Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-2015nr. 72, item 28

28 Politie

Aan de orde is het VAO Politie (AO d.d. 11/02). 

De heer Oskam (CDA):

Voorzitter, ik loop een beetje moeilijk, want ik heb zaterdag met het Tweede Kamerelftal gevoetbald. Dat had ik beter niet kunnen doen. 

De voorzitter:

Het Tweede Kamerelftal heeft wel gewonnen. 

De heer Oskam (CDA):

We hebben met 5-0 gewonnen van de burgemeesters. Dat is dus heel mooi. 

Voorzitter. Enige tijd geleden spraken we met de vorige minister van Justitie over de politie en over het feit dat de komende tien jaar veel politiebureaus dichtgaan. De Kamer maakt zich daar zorgen over, in die zin dat mensen goed bediend moeten worden. Wij krijgen veel klachten van burgers of wethouders en burgemeesters die zich zorgen maken: hoe moet het nu? Wij vinden dat, als die bureaus sluiten, er een soort communicerend vat moet zijn. De dienstverlening van de politie en de aanrijtijden moeten zodanig zijn dat mensen die de politie hard nodig hebben, ook op de politie kunnen rekenen. Daarom dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de regering voornemens is de komende tien jaar zeker 200 politiebureaus te sluiten; 

overwegende dat voorafgaande aan besluitvorming over sluiting van een politiebureau de consequenties voor dienstverlening en aanrijtijden inzichtelijk gemaakt dienen te worden; 

voorts overwegende dat e-dienstverlening en locatieonafhankelijk werken in de praktijk optimaal dienen te functioneren, voordat politiebureaus kunnen worden gesloten; 

verzoekt de regering, geen politiebureaus te sluiten zolang handhaving van het niveau van dienstverlening en aanrijtijden niet gegarandeerd zijn, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Oskam, Berndsen-Jansen en Kooiman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 516 (29628). 

Mevrouw Kooiman (SP):

Voorzitter. Allereerst wil ik de minister van harte feliciteren met de ontzettend mooie portefeuille die hij heeft, namelijk politie. Ik heb begrepen dat er morgen ook heel mooie acties op het programma staan, waarbij de politie voorbijkomt om te vertellen dat zij meer waardering en erkenning wil. Ik hoop dat deze minister goed de cao voor de politie zal organiseren. 

We hebben het tijdens het debat ook over andere problemen gehad, bijvoorbeeld over het enorme gat in de begroting van de politie en de sluiting van posten. Daarom heb ik de motie van de heer Oskam meeondertekend. Ik dien zelf de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat uit onderzoek van de Centrale Ondernemingsraad van de politie, gevalideerd door Andersson Elffers Felix, blijkt dat de reorganisatiekosten bij de politie 200 miljoen euro hoger uitvallen dan geraamd; 

overwegende dat de regering twijfelt aan de juistheid van dat bedrag maar geen helderheid geeft over hoe groot de tegenvaller dan wel is; 

verzoekt de regering, de te verwachten overschrijding van de reorganisatiekosten en de consequenties die dat heeft op korte termijn in kaart te brengen en de Kamer daarover te rapporteren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kooiman en Berndsen-Jansen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 517 (29628). 

Ik geef het woord aan mevrouw Tellegen. O nee, mevrouw Tellegen wil het woord niet voeren. Maar mevrouw Helder wil het woord wel voeren. 

Mevrouw Helder (PVV):

Voorzitter. De nieuwe minister hadden we al gefeliciteerd in een algemeen overleg. Toen zei hij nog: ik zie ernaar uit om plenair te debatteren. Zijn wens is in vervulling gegaan. Hij zit inderdaad in vak-K. 

