34 725 XV Jaarverslag en slotwet Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2016

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (XV)

Aangeboden 17 mei 2017

Gerealiseerde begrotingsuitgaven 2016 (€ 31.664 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde begrotingsuitgaven 2016 (€ 31.664 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde begrotingsontvangsten 2016 (€ 1.872 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde begrotingsontvangsten 2016 (€ 1.872 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde premie-uitgaven 2016 (€ 56.581 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde premie-uitgaven 2016 (€ 56.581 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde premie-ontvangsten 2016 (€ 386 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde premie-ontvangsten 2016 (€ 386 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

INHOUDSOPGAVE

A.

ALGEMEEN

5

 

1.

Aanbieding en dechargeverlening

5

 

2.

Leeswijzer

7

       

B.

BELEIDSVERSLAG

10

 

3.

Beleidsprioriteiten

10

 

4.

Beleidsartikelen

34

   

Artikel 1 Arbeidsmarkt

34

   

Artikel 2 Bijstand, Participatiewet, Toeslagenwet en Sociale Werkvoorziening

43

   

Artikel 3 Arbeidsongeschiktheid

59

   

Artikel 4 Jonggehandicapten

67

   

Artikel 5 Werkloosheid

71

   

Artikel 6 Ziekte en zwangerschap

79

   

Artikel 7 Kinderopvang

86

   

Artikel 8 Oudedagsvoorziening

93

   

Artikel 9 Nabestaanden

101

   

Artikel 10 Tegemoetkoming ouders

105

   

Artikel 11 Uitvoering

109

   

Artikel 12 Rijksbijdragen

115

   

Artikel 13 Integratie en maatschappelijke samenhang

118

 

5.

Niet-beleidsartikelen

125

   

Artikel 96 Apparaatsuitgaven kerndepartement

125

   

Artikel 97 Aflopende regelingen

129

   

Artikel 98 Algemeen

130

   

Artikel 99 Nominaal en onvoorzien

133

 

6.

Bedrijfsvoeringsparagraaf

134

       

C.

Jaarrekening

139

 

7.

Departementale verantwoordingsstaat

139

 

8.

Samenvattende verantwoordingsstaat agentschappen

141

 

9.

Jaarverantwoording agentschappen

142

 

10.

Saldibalans

154

 

11.

WNT-verantwoording

163

       

D.

Departementspecifieke informatie

164

 

D1.

SZA-kader

164

 

D2.

Sociale fondsen SZW

170

 

D3.

Koopkracht

174

       

E.

Bijlagen

175

   

Bijlage E1. Toezichtrelaties en ZBO’s en RWT’s

175

   

Bijlage E2. Afgerond evaluatie- en overig onderzoek

179

   

Bijlage E3. Externe inhuur

196

   

Bijlage E4. Lijst van afkortingen

198

ONDERDEEL A. ALGEMEEN

1. AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

AAN de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, mede namens de Staatssecretaris, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) over het jaar 2016 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid decharge te verlenen over het in het jaar 2016 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • a. het gevoerde financieel beheer en materieel beheer;

  • b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

  • c. de financiële informatie in het jaarverslag;

  • d. de betrokken saldibalans;

  • e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2016;

  • b. het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2016 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2016, alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2016 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. LEESWIJZER

2.1 Opbouw jaarverslag

Het jaarverslag van SZW bestaat uit vijf onderdelen: Algemeen, Beleidsverslag, Jaarrekening, Departementspecifieke informatie en Bijlagen.

Algemeen

Het onderdeel Algemeen omvat:

  • 1. het verzoek tot dechargeverlening en

  • 2. deze leeswijzer.

Beleidsverslag

Het beleidsverslag is opgebouwd uit vier onderdelen.

  • 3. De paragraaf beleidsprioriteiten bevat een uiteenzetting op hoofdlijnen van de bereikte resultaten.

  • 4. De beleidsartikelen verantwoorden meer in detail in hoeverre de doelstellingen van SZW zijn behaald. Tevens is hier de financiële toelichting te vinden op opmerkelijke verschillen tussen realisatie en begroting.

  • 5. De niet-beleidsartikelen verantwoorden de financiële afwikkeling van de apparaatsuitgaven kerndepartement, de afgesloten regelingen, de algemene uitgaven die niet aan de beleidsartikelen zijn toe te rekenen, en de onvoorziene uitgaven en loon- en prijsbijstellingen.

  • 6. De bedrijfsvoeringsparagraaf geeft informatie over de bedrijfsvoering.

Jaarrekening

De jaarrekening is opgebouwd uit vijf onderdelen:

  • 7. De verantwoordingsstaat van het Ministerie van SZW.

  • 8. De samenvattende verantwoordingsstaat van het Agentschap SZW.

  • 9. De jaarverantwoording van dit agentschap.

  • 10. De saldibalans, met de bij dit onderdeel behorende financiële toelichting.

  • 11. De paragraaf WNT-verantwoording.

Departementspecifieke informatie

De departementspecifieke informatie gaan over het SZA-kader, de sociale fondsen SZW en over de gerealiseerde koopkrachtgegevens.

Bijlagen

De bijlagen betreffen de ingevolge de Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV) verplichte bijlagen over de Toezichtrelaties en ZBO’s en RWT’s, over afgerond evaluatie- en overig onderzoek en over externe inhuur. Daarnaast is een lijst van afkortingen opgenomen.

2.2 Specifieke aandachtspunten

Begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde regelingen

In de begrotingen en de jaarverslagen van het Ministerie van SZW wordt gerapporteerd over zowel begrotingsgefinancierde als premiegefinancierde regelingen. In de beleidsartikelen waar premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten voorkomen zijn deze opgenomen in een afzonderlijke budgettaire tabel. In de paragraaf beleidsprioriteiten en in de bijlage over het SZA-kader wordt ingegaan op de ontwikkeling van het totaal van deze uitgaven. De begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten komen één op één voort uit de administratie van SZW, de premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten zijn afgeleid van de jaarverslagen van de ZBO’s.

Rol en verantwoordelijkheid: taakverdeling Minister en Staatssecretaris

In de Comptabiliteitswet (CW) is in artikel 19 geregeld dat de Minister verantwoordelijk is voor het beheer van de begroting(en) van een ministerie. Daarom wordt de begrotingswet ook ondertekend door de Minister. Dit komt in de beleidsartikelen tot uitdrukking onder het kopje «Rol en verantwoordelijkheid». De Staatssecretaris wordt hier niet expliciet genoemd. Het begrip Staatssecretaris komt in de CW niet voor. De verhouding tussen Minister en Staatssecretaris is in de Grondwet (artikel 46) geregeld. De Staatssecretaris wordt belast met een deel van de taken van de Minister. Minister en Staatssecretaris verdelen de taken onderling op aanwijzing van de Minister. Voor SZW betekent dit dat de Staatssecretaris verantwoordelijk is voor een groot aantal beleidsinstrumenten die in het jaarverslag zijn opgenomen, zoals in de beleidsartikelen 2 (o.a. macrobudgetbudget participatiewetuitkeringen), 4 (Wajong), 8 (AOW, pensioenbeleid), 9 (Anw) en 11 (uitvoeringskosten SVB).

Focusonderwerpen

Als overkoepelend focusonderwerp voor de verantwoording over 2016 heeft de Tweede Kamer het onderwerp «focus op beleidstoetsing» gekozen (Tweede Kamer, 2015–2016, 31 865, nr. 80). Specifiek focusonderwerp voor SZW is doorgaan op de ingeslagen weg qua verbetering van verantwoording op basis van indicatoren. In paragraaf 3.4 van het jaarverslag wordt inhoudelijk op de focusonderwerpen ingegaan.

Gegevens oude jaren

Als gevolg van de invoering van «Verantwoord Begroten» is de begrotingsadministratie met ingang van 2013 van opzet gewijzigd. Hierdoor kunnen in de begrotingsgefinancierde budgettaire tabellen niet alle gegevens voor oude jaren worden opgenomen. Het betreft de stand van de verplichtingen 2012.

In dit jaarverslag worden ook kerncijfers gepresenteerd over jaren vóór 2016. Hierbij wordt uitgegaan van de meest recente informatie. Dit betekent dat deze cijfers kunnen afwijken van gegevens die in vorige jaarverslagen werden gepresenteerd.

Norm voor toelichting van verschillen

Bij de budgettaire tabellen in het beleidsverslag wordt het verschil tussen de budgettaire raming uit de begroting 2016 en de realisatie voor het jaar 2016 toegelicht indien de afwijking tussen raming en realisatie groter is dan 5% van het begrotingsbedrag of groter is dan € 25 miljoen.

Groeiparagraaf

De Algemene Rekenkamer (AR) heeft in haar Verantwoordingsonderzoek 2015 bij het Ministerie van SZW enkele aanbevelingen gedaan. SZW heeft deze aanbevelingen opgevolgd of is daar nog mee bezig. Hoe dat is gedaan wordt in de bedrijfsvoeringsparagraaf per aanbeveling uiteengezet.

De indicatoren zoals die aan de Tweede Kamer zijn toegezegd (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 300 XV, nr. 12) werden voorheen in een afzonderlijke paragraaf «indicatoren» in de beleidsagenda en het beleidsverslag opgenomen. Dit jaarverslag is er voor gekozen om deze cijfers op te nemen in de paragraaf beleidsprioriteiten van het beleidsverslag, conform de toezegging van de Minister bij de beantwoording van de vragen over de begroting 2017 (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 550 XV, nr. 11).

Meer kwantitatieve gegevens over de ontwikkelingen op het beleidsterrein van SZW zijn te vinden in de publicatie «Jaaroverzicht Beleidsinformatie SZW 2014–2016», die tegelijkertijd met dit jaarverslag aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. Ook is het mogelijk om via de App Store of Play Store de SZW app «SZW-cijfers» te downloaden op smartphone of tablet, waarin een groot aantal gegevens is opgenomen.

In dit jaarverslag wordt, ter toelichting op de ontwikkeling van uitgaven en ontvangsten, veelvuldig gebruik gemaakt van de meest recente jaarverslagen van de SVB en het UWV. Deze jaarverslagen worden tegelijkertijd met het jaarverslag van SZW aan de Tweede Kamer aangeboden en zijn ook te vinden op de websites van deze uitvoeringsorganen, www.svb.nl en www.uwv.nl.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Europese Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen en jaarverslagen. In de paragraaf beleidsprioriteiten wordt teruggekomen op de landenspecifieke aanbevelingen zoals verwoord in de begroting.

ONDERDEEL B. BELEIDSVERSLAG

3. BELEIDSPRIORITEITEN

3.1 Inleiding

Arbeidsmarkt en werk

Na economisch zware jaren, met ingrijpende maatschappelijke gevolgen, staat de Nederlandse economie er weer duidelijk beter voor. De werkloosheid daalde in 2016 sterk, zo konden 100.000 mensen die in 2015 zonder werk zaten in 2016 weer aan de slag. Ook werden in 2016 voor het eerst 10 miljoen banen vervuld. Toch voelen veel Nederlanders onzekerheid over hun werk en inkomen. Op de arbeidsmarkt zien we een disbalans tussen vast, flex- en zelfstandig werk. Het kabinet heeft de afgelopen regeerperiode met onder andere de Wet werk en zekerheid (Wwz) actief beleid gevoerd om deze disbalans terug te dringen en stuurt bij waar dat nodig is. Daarmee is de discussie nog niet afgerond. Om te komen tot een duurzame en toekomstigbestendige oplossing met een breed draagvlak is het nodig om te blijven zoeken naar hoe de disbalans tussen vast, flex- en zelfstandig werk kan worden teruggedrongen.

Een belangrijke voorwaarde voor een toekomstbestendige arbeidsmarkt is scholing. Vanuit de sectorplannen wordt hierop ingezet, zowel van werkenden als van werkzoekenden. Daarnaast is de afgelopen regeerperiode ingezet op betere bescherming van de kwetsbaarste mensen op de arbeidsmarkt en is het ontslagrecht hervormd. In 2016 heeft het kabinet in samenspraak met de sociale partners een aantal beleidsvoorstellen opgesteld in het kader van het Arbeidsmarktpakket (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 351, nr. 17). Hieronder vallen drie wijzigingen in de Wwz waarmee door werkgevers ervaren knelpunten worden verminderd, maatregelen in de sfeer van loondoorbetaling en wijzigingen in de systematiek van het minimumloon. Een belangrijk onderdeel hierbij is de verhoging van het minimumjeugdloon voor jongeren van 18 jaar en ouder, waarbij het loon voor 21- en 22-jarigen tot op het niveau van het algemene minimumloon wordt gebracht. Gelijktijdig ontvangen werkgevers compensatie via de Wet tegemoetkoming loondomein (Wtl). Ook zijn op 1 januari 2016 de eerste 84 schoonmakers van de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO) van start gegaan. Eind 2016 had de RSO 534 medewerkers in dienst voor 6 opdrachtgevers.

Werk biedt bestaanszekerheid en draagt bij aan zelfontplooiing. Hiervoor moet het werk wel van waarde zijn. Het kabinet zet zich in voor goed werk voor iedereen. Gedurende de eerste helft van 2016 bekleedde Nederland het EU-voorzitterschap, waarin het thema «Fatsoenlijk werk» een van de belangrijkste speerpunten was. Hiermee is beoogd een stap te zetten tot een Europese arbeidsmarkt waarin gezond, veilig en goed werk de norm is. Op de prioriteiten van het Ministerie van SZW is zichtbare en concrete voortgang geboekt. Zo heeft de Europese Commissie een voorstel gepresenteerd tot herziening van de Detacheringsrichtlijn (Tweede Kamer, 2015–2016, 22 112, nr. 2104). Hiermee wordt beoogd concurrentie op loon tegen te gaan. Een ander aspect van fatsoenlijk werk waarop is ingezet is de bescherming van werknemers tegen werkgerelateerde kanker. De Europese Commissie heeft in 2016 voorstellen gedaan om de Carcinogenenrichtlijn uit te breiden. Verder is het EU-voorzitterschap aangegrepen om meer aandacht te creëren voor armoedebestrijding en gender- en LHBTI-gelijkheid. Op mondiaal niveau heeft Nederland als EU-voorzitter in de International Labour Organization gepleit voor het bevorderen van fatsoenlijk werk in mondiale waardeketens.

Ondanks het feit dat elke ingezetene in Nederland recht opbouwt op een AOW-uitkering, zien we bij veel ouderen zorgen over hun inkomenspositie. Op het gebied van waardeoverdracht binnen de tweede pensioenpijler zijn al maatregelen genomen. Verder is in 2016 doorgedacht over hoe we het pensioenstelsel toekomstbestendig kunnen maken, onder andere naar aanleiding van het advies van de SER over dit onderwerp.

Samenleving en integratie

Nederland is een open en vrije samenleving, maar dit is geen vanzelfsprekendheid. Door technologische ontwikkeling, globalisering en de dreiging van brandhaarden verandert de wereld. De Nederlandse kernwaarden zijn echter niet onderhandelbaar en moeten actief uitgedragen worden, ook richting nieuwkomers. Nederland had de afgelopen jaren te maken met een verhoogde asielinstroom. De opvang van asielzoekers heeft veel gevraagd van overheden, maar ook van de samenleving in zijn geheel. Het is daarom goed om te zien dat het opleidingsniveau van tweede generatie jongeren met een migratieachtergrond toeneemt (Tweede Kamer, 2015–2016, 30 982, nr. 31). Dit biedt hoop voor de integratie van nieuwkomers. De arbeidsparticipatie van migrantenjongeren verbetert echter nauwelijks. Hierdoor neemt het gevoel van niet volledig deelnemen aan de samenleving toe. Deze problematiek beperkt zich niet alleen tot Nederlanders met een migratieachtergrond. Arm en rijk, lager- en hogeropgeleiden leven steeds meer in gescheiden werelden. We hebben met zijn allen de plicht om te werken aan het behoud van onze gedeelde waarden.

Ontwikkeling werkloosheid

Onderstaande tabel toont de dalende trend in het werkloosheidspercentage die in 2016 is doorgezet. De werkloze beroepsbevolking bedroeg in 2016 gemiddeld 538.000 personen en bedroeg daarmee 6,0% van de beroepsbevolking. De daling is zichtbaar in alle leeftijdsgelederen van de bevolking met verbeteringen die liggen tussen 0,5 procentpunt (jeugdwerkloosheid) en ongeveer 1,0 procentpunt (personen van 25 tot 45 en 45 tot 75 jaar). Het kabinet heeft ook in 2016 actief beleid gevoerd op het bevorderen van de kansen op de arbeidsmarkt van met name jongeren en ouderen. Daalde in 2015 de werkloosheid onder ouderen nog langzaam, in 2016 profiteren ook werkloze ouderen in toenemende mate van de aantrekkende economie.

Tabel 3.1.1 Kerncijfers werkloosheid 2016, gemiddelden per jaar1
 

2014

2015

2016

Werkloosheidspercentage

7,4

6,9

6,0

 

waarvan 15 tot 25 jaar (jeugdwerkloosheid)

12,7

11,3

10,8

   

waarvan migrantenjongeren

21,7

19,9

18,1

 

waarvan 25 tot 45 jaar

6,3

5,6

4,6

 

waarvan 45 tot 75 jaar

6,6

6,5

5,6

Werkloze beroepsbevolking (x 1.000)

660

614

538

Werkzame beroepsbevolking (x 1.000)

8.214

8.294

8.403

X Noot
1

CBS, Statline.

Kwetsbare groepen

Ook de kwetsbaarste groepen moeten profiteren van het economisch herstel. De cijfers van de één-meting van de banenafspraak laten zien dat in het eerste jaar van de Participatiewet in totaal 21.000 extra werkplekken zijn gecreëerd voor mensen met een arbeidsbeperking (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 352, nr. 34). Dit is een mooie eerste stap, maar het aantal banen zal moeten blijven toenemen. Daarom blijft het van belang belemmeringen weg te nemen richting een inclusieve arbeidsmarkt. Zo is in 2016 de praktijkroute ingevoerd en is het gebruik van loonkostensubsidies vereenvoudigd.

Op het terrein van de bestrijding van armoede en schulden zijn belangrijke stappen gezet. Bovenop de maatregel uit het Regeerakkoord om structureel € 100 miljoen beschikbaar te stellen aan gemeenten en maatschappelijke organisaties voor armoede- en schuldenbeleid, heeft het kabinet in 2016 nog eens jaarlijks € 100 miljoen vrijgemaakt vanaf 2017, specifiek bedoeld voor kinderen in armoede (Tweede Kamer, 2016–2017, 24 515, nr. 378).

Uitvoering

Aandacht voor een goede en zorgvuldige uitvoering blijft essentieel. Het kabinet heeft bij enkele grote hervormingen gekozen voor geleidelijke invoering en flankerend beleid ingezet om negatieve gevolgen op de korte termijn zoveel mogelijk te verzachten. Hierbij wordt nauwlettend bekeken of de beoogde beleidsdoelen worden bereikt. Waar dit niet gebeurt worden plannen aangepast. Een voorbeeld hiervan zijn de vereenvoudigingen in de Participatiewet en de wet Banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten die in 2016 zijn ingevoerd. Daarnaast is de no-riskpolis voor de doelgroep banenafspraak en beschut werk structureel gemaakt.

3.2 Het beleid in 2016

3.2.1 Meer goed werk

Met het economisch herstel neemt ook het aantal banen weer toe. Het kabinet vindt het belangrijk dat dit goed werk betreft voor iedereen. Ook het geslacht mag geen belemmering zijn. We zien al een aantal jaar dat het beloningsverschil tussen mannen en vrouwen afneemt in het bedrijfsleven (tabel 3.2.1.1). In de sector overheid is het verschil gestabiliseerd. Als gevolg van de groei van het aantal banen stijgt ook de arbeidsparticipatie. Over de gehele linie zien mensen meer mogelijkheden om aan de slag te gaan (tabel 3.2.1.2). Dit geldt ook voor vrouwen en ouders met kinderen. Het kabinet probeert dit te stimuleren door onder andere de verhoging van de kinderopvangtoeslag.

Tabel 3.2.1.1 Kerncijfers gecorrigeerde beloningsverschillen1 (%)
 

2008

2010

2012

2014

Verschil vrouw-man bedrijfsleven

– 9

– 8

– 8

– 7

Verschil vrouw-man overheid

– 7

– 6

– 4

– 5

Tabel 3.2.1.2 Kerncijfers netto arbeidsparticipatie1 (%)
   

2014

2015

2016

Totaal mannen en vrouwen 15 tot 75 jaar

64,9

65,4

65,8

         

15 tot 75 jaar

vrouwen

59,6

60,3

60,9

 

mannen

70,1

70,4

70,8

15 tot 25 jaar

vrouwen

58,8

61,7

62,1

 

mannen

58,7

59,9

59,6

25 tot 35 jaar

vrouwen

79,0

79,6

79,9

 

mannen

86,3

86,6

87,2

35 tot 45 jaar

vrouwen

76,7

77,0

77,6

 

mannen

88,3

89,1

89,4

45 tot 55 jaar

vrouwen

74,3

74,8

76,1

 

mannen

86,1

86,9

87,7

55 tot 65 jaar

vrouwen

50,4

52,4

54,2

 

mannen

69,4

71,1

72,8

65 tot 75 jaar

vrouwen

5,6

5,6

5,2

 

mannen

16,6

15,1

15,1

         

Moeders (lid van ouderpaar)

 

76,6

76,7

77,6

Vaders (lid van ouderpaar)

 

90,9

90,4

90,8

         

Alleenstaande moeders

 

59,7

59,5

62,2

Alleenstaande vaders

 

75,9

75,7

76,3

         

Moeders met jonge kinderen (0–11)

74,5

75,9

76,5

Vaders met jonge kinderen (0–11)

92,4

93,0

93,3

X Noot
1

CBS.

Uitwerking sociaal akkoord

Hoewel het aantal mensen met een baan weer toeneemt, daalt het aandeel van werknemers met een vast contract. Met de Wwz probeert het kabinet de balans tussen vast en flexibel werk te verbeteren en de WW meer activerend te maken. In 2016 zijn de laatste WW-maatregelen van kracht geworden. De maximale WW-duur wordt stapsgewijs – één maand per kwartaal – teruggebracht van 38 maanden naar 24 maanden en de opbouw van WW-rechten is aangepast.

Tabel 3.2.1.3 Positie in de werkkring1 (gemiddeld, x 1.000)
 

2014

2015

2016

Werknemers

6.860

6.909

7.000

 

waarvan werknemers met vaste arbeidsrelatie

5.172

5.143

5.158

 

waarvan werknemers met flexibele arbeidsrelatie

1.688

1.767

1.841

Zelfstandigen

1.354

1.384

1.403

X Noot
1

CBS, Statline.

De bestrijding van schijnconstructies staat ook hoog op de agenda. Een deel van de Wet aanpak schijnconstructies (WAS) is in 2016 ingegaan. Het betreft maatregelen op het terrein van het loon, de onkostenvergoedingen, de ketenaansprakelijkheid, de cao, de openbaarmaking van inspectiegegevens en gegevensuitwisseling. De eerste monitor van de WAS is eind 2016 naar de Tweede Kamer verzonden (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 108, nr. 28). Hiervoor zijn de partijen die het meest betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de wet bevraagd. Alle partijen geven aan dat de ervaringen nog beperkt zijn, maar benadrukken de preventieve werking van de wet. Er wordt meer gesproken over de juiste beloning van werknemers, overal in de keten. Dat stemt optimistisch.

De arbeidsomstandigheden van payrollwerknemers zijn een punt van aandacht. De motie Hamer verzocht om een gelijke behandeling bij de arbeidsvoorwaarden van payrollers en collega’s die wel rechtstreeks in dienst zijn bij de werkgever. Het kabinet is niet overgegaan tot uitvoering van de motie Hamer omdat er geen overeenstemming bestaat tussen sociale partners over maatregelen die getroffen zouden moet worden. Bij brieven van 21 april (Tweede Kamer, 2015–2016, 29 544, nr. 715) en 5 december 2016 (Tweede Kamer, 2015–2016, 29 544, nr. 761) heeft het kabinet de Tweede Kamer hierover geïnformeerd.

Aanpassing Dagloonbesluit

Sinds de wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen van 1 juli 2015 kan het WW-dagloon voor enkele groepen WW-gerechtigden lager uitkomen. Dit betreft starters, herintreders, flexwerkers en werknemers die twee jaar ziek zijn geweest en aansluitend een beroep doen op de WW. Per 1 december 2016 is het Dagloonbesluit aangepast, waardoor het dagloon voor deze groepen hoger uitkomt (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 351, nr. 18). Vanaf 1 april 2017 kunnen betrokkenen over de tussenliggende periode in aanmerking komen voor een eenmalige tegemoetkoming.

Arbeidsmarktpakket

In 2016 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over een aantal beleidsvoorstellen die in samenspraak met de sociale partners zijn opgesteld in het kader van het Arbeidsmarktpakket (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 351, nr. 17). Hieronder vallen wijzigingen in de Wwz waarmee door werkgevers ervaren knelpunten worden verminderd, maatregelen in de sfeer van loondoorbetalingen en wijzigingen in de systematiek van het minimumloon.

