Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-2017nr. 52, item 38

38 Criminaliteitsbestrijding

Aan de orde is het VAO Criminaliteitsbestrijding (AO d.d. 02/02). 

De voorzitter:

Ik heet de minister van Veiligheid en Justitie van harte welkom. 

Mevrouw Helder (PVV):

Voorzitter. Het is niet mijn gewoonte, maar ik ga een motie indienen die ik vorig jaar bij de behandeling van de begroting ook heb ingediend. Dat doe ik omdat er in de tussentijd het een en ander is gebeurd. We hebben namelijk de Discussienotitie opsporings- en vervolgingstekort van het Openbaar Ministerie en de politie gekregen. Ook hebben we een fiche, dus een interne notitie, van het ministerie van Veiligheid en Justitie zelf, waarin hoge ambtenaren stellen dat er een cellenoverschot is. Dat is allemaal gebaseerd op cijfers waarvan mijn fractie nog altijd zegt dat die niet juist zijn. Daarom dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de geregistreerde criminaliteit geen volledig beeld geeft van het aantal feitelijk gepleegde misdrijven, omdat de geregistreerde criminaliteit alleen het aantal misdrijven weergeeft waarvan door burgers aangifte is gedaan; 

constaterende dat slachtofferenquêtes worden gebruikt om een beter beeld te krijgen van het aantal feitelijk gepleegde misdrijven, maar dat dit slechts steekproeven zijn waarbij niet alle misdrijven worden meegenomen; 

van mening dat zo veel mogelijk duidelijkheid dient te worden gekregen over het feitelijk aantal gepleegde misdrijven, mede omdat dit grondslag is voor het al dan niet aanpassen van beleid en/of wetgeving; 

verzoekt de regering om onderzoek te doen naar een nieuw en/of aanvullend meetinstrument teneinde zo veel mogelijk duidelijkheid te krijgen over het feitelijk aantal gepleegde misdrijven per jaar, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Helder. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 142 (29911). 

De heer Van Nispen (SP):

Voorzitter. Mag ik allereerst vanaf deze bijzondere plaats onze collega Nine Kooiman feliciteren? Zij is namelijk moeder geworden van een zoon. Hij luistert nog niet, maar hij heet Moos. Het gaat goed met moeder en zoon. Vanaf deze plaats wil ik haar hartelijk feliciteren. 

De voorzitter:

Dat is mooi, want nu komt het ook in de Handelingen terecht en kan het later teruggevonden worden. Ook vanaf de voorzittersstoel: van harte. Ik wens haar geluk. 

De heer Van Nispen (SP):

Wij hebben in het algemeen overleg over criminaliteitsbestrijding ook gesproken over het afpakken van crimineel geld. Daarover dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

van mening dat misdaad niet mag lonen en dat daarom bij elke strafzaak het crimineel verkregen vermogen moet worden ontnomen; 

constaterende dat dit uitgangspunt nog steeds niet ten volle wordt toegepast en dat slechts een vijfde deel van wat het OM probeert te ontnemen daadwerkelijk wordt ontnomen; 

overwegende dat de samenwerking tussen de opsporingsdiensten en de Belastingdienst nog steeds niet goed loopt en dat het OM onvoldoende mogelijkheden heeft om financieel door te rechercheren; 

verzoekt de regering, op korte termijn met onder andere het OM, de Belastingdienst, de politie en gemeentes te bespreken wat precies nodig is om te bewerkstelligen dat crimineel verkregen vermogen beter dan nu kan worden afgepakt, en hiertoe uiterlijk 1 april 2017 met voorstellen te komen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen en Recourt. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 143 (29911). 

