Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-2016nr. 13, item 29

29 Decentralisatie Jeugdhulp

Aan de orde is het VAO Decentralisatie Jeugdhulp (AO d.d. 06/10). 

De voorzitter:

Ik heet de minister van Veiligheid en Justitie welkom, die zijn collega bij dit onderwerp komt versterken. Er geldt een spreektijd van twee minuten per fractie, inclusief het indienen van eventuele moties. 

Als eerste is het woord aan mevrouw Kooiman. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Voorzitter. De SP was, is en blijft tegen een eigen bijdrage in de jeugdzorg. Dat is heel helder. Het afschaffen van de ouderbijdrage bleek in het debat dat we hierover hebben gevoerd echter helemaal niet zo helder. Eerst voerde de Partij van de Arbeid de ouderbijdrage in, om vervolgens geconfronteerd te worden met een motie tijdens het congres. Toen heeft men gezegd dat er misschien onderzoek naar moest komen. De Partij van de Arbeid zei vervolgens in de media de ouderbijdrage af te willen schaffen. In het debat bleek dat weer niet het geval te zijn; dat was althans niet helemaal duidelijk. We vroegen de staatssecretaris toen of hij de ouderbijdrage in de jeugdzorg zou afschaffen. Vervolgens zei hij weer iets vaags. Om dat allemaal mogelijk een beetje goed samen te vatten en om tot een heldere conclusie te kunnen komen, dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

van mening dat financiën nooit een drempel mogen zijn voor de zorg aan kwetsbare kinderen; 

constaterende dat uit onderzoek is gebleken dat de verplichte ouderbijdrage in de jeugdhulp drempelverhogend werkt voor de zorg aan kwetsbare kinderen; 

verzoekt de regering, voor de begrotingsbehandeling van VWS met een voorstel tot afschaffing van de ouderbijdrage te komen en daarvoor een structurele dekking te zoeken binnen de begroting van het ministerie van VWS, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kooiman, Bergkamp, Keijzer, Voortman en Voordewind. 

Zij krijgt nr. 488 (31839). 

Mevrouw Kooiman (SP):

Dit is een heldere motie. Ik verwacht daarop dan ook een heldere toezegging van de staatssecretaris. 

De voorzitter:

Dat gaan wij afwachten. 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Voorzitter. Ik beperk mij tot het indienen van twee moties. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat Per Saldo signalen kent dat gemeenten pgb-verzoeken afwijzen vanwege de beschikbaarheid van een zorgaanbod in natura dat zij passend achten; 

constaterende dat in de Jeugdwet is opgenomen dat niet het oordeel van de gemeente maar het oordeel van de jeugdige en zijn of haar ouders leidend is voor het bepalen van de passendheid van de aangeboden zorg in natura; 

verzoekt de regering, gemeenten te wijzen op het feit dat pgb-aanvragen niet mogen worden afgewezen op grond van de beschikbaarheid van de aanwezigheid van een zorgaanbod in natura. en waar nodig aanwijzingen te geven voor zover gemeenten zich op dit punt herhaaldelijk niet aan de wet houden, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Voortman en Bergkamp. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 489 (31839). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat door de decentralisatie van de jeugdzorg nieuwe stromen van uitwisseling van persoonsgegevens zijn ontstaan waardoor het wettelijk vastgelegde beroepsgeheim voor jeugdzorgprofessionals onder druk komt te staan; 

overwegende dat de kennis bij gemeenten over de regels rondom het beroepsgeheim en de toegevoegde waarde hiervan voor de kwaliteit van zorg en de relatie tussen behandelaar en patiënt momenteel nog onvoldoende is; 

verzoekt de regering, een actieplan te formuleren met als doel de bescherming en versteviging van het beroepsgeheim van jeugdzorgprofessionals in het nieuwe jeugdzorgstelsel, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Voortman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 490 (31839). 