Drie wijzigingen verminderen de knelpunten voor werkgevers in de Wwz. Ten eerste wordt het mogelijk om voor seizoensarbeid bij cao de tussenpoos tussen twee tijdelijke contracten te verkorten van zes naar drie maanden. Hiermee wordt recht gedaan aan het feit dat deze werkzaamheden per definitie slechts gedurende een gedeelte van het jaar uitgevoerd kunnen worden. Ten tweede vervalt de ontslagvergoeding bij ontslag om bedrijfseconomische redenen indien een vervangende regeling in de cao is opgenomen. Ten slotte worden werkgevers vanuit het Algemeen werkloosheidsfonds gecompenseerd voor de verschuldigde transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.

Ook de verplichting om het loon van een zieke werknemer gedurende twee jaar door te betalen leidt tot knelpunten voor werkgevers. In 2016 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de invulling van de maatregelen die deze knelpunten verminderen (Tweede Kamer, 2015–2016, 29 544, nr. 717). Werkgevers ervaren onder andere knelpunten bij de re-integratie in het tweede spoor. Daarom worden maatregelen genomen om onduidelijkheid over de beoordeling van het UWV of voldoende re-integratie inspanningen zijn gepleegd weg te nemen. Dit wordt uitgewerkt in een wetsvoorstel. Op korte termijn zal dit voor internetconsultatie aangeboden worden. Ook is in 2016 een convenant verzuimverzekeringen gesloten met het Verbond van Verzekeraars waarin afspraken zijn gemaakt over een transparante premiestelling en een transparante verzuimproduct.

Het wettelijk minimumloon garandeert dat werknemers een maatschappelijk aanvaardbaar, fatsoenlijk loon krijgen voor de door hen verrichte arbeid. Het minimumloon borgt dat werknemers in de primaire levensbehoeften kunnen voorzien. In overleg met de sociale partners heeft het kabinet, in het kader van het Arbeidsmarktpakket, een wetsvoorstel ingediend waarmee een drietal wijzigingen in het bestaande minimumloon worden doorgevoerd (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 573, nr. 3).

Ten eerste wordt de leeftijd waarop de volledige hoogte van het volwassenenminimumloon geldt, stapsgewijs verlaagd van 23 naar 21 jaar en wordt de hoogte van het wettelijk minimumjeugdloon voor werknemers van 18 tot en met 20 jaar opwaarts aangepast. Zodoende wordt aansluiting gezocht bij veranderde maatschappelijke opvattingen en beter aangesloten bij wat internationaal gangbaar is. Hiermee krijgen jongeren een gelijkwaardig loon voor gelijkwaardig werk. Naast voorstellen tot wijzigingen in de Wwz is het kabinet met de sociale partners een werkgeverscompensatie voor de verhoging van het minimumjeugdloon overeengekomen. De aanpassingen in het minimumjeugdloon leiden tot hogere loonkosten voor werkgevers. Zij ontvangen compensatie via de Wtl. De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel in januari 2017 aanvaard (Stb. 2017, 24). De aanpassing van het jeugdminimumloon treedt op 1 juli 2017 in werking.

Een tweede aanpassing wordt doorgevoerd in het minimumloon bij betaling op basis van stukloon. Hierbij is het kabinet met de sociale partners overeengekomen dat werknemers, ook als zij op basis van stukloon worden betaald, ten minste het wettelijke minimumloon uitbetaald dienen te krijgen. Hiermee worden handhavingproblemen zoals bij het ontbreken van concrete, meetbare en ook verifieerbare stukloonnormen weggenomen, zodat onderbetaling, verdringing op de arbeidsmarkt en oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden wordt voorkomen.

Ten slotte zijn het kabinet en de sociale partners overeengekomen dat bij meerwerk het minimumloon naar rato verhoogd dient te worden. Het ingediende wetsvoorstel voorziet in de invoering van de genoemde aanpassingen in het minimumloon.

Sectorplannen

In 2016 is de Tweede Kamer halfjaarlijks geïnformeerd over de voortgang van de sectorplannen. Met de sectorplannen beoogt het kabinet met sociale partners om de Nederlandse arbeidsmarkt toekomstbestendig te maken. Het kabinet heeft in totaal € 600 miljoen beschikbaar gesteld voor de sectorplannen. In de laatste voortgangsbrief van 5 december is gemeld dat er op dit moment 102 sectorplannen in verschillende stadia van uitvoering zijn (Tweede Kamer, 2016–2017, 33 566, nr. 96). Het aantal geregistreerde deelnemers aan de sectorplannen uit de eerste en tweede tranche is toegenomen van 147.000 in oktober 2015 tot 268.000 eind 2016. Met name de maatregelen met betrekking tot om- en bijscholing en gezondheid bereiken relatief veel deelnemers. Vanuit de 26 sectorplannen uit de derde tranche zijn de eerste 3.000 trajecten met scholing, begeleiding en bemiddeling naar nieuw werk in gang gezet.

Omdat naar verwachting niet alle middelen worden uitgegeven, is er voor gekozen € 150 miljoen op een andere manier te besteden aan een toekomstbestendige arbeidsmarkt (Tweede Kamer, 2015–2016, 33 566, nr. 83). € 30 miljoen wordt ingezet voor de herstructurering van de sociale werkvoorziening. Met het resterende bedrag wordt een impuls gegeven aan de transitie naar nieuw werk. In 2016 zijn de regeling scholingsvouchers voor werkzoekenden, de persoonlijke dienstverlening in de WW, de subsidieregeling voor projecten van sociale partners (Regeling DWSRA) en de brug-WW in werking getreden.

Tabel 3.2.1.4 Kerncijfers sectorplannen, financieel (bedragen x € 1 mln)1
 

Maart 2015

(initiële beschikkingen)

Oktober 2015 (bijgestelde beschikkingen)

Augustus 2016 (bijgestelde beschikkingen)

December 2016 (bijgestelde beschikkingen)

1e en 2e tranche

 

Arbeidsmobiliteit

67,8

35,2

28,7

28,1

Behoud vakkrachten

16,3

9,2

3,3

3,3

Scholing

145,3

131,6

112,0

110,1

Bevordering instroom

168,3

150,6

154,4

154,7

Bevordering gezondheid

21,6

19,0

18,3

18,1

Overig

7,9

8,6

8,6

8,0

         

Totaal exclusief overhead

427,2

354,2

325,3

322,3

         

3e tranche

Transities naar nieuw werk

2

2

64,0

64,0

         

Alle sectorplannen

Exclusief overhead

427,2

354,2

389,3

386,3

Inclusief overhead

437,5

367,7

417,8

414,5

X Noot
1

Agentschap SZW, administratie.

X Noot
2

De aanvragen voor de 3e tranche waren op dit moment nog in beoordeling.

Tabel 3.2.1.5 Kerncijfers sectorplannen, doelstellingen en deelnemers1
 

Oktober 2015

Augustus 2016

Oktober 2015

Augustus 2016

1e en 2e tranche

 

Aantallen deelnemers (volgens beschikkingen)

Geregistreerd aantal deelnemers

Arbeidsmobiliteit

39.843

37.125

11.771

21.607

Behoud vakkrachten

7.565

23.531

720

13.353

Scholing

228.295

201.744

86.272

147.925

Bevordering instroom

36.987

35.256

18.376

30.425

Bevordering gezondheid

80.005

72.495

26.430

47.270

Overig

2.570

12.080

3.321

7.843

         

Totaal

395.265

382.191

146.890

268.413

         

3e tranche

 

Aantallen deelnemers (volgens beschikkingen)

Geregistreerd aantal deelnemers

Van werk naar werk (ander beroep)

2

4.842

2

927

Van werk naar werk (zelfde beroep)

2

3.432

2

405

Van werkloosheid naar werk

2

7.189

2

1.171

Van overig naar werk

2

2.790

2

550

         

Totaal

2

18.253

2

3.053

X Noot
1

Agentschap SZW, administratie.

X Noot
2

De aanvragen voor de 3e tranche waren op dit moment nog in beoordeling.

Meer goed werk in Europa

Nederland heeft zich tijdens het EU-voorzitterschap in de eerste helft van 2016 onder andere gericht op innovatieve groei en banen. SZW heeft zich in het bijzonder ingespannen om steun te krijgen voor een aanpassing van de Detacheringsrichtlijn. Dit is nodig om concurrentie op de arbeidsvoorwaarden tegen te gaan. Nederland is van mening dat gedetacheerde werknemers recht hebben op hetzelfde loon als lokale werknemers op dezelfde werkplek. De Europese Commissie heeft op 8 maart 2016 een voorstel gepresenteerd tot herziening van de Detacheringsrichtlijn (Tweede Kamer, 2015–2016, 22 112, nr. 2104). SZW heeft de onderhandelingen over het voorstel voortvarend opgepakt, ondanks de tegenstand van vooral Oost-Europese lidstaten. In de tweede helft van 2016 heeft het kabinet zich ingezet voor het verder brengen van de onderhandelingen over de Detacheringsrichtlijn. Deze discussie moet nog verder gevoerd worden. Er is nauw contact met de andere lidstaten die net als Nederland voorstander zijn van aanpassing van de Detacheringsrichtlijn.

Tijdens het voorzitterschap ging ook het «Platform bestrijding zwartwerk» van start, dat samenwerking tussen inspectiediensten van de lidstaten tegen schijnconstructies bevordert. Over de handhavingaspecten van betere arbeidsvoorwaarden heeft in februari 2016 een themaconferentie plaatsgevonden. Tevens heeft een ambtelijke EU-werkgroep onder leiding van Nederland aanbevelingen gepresenteerd voor een betere toepassing van de coördinatieregels voor sociale zekerheid bij detacheringen.

3.2.2 Kansen voor iedereen

Inburgering en integratie

In 2015 en 2016 had Nederland te maken met verhoogde asielinstroom. Het kabinet heeft zich in 2016 ingespannen om de instroom in goede banen te leiden. Van de eerste opvang tot de uiteindelijke integratie in de samenleving. Het kabinet heeft daarom met de VNG afspraken gemaakt om ervoor te zorgen dat vluchtelingen met een verblijfsvergunning zo snel mogelijk zelfstandig, volwaardig en gezond aan het werk kunnen, naar school gaan of op een andere manier een bijdrage leveren aan de Nederlandse samenleving. Met dit uitwerkingsakkoord van 28 april 2016 (Tweede Kamer, 2015–2016, 19 637, nr. 2182) wordt naast de al bestaande afspraken uit het bestuursakkoord van 2015 (Tweede Kamer, 2015–2016, 19 637, nr. 2107) een sluitende aanpak gecreëerd. In dit akkoord is afgesproken dat de bijdrage voor maatschappelijke begeleiding door gemeenten verhoogd wordt van € 1.000 naar € 2.370 per vergunninghouder. Dat was al zo voor 2016 en 2017, maar wordt nu structureel gemaakt. Een belangrijk onderdeel van maatschappelijke begeleiding is de participatieverklaring, waarmee nieuwkomers worden gewezen op hun rechten en plichten en de Nederlandse waarden. Het wetsvoorstel is in het najaar van 2016 bij de Tweede Kamer ingediend (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 584, nr. 2). Als het parlement akkoord gaat kan de aanpassing per 1 juli 2017 in werking treden. In 2016 hebben gemeenten al de eerste stappen gezet met de uitvoering van de participatieverklaring. Daarnaast is in het bestuursakkoord een intertemporele tegemoetkoming van € 85 miljoen voor 2016 afgesproken. Dit is bedoeld om de feitelijke kosten voor gemeenten door de verhoogde asielinstroom te dekken. De gerealiseerde uitgaven in 2016 zijn bijna € 20 miljoen. De verrekening van de intertemporele tegemoetkoming met de verdeling van het macrobudget participatiewetuitkeringen vindt plaats vanaf 2018.

Het nieuwe inburgeringstelsel leidt nog niet tot de gewenste resultaten. Het aantal inburgeraars dat het examen aflegt binnen de daarvoor gestelde termijn valt lager uit dan verwacht. De Algemene Rekenkamer constateert ook dat de resultaten van het inburgeringsbeleid achterblijven bij de verwachtingen (Tweede Kamer, 2016–2017, 32 824, nr. 181). Op 11 oktober 2016 is in een brief aan de Tweede Kamer uiteengezet welke knelpunten en belemmeringen binnen het huidige inburgeringsstelsel extra inzet of kennis behoeven (Tweede Kamer, 2016–2017, 32 824, nr. 161). Onder verwijzing naar deze brief is ook gereageerd op het rapport van de Algemene Rekenkamer. Hierin is aangegeven hoe SZW met de aanbevelingen zal omgaan.

Na een couppoging in Turkije op 15 juli 2016 zijn de spanningen in de Turks-Nederlandse gemeenschap toegenomen. Het SCP-onderzoek «Werelden van verschil» uit eind 2015 gaf al reden tot zorgen over de gebrekkige binding van veel Turkse Nederlanders met de Nederlandse samenleving (Tweede Kamer, 2015–2016, 32 824, nr. 117). In september heeft een gezamenlijk overleg plaatsgevonden met verschillende organisaties uit de Turkse gemeenschap in een poging om spanningen te kanaliseren en te verminderen. Ook wordt vervolgonderzoek gedaan naar de vier grote Turkse religieuze stromingen. De ontwikkelingen in de Turkse gemeenschap blijven een punt van aandacht. Ook waar buitenlandse ontwikkelingen van invloed zijn op de Turkse Nederlanders en de Nederlandse samenleving.

Beslagvrije voet

De beslagvrije voet wordt regelmatig te laag vastgesteld. Hierdoor houden mensen onvoldoende over om in de (basale) kosten van levensonderhoud te voorzien. Dat is onwenselijk. Daarom heeft het kabinet besloten om de regels rond de beslagvrije voet te vereenvoudigen. Een interdepartementale projectgroep heeft gewerkt aan een nieuw, eenvoudig systeem om de beslagvrije voet te berekenen. Eind 2016 is het wetsvoorstel vereenvoudiging beslagvrije voet ingediend bij de Tweede Kamer. In relatie tot een betere bescherming en naleving/handhaafbaarheid van de beslagvrije voet worden ook de bijzondere incassobevoegdheden bezien. In maart 2017 is het wetsvoorstel aanvaard (Stb. 2017, 110).

Kansen op werk voor kwetsbare groepen

De gemeenten en het UWV hebben de ambitie geformuleerd om in twee jaar (medio 2015 tot en met medio 2017) 23.000 jongeren met een uitkering te matchen op werk. Wat het eerste uitvoeringsjaar betreft is die ambitie behaald, zo blijkt uit de gegevens die Regioplan heeft opgehaald ten behoeve van Matchen op werk en die binnenkort aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Uit de regionale plannen van aanpak blijkt dat de gemeenten en het UWV de totale ambitie voor het daaropvolgende uitvoeringsjaar met 5.500 jongeren hebben verhoogd. Met onderzoeken, pilots, handreikingen, trainingen en regionale en landelijke bijeenkomsten zet Team Aanpak Jeugdwerkloosheid zich in om de uitvoering van Matchen op werk in de arbeidsmarktregio’s verder te verbeteren. Daarnaast werkt Team Aanpak Jeugdwerkloosheid in de City Deal in twaalf steden met twintig vmbo- en vijftien mbo-scholen, vijf hogescholen en drie universiteiten samen om discriminatie en negatieve beeldvorming te overbruggen en om ruim 9.000 scholieren beter voor te bereiden op de arbeidsmarkt. In dit schooljaar (2016–2017) worden tien pilots uitgevoerd en eind 2017 worden die pilots onderzocht en geëvalueerd.

In 2016 is het actieplan «50plus werkt» afgerond. Het actieplan bestond uit netwerktrainingen, individuele begeleiding en inspiratiedagen voor werkzoekenden en werkgevers. Daarnaast bestond het plan uit een subsidieregeling waarmee vijftigplussers via de werkgever of op eigen aanvraag scholing(svouchers) kunnen krijgen of die intermediairs een plaatsingsfee toekent wanneer zij een oudere werkzoekende duurzaam (minimaal 3, 6 of 12 maanden) aan een baan helpen. De Tweede Kamer is gedurende de looptijd op diverse momenten geïnformeerd over de voortgang van het actieplan. In de eerste helft van 2017 wordt een eindverslag naar de Tweede Kamer gestuurd.

In navolging van het actieplan «50plus werkt» is in juni 2016 het actieplan «Perspectief voor vijftigplussers» naar de Tweede Kamer gestuurd (Tweede Kamer, 2015–2016, 29 544, nr. 724). Het actieplan is samen met de sociale partners opgesteld. De aanpak bestaat – naast de bestaande instrumenten zoals de mobiliteitsbonus – uit nieuwe maatregelen die werkzoekenden gerichte ondersteuning moet bieden bij het vinden van werk. Daarnaast worden werkgever en de werkzoekende met elkaar in contact gebracht, zodat vijftigplussers een eerlijke kans krijgen om werk te vinden. Tevens richten de maatregelen zich op het voorkomen van werkloosheid door werkende vijftigplussers meer wendbaar te maken: zoals een tweedeloopbaanadvies, training voor leidinggevenden en een centraal aanspreekpunt voor werkgevers. Verder is er budget vrijgemaakt voor experimenten om kansen bij werkgevers te benutten die nu onbenut blijven, zoals in de techniek en de ambachten. Het actieplan wordt ondersteund door een campagne om de beeldvorming over vijftigplussers te verbeteren. Oud-international John de Wolf speelt als boegbeeld van het actieplan hier een belangrijke rol in. Het actieplan loopt tot en met 2018. Na 2018 zal op basis van een evaluatie van de aanpak en de arbeidsmarktsituatie van vijftigplussers worden bezien of en welke aanpak er verder nodig is.

Participatiewet

Met de Participatiewet en de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten geeft het kabinet samen met de sociale partners mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt meer kans op werk. De cijfers van de één-meting van de banenafspraak laten zien dat er eind 2015 ten opzichte van de nulmeting voor mensen met een arbeidsbeperking 21.057 banen bij reguliere werkgevers zijn gerealiseerd (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 352, nr. 34). Het gaat om 15.604 banen bij de sector markt en 5.453 banen bij de sector overheid. Dit betekent dat werkgevers eind 2015 voor op schema lagen en het niet nodig was de quotumregeling te activeren. Het aantal banen zal ten opzichte van de nulmeting jaarlijks moeten blijven toenemen. Het blijft dan ook noodzakelijk om te blijven kijken waar belemmeringen kunnen worden weggenomen. Daarom zijn in 2016 enkele wettelijke wijzigingen doorgevoerd om tegemoet te komen aan belemmeringen die in de praktijk werden ervaren. Zo is in de wet stroomlijning loonkostensubsidies Participatiewet en enkele andere wijzigingen (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 514, nr. 3) een vereenvoudiging in de berekening van loonkostensubsidies ingevoerd die het gebruik van dit instrument vergemakkelijkt (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 514, nr. 7) en is de mogelijkheid geopend om gedurende maximaal de eerste zes maanden van het dienstverband een forfaitaire loonkostensubsidie te verstrekken ter hoogte van 50% van het wettelijk minimumloon. Daarnaast is de no-riskpolis voor de doelgroep banenafspraak en beschut werk structureel gemaakt (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 514, nr. 8). Dit moet de onzekerheid wegnemen bij werkgevers om duurzame dienstverbanden aan te gaan.

Met de wet verplichtstelling beschut werk en invoering praktijkroute, die ook in 2016 is aangenomen, is geregeld dat gemeenten vanaf 2017 mensen die uitsluitend in een beschutte werkomgeving kunnen functioneren beschut werk moeten aanbieden (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 578, nr. 2). Aanleiding hiervoor was eerder onderzoek van de Inspectie SZW waaruit bleek dat beschut werk in gemeenten nauwelijks van de grond kwam (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 352, nr. 19). In het voorjaar van 2016 bood ruim een kwart van de gemeenten beschut werk in het geheel niet aan en in gemeenten die beschut werk wel wilden aanbieden staan in de Statistiek Registratie Gemeenten op 1 juli 2016 110 beschutte werkplekken geregistreerd (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 352, nr. 50). Het aantal beschutte werkplekken blijft daarmee achter bij de ramingen. In dezelfde wet is ook de mogelijkheid opgenomen dat mensen bij wie op de werkplek op grond van een loonwaardemeting is vastgesteld dat zij niet het wettelijk minimumloon kunnen verdienen, via de zogenoemde praktijkroute worden opgenomen in het doelgroepregister van de banenafspraak.

Tabel 3.2.2.1 Kerncijfers re-integratie
   

2014

WWB

2015

Participatiewet

2016

Participatiewet

Aantal gestarte banen na re-integratievoorziening door gemeenten1 (x 1.000)

47

43

20

         

Werkenden met een voorziening Participatiewet2 (x 1.000, ultimo)

37

33

35

 

waarvan personen met een loonsubsidie Participatiewet

nvt

1,2

2,2

 

waarvan personen met beschut werk

nvt

<0,1

<0,1

 

waarvan tijdelijke loonkostensubsidie voor werklozen of ID/WIW

8

5,2

3,7

         

Werknemersbestand Wsw3 (x 1.000)

103

96

Aantal detacheringen als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen3 (%)

30

36

Aantal gerealiseerde plaatsen in begeleid werken als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen3 (%)

6,5

6,6

       

Aantal voorzieningen Participatiewet/WWB2 (x 1.000, ultimo)

214

209

222

         

Aantal personen met een voorziening Participatiewet/WWB2 (x 1.000, ultimo)

170

166

170

X Noot
1

CBS, uitstroom na re-integratie. Het cijfer over 2016 betreft de eerste twee kwartalen.

X Noot
2

CBS, statistiek re-integratie gemeenten, het cijfer 2016 betreft de eerste twee kwartalen.

X Noot
3

Realisatiecijfers over het aantal personen in de Wsw eind 2016 zijn nog niet beschikbaar. Deze worden begin juni gepubliceerd in de meicirculaire van het Gemeentefonds 2017.

Armoede en schulden

In 2014 leefden meer dan 400.000 kinderen in een huishouden met een laag inkomen. Het is belangrijk dat alle kinderen in Nederland kansrijk kunnen opgroeien, ook kinderen in armoede. Daarom heeft het kabinet vanaf 2017 – naast de € 100 miljoen uit het Regeerakkoord – nog eens jaarlijks € 100 miljoen extra beschikbaar gesteld om álle kinderen kansen op participatie te geven (Tweede Kamer, 2016–2017, 24 515, nr. 378). De extra middelen gaan in natura naar de kinderen die het nodig hebben. Met de VNG is een convenant afgesloten dat door gemeenten wordt uitgevoerd in samenwerking met alle partners die belangrijk zijn om de kinderen waar het om gaat te bereiken en dat niet ten koste mag gaan van bestaand beleid. Deze partners zijn maatschappelijke instellingen zoals het Jeugdsportfonds, Jeugdcultuurfonds, Stichting Leergeld, Jarige Job, Nationaal Fonds Kinderhulp Centrum voor Jeugd en Gezin, scholen, sportverenigingen, buurtmedewerkers en vele anderen. Via de gemeenten zal € 85 miljoen, in samenwerking met de fondsen en stichtingen, bij kinderen terecht komen. € 1 miljoen is bestemd voor kinderen in Caribisch Nederland die met armoede te maken hebben. Tot slot is het restant van € 14 miljoen bestemd voor bovenregionale en landelijke initiatieven van eerdergenoemde maatschappelijke instellingen gericht op armoedebestrijding en participatie van kinderen door in natura beschikbaarstelling.

Herbeoordelingen

Herbeoordelingen van arbeidsongeschikten zijn een noodzakelijk instrument voor het bepalen of iemand recht heeft op een uitkering en dragen bij aan de activering van arbeidsongeschikten. De achterstanden bij de herbeoordelingen als gevolg van een tekort aan verzekeringsartsen zijn een hardnekkig probleem. Daarom is met het UWV een integraal plan opgesteld om de achterstanden weg te werken (Tweede Kamer, 2015–2016, 26 448, nr. 569). In een viermaandelijkse monitor rapporteert het UWV over de meest actuele ramingen van de totale werkvoorraad en de ontwikkeling van de beschikbare artsencapaciteit. Op basis van de uitkomsten van deze monitor wordt waar nodig aanvullende maatregelen getroffen. Met het UWV is afgesproken om de achterstand op de herbeoordelingen eind 2016 terug te brengen tot 6.100 herbeoordelingen. Deze doelstelling is ruimschoots gehaald.

