Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201830196 nr. 605

30 196 Duurzame ontwikkeling en beleid

Nr. 605 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 juli 2018

Met deze brief geef ik u, mede namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, een toelichting op de CBS-cijfers omtrent de invoer van palmolie in 2017, zoals uw Kamer tijdens de regeling van werkzaamheden op 20 maart 2018 had verzocht (Handelingen II 2017/18, nr. 63, item 6).

Bij deze brief is de door de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) opgestelde jaarrapportage hernieuwbare energievervoer in Nederland 2017 gevoegd1. In deze jaarrapportage wordt conform de motie van het lid Von Martels2 ingegaan op de bijdrage van biobrandstoffen aan de CO2-reductiedoelstellingen.

Ook wil ik met deze brief u graag informeren over de gewijzigde motie van de leden Van Gerven en Van Veldhoven3. Deze motie verzoekt de regering drie jaar na de wijziging van de Wet milieubeheer onafhankelijk te laten evalueren waarbij douanegegevens geanalyseerd worden om te bezien of de kwantiteit van de daadwerkelijke importstromen overeenkomen met de gegevens uit het HBE (hernieuwbare brandstofeenheden) -systeem.

CBS-cijfers invoer van palmolie

In het verslag van het schriftelijke overleg van 29 maart 20184 heb ik gereageerd op een vraag van leden van de GroenLinks fractie over de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over de Nederlandse invoer van palmolie in 2017.

Palmolie is een grondstof die veel toepassingen in voeding, cosmetica en transport kent. Zoals in het verslag van het schriftelijk overleg is aangegeven, is bij het Rijk niet bekend hoeveel geïmporteerde palmolie voor welke toepassing wordt gebruikt; dit betreft bedrijfsgevoelige informatie. Overigens blijkt uit bij deze brief gevoegde jaarrapportage hernieuwbare energievervoer in Nederland dat net als in 2016 ook in 2017 geen biobrandstoffen gemaakt van palm- of sojaolie zijn bijgemengd in brandstoffen voor de Nederlandse vervoersmarkt.

De vetten- en oliënsector heeft een kanttekening bij de cijfers van CBS geplaatst. De CBS-cijfers betreffen niet de volumes van palmolie maar de economische waarde. Op basis van de economische waarde is er sprake van een stijging van 21% ten opzichte van 2016, echter het volume is ten opzichte van 2016 met 12% gestegen. Uit de gegevens blijkt dat het volume van 2017 gelijk is aan 2014 en 2015.

Jaarrapportage hernieuwbare energie vervoer in Nederland 2017

Uit de jaarrapportage blijkt dat de brandstofleveranciers aan hun wettelijke verplichting van 7,75% hernieuwbare energievervoer hebben voldaan. Ruim 99% van de verplichting wordt voldaan met biobrandstoffen. De bijdrage van ingeboekte elektriciteitsleveringen voor wegvoertuigen is nog klein (0,2%), maar in 2017 is de hoeveelheid ten opzichte van 2016 verdubbeld. Het aandeel biogas is ten opzichte van 2016 met 25% gestegen en komt op basis van de berekende energie-inhoud op 1,4% in 2017.

Uit het register van de NEa blijkt dat in Nederland in 2017 biodiesel geheel bestond uit dubbeltellende biobrandstoffen, vooral uit gebruikt frituurvet en dus niet uit biobrandstoffen van voedselgewassen. De energie-inhoud van dubbeltellende biobrandstoffen telt dubbel mee voor het behalen van de hernieuwbare energiedoelstelling. Op basis van de werkelijke energie-inhoud stijgt het aandeel biobrandstoffen uit afvalstromen van 66% in 2016 naar 69% in 2017. Uit de jaarrapportage blijkt dat het aandeel van de meest geavanceerde biobrandstoffen in de totale brandstofmix in 2017 0,1% was (op basis van de werkelijke energie-inhoud). Dit is lager dan de 0,2% in 2015 en 2016. Het aandeel conventionele biobrandstoffen is in 2017 met 1,4% gelijk gebleven en bestaat geheel uit bioethanol.

