Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 87, item 31

31 Adolescentenstrafrecht

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de invoering van een adolescentenstrafrecht ( 33498 ).

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van harte welkom. Wij gaan de eerste termijn doen van de Kamer. Wij beginnen met de heer Bontes van de fractie van de PVV. Maar voordat de heer Bontes begint, wil ik nog de afspraak maken dat wij twee interrupties in drieën doen. Kan iedereen daarmee leven? Daar kan iedereen mee leven.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Bontes (PVV):

Voorzitter. Vandaag spreken wij over het door de staatssecretaris zo bejubelde adolescentenstrafrecht. Daar is het dan, het wondermiddel van de staatssecretaris, waarmee hij denkt risicojongeren aan te pakken. Zijn VVD-collega Azmani gaf onlangs zelf aan dat het dé oplossing was voor het Marokkanenprobleem. In een tijd waarin de carrières van jeugdige criminelen steeds vroeger beginnen – 12-jarigen die geweld plegen zijn geen uitzondering meer – en de door hen gepleegde misdrijven steeds ernstiger worden, komt de staatssecretaris met adolescentenstrafrecht voor tere zieltjes. De staatssecretaris zoekt slachtoffers die naar zijn mening bescherming behoeven wel in een hele vreemde hoek.

Het belangrijkste verschil tussen dit wetsvoorstel en het huidige systeem, is dat de leeftijdsgrens voor het berechten volgens het jeugdstrafrecht twee jaar wordt opgerekt, van 21 naar 23 jaar. Dat betekent dat een volwassene van 22 jaar dus nog op grond van het jeugdstrafrecht kan worden berecht. De regering geeft zelf al aan dat criminele adolescenten stevig vertegenwoordigd zijn in de criminaliteitscijfers, maar vindt dat bij de strafoplegging meer rekening moet kunnen worden gehouden met de ontwikkelingsfase van de adolescent omdat hij of zij niet altijd in staat is afgewogen keuzen te maken, zoals normaal functionerende volwassenen dit wel kunnen. De grondslag is dat de hersenen van jongvolwassenen pas uitontwikkeld zijn op hun 23ste.

De PVV-fractie is van mening dat deze ontwikkelingsfase dan niet alleen ten behoeve van het strafrecht, maar dan ook ten aanzien van andere rechtshandelingen zou moeten worden doorgetrokken. Het kan niet zo zijn dat een 22-jarige op grond van het nog niet volgroeid zijn van de hersenen volgens het jeugdstrafrecht moet worden berecht, nadat hij een strafbaar feit heeft begaan, maar ondanks de nog niet volgroeide hersenen wel volledig handelingsbekwaam mag worden geacht om een rijbewijs te halen of te stemmen.

Hieruit blijkt ook de tegenstrijdigheid van het wetsvoorstel. Adolescenten kunnen de reikwijdte van hun handelen niet geheel overzien omdat hun hersenen nog niet volgroeid zijn, maar hun gedrag kan wel worden verbeterd door speciale behandelingen en voorwaarden. Hoe kan het dat de misdrijven die zij begaan steeds ernstiger worden? Zijn de jongeren van nu zo heel anders dan die van een of twee generaties geleden?

Een ander punt. De staatssecretaris zegt te staan voor slachtoffers. Tegelijk maakt hij het met dit wetsvoorstel mogelijk dat de jongeren die een ernstig geweldsmisdrijf begaan vrijwel altijd berecht zullen worden volgens het adolescentenstrafrecht en dus een gevangenisstraf van maximaal twee jaar kunnen krijgen. De moordenaars van de Haagse juwelier zouden dus door het adolescentenstrafrecht volgens het jeugdstrafrecht kunnen worden berecht en maximaal twee jaar jeugddetentie kunnen krijgen voor hun gruweldaden. Naar de mening van de PVV-fractie valt dit niet uit te leggen aan de maatschappij en al helemaal niet aan de slachtoffers. Het maakt niet uit of je door een jongere in het kader van een jeugdzonde of door een volwassene bent beroofd of mishandeld. In beide gevallen is er sprake van leed en hiermee dient rekening te worden gehouden. Als verweer zal de staatssecretaris dadelijk in zijn eerste termijn wel opmerken dat de rechter jeugdigen nog altijd volgens het volwassenenstrafrecht kan berechten. Ik antwoord hierop nu al dat rechters daarvan tot op heden weinig gebruik hebben gemaakt. Dat zal zeker niet veranderen nu de mogelijkheden om het jeugdstrafrecht toe te passen fors worden uitgebreid.

Laat ik ter onderbouwing van mijn standpunt enkele voorbeelden noemen waarbij je op zijn minst vraagtekens kunt zetten bij het feit dat deze zaken via het jeugdstrafrecht zijn afgedaan. De daders van de gruwelijke moord op de 17-jarige Sehriban waren 15 en 16 jaar. Maar ondanks dit zeer ernstige feit werden zij niet volgens het volwassenenrecht berecht. Op Koninginnedag 2008 sloeg de 17-jarige Michiel de K. de postbode Peter Herwegh met een hamer dood omdat deze man het had gewaagd om een groepje jongeren aan te spreken op hun gedrag. In november 2008 veroordeelde de rechtbank van Middelburg deze De K. tot twee jaar jeugddetentie, de maximale straf volgens het jeugdstrafrecht. De pleger van de beruchte Facebook-moord in 2012 werd veroordeeld tot een jaar jeugddetentie en drie jaar jeugd-tbs, waarvan één jaar voorwaardelijk. De opdrachtgevers, Wesley en Polly, zijn beiden veroordeeld tot de maximale straf van twee jaar jeugddetentie en jeugd-tbs. Ondanks het feit dat het OM hen wegens de ernst van de zaak volgens het volwassenenstrafrecht berecht wilde zien, heeft de rechter dit afgewezen.

Minderjarigen worden vrijwel nooit volgens het volwassenenrecht berecht, ook niet als het om zeer ernstige feiten gaat. Rechters straffen vrijwel altijd op basis van het jeugdstrafrecht en maken geen gebruik van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht. De jeugdige dader en zijn nog niet volgroeide hersentjes worden duidelijk belangrijker gevonden dan de ernst van een strafbaar feit en de belangen van de slachtoffers. De strafrechtelijke leeftijdgrens wordt aan de bovenkant opgerekt, maar niet aan de onderkant, terwijl de leeftijd waarop sommige jongeren aan een criminele loopbaan beginnen, laag is. De PVV is van mening dat 10- en 11-jarigen juist ook in de sfeer van het jeugdstrafrecht betrokken zouden moeten worden. In de nota naar aanleiding van het verslag geeft de staatssecretaris aan dat criminele jongeren vanaf 10 jaar niet bij het wetsvoorstel zijn betrokken, omdat zij zich in een andere fase van hun ontwikkeling bevinding. Wat de PVV betreft worden volwassen daden ook volwassen berecht. Het is aan de rechter om de strafmaat te bepalen, maar volgens de PVV moet er geen bovengrens zijn van maximaal twee jaar detentie.

Ik maak een vergelijking met het buitenland. In België en het Verenigd Koninkrijk worden volwassenen vanaf 18 jaar ook gewoon volgens het volwassenenstrafrecht berecht in plaats van volgens een opgerekt adolescentenstrafrecht. In Duitsland kan maar liefst tien jaar jeugddetentie opgelegd worden. Er kan in Nederland, waar maximaal twee jaar kan worden opgelegd, dus nog een flink tandje bij.