3.2.3 Met de blik op de toekomst

Oudedagsvoorziening

In 2016 heeft het kabinet besloten de invoering van de kostendelersnorm AOW verder uit te stellen tot 2019. Daarmee voert het kabinet Rutte/Asscher de kostendelersnorm niet meer in. Op het gebied van de aanvullende pensioenen heeft het kabinet, zoals beoogd, de Tweede Kamer het perspectief op een nieuw pensioenstelsel geboden. In de brief van 8 juli 2016 (Tweede Kamer, 2015–2016, 32 043, nr. 337) heeft het kabinet de hoofdlijnen uit de brief van 6 juli 2015 verder ingevuld. Naar aanleiding van het onderzoek naar het (niet-)gebruik van de OBR is de regeling per 1 oktober 2016 nogmaals uitgebreid (Tweede Kamer, 2015–2016, 32 163, nr. 41). Met de uitbreiding kan een OBR-uitkering tot maximaal 1 jaar met terugwerkende kracht worden aangevraagd. Daarnaast geven de uitkomsten van het onderzoek naar het (niet)-gebruik van de OBR aanleiding om de dienstverlening vanuit de SVB te intensiveren. Dit gebeurt door potentiële OBR-gerechtigden gerichter te rappelleren. Tot slot heeft het kabinet de Tweede Kamer in het najaar van 2016 geïnformeerd over de voorgenomen wetswijziging op het gebied van waardeoverdracht binnen de tweede pensioenpijler (Tweede Kamer, 2016–2017, 32 043, nr. 350). Met de maatregel wordt de afkoop van kleine pensioenen ontmoedigd door deze zoveel mogelijk binnen het systeem van waardeoverdracht te brengen. Dit is deels in lijn met de landenspecifieke aanbeveling van de Europese Commissie om de pensioenpremies in de tweede pijler transparanter, intergenerationeel billijker en schokbestendiger te maken.

Ouderschaps- en kindregelingen

Het basisbedrag in de kinderbijslag is vanaf 2016 verhoogd met € 34 op jaarbasis (Stb. 2016, nr. 59). Daarnaast is het extra bedrag aan kinderbijslag voor een alleenstaande ouder of een alleenverdienende ouder met een thuiswonend kind dat intensieve zorg behoeft verhoogd.

Het kabinet hecht er waarde aan dat iedereen mee kan doen op de arbeidsmarkt. Mogelijkheden om werk en zorgtaken te combineren dragen bij aan dit doel. In 2016 heeft het kabinet de kinderopvangtoeslag geïntensiveerd. Met deze intensivering was € 290 miljoen structureel gemoeid. De maatregel heeft vermoedelijk bijgedragen aan een stijging in het beroep op de kinderopvangtoeslag. Daarnaast intensiveert het kabinet per 2017 de kinderopvangtoeslag met structureel € 200 miljoen extra. De arbeidsparticipatie van (alleenstaande) vaders en moeders stijgt (tabel 3.2.1.2) en ook het aantal gewerkte uren van moeders met jonge kinderen stijgt (tabel 3.2.3.1).

Tabel 3.2.3.1 Kerncijfers ontwikkeling in gewerkte uren1 (gemiddelde binnen de groep vrouwen met een baan van meer dan 1 uur, jaarcijfers)
 

2014

2015

2016

Vrouwen 15 tot 75 jaar

25,3

25,3

25,6

Moeders met jonge kinderen (0–11 jaar)

25,2

25,5

25,8

X Noot
1

CBS.

Verder zet het kabinet met diverse wetsvoorstellen in op de kwaliteit en financiële toegankelijkheid van de kinderopvang en voorschoolse voorzieningen. In september 2016 is de Tweede Kamer geïnformeerd over het besluit tot heroriëntatie op het wetsvoorstel Directe Financiering kinderopvang (Tweede Kamer, 2015–2016, 31 322, nr. B). Daarnaast is in het najaar 2016 het wetsvoorstel Innovatie en kwaliteit in de kinderopvang aan de Tweede Kamer aangeboden, als gevolg van het gesloten akkoord met veldpartijen. Tot slot is in het najaar van 2016 het wetsvoorstel harmonisatie peuterspeelzaalwerk en kinderopvang aan de Tweede Kamer verzonden (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 596, nr. 3). Hiermee worden verschillen in kwaliteitseisen aan en financiering van peuterspeelzaalwerk en kinderopvang opgeheven. Beide wetsvoorstellen zijn door de Tweede Kamer aangenomen.

Om een financieel toegankelijk aanbod aan voorschoolse voorziening te helpen realiseren voor peuters van niet-werkende ouders heeft het kabinet een bestuurlijk akkoord gesloten met gemeenten waarin zij zich committeren aan dit doel. In 2016 is voor dit doel € 10 miljoen beschikbaar gesteld en verdeeld over de gemeenten. Structureel stelt het Rijk € 60 miljoen beschikbaar voor de financiering hiervan.

Caribisch Nederland

Op 1 januari 2016 is de wet kinderbijslagvoorziening BES in werking getreden. Evenredig naar de verhoging in Europees Nederland is bij de invoering van de kinderbijslag op de BES-eilanden de toeslag verhoogd tot $ 40 per maand. In overeenstemming met de openbare lichamen zijn de kinderbijslagbedragen voor St. Eustatius en Saba extra verhoogd tot $ 42 per maand. Met deze maatregelen is de inkomenspositie van gezinnen met kinderen verbeterd.

Eind 2016 hebben beide Kamers ingestemd met de ministeriële regeling waarmee het basisbedrag in de algemene onderstand op de BES-eilanden wordt verhoogd tot 40% van het plaatselijk minimumloon. Hiermee wordt de bestaanszekerheid van de onderstandsgerechtigden verbeterd.

Inspectie SZW

In 2016 heeft ABDTopConsult onderzoek gedaan in hoeverre de capaciteit van de Inspectie toereikend is (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 550-XV, nr. 14). In het onderzoek is vastgesteld dat het niet mogelijk is een eenduidig en kwantitatief onderbouwd antwoord te geven op de vraag of de capaciteit van de Inspectie SZW toereikend is omdat daarvoor niet de juiste informatie beschikbaar is en omdat een politiek vastgestelde norm ontbreekt. Uit de bredere analyse naar inspectieplannen, inspectieproces en verantwoording volgt de voorzichtige uitspraak dat in het functioneren van de Inspectie als geheel geen significant tekort kan worden vastgesteld. Wel wordt geconstateerd dat er druk is op het werkterrein van de Inspectie SZW. Tijdens de parlementaire behandeling van de SZW-begroting 2017 zijn een motie (uitbreiding van de capaciteit van de Inspectie SZW voor de aanpak van schijnconstructies en ondersteuning bij handhaving van cao-partners vanaf 2019) (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 550-XV, nr. 3) en een amendement (gericht op de bestrijding arbeidsmarktdiscriminatie in 2017 en 2018) (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 550-XV, nr. 21) aangenomen. Om de afwegingen rond capaciteit en naleving explicieter te kunnen maken wordt in 2017 een Inspectie Control Framework (ICF) opgesteld. Hierin worden onder meer gemaakte keuzes inzichtelijk gemaakt en de gegevens rond doelgroep, beoogd effect, nalevingstekort en Inspectie-inzet voor alle programma’s en daarmee voor het geheel van de Inspectie op een rij gezet. Het ICF kan behulpzaam zijn bij besluitvorming over eventuele investeringen in de inspectie.

Informatie over de verschillende uitkeringen (aantallen en kosten), alsmede een nadere uitwerking van cijfers rond fraude en handhaving per wet staan verspreid over de diverse relevante beleidsartikelen, bij de relevante materiewetten. Samenvattende cijfers rond fraude en handhaving worden hieronder vermeld.

De kerncijfers opsporing laten een daling van het totaal opgelegde boetebedrag zien voor zowel het UWV, de SVB als de gemeente (tabel 3.2.3.2). In 2015 is deze daling onder andere het gevolg van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 november 2014. Naar aanleiding van deze uitspraak is het sanctiebeleid versoepeld, waardoor er minder hoge boetes zijn opgelegd. Bij het UWV is de daling van het aantal geconstateerde overtredingen, het totale benadelingsbedrag en het totaal opgelegde boetebedrag een gevolg van de invoering van de inkomstenverrekening van de Wwz per 1 juli 2015.

De incassoratio’s in tabel 3.2.3.3 laten een stabiel beeld zien. De incassoratio zal de komende jaren nog verder toenemen omdat in de Fraudewet is bepaald dat invordering van het benadelingsbedrag en de boete gedurende 10 jaar kan plaatsvinden. Ook blijkt dat voor UWV, SVB en gemeenten gezamenlijk na drie jaar 58% van de over 2014 terug te vorderen uitkeringen en boetes is geïncasseerd.

Tabel 3.2.3.2 Kerncijfers opsporing UWV, SVB en gemeenten
 

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

Totaal benadelingsbedrag

(x € 1 mln)

Totaal opgelegde boetebedrag

(x € 1 mln)

 

2014

2015

2016

2014

2015

2016

2014

2015

2016

UWV1

50

32

17

88

62

41

55

16

10

SVB2

3,3

3,3

2,6

7,5

9,6

8,8

3,1

1,7

1,6

Gemeenten3

11

11

11

62

66

71

19

14

9

                   

Totaal

64

47

31

157

137

121

77

32

20

X Noot
1

UWV, Jaarverslag.

X Noot
2

SVB, Jaarverslag.

X Noot
3

CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

Tabel 3.2.3.3 Kerncijfers incassoratio’s en geïnd bedrag UWV, SVB en gemeenten
 

2014

na 1 jaar

2015

na 1 jaar

2016

na 1 jaar

2013

na 2 jaar

2014

na 2 jaar

2015

na 2 jaar

2013

na 3 jaar

2014

na 3 jaar

Incassoratio (%)

               

UWV1

22

30

25

50

48

54

61

67

SVB2

23

21

24

56

40

41

62

65

Gemeenten3

13

14

14

22

16

20

23

25

                 

Totaal

19

22

19

45

37

37

53

58

                 

Geïnd bedrag (x € 1 mln)

               

UWV1

31,1

22,9

12,9

47,5

68,6

41,4

57,8

83,4

SVB2

2,5

2,4

2,5

7,6

4,3

4,6

8,4

5,0

Gemeenten3

10,5

11,3

11,2

6,1

13

16,1

6,3

14,6

                 

Totaal

44,1

36,5

26,6

61,2

85,8

62,2

72,5

102,9

X Noot
1

UWV, Jaarverslag.

X Noot
2

SVB, Jaarverslag.

X Noot
3

CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

3.3 Budgettaire ontwikkeling en koopkracht 2016

Nederland heeft de economische crisis achter zich gelaten. De dalende trend in de werkloosheid die in 2015 is ingezet is in 2016 doorgezet. De werkloosheid daalde van de in de begroting geraamde 605.000 (6,7% van de beroepsbevolking) naar 538.000 (6,0%). Dit is een positieve ontwikkeling, omdat het hebben van werk mensen meer biedt dan enkel een inkomen. Werk zorgt immers ook voor sociale contacten, zelfvertrouwen en mogelijkheden tot zelfontplooiing. De economische groei bleef daarentegen met 2,1% in 2016 iets achter bij de gemaakte raming ten tijde van het indienen van de Miljoenennota 2016. Hier staat tegenover dat de eerder ingezette werkgelegenheidstoename in de marktsector het afgelopen jaar is doorgezet. Vergeleken met een jaar eerder is het aantal gewerkte uren met 2,3% toegenomen in 2016.

Omdat de prijzen in 2016 minder sterk stegen dan vooraf werd verwacht, is de koopkrachtontwikkeling van huishoudens veel sterker verbeterd dan rond Prinsjesdag werd voorzien. In doorsnee steeg de koopkracht van huishoudens in 2016 met 2,7%.

Tot slot, zijn de geraamde SZA-uitgaven voor 2016 van € 77,5 miljard uitgekomen op € 76,6 miljard. De ijklijn 2016 is € 0,7 miljard lager vastgesteld dan in de Begroting 2016 is opgenomen. Voornaamste oorzaak is een bijstelling van het kader als gevolg van de ontwikkeling van de prijs van de nationale bestedingen. Daarnaast is de ijklijn bijgesteld voor overboekingen tussen de kaders en statistische correcties. Door de lagere SZA-uitgaven ten opzichte van de ontwerpbegroting is er sprake van een onderschrijding van het kader. Tegelijkertijd is het SZA-kader ook neerwaarts bijgesteld. Per saldo is er € 0,8 miljard minder uitgegeven dan de voor 2016 geldende ijklijn.

Tabel 3.3 Kerncijfers economische groei, werkgelegenheid en werkloosheid, koopkracht en SZA-uitgaven.
 

Raming

Begroting

2016

Realisatie

Jaarverslag

2016

Economische groei (in %)

2,41

2,22

     

Werkgelegenheid in arbeidsjaren/uren3, marktsector (mutatie in %)

1,31

2,34

Werkloosheid (x 1.000, internationale definitie)

6051

5384

Werkloosheid (in % van de beroepsbevolking, internationale definitie)

6,71

6,04

     

Koopkracht, statisch, mediaan, alle huishoudens (in %)

1,41

2,74

     

SZA-uitgaven (x € 1 miljard)

77,55

76,6

IJklijn uitgaven (x € 1 miljard)

78,15

77,4

Overschrijding ijklijn (x € 1 miljard)

– 0,65

– 0,8

X Noot
1

CPB, MEV 2016.

X Noot
2

CBS, «Nederland in 2016 – een economisch overzicht».

X Noot
3

Het CPB gebruikt sinds het CEP 2016 gewerkte uren in plaats van arbeidsjaren als maatstaf van arbeid. Zodoende betreft de raming begroting 2016 arbeidsjaren en de realisatie jaarverslag 2016 arbeidsuren.

X Noot
4

CPB, CEP 2017.

X Noot
5

Raming SZW.

3.4 Focusonderwerpen

Als overkoepelend focusonderwerp voor de verantwoording over 2016 heeft de Tweede Kamer het onderwerp «focus op beleidstoetsing» gekozen (Tweede Kamer, 2015–2016, 31 865, nr. 80). Specifiek focusonderwerp voor SZW is doorgaan op de ingeslagen weg qua verbetering van verantwoording op basis van indicatoren (Brief van de vaste commissie voor Rijksuitgaven aan de Minister van Financiën).

3.4.1 Kwaliteit van de beleidsdoorlichtingen

Om de kwaliteit van de beleidsdoorlichtingen te verbeteren, zijn de volgende activiteiten ingezet. Daarbij is in het bijzonder aandacht voor de informatievoorziening:

  • Er is een traject gestart om de programmering van de evaluaties te verbeteren die ten grondslag liggen aan een beleidsdoorlichting om eerder »blinde vlekken» in de evaluaties te constateren en om vervolgens tijdig evaluaties naar de doeltreffendheid en doelmatigheid te laten uitvoeren.

  • Meer aandacht voor de beleidstheorie en de onderzoeksmethode als basis van de onderzoeken.

  • Vanaf het begin van beleidsdoorlichtingen is de onafhankelijke deskundige betrokken, omdat dit de kwaliteit van beleidsdoorlichtingen verbetert.

  • Ambtenaren van SZW zijn nauw betrokken bij de ontwikkeling van een opleiding bij de Rijksacademie van Financiën, Economie en Bedrijfsvoering die Rijksmedewerkers die een beleidsdoorlichting begeleiden actief zal scholen op het terrein van evaluatieonderzoek.

  • Meer en tijdige aandacht voor de opzetbrieven. De startbrieven voor de beleidsdoorlichtingen in 2017 zijn reeds naar de Tweede Kamer verzonden. Hoewel de afgelopen jaren een behoorlijke kwaliteitslag is gemaakt, zal er meer aandacht geschonken worden aan het tijdig betrekken van onafhankelijke deskundigen om deze dan ook in de opzetbrief te kunnen benoemen. Ook is er meer aandacht voor het eerder sturen van de startbrief naar de Tweede Kamer, bij voorkeur vóór het zomerreces.

  • Meer aandacht om een tijdige aanbieding van de beleidsdoorlichting te borgen, om zo de aandacht voor de beleidsdoorlichting te vergroten.

3.4.2 Verbetering verantwoording met behulp van indicatoren

In de beleidsagenda van de begroting 2017 zijn, zoals voorgesteld in de brief van 3 juni 2016 (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 300-XV, nr. 89), kerncijfers opgenomen over de netto arbeidsparticipatie van mannen en vrouwen, gewerkte uren van vrouwen en moeders met jonge kinderen, werkloosheid en flexibilisering.

In de paragraaf beleidsprioriteiten van dit jaarverslag is de relatie tussen de kerncijfers en de beleidsprioriteiten nader versterkt (zie onderdeel 3.2). Dit is gedaan door de structuur aan te passen: het beleidsverslag is onderverdeeld in de drie hoofdambities van SZW en deze teksten zijn voorzien van daaraan gerelateerde beleidsinformatie. Tevens is in 2016 gewerkt aan de ontwikkeling van indicatoren op het terrein van re-integratie, de inspectie SZW, gezond en veilig werken, prestatie-indicatoren SVB en UWV en handhaving. De uitkomsten ervan worden, zo ver mogelijk, verwerkt in de Begroting 2018.

Tijdens het wetgevingsoverleg van 23 juni 2016 over het Jaarverslag 2015 is besloten om met een werkgroep over mogelijke indicatoren nader met het ministerie in gesprek te gaan. Vervolgens heeft de Tweede Kamer aangegeven dit gesprek tot nader order uit te stellen. Na het verkiezingsreces zal deze afspraak opnieuw op de agenda gezet worden.

3.5 Realisatie beleidsdoorlichtingen

Tabel 3.5 Realisatie beleidsdoorlichtingen1

Nummer en naam artikel

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Wanneer gepland

Geheel artikel?

Behandeling in Tweede Kamer

1 Arbeidsmarkt

 

X 2, X 3

X 4

X

       

2011, 2012, 2013

Nee2 3 4

Betrokken bij overleg (AO, wetgevingsoverleg)

2 Bijstand, Participatiewet, Toeslagenwet en Sociale Werkvoorziening

X 5

             

2010

Nee5

Betrokken bij overleg (wetgevingsoverleg)

3 Arbeidsongeschiktheid

 

X 6

   

X

   

X7

2011, 2014, 20177

Nee

Betrokken bij overleg (AO)

4 Jonggehandicapten

             

X

2017

Ja

Nog in behandeling

5 Werkloosheid

           

X

 

2016

Ja

Nog in behandeling

6 Ziekte en zwangerschap

             

X

2017

Ja

Nog in behandeling

7 Kinderopvang

         

X

   

2015

Ja

Betrokken bij overleg (AO)

8 Oudedagsvoorziening

X 5

   

X

       

2010, 2013

Nee

Schriftelijk overleg of schriftelijke vragen met antwoorden voor kennisgeving aangenomen

9 Nabestaanden

X 5

   

X

       

2010, 2013

Ja

Betrokken bij overleg (AO)

10 Tegemoetkoming ouders

     

X

       

2013

Ja

Betrokken bij overleg (wetgevingsoverleg)

11 Uitvoering

         

X

   

2015

Ja

Betrokken bij overleg (AO)

12 Rijksbijdragen8

               

Nvt

Nvt

Nvt

13 Integratie en maatschappelijke samenhang

             

X 9

20169

Ja

Nog in behandeling

X Noot
1

Zie het meest recente overzicht van de programmering van beleidsdoorlichtingen. Voor de realisatie van andere onderzoeken, zie de bijlage «Afgerond evaluatie- en overig onderzoek» (bijlage E2).

X Noot
2

Deze doorlichting besloeg het toenmalige artikel 42 van de begroting van SZW, arbeidsparticipatie.

X Noot
3

Deze doorlichting besloeg het toenmalige artikel 41 van de begroting van SZW, inkomensbeleid.

X Noot
4

Deze doorlichting besloeg het toenmalige artikel 44 van de begroting van SZW, gezond en veilig werken.

X Noot
5

Deze doorlichting besloeg het toenmalige artikel 49 van de begroting van SZW, en behandelde de AOW, Anw, Toeslagenwet en aanvullende bijstand.

X Noot
6

Deze doorlichting besloeg operationele doelstelling 46.2 van de toenmalige begroting van SZW, inkomensbescherming met activering (WIA).

X Noot
7

Oorspronkelijk stond de beleidsdoorlichting artikel 3 (arbeidsongeschiktheid) gepland in 2017. Uiterlijk 1 april 2017 wordt het IBO (Interdepartementaal BeleidsOnderzoek) Arbeidsongeschiktheid opgeleverd. Voor wat betreft de onderwerpen die in het IBO aan de orde komen (WIA), komt het IBO in de plaats van de beleidsdoorlichting. Een aantal relatief kleine onderwerpen (onder andere WAZ) komt in afzonderlijke evaluaties aan de orde.

X Noot
8

Het artikel Rijksbijdragen is een technisch artikel. Er wordt op basis van dit artikel geen specifiek beleid gevoerd. Om die reden wordt dit artikel niet doorgelicht. De evaluatie van het beleid waarvoor deze rijksbijdragen zijn bedoeld vindt plaats wanneer de artikelen waar dit beleid onderdeel van is worden doorgelicht.

X Noot
9

Deze doorlichting stond gepland voor 2016 maar is in januari 2017 naar de Tweede Kamer verstuurd.

3.5.1 Nieuwe artikelindeling en dekkendheid

Toelichting

Mede vanwege de nieuwe artikelindeling die in de SZW-begroting 2013 is geïntroduceerd is een aantal artikelen niet volledig doorgelicht (zie tabel 3.5, kolom «geheel artikel?»). Hieronder volgt een toelichting op de dekkendheid van de doorlichtingen uit het verleden en een tijdspad voor de dekkendheid in de toekomst.

  • Artikel 1 zal in 2020 doorgelicht worden. Eerdere beleidsdoorlichtingen bestreken enkele onderdelen, zoals die in de toenmalige artikelindeling pasten. De overige onderdelen, waaronder de later ingevoerde Wet Werk en Zekerheid en de diverse arbeidswetten, worden in 2020 doorgelicht.

  • Artikel 2: de beleidsdoorlichting van artikel 49 in 2010 bestreek het deel van het huidige artikel 2 waar het de Toeslagenwet en de aanvullende bijstand betreft. Daarmee kwamen de overige instrumenten, waaronder de later ingevoerde Participatiewet, niet aan de orde. Het voornemen is om deze instrumenten in een volgende beleidsdoorlichting over artikel 2 aan de orde te laten komen.

  • Artikel 3: de beleidsdoorlichtingen over artikel 3 (eerder 46.2) behandelen beurtelings de WIA en de WAO, waardoor ze samen artikeldekkend zijn.

  • Artikel 8: van de oudedagsvoorziening zijn de afgelopen jaren de eerste pijler (AOW, 2010) en de tweede pijler (collectieve pensioenen, 2013) doorgelicht. Het is de bedoeling om in 2019 het integrale artikel door te lichten.

3.5.2 Beleidsdoorlichtingen 2014–2016: beleidsconclusies en beleidsacties

In de jaren 2014 en 2015 zijn drie beleidsdoorlichtingen afgerond, in 2016 twee, inclusief de beleidsdoorlichting over artikel 13 die in januari 2017 naar de Tweede Kamer is gestuurd. In deze paragraaf wordt voor de beleidsdoorlichtingen uit 2014 en 2015 ingegaan op de belangrijkste beleidsconclusies, de doelmatigheid en de beleidsacties naar aanleiding van de beleidsdoorlichting. In de bijbehorende begrotingsartikelen (5 en 13) worden de beleidsdoorlichtingen uit 2016 behandeld bij de beleidsconclusies.

  • In 2014 is de beleidsdoorlichting over artikel 3, met focus op de WAO, opgeleverd. De doorlichting constateerde dat er mogelijkheden zijn de activerende werking van de WAO te versterken, maar het kabinet is geen voorstander van maatregelen die alsnog de uitkeringsrechten van WAO’ers aantasten. Het kabinet vindt het huidige beleid ten aanzien van WAO passend, en heeft daarom de regelgeving op dit punt niet aangeapst. Wel vindt het kabinet het belangrijk dat de toegang tot de re-integratieondersteuning behouden wordt om participatie waar mogelijk te ondersteunen. De bijbehorende businesscase, die de mogelijkheden rond het stimuleren van meer re-integratie onder WAO’ers onderzocht, viel niet positief genoeg uit om uit te voeren.

  • De beleidsdoorlichting over artikel 7 (Kinderopvang) is in 2015 naar de Tweede Kamer verstuurd. De doorlichting concludeerde dat de toegankelijkheid van kinderopvang in zowel fysieke als financiële zin op orde is, al zijn de kosten voor ouders als gevolg van bezuinigingen wel toegenomen. De afname van formele kinderopvang door werkende ouders met lage inkomens is een aandachtspunt. Het kabinet gaf aan te willen onderzoeken of de combinatie van arbeid en zorg voor lage inkomens bemoeilijkt wordt. Dit onderzoek is inmiddels uitgevoerd door SCP en naar de Tweede Kamer verstuurd. Een andere conclusie van de beleidsdoorlichting was dat de formele kinderopvang de combinatie van arbeid en zorg eenvoudiger maakt. De huidige vormgeving van de kinderopvangtoeslag is vrij doelmatig in die zin dat het bijdraagt aan de financiële toegankelijkheid en dat de arbeidsparticipatie wordt gestimuleerd. Gelet op het hoge niveau van de huidige arbeidsparticipatie is het lastig om deze verder te verhogen. Desondanks is kinderopvangtoeslag een van de meest effectieve manieren daarvoor binnen het huidige fiscale instrumentarium. Op het terrein van kwaliteit heeft de focus de afgelopen jaren vooral gelegen op het vergroten van de veiligheid, naar aanleiding van het rapport van de Commissie Gunning. Om de effecten van beleid en kwaliteitsinitiatieven in de sector beter in kaart te brengen wordt daarom voortaan jaarlijks het instrument voor kwaliteitsmeting van het Nederlands Consortium Kinderopvang uitgevoerd. Wat betreft gastouderopvang is met de huidige regelgeving een minimumkwaliteitsniveau geborgd, de kwaliteit en begeleiding van gastouders is echter voor verbetering vatbaar. Het kabinet stelt daartoe een plan van aanpak op die onder meer gericht is op verdere professionalisering van de gastouderopvang. Het is de bedoeling de Tweede Kamer rond de zomer van 2017 nader over dit plan te informeren.