Mevrouw Agema (PVV):

Voorzitter. Wij zijn voor een verklaring omtrent het gedrag voor zowel professionals als vrijwilligers. Er zijn ongelofelijk veel sportverenigingen waar vrijwilligers heel goed werk doen, bijvoorbeeld trainers, coaches en noem maar op. Wij vinden dat iedereen moet beschikken over een verklaring omtrent het gedrag. Gelukkig is die voor vrijwilligers ook gratis. Omdat wij vinden dat deze verplicht moet worden, dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

van mening dat iedereen die met kinderen werkt moet beschikken over een verklaring omtrent het gedrag; 

verzoekt de regering, te bewerkstelligen dat een verklaring omtrent het gedrag (vog) verplicht wordt voor iedereen die met jeugd werkt. 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Agema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 491 (31839). 

Mevrouw Bergkamp (D66):

Voorzitter. Ik dien een motie in over een onderwerp dat niet helemaal uit de verf kwam in het algemeen overleg. Het gaat over een vergeten groep, namelijk 100.000 jongeren die tussen wal en schip vallen. Daarom dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat bijna 100.000 jongeren geen opleiding volgen, niet werken, geen inkomen en/of vast woonadres hebben; 

constaterende dat het hierbij gaat om spookjongeren, zwerfjongeren, jongeren met een licht verstandelijke beperking, jongeren uit de jeugdzorg of thuiszitters op wie gemeenten geen of weinig zicht hebben; 

constaterende dat deze jongeren vastlopen in wet- en regelgeving op verschillende beleidsterreinen; 

overwegende dat de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft toegezegd aan de slag te gaan met een verbeterplan om knelpunten tussen diverse departementen te onderzoeken en te bekijken welke regels of knelpunten deze jongeren onnodig in de weg zitten; 

overwegende dat de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft aangegeven coördinerend bewindspersoon te zijn als het gaat om samenhangende problematiek op diverse beleidsterreinen; 

van mening dat er nog te weinig stappen gezet zijn om deze knelpunten te inventariseren en te verminderen; 

verzoekt de regering, integraal met diverse departementen en de VNG aan de slag te gaan om met een verbeterplan te komen, en de Kamer over dit verbeterplan en de voortgang hiervan in het voorjaar van 2016 te informeren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bergkamp en Koşer Kaya. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 492 (31839). 

Mevrouw Keijzer maakt geen gebruik van haar spreektijd. Dan schors ik de vergadering voor interdepartementaal en intercollegiaal overleg. 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst. 

De voorzitter:

Het is uiteraard aan het kabinet om te kiezen wie als eerste het woord voert. Dat is de staatssecretaris geworden. 

Ik heb verzuimd te melden dat de motie op stuk nr. 489, ingediend door het lid Voortman, mede was ondertekend door mevrouw Bergkamp. 

Staatssecretaris Van Rijn:

Voorzitter. Ik begin met de motie op stuk nr. 488, over de ouderbijdrage. Daarover hebben wij tijdens het debat uitgebreid gesproken. Ik heb het onderzoeksrapport naar de Kamer gestuurd en ik heb gezegd dat dit onderzoek voor mij aanleiding is om in een overleg met de VNG te bekijken hoe wij tegenover deze ouderbijdrage staan, gelet op de effecten die in het onderzoeksrapport zijn geschetst. Ik heb de Kamer toegezegd dat ik voor de begrotingsbehandeling met een nader voorstel zal komen. Dat lijkt mij een heel duidelijke toezegging. Ik stel de Kamer voor om dat voorstel af te wachten, zodat ik in ieder geval in staat ben om met de gemeenten te spreken — wij spreken hier overigens over het geld van de gemeenten — en met een nader voorstel te komen. Ik constateer dat deze motie geen rekening houdt met deze toezegging en — dat is misschien wat flauw — dat ik niet zie dat ze gedekt is. Het is daarom misschien goed om mijn voorstel af te wachten. Dan kunnen wij daarover tijdens de begrotingsbehandeling spreken. Om die reden ontraad ik de motie. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Ik ben het met de staatssecretaris eens dat dit een beetje flauw was. 

Staatssecretaris Van Rijn:

Spreekt mevrouw Kooiman over de motie of over mij? 