Ik kom nu op de inrichting voor stelselmatige daders (isd) en de isd-maatregelen voor jeugdigen. De PVV is voorstander van de isd-maatregelen, ook voor jeugdigen van 12 tot en met 15 jaar. De minister en de staatssecretaris gaven eerder steeds aan, de isd-maatregelen via het adolescentenstrafrecht te regelen. In een brief van 25 juni 2011 schreef de staatssecretaris dat hij de isd-maatregel vooral geschikt achtte bij zeer actieve veelplegers, de zogenaamde ZAVP's, omdat deze maatregel ervoor zorgt dat deze risicojongeren zich twee jaar lang niet schuldig kunnen maken aan grensoverschrijdend gedrag. Deze bewoordingen van de staatssecretaris blijken niets meer dan een lege huls te zijn. De isd-maatregel is nu namelijk mogelijk voor daders vanaf 16 jaar, indien zij via het volwassenenstrafrecht worden berecht. Dat rechters daar nauwelijks tot geen gebruik van maken laat onverlet dat dit wel mogelijk is. Daar verandert dit wetsvoorstel dus helemaal niets aan. In het adolescentenstrafrecht wordt slechts mogelijk gemaakt dat zowel maatregelen uit het jeugdstrafrecht als maatregelen uit het volwassenenstrafrecht kunnen worden ingezet voor de groep adolescenten in de leeftijd van 15 tot 23 jaar. Daar komt nog bij dat het adolescentenstrafrecht wordt vormgegeven binnen de grenzen van het internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind en de daarbij gemaakte voorbehouden, waardoor enkele maatregelen slechts betrekking hebben op de groep 16- tot 23-jarigen. De isd-maatregel wordt dus niet mogelijk vanaf 15 jaar, maar alleen vanaf 16 jaar. Zoals ik al eerder opmerkte, verandert er in de praktijk helemaal niets op dit punt.

Als de staatssecretaris het echt mogelijk wil maken dat de isd-maatregel kan worden opgelegd aan 15- of 16-jarigen, had hij er in dit wetsvoorstel wel voor gezorgd dat deze maatregel mogelijk wordt voor jeugdigen vanaf 12 jaar. De reden hiervoor is namelijk dat een dader die een isd-maatregel opgelegd krijgt, al enige tijd een criminele carrière moet hebben. Als de dader een veelpleger is, ofwel al enige tijd aan de criminele weg timmert, kan een relatief gering strafbaar feit de bekende druppel zijn. De rechter kan er dan voor kiezen dat de dader maximaal twee jaar letterlijk van de straat wordt gehaald. De maatschappij is dan veilig en de dader kan twee jaar aan zichzelf en aan een verbetering van zijn leven werken. Gezien het feit dat in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht, zijnde het artikel met betrekking tot de isd-maatregel, staat dat isd in de regel pas wordt opgelegd als degene in vijf jaar tijd al drie keer onherroepelijk is veroordeeld, betekent dit dat een 10-jarige op 15-jarige leeftijd een veelpleger kan zijn, en niet veel eerder.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Dit is de bekende riedel van de PVV-fractie; het adagium van hard, harder, hardst. Ik hoor de heer Bontes zeggen dat de dader dan in ieder geval twee jaar van de straat is. Hij heeft het dan over relatief jonge kinderen. Maar wat gebeurt er dan daarna?

De heer Bontes (PVV):

Ik zei al dat in die twee jaar aan de jeugdige gewerkt kan worden. De kern, en daar gaat het om, is vergelding. Het gaat om de slachtoffers. En jeugdigen kunnen volwassen misdrijven plegen. Ik heb daar voorbeelden van genoemd. Daarvoor moet vergelding gelden. In die twee jaar kan de dader aan zichzelf werken, maar het gaat in principe om de vergelding.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Dat is dan toch een wezenlijk verschil van opvatting. Hoe denkt de heer Bontes dat het twee jaar aan zichzelf werken door de dader moet worden gedaan?

De heer Bontes (PVV):

Dat gebeurt onder begeleiding. Er zal daartoe een normkader aangedragen moeten worden. Het grensoverschrijdend gedrag zal verminderd moeten worden. Daarvoor zijn er deskundigen en die moeten daarmee volop aan de bak. Het gaat om die twee jaar vergelding.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Gelooft de heer Bontes dan in deskundigheid en in wetenschappers die onderzocht hebben dat jongeren op die leeftijd nog niet zover ontwikkeld zijn dat ze al heel goed inzicht hebben in hun eigen daden? Zou het dan toch niet veel belangrijker zijn om bijvoorbeeld zo'n jongere ter beschikking te stellen van het onderwijs, zoals nu in het voorstel staat, zodat het criminele pad waarop zo'n jongere is terechtgekomen, wordt beëindigd?

De heer Bontes (PVV):

Nee, geen denken aan. Ik vind dat een zeer, zeer softe aanpak. Het is een typische D66-aanpak om ze ter beschikking te stellen van het onderwijs. Ik kan me daarin totaal niet vinden en ik kan het ook niet begrijpen. Het doet ook totaal geen recht aan de slachtoffers. Daar gaat mevrouw Berndsen volledig aan voorbij. Het interesseert haar niets, helemaal niets.

De voorzitter:

Dat riekt naar een persoonlijk feit.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Nou, een persoonlijk feit? Dat is iets heel groots. Nee, het is natuurlijk volstrekt flauwekul wat de heer Bontes zegt. Het gaat om de balans. Enerzijds gaat het om het slachtoffer, anderzijds gaat het om de rechtsstaat en de positie van een dader. We hebben het hier over zeer jeugdige daders en dan is het echt van groot belang dat we een criminele carrière in de kiem smoren. Daar is het de D66-fractie om te doen. En natuurlijk speelt vergelding voor het slachtoffer altijd een rol.

De heer Bontes (PVV):

Ja, maar met een aanpak van het ter beschikking stellen van het onderwijs ga je dat gedrag niet wijzigen. Sterker nog, daar zit geen enkele afschrikkende werking in. Het zal alleen maar aantrekkelijker worden om de fout in te gaan. Deze softe weg bewandelen we al jaren en die heeft tot niets geleid. Sterker nog, de jeugdige criminelen nemen in aantal nog steeds toe en de misdrijven worden ook steeds zwaarder. Ik heb de voorbeelden daarvan ook benoemd in mijn inbreng.

De voorzitter:

Gaat u verder of bent u gereed, mijnheer Bontes?

De heer Bontes (PVV):

Ik ben bijna klaar.

De voorzitter:

Gaat u dan vooral verder.

De heer Bontes (PVV):

Ja, want ik ben nog niet gereed.

Gezien het feit dat in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht, zijnde het artikel met betrekking tot de isd-maatregel, staat dat isd in de regel pas wordt opgelegd als degene in vijf jaar tijd al drie keer onherroepelijk is veroordeeld, betekent dit dat een 10-jarige op 15-jarige leeftijd een veelpleger kan zijn, en niet veel eerder. De staatssecretaris had daarmee in dit wetsvoorstel rekening moeten houden; daar had hij wat aan kunnen doen en dat is dus een gemiste kans. Hij stelt alleen de grens naar boven bij en niet naar beneden. Dat is ook om een andere reden jammer, want de maximale duur van jeugddetentie blijft slechts twee jaar. Met in het achterhoofd de enkelbandjes die de staatssecretaris voor kort gestraften wil invoeren, hoef je geen waarzegger te zijn om te voorspellen dat de jeugddetentie tot het verleden gaat behoren.