  • Ook de beleidsdoorlichting artikel 11 (uitvoeringskosten), verbonden met de evaluatie van de Wet SUWI, is in 2015 naar de Tweede Kamer gegaan. De doorlichting stelde dat de organisatie van het SUWI-stelsel in grote lijnen voldoet aan de doelen van de Wet SUWI. De uitvoering van belangrijke wet- en regelgeving op het terrein van sociale zekerheid verloopt efficiënt en rechtmatig. Wel werd geconcludeerd dat de doelen van het SUWI-stelsel niet in alle gevallen goed geoperationaliseerd zijn. In het kader van de doorontwikkeling van de sturingsrelatie is met de ZBO’s gestart met een traject gericht op aanpassing van indicatoren. Deze nieuwe indicatoren zullen in mei 2017 gereed zijn. De doorlichting constateerde tevens dat als gevolg van bezuinigingen meer is ingezet op digitale dienstverlening. Het kabinet herkende het beeld dat door de digitalisering de responsiviteit van de uitvoering en de mogelijkheden tot maatwerk voor WW-gerechtigden zijn beperkt. Hierop volgend is het structurele budget voor de dienstverlening aan WW gerechtigden vanaf 2017 met € 60 miljoen verhoogd tot € 160 miljoen (budget is volumegerelateerd). Er loopt een effectmeting die de effectiviteit van het nieuwe dienstverleningsmodel meet. De resultaten hiervan zullen in 2019 beschikbaar komen. Uit de doorlichting bleek voorts dat het, na een periode van taakstellingen, reorganisaties en wetswijzigingen, nodig is om de komende jaren meer aandacht te geven aan de toekomstbestendigheid van de uitvoeringsorganisaties. In het UWV-Informatieplan en de veranderagenda hebben het UWV respectievelijk de SVB uitgewerkt op welke wijze zij de continuïteit en toekomstbestendigheid van de ICT gaan verbeteren.

3.6 Overzicht van risicoregelingen

In 2007 is de tijdelijke SZW-borgstellingsregeling «startende ondernemers vanuit een uitkering» van kracht geworden. Een garantie heeft een maximale duur van zes jaar. Er worden geen nieuwe garanties meer verleend. Onder invloed van nieuwe instrumenten is besloten de regeling te sluiten. De regeling beoogde te onderzoeken hoe starters voor krediet bij het bankwezen terecht konden. Met de regeling konden starters (aanvankelijk alleen vanuit een uitkering) onder gedeeltelijke en aflopende borgstelling van het rijk een bankkrediet voor hun bedrijf verwerven. De starter betaalde een rente en de bank liep een beperkt risico met weinig uitvoeringskosten. Eind 2016 staat SZW voor een bedrag van € 312.000 borg aan kredietinstellingen en gemeentelijke kredietbanken die een kredietovereenkomst hebben verleend aan startende ondernemers. Het daadwerkelijke risico van uitbetaling als alle verplichtingen zouden worden opgeëist wordt geraamd op € 65.000. In 2016 is door de banken aanspraak gemaakt op de borgstelling. Dit heeft geleid tot de betaling van een bedrag van in totaal € 41.000.

Tabel 3.6.1 Overzicht verstrekte garanties (bedrag x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2015

Verleend 2016

Vervallen 2016

Uitstaande garanties 2016

Garantieplafond

Totaal plafond

Totaalstand risicovoorziening

2 Bijstand, Participatiewet, Toeslagenwet en Sociale Werkvoorziening

Startende ondernemers

234

0

1691

65

0

65

0

X Noot
1

Dit bedrag wordt verantwoord op beleidsartikel 2.

Tabel 3.6.2 Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedrag x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2015

Ontvangsten 2015

Saldo 2015

Uitgaven 2016

Ontvangsten 2016

Saldo 2016

Totaalstand mutatie volume risicovoorziening 2016 en 2015

2 Bijstand, Participatiewet, Toeslagenwet en Sociale Werkvoorziening

Startende ondernemers

221

0

221

411

0

41

0

X Noot
1

Dit bedrag wordt verantwoord op beleidsartikel 2.

Inburgeringsplichtigen kunnen onder voorwaarden geld lenen voor het doen van een inburgeringsexamen (Wet Inburgering). De looptijd van deze leningen is divers.

Tabel 3.6.3 Overzicht verstrekte leningen (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande lening

Looptijd lening

Totaalstand risicovoorziening 2015

Totaalstand mutatie volume risicovoorziening 2016 en 2015

13 Integratie en maatschappelijke samenhang

Leningen inburgering

161.519

divers

0

0

4. BELEIDSARTIKELEN

1. Arbeidsmarkt

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid draagt bij aan evenwichtige arbeidsverhoudingen en -voorwaarden door kaders te stellen en waar van toepassing toe te zien op de naleving daarvan. De overheid bevordert en stimuleert gezonde en veilige arbeidsomstandigheden.

De overheid bevordert het functioneren van de arbeidsmarkt door bescherming te bieden en de belangen van werknemers te waarborgen in evenwicht met de belangen van de onderneming. De overheid voorziet hierbij in een minimumniveau van arbeidsrechtelijke bescherming, onder andere ten aanzien van de arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden, met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Daarnaast draagt zij zorg voor een op de arbeidsmarkt toegesneden arbeidsmigratiebeleid.

De overheid vindt het belangrijk dat werknemers en zelfstandigen hun werk onder goede condities kunnen verrichten. Dit is ook van belang voor het vergroten van de arbeidsparticipatie en de arbeidsproductiviteit, het beperken van uitval door ziekte en arbeidsongeschiktheid, en het bevorderen van de duurzame inzetbaarheid van werknemers.

De overheid geeft invulling aan bovenstaand beleid door de vormgeving van een stelsel van wet- en regelgeving. Ook ziet de overheid toe op de naleving daarvan. Concreet gaat het daarbij om:

  • Gezond en veilig werken, waaronder de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en de Arbeidstijdenwet (ATW);

  • Arbeidsverhoudingen, waaronder de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (cao), de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (avv) en de Wet op de ondernemingsraden (WOR);

  • Arbeidsrechtelijke bescherming, waaronder de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml), wet- en regelgeving met betrekking tot gelijke behandeling en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi);

  • Toelating van arbeidsmigranten, waaronder de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).

Bij het realiseren van deze doelstelling is een belangrijke taak weggelegd voor sociale partners. Zij zijn verantwoordelijk voor het maken van onderlinge afspraken over arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen en het bieden van veilige en gezonde werkomstandigheden. De overheid bevordert dat sociale partners hier vorm en uitvoering aan geven en voert hiertoe overleg met hen.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert met financiële instrumenten initiatieven die bijdragen aan gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en aan goede arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden. De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel van minimumeisen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van dit stelsel;

  • De vaststelling van de hoogte van het wettelijk minimumloon (Wml) en het maximumdagloon;

  • Het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen, onder andere door het recht op onderhandeling door sociale partners te waarborgen en het in stand houden van een adequate overlegstructuur met de sociale partners;

  • Het bevorderen dat werkgevers en werknemers gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en een goed werktijden- en verzuimbeleid realiseren;

  • Het bevorderen dat werkenden gezond en vitaal kunnen doorwerken tot de pensioengerechtigde leeftijd;

  • Het zorgdragen voor gelijke kansen voor en tijdens arbeidsdeelname;

  • Het stimuleren en faciliteren van postinitiële scholing ten behoeve van het optimaal functioneren van de arbeidsmarkt;

  • De handhaving van de wet- en regelgeving door de Inspectie SZW.

De Minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsmarktbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Beleidsconclusies

Het in de begroting 2016 voorgenomen beleid voor 2016 op het gebied van arbeidsomstandigheden en arbeidsverhoudingen is grotendeels gerealiseerd. In de volgende passage wordt ingegaan op de implementatie van de beleidsmaatregelen.

  • Wet aanpak schijnconstructies (Was)

    In december 2016 is de eerste monitor Was naar de Tweede Kamer verzonden. In deze monitor zijn de eerste ervaringen met de wet samengevat. Hiervoor zijn de partijen die het meest betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de wet bevraagd. De informatie die is verzameld in deze monitor is onderdeel van de input voor de evaluatie van de wet eind 2018.

  • SER-advies Arbeidsmigratie

    Op 8 maart 2016 heeft de Europese Commissie een voorstel tot aanpassing van de detacheringsrichtlijn ingediend. Deze aanpassing moet de oneerlijke concurrentie binnen de EU verder beperken. Nederland heeft zich hiervoor tijdens zijn EU-voorzitterschap actief ingezet. Ook is een algemene maatregel van bestuur voor advies bij de Raad van State aanhanging gemaakt. Het betreft een regeling waardoor werknemers, die in het kader van internationale handelscontacten naar Nederland komen, geen tewerkstellingsvergunning meer nodig hebben. De beoogde invoeringsdatum is 1 juli 2017.

  • Implementatie handhavingsrichtlijn

    Op 18 juni 2016 is de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie in werking getreden

    (Stb. 2016, nr. 219). Met deze wet is ook de handhavingsrichtlijn geïmplementeerd.

  • Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd

    Deze wet (Stb 2015, nr. 376) strekt ertoe het (door)werken na de AOW-gerechtigde leeftijd op basis van een arbeidsovereenkomst te faciliteren. Hiertoe is per 1 januari 2016 een aantal arbeidsrechtelijke bepalingen in verschillende wetten gewijzigd. Tegelijkertijd zijn maatregelen getroffen om verdringing van nog niet AOW-gerechtigde werknemers tegen te gaan. In 2018 zal deze wet worden geëvalueerd.

  • Toekomst van de arbeidsgerelateerde zorg

    Het wetsvoorstel arbeidsgerelateerde zorg (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 375, nr. 2) is in 2016 door de Tweede Kamer aangenomen. Inwerkingtreding wordt verwacht per 1 juli 2017. De wijziging versterkt de toegankelijkheid en professionaliteit van de arbodienstverlening en geeft invulling aan het SER-advies («Betere zorg voor werkenden», SER, Commssie Arbeidsomstandigheden, adviesnr. 2014/07, 19 september 2014) en het kabinetsstandpunt daarover (Tweede Kamer, 2014–2015, 25 883, nr. 247). Het besluit met de nadere uitwerking van de second opinion en klachtenregeling is eind 2016 voor internetconsultatie uitgezet. Vanwege het dreigend tekort aan bedrijfsartsen is een campagne gevoerd om de bekendheid van het vak van bedrijfsarts te verbeteren. Om de samenwerking tussen de curatieve zorg en de arbeidsgerelateerde zorg te versterken zijn in opdracht van SZW multidisciplinaire richtlijnen opgesteld waarin de factor arbeid wordt meegenomen.

  • Verantwoord opdrachtgeverschap op het terrein van gezond en veilig werken

    Vanwege de grote invloed van opdrachtgevers op de arbeidsomstandigheden is in 2016 aandacht besteed aan verantwoord opdrachtgeverschap. Eind 2016 zijn de aangepaste bouwprocesbepalingen gepubliceerd. Met deze aanpassingen worden opdrachtgevers beter in staat gesteld de bouwprocesbepalingen na te leven en kan de Inspectie SZW beter optreden tegen opdrachtgevers van bouwprojecten die de Arbowet overtreden. In 2016 zijn bijeenkomsten georganiseerd voor publieke opdrachtgevers en de sectoren bouw en chemie gericht op het stimuleren van verantwoord opdrachtgeverschap. Alle relevante informatie is digitaal samengebracht in het Arboportaal. Daarnaast is in het najaar een onderzoek gestart naar de rol van opdrachtgevers bij arbeidsomstandigheden (Tweede Kamer, 2016–2017, 25 883, nr. 287).

  • Wettelijk minimumjeugdloon

    Eind 2016 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel aanvaard waarin onder andere de leeftijd waarop de volledige hoogte van het volwassenenminimumloon geldt, stapsgewijs wordt verlaagd van 23 naar 21 jaar. Op grond van deze wet is de hoogte van het wettelijk minimumjeugdloon voor werknemers van 18 tot en met 20 jaar opwaarts aangepast. De aanpassingen in het minimumjeugdloon leiden tot hogere loonkosten voor werkgevers. Zij ontvangen compensatie via de Wet tegemoetkoming loondomein. De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel in januari 2017 aanvaard. De aanpassing van het Jeugdminimumloon treedt op 1 juli 2017 in werking.

  • Payrolling

    Bij brieven van 21 april 2016 (Tweede Kamer, 2015–2016, 29 544, nr. 715)) en 5 december 2016 (Tweede Kamer, 2016–2017, 29 544, nr. 761) heeft het kabinet aan de Tweede Kamer bericht op dit moment niet over te kunnen gaan tot uitvoering van de motie Hamer. Ook blijkt uit die brieven dat tussen sociale partners geen overeenstemming bestaat over maatregelen die getroffen zouden moeten worden.

  • Carcinogenenrichtlijn

    De Europese Commissie heeft in 2016 voorstellen gedaan om de Carcinogenenrichtlijn uit te breiden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.1.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 1 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Begroting 2016

Verschil

2016

Verplichtingen

11.303

16.545

15.444

20.914

21.333

– 419

Uitgaven

15.692

12.083

14.103

17.487

19.385

21.233

– 1.848

               

Inkomensoverdrachten

0

0

0

0

3.427

0

3.427

               

Subsidies

4.407

1.883

2.090

3.558

3.049

2.796

253

               

Opdrachten

11.082

10.015

11.823

13.737

8.948

13.422

– 4.474

               

Bekostiging

203

185

190

192

145

203

– 58

               

Bijdrage aan andere begrotingen

0

0

0

0

0

4.812

– 4.812

Ministerie van EZ

0

0

0

0

0

3.890

– 3.890

Ministerie van VWS

0

0

0

0

0

922

– 922

               

Bijdrage aan agentschappen

0

0

0

0

3.816

0

3.816

               

Ontvangsten

29.422

30.722

29.645

22.203

24.552

29.636

– 5.084

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat vergoedingen uitgekeerd moeten worden aan werknemers die tijdens ziekte te weinig vakantiedagen hebben opgebouwd. Dit heeft geleid tot € 3,4 miljoen aan inkomensoverdrachten die in de begroting 2016 niet waren voorzien.

B. Subsidies

Het subsidiebudget is met € 0,25 miljoen overschreden. De belangrijkste reden is dat een gedeelte van de subsidie aan MKB-Nederland (project Actieplan Gezond Bedrijf 1 en 2) eerder dan verwacht tot uitbetaling is gekomen.

C. Opdrachten

De uitgaven aan opdrachten zijn minder hoog dan geraamd. Belangrijkste verklaring is dat binnen het artikel een budgettair neutrale herschikking heeft plaatsgevonden (€ 3,8 miljoen) van Opdrachten naar het onderdeel Bijdrage aan agentschappen. Daarnaast zijn voor een bedrag van circa € 0,6 miljoen enkele bijdragen gedaan aan opdrachten van andere departementen. Het gaat onder andere om bijdrage voor de Next Step Werk en Mantelzorg, de registratie van arbeidsmigranten en het Techniekpact.

D. Bekostiging

In oktober 2016 is de bijdrage aan de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (CKA) herzien. Op jaarbasis is de bijdrage met circa 50% afgenomen. In 2016 resulteert dit in een lagere realisatie van € 58.000.

E. Bijdrage aan andere begrotingen

De bijdragen aan andere begrotingen zijn gerealiseerd via budgetoverheveling naar het Ministerie van EZ (€ 3,9 miljoen) in verband met onder andere de bijdragen van SZW aan TNO en aan het College toelating gewasbescherming. Daarnaast heeft het Ministerie van VWS een bedrag van € 0,9 miljoen ontvangen o.a. in verband met de jaarlijkse bijdrage aan de Gezondheidsraad. De uitgaven worden door de desbetreffende departementen in hun jaarverslag verantwoord.

F. Bijdragen aan agentschappen

Binnen het artikel heeft een budgettair neutrale herschikking plaatsgevonden van Opdrachten naar Bijdrage aan agentschappen. Hierdoor valt de realisatie van het budget Bijdrage aan agentschappen hoger uit. Het betreft hier de bijdrage aan het RIVM.

G. Ontvangsten

De realisaties van de boeteontvangsten laten niet de stijging zien die was verwacht op grond van de Fraudewet van 2013.

Uiteindelijk zijn de ontvangsten dit jaar op € 24,6 miljoen uitgekomen.

Gezond en veilig werken

Kerncijfers

In 2016 heeft 1,4% van de werknemers een arbeidsongeval gehad met ten minste een dag verzuim. Het ziekteverzuim is in de periode 2014–2016 vrijwel stabiel gebleven. Werknemers verzuimen gemiddeld bijna vier op de honderd werkdagen.

In 2016 vonden er 6 incidenten met gevaarlijke stoffen plaats. In meerjarig perspectief schommelt het aantal tussen 3 en 6.

Het kerncijfer Naleving zorgplicht Arbowet is gebaseerd op de zorgplicht van de werkgever zoals vermeld in artikel 3 van de wet en geeft in één cijfer aan in hoeverre de Arbowet door bedrijven op de werkvloer wordt nageleefd.

Tabel 4.1.2 Kerncijfers gezond en veilig werken
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Werknemers met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)1

1,7

1,4

1,4

Ziekteverzuim (%)2

3,8

3,9

3,9

Aantal incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen3

4

3

6

Naleving zorgplicht Arbowet (%)4

79

80

X Noot
1

CBS/TNO, nationale enquête arbeidsomstandigheden. Door gewijzigde vraagstelling is het cijfer voor 2014 niet goed vergelijkbaar met de cijfers voor 2015 en 2016.

X Noot
2

CBS, kwartaalenquête ziekteverzuim; het cijfer voor 2016 is voorlopig.

X Noot
3

Inspectie SZW administratie.

X Noot
4

Inspectie SZW, monitor Arbo in bedrijf. De monitor wordt tweejaarlijks uitgevoerd.

Arbeidsverhoudingen en voorwaarden

De ontwikkeling van het aantal werknemers dat onder een cao valt, kan deels worden toegeschreven aan cao’s die in het ene jaar wel, en het andere jaar geen actuele looptijd kennen, en deels aan cao’s waaronder het ene jaar meer dan wel minder werknemers vallen dan in het andere jaar.

Tabel 4.1.3 Kerncijfers arbeidsverhoudingen en -voorwaarden
   

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Aantal werknemers onder cao1 (x 1.000, ultimo)

5.486

5.500

5.551

 

waarvan direct gebonden bedrijfstak- en ondernemings-cao’s

4.850

4.743

4.793

 

waarvan gebonden door algemeen verbindend verklaring

636

757

758

Aantal verleende tewerkstellingsvergunningen (twv) (x 1.000, ultimo)2

7,2

7,0

7,7

X Noot
1

SZW-administratie.

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

Handhaving

In haar jaarverslag 2016 belicht de Inspectie SZW de belangrijkste ontwikkelingen op het vlak van veilig, gezond en eerlijk werk en bestaanszekerheid voor iedereen in Nederland en haar inzet en resultaten in het jaar 2016. Ze sluit daarmee aan bij de in een brief aan de Tweede Kamer gemelde bijstelling van haar jaarplan 2016 (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 550-XV, nr. 5). In deze brief wordt toegelicht dat er sprake is van een groter aantal ongevalsonderzoeken, veranderingen in de aard van de Brzo-inspecties en een aangepaste focus bij de onderzoeken op het gebied van arbeidsmarktfraude waardoor de kerncijfers 2016 zijn aangepast.

In haar verantwoording richt de Inspectie zich steeds meer op het inzichtelijk maken van maatschappelijke effecten van haar interventiemix (naast inspecteren kan die bestaan uit nalevingscommunicatie en het druk zetten op ketens middels brancheorganisaties, opdrachtgevers en werknemersverbanden).

Zoals verwoord in de bijstelling van haar jaarplan 2016 zijn aantallen inspecties, rechercheonderzoeken en onderzoeksrapporten belangrijk, maar zijn geen op zichzelf staand doel. Tabel 4.1.4. geeft inzicht in de aantallen, waarbij in de kolom «Raming Kamerbrief» de bijstelling van het jaarplan 2016 is opgenomen.

Tabel 4.1.4 Kerncijfers handhaving1
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Begroting

2016

Raming Kamerbrief2

2016

Aantal inspecties en onderzoeken arbeidsomstandigheden

17.134

16.288

15.491

15.500–16.500

14.500–15.500

Percentage inspecties waarbij overtreding arbeidsomstandigheden is vastgesteld

60

49

51

57

57

Aantal inspecties en onderzoeken binnen bedrijven die vallen onder het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo) 2015

453

350

541

380–420

380–420

Percentage inspecties waarbij overtreding Brzo is vastgesteld

43

43

43

40

>40

Aantal inspecties Wav, Wml, ATW of Waadi

5.054

4.500

2. 890

3.800–4.800

2.500–3.500

Percentage inspecties waarbij overtreding Wav, Wml, ATW of Waadi is vastgesteld

19

26

48

20

> 30

           

Programmarapportages Werk en Inkomen

6

5

3

6

6t

Overige producten Werk en Inkomen

10

17

16

18

18

           

Opsporing: aantal afgeronde opsporingsonderzoeken

65

61

62

56

56

Opsporing: aantal bij het OM aangemelde verdachten

221

169

167

130–170

130–170

Opsporing: vastgesteld nadeel (x € 1 mln)

32

66

49

25–35

25–35

X Noot
1

Inspectie SZW, jaarverslag.

Het handhavingspercentage bij overtredingen arbeidsomstandigheden is lager dan voorzien in het jaarplan Inspectie SZW. Herinspecties laten zien dat werkgevers hun handelen hebben aangepast en handhaving veel minder vaak nodig is.

Zoals ook aangegeven in de brief aan de Tweede Kamer hebben veel bedrijven door de wijziging van Brzo-regelgeving in 2015 een nieuw veiligheidsrapport ingeleverd. Deze rapporten zijn door de Inspectie SZW in 2016 beoordeeld. Ten aanzien van Brzo geldt dat de benodigde tijd voor de beoordeling van veiligheidsrapporten korter is dan voor het uitvoeren van een inspectie, wat zorgt voor een hoger totaal aantal gerealiseerde zaken.

Het aantal inspecties Wav, Wml, ATW en Waadi is, zoals in de brief aan de Tweede Kamer gemeld, naar beneden bijgesteld omdat de focus is verschoven naar onderbetaling. Dit heeft geleid tot onderzoeken met een langere doorlooptijd en meer overtredingen per zaak.

Het vastgesteld nadeel bij opsporingsonderzoeken is fors hoger dan in de begroting geraamd. Dit wordt met name veroorzaakt doordat bij twee strafrechtelijke onderzoeken de aard en omvang van de opgespoorde misdrijven zodanig was dat ook een groot bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld van respectievelijk € 19 miljoen en € 26 miljoen. Het Openbaar Ministerie bewerkstelligt hiermee het gewenste maatschappelijke effect: het wegnemen van crimineel verkregen voordeel.

Mobiliteitsbonus arbeidsgehandicapten en oudere werknemers

Budgettair belang buiten de begroting

Om duurzame inzetbaarheid te vergroten en te zorgen dat minder mensen langs de kant blijven staan, zijn er mobiliteitsbonussen (premiekortingen) voor het in dienst nemen en houden van oudere uitkeringsgerechtigden en arbeidsgehandicapten. Als onderdeel van het pensioenakkoord is de leeftijdsgrens van de mobiliteitsbonus voor oudere uitkeringsgerechtigden vanaf 2015 verhoogd van 50 jaar naar 56 jaar. De realisatie is in 2016 lager dan bij de raming ten tijde van de begroting 2016.

Premiekorting jongeren

In 2014 is een tijdelijke premiekorting jongeren geïntroduceerd. Met deze maatregel werd uitwerking gegeven aan de Begrotingsafspraken 2014 omtrent de versterking van de arbeidsmarktpositie voor jongeren. De premiekorting geldt, onder bepaalde voorwaarden, voor iedere werkgever die tussen 1 januari 2014 en 31 december 2015 een uitkeringsgerechtigde tussen de 18 en 27 jaar aannam. De premiekorting mag maximaal twee jaar toegepast worden. De realisatie van de uitgaven blijft iets achter bij de raming ten tijde van de begroting 2016.

Werkbonus

In 2013 is de gewijzigde werkbonus ingevoerd. De werkbonus is een inkomensafhankelijke heffingskorting die ouderen beloont als zij actief zijn op de arbeidsmarkt. De bonus is bedoeld voor werkenden die bij aanvang van het kalenderjaar een leeftijd hebben van minimaal 60 en maximaal 63 jaar. Per 2015 is de werkbonus afgeschaft voor nieuwe gevallen. De voorlopige realisatiecijfers sluiten aan bij de raming ten tijde van de begroting van 2016.