Mevrouw Kooiman (SP):

Dat laat ik aan het oordeel van de staatssecretaris. Ik heb wel een serieuze vraag. Dat wij deze motie zo oppositiebreed indienen, heeft ermee te maken dat de staatssecretaris niet helder heeft toegezegd dat hij met een structurele dekking uit zijn eigen begroting komt. Hij kan wel zeggen dat het geld van de gemeenten is, maar dat geld krijgen de gemeenten van het Rijk. Dat is de reden waarom wij die motie hebben ingediend. Als de staatssecretaris dat nu wil toezeggen dan houden we onze motie aan. Maar dan wil ik wel weten of dit is wat de staatssecretaris bedoelde. 

Staatssecretaris Van Rijn:

Als ik in overleg ga met de gemeenten en een nader voorstel zal doen naar aanleiding van het onderzoek, zoals ik al in mijn bijdrage aan het debat heb gezegd, dan zal ik in dat voorstel alle aspecten meewegen, inclusief het feit dat de gemeenten daaraan al of niet een bijdrage willen geven. Ik constateer overigens dat een aantal gemeenten nu al heeft besloten om de ouderbijdrage niet te innen. Ik moet minstens van de gemeenten weten wat daarvoor de reden is en wat het antwoord daarop is. 

Om een lang verhaal kort te maken: ik heb de Kamer al toegezegd om met een nader voorstel te komen. Dat lijkt mij in deze fase van het debat helder. Daarover kunnen wij tijdens de begrotingsbehandeling spreken. De Kamer kan van mij verwachten dat een voorstel waarmee ik kom ook is gedekt. Om die reden blijf ik bij mijn oordeel over deze motie. 

De voorzitter:

Het oordeel is duidelijk. Het is aan mevrouw Kooiman om te zeggen of zij de motie aanhoudt of niet. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Zolang de staatssecretaris niet helder zegt dat hij de gemeenten niet wil opzadelen met nog meer kosten, brengen we de motie gewoon in stemming. 

De voorzitter:

Dat gaan we dan doen. 

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik kom op de motie op stuk nr. 489. Dit betreft het soort debatje dat we net hebben gevoerd over de pgb's. In de motie wordt de regering verzocht om gemeenten te wijzen op wat er in de wet staat, namelijk dat de beschikbaarheid van zorg in natura op zich geen reden is om een pgb af te wijzen. In de wet staan de criteria op grond waarvan een pgb wordt toegekend of eventueel kan worden geweigerd. We hebben met elkaar afgesproken dat wij de uitvoeringspraktijk zullen volgen. Als gemeenten zich niet aan de wet zouden houden, dan kan de Kamer erop rekenen dat ik de gemeenten daarop zal aanspreken. Als men zich structureel niet aan de wet houdt, heb ik vergaande bevoegdheden nodig. Dit hebben wij tijdens het debat besproken. Om die reden raad ik aan de motie aan te houden, met de toezegging dat ik met gemeenten in gesprek ga waar dit aan de orde is. 

De voorzitter:

Hier gaat iets fout. U kunt suggereren dat de indiener of indienster iets aanhoudt, maar u moet wel een oordeel over de motie geven. Dat heeft u nog niet gedaan. 

Staatssecretaris Van Rijn:

Gelet op mijn toezegging ontraad ik de motie. 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Ik wil preciezer weten wat de toezegging is. De staatssecretaris gaat in overleg met gemeenten over de voorwaarden op basis waarvan een pgb wordt toegekend of afgewezen. Als gemeenten zich structureel niet aan de wet houden, zal hij aanwijzingen aanwenden. 

Staatssecretaris Van Rijn:

Ja, want dat is in zijn algemeenheid het geval. De wet regelt de voorwaarden waaronder een pgb kan worden toegekend. Stel dat een gemeente zich daar niet aan zou houden, dan wordt de gemeente daarop aangesproken. Overigens hoop ik dat dit in eerste instantie geschiedt door de gemeenteraad. Stel dat er actie van mij nodig is, dan neem ik die en als blijkt dat men zich stelselmatig niet aan de wet houdt, dan staan mij ook andere instrumenten ter beschikking. 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Dus in dat overleg gaat de staatssecretaris wijzen op het feit dat pgb-aanvragen niet mogen worden afgewezen op grond van de beschikbaarheid van zorgaanbod in natura? Als de staatssecretaris dat gaat doen, dan kan ik mijn motie inderdaad aanhouden. 