In het wetsvoorstel is wel de terbeschikkingstelling aan het onderwijs opgenomen. Mevrouw Berndsen kwam daar al heel enthousiast op terug. Dit gebeurt dan in overleg met een reclasseringsmedewerker en de jeugdige in kwestie en de betreffende onderwijsinstelling. De crimineel kan dus ook nog eens zelf aangeven of hij onderwijs wenst te volgen. Wat een straf. Wat een sanctie. Dat is nog eens bruggen slaan tussen misdadigers en het slachtoffer. Er zijn in ieder geval twee winnaars als dit adolescentenstrafrecht wordt ingevoerd. Crimineel Nederland tussen 18 en 23 jaar is een winnaar, want dat wordt op grond van het jeugdstrafrecht berecht. Reclassering Nederland is ook een winnaar. In een brief van 28 januari 2013 heeft Reclassering Nederland laten weten dat het voorstel van het kabinet om verdachten in het adolescentenstrafrecht te veroordelen tot een terbeschikkingstelling aan het onderwijs niet ver genoeg gaat. De reclassering wil dat rechters ook een verplichte deelname aan dagbesteding kunnen opleggen. Drie keer raden wie die dagbesteding gaat leveren.

De PVV komt tot één conclusie, namelijk dat dit wetsvoorstel geen antwoord is op de huidige tijdsgeest waarin criminelen steeds jonger blijken te zijn, maar de daden die zij begaan steeds ernstiger worden. Het wetsvoorstel is geen antwoord ter geruststelling van slachtoffers van jeugdige criminelen in het bijzonder en de maatschappij in het geheel. Er gaat op geen enkele manier een afschrikkende werking van het wetsvoorstel uit. Gezien het voorgaande is dat echter wel degelijk nodig. Als de staatssecretaris meent dat deze criminelen de reikwijdte van hun handelen niet kunnen overzien en dat zij hiervoor behandeling nodig hebben, dan kan dat maar op één manier: achter gesloten deuren. De PVV zal dan ook tegen het wetsvoorstel stemmen.

Mevrouw Kooiman (SP):

Voorzitter. Vandaag behandelen we een wetsvoorstel waar aanvankelijk heel veel kritiek op is geweest. Het vorige kabinet van VVD, CDA en PVV wilde namelijk met dit wetsvoorstel regelen dat jongeren nog langer opgesloten konden worden. Zij wilden die termijn verlengen van maximaal twee jaar naar maximaal vier jaar. De SP heeft zich daar fel tegen verzet. Langer opsluiten van kinderen of jongeren maakt de samenleving namelijk niet veiliger, juist integendeel. Dat verzet heeft geholpen. De eer is niet alleen voor de SP, want het is natuurlijk ook gelukt met een beetje hulp van de Partij van de Arbeid in het regeerakkoord. Juist dat slechte punt is namelijk uit het wetsvoorstel gehaald.

Nu dat slechte punt uit het wetsvoorstel is, vroeg ik mij af wat er nog overblijft; wat verandert er concreet? Mijn conclusie was dat er niet zo veel verandert. Voor jeugdigen van 16 tot en met 18 jaar kan nu bij uitzondering al het volwassenenstrafrecht toegepast worden. Voor jongvolwassenen tot 21 jaar kan het jeugdstrafrecht toegepast worden. Er verandert dus niet zo heel veel. Wat wel verandert, is dat de leeftijd van 21 naar 23 jaar wordt opgetrokken. Dat is in principe de grootste aanpassing die in dit wetsvoorstel wordt voorgesteld. Kun je dan volgens de staatssecretaris wel spreken van de invoering van een heel nieuw adolescentenstrafrecht?

Laten we wel wezen – begrijp me niet verkeerd – dat de SP er blij mee is dat de leeftijdsgrens verschoven zal worden naar 23 jaar. De geestelijke ontwikkeling van jeugdigen stopt namelijk niet bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Belangrijke ontwikkelingen van bijvoorbeeld de hersenen vinden juist daarna plaats, zoals het vermogen om impulsen af te remmen. Er moet in dergelijke situaties beter gekeken worden naar heropvoeding, inzet op gedragsverandering en het aanleren van vaardigheden. Dit is in het belang van het voorkomen van recidive door jeugdige daders. Het voorkomen van recidive is immers ook het voorkomen van slachtoffers.

Wat ik alleen niet begrijp, is wie nu bepaalt dat een meerderjarige volgens het jeugdstrafrecht wordt berecht. De staatssecretaris geeft in zijn antwoorden aan dat de officier van justitie dit kan doen mede op basis van een gedragskundige advisering. Ik heb echter begrepen dat niet iedereen een gedragsdeskundig onderzoek krijgt. Waarom niet? Wie bepaalt dat de jongere in aanmerking komt voor zo'n gedragswetenschappelijk onderzoek? Hoe kan de officier van justitie "ruiken" dat het bij zo'n jongere nodig is? Ik vraag dit mede op basis van mijn eigen ervaringen in de jeugdzorg. Ik begeleidde weleens jongeren die ontzettend mooi konden praten, die verbaal echt uitmuntend waren, maar na onderzoek bleek dat zij performaal, dus verstandelijk, functioneerden op het niveau van een 14-jarige. Juist in dat soort gevallen kan ik mij goed voorstellen dat je niet ziet of het misschien niet ziet aankomen dat zo'n jongere in aanmerking zou kunnen komen voor het adolescentenstrafrecht, maar dat het wel wenselijk is. Hoe ondervangt de staatssecretaris dit soort situaties? Waarom is er niet altijd een gedragsdeskundige screening bij jongeren tot 23 jaar? Waarom worden deze zaken niet behandeld door mensen die expertise op het gebied van jeugd hebben, dus door een jeugdofficier van justitie? Ook is er niet voor gekozen de kinderrechter standaard een rol te geven in de berechting van jongvolwassenen, zelfs niet wanneer toepassing van het jeugdstrafrecht wordt overwogen. Waarom kiest de staatssecretaris er niet voor om deze zaken wel te laten behandelen door een kinderrechter, zoals de SP eerder heeft bepleit?

Als een jongere volgens het jeugdstrafrecht wordt veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, komt hij in een jeugdinrichting. Vanwege deze wet zullen dus meer jongeren van boven de 18 jaar in een jeugdinrichting verblijven. In theorie kunnen jongeren van 12 tot en met 30 jaar bij elkaar worden geplaatst. De verschillen met de jongsten worden zo wel erg groot. De staatssecretaris zegt in de antwoorden op onze vragen dat hij ernaar streeft om de jongsten van 12 tot 14 jaar en 18-plussers niet samen te plaatsen. De staatssecretaris zegt "ik streef ernaar", maar ik wil graag dat hij dat gewoon regelt. Graag krijg ik hierop een reactie. Het zou mooi zijn als hij daarvoor kan zorgen.

Artikel 77b regelt onder andere dat het volwassenenstrafrecht van toepassing kan zijn op minderjarigen. De staatssecretaris geeft in dit wetsvoorstel aan dat hij deze toepassing niet intensiever wil gebruiken. Gelukkig, want daar is de SP ook geen voorstander van. Artikel 77c regelt het toepassen van het jeugdstrafrecht op jongvolwassenen. Hier zegt de staatssecretaris dat hij wil komen tot een meer structurele afweging of artikel 77c toegepast kan worden. De staatssecretaris schat dat dit soort zaken met 500 per jaar zal stijgen. Nogmaals, hoe gaat de staatssecretaris dit doen? Niet iedere jongvolwassene wordt immers gescreend en onderzocht.