De vorige minister van Veiligheid en Justitie, de heer Opstelten, had aan mijn fractie toegezegd om na te vragen hoe het zat met de hond die ten dienste stond van het team grenstoezicht van de zeehavenpolitie in Rotterdam. Tijdens een werkbezoek was ik erop gewezen dat het heel erg lastig was dat die hond niet meer bij dat team aanwezig was. Als er dan zo'n hond nodig was voor opsporing, moest hij uit Oost-Nederland komen. Ik heb toen overwogen om daar namens mijn fractie een motie over in te dienen, maar de minister nam het begrip "snelheid" heel erg serieus. Hij belde tijdens de schorsing van het debat en heeft nagevraagd of hier rekening mee gehouden kon worden. De dag daarop zou er overleg plaatsvinden. Ik heb dat zelf ook nagevraagd en dat bleek het geval. Er zou ook aan de noden worden gewerkt. Ik dien dus geen motie in. Ik heb van de spreektijd gebruik willen maken om de nieuwe minister van Veiligheid en Justitie erop te wijzen dat ik dit wel in de gaten blijf houden, maar dat ik ervan uitga dat het goed zal komen en dat het ook goed blijft. Daarom dien ik geen motie in. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Voorzitter. Mijn strijd met de vorige minister van Veiligheid en Justitie zat hem er onder andere in dat studenten volledig worden meegerekend in de operationele inzetbaarheid. Ik denk dat het goed is dat deze nieuwe minister zich daar ook nog eens over gaat buigen, want dat is absoluut niet reëel. Vandaar de volgende motie. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de komende jaren een aanzienlijke uitstroom van babyboomers bij de politie wordt verwacht; 

voorts constaterende dat de instroom ernstig tekortschiet en dat de huidige operationele sterkte tijd moet maken voor het begeleiden van aspiranten; 

overwegende dat studenten pas volledig inzetbaar zijn op het moment dat ze klaar zijn met de opleiding; 

verzoekt de regering, ervoor te zorgen dat de instroom van studenten bij de Politieacademie dusdanig is dat hiermee de inzetbaarheid van de operationele sterkte bij de Nationale Politie gegarandeerd blijft, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Berndsen-Jansen en Kooiman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 518 (29628). 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Tijdens hetzelfde algemeen overleg hebben wij gesproken over de inzet van schoolwijkagenten. Later hebben wij de korpschef horen zeggen dat hij daar een groot voorstander van is. Vandaar de volgende motie. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat met name op scholen voor vmbo en mbo een voedingsbodem voor radicalisering en terrorisme bestaat; 

voorts constaterende dat wijkagenten een belangrijke partner voor scholen en maatschappelijk werkers zijn en een belangrijke rol in de strijd tegen radicalisering en terrorisme hebben; 

overwegende dat enkele gemeenten al met schoolwijkagenten werken, maar dat dit nog niet overal in Nederland gebeurt; 

verzoekt de regering, de politie de ruimte te geven om, na afstemming met de lokale driehoek, met schoolwijkagenten te werken, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Berndsen-Jansen en Oskam. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 519 (29628). 

Hiermee is een einde gekomen aan de termijn van de Kamer. De minister heeft gevraagd om een korte schorsing. 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst. 

De voorzitter:

Het woord is aan de minister van Veiligheid en Justitie voor zijn reactie op de ingediende moties. 

Minister Van der Steur:

Voorzitter. Dank. Ik dank de leden die vriendelijke woorden in mijn richting hebben geuit. Ik ben inderdaad heel blij dat de Kamer nu al van de mogelijkheid gebruik heeft gemaakt om mij naar de Kamer te roepen. Ik verheug mij op een zeer constructieve samenwerking met de Kamer in de komende jaren. 

Dit algemeen overleg vond plaats met mijn voorganger. We hebben deze week een nieuw algemeen overleg over politie. Op zichzelf zou men met de moties hebben kunnen wachten tot dat overleg, want dan had ik wat meer over mijn beleid en de nieuwe inzichten kunnen vertellen. Ik neem die kwesties nu mee bij de beoordeling van de moties die ik heb voorgelegd gekregen. 