De heer Van Nispen (SP):

Een motie die hier op lijkt, maar net iets specifieker op deze materie ingaat, is de volgende. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat een zestal Brabantse bestuurders ervoor pleit om reeds bij de arrestatie van een verdachte beslag te leggen op het crimineel verkregen vermogen om te voorkomen dat dat geld naar het buitenland verdwijnt; 

verzoekt de regering, het voorstel om crimineel vermogen zo snel mogelijk na arrestatie te bevriezen nader te verkennen en de Kamer te informeren hoe effectief kan worden voorkomen dat criminele winsten weggesluisd worden voordat deze ontnomen kunnen worden, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen en Recourt. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 144 (29911). 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Voorzitter. We hebben een goed algemeen overleg gehad. Toch voelen we de behoefte om een aantal moties in te dienen, om wat richting te geven. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat in de regio's die kampen met zware criminaliteit de behoefte bestaat om de afgepakte criminele vermogens in te zetten voor vergoeding van schade en extra inzet in de regio om deze criminaliteit verder te bestrijden; 

overwegende dat ook een hiertoe opgezette werkgroep concludeert dat integraal afpakken van crimineel vermogen van meerwaarde is bij de aanpak van (georganiseerde) ondermijnende criminaliteit en een belangrijke pijler binnen het overheidsbeleid op dat terrein moet zijn; 

verzoekt de regering, een zogeheten ondermijningsfonds op te richten, te vullen vanuit afgepakte criminele vermogens, waaruit slachtoffers kunnen worden gecompenseerd en waaruit decentrale overheden middelen kunnen onttrekken ter (mede)financiering van hun bestuurlijke en justitiële inzet ter bestrijding van ondermijnende (drugs)criminaliteit, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Toorenburg en Helder. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 145 (29911). 

De heer Van Oosten (VVD):

Ik vind dit op zichzelf een heel sympathieke motie. Ik heb zelf ook eerder namens de VVD gepleit voor een vergelijkbaar ontnemingsfonds. Dat staat ook in ons verkiezingsprogramma. Ik hoor mevrouw Van Toorenburg echter nu als invulling van zo'n fonds noemen dat enerzijds slachtoffers worden gecompenseerd, en anderzijds decentrale overheden er middelen uit mogen onttrekken. Ik denk zelf ook aan een investering in fiscaal-juridische expertise voor het kunnen doorgronden van heel ingewikkelde juridische vennootschappen, ver hier vandaan, tot aan de Bahama's aan toe. Zou ook daar het ontnemingsfonds dat mevrouw Van Toorenburg voor ogen heeft, toe kunnen dienen? Of zegt ze dat het uitsluitend voor slachtoffers en decentrale overheden is? 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Het zijn wat mij betreft in de eerste plaats de slachtoffers die met enorme schade achterblijven. Dat geldt ook voor de decentrale overheden, die net een tandje extra willen bij zetten om de ondermijning een slag toe te brengen. Dat kunnen ze mede gefinancierd krijgen omdat ze het nu bijna niet redden. Ik vind ook dat er moet worden geïnvesteerd in die ingewikkelde situatie om erachter te komen waar het nou precies zit, zoals de heer Van Oosten zegt. Ik weet alleen niet of dat per se uit dit fonds moet. Als het snel genoeg gevuld wordt, is dat prima. Maar ik vind überhaupt dat dit moet gebeuren om ervoor te zorgen dat de forensische recherche meer slagkracht krijgt. Volgens mij zijn we het ook daarover eens. 

De heer Van Nispen (SP):

Ik vind het ook een sympathiek voorstel, maar ik heb even na kunnen denken sinds het moment dat mevrouw Van Toorenburg dit voorstel deed en het indienen van deze motie. Ik zie wel het risico dat de gedachte van één integrale overheid geweld wordt aangedaan. Het maakt niet uit wie het afpakt, of het nou de Belastingdienst is of het Openbaar Ministerie. Als je een prikkel inbouwt waardoor het geld dat door bijvoorbeeld het OM wordt afgepakt, weer terugvloeit naar de regio, dan ontstaat er wellicht concurrentie in wie het geld gaat afpakken. Ziet mevrouw Van Toorenburg dat risico? Kan zij die zorg betrekken bij het voorstel dat zij doet en bij de vraag aan de minister hierover? 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Het is altijd heel slim om dit soort vragen ook aan het kabinet voor te leggen: bij dezen dus. De burgemeesters en de verschillende regio's geven aan dat zij zelf heel veel investeren in de extra aanpak. Dat kost hun veel geld. Ik wil dat ze dat kunnen blijven doen. Als er een fonds wordt gevuld door ontnemingen, dan zou je die kunnen laten terugvloeien. Daar is die werkgroep mee bezig. Ik denk dat we dat met elkaar moeten kunnen bereiken. Ik weet dat er allerlei schuringen zijn, met name bij Financiën, om dat voor elkaar te krijgen, maar de roep is er vanuit het OM, het bestuur en de slachtoffers. Ik denk dat we die stap moeten zetten met elkaar. 

