Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-2004nr. 89, pagina 5721-5723

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 23 juni 2004 over onderzoek fraude bouwbedrijven.

Mevrouw Van Vroonhoven-Kok (CDA):

Voorzitter. Vorige week woensdag hadden wij een algemeen overleg met de staatssecretaris van Financiën en de minister van Economische Zaken over de vraag hoe je frauderende bouwbedrijven die weigeren om informatie te overleggen aan de hand waarvan de belastingaanslag kan worden opgelegd, alsnog daartoe kunt bewegen. De staatssecretaris van Financiën heeft een wetsvoorstel in voorbereiding om het opleggen van een dwangsom door de Belastingdienst in bepaalde gevallen mogelijk te maken. Aanvankelijk was hij van plan dit wetsvoorstel in het voorjaar van 2005 naar de Kamer te sturen, maar dat zou betekenen dat een en ander pas op zijn vroegst in het najaar van 2005 operabel zou zijn. Op ons aandringen – wij hebben erop gewezen dat de staatssecretaris het probleem voortvarend wil aanpakken – komt de staatssecretaris al meteen na de zomer met het wetsvoorstel, waarvoor dank.

Het belangrijkste van het debat was echter de constatering dat de NMa op grond van haar geheimhoudingsplicht geen gegevens mag doorspelen aan de Belastingdienst. Dit kunnen wij niet uitleggen aan de normale belastingbetaler. Frauderende bouwbedrijven kunnen op grond van de Mededingingswet zo onder hun belastingplicht uitkomen. Dit steekt te meer nu de uitwisseling van gegevens tussen bijvoorbeeld het SUWI en de Belastingdienst en tussen de Belastingsdienst en het openbaar ministerie wel veelvuldig voorkomt. De minister legde uit dat hij huiverig is om de bepaling over de geheimhoudingsplicht uit de Mededingingswet te schrap. Hij is namelijk bang dat bedrijven zich dan niet meer vrijwillig bij de NMa zullen melden. Daarom dien ik op dit punt een motie in die, zoals het ernaar uitziet, kamerbreed zal worden ondersteund.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat alles in het werk moet worden gesteld om weigerachtige bedrijven ertoe te bewegen informatie aan de fiscus te overleggen op grond waarvan de belastingaanslag kan worden opgelegd;

overwegende dat de handhaving van de Mededingingswet en de effectiviteit van de NMa van eminent belang zijn;

overwegende dat de Mededingingswet beperkingen oplegt aan gegevensuitwisseling tussen de NMa en de Belastingdienst;

overwegende dat overheidsdiensten elkaar moeten bijstaan bij de uitoefening van hun publieke taken en daarbij eenduidigheid moeten uitstralen;

verzoekt de regering om een analyse van de werking en de onderlinge verhouding van de Mededingingswet en de Algemene wet rijksbelastingen hierover;

verzoekt voorts, zonder afbreuk te doen en ratio van de Mededingingswet, indien nodig, de wet zodanig aan te passen Van Vroonhoven-Kokdat gegevensuitwisseling tussen beide instanties vergemakkelijkt wordt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is ingediend door de leden Van Vroonhoven-Kok, Heemskerk, Bakker, Dezentjé Hamming, Van As, Vos, Van der Vlies, Slob, Lazrak en De Wit.

Zij krijgt nr. 75(28244).

Mevrouw Van Vroonhoven-Kok (CDA):

Tegen de bewindspersonen zeg ik: gelet op de ondertekening van de motie, meen ik dat zij een krachtig signaal is.

De voorzitter:

Wat zij inderdaad is.

Minister Brinkhorst:

Voorzitter. Ik heb de gelegenheid gehad om deze motie snel in te zien tijdens de minuten die mevrouw Van Vroonhoven had om haar voor te lezen. Deze discussie is een vervolg op het AO van vorige week over de bouwfraude. Toen spraken wij met name over de omstandigheden waaronder de NMa gegevens kan verstrekken aan andere overheidsinstanties en in het bijzonder aan de Belastingdienst. Een paar maanden geleden is met de minister van Justitie gediscussieerd over een vergelijkbare problematiek rond het openbaar ministerie. Mijn mantra in deze Kamer is bekend: ik ben voorstander van een stevige, sterke overheid die ongehinderd door bureaucratische drempels optreedt. Daarom ben ik ook voorstander van het delen van relevante informatie tussen overheidsinstanties belast met toezicht, uiteraard voor zover mogelijk. Natuurlijk staat daarbij voorop de effectiviteit van de handhaving van de mededingingsregels, waarvoor uiteindelijk de NMa is opgericht.

Ik kom hierop graag terug in een brief. In die brief zal ik ingaan op de wettelijke regels inzake de gegevensuitwisseling tussen de NMa en de Belastingdienst en de wenselijkheid om die regels aan te passen. Ik zal daarbij ook kijken naar de mogelijkheden van een convenant tussen de NMa en de Belastingdienst. Uitdrukkelijk zal ik ingaan op de effectiviteit van de handhaving van de mededingingsregels en parallellen trekken naar andere relevante toezichthouders, bijvoorbeeld de AFM, waar een soortgelijke problematiek speelt.

In een aparte bijlage bij de brief zal ik aangeven hoe de omgang met de gegevens in deze gevallen in andere Europese landen is geregeld. Het gaat er uiteindelijk om dat wij ook de Europese context erbij betrekken. Ik heb de Kamer toegezegd dat ik haar de brief op 15 juli zal sturen.