Ik begin met de motie van de heer Oskam, mede ondertekend door mevrouw Berndsen van D66. Die motie vind ik sympathiek. We gaan een proces van tien jaar in waarbij we de locaties van de politiebureaus op orde willen krijgen. Dat proces is al langer geleden ingezet. Er wordt met alle zorgvuldigheid naar gekeken om ervoor te zorgen dat precies de punten die nu aan de orde zijn, dienstverlening en aanrijtijden, op orde blijven. Maar dat is lokaal maatwerk. Het is een lokaal proces dat wordt aangepast aan de lokale omstandigheden. Daar gaat ook vooral het lokaal bestuur over. Wat dat betreft zou het zeer onwenselijk zijn als er vanavond op dit punt een landelijke norm wordt afgesproken omdat het juist om lokaal maatwerk gaat. Daarom is er ook voor de periode van tien jaar gekozen, want het proces moet zorgvuldig verlopen. Om die reden moet ik de motie, ondanks het feit dat ik de uitgangspunten ondersteun — daarom nemen wij er tien jaar voor — als zodanig ontraden. 

De heer Oskam (CDA):

Ik meld nog even dat mevrouw Kooiman de motie ook heeft ondertekend. Ik snap het niet. We hebben gekozen voor nationale politie. Dat betekent dat er dingen centraal kunnen worden geregeld. Natuurlijk sluiten er bureaus in de regio's maar juist in die regio's, en als dat niet lukt in de aanpalende regio's, moet er vervangen kunnen worden. We moeten er zeker van zijn dat, ook al is er geen politie meer, als je in Noordoost-Groningen woont, de politie voor de deur staat als er iets gebeurt. Daarom is het belangrijk dat er centraal wordt aangestuurd. De minister moet in ieder geval tegen de veiligheidsregio's en de politieregio's zeggen dat het op die manier moet worden geregeld. Het is dus van belang dat de motie wordt aangenomen. 

Minister Van der Steur:

Daarover verschillen wij niet van mening. Het aardige is juist dat de aspecten die in de motie op landelijk niveau aan de orde worden gesteld, lokaal moeten worden bekeken, met het lokaal gezag. Het beleid moet worden uitgerold in overleg met het lokaal gezag en op basis van lokaal maatwerk. Alleen als er lokaal overeenstemming is over de voorwaarden, over de aanrijtijden en over wat dan ook, besluit de politie om bureaus eventueel te sluiten. Maar dat is dus een lokale kwestie. Het is onverstandig landelijk een motie aan te nemen die dat beslissingsmoment vervolgens weer naar het land tilt. In de motie wordt de regering verzocht om geen politiebureaus te sluiten maar dat zou geen adres aan de regering moeten zijn maar aan de lokale burgemeesters. Deze motie zou dus moeten worden ingediend door de gemeenteraden in alle veiligheidsregio's. Mijn bezwaar richt zich niet zozeer op het uitgangspunt van de motie, want die vind ik sympathiek, maar tegen de manier waarop de motie wordt uitgewerkt. Ik moet in overleg met de Kamer om een politiebureau in Noordoost-Groningen te sluiten, terwijl de lokale burgemeester in de lokale driehoek, de regio, de veiligheidsregio daarover gaat. Dat is van belang. Ik spreek met de burgemeesters. Ik heb ze afgelopen week ook nog gesproken. Zij benadrukken dat ik landelijk niet aan hun lokale beleid moet komen. Dat gebeurt in de motie wel. 

De heer Oskam (CDA):

Het zijn juist de lokale burgemeesters die hier boos over zijn. Zij stellen dat zij bureaus moeten sluiten, omdat dit in het regeerakkoord is afgesproken. De centrale overheid zegt tegen de burgemeesters dat er in Noordoost-Groningen tien bureaus dicht gaan en dat zij maar moeten uitzoeken welke dat worden. Ze moeten ervoor zorgen dat dit lokaal wordt geregeld. Dat betekent toch dat de minister daar de hand in heeft en dat hij ervoor moet zorgen dat de apparatuur en de aanrijtijden op orde zijn? Dat is dan toch een centrale aangelegenheid? 