Ik heb nog een motie. Ook wij hebben goed geluisterd naar de burgemeesters die vanmorgen in de krant een duidelijke cri du coeur hebben laten horen. Ik wil het wat breder trekken dan de SP doet. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de burgemeesters van de vijf grootste steden en de commissaris van de Koning in Noord-Brabant een deltaplan hebben opgesteld om de georganiseerde en ondermijnende criminaliteit beter te kunnen bestrijden; 

overwegende dat de daarin voorgestelde maatregelen inhoudelijk aansluiten op de werkzaamheden van de reeds ingestelde taskforce in Zuid-Nederland en implementatie van deze maatregelen van groot belang is om Noord-Brabant te ondersteunen in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit; 

verzoekt de regering, de Kamer te informeren over de wijze waarop zij invulling geeft aan de extra voorgestelde maatregelen zoals die in het deltaplan worden voorgesteld, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Toorenburg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 146 (29911). 

De voorzitter:

Tot slot geef ik het woord aan de heer Recourt namens de fractie van de Partij van de Arbeid. 

De heer Recourt (PvdA):

Voorzitter. Wij hebben het tijdens het algemeen overleg inderdaad gehad over de georganiseerde criminaliteit in Brabant. Daar zijn een aantal moties over ingediend en er komt nog een reactie van het kabinet. De Partij van de Arbeid heeft daar ook het eigen deltaplan neergelegd. Wij zullen de moties aan de hand daarvan beoordelen. 

Wij hebben tijdens het AO ook gesproken over mediation in het strafrecht. Zowel de SP, D66 als de Partij van de Arbeid hebben daar een punt van gemaakt. Het kabinet heeft vandaag een brief gestuurd met een reactie daarop. Die reactie vond ik wat teleurstellend en aan de dunne kant. Ik dien dus twee moties in om het kabinet toch een duwtje in de goede richting te geven. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat uit de uitgevoerde pilots blijkt dat mediation in strafrecht van toegevoegde waarde is bij geschillenbeslechting in het strafrecht; 

constaterende dat door toepassing van mediation in het strafrecht extra capaciteit van de politie, Openbaar Ministerie en rechter kan worden ingezet op de aanpak van zware vormen van criminaliteit; 

constaterende dat bij de behandeling van de begroting Veiligheid en Justitie over het jaar 2017 een amendement is aangenomen dat 1,5 miljoen vrijmaakt voor mediation in het strafrecht; 

van mening dat er structureel geïnvesteerd moet worden in mediation in strafrecht; 

verzoekt de regering, bij toekomstige begrotingen minimaal 1,5 miljoen te reserveren voor mediation in het strafrecht, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Recourt, Van Nispen, Swinkels en Van Tongeren. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 147 (29911). 

Er is een vraag van de heer Van Oosten. Ik zag dat hij nog aan het nadenken was. 

De heer Van Oosten (VVD):

Ja, want ik zat goed te luisteren om precies te horen wat de heer Recourt zei. De strekking van de motie is mij volkomen helder. Wellicht heeft hij wel iets over de dekking gezegd, maar heb ik dat gemist. Wat is de dekking van dit voorstel? 

De heer Recourt (PvdA):

Ik kan geen dekking geven. Dit gaat over de begroting voor 2018, dus dat is technisch volkomen onmogelijk. Tijdens onze bijeenkomst in Utrecht waren zowel het OM, de politie als de burgemeester aanwezig. Zij zeiden dat zij met mediation veel uitsparen dat ze juist ergens anders kunnen inzetten. Het verdient zichzelf dus terug. Dit is veel meer een aansporing aan het kabinet om het voor de begroting te regelen, omdat de Kamer anders jaar in, jaar uit amendementen moet gaan indienen over diezelfde 1,5 miljoen, terwijl de Kamer dit juist structureel wil. 