Overgangsregeling voor de levensloopregeling

De levensloopregeling is per 1 januari 2012 afgeschaft. Via de levensloopregeling konden werknemers een deel van hun salaris sparen voor onbetaald verlof of vervroegde uittreding. Er is een overgangsregeling ingesteld die loopt tot 1 januari 2022 voor deelnemers die minimaal € 3.000 hebben gespaard en nog over tegoed beschikken. Deze deelnemers kunnen doorsparen en het tegoed opnemen tot 1 januari 2022. Er zijn geen realisatiegegevens beschikbaar over deze regeling.

Levensloopverlofkorting

Om de aantrekkelijkheid van de levensloopregeling als alternatief voor het spaarloon te vergroten, konden werknemers een tegemoetkoming ontvangen in de vorm van een heffingskorting: de levensloopverlofkorting. Sinds 1 januari 2012 wordt bij inleg in de levensloopregeling geen levensloopverlofkorting meer opgebouwd. Personen die gebruikmaken van de overgangsregeling voor de levensloopregeling, verzilveren de tot 31 december 2011 opgebouwde rechten op de levensloopverlofkorting bij de opname van het levenslooptegoed. De voorlopige realisatiecijfers sluiten aan bij de raming ten tijde van de begroting van 2016.

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

Om de arbeidsparticipatie van gedeeltelijk arbeidsongeschikten te bevorderen, mag de stap naar ondernemerschap niet fiscaal belemmerd worden. Door handicap of ziekte kunnen gedeeltelijk arbeidsongeschikten veelal niet voldoen aan het gebruikelijke urencriterium dat geldt voor de startersaftrek. Daarom kunnen zij in de eerste drie jaren van hun onderneming een beroep doen op de regeling «startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid» met verlaagd urencriterium. De voorlopige realisatiecijfers sluiten aan bij de raming ten tijde van de begroting van 2016.

Laag BTW-tarief arbeidsintensieve diensten

Om de werkgelegenheid binnen sectoren met arbeidsintensieve diensten te ondersteunen geldt er binnen de omzetbelasting een verlaagd BTW-tarief van 6% voor arbeidsintensieve diensten (onder andere kappers en fietsenmakers). De realisatie van de uitgaven blijft achter bij de raming ten tijde van de begroting 2016.

Tabel 4.1.5 Fiscale uitgaven (lopende prijzen x € 1 mln)
 

Realisatie

2012

Realisatie

2013

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Begroting

2016

Verschil

2016

Mobiliteitsbonus arbeidsgehandicapten en oudere werknemers1

187

237

294

323

288

336

– 48

Premiekorting jongeren1

0

0

5

19

15

20

– 5

Werkbonus2

150

150

70

47

27

27

0

Overgangsregeling voor de levensloopregeling3

15

Levensloopverlofkorting2

7

83

4

17

11

11

– 1

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid2

2

1

1

1

1

2

0

Laag BTW-tarief arbeidsintensieve diensten2

380

881

1.089

931

485

650

– 164

X Noot
1

Berekening SZW op basis van gegevens Belastingdienst.

X Noot
2

Voorlopige berekening Ministerie van Financiën. De cijfers zijn niet herberekend sinds de Miljoenennota 2017. Werkelijke realisatiecijfers verschijnen doorgaans enkele jaren na dato.

X Noot
3

Er zijn geen realisatiegegevens beschikbaar over deze regeling.

2. Bijstand, Participatiewet, Toeslagenwet en Sociale Werkvoorziening

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid ondersteunt bij het vinden van werk en biedt inkomensondersteuning en aangepaste arbeid aan hen die dat nodig hebben.

Wie kan werken, moet dat ook doen. Dit is in de eerste plaats in het belang van de betrokkene zelf: werk zorgt voor economische en financiële zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en biedt kansen om volop mee te doen in de samenleving. De overheid streeft naar een transparant en activerend sociaalzekerheidsstelsel dat mensen enerzijds de zekerheid biedt van een adequaat vangnet als dat echt nodig is, en dat hen anderzijds prikkelt om (weer) aan het werk te gaan als dat kan.

Mensen hebben de verantwoordelijkheid om in het eigen inkomen te voorzien en nemen daartoe zelf het initiatief. Alleen als het vinden van werk op eigen kracht niet lukt, helpt de overheid hierbij door ondersteuning bij re-integratie of beschut werk aan te bieden. Aan mensen die (tijdelijk) niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien biedt de overheid een sociaal vangnet in de vorm van bijstand. Daarbij streeft de overheid er in de vormgeving naar om het aantal loketten waar uitkeringsgerechtigden mee te maken hebben te beperken.

De overheid biedt inwoners van Caribisch Nederland waar nodig re-integratieondersteuning en inkomensondersteuning op grond van de Onderstandsregeling.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert het vinden van werk door middelen beschikbaar te stellen aan gemeenten ten behoeve van re-integratieinspanningen, sociale werkvoorziening en loonkostensubsidies. De Minister financiert de inkomensondersteuning. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van de hoogte van de algemene bijstandniveaus;

  • Het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de inkomensvoorziening vanuit de Participatiewet, waarin begrepen zijn de IOAW, IOAZ en algemene bijstand voor startende zelfstandigen;

  • Het houden van systeemtoezicht;

  • De budgetmutaties van het gebundeld participatiebudget, dat onderdeel uitmaakt van de integratie-uitkering sociaal domein, en de verdeling daarvan die aansluit bij de gedecentraliseerde taak;

  • Het terugvorderen van onrechtmatig bestede middelen van het participatiebudget en het terugvorderen van middelen van niet-gerealiseerde plekken in de Wsw over de uitvoeringsjaren tot en met 2014;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB (AIO, bijstand buitenland) en het UWV (TW);

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Het Rijk verschaft gemeenten middelen voor de uitvoering en geeft de wet- en regelgeving vorm waarbinnen deze uitvoering plaatsvindt. Het Rijk stelt een toereikend macrobudget voor de gemeenten beschikbaar om loonkostensubsidies en bijstanduitkeringen te betalen. Dit budget wordt zoveel mogelijk op basis van objectieve factoren over de gemeenten verdeeld. Het Rijk houdt systeemtoezicht. Bij ernstige tekortkomingen in de gemeentelijke uitvoering van de Participatiewet kan het Rijk aanwijzingen geven aan gemeenten over de uitvoering van de Participatiewet of ingrijpen in de uitvoeringsorganisatie.

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de rechtmatige en doeltreffende uitvoering van de Participatiewet en aan genoemde wet verwante wetten en voorzieningen. Gemeenten zijn daarnaast verantwoordelijk voor de handhaving van de naleving door personen die een beroep doen op deze wetten.

Beleidsconclusies

Het in de begroting 2016 voorgenomen beleid is grotendeels gerealiseerd of ligt op schema. In de volgende passage wordt ingegaan op de implementatie van de beleidsmaatregelen.

  • Jeugdwerkloosheid

    De gemeenten en het UWV hebben de ambitie geformuleerd om in twee jaar (medio 2015 tot en met medio 2017) 23.000 jongeren met een uitkering te matchen op werk. Wat het eerste uitvoeringsjaar betreft is die ambitie behaald, zo blijkt uit de gegevens, die Regioplan heeft opgehaald ten behoeve van Matchen op werk, die binnenkort aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Uit de regionale plannen van aanpak blijkt dat de gemeenten en het UWV de totale ambitie voor het daaropvolgende uitvoeringsjaar met 5.500 jongeren hebben verhoogd. Met onderzoeken, pilots, handreikingen, trainingen en regionale en landelijke bijeenkomsten zet Team Aanpak Jeugdwerkloosheid zich in om de uitvoering van Matchen op werk in de arbeidsmarktregio’s verder te verbeteren. Daarnaast wordt in de City Deal in 12 steden met 20 vmbo- en 15 mbo-scholen, 5 hogescholen en 3 universiteiten samengewerkt om discriminatie en negatieve beeldvorming te overbruggen en de leerlingen beter voor te bereiden op de arbeidsmarkt. In dit schooljaar (2016–2017) worden tien pilots uitgevoerd en eind 2017 worden die pilots onderzocht en geëvalueerd.

  • Harmonisatie instrumenten Participatiewet

    De Wet harmonisatie instrumenten arbeidsbeperkten is op 1 januari 2016 in werking getreden. Met de Wet tot stroomlijning loonkostensubsidie Participatiewet en enkele andere wijzigingen is in de Wet harmonisatie instrumenten arbeidsbeperkten de horizonbepaling en de in verband daarmee voorziene evaluatie van de no-riskpolis geschrapt, zodat de no-riskpolis structureel beschikbaar is voor de doelgroep banenafspraak en beschut werk.

    Het in de toelichting op de wet toegezegde onderzoek naar de stand van zaken van de mobiliteitsbonus doelgroep banenafspraak moet nog plaatsvinden. Daarbij wordt ook de motie betrokken die verzoekt om de resterende financiële middelen voor de mobiliteitsbonus vanaf 2021 specifiek aan te wenden voor de doelgroep banenafspraak in de vorm van een bonus/korting of ander financieel voordeel voor de werkgever die iemand uit de doelgroep banenafspraak in dienst neemt.

  • Verplichtstellen van beschut werk en openstellen Praktijkroute

    De Wijzigingswet Participatiewet is december 2016 aangenomen en per 2017 in werking getreden. Omdat in 2016 bleek dat beschut werk onvoldoende van de grond kwam is hiermee geregeld dat gemeenten vanaf 2017 verplicht zijn om beschut werk aan te bieden aan mensen die uitsluitend in een beschutte werkomgeving kunnen functioneren. Daarnaast is met deze wet geregeld dat mensen ook via de Praktijkroute in het doelgroepenregister van de banenafspraak kunnen worden opgenomen. Dit betreft mensen waarvan op de werkplek is vastgesteld dat zij niet het wettelijk minimumloon kunnen verdienen.

  • Versterking prikkelwerking Participatiewet

    Om de activerende werking van de Participatiewet te verbeteren is de maatstaf bijstandsontvangers in de verdeelsystematiek van het Gemeentefonds vanaf 2016 aangepast. Ook het aandeel van de maatstaf bijstandontvangers in de verdeling van het Gemeentefonds is verkleind en voor de maatstaf bijstandsontvangers is een driejarig gemiddelde ingevoerd. Door deze maatregelen wordt de door de bekostigingssystematiek van het Gemeentefonds veroorzaakte demping van de activerende werking van de Participatiewet geneutraliseerd.

  • Bescherming pensioenopbouw zelfstandigen

    De Wet vrijlating lijfrenteopbouw en inkomsten uit arbeid en bevordering vrijwillige voortzetting pensioenopbouw is drie maanden later dan beoogd in werking getreden.

  • Beslagvrije voet en beslagregister

    Het wetsvoorstel vereenvoudiging beslagvrije voet is op 12 december 2016 bij de Tweede Kamer ingediend. Op 20 januari 2017 zijn de nota naar aanleiding van het verslag en een nota van wijziging door de Staatssecretaris, mede namens de Minister van V&J aan de Tweede Kamer verzonden. Op 15 februari 2017 is nog een derde nota van wijziging ingediend bij de Tweede Kamer. Inmiddels is het wetsvoorstel aanvaard. De wet treedt naar verwachting in 2018 in werking. In de brief van 2 december 2016 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van en over de verbreding van het beslagregister en de implementatie van de Rijksincassovisie.

  • Breed moratorium

    De Amvb inzake het breed wettelijk moratorium, waarmee gemeenten de mogelijkheid krijgen een incassopauze aan te vragen als dit voor de schuldhulpverlening noodzakelijk is, is op 13 oktober 2016 aan de Raad van State gezonden ter advisering. Het advies is eind 2016 ontvangen. Na openbaarmaking van het Nader rapport op 2 maart 2017, is het Besluit breed moratorium op 13 maart 2017 in het Staatsblad gepubliceerd en is op 1 april 2017 in werking getreden. De implementatie van het moratorium wordt in samenspraak met partijen uit het veld voorbereid.

  • Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en Besluit gegevensuitwisseling

    Om de uitvoering van de wet gemeentelijke schuldhulpverlening te vereenvoudigen wordt een Amvb gegevensuitwisseling gemeentelijke schuldhulpverlening voorbereid. De beoogde datum van inwerkingtreding, 1 juli 2016, is niet gehaald. De VNG, Divosa en de NVVK (branchevereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren) werkten het hoe en wat omtrent deze gegevensuitwisseling uit en vervolgens is een opdracht verleend aan een onderzoeksbureau om vast te stellen welke gegevens voor welk doel in het proces van schuldhulpverlening noodzakelijk zijn. In mei 2017 wordt het rapport opgeleverd en wordt de volgende stap gezet.

    Het evaluatieonderzoek Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is afgerond. Het onderzoek is, voorzien van een kabinetsreactie, op 27 juni 2016 aan beide Kamers aangeboden. De evaluatie laat zien dat de gemeentelijke schuldhulpverlening nog beter kan. Daarom zet het kabinet met betrokken partijen (VNG, Divosa, NVVK, LCR en Sociaal Werk Nederland) in op verdergaande professionalisering. Daaronder wordt ook begrepen verbetering van de toegang tot schuldhulpverlening en het stimuleren van innovatieve aanpakken.

  • Caribisch Nederland

    Eind 2016 is de Eerste Kamer geïnformeerd over de verhoging per ministeriële regeling van het basisbedrag onderstand. Het basisbedrag in de onderstand wordt per 1 maart 2017 verhoogd tot 40% van het plaatselijk wettelijk minimumloon.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.2.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 2 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Begroting 2016

Verschil

2016

Verplichtingen

10.660.968

6.333.698

913.002

6.543.926

6.435.802

108.124

waarvan garantieverplichtingen

– 125

– 617

– 338

– 170

– 150

– 20

Uitgaven

9.146.831

9.751.058

9.732.855

6.506.062

6.626.117

6.611.078

15.039

               

Inkomensoverdrachten

9.137.711

9.741.716

9.653.128

6.427.252

6.530.514

6.408.332

122.182

Macrobudget

participatiewetuitkeringen

4.981.875

5.667.195

5.736.429

5.623.935

5.711.137

5.618.137

93.000

Participatiebudget

994.553

865.936

694.832

1.394

459

0

459

WSW

2.371.638

2.381.490

2.389.997

17.459

17.447

21.019

– 3.572

TW

482.882

540.135

555.000

484.700

496.400

474.055

22.345

AIO

213.000

213.450

208.000

234.062

245.067

242.325

2.742

Bijstand zelfstandigen

90.886

70.952

66.216

62.311

56.427

47.373

9.054

Repatriëringsregeling

5

10

0

0

0

Bijstand buitenland

1.723

1.600

1.400

1.503

1.500

1.600

– 100

Onderstand en Re-integratie

Caribisch Nederland

1.154

958

1.249

1.878

2.077

3.823

– 1.746

               

Garanties

1.005

928

0

221

41

150

– 109

               

Subsidies

0

4.408

77.047

76.890

92.361

184.361

– 92.000

               

Opdrachten

7.811

3.702

2.376

1.238

2.183

17.931

– 15.748

               

Bekostiging

304

304

304

354

782

304

478

Nibud

304

304

304

304

304

304

0

ZonMw

0

0

0

50

478

478

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

0

0

0

107

236

– 

236

ZonMw

0

0

0

107

236

236

               

Ontvangsten

337.745

111.947

106.277

62.676

55.901

3.475

52.426

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

A1. Macrobudget participatiewetuitkeringen

Tabel 4.2.2 Extracomptabel overzicht macrobudget participatiewetuitkeringen (x € 1.000)
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Begroting

2016

Verschil

2016

Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming

5.736.429

5.623.935

5.711.137

5.618.137

93.000

Macrobudget participatiewetuitkeringen

   

5.691.5691

5.618.137

73.432

Algemene bijstand en loonkostensubsidies2

5.468.713

5.276.957

5.304.066

5.273.454

30.612

IOAW

212.997

258.906

326.349

284.206

42.143

IOAZ

25.201

27.784

28.830

28.964

– 134

Bbz-levensonderhoud (startende ondernemers)

29.518

31.513

32.324

31.513

811

Correctie verdeelmodel

 

28.774

 

Intertemporele tegemoetkoming

   

19.5683

19.568

X Noot
2

Voor het jaar 2014 zijn de verantwoorde middelen het Wwb-inkomensdeel.

X Noot
3

SZW, financiële administratie.

Participatiewet

De Participatiewet (vanaf 2015) voorziet in een sociaal vangnet voor personen die niet zelfstandig in hun bestaan kunnen voorzien. Het macrobudget participatiewetuitkeringen bevat de middelen voor algemene bijstand en loonkostensubsidies, IOAW, IOAZ en Bbz levensonderhoud startende ondernemers en wordt onder de gemeenten verdeeld ter uitvoering van de Participatiewet.

Budgettaire ontwikkelingen

Het macrobudget participatiewetuitkeringen en de intertemporele tegemoetkoming samen vallen in 2016 € 93 miljoen hoger uit dan begroot. Hieronder volgt een toelichting op de bijstellingen voor de algemene bijstand en loonkostensubsidies en de intertemporele tegemoetkoming. De toelichting voor de IOAW, IOAZ en Bbz levensonderhoud startende ondernemers volgen later in het artikel.

In 2016 zijn de gerealiseerde uitgaven aan gemeenten voor algemene bijstand en loonkostensubsidies per saldo ca. € 31 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. Dit is met name het gevolg van de doorwerking van hoger uitgevallen realisaties in 2015 (€ 163 miljoen). Meer mensen bleken in 2015 recht te hebben op een uitkering. Via de reguliere systematiek van het macrobudget werken realisaties in 2015 volledig door in het budget van het uitvoeringsjaar 2016. De uitgaven zijn voorts hoger uitgevallen vanwege de doorwerking van de gestegen lonen en prijzen (€ 56 miljoen) in de uitkeringen. Tegenover deze verhogingen staat een neerwaarts effect van € 176 miljoen. De meevallende economische ontwikkeling ten opzichte van de verwachting ten tijde van de begrotingsopstelling heeft namelijk geleid tot minder bijstandsuitkeringen. Daarnaast daalt het macrobudget als gevolg van Rijksbeleid (–/– € 12 miljoen). De effecten van Rijksbeleid hebben betrekking op de wet harmonisatie instrumenten Participatiewet, die regelt dat in geval van een beroep op de no-riskpolis de loonkostensubsidie wordt stopgezet (–/– € 1 miljoen), en op de uitspraak van de Hoge Raad op het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop, welke gevolgen heeft voor de berekening van de kinderalimentatie (–/– € 11 miljoen).

Daarnaast is in het Bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom een intertemporele tegemoetkoming van € 85 miljoen voor 2016 afgesproken, die bij 1esuppletoire begroting2016 is toegevoegd aan de SZW-begroting. Dit is bedoeld om de feitelijke kosten voor gemeenten door de verhoogde asielinstroom te dekken. De gerealiseerde uitgaven aan gemeenten in 2016 zijn bijna € 20 miljoen. De verrekening van de intertemporele tegemoetkoming met het Macrobudget participatiewetuitkeringen vindt op gemeenteniveau plaats vanaf 2018.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het volume van de Participatiewet is als gevolg van de verhoogde asielinstroom en de hogere realisaties in 2015 per saldo hoger dan het ten tijde van de opstelling van de begroting 2016 verwachte volume.

Tabel 4.2.3 Kerncijfers WWB/Participatiewet1
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

20162

Begroting

2016

Verschil

2016

Volume WWB/Participatiewet (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

371

383

395

384

11

Volume WWB/Participatiewet (x 1.000 huishoudens, ultimo)

377

387

401

3

 

waarvan verblijfsduur minder dan 1 jaar

96

95

94

3

 

waarvan verblijfsduur 1 tot 5 jaar

162

168

173

3

 

waarvan verblijfsduur 5 jaar of meer

118

125

134

3

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

X Noot
2

Betreft voorlopige cijfers. De cijfers van oktober tot en met december 2016 zijn ramingen.

X Noot
3

Dit cijfer wordt niet geraamd.

In het sociaal akkoord is een banenafspraak gemaakt met als doel in de komende jaren 125.000 extra arbeidsbeperkten aan het werk te helpen. Als blijkt dat de aantallen niet worden gehaald, dan kan na overleg met sociale partners en gemeenten de quotumheffing in werking treden. De cijfers van de één-meting van de banenafspraak, die verscheen in 2016, laten zien dat er eind 2015 ten opzichte van de nulmeting voor mensen met een arbeidsbeperking 21.057 banen bij reguliere werkgevers zijn gerealiseerd (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 352, nr. 34). Het gaat om 15.604 banen bij de sector markt en 5.453 banen bij de sector overheid. Dit betekent dat werkgevers eind 2015 voor op schema lagen en het niet nodig was de quotumregeling te activeren.

Tabel 4.2.4 Indicatoren banenafspraak
 

Realisatie

2015

Realisatie

20161

Streefwaarde

Begroting

20162

Verschil

2016

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten marktsector t.o.v. nulmeting op 1-1-2013

15.604

14.000

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten overheid t.o.v. nulmeting op 1-1-2013

5.453

6.500

X Noot
1

Realisatiecijfers komen in juni 2017 beschikbaar en worden opgenomen in de begroting van 2018.

X Noot
2

Streefwaarden afkomstig uit memorie van toelichting bij de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten, Tweede Kamer, 33 981, nr. 3, blz. 6, tabel: aantal te realiseren banen voor beoordeling activering quotumheffing.

Tabel 4.2.5 Kerncijfers re-integratie
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

20161

Personen met een re-integratievoorziening (x 1.000, ultimo)2

170

166

170

Personen die werken met een re-integratievoorziening (x 1.000, ultimo)2

37

33

35

Personen met een loonkostensubsidie Participatiewet (x 1.000, ultimo)3

1,2

2,3

Aantal door bijstandsontvangers/niet-uitkeringsgerechtigden gestarte banen na re-integratie (x 1.000)4

47

43

20

X Noot
1

Het betreft het cijfer ultimo tweede kwartaal. Een beperkt aantal gemeenten ontbreekt in deze totaalcijfers. Naar verwachting leidt dit tot een afwijking in het landelijke cijfer van circa 0,5%.

X Noot
2

CBS, statistiek re-integratie gemeenten.

X Noot
3

CBS, statistiek re-integratie gemeenten; het instrument loonkostensubsidie wordt met ingang van de Participatiewet per 2015 toegepast, daarom is realisatie 2014 niet beschikbaar.

X Noot
4

CBS, uitstroom na re-integratie. Het cijfer 2016 betreft de eerste twee kwartalen.

Handhaving

De cijfers op het gebied van fraude en handhaving in de WWB/Participatiewet laten een stabiel beeld zien.

Tabel 4.2.6 Kerncijfers WWB/Participatiewet (fraude en handhaving)
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Preventie1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

80

82

77

Kennis van de verplichtingen (%)

88

90

88

       

Opsporing2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

11

11

11

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

62

66

71

       

Terugvordering

     

Incassoratio 2014 (%)

12

16

18

Incassoratio 2015 (%)

3

14

20

Incassoratio 2016 (%)

3

3

14

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2016».

X Noot
2

SZW-berekeningen op basis van CBS, bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

X Noot
3

Deze cijfers komen niet voor.

Wetten inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en gewezen zelfstandigen (IOAZ)

De IOAW-uitkering is een aanvulling op het (gezins)inkomen tot bijstandniveau voor oudere werkloze werknemers. Vermogen, zoals een eigen huis of spaargeld, blijft buiten beschouwing. Anders dan bij de Participatiewet hoeven werkloze ouderen, die vaak vermogen in spaargeld of eigen huis hebben, in de IOAW hun vermogen niet aan te spreken.

De IOAZ is een uitkering voor ouderen die noodgedwongen zijn gestopt met hun werk als zelfstandige omdat de inkomsten daaruit onvoldoende waren. De IOAZ-uitkering vult het (gezins)inkomen aan tot het bijstandsniveau. In de IOAZ wordt rekening gehouden met de bijzondere positie van zelfstandigen en hun (bedrijfs)vermogen.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de IOAW en de IOAZ zijn samen € 42 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. De ontwikkeling van de werkloosheid werkt met meer vertraging door in de uitgaven aan de IOAW dan bij de begrotingsopstelling geraamd. Hierdoor krijgen meer voormalig WW-gerechtigden een IOAW-uitkering dan in de begroting 2016 is geraamd.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.2.7 Kerncijfers IOAW en IOAZ1
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

20162

Begroting

2016

Verschil

2016

Volume IOAW (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

16

19

22

20

2

Volume IOAZ (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

1,7

1,7

1,8

1,8

0,0

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

X Noot
2

Betreft voorlopige cijfers. De cijfers van oktober tot en met december 2016 zijn geraamd.

Bbz-levensonderhoud (startende ondernemers)

Aan uitkeringsgerechtigden die als startende ondernemer in hun levensonderhoud voorzien wordt in lijn met de begroting ongeveer € 32 miljoen uitgegeven.

A2. Participatiebudget

Het Participatiebudget is vanaf 2015 onderdeel van de Integratie-uitkering sociaal domein (zie ook A3, Wsw). De uitgaven van bijna € 0,5 miljoen hebben betrekking op verloren bezwaar- en beroepszaken over de jaren vòòr 2015. Deze uitgaven worden niet geraamd.