Minister Van der Steur:

Ik begrijp wat de heer Oskam zegt. Dit is inderdaad een centrale aangelegenheid omdat de centrale overheid uiteindelijk instaat voor het totaalplaatje. Het lokaal gezag moet echter beslissen met welke aanrijtijden men genoegen neemt en wanneer welk politiebureau wordt gesloten. Dat besluit het lokaal gezag afhankelijk van de vraag of er inmiddels in het nieuwe concept voldoende dekking is geboden. Daar gaat het om en daarom is er ook voor een periode van tien jaar gekozen. Er staat hier niet voor niets: tien jaar. Dit doen we niet binnen één jaar. Ik kan daarom niet anders dan deze motie ontraden, hoe sympathiek ik de inhoud ook vind. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Er is een huisvestingsplan gemaakt. Daarin staat dat bureaus worden gesloten. Burgemeesters zouden daar inspraak in hebben gehad. Nu blijkt dat dat in de praktijk absoluut niet het geval is geweest. Ik wil de nieuwe minister van Justitie daarom toch nog eens vragen om dat te onderzoeken. Als hij de motie goed leest, ziet hij dat daarin een aantal randvoorwaarden staat. Is hij het eigenlijk wel eens met die randvoorwaarden? Uiteindelijk is de minister immers verantwoordelijk voor de uitvoering van het beleid van de Nationale Politie. Het gaat hier om huisvestingsbeleid. 

Minister Van der Steur:

Er staan inderdaad randvoorwaarden in. Ik ken ook nog een paar andere randvoorwaarden. Op basis van die randvoorwaarden wordt op lokaal niveau besloten om over te gaan tot het sluiten van een bepaald politiebureau. Dat volgt uit het huisvestingsplan. Daarvoor is een termijn van tien jaar genomen, omdat we vinden dat er zo veel mogelijk rekening moet worden gehouden met lokale wensen. Dat is overigens ook de opdracht die ik van het zogenaamde Artikel 19-overleg meekrijg. Ik zeg daarom nogmaals dat ik dit een sympathieke motie vind. Zij komt echter op de verkeerde plek en op het verkeerde moment. Daarom blijf ik erbij, haar te ontraden. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Het Artikel 19-overleg is erg leuk, maar dat is een overleg met de regioburgemeesters. Ik krijg echter juist signalen van andere burgemeesters. Zij blijken totaal geen inspraak te hebben gehad in het gegeven dat die bureaus in hun gemeenten sluiten. Het is dus de vraag namens wie die regioburgemeesters hebben gesproken. 

Minister Van der Steur:

Volgens mij zegt de naam het al: regioburgemeesters spreken namens de regio. De regioburgemeesters zijn onderdeel van de veiligheidsregio's. Zij praten met hun collega's. Ik praat zelf met het Artikel 19-overleg. Daarbij zitten ook vertegenwoordigers van de VNG. Twee burgemeesters zitten daar speciaal namens de VNG. Ook zij zijn het eens met het huisvestingsplan, dat wordt getrokken door burgemeester Aboutaleb van Rotterdam. Zij hebben dat uitontwikkeld. Mevrouw Berndsen kan wel zeggen: er is een burgemeester, of er zijn misschien wel twee of meer burgemeesters hierbij niet betrokken. Dat is echter niet mijn probleem, maar het probleem van de regioburgemeesters. Daarover moeten we realistisch zijn. Ik zeg daarom nogmaals dat ik de motie sympathiek vind. Volgens mij moet precies dit, met nog meer dingen, het kader zijn op grond waarvan op regionaal niveau wordt bekeken wat er wel en wat er niet kan. Dit is echter niet iets voor de Tweede Kamer. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Daarmee zijn wij het niet eens. Dit staat ook niet in de wet. De minister is namelijk verantwoordelijk voor bijvoorbeeld de aanrijtijden en voor de veiligheid van Nederland. Hij is nota bene de baas van de Nationale Politie, waarmee ik hem feliciteerde. Als de minister staat voor veiligheid, dan wil hij per definitie ook onderzoeken in hoeverre bijvoorbeeld de aanrijtijden worden opgerekt en in hoeverre de veiligheid wordt aangetast. Is hij daartoe bereid? 

