Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-2004nr. 89, pagina 5718-5720

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 24 juni 2004 over de invoer van het Georganiseerde gemeenschappelijke landbouwbeleid (GLB) in Nederland.

De heer Waalkens (PvdA):

Voorzitter. Wij hebben vorige week gesproken over het vormgeven van de afspraken over de hervorming van het landbouwbeleid. Ook voor het Nederlandse beleid is het van belang dat wij helderheid krijgen over de vormgeving van die afspraken. Voor de PvdA-fractie is het een aangelegen punt dat wij helderheid krijgen over de volgende stappen die het kabinet gaat zetten. Op dat punt dien ik daarom de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het kader van de landbouwhervormingen ontkoppeling van directe inkomenssteun voor boeren zal moeten worden doorgevoerd;

overwegende dat een helder stappenplan noodzakelijk is om de effecten van inkomensherverdeling geleidelijk en eerlijk te laten verlopen;

overwegende dat steun op basis van historische referenties op termijn niet meer te rechtvaardigen is en binnen enkele jaren zal moeten worden losgelaten;

overwegende dat nationale voortzetting van bedrijfstoeslagen op basis van historische referenties tot enorme bureaucratische en financiële lasten voor de Nederlandse overheid en boer zal leiden;

overwegende dat onze buurlanden, die tevens onze belangrijkste handelspartners zijn, reeds op korte termijn overstappen op een dynamisch combinatiemodel van regionale hectaretoeslagen en bedrijfssteun op basis van duurzaamheidscriteria;

overwegende dat Nederland met een model op basis van historische rechten voor zichzelf een negatief en ongelijk speelveld met zijn concurrenten creëert;

verzoekt de regering, zo spoedig mogelijk een concreet stappenplan te formuleren waarin een dynamisch combinatiemodel van regionale hectaretoeslagen en bedrijfssteun op basis van duurzaamheidscriteria op korte termijn wordt geagendeerd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Waalkens. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 15(28625).

De heer Waalkens (PvdA):

Op een ander aangelegen punt voor onze fractie, maar ook voor die van GroenLinks en de SP, heb ik nog een volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er een groot prijsverschil bestaat tussen biologische en gangbare producten;

overwegende dat de consumptie van biologische producten gestimuleerd wordt door dit prijsverschil te verkleinen;

overwegende dat verkleining van dit prijsverschil mogelijk is door middel van maatregelen die de kostprijs van biologische producten verlagen;

verzoekt de regering, het invoeren van hectaretoeslagen voor biologische producenten op te nemen in het beleidskader Biologische landbouw,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Waalkens, Vos en Van Velzen. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 16(28625).

Minister Veerman:

Voorzitter. De eerste motie heeft betrekking op het dynamisch-hybride systeem. Ik ben het op zichzelf met de heer Waalkens eens dat door de ontkoppeling van de directe inkomenssteun, zoals nu wordt doorgevoerd, de basis van historische rechten op termijn ter discussie kan komen. Waarschijnlijk zal dit ook om allerlei redenen gebeuren. De strekking van de motie gaat mij echter te ver. Bovendien gaat de motie ervan uit dat de zekerheid al bestaat dat de bedrijfstoeslagen zullen verdwijnen op basis van historische referenties. Ik ben bezig met het inventariseren van de consequenties van een mogelijk ander systeem, waarbij een van de overwegingen bijvoorbeeld is, dat het bij het gaan naar een systeem zoals de heer Waalkens dat voor ogen staat, niet ondenkbaar is dat er grote verschuivingen in inkomensrechten tussen delen van Nederland zullen optreden, waarbij met name het noordoosten zou lijden en het zuidwesten zou winnen. Dat kan ongetwijfeld niet de bedoeling van de motie van de heer Waalkens zijn, gezien zijn achtergrond. Ik zou toch eerst die zaken goed in kaart willen brengen. Daar waar hij aandringt op duidelijkheid over de mogelijkheden en over de stappen die wij willen zetten, kan ik met de motie meegaan. In feite zijn wij dit aan het doen, dus in die zin is de motie overbodig. De stelligheid waarmee in de motie wordt gerept over het afschaffen van het systeem, gaat mij te ver. De heer Waalkens mag het wat mij betreft zeggen. Wij zijn bezig met het onderzoeken van die dingen die de heer Waalkens graag in de komende maanden op het netvlies wil hebben. Wij zullen daarover natuurlijk nader debatteren met de Kamer, in het najaar. De stelligheid van de motie op een aantal punten gaat mij te ver. Zo ver ben ik niet en ik denk niet dat er enige reden is om dit nu al vast te stellen. De heer Waalkens mag het wat mij betreft dus zeggen. Als hij zegt: In het najaar verschijnt er een nota over wat er de komende tijd wordt gedaan, en vervolgens gaan wij nader met elkaar debatteren over de vraag hoe dit systeem uitwerkt als wij het zouden veranderen, waarbij ook wordt gekeken naar wat andere landen doen en op welke wijze en om welke redenen wij dat in Nederland zouden kunnen implementeren, dan zeg ik: dat ondersteunt mijn beleid. Maar als de heer Waalkens zegt: neen, de motie is zoals die is, dan ontraad ik aanneming daarvan. De heer Waalkens mag het dus zeggen.