De heer Van Oosten (VVD):

In de motie ontbreekt een dekking. Ik hecht zelf wel altijd aan een dekking bij een voorstel. Mag ik de uitleg van de heer Recourt dan zo begrijpen dat het geld in het geval het tot een kostenbesparing leidt, doordat er bijvoorbeeld minder procedures et cetera zouden zijn, ingezet zou kunnen worden voor mediation in het strafrecht? Mij lijkt dat wij dat eerst wel moeten onderzoeken. Wellicht kunnen wij de minister daarnaar vragen alvorens over zo'n motie te beslissen. 

De heer Recourt (PvdA):

Nee, dat zie ik net een slag anders. Het amendement dat is ingediend op de begroting 2017 kan niet anders dan gelden voor de begroting van 2017. Het oogmerk van deze motie is om structureel 1,5 miljoen te krijgen voor mediation in het strafrecht. Je kunt niets structureels opbouwen als je per jaar moet bekijken of er nog wel geld voor komt. Het verzoek aan het kabinet is dus om hier rekening mee te houden voor de begroting van 2018 — in het voorjaar beginnen de onderhandelingen daar weer over — en om mediation een plekje in het strafrecht te geven. 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Is dit nou een heel charmante manier om gewoon over je eigen graf heen te regeren? Want de heer Recourt zegt nu alvast dat een nieuw kabinet ervoor moet zorgen dat dit, dit en dit zo gaat. Zo doen wij dat toch niet in dit huis? 

De voorzitter:

Dat vraagt u via de voorzitter aan de heer Recourt. 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ja, ik kijk heel lief naar u, voorzitter. 

De heer Recourt (PvdA):

Volgens mij is dat tamelijk standaard. Ik had deze motie eigenlijk al bij de begrotingsbehandeling moeten indienen, want hoe kun je anders structureel geld organiseren? Dat is een beetje het probleem. Bij een begroting amendeer je dus op dat begrotingsjaar. De boodschap die wij hiermee willen afgeven is dat het kabinet moet voorkomen dat de Kamer ieder jaar een amendement moet maken voor die 1,5 miljoen. Wij vragen het kabinet dus om zelf alvast te bekijken hoe dit geregeld moet worden. Daarmee is het uiteraard een beetje over je graf heen regeren, maar dan wel op een manier die, denk ik, wel past binnen ons parlementaire stelsel. 

De voorzitter:

U brengt het charmant. U hebt nog een motie. 

De heer Recourt (PvdA):

Ja, ik heb nog een motie. 

De voorzitter:

Gaat u snel verder, want we hebben enige tijdsdruk. 

De heer Recourt (PvdA):

Ik zal snel voorlezen. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat mediation in het strafrecht in de gemeente Utrecht met succes als laatste schakel is ingepast in het grotere model van veilige wijken en veilige scholen; 

constaterende dat het Utrechts mediationmodel tijdens de uitgevoerde pilots heeft geleid tot het voorkomen en oplossen van grote en langdurige conflicten in de wijk en om die reden actief wordt gesteund door gemeente, politie en Openbaar Ministerie; 

constaterende dat door toepassing van mediation in het strafrecht extra capaciteit van de politie, Openbaar Ministerie en rechter kan worden ingezet op de aanpak van vormen van zware criminaliteit; 

van mening dat het belangrijk is dat alle gemeenten die kampen met wijkconflicten, kennis kunnen nemen van het Utrechts mediationmodel; 

roept de regering op om in overleg met de VNG het Utrechtse model uit te werken en beschikbaar te stellen aan alle Nederlandse gemeenten, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Recourt, Van Nispen en Swinkels. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 148 (29911). 

Kan de minister direct antwoorden? Daarmee zou hij ons een grote dienst bewijzen. 

Minister Blok:

Al was het maar omdat ik hier de rest van de avond ook verwacht word, voorzitter. 

De voorzitter:

We zitten in hetzelfde schuitje. 