Staatssecretaris Van Rijn:

Louter het feit dat er ook zorg in natura beschikbaar is, is geen reden om een pgb te weigeren. Ik ga ervan uit dat gemeenten zich houden aan wat er in de wet staat. Zij moeten beoordelen wanneer wel of niet een pgb toegekend wordt. Het loutere feit dat er zorg in natura beschikbaar is, is geen voldoende argument om een pgb te weigeren, maar er kunnen ongetwijfeld ook andere argumenten zijn. Aangezien ik heb toegezegd om daarover met gemeenten in overleg te treden, zou mevrouw Voortman eventueel kunnen overwegen om deze motie aan te houden. 

De voorzitter:

U moet daar even over nadenken, mevrouw Voortman, en dan horen wij nog wel of u de motie aanhoudt of niet. 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Ik kan mijn motie niet aanhouden, omdat ik niet de toezegging heb gekregen waar ik om had gevraagd. 

De voorzitter:

Ik zit ook een beetje op de klok te kijken, omdat we vanavond nog een heel debat op de agenda hebben staan dat ook op tijd moet beginnen. Ik hoop op een beetje begrip van de andere leden. 

Staatssecretaris Van Rijn:

In de motie-Voortman op stuk nr. 490 wordt de regering verzocht om een actieplan te formuleren met als doel de bescherming en versteviging van het beroepsgeheim van jeugdzorgprofessionals in het nieuwe jeugdzorgstelsel. We hebben in een debat gewisseld welke acties er allemaal zijn en welke acties er zijn afgesproken met gemeenten om te komen tot een goede behandeling, een goed beheer van de privacy. Er zijn opleidingen gestart. Er zijn handleidingen gemaakt samen met de VNG. Er worden gezamenlijke cursussen voorbereid. Ik denk dat het actieplan eigenlijk al in volle werking is. Ik onderschrijf met u het belang van een heel goed privacybeheer. We hebben met elkaar een tijdelijke regeling gemaakt om dat te voorzien van een juridische basis. In de wet wordt ook een wettelijke regeling gemaakt. Tegelijkertijd loopt er met de VNG een groot aantal afspraken om ervoor te zorgen dat gemeenteambtenaren zich goed toegerust weten om de privacy uit te voeren. Om die reden acht ik in dit stadium de motie overbodig. Ik wil haar dan ook ontraden. 

De motie-Agema op stuk nr. 491 zal behandeld worden door de minister. 

In de motie-Bergkamp/Koşer Kaya op stuk nr. 492 wordt de regering verzocht om met diverse departementen en de VNG aan de slag te gaan om tot een verbeterplan te komen. Ik snap de bedoelingen van de indiensters. Het gaat om een groep van jongeren die niet erg bekend zijn met de mogelijkheden, die tussen wal en schip dreigen te vallen en die geen gebruik maken van regelingen waarvan ze wel gebruik zouden kunnen maken. Die groep vergt onze aandacht. Zoals de Kamer weet, zijn wij met de gemeenten bezig om een plan van aanpak voor de maatschappelijke opvang verder te ontwikkelen. Als ik de motie zo mag lezen dat ik in dat kader, samen met de VNG en de centrumgemeenten, ga kijken welke bijzondere aandacht er nodig is voor deze groep, dan wil ik het oordeel over deze motie aan de Kamer overlaten. 

Mevrouw Bergkamp (D66):

Het is wel belangrijk dat er ook wordt gekeken naar andere departementen. De staatssecretaris heeft eerder gezegd dat hij ook coördinerend is. Als de staatssecretaris dat meeneemt, zodat het wat breder is dan alleen VWS, kunnen wij elkaar daar goed in vinden. 

Staatssecretaris Van Rijn:

Dat wil ik graag toezeggen. 

De voorzitter:

Dank u wel. Dan mag ik graag het woord geven aan de minister van Veiligheid en Justitie. 