Om die reden plaats ik ook vraagtekens bij het voorstel om de taakstraf te beperken in het jeugdstrafrecht. Ik ben nog niet helemaal tevreden over het antwoord op mijn vraag hierover. Wat is nu eigenlijk het probleem? Worden op dit moment taakstraffen opgelegd voor strafbare feiten terwijl dit niet de bedoeling is? Dit antwoord kan de regering mij niet geven. Er zijn immers geen voorbeelden van. De taakstraf wordt in de praktijk vaak al gecombineerd met andere straffen en/of maatregelen. Welk probleem lost de staatssecretaris hiermee op? Wat is de noodzaak?

Ik kom op het omzetten van de pij-maatregelen in tbs. Dat is in de ogen van de SP-fractie een verstrekkend voorstel. Daar heb ik mij uiteindelijk toch in kunnen vinden naar aanleiding van de vele werkbezoeken die ik in het veld heb afgelegd. De vele deskundigen die ik heb gesproken, zeggen: ik maak mij weleens zorgen, want ik laat nog weleens mensen vrij en dan houdt de behandeling hier op; dan houd ik mijn hart vast wat er gaat gebeuren. Ondanks het feit dat het een verstrekkend voorstel is, en met de mitsen en maren die de staatssecretaris in dit wetsvoorstel regelt, zoals een toets door de rechter en een goed gedegen onderzoek, zal mijn fractie dit voorstel dus ook steunen.

Ik heb nog wel een heel grote zorg, namelijk de transitie jeugdzorg. Jeugdzorg en de jeugdreclassering zullen overgedragen worden aan de gemeenten, maar de jeugdreclassering krijgt er volgens deze wet wel allemaal nieuwe zaken bij. Op de transitie jeugdzorg wordt nu al bijna een half miljard bezuinigd en de volwassenenreclassering, die ook wordt belast met het adolescentenstrafrecht, wordt ook gekort met 20%. Hoe rijmt de staatssecretaris dit? Welke consequenties heeft dit voor de begeleiding van deze jongeren?

De jeugdzorg stopt nog steeds met het 18de levensjaar, terwijl de jeugdreclassering, met jeugdzorg als voorwaarde, opgelegd kan worden bij een 18-plusser. Is het dan niet wijsheid om ook de jeugdzorg door te laten lopen tot het 23ste levensjaar?

Zoals de staatssecretaris weet, ben ik een heel groot voorstander van systeeminterventies, zoals MST, MTSC en FFT; allemaal systeemtherapieën waarbij een gezin en vaak een omvangrijk sociaal netwerk worden betrokken. Deze therapieën zijn bewezen effectief, maar worden nog heel beperkt opgelegd. Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat hier meer gebruik van wordt gemaakt?

Die vraag geldt eigenlijk ook voor de mogelijkheid voor herstelbemiddeling, de zogenoemde slachtoffer-dadergesprekken. Ik denk dat bij uitstek voor deze groep van belang is dat daders geconfronteerd worden met hun gedrag, met het leed van de slachtoffers en met de plicht om dat leed zo goed mogelijk te herstellen. Kan de staatssecretaris toezeggen dat dit standaard wordt in de procedure, omdat hier goed naar gekeken moet worden? Kan het Openbaar Ministerie hierin een rol spelen?

Tot slot wil ik graag kort mijn amendement toelichten. Ik ben er geen voorstander van om in iedere wet standaard een evaluatiebepaling op te nemen. Wat ik in mijn amendement vraag, is dus voor mij vrij uitzonderlijk. Toch zou ik deze wet graag willen evalueren, omdat ik wil zien wat de concrete effecten zijn van deze wet. Is het inderdaad zo dat het jeugdstrafrecht vaker wordt toegepast op jongvolwassenen en dat de doelstelling van de wet, om meer rekening te houden met de onvolwassenheid, wordt bereikt? Ik heb gekozen voor een termijn van drie jaar, maar ik vraag de staatssecretaris om hierop te reageren, en ik zie hem al een beetje knikken. Dat was mijn inbreng.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Voorzitter. In de wetenschap wordt al vele jaren gepleit voor een adolescentenstrafrecht en eindelijk is het zo ver. Het CDA heeft hier tijdens de vorige coalitieonderhandelingen met succes voor geknokt en het vorige kabinet is er voortvarend mee aan de slag gegaan. Op 6 oktober 2011 hebben wij in een uitvoerig AO al van gedachten kunnen wisselen over de hoofdlijnen van dit adolescentenstrafrecht. We zien heel veel terug van wat door de Kamer bij dat AO is ingebracht, en dat is heel goed. We zijn er ook heel gelukkig mee dat deze coalitie geen afstand heeft gedaan van dat voorstel, maar zich eraan heeft verbonden. Natuurlijk is het voorstel op een enkel punt aangepast, want zo gaat dat, en daar kom ik nog wel op terug, maar het was voor het CDA en voor mij persoonlijk echt serieus een cadeau, toen op 5 december 2012 het wetsvoorstel officieel werd ingediend. Ieder Kamerlid heeft wel zijn persoonlijke missie. De verbetering van het strafrecht rondom jongvolwassenen was mijn belangrijkste drijfveer om de overstap te maken van een justitiële jeugdinrichting naar de politiek.

In de wetenschap is men tot het inzicht gekomen dat de rijping van het menselijk brein pas rond het 23ste levensjaar een voltooiing bereikt. Ook de impulscontrole is pas rond die leeftijd op orde. We weten inmiddels dat grensoverschrijdend gedrag bij jongeren daarom relatief veel voorkomt. Straffen hoort erbij, maar alleen straffen heeft weinig effect. Juist daarnaast zijn die pedagogische interventies van groot belang.

Door het invoeren van een speciaal adolescentenstrafrecht komt er behalve voor die strafrechtelijke, punitieve kant eindelijk wat meer aandacht voor het pedagogische aspect. Zoals in de memorie van toelichting staat: "Het wetsvoorstel ondersteunt daarom een strafrechtelijke afdoening waarin, naast met de ernst van het criminele gedrag, nadrukkelijker rekening wordt gehouden met de ontwikkelingsfase." Dit wetsvoorstel gaat daarbij uit van een maximale flexibiliteit rond de leeftijdsgrens van 18 jaar, waarbij het volledige sanctiepakket uit het jeugdstrafrecht en het volwassenenstrafrecht ter beschikking wordt gesteld voor de bestraffing van criminele adolescenten. De biologische leeftijd wordt minder bepalend. De ontwikkelingsfase waarin een jeugdige zich bevindt, wint aan gewicht. Dat is winst. De praktijk vraagt hierom en her en der wordt hier ook al mee geëxperimenteerd; daar kom ik nog op terug. Het hokjesdenken van "18-min" en "18-plus" kan soms de inzet van de beste aanpak in de weg staan.

In dit verband hechten wij eraan om op te merken dat het goed is dat er niet is gekozen voor een heel apart adolescentenstrafrecht naast het jeugdstrafrecht en naast het volwassenenstrafrecht. Dat zou in lijn zijn geweest met wat de commissies-Wiarda en -Anneveldt hebben bedacht, maar er is juist bekeken hoe bij jongvolwassenen die daarvoor in aanmerking komen – dit geldt dus niet voor alle jongvolwassenen – het complete arsenaal kan worden ingezet. Zoals gezegd: wij geloven in die flexibilisering en niet in die hokjes.