Minister Blok:

Voorzitter. In de motie op stuk nr. 142 verzoekt mevrouw Helder de regering om onderzoek te doen naar nieuwe en/of aanvullende meetinstrumenten teneinde zo veel mogelijk duidelijkheid te krijgen over het feitelijke aantal gepleegde misdrijven per jaar. Het is zo dat we de Kamer voorzien van de volgende onderzoeken. Er is het jaarlijkse onderzoek naar criminaliteit en rechtshandhaving door het Centraal Bureau voor de Statistiek en het WODC. De Veiligheidsmonitor van het Centraal Bureau voor de Statistiek verschijnt ook jaarlijks, zelfs over twee weken. Het Nationaal Dreigingsbeeld verschijnt iedere vier jaar. De Strafrechtketenmonitor van het WODC verschijnt jaarlijks. Mevrouw Helder vroeg specifiek naar de georganiseerde criminaliteit: de monitor georganiseerde criminaliteit van het WODC wordt iedere vier jaar gepubliceerd. De rapportage over de Veiligheidsagenda wordt jaarlijks gepubliceerd. Daarnaast doet het WODC losse onderzoeken naar de omvang van niet-geregistreerde criminaliteit, omdat ik dezelfde behoefte aan cijfers heb als mevrouw Helder en overigens ongetwijfeld ook andere Kamerleden. Dat WODC-onderzoek komt dit jaar nog. Er wordt dus dit jaar uitgebreid onderzoek gedaan, deels periodiek en deels specifiek, naar de omvang van niet-geregistreerde criminaliteit. Dat maakt deze motie overbodig en daarom moet ik haar ontraden. 

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 142 wordt dus ontraden. 

Mevrouw Helder (PVV):

Deze exercitie hebben we in meerdere debatten gedaan, dus die ga ik niet overdoen. Ik heb over al die onderzoeken mijn licht al laten schijnen. Deskundigen vinden het ook niet voldoende. Ik stel een laatste vraag. De minister gaat niet in op het feit dat na al die onderzoeken de politie en het Openbaar Ministerie nog steeds met een notitie zijn gekomen over een opsporings- en vervolgingstekort. Misschien kan minister daar ook even op reflecteren. 

Minister Blok:

Ik hoop dat mevrouw Helder mij niet verwijt dat ik hetzelfde antwoord geef als ze me dezelfde vraag stelt. Ik heb ook met interesse kennisgenomen van het betoog van politie en Openbaar Ministerie, maar daarin zeggen ze niet dat ze te weinig onderzoeksmateriaal hebben. Ze zoeken een aantal instrumenten om in te kunnen grijpen. Suggereren dat er onvoldoende onderzoek gedaan zou worden, verrast me ook een beetje van de PVV, die ik ken als een partij die meestal nogal kritisch kijkt naar de omvang van de overheid en bureaucratie. Het stapelen van onderzoeken boven op de stapel die ik al noemde, riekt toch wel een beetje naar bureaucratie. 

Mevrouw Helder (PVV):

Nee, dat was mijn vraag niet: ik vraag niet naar extra onderzoeken. Ik vraag naar een deugdelijk meetinstrument. Dat is net iets anders. In de notie staat zelfs letterlijk: het Openbaar Ministerie en de politie hechten zeer aan een nieuw, onafhankelijk meetinstrument. 

Minister Blok:

Ik kan het niet onafhankelijker maken dan het Centraal Bureau voor de Statistiek en het WODC. Dat zijn keurige, onafhankelijke instellingen. 

Voorzitter. De heer Van Nispen begon met het feliciteren van Moos. Daar sluit ik mij graag bij aan. Dat is overigens al de tweede keer sinds ik minister van V en J ben, want vorige week kon Duco Hoogland hier ook een Moos aankondigen. Het is een populaire naam in de Kamer. Ik wens ook deze Moos alle goeds. 

Dan kom ik op de motie op stuk nr. 143 van de heer Van Nispen en de heer Recourt, waarin de regering wordt verzocht op korte termijn met onder andere het OM, de Belastingdienst, de politie en gemeentes te bespreken wat precies nodig is om te bewerkstelligen dat crimineel verkregen vermogen beter dan nu kan worden afgepakt en hiertoe uiterlijk 1 april 2017 met voorstellen te komen. Ik deel de ambitie van de heer Van Nispen en de heer Recourt om meer af te pakken. Het is ook absoluut de ambitie van de Belastingdienst en het OM, zijnde ook de instellingen die in de motie zijn genoemd. Hoewel ik weet dat er ongelofelijk hard aan gewerkt wordt en het afgelopen jaar ruim 400 miljoen crimineel vermogen is afgepakt, ben ik ook met deze organisaties voortdurend op zoek naar verbeteringen. Als ik de motie zo mag uitleggen dat ik de Kamer voor de zomer — voor 1 april gaat mij dat niet lukken want dat is te kort dag — mag informeren over de verbeteringen die ik samen met deze organisaties mogelijk acht, dan kan ik de motie aan het oordeel van de Kamer laten. 