De heer Atsma (CDA):

Is de minister met ons van mening, dat, als wij die weg zouden opgaan en als de suggestie wordt neergelegd dat het binnen afzienbare tijd kan worden gerealiseerd, dit op zijn beurt ook weer enorm veel onzekerheid en onrust teweeg brengt? Bedrijven hebben veel geïnvesteerd op basis van een systeem dat al vele jaren wordt gehanteerd. Ik kan mij dus niet voorstellen dat de minister de mening van de heer Waalkens zou delen dat dit op korte termijn ook realistisch zou zijn.

Minister Veerman:

In het AO hebben wij daar zo over gesproken, dat de verwachting is dat op langere termijn het systeem van de historische gebonden bedrijfstoeslagen in discussie zal komen, en dat wij de tussenliggende tijd – wij voeren dit systeem pas in 2006 in – zullen gebruiken om te bezien wat de herverdelingseffecten, maar ook andere voor- en nadelen zijn van een zogenaamde "flat rate", die geleidelijk kan worden ingevoerd. Dat is het dynamisch-hybridische systeem. Ik ben dus nog niet zover. Ik kan het niet genoeg overzien. Ik wijs op enorme herverdelingsconsequenties. Ik ben het dus eens met de heer Waalkens dat wij dit moeten onderzoeken, maar ik ben het niet met hem eens als hij zegt: wij gaan het ook invoeren, want het is onvermijdelijk en dan gaan wij bovendien alvast in stappen beslissen.

De heer Waalkens (PvdA):

De motie is op dit punt wel helder. In de eerste overweging staat dat het niet aangaat om de effecten van de herverdeling niet geleidelijk en eerlijk te laten verlopen. In die zin denk ik dat wij redelijk in elkaars verlengde zitten met de redenering. Aan de andere kant is het zo dat de stelligheid in de motie ook voortvloeit uit de stelligheid in uw brief, waarin u schrijft dat het absoluut ondenkbaar zal zijn dat wij niet vanaf 2007 het systeem dat wij nu optuigen, op de schop nemen. Deze motie is een aansporing om helderheid te verschaffen over de stappen die worden gezet en over de stappen die het kabinet wil zetten om de herverdeling, die er toch zit aan te komen, te agenderen.

Minister Veerman:

Aansporingen heb ik niet nodig. Het is volstrekt duidelijk dat het denken over de wijze waarop wij met dit systeem van inkomenstoeslagen verder gaan, aan de orde is. In de motie staat dat historische referentie op termijn niet meer is te rechtvaardigen. Dat is een politiek oordeel en daar ben ik niet aan toe. Bovendien zal die rechtvaardiging binnen enkele jaren moeten worden losgelaten. Dat zijn dingen die mij te ver gaan. Inhoudelijk staan wij niet ver van elkaar af en aansporing heb ik niet nodig, mijnheer Waalkens. Ik heb u gezegd op welke wijze ik in de komende maanden van gedachten wil wisselen over de consequenties van dit systeem en de voortgang daarin.

De heer Waalkens (PvdA):

Wij beogen met deze motie een stappenplan te krijgen en helderheid over de agenda voor de komende periode. Wil de minister toezeggen ons deze helderheid te geven?

Minister Veerman:

Voorzitter. Ik Veermanheb net gezegd dat ik in het najaar een notitie naar de Kamer wil sturen en dat wij op basis daarvan een debat kunnen houden over de ins en outs van een eventueel ander systeem, de effecten daarvan en de invoeringsmogelijkheden. Op dit moment leg ik mij echter niet vast op de invoering van een dergelijk systeem of op de vorm. Als de heer Waalkens bij zijn motie blijft zoals deze nu luidt, dan ontraad ik de aanneming daarvan.

De tweede motie heeft betrekking op het prijsverschil. Ook voor deze motie ontbreekt de sympathie bij mij niet, maar wij moeten een paar dingen in ogenschouw nemen. In de eerste plaats is de biologische landbouw niet de enige vorm van landbouw die aanspraak kan maken op het predikaat duurzaam. De tweede zaak is procedureel van aard. Dit najaar zullen wij de ondersteuningsprogramma's biologische landbouw evalueren. Dat rapport komt beschikbaar in september. Dan hoort daar ook een nieuwe beleidsnota bij van mijn departement. De motie loopt daarop vooruit. Mijn derde punt is een principieel punt. De toeslagen die wij aan de biologische landbouw zouden geven, worden verdisconteerd in de grondprijs. Bij vervreemding van die grond is degene die de grond verwerft dat verschil kwijt, omdat het achterblijft in de productiefactor grond. Dat weten wij sinds Ricardo het ongeveer 170 jaar geleden heeft opgeschreven. Het is dus nog maar zeer de vraag of het een effectief instrument is. Om die reden ontraad ik de aanneming van deze motie.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik stel voor, over de ingediende moties donderdag aan het eind van de vergadering te stemmen.

Daartoe wordt besloten.