We hebben in de schriftelijke ronde al onze lof uitgesproken, maar ook vanavond hechten wij eraan om een dankwoord uit te spreken jegens iedereen die zich gevraagd en ongevraagd heeft uitgesproken over het voorliggende onderwerp. Wetenschappers, gedragsdeskundigen en andere professionals uit de strafrechtpraktijk hebben er gedurende vele jaren op aangedrongen dat ook in het strafrecht meer rekening wordt gehouden met de ontwikkelingsfase van jongvolwassenen. Hun vasthoudendheid heeft succes gehad: er is echt iets in beweging gekomen. We hebben de arrondissementsrechtbank Almelo al eerder in het zonnetje gezet, maar dat mag vandaag worden herhaald. Men heeft daar zelf de sprong voorwaarts gemaakt en is uit eigener beweging gaan experimenteren met de bijzondere afhandeling van strafzaken van jongvolwassenen. Daarmee is de wens vanuit de wetenschap om te komen tot een adolescentenstrafrecht, meer gaan leven in de rechtspraktijk. Ook de rechtbank Utrecht heeft belangrijke stappen vooruit gezet, zoals ons onlangs bleek tijdens een werkbezoek over de aanpak van jeugdgroepen. De rechtbank organiseert speciale zittingen voor kopstukken uit jeugdgroepen. Daarbij is het woord "kopstuk" geen geuzennaam. Het gaat om 18-minners en 18-plussers, die samen worden behandeld door een aparte club magistraten: rechters en officieren van justitie met een speciale affiniteit met deze doelgroep. Daar geven wij veel complimenten voor. Deze en andere initiatieven zijn zeer waardevol, want daardoor is het draagvlak voor het wetsvoorstel beslist vergroot. Er is ook lering getrokken uit de praktijk.

Met het voorliggende wetsvoorstel zijn we er echter natuurlijk nog niet. Laten we dit kritiekpunt maar meteen adresseren. Wij, de leden van de CDA-fractie, voelen ons een beetje rupsje-nooit-genoeg, maar we zijn helaas volwassen geworden en we realiseren ons dat de middelen beperkt zijn en dat we nu, in dit tijdsgewricht, niet alle wensen van de wetenschap in de praktijk kunnen laten uitkomen. Dan zou het budget voor de interventies bij jeugdigen minimaal verviervoudigd moeten worden. We zouden dan in alle regio's speciale teams moeten klaarzetten om iedere jongvolwassene die met justitie in aanraking komt, meteen vanuit alle disciplines te onderzoeken en om adviezen mee te geven voor de behandeling van de strafzaak. Ook zouden we overal, in alle regio's, fatsoenlijke instellingen moeten hebben met speciale afdelingen voor jongvolwassenen. Daarvoor hebben wij echter geen geld. Er ligt zelfs een afbraakplan voor het gevangeniswezen dat we eerst nog van tafel moeten krijgen. We moeten dus doen wat wij kunnen. De praktijk meer ruimte bieden, is al een heel belangrijke stap vooruit. Het begin is gemaakt. De speciale aanpak van jongvolwassenen is hiermee gecreëerd. Hierop kunnen wij verder bouwen. Misschien kunnen wij daarmee ooit nog iets doen in wetgeving, als daarvoor ruimte is. In elk geval kunnen wij hiermee aan de rechtspraktijk ruimte geven om verder te experimenteren.

Vanzelfsprekend hebben wij nog wel wat vragen, opmerkingen en noten op onze zang, allereerst over de reikwijdte. Wij begrijpen uit de nota naar aanleiding van het verslag dat het voorstel betrekking heeft op de jongvolwassenen van 15 jaar tot 25 jaar, met dien verstande dat een 15-jarige niet kan worden berecht volgens het volwassenenstrafrecht. Voor het overige geldt dat het gehele sanctiepakket uit jeugdstrafrecht beschikbaar wordt gesteld aan de groep adolescenten van 15 jaar tot 23 jaar. Het is soms wat verwarrend dat de ondergrens niet overal op 15 jaar is gesteld, maar wij begrijpen dat dit puur te maken heeft met het voorbehoud op artikel 37 van het IVRK.

De tenuitvoerlegging volgt het gekozen regime. De vrijheidsbenemende sancties worden, als op de jongvolwassene het jeugdrecht wordt toegepast, ten uitvoer gelegd in een jeugdinrichting. Dat is heel goed. Het is echter wel belangrijk dat die adolescenten speciale aandacht krijgen. Mevrouw Kooiman maakte daarover ook een opmerking. Wij vragen daarom, omdat de aanpak van 12- tot 14-jarigen nu eenmaal anders is dan de aanpak van een 18-plusser. Het vraagt ook om iets extra's van het onderwijs en van iedereen die zich bezighoudt met arbeidstoeleiding. De staatssecretaris schrijft daarover wel iets in de memorie van toelichting, maar die zag het daglicht voor het disasterplan DJI werd gepresenteerd.

In dit verband vragen wij ook aandacht voor de praktijkbehoefte aan een speciale isd-aanpak voor jongvolwassenen. Bij het eerder genoemde werkbezoek in Utrecht werd een indringend beroep op ons gedaan om hiervoor aandacht te vragen. De isd is voor de onderhavige doelgroep bijzonder, zo die al mogelijk is. De isd zou immers gericht moeten zijn op scholing en arbeidstoeleiding, veel meer dan op jarenlange verslavingsproblemen. Juist die duur van twee jaar biedt kansen voor de doelgroep. Hoe staat het met de daadwerkelijke vormgeving daarvan?

Een aanscherping van het jeugdstrafrecht wordt gerealiseerd met de beperking van de mogelijkheden tot het opleggen van de taakstraf. Met steun van de CDA-fractie heeft de staatssecretaris deze beperking al doorgevoerd voor het volwassenenstrafrecht. Straks kunnen ook jeugdigen die ernstige delicten gepleegd hebben of ernstige zeden- of geweldsmisdrijven niet wegkomen met een kale taakstraf. Tijdens de behandeling van de beperking van de taakstraf voor volwassenen heeft de CDA-fractie ervoor gezorgd dat er ruimte blijft voor de taakstraf in combinatie met een vrijheidsstraf. Het is goed dat die combinatiemogelijkheid ook terugkomt in het adolescentenstrafrecht en daar zelfs nog wordt uitgebreid.

De staatssecretaris schrijft dat het wetsvoorstel in de praktijk vooral gevolgen zal hebben voor de berechting van ernstige misdrijven, voor jongeren die als veelpleger te boek staan en voor jongeren die bijzonder kwetsbaar zijn. Het was ons vooral om deze jongeren te doen. Ik zie ook kansen als ik kijk naar de actualiteit. Nu de politie in Culemborg een jeugdgroep heeft opgerold met meerderjarige en minderjarige jongeren, waarin die rolverdeling duidelijk wisselend is; kopgroep en meelopers. Wij begrijpen van de officier van justitie dat juist die extra mogelijkheden van het adolescentenstrafrecht maakt dat zij wat flexibeler met die groep kunnen omgaan en er een betere analyse van kunnen maken en een directere aanpak in één keer integraal. Dat is winst. Voor het onderzoek daar ter rechtzitting zal komen, zal door de officier van justitie moeten worden bezien of het opleggen van een straf of maatregel uit het jeugdstrafrecht gunstige effecten zal kunnen hebben. Daarvoor is natuurlijk wel expertise nodig. Dat is ook al aan de orde geweest, maar wij benadrukken dat absoluut. Expertise is nodig bij zowel de RC's als bij de officieren van justitie. Het zwaartepunt van de keuze ligt immers bij de officier van justitie. Daarin zal dan ook extra moeten worden geïnvesteerd.