De heer Van Nispen (SP):

Ik vind dat reëel. De datum van 1 april 2017 zoals genoemd in de motie mag wat mij betreft gewijzigd worden in "voor de zomer". 

De voorzitter:

Dan komt er nog een gewijzigde motie en daarvoor geldt dan: oordeel Kamer. 

Minister Blok:

De motie op stuk nr. 144 van de heer Van Nispen en de heer Recourt verzoekt de regering het voorstel om crimineel vermogen zo snel mogelijk na arrestatie te bevriezen nader te verkennen en de Kamer te informeren hoe effectief kan worden voorkomen dat criminele winsten weggesluisd worden voordat deze ontnomen kunnen worden. Ook op dit punt deel ik de ambitie van beide indieners. Ook deze motie laat ik dus aan het oordeel van de Kamer. 

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 144 laat de minister aan het oordeel van de Kamer. 

Minister Blok:

Mevrouw Van Toorenburg heeft samen met mevrouw Helder de motie op stuk nr. 145 ingediend, waarin de regering wordt verzocht een zogeheten ondermijningsfonds op te richten, te vullen vanuit afgepakte criminele vermogens, waaruit slachtoffers kunnen worden gecompenseerd en waaruit decentrale overheden middelen kunnen onttrekken ter medefinanciering van hun bestuurlijke en justitiële inzet ter bestrijding van ondermijnende (drugs)criminaliteit. Zoals mevrouw Van Toorenburg en mevrouw Helder ongetwijfeld weten, hebben de minister van Financiën en mijn ambtsvoorganger een businesscase uitgewerkt en onderzocht met het doel om af te pakken. Binnen de begrotingsregels is zo'n businesscase, althans als die sluitend te krijgen is, goed toepasbaar. Een fonds waar eerst begrotingsgeld in gestort wordt om vervolgens te proberen dat terug te verdienen, past daar niet binnen. Omdat we wel de ambitie delen, is die businesscase uitgewerkt. Helaas had die eerste businesscase niet de uitkomst dat de investering terugverdiend kon worden. Ook wat mij betreft is dat een teleurstellende uitkomst. Daarom is er een vervolgonderzoek gestart, op basis waarvan ik hoop dat dit toch nog een positieve uitkomst zal hebben. Ik wil echt eerst de uitkomst van dat onderzoek hebben, want anders is iedere suggestie dat je een sluitend financieel pakket kunt maken niet te onderbouwen. Dus ik wil echt graag de uitkomst van dat onderzoek afwachten. In de tussentijd is, zoals mevrouw Van Toorenburg ook weet, extra geld gealloceerd voor de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Het is dus niet zo dat we niets doen, maar om nu al de stap naar dat fonds te zetten vind ik echt te snel. Ik kom echter graag met dat onderzoek bij de Kamer terug. 

De voorzitter:

En uw verzoek is om de motie aan te houden? 

Minister Blok:

Dat kan. Als de motie nu in stemming komt, zou ik die moeten ontraden, maar als die wordt aangehouden tot na ommekomst van het onderzoek ... 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Daartoe ben ik zeker bereid, vooral omdat de minister aangeeft dat hij die stappen wel wil zetten. Hij had hierover in het AO al iets gezegd, maar de reden waarom ik deze motie toch heb ingediend, is dat ik wil dat ook het gesprek wordt gevoerd met deze burgemeesters, die aangeven dat zij denken dat het wel degelijk zou kunnen. En er zitten ook niet de minste financiële slimmeriken in dat burgemeestersteam. Als de minister dit nog even wil meenemen, houd ik mijn motie graag aan. 

Minister Blok:

Ik heb vanmiddag nog de heer Van de Donk aan de lijn gehad en wij hebben mede over deze brief gesproken. Ik dank mevrouw Van Toorenburg voor het aanbod om haar motie aan te houden, want nogmaals: ik deel de ambitie, maar de cijfers moeten wel kloppen. 

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Van Toorenburg stel ik voor, haar motie (29911, nr. 145) aan te houden. 