A3. Wet sociale werkvoorziening (Wsw)

De Wsw heeft tot doel het scheppen van aangepaste werkgelegenheid voor personen die wel graag willen werken, maar dit niet onder normale arbeidsomstandigheden kunnen doen. De Wsw biedt zowel de mogelijkheid tot werken in een beschutte omgeving als tot begeleid werken bij reguliere werkgevers. Met de Participatiewet is de toegang voor nieuwe instroom tot de Wsw vanaf 2015 afgesloten, ook voor mensen met een geldige Wsw-indicatie. Deze mensen vallen, voor zover zij behoren tot de gemeentelijke doelgroep, vanaf die datum onder de werking van de Participatiewet. Mensen die op 31 december 2014 in de Wsw werkzaam waren op basis van een Wsw-dienstbetrekking hebben een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht en houden hun huidige wettelijke rechten en plichten.

Budgettaire ontwikkelingen

De middelen voor de Wsw maken vanaf 2015 deel uit van de integratie-uitkering sociaal domein op de Gemeentefondsbegroting. De in tabel 4.2.1 opgenomen middelen zijn gereserveerd voor de afwikkeling van de bonus begeleid werken over het jaar 2014. Er is bijna € 3,6 miljoen minder uitgegeven aan de bonus begeleid werken dan begroot. De gemeenten hebben daarmee het overgrote deel van de geraamde plekken voor begeleid werken gerealiseerd.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.2.8 Kerncijfers Wsw1
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

20162

Werknemersbestand (x 1.000 personen, ultimo)

103

96

Detacheringen als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen (%)

30

35

Aantal gerealiseerde plaatsen in begeleid werken als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen (%)

6,5

6,6

X Noot
1

Panteia, Wsw-statistiek.

X Noot
2

Realisatiecijfers over het aantal personen in de Wsw eind 2016 zijn nog niet beschikbaar. Deze worden begin juni gepubliceerd in de meicirculaire van het Gemeentefonds 2017.

A4. Toeslagenwet (TW)

De TW vult uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen aan tot het normbedrag voor het relevante sociaal minimum als het totale inkomen (exclusief TW-uitkering) van de uitkeringsgerechtigde en diens eventuele partner daaronder ligt.

Budgettaire ontwikkelingen

De gerealiseerde uitgaven voor de TW zijn € 22 miljoen hoger dan begroot en zijn een gevolg van een tegengesteld prijs- en volume-effect.

Het prijseffect heeft tot € 51 miljoen hogere uitgaven geleid. De gemiddelde toeslag is € 829 hoger uitgekomen dan bij het opstellen van de begroting werd verwacht. Dit hangt deels samen met de geleidelijke afbouw van de overdraagbare algemene heffingskorting, waardoor de 75%-Wajong-uitkering voor alleenstaanden per 1 juli 2016 net boven het bruto-normbedrag van de TW uitkomt. Een grote groep Wajongers, die voorheen een zeer lage toeslag per dag ontving, komt niet langer in aanmerking voor een toeslag, hetgeen tot een stijging van de gemiddelde Wajong-toeslag leidt (€ 10 miljoen). Daarnaast is in de WW de gemiddelde toeslag hoger uitgekomen dan verwacht (€ 12 miljoen), onder meer door lagere WW-uitkeringen als gevolg van de aanpassing van het dagloonbesluit per 1 juli 2015. Ten derde is in de WAO en de WIA de gemiddelde toeslag gestegen (€ 21 miljoen). Ten slotte zijn de TW-normen aangepast voor gestegen lonen en prijzen (€ 8 miljoen).

Het volume-effect heeft tot € 29 miljoen lagere uitgaven geleid. Het TW-volume is 45.000 uitkeringsjaren lager uitgekomen dan geraamd. Dit is het saldo van een sterke daling van het aantal toeslagen op de Wajong-uitkeringen (€ 18 miljoen) en op de WAO-uitkeringen (€ 18 miljoen) en een stijging van het aantal toeslagen op de WIA-uitkeringen (€ 6 miljoen) en de ZW-uitkeringen (€ 1 miljoen).

Beleidsrelevante kerncijfers

Het TW-volume is 45.000 uitkeringsjaren lager uitgekomen dan geraamd. Dit wordt vrijwel volledig veroorzaakt door de volume-ontwikkeling in de Wajong.

Tabel 4.2.9 Kerncijfers TW1
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Begroting

2016

Verschil

2016

Gemiddeld jaarvolume TW (x 1.000 uitkeringsjaren)

205

198

155

200

– 45

Gemiddelde toeslag per jaar (x € 1)

2.707

2.448

3.203

2.374

829

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

Handhaving

Door de inkomstenverrekening van de Wwz, sinds 1 juli 2015, daalt het aantal geconstateerde overtredingen. De incassoratio’s blijven op een gelijk niveau.

Tabel 4.2.10 Kerncijfers TW (fraude en handhaving)1
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Opsporing

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

2,6

1,9

1,3

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

7,2

5,8

5,6

       

Terugvordering

     

Incassoratio 2014 (%)

15

39

48

Incassoratio 2015 (%)

2

18

40

Incassoratio 2016 (%)

17

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Deze cijfers komen niet voor.

A5. Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)

Ouderen met een onvolledig AOW-pensioen kunnen recht hebben op algemene bijstand. Deze bijstand kan worden aangevraagd bij de SVB.

Budgettaire ontwikkelingen

Voor de AIO zijn de gerealiseerde uitgaven nagenoeg gelijk aan de begrote uitgaven. De gerealiseerde volumes zijn een stuk lager dan begroot. De prijs is echter hoger dan begroot. Deze twee effecten compenseren elkaar nagenoeg.

Beleidsrelevante kerncijfers

De lagere realisatie wordt voornamelijk veroorzaakt doordat het aantal niet-westerse allochtonen dat de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt en een beroep doet op de AIO, lager uitvalt dan waar bij het opstellen van de begroting rekening mee werd gehouden.

Tabel 4.2.11 Kerncijfers AIO1
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

20162

Begroting

2016

Verschil

2016

Aantal huishoudens AIO (x 1.000, jaargemiddelde)

40

41

42

51

– 9

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

X Noot
2

Betreft voorlopige cijfers. De cijfers van oktober tot en met december 2016 zijn geraamd.

Handhaving

De cijfers op het gebied van preventie laten een stabiel beeld zien. Het aantal overtredingen is evenals het totale benadelingsbedrag iets afgenomen.

Tabel 4.2.12 Kerncijfers AIO (fraude en handhaving)
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Preventie1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

73

75

77

Kennis van de verplichtingen (%)

84

87

88

       

Opsporing2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

0,3

0,5

0,4

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

1,7

2,2

2,0

       

Terugvordering2

     

Incassoratio 2014 (%)

9,2

19

27

Incassoratio 2015 (%)

3

14

31

Incassoratio 2016 (%)

3

3

12

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2016».

X Noot
2

SVB, jaarverslag.

A6. Bijstand zelfstandigen (Bbz 2004)

Startende ondernemers en gevestigde zelfstandigen kunnen onder voorwaarden voor financiële ondersteuning een beroep doen op het Besluit bijstand zelfstandigen 2004. Met dit besluit wordt beoogd kansrijke vanuit een uitkering startende ondernemers en zelfstandigen met tijdelijke financiële moeilijkheden in hun bestaan te voorzien. De bijstand kan worden verstrekt om te voorzien in de kosten van levensonderhoud voor gevestigde ondernemers of in bedrijfskredieten (starters en gevestigde ondernemers). Uitgaven voor levensonderhoud van startende ondernemers zijn opgenomen in het macrobudget participatiewetuitkeringen, zie ook tabel 4.2.2.

Budgettaire ontwikkelingen

De gerealiseerde uitgaven zijn € 9 miljoen hoger dan begroot. De bijstandsuitgaven kunnen per gemeente van jaar op jaar sterk wisselen. Gevolg daarvan is dat een aantal gemeenten te weinig voorschot ontvangt en een ander aantal te veel en dat leidt tot nabetalingen respectievelijk terugontvangsten; zie ook onder onderdeel Ontvangsten. Hiermee rekening houdend is per saldo aan de gemeenten samen ongeveer € 11 miljoen minder aan bijstand voor zelfstandigen uitgegeven dan begroot.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.2.13 Kerncijfers Bbz1
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

20162

Begroting

2016

Verschil

2016

Volume Bbz (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

4,1

3,9

3,8

4,1

– 0,3

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

X Noot
2

Betreft voorlopige cijfers. De cijfers van oktober tot en met december 2016 zijn ramingen.

A7. Bijstand Buitenland

Verlening van bijstand aan een in het buitenland gevestigde Nederlander wordt alleen nog voortgezet ingeval het recht op uitkering vóór 1 januari 1996 is vastgesteld. Sinds 1996 zijn er dus geen nieuwe gevallen meer toegelaten.

Budgettaire ontwikkelingen

De gerealiseerde uitgaven zijn € 0,1 miljoen lager dan de begrote uitgaven.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.2.14 Kerncijfers Bijstand Buitenland1
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Begroting

2016

Verschil

2016

Volume bijstand buitenland (x 1.000 gerechtigden, ultimo)

0,2

0,2

0,2

0,2

0,0

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

A8. Onderstand en re-integratie Caribisch Nederland

De overheid biedt aan inwoners van Caribisch Nederland inkomensondersteuning in de vorm van Onderstand en waar nodig ook re-integratieondersteuning.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven zijn per saldo ruim € 1,7 miljoen lager dan begroot. Dit wordt verklaard doordat budget is overgeheveld naar het Ministerie van BZK voor armoedeprojecten in Caribisch Nederland. In de periode 2016–2019 stelt SZW hiervoor jaarlijks een bedrag van € 2,256 miljoen beschikbaar. Deze uitgaven worden verantwoord in het BZK-jaarverslag.

Afgezien van deze budgetoverheveling zijn de uitgaven Onderstand Caribisch Nederland € 0,5 miljoen hoger dan begroot, omdat de in dollars bepaalde onderstandnormen zijn aangepast voor gestegen lonen en prijzen. Ook is het beroep op de onderstand groter geweest dan begroot, hetgeen samenhangt met de verhoging van de AOV-gerechtigde leeftijd en de toegenomen aandacht voor niet-gebruik (communicatie).

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.2.15 Kerncijfers Onderstand (Caribisch Nederland)1
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Begroting

2016

Verschil

2016

Volume Onderstand Caribisch Nederland (x 1.000 huishoudens, ultimo)

0,4

0,5

0,5

0,4

0,1

X Noot
1

SZW-unit RCN.

B. Garanties

Dit betreft de garantstelling voor de borgstellingsregeling (pilot zelfstandigenbeleid). De toegang tot deze regeling is sinds 2011 beëindigd. De uitgaven hebben betrekking op de afwikkeling van garantieclaims en zijn € 109.000 lager dan begroot doordat er minder claims zijn gehonoreerd.

C. Subsidies

Er is € 92 miljoen minder aan subsidies uitgegeven dan begroot. Hiervan is € 28 miljoen benodigd in latere jaren.

Dit hangt voor € 102 miljoen samen met de sectorplannen en is een gevolg van een toevoeging van € 8 miljoen uit hoofde van de onderuitputting 2015 en budgettair neutrale kasschuiven naar latere jaren van € 51 miljoen om beter aan te sluiten bij het kasritme van de sectorplannen. Een bedrag van € 28 miljoen is onbesteed gebleven en schuift door naar 2017 als gevolg van minder voorschotaanvragen voor de sectorplannen. Verder is in verband met de verwachte onderbenutting sectorplannen in het kader van de Doorstart naar nieuw werk € 31 miljoen herbestemd.

De resterende uitgaven hebben betrekking op de subsidieregeling «Doorstart naar nieuw werk» en de subsidieregeling «Ter stimulering van activiteiten die een duurzame bijdrage leveren aan het tegengaan van armoede- en schuldenproblematiek» en overige incidentele subsidies, waarvoor middelen zijn overgeheveld uit onderdeel Opdrachten.

De overige incidentele subsidies hebben o.a. betrekking op stimuleren vakmanschap bij sociale diensten, stimuleringsprogramma’s rond werkgeversdienstverlening, ondersteuningsprogramma’s het op terrein van schuldhulpverlening, pilots en methodiekontwikkeling op terrein van schulden, pilots en methodiekontwikkeling op het terrein van arbeidsinschakeling jongeren en aansluiting onderwijs en arbeidmarkt.

D. Opdrachten

Ten opzichte van de begroting (€ 17,9 miljoen) is ruim € 15,7 miljoen minder uitgegeven. Dat hangt samen met budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting (€ 11,6 miljoen), waarvan die naar subsidies de grootste is (€ 6,5 miljoen). Verder hebben er diverse overboekingen naar andere departementen plaatsgevonden (€ 1,0 miljoen). Voor € 3,1 miljoen is sprake van onderuitputting. De overboekingen naar andere departementen hadden o.a. betrekking op een bijdrage aan Sportimpuls van het Ministerie van VWS en «Wijzer in geldzaken» van het Ministerie van Financiën. De herschikkingen binnen de SZW-begroting hadden o.a. betrekking op (financiële) ondersteuning in het kader van de implementatie en uitvoering van de Participatiewet en de Wet bevordering arbeidsinschakeling arbeidsbeperkten, een aantal specifieke projecten rond gegevensuitwisseling waar het Inlichtingenbureau bij betrokken was, bekostiging van een kennisprogramma via instituut ZonMw en bekostiging van een aantal voorlichtingsactiviteiten.

De concrete aanbestedingen hadden o.a. betrekking op de beleidsterreinen armoede en schulden (ontwikkeling webtool beslagvrije voet, bijdrage week van het geld, concretisering Rijksincassovisie), aanpak jeugdwerkloosheid (leercirkels, diverse projecten rond matchen op werk, oriëntatie op werk, dienstverlening aan jongeren zonder startkwalificaties, overbruggen discriminatie) en bevordering arbeidsinschakeling van personen met psychosociale beperkingen, bevorderen samenwerking GGZ-instellingen en afdelingen Werk&Inkomen van gemeenten en projecten/activiteiten rond werkgeversdienstverlening.

E. Bekostiging

Na het indienen van de begroting 2016 is duidelijkheid ontstaan over het kennisprogramma dat door ZonMw wordt uitgevoerd. De budgetten zijn bij 1e suppletoire begroting 2016 overgeboekt van onderdeel Opdrachten naar de onderdelen Bekostiging en Bijdrage aan ZBO’s/RWT. In de begroting 2016 waren hiervoor op deze onderdelen nog geen middelen opgenomen. In lijn met de voornemens is aan het kennisprogramma € 0,5 miljoen uitgegeven en aan het Nibud conform de begroting € 0,3 miljoen.

F. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Aan ZonMw is voor uitvoering van het kennisprogramma ruim € 0,2 miljoen uitgegeven; zie ook onderdeel Bekostiging.

G. Ontvangsten

De gerealiseerde ontvangsten zijn ruim € 52 miljoen hoger dan begroot. De hogere ontvangsten hebben betrekking op terugbetaling van te hoge voorschotten inzake Rijksvergoedingen, zoals Bijstand zelfstandigen (€ 20 miljoen) en Toeslagenwet (€ 3 miljoen), overige ontvangsten (€ 3 miljoen) en ontvangsten uit terugvorderingen in verband met onderrealisatie dan wel onrechtmatigheid bij de Wsw (€ 19 miljoen) en de Wet Participatiebudget (€ 7 miljoen).

3. Arbeidsongeschiktheid

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid en stimuleert hen te blijven werken of het werk te hervatten.

De overheid vindt dat werknemers die loon derven als gevolg van arbeidsongeschiktheid verzekerd moeten zijn van een redelijk inkomen. Daarom zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De WIA omvat twee uitkeringsregimes: de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) en de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is bij de introductie van de WIA ingetrokken, maar geldt nog wel voor mensen die vóór 1 januari 2004 door ziekte of gebrek arbeidsongeschikt zijn geworden. Op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) waren ondernemers verplicht verzekerd tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid. De WAZ is per 1 augustus 2004 ingetrokken, maar geldt nog wel voor zelfstandigen die op dat moment een uitkering ontvingen.

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WIA, WAO of WAZ en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot dat sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

De overheid stimuleert met behulp van financiële prikkels voor zowel uitkeringsgerechtigden als werkgevers dat uitkeringsgerechtigden aan het werk blijven of (op termijn) weer aan het werk gaan. Daarnaast biedt de overheid gerichte re-integratieondersteuning aan uitkeringsgerechtigden die ondersteuning nodig hebben. De overheid kent daarbij een groot belang toe aan de eigen verantwoordelijkheid en het meewerken aan re-integratie door de uitkeringsgerechtigde.

Aan werknemers in Caribisch Nederland wordt met de Ongevallenverzekering (OV) een inkomensvoorziening geboden in geval van arbeidsongeschiktheid door een bedrijfsongeval.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert aan het werk blijven of het werk hervatten met een bijdrage voor re-integratieinspanningen aan het UWV. De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Beleidsconclusies

Het in de begroting 2016 voorgenomen beleid heeft grotendeels doorgang gevonden. Zo is in 2016 het wetsvoorstel verbetering hybride markt WGA aangenomen (Stb. 2016, nr. 221). In 2016 zijn in het kader van het Arbeidsmarktpakket maatregelen aangekondigd om knelpunten weg te nemen bij loondoorbetaling bij ziekte. In 2016 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de invulling van deze maatregelen.

Voor de taakstelling WIA die afgesproken is in het sociaal akkoord geldt echter dat er in 2016 door sociale partners geen concrete maatregelen zijn aangekondigd. Om het besparingsverlies 2017 dat hierdoor ontstaat af te dekken wordt de ao-tegemoetkoming in 2017 verlaagd.

In de begroting 2016 is aangekondigd dat het wetsvoorstel tot wijziging in de WIA voor personen die met loonkostensubsidie werken in de Participatiewet eind 2015 zou worden ingediend bij de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel heeft vertraging opgelopen en zal nu in 2017 worden ingediend. De financiële consequentie van deze vertraging is nihil.

Daarnaast is in 2016 een integraal plan gepresenteerd om de achterstanden bij sociaal-medische herbeoordelingen weg te werken (Tweede Kamer, 2015–2016, 26 448, nr. 569). Hiervoor wordt de beschikbare capaciteit van verzekeringsartsen bij het UWV gemaximaliseerd en zijn maatregelen genomen om de werklast voor het UWV te verminderen en in de tijd te spreiden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.3.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 3 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Begroting 2016

Verschil

2016

Verplichtingen

593

616

703

682

765

– 83

Uitgaven

562

593

616

703

682

765

– 83

               

Inkomensoverdrachten

562

593

616

703

682

765

– 83

Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)

562

593

616

703

682

765

– 83

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Tabel 4.3.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 3 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Begroting 2016

Verschil

2016

Uitgaven

9.068.219

9.116.600

9.037.660

9.040.645

9.199.616

9.348.176

– 148.560

               

Inkomensoverdrachten

8.974.219

9.035.000

8.960.618

8.967.297

9.138.683

9.089.824

48.859

IVA

789.000

964.000

1.170.506

1.408.374

1.712.782

1.698.636

14.146

WGA

1.639.219

1.981.000

1.883.004

2.076.296

2.327.604

2.238.178

89.426

WGA eigen-risicodragers

327.000

334.781

327.861

363.318

– 35.457

WAO

6.294.000

5.872.000

5.387.175

4.975.807

4.615.558

4.633.166

– 17.608

WAZ

252.000

218.000

192.933

172.039

154.878

156.526

– 1.648

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

94.000

81.600

77.042

73.348

60.933

99.251

– 38.318

Re-integratie WIA/WAO/WAZ

94.000

81.600

77.042

73.348

60.933

99.251

– 38.318

               

Nominaal

0

0

0

0

0

159.101

– 159.101

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

A1. Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland die door een bedrijfsongeval geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn geraakt, krijgen op basis van de Ongevallenverzekering een uitkering (ongevallengeld). De uitkering is gekoppeld aan het laatst verdiende loon van de werknemer. De SZW-unit bij de Rijksdienst Caribisch Nederland is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze regeling.

Budgettaire ontwikkelingen

De realisatie van de uitkeringen Ongevallenverzekering Caribisch Nederland is € 0,1 miljoen lager uitgekomen dan begroot. Bij de uitgaven aan deze regeling kunnen tussen de jaren, evenals tussen begroting en realisatie, verschillen zitten, afhankelijk van het aantal bedrijfsongevallen. Specifieke kenmerken van de betrokken werknemers, zoals het laatst verdiende loon, kunnen daarnaast fluctueren.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.3.3 Kerncijfers Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)1
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Begroting

2016

Verschil

2016

Volume uitkeringen Ongevallenverzekering (x 1.000, ultimo)

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

X Noot
1

SZW-unit RCN.

A2. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)

De WIA geeft werknemers die na een wachttijd van twee jaar ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn recht op een uitkering, mits aan de voorwaarden daarvoor voldaan is. In de WIA staat werk voorop. Het accent ligt op wat mensen wel kunnen. Tegelijkertijd is er sprake van inkomensbescherming.

De WIA bestaat uit twee uitkeringsregimes. De IVA verstrekt een loondervingsuitkering aan werknemers die duurzaam volledig arbeidsongeschikt zijn. Wie nog gedeeltelijk kan werken dan wel niet duurzaam arbeidsongeschikt is, krijgt een uitkering op basis van de WGA. De WIA wordt uitgevoerd door het UWV.

Werkgevers kunnen daarbij eigenrisicodrager worden voor de WGA-lasten van hun ex-werknemers. Dit betekent dat ze een lagere premie aan het UWV betalen, omdat zij het gros van de verplichtingen van het UWV met betrekking tot re-integratie en uitkeringsbetaling overnemen.

Inkomensvoorziening volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA)

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten IVA komen € 14 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 29 miljoen, in tabel 4.3.2 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 15 miljoen lager dan begroot. Dit komt met name door een lager dan verwachte gemiddelde jaaruitkering (€ 26 miljoen). Het volume valt hoger uit dan vooraf verwacht (€ 13 miljoen). De gerealiseerde uitgaven aan de ao-tegemoetkoming zijn bijna gelijk aan de begrote uitgaven. Ze vallen € 1 miljoen lager uit dan geraamd.

Beleidsrelevante kerncijfers

De kerncijfers IVA zijn gecombineerd met de kerncijfers WAO in tabel 4.3.4.

Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) inclusief WGA eigen-risicodragers

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten WGA komen € 54 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 47 miljoen, in tabel 4.3.2 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 7 miljoen hoger dan begroot. Het volume is nagenoeg in lijn met de raming evenals de gemiddelde jaaruitkering. De gerealiseerde uitgaven aan de ao-tegemoetkoming zijn bijna gelijk aan de begrote uitgaven. Ze vallen € 3 miljoen hoger uit dan geraamd.

De uitgaven van eigenrisicodragers WGA zijn lager dan geraamd in de begroting 2016. Dit komt vermoedelijk doordat er in de raming onvoldoende rekening mee is gehouden dat de WIA meer dan 10 jaar bestaat (de maximale periode voor eigenrisicodragen) en dat daarmee de eerste werknemers van eigenrisicodragers over zijn gegaan naar het publieke stelsel. Deze uitgaven vallen in 2016 onder het publieke deel van de WGA.

Beleidsrelevante kerncijfers

De kerncijfers WGA zijn gecombineerd met de kerncijfers WAO in tabel 4.3.4.

A3. Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

De WAO is per 29 december 2005 vervangen door de WIA. De WAO verstrekt uitkeringen tot aan de AOW-leeftijd. Derhalve zullen er nog decennia lang mensen zijn die een beroep blijven doen op de WAO. De WAO wordt uitgevoerd door het UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten WAO komen € 18 miljoen lager uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 79 miljoen, in tabel 4.3.2 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 97 miljoen lager dan begroot. De belangrijkste oorzaak is een lager dan verwachte gemiddelde jaaruitkering (€ 71 miljoen). Dit komt doordat in 2016 een administratieve correctie binnen de arbeidsongeschiktheidswetten is doorgevoerd tussen de wetten WAO en WIA. Hierbij zijn uitkeringslasten die ten onrechte als WAO geadministreerd waren gecorrigeerd naar de juiste wet WIA. Het gaat hierbij om een totaal uitkeringsbedrag van € 71 miljoen in de WAO. Daarnaast valt het volume lager uit dan voorheen verwacht (€ 28 miljoen). Dit komt onder andere door een hoger dan verwachte uitstroom uit de WAO. De gerealiseerde uitgaven aan de ao-tegemoetkoming zijn bijna gelijk aan de begrote uitgaven. Ze vallen € 2 miljoen hoger uit dan geraamd.

Beleidsrelevante kerncijfers

De totale omvang van het bestand WIA en WAO is in 2016 nagenoeg gelijk gebleven. Het aantal WIA-gerechtigden is in 2016 even snel toegenomen als dat het aantal WAO-gerechtigden afneemt. De instroom in de WIA lag in 2016 hoger dan in voorgaande jaren. Dit wordt gedeeltelijk verklaard door het relatief grote aantal WW-gerechtigden 2–3 jaar geleden, die een grotere kans hebben om arbeidsongeschikt te raken dan werknemers. De uitstroom uit de WIA is eveneens gestegen, evenals de doorstroom vanuit de WGA naar de IVA. De groei van de uitstroom en doorstroom loopt op met de groei van het WIA-bestand, dat nog jaren in de opbouwfase zit.

