Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 september 2013
Onlangs is het wetsvoorstel Hervorming kindregelingen bij uw Kamer ingediend (Kamerstuk
33 716). Deze brief gaat in op enkele onderwerpen die met dit wetsvoorstel samenhangen.
Dit betreft het verzoek van de heer Heerma tijdens het AO inkomensachteruitgang van
gezinnen met kinderen op 3 april jl. (Kamerstuk 33 400 XV, nr. 103) om een onderzoek uit te voeren naar de vraag hoe de ondersteuning van gezinnen met
kinderen in Nederland zich verhoudt tot omringende landen. Dit onderzoek treft u hierbij
aan. Daarnaast doe ik u hierbij de Beleidsdoorlichting Tegemoetkoming Ouders toekomen,
waarin wordt ingegaan op de doeltreffendheid van de huidige individuele regelingen1.
Deze informatie wordt ook aan de Eerste Kamer aangeboden.
Internationale vergelijking kindregelingen
De regering heeft bij het AO inkomensachteruitgang van gezinnen met kinderen op 3 april
jl. en bij de Eerste Kamer behandeling van het wetsvoorstel Niet-indexeren van de
kinderbijslag per juli 2013 (Kamerstuk 33 525), toegezegd deze te informeren over de ondersteuning van gezinnen met kinderen in
Nederland in vergelijking met omringende landen. Bijgevoegd treft u een uitgebreide
internationale vergelijking van kindregelingen2. Dit onderzoek betreft het huidige stelsel van kindregelingen. De toelichting bij
het wetsvoorstel Hervorming kindregelingen gaat op het nieuwe stelsel in.
De internationale vergelijking van kindregelingen geeft een beschrijving van het huidige
Nederlandse stelsel van kindregelingen in relatie tot omringende landen. Een nadere
analyse van de beschikbare gegevens wat betreft totale publieke uitgaven ter ondersteuning
van gezinnen met kinderen, laat zien dat een internationale vergelijking op dit vlak
niet goed te maken is. Dit omdat sommige cruciale gegevens ontbreken om een complete
vergelijking te kunnen maken.
Daarom geeft de internationale vergelijking een overzicht van de uitkomsten van beleid,
waar wel goed vergelijkbare data voor beschikbaar zijn. Hieruit blijkt dat Nederland
bovengemiddeld presteert op terreinen als kindwelzijn, armoede onder kinderen, arbeidsparticipatie,
en arbeidsproductiviteit bij mannen en vrouwen (met en zonder kinderen).
Beleidsdoorlichting Tegemoetkoming Ouders
De Beleidsdoorlichting Tegemoetkoming Ouders betreft een onderzoek omvattende de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW), de Wet op het kindgebonden budget (WKB) en de Regeling tegemoetkoming
ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen (TOG). Deze beleidsdoorlichting staat
aangekondigd in de in de SZW-begroting opgenomen Meerjarenplanning Beleidsdoorlichtingen.
Onderdeel van de doorlichting is de evaluatie van de kwalificatieplicht voor 16- en
17-jarigen in de AKW.
De uitkomsten van de Beleidsdoorlichting zijn overwegend positief. De wetten die de
algemene inkomensondersteuning voor ouders regelen, de AKW en de WKB, komen in de
doorlichting op hun primaire doelstelling (het geven van een tegemoetkoming in de
kosten van kinderen) als doeltreffend uit de bus. Een tweede bevinding is dat de WKB
doelmatiger (want selectiever) is dan de AKW wat betreft de secundaire doelstelling:
het vergroten van de ontplooiingskansen van kinderen.
De beleidsdoorlichting is beoordeeld door een onafhankelijke, deskundige prof. dr.
R. J. van der Veen. Zijn oordeel is dat de analyse van de effecten van de regelingen
voldoende is onderbouwd en dat de conclusies consistent en – voor zover de data dat
toelaten – volledig zijn.
Het kabinet stemt in met de hoofdconclusies van de beleidsdoorlichting en is van oordeel
dat de uitkomsten het wetsvoorstel Hervorming kindregelingen op verschillende punten
ondersteunen.
Ten aanzien van de evaluatie van de kwalificatieplicht voor 16- en 17-jarigen in de
AKW kiest het kabinet ervoor deze te behouden. Deze keuze is ingegeven door de, door
een meerderheid van leerplichtambtenaren benadrukte, preventieve werking (stopzetting
kinderbijslag als dreigmiddel) van het instrument, en door de wens van het kabinet
om jongeren met alle kracht te stimuleren hun schooldiploma te behalen. Wel wil het
kabinet met de sector in overleg treden om na te gaan hoe het instrument beter kan
worden benut.
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L.F. Asscher