Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-2004nr. 89, pagina 5707-5708

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 16 juni 2004 over de begeleiding van blinde en slechtziende leerlingen.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Voorzitter. Twee weken geleden is er een algemeen overleg gehouden over de wijze waarop het beschikbare geld voor de ondersteuning van blinde en slechtziende kinderen wordt ingezet.

De fractie van D66 is van mening dat deze middelen niet mogen worden versnipperd over alle scholen en dus ook niet over die scholen die helemaal geen blinde of slechtziende kinderen opvangen. Vanuit het oogpunt van de vergroting van de autonomie van scholen en deregulering heb ik begrip voor het besluit van de minister, maar ik denk dat hier een hoger doel in het geding is, namelijk de besteding van deze middelen uitsluitend en alleen aan de opvang van die kinderen waarvoor dit geld is bedoeld. Het was mijn inzet in het algemeen overleg om dat te waarborgen. Het is ook de reden voor de motie die ik mede namens alle andere woordvoerders in dit debat aan de Kamer zal voorleggen.

Een andere reden om deze motie in te dienen is dat de Kamer geen behoefte heeft om de ongewenste situatie van het afgelopen jaar te evalueren. Het afgelopen jaar kende een eenmalige regeling die de Kamer en het veld niet wenselijk achten. Puur en alleen omdat wij het niet konden voorkomen, zijn wij met deze regeling akkoord gegaan. De minister heeft namelijk aangegeven dat de bekostigingsregel al in de uitleg heeft gestaan.

De laatste reden om deze motie in te dienen is het gegeven dat de Kamer niet wil dat er na dit jaar een ingewikkelde leerlinggebonden financiering wordt opgetuigd met alle bureaucratisch gevolgen van dien. Dat zou veel te ver gaan voor de besteding van dit luttele bedrag van 2,3 mln.

Als de minister met het oog op de vergroting van de autonomie en deregulering dit potje geld niet langer wil beheren, zou zijn kunnen kiezen voor de methodiek die in het basisonderwijs wordt gehanteerd. Daar wordt het geld direct via de expertisecentra voor blinden en slechtzienden ingezet, het zogenaamde cluster 1 voor blinden en slechtzienden. Dat is het enige cluster waarover noch ouders noch leerlingen klagen. Ik heb er dan ook alle vertrouwen in dat dit een goede werkwijze is. ik hoop dat de minister dit vertrouwen ook heeft.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het wenselijk is dat de financiële middelen (volgens de regeling Visueel gehandicapte leerlingen VWO) die beschikbaar zijn ten behoeve van de leerwegondersteuning voor blinde en slechtziende leerlingen in het regulier voortgezet onderwijs, ook in de toekomst gericht ingezet blijven worden voor de doelgroep blinde en slechtziende leerlingen;

van mening dat het derhalve niet wenselijk is om deze financiële middelen te versnipperen over alle scholen voor voortgezet onderwijs, ook die scholen die geen blinde of slechtziende leerlingen opvangen;

verzoekt de regering om zo spoedig mogelijk (maar in geen geval later dan 1 augustus 2005) deze middelen weer gericht en uitsluitend in te zetten Lambrechtsvoor blinde en slechtziende leerlingen, analoog aan de wijze waarop de ondersteuning van blinde en slechtziende leerlingen in het reguliere basisonderwijs is geregeld;

verzoekt de regering tevens om in het tussenliggende schooljaar er zorg voor te dragen dat scholen die twee of meer blinde leerlingen opvangen, er financieel niet op achteruitgaan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Lambrechts, Aasted Madsen-van Stiphout, Azough, Balemans, Eijsink, Kraneveldt, Slob, Vergeer en Van der Vlies.

Zij krijgt nr. 72(27728).

Minister Van der Hoeven:

Voorzitter. Tijdens het algemeen overleg van een dag of tien geleden hebben wij hierover uitvoerig met elkaar gesproken. De achterliggende reden om de bekostiging te veranderen heeft inderdaad te maken met de lumpsum en de autonomie van de scholen.

