Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 87, item 24

24 Arbeidsmigratie

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 25 april 2013 over arbeidsmigratie.

De heer Azmani (VVD):

Voorzitter. Omwille van de tijd zal ik snel mijn motie voorlezen en dan kijk ik of er nog tijd over is om wat lovende woorden te spreken.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat arbeidsmigranten hier komen om te werken en niet om in een uitkering terecht te komen;

constaterende dat het verblijfsrecht van arbeidsmigranten beëindigd kan worden bij een beroep op de openbare middelen;

constaterende dat onlangs ook de Centrale Raad van Beroep uitgesproken heeft dat enkel de IND voorafgaand aan bijstandsverstrekking kan toetsen of een beroep hierop gevolgen heeft voor het rechtmatig verblijf, waardoor bij beëindiging van rechtmatig verblijf van een arbeidsmigrant, na ommekomst van de finale vertrektermijn, daadwerkelijk overgegaan kan worden tot uitzetting door de Dienst Terugkeer en Vertrek;

verzoekt de regering om, binnen het Europees recht, wettelijk te verankeren dat gemeenten bij een bijstandsaanvraag van een EU-migrant, voorafgaand aan het toekennen van een bijstandsuitkering, gaan toetsen bij de IND of de bijstandsaanvraag gevolgen heeft voor het rechtmatig verblijf,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Azmani en Hamer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 166 (29407).

De heer Azmani (VVD):

Ik kijk terug op een zeer constructief AO dat wij met de minister hebben gevoerd. Ik ben ook blij met de toezegging dat de minister de Kamer halfjaarlijks gaat rapporteren naar aanleiding van het plan van aanpak over schijnconstructies, waarover ik samen met de heer Kerstens van de Partij van de Arbeid al eerder een motie heb ingediend. Ik ben ook blij met de toezegging dat de minister bereid is om een privaat systeem te peilen dat in Zweden bij schijnconstructies wordt gehanteerd. Ik zie terug op een positief overleg met de minister.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik heb één vraag over de lezing van de motie. Kan de heer Azmani bevestigen dat zijn doel niet is om iets af te doen aan het vrij verkeer in Europa; dat er voldoende ruimte is binnen de Europese regels om ongewenst uitkeringstoerisme tegen te gaan en dat het doel van zijn motie is om het kabinet op te roepen om de ruimte die Europa biedt, nationaal goed te gebruiken, doordat de IND en de gemeenten beter samenwerken?

De heer Azmani (VVD):

Ik luister goed en ik constateer dat het inderdaad niet de bedoeling is om het vrije verkeer van werknemers in te perken – integendeel – maar om gebruik te maken van wat binnen het Europese recht en het nationale recht van toepassing zou kunnen zijn om het oneigenlijke gebruik van socialezekerheidsvoorzieningen in Nederland in te perken. Daar is het vrije verkeer niet voor bedoeld. Ik voer dit debat al anderhalf jaar in deze Kamer en ik vind, ondersteund door de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, dat dit het moment is om wettelijk te verankeren dat eerst de IND zou moeten toetsen of een beroep op openbare middelen door EU-onderdanen leidt tot onrechtmatig verblijf.

De heer Ulenbelt (SP):

Voorzitter. Ik leg de Kamer de volgende uitspraak voor.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat werknemers in een noodsituatie goed met elkaar en met de hulpdiensten moeten kunnen communiceren en arbeidsmigranten in een beperkt aantal risicovolle beroepen daarom aan een taaleis moeten voldoen;

constaterende dat, zoals uit het eindrapport Parlementair onderzoek Lessen uit recente arbeidsmigratie blijkt, niet-Nederlandse werknemers vaker slachtoffer zijn van een (meldingsplichtig) ongeval dan Nederlandse werknemers en dat in de periode 2007 tot en met 2009 bij 53 van de 770 ongevallen expliciet melding is gemaakt van onvoldoende begrip van de gebruikte voertaal;

verzoekt de regering, de taaleis voor arbeidsmigranten uit te breiden naar alle sectoren waar het niet beheersen van de Nederlandse taal het risico op een ongeval doet toenemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ulenbelt. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 167 (29407).

De heer Ulenbelt (SP):

Ooit heb ik op deze plek een vorige staatssecretaris van Sociale Zaken in het Pools een vraag gesteld. Die vraag ging over "pas op, daar komt een trein aan". De staatssecretaris begreep die vraag niet. Dat is precies het probleem dat in heel veel situaties aan de orde is. Met deze oplossing hoop ik het aantal ongevallen onder buitenlandse arbeiders terug te dringen.

De voorzitter:

Er hebben zich geen andere sprekers gemeld. De minister heeft de tekst van de laatste motie nog niet. We wachten heel even totdat hij die tekst heeft, zodat hij daarop kan reageren.

Minister Asscher:

Voorzitter. Ik ga eerst in op de motie van de heer Azmani en mevrouw Hamer (29407, nr. 166). Ik ben het zeer eens met de spreker dat het niet wenselijk is dat bijstand wordt verstrekt aan personen als naderhand blijkt dat het verblijfsrecht moet worden beëindigd. Ik onderschrijf dus de motie. De heer Azmani weet dat binnenkort, in navolging van Vaals, in Rotterdam een proef begint waarbij de gemeente op basis van concrete afspraken met de IND probeert te voorkomen dat bijstand wordt verleend aan mensen die juist vanwege die bijstandsverlening geen recht meer hebben om hier te verblijven. Die procedure wil ik graag wettelijk vastleggen. Dat is ook de strekking van de motie. Ik ben blij dat de heer Azmani aangeeft dat de oplossing moet worden gevonden binnen de grenzen van het Europees recht. Ik denk dat dat ook kan. Weliswaar mag de IND alleen bij twijfel in een individueel geval onderzoeken of de bijstandsaanvraag leidt tot verblijfsbeëindiging, maar ik zal de motie uitvoeren en binnen die ruimte wettelijk regelen dat de IND in voorkomende gevallen eerst de gevolgen voor het verblijfsrecht onderzoekt voordat de bijstand wordt toegekend. Met die aanbeveling, die bijna niet positiever kan, laat ik het oordeel over deze motie vanzelfsprekend aan de Kamer.

In relatie tot de motie van de heer Ulenbelt (29407, nr. 167) merk ik op dat wij vorige week in een algemeen overleg over arbeidsomstandigheden kort stil hebben gestaan bij de taaleis. De strekking van de motie is dat wij de taaleis voor een aantal gecertificeerde beroepen versterkt hebben en dat voor alle andere arbeidsomstandigheden en risico's op ongevallen de geldende regels ertoe leiden dat het bedrijf een risico-inventarisatie moet maken. Ik heb tegen de heer Potters gezegd dat het bedrijf zich daarbij moet afvragen of de taal een additioneel risico kan vormen. Als dat het geval is, dan moeten daarvoor maatregelen worden getroffen, bijvoorbeeld bestaande uit de taalles of alleen maar mensen aannemen die de taal voldoende spreken om dat risico niet te lopen. Dat betekent dat ik het aannemen van deze motie ontraad. De thans vigerende arbowetgeving moet ervoor zorgen dat werkgevers zich afvragen welke risico's hun werknemers lopen. Voor een aantal zeer gespecificeerde beroepen hebben wij de taaleis recentelijk verscherpt. Ik ontraad dan ook het aannemen van de motie.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Over de moties wordt komende dinsdag gestemd.

De vergadering wordt van 16.24 uur tot 16.40 uur geschorst.