Minister Van der Steur:

We spreken hier over een project van tien jaar. Mevrouw Kooiman vraagt mij nu eigenlijk of ik even in mijn glazen bol wil kijken en of ik even wil zeggen wat er over tien jaar misschien in een bepaalde regio gaat gebeuren. Precies daarvoor hebben we het lokaal gezag. Precies dat vragen de burgemeesters mij steeds. Zij zeggen mij steeds: geef ons ruimte om hieraan op lokaal niveau invulling te geven. Die ruimte geef ik ze. Dat betekent wel dat ik vervolgens tegen de Kamer moet zeggen: laat die verantwoordelijkheid bij die regionale burgemeesters liggen. Natuurlijk neem ik als minister van Veiligheid en Justitie uiteindelijk de verantwoordelijkheid voor het beleid als geheel. Dat zal ik doen. Als de Kamer mij daartoe in de gelegenheid stelt, zal ik daarover periodiek met haar debatteren. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Dat is te laat, want dan zijn er al politieposten gesloten. In De Friese Meren en omgeving is straks geen politiepost meer te bekennen. In Winterswijk worden de aanrijtijden nu al overschreven. De politie moet bij een prio 1-melding binnen een kwartier ter plaatste zijn, maar men doet er daar nu al drie kwartier over. Toch worden daar ook al posten gesloten. De minister moet dus nu al in actie komen. Wat is het effect van het sluiten van die posten? Ik wil daar geen tien jaar op wachten en de politie wil dat al helemaal niet. De minister moet nú in actie komen. 

Minister Van der Steur:

Als je een plan hebt dat tien jaar duurt, is het een beetje lastig om nu actie te ondernemen. Je weet namelijk niet hoe het er over tien jaar voor staat. Daarom hebben we gekozen voor die termijn van tien jaar. We willen namelijk volledig zorgvuldig zijn als het gaat om dit plan. Maar mevrouw Kooiman brengt wel een goed punt naar voren, namelijk de aanrijtijden. Dat is namelijk iets waarover je je als minister wel zorgen maakt. Terecht haalt mevrouw Kooiman dat punt naar voren. Die norm wordt dan ook nauwlettend in de gaten gehouden, niet alleen door mij, maar vooral door de burgemeesters en de regioburgemeesters. We streven zoals bekend naar 90% binnen vijftien minuten bij een prio-1-melding. Dat lukt nog niet overal; in een aantal regio's zitten we er ruimschoots boven. Strikt genomen wordt dus wel of nog net niet aan die norm voldaan, maar dat zal wel uitgangspunt zijn bij beslissingen over het sluiten van bureaus. 

De voorzitter:

U gaat over naar de tweede ingediende motie. 

Minister Van der Steur:

In de motie op stuk nr. 517 van de leden Kooiman en Berndsen-Jansen wordt het kabinet gevraagd, de te verwachten overschrijding van de reorganisatiekosten en de consequenties die dat heeft op korte termijn in kaart te brengen en de Kamer daarover te rapporteren. De motie is eigenlijk niet nodig en wel om de volgende reden. De plussen en de minnen die gelden voor de Nationale Politie, waarover de Kamer wordt geïnformeerd, worden steeds weer in de begroting betrokken. Het is een beetje raar om dan één punt, de reorganisatiekosten, daaruit te trekken, omdat die in het algemeen in mindering worden gebracht op andere posten die meevallen. Dan is het een beetje vreemd om de Kamer op dat ene punt apart te informeren, terwijl dat besloten ligt in de begroting zoals ik die met de Kamer bespreek. We zijn in gesprek met de centrale ondernemingsraad en natuurlijk met de Nationale Politie zelf over deze aspecten en over de begroting. Deze Kamer wordt daarover geïnformeerd. Om die reden moet ik deze motie dan ook ontraden. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Het gaat om de begroting van de Nationale Politie. Daar zitten, zoals de minister ook weet, grote gaten in. Maar is hij dan bereid naar aanleiding van deze motie aan te geven waar de onderschrijdingen zitten? Daar ben ik wel erg benieuwd naar. 