Minister Van der Steur:

Voorzitter. Dank voor de bijdrage in dit VAO van de zijde van de leden. Zoals u weet was het algemeen overleg Jeugd mijn eerste optreden op dit beleidsterrein, sinds ik dat heb overgenomen van de staatssecretaris in het licht van zijn uitdagingen op het gebied van het vreemdelingen- en vluchtelingenvraagstuk. Dat betekent dat ik voor het eerst over dit onderwerp met uw Kamer van gedachten heb kunnen wisselen. Dat heb ik bijzonder op prijs gesteld, omdat het een bijzonder belangrijk onderwerp is. 

Ik heb één motie te becommentariëren, de motie-Agema op stuk nr. 491. Ik zal daar in algemene zin een paar dingen over zeggen. Vervolgens zal ik mevrouw Agema vragen om die motie aan te houden, zodat ik de Kamer nog wat nader kan informeren over waar we nu precies staan met de vog. Het volgende zeg ik in algemene zin over de vog. Iedereen in de jeugdhulpverlening is op dit moment verplicht om over een vog te beschikken. Dat hebben we met elkaar afgesproken na, en naar aanleiding van dat afschuwelijke drama in Amsterdam. Destijds zijn er naar aanleiding daarvan stappen gezet en is de vog verplicht gesteld. Mevrouw Agema vraagt nu in haar motie om nog veel verdergaande stappen te zetten en die vog nog veel breder in te zetten. Daarbij is het goed om je te realiseren dat de vog natuurlijk een momentopname geeft. Die wordt afgegeven op grond van wat er op het moment van de aanvraag aan politiegegevens beschikbaar is over de betrokkene. Een betrokkene die nog niet tegen de lamp is gelopen maar toch niet deugt, zal dus een vog krijgen. Iemand kan ook, nadat een vog is afgegeven, iets doen wat niet in de haak is. Ik waarschuw er al heel lang voor, ook op andere terreinen, dat de vog een momentopname is. Zij biedt geen honderd procent zekerheid dat er met de betrokkene niets mis is. Dat wil ik wel gezegd hebben, want de neiging bestaat toch altijd een beetje om die vog te zien als een soort panacee voor alle problemen. Dat is de vog echt niet. Het ontslaat instellingen en vrijwilligersorganisaties ook absoluut niet van hun verplichting, continu te kijken naar hun mensen en er bijvoorbeeld voor te zorgen dat er goede controle is door mensen zo mogelijk in tweetallen te laten optreden. Zij moeten op een heel verstandige manier hun instinct daarbij blijven volgen. 

Op dit moment wordt gesproken over de vraag of de vog breder kan worden ingezet. Daar zitten natuurlijk veel voor- en nadelen aan. De vog is voor vrijwilligers gratis. Dat zegt mevrouw Agema terecht. Voor niet-vrijwilligers is de vog echter niet gratis. Daar komen dus kosten bij kijken. Ik vind het overigens ook de verantwoordelijkheid van de organisaties zelf om die vog-plicht in principe ook van toepassing te verklaren waar dat nodig is. Ik vraag mevrouw Agema of zij mij toe wil staan om het onderwerp met de vakdepartementen en met de beroepsgroep te bespreken. Op korte termijn zal ik dan hierop terugkomen. Dan zal ik de Kamer informeren over de vraag of het volgens mij wijs is om die vog-verplichting uit te breiden. Ik zou het zeer op prijs stellen als mevrouw Agema bereid zou zijn om haar motie tot die tijd aan te houden. 

De voorzitter:

Wat verstaat u in dit verband onder "op de korte termijn", minister? 

Minister Van der Steur:

Dat is lastig te zeggen, voorzitter. Ik zal proberen de Kamer hierover een brief te sturen voor de behandeling van mijn begroting. De brief komt begin november, dus over een paar weken. 

Mevrouw Agema (PVV):

Akkoord, voorzitter. Ik houd de motie aan. 

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Agema stel ik voor, haar motie (31839, nr. 491) aan te houden. 

Daartoe wordt besloten. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.