Overeenkomstig de beantwoording van een vraag5 van uw Kamer in het kader van de jaarverantwoording 2017 heb ik de NEa gevraagd om de hoeveelheden biobrandstof in de verschillende vervoersmodaliteiten in de jaarrapportage op te nemen. In 2017 is in tegenstelling tot 2016 geen biokerosine in het Register Energie voor Vervoer ingeboekt. Wel is er in 2017 een beperkte hoeveelheid biobrandstof voor de zeevaart ingeboekt. Dit is een belangrijke ontwikkeling, aangezien biobrandstoffen momenteel het enige alternatief zijn voor fossiele brandstoffen in deze sector. Omdat bij biodiesel geen onderscheid gemaakt wordt per vervoersmodaliteit kan niet aangegeven worden welk deel aan de scheepvaart in Nederland geleverd is. Vanaf 2018 wordt dat onderscheid wel gemaakt.

Conform de motie van het lid Von Martels wordt in de jaarrapportage ingegaan op de bijdrage van biobrandstoffen aan de CO2-reductiedoelstellingen. In 2017 werd door de inzet van biobrandstoffen volgens de IPCC-regels 1,4 Mton aan CO2-emissies gereduceerd. Deze reductie draagt bij aan de nationale klimaatdoelstellingen. Volgens de Richtlijn brandstofkwaliteit moeten brandstofleveranciers in 2020 ten opzichte van 2010 6% broeikasgasemissiereductie in de brandstofketen realiseren. In 2017 is de reductie 3%, voornamelijk gerealiseerd door de inzet van biobrandstoffen geproduceerd uit afvalstoffen, zoals gebruikt frituurvet met een hoge CO2-reductie in de biobrandstofketen. De verwachting is dat in 2020 de 6% reductie gehaald wordt.

Motie Van Gerven/ Van Veldhoven

De gewijzigde motie van de leden Van Gerven en Van Veldhoven was ingediend tijdens het debat van 20 mei 2014, waar de wijziging van de Wet milieubeheer die op 1 januari 2015 van kracht werd, werd besproken (Handelingen II 2013/14, nr. 84, item 30). Met de in de motie gevraagde evaluatie zou met behulp van de gegevens van de Belastingdienst en het Register Energie voor Vervoer (HBE-systeem) onderzocht worden of het volume duurzame geïmporteerde biobrandstoffen kleiner zou zijn dan er door bedrijven in het register ingeboekt zou worden. Ter voorbereiding van de evaluatie die in 2018 zou moeten plaatsvinden heb ik de NEa gevraagd om samen met de Belastingdienst (Douane) te bekijken hoe uitvoering gegeven zou kunnen worden aan de in de motie gevraagde gegevensvergelijking. Omdat ook het CBS informatie over biobrandstoffen heeft is het CBS bij dit onderzoek betrokken.

Op basis van de conclusies van dit onderzoek (toegevoegd als bijlage6) stel ik vast dat vanwege de aard van de beschikbare gegevens bij de genoemde organisaties de gegevens niet met elkaar vergeleken kunnen worden. Wel is duidelijk dat de hoeveelheid in Nederland beschikbare duurzame biobrandstoffen veel groter is dan in het HBE-systeem ingeboekte hoeveelheden. Dit komt onder andere doordat Nederland meer duurzame biobrandstoffen produceert dan gebruikt. Een groot deel van de in Nederland geproduceerde duurzame biobrandstoffen wordt geëxporteerd. Door middel van een duurzaamheidsverklaring wordt aangetoond dat de biobrandstoffen die worden ingeboekt voldoen aan de Europese duurzaamheidseisen. Ook de biobrandstoffen die elders in Europa worden ingezet moeten aantoonbaar aan deze eisen voldoen.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
2

Kamerstuk 34 717, nr. 16.

X Noot
3

Kamerstuk 33 834, nr. 21.

X Noot
4

Kamerstuk 21 501-08, nr. 717.

X Noot
5

Kamerstuk 34 950 XII, nr. 8, vraag 88.

X Noot
6

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.