Het WAO-volume daalt omdat de WAO een aflopende regeling is. De instroom in de WAO is beperkt tot herlevingen op basis van oud recht. Daar staat een veel grotere uitstroom tegenover die vooral het gevolg is van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

Tabel 4.3.4 Kerncijfers IVA, WGA en WAO1
   

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Begroting

2016

Verschil

2016

IVA, WGA en WAO

         

Bestand in uitkeringen (x 1.000, ultimo)

553

545

546

548

– 2

 

waarvan IVA

61

72

85

84

1

 

waarvan WGA

148

158

168

169

– 1

 

waarvan WAO

343

315

293

294

– 1

Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%)

8,1

8,1

8,1

7,7

0,4

             

Instroom in uitkeringen (x 1.000)

38

36

40

38

2

 

waarvan IVA

8,2

8,5

9,6

9,2

0,4

 

waarvan WGA

29

27

30

29

1

 

waarvan WAO

1,0

0,9

0,7

0,5

0,2

Instroomkans (%)

0,6

0,5

0,6

0,6

0,0

             

Uitstroom uit uitkeringen (x 1.000)

45

45

40

38

2

 

waarvan IVA

4,9

6,2

6,5

6,5

0

 

waarvan WGA

9,2

9,9

10,1

9,5

0,6

 

waarvan WAO

31

29

23

22

1

Doorstroom van WGA naar IVA (x 1.000)

6,6

8,5

10,1

8,1

2

Uitstroomkans WAO + WIA (%)

7,6

7,6

6,7

6,9

– 0,2

             

WGA

         

Aandeel werkende WGA’ers met resterende verdiencapaciteit (%)

42

42

43

2

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Dit cijfer wordt niet geraamd.

Handhaving

De kerncijfers preventie laten over de jaren een stabiel beeld zien. De kerncijfers opsporing zijn gedaald. Zowel het aantal geconstateerde overtredingen als het benadelingbedrag zijn afgenomen. De incassoratio’s laten een stabiel beeld zien.

Tabel 4.3.5 Kerncijfers IVA, WGA en WAO (fraude en handhaving)
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Preventie 1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

78

83

79

Kennis van de verplichtingen (%)

89

91

88

       

Opsporing 2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

1,8

1,7

0,9

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

9,8

9,4

6,0

       

Terugvordering 2

     

Incassoratio 2014 (%)

20

49

56

Incassoratio 2015 (%)

3

22

45

Incassoratio 2016 (%)

3

3

24

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2016». Kerncijers preventie alleen van toepassing op WGA en WAO, IVA is buiten beschouwing gebleven.

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Deze cijfers komen niet voor.

A4. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)

De WAZ is een verplichte verzekering voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren, directeuren-grootaandeelhouders en meewerkende echtgenoten tegen de inkomensgevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. De WAZ is op 1 augustus 2004 ingetrokken. Sindsdien kunnen ondernemers zelf bepalen of zij de inkomensrisico’s al dan niet willen afdekken, bijvoorbeeld via een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. De WAZ blijft gelden voor zelfstandigen die op 1 augustus 2004 een uitkering ontvingen. De WAZ wordt uitgevoerd door het UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten WAZ komen € 2 miljoen lager uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 2 miljoen, in tabel 4.3.2 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 4 miljoen lager dan begroot. Dit is het gevolg van een neerwaartse bijstelling van het volume (€ 4 miljoen).

Beleidsrelevante kerncijfers

Het gerealiseerde aantal WAZ-uitkeringen is gelijk aan het aantal geraamde WAZ-uitkeringen.

Tabel 4.3.6 Kerncijfers WAZ1
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Begroting

2016

Verschil

2016

Bestand in uitkeringen (x 1.000, ultimo)

17

15

14

14

0

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

B. Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW

Voor de re-integratie van uitkeringsgerechtigden in de WIA, WAO, WAZ en ZW zet het UWV middelen in om hen zo nodig te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. Het UWV zet deze middelen in voor de inkoop van trajecten en diensten gericht op het vinden van werk en voorzieningen na werkaanvaarding (waaronder jobcoaching). Het UWV beschikt vanaf 2015 over een geïntegreerd taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en van voorzieningen voor de re-integratieondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (inclusief Wajongers). Ze worden jaarlijks aan het UWV beschikbaar gesteld en door het UWV verantwoord via de reguliere rapportages.

Budgettaire ontwikkelingen

Het UWV heeft circa € 38 miljoen minder uitgegeven dan begroot voor re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW. Dit is hoofdzakelijk het gevolg van lagere uitgaven dan verwacht aan de inkoop van trajecten (€ 22 miljoen). Het UWV heeft in 2016 een nieuw inkoopkader re-integratie geïntroduceerd. Als gevolg van de implementatie van dit nieuwe inkoopkader zijn minder trajecten ingekocht dat voorgenomen. Het UWV koopt deze in voor de re-integratie van arbeidsbeperkten naar werk. Aanvullend zijn in 2016 twee begrotingsmutaties van beleidsartikel 3 naar beleidsartikel 11 gedaan. Ten eerste is als gevolg van de motie Nijkerken-de Haan (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 300-XV, nr. 35) € 10 miljoen van de re-integratiemiddelen ingezet voor het wegwerken van achterstanden bij het UWV. Ten tweede is € 7 miljoen geschoven van 2016 naar 2017 ten behoeve van dienstverlening WGA. Het resterende verschil van € 1 miljoen wordt verklaard door loon- en prijsbijstelling.

4. Jonggehandicapten

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid biedt jonggehandicapten arbeids- en inkomensondersteuning.

De Wajong bestaat uit drie groepen die elk een eigen doelstelling hebben: de «oude Wajong» (tot 2010), de «nieuwe Wajong» (2010 tot 2015) en de Wajong2015. Het moment van instroom bepaalt tot welke groep iemand behoort. In de «oude Wajong» staat inkomensondersteuning voorop en is arbeidsondersteuning beschikbaar voor hen die kunnen werken. Voor de «nieuwe Wajong» (mensen die in de periode 2010 tot 2015 zijn ingestroomd) heeft de overheid als eerste doel de arbeidsparticipatie van Wajongers te bevorderen. Als zij perspectief hebben op het verrichten van arbeid staat voor deze Wajongers arbeidsondersteuning centraal. Als onderdeel van de arbeidsondersteuning kunnen zij zo nodig inkomensondersteuning aanvragen. De doelgroep van de Wajong2015 bestaat uit mensen die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Zij zullen nooit kunnen werken, ook niet met ondersteuning. De overheid heeft voor deze groep als doel te voorzien in een inkomensvoorziening.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert het vinden van werk met een bijdrage voor re-integratieinspanningen aan het UWV en de REA-instituten. De Minister financiert de inkomensondersteuning via het verstrekken van uitkeringen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen uit hoofde van de Wajong;

  • Het ter beschikking stellen van middelen voor het aan het werk helpen van mensen die arbeidsmogelijkheden hebben;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV.

Beleidsconclusies

In 2016 waren er geen belangrijke beleidswijzigingen op het terrein van de Wajong. De Staatssecretaris van SZW heeft de Tweede Kamer bij brief van 2 december 2016 (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 352, nr. 50) over de uitvoering van de Participatiewet op hoofdlijnen geïnformeerd over de stand van zaken van de herindeling Wajong tot en met augustus 2016. De herindelingsoperatie van het UWV wordt aan het begin van het vierde kwartaal 2017 afgerond.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.4.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 4 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Begroting 2016

Verschil

2016

Verplichtingen

2.670.218

3.019.261

3.112.006

3.274.182

3.174.376

99.806

Uitgaven

2.465.446

2.670.218

3.019.261

3.112.006

3.274.182

3.174.376

99.806

               

Inkomensoverdrachten

2.313.856

2.543.218

2.912.311

3.003.506

3.114.124

3.029.734

84.390

Wajong

2.313.856

2.543.218

2.912.311

3.003.506

3.114.124

3.029.734

84.390

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

151.590

127.000

106.950

108.500

160.058

144.642

15.416

Re-integratie Wajong

151.590

127.000

106.950

108.500

160.058

144.642

15.416

               

Ontvangsten

50.542

13.775

12.273

34.069

0

0

0

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong)

De Wajong biedt inkomensondersteuning aan mensen die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden en geen arbeidsverleden hebben en aan hen die tijdens hun studie voor het bereiken van de 30-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden. De Wajong wordt uitgevoerd door het UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van de Wajong zijn in 2016 € 84 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. De ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling 2016 verklaart € 52 miljoen van dit verschil. Het restant van € 32 miljoen bestaat uit meerdere effecten. Er heeft over 2015 een nabetaling plaatsgevonden en de gemiddelde uitkering is, naast het effect van de bovengenoemde indexatie, hoger gebleken dan geraamd. Daar tegenover staat dat het volume circa 1.000 personen lager is dan geraamd in de begroting 2016.

Beleidsrelevante kerncijfers

Ten opzichte van de begroting 2016 is het totale volume van de Wajong ultimo 2016 iets lager uitgekomen. Dit komt vooral doordat het bestand ultimo 2015 kleiner is dan in de begroting 2016 werd geraamd. De netto uitstroom (d.w.z. het saldo van instroom en uitstroom) is gedurende 2016 daarentegen juist iets afgenomen ten opzichte van de raming in de begroting 2016. Het aantal werkenden Wajongers is lager dan geraamd in de begroting 2016, maar wel gestegen ten opzichte van 2015.

Tabel 4.4.2 Kerncijfers Wajong1
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Begroting

2016

Verschil

2016

Volume Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen, ultimo)

251

249

247

248

– 1

 

waarvan oude Wajong (tot 2010)

184

181

177

178

– 1

 

waarvan nieuwe Wajong (2010 tot 2015)

67

67

66

66

0

   

waarvan werkregeling (%)

74

78

76

74

2

   

waarvan studieregeling (%)

18

12

9

9

0

   

waarvan duurzaam geen arbeidsmogelijkheden (%)

9,0

10

15

17

– 2

 

waarvan Wajong 2015

1,3

3,5

3,5

0

               

Instroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)

17

4,5

4,2

3,7

0,5

Uitstroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)

5,7

6,4

6,1

5,8

0,3

               

Aandeel werkenden in de oude en nieuwe Wajong (%)

23

23

24

27

– 3

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

Handhaving

De kerncijfers voor de Wajong laten over het totaal een redelijk stabiel beeld zien. De kerncijfers preventie en opsporing zijn in 2016 nagenoeg gelijk aan de jaren ervoor. Ook de incassoratio’s zijn redelijk stabiel.

Tabel 4.4.3 Kerncijfers Wajong (fraude en handhaving)
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Preventie 1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

77

73

77

Kennis van de verplichtingen (%)

85

86

86

       

Opsporing 2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

1,5

1,2

1,0

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

4,3

4,0

4,6

       

Terugvordering 3

     

Incassoratio 2014 (%)

23

50

58

Incassoratio 2015 (%)

3

18

41

Incassoratio 2016 (%)

3

3

17

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2016».

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Deze cijfers komen niet voor.

B. Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Re-integratie Wajong

Voor jonggehandicapten is een re-integratiebudget beschikbaar om hen zo nodig te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. Dit budget is bestemd voor de inzet van trajecten gericht op het vinden van werk, voorzieningen na werkaanvaarding (waaronder jobcoaching) en voor de financiering van de REA-instituten.

Het UWV beschikt vanaf 2015 over een geïntegreerd taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en voorzieningen voor de ondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (Wajong, WIA, WAO, WAZ en ZW). Het premiegefinancierde deel van het re-integratiebudget heeft betrekking op de WIA,WAO,WAZ en ZW en wordt verantwoord in artikel 3.

Budgettaire ontwikkelingen

Ten aanzien van het re-integratiebudget is € 15 miljoen meer uitgegeven dan begroot. Een deel van het re-integratiebudget 2017 (€ 45 miljoen) is reeds in 2016 aan het UWV betaald om het kasritme van het Rijk te optimaliseren. Dit leidt in 2017 tot terugontvangsten waardoor de begrote uitgaven in 2017 omlaag kunnen worden bijgesteld. Dit heeft geen gevolgen voor het re-integratiebudget in 2017. Op basis van realisatiecijfers is de raming van de uitgaven aan re-integratie in de 1e suppletoire begroting € 35 miljoen naar beneden bijgesteld. Het resterende verschil van € 5 miljoen wordt verklaard door een afrekening van de bevoorschotting van 2015 en toekenning van de loon- en prijsbijstelling.

5. Werkloosheid

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid en stimuleert hen het werk te hervatten.

De overheid biedt werknemers die hun baan verliezen en geheel of gedeeltelijk werkloos worden, bescherming tegen het verlies aan loon als gevolg van werkloosheid. Zij kunnen een beroep doen op een uitkering die voorziet in een tijdelijk loonvervangend inkomen om de periode van werkloosheid te overbruggen. Hiervoor zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Werkloosheidswet (WW). Door middel van instrumenten als bijvoorbeeld de sollicitatieplicht, het besluit passende arbeid en inkomensverrekening stimuleert de overheid een terugkeer naar werk.

De subsidieregeling voor scholing en plaatsing van oudere werklozen biedt werklozen van 50 jaar en ouder ondersteuning bij het vinden van een baan. Werklozen die bij instroom in de WW 60 jaar of ouder zijn, komen na afloop van hun WW-uitkering in aanmerking voor een uitkering op minimumniveau (IOW).

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WW of IOW en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

Werknemers in Caribisch Nederland ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt de overheid deze verplichting over.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Daarnaast stimuleert de Minister met financiële instrumenten initiatieven die bijdragen aan de werking van de arbeidsmarkt. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • Het borgen van het activerend karakter van de regelingen en van hun bijdrage aan de werking van de arbeidsmarkt;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Beleidsconclusies

De beoogde beleidsresultaten uit de begroting 2016 zijn grotendeels gerealiseerd. Dit betreft onder meer de start van de afbouw van de maximale WW-duur.

Sinds de wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen van 1 juli 2015 kan het WW-dagloon voor enkele groepen WW-gerechtigden lager uitkomen. Per 1 december 2016 is het Dagloonbesluit gewijzigd, waardoor het dagloon hoger uitkomt voor starters, herintreders, flexwerkers en werknemers die 104 weken ziek zijn geweest en aansluitend een beroep doen op de WW (Stb. 2016, nr. 390). Voorts is er gewerkt aan de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Staatscourant 2016, nr. 56189). Hiermee kunnen betrokkenen over de tussenliggende periode in aanmerking komen voor een eenmalige tegemoetkoming. Het UWV voert deze overgangsregeling uit vanaf 1 april 2017.

Tevens is de ketenbepaling voor seizoensgebonden werk aangepast. Voor seizoensarbeid kan sinds 1 juli 2016 bij cao de tussenperiode worden verkort tot 3 maanden voor functies die vanwege natuurlijke of klimatologische omstandigheden gedurende ten hoogste 9 maanden kunnen worden uitgeoefend (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 351, nr. 16). Hiermee wordt recht gedaan aan het feit dat deze werkzaamheden per definitie slechts gedurende een gedeelte van het jaar kunnen worden uitgevoerd.

De voorziene introductie van de Calamiteitenregeling heeft in 2016 niet plaatsgevonden.

Het UWV heeft in 2016 het nieuwe WW-dienstverleningsconcept landelijk uitgerold. Dit geeft WW’ers via het invullen van de Werkverkenner een op maat ingerichte mix aan dienstverlening.

Om het arbeidsmarktperspectief van vijftigplussers te verbeteren is samen met sociale partners het actieplan «Perspectief voor vijftigplussers» opgezet (Tweede Kamer, 2015–2016, 29 544, nr. 724). Ter ondersteuning van het actieplan is in 2016 een campagne gestart en met John de Wolf een boegbeeld ingesteld om de vooroordelen over vijftigplussers onder werkgevers weg te nemen (Tweede Kamer, 2016–2017, 29 544, nr. 747).

Verder is eind 2016 de beleidsdoorlichting over artikel 5 naar de Tweede Kamer verzonden (Tweede Kamer, 2016–2017, 30 982, nr. 29). De beleidsdoorlichting over artikel 5 (Werkloosheid) richt zich op de inkomensondersteuning en de prikkel om werk te zoeken vanuit de WW en IOW. Het beeld dat deze doorlichting geeft is dat de hoogte van de WW-uitkering over het algemeen niet voor problemen zorgt bij WW’ers. De inkomensbescherming is dus voor de meeste WW’ers effectief. Wat betreft de duur van de WW-uitkering is er binnen de meeste leeftijdsgroepen in de WW voor een meerderheid voldoende tijd om een nieuwe baan te vinden. Als het gaat om de doeltreffendheid van de instrumenten die werkloze werknemers weer aan het werk moeten helpen bestaat er een wisselend positief (proefplaatsing) en negatief (premiesystematiek) beeld. Door lacunes in beschikbare gegevens is de effectiviteit van enkele instrumenten niet te toetsen.

Rekening houdend met de nominale ontwikkeling zijn de WW-uitkeringslasten in 2016 € 930 miljoen lager uitgekomen dan in de begroting was voorzien. Dit is het gevolg van de dalende werkloosheid. Zie voor een toelichting op de budgettaire ontwikkeling van de WW onderdeel A3.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.5.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 5 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Begroting 2016

Verschil

2016

Verplichtingen

15.705

25.483

42.028

57.069

66.620

– 9.551

Uitgaven

7.079

15.705

25.483

42.028

56.986

66.620

– 9.634

               

Inkomensoverdrachten

7.079

15.205

20.483

29.428

40.297

51.120

– 10.823

IOW

7.000

14.959

20.480

29.403

40.280

51.020

– 10.740

Cessantiawet (Caribisch Nederland)

79

46

3

25

17

100

– 83

Compensatieregeling musici en artiesten

0

200

0

0

0

0

0

               

Subsidies

0

500

5.000

12.600

16.189

15.500

689

               

Opdrachten

0

0

0

0

500

0

500

               

Ontvangsten

0

0

627

2.961

0

0

0

Tabel 4.5.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 5 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Begroting 2016

Verschil

2016

Uitgaven

5.314.000

6.811.000

7.146.648

6.546.924

5.863.820

6.792.949

– 929.129

               

Inkomensoverdrachten

5.310.000

6.811.000

7.145.866

6.546.924

5.863.820

6.658.779

– 794.959

WW

5.310.000

6.811.000

7.145.866

6.546.924

5.863.820

6.658.779

– 794.959

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

4.000

0

782

0

0

0

0

Re-integratie WW

4.000

0

782

0

0

0

0

               

Nominaal

0

0

0

0

0

134.170

– 134.170

               

Ontvangsten

299.004

353.000

377.000

379.000

386.000

392.840

– 6.840

UFO

299.004

353.000

377.000

379.000

386.000

385.000

1.000

Nominaal

0

0

0

0

0

7.840

– 7.840

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

A1. Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

De IOW geeft werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar of ouder zijn, na afloop van hun WW-uitkering recht op een vervolguitkering. Ook gedeeltelijk arbeidsongeschikten die bij aanvang van de loongerelateerde WGA-uitkering 60 jaar of ouder zijn, kunnen na afloop van hun loongerelateerde uitkering recht hebben op IOW. De IOW is een tijdelijke regeling. In het sociaal akkoord is afgesproken om de IOW tot 2020 te verlengen. In de Wwz is daartoe opgenomen dat oudere WW’ers en WGA’ers in aanmerking kunnen komen voor een IOW-uitkering als zij vóór 1 januari 2020 werkloos of gedeeltelijk arbeidsongeschikt worden. De IOW wordt uitgevoerd door het UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten IOW zijn in 2016 € 10,7 miljoen lager uitgekomen dan bij de opstelling van de begroting werd verwacht. Dit wordt hoofdzakelijk veroorzaakt doordat het volume uitkeringsjaren lager is uitgekomen dan verwacht (€ 11 miljoen). De gemiddelde jaaruitkering komt juist iets hoger uit dan bij het opstellen van de begroting was geraamd (–/– € 0,3 miljoen). Voor een gedeelte wordt dit verklaard door de reguliere loon- en prijsbijstelling van de uitkering.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.5.3 toont de belangrijkste kerncijfers voor de IOW. Het volume IOW is 900 uitkeringsjaren lager uitgekomen dan geraamd. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt doordat het aandeel van de IOW-doelgroep dat daadwerkelijk een IOW-uitkering aanvraagt lager is uitgekomen dan verwacht.

Tabel 4.5.3 Kerncijfers IOW1
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Begroting

2016

Verschil

2016

Volume IOW (x 1.000 uitkeringsjaren)

1,8

2,5

3,6

4,5

– 0,9

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

A2. Cessantiawet (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt de overheid deze verplichting over.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten Cessantiawet Caribisch Nederland zijn € 0,1 miljoen lager uitgekomen dan begroot. Bij de uitgaven aan deze regeling kunnen tussen de jaren, evenals tussen begroting en realisatie, verschillen zitten, afhankelijk van het aantal bedrijven dat failliet is gegaan en het aantal betrokken werknemers. Specifieke kenmerken van de betrokken werknemers, zoals gemiddeld dienstverband en gemiddeld loon, kunnen daarnaast fluctueren.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het volume van de Cessantiawet is beperkt. Tussen de jaren en ten opzichte van de begroting doen zich geen grote verschillen voor in absolute aantallen. Wel kunnen verschillen optreden die al snel een relatief grote invloed hebben op de hoogte van de uitkeringslasten.

Tabel 4.5.4 Kerncijfers Cessantiawet (Caribisch Nederland)1
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Begroting

2016

Verschil

2016

Volume Cessantiawet (x 1.000 uitkeringen)

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

X Noot
1

SZW-unit RCN.

A3. Werkloosheidswet (WW)

De WW verzekert werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. Het verlies aan inkomen kan voor een bepaalde periode gedeeltelijk opgevangen worden met een uitkering. De WW-uitkering duurt minimaal 3 maanden. De maximale duur wordt vanaf 2016 stapsgewijs – één maand per kwartaal – teruggebracht van 38 maanden naar 24 maanden. Bovendien wordt de opbouw van WW-rechten vanaf 2016 aangepast. De maximale duur is daarbij afhankelijk van het aantal jaren dat iemand heeft gewerkt voordat hij werkloos werd. Per jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer de eerste tien jaar één maand recht op een WW-uitkering op. Vanaf tien jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer vanaf 2016 met elk extra gewerkt jaar een halve maand recht op WW-uitkering op. De WW wordt uitgevoerd door het UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten WW komen € 795 miljoen lager uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 135 miljoen, in tabel 4.5.2 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 930 miljoen lager dan begroot. De belangrijkste oorzaak is dat de werkloosheid in 2016 door de gunstige economische ontwikkeling sterker is gedaald dan verwacht.

Ondanks de lagere uitkeringslasten is het volume per saldo slechts 1.000 uitkeringsjaren (€ 11 miljoen) lager uitgevallen dan geraamd bij de opstelling van de begroting. Dit komt met name door wijzigingen in de WW als gevolg van de Wwz, waardoor de effecten ten opzichte van de begroting 2016 vooral neerslaan in de prijs en niet in het volume.

Enerzijds heeft de lagere werkloosheid een neerwaarts effect op het WW-volume. Anderzijds wordt het volume opgedreven doordat de urenverrekening onder de Wwz is vervangen door inkomensverrekening. Sinds het opstellen van de begroting 2016 is gebleken dat werken naast de uitkering onder inkomensverrekening niet langer een verlagend effect heeft op het volume, maar in de prijs wordt verdisconteerd. Daarnaast geldt onder de Wwz dat de WW-gerechtigde bij werkhervatting tegen een lager loon een aanvulling vanuit de WW ontvangt. Doordat het in beide gevallen gaat om relatief beperkte WW-uitkeringen leidt dit ertoe dat de gemiddelde jaaruitkering fors lager uitvalt dan bij de begroting werd geraamd. Dat heeft tot een daling van de uitkeringslasten van € 763 miljoen geleid. Het restant van het verschil wordt hoofdzakelijk veroorzaakt doordat de faillisementsuitkeringen € 25 miljoen hoger zijn uitgevallen dan begroot terwijl de vorst-WW, de boeteopbrengsten en het saldo WW-uitkeringen van en naar het buitenland respectievelijk € 16 miljoen, € 10 miljoen en € 14 miljoen lager zijn uitgevallen dan begroot.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.5.5 toont de belangrijkste kerncijfers voor de WW. Het WW-volume wordt weergegeven in uitkeringsjaren. Dit is het gemiddeld aantal WW-uitkeringen dat per jaar daadwerkelijk tot uitbetaling komt. Voor een toelichting op het WW-volume wordt verwezen naar de budgettaire ontwikkelingen.