Minister Van der Steur:

Ik denk dat mevrouw Berndsen het met mij eens is dat het moment waarop we het daarover moeten hebben, het moment is waarop ik de Kamer mijn begroting presenteer. Dat gebeurt, in de gebruikelijke cyclus die ook mevrouw Berndsen inmiddels kent, in het najaar. Het is een beetje gek om van mij te verwachten dat ik, voorafgaand aan die behandeling, al die individuele posten eruit ga halen. Overigens zei mevrouw Kooiman al dat ik morgen van naar verluidt 1.200 politieagenten een verzoek in ontvangst neem om de cao te repareren en daaraan iets bijzonders te doen. De looneis ligt op dit moment op ongeveer 9%. Als ik daarmee morgen onder druk van de betrokken politieagenten instem, zou ik inderdaad een gat in de begroting hebben en dan niet alleen in die van de politie, maar ook in die van het departement. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik denk dat het getuigt van goed financieel beheer dat, als je aan ziet komen dat er een behoorlijke overschrijding van de reorganisatiekosten is — die overschrijding komt er — je in ieder geval al in kaart brengt hoe het totaalplaatje eruit komt te zien. Misschien kan deze minister met zijn collega van Financiën gaan bekijken hoe hij dat kan repareren. 

Minister Van der Steur:

Natuurlijk breng ik dat allemaal in kaart, waarover ik de Kamer nauwgezet zal informeren ten tijde van de behandeling van de begroting van mijn departement. Ik verheug me nu al op het debat daarover, want het zal een uitdagende begroting worden. 

Mevrouw Kooiman (SP):

Wij dienen deze motie in, omdat we niet willen wachten totdat het te laat is. De voorganger van deze minister gaf al aan dat het een zorgelijk rapport is. Het is gevalideerd, maar we kunnen ervan uitgaan dat de minister de zaak onder controle heeft. Ik wil horen wat er niet klopt in het rapport van Andersson Elffers Felix. Dit zijn zorgen die politie en Kamer hebben. We hebben recht op informatie. Daarom wil ik die informatie ook hebben. 

Minister Van der Steur:

Zoals ik in antwoord op de vraag van mevrouw Berndsen al zei, krijgt u die informatie en wel bij de begroting, die we in het najaar zullen behandelen. Dat is namelijk het moment waarop je juist dit soort punten in volledige samenhang kunt laten zien. Ik kan het niet mooier maken dan het is, hoe graag ik dat ook voor mevrouw Kooiman zou doen, haar enthousiasme voor de politieorganisatie kennende. Ze zal toch even geduld moeten oefenen totdat we over de begroting van mijn departement spreken. Ik kan dan ook voor haar het complete beeld in kaart brengen, waarover ze dan met mij kan debatteren. 

Mevrouw Kooiman (SP):

De 200 miljoen die ik noem in de samen met mevrouw Berndsen door mij ingediende motie, zit met name in de reorganisatiekosten. Als we weer een jaar wachten, zijn die reorganisatiekosten al verspild, al op. Ik wil niet wachten tot het te laat is. Wanneer kunnen we van deze minister die informatie eindelijk eens verwachten? Ik wil als Kamerlid namelijk gewoon goed geïnformeerd zijn. Ik wil weten wat we als Kamer kunnen doen om dat probleem op te lossen. 

Minister Van der Steur:

Ik beloof dat ik die informatie voortvarend naar de Kamer zal sturen in het kader van de gebruikelijke begrotingscyclus, zoals mevrouw Kooiman die kent. Ik stel het zeer op prijs dat mevrouw Kooiman van de zijde van de SP-fractie aangeeft er alles aan te willen doen om de financiële knelpunten te helpen oplossen, die ik zonder enige twijfel zal tegenkomen. Alle steun op dat punt is zeker welkom. 

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 518 van de leden Berndsen-Jansen en Kooiman. Daarin wordt de zorg neergelegd over de instroom van de studenten bij de Politieacademie in relatie tot de uitstroom van de mensen die de pensioengerechtigde leeftijd binnen de politie bereiken. Dat is een van de zaken waarover ik, zelfs deze week nog, met de Nationale Politie en de korpschef uitgebreid van gedachten heb gewisseld. Het signaal dat mevrouw Berndsen-Jansen en mevrouw Kooiman afgeven in deze motie, klopt. We hebben tussen nu en twee à vier jaar te maken met een enorme uitstroom uit de Nationale Politie wegens functioneel leeftijdsontslag. Het zal inderdaad een uitdaging worden om de instroom in de Politieacademie daarbij aan te laten sluiten. Over dat punt ben ik met regelmaat in gesprek met de Nationale Politie. Wij realiseren ons dat het signaal klopt dat mevrouw Berndsen-Jansen met deze motie afgeeft, maar we bekijken het van jaar tot jaar. Desondanks laat ik het oordeel over deze motie aan de Kamer. Daarbij merk ik overigens op dat dit punt mijn volle aandacht heeft. 