Het is waardevol dat de staatssecretaris zelf ook aangeeft dat het om meer gaat dan alleen iets mogelijk maken maar dat hij het gebruik van voorliggende mogelijkheden ook actief wil bevorderen. Hij stelt dat in reactie op de Raad van State. Het is goed dat de staatssecretaris het belang ervan inziet en hiervoor extra middelen beschikbaar stelt. Dat lezen wij althans in de nota naar aanleiding van het verslag. Blijft daarvan echter nog iets over nu die draconische bezuinigingen op het Openbaar Ministerie zijn aangekondigd? Wij horen daarover graag meer van de staatssecretaris. Artikel 495, lid 4, regelt dat een kinderrechter zich ook kan uitlaten over strafbare feiten die door betrokkene als meerderjarige zijn begaan. Dat geldt in gevallen waarbij de berechting gelijktijdig plaatsvindt met de berechting van strafbare feiten die de jongvolwassene heeft gepleegd voor zijn 18de verjaardag. De CDA-fractie was aanvankelijk van mening dat er altijd een kinderrechter moet worden betrokken bij de afhandeling van een strafzaak tegen een jongvolwassene indien de officier van justitie het raadzaam acht om het jeugdstrafrecht toe te passen. Wij hebben hierover heel veel gesprekken gevoerd, en zijn ervan overtuigd geraakt dat het dwingend opleggen toch niet zo verstandig is. De praktijk selecteert zich ook wel uit. Er worden al deskundige teams gevormd, maar als wij dwingend opleggen dat het altijd door een kinderrechter moet worden gedaan, zullen er eilandjes blijven die ook nu al in de gerechten bestaan. Het is niet goed dat mensen zich uitsluitend met jeugd of met volwassenen bezighouden. Het lijkt onverstandig, en die roep is er dan ook inmiddels vanuit de rechtspraak niet meer. Ook de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak heeft zich hierover uitgelaten. Zij constateert dat rechters die zich doorgaans alleen bezighouden met het commune strafrecht, nu vaker met het jeugdstrafrecht te maken zullen krijgen, en vindt dat een goede zaak, zolang maar serieus aan deskundigheidsbevordering wordt gewerkt.

Is het nu wel mogelijk, zoals in Utrecht gebeurt en straks misschien in Culemborg, in Gelderland dus, dat de kinderrechters zich buigen over zaken van louter 18-plussers, of wanneer het een enkel feit is waarvan die 18-plusser wordt verdacht? Zo richt Utrecht zijn "koploperaanpak" in en die werpt wel zijn vruchten af. Je zou er dus wel alleen een kinderrechter op kunnen zetten.

In het wetsvoorstel wordt de omzetting van de pij-maatregel in de tbs-maatregel mogelijk gemaakt. De CDA-fractie heeft hier herhaaldelijk en indringend voor gepleit. Wij juichen het toe dat dit eindelijk mogelijk wordt gemaakt. Het komt voort uit pure praktijkervaring. Als directeur van een jji heb ik gelukkig maar een enkele keer, maar toch, gevaarlijke jongeren moeten laten gaan omdat hun tijd erop zat. Dat was voor mij onverteerbaar, en daarom heb ik bij de eerste gelegenheid die zich voordeed gepleit voor een omzetting. Aanvankelijk was niet iedereen hier gelukkig mee, en dat snap ik ook wel. Een kind voor heel lange tijd opsluiten stuitte op bezwaren. Zolang het een noodmaatregel blijft die in uitzonderlijke gevallen wordt toegepast en met goede rechtswaarborgen, moet dit echter mogelijk zijn. Wij kunnen onze ogen niet sluiten voor de mogelijkheid dat iemand simpelweg te gevaarlijk blijft, om uiteindelijk niet-uitbehandeld weer op straat te komen.

Dan kom ik op een heikel punt. In het oorspronkelijke voorstel zou de maximale duur van de jeugddetentie worden verhoogd. Die verhoging was aangekondigd omdat het kabinet van oordeel was dat het huidige maximum van twee jaar jeugddetentie niet in alle gevallen een passende reactie mogelijk maakt op een ernstig misdrijf dat door een jeugdige wordt gepleegd. Weliswaar kan de rechter in zo'n geval besluiten om het volwassenenstrafrecht toe te passen, maar het toenmalige kabinet vond dat ook het jeugdstrafrechtarsenaal wat breder zou moeten worden en dat de vrijheidsbenemende straf wat omhoog zou moeten. De CDA-fractie heeft de argumenten voor en tegen heel goed op zich laten inwerken. Inmiddels zijn wij van oordeel dat de verhoging van de straf naar vier jaar nuttig en heel noodzakelijk zou zijn. Wij twijfelden zo, maar staatssecretaris Teeven heeft ons in de voorgaande periode echt overtuigd. Maar goed, ik ga niet flauw doen. Ik ben blij dat hij dit oppakt en ik ga gewoon helpen. Langs deze weg ga ik vandaag nog eens indringend met de Partij van de Arbeid en de SP in gesprek, om toch naar die verhoging te kijken. Waarom zeg ik dit? Welnu, wij hebben met heel veel rechters gesproken. Zij zeggen: als wij zomaar hoge straffen zouden willen opleggen, zouden wij dat toch wel doen. Dat kunnen wij, dus wat houdt ons tegen? Soms hebben zij echter een jongere tegenover zich, die een ernstig delict heeft gepleegd. Zij zien dan in het gedrag en in de persoonlijkheid van die jongere dat zij er eigenlijk wat meer het jeugdstrafrecht bij zouden willen betrekken. Zij voelen zich dan beperkt, omdat de strafmaat maximaal twee jaar is en dan doen zij het niet. Dan trekken zij gewoon naar het volwassenenstrafrecht, en dat is het dan maar. Het is een beetje hetzelfde als wat een aantal jaren geleden is gebeurd, toen de strafmaat in het jeugdstrafrecht omhoog werd gebracht. Toen gingen veel meer rechters het jeugdstrafrecht gebruiken voor volwassenen, omdat zij zagen dat zij meer ruimte kregen. Ik begrijp de argumentatie wel, in de trant van: waarom moeten die straffen omhoog, want de rechters gaan het toch niet vaak doen? Ik vertrouw ze namelijk ook. Ik geloof ook niet dat rechters dat zullen doen. Zij kunnen dan toch net zo gemakkelijk het Wetboek van Strafrecht voor volwassenen erbij pakken? Het gaat erom dat rechters bij jongvolwassenen tot 23 jaar voor wie zij denken dat het misschien verstandig is om het jeugdstrafrecht toe te passen, dat kunnen doen doordat wij wat meer ruimte hebben in die strafmaat. Ik ben niet flauw gaan doen. Ik heb niet een of ander link amendement met een spannende toelichting gemaakt. Ik zou gewoon heel graag aan de leden van met name de fracties van de PvdA en de SP vragen om toch met mij die denkexercitie eens aan te gaan, omdat rechters daarover spreken. Misschien kunnen er extra voorwaarden aan worden verbonden. Ik weet dat op het ministerie wordt nagedacht over hoe dat zou kunnen. Ik vraag ze of wij kunnen kijken of wij rechters meer kunnen verleiden om die kwetsbare groep die ernstige delicten pleegt in het jeugdstrafrecht te trekken, omdat wij dan een wat hogere straf kunnen opleggen in combinatie met een behandeling. Dat is het echte maatwerk waar wij voor staan.

Ik heb nog een paar losse punten. Het eerste betreft de slachtoffers. Aan de positie van slachtoffers raakt dit voorstel niet. Juist jongeren die uit een impuls iets hebben gedaan en niet hebben nagedacht over hun daden moeten inzicht krijgen in de gevolgen van hun daden. Juist deze jongeren moeten met het slachtoffer worden geconfronteerd. Ik heb gezien wat er met die gasten gebeurt als dat aan de orde is. Daar bereiken we echt iets mee. Zou dat een prominentere plaats kunnen krijgen in de straf of de behandeling? Kijk naar bijvoorbeeld artikel 77z, lid 2, vijftiende bolletje, over bijzondere voorwaarden bij een proeftijd. Daarbij kan ook worden gedacht aan serieuze bemiddeling tussen dader en slachtoffer: geen verplicht gesprekje binnen de muren van een inrichting – dat gebeurt nu en is heel waardevol – maar een veel duidelijker onder reclasseringsbegeleiding uitgezet gesprek, een echte bemiddeling. Zou dat niet ergens in de voorwaarden gebracht kunnen worden, voordat iemand weer van alles af is?