Daartoe wordt besloten. 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Weet de minister wanneer dat onderzoek naar verwachting klaar is? 

Minister Blok:

Dat wordt dit najaar, dacht ik. Ik kijk even naar mijn ondersteuning, maar er wordt nee geschud. O jee. Die informatie krijgt de Kamer dan schriftelijk van mij. 

In haar motie op stuk nr. 146 verzoekt mevrouw Van Toorenburg de regering om de Kamer te informeren over de wijze waarop zij invulling geeft aan de extra voorgestelde maatregelen die in het deltaplan van de burgemeesters en de commissaris van de Koning worden voorgesteld. Met deze motie gaat mevrouw Van Toorenburg een beetje hard, want de motie is in feite ongedekt. De burgemeesters en de commissaris van de Koning vragen in het interview — ik ken alleen het interview; ik neem aan dat ik nog een uitgewerkt plan krijg — om zowel geld als regelgeving. Ik ben graag bereid om, zodra ik het heb, inhoudelijk in te gaan op dat uitgewerkte plan, dat ongetwijfeld mijn kant op komt. In deze motie wordt de regering echter verzocht om de Kamer te informeren over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het deltaplan. Omdat ik uit het interview weet dat er om geld wordt gevraagd, is de motie ongedekt. Dat gaat dus te hard. In deze vorm moet ik de motie ontraden, maar ik kom graag schriftelijk terug op het deltaplan zodra ik dat heb. 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Het is heel duidelijk dat de burgermeesters ook om allerlei maatregelen vragen. Daar geeft ook de SP een duiding aan. Kan de minister de motie wel omarmen als hij haar zo leest, dat hij vast voorbereidingen treft om deze maatregelen te kunnen nemen? 

Minister Blok:

Voor het financiële deel — daar wees mevrouw Van Toorenburg de heer Recourt net ook op — blijft de motie ongedekt. Als de vraag is of ik een reactie wil geven op het deltaplan zodra ik dat in een iets ordelijkere versie dan via de Volkskrant tot mij heb laten komen, zeg ik onmiddellijk ja. Dat was namelijk ook een van de redenen dat ik vandaag de heer Van de Donk aan de lijn had. 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Dan houd ik mijn motie even aan en wacht ik waar de minister mee komt. Dan kan ik de motie later alsnog in stemming brengen. 

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Van Toorenburg stel ik voor, haar motie (29911, nr. 146) aan te houden. 

Daartoe wordt besloten. 

Minister Blok:

Inmiddels kan ik ook antwoord geven op de vraag wanneer het WODC-onderzoek over een afpakfonds beschikbaar komt. Dat is helaas pas in 2018. 

Ik kom bij de moties van de heer Recourt. In zijn eerste motie, op stuk nr. 147, verzoekt hij de regering om bij toekomstige begrotingen minimaal 1,5 miljoen te reserveren voor mediation in het strafrecht. Ik vrees dat dit een ongedekte motie is. Er wordt om geld gevraagd zonder dat wordt aangegeven waar dat vandaan moet komen. Ongedekte moties moet ik altijd ontraden. 

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 147 wordt ontraden. 

De heer Recourt (PvdA):

Die motie is onder meer ingediend omdat in de brief die het kabinet heeft gestuurd, heel nadrukkelijk wordt geschreven over pilots en het jaar 2017, maar de hele intentie van het amendement dat bij de begrotingsbehandeling is ingediend, was natuurlijk niet een pilot. Ik heb wel twintig keer het woord "structureel" genoemd. De minister kan dus ook zeggen dat hij de motie overneemt, of mij vragen om de motie in te trekken omdat hij het bedrag structureel maakt; dat vind ik ook goed. De hele gedachte is nu juist dat we niet voor één jaartje een pilot willen, maar dat we hier structureel in willen investeren. 

Minister Blok:

Ik begrijp de wens wel, maar ik heb niet zomaar even structureel 1,5 miljoen. Dan komt de vraag dus toch terug bij de begroting. 