In het overleg heb ik toegezegd dat ik de problemen die zich in het lopende schooljaar voordoen, zal oplossen. Verder heb ik, gehoord de Kamer, ook toegezegd dat wij per 1 augustus 2005 over zullen gaan op een andere vorm van bekostiging.

Over de motie zal ik één opmerking maken. De regeling die wij nu hebben gepubliceerd, geldt voor het komende schooljaar. Dat betekent dat de nieuwe regeling pas in het nieuwe schooljaar, dus op 1 augustus 2005, kan ingaan. Wat in de motie staat: "in geen geval later dan augustus 2005", lukt dus niet. Het moet gewoon op 1 augustus 2005 gebeuren.

Dan de tweede opmerking. Het gaat inderdaad om een bedrag van in totaal € 650.000. Wij moeten geen nieuwe bureaucratie in het leven roepen. Ik heb goed geluisterd naar de opmerking die mevrouw Lambrechts daarover heeft gemaakt. Er moet dus een vorm worden gekozen waarin de uitvoeringslasten voor zowel de scholen als de genoemde organisaties niet te hoog zijn. Anders gooien wij het kind met het badwater weg.

Mevrouw Lambrechts heeft gezegd dat er niet hoeft te worden geëvalueerd. Ik wil wel evalueren, maar ik start er meteen mee. De regeling treedt per 1 augustus 2004 in werking. Dan kun je op basis van de eerste helft van het nieuwe schooljaar al heel goed zien hoe de zaken zich voordoen. Ik zal de Kamer daarover informeren. De uitkomsten ervan zal ik meteen gebruiken bij de vormgeving van de nieuwe, geïndividualiseerde regeling voor de visueel gehandicapten, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat een en ander per 1 augustus 2005 van start gaat.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Ik kan de minister niet verbieden om te evalueren; dat zal ik dan ook niet doen. Wij stellen echter heel duidelijk dat wij daaraan geen behoefte hebben. Wij vinden het eigenlijk ook zonde van de tijd en de energie. De situatie van het komende jaar zegt namelijk heel weinig over de jaren erna.

Minister Van der Hoeven:

Dat klopt. De evaluatie dreigde dan ook zoveel jaren te gaan duren. Dat schiet natuurlijk niet op. Ik vind wel dat in de periode dat deze regeling van kracht is, moet worden bekeken hoe zij uitpakt. Wij moeten in de tussentijd ook werken aan de nieuwe, geïndividualiseerde regeling die de Kamer graag wil. Ik zeg dat graag toe, maar meer kan ik niet toezeggen.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Ik denk dat de motie helder is. Nogmaals, ik kan en zal de minister niet verbieden om te evalueren. Het is echter onze inzet om per augustus 2005 tot een regeling te komen die alleen voor blinde kinderen is.

Minister Van der Hoeven:

Daarover is geen misverstand.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Het verbaast mij een beetje dat de minister direct wil beginnen met evalueren. Ik kan mij herinneren dat in overleggen over de leerlinggebonden financiering diverse malen is gezegd dat een evaluatie van een jaar niet mogelijk is. Ik ben dus nieuwsgierig naar wat de minister wil evalueren.

Minister Van der Hoeven:

Ik wil weten hoe het uitpakt. Ik wil weten in hoeverre het geld aan de kinderen ten goede komt. Dat kan in het eerste halfjaar, want er zijn teldata per 1 oktober. Dan kun je zien hoe het uitpakt. Ik wil ook weten hoeveel kinderen tussen wal en schip vallen. Ik heb de Kamer namelijk beloofd om de knelpunten op te lossen. Er is geen misverstand mogelijk: het gebeurt per 1 augustus 2005. Ook dat heb ik toegezegd in het algemeen overleg. De Kamer en ik verschillen daarover niet van mening.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik stel voor, aanstaande donderdag over de ingediende motie te stemmen.

Aldus wordt besloten.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.