Ik maak nog een enkele opmerking over de motie. Wij zijn het geheel eens over de inzet. Het is van groot belang dat overheidsdiensten elkaar bijstaan bij de uitoefening van de publieke taak en daarbij eenduidigheid uitstralen. Mevrouw Van Vroonhoven heeft al aangegeven dat het voor de burger helder moet zijn dat de instanties elkaar niet tegenwerken.

In het dictum staat terecht dat de wet indien nodig moet worden aangepast zonder afbreuk te doen aan doel en ratio van de Mededingingswet. De gegevensuitwisseling moet zo gemakkelijk mogelijk worden gemaakt. Ik zie de motie als een ondersteuning van het beleid van het kabinet. Ik zal er nader op ingaan in de brief van 15 juli.

De heer Heemskerk (PvdA):

Er is een convenant tussen het openbaar ministerie en de NMa. De wens van de Kamer is dat er een convenant komt tussen de Belastingdienst en de NMa. Een brief waarin staat dat onderzocht zal worden of een convenant gesloten kan worden, vind ik echt te weinig. Ik wens dat de minister toezegt dat zo'n convenant er gewoon komt. Wij maken een convenant ook omdat een aantal dingen ingewikkeld ligt.

Minister Brinkhorst:

Dat is juist, maar in de motie wordt gesproken van een eventuele aanpassing van de wet. Een convenant is een werkafspraak. Het convenant tussen de NMa en het openbaar ministerie is vooral gebaseerd op het Wetboek van Strafvordering. Een vergelijkbare passage met betrekking tot belastingwetten bestaat niet. Zoals gezegd, ik zie de motie als een ondersteuning van het beleid. Het gaat om het evenwicht tussen handhaving van de Mededingingswet, doel en ratio, en de noodzaak van een goede samenwerking.

De heer Heemskerk (PvdA):

Dat convenant is een werkafspraak, die gewoon nu gemaakt kan worden. Het kan onderdeel zijn van de brief, want daar hoeven wij de wet niet voor te wijzigen. In de brief volgt dan een analyse waaruit eventueel wetswijziging kan volgen. Dat is het tweede traject. Zal het convenant tussen de Belastingdienst en de NMa zo snel mogelijk worden opgesteld?

Minister Brinkhorst:

Ik ga in op de motie, waarin nadrukkelijk gevraagd wordt om een analyse en, indien nodig, wetswijziging. Uiteraard is daarbij verstaan de mogelijkheid om dat zo effectief mogelijk te doen. Dat gaat dan ook de discussie over het convenant aan. Wij gaan geen convenant sluiten voor zaken die niet gewenst zijn. Vandaar dat ik vooral op de motie inga.

De heer Heemskerk (PvdA):

De PvdA zal zeer teleurgesteld zijn als het convenant geen onderdeel uitmaakt van de brief. Wat wij nu kunnen doen, moeten wij doen.

Mijn tweede vraag heeft betrekking op de verhouding tussen de NMa en de overige toezichthouders die geheimhoudingsplichtig zijn. Begrijp ik goed dat dit er ook onderdeel van uit gaat maken en dat u terughoudend bent richting andere instanties die in openbaarheid werken? Naar ik heb begrepen, ligt er een verzoek van de VNG aan de NMa om bepaalde gegevens te verstrekken. Wij moeten natuurlijk niet de kant opgaan dat alles wat bij de NMa aan gegevens ligt, openbaar wordt.

Minister Brinkhorst:

De heer Heemskerk heeft op een onnavolgbare wijze de aard van de problematiek aangegeven.

Mevrouw Van Vroonhoven-Kok (CDA):

U denkt toch niet dat de Kamer twijfelt aan de wenselijkheid dat er iets moet gebeuren? De Kamer heeft wel degelijk uitgesproken dat er iets moet gebeuren. Naar het wat, gaat u een analyse uitvoeren en liefst zo snel mogelijk. Maar dat er iets moet gebeuren, staat wat ons betreft buiten kijf.

Minister Brinkhorst:

De wens dat er iets moet gebeuren, is een zodanige formulering dat er uiteraard niet niets onder valt.

Staatssecretaris Wijn:

Voorzitter. De heer Brinkhorst heeft in zijn bescheidenheid majesteitelijke eenvoud gebruikt wat betreft de brief. Het moge duidelijk zijn dat de Kamer die brief van ons beiden krijgt.

De onderhavige motie heeft zeker geen overbodig karakter, omdat uit dit kleine debatje al blijkt dat de druk van de Kamer zeker handig is in dit gehele dossier. Dat geldt met name de overweging in de motie dat bij de uitoefening van publieke taken, de overheidsdiensten eenduidigheid moeten uitstralen. Ik denk dat de Kamer daar een zeer belangrijk punt te pakken heeft. Zij krijgt onze gezamenlijke brief op zeer korte termijn. Dan kijken we wel in hoeverre de volledige verbreding daarin aan de orde kan zijn. De Kamer zet er duidelijk een tijdsklem op. Daar zullen wij ons natuurlijk aan houden. De wens van de Kamer inzake de gegevensuitwisseling tussen de NMa en de Belastingdienst is hier heel duidelijk naar voren gebracht. Als de wet ervoor moet worden gewijzigd, zullen wij dat doen conform deze wens. Als het louter op convenantsbasis juridisch mogelijk zou zijn, staat ons helemaal niets in de weg om het snel te doen. De motie beshouwen wij dan ook als een ondersteuning van het beleid.

De beraadslaging wordt gesloten.