Het CDA zou het CDA niet zijn als wij geen bijzondere aandacht zouden besteden aan de positie van ouders. Hier hebben wij in de schriftelijke ronde ook al veel aandacht aan besteed. De staatssecretaris heeft aangegeven dat ouders beslist een belangrijke rol spelen, maar dat die al vrij goed geborgd is in het wetsvoorstel. Toch zien wij als CDA die niet zo heel erg duidelijk terugkomen in het wetsvoorstel. Die echte borging, die echte formulering, zien wij nog niet zo. Aanvankelijk dachten wij dat misschien een goede rol zou kunnen worden weggelegd voor ouders bij de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Die is echter uit de regeling geschrapt, dus daar kunnen we geen haakje meer aan maken. De gedragsbeïnvloeding en de nazorg aan het einde van de detentie gaan straks plaatsvinden via die scholings- en trainingsprogramma's. Kunnen wij de positie van de ouders daarin wellicht beter verankeren, juist ook om hen een steuntje in de rug te geven zodat aan hun oordeel en hun inzet niet gemakkelijk voorbij kan worden gegaan? Ook niet door de jeugdige zelf, die denkt: ik heb nu de hijgende macht van de inrichting een beetje losgelaten, de jeugdreclassering staat op een afstand en nu kan ik ook aan de indruk en de invloed van mijn ouders voorbij gaan? Misschien kan dat straks niet als wij daar wat meer duidelijkheid over scheppen.

Als wij werkelijk in een aanpak als nu voorligt geloven – het CDA doet dat – moeten wij ook durven kijken naar het beleid rondom de verklaring omtrent het gedrag, de vog. Die wordt gevraagd en onder omstandigheden niet gegeven als iemand een risico kan vormen voor de veiligheid. Dat is terecht, laat daar geen twijfel over bestaan. Als wij echter een jongere bij de kladden hebben kunnen krijgen, met succes een interventie op hem of haar hebben kunnen loslaten en daarnaast toezicht houden en wij tot het besef komen dat die jongere een draai heeft gemaakt naar, wat zo mooi heet, een maatschappelijk aanvaardbaar bestaan, welke kans krijgt die jongere dan echt? Voor bijna alle beroepen moet iemand tegenwoordig een vog kunnen overleggen. Die jongeren hebben nog altijd de grootste moeite om die te krijgen. Er zou meer ruimte voor komen, zo hebben wij onlangs besproken. In de praktijk blijkt daar echter nog bar weinig van. Juist jongeren verdienen een nieuwe kans, vooropgesteld dat het kwartje echt is gevallen. Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat op dit punt eindelijk ook maatwerk wordt geleverd?

De heer Van der Steur (VVD):

Voorzitter. Laten wij beginnen met de vaststelling dat de aanleiding van dit wetsvoorstel kan worden gevonden in het feit dat, helaas, de doelgroep waarover wij vandaag spreken, de adolescenten, een groot aandeel vormt in de criminaliteit in Nederland. Dat betekent dat een effectieve aanpak van die doelgroep noodzakelijk is. De heer Bontes van de PVV zei al dat dit moet gebeuren door middel van vergelding. Enerzijds moeten wij inderdaad de samenleving laten zien dat aan iemand die een ernstig crimineel feit pleegt, een passende straf wordt opgelegd. Anderzijds moeten wij werken aan de daling van recidivecijfers en moeten wij ervoor zorgen dat betrokkenen niet weer in de fout gaan nadat de straf is ondergaan.

Daarom is onder het kabinet-Rutte I de aanzet voor het wetsvoorstel gegeven dat wij nu bespreken. Dat is onder andere gebeurd door de vasthoudendheid van mevrouw Van Toorenburg van het CDA; ere wie ere toekomt. Zij heeft daarvoor zojuist al een pluim op haar eigen hoed geplaatst. Het goede van dit wetsvoorstel is, dat het complete sanctiepakket dat in ons strafrecht beschikbaar is, beschikbaar komt in het jeugdstrafrecht, en andersom ook in het volwassenenstrafrecht. Dat is volgens de VVD-fractie een groot voordeel, omdat daarmee flexibiliteit en maatwerk mogelijk worden. Hierdoor kunnen criminelen op de juiste wijze worden behandeld.

Het uitgangspunt, dat ook door de staatssecretaris in dit wetsvoorstel is neergelegd, is en blijft dat volwassen misdaad volwassen wordt bestraft en kan worden bestraft. Natuurlijk ligt de vrijheid om dat te doen bij de rechter. De heer Bontes en ik kunnen daar zo af en toe onze ideeën bij hebben, maar het uitgangspunt blijft, ook voor de VVD-fractie, dat volwassen misdaad in principe volwassen wordt bestraft. Volwassen misdaad wordt volwassen bestraft, tenzij het beter is, voor de toekomst en ook met het oog op de recidive, dat er een andere maatregel wordt toegepast. Als het, gezien de leeftijd van de dader of bijvoorbeeld gezien diens hersenontwikkeling, naar het oordeel van zowel de gedragsdeskundigen als het Openbaar Ministerie en de rechter verstandiger is dat jeugdstrafrecht wordt toegepast, met de bijzondere maatregelen die daarin passend zijn op basis van maatwerk, dan heeft de VVD-fractie daar vrede mee.

Daarbij gaan wij ervan uit, zeg ik tegen de staatssecretaris, dat de recidive dan daadwerkelijk zal dalen. Wij moeten immers voor alles voorkomen dat wij deze hele exercitie van het adolescentenstrafrecht met elkaar ingaan, dat dit adolescentenstrafrecht wordt geïmplementeerd in de wet, dat wij vervolgens een geweldige hoeveelheid energie steken in het begeleiden van jongeren naar een beter leven, maar dat wij ten slotte aan het einde van de rit moeten constateren dat de recidivecijfers nog steeds veel te wensen overlaten. Ik doel bij het begeleiden van jongeren met name op het werk van al die instanties die hiermee nu al dagelijks heel goed bezig zijn. Die recidivecijfers laten ook op dit moment zeer te wensen over. Van de jongeren die op dit moment een jji verlaten, komt 85% binnen tien jaar weer in aanraking met justitie. Dat blijft voor de VVD-fractie onacceptabel. Ik heb gezien dat mevrouw Kooiman al een amendement heeft ingediend over de evaluatie van dit succesvolle instrument. Dat amendement zal de VVD-fractie steunen als mevrouw Kooiman de evaluatietermijn verlengt naar vijf jaar, zeg ik er alvast bij. Als zij dat niet doet, zullen wij haar amendement helaas niet kunnen steunen, want een evaluatietermijn van drie jaar is te kort.

