emissiereductie realiseren op een kostenefficiënte wijze om draagvlak voor de energietransitie te behouden. Dit betekent dat ik op de meest kosteneffectieve CO2-reducerende maatregelen in wil zetten. Een verhoging van de Europese doelen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie betekent dat Nederland meer maatregelen moet treffen op het gebied van hernieuwbare energie en energiebesparing. Deze maatregelen leiden tot nationale kosten. De eerdere studie van ECN over het besparingspotentieel laat zien dat een hoog finaal verbruiksdoel leidt tot hoge maatschappelijke kosten. Ik wil daarom deze maatregelen alleen treffen als deze passen in het kosteneffectieve maatregelenpakket voor 49% CO2-emissiereductie. Op basis van de eerdere studies was nog niet duidelijk hoe de verwachte Nederlandse bijdragen aan hogere Europese doelen zich verhouden tot het kosteneffectieve CO2-reductiepad van 49% in 2030. Daarom heb ik besloten tot aanvullend onderzoek voordat ik aan kan geven of ik hogere Europese doelen kan ondersteunen.

De leden van de PvdD-fractie maken zich zorgen over het voornemen van de Minister om voorstellen van het Europees parlement niet te steunen die zijn gericht op een ambitieuzere inspanningsverplichting voor lidstaten op het gebied van de verduurzaming van warmte en koude. De Minister accepteert deze ophoging niet, omdat dit lidstaten zou kunnen beperken in het volgen van een kosteneffectief CO2-reductiepad. Het verhogen van verduurzaming van warmte en koude kan bereikt worden door ofwel de warmte- en koudevraag te vergroenen ofwel deze te verminderen. Daarmee vermindert het de keuzemogelijkheden voor het volgen van een kosteneffectief CO2-reductiepad volgens deze leden niet. Verder past deze inspanningsverplichting naadloos in het beleid van deze regering voor beëindiging van de gaswinning in Groningen en verduurzaming. Ook zal het EU-beleid ertoe leiden dat er een EU-brede markt ontstaat voor duurzame oplossingen, wat zal leiden tot kostenbesparing. Nederland kan in Europa koploper worden voor deze duurzame oplossingen (zowel kennis als bouwconcepten), wat zal leiden tot nieuwe exportmogelijkheden (Energiesprong is bijvoorbeeld al actief in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk). Graag ontvangen deze leden een reactie op het bovenstaande. Kan de Minister concreet maken hoe hogere ambities zijn CO2-aanpak zullen beperken? Deelt de Minister niet meer het belang van een zo snel mogelijke verduurzaming, ook van warmte en koude, en beëindiging van de gaswinning in Groningen?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord over de verduurzaming van warmte en koude op de vraag van de GroenLinks-fractie hierover. Voor wat betreft de link met de gaswinning verwijs ik naar het antwoord op de vraag van de SP-fractie hierover.

Tot slot hebben de leden van de PvdD-fractie nog een vraag over de lange termijnklimaatstrategie die lidstaten uiterlijk 1 januari 2020 moeten opstellen en die ministens 30 jaar vooruitkijkt. Deelt de Minister de mening dat een actualisatie van deze strategie per 10 jaar onvoldoende is, gezien de snelle ontwikkelingen op het gebied van klimaat en energie in de wetenschap, technologie en maatschappij?

Naast bovengenoemde langetermijn strategie (LTS), moeten lidstaten voor de kortere termijn een Integraal Nationaal Energie en Klimaatplan (INEK) opstellen. Het INEK heeft een looptijd van 10 jaar, moet elke 5 jaar worden geactualiseerd en er wordt elke 2 jaar een voortgangsrapport over uitgebracht. Hiermee vormt het INEK een aanvulling op de LTS, waarmee kan worden ingespeeld op de snelle, nieuwe ontwikkelingen. In dat licht acht ik een actualisatie van de LTS per 10 jaar voldoende.

Naar boven