Het aantal nieuwe WW-uitkeringen is als gevolg van de lager dan verwachte werkloosheid 86.000 lager uitgekomen dan verwacht. Ook het aantal beëindigde uitkeringen is lager uitgekomen dan geraamd (72.000). Dit komt deels doordat de instroom lager is uitgekomen dan geraamd. Een groot deel van de nieuwe uitkeringen wordt immers in hetzelfde jaar weer beëindigd. Daarnaast heeft de nieuwe WW-systematiek op basis van inkomensverrekening een structureel verhogend, administratief effect op het aantal lopende WW-uitkeringen. Het recht op uitkering wordt pas administratief beëindigd nadat gebleken is dat de opgegeven inkomsten overeenkomen met de inkomstenopgave van de werkgever in de polisadministratie (Tweede Kamer, 2015–2016, 26 448, nr. 557). Hierdoor komt de uitstroom lager uit dan verwacht en komt het ultimo WW-bestand 15.000 hoger uit dan verwacht.

Tabel 4.5.5 Kerncijfers WW1
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Begroting

2016

Verschil

2016

Volume WW (x 1.000 uitkeringsjaren)

364

339

333

334

– 1

Aantal lopende WW-uitkeringen (x 1.000, ultimo)

441

446

412

397

15

Aantal nieuwe WW-uitkeringen (x 1.000)

605

584

491

577

– 86

Aantal beëindigde WW-uitkeringen (x 1.000)

602

579

525

597

– 72

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

Handhaving

De kerncijfers preventie laten een stabiel en onveranderd hoog beeld zien. Door de inkomensverrekening van de Wwz, sinds 1 juli 2015, daalt het aantal geconstateerde overtredingen en het totale benadelingsbedrag. De incassoratio’s laten een redelijk stabiel beeld zien.

Tabel 4.5.6 Kerncijfers WW (fraude en handhaving)
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Preventie 1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

84

84

81

Kennis van de verplichtingen (%)

94

97

96

       

Opsporing 2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

43

28

13

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

63

40

22

       

Terugvordering 3

     

Incassoratio 2014 (%)

23

49

60

Incassoratio 2015 (%)

3

34

59

Incassoratio 2016 (%)

3

3

29

X Noot
1

IPSOS «Kennis der veprlichtingen en detectiekans 2016».

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Deze cijfers komen niet voor.

B. Subsidies

De uitgaven aan subsidies in 2016 liggen op het niveau dat bij de opstelling van de begroting werd verwacht.

Het kabinet heeft in 2013 middelen aan het UWV beschikbaar gesteld voor de aanpak van de werkloosheid onder ouderen: het actieplan 50 plus werkt. Het plan bevatte maatregelen als het organiseren van netwerkbijeenkomsten, individuele begeleiding en inspiratiedagen voor werkzoekenden en werkgevers. Onderdeel van het actieplan was een subsidieregeling waarmee ouderen via de werkgever of op eigen aanvraag een scholingsvoucher kunnen krijgen. Daarnaast kon aan intermediairs een plaatsingsfee worden toegekend wanneer zij een oudere werkzoekende duurzaam (minimaal 3, 6 of 12 maanden) aan een baan hielpen.

C. Opdrachten

In 2016 is het actieplan Perspectief voor vijftigplussers naar de Tweede Kamer gezonden. Het plan is onder meer gericht op het voorkomen van werkloosheid door werkende 50-plussers meer wendbaar te maken. Het actieplan wordt ondersteund door een campagne om de beeldvorming over 50-plussers te verbeteren. Oud-voetbalinternational John de Wolf is in april 2016 ingesteld als boegbeeld van deze campagne. Aan de campagne is in 2016 € 0,4 miljoen besteed. Daarnaast is van het Ministerie van OCW een bijdrage van € 0,1 miljoen ontvangen in de kosten van de cultuurcampagne Arbeid en Zorg.

D. Ontvangsten

De overheid is eigenrisicodrager voor de WW. Het UWV verhaalt de uitkeringslasten op overheidswerkgevers. Deze lasten staan als ontvangsten op dit artikel van de begroting. De realisatie van de ontvangsten is € 7 miljoen lager uitgekomen dan begroot (zie tabel 4.5.2). In de vergelijking tussen begroting en realisatie is rekening gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling van € 8 miljoen.

6. Ziekte en zwangerschap

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van ziekte en stimuleert hen het werk te hervatten. De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van zwangerschap.

De overheid vindt dat mensen die ziek worden en waarbij de loonbetalingsverplichting bij ziekte voor de werkgever niet van toepassing is, ook verzekerd moeten zijn van een tijdelijk loonvervangend inkomen. Zij kunnen het verlies aan inkomen daarom voor een periode van twee jaar, gelijk aan de periode van de loonbetalingsverplichting, opvangen met een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Door middel van verzuimbegeleiding en re-integratie stimuleert de overheid deze werknemers om zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan.

Ook tijdens de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof voorziet de overheid in een tijdelijk loonvervangend inkomen. Op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) komen zwangere werkneemsters en zelfstandigen in aanmerking voor een uitkering.

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose door blootstelling aan asbest, kunnen van de overheid een tegemoetkoming of een voorschot op een schadevergoeding ontvangen op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS).

Werknemers in Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering op grond van de Ziekteverzekering (ZV).

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV en de SVB;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Beleidsconclusies

De voorgenomen beleidswijzigingen 2016 zijn uitgevoerd zoals aangekondigd in de begroting 2016.

In 2016 is het tweede deel van de evaluatie Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid ZW-gerechtigden (Wet BeZaVa), ofwel de modernisering van de ziektewet aan de Tweede Kamer aangeboden (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 368, nr. 1). Uit de monitor van het UWV en het onderzoek uitgevoerd door SEO volgt dat de genomen maatregelen veelal het beoogde effect hebben. Het gaat hier om een hogere uitstroom uit de ZW door de ingevoerde premiedifferentiatie voor uitzendkrachten. Daarnaast leidt ook de eerstejaars ZW-beoordeling tot een hogere uistroomkans uit de ZW na die beoordeling. Dit zorgt voor een lagere instroom in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

In 2016 is in het kader van het Arbeidsmarktpakket de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang op het terrein van loondoorbetaling bij ziekte (Tweede Kamer, 2016–2017, 29 544, nr. 765). Er zijn drie maatregelen aangekondigd om knelpunten die werkgevers ervaren rondom de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte weg te nemen. De invulling van de maatregelen omtrent re-integratie tweede spoor en een vervroegde IVA-aanvraag worden momenteel verder uitgewerkt. Daarnaast is een convenant verzuimverzekeringen gesloten met het Verbond van Verzekeraars om tegemoet te komen aan de behoeftes van werkgevers aan een voorspelbare en zo veel mogelijke stabiele premie.

Per 1 april 2016 is het amendement van de Wet Modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden (Stb. 2015, nr. 518) in werking getreden dat voorziet in een verlenging van het zwangerschapsverlof voor vrouwen die een meerling verwachten. Op 27 januari 2017 heeft de Minister van SZW de Tweede Kamer een nota van wijziging bij het Wetsvoorstel uitbreiding kraamverlof aangeboden (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 617, nr. 7). Deze nota van wijziging voorziet in aanpassing van het meerlingenverlof, opdat de pas bevallen moeder ook bij vroeggeboorte tenminste 20 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof kan genieten.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.6.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 6 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Begroting 2016

Verschil

2016

Verplichtingen

6.171

6.430

7.581

6.246

7.416

– 1.170

Uitgaven

5.458

6.171

6.430

7.581

6.246

7.416

– 1.170

               

Inkomensoverdrachten

5.458

6.171

6.430

7.581

6.246

7.416

– 1.170

TAS

3.773

3.700

3.900

4.368

3.830

4.273

– 443

Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)

1.685

2.471

2.530

3.213

2.416

3.143

– 727

               

Ontvangsten

0

301

836

0

429

0

429

Tabel 4.6.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 6 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Begroting 2016

Verschil

2016

Uitgaven

2.704.398

2.701.333

2.687.920

2.575.582

2.625.808

2.648.220

– 22.412

               

Inkomensoverdrachten

2.704.398

2.701.333

2.687.920

2.575.582

2.625.808

2.595.413

30.395

ZW

1.594.000

1.612.562

1.525.377

1.483.923

1.498.216

1.457.390

40.826

ZW eigen-risicodragers

54.307

0

0

0

0

WAZO

1.110.398

1.088.771

1.108.236

1.091.659

1.127.592

1.138.023

– 10.431

               

Nominaal

0

0

0

0

0

52.807

– 52.807

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

A1. Tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS)

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose als gevolg van blootstelling aan asbest kunnen een tegemoetkoming ontvangen op grond van de TAS. Indien zij de ziekte maligne mesothelioom of asbestose hebben gekregen door te werken met asbest (in dienst van een werkgever) of maligne mesothelioom hebben opgelopen via werkkleding van een huisgenoot, dan is de (voormalige) werkgever hiervoor aansprakelijk en kunnen zij een schadevergoeding bij de werkgever eisen. Dit kan echter lang duren. Tegelijkertijd is de levensverwachting van mensen met de ziekte maligne mesothelioom vaak erg kort. De TAS heeft tot doel asbestslachtoffers bij leven maatschappelijke erkenning te bieden in de vorm van een tegemoetkoming. Deze wordt vaak uitgekeerd in de vorm van een voorschot. Als de (voormalige) werkgever later alsnog een schadevergoeding betaalt wordt de tegemoetkoming hiermee verrekend. De TAS wordt uitgevoerd door de SVB.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten TAS komen € 0,4 miljoen lager uit dan begroot. De uitkeringslasten zijn lager omdat de volumes zijn afgenomen ten opzichte van 2015. Het aandeel aanvragen vanuit mensen met asbestose heeft in 2015 een piek bereikt en daalt in 2016.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal toekenningen in de TAS komt op grote lijnen overeen met wat er begroot is. Ook de terugontvangen voorschotten zijn in lijn met de begroting.

Tabel 4.6.3 Kerncijfers TAS1
   

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Begroting

2016

Verschil

2016

Aantal toekenningen voorschot TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,4

0,4

0,4

0,4

0

 

waarvan toekenning i.v.m. maligne mesothelioom

0,3

0,3

0,4

0,4

0

 

waarvan toekenning i.v.m. asbestose

<0,1

0,1

<0,1

<0,1

<0,1

             

Aantal terugontvangen voorschotten TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,1

0,2

0,2

0,2

0

Aantal toekenningen maligne mesothelioom bij leven ten opzichte van totaal aantal toekenningen (%)

85

86

85

2

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

X Noot
2

Dit cijfer wordt niet geraamd.

A2. Ziekteverzekering (ZV) (Caribisch Nederland)

Werknemers op Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering (ziekengeld) op grond van de ZV. De uitkering is gerelateerd aan het loon van de werknemer. De SZW-unit bij de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN) is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze regeling in Caribisch Nederland.

Budgettaire ontwikkelingen

De realisatie van de uitkeringslasten Ziekteverzekering Caribisch Nederland is € 0,7 miljoen lager dan begroot. Bij de utigaven aan deze regeling kunnen tussen de jaren, evenals tussen begroting en realisatie, verschillen zitten, afhankelijk van het aantal betrokken werknemers en fluctuaties in hun specifieke kenmerken, zoals het laatst verdiende loon.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.6.4 Kerncijfers Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)1
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Begroting

2016

Verschil

2016

Volume Ziekteverzekering (x 1.000 uitbetaalde ziektedagen)

2

65

56

3

X Noot
1

SZW-unit RCN.

X Noot
2

Dit cijfer is niet bekend.

X Noot
3

Dit aantal wordt vanaf begroting 2018 geraamd.

A3. Ziektewet (ZW)

De ZW geeft zieke werknemers het recht op een uitkering als zij geen werkgever meer hebben die in geval van ziekte loon moet doorbetalen. De ZW bevat minimumnormen voor re-integratie. De ZW geldt ook voor een beperkte groep werknemers die wel in dienst zijn van een werkgever, namelijk werknemers die tijdelijk ongeschikt zijn voor het verrichten van hun werk (wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap en orgaandonatie) en werknemers met een zogenaamde no-riskpolis. De werkgever mag de ZW-uitkering dan verrekenen met het loon dat hij moet doorbetalen. De ZW wordt uitgevoerd door het UWV of door werkgevers zelf wanneer zij ervoor gekozen hebben om eigenrisicodrager te zijn voor de ZW-uitkeringslasten.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten ZW komen € 41 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 30 miljoen, in tabel 4.6.2 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 11 miljoen hoger dan begroot. In 2016 hebben meer werkgevers gekozen voor de publieke ZW-verzekering in plaats van het eigenrisicodragerschap. Indien er rekening wordt gehouden met de verschuiving van private naar publieke financiering is de realisatie per saldo € 15 miljoen lager dan begroot. Enerzijds valt de gemiddelde jaaruitkering ca. € 60 miljoen lager uit dan verwacht. Dit is met name vanwege meer eindedienstverbanders, die gemiddeld gezien een lagere uitkering ontvangen. Daar tegenover staat dat het ZW-volume ca. € 45 miljoen hoger is uitgekomen dan verwacht, dit wordt voornamelijk veroorzaakt doordat het aantal zieke werklozen hoger is dan verwacht.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het gemiddelde ZW-volume is ca. 6.000 uitkeringen hoger uitgekomen dan verwacht. Dat verschil wordt gedeeltelijk verklaard doordat meer werkgevers gekozen hebben voor de publieke ZW-verzekering in plaats van het eigenrisicodragerschap. Dit leidt tot een hoger ZW-volume bij met name de eindedienstverbanders. Daarnaast valt het aantal zieke werklozen hoger uit dan verwacht.

Tabel 4.6.5 Kerncijfers ZW1
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Begroting

2016

Verschil

2016

Volume ZW (x 1.000 uitkeringen, gemiddelde)

92

88

91

85

6

Instroom ZW (x 1.000 uitkeringen)

203

204

222

2

Uitstroom ZW (x 1.000 uitkeringen)

270

277

284

2

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Dit cijfer wordt niet geraamd.

Handhaving

De kerncijfers preventie laten een stabiel beeld zien. Hoewel de kerncijfers over opsporing iets fluctueren is het totaal beeld stabiel. De incassoratio’s over 2015 en 2016 laten in het eerste jaar van innning een beter resultaat zien, dan de incassoratio over 2014.

Tabel 4.6.6 Kerncijfers ZW (fraude en handhaving)
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Preventie 1

     

Gepercipieerde detectiekans (%)

79

81

76

Kennis van de verplichtingen (%)

94

94

93

       

Opsporing 2

     

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

1,2

0,7

0,9

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

3,5

2,3

3,0

       

Terugvordering 3

     

Incassoratio 2014 (%)

11

38

49

Incassoratio 2015 (%)

3

26

44

Incassoratio 2016 (%)

3

3

25

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2016».

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Deze cijfers komen niet voor.

A4. Wet arbeid en zorg (WAZO)

De WAZO bundelt een aantal wettelijke verlofvormen, zoals het zwangerschaps- en bevallingsverlof, kraamverlof, adoptie- en pleegzorgverlof, ouderschapsverlof en kort- en langdurend zorgverlof. Soms bestaat er recht op (gedeeltelijke) loondoorbetaling of op een uitkering (zwangerschaps- en bevallingsuitkering en adoptie- en pleegzorguitkering). Deze uitkeringen op grond van de WAZO worden uitgevoerd door het UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten WAZO komen ruim € 10 miljoen lager uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 23 miljoen, in tabel 4.6.2 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 33 miljoen lager dan begroot. Dit verschil is voor ongeveer € 25 miljoen te verklaren uit een lager aantal uitkeringen dan waar in de begroting rekening mee is gehouden, onder meer vanwege een lager geboortecijfer. Circa € 8 miljoen is te verklaren uit een lager uitgevallen gemiddelde uitkering.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal toekenningen op grond van zwangerschaps- en bevallingsverlof is 3.000 uitkeringen achtergebleven bij de raming, onder meer vanwege een lager uitgevallen geboortecijfer.

Tabel 4.6.7 Kerncijfers WAZO1
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Begroting

2016

Verschil

2016

Totaal aantal toekenningen zwangerschap- en bevallingsverlofuitkering (x 1.000 uitkeringen)

140

137

140

143

– 3

Aantal toekenningen werknemers (x 1.000 uitkeringen)

130

128

129

133

– 4

Aantal toekenningen zelfstandigen (x 1.000 uitkeringen)

9,8

9,8

10,5

9,7

0,8

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

7. Kinderopvang

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid biedt financiële ondersteuning aan werkende ouders voor kinderopvang en bevordert de kwaliteit van kinderopvang.

De overheid hecht aan goede en financieel toegankelijke kinderopvang, zodat ouders arbeid en zorg kunnen combineren en kinderen goed toegerust zijn op het primair onderwijs. Voor de bevordering van de arbeidsparticipatie is het belangrijk dat ouders van jonge kinderen actief blijven op de arbeidsmarkt. Bovendien zorgt goede kinderopvang er ook voor dat kinderen worden gestimuleerd in hun ontwikkeling.

Om de kwaliteit van kinderopvang te bevorderen heeft de overheid in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko) vastgesteld aan welke eisen de kinderopvangvoorzieningen moeten voldoen. De GGD houdt hier toezicht op. Daarnaast steunt de Minister via subsidies projecten ter verbetering van de kwaliteit van kinderopvang. Dit om ervoor te zorgen dat ouders hun kind naar een kinderopvangvoorziening kunnen sturen die van goede kwaliteit is. De kinderopvangondernemers zijn verantwoordelijk voor het goed functioneren van de kinderopvang. Gastouderbureaus en gastouders zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van gastouderopvang. Ouders hebben een eigen verantwoordelijkheid bij de keuze voor een kinderopvangvoorziening en kunnen hun invloed onder andere via de oudercommissies uitoefenen.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel, financiert met de kinderopvangtoeslag (KOT) het gebruik van kinderopvang en stimuleert met subsidies de bevordering van de kwaliteit van kinderopvang. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • Het vaststellen van de hoogte van de kinderopvangtoeslag en de voorwaarden waaronder deze wordt toegekend;

  • Het ter beschikking stellen van middelen aan gemeenten via het Gemeentefonds ter financiering van toezicht en handhaving op de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk;

  • Het borgen van de kwaliteit van toezicht en handhaving;

  • Het bevorderen van de kwaliteit van de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de sturing en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering van de KOT door de Belastingdienst.

Beleidsconclusies

De beleidsvoornemens met betrekking tot de toeslagpercentages in de eerste en tweede kindtabel zijn gerealiseerd zoals in de begroting is vermeld. Deze intensivering heeft mogelijk bijgedragen aan een groter beroep op de kinderopvangtoeslag zoals uit de kerncijfers in tabel 4.7.2 blijkt.

In 2016 is verder gewerkt aan de voorbereiding van een nieuwe financieringssystematiek (Directe Financiering). Begin 2016 is besloten tot een heroriëntatie op het wetsvoorstel Directe Financiering kinderopvang en de Tweede Kamer is over de uitkomst hiervan in september 2016 geinformeerd (Tweede Kamer, 2015–2016, 30 322, nr 310). Het wetsvoorstel Directe Financiering kinderopvang is in november 2016 aanhangig gemaakt bij de Raad van State.

In het kader van «Innovatie en kwaliteit in de kinderopvang (IKK)» is met de veldpartijen een akkoord gesloten over verhoging van de kwaliteit in de kinderopvang. Het wetsvoorstel IKK, dat mede gebaseerd is op dit akkoord, is tegelijk met het wetsvoorstel harmonisatie peuterspeelzaalwerk en kinderopvang (dat verschillen in financiering van peuterspeelzaalwerk en kinderopvang opheft) in het najaar 2016 naar de Tweede Kamer verzonden (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 596, nr. 6) en inmiddels door deze Kamer aangenomen.

In 2016 is een bestuurlijk akkoord gesloten met gemeenten waarmee zij zich commiteren aan de ambitie om een financieel toegankelijk aanbod te realiseren voor alle peuters van niet-werkende ouders, zodat op termijn alle peuters naar een voorschoolse voorziening gaan. Het Rijk stelt voor de financiering hiervan structureel € 60 miljoen beschikbaar. Het bedrag voor 2016 (€ 10 miljoen) is verdeeld over de gemeenten.

In reactie op de uitkomsten van de evaluatie Gunning is de Tweede Kamer geïnformeerd over het voornemen om in te zetten op de bevordering van de kwaliteit van gastouderopvang (Tweede Kamer, 2016–2017, 31 322, nr. 318). De invulling daarvan zal met het veld worden bezien.

In het kader van Continue Screening fase 2 heeft een heroriëntatie plaatsgevonden op de invoering van het personenenregister. De beoogde invoering per 1 mei 2016 bleek niet haalbaar door problemen bij het inrichten van het beheer en de ICT-omgeving van het register. Hierover is in december 2016 een brief verzonden naar de Tweede Kamer (Tweede Kamer, 2016–2017, 31 322, nr. 318). De invoering is nu beoogd in het eerste kwartaal van 2018 (Tweede Kamer, 2016–2017, 31 322, nr. 325).

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.7.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 7 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Begroting 2016

Verschil

2016

Verplichtingen

2.327.501

2.192.340

2.118.056

2.410.340

2.365.471

44.869

Uitgaven

2.723.087

2.331.576

2.188.829

2.120.773

2.406.838

2.365.471

41.367

               

Inkomensoverdrachten

2.706.733

2.321.822

2.175.037

2.101.032

2.385.422

2.345.150

40.272

Kinderopvangtoeslag

2.706.733

2.321.822

2.175.037

2.101.032

2.385.422

2.345.150

40.272

               

Subsidies

8.492

1.864

4.150

5.560

4.879

7.512

– 2.633

               

Opdrachten

7.862

7.890

4.200

2.606

3.580

5.454

– 1.874

               

Bijdragen aan agentschappen

0

0

5.442

11.575

12.957

7.355

5.602

DUO

0

0

5.442

9.099

12.373

5.950

6.423

Justis

0

0

0

307

256

440

– 184

Centraal informatiepunt etc.

0

0

0

2.169

328

965

– 637

               

Ontvangsten

1.421.325

1.486.635

1.503.008

1.539.131

1.490.499

1.432.185

58.314

Ontvangsten algemeen

402.805

415.375

449.699

457.088

379.069

340.472

38.597

Werkgeversbijdrage kinderopvang

1.018.520

1.071.260

1.053.309

1.082.043

1.111.430

1.091.713

19.717

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

Kinderopvangtoeslag (KOT)

Ouders die betaalde arbeid verrichten en ouders die tot een doelgroep behoren zoals omschreven in de Wko, ontvangen een inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderopvang: de kinderopvangtoeslag. Hierbij geldt de voorwaarde dat zij hun kinderen naar een kinderopvanginstelling of gastouder brengen die voldoet aan de eisen van de Wko en derhalve geregistreerd is in het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (LRKP). De KOT wordt uitgevoerd door Belastingdienst/Toeslagen. DUO verzorgt de inschrijving in het register buitenlandse kinderopvang en de SVB is verantwoordelijk voor de uitbetaling van de aanvulling op de KOT in het buitenland.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven voor de kinderopvangtoeslag (KOT) zijn in 2016 € 40 miljoen hoger uitgekomen dan in de begroting 2016 was voorzien. De hogere uitgaven zijn met name het gevolg van hogere beschikkingen door een hoger aantal kinderen met kinderopvangtoeslag (5%) en hogere prijzen dan waar in begroting 2016 vanuit werd gegaan (mede doordat de begroting 2016 in prijspeil 2015 is). Daartegenover stond onder meer een lager aantal uren per kind (-3%) en lagere uitgaven als gevolg van een betere aansluiting tussen uitgaven en beschikkingen dan begroot.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal huishoudens en kinderen dat in 2016 gebruik gemaakt heeft van kinderopvangtoeslag is 5% hoger en het aantal uren per kind is 3% lager dan in begroting 2016 werd geraamd. Per saldo is sprake van een grotere toename in het gebruik van kinderopvangtoeslag dan verwacht. Dit effect is vermoedelijk ontstaan door zowel het effect van de conjuncturele verbetering als sterkere reacties van ouders (gedragseffecten) dan verwacht op de intensivering van de kinderopvangtoeslag in 2016. Onderliggend blijkt dat de buitenschoolse opvang sterker gegroeid (6%) is dan de dagopvang (3%) en dat de groei zich vooral voordoet bij verzamelinkomens tussen 130% wettelijk minimum loon (WML) en 1,5 x modaal. Het hogere gebruik van kinderopvang heeft mogelijk een positief effect op de arbeidsparticipatie gehad. Kerncijfers over de arbeidsparticipatie zijn opgenomen in tabel 3.2.1.2 in hoofdstuk 3 (beleidsprioriteiten).

Tabel 4.7.2 Kerncijfers gebruik kinderopvang (jaargemiddelden)1
 

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Begroting

20162

Verschil

2016

Aantal huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvangtoeslag (x 1.000)

406

420

451

428

23

           

Aantal kinderen met kinderopvangtoeslag (x 1.000)

         

0–12 jaar

620

639

682

653

29

waarvan 0–4 jaar

297

302

320

311

9

waarvan 4–12 jaar

323

337

362

342

20

           

Deelname kinderen met kinderopvangtoeslag (%)

         

0–12 jaar

28

29

31

30

1

0–4 jaar

42

43

46

44

2

4–12 jaar

21

22

24

23

1

           

Aantal uren per kind per maand

         

0–12 jaar

59,2

58,1

57,3