De laatste motie, die op stuk nr. 519 van de leden Berndsen-Jansen en Oskam, is een overbodige motie, zoals mijn voorganger dat ook altijd noemde. Ook hiervoor geldt dat het aan het lokaal gezag is om te bepalen hoe en waar wijkagenten worden ingezet. Als de lokale driehoek zegt dat er met schoolwijkagenten zou moeten worden gewerkt, dan kan dat. Er is geen enkele reden waarom dat niet zou kunnen. Als minister van Veiligheid en Justitie zal ik het echter niet zelf ter hand nemen, omdat dit het domein van de lokale driehoek is. Om die reden moet ik de motie dan ook ontraden, ondanks het feit dat ik graag de ruimte laat aan de regioburgemeesters en de individuele burgemeesters in de lokale driehoek om hun eigen afwegingen op dit punt te maken. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

De regioburgemeesters hebben hier helemaal niets mee te maken, want die gaan uiteindelijk alleen maar over een stukje beheer, terwijl het hier nadrukkelijk om beleid gaat. Dat ik die motie heb ingediend, heeft er vooral mee te maken dat de norm nu één wijkagent op 5.000 inwoners is. Als je die norm wilt blijven toepassen, zul je onder bepaalde omstandigheden dus minder wijkagenten hebben. Wil de minister de ruimte laten aan de politie om meer wijkagenten in te zetten op scholen en de norm van één wijkagent op 5.000 inwoners los te laten? 

Minister Van der Steur:

Hoe sympathiek dat ook is, maar volgens mij heeft mijn voorganger bij hetzelfde onderwerp, ik meen zelfs aan mevrouw Berndsen-Jansen, al aangegeven dat die norm vervolgens met zich meebrengt dat er per saldo meer agenten nodig zullen zijn, omdat er dan een aantal wijkagenten zal ontbreken. Dit terwijl het beleid nu juist is, ook in overleg met artikel 19-burgemeesters en met de lokale driehoek, om zo veel mogelijk in te zetten op politieaanwezigheid in de wijken. Het is dus aan de lokale driehoek om de keuze te maken of het een schoolwijkagent, een gewone wijkagent of een wijkagent met een taakstelling school is. Iedereen die de afgelopen week het Algemeen Dagblad heeft gelezen, weet dat agenten in de buurt van scholen zeer belangrijk kunnen zijn ter beknotting van criminele carrières van jongeren. Het is echter aan de lokale driehoek om die keuzes te maken. Ik moet de motie dus nog steeds ontraden. 

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Dus de minister zegt het volgende toe. Als de lokale driehoek in afwijking van de regel van één wijkagent op 5.000 inwoners beslist dat er extra wijkagenten uit de operationele sterkte komen, dan heeft de minister daar geen moeite mee. 

Minister Van der Steur:

Dat heb ik helemaal niet gezegd. Het is juist zo dat we die norm hebben, omdat we ook weten dat er andere capaciteit moet zijn. Als mevrouw Berndsen zegt dat we die norm eventjes vijf-, zes- of driemaal zo hoog maken, dan hebben we heel veel wijkagenten maar blijft er heel veel ander werk liggen. Die norm hebben we afgesproken. Hoe de taak van die specifieke wijkagenten wordt ingevuld, is aan de lokale driehoek. Het betekent niet dat ik opeens ruimte heb voor meer wijkagenten, al zou ik dat graag willen. Als mevrouw Berndsen zegt dat ze nog wel ergens aan extra geld voor mij weet te komen — ze heeft daar in het algemeen heel goede en interessante ideeën over, soms in strijd met de wet, soms niet — dan houd ik mij daarvoor aanbevolen. Deze motie moet ik echter blijven ontraden. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

De stemming over de ingediende moties vindt komende dinsdag plaats. 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.