Mijn fractie vindt de recidivecijfers dus onacceptabel hoog. Daarom zal na die vijf jaar bij de evaluatie moeten kunnen worden vastgesteld dat deze recidivecijfers van de mensen die in het adolescentenstrafrecht zijn behandeld, daadwerkelijk zijn gedaald ten opzichte van de cijfers van mensen die in het volwassenenstrafrecht terecht zijn gekomen. Als de cijfers in die zin zijn gedaald, hebben we het met elkaar goed gedaan. Ik vraag de staatssecretaris of hij dat met de VVD-fractie eens is. Het doel is om de recidivecijfers omlaag te brengen terwijl wij tegelijkertijd aan de samenleving laten zien dat wij misdaad straffen. Dat betekent dat volwassenenstrafrecht moet worden toegepast waar dat moet, en dat het jeugdstrafrecht, met alle instrumenten die we nu optuigen, moet worden toegepast waar dat kan. Wij vertrouwen daarbij op de gedragsbeïnvloedende maatregel, die uiteraard gebaseerd moet zijn op wetenschappelijke inzichten waaruit moet blijken dat dit daadwerkelijk werkt. Met deze combinatie moet kunnen worden gewerkt aan daling van de recidivecijfers.

Wat de VVD-fractie betreft is de uitbreiding van twee naar vier jaar een goede maatregel. Op dat punt ben ik het eens met mevrouw Van Toorenburg, die daar overigens in het verleden met mij weleens iets anders over heeft gesproken. Mevrouw Van Toorenburg heeft dat inzicht wat later gekregen, maar het inzicht is in ieder geval ook bij haar gekomen. Dat is goed en het komt vast ook door de heilzame gesprekken die ik met haar hierover heb gevoerd. Het is daarbij uiteraard vervelend dat in het kader van de nieuwe coalitievorming met de geachte collega's van de Partij van de Arbeid, het aantal van vier jaar is teruggebracht naar twee jaar. Je kunt je daarbij in principe wel iets voorstellen, namelijk als je ervan uitgaat dat je wilt proberen om jongeren zo kort mogelijk in een cel te laten zitten. Ik ben ervan overtuigd dat – daarom doe ik mee aan het beroep dat mevrouw Van Toorenburg zojuist deed in de richting van de SP en de PvdA – als je maximale strafmaat in het adolescentenstrafrecht beperkt tot twee jaar, het heel goed mogelijk is dat rechters toch de behoefte voelen, indachtig het betoog van de heer Bontes, om een stevige straf op te leggen die dan wel in het kader van het jeugdstrafrecht wordt afgewikkeld. Dan zullen ze niet naar het instrument van het jeugdstrafrecht grijpen, maar noodgedwongen naar het volwassenenstrafrecht. Dan hebben wij het op dat punt niet goed gedaan. Ik hoop, maar ik verwacht er niet veel van, dat mevrouw Van Toorenburg en ik met dit ronkende pleidooi, ondersteund door de heer Bontes die zo over vergelding heeft gesproken, deze twee partijen, misschien zelfs D66, tot andere inzichten kunnen krijgen, zoals ik mevrouw Van Toorenburg ook tot het inzicht heb kunnen krijgen dat vier jaar beter is dan twee jaar.

De voorzitter:

Mevrouw Van Toorenburg komt u wellicht helpen.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Dat ga ik doen. Toen de VVD en het CDA nog plannen smeedden, deden wij dat altijd met een beetje geven en nemen. De VVD en de PvdA zijn gaan uitruilen met een soort kaartspelletje, maar dan gebeuren er ongelukken. Misschien kunnen we terug naar wat ze zo goed konden, namelijk een beetje geven en nemen. Ik hoor graag van de heer Van der Steur of hij het volgende zou willen steunen. Stel dat een rechter het jeugdstrafrecht wil toepassen op iemand die ouder is dan 18. Dan geldt voor die 18-plusser een hoger maximum dan voor een 18-minner. Daarmee nemen wij wellicht het bezwaar van de PvdA en de SP weg dat een jeugdige ineens een hoger strafmaximum kan krijgen, maar we houden de verleiding erin dat een rechter een stevige straf kan opleggen, maar daarnaast kan inzetten op behandeling. Het is altijd lekkerder als je een beetje kan geven en nemen dan dat zaken zo worden uitgeruild. Gaat de heer Van der Steur met ons mee?

De heer Van der Steur (VVD):

Die vraag moet mevrouw Van Toorenburg niet aan mij stellen, want de VVD-fractie heeft zich verbonden aan het regeerakkoord. Wij zijn het op een groot aantal terreinen wat dat betreft met de PvdA eens, maar op een aantal andere terreinen niet en dat is jammer. Dat wil niet zeggen dat het aan mij is om deze vraag met ja of nee te beantwoorden. Die vraag moet mevrouw Van Toorenburg stellen aan de heer Recourt van de PvdA-fractie. Hij heeft daar ongetwijfeld een antwoord op. Wat de VVD-fractie betreft zou dat een weg kunnen zijn die wij zouden kunnen bewandelen, ervan uitgaand dat wij de vrijheid zouden hebben om op die manier te beslissen, maar wij hebben die vrijheid nu niet. Ook mevrouw Van Toorenburg weet wat het betekent als je een regeerakkoord hebt gesloten en goed bent voor je handtekening.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Dat weten wij als geen ander, maar ik was dat een beetje vergeten als het om de VVD gaat; maar dat ter zijde. Volgens mij is het inderdaad zo dat, als je eenmaal een afspraak hebt gemaakt, je die overeind moet houden. Ik heb begrepen dat de VVD en de PvdA hebben afgesproken dat die vier jaar niet mag gelden voor de minderjarige. Daar zat de weerstand. Ik snap dat wel. Ik mocht met de heer Recourt bij Buitenhof een leuk debat daarover voeren. Hij had een punt. Het was niet mijn punt, maar hij mocht dat naar voren brengen. Wij vinden het heel belangrijk, maar de VVD roept dat ook elke keer, dat jongeren die een stevig delict plegen ook een stevige straf krijgen. Wij willen dat die straf wordt gecombineerd met een behandeling, juist omdat recidive zo belangrijk is. Gaat de heer Van der Steur, die het heel mooi kan vertellen af en toe, naast mij staan? Gaat hij straks met zijn collega's van de PvdA die strijd over dit compromis aan? Het zal moeilijk zijn om met de PvdA ineens in een sfeer van compromissen te gaan werken, maar doe eens gek en ga naast mij staan. Dan kunnen wij kijken of wij dit voor elkaar kunnen krijgen.

De heer Van der Steur (VVD):

Deze oproep van mevrouw Van Toorenburg en vooral de manier waarop zij die doet, vallen bij mij uiteraard in het goede mandje, want wie ben ik om zo'n verleidelijk aanbod te weigeren? Ik vrees echter toch dat het uitgangspunt moet zijn dat de VVD-fractie aan haar handtekening is gebonden. Ik sluit echter niet uit dat mevrouw Van Toorenburg dezelfde vraag aan de heer Recourt stelt. Dan kunnen wij kijken of er misschien wat beweging mogelijk is en dan zijn wij graag bereid om mee te bewegen als dat goed is voor het doel waarvoor wij hier staan, namelijk een goede invulling van het adolescentenstrafrecht en een verlaging van de recidive.

Ik stel voorop dat de VVD-fractie zeer verheugd is over het feit dat we eindelijk doen wat we al heel lang geleden hadden moeten doen, namelijk het mogelijk maken van de overgang tussen de jeugd-tbs, de zogenaamde pij-maatregel, en de volwassenen tbs. Niet alleen mevrouw Van Toorenburg heeft mij dat verteld, ook tijdens vele werkbezoeken heb ik van mensen uit justitiële jeugdinrichtingen gehoord dat ze af en toe met de ogen dicht en met samengeknepen billen jongeren op 23-jarige leeftijd de deur uit laten wandelen, terwijl ze bijna zeker weten dat die op korte termijn weer terug zijn, met een heel, heel ernstig vergrijp op hun kerfstok. Maar als deskