Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201935200-XII nr. 1

35 200 XII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat 2018

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT 2018 (XII)

Aangeboden 15 mei 2019

Gerealiseerde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln.). Totaal € 8.198.827.000,–

Gerealiseerde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln.). Totaal € 8.198.827.000,–

Gerealiseerde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln.). Totaal € 29.100.000,–

Gerealiseerde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln.). Totaal € 29.100.000,–

INHOUDSOPGAVE

     

blz.

A.

ALGEMEEN

6

 

1.

Aanbieding van het jaarverslag en verzoek tot dechargeverlening

6

 

2.

Leeswijzer

8

       

B.

BELEIDSVERSLAG

11

 

3.

Beleidsprioriteiten

11

 

4.

Beleidsartikelen

31

   

Artikel 11 Integraal Waterbeleid

31

   

Artikel 12 Waterkwaliteit

49

   

Artikel 13 Bodem en Ondergrond

50

   

Artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid

56

   

Artikel 15 OV-keten

66

   

Artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor

67

   

Artikel 17 Luchtvaart

77

   

Artikel 18 Scheepvaart en Havens

96

   

Artikel 19 Uitvoering milieubeleid en internationaal

106

   

Artikel 20 Lucht en Geluid

113

   

Artikel 21 Duurzaamheid

122

   

Artikel 22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s

137

   

Artikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie

150

   

Artikel 24 Handhaving en Toezicht

156

   

Artikel 25 Brede Doeluitkering

161

   

Artikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen

163

       
 

5.

Niet-beleidsartikelen

168

   

Artikel 97 Algemeen Departement

168

   

Artikel 98 Apparaatsuitgaven Kerndepartement

171

   

Artikel 99 Nominaal en Onvoorzien

175

       
 

6.

Bedrijfsvoeringparagraaf

176

       

C.

JAARREKENING

185

 

7.

Departementale verantwoordingsstaat

185

 

8.

Samenvattende verantwoordingsstaat agentschappen

186

 

9.

Jaarverantwoording agentschap per 31 december 2018

187

   

Rijkswaterstaat

187

   

Inspectie Leefomgeving en Transport

203

   

Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

214

 

10.

Saldibalans

226

 

11.

WNT-verantwoording 2018 Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

234

       

D.

BIJLAGEN

235

 

Bijlage 1: Toezichtrelaties ZBO's en RWT's

235

 

Bijlage 2: Afgerond evaluatie en overig onderzoek

244

 

Bijlage 3: Externe Inhuur

261

 

Bijlage 4: Rapportage correspondentie

263

 

Bijlage 5: Lijst van afkortingen

264

A. ALGEMEEN

1. AANBIEDING VAN HET JAARVERSLAG EN VERZOEK TOT DECHARGEVERLENING

Aan de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (XII) over het jaar 2018 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Infrastructuur en Waterstaat decharge te verlenen over het in het jaar 2018 gevoerde financiële beheer.

Voor de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening stelt de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport op. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Algemene Rekenkamer over:

  • a. het gevoerde financieel beheer en materieel beheer;

  • b. de bijgehouden administraties van het Rijk;

  • c. de financiële informatie in het jaarverslag;

  • d. de betrokken saldibalans;

  • e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening worden verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken betrokken:

  • a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2018;

  • b. het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer over het onderzoek van de centrale administratie van de schatkist van het Rijk en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer over de in het Financieel jaarverslag van het Rijk, over 2018 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten over 2018, alsmede over de saldibalans over 2018 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. LEESWIJZER

Algemeen

Voor u ligt het Jaarverslag 2018 van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), Hoofdstuk XII van de Rijksbegroting. In dit Jaarverslag 2018 wordt verantwoording afgelegd over de gerealiseerde uitgaven, ontvangsten en aangegane verplichtingen ten opzichte van de begroting 2018.

Overgangsrecht Comptabiliteitswet

Op grond van het overgangsrecht in artikel 10.2 van de Comptabiliteitswet 2016 blijven voor de jaarverslagen en slotwetten over 2018 de bepalingen uit de Comptabiliteitswet 2001 en de daarop berustende bepalingen van toepassing zoals deze golden voor de inwerkingtreding van de Comptabiliteitswet 2016 per 1 januari 2018.

Opbouw

Het Jaarverslag IenW 2018 bestaat uit de volgende onderdelen:

  • A. Een algemeen deel: hierin is naast deze leeswijzer de officiële aanbieding van het Jaarverslag aan de Staten-Generaal en het verzoek tot dechargeverlening opgenomen.

  • B. Het beleidsverslag 2018 van IenW: hierin wordt ingegaan op de resultaten die in 2018 zijn geboekt. Het beleidsverslag bestaat uit vier onderdelen: het verslag over de beleidsprioriteiten, de beleidsartikelen, de niet-beleidsartikelen en de bedrijfsvoeringparagraaf.

  • C. De Jaarrekening 2018 van IenW: deze bestaat uit de departementale verantwoordingstaat van IenW en de samenvattende verantwoordingsstaten van de agentschappen Rijkswaterstaat (RWS), Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI). Tevens bevat dit deel de departementale saldibalans van IenW, de balansen van de agentschappen en de opgave van Topinkomens.

  • D. De bijlagen bestaan uit:

    • 1. het overzicht inzake het toezicht op de zelfstandige bestuursorganen (zbo’s) en de rechtspersonen met een wettelijke taak (rwt’s)

    • 2. het overzicht van afgerond evaluatie- en overig onderzoek

    • 3. het overzicht van niet-financiële informatie over inschakeling van externe adviseurs en tijdelijk personeel (externe inhuur)

    • 4. de rapportage correspondentie

    • 5. de lijst van afkortingen

Naast dit Jaarverslag, Hoofdstuk XII van de Rijksbegroting, kent IenW ook de Jaarverslagen van het Infrastructuurfonds en het Deltafonds, respectievelijk Hoofdstuk A en J van de Rijksbegroting. In deze fondsen worden de concrete investeringsprojecten en programma’s geraamd en verantwoord.

Normering Jaarverslag

De financiële informatie in het beleidsverslag (onderdeel B) wordt gepresenteerd door middel van de tabellen «Budgettaire gevolgen van beleid». Verschillen tussen de begroting en de realisatie worden conform de Regeling rijksbegrotingsvoorschriften 2019 op het niveau van de financiële instrumenten toegelicht volgens onderstaande uniforme ondergrenzen.

Norm bij te verklaren verschillen

Omvang begrotingsartikel (stand ontwerpbegroting) in € miljoen

Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € miljoen)

Technische mutaties (ondergrens in € miljoen)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 < 1.000

5

10

=> 1.000

10

20

Gevolgen herverkavelingen IenW

Groeiparagraaf

Uit het Regeerakkoord van het Kabinet Rutte III volgen herverkavelingen met effect op het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. De budgettaire verwerking van deze herverkavelingen is middels nota’s van wijzigingen (TK 2017–2018, 34 775 XII, nr. 7, TK 2017–2018, 34 775 XII, nr. 62 en TK 2017–2018, 34 775 XII, nr. 63) in de begroting 2018 verwerkt. Naast de budgettaire gevolgen van de herverkaveling zijn er ook gevolgen voor de verantwoordelijkheden van de Minister en Staatssecretaris op bepaalde beleidsterreinen. Bij de betreffende artikelen wordt hier nader op ingegaan.

Enveloppes

De beleidsbegroting van IenW (HXII) heeft naar aanleiding van het Regeerakkoord van het Kabinet Rutte III vanuit de enveloppe «Klimaat» ten behoeve van het jaar 2018 aanvullende middelen ontvangen op de begroting. Over de bestemming van deze middelen bent u in de Incidentele suppletoire begroting inzake de «Klimaat enveloppe regeerakkoord 2018» (TK 2017–2018, 34 903, nr. 2) geïnformeerd.

Focusonderwerp: de onderbouwing van de ramingen van inkomsten en uitgaven

De vaste commissie voor Financiën heeft 15 maart 2018 haar werkprogramma rijksuitgaven voor de periode 2018–2021 aan de Kamer verstuurd (Kamerstuk 31 597, nr. 14). De vaste commissie voor Financiën formuleert hierin de ambitie de controle van de rijksuitgaven door de Kamer te versterken en wijst hiertoe enkele prioriteiten aan in haar werkzaamheden.

In het werkprogramma rijksuitgaven constateert de vaste commissie voor Financiën onder andere behoefte te hebben aan meer inzicht in de ramingen ten behoeve van de begrotingen en de totstandkoming daarvan. Teneinde het inzicht van de Tweede Kamer in de ramingen te vergroten heeft de Tweede Kamer «De onderbouwing van de ramingen van inkomsten en uitgaven» aangewezen als focusonderwerp voor in het Financieel Jaarverslag Rijk 2018. De uitwerking van dit focusonderwerp leidt niet tot aanpassingen in de verantwoording van Hoofdstuk XII.

Overgangsrecht Comptabiliteitswet

Op grond van het overgangsrecht in artikel 10.2 van de Comptabiliteitswet 2016 blijven voor de presentatie en inrichting van de jaarverslagen en slotwetten over 2018 de bepalingen uit de Comptabiliteitswet 2001 en de daarop berustende bepalingen van toepassing zoals deze golden voor de inwerkingtreding van de Comptabiliteitswet 2016 per 1 januari 2018. Voor de dechargeverlening inzake het jaar 2018 over het gevoerde financieel beheer en materieelbeheer zijn de bepalingen van de Comptabiliteitswet 2016 en de daarop gebaseerde regelgeving van toepassing. Dit is conform de brief aan het parlement over het overgangsrecht in de Comptabiliteitswet 2016 (Vergaderjaar 2018–2019, 34 426, nr. 33). Om die reden moet telkens bij de verwijzingen naar de bepalingen van de Comptabiliteitswet worden gelezen de artikelen van de Comptabiliteitswet 2001 voor de presentatie en inrichting en voor de begrotingsuitvoering de artikelen van de Comptabiliteitswet 2016 conform de transponeringstabel bij de Comptabiliteitswet 2016, Stb. 2017, 139.

Art. in CW 2016

Art. in CW 2001

3.2 – 3.4

19, eerste lid; 21, eerste en tweede lid

3.5

22, eerste lid; 26, eerste lid

3.8

58, eerste lid, onderdeel a, en derde lid; 61, derde lid

3.9

58, eerste lid, onderdeel b en c

2.37

60, tweede en derde lid; 63, eerste en vierde lid

2.35

61, tweede tot en met vierde lid

2.40

64

7.12

82, eerste lid; 83, eerste lid

7.14

82, vijfde lid; 83, tweede tot en met vierde lid

B. BELEIDSVERSLAG

3. BELEIDSPRIORITEITEN

Ook in 2018 heeft IenW zich onverminderd ingezet voor een veilig en bereikbaar Nederland met een gezonde en duurzame leefomgeving. Het jaar kenmerkte zich door betekenisvolle stappen op belangrijke ambities uit het regeerakkoord zoals klimaatadaptatie, circulaire economie, de inhaalslag infrastructuur, de omvorming van ProRail, vrachtwagenheffing, verkeersveiligheid en luchtvaart. Daarnaast is vanuit IenW ook meegewerkt aan de totstandkoming van het concept Klimaatakkoord; vooral de sectoren mobiliteit en circulaire economie moeten hieraan bijdragen.

2018 was ook het jaar van een droge zomer, hetgeen Nederland voor een grote opgave stelde op het gebied van waterbeheer. In 2018 is ook hard gewerkt aan de noodzakelijke voorbereidingen voor de naderende Brexit en is ook de gehele IenW-wetgeving «AVG-proof» gemaakt. Tot slot is de verlenging van het Infrastructuurfonds en het Deltafonds tot en met 2032 doorgevoerd in de begroting.

Voor IenW was het zijn eerste volledige jaar onder de nieuwe naam. De interdepartementale herverkaveling is na een forse inspanning afgerond, waarmee de onderwerpen klimaat, ruimtelijke ontwikkeling en de omgevingswet onder de verantwoordelijkheid van respectievelijk de ministeries van EZK en BZK zijn gekomen. Deze onderwerpen zijn daarom geen onderdeel meer van het Beleidsverslag van IenW. Wat is gebleven, is de ambitie om de verschillende uitdagingen tegemoet te treden met grensoverschrijdende benadering. Dat is weerspiegeld in de transities waar IenW zich voor gesteld ziet; zij vormen de rode draad voor dit Beleidsverslag, dat de belangrijkste resultaten van het afgelopen jaar laat zien.

Klimaatadaptatie

Droogte en hittestress

2018 heeft laten zien dat droogte en hittestress nadrukkelijker aandacht verdienen. Zo is het van belang om de ruimtelijke inrichting aan te passen aan het veranderende klimaat. In april 2018 is het Uitvoeringsprogramma van de Nationale klimaatadaptatiestrategie 2018–2019 aan de Tweede Kamer aangeboden. Hierin zijn zes speerpunten benoemd: hittestress, infrastructuur, landbouw, natuur, gebouwde omgeving en het stimuleren van regionale adaptatiestrategieën. Het uitvoeringsprogramma is aanvullend op het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie en heeft vooral een sectorale insteek. In het bestuursakkoord Klimaatadaptatie van november 2018 zijn afspraken gemaakt over een gezamenlijke aanpak tot versnelling van ruimtelijke adaptatie. Hier is ook de intentie uit gesproken voor een Rijksbijdrage om zo versnelling op gang te brengen. Ook zijn alle overheden intussen bezig met stresstesten.

De lange periode van droogte heeft ook de aandacht gevestigd op de consequenties van laag water voor het transport. De vervoerscapaciteit van de binnenvaart werd fors beperkt door de lage waterstanden.

Nationale en internationale Waterveiligheid

Ook in 2018 zijn primaire waterkeringen beoordeeld met het Wettelijke beoordelingsinstrumentarium (WBI) 2017. De beoordelingsronde loopt nog steeds op schema. Verder is het programma Integraal Riviermanagement (IRM) opgezet. Hierin worden de Rijksopgaven voor de rivier, waaronder waterveiligheid, scheepvaart, ecologische waterkwaliteit, rivierbodemligging en vegetatiebeheer, in samenhang geprogrammeerd en uitgevoerd. Ook heeft het ministerie bijgedragen aan kennisontwikkeling op het gebied van waterveiligheid:

  • de Kennisagenda Waterveiligheid is in de steigers gezet, zodat meerjarig onderzoek kan plaatsvinden naar onder meer «piping» (water dat door een zandlaag onder de dijk doorstroomt en zand meevoert) en macrostabiliteit.

  • in het kader van het missiegedreven innovatiebeleid is in 2018 een start gemaakt met het nog beter verbinden van de topsectoren met de waterveiligheidsopgaven.

  • er is besloten om bij te dragen aan de opzet van een nieuw kennisprogramma naar zeespiegelstijging, gericht op het reduceren van onzekerheden, het onderzoeken van oorzaken en het voorspellen van effecten voor Nederland.

Global Commission on Adaptation

Nederland en 16 andere landen hebben het initiatief genomen om een Commissie samen te stellen die zich inzet om in 2 jaar de mondiale klimaat adaptatie actie agenda te versnellen. Daarbij hoort het opstellen van een flagship report dat in september 2019 tijdens de UN SG summit zal worden aangeboden, waarna een jaar van actie volgt. Deze Global Commission on Adaptation is op 16 oktober 2018 gelanceerd en staat onder leiding van voormalig VN-Secretaris-Generaal Ban Ki-Moon, samen met Kristalina Georgieva, CEO van de Wereldbank en Bill Gates. De Commission wordt ondersteund door het door Nederland gehoste Global Center on Adaptation, samen met het World Resources Institute. Het Global Center on Adaptation heeft op 10 september 2018 een kantoor in Rotterdam geopend en op 17 oktober 2018 in Groningen.

Circulaire economie

Transitieagenda’s

In het grondstoffenakkoord werd afgesproken om 5 transitie-agenda’s op te stellen samen met maatschappelijke partijen onder leiding van daarvoor aangestelde onafhankelijke voorzitters. Op 15 januari 2018 zijn deze agenda’s ontvangen. Ze geven een beeld van de inspanningen die gepleegd kunnen worden om de transitie naar een circulaire economie te versnellen. Op 29 juni 2018 heeft het kabinet zijn reactie op de transitie-agenda’s aan de Tweede Kamer gestuurd met daarbij een aanzet voor de uitvoeringsagenda1. Daarin staan de inspanningen van het Rijk genoemd voor de komende jaren en maakt het kabinet duidelijk dat deze inspanningen samen met de partners verder uitgewerkt gaan worden tot een Nationaal Uitvoeringsprogramma circulaire economie dat tot 2023 gaat lopen.

Verpakkingen en plastic

De Raamovereenkomst Verpakkingen 2013–2022 is geëvalueerd. In de brief van 10 maart 20182 zijn recycledoelen gesteld voor het verder sluiten van de keten van met name kunststofverpakkingen. Voor statiegeld op kleine plastic flessen is een tweesporenbeleid vastgesteld. Met het verpakkende bedrijfsleven is overeenstemming bereikt over een recyclingdoelstelling voor kleine plastic flessen van 90% en een reductiedoelstelling voor kleine plastic flessen in het zwerfafval van 70–90%. Daarnaast wordt de introductie van statiegeld op kleine plastic flessen juridisch voorbereid voor het geval in het najaar van 2020 zou blijken dat deze doelstellingen niet zijn gerealiseerd.

Met de middelen die uit de Klimaatenveloppe voor chemische recycling beschikbaar zijn gekomen, is onder meer een startsubsidie verleend voor de oprichting van het Nationale Testcentrum Circulaire Plastics, een van de icoonprojecten in de transitieagenda Consumptiegoederen met een cross-over naar de transitieagenda Kunststoffen. Met dit centrum wordt een ontbrekende schakel in de kunststofrecycling toegevoegd om toe te werken naar het verhogen van de kwaliteit en toepassing van kunststofrecyclaat.

Verder is een tailor-made convenant opgesteld tussen het Ministerie van IenW en The Ocean Cleanup voor het opruimen van plastic op volle zee.

Afval

In 2018 zijn door IenW en Financiën de nodige voorbereidingen getroffen om de verhoging van de afvalstoffenbelasting, inclusief een buitenlandheffing, vorm te geven zodat deze per 1 januari 2019 in kon gaan.

Circulair inkopen en aanbesteden

In 2018 is een nieuwe Green Deal Circulair inkopen gesloten om de circulaire economie een verdere impuls te geven. Vanuit de Klimaatenveloppe is € 5 miljoen bestemd voor transitiegerichte (klimaatneutrale en circulaire) inkoop door overheden. Deze middelen zijn bedoeld voor pilotprojecten, leernetwerken en het meten aan projecten en leernetwerken. Het rapport van het RIVM over de effecten van deze impuls wordt in het voorjaar van 2019 verwacht. Vanuit de Klimaatenveloppe is ook € 2 miljoen bestemd voor innovaties in Grond-, Weg- en Waterbouw, waarmee aan diverse projecten is bijgedragen. Zo zijn er in drie projecten productierijp («van de plank» beschikbaar) CO2-arm asfalt aangelegd, zijn er experimenten uitgevoerd met het toepassen van circulaire en biobased bindmiddelen in asfalt (als vervanging van »fossiel» bitumen) en is een circulair ontworpen («remontabel») werkviaduct gerealiseerd.

Veilige, slimme en groene mobiliteit

Inhaalslag infrastructuur

Om Nederland in beweging te houden is een robuuste en betrouwbare infrastructuur nodig hebben we nieuwe formules nodig. Er is € 2 miljard in de periode 2018 tot en met 2020 aanvullend beschikbaar gesteld voor een inhaalslag voor infrastructuur en is vanaf 2021 het Infrastructuurfonds met € 100 miljoen per jaar opgehoogd. Essentieel voor de bereikbaarheid van Nederland blijft immers het op orde houden van de capaciteit van onze infrastructuurnetwerken (spoor, openbaar vervoer, wegen en binnenvaart). De middelen voor 2018 zijn vanwege de aanlooptijd van de verschillende aanleg- en vervanging- en renovatieprojecten in de begroting 2019 naar achteren geschoven.

Slimme mobiliteit

Maar er is meer nodig: we hebben formules nodig die nieuwe, slimmere vormen van reizen introduceren. Mobiliteit wordt steeds meer een dienst, waarbij het vervoermiddel minder van belang wordt. Om deze visie te ondersteunen wordt het Infrastructuurfonds omgevormd tot een Mobiliteitsfonds. In het Mobiliteitsfonds staat niet langer de modaliteit, maar mobiliteit centraal. Er zijn in 2018 reeds verschillende stappen gezet en eind 2018 is het traject overgegaan van een oriënterende fase naar een uitwerkende fase. Verschillende externe stakeholders zoals de stedelijke vervoersregio’s, provincies en koepelorganisaties zijn nauw betrokken geweest bij de oriënterende fase. Ook is het Mobiliteitsfonds besproken in de bestuurlijke overleggen over het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) in november 20183.

De afgelopen jaren heeft Nederland zich internationaal opgewerkt tot koploper in het veld van Smart mobility. Er is veel ervaring opgedaan met de «learning by doing»-aanpak, waardoor beter inzicht is ontstaan in de ontwikkelingen die op ons afkomen en de bijbehorende kansen en risico’s voor de verkeersveiligheid, doorstroming en duurzaamheid. De aanpak daarvoor is in oktober 2018 gepresenteerd.4 Dat betekent een verschuiving in aandacht van testen en experimenteren naar toepassing en gebruik in de bestaande praktijk en het inbedden van smart mobility als integraal onderdeel in beleids- en uitvoeringsprocessen. Dit vraagt verandering bij zowel overheidsinstanties als medeoverheden. De vier actielijnen zijn:

  • 1. Stimuleren gebruik van bestaande producten en diensten;

  • 2. Verantwoorde introductie van nieuwe generatie voertuigen;

  • 3. Toekomstbestendige infrastructuur en wegbeheer;

  • 4. Zorgvuldig benutten van data-uitwisseling en connectiviteit.

Met betrekking tot de wens van het parlement om automatisering van het voertuig te stimuleren door ruim baan te geven aan testen en proeven met innovatieve systemen, is in 2018 door het parlement de Experimenteerwet Zelfrijdende voertuigen goedgekeurd. Deze wet maakt het mogelijk dat experimenten kunnen worden uitgevoerd met voertuigen waarvan de bestuurder zich niet in het voertuig bevindt. Deze wetswijziging Wegenverkeerswet zal in 2019 in werking treden.

Mobility as a Service (MaaS) biedt reizigers de mogelijkheid om via bijvoorbeeld app’s multimodale ketenreizen te maken, waarbij de de klantbehoefte centraal staat. IenW wil, samen met regionale overheden, kijken naar de kansen die MaaS kan bieden en ervaring opdoen. In 2018 is daartoe gezamenlijk met de markt en overheden gekeken naar de wijze waarop MaaS geconcretiseerd kan worden en wat de belangrijkste belemmeringen zijn voor grootschalig gebruik van MaaS, waaronder data-uitwisseling. Met de markt is een dialoog georganiseerd over zeven landelijk opschaalbare regiopilots waarvoor vervolgens een raamovereenkomst is aanbesteed. Eind 2018 zijn 24 consortia geselecteerd die in aanmerking komen voor de uitvoering van de zeven pilots.

Duurzame mobiliteit

In 2018 is met alle deelnemers aan de mobiliteitstafel van het Klimaatakkoord verkend hoe de mobiliteitssector kan bijdragen aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met 49% in 2030 ten opzichte van 1990. De mobiliteitstafel wil in 2030 ten minste hiervan 7,3 Mton CO2-reductie realiseren. Deze verkenning heeft geleid tot een voorstel van hoofdlijnen van een klimaatakkoord, dat op 10 juli aan de Tweede Kamer is aangeboden5. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) geeft in haar analyse hiervan aan dat de geïnventariseerde maatregelen voldoende potentieel bieden om de gestelde opgaven te realiseren die passen bij het doel van 49% emissiereductie6. Het kabinet heeft vervolgens, mede op basis van de PBL-analyse, een inhoudelijke appreciatie van het voorstel op hoofdlijnen klimaatakkoord gemaakt7. Op 21 december is een ontwerp-klimaatakkoord aan de Kamer aangeboden. De mobiliteitstafel, waarin IenW ambtelijk was vertegenwoordigd heeft hierin een pakket aan (concept)afspraken gemaakt waarbij wordt ingezet op onder meer de volgende elementen:

  • Stimuleren van elektrisch vervoer (EV) richting de doelstelling van 100% EV-verkopen in 2030;

  • Het stimuleren van de binnenlandse productie van duurzame, geavanceerde brandstoffen. Naast biobrandstoffen, wordt ingezet op de ontwikkeling van waterstof (groei naar 50 stations);

  • Ook het OV en het vrachtverkeer verduurzamen, met 5000 zero emissie bussen, en meer dan 100.000 zero emissie bestelauto’s en 10.000 vrachtauto’s in 2030;

  • Een volledig emissieloos wagenpark van het Rijk in 2028 en laadinfrastructuur bij rijksgebouwen en locaties.

Eind 2018 is het ontwerp klimaatakkoord naar de planbureaus gestuurd voor een doorrekening. Daarbij is ook verzocht enkele aanvullende beleidsvarianten te bekijken.

In 2018 is voor de luchtvaart een duurzame luchtvaarttafel in het leven geroepen, waar luchtvaartpartijen, kennisinstellingen, Ngo’s en de overheid met elkaar in gesprek zijn over het verduurzamen van de luchtvaart. Het doel hiervan is dat er afspraken worden gemaakt, onder meer ook over duurzame brandstoffen en elektrificatie. Vooruitlopend op de definitieve afspraken is er bijvoorbeeld een start gemaakt met het opstellen van een nationaal actieprogramma elektrisch/hybride vliegen (ter afronding in het 3e kwartaal van 2019). Ten aanzien van elektrisch vliegen is er verder in 2018 een platform duurzaam vliegen opgericht. Op het gebied van duurzame alternatieve brandstoffen is onder andere eind 2018 een subsidie verstrekt voor een haalbaarheidsstudie voor een demonstratiefabriek voor de productie van synthetische kerosine.

Wegen

Investeringen

Voor het bereikbaar houden van Nederland is het nodig om weginfrastructuur die «einde levensduur» is tijdig te renoveren of te vervangen. Het programma vervanging- en renovatie biedt kansen om de bestaande infrastructuur te verjongen, te vernieuwen en te verduurzamen8. Hierbij gaat het om kansen voor de toepassing van nieuwe technieken om storingen te voorkomen, nieuwe technieken en materialen om de levensduur te verlengen en nieuwe technieken om de constructies en installaties zodanig te vernieuwen en te verduurzamen dat ze ook klaar zijn voor de toekomst. Afgelopen jaar is gewerkt aan de planvorming en uitvoering van de projecten uit de eerste drie tranches van dit programma. Ook zijn in 2018 afspraken gemaakt over het starten van de planfase van een volgende (vierde) tranche voor 19 vervanging- en renovatieprojecten9.

Tot slot zijn in twee tranches afspraken gemaakt voor een korte termijn file-aanpak10 11.

Door de hoge economische groei en daardoor groei in het autoverkeer is de filedruk in 2018 gegroeid, ondanks onze inspanningen en resultaten van bijvoorbeeld het Beter Benutten Vervolg-programma. Om de filedruk in de toekomst te verminderen, zijn in 2018 de volgende MIRT-besluiten genomen:

  • Tracébesluit A1 Apeldoorn-Azelo;

  • Tracébesluit A15 Papendrecht-Sliedrecht Oost;

  • Ontwerp Tracébesluit A28/A1 KP Hoevelaken;

  • Voorkeursbeslissing N33 Zuidbroek-Appingedam;

  • Startbeslissing A9 Rottepolderplein;

  • Tracébesluit A27 Houten-Hooipolder;

  • Tracébesluit N35 Nijverdal-Wierden;

  • Startbeslissing A2 Deil – Den Bosch

  • Startbeslissing A15 Papendrecht – Gorinchem

  • Startbeslissing A58 Breda – Tilburg.

Daarnaast zijn de volgende nieuwe wegtrajecten opengesteld:

  • N18 Varsseveld-Enschede;

  • N35 Zwolle-Wijthmen;

  • A27 /A1 Utrecht-Noord – knooppunt Eemnes – aansluiting Bunschoten;

  • N23 Alkmaar – Enkhuizen.

Daarnaast kon met de positieve uitspraken van de Raad van State over de Blankenburgverbinding en Zuidasdok definitief worden gestart met de aanleg van deze infrastructurele verbindingen.

Voor de grote steden zijn stappen gezet voor een integrale gebiedsgerichte programma-aanpak, die ook de bereikbaarheid van deze gebieden, in samenhang met leefbaarheid en de woningbouwopgave, moeten verbeteren.

Vrachtwagenheffing

De voorbereiding van de Vrachtwagenheffing is ter hand genomen met een gefaseerde aanpak. De eerste fase, die het gehele jaar 2018 heeft geduurd, was de beleidsfase. Op 9 november is het Beleidskader Vrachtwagenheffing naar de Tweede Kamer gestuurd12. Het beleidskader bevat uitgangspunten over het toepassingsgebied van de heffing, de tariefhoogte en -differentiatie, de handhaving, de organisatie van de uitvoering en de bestedingsrichtingen voor innovatie en verduurzaming van de vervoerssector. Voor het opstellen van het beleidskader is gebruik gemaakt van ervaringen in andere Europese landen, diverse onderzoeken en de inbreng van stakeholders. In 2018 zijn ook de voorbereidingen voor de volgende fase, de wetgevings- en voorbereidingsfase, ter hand genomen, zodat deze in 2019 van start kan gaan.

Verkeersveiligheid

In 2018 is samen met de medeoverheden en in overleg met maatschappelijke organisaties een gedeelde visie vastgelegd in het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030. Dit strategisch plan is evenals het Landelijk actieplan verkeersveiligheid 2019–2021 op 5 december 2018, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid en de provincies, gemeenten en vervoersregio’s gepresenteerd13. Het bevat de strategie tot 2030 met een doelstelling van 0 verkeersdoden in 2030 en maatregelen die worden opgenomen in uitvoeringsplannen op landelijk en regionaal niveau. Het gaat om betere voorlichting van de impact van een medische aandoening op deelname aan het verkeer en om het stimuleren van veilig gebruik van rijtaak-ondersteunende systemen. Het rijk gaat regio’s ondersteunen bij het opstellen van de regionale plannen en het omschakelen naar risicogestuurd werken. In het landelijk actieplan staan per beleidsthema de maatregelen voor de komende twee jaar.

In 2018 is een aantal maatregelen in gang gezet. Voorbeelden zijn de MONO-campagne, die op 13 september 2018 is gelanceerd om afleiding in het verkeer tegen te gaan en het verbod van het vasthouden van mobiele apparaten op de fiets dat vanaf 1 juli 2019 van kracht zal zijn. Ook is het begeleid rijden (2ToDrive) definitief ingevoerd.

In december 2018 is bekendgemaakt dat de Minister de aanwijzing tot toelating tot de weg van de Stint definitief wil intrekken. Reden daarvoor zijn de uitkomsten van diverse onderzoeken die in gang zijn gezet naar aanleiding van het noodlottige ongeval van 20 september 2018 met een Stint bij een spoorwegovergang in Oss. Op dit moment wordt gewerkt aan een nieuw kader en lopen nog diverse onderzoeken, waaronder dat van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid(Ovv).

Spoorwegen

Meer capaciteit en veiligheid

Op het binnenlandse treinnet is op de eerste corridor gestart met hoogfrequent rijden. Tussen Amsterdam en Eindhoven rijdt nu elke tien minuten een intercity. Daarnaast rijdt tussen Utrecht en Houten Castellum in de spitsrichting elke tien minuten een sprinter. Dit is de eerste stap waarmee het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer operationeel wordt. Gedurende het jaar zijn ook voor de volgende corridors aanpassingen aan het spoor gedaan. De volgende stap wordt eind 2021 gezet als tussen Schiphol-Utrecht-Arnhem elke tien minuten een intercity gaat rijden.

Daarnaast zijn de volgende projecten opgeleverd:

  • Voor het project Randstadspoor zijn een nieuwe spoorbrug over het Amsterdam-Rijnkanaal en de bijbehorende sporen in gebruik genomen. Daardoor is het stuk tussen Utrecht Centraal en Leidsche Rijn nu viersporig.

  • Vanaf de dienstregeling 2019 is het station Lansingerland-Zoetermeer in gebruik genomen op de spoorlijn tussen Gouda en Den Haag. De sprinter stopt overdag nu vier keer per uur op dit station.

  • Bij Assen zijn de sporen en perrons van het station vernieuwd.

  • Voor het project Zwolle-Herfte is onder andere een tweede perron in Enschede aangelegd.

  • Op de locaties Zaandam, Den Helder, Den Haag Binckhorst zijn nieuwe parkeerplaatsen voor treinen gemaakt.

  • In Deventer is de onderdoorgang bij de Oostriklaan gerealiseerd. Deze onderdoorgang is aangelegd voor snel- en langzaam verkeer met als doel de verkeersveiligheid te vergroten. De bestaande overweg Oostriklaan is opgeheven.

  • Daarnaast zijn op een groot aantal locaties maatregelen getroffen voor het verbeteren van de toegankelijkheid van stations. Zo zijn er liften en hellingbanen aangelegd en zijn perronhoogtes aangepast.

  • In totaal is in 23 fietsenstallingen de capaciteit vergroot. Ook is op Waddinxveen Triangel een nieuwe fietsenstalling geopend.

Ook in 2018 zijn in samenwerking met ProRail maatregelen genomen om het aantal verstoringen terug te dringen. Dat heeft geleid tot het hoogste punctualiteitscijfer ooit: 91,4%.

internationaal spoor

In april 2018 is gestart met de internationale treinverbinding tussen Amsterdam Centraal en Londen. Twee keer per dag rijdt een Eurostar op dit traject. Op Amsterdam en Rotterdam Centraal zijn beveiligde gedeeltes voor de grenscontroles naar Groot-Brittannië gerealiseerd. Daarnaast is de MIRT-verkenning derde perron Amsterdam Zuid gestart. In dit onderzoek wordt onder meer bekeken welke voorzieningen nodig zijn voor aanlanding van de internationale treinen, waaronder de Thalys en Eurostar, vanaf de HSL op Amsterdam Zuid. Dat betreft zowel de benodigde wijzigingen aan de infrastructuur als aan het station.

In september is eenmalig een snelle Intercity van Amsterdam naar Berlijn ingezet. Daarnaast is samen met de Duitse Staatssecretaris Ferlemann, en in goede samenwerking met NS, ProRail en Duitse partners een quick-scan uitgevoerd naar versnellingsopties van de Berlijntrein voor de korte en langere termijn.

Voor de treindienst Eindhoven Düsseldorf is in 2018 samen met de Provincies Noord-Brabant en Limburg en het Verkehrsverbund Rhein Ruhr (VRR) een besluit genomen over het voorkeursalternatief. Op basis daarvan is een concept Programma van Eisen vastgesteld dat dient als leidraad voor de voorbereiding van de openbare aanbesteding door VRR. De start van het aanbestedingsproces is eind 2019 voorzien.

In maart 2018 is het voorstel tot wijziging van spoorwegwetgeving aan de Tweede Kamer aangeboden ter implementatie van vierde EU-spoorwegpakket14. De regelgeving draagt bij aan verbeteren van kwaliteit, de concurrentiekracht en de efficiency van de Europese spoorwegsector.

European rail traffic management system (ertms)

Er zijn belangrijke stappen gezet om te komen tot een Programma-beslissing ERTMS. 2018 stond in het teken van het toetsen, het finaliseren van de aanpak en het optimaliseren van een doelmatige en tijdige uitrol. Dit is volgens planning uitgevoerd. ERTMS is een grootschalige vervangingsopgave (en digitalisering) van het huidige verouderde én biedt ook potentiële voordelen op het gebied van veiligheid, betrouwbaarheid, snelheid en capaciteit. Daarnaast biedt ERTMS mogelijkheden voor grensoverschrijdend treinverkeer.

Overwegen

Half juli 2018 is er € 50 mln. extra budget uitgetrokken voor de risicogestuurde overwegenaanpak. Hiervan is € 25 mln. bestemd voor het opheffen van alle openbare en openbaar toegankelijke niet actief beveiligde overwegen (NABO’s) op het reizigersnet, inclusief de particuliere huisaansluitingen. Eind juli 2018 verscheen het rapport van de Onderzoeksraad voor veiligheid (Ovv) over overwegveiligheid. In de beleidsreactie op het Ovv-rapport in november 2018 is de ambitie uitgesproken om binnen vijf i.p.v. tien jaar alle openbaar toegankelijke NABO’s te hebben opgeheven dan wel te hebben beveiligd. Daarnaast wordt het aangescherpte risicogestuurde overwegenbeleid gecontinueerd en worden de aanbevelingen van de Ovv overgenomen.

Omvorming prorail

In 2018 heeft de formele consultatie plaatsgevonden van het wetsvoorstel Publiekrechtelijke omvorming ProRail. Met deze wet wordt de B.V. ProRail omgevormd naar een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met eigen rechtspersoonlijkheid. Dit wetsvoorstel regelt de inrichting van het zelfstandig bestuursorgaan, kent taken en bevoegdheden toe aan het zelfstandig bestuursorgaan en regelt de verhouding tussen ProRail en de Minister van IenW.

Fietsbeleid

In het regeerakkoord is € 100 miljoen gereserveerd voor de aanleg van snelfietsroutes en het bouwen van fietsenstallingen bij stations. Afgelopen najaar zijn in MIRT-verband afspraken gemaakt over de verdeling van deze middelen en over cofinanciering van snelfietsroutes en fietsenstallingen bij NS-stations. Dit heeft geresulteerd in een verdrievoudiging van de rijksmiddelen; samen met de regio’s wordt € 345 miljoen geïnvesteerd. Nieuwe criteria waren circulair bouwen, fietsstimulering is onderdeel van de aanpak en de cofinanciering vanuit het Rijk is maximaal 40%. Er is een netwerk met fietsambassadeurs opgezet, de Staatssecretaris heeft haar fietsambassadeurs ontmoet en uitgewisseld hoe zij samen met dit netwerk meer forensen op de fiets gaat krijgen. Samen met het Ministerie van Financiën is de regelgeving voor de leasefiets vereenvoudigd. De Meta-evaluatie fietsmaatregelen Beter Benutten heeft plaatsgevonden en het startschot voor nieuwe fietsstimuleringsmaatregelen zoals in de korte termijn programma’s Metropoolregio Amsterdam, Metropoolregio Rotterdam Den Haag en UNed is gegeven. Eind 2018 is door 11 deelfietsaanbieders een convenant ondertekend om te komen tot meer interoperabiliteit. Samen met de andere overheden, maatschappelijke organisaties is gewerkt aan de tweede etappe van de Nationale Agenda Fiets (geplande oplevering eerste helft 2019). Daarnaast maakt fiets onderdeel uit van zowel het preventie- als het klimaatakkoord.

Beter Benutten

In 2018 is het Beter Benutten Vervolg programma afgerond en zijn de maatregelen geëvalueerd. De evaluatie is naar de Tweede Kamer gestuurd15. Het programma heeft de afgelopen drie jaar de bereikbaarheid op veel terreinen verbeterd. Zo is de reistijd in de drukste gebieden met 13% verbeterd ten opzichte van een situatie zonder het programma. Hiermee is de vooraf gestelde doelstelling van 10% ruimschoots gehaald. Concreet betekent dit dat er ten opzichte van de start van het programma in 2015 dagelijks gemiddeld 80.000 voertuigen minder in de spits rijden. Ook is er jaarlijks ruim 61.000 ton CO₂ bespaard. Dit is bereikt met in totaal 461 maatregelen in de twaalf Beter Benutten-regio’s en landelijke inzet op smart mobility. Het programma Beter Benutten heeft naast de directe resultaten ook een structurele nalatenschap. De werkwijze gaat door in de diverse regionale Bereikbaarheidsprogramma’s, de MIRT-werkwijze en de activiteiten op het gebied van slimme en duurzame mobiliteit.

Luchtvaart

Voor de internationale luchtvaart stond 2018 in het teken van de implementatie van het mondiale systeem voor compensatie en reductie van CO2-emissies (CORSIA). Nederland heeft een Europees afgestemde inhoudelijke reactie ingebracht bij de International Civil Aviation Organization. Ook heeft Nederland aangegeven welke afwijkingen er op dit moment bestaan tussen de regels van het nieuwe systeem en de reeds bestaande praktijk van het huidige emissiehandelssysteem in Europa. Op nationaal niveau is door IenW gewerkt aan de implementatie van het mondiale systeem in samenwerking met het Ministerie van EZK, met de uitvoeringsorganisatie NEa en met de luchtvaartsector. Dit betekent dat per 1 januari 2019 de Nederlandse maatschappijen konden starten met het meten van de CO2-emissies van al hun internationale vluchten. Dit is noodzakelijk om uiteindelijk invulling te kunnen geven aan CORSIA.

In 2018 is in het kader van de Luchtvaartnota en de adviezen van de Omgevingsraad Schiphol een breed participatietraject ingericht om maatschappelijke issues rondom luchtvaart op te halen. In 2018 zijn tevens belangrijke mijlpalen gezet in voorbereiding op het wettelijk verankeren van het Nieuw Normen- en handhavingsstelsel. De feitenbasis hiervoor betreft diverse onderzoeken op het gebied van veiligheid, geluid en economie, deze feitenbasis is in 2018 grotendeels afgerond. Daarnaast is het plafond van nachtvluchten op Schiphol van 32.000 vliegtuigbewegingen per jaar verankerd in het Luchthavenverkeersbesluit Schiphol.

Het kabinet wil Lelystad Airport ontwikkelen als overloopluchthaven voor vakantievluchten van Schiphol, zodat op Schiphol ruimte kan worden geboden om het (inter)continentale netwerk te versterken. Er is een verkeersverdelingsregel ontwikkeld om te voorkomen dat de capaciteit op Lelystad Airport beschikbaar komt voor vluchten die niet zijn verplaatst van Schiphol naar Lelystad Airport en om op Schiphol de vrijgekomen capaciteit te reserveren voor het verkeer dat het netwerk versterkt. Deze regel is genotificeerd bij de Europese Commissie maar werd door de Europese Commissie strijdig geacht met EU-regelgeving.

Op 21 februari 2018 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de gewijzigde planning voor Lelystad Airport16. Aangegeven is dat een aantal stappen genomen moet worden, waaronder het wijzigen van het Luchthavenbesluit. Op 14 december heeft het kabinet ingestemd met het verder in procedure brengen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Luchthavenbesluit Lelystad. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd.17.

In oktober 2018 is de Proefcasus Eindhoven Airport van start gegaan waarbij (innovatieve) maatregelen worden verkend voor een duurzame ontwikkeling van Eindhoven Airport in een gezonde leefomgeving. De Proefcasus heeft een looptijd tot 1 april 2019. Er zal vervolgens een advies worden uitgebracht over het toekomstperspectief van Eindhoven Airport na 2019. De omgeving, maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven, Rijk en regio zijn nauw bij dit proces betrokken.

Het Nederlandse luchtruim is een zeer druk bevlogen luchtruim waar onvermijdelijk sprake is van conflicterende belangen en uiteenlopende wensen van bestuurders, luchtruimgebruikers en andere belanghebbenden. Binnen het project Luchtruimherziening is afgelopen jaar gewerkt aan de opzet en de aanpak van de herziening en is de onderzoeksfase gestart waarin het ophalen en in beeld brengen van de behoeften en knelpunten van de betrokkenen centraal stond. In het najaar is er een Gateway review uitgevoerd op de aanpak van het project. Ook is een quickscan opgesteld met een analyse van het Nederlandse luchtruim in relatie tot omliggende landen. In december is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang en is het projectplan vastgesteld. Hierin is de aanpak van het project, geïnspireerd op de MIRT-aanpak, gepresenteerd. De eerste stap daarvoor is een Startbesluit in april 2019; dat sluit de onderzoeksfase af en start de verkenningsfase.

Maritiem en vaarwegen

Er is ook in 2018 gewerkt aan de vaarweginfrastructuur. De overnachtingshavens bij Haaften en Tuindorp aan de Waal zijn opgewaardeerd en opengesteld. Ook is de sluis bij Limmel op de Maas opgeleverd. Daarnaast is een startbeslissing genomen voor de opwaardering van de bruggen Oude Schouw, Spannenburg, Uitwellingerga op de hoofdvaarweg Lemmer-Delfzijl. Vanwege intensief gebruik en veroudering is in 2018 de Nijkerkerbrug gerenoveerd. Ook zijn afspraken gemaakt over het starten van een volgende (vierde) tranche voor 17 vervanging- en renovatieprojecten.

In 2018 zijn in de International Maritime Organization voor de zeevaart klimaatdoelen vastgesteld, waarmee ook de zeevaart invulling geeft aan de klimaatdoelen van Parijs. De absolute CO2-uitstoot van de zeevaart moet in 2050 ten minste zijn gehalveerd ten opzichte van 2008.

In 2018 is gewerkt aan een Green Deal Zeevaart, Binnenvaart en Havens (voorziene afronding in juni 2019). In de Green deal worden afspraken gemaakt tussen overheid en bedrijfsleven over acties ter verduurzaming van de scheepvaart.

In 2018 trad ook de beleidsregel experimenten vergaand geautomatiseerd varen rijksvaarwegen in werking. Deze beleidsregel verduidelijkt de voorwaarden en kaders waarbinnen experimenten met één of meerdere geautomatiseerde toepassingen mogelijk zijn. Experimenteeraanvragen kunnen worden ingediend bij het Loket Smart Shipping.

Om een einde te maken aan het varend ontgassen van binnenvaartschepen, is in 2017 een wijziging van het Scheepsafvalsoffenverdrag tot stand gekomen. In 2018 is deze verdragswijziging in Nederland geratificeerd en is gewerkt aan de implementatie ervan. De totstandkoming van de wetgeving plus de benodigde praktische voorzieningen wordt afgestemd met provincies en bedrijfsleven in de Taskforce ontgassen.

Goederenvervoer en logistiek

Om Nederland in beweging te houden en goederenvervoer duurzaam en efficiënt af te wikkelen, is samen met de partners binnen de Topsector Logistiek extra ingezet op logistieke optimalisatie en duurzaamheid. Zo is op verschillende wijzen gewerkt aan duurzame en naadloze afwikkeling van synchromodale goederenstromen. In de goederencorridors Oost en Zuidoost zijn corridorgerichte afspraken gemaakt over bovengemiddelde knooppuntontwikkeling, doorstroming op goederencorridors, service voor gebruikers en duurzaamheid. Het betreft dan o.a. toekomstige realisatie Railterminal Gelderland, korte termijnpakket maatregelen doorstroming A15, toekomstige uitbreiding truckparkings en het voorbereiden van een dekkend netwerk schone brandstoffen voor vervoer over weg en water. En met de publicatie van de digitale transport strategie goederenvervoer is een kader neergezet voor acties die de komende periode moeten leiden tot een wetgevend kader dat papierloos transport mogelijk maakt en overheden stimuleert om als één overheid naar de markt te opereren. De strategie is eind november aan de Tweede Kamer aangeboden.18

In juni 2018 is het Maatregelenpakket Spoorgoederenvervoer aan de Tweede Kamer aangeboden. Het kabinet wil het gebruik van stillere goederentreinen en de Betuweroute stimuleren om de omgevingseffecten langs andere routes zoveel mogelijk te beperken. De spoorwegen (en de binnenvaart) kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het beperken van toenemend goederenvervoer over de weg en het beperken van uitstoot. Om het goederenvervoer te stimuleren wil het kabinet ook de gebruiksvergoeding in de pas laten lopen met die in de buurlanden.

Gezonde en veilige leefomgeving

Luchtkwaliteit

De afgelopen jaren is de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Desondanks resteerden enkele knelpunten in binnensteden en in gebieden met intensieve veehouderij. Er is samen met de decentrale overheden een aanvullend maatregelenpakket samengesteld om ook op deze plaatsen te kunnen voldoen aan de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. Ook wanneer de overschrijdingen zijn opgelost, kunnen zich gezondheidsrisico’s voordoen door luchtverontreiniging. Het streven is een permanente verbetering van de luchtkwaliteit te realiseren, en zo toe te werken naar de WHO-advieswaarden. In 2018 is samen met andere overheden, belangenorganisaties en bedrijfsleven gewerkt aan de voorbereiding voor het Schone Lucht Akkoord. Dit akkoord wordt naar verwachting in 2019 afgerond. Daarnaast zijn, na overleg met gemeenten, VNG, bedrijfsleven en belangenorganisaties, de contouren voor de harmonisatie van milieuzones op 29 juni aan de Tweede Kamer aangeboden19. Met dit eenvoudige, handhaafbare en voorspelbare systeem van milieuzones worden de belangen van de weggebruiker en het belang van een goede luchtkwaliteit op een doeltreffende manier met elkaar in balans gebracht. Het systeem wordt naar verwachting in 2019 vastgesteld en wordt vanaf 1 januari 2020 van kracht.

Geluid en bodem

IenW is verantwoordelijk voor de aanvullingssporen geluid en bodem van de Omgevingswet. De Aanvullingswetten bodem en geluid zijn in 2018 aan de Tweede Kamer aangeboden; de Aanvullingswet bodem is ook door de Tweede Kamer aangenomen. Voor het bijbehorende aanvullingsbesluit heeft de internetconsultatie plaatsgevonden.

Voor de sanering van het terrein en de gebouwen op het voormalige Thermphos-terrein in Zeeland is in april 2018 mede door IenW samenwerkingsovereenkomst gesloten die een structuur gaat bieden voor de onderlinge samenwerking bij de sanering.

Waterkwaliteit

De Delta-aanpak Waterkwaliteit is bestuurlijk versterkt door de instelling van drie versnellingstafels voor de prioritaire onderwerpen: de landbouwtafel (meststoffen en gewasbescherming), de stoffentafel (opkomende stoffen en medicijnresten) en de brede tafel (met verbindende acties zoals Kaderrichtlijn Water, analyses, kennisimpuls en communicatie).

In 2018 is het uitvoeringsprogramma «Aanpak opkomende stoffen in water» opgesteld. Dat leidt onder meer tot een pilot waarin 70 watervergunningen worden doorgelicht, als mogelijke opmaat voor een grootschaliger doorlichting van vergunningen. Er wordt een opleidingsprogramma voorbereid voor vergunningsverleners Water bij alle bevoegde gezagen, met als doel de vergunningverleningspraktijk voor industriële lozingen te verbeteren. Ook is met alle ketenpartners het uitvoeringsprogramma «medicijnresten uit water» ondertekend met maatregelen van bron tot zuivering. Eind 2018 is met middelen uit het regeerakkoord (envelop waterkwaliteit en natuur) de eerste pilot zuivering medicijnresten bij de rioolwaterzuivering van Aarle-Rixtel gestart.

Verder is in 2018 vanuit diezelfde envelop € 95 mln. beschikbaar gesteld voor de uitvoering van de verbetering van de waterkwaliteit in de Grevelingen, Markermeer en Eems-Dollard. De ambitie voor de grote wateren zullen worden vertaald naar concrete uitvoering van projecten tot 2031.

Tevens is de aanpak van (micro)plastics in rivieren in 2018 gestart. Daarbij wordt gekeken naar de bronnen, monitoringstechnieken en de mogelijkheden van afvangen.

Tenslotte is samen met de waterbeheerders, drinkwaterbedrijven en kennisinstituten in 2018 een start gemaakt met de uitvoering van de kennisimpuls waterkwaliteit. Het gaat om kennisontwikkeling en kennisdeling op het gebied van alle eerdergenoemde prioritaire onderwerpen. Ook hiervoor zijn middelen uit de envelop waterkwaliteit en natuur ingezet.

Asbest

Het actieprogramma «Programmatische aanpak asbestdaken» is in 2018 uitgevoerd. De Tweede Kamer is hier meermalen schriftelijk en mondeling over geïnformeerd20. Het wetsvoorstel, op basis waarvan het verbod op asbestdaken in de vorm van een Algemene Maatregel van Bestuur mogelijk wordt gemaakt, is op 16 oktober 2018 door de Tweede Kamer aangenomen. De Subsidieregeling verwijderen asbestdaken heeft het beoogde resultaat bereikt, namelijk de versnelling van het saneren van asbestdaken. In 2018 is 12,8 miljoen vierkante meter asbestdak verwijderd, waardoor van de in 2012 aanwezige 120 miljoen vierkante meter nu nog rond 69,2 miljoen vierkante meter resteert. Eind 2018 waren er zoveel aanvragen ingediend dat het totaal beschikbare bedrag van € 75 miljoen werd bereikt. Conform de motie Von Martels en Ziengs is in 2018 een landelijk asbestfonds aangekondigd voor eigenaren van asbestdaken die sanering van het dak niet kunnen financieren.21

Uitbannen van overige gevaarlijke stoffen

Nederland werkt in de EU aan een gezamenlijke aanpak van gevaarlijke stoffen, gericht op versnelling en completering van het stoffenbeleid. Op 14 mei 2018 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de resultaten van de review van de Europese REACH-verordening (Verordening inzake Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van Chemische stoffen) en over de appreciatie van die resultaten door de regering22. Voor cumulatieve blootstelling (combinatie-effecten) stelde de evaluatie teleur omdat daar door de Europese Commissie niet de noodzakelijke maatregelen werden aangekondigd om hier bij beoordeling van stoffen rekening mee te kunnen houden. De Commissiemededeling over een alomvattend kader voor hormoonverstorende stoffen ontbeert eveneens concreetheid; daarom heeft de Nederlandse regering zelf initiatief genomen om te komen tot een aanpak voor combinatie-effecten. Het RIVM heeft in 2017 een voorstel voor een systematiek gepubliceerd en na overleg met de Europese Commissie wordt dit nu verder uitgewerkt.

In het kader van een veilige petrochemische industrie (programma Duurzame Veiligheid 2030) zijn in 2018 onder meer de volgende concrete stappen gezet:

  • de Safety Delta Nederland is opgericht, een samenwerkingsverband waarin de betrokken partijen gezamenlijk werken om de Nederlandse (petro)chemie de veiligste ter wereld te maken.

  • er is een nulmeting gedaan naar de staat van de Nederlandse (petro)chemische assets.

  • er is een koersdocument opgesteld «Naar een robuust en toekomstbestendig Brzo-beleid», waarin verschillende acties zijn opgenomen om te komen tot een robuust en toekomstbestendig Brzo-stelsel. Ook is voortgebouwd op risicogestuurd toezicht bij Brzo-bedrijven.

  • In 2018 is het concept Just Culture (kort gezegd een open en rechtvaardige cultuur) uitgewerkt en geschikt gemaakt voor toepassing binnen de (petro)chemische industrie.

  • In 2018 is een lijst opgesteld van de 23 best practices in de chemieclusters in Nederland. Deze best practices worden op dit moment verder uitgewerkt.

Biotechnologie

In 2018 is invulling gegeven aan de acties die in de Kabinetsreactie Trendanalyse Biotechnologie23 zijn aangekondigd. De inzet daarbij is gericht op:

  • Europese agendering van de impasse ten aanzien van nieuwe plantveredelingstechnieken.

  • Europese agendering van de noodzaak tot beleidsmodernisering.

  • Stakeholders zijn betrokken bij het versterken van het veiligheidsdenken (Safe-by-Design).

Met stakeholders is een dialoog gevoerd over de wenselijke en mogelijke beleidskoers van gemoderniseerd beleid over veiligheid van biotechnologie, waarbij maatschappelijke waarden beter betrokken worden bij de afweging van nut en risico’s van specifieke biotechnologische toepassingen.

Ook is een begin gemaakt met het agenderen van de noodzaak om in EU-kader de Europese regelgeving voor genetisch gemodificeerde organismen aan te passen teneinde die veiligheid te waarborgen.

Vervoer gevaarlijke stoffen

Op 28 mei 2018 heeft de Staatssecretaris een overeenkomst (Safety Deal) met AkzoNobel gesloten om per 2021 de incidentele chloortransporten te beëindigen24. Dit vanuit de gedachte dat transport van gevaarlijke stoffen overbodig is als de productie van die gevaarlijke stof op de gebruikslocatie plaatsvindt. Met deze overeenkomst worden drie doelen gediend:

  • het beëindigen van de incidentele chloortransporten,

  • het fysiek wegnemen van de laad- en losinstallatie voor chloor,

  • het aanpassen van de opslag van chloor (reduceren van de maximale effectafstanden).

De investeringen die verband houden met het beëindigen van de incidentele chloortransporten dragen tevens bij aan de leveringszekerheid ten behoeve van de afnemers en verwerkers van chloor in het Botlekgebied.

Versterken veiligheid in de leefomgeving: vuurwerk

Op 8 juni 2018 is de kabinetsreactie verschenen op het rapport van de Ovv «Veiligheidsrisico’s jaarwisseling». In de reactie is een landelijke aanpak van de jaarwisselingsproblematiek aangekondigd. De landelijke aanpak heeft betrekking op de maatregelen van de rijksoverheid en op de ondersteunende activiteiten van de VNG ten behoeve van de lokale aanpak van gemeenten. Vanuit IenW zijn de belangrijkste resultaten: de aanpassing van de regelgeving waarmee de aangekondigde verplichting tot levering en gebruik van standaards voor vuurpijlen tijdig voor de jaarwisseling 2018/2019 is gerealiseerd. Daarnaast is door IenW de wederom de publiekscampagne voor veilig gebruik van vuurwerk gesubsidieerd. De ILT heeft een belangrijke rol met betrekking tot de vuurwerkproducten en heeft ook de vuurpijlstandaards getest.

Duurzame agro

In 2018 heeft vooral de problematiek omtrent combiluchtwassers voor het reduceren van geur uit stallen veel aandacht gekregen. Uit onderzoek van de Wageningen University & Research bleek dat deze luchtwassers in de praktijk veel minder goed presteren dan op papier. In juli 2018 is de regelgeving aangepast aan de bevindingen van het onderzoek. Verder is mede op verzoek van de provincies medewerking verleend aan het realiseren van een proefstalregeling voor geur, zodat de ontwikkeling van nieuwe technieken bevorderd kan worden. Daarnaast is de Commissie Biesheuvel in het leven geroepen die adviseert over maatregelen voor de korte termijn in situaties waar sprake is van een grote geurbelasting, en over het geurbeleid op lange termijn. Het advies wordt in februari 2019 verwacht.

IenW over de grens

IenW in het Caribisch deel van het Koninkrijk

IenW heeft, mede naar aanleiding van de orkanen uit 2017, gewerkt aan een bereikbaar en leefbaar Caribisch Nederland. Op Saba is een project gestart om met de wederopbouwmiddelen en met de beschikbaar gestelde regio-envelopmiddelen de haven groter en veiliger te bouwen. In 2018 is onderzoek uitgevoerd naar de connectiviteit (met een vervolg in 2019). De landingsbaan van Saba is gerenoveerd en de pieren van de haven van Bonaire zijn hersteld. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd naar welke maatregelen nodig zijn om de erosie op Sint Eustatius te stoppen. Uitbreiding c.q. aanpassing van de haven en bescherming van de kuststrook hangen nauw samen. In overleg met Sint Eustatius zal een keuze tussen de diverse voorstellen worden gemaakt, waarna de uitvoering van start gaat, ook aan de luchthavenzijde. Vanuit Bonaire en Sint Eustatius zijn plannen ingediend om de wegen te verbeteren. IenW heeft geïnvesteerd in betrouwbaar drinkwater; subsidies zijn verstrekt aan de eilanden om het drinkwater betaalbaar te houden en op Saba is geïnvesteerd in een transportsysteem voor drinkwater. Verder zijn de eilanden ondersteund in het ontwikkelen van afvalbeleid; in het geval van Bonaire ook specifiek op asbest- en vuurwerkbeleid. Bonaire en de ministeries van IenW, EZK en BZK werkten in 2018 samen aan oplossingen van de brandstofopslagproblemen, incidenteel en structureel.

Brexit

In 2018 heeft de aanstaande Brexit veel inzet gevraagd. Rijksbreed zijn de mogelijke gevolgen in kaart gebracht en zijn contingencymaatregelen voorbereid op basis van een harde Brexit. Door IenW is een aandeel geleverd in de rijksbrede Brexitwet met o.a. voorzieningen voor rijbewijzen en documenten voor goederenvervoer. Ook zijn er, om eventuele verkeersproblemen rond de havens te voorkomen, in 2018 verschillende (crisis)oefeningen voorbereid die begin 2019 uitgevoerd zullen worden.

Realisatie beleidsdoorlichtingen

Art.

Naam artikel(onderdeel)

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Geheel artikel?

Vindplaats

11

Integraal waterbeleid

Waterkwantiteit

waterkwaliteit

   

X

       

Ja

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-442254

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32861–16.html

13

Ruimtelijke ontwikkeling

   

X

       

Ja

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32861–6.html

14

Wegen en verkeersveiligheid

         

X

 

Ja

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32861–27.html

15

OV-keten

   

X

       

Ja

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-442259

16

Openbaar vervoer en spoor

           

X

Ja

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32861–41

17

Luchtvaart

         

X

 

Ja

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32861–28.html

18

Scheepvaart en havens

X

     

X

   

Ja

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32861–2.html

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32861–22.html

19

Klimaat

           

X

Ja

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30991–34.html

20

Lucht en geluid

Geluid

Opzet Lucht

       

X

   

Nee

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32861–17.html

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30175–269.html

21

Duurzaamheid

   

X

       

Ja

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32861–17.html

22

Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s

           

X

Ja

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32861–42.html

23

Meteorologie, Seismologie en aardobservatie

Opzet

             

Ja

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32861–34.html

24

Handhaving en toezicht

Opzet

             

Ja

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32861–32.html

Het meest recente overzicht van de programmering van beleidsdoorlichtingen is te vinden op de website van de rijksbegroting25.

Voor de realisatie van andere onderzoeken zie de bijlage «afgerond evaluatie- en overig onderzoek» (bijlage 2).

Toelichting:

De beleidsdoorlichting van het artikel 23 meteorologie, seismologie en aardobservatie en het artikel 24 handhaving en toezicht is geprogrammeerd voor 2019. De beleidsdoorlichting luchtkwaliteit (artikel 20) is geprogrammeerd voor 2019.

Overzicht garanties en achterborgstellingen

In het overzicht van risicoregelingen worden garanties en/of achterborgstellingen opgenomen die een departement verstrekt aan derden buiten de sector Overheid. Het Ministerie van IenW heeft één in 2016 beëindigde garantieregeling, te weten het Borgstellingkrediet Bodemsanering MKB, waarvan de lopende regelingen worden beheerd tot einde looptijd (2027). Het betrof de mogelijkheid voor een ondernemer in het midden- en kleinbedrijf, met onvoldoende middelen of te weinig zekerheden voor krediet bij een bank, om een borgstelling voor een gedeelte van het benodigde budget voor bodemsanering aan te vragen.

Een garantie is een voorwaardelijke financiële verplichting van de overheid aan een derde buiten de overheid, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet. Door het vervallen van garanties in 2018 is het uitstaande risico voor IenW afgenomen.

Invulling aangescherpte garantiekader

Het Borgstellingkrediet Bodemsanering MKB is in 2016 beëindigd. In de kabinetsreactie op het rapport van de Commissie Risicoregelingen is het garantiekader aangescherpt (Kamerstukken II 2013–2014, 33 750, nr. 13). Eén van de doelen is het afbouwen van niet-gebruikte plafonds en het stopzetten van slapende regelingen. Overeenkomstig de aankondiging in de Begroting 2016 heeft er in 2016 een evaluatie plaatsgevonden naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling bijzondere financiering Borgstellingkrediet Bodemsanering MKB. De conclusie van de evaluatie, uitgevoerd door EY, is dat hoewel de regeling bodemsaneringsborgstellingskrediet complementair is aan andere regelingen op het gebied van bodemsaneringen, de relevantie van de regeling gering is. In het MKB is beperkt behoefte aan een borgstellingskrediet voor bodemsanering. Wijzigingen in het bodembeleid en de komst van subsidieregelingen in 2006 (waaronder de bedrijvenregeling en cofinanciering), hebben ertoe geleid dat de relevantie van de regeling is afgenomen. Het Borgstellingkrediet Bodemsanering MKB is mede naar aanleiding van deze evaluatie in 2016 beëindigd.

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2017

Verleend 2018

Vervallen 2018

Uitstaande garanties 2018

Garantieplafond

Totaal plafond

Totaalstand risicovoorziening

Artikel 13

MKB Krediet

363

 

34

329

0

0

0

 

Totaal

363

0

34

329

0

0

0

Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2017

Ontvangsten 2017

Saldo 2017

uitgaven 2018

Inkomsten 2018

Saldo 2018

Totaalstand mutatie volume risicovoorziening t en t-1

Artikel 13

MKB Krediet

0

0

0

0

0

0

 
 

Totaal

0

0

0

0

0

0

 

4 BELEIDSARTIKELEN

Artikel 11 Integraal Waterbeleid

Algemene Doelstelling

Het op orde houden van een duurzaam watersysteem tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten, waardoor Nederland droge voeten heeft, over voldoende zoetwater beschikt en schoon (drink)water heeft en kan blijven gebruiken, nu en in de toekomst.

(Doen) uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

Vanuit de begroting Hoofdstuk XII wordt bijgedragen aan het Deltafonds (zie extracomptabele verwijzingen). Vanuit het Deltafonds worden maatregelen en voorzieningen op het gebied van waterveiligheid (artikel 1), zoetwatervoorziening (artikel 2), beheer, onderhoud en vervanging (artikel 3) en waterkwaliteit (artikel 7) bekostigd. De rol (doen) uitvoeren heeft betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterveiligheid, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit en waterkwantiteit:

  • Waterveiligheid. Het waarborgen van de bescherming door primaire waterkeringen langs het kust- en IJsselmeergebied en de rivieren volgens het wettelijk niveau; alsmede het dynamisch handhaven van de kustlijn, conform herziene basiskustlijn 2012 en handhaving kustfundament.

  • Waterveiligheid en Zoetwatervoorziening. Het (doen) uitvoeren van verkenningen en planuitwerkingen.

  • Waterveiligheid en Waterkwaliteit. Het (doen) uitvoeren van aanlegprojecten, zoals het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP), Ruimte voor de Rivier, de Maaswerken (alle waterveiligheid) en het Verbeterprogramma Waterkwaliteit Rijkswateren (waterkwaliteit).

  • Waterveiligheid, Waterkwantiteit en Waterkwaliteit. Het (doen) uitvoeren van beheer, onderhoud en vervanging.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het integrale waterbeleid, voor het Deltaprogramma en het toezicht op de uitvoering van de gerelateerde wet- en regelgeving. Ook is de Minister verantwoordelijk voor het verbeteren van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de bestuurlijke organisatie en het instrumentarium ten behoeve van het waterbeleid. De rol «regisseren» heeft in dit artikel betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterkwantiteit, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit en innovatie en exportbevordering.

  • Waterkwantiteit en Zoetwatervoorziening. Het zorgen voor het ontwikkelen en implementeren van integraal waterbeleid in een aanpak gericht op de gebieden met grote Rijkswateren. Het realiseren van een maatschappelijk afgewogen verdeling van water en het daartoe zo te beheren hoofdwatersysteem dat wateroverlast en -tekort worden voorkomen. Het zorgen voor kaders en instrumentarium voor regionale afwegingen om het regionale watersysteem op orde te brengen en te houden. Deze aanpak is onder andere terug te vinden in het Nationaal Waterplan 2016–2021 en het Beheer- en Ontwikkelprogramma voor de Rijkswateren 2016–2021.

  • Waterkwaliteit. Het ontwikkelen van beleid ten behoeve van het bereiken van een goede ecologische en chemische waterkwaliteit van de oppervlaktewateren in de Rijkswateren van de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde, Eems. De uitvoering gericht op het behalen van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden conform de voorschriften zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Water (KRW), om in drie planperiodes uiterlijk in 2027 aan de Europese verplichtingen te voldoen.

  • Nederlands deel van de Noordzee. Het gaat hier om het ontwikkelen van beleid en het nemen van maatregelen voor het bereiken van een gezonde zee met een duurzaam gebruik in het Nederlandse deel van de Noordzee. Dit gebeurt in samenwerking en samenhang met de andere Noordzeelanden, conform de vereisten zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. De coördinerende verantwoordelijkheid voor de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) ligt bij de Minister van IenW, tezamen met de Minister van EZK voor zover het aangelegenheden betreft die mede tot zijn verantwoordelijkheid behoren.

  • Innovatie en exportbevordering. Het ontwikkelen van beleid, onder andere ten behoeve van de Topsector Water, gericht op het ontwikkelen van kennis, het bevorderen van innovatie en het versterken van de samenwerking tussen het bedrijfsleven, de kennisinstellingen en de overheid (de gouden driehoek) om de internationale concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven te versterken. Hierbij wordt een sterke thuismarkt (kennis en innovatie) gekoppeld aan een concurrerend Nederland in het buitenland. Voor dit laatste gaat het daarbij onder meer om het ontvangen van buitenlandse delegaties en het organiseren en uitvoeren van bilaterale handelsmissies.

  • Daarnaast regisseert de Minister de afstemming van het waterbeheer met de landen rondom de Noordzee en met de buurlanden bovenstrooms gelegen in de stroomgebieden van Rijn, Maas, Schelde en Eems.

  • Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op de beleidsterreinen waterkwantiteit en waterkwaliteit (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Waterkwantiteit

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor waterkwantiteit opgenomen. In productartikelen 1, 2 en 3 van het Deltafonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Ongeveer 60% van ons land zou regelmatig onder water staan als er geen dijken en duinen zouden zijn. In dit gebied wonen negen miljoen mensen en wordt 70% van ons BNP verdiend. Maatschappelijk gezien is aandacht voor de waterveiligheid dus van cruciaal belang voor de leefbaarheid en de economie van Nederland (Kamerstukken II, 2015–2016, 34 436, nr. 3).

Indicator één en twee: waterveiligheid (droge voeten)

Onderstaande indicatoren geven weer hoe het is gesteld met het aantal kilometers dijken en duinen en het aantal kunstwerken die zorgen voor waterveiligheid in Nederland. De cijfers zijn gebaseerd op de toetsronden uit 2001, 2006, 2011 en de verlengde derde toetsing uit 2014. Conform de Waterwet wordt periodiek getoetst of de primaire waterkeringen voldoen aan de wettelijke veiligheidsnormen. Deze toetsing wordt door de beheerder uitgevoerd volgens het door de Minister vastgestelde wettelijk toetsinstrumentarium. Indien een kering niet aan de norm voldoet, worden maatregelen getroffen.

In 2013 is de Verlengde Derde Toetsronde Primaire Waterkeringen (LRT3+) gehouden. Deze toetsing kwam voort uit de derde toetsing uit 2011, met als bedoeling om zoveel mogelijk de categorie die bij de derde toetsing het oordeel «nader onderzoek nodig» had gekregen weg te werken. In 2014 is hierover aan de Tweede Kamer gerapporteerd met als belangrijkste conclusie dat voor circa 80% van de dijken en duinen het oordeel «nader onderzoek nodig» nu is omgezet in een definitief oordeel, wat eveneens geldt voor bijna 70% van de kunstwerken (Kamerstukken II 2013–2014, 31 710, nr. 32). De waterkeringen en kunstwerken die bij de laatst gehouden toetsing niet aan de toen vigerende norm voldeden, worden in de nabije toekomst versterkt. Ongeveer de helft hiervan heeft reeds een plek in lopende verbeterprogramma’s, zoals HWBP-2, Ruimte voor de Rivier en Maaswerken. De overige afgekeurde keringen uit de derde en verlengde derde toetsing krijgen een plek in het (nieuwe) hoogwaterbeschermingsprogramma(HWBP), mits wordt voldaan aan de subsidiecriteria. In 2017 is de nieuwe ronde beoordelen op veiligheid gestart, gebaseerd op de nieuwe normering (Kamerstukken II, 2015–2016, 34 436, nr. 2). Over de resultaten van deze beoordeling wordt in 2023 gerapporteerd aan de Eerste en Tweede Kamer.

In 2018 zijn de HWBP-2 projecten Waddenzeekering Ameland en Ipersloter-en Diemerdammersluizen opgeleverd en is de realisatie van de dijkversterking Hoorn-Edam-Amsterdam gestart. Tevens is het laatste grote project (Markermeerdijken) in uitvoering genomen.

Voor het HWBP zijn 13 projecten afgerond en 5 nieuwe projecten opgestart.

Dijken en duinen (km)

Dijken en duinen (km)

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2014

Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in aantallen)

Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in aantallen)

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2014

Indicatoren Watermanagement

Indicator

Realisatie 2017

Streefwaarde 2018

Realisatie 2018

RWS verstrekt informatie binnen afgesproken termijn en van voldoende kwaliteit bij maatschappelijk vitale processen.

100 %

95%

99%

Tot en met 2017:

     

– Beschikbaarheid streefpeilen voor Noordzeekanaal/Amsterdam-Rijnkanaal, IJsselmeer en Haringvliet

100%

 

– De spuiende kunstwerken en stuwen kunnen te allen tijde worden geopend

99,8%

 

Vanaf 2018:

     

– Waterhuishouding op orde in alle peil gereguleerde Rijkswateren

100%

98%

Toelichting

De indicatoren voor de uitvoering van de RWS-taken op het gebied van watermanagement zijn geënt op het leveren van snelle en betrouwbare informatie en op het handhaven van de afgesproken peilen.

De eerste indicator geeft aan of de informatie, die nodig is voor een adequaat watermanagement bij hoogwater, laagwater (droogte) en normale omstandigheden, voldoende snel en goed wordt geleverd. De informatievoorziening voldeed in 2018 aan de norm.

Voor de 2e indicator is in het kader van de nieuwe prestatieafspraken tussen het ministerie en Rijkswaterstaat gekozen voor een nieuwe, bredere indicator die beter aansluit bij de beleidsdoelstellingen voor de waterhuishouding van het Hoofdwatersysteem.

De nieuwe indicator toont in hoeverre de «Waterhuishouding op orde» is, door de functievervulling van vier onderliggende hoofdwatersysteemfuncties te meten, namelijk:

  • Peilhandhaving Kanalen en meren; geeft aan of voldaan is aan de peilen zoals afgesproken in Waterakkoorden en Peilbesluiten.

  • Hoogwaterbeheersing Kanalen; geeft aan of de objecten voor het verwerken van hoogwater binnen de afgesproken termijn beschikbaar waren in tijdsvensters met groot waterbezwaar.

  • Wateraanvoer bij droogte; geeft aan of de infrastructuur voor de wateraanvoer (o.a. stuwen, spuien, sifons en gemalen) beschikbaar was in de tijdvensters met droogte.

  • Verziltingsbestrijding; geeft aan of voldaan is aan de chloridegehaltes zoals afgesproken in Waterakkoorden.

De totaalscore voor deze indicator is 98%. Twee van de vier onderdelen scoren 100%, dit zijn Wateraanvoer bij Droogte en Hoogwaterbeheersing. Peilhandhaving Kanalen en meren Wateraanvoer bij Droogte scoort 99%. De score voor verziltingsbestrijding is 93% en voldoet daarmee niet aan de norm. Het niet voldoen aan de norm doet zich voor in de volgende watersystemen: Amsterdam – Rijnkanaal, Noordzeekanaal, Markermeer en IJsselmeer.

De oorzaken waardoor niet aan de afgesproken chloridegehaltes is voldaan zijn extreme warmte en droogte en zeer lage rivierafvoeren in het 2e halfjaar 2018.

Binnen Rijkswaterstaat zijn verschillende beheermaatregelen genomen om de verzilting zo goed mogelijk tegen te gaan. Voorbeelden hiervan zijn:

  • zuinig schutten, afdichten sluisdeuren

  • extra bellenscherm geïnstalleerd in het Amsterdam-Rijnkanaal

Daarnaast is een uitgebreide evaluatie van de droogte in 2018 gestart. De resultaten worden in de eerste helft van 2019 verwacht.

Waterkwaliteit (schoon (drink)water)

Conform de Kaderrichtlijn Water wordt iedere 6 jaar gerapporteerd over de toestand van het water. Hierbij wordt in detail ingegaan op de ecologische en chemische kwaliteit van de oppervlaktewateren en het bereiken van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en Eems. Dit is voor het laatst in 2015 gebeurd (bijlage bij Kamerstuk 31 710, nr. 45). De Tweede Kamer wordt jaarlijks geïnformeerd over de waterkwaliteit via «De Staat van Ons Water»26 (Kamerstuk 27 625, nr. 424). Daarnaast worden de beschikbare gegevens over de waterkwaliteit op verzoek van de Minister van IenW jaarlijks in het Compendium voor de Leefomgeving jaarlijks nader uitgewerkt en gepresenteerd door het Planbureau voor de Leefomgeving27. Tot slot is de Tweede Kamer geïnformeerd over de kwaliteit van het drinkwater in Nederland (Kamerstukken, 27 625, nr. 458).

Integraal waterbeleid

Over de voortgang van het integraal waterbeleid wordt vanaf 2016 jaarlijks gerapporteerd in «De Staat van Ons Water». Meer specifieke resultaatinformatie over het waterkwantiteitsbeleid wordt jaarlijks door de waterschappen gepubliceerd in de «Waterschapsspiegel».

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen en liggen op koers. Het betreft financiering van het werk aan de Kaderrichtlijn Water, Grote Wateren en de Delta-aanpak Waterkwaliteit en Zoetwater. Deels wordt dit ook bekostigd vanaf het Deltafonds. Er zijn geen grote afwijkingen of een noodzaak tot bijstelling aan het licht gekomen. Dit blijkt ook uit «De Staat van Ons Water»28 en de brief voor het Wetgevingsoverleg Water van november 2018 over de voortgang van de waterkwaliteitsdossiers (Kamerstukken II 2018–2019, 35 000, nr. 7).

Voor wat betreft het realiseren van de doelstelling «droge voeten» zijn beheerders volop aan de slag met het beoordelen van de primaire waterkeringen en zijn nieuwe projecten geprogrammeerd in het hoogwaterbeschermingsprogramma. Het HWBP richt zich na een opstartfase nu volop op de uitvoering. De primaire keringen in Nederland worden tussen 2017 en 2023 beoordeeld met het Wettelijke Beoordelingsinstrumentarium 2017 op basis van de nieuwe normen. De beoordelingsronde loopt op schema. Over de uitkomsten wordt de Kamer aan het eind van de lopende beoordelingsronde rapporteren.

Op 31 oktober jl. zijn aanvullende afspraken op het Bestuursakkoord Water (BAW) ondertekend (Kamerstukken II 2018–2019, 35 000-J, nr. 7), met onder andere afspraken op het gebied van cybersecurity.

In april 2018 is het Uitvoeringsprogramma van de Nationale klimaatadaptatiestrategie (UP NAS 2018–2019) aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2017–2018, 31 793, nr. 181) Hierin zijn zes speerpunten benoemd: Hittestress, Infrastructuur, Landbouw, Natuur, Gebouwde omgeving en Samenwerken aan provinciale en regionale strategieën en visies. Met betrekking tot het speerpunt hittestress is in juni 2018 een groot nationaal congres georganiseerd om dit onderwerp beter op de kaart te zetten. Op de speerpunten natuur en op landbouw wordt onder leiding van het Ministerie van LNV gewerkt aan het ontwikkelen van actieprogramma’s. Het Ministerie van BZK geeft samen met het Ministerie van IenW uitwerking aan het speerpunt Gebouwde Omgeving. Het UP NAS is aanvullend op het Deltaprogramma en heeft vooral een sectorale insteek.

Ter uitvoering van de Deltabeslissing uit 2014 is de afgelopen jaren door alle partijen in het gebied een nieuw Peilbesluit IJsselmeergebied ontwikkeld. Met dit Peilbesluit kan extra water worden vastgehouden, zodat ook in tijden van droogte voldoende zoet water beschikbaar blijft. In plaats van een vast zomerpeil komt er een bandbreedte waarbinnen het peil mag bewegen. Dit sluit bovendien beter aan bij de natuurlijke situatie: een hoger peil in het voorjaar en een lager peil aan het einde van de zomer. Vanwege de waterveiligheid en de scheepvaart zal het waterpeil in de winter niet veranderen.

In 2018 is verder uitvoering gegeven aan het meerjarenprogramma Partners voor Water (PvW) 2016–202129. Naast de totstandkoming van de landenaanpak op het gebied van waterveiligheid en waterzekerheid in de deltalanden, zoals in Mozambique, Vietnam en Myanmar, is er uitvoering gegeven aan thematische projecten, zoals de projecten Manilla Bay in de Filipijnen en Kingfisher in Zuid-Afrika. Verder is in 2018 het Partners Voor Water-instrument, inclusief het subsidie-instrument, beter verbonden met het overige instrumentarium. Zo werd verder uitvoering gegeven aan de pilot collectief programmeren om synergie en logische aansluiting met andere instrumenten te stimuleren door in 2018 de Taskforce Financiering IWC in het leven te roepen.

Eindevaluaties Zandmaas/Grensmaas en Ruimte voor de Rivier

Als onderdeel van de procedure die leidt tot beëindiging van de groot project status zijn in 2018 de eindevaluaties voor de grote projecten Zandmaas/Grensmaas en Ruimte voor de Rivier (Kamerstukken II 2017–2018, 18 106, nr. 242) aan de Kamer aangeboden.

Uit de eindevaluaties blijkt dat beide programma’s hun doelstellingen, binnen het toegekende budget, en voor het grootste deel binnen de van tevoren opgestelde planning hebben behaald. Het rivierengebied is door uitvoering van beide programma’s veiliger geworden en economisch, ecologisch en landschappelijk versterkt. Er is meerwaarde gecreëerd voor bewoners, recreanten, bedrijfsleven en natuur.

De regering geeft uitvoering aan de aangenomen motie De Groot (Kamerstukken II 2017–2018, 35 000 J, nr. 12) om te onderzoeken hoe in het Hoogwaterbeschermingsplan de lessen uit de evaluatie van Ruimte voor de Rivier kunnen worden meegenomen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 Integraal waterbeleid (x € 1.000)
         

Realisatie

Vastgestelde Begroting

Verschil

 
 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

 

Verplichtingen

40.756

32.289

54.638

89.248

36.485

33.076

3.409

1

Uitgaven

40.075

34.852

48.869

50.701

44.251

45.789

– 1.538

 

11.01 Algemeen waterbeleid

34.016

29.857

36.167

38.330

33.035

34.677

– 1.642

 

11.01.01 Opdrachten

1.527

2.147

6.629

8.624

5.022

6.556

– 1.534

2

11.01.02 Subsidies

11.809

8.722

11.358

9.545

12.700

12.632

68

 

– Overige Subsidies

21

125

50

294

1.940

1.030

910

 

– Partners voor Water (HGIS)

11.788

8.597

11.308

9.251

10.760

11.602

– 842

 

11.01.03 Bijdragen aan agentschappen

19.908

18.169

17.325

19.374

15.263

15.489

– 226

 

– Waarvan bijdrage aan agentschap KNMI

558

526

524

500

722

460

262

 

– Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

19.350

17.643

16.801

18.874

14.541

15.029

– 488

 

11.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

772

819

855

787

50

0

50

 

11.02 Waterveiligheid

3.225

2.788

3.001

3.057

2.584

3.011

– 427

 

11.02.01 Opdrachten

3.225

2.788

3.001

3.057

2.584

3.011

– 427

 

11.03 Grote oppervlaktewateren

2.834

2.207

2.575

2.390

2.303

2.054

249

 

11.03.01 Opdrachten

2.834

2.207

2.575

2.390

2.303

2.054

249

 

11.04 Waterkwaliteit

   

7.126

6.924

6.329

6.047

282

 

11.04.01 Opdrachten

   

4.002

3.638

3.997

4.227

– 230

 

11.04.02 Subsidies

   

478

436

436

400

36

 

11.04.04 Bijdragen aan medeoverheden

   

972

350

325

325

0

 

11.04.05 Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

1.674

2.500

1.571

1.095

476

 

Ontvangsten

73

24.357

248

1.226

580

0

580

3

Financiële Toelichting

Onderstaand wordt op het niveau van financieel instrument een toelichting gegeven op de verschillen (de mutaties) tussen de begroting en de realisatie, zie voor de gehanteerde norm de toelichting «normering jaarverslag» zoals opgenomen in de leeswijzer.

  • 1. De hogere verplichtingen realisatie van € 3,4 miljoen is veroorzaakt door aangegane verplichtingen voor de activiteiten Blue deal (met de Unie van Waterschappen) en de inzet van de Watergezant voor Valuing Water (agenda 2030), waarvoor bij de eerste suppletoire wet HGIS-middelen zijn toegekend.

  • 2. De lagere uitgaven van € 1,5 miljoen zijn veroorzaakt door de eindafrekening van het project icoon afsluitdijk van € 0,8 miljoen. Ook de vertraging bij het Europese onderzoeksprogramma Eranet for Climate Services zorgt voor een verlaging van het benodigd kasbudget (€ 0,3 miljoen). Tot slot worden de lagere uitgaven veroorzaakt door het Omgevingsloket-online (OLO2) van € 0,2 miljoen, de personele ondersteuning door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) ten behoeve van de dossiers Topsector water en Nationaal Kennis- en innovatieprogramma Water en Klimaat (NKWK) aan DGMI (€ 0,1 miljoen) en voor de Kik-fase Noordersluis aan DGLM (€ 0,1 miljoen).

  • 3. De hogere ontvangsten zijn het gevolg van een ontvangst van de bijdrage van gemeentes, provincies en waterschappen voor de Zuidwestelijke delta (€ 0,25 miljoen), ontvangsten gerealiseerd vanuit het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) voor de KaderRichtlijn Marien (KRM) (€ 0,23 miljoen), de EU-subsidie NAS (€ 0,07 miljoen). Tot slot worden de hogere ontvangsten veroorzaakt door overige ontvangsten van in totaal € 0,03 miljoen.

11.01 Algemeen waterbeleid

Toelichting op de financiële instrumenten

11.01.01 Opdrachten

In mei 2018 is de jaarlijkse voortgangsrapportage «Staat van Ons Water» gepubliceerd. Hierin is samen met de BAW-partners gerapporteerd over de uitvoering van het Nationaal Waterplan 2016–2021, het Bestuursakkoord Water uit 2011, het uitvoeringsprogramma van de Beleidsnota Drinkwater en de uitvoering van de Europese richtlijnen over waterkwaliteit, overstromingsrisico’s en de mariene strategie. In 2018 is een opdracht verstrekt voor een externe evaluatie om te kijken of de rapportage aan de verwachtingen van de verschillende doelgroepen voldeed. Naar aanleiding van deze evaluatie is besloten om de «Staat van Ons Water» voortaan alleen nog op de Tweede Kamer te richten en in te korten.

In het kader van de Topsector Water en Maritiem is in opdracht van IenW en EZK een symposium georganiseerd in samenwerking met Volvo Ocean Race over duurzaam gebruik van oceanen. Ook is een evenement georganiseerd in samenwerking met de andere topsectoren over cross-sectoraal samenwerken in internationaal verband.

De Human Capital Agenda bevordert de instroom van goed gekwalificeerd personeel in de watersector. In 2018 zijn er 22 studiebeurzen uitgereikt aan waterambassadeurs die gastlessen hebben gegeven om de watersector in de belangstelling van andere jongeren te brengen. Daarnaast is een bijeenkomst «NL-reset» gehouden, waar jonge mensen zijn uitgedaagd om Nederland energieneutraal in te richten. Ook is een makathon «smart water solutions» georganiseerd en is de Human Capital Agenda samen met de Dutch Wavemakers nadrukkelijk op de kaart gezet bij de finish van de Volvo Ocean Race.

Building with Nature is voor het Ministerie van IenW een belangrijke ontwikkeling voor waterveiligheidsopgaven. Voor IenW onderzocht EcoShape in hoeverre natuurlijke waterveiligheidsoplossingen kunnen bijdragen aan waterveiligheidsopgaven. In 2018 is een Building with Nature congres georganiseerd, een Book of Concepts ontwikkeld, de Europese samenwerking tot stand gebracht binnen het INTERREG-programma Building with Nature, een Massive Open Online Course georganiseerd in samenwerking met TU Delft en zijn verschillende publicaties uitgebracht. De kennis die is opgedaan is uitgewerkt en gedeeld met betrokken partijen, waaronder IenW.

Het project Icoon Afsluitdijk is in december 2017 beëindigd. In 2018 heeft de laatste financiële afwikkeling met diverse opdrachtnemers plaatsgevonden voor een lager bedrag dan begroot (€ 1,1 miljoen).

Voor het vergroten van het waterbewustzijn vormt het meerjarig communicatieprogramma Ons Water het fundament. Voor deze publiekscampagne vindt jaarlijkse financiering plaats van € 0,3 miljoen.

De tweejaarlijkse weken van Ons Water zijn met succes georganiseerd en goed bezocht. De website OnsWater.nl, het online platform van de partners, is vernieuwd, uitgangspunten zijn bewustwording van het publiek en het bieden van handelingsperspectief. Daarnaast is gestart is met pilots voor het verder ontwikkelen van publieksstrategieën voor communicatie met/activatie van bewoners op de drie thema’s van klimaatadaptatie, schoon drinkwater en waterveiligheid.

In 2018 zijn uitgaven gedaan voor watereducatie om het waterbewustzijn bij jongeren te stimuleren. Dit gebeurt in samenwerking met de Unie van Waterschappen en met onderwijspartijen.

Samen met de Unie van Waterschappen is een bijdrage geleverd aan de Geoweek, waarin de thema’s water en bodem toegankelijk worden gepresenteerd aan middelbare scholieren. De website watereducatie.nl is gericht op docenten en biedt lesmateriaal voor wateronderwerpen.

Aan de Helpdesk Water, onderdeel van de dienst Water, Verkeer en Leefomgeving van RWS, is een jaarlijkse bijdrage geleverd van € 0,1 miljoen. De Helpdesk Water heeft een reguliere taak als kennistransferpunt tussen uitvoering en beleid voor overheden en andere waterprofessionals. Over 2018 heeft de Helpdesk vragen afgedaan op thema’s als waterveiligheid, waterkwaliteit en klimaatadaptatie.

Voor de uitvoering van het bestaande Omgevingsloket Online (OLO) is in 2018 aan het Ministerie van BZK een bijdrage geleverd van € 0,2 miljoen ten behoeve van water- en omgevingsvergunningen.

Het actualiseren van de uitvoeringsregelingen waterheffingen heeft betrekking op het moderniseren van de tabel afvalwatercoëfficiënt.

Ten slotte zijn middelen ingezet voor het programma Klimaatadaptatie, dat zich richt op het bevorderen van een transitie naar meer klimaatbestendig handelen. Daarbij bevindt het programma zich in een breed speelveld, waarbinnen het een schakelfunctie vervult. Als uitvloeisel van de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS, december 2016 aan de Kamer aangeboden; Kamerstukken II, 2016–2017 31.793, nr. 162) is in april 2018 het Uitvoeringsprogramma NAS uitgebracht. Dit Uitvoeringsprogramma bestaat uit een voortgangsrapportage over de acties die in 2017 reeds zijn uitgevoerd en een Actieprogramma voor de periode 2018–2019. IenW heeft hierbij een coördinerende rol. Vanaf het 2e kwartaal van 2018 is gewerkt aan de uitvoering van het UP NAS. Op de speerpunten Landbouw, Natuur is door projectgroepen gewerkt aan de voorbereiding van de volgende Nationale Adaptatiedialoog.

In 2018 is er uitvoering gegeven aan de operationalisering resultaatgerichte aanpak door het Internationale WaterCluster (IWC) die gefinancierd zijn vanuit de HGIS-middelen van in totaal € 48,3 miljoen voor 2018 tot en met 2022. De internationale waterambities zijn vertaald naar 4 uitvoeringsprogramma’s waarin vanaf 2018 invulling is gegeven te weten: Global Center of Excellence on Climate Adaptation (GCECA), Blue Deal – Unie van Waterschappen (UvW), Economische- en investeringssamenwerking en Watergezant en Valuing Water (Agenda 2030). Deze aanpak is in 2018 gestart en loopt tot en met 2022.

11.01.02 Subsidies

In 2018 is een subsidie van in totaal € 3,1 miljoen verstrekt aan Deltares voor de bouw van een nieuwe Geocentrifuge. Het totaalbedrag is gelijkmatig verdeeld over drie jaar. De GeoCentrifuge is van groot belang voor de instandhouding van de (inter)nationale kennisinfrastructuur op het terrein van water en bodem, waarvoor IenW medeverantwoordelijk is. De Geocentrifuge wordt onder meer gebruikt voor onderzoek aan dijken, kustbescherming, offshore, aardbevingen en natte en droge infrastructuur. De aanbesteding heeft inmiddels plaatsgevonden.

In 2017 is een subsidie toegekend aan het Waternoodmuseum van € 0,4 miljoen voor het inrichten van het 4e caisson met een expositie die volledig in het teken zal staan van waterbewustzijn. De betaling vindt plaats in de periode 2017–2019 waarvan € 0,15 miljoen in 2018.

Aan het Instituut Fysieke Veiligheid/IFV is een subsidie verleend ten behoeve van het ontwikkelen van een structurele aanpak waarmee de veiligheidsregio’s kunnen zorgen voor een adequate rampenbeheersing bij overstromingen. Deze subsidie van in totaal € 0,15 miljoen is verleend voor de periode van 1 juni 2015 tot en met 31 mei 2017 en is gelijkelijk verdeeld over de jaren 2015, 2016 en 2017. In 2018 is de subsidie vastgesteld.

In 2016 is de subsidieregeling gestart van het programma Partners voor Water (PvW) 2016–2021 als opvolger van de subsidieregeling van het programma HGIS Partners voor Water 3. Dit betreft het centrale uitvoeringsprogramma van de (interdepartementale) Internationale Water Ambitie (IWA). Het programma is aangestuurd vanuit het Interdepartementale Water Cluster, waarin de drie ministeries BZ, EZ en IenW samenwerken. De uitgaven voor het programma zijn via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) gefinancierd. Het programma Partners voor Water heeft in 2018 geleid tot een uitputting van € 10,8 miljoen. Dit betekent een onderuitputting van € 2,5 miljoen doordat een aantal activiteiten in de partnerlanden vertraagd tot stand zijn gekomen. Deze activiteiten zullen in 2019 worden uitgevoerd overeenkomstig de eerder aangegane meerjarenovereenkomst met opdrachtnemer RVO.

Ook is in 2018 de Blue Deal van start gegaan. Het betreft een subsidie die verstrekt is aan de Unie van Waterschappen voor een internationaal samenwerkingsprogramma. De Blue Deal is een samenwerking tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken, het ministerie IenW en (onder coördinatie van de Unie van Waterschappen) 21 Nederlandse waterschappen die tot en met 2030 zal voortduren. Gezamenlijk gaan zij in die periode langdurige partnerschappen met nationale en regionale partners aan om zodoende 20 miljoen mensen in 40 stroomgebieden wereldwijd te kunnen helpen aan schoon, voldoende en veilig water.

Er is een subsidie van 60.000 euro verstrekt aan het Regiecollege Waddengebied (RCW). Het RCW is een strategisch overleg- en afstemmingsorgaan voor het Waddengebied. De belangrijkste belanghebbenden in dit gebied zijn vertegenwoordigd in het RCW.

11.01.03 Bijdragen aan agentschappen

De bijdrage aan RWS heeft betrekking op beleidsadvisering, vertegenwoordiging in internationale werkgroepen, opstelling van rapportages en evaluaties en begeleiding van opdrachten aan de markt en aan Deltares. Hiervoor wordt jaarlijks een opdracht aan RWS verstrekt. Tot deze opdracht behoren onder andere de bijdragen aan de uitwerking van de MIRT-onderzoeken waterveiligheid en zoetwatervoorziening.

Aan het KNMI zijn diverse onderzoeken en analyses gevraagd die betrekking hebben op Kennisontwikkeling Windklimaat, Nationale adaptatiestrategie, windklimaatatlas, transnationale samenwerking Rijn en Maas, regionale en mondiale zeespiegelstijging en verbeterde methode regionale voorspelling extreme weercondities.

11.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

In 2018 is aan de Unie van Waterschappen een financiële bijdrage verleend voor het onderzoek naar de mogelijke vernieuwing van het belastingstelsel van de waterschappen. Onderzocht wordt in hoeverre het belastingstelsel van de waterschappen kan bijdragen aan een meer toekomstbestendige en duurzame financiering van het waterbeheer. Eind 2018 is op basis van de ledenraadpleging besloten om de voorstellen uit het eindrapport nog een periode aan te houden tot na de waterschapsverkiezingen van maart 2019.

11.02 Waterveiligheid
11.02.01 Opdrachten

Op basis van de Richtlijn Overstromingsrisico (ROR) moeten eind 2019 de kaarten voor drie verschillende overstromingsscenario’s en in 2021 de plannen geactualiseerd zijn. Voor de actualisatie van de kaarten en de plannen is in 2018 opdracht gegeven voor ondersteuning, ontwikkeling en beheer.

In 2018 heeft de stuurgroep water de voorlopige overstromingsrisicobeoordeling vastgesteld en gebieden aangewezen met een potentieel significant overstromingsrisico. Alleen voor deze gebieden is het nodig dat Nederland kaarten en plannen in het kader van de uitvoering van de ROR opstelt.

In 2018 is gewerkt aan het beoordelen van de primaire waterkeringen op basis van de nieuwe normen. Voor deze beoordeling zijn diverse opdrachten verstrekt en heeft IenW de beheerders ondersteund bij het uitvoeren van de beoordeling van hun primaire waterkeringen door middel van o.a. de oplevering van een verbeterde versie van de voor de beoordeling gebruikte software Riskeer, het organiseren van de Landelijke Beoordelingsdag, werksessies al dan niet in samenwerking met het Kennis en Kunde Platform en een helpdesk voor hulp bij de toepassing van het Wettelijk Beoordelings Instrumentarium (WBI) 2017.

Daarnaast zijn opdrachten verstrekt om kennis ten aanzien van waterveiligheid te ontwikkelen en ook vast te leggen. Deze opdrachten hadden betrekking op de ondersteuning van de waterkeringbeheerders bij de toepassing van het WBI 2017 via een Helpdesk en het ophalen van leerpunten voor toekomstige ontwikkeling van een volgende versie van het WBI 2017. Daarnaast zijn opdrachten verstrekt voor de kennisontwikkeling met betrekking tot het ontwikkelen van een toekomstbestendige kennisagenda Waterveiligheid, zodat meerjarig onderzoek naar o.a. piping en macrostabiliteit uitgevoerd kan worden.

In 2018 is voor het faalmechanisme piping een onderzoeksprogramma van start gegaan, met onder andere een succesvol verlopen internationaal congres. Voor macrostabiliteit is de samenwerking aangegaan in een zogeheten Projectoverstijgende Verkenning (POV) van het HWBP. Ook in samenwerking met het HWBP is een succesvol verlopen veldproef naar de sterkte van grasbeklening uitgevoerd.

Voor de kust zijn opdrachten verstrekt voor verdere kennisontwikkeling, onder andere over zeespiegelstijging en ten behoeve van de actualisatie van de basiskustlijn. Hierbij is samenwerking gezocht binnen het kader van Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma Water en Klimaat (NKWK).

Er is opdracht verstrekt voor de ontwikkeling van een statistische methode voor de monitoring van de zeespiegelstijging. Tevens zijn opdrachten verstrekt voor de ecologische monitoring van de pilot suppletie Amelander Zeegat in het kader van het onderzoeksprogramma Kustgenese 2.0.

Voor rivieren zijn opdrachten verstrekt voor verdere kennisontwikkeling met betrekking tot kostenreductie dijkversterking door rivierverruiming, effect van langsdammen en bijdragen aan diverse MIRT-projecten in het rivierengebied. Het model voor kostenreductie dijkversterking door rivierverruiming is aangepast aan de recente ontwerprichtlijnen en is getest in pilots. In 2018 is besloten om de ambitie voor rivieren uit te breiden naar integraal riviermanagement (IRM). De opgaven voor IRM zijn in 2018 in kaart gebracht.

11.03 Grote oppervlaktewateren
11.03.01 Opdrachten

De beschikbare budgetten zijn in 2018 ingezet voor onder andere de uitvoering van de volgende beleidsonderwerpen:

Het Ministerie van IenW stelt (mede namens het Ministerie van LNV) gezamenlijk met de regio een Gebiedsagenda Wadden 2050 op. De ontwikkeling van de Gebiedsagenda is eind 2017 gestart en zal naar verwachting circa 2 jaar in beslag nemen. Als onderdeel van de Gebiedsagenda zijn voor 7 thema’s zogeheten discussiepapers opgesteld waarover het Regiecollege Waddengebied vervolgens een advies heeft uitgebracht. De Gebiedsagenda komt in de plaats van de eerder aangekondigde Rijksvisie op de toekomstige ontwikkeling van het Waddengebied en zal input leveren voor de Nationale Omgevingsvisie en het overige instrumentarium van de Omgevingswet.

De ambitie is dat de Eems-Dollard in 2050 voldoet aan het ecologisch streefbeeld, door stapsgewijs te werken en adaptief in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Rijk en regio gaan hebben het afgelopen jaar samen gewerkt aan verschillende projecten om het uiteindelijke streefbeeld te bereiken. Onder meer is in het kader van de enveloppe Natuur en Waterkwaliteit geld beschikbaar gesteld voor een pilot om buitendijks slib uit het Eems-Dollard estuarium in te vangen (Kamerstukken II 2017–2018, 27 625 nr. 422).

Eénmaal in de 4 à 5 jaar wordt een trilaterale regeringsconferentie over de Waddenzee gehouden tussen Nederland, Duitsland en Denemarken. De laatste regeringsconferentie werd gehouden op 18 mei 2018 in Leeuwarden. Er zijn opdrachten verstrekt voor meerdere evenementen rondom de conferentie, mede in het kader van Leeuwarden Culturele Hoofdstad van Europa. Voorafgaand aan de conferentie was er op 17 mei 2018 het Waddencongres «Waddenzee wereldklasse», en het Waddenfestival «Wad in de stad» Op vrijdag 18 mei vond de Ministeriele conferentie (besloten) plaats, en werd de van de Verklaring van Leeuwarden ondertekend (Kamerstukken II 2017–2018, 29 684 nr. 162).

In het regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» van 10 oktober 2017 heeft het kabinet aangekondigd dat er «één beheerautoriteit voor de Waddenzee komt die een integraal beheerplan uitvoert, waardoor betere bescherming van natuurgebieden gecombineerd wordt met beter visbeheer». De ministers van IenW en van LNV hebben per brief van 22 januari 2018 de Tweede Kamer gemeld dat zij een onafhankelijke verkenning op basis van de huidige wettelijke kaders starten (Kamerstukken II 2017–2018, 29 684 nr. 154). Daarbij is aangegeven dat de verkenning in samenwerking met de betrokken partijen wordt uitgevoerd. In april 2018 heeft het Ministerie van IenW, mede namens het Ministerie van LNV en in afstemming en de regionale partijen, de opdracht tot de uitvoering van deze Verkenning Beheerautoriteit Waddenzee gegund. De Tweede Kamer wordt in het voorjaar 2019 over de uitkomsten van de verkenning geïnformeerd. De Beleidsnota Noordzee 2016–2021 (Kamerstukken II, 2014–2015, 31 710, nr. 35) geldt als het maritieme ruimtelijke plan conform de eisen van de EU-Richtlijn Maritieme ruimtelijke planning. Ook het programma van maatregelen conform de EU Kaderrichtlijn Mariene Strategie is erin opgenomen. In 2018 zijn de acties uit de Beleidsnota Noordzee 2016–2021 verder in uitvoering gebracht. In juni 2018 heeft het Kabinet de omschrijvingen van de goede milieutoestand en milieudoelen voor de Noordzee en daarbij behorende indicatoren conform de KRM geactualiseerd (Mariene Strategie deel 1 2018–2024, Kamerstuk 2018D35440), en daarover in oktober gerapporteerd aan de Europese Commissie.

Specifiek voor energietransitie/windenergie op zee wordt naast de uitwerking van de huidige routekaart windenergie op zee (in 2023 3,5 GW bovenop de 1 GW die er al staat) gewerkt aan de vervolgroutekaart. In de vervolgroutekaart (2023–2030) is conform de Energieagenda ca. 1 GW/pj geïnstalleerd. Naast verdere kostprijsverlaging is ingezet op meervoudig- en multifunctioneel ruimtegebruik. De Routekaart 2030 is in maart 2018 door EZK uitgebracht en in juni 2018 door TK aangenomen.

Toeleverend aan de Noordzee strategie was ook het lopende NorthSEE Interreg project. Dit droeg bij aan een gezamenlijke kennisbasis en coherente planvorming van de Noordzeelanden over lopende en mogelijke nieuwe ontwikkelingen met een grensoverschrijdend karakter. Dit project wordt in 2019 afgerond. Voor windenergie vertaalde dit zich naar meer samenwerking tussen initiatieven van Duitsland, Denemarken, België en het Verenigd Koninkrijk. Afhankelijk van de toekenning van het project Strategic Environmental Assessment North Sea Energy wordt in samenwerking met Duitsland en Denemarken een bijdrage geleverd aan een gezamenlijke kennisbasis van de Noordzeelanden aan de cumulatie van effecten op de Noordzee.

Op 17 mei 2018 is door ruim 50 gebiedspartijen en het rijk Agenda IJsselmeergebied 2050 ondertekend. Hier werd een groot draagvlak bevestigd voor een gezamenlijk toekomstbeeld van het IJsselmeergebied. Agenda IJsselmeergebied 2050 gaat vanaf nu een platform bieden de verdere samenwerking om te komen tot een aantrekkelijk en karakteristiek gebied, waarin alle opgaves en ambities die spelen in de meren en hun kusten in hun ruimtelijke samenhang worden bezien.

Nederland en Vlaanderen onderzoeken en monitoren op grond van de Scheldeverdragen gezamenlijk de toestand van het Schelde-estuarium aan de hand van de zogenoemde Agenda voor de Toekomst voor de duurzame ontwikkeling van het Schelde-estuarium. Een rode draad van deze agenda is hoe met slim(mer) sedimentbeheer de balans kan worden versterkt tussen de veiligheid, toegankelijkheid en natuurlijkheid van het Schelde-estuarium. In 2018 is het eerste onderzoeksprogramma van de Agenda voor de Toekomst afgerond en de rapportage opgeleverd, met daarin de evaluatie van de toestand van het Schelde-estuarium (periode 2009–2015), de zogenoemde T2015. De hoofdconclusies worden openomen in het 2e evaluatierapport van de Vlaams-Nederlandse samenwerking op grond van het Verdrag Beleid en Beheer Schelde-estuarium. Dat rapport wordt in het voorjaar van 2019 aangeboden aan het Vlaamse en Nederlandse parlement.

In 2018 is gestart met de verbreding van het in 2017 opgeleverde MIRT-onderzoek Integrale Veiligheid Oosterschelde (IVO). Naast de gevolgen van de klimaatverandering op de veiligheidsstrategie van de Oosterschelde wordt daarmee ook de verbinding gelegd met de (aanpak van de) zandhonger van de Oosterschelde en met (gebruiks)functies zoals visserij, landschap en ecologie. Dat levert in 2019 eerste bouwstenen op voor een integraal langetermijnperspectief van een veilige, duurzaam beheerde Oosterschelde.

Regio en Rijk werken samen aan (vervolg)onderzoek voor het ontwikkelperspectief van de ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer. Voor Volkerak-Zoommeer is dat jaarlijks gericht op het monitoren van de waterkwaliteit (quaggamossel, blauwalgontwikkeling, waterplanten e.d.). Voor Grevelingen stond dat in 2018 in het teken van een bijdrage aan de afronding van de verkenningsfase voor het terugbrengen van beperkt getij op de Grevelingen. Daarnaast is in 2018 een start gemaakt met voorbereidende werkzaamheden voor de gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta.

11.04 Waterkwaliteit
11.04.01 Opdrachten

Het belangrijkste waterkwaliteitsdoel is om in 2027 de doelstelling van chemisch schoon water en een ecologisch gezond watersysteem voor duurzaam gebruik bereikt te hebben. Daartoe is onder dit artikel in 2018 het proces voor het opstellen van de 3e generatie stroomgebiedbeheerplannen uitgewerkt. Ook is het KRW-monitoringsprogramma geactualiseerd. Ieder jaar wordt in De Staat van Ons Water30 (Kamerstuk 27 625, nr. 424) over de voortgang van de uitvoering van waterkwaliteitsmaatregelen gerapporteerd. De toestand, doelen en maatregelen worden iedere 6 jaar vastgelegd en aan de Europese Commissie gerapporteerd middels stroomgebiedbeheerplannen onder de Kaderrichtlijn Water. De tweede stroomgebiedbeheerplannen voor Rijn, Maas, Schelde en Eems voor de periode 2016–2021 zijn eind december 2015 vastgesteld en op dit moment in uitvoering. De uitvoering van de tweede tranche maatregelen in het hoofdwatersysteem loopt via artikel 7 van het Deltafonds.

Begin 2018 heeft de jaarlijkse Delta-aanpak conferentie plaatsgevonden waarbij bestuurders van regionele overheden, maatschappelijke organisaties en het Rijk bij elkaar kwamen om de voortgang te bespreken. In 2018 is de bestuurlijke aansturing van de Delta-aanpak Waterkwaliteit in de vorm van drie bestuurlijke versnellingstafels gestart. Één tafel per prioritair onderwerpen. Het gaat om de landbouwtafel (meststoffen en gewasbescherming), de stoffentafel (opkomende stoffen en medicijnresten) en de brede tafel (met verbindende acties zoals Kaderrichtlijn Water, analyses, kennisimpuls en communicatie).

De partners van de Delta-aanpak hebben in 2018 gezamenlijk een eenduidige en aansprekende kernboodschap communicatie waterkwaliteit opgesteld. Ook zijn communicatie- en mediacampagnes uitgerold om het bewustzijn over ons water te vergroten. De Delta-aanpak website en de site waterdiertjes.nl zijn gelanceerd. Met behulp van laatstgenoemde site heeft de eerste nationale waterdiertjestelling plaatsgevonden. Aan deze vorm van citizen science deden duizenden kinderen en volwassenen mee. Een andere campagne ging specifiek over het niet wegspoelen van medicijnen.

De Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) kent, net als de KRW, een zesjarige plancyclus. In 2018 werd de beoordeling van het mariene milieu en ecosysteem geactualiseerd, alsook de goede milieutoestand en daarbij behorende beleidsdoelen en indicatoren. Deze actualisatie werd gebaseerd op de resultaten uit het KRM-monitoringprogramma en aanvullend onderzoek op gebied van vooral onderwatergeluid, zwerfvuil en microplastics. Ook werd in 2018 een voortgangsrapportage gemaakt over de uitvoering van het KRM-Programma van Maatregelen, onderdeel van het Nationaal Waterplan 2016–2021. Het zwaartepunt bij de uitvoering van de maatregelen lag bij het terugdringen van zwerfvuil in zee (plastic soep) en bescherming van ecologisch waardevolle gebieden op de Noordzee. Daarnaast gaf het kabinet meer invulling aan zijn faciliterende rol ten aanzien van «kansen benutten» voor het samengaan van een duurzame economische groei en gebruik met een gezond systeem, en voor eventueel ecosysteemherstel. De uitvoering van de KRM vond plaats in samenwerking met Economische Zaken en Klimaat. Er wordt ingezet op internationale afstemming en samenwerking (Noordzeeregio, OSPAR, EU), op samenwerking met kennisinstituten en belanghebbenden en op cofinanciering uit EU-fondsen als EFMZV en INTERREG.

11.04.02 Subsidies

Dit betreft subsidieverlening van € 0,4 miljoen voor het International Groundwater Resources Assessment Centre (IGRAC) en gaf invulling aan de ambitie die is vastgelegd in het IGRAC-verdrag tussen UNESCO en het Koninkrijk der Nederlanden.

Stichting De Noordzee ontving tot en met 2018 een incidentele subsidie voor de versterking van de kennisbasis binnen het netwerk van natuur- en milieuorganisaties en als verbinder bij besluitvormingsprocessen in het Noordzeebeleid. De subsidie bedroeg € 36.000,–.

11.04.04 Bijdragen aan medeoverheden

De bijdrage aan medeoverheden van € 0,325 miljoen had betrekking op de uitvoering van het samenwerkingsprogramma Lumbricus door Waterschap Vechtstromen met regionale partijen. Het samenwerkingsprogramma is gericht op het geïntegreerd toepassen van innovatieve maatregelen op het gebied van bodem en water ten behoeve van een klimaatrobuuste inrichting van het bodem- en watersysteem van beekdalen. In dit programma komen doelstellingen met betrekking tot waterkwaliteit, zoetwatervoorziening, bodembeheer, klimaatadaptatie en waterveiligheid samen.

11.04.05 Bijdragen aan internationale organisaties

In 2018 zijn in het kader van verschillende internationale verdragen en afspraken bijdragen geleverd. Nederland is partij in de verdragen waarin de internationale riviercommissies voor de Rijn, Maas en Schelde zijn opgericht. In deze commissies bespreekt Nederland watervraagstukken op het gebied van kwaliteit, droogte en overstroming en bijbehorend EU-beleid. In 2018 is doorlopend afgestemd over deze dossiers. In de Rijncommissie is gestart met de voorbereidingen voor het nieuwe Rijnactieprogramma Rijn 2040. De contributie voor deze commissies wordt jaarlijks vastgesteld. Voor coördinatie van de EU-richtlijnen Kaderrichtlijn water en Overstromingsrisico’s bestaat voor de Eems geen vaste riviercommissie, maar heeft Nederland apart een contract afgesloten met Flussgebietsgemeinschaft Ems in Nedersaksen, Duitsland.

Voor de internationale samenwerking en afstemming over vraagstukken op het gebied van mariene milieu, ecologie en biodiversiteit in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, inclusief de Noordzee, bestaat het OSPAR-verdrag. Ook in 2018 is voor OSPAR de Nederlandse jaarlijkse contributie voldaan.

Nederland ambieert een internationale profilering als centrum voor watervraagstukken. Dit is verwoord in de Internationale Waterambitie van het kabinet. Het streven van Nederland als Centre of Excellence wordt gedeeltelijk ingevuld door middel van een Memorandum of Understanding (MOU), waarmee UNESCO wordt ondersteund. Het gaat hier (naast IGRAC) om ondersteuning capacity building door IHE-Delft. Ook het in 2018 gestarte Global Center on Adaptation (GCA) in Rotterdam (en Groningen) ondersteunt de profilering van Nederland als internationale hub voor watervraagstukken.

Water speelt een verbindende rol in de in VN-kader afgesproken Sustainable Development Goals (SDG’s). Er is een specifiek SDG voor schoon water en sanitatie afgesproken. In een van de subdoelen van de SDG die zich richt op steden is specifiek de nadruk gelegd op het verminderen van risico’s van watergerelateerde rampen. Op dit moment is hiertoe de implementatiefase aangebroken. Hiervoor is met internationale organisaties en platforms samengewerkt en zijn verschillende activiteiten ondersteund. Zo is bijgedragen aan: Water Global Practice WGP, IHE, OECD, International Seabed Authority, Wageningen envrionmetnal research, World Health Organisation en UNESCO.Verder heeft Nederland heeft de activiteiten van UNECE Water op het gebied van grensoverschrijdend waterbeheer gesteund in 2018.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 1 Investeren in waterveiligheid (x € 1.000)
   

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoodfstuk XII aan artikel 1 Investeren in waterveiligheid van het Deltafonds

307.006

Andere ontvangsten van artikel 1 Investeren in waterveiligheid

208.552

Totale uitgaven op artikel 1 Investeren in waterveiligheid

515.558

waarvan

01.01

Grote projecten waterveiligheid

308.998

01.02

Overige aanlegprojecten waterveiligheid

199.682

01.03

Studiekosten

6.878

Extracomptabele verwijzing naar artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening (x € 1.000)
   

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

10.984

Andere ontvangsten van artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening

755

Totale uitgaven op artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening

11.739

waarvan

02.02

Overige waterinvesteringen zoetwatervoorziening

9.492

02.03

Studiekosten

2.247

Extracomptabele verwijzing naar artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging (x € 1.000)
   

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

207.793

Andere ontvangsten van artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging

Totale uitgaven op artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging

207.793

waarvan

03.01

Watermanagement

7.294

03.02

Beheer onderhoud en vervanging

200.499

Extracomptabele verwijzing naar artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet (x € 1.000)
   

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofstuk XII aan artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet van het Deltafonds

20.174

Andere ontvangsten van artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet

800

Totale uitgaven op artikel 4 Experimenteren cf. art. III Deltawet

20.974

waarvan

 

04.01

Experimenteerprojecten

800

04.02

GIV/PPS

20.174

Extracomptabele verwijzing naar artikel 7 Investeren in waterkwaliteit (x € 1.000)
   

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 7 Investeren in waterkwaliteit van het Deltafonds

19.706

Andere ontvangsten van artikel 7 Investeren in waterkwaliteit

89

Totale uitgaven op artikel 7 Investeren in waterkwaliteit

19.795

waarvan

07.01

Real. progr. Kaderrichtlijn water

16.161

07.02

Overige aanlegprojecten Waterkwaliteit

1.172

07.03

Studiekosten waterkwaliteit

2.462

Artikel 12 Waterkwaliteit

In het verlengde van de overheveling van KRW-middelen van artikel 12 Waterkwaliteit naar artikel 7 van het Deltafonds, heeft IenM bij Begroting 2015 aangekondigd om bij Begroting 2016 de artikelen 11 Waterkwantiteit en 12 Waterkwaliteit samen te voegen tot één integraal waterartikel, met behoud van het onderscheid tussen waterkwantiteit en waterkwaliteit. Hiertoe zijn de naam en algemene doelstelling van artikel 11 aangepast van «Waterkwantiteit» naar «Integraal waterbeleid». Artikel 12 Waterkwaliteit is geschrapt en maakt deel uit van het nieuwe artikel 11 Integraal waterbeleid als artikelonderdeel 11.04 Waterkwaliteit. Met dit integrale waterartikel wordt beoogd de samenhang tussen de artikelen te benadrukken, zonder af te doen aan de transparantie van de begroting.

Hieronder is de budgettaire tabel van artikel 12 Waterkwaliteit opgenomen. Door de samenvoeging van de beleidsartikelen 11 en 12 heeft deze alleen nog betrekking op de jaren 2015 en daarvoor. Voor de jaren 2016 en verder wordt verwezen naar artikel 11 Integraal waterbeleid.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid artikel 12 Waterkwaliteit (x € 1.000)
           

Realisatie

Vastgestelde

Begroting

Verschil

   

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

85.651

4.193

0

0

0

0

0

Uitgaven

 

84.827

5.915

0

0

0

0

0

12.01

Waterkwaliteit

84.827

5.915

0

0

0

0

0

12.01.01

Opdrachten

3.978

4.076

0

0

0

0

0

12.01.02

Subsidies

277

261

0

0

0

0

0

12.01.03

Bijdrage aan agentschappen

78.946

0

0

0

0

0

0

 

– waarvan bijdrage aan RWS

78.946

0

0

0

0

0

0

 

* Verbeterprogramma Waterkwaliteit

69.970

0

0

0

0

0

0

 

* Natuurcompensatie Perkpolder

7.372

0

0

0

0

0

0

 

* Natuurlijker Markermeer/IJ'meer

3.153

0

0

0

0

0

0

 

* Verruiming vaargeul Westerschelde

451

0

0

0

0

0

0

12.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

0

460

0

0

0

0

0

12.01.05

Bijdrage aan internationale organisaties

1.626

1.118

0

0

0

0

0

 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Artikel 13 Bodem en Ondergrond

Derde nota van wijziging

Conform het koninklijk besluit houdende herindeling met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening, de Omgevingswet en het Kadaster (no. 2017001806) is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening, de Omgevingswet en het Kadaster. De hiermee samenhangende budgetten op dit artikel zijn overgegaan naar de begroting van BZK (zie de derde nota van wijzigingen TK 2017–2018, 34 775 XII, nr. 63. Het budget voor de Regionaal College Wadden (RCW) is overgeheveld naar beleidsartikel 11 (Integraal Waterbeleid) van de IenW begroting. Dit budget sluit aan op de algemene doelstelling van dit artikel.

In de derde nota van wijziging is, om onduidelijkheid te voorkomen waar de politieke verantwoordelijkheid voor Ruimtelijke ontwikkeling ligt, de naam van artikel 13 gewijzigd van «Ruimtelijke Ontwikkeling» naar «Bodem en Ondergrond». Hiermee zijn ook de beleidsdoelstelling en de rollen en verantwoordelijkheden ten opzichte van de ontwerpbegroting gewijzigd. Ook heeft dit tot gevolg dat in de ontwerpbegroting bij dit artikel gepresenteerde indicatoren/kengetallen, zoals nader toegelicht, bij BZK worden verantwoord.

Algemene Doelstelling

Een duurzaam en efficiënt beheer en gebruik van bodem en ondergrond. Het doel is de vraagstukken op het gebied van bodemkwaliteit, drinkwatervoorziening, grondwater, bodemdaling, duurzaam bodembeheer in de landbouw, kabels en leidingen en bodemenergie in relatie met de maatschappelijke opgaven als energietransitie en klimaatadaptatie aan te pakken. Daarnaast is het beleid gericht op het tot stand brengen van een betrouwbare en betaalbare drink- en afvalwatervoorziening in Caribisch Nederland.

Het Rijk is enerzijds verantwoordelijk voor het systeem van wet- en regelgeving omtrent beheer en gebruik van bodem, ondergrond en wateren en stimuleert anderzijds de investeringen en de bescherming daarvan. Daardoor heeft de Minister van IenW een stimulerende en een regisserende rol.

Stimuleren

Rollen en verantwoordelijkheden

Voor het onderdeel Bodem en Ondergrond is de algemene doelstelling om te komen tot een duurzaam en efficiënt beheer en gebruik van bodem en ondergrond. De (Rijks)structuurvisie Ondergrond vormt een belangrijke basis voor het ordenen van activiteiten in de bodem en ondergrond. De aanpak is onder meer beschreven in het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020 en het Convenant Bodem en Bedrijven 2015. Het Rijk bevordert de investeringen in de kwaliteit van bodem en ondergrond door middel van:

  • Het bevorderen van de duurzame kwaliteit van het doelmatig gebruik van het bodem- en watersysteem.

  • Het Uitvoeringsprogramma van het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020.

  • Het efficiënt beschermen van drinkwaterbronnen door het landelijk faciliteren/stimuleren van de totstandkoming van gebiedsdossiers.

Regisseren

De Minister van IenW heeft bij het onderwerp Bodem en Ondergrond een systeemverantwoordelijkheid voor het goed laten verlopen van processen op het gebied van duurzaam en efficiënt beheer en gebruik van bodem en ondergrond. De Minister van IenW is vanuit deze rolopvatting verantwoordelijk voor:

  • De opname van de Wet bodembescherming in de Omgevingswet;

  • Het proces waarbij de decentrale overheden in staat worden gesteld van om uiterlijk in 2030 de bodemverontreiniging-problematiek te beheersen;

  • De verdere ontwikkeling van regelgeving en kennis van de bodem en ondergrond. Deze ontwikkeling ondersteunt het beleid in relatie tot maatschappelijke opgaven en faciliteert de toepassing daarvan door de andere overheden;

  • Het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht);

  • Het beleid (beleidsnota drinkwater), regelgeving (drinkwaterwet) en het uitoefenen van toezicht/handhaving (via de ILT) op de levering van deugdelijk drinkwater;

  • De zorg – samen met andere bestuursorganen – voor de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening (zorgplicht).

Drinkwatervoorziening Caribisch Nederland

Wetswijziging Wet elektriciteit en drinkwater BES (reparatie capaciteitstarief) om zo de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van drinkwater in Caribisch Nederland te garanderen. Door het insulaire karakter, de geringe bevolkingsomvang en het ontbreken van grote zoetwatervoorraden zal de drinkwatervoorziening in Caribisch Nederland nooit kostendekkend zijn. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat stelt daarom een subsidie op de transportkosten voor drinkwater beschikbaar.

Caribisch Nederland Afvalwatervoorziening

Aanpassen van de Wet VROM BES en de Wet FIN-BES met als doel een afvalwaterheffing en de verkoop van gezuiverd afvalwater voor irrigatie mogelijk te maken en zo de exploitatiekosten van het afvalwaterbeheer te dekken.

Indicatoren en Kengetallen

Voor het Meerjarenprogramma Bodem wordt verwezen naar het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020 (stcrt. 2015, 14854). In dit convenant is onder meer beschreven hoe de overheden de focus leggen bij de aanpak van de spoedeisende verontreinigingen. Spoedeisende verontreinigingen zijn verontreinigingen waarbij het risico voor mens, plant en dier het grootst is. In het convenant is afgesproken dat, afhankelijk van de situatie, spoedlocaties uiterlijk in 2020 zijn gesaneerd, dan wel dat de risico’s worden beheerst, dan wel in beeld gebracht en er concrete plannen voor de aanpak zijn gemaakt. De budgetten van het meerjarenprogramma Bodem worden over de bevoegde overheden ex-Wet Bodembescherming (ex Wbb) verdeeld via het Provincie- en Gemeentefonds. Gedurende de Convenantsperiode rapporteert het gezamenlijke uitvoeringsprogramma over de bereikte resultaten. In de systematiek van deze monitoring wordt onder andere gekeken naar het aantal spoedlocaties die in uitvoering zijn, hoeveel er afgerond zijn, hoeveel er nog niet gestart zijn, en de kosten van de aanpak.

In 2018 is door RIVM in opdracht van IenW gerapporteerd over de risico’s van opkomende stoffen in het oppervlaktewater voor drinkwaterbereiding. Dit in het kader van het BKMW-protocol voor monitoring en toetsing drinkwaterbronnen. Uit het onderzoek bleek dat de onderzochte stoffen op de onderzoekslocaties geen risico vormden voor de volksgezondheid via drinkwater.

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde drinkwaterbeleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar conform verwachting en liggen op koers. Dit blijkt ook uit de jaarlijkse rapportage over de kwaliteit van Nederlands drinkwater (Kamerstuk 2018–2019, 27 625, nr. 458). Zo is in 2018 bijgedragen aan bodemsaneringen van het Stormpolderdijkterrein in Krimpen a/d IJssel, PFAS Dordrecht, Gebiedgerichte aanpak in Rotterdam, Noordsingel in Rotterdam, Vetgas in Amersfoort en Petroleumhaven Amsterdam. Daarnaast zijn er via de Bedrijvenregeling bodemsaneringen gerealiseerd in onder andere de Gemeente Helmond en de Provincies Noord-Holland, Gelderland en Limburg, alsook op diverse locaties via de Stichting Bodembeheer Nederland. De ontvangen verzoeken tot subsidiebijdragen in het kader van de Bedrijvenregeling bleven wat achter in 2018. De verplichtingen zijn wel aangegaan waardoor de verzoeken tot subsidiebetaling ter bekostiging van de sanering nog zal plaatsvinden. Tot slot is via subsidiebeschikkingen bijgedragen aan verbetering van de drinkwatervoorzieningen in Caribisch Nederland en aan de afvalwatervoorziening in Bonaire.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid artikel 13 Bodem en Ondergrond (x € 1.000)
         

Realisatie

Begroting

Verschil

 
 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

 

Verplichtingen

101.410

69.162

119.401

160.868

30.388

57.228

– 26.840

1

Uitgaven

98.154

112.043

114.623

136.527

22.459

53.840

– 31.381

 

13.01 Ruimtelijk Instrumentarium

7.728

12.065

8.261

10.786

8

0

8

 

13.01.01 Opdrachten

4.469

4.665

7.472

9.220

8

0

8

 

– Wabo

25

2

0

0

0

0

0

 

– Architectonisch Beleid

1.800

1.744

1.933

2.285

0

0

0

 

– Overige opdrachten

2.644

2.919

5.539

6.935

8

0

8

 

13.01.02 Subsidies

1.770

4.472

789

1.376

0

0

0

 

13.01.03 Bijdragen aan agentschappen

1.451

2.436

0

0

0

0

0

 

– Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

1.451

2.436

0

0

0

0

0

 

13.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

38

492

0

190

0

0

0

 

13.02 Geo-informatie

42.613

51.639

47.809

33.717

0

0

0

 

13.02.01 Opdrachten

2.676

2.385

3.087

5.329

0

0

0

 

13.02.02 Subsidies

11.494

12.532

10.571

1.967

0

0

0

 

– Subsidies Basisregistraties

11.494

12.532

10.571

1.967

0

0

0

 

13.02.06 Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

28.443

36.722

34.151

26.421

0

0

0

 

– Basisregistraties

28.443

36.722

34.151

26.421

0

0

0

 

13.03 Gebiedsontwikkeling

13.603

3.422

7.671

9.473

0

90

– 90

 

13.03.01 Opdrachten

1.733

932

1.160

1.296

0

30

– 30

 

13.03.02 Subsidies

194

134

72

48

0

60

– 60

 

13.03.03 Bijdragen aan agentschappen

0

0

0

2.402

0

0

0

 

Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

0

0

0

2.402

0

0

0

 

13.03.04 Bijdragen aan medeoverheden

11.676

2.356

6.439

5.727

0

0

0

 

– Projecten BIRK

11.676

2.288

3.889

3.177

0

0

– 0

 

– Projecten Nota Ruimte

0

68

0

0

0

0

0

 

Projecten Bestaand Rotterdams Gebied

0

0

2.550

2.550

0

0

0

 

13.04 Ruimtegebruik bodem

28.438

32.367

25.737

18.723

18.220

46.950

– 28.730

 

13.04.01 Opdrachten

1.846

1.784

5.531

5.727

6.000

4.740

1.260

2

13.04.02 Subsidies

19.447

17.654

13.380

7.499

7.303

13.707

– 6.404

3

– Bedrijvenregeling

6.924

10.746

6.977

1.385

2.311

8.684

– 6.373

 

– Bodemsanering NS

4.538

4.538

0

0

0

0

0

 

– Subsidies Caribisch Nederland

0

0

4.372

4.114

4.992

5.023

– 31

 

– Overige Subsidies

7.985

2.370

2.031

2.000

0

0

0

 

13.04.03 Bijdragen aan agentschappen

6.862

8.709

6.826

5.497

3.569

2.623

946

 

– Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

6.862

8.709

6.826

5.497

3.569

2.623

946

 

13.04.04 Bijdragen aan medeoverheden

283

1.900

0

0

1.348

25.880

– 24.532

4

– Meerjarenprogramma Bodem

0

1.900

0

0

1.348

25.880

– 24.532

 

– Programma Gebiedsgericht instrumentarium

283

0

0

0

0

0

0

 

13.04.07 Bekostiging

0

2.320

0

0

0

0

0

 

– Uitvoering Klimaatadaptatie

0

2.320

0

0

0

0

0

 

13.05 Eenvoudig Beter

5.772

12.550

25.145

63.828

4.231

6.800

– 2.569

 

13.05.01 Opdrachten

3.700

4.158

10.582

38.108

743

3.400

– 2.657

5

– Eenvoudig Beter

3.511

4.019

10.582

38.108

2

0

2

 

– OLO 3

189

139

0

0

0

0

0

 

– Overige Opdrachten

0

0

0

0

741

3.400

– 2.659

 

13.05.02 Subsidies

0

0

0

9.000

0

0

0

 

13.05.03 Bijdragen aan agentschappen

2.072

8.392

14.563

16.720

3.488

3.400

88

 

– Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

2.072

8.392

14.563

16.720

3.488

3.400

88

 

Ontvangsten

2.901

6.371

23.057

12.248

809

0

809

6

Financiële Toelichting

Onderstaand wordt op het niveau van financieel instrument een toelichting gegeven op de verschillen (de mutaties) tussen de begroting en de realisatie, zie voor de gehanteerde norm de toelichting «normering jaarverslag» zoals opgenomen in de leeswijzer.

  • 1. De lagere verplichtingenrealisatie van € 26,8 miljoen is ontstaan door de overheveling van de budgetten betreffende omgevingswet naar BZK (€ 24 miljoen) en een lagere realisatie in de opdrachtverlening voor transitiekosten omgevingswet bij I&W (€ 3 miljoen). Tot slot is er een hogere verplichtingenrealisatie bij overige verplichtingen (€ 0,3 miljoen).

  • 2. De hogere uitgaven van € 1,3 miljoen wordt veroorzaakt door de overboeking van middelen met betrekking tot beleidsondersteuning, advies en onderzoeksopdrachten voor onder andere de ontwikkeling van kennisinfrastructuur inzake bodembeleid die zijn ondergebracht bij het agentschap Rijkswaterstaat.

  • 3. De lagere uitgaven van € 6,4 miljoen is voor een groot gedeelte ontstaan doordat er minder subsidievaststellingsverzoeken zijn ontvangen voor de Bedrijvenregeling.

  • 4. De lagere uitgaven van € 24,5 miljoen worden met name veroorzaakt door overboekingen naar het gemeente- en provinciefonds voor de bijdrage IenW aan bodemsanering van in totaal € 28,6 miljoen in 2018. Hiervan is € 15 miljoen toegelicht bij 1e suppletoire begroting en € 13,6 miljoen bij 2e suppletoire begroting. Daarnaast is zoals toegelicht in de 2e suppletoire begroting € 2,5 miljoen budget ontvangen vanuit het budget subsidies Caribisch Nederland, Icoon Afsluitdijk en Eranet.

  • 5. De lagere uitgaven van € 2,6 miljoen is ontstaan door de verlaging van het kasbudget bij tweede suppletoire begroting als gevolg van de vertraging bij de implementatie van de omgevingswet.

  • 6. De hogere ontvangsten betreft middelen die in het kader van kostenverhaal bodemsanering na vaststelling zijn teruggevorderd (€ 0,8 miljoen).

13.03 Gebiedsontwikkeling

Toelichting op de financiële instrumenten

Op basis van de herverkaveling heeft er een herschikking plaats gevonden tussen artikel 11 en artikel 13 waardoor de subsidie voor het regiecollege Waddengebied (€ 60.000,–) van artikel 13 naar artikel 11 is geboekt. Daarnaast is bij de Voorjaarsnota 2018 de bijdrage voor de subsidie voor het Innovatieprogramma Mobiele Stad (IMS) naar BZK overgeheveld (€ 30.000,–).

13.04 Ruimtegebruik bodem
13.04.01 Opdrachten

Er zijn opdrachten verstrekt voor uitbesteding van beleidsinhoudelijke onderzoek, de uitvoering van het saneringsproject Stormpolderdijk en evaluaties aan derden op het gebied van: Bodem, BES-eilanden, Drinkwater commissie van deskundigen, Milieueffectrapportage en NEN-regelgeving (Nederlands Normalisatie Instituut) voor drinkwater, bodem, zwemwater.

13.04.02 Subsidies

Bedrijvenregeling

Op grond van de Wet bodembescherming en het Besluit financiële bepalingen bodemsanering zijn subsidies ten behoeve van saneringsmaatregelen van bedrijven vastgelegd. Jaarlijks kunnen bedrijven via lokale overheden verzoeken tot subsidievaststelling indienen.

Caribisch Nederland

Dit betrof subsidiebijdragen voor het op orde brengen van de drinkwaterkwantiteit en -kwaliteit in Saba, Sint Eustatius en Bonaire, alsmede voor het verbeteren van het afvalwaterbeheer op Bonaire van € 5 miljoen.

13.04.03 Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft een bijdrage aan het agentschap RWS voor een opdracht aan de Uitvoeringsorganisatie bodem en ondergrond bij RWS/WVL. Concreet gaat het hierbij om het verrichten van uitvoerende wettelijke taken op grond van de Wet bodembescherming en ondersteuning van de beleidsontwikkeling op het gebied van bodem en ondergrond en ondersteuning bij de afspraken van het bodemconvenant 2016–2020.

13.04.04 Bijdragen aan medeoverheden

Meerjarenprogramma bodem

Het bodembeleid voor de periode 2016–2020 is opgenomen in het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020 (stcrt. 2015, 14854). Dit convenant is ondertekend door het Rijk, het IPO, de VNG en de Unie van Waterschappen. Dit convenant vormde de basis voor de verstrekte bijdrage aan de andere overheden voor de financiering van de uitvoering van het convenant, inclusief de aanpak van verontreinigingen. Tevens vond de betaling van eerdere toezeggingen voor de aanpak van enkele specifieke verontreinigingen plaats. Dit betrof onder andere de rijksbijdrage aan Stormpolderdijk Krimpen a/d IJssel, PFAS Dordrecht, gebiedsgerichte aanpak Rotterdam, Vetgas Amersfoort en Petroleumhaven Amsterdam.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 18.16 Reservering Omgevingswet (x € 1.000)
   

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikelonderdeel 18.16 Reservering Omgevingswet van het Infrastructuurfonds

0

Andere ontvangsten van artikelonderdeel 18.16 Reservering Omgevingswet

 

Totale uitgaven op artikelonderdeel 18.16 Reservering Omgevingswet

0

waarvan

 

18.16

Reservering Omgevingswet

0

Artikel 14: Wegen en verkeersveiligheid

Algemene Doelstelling

Het Ministerie van IenW streeft ernaar om weggebruikers zo snel, verkeersveilig, betrouwbaar en duurzaam mogelijk van A naar B te laten reizen. Daarvoor worden verschillende instrumenten ingezet: regelgeving, investeringen, regisseren, uitvoering en toezicht. IenW werkt toe naar een modern en goed functionerend verkeerssysteem en ontwikkelt een hoofdwegennet dat bijdraagt aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en dat voldoet aan de milieunormen. Daarnaast wordt ingezet op een landelijke afname van het aantal verkeersslachtoffers. Om deze doelen te bereiken werkt IenW samen met medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

(Doen) uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikelen 16 Openbaar Vervoer en Spoor). Voor het hoofdwegennet betekent dit dat de Minister zorgt voor:

  • Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, snelheden, doorstroming en duurzaamheid.

  • De besluitvorming over en uitvoering van infrastructuur in relatie tot gebiedsontwikkeling. Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd. De bijdragen zijn gerelateerd aan het Infrastructuurfonds (artikel 12 Hoofdwegen);

  • De financiering (via het Infrastructuurfonds) van het programma Beter Benutten.

  • De uitvoering van het beheer, onderhoud, verkeersmanagement en het oplossen van veiligheidsknelpunten door RWS als beheerder van het hoofdwegennet. Deze activiteiten zijn terug te vinden op het Infrastructuurfonds (artikel 12 Hoofdwegen).

  • Het bevorderen van de bereikbaarheid en veiligheid en beperken van de kosten door verbetering van de reisinformatie en het verkeersmanagement: via inzet op de laatste technologieën en samenwerking tussen bedrijfsleven en wegbeheerders verbetert de reisinformatie voor de reiziger, die zich daardoor zowel beter kan voorbereiden op de reis, als de reis kan aanpassen.

  • Het beheersen van de geluidproductie vanwege verkeer door middel van een jaarlijkse monitoring van de naleving van de geluidproductieplafonds langs het rijkswegennet en het aanpakken van hoge geluidbelastingen langs rijkswegen door middel van het Meerjarenprogramma Geluidsanering (MJPG).

  • Het oplossen van de knelpunten voor luchtkwaliteit langs het rijkswegennet door middel van maatregelen (zowel generiek en locatiespecifiek) in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het beleid inzake wegen en verkeersveiligheid, waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Via wet- en regelgeving, aansturing van RWS in het beheer van het wegennet en afspraken met het bedrijfsleven en andere maatschappelijke organisaties, zorgt IenW voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan. Daarbij wordt ingespeeld op ontwikkelingen bij gebruikers, voertuigen en infrastructuur. Deze regierol wordt concreet ingevuld door:

  • het vervolg van Beter Benutten, landelijk is de volgende programma-ambitie afgesproken: tenminste 10% vermindering van de reistijd van deur tot deur op de belangrijkste gesignaleerde knelpunten in de spits op de weg in de periode 2015 tot en met 2017. Dit ten opzichte van een situatie zonder het vervolgprogramma Beter Benutten. In 2018 zijn nog bijdragen aan de regio’s verstrekt voor maatregelen die na 2017 gereed zijn gekomen of waarvan de administratieve afwikkeling pas na 2017 zal plaats vinden. Het programma Decentraal Spoor en ITS loopt tot en met 2020.

  • de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en de gebiedsagenda’s vormen de kaders voor de bereikbaarheidsopgaven. Maatschappelijke en technologische ontwikkelingen maken een andere aanpak van deze bereikbaarheidsopgaven op (middel)lange termijn nodig én mogelijk. Voortbouwend op de ervaringen van het programma Meer Bereiken wordt deze andere aanpak in de praktijk vorm gegeven. Uitgangspunten hierbij zijn een gelijkwaardige samenwerking tussen Rijk, medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke partijen, het in samenhang bezien van bereikbaarheid met andere ruimtelijke opgaven (bijvoorbeeld wonen, natuur, leefbaarheid, veiligheid) en het onderzoeken van een brede set oplossingsrichtingen (innoveren, informeren, in stand houden, inrichten en investeren).

  • de inzet van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid en de Beleidsimpuls Verkeersveiligheid. De plannen richten zich op verbetering van infrastructuur, voertuigen en gedrag van weggebruikers ter vermindering van het aantal verkeersdoden en ernstige verkeersgewonden. Samen met medeoverheden en maatschappelijke partners is met name aandacht voor de groeiende risicogroepen onder de verkeersdeelnemers: ouderen, fietsers, notoire overtreders en beginnende bestuurders.

  • samen met (internationale) overheden en marktpartijen te werken aan de marktcondities ten behoeve van veiligheid, bereikbaarheid en economie in het wegvervoer. Denk daarbij aan regelgeving over opleidingseisen, cabotage en maten en gewichten van het vrachtverkeer in Europa.

  • Inzetten op verbeteren van data van verkeersongevallen en in samenwerking met de decentrale overheden onderzoeken hoe een risicogestuurde aanpak kan worden gebruikt als nieuwe basis voor de inzet van maatregelen.

  • specifiek voor smart mobility wordt in (inter)nationale samenwerking met overheden en marktpartijen gewerkt aan het faciliteren en versnellen van de ontwikkeling van informatisering van het verkeersysteem en automatisering van het voertuig. Dit gebeurt bijvoorbeeld door testen en proeven met innovatieve systemen in Nederland ruim baan te geven. In samenwerking met sociale partners, de transportsector en maatschappelijke organisaties wordt ingezet op verbeterde duurzaamheid van mobiliteit.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie artikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Wegen en Verkeersveiligheid opgenomen. In productartikel 12 van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Hoofdwegennet indicator

Met deze indicator worden de economische verlieskosten van (toekomstige) knelpunten in beeld gebracht, met als doel om die nieuwe projecten te prioriteren, die de meeste economische verlieskosten oplossen. Rijkswaterstaat zal in haar Publieksrapportage (T3 aan het eind van elk jaar) een file top 50 kaart en tabel opnemen met de hoogste economische verlieskosten. Deze tabel zal overgenomen worden in de verantwoordingsrapportage.

Indicator: lokale luchtkwaliteit NO2 en geluidsknelpunten langs hoofdwegen waarvoor nog een saneringsplan moet worden opgesteld
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Streefwaarde peildatum

Lokale luchtkwaliteit NO2

           

0 knelpunten langs rijkswegen

Geluidsknelpunten langs rijkswegen waarvoor nog een saneringsplan moet worden vastgesteld

8.650

8.600

8.300

8.300

5.550

5.500

0 knelpunten in 2022

Bron: RWS/WVL, 2018

Toelichting:

Luchtkwaliteit

Langs het hoofdwegennet was de afgelopen jaren geen sprake van overschrijding van de normen voor luchtkwaliteit. De inzet is gericht op het voorkomen dat nieuwe knelpunten ontstaan. In 2017 is op alle locaties langs rijkswegen voldaan aan de per 1 januari 2015 geldende grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2). Hierover zal in de jaarverslagen worden gerapporteerd op basis van de jaarlijkse monitoring over het gepasseerde jaar. Uit de monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is gebleken dat de doelstelling van nul knelpunten voor rijkswegen in 2017 is gehaald (Kamerstukken II, 2018–2019, 30 175, nr. 325).

Geluid

De genoemde getallen voor geluid betreffen het aantal objecten (met name woningen) met een geluidbelasting op de gevel boven de maximale waarde van 65dB, waarvoor nog een geluidsaneringsplan moet worden opgesteld. De peildatum van 2022 betreft de datum voor het opstellen van een saneringsplan. In deze context is sprake van nul knelpunten als voor alle saneringsobjecten een saneringsplan is opgesteld. De termijn voor de uitvoering van de saneringsmaatregelen wordt in de saneringsplannen vastgelegd en zoveel mogelijk gecombineerd met reguliere vervanging van het wegdek en eventuele wegaanpassingen.

Zoals aangegeven in de begroting 2018 over Hoofdstuk XII is het totaal aantal knelpunten herijkt op basis van nieuw beschikbaar landelijk onderzoek dat, als gevolg van het voortschrijdende onderzoek, steeds gedetailleerder is dan de eerder beschikbare informatie. Op basis daarvan zijn de gegevens in de begroting 2018 geactualiseerd aan de hand van genomen saneringsbesluiten en het realiseren van geluidschermen voorafgaand aan het treffen van saneerplannen in het kader van de PreNoMo-sanering, waardoor de geluidbelasting op de desbetreffende woningen onder de saneerdrempel is gebracht.

Afgelopen jaar zijn er 52 saneringsobjecten >65 dB gesaneerd als gevolg van sanering in projecten. Het aantal te saneren woningen komt daarmee op 5.485. In de tabel is afgerond op 50-tallen om recht te doen aan de onzekerheden in de raming. In de volgende begroting zal wederom een grondige actualisatie van het aantal saneringsobjecten worden gegeven, waar nader in wordt gegaan op zowel de actuele stand van sanering in projecten alsmede de nieuwste inzichten van het saneringsonderzoek.

Indicator: Ontwikkeling aantal verkeersslachtoffers
 

basiswaarde

           

realisatie

doelstelling

 

2002

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2020

Aantal verkeersdoden

1.066

650

570

570

621

629

613

n.n.b.

500

Ernstig verkeersgewonden

16.100

19.200

18.800

20.700

21.300

21.400

20.800

n.n.b.

10.600

Bronnen:

Aantal verkeersdoden: CBS

Ernstig verkeersgewonden: SWOV, wetenschappelijk onderzoek verkeersveiligheid – Monitor Verkeersveiligheid 2018 doorpakken om de verkeersveiligheid te verbeteren (https://www.swov.nl/publicatie/monitor-verkeersveiligheid-2018).

Toelichting:

De gegevens over 2018 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit jaarverslag. De cijfers omtrent het aantal verkeersdoden over 2018 zijn april/mei 2019 beschikbaar en het aantal verkeersgewonden over 2018 in december 2019.

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar deels conform de verwachtingen, zoals vermeld in de begroting. Op het onderdeel verkeersveiligheid heeft dit geleid tot een bijstelling van beleid met het publiceren van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid. Voor de aanpak van de grootste resterende knelpunten uit de NMCA zijn in 2018 extra stappen gezet, door de door het Kabinet aanvullend beschikbaar gestelde middelen voor een inhaalslag in infrastructuur. Zo zijn in 2018 in twee tranches afspraken gemaakt voor een korte termijn file-aanpak.

Beter Benutten Vervolgprogramma

In 2018 is het Beter Benutten Vervolgprogramma afgerond. De eindvaluatie is op 22 november 2018 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2018–2019, 35 000 A, nr. 78). Doel van dit programma was een vermindering van de deur tot deur reistijd in de spits met 10 procent in de drukste gebieden van ons land. De behaalde resultaten laten zien dat de Beter Benutten werkwijze een effectieve aanvulling vormt op de aanleg en uitbreiding van infrastructuur. Gemiddeld zijn er dagelijks 80.000 voertuigen minder op de weg in de spits. Ook is er jaarlijks ruim 61.000 ton CO2 bespaard en fietsen 60.000 forenzen vaker naar hun werk. Hiermee is de doelstelling van het programma ruimschoots bereikt: de reistijd in de drukste gebieden is met 13 procent verbeterd.

Verkeersveiligheid

De doelstellingen voor het aantal verkeersdoden (maximaal 500) en het aantal ernstig verkeersgewonden (10.600) in 2020 worden waarschijnlijk niet gehaald. Daarom is in 2018 samen met medeoverheden en maatschappelijke organisaties een nieuwe en gedeelde visie ontwikkeld, het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030. Dit strategisch plan is evenals het Landelijk actieplan verkeersveiligheid 2019–2021 op 5 december 2018, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid en de provincies, gemeenten en vervoersregio’s aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2018–2019, 29 398, nr. 639). Met het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030 is nul verkeersslachtoffers de nieuwe ambitie. Het aantal verkeersdoden en ernstig verkeersgewonden blijven de belangrijkste indicatoren die aangeven of het gevoerde beleid effectief is.

Omdat met name op N-wegen sprake is van verkeersveiligheidsrisico’s, is begin 2018 € 50 miljoen beschikbaar gesteld voor het veiliger inrichten van de bermen van N-wegen. De helft hiervan is bestemd voor Rijks-N-wegen en de andere helft is in de vorm van cofinanciering beschikbaar voor N-wegen in provinciaal beheer. In 2019 worden hiertoe maatregelpakketten uitgewerkt, zodat de maatregelen op korte termijn gerealiseerd kunnen worden.

Met de «learning by doing»-aanpak is beter zicht ontstaan in de ontwikkelingen die op ons afkomen en de bijbehorende kansen en risico’s voor verkeersveiligheid, doorstroming en duurzaamheid. Met betrekking tot het weggebonden verkeer en vervoer is daarvoor de vervolgaanpak in oktober 2018 gepresenteerd (Kamerstukken II 2018–2019, 31 305, nr. 264).

Met betrekking tot de wens van het parlement om automatisering van het voertuig te stimuleren door ruim baan te geven aan testen en proeven met innovatieve systemen is in 2018 door het parlement de Experimenteerwet Zelfrijdende voertuigen goedgekeurd. Deze wetswijziging Wegenverkeerswet zal in 2019 in werking treden.

