Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201731322 nr. 311

31 322 Kinderopvang

Nr. 311 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 oktober 2016

Met deze brief bied ik uw Kamer de Landelijke rapportage «Toezicht en handhaving kinderopvang» van de Inspectie van het Onderwijs (IvhO) aan1. Het rapport beschrijft hoe gemeenten het toezicht op, en de handhaving van de Wet kinderopvang in 2015 hebben uitgevoerd.

Uit het rapport blijkt dat gemeenten en GGD’en hun wettelijke taak steeds beter uitvoeren: in 2015 is 97% van alle locaties onderzocht (tegen 96% in 2014). De IvhO constateert een daling (van ongeveer 20% t.o.v. 2014) in het aantal jaarlijkse onderzoeken waar overtredingen worden vastgesteld en, hiermee samenhangend, een daling in het aantal handhavingsadviezen. Het aantal locaties waar, over langere periode, geen tekortkomingen worden geconstateerd neemt toe. Dit is een mooi beeld.

Om inzicht te krijgen in het effect van de verschillende handhavingsinstrumenten op de naleving, heeft de IvhO ook een nadere analyse uitgevoerd binnen een groep van ongeveer 100 gemeenten. Binnen deze groep voldeed een derde van de kinderopvangvoorzieningen en gastouderbureaus de afgelopen drie jaar geheel aan de wettelijke eisen. Er was echter ook een groep (ongeveer 20%) die hier niet aan voldeed en waarvan een deel ook geen verbeteringen laat zien. Ik ga met de IvhO, GGD GHOR NL en de VNG in gesprek over hoe beter zicht kan worden verkregen op de groep locaties die meerdere jaren achtereen slecht presteert, wat hiervan de oorzaak is en op welke wijze de naleving bij deze locaties verbeterd kan worden.

Naast de landelijke rapportage van de IvhO bied ik uw Kamer tevens het onderzoek «Niet handhaven, verklaarbaar?» van de IvhO aan. Het Landelijk rapport over 2014 liet zien dat gemeenten veelvuldig gebruik maken van de mogelijkheid om beargumenteerd geen handhaving in te zetten na een handhavingsadvies van de GGD. Op mijn verzoek is dit in 2015 nader onderzocht.

Het onderzoek «Niet handhaven, verklaarbaar?» geeft inzicht in de situaties waarin «beredeneerd niet handhaven» wordt toegepast en de onderbouwingen die daarvoor worden gebruikt. Uit het onderzoek blijkt dat gemeenten «beredeneerd niet handhaven» op allerlei verschillende manieren opvatten en toepassen. Zo zijn er gemeenten die wel degelijk actie ondernemen, maar «overleg en overreding» of een «schriftelijke waarschuwing» niet als handhaving beschouwen (en ook niet als zodanig registreren). Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat de beslissing van gemeenten om niet te handhaven veelal een bewuste keuze is waaraan vaak afstemming met de betrokken GGD ten grondslag ligt.

In navolging van dit onderzoek is de indicator «beredeneerd niet handhaven» aan het gemeentelijk jaarverslag toegevoegd2. Ook heeft de IvhO presentaties in regio-overleggen van gemeentambtenaren en ggd-toezichthouders gegeven. Ik vertrouw erop dat hiermee de betrouwbaarheid van de vastleggingen en de onderbouwing van de inzet van dit instrument sterk zal verbeteren.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.