De heer Van Nispen (SP):

Als mede-indiener van de motie maar ook als mede-indiener van het amendement waar het nu over gaat, wil ik er wel op wijzen dat de dekking wel degelijk structureel was. Het ging namelijk om middelen die waren vrijgevallen in verband met het wetsvoorstel voor de reorganisatie van de bestuursrechtspraak, een wetsvoorstel van de regering dat geld zou kosten, maar niet doorgaat. Dat levert structureel middelen op. Los van het toch wel technische karakter van de discussie, merk ik op dat de Kamer in overgrote meerderheid heeft uitgesproken dit erg belangrijk te vinden. Er zijn zeer aannemelijke aanwijzingen dat dit op termijn ook geld bespaart. De oproep van de ondertekenaars aan de minister is vooral om bij de voorbereiding van de begroting voor het jaar 2018 en verder recht te doen aan de wens en uitspraak van een grote meerderheid van de Kamer dat herstelbemiddeling, mediation in het strafrecht, van heel erg groot belang is. 

Minister Blok:

Ik begrijp de wens en vind het doel ook wel sympathiek. Dit is echter niet de eerste keer in mijn leven als minister dat ik een motie krijg voorgelegd waarin wordt gevraagd om iets bij een begroting te regelen. Dan is altijd mijn boodschap dat men dat bij de begrotingsbehandeling per amendement moet doen. Anders ontstaat een situatie waarin iedere financiële wens bij motie geregeld zou kunnen worden, en dan kun je nooit meer een begroting maken. Ik vrees dat ik hier niet positiever over kan worden. 

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 147 wordt ontraden. 

Minister Blok:

In de laatste motie van de heer Recourt wordt de regering opgeroepen om in overleg met de VNG het Utrechtse model uit te werken en beschikbaar te stellen aan alle Nederlandse gemeenten. Tijdens het AO moest ik nog opbiechten in de richting van de heer Recourt dat ik mij niet had kunnen verdiepen in het Utrechtse model. Dat heb ik inmiddels wel kunnen doen. Het Utrechtse model gaat niet over strafrecht. Strafrecht is het onderwerp waarvoor het geld beschikbaar is gesteld. Het Utrechtse mediationmodel gaat over het oplossen van conflicten van het type buurtconflicten, buren-, parkeer- of horecaoverlast. Dat is geen strafrecht. Een aantal gemeenten ontwikkelen op dit gebied buurtbemiddelingstrajecten. Die kunnen daarvoor ondersteuning verkrijgen via het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. Waar wij specifiek, ook financieel, ondersteuning geven voor mediation in het strafrecht vind ik het, met alle respect, niet logisch om nu een terrein dat toch bij de taak van de gemeenten hoort, naar V en J te trekken en mogelijk naar de begroting daarvan. 

De voorzitter:

De heer Recourt, kort. 

De heer Recourt (PvdA):

Dan heb ik een aanvullend verzoek, namelijk of de minister wil bellen met de burgemeester van Utrecht. Misschien is dat handig. Wij hebben als Kamer gesproken met de burgemeester van Utrecht, met de officier van justitie, met een commissaris van politie van Utrecht en met de mediation. Het begint inderdaad zelfs op school hoe je conflicten moet oplossen, daarna gebeurt het in de wijk en het eindstukje is echt mediation in strafzaken. Dat is het mooie ervan. De motie roept op om juist dat model, waarin dit is ingepast in een veel bredere structuur, ook beschikbaar te stellen voor andere steden. Die moeten het zelf oppakken als zij dat willen, maar beschikbaar stellen zou mooi zijn. 

Minister Blok:

Ik spreek de heer Van Zanen altijd met plezier. Ik zal hem graag nog eens vragen wat zijn verdere bedoelingen hiermee zijn. De navraag die ik heb gedaan, juist omdat de heer Recourt er in het AO op inging en ik toen moest opbiechten dat ik niet op de hoogte was, ging over het type buurtconflicten die niet passen binnen de pilot, die juist het strafrecht betreft. Nogmaals, dit past echt binnen het gewone werk van gemeenten. Ik vrees dat ik deze motie toch blijf ontraden. 

De voorzitter:

De motie wordt ontraden. Daarmee zijn wij aan het eind gekomen van dit verslag algemeen overleg. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Ik dank eenieder. Over de ingediende moties wordt volgende week dinsdag gestemd. Wij gaan meteen door met het VAO Evaluatieonderzoek Wet kraken en leegstand, als iedereen in huis is.