In 2018 is gezamenlijk met de markt en overheden gekeken naar de belangrijkste belemmeringen om te komen tot grootschalig gebruik van MaaS, waaronder de beperkte mogelijkheden tot data-uitwisseling tussen verschillende modaliteiten zoals OV, taxi, (deel)fiets, (deel)auto en andere vormen van vervoer. Eind 2018 zijn 24 consortia geselecteerd om hiertoe stappen te zetten (Kamerstukken II 2018–2019, nr. 31 305, nr 260 en Kamerstukken II 2018–2019, nr. 31 305, nr 271).

Vrachtwagenheffing

Met de invoering van Vrachtwagenheffing wordt beoogd het binnen- en buitenlands vrachtverkeer te laten betalen voor het gebruik van de weg, door de omzetting van een vaste belasting (motorrijtuigenbelasting en Eurovignet) naar een variabele heffing waarbij betaald wordt per gereden kilometer, en waarbij de opbrengsten worden ingezet voor innovatie en verduurzaming van de vervoerssector. De voorbereiding van de Vrachtwagenheffing is voortvarend ter hand genomen met een gefaseerde aanpak in het kader van het regeerakkoord. De eerste fase stond in het teken van beleidsvoorbereiding. Op 9 november is het Beleidskader Vrachtwagenheffing aan de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II 2018–2019, 31 3105, nr. 269). In 2018 zijn ook de voorbereidingen voor fase 2 (de Wetgevings- en voorbereidingsfase) ter hand genomen, zodat deze in 2019 van start kan gaan.

Aanleg

In het mobiliteitsbeeld 2017 van het KIM is aangegeven dat de uitbreiding van het wegennet (extra stroken) in 2016 ten opzichte van 2005 heeft geleid tot een reductie van het reistijdverlies op de hoofdwegen met 46 procent. Het KIM verwacht dat ondanks de geplande uitbreiding van de capaciteit op het hoofdwegennet (HWN) (IenM, 2017) de reistijdverliezen in 2023 35 procent hoger kunnen liggen dan in 2017. Het is daarom nodig het bestaande aanlegprogramma voort te zetten en daarnaast dit programma uit te breiden door de impuls in het aanlegprogramma die het regeerakkoord biedt.

Geluid

In 2018 is de sanering van 52 geluidknelpunten formeel afgehandeld in het kader van het meerjarenprogramma geluidsanering. Hiermee is verder uitvoering gegeven aan de geluidsanering. Tevens is er een nalevingsverslag geluid 2017 opgeleverd dat met een Nota van Bevindingen naar de Tweede Kamer wordt gestuurd, hetgeen nog niet is gebeurd.

De voornaamste bevinding is dat Rijkswaterstaat en ProRail met deze verslagen en de daaraan gerelateerde acties op actieve wijze invulling geven aan de zorgplicht tot naleving van geluidproductieplafonds. Uit de nalevingsverslagen blijkt dat de systematiek van de Wet om de groei van geluid te beheersen werkt.

Duurzaamheid

In 2018 heeft het ministerie bijgedragen aan diverse gedragsprogramma’s gericht op duurzame mobiliteit, zoals de Green Deal, Het nieuwe draaien, de citydeal elektrische deelmobiliteit in nieuwbouwprojecten en de Anders Reizen coalitie. De Green Deal Autodelen I is afgerond en voortgezet in een Green Deal Autodelen II. Het kwantitatieve doel uit de Greendeal Autodelen I van 100.000 auto’s hebben de gezamenlijke partijen (rijk, gemeenten en marktpartijen) niet in 2018 gehaald, maar partijen hebben gezamenlijk besloten tot voortzetting van de samenwerking in de nieuwe Green Deal Autodelen II, waarbij naast het aantal deelauto’s ook het aantal gebruikers van deelauto’s zal worden gemonitord.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van budgettaire gevolgen van beleid artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid (x € 1.000)
         

Realisatie

Begroting

Verschil

 
 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

 

Verplichtingen

26.712

40.149

63.115

33.639

40.211

27.319

12.892

1

Waarvan garantieverplichting CBR

       

8.000

0

8.000

 

Uitgaven

33.866

40.064

34.635

46.179

46.558

36.725

9.833

 

14.01 Netwerk

15.581

21.538

15.367

30.705

30.370

20.575

9.795

 

14.01.01 Opdrachten

11.494

16.980

11.025

24.066

18.271

15.304

2.967

2

Beter Benutten

8.101

10.165

7.245

20.106

12.731

10.141

2.590

 

– BOA wegverkeersbeleid

0

0

1.320

1.641

1.227

2.096

– 869

 

– Wegverkeersbeleid

0

0

1.434

1.683

2.767

1.146

1.621

 

– Overige Opdrachten

3.393

6.815

1.026

636

1.546

1.921

– 375

 

14.01.02 Subsidies

1.412

1.229

1.126

1.077

1.328

650

678

 

14.01.03 Bijdragen aan agentschappen

2.675

3.329

3.216

5.562

7.217

4.621

2.596

3

– Waarvan bijdrage aan RWS

2.675

3.329

3.216

5.562

7.217

4.621

2.596

 

14.01.04 Bijdrage aan medeoverheden (Caribisch Nederland)

3.554

0

3.554

4

14.02 Veiligheid

18.285

18.526

19.268

15.474

16.188

16.150

38

 

14.02.01 Opdrachten

5.541

6.774

7.598

5.251

4.686

6.218

– 1.532

5

Opdrachten verkeersveiligheid

0

0

0

0

4.686

6.218

– 1.532

 

14.02.02 Subsidies

12.107

11.329

8.063

8.181

8.663

8.401

262

 

– VVN

3.620

3.619

3.660

3.523

3.936

3.736

200

 

– SWOV

3.729

3.737

3.781

3.878

3.952

3.870

82

 

– Overige Subsidies

4.758

3.973

622

780

775

795

– 20

 

14.02.03 Bijdragen aan agentschappen

637

393

585

596

595

584

11

 

– Waarvan bijdrage RWS

637

393

585

596

595

584

11

 

14.02.05 Bijdragen aan internationale organisaties

0

0

30

30

30

30

0

 

– Euro NCAP

0

0

30

30

30

30

0

 

14.02.06 Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

0

30

2.992

1.416

2.214

917

1.297

5

– CBR

0

30

2.992

1.416

2.214

917

1.297

 

Ontvangsten

4.253

2.504

3.149

5.279

3.658

6.782

– 3.124

6

Financiële Toelichting

Onderstaand wordt op het niveau van financieel instrument een toelichting gegeven op de verschillen (de mutaties) tussen de begroting en de realisatie, zie voor de gehanteerde norm de toelichting «normering jaarverslag» zoals opgenomen in de leeswijzer.

  • 1. De hogere verplichtingen realisatie van € 12,9 miljoen is met name ontstaan door overboekingen van gereserveerde middelen op het Infrastructuurfonds naar dit artikel voor o.a. een eenmalige impuls Caribisch Nederland, extra verkenningen en MIRT onderzoek impuls Wegen en voor de programma’s Duurzame Mobiliteit, Wandel en Fiets en Innovatie Mobiliteit (allen zijn onderdeel van het programma Beter Benutten). Tevens is bij 2e suppletoire begroting 2018 voor het aangaan van meerjarige overeenkomsten voor kennisplatvorm tunnelveiligheid respectievelijk militaire mobiliteit verplichtingenbudget vanuit latere jaren naar 2018 overgeheveld.

  • 2. De hogere uitgaven van € 3 miljoen zijn met name een gevolg van de opdrachten van de Innovatieunit (€ 2,6 miljoen), onderdeel van het programma Beter Benutten. Bij 1e suppeltoire begroting zijn daartoe gereserveerde middelen naar dit artikelonderdeel overgeheveld.

  • 3. De hogere bijdrage aan RWS van € 2,6 miljoen is ontstaan door het beschikbaar stellen van aanvullende middelen in het kader van Beleidsondersteuning en Advies voor het uitvoeren van extra verkenningen en MIRT onderzoeken wegen (€ 1,3 miljoen) en voor extra capaciteit voor verschillende programma’s in het kader van Beter Benutten (€ 1,3 miljoen).

  • 4. De hogere uitgaven aan medeoverheden betreft een eenmalige impuls aan Caribisch Nederland voor wegen (€ 3,5 miljoen).

  • 5. De hogere bijdrage aan ZBO’s is gevolg van een bijdrage van IenW aan het CBR voor vorderingonderzoeken rijvaardigheid en medische geschiktheid.

  • 6. In 2018 is, net als in voorgaande jaren, een tekort ontstaan door het uitblijven van inkomsten uit de Buisleidingenstraat Nederland (LSNed). Oorzaak is het uitblijven van nieuwe toetreders. Om deze lagere ontvangst op te vangen is de reservering die hiervoor op het Infrastructuurfonds staat aangesproken.

14.01 Netwerk

Toelichting op de financiële instrumenten

14.01.01 Opdrachten

Voor opdrachten is onderzoek gedaan op het gebied van communicatie, monitoring en evaluatie en gedrag- en vraagbeïnvloeding.

14.01.02 Subsidies

In het kader van het fietsbeleid zijn in 2018 subsidies betaald aan Stichting Natuur & Milieu, de Fietsersbond, Dutch Cycling Embassy, de Nationale Hogeschool voor Toerisme en Verkeer (NHTV) te Breda en de Stichting Wandelnet en Fietsplatform. Voor de dekking van deze subsidies is bij 2e suppletoire begroting 2018 het budget vanuit het gereserveerde budget Programma Fiets op het Infrastructuurfonds met € 0,8 miljoen opgehoogd.

14.01.03 Bijdragen aan agentschappen

Rijkswaterstaat (RWS) voert in opdracht van IenW werkzaamheden uit in het kader van Beleidsondersteuning en Advies (BOA). Als gevolg van verhoging Infrastructuurfonds vanuit het Regeerakkoord Rutte III zijn in 2018 2018 middelen beschikbaar gesteld voor wegen. RWS heeft hiermee meer verkenningen en MIRT onderzoeken gestart door RWS. Hiervoor is bij 2e suppletoire begroting 2018 € 1,3 miljoen vanuit het Infrastructuurfonds naar dit artikel overgeheveld. Ook is voor de programma’s Duurzame Mobiliteit, Fiets en Programma Innovatie Mobiliteit eveneens vanuit de hiervoor gereserveerde budgetten bij het Infrastructuurfonds bij 2e suppletoire begroting € 1,3 miljoen naar dit artikel overgeheveld. Hiermee is voor de capaciteit inzet van RWS in 2018 totaal € 7,2 miljoen beschikbaar gesteld.

14.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

Ten behoeve van een eenmalige impuls aan Caribisch Nederland voor wegen is bij 2e suppletoire begroting 2018 € 3,5 miljoen vanuit het Infrastructuurfonds naar dit financieel instrument overgeheveld.

14.02 Veiligheid
14.02.01 Opdrachten

De lagere uitgaven voor opdrachten veiligheid houden met name verband met het feit dat budget is overgeheveld voor de bijdrage aan het CBR (subsidies) voor € 1,0 miljoen. Dit aanvullende budget was nodig voor vorderingenonderzoek, ADHD en rijgeschiktheid, communicatieactiviteiten en ASP afbouw.

14.02.02 Subsidies

In 2018 zijn subsidies uitgekeerd aan Veilig Verkeer Nederland (VVN), Team Alert en de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV). Tevens een bijdrage aan International Council Alcohol, Drugs and Traffic (ICADTS) voor de organisatie van een conferentie.

14.02.03 Bijdragen aan agentschappen

Rijkswaterstaat (RWS) voert in opdracht van IenW werkzaamheden uit in het kader van Beleidsondersteuning en Advies (BOA). Door middel van de agentschapsbijdrage wordt hiervoor capaciteit bij RWS gereserveerd.

14.02.05 Bijdragen aan internationale organisaties

In 2018 is de contributieverplichting 2018 voor de deelname van Nederland aan EURO NCAP (New Car Assessment Programme) voldaan. EURO NCAP beoordeelt onafhankelijk de veiligheidsprestaties van Europa’s meest verkochte auto’s. Om gedragsbeïnvloeding te bereiken wordt onder meer het Meerjarenprogramma Campagnes Verkeersveiligheid uitgevoerd.

14.02.06 Bijdrage aan ZBO's en RWT's

Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR)

Ingevolge de Regeling maatregelen Rijvaardigheid en Geschiktheid (RMRG) ontvangt het CBR voor de vorderingenonderzoeken rijvaardigheid en medische geschiktheid een gedeeltelijke vergoeding van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Het resterende deel wordt doorberekend aan de burger waarbij het onderzoek moet plaatsvinden. In 2018 was de bijdrage van IenW € 1,7 miljoen.

Dienst Wegverkeer (RDW)

De RDW houdt toezicht op de Erkenninghouder installateur alcoholsloten door middel van herkeuringen (steekproeven) en periodieke controlebezoeken. Bij een herkeuring (steekproef) beoordeelt de RDW primair de kwaliteit van de werkzaamheden aan het alcoholslot. Bij een periodiek controlebezoek wordt vooral getoetst of aan de erkenningseisen en -voorschriften wordt gehouden. In 2018 was de bijdrage van IenW € 0,2 miljoen. Voor de dekking van deze kosten is bij 2e suppletoire begroting 2018 vanuit het opdrachtenbudget binnen dit artikelonderdeel € 1,12 miljoen naar dit financiële instrument overgeheveld.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 12 Hoofdwegennet (x € 1.000)
   

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

2.361.863

Andere ontvangsten van artikel 12 Hoofdwegennet

110.467

Totale uitgaven op artikel 12 Hoofdwegennet

2.472.330

waarvan

 

12.01

Verkeersmanagement

3.736

12.02

Beheer onderhoud en vervanging

717.007

12.03

Aanleg

558.823

12.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

605.036

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

587.728

12.07

Investeringsruimte

0

Artikel 15 OV-keten

In het voorjaar van 2014 is het tweede deel van de Lange Termijn Spooragenda naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2013–2014 29 984, nr. 474). De kern van de ambitie zoals in de LTSA opgenomen is een optimale reis van deur tot deur binnen de Openbaar Vervoer en Spoorketen. De huidige begrotingsindeling sluit hier niet op aan, omdat er sprake is van een apart artikel voor Openbaar Vervoer en een apart artikel voor Spoor. Daarom heeft IenM bij Eerste suppletoire 2016 aangekondigd om bij Begroting 2017 de artikelen samen te voegen tot één nieuw artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor. Hiertoe wordt de naam en algemene doelstelling van artikel 16 aangepast van «Spoor» naar «Openbaar Vervoer en Spoor». Artikel 15 OV-keten wordt geschrapt en zal opgaan in het nieuwe artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor. Met dit integrale artikel wordt beoogd de samenhang tussen de artikelen te benadrukken. De samenvoeging is gemeld aan de Tweede Kamer middels een brief (Kamerstukken II 2015–2016 34 300, nr. 73).

Hieronder is de budgettaire tabel van artikel 15 OV-keten opgenomen. Door de samenvoeging van de beleidsartikelen 15 en 16 heeft deze alleen nog betrekking op de jaren 2016 en daarvoor. Voor de jaren 2017 en verder wordt verwezen naar artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid artikel 15 OV-keten (x € 1.000)
           

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

15.322

4.712

5.566

0

0

0

0

Uitgaven

15.528

5.673

4.745

0

0

0

0

15.01

OV-keten

15.528

5.673

4.745

0

0

0

0

15.01.01

Opdrachten

13.778

3.838

3.165

0

0

0

0

15.01.02

Subsidies

736

1.036

782

0

0

0

0

15.01.03

Bijdrage aan agentschappen

1.014

799

798

0

0

0

0

 

– waarvan bijdrage aan RWS

1.014

799

798

0

0

0

0

 

Ontvangsten

123

0

6.207

0

0

0

0

Artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor

Algemene Doelstelling

Om ervoor te zorgen dat reizigers veilig, betrouwbaar en betaalbaar kunnen reizen van A naar B ontwikkelt, beheert en stuurt IenW de benutting van de hoofdspoorweginfrastructuur aan en stelt zij decentrale overheden in staat het Openbaar Vervoer buiten de hoofdspoorweginfrastructuur hiertoe te ontwikkelen, beheren en benutten. Daarbij zorgt IenW tegelijkertijd dat verladers van goederen over het spoor de trein in toenemende mate als een aantrekkelijke vervoersoptie beschouwen.

IenW zet in op een hoofdspoorweginfrastructuur en Openbaar Vervoer dat bijdraagt aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland, aan het behalen van de milieunormen en de sociale functie van het Openbaar Vervoer. Om deze doelen, die ook beschreven staan in de Lange Termijn Spooragenda deel 2 (Kamerstukken II 2013–2014 29 984, nr. 474), te behalen werkt IenW samen met medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

(Doen) Uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid). Voor het Openbaar Vervoer en Spoor betekent dit dat de Minister zorgt voor:

  • Een concessie voor het vervoer over het hoofdrailnet (NS) waarin het aanbod van het reizigersvervoer op het hoofdrailnet is vastgelegd.

  • De uitvoering van het beheer, onderhoud en vervanging van railinfrastructuur, verkeersleiding, capaciteitsmanagement en het oplossen van veiligheidsknelpunten door ProRail onder aansturing van IenW (via de beheerconcessie). Deze activiteiten zijn terug te vinden op het Infrastructuurfonds (artikel 13).

  • De besluitvorming over en uitvoering van investeringen in de hoofdspoorweginfrastructuur (incl. stations) in relatie tot gebiedsontwikkeling. Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd. De middelen worden beschikbaar gesteld via het Infrastructuurfonds.

  • Een bijdrage aan de financiering (via het Provinciefonds of de BDU) van het gedecentraliseerde Openbaar Vervoer.

  • Een concessie voor de Waddenveren (met uitzondering van Texel).

  • De financiering (via het Infrastructuurfonds) van het programma Beter Benutten Decentraal Spoor.

  • Het vormgeven (in saneringsplannen) en uitvoeren van de aanpak van hoge geluidsbelastingen langs het hoofdrailnet door middel van het Meerjarenprogramma geluidsanering (MJPG).

  • Om onder meer de veiligheid verder te verhogen wordt het European Railway Traffic Management System (ERTMS) ingevoerd.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het beleid inzake openbaar vervoer (per trein, bus, tram, metro, taxi en waddenveren), waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. IenW zorgt voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan via wet- en regelgeving, aansturing van ProRail en NS in het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en stations en afspraken met decentrale overheden, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Uitvoering vindt plaats door middel van samenwerking in de gehele OV-keten en de gehele goederenketen. Het beleid stimuleert en faciliteert deze samenwerking.

Deze regierol wordt ingevuld door:

  • Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, doorstroming en duurzaamheid.

  • Regelgeving en afspraken over concessieoverstijgende onderwerpen waar het voor de reiziger van belang is dat zaken uniform geregeld worden, ongeacht de vervoerder of concessie (zoals sociale veiligheid, toegankelijkheid, OV-chipkaart, taxivervoer en OV-data).

  • Regelgeving en afspraken over de benutting van de Openbaar Vervoer infrastructuur en de ordening van de Openbaar Vervoer markt. Hierbij worden de aanbevelingen van de parlementaire enquête Fyra hierover betrokken.

  • Het stimuleren van de samenwerking in de gehele OV-keten en de spoorgoederenvervoerketen, door het organiseren van platforms en tafels.

  • De inzet van de Beleidsimpuls railveiligheid (Kamerstukken II 2015–2016 29 893, nr. 204), waarin de prioriteiten in de veiligheidsaanpak voor de komende jaren zijn benoemd, zoals het Landelijke Verbeterprogramma Overwegen, het programma niet-actief beveiligde overwegen (nabo), het STS-verbeterprogramma (reductie stoptonend sein passages), suïcidepreventie en externe veiligheid langs het spoor en bij emplacementen.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht)

Indicatoren en Kengetallen

Kengetal klanttevredenheid regionaal openbaar vervoer

Kengetal klanttevredenheid regionaal openbaar vervoer
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Algemeen oordeel

7,2

7,4

7,4

7,5

7,5

7,6

7,8

n.n.b

Informatie en veiligheid

7,5

7,6

7,6

7,6

7,7

7,8

7,9

n.n.b

Rijcomfort

7,3

7,4

7,5

7,5

7,6

7,6

7,6

n.n.b

Tijd en doorstroming

6,6

6,8

6,8

6,9

7,0

7,0

7,2

n.n.b

Prijs

5,9

6,2

6,3

6,4

6,6

6,6

6,7

n.n.b

Bron: CROW/KpVV – OV-Klantenbarometer 2017

http://www.ovklantenbarometer.nl/Rapporten.aspx

Toelichting:

De gegevens over 2018 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit jaarverslag. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij de begroting 2020.

Kengetal Sociale veiligheid in het stads- en streekvervoer

Kengetal Sociale veiligheid in het stads- en streekvervoer
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Waardering veiligheidsgevoel in het voertuig als rapportcijfer

               

– Reizigers (1)

7,9

7,9

7,9

8

8

8

8,1

n.n.b

– Personeel (2)

nb

6,9

nb

7

nb

6,8

nb

n.n.b

Onveiligheidsincidenten in en rond het OV in %

             

n.n.b

– Reizigers(3)

nb

15

15

16

14

14

16

n.n.b

– Personeel(4)

nb

60

nb

60

nb

62

nb

n.n.b

Bron: CROW-KpVV Personeelsmonitor stads- en streekvervoer 2017 en CROW-KpVV OV-Klantenbarometer 2017.

Toelichting: rapportages staan op www.crow.nl

Toelichting

De gegevens over 2018 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit jaarverslag. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij de begroting 2020.

Ad 1) Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van de reizigers tijdens de rit.

Ad 2) Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van het personeel zowel in als rond het openbaar vervoer. Dit cijfer wordt tweejaarlijks opgehaald.

Ad 3) Dit betreft het percentage reizigers dat slachtoffer is geworden van een incident. Het percentage in 2012 en verder is niet vergelijkbaar met voorgaande jaren omdat een andere vraagstelling heeft plaatsgevonden.

Ad 4) Dit is het percentage van het personeel dat één of meerdere keren slachtoffer is geweest van een incident. Dit cijfer wordt tweejaarlijks opgehaald.

Kengetal sociale veiligheid NS
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Klantoordeel sociale veiligheid

79,1%

78,3%

79,5%

80,2%

80,1%

87,1%

88%

90%

Toelichting

Het klantenoordeel sociale veiligheid in de trein en op het station was over 2018 90%. Dit was 2% hoger dan in 2017 toen de realisatie 88% was. De realisatie van 2018 is hoger dan de progressewaarde van 83%.

Indicator: Reizigerspunctualiteit en Algemeen klantoordeel
 

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Bodemwaarde

Progressiewaarde

Streefwaarde

 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2015–2019¹

2017 ¹

2019¹

Reizigerspunctualiteit 5 minuten Hoofdrailnet1

91,5%

91,5%

90,0%

90,5%

91,0%

90,6

91,6

92,6%

88,9%

90,5,%

91,1%

Algemeen klantoordeel2

74%

74%

75%

75%

74%

77%

80%

86%

74%

76%

80%

Toelichting

  • 1) De Reizigerspunctualiteit 5 minuten HRN was over 2018 92,6%. Dit was 1 procentpunt hoger dan 2017 toen de realisatie 91,6% was. De score van 2018 is hiermee hoger dan de progressiewaarde van 90,5% en daarmee houden we de opwaartse trend vast.

  • 2) Het Algemeen Klantoordeel HRN was over 2018 86%. Dit was 6% hoger dan 2017 toen de realisatie 80% was. De realisatie van 2018 is hiermee hoger dan de progressiewaarde van 76%.

Spoorveiligheid (naar risicodrager)

Hieronder staan de indicatoren voor spoorveiligheid zoals die vanaf dit begrotingsjaar worden gehanteerd op basis van de Beleidsimpuls Railveiligheid. In 2016 is de Beleidsimpuls Railveiligheid aan de Tweede Kamer aangeboden. Dit betreft de ontwikkeling van de verschillende veiligheidsdoelstellingen voor de diverse risicodragers conform de Europese systematiek, zoals die ook wordt toegepast in de Derde Kadernota Railveiligheid. Risicodragers zijn actoren met verschillende rollen die binnen het spoorsysteem veiligheidsrisico’s lopen.

Over de indicatoren wordt jaarlijks gerapporteerd op basis van het Jaarverslag Spoorveiligheid en het NSA Jaarverslag, opgesteld door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Hierin worden de indicatoren in samenhang met de achterliggende veiligheidsrisico’s nader toegelicht. Hiermee wordt de informatiewaarde van de jaarverslagen vergroot en ontstaat er een directere relatie tussen de bevindingen van de ILT en de beleidsontwikkeling.

In onderstaande tabel is voor de belangrijkste acht spoorveiligheidsindicatoren aangegeven wat de stand van zaken eind 2017 was op basis van de indicatoren. De stand van zaken 2018 komt in oktober 2019 beschikbaar. Deze informatie zal verstrekt worden in de verantwoording 2019.

Indicator: spoorveiligheid (naar risicodrager)

Nr.

Risicodrager

Omschrijving indicator

NRV

2017

2016

2015

1

Veiligheidsrisico treinreizigers

SGEL onder reizigers/jaar/mld. reizigerskm’s

0,089

0

0

0,011

2

(Mogelijke) ongevallen met treinen

         

2.1

 

Aantal significante ongevallen/ mln. treinkm’s

 

0,16

0,18

0,20

2.2

 

Aantal significante treinbotsingen/mln. treinkm’s

 

0,00

0,01

0,01

2.3

 

Aantal significante ontsporingen/ mln. treinkm’s

 

0,01

0,00

0,006

2.4

 

Aantal STS passages

 

105

100

100

3

Veiligheidsrisico spoorpersoneel

SGEL onder spoorpersoneel/jaar/mld. treinkm’s

5,97

1,26

13,96

1,28

4

Veiligheidsrisico overweggebruikers

SGEL onder overweggebruikers/jaar/mld. treinkm’s

127,00

38,38

19,68

84,70

5

Suïcides

Aantal spoorsuïcides

 

215

221

223

Bron: ILT Jaarverslag Spoorveiligheid 2017, Kamerstukken II, 2018/2019 29 893 nr. 224

Gebruikte afkorting in de tabel

NRV = National Reference Value, de in Europees kader vastgestelde referentiewaarde per lidstaat voor de betreffende indicator.

SGEL = Slachtoffers en Gewogen Ernstige Letsels. Dit is een kwantificering van de gevolgen van ernstige ongevallen met doden en ernstige letsels, waarbij 1 ernstig letsel statistisch gelijk is aan 0,1 overledene.

STS = Stoptonend sein

Zoals in bovenstaande tabel te zien zijn alle waarden onder de National Reference Value (NRV) gebleven. In de beleidsreactie op het OVV-rapport in november 2018 is de ambitie uitgesproken om binnen 5 in plaats van 10 jaar alle openbaar toegankelijke niet actief beveiligde overwegen te hebben opgeheven dan wel te hebben beveiligd. Daarnaast wordt het aangescherpte risicogestuurde overwegenbeleid gecontinueerd.

Kengetal aantal treinbewegingen goederentreinen per week
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Betuweroute (Meteren-Valburg)1

420

430

410

480

440

390

470

n.n.b

Zevenaar grens

480

490

490

540

470

400

470

n.n.b

waarvan Betuweroute1

420

430

410

480

440

380

460

n.n.b

Oldenzaal grens

60

60

70

60

100

130

110

n.n.b

Venlo grens

230

220

240

190

270

310

240

n.n.b

Maastricht grens

20

20

30

30

30

40

50

n.n.b

Roosendaal grens

120

110

110

110

130

140

150

n.n.b

Bron: ProRail Operatie, VL/PAB en ProRail Vervoer en Dienstregeling PV/POV

X Noot
1

Omdat eind 2015 de verbindingsboog bij Elst in gebruik is genomen, is er een verschil tussen het aantal goederentreinen op het drukste deel van de Betuweroute (Meteren-Valburg) en het aantal goederentreinen dat via de Betuweroute (Valburg-Zevenaar) en Zevenaar grens heeft gereden.

Toelichting

De gegevens over 2018 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit jaarverslag. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij de begroting 2020.

Beleidsconclusies

Het op artikel 16 uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar grotendeels conform de verwachtingen zoals vermeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen of een noodzaak tot beleidsmatige bijstelling aan het licht gekomen.

In 2018 is de beleidsdoorlichting van beleidsartikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor uitgevoerd en aan de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2018–2019, 32.861, nr. 41). Het beleid ten aanzien van Openbaar Vervoer en Spoor is gericht op het verbeteren van de bereikbaarheid, de capaciteit, veiligheid, betrouwbaarheid en het reisgemak van het Openbaar Vervoer. De beleidsdoorlichting laat zien dat er op veel afzonderlijke onderdelen deelresultaten geboekt zijn die allen hebben bijgedragen aan de beleidsdoelen, waardoor het spoor voor de reiziger en de verlader een aantrekkelijke optie kan zijn en dat heeft geleid tot meer gebruik van het spoor. Deze constatering wordt gezien als een bevestiging van de geleverde inspanningen en resultaten op dat vlak.

Op het gebied van marktordening zijn in 2018 verschillende bouwstenen (zoals ordening op stations, open toegang, decentralisatie, concessie op HRN) verder gebracht door het uitzetten van onderzoeken. Deze onderzoeken ondersteunen een gedegen besluitvorming over de ordening van het Nederlandse spoor.

In januari 2018 is het definitieve vijfjaarlijkse actieplan geluid voor de druk bereden spoorwegen vastgesteld en gepubliceerd (www.rijksoverheids.nl/geluidinkaart).

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor (bedragen x € 1.000)
         

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

Verplichtingen

8.453

49.388

28.104

– 7.372

4.801

7.846

– 3.045

1

Uitgaven

39.471

24.603

18.896

18.804

15.728

18.622

– 2.894

16.01 OV en Spoor

39.471

24.603

18.896

18.804

15.728

18.622

– 2.894

2

16.01.01 Opdrachten

16.687

12.042

985

4.462

4.397

6.382

– 1.985

 

– ERTMS

0

10.417

0

47

0

0

0

 

– Overige Opdrachten

16.687

1.625

985

4.415

4.397

6.382

– 1.985

 

16.01.02 Subsidies

22.710

12.388

15.544

11.053

7.975

8.934

– 959

3

– GSM-R

12.805

1.092

2.014

3.572

0

0

0

 

– Bodemsanering NS percelen

9.076

9.076

9.077

0

0

0

0

 

– Overige Subsidies

829

2.220

4.453

7.481

7.975

8.934

– 959

 

16.01.03 Bijdragen aan agentschappen

74

44

44

912

936

919

17

 

– Waarvan bijdrage aan KNMI

74

44

44

44

45

44

1

 

– Waarvan bijdrage aan RWS

0

0

0

868

891

875

16

 

16.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

0

0

2.252

2.297

2.349

2.287

62

 

– CLU Betuweroute en HSL

0

0

2.252

2.297

2.349

2.287

62

 

16.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

0

129

71

80

71

100

– 29

 

Ontvangsten

0

152

3

3.497

375

0

375

 

Financiële Toelichting

Onderstaand wordt op het niveau van financieel instrument een toelichting gegeven op de verschillen (de mutaties) tussen de begroting en de realisatie, zie voor de gehanteerde norm de toelichting «normering jaarverslag» zoals opgenomen in de leeswijzer.

  • 1. De lagere verplichtingen realisatie van € 3,0 miljoen is met name als gevolg van een autonome meevaller op de subsidieregeling Derde Spoor Duitsland (€ 2,1 miljoen).

  • 2. De lagere uitgaven van € 1,9 miljoen aan opdrachten is met name het gevolg van een overboeking aan het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat ten behoeve van een vergoeding aan ACM voor de uitvoering van werkzaamheden in de Vervoerkamer (€ 1,8 miljoen).

  • 3. De lagere uitgaven van € 0,9 miljoen aan subsidies wordt met name veroorzaakt door de overheveling bij 2e suppletoire begroting 2018 van de niet benodigde middelen voor de subsidieregeling Derde Spoor Duitsland naar het Infrastructuurfonds van € 1,1 miljoen. Het doel van deze subsidieregeling Derde Spoor Duitsland is dat vervoerders compensatie mogen aanvragen bij Prorail als ze vanwege werkzaamheden aan het Derde Spoor in Duitsland omgeleid moeten worden via andere grensovergangen. In 2018 zijn er echter vanwege de uitstel van werkzaamheden aan Duitse zijde veel minder omleidingen geweest dan oorspronkelijk voorzien. Om die reden is het gebruik van deze regeling minder dan voorzien.

16.01 OV en Spoor

Toelichting op de financiële instrumenten

16.01.01 Opdrachten

Dit uitgaven betreffen voornamelijk (lopende) opdrachten voor de implementatie van de OV-begeleiderskaart, monitoring sociale veiligheid, de beheer- en vervoerconcessie, de uitbesteding van SCHWUNG1 taken, het onderzoeken naar verbetermogelijkheden voor het rekenmodel trillingen spoorwegen, het onderzoek naar verplaatsingen in Nederland (OVIN) en spoorwegwetgeving. Ook zijn opdrachten uitgevoerd ten behoeve van de toegankelijkheid van het openbaar vervoer.

Daarnaast maakt de jaarlijkse vergoeding aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) onderdeel uit van deze middelen, welke een vergoeding is voor haar werk op het gebied van spoor zoals de Vervoerkamer. Deze werkzaamheden zijn er op gericht om een gelijk speelveld te creëren binnen de sector. De Vervoerkamer reguleert de relatie tussen de beheerders en de gebruikers van het spoor. Bij 2e suppletoire begroting 2018 is hiervoor € 1,8 miljoen overgeboekt naar het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

16.01.02 Subsidies

In 2018 zijn de volgende subsidie uitgaven gedaan:

NS sociale Veiligheid: € 3,6 miljoen in 2018 (van in totaal € 10 miljoen in de jaren 2016–2018)

Het doel van de subsidie is een bijdrage aan extra maatregelen voor sociale veiligheid. De bijdrage wordt besteed aan de inzet van flexteams veiligheid na 22.00 uur op zondag t/m woensdag, inhuur van beveiliging op stations en innovatieve toepassingen voor het hele OV. De extra maatregelen zullen bijdragen aan de veiligheid van NS-personeel en andere medewerkers in het OV en aan de veiligheid van de reizigers. Met deze subsidie is budget beschikbaar gesteld voor de maatregel dubbele bemensing (uit het maatregelenpakket 2015) en is uitvoering gegeven aan de motie Van Veldhoven (Kamerstuk 34 550 XII, nr. 43).

Tijdelijke subsidieregeling spoorgoederenvervoer voor bijzondere omleidingskosten: € 0,7 miljoen in 2018

Deze regeling heeft tot doel de marktpositie van het spoorgoederenvervoer ten opzichte van het meer vervuilende goederenvervoer over de weg te handhaven, gedurende de periode dat de Betuweroute door de aanleg van een derde spoor in Duitsland tussen Emmerich en Oberhausen verminderd beschikbaar is. Spoorwegondernemingen worden daardoor geconfronteerd met extra kosten door de omleiding.

NS Intercity Dordrecht Breda: € 2,0 miljoen in 2018 van in totaal € 3,38 miljoen in 2017 en 2018 Het doel van de subsidie is dat de NS hiermee met ingang van dienstregeling 2017 voor een periode van twee jaar een uursverbinding met een Intercity zal realiseren tussen Dordrecht en Breda. De Kamer is hierover op 30 maart 2016 geïnformeerd bij de beantwoording van Kamervragen van lid Bruins (CU) over de intercity Dordrecht-Breda.

Bijdrage exploitatiekosten RE13 Nederlands grondgebied VRR € 0,25 miljoen in 2018 van in totaal € 2,5 miljoen 2017 tot en met 2025.

Belemmeringen voor grensoverschrijdend treinverkeer worden waar mogelijk weggenomen door maatregelen en bijdragen ter stimulering van internationaal personenvervoer. Door deze bijdrage kunnen reizigers veilig, betrouwbaar en betaalbaar reizen van Nederland naar Duitsland en vice versa.

Verder zijn er subsidie-uitgaven gedaan voor het OV-loket en de beleidsondersteuning van ROVER, de ondersteuning van het consumentenplatform Friese Waddenveren (Stichting ROCOV), het landelijk klachtenmeldpunt taxi (Stichting LKT), de OV Klantenbarometer regionaal- en stads- en streekvervoer (Kennisplatform CROW). Doel van deze subsidies is het ondersteunen van reizigers en een loket te organiseren waar zij terecht kunnen.

16.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Rijkswaterstaat (RWS) heeft in 2018 in opdracht van IenW werkzaamheden in het kader van beleidsondersteuning en advies (BOA) uitgevoerd. Door middel van de agentschapsbijdrage is hiervoor capaciteit bij RWS gereserveerd.

Het KNMI heeft in 2018 in opdracht van IenW werkzaamheden in het kader van de spoorsector uitgevoerd. Door middel van de agentschapsbijdrage is hiervoor capaciteit gereserveerd.

16.01.04 Bijdrage medeoverheden

Dit betreft de jaarlijkse bijdrage voor de Complete Lijn Uitschakeling (waarbij bijvoorbeeld bij een incident een tracé als geheel wordt uitgeschakeld) en de inzet van de 25kV Spanningstester (CLU+) op de Betuweroute en HSL in het kader van de daartoe gesloten overeenkomst met de betrokken Veiligheidsregio’s.

16.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Dit betreft de contributie 2018 aan de Organisation pour les Transports Internationaux Ferroviaires (OTIF). Deze internationale organisatie richt zich vooral op het creëren van een uniform rechtssysteem voor het vervoer van passagiers en vracht per rails.

Extracomptabele Verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 13 Spoorwegen (x € 1.000)
   

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

1.900.554

Andere ontvangsten van artikel 13 Spoorwegen

222.780

Totale uitgaven op artikel 13 Spoorwegen

2.123.334

waarvan

   

13.02

Beheer onderhoud en vervanging

1.514.397

13.03

Aanleg

457.267

13.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

141.680

13.07

Rente en aflossing

9.990

13.08

Investeringsruimte

0

Extracomptabele verwijzing naar artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur (x € 1.000)
   

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur van het Infrastructuurfonds

95.049

Andere ontvangsten van artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur

2.219

Totale uitgaven op artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur

97.268

waarvan

   

14.01

Grote regionaal/lokale projecten

94.429

14.02

Regionale Mob. Fondsen

0

14.03

RSP-ZZL: Pakket Bereikbaarheid

2.839

Extracomptabele verwijzing naar artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.08 ZuidasDok (x € 1.000)
   

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.08 ZuidasDok van het Infrastructuurfonds

131.350

Andere ontvangsten van artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.08 ZuidasDok

0

Totale uitgaven op artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid, 17.07 ERTMS en 17.08 ZuidasDok

131.350

waarvan

   

17.02

Betuweroute

1.599

17.03

Hogesnelheidstrein-Zuid

80

17.07

ERMTS

50.733

17.08

ZuidasDok

78.938

Artikel 17 Luchtvaart

Algemene doelstelling

Het versterken van de internationale concurrentiekracht van de Nederlandse luchtvaartsector en het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam luchtvaartbestel voor goederen, passagiers en omwonenden.

Rollen en verantwoordelijkheden

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van de kaders en voor het binnen deze kaders (doen) realiseren van de gewenste ontwikkeling van de Nederlandse luchtvaart. De rol «regisseren» heeft betrekking op de volgende taken:

  • Voor een veilig en duurzaam gebruik van netwerken stelt de Minister normen en handhaaft deze. Daarbij valt te denken aan de wetgeving voor het Nieuw Normen- en Handhavingstelsel Schiphol om geluidshinder te beperken. Om de concurrentiekracht van de luchtvaart te versterken streeft de Minister internationaal naar een gelijk speelveld. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van de International Civil Aviation Organization (ICAO) en een gerichte bijdrage in de totstandkoming van Europese regelgeving inclusief een actieve rol in agentschappen als de European Aviation Safety Agency (EASA).

  • Voor het in stand houden en versterken van het luchtvaartnetwerk van verbindingen van Nederland met de rest van de wereld zijn internationale overeenkomsten cruciaal (multilateraal en bilateraal). De Minister sluit hiertoe overeenkomsten met de vanuit de Nederlandse luchtvaartpolitiek gezien belangrijke landen.

  • Daarnaast wordt mede vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving de innovatie en de transitie naar een duurzame luchtvaart bevorderd.

  • IenW zorgt voor de regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, veiligheid, milieu en security. Veel van deze regelgeving komt in internationaal of Europees kader tot stand. In deze kaders levert Nederland een actieve bijdrage gericht op de Nederlandse belangen.

  • De Minister richt zich nationaal en internationaal op het veiligstellen en verbeteren van de inrichting, het beheer en het gebruik van het luchtruim en op de verbetering van de prestaties van de Luchtverkeersleiding Nederland en het Maastricht Upper Area Control Centre, een intensievere samenwerking tussen civiele en militaire luchtverkeersleidingsorganisaties (co-locatie) en een betere samenwerking van internationale luchtverkeersleidingsorganisaties binnen het Functional Airspace Block Europe Central (FABEC).

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor duurzaamheid en voor een permanente verbetering van de veiligheid middels introductie van veiligheidsmanagement en toezicht gebaseerd op risico’s en veiligheidsprestatie.

  • De Minister richt zich op het veilig stellen van voldoende nationale luchthavencapaciteit en geeft invulling aan de wettelijke taken en verplichtingen ten aanzien van inrichting en gebruik van luchthavens en de omgeving.

  • Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

  • Tevens draagt de Minister zorg voor een actieve inzet van Nederland in internationale gremia waar discussies worden gevoerd en besluiten worden genomen die van invloed zijn op het Nederlandse (mainport)-beleid, zoals in de Europese Raad van Transportministers.

  • Het behalen van de doelstelling hangt af van de betrokkenheid van en samenwerking met andere overheden en het bedrijfsleven. Daarnaast spelen het innovatieve vermogen van en technologische ontwikkelingen in de luchtvaartsector, de internationale ontwikkelingen en ontwikkelingen in internationale organisaties (EU, Eurocontrol, EASA, ICAO, e.a.) een rol alsmede economische ontwikkelingen in Nederland.

Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Indicator: Creëren van luchthavencapaciteit Schiphol
 

Basiswaarde 2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Streefwaarde 2020

Gerealiseerde vliegtuigbewegingen tov plafond 500.000

390.000

386.000

420.000

423.000

426.000

438.300

450.679

479.000

497.000

n.n.b

500.000

 

78%

77%

84%

84%

85%

88%

90%

96%

99%

n.n.b

100%

Bron realisatie: Schiphol Amsterdam Airport, februari 2017Bron streefwaarde: (Kamerstukken II 2014–2015 34 098, nr. 1–3).

Toelichting:

Voor de luchthaven Schiphol is in 2008 tot en met 2020 een plafond aan het aantal vliegtuigbewegingen afgesproken van 500.000 vliegtuigbewegingen per jaar. Met het oog op de netwerkkwaliteit moet binnen dit plafond ruimte blijven voor de ontwikkeling van mainportgebonden verkeer. Het Rijk heeft hierbij de verantwoordelijkheid voor het creëren van capaciteit op de luchthavens Eindhoven en Lelystad.

Er is gewerkt aan het wettelijk verankeren van het Nieuwe Normen- en Handhavingstelsel voor de luchthaven Schiphol (NNHS). De wet waarin dit stelsel is opgenomen, is op 30 maart 2016 gepubliceerd in het Staatsblad, maar nog niet formeel in werking getreden (Staatscourant 30 maart 2016 nr. 119). Het bij de nieuwe wet behorende Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (LVB) is nog in voorbereiding. Totdat het in voorbereiding zijnde LVB in werking is getreden, is het nieuwe stelsel formeel nog niet van kracht. Naar verwachting wordt het LVB in 2019 in procedure gebracht.

De gegevens over 2018 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit jaarverslag. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij de begroting 2020.

Indicator: Creëren extra luchthavencapaciteit Eindhoven en Lelystad
   

Basiswaarde 2009

Gerealiseerd t/m 2016

Gerealiseerd t/m 2017

Gerealiseerd

t/m 2018

Streefwaarde 2020

Luchthaven Eindhoven

capaciteit

0

25.000

25.000

25.000

25.000

Luchthaven Lelystad

capaciteit

0

45.000

45.000

45.000

45.000

Bron Eindhoven: Luchthavenbesluit Eindhoven 2014 (Kamerstukken II, 2013–2014, 31 936, nr. 187), Vergunning burgermedegebruik exploitant militaire luchthaven Eindhoven ten behoeve van Eindhoven Airport N.V. (gebruiksjaren 2016 tot en met 2019) (Stcrt, 47829, nr. 28).

Bron Lelystad: Luchthavenbesluit Lelystad (Staatsblad 2015 nr. 130).

Toelichting:

De ontwikkeling van Eindhoven Airport en Lelystad (met in totaal 70.000 extra vliegtuigbewegingen op jaarbasis) vindt plaats zodat Schiphol meer ruimte overhoudt voor mainportverkeer en de concurrentiepositie van Schiphol wordt versterkt, conform het Convenant «Behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol».

Begin 2018 zijn Rijk, regio en luchthaven een gezamenlijk traject gestart om te komen tot een toekomstperspectief voor de luchthaven na 2019. Na een analysefase waarbij verschillende onderzoeken zijn uitgevoerd, is in oktober 2018 onder leiding van een onafhankelijke verkenner een Proefcasus Eindhoven Airport gestart. Deze loopt tot april 2019. Bij brieven van 13 juli 2018 en 3 oktober 2018 is de Kamer geïnformeerd over de analysefase en de Proefcasus (Kamerstukken II,31 936, nrs. 513 en 516).

Ten behoeve van de uitbreiding van Lelystad Airport heeft het kabinet een Luchthavenbesluit vastgesteld dat op 1 april 2015 in werking is getreden met een voorziene uitbreiding van de luchthaven voor groot commercieel verkeer: eerst naar 10.000 vliegbewegingen in fase 1 en vervolgens gefaseerd naar maximaal 45.000 vliegbewegingen in fase 3. Op 21 februari 2018 is de Tweede Kamer schriftelijk geïnformeerd over het gewijzigde aansluitroutes na consultatie en de actualisatie van de MER. Tevens is gemeld dat de ingebruikname van de luchthaven Lelystad voor groot commercieel verkeer wordt uitgesteld en in 2020 realistisch wordt geacht. De Commissie voor de m.e.r. heeft positief geoordeeld over de actualisatie van het MER (Kamerstukken II, 31 936, nr. 462 ).

Indicator: Luchthavengelden, ATC-heffingen en overheidsheffingen (aeronautical kosten)

Ranglijst kostenniveau (van hoog naar laag)

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie

2017

Realisatie 2018

Streefwaarde 2016e.v.

London Heathrow (LHR)

1

1

1

1

1

Parijs (CDG)

3

3

4

4

4

Frankfurt (FRA)

2

2

2

2

2

Gatwick

4

4

3

3

5

Schiphol

8

9

9

10

10

< LHR, FRA, CDG

Zürich

5

6

5

5

6

München

6

5

6

6

3

Brussel

9

8

8

8

7

Madrid

7

7

7

7

8

Bron: SEO Benchmark Luchthavengelen en Overheidsheffingen van verschillende jaren.(2014 t.m. 2018)

Toelichting

Onder andere in de Actieagenda Schiphol (Kamerstukken II 2015–2016 29 665, nr. 224) staat dat het belangrijk is dat Schiphol een concurrerend kostenniveau behoudt. Om dit te kunnen vaststellen, vindt jaarlijks een vergelijking plaats van de luchthavengelden, de Air Traffic Control (ATC)-heffingen en de overheidsheffingen op Schiphol en tien concurrerende luchthavens. In deze benchmark wordt berekend wat op de verschillende luchthavens voor een identiek pakket vluchten, dat representatief is voor Schiphol, aan deze kosten betaald zou moeten worden. De resultaten van de laatste benchmark laten zien dat Schiphol medio 2018 op dit vlak de goedkoopste is van de negen onderzochte West-Europese luchthavens in de benchmark. In de benchmark wordt Schiphol ook met de luchthavens Dubai en Istanbul Atatürk vergeleken. Dubai is marginaal duurder dan Schiphol. Istanbul Atatürk is als enige luchthaven goedkoper.

Kengetal: Geluidsbelasting rond Schiphol

Periode

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

grenswaarde TVG

Gedurende het gehele etmaal (Lden)

62,71

62,45

62,55

62,67

62,79

62,81

n.n.b.

63.46 dB(A)

Gedurende de periode van 23.00 tot 7.00 uur (Lnight)

52,47

52,09

52,14

52,53

52,46

52,25

n.n.b.

54.44 dB(A)

Bron: Handhavingsrapportage Schiphol (ILT, 2018) Bron grenswaarde: Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (2004) Kengetallen voor 2018 worden verwacht in de Handhavingsrapportage van 2019.

Toelichting

In het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol zijn voor de luchthaven Schiphol de grenzen gesteld aan de totale hoeveelheid geluid (Totaal Volume Geluid, TVG) dat het vliegverkeer in een jaar mag produceren. De geluidsbelasting van het vliegverkeer moet worden begrensd met op handhavingpunten vastgestelde grenswaarden (aan de baankoppen en bij aanpalende bebouwde kom).

In het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (Staatscourant 30 maart 2016 nr. 119) staat dat de totale hoeveelheid geluid van het luchthavenluchtverkeer bij Schiphol per gebruiksjaar overdag (de Lden) niet meer dan 63,46 dB(A) en voor de nacht (de Lnight) niet meer dan 54,44 dB(A) mag bedragen. IenW stelt de grenswaarden vast maar heeft geen directe invloed op de daadwerkelijk gerealiseerde geluidsbelasting, dat is de verantwoordelijkheid van de sector. Bij dreigende overschrijding wordt door de ILT handhavend opgetreden. De Handhavingsrapportage Schiphol 2017 (Kamerstukken 2017–2018 29 665, nr. 278) van de ILT is aan de Tweede Kamer aangeboden

Voor de jaarlijkse totale risicogewicht score (TRG-score) voor Schiphol in relatie tot de TRG-grenswaarde in het Luchthavenverkeerbesluit wordt verwezen naar de Handhavingsrapportage Schiphol 2017 (Kamerstukken 2017–2018 29 665, nr. 278).

De gegevens over 2018 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit jaarverslag. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij de begroting 2020.

Kengetal: Aantal passagiersbestemmingen waarnaar (> 2 x per jaar) met vnl. geregelde vluchten wordt gevlogen per luchthaven

Luchthaven

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Amsterdam

258

246

253

263

271

266

261

264

263

262

266

272

Frankfurt

288

291

284

283

288

301

286

286

287

290

309

322

London Heathrow

181

177

171

165

174

176

176

179

180

186

203

210

Parijs Charles de Gaulle

260

273

272

271

268

256

258

278

274

290

294

316

Brussel

158

190

183

188

200

190

181

192

190

193

200

204

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), op basis van APGdat.

Toelichting:

In deze tabel is het aantal passagiersbestemmingen per luchthaven opgenomen waarvoor geldt dat deze meer dan twee keer per jaar worden aangevlogen. Het aantal bestemmingen is in 2018 op alle luchthavens gestegen. De stijging is het grootst op Parijs Charles de Gaulle (7%) en het laagst op Schiphol en Brussel (beide 2%).

Kengetal: Aantal vliegtuigbewegingen, passagiers en vrachttonnage per luchthaven
 

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Vliegbewegingen (x 1.000)

                       

Amsterdam

436

428

391

386

420

423

426

438

451

479

497

499

Frankfurt

485

480

458

458

481

476

466

463

457

453

465

501

London Heathrow

476

473

460

449

476

471

470

471

472

473

474

476

Parijs Charles de Gaulle

544

551

518

492

507

491

472

465

469

473

476

481

Brussel

241

236

212

205

214

206

199

214

221

207

221

218

Passagiers (in miljoenen)

                       

Amsterdam

48

47

44

45

50

51

53

55

58

64

68

71

Frankfurt

54

53

51

53

56

57

58

59

61

61

64

69

London Heathrow

68

67

66

66

69

70

72

73

75

76

78

80

Parijs Charles de Gaulle

60

61

58

58

61

61

62

64

66

66

69

72

Brussel

18

19

17

17

19

19

19

22

23

22

25

26

Vracht (x 1.000 ton)

                       

Amsterdam

1.610

1.568

1.286

1.512

1.524

1.483

1.531

1.633

1.621

1.662

1.731

1.716

Frankfurt

2.074

2.021

1.808

2.199

2.133

1.986

2.016

2.051

1.993

2.029

2.109

2.087

London Heathrow

1.314

1.401

1.278

1.473

1.484

1.465

1.423

1.499

1.497

1.541

1.698

1.685

Parijs Charles de Gaulle

2.053

2.039

1.819

2.177

2.088

1.950

1.876

1.896

1.861

1.953

2.011

1.987

Brussel

762

659

449

476

475

459

430

454

463

464

513

532

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS / ACI)

Toelichting

Bovenstaande kengetallen geven het verkeer (vliegtuigbewegingen) en vervoer (passagiers en vracht) op Schiphol weer in vergelijking met andere grote Noordwest-Europese luchthavens. Op alle luchthavens zijn de aantallen vliegtuigbewegingen en passagiers in 2018 gestegen. De stijging is het grootst op Frankfurt (8%). Hierdoor levert Schiphol de koppositie in 2016 en 2017 voor wat betreft het aantal vliegtuigbewegingen in en staat in 2018 op de tweede plaats. Qua passagiers handhaaft Schiphol zijn derde positie. Met uitzondering van Brussel daalt het aantal tonnen vervoerde vracht in 2018 op alle luchthavens. Ook hier blijft Schiphol op de derde plaats staan.

De jaarlijkse Monitor Netwerkkwaliteit en Staatsgaranties van SEO Economisch Onderzoek geeft een beeld van de ontwikkeling van de netwerkkwaliteit op Schiphol ten opzichte van enkele concurrerende luchthavens. Daarnaast wordt in de monitor het netwerk van Air France KLM vanaf Schiphol vergeleken met dat vanaf Parijs Charles de Gaulle. Zo wordt de naleving van de staatsgaranties gevolgd die in het kader van de fusie van KLM met Air France zijn afgesproken. De monitor richt zich op de kwaliteit van de directe verbindingen vanaf luchthavens («directe connectiviteit»), de verbindingen vanaf luchthavens met een overstap onderweg («indirecte connectiviteit») en de huboperatie op luchthavens («hubconnectiviteit»).

Uit de monitor 2018 blijkt dat de groei van de directe en indirecte connectiviteit en ook de hubconnectiviteit op Schiphol in vergelijking met voorgaande jaren bescheiden is. Volgens SEO is dit vermoedelijk een gevolg van de capaciteitschaarste waar Schiphol sinds dit jaar mee kampt. Van de zeven onderzochte luchthavens biedt Schiphol het minste aantal nieuwe bestemmingen aan ten opzichte van 2017. De directe connectiviteit en de hubconnectiviteit op Schiphol is in 2018 lager dan op Frankfurt, maar hoger dan op de andere luchthavens. Hiermee heeft Schiphol nog steeds een omvangrijk netwerk en blijft Schiphol een belangrijke overstapluchthaven. Frankfurt blijft de grootste concurrent van Schiphol in termen van netwerkoverlap.

Het directe netwerk van Air France op Parijs Charles de Gaulle is in 2018 voor het eerst sinds 2010 sterker gegroeid dan het netwerk van KLM op Schiphol. De hubconnectiviteit van KLM groeide in 2018 op Schiphol nog wel sterker dan van Air France op Parijs Charles de Gaulle. De vrachtcapaciteit van KLM op Schiphol is in 2018 verder afgenomen. Op Parijs Charles de Gaulle is deze van Air France toegenomen.

Kengetal: Gemiddelde EU-brede vertraging per en-route vlucht toe te rekenen aan Air Traffic Management (in minuten)

Kengetal: Gemiddelde vertraging per vlucht toe te rekenen aan Air Traffic Management (in minuten)

     

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Taakstelling vanaf 2000 met herijking voor 2002–2006

0,7

0,6

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

Gerealiseerd

0,63

0,54

0,61

0,76

0,91

0,94

n.n.b

Bron: Performance Review Body, Performance Monitoring Dashboard – realisatie 2018 verwacht in mei 2019.

Toelichting:

Het Rijk heeft geen directe invloed op het aantal minuten vertraging in het Europese luchtruim. Dit kengetal is een internationaal gemiddelde en wordt bepaald door operationele factoren, zoals capaciteitsplanning, human resource management, weersomstandigheden en stakingen. Dit kengetal geeft wel een beeld van de efficiëntie van het luchtvaartbestel.

De gegevens over 2018 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit jaarverslag. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij de begroting 2020.

Kengetal: Gemiddelde ATFM-vertraging per vlucht
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Grenswaarde

               

Gemiddelde ATFM-vertraging (en route en airport) per vlucht in minuten per vlucht

1

1

1

1

2

2

2

2

Gerealiseerd

               

Gemiddelde ATFM-vertraging (en route en airport) per vlucht in minuten per vlucht

0,9

0,78

0,68

0,94

       

Gerealiseerd

               

Gemiddelde ATFM-vertraging (airport) per vlucht in minuten per aankomende vlucht volgens PRB methode

1,81

1,41

1,34

1,89

2,91

2,00

3,22

n.n.b

Bron: Luchtverkeersleiding Nederland 2017 – realisatie 2018 verwacht in mei 2019.

Toelichting:

Dit kengetal heeft betrekking op de gemiddelde vertraging op Nederlandse luchthavens. Het merendeel van de vertragingen treedt op in de terminalfase van een vlucht en wordt veroorzaakt door weersomstandigheden (storm, mist, sneeuw) die een direct negatief effect hebben op de afhandeling van de starts en landingen in de vluchtfase beneden een hoogte van een kilometer. Beperkte aantallen vliegtuigopstelplaatsen en werkzaamheden op de luchthaven kunnen ook vertragingen veroorzaken.

LVNL hanteert met ingang van 2015 dezelfde systematiek als de Performance Review Body om vertragingen te meten. Verder heeft LVNL in 2015 de vertragingswaarden vanaf 2010 herberekend volgens de PRB systematiek om de effecten van de wijziging van de meetsystematiek transparant weer te geven. Er is uitsluitend sprake van een technische wijziging in de meetsystematiek zonder een beleidsmatige impact.

De gegevens over 2018 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit jaarverslag. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij de begroting 2020.

Beleidsconclusies

Het op artikel 17 uitgevoerde beleid is in hoge mate conform hetgeen in de begroting 2018 is opgenomen. Dit wordt hieronder nader toegelicht. Er zijn verschillen ontstaan tussen de begroting en de gerealiseerde budgetten op dit artikel. Deze verschillen worden nader verklaard in de financiele toelichting onderhet kopje «budgettaire gevolgen van beleid».

De capaciteit voor luchtvaart in Nederland is schaars en luchtvaart brengt op dit moment en op middellange termijn een belasting van het milieu met zich mee. Daarom is de beleidsinzet er op gericht om de beschikbare capaciteit zo efficiënt mogelijk te benutten en zo veel mogelijk in te zetten ter ondersteuning van de hubfunctie van Schiphol. In 2018 is voor de Luchtvaartnota 2020–2050 en de ORS-adviezen een breed participatietraject ingericht om maatschappelijke issues rondom luchtvaart op te halen. Tevens zijn belangrijke stappen gezet in voorbereiding op het wettelijk verankeren van het Nieuw Normen- en handhavingsstelsel. De feitenbasis hiervoor betreft diverse onderzoeken op het gebied van veiligheid, geluid en economie en is in 2018 grotendeels afgerond.

Daarnaast is het plafond van nachtvluchten op Schiphol van 32.000 vliegtuigbewegingen per jaar verankerd in het Luchthavenverkeersbesluit Schiphol. Ook is in 2018 gewerkt aan de verdere vormgeving van het selectiviteitsbeleid. Er is een verkeersverdelingsregel ontwikkeld en genotificeerd bij de Europese Commissie die toeziet op een capaciteitsverdeling tussen Schiphol en Lelystad Airport. Omdat deze regel in december 2018 niet haalbaar bleek, wordt gewerkt aan een alternatief.

Voorts is de Tweede Kamer op 21 februari 2018 geïnformeerd over de gewijzigde planning voor Lelystad Airport (Kamerstukken 31 936, nr. 462). Aangegeven is dat een aantal stappen genomen moet worden, waaronder het wijzigen van het Luchthavenbesluit, en dat de opening van Lelystad Airport in 2020 realistisch is. Op 14 december heeft het kabinet ingestemd met het verder in procedure brengen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Luchthavenbesluit Lelystad, waarover de Tweede Kamer is geïnformeerd (Kamerstukken 31 396, nr. 535).

In het kader van de Luchtvaartnota en de Luchtruimherziening is in 2018 een breed participatietraject ingericht om te luisteren wat er in de verschillende landsdelen van Nederland speelt rondom luchtvaart en om maatschappelijke issues op te halen. De opbrengst hiervan is gedeeld met de Kamer (Kamerstukken II 2018–2019, 31 936, nr. 570).

Begin 2018 is het project luchtruimherziening van start gegaan. De doelen van de luchtruimherziening zijn verruiming van civiele en militaire capaciteit in het luchtruim, efficiënter gebruik en beheer van het luchtruim en vermindering van de impact van vliegroutes op de omgeving. In 2018 is gewerkt aan de opzet en de aanpak van het project en is de onderzoeksfase gestart waarin het ophalen en in beeld brengen van de behoeften en knelpunten van de betrokkenen centraal stond. In december 2018 is de Kamer hiervan op de hoogte gebracht in de voortgangsbrief Luchtruimherziening (Kamerstukken II 2018–2019, 31 936, nr. 551).

Op 22 december 2017 is de rapportage van de beleidsdoorlichting artikel 17 Luchtvaart aan de Tweede Kamer gestuurd. In de begeleidende Kamerbrief (Kamerstukken II 2017–2018 32 861, nr. 28) waren twee vervolgstappen aangekondigd: ten eerste aanscherping van de in artikel 17 Luchtvaart opgenomen doelen, kengetallen en indicatoren en ten tweede een daaruit voortvloeiende evaluatieagenda met een planning voor beleidsmonitors en -evaluaties voor de komende doorlichtingsperiode die loopt tot 2022. De invulling van deze vervolgstappen zal parallel lopen met het traject van de nieuwe Luchtvaartnota, zodat deze met elkaar in overeenstemming zijn (Kamerstukken II 2018–2019 31 936, nr. 526). De Luchtvaartnota wordt naar verwachting eind 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van budgettaire gevolgen van beleid artikel 17 Luchtvaart (x € 1.000)
         

Realisatie

Begroting

Verschil

 
 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

 

Verplichtingen

17.542

19.220

30.324

12.483

20.877

38.305

– 17.428

1

Uitgaven

20.201

21.288

27.440

14.982

21.913

15.162

6.751

 

17.01 Luchtvaart

20.201

21.288

27.440

14.982

21.913

15.162

6.751

 

17.01.01 Opdrachten

6.727

5.651

8.587

7.187

12.458

4.926

7.532

2

Opdrachten GIS

1.598

1.401

3.170

1.766

2.436

284

2.152

 

– Overige Opdrachten

5.129

4.250

5.417

5.421

10.022

4.642

5.380

 

17.01.02 Subsidies

2.284

2.423

8.455

6.365

3.214

3.474

– 260

 

– Overige Subsidies

2.284

2.423

8.455

6.365

3.214

3.474

– 260

 

17.01.03 Bijdragen aan agentschappen

10.071

12.068

9.040

108

4.244

5.186

– 942

 

– Waarvan bijdrage aan RWS (Caribisch Nederland)

10.000

12.010

8.955

0

4.082

4.748

– 666

 

– Waarvan bijdrage aan RWS

48

35

71

88

148

424

– 276

 

– Waarvan bijdrage aan KNMI

23

23

14

20

14

14

0

 

17.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

0

0

0

0

779

0

779

 

– Bijdrage Caribisch Nederland

0

0

0

0

779

0

779

 

17.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

1.119

1.146

1.281

1.247

1.141

1.476

– 335

 

17.01.06 Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

0

0

77

75

77

100

– 23

 

– LVNL

0

0

77

75

77

100

– 23

 

Ontvangsten

38.168

31.354

8.392

1.237

1.611

1.115

496

 

Financiële Toelichting

Onderstaand wordt op het niveau van financieel instrument een toelichting gegeven op de verschillen (de mutaties) tussen de begroting en de realisatie, zie voor de gehanteerde norm de toelichting «normering jaarverslag» zoals opgenomen in de leeswijzer.

  • 1. De lagere verplichtingen realisatie van € 17,4 miljoen is ontstaan doordat in de begroting 2018 rekening was gehouden met het aangaan van een garantieverplichting in 2018 voor de aanschaf van nieuwe vliegtuigen door Winair. De orkaan Irma heeft ook voor Winair grote gevolgen gehad. Naast grote schade aan de gebouwen, moest ook het aantal vluchten aanzienlijk worden ingekrompen door een substantieel verminderde passagiersvraag en omzet. Voor Winair was daardoor het investeren in nieuwe vliegtuigen in 2018 niet mogelijk. Bij Miljoenennota heeft daarom een verplichtingenschuif voor de te verlenen garantie plaatsgevonden van 2018 naar 2019.

  • 2. De hogere realisatie van de opdrachten van € 7,5 miljoen heeft betrekking op het volgende.

    • a. Opdrachten Geluidsisolatie Schiphol (GIS) (€ 2,2 miljoen): er zijn meer uitgaven gedaan in de aankoop van percelen van eigenaren met een grondpositie in het geluids- en veiligheidssloopzone Schiphol en de voor de behandeling en uitbetaling van schadeclaims. Hiertoe is het opdrachtenbudget bij Miljoenennota en Najaarsnota opgehoogd met respectievelijk € 1,2 miljoen en € 1,0 miljoen.

    • b. Programma Schiphol (€ 2,5 miljoen): ten behoeve van de integrale beleidsvorming Schiphol zijn de volgende extra uitgaven gedaan in 2018. Voor de uitvoering van toezichtstaken door de Autoriteit Consument & Markt (ACM) is € 0,5 miljoen overgeboekt naar het Ministerie van EZK. De BARIN (Board of Airline Representatives In the Netherlands) en IenW hebben overeenstemming bereikt over een totaalbedrag van € 4 miljoen aan kosten dat kan worden toegeschreven aan ondoelmatige en ontijdige besluitvorming bij het Schadeschap Luchthaven Schiphol in de periode 2007–2011. De helft is in 2018 betaald de andere helft wordt in 2019 betaald.

    • c. Voorbereiding en besluitvorming Lelystad Airport (€ 1,65 miljoen): er zijn extra uitgaven gedaan voor de MER-actualisatie, de organisatie van een belevingsvlucht en voor gevelisolatie van nabijgelegen woningen.

    • d. Omgevingsmanagement (€ 0,1 miljoen): om de wederzijdse betrokkenheid van belanghebbenden in het luchtvaartdossier te versterken, zijn de regio’s betrokken bij de voorbereiding van de Luchtvaartnota en de Luchtruimherziening.

    • e. Opdrachten Caribisch Nederland (€ 1,3 miljoen): voor het herstel van de orkaanschade van september 2017 zijn er op Saba middelen besteed aan opdrachten voor het herstel van de luchthaveninfrastructuur en het communicatiesysteem, op Sint Eustatius zijn de middelen voornamelijk ingezet voor de aanpak van de erosieproblematiek.

17.01 Luchtvaart

Toelichting op de financiële instrumenten

17.01.01 Opdrachten

Opdrachten Geluidsisolatie Schiphol (GIS) en Schadeclaims Schiphol

Het grootste deel van de uitgaven die in 2018 zijn gedaan hadden betrekking op de aankoop van percelen van eigenaren met een grondpositie in het geluids- en veiligheidssloopzone Schiphol (GIS) binnen het Luchthaven indelingsbesluit, daarnaast hadden de uitgaven betrekking op de behandeling en uitbetaling van schadeclaims.

Bij Miljoenennota en Najaarsnota heeft hiertoe een ophoging van het opdrachtenbudget plaatsgevonden met respectievelijk € 1,2 miljoen en € 1,0 miljoen.

Overige opdrachten

1. Programma Schiphol

De ontwikkelingen op het luchtvaartdossier vragen om een integrale benadering voor de beleidsvorming over Schiphol. Omdat hiervoor een stevige extra inzet nodig is, is in 2018 een project Schiphol ingericht waarin een integrale aanpak wordt ontwikkeld voor de luchthaven waarbij de schaarse luchthavencapaciteit zo goed mogelijk wordt benut. Een selectieve en duurzame ontwikkeling van Schiphol en een daarbij passende operationele capaciteit en fysieke bereikbaarheid staan daarbij centraal.

2. Normen en handhavingsstelsel

De ontwikkeling van Schiphol tot en met 2020 vindt plaats binnen de aan de Alderstafel afgesproken kaders. Het budget is besteed aan opdrachten ten behoeve van de implementatie van het nieuwe normen- en handhavingsstelsel voor Schiphol en de voorbereiding van de aanpassing van de wet- en regelgeving en het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB)/ Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (LVB).

3. OVV-follow-up

In april 2017 heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) het rapport Veiligheid vliegverkeer Schiphol gepubliceerd. Het ministerie heeft in 2018 gewerkt aan de implementatie van de aanbevelingen van de OVV conform de aanpak zoals beschreven in de brief van het ministerie aan de OVV van 11 oktober 2017 (Bijlage bij Kamerstukken II 2017–2018, 29 665, nr. 242). Met deze aanpak versterkt het ministerie de rol als eindverantwoordelijke voor de veiligheid.

4. Lelystad

In 2018 heeft het ministerie een project ingericht ter realisatie van de opening van Lelystad Airport. Ter voorbereiding van besluitvorming over Lelystad Airport zijn kosten gemaakt. Voor de MER-actualisatie en het uitvoeren van contraexpertise daarop zijn opdrachten verleend aan externe bedrijven. Ook zijn kosten gemaakt om een belevingsvlucht te realiseren en het geluid van die vlucht te meten. Bij Miljoenennota is hiervoor € 0,9 miljoen aan het opdrachtenbudget toegevoegd. Daarnaast is de gevelisolatie van een aantal nabijgelegen woningen gerealiseerd, hiervoor is bij Najaarsnota € 0,75 miljoen aan het opdrachtenbudget toegevoegd.

5. Nadere uitwerking luchtruimvisie en civiel-militaire samenwerking

Na de realisatie van de co-locatie in december 2017 hebben LVNL en CLSK in 2018, in samenspraak met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie van Defensie, de mogelijkheden van verdere intensivering van hun samenwerking verkend. Resultaat van deze verkenning is dat beide organisaties de wens hebben uitgesproken de komende paar jaar toe te werken naar volledige integratie van de gezamenlijke dienstverlening binnen de LVNL-organisatie. Daarmee zal ook voor het lagere luchtruim (beneden 24.500 voet) sprake zijn van één (civiel-militaire) luchtverkeersleidingsorganisatie. De beide organisaties zijn gevraagd om het voornemen uit te werken in een programmaplan ter verdere besluitvorming in 2019. De kamer is bij brief van 17 december 2018 (Kamerstukken 208–2018, 31 936, nr. 571) over dit voornemen geïnformeerd.

6. Omgevingsmanagement

Het omgevingsmanagement is gericht op het versterken van de wederzijdse betrokkenheid van belanghebbenden in het luchtvaartdossier in de beleidsvoorbereiding vanuit het Ministerie. In 2018 is aanvulling op de formele participatie in de vorm van inspraak op procedures en geïnstitutionaliseerde adviesorganen een impuls gegeven. Er is:

  • Gerichte inzet geleverd aan overleg met bestuurders en belangengroepen rond Lelystad.

  • Een pilot opgezet in de regio Eindhoven om breed de toekomst van de luchthaven te bespreken.

  • In bestuurlijk overleg met provincies en gemeenten afspraken gemaakt over de betrokkenheid in de voorbereiding van de Luchtvaartnota en de Luchtruimherziening.

  • In 9 regionale Luchtvaartgesprekken met ongeveer 500 deelnemers besproken welke onderwerpen die in de Luchtvaartnota en Luchtruimherziening een plek moeten krijgen.

  • Inzicht opgedaan uit gesprekken met themagroepen, online-enquêtes en focusgroepen.

De resultaten zijn in een Bloemlezing bij de Kamerbrief over de Luchtvaartnota (Kamerstukken II 2018–2019 nr. 31 936 nr. 570) aan de Kamer gemeld. Bij Miljoenennota is hiervoor € 0,1 miljoen toegevoegd aan het opdrachtenbudget.

7. State Safety Programme

In 2018 is de nieuwe versie van het SSP Actieplan (versie 2019) vastgesteld en is in 2018 begonnen met de in 2019 vast te stellen State Safety Programme versie 2020–2024.

8. Verminderen risico op vogelaanvaringen

Op basis van het convenant Reduceren risico vogelaanvaringen Schiphol 2016–2018 zijn er, in samenwerking met de convenantpartijen, in 2018 diverse maatregelen genomen om het vogelaanvaringsrisico te verminderen. Een maatregel om het foerageren te beperken is de toepassing van alternatieve gewassen voor de graanteelt. Hiervoor is een proef getart met stroken miscanthus (olifantsgras) langs akkers. Voor de uitvoering van het ganzenbeheer ten behoeve van de vliegveiligheid in de regio rondom Schiphol, is door de Faunabeheereenheid Noord-Holland het Ganzenbeheerplan omgeving Schiphol 2018–2024 vastgesteld. Voor het bevorderen van informatie uitwisseling over de vogelaanvaringsproblematiek en mensen met elkaar in contact te brengen is in 2018 is voor het eerst een bijeenkomst georganiseerd van het Nederlands Comité Vogelaanvaringen.

9. Opdrachten Caribisch Nederland

Bij Incidentele suppletoire begroting inzake Wederopbouw Saba en Sint Eustatius is € 1,7 miljoen aan middelen aan de begroting toegevoegd voor het herstellen van de orkaanschade van september 2017. (Bij Miljoenennota is hiervan € 0,4 miljoen naar 2019 doorgeschoven.) De middelen voor opdrachten Caribisch Nederland voor Saba zijn ondermeer besteed aan opdrachten voor het herstel van de luchthaveninfrastructuur en communicatiesystemen. Voor Sint Eustatius zijn de middelen voornamelijk ingezet voor de aanpak van de erosieproblematiek. Aan een extern bedrijf is daarvoor opdracht verstrekt voor onderzoek naar de oorzaken van de erosie en het doen van voorstellen voor de aanpak daarvan. In de loop van 2019 en 2020 zullen deze voorstellen tot uitvoering worden gebracht. Daarnaast zijn voor beide eilanden enkele kleinere opdrachten verstrekt.

10. KDC

De Stichting Knowledge & Development Center (KDC) levert kennis om innovatieve oplossingen te vinden voor de duurzame ontwikkeling van de Mainport Schiphol. In het KDC werken de partners KLM, Schiphol en Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) samen met universiteiten en kennisinstellingen om de operationele processen op en rond Schiphol te innoveren, zowel op de grond als in de lucht

In 2018 heeft KDC projecten uitgevoerd gericht op een betere voorspelbaarheid van de verkeersstromen en de luchthaven capaciteit, betere weerverwachting voor het ijsvrij maken van vliegtuigen en er is gewerkt aan de procesverbetering voor de introductie van nieuwe concepten in de praktijk. De structurele verbinding met de Technische Universiteit Delft en Hogeschool van Amsterdam leverde een flink aantal studenten dat de opleiding heeft afgerond door te werken aan research voor de luchtvaart.

17.01.02 Subsidies

Versneld onderwerken graanresten ten behoeve van reduceren risico vogelaanvaringen Schiphol

Eén van de sporen in de aanpak om het risico van vogelaanvaringen op Schiphol te reduceren is het beperken van voedselaanbod. Er is een subsidieregeling voor het bijdragen aan het versneld onderwerken van de graanresten na de oogst in een deel van de Haarlemmermeerpolder. Het doel van de regeling is het aantrekken van foeragerende ganzen te verminderen. De regeling is verlengd tot 2023. In 2018 is door de 74 agrariërs die deelnemen aan de onderwerkregeling, 1.920 hectare graanakker versneld ondergewerkt. In 2018 is ruim € 1,5 miljoen uitgegeven aan deze subsidieregeling.

Omgevingsraad Schiphol en commissies regionaal overleg

IenW draagt financieel bij aan de activiteiten van de Omgevingsraad Schiphol (ORS). Dit onafhankelijke overleg- en adviesorgaan verenigt bewoners, regionale en lokale overheden en luchtvaartpartijen met als doel om de hinder van Schiphol zoveel mogelijk te beperken en een optimaal gebruik van de luchthaven te bevorderen. In 2018 is € 0,4 miljoen als subsidie verstrekt.

Aan de commissies voor regionaal overleg van de luchthavens van nationale betekenis Lelystad en Maastricht is in 2018 per commissie een rijksbijdrage van € 0,04 miljoen verstrekt.

Subsidie Klachtentelefoon Luchtverkeer Limburg

IenW heeft in 2018 een subsidie beschikbaar gesteld van € 0,1 miljoen aan de Stichting Klachtentelefoon Luchtverkeer Limburg voor de behandeling van klachten over de vliegbasis Geilenkirchen (AWACS) en de andere buitenlandse luchthavens in de grensregio met Limburg (Weeze-Niederrhein, Luik-Bierset). Aangezien het hier gaat om buitenlandse luchthavens die milieueffecten hebben op Nederlands grondgebied is hiertoe besloten in het belang van de informatievoorziening aan de omgeving.

Verbeteren luchtvaartveiligheid Zuidoost Afrika

In 2018 is € 0,05 miljoen beschikbaar gesteld aan de stichting AviAssist ten behoeve van het verbeteren van de luchtvaartveiligheid in de regio Zuidoost-Afrika. IenW heeft het initiatief genomen om te zorgen dat in die regio kennis over luchtvaartveiligheid wordt gedeeld, maar vooral goed gebruikt. Hiermee wordt invulling gegeven aan de doelstellingen ten aanzien van luchtvaartveiligheid zoals neergelegd in het State Safety Programme.

Incidentele subsidies

Corporate Biofuel Programme

IenW is per 1 oktober 2016 toegetreden tot het KLM Corporate Biofuel Programme. De bijdrage van € 0,2 miljoen aan het programma wordt door KLM voor 100% gebruikt om duurzame biokerosine in te kopen en draagt daarmee bij aan de vergroening van de luchtvaartsector en het verduurzamen van het reisbeleid van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Door de inzet van biokerosine worden vluchten van medewerkers van IenW verduurzaamd en daarmee hun CO2 footprint verkleind.

Ondersteuning luchtverkeersdienstverlening Bonaire

Om een onaanvaardbare stijging in de tarieven voor het gebruik van luchtverkeersdienstverlening op en rond Bonaire International Airport te voorkomen, zal IenW een deel van de kosten voor het leveren van de dienst door Dutch Caribbean Air Navigation Service Provider (DC-ANSP) dekken via subsidiering. Zonder deze bijdrage zouden de tarieven dusdanig sterk stijgen dat een mogelijke verstoring van de markt zal optreden, met bijbehorend negatief effect op de lokale gemeenschap. In 2018 heeft IenW hiervoor een subsidie van € 0,8 miljoen aan DC-ANSP verstrekt.

Subsidie luchthaven Twente

Area Development Twente (ADT) ontvangt van IenW een subsidie van maximaal € 0,9 miljoen voor het doen van luchtzijdige investeringen voor de ontwikkeling van luchthaven Twente (onder de voorwaarde dat de bijdrage voldoet aan de regels voor staatssteun) en voor het laten uitvoeren van een onderzoek naar de mogelijkheden voor een remote tower concept voor luchtverkeersdienstverlening. Deze subsidie vloeit voort uit het amendement Koopmans (Tweede Kamer 2007–2008, 31 200 XII, nr. 60) en geeft invulling aan de afspraken uit de Bestuursovereenkomst Gebiedsontwikkeling Vliegveld Twente (Bijlage bij Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 936, nr. 17).

Het deel van de subsidie dat betrekking heeft op het onderzoek voor een remote tower concept is in 2017 in voorschot verstrekt en wordt in 2019 vastgesteld. De verstrekking van het overige deel van de subsidie ten behoeve van de luchthaven Twente heeft niet meer in 2018 plaatsgevonden.

Subsidie Actieprogramma Elektrisch/Hybride Vliegen

Om de elektrificatie in de luchtvaart te stimuleren wordt gewerkt aan de contouren van een Nationaal Actieprogramma Elektrisch/Hybride Vliegen. Het e-Platform Duurzaam Vliegen maakt het onderdeel Kleine Luchtvaart van het Actieprogramma en Lucht- en Ruimtevaart Nederland (LRN) het onderdeel Internationale Luchtvaart. Zowel aan het e-Platform als aan de LRN is een subsidie van € 0,05 mln. verstrekt, zodat zij in de gelegenheid worden gesteld om onderdelen van het Actieprogramma te maken.

17.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft voornamelijk de bijdrage die aan RWS ter beschikking wordt gesteld voor de uitvoering van de masterplannen luchthavens Caribisch Nederland gericht op het wegwerken van de tekortkomingen ten aanzien van de internationale regelgeving.

17.01.04 Bijdrage aan medeoverheden

Dit betreft de bijdrage aan het Openbaar Lichaam Saba voor compenserende maatregelen tijdens de tijdelijke sluiting van de baan Saba (€ 0,5 miljoen) en herstel van de luchthaven Saba na de orkanen (€ 0,3 miljoen).

17.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Voor de jaarlijkse contributie aan de International Civil Aviation Organization, aan het hiertoe opgezette samenwerkingsverband binnen ABIS (de ABIS-groep vertegenwoordigt de burgerlijke luchtvaartautoriteiten van Oostenrijk, België, Nederland, Luxemburg, Ierland, Zwitserland en Portugal), en aan de European Civil Aviation Conference (ECAC) is in 2018 een bedrag uitgegeven van € 1,1 miljoen, waarvan € 1,0 miljoen via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS).

17.01.05 Bijdragen aan ZBO’s (LVNL)

Ten behoeve van het geschikt maken van de Soesterbergradar voor burgermedegebruik is een bijdrage van € 0,08 miljoen verstrekt aan de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL).

Garantie LVNL

Het luchtvaartbegeleidingssysteem van de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) nadert het einde van zijn technische levensduur en dient te worden vervangen. Het proces hiertoe is inmiddels in volle gang. Daarnaast wordt gewerkt aan een uitbreiding van de huisvesting die in 2019 gereed zal zijn voorzien.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen met name de ontvangsten Eurocontrol internal tax, zijnde het verschil tussen de ontvangsten afkomstig van Eurocontrol voor de luchtdienstverlening boven FL 245 (het hogere luchtruim) en de door de LVNL namens de Staat der Nederlanden aan Eurocontrol betaalde contributies inzake Eurocontrol en Maastricht Upper Area Control Center (MUAC). Deze ontvangst wordt ingezet voor een subsidie om een onaanvaardbare stijging in de tarieven voor het gebruik van luchtverkeersdienstverlening op en rond Bonaire International Airport te voorkomen. Daarnaast betreft het ontvangsten van de ACM die de kosten van haar toezichtstaken deels aan de sector doorbelast.

Artikel 18 Scheepvaart en Havens

Algemene doelstelling

Het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam goederenvervoersysteem, waarbinnen de internationale concurrentiekracht van de mainport en van de Nederlandse maritieme sector wordt versterkt.

(Doen) uitvoeren

Rollen en verantwoordelijkheden

  • De Minister is verantwoordelijk voor het in stand houden van een robuust hoofdnetwerk van vaarwegen. Vanuit de begroting Hoofdstuk XII (artikel 26.01) wordt een bijdrage gedaan aan het Infrastructuurfonds. Via het Infrastructuurfonds (artikel 15, 17 en 18) investeert de Minister door middel van aanleg en benutting in dit netwerk, in binnenhavens en in de maritieme toegang van zeehavens om een goede en betrouwbare bereikbaarheid over water van de economische kerngebieden te realiseren. Aanleg- en benuttingsprojecten worden in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) vastgelegd.

  • De Minister is verantwoordelijk voor toezicht en nautisch beheer. Rijkswaterstaat voert als beheerder het beheer, onderhoud en vervanging uit. De uitgaven aan beheer, onderhoud en vervanging worden verantwoord op het Infrastructuurfonds (artikel 15).

Regisseren

  • De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het maritiem beleid. De rol «regisseren» heeft betrekking op de volgende taken:

  • De Minister stelt normen en handhaaft deze om het veilige en duurzame gebruik van netwerken te waarborgen. De Minister ijvert regionaal en internationaal voor deze normen, bijvoorbeeld in de Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie van de EU en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), ook omdat een internationaal level playing field goed is voor de Nederlandse concurrentiepositie. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van IMO en Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en een gerichte bijdrage aan de totstandkoming van Europese regelgeving, inclusief een actieve rol in agentschappen als het Europese Maritieme Veiligheidsagentschap (EMSA) en andere organisaties.

  • De in 2015 vastgestelde maritieme strategie geeft de leidende principes aan: meerwaarde door samenwerking, ruimte voor ondernemerschap en oog voor de leefomgeving. Vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving in de zeehavengebieden wordt de innovatie en de transitie naar een duurzame scheepvaart bevorderd. IenW zorgt voor «state of the art» regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, bemanningszaken en security. Waar nodig wordt hiervoor internationaal samengewerkt.

  • Met het programma Beter Benutten stimuleert de Minister een slim, efficiënt en veilig gebruik van de vaarwegen. Samen met de inspanningen van de vervoerders en verladers kan daarmee de capaciteit van de vaarwegen beter worden benut.

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor een permanente verbetering van de veiligheid en duurzaamheid met betrekking tot maritiem beleid.

  • IenW draagt, binnen het kabinetsbrede bedrijvenbeleid onder coördinatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, als vakdepartement verantwoordelijkheid voor de overheidsinbreng op de Topsector Logistiek en het maritieme cluster binnen de Topsector Water en Maritiem.

  • Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht) en door de Autoriteit Consument en Markt.

Indicatoren en kengetallen

Indicator: Passeertijd sluizen
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Hoofdtransportas

68%

67%

68%

69%

70%

68%

66%

66%

63%

Hoofdvaarweg

81%

79%

78%

80%

80%

80%

80%

80%

75%

Overige vaarweg

88%

92%

93%

92%

92%

91%

91%

88%

87%

Bron: RWS, 2018

De gegevens over 2018 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit jaarverslag. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij de begroting 2020.

Toelichting:

Voor elk type vaarweg (Hoofdtransportas, Hoofdvaarweg en Overige vaarwegen) wordt een te realiseren percentage schepen nagestreefd dat binnen de normtijd de sluis passeert (streefwaarde). De «passeertijd sluizen» is een absolute normtijd die voor elke sluis afzonderlijk is bepaald. De gerealiseerde passeertijden op de hoofdtransportassen voldoen nog niet aan de streefwaarden. Dit speelt al langere tijd en wordt voornamelijk veroorzaakt door gebrek aan capaciteit op de corridors tussen Zeeland en Rotterdam. Voor de sluizen op die corridors lopen dan ook MIRT-projecten, gericht op het verbeteren van deze capaciteit. De passeertijden op de hoofdvaarwegen zijn in 2018 negatief beïnvloed door de lange periode van laag water (omvaarverkeer met meer schepen bij enkele sluizen) en renovatiewerkzaamheden (m.n. sluis Delden, Hagestein en Prinses Beatrixsluis). De passeertijden voor de hoofd- en overige vaarwegen scoren overigens wel (ruim) voldoende.

Kengetal: Ontwikkeling van het procentuele marktaandeel (in tonnen) van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest-Europese havenrange (de «Hamburg-Le Havre range»)
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Totaal Nederlandse Zeehavens

44,9

44,2

44,5

45

46,9

47,8

47,2

47,9

47,5

47,2

48,1

48,3

47,9

n.n.b

Mainport Rotterdam

34,9

33,8

34,2

34,4

36

37

36,3

37

36,6

36,2

37,3

37,7

37,2

n.n.b

Overige Nederlandse Zeehavens

10

10,4

10,4

10,6

10,9

10,8

10,9

10,9

10,9

11

10,8

10,6

10,7

n.n.b

Noot 1: Vanaf 2016 Havenbedrijf Rotterdam op basis van cijfers ESPO. ESPO beschouwt daarin alleen de Nederlandse havens van Rotterdam, Amsterdam en Zeeland. In eerdere jaren zijn ook de havens van Moerdijk en Groningen in het overzicht meegenomen. Deze worden niet meegenomen door ESPO.

Bron: 2002–2010 Nationale Havenraad, 2011–2015 IenW, 2016 Havenbedrijf Rotterdam

Toelichting:

Dit kengetal geeft informatie over het marktaandeel van de Nederlandse zeehavens ten opzichte van de concurrerende Noordwest Europese havenrange (de zogenaamde «Hamburg-Le Havre range»). Het streven is het marktaandeel van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest (de «Hamburg-Le Havre range») ten minste te handhaven.

De gegevens over 2018 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit jaarverslag. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij de begroting 2020.

Kengetal: Ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT) van schepen > 100 GT en pontons > 1.000 GT
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

 

Van de vloot van in Nederland geregistreerde zeeschepen onder Nederlandse vlag

Aantallen

                 

Handelsvaart

725

769

800

822

808

790

771

761

n.n.b

Zeesleepvaart

249

235

247

260

258

275

288

291

n.n.b

Waterbouw

120

156

169

168

167

171

171

176

n.n.b

Totaal

1.094

1.160

1.216

1.250

1.233

1.236

1.230

1.228

n.n.b

Bruto tonnage (GT) (x 1.000)

                 

Handelsvaart

6.075

6.883

6.740

7.045

6.978

6.572

6.411

6.275

n.n.b

Zeesleepvaart

310

290

362

347

360

409

423

444

n.n.b

Waterbouw

450

513

531

533

537

531

542

572

n.n.b

Totaal

6.835

7.686

7.633

7.925

7.875

7.512

7.376

7.291

n.n.b

 

Van de vloot onder buitenlandse vlag in Nederlands eigendom of beheer

Aantallen

                 

Handelsvaart

433

422

408

403

403

432

451

458

n.n.b

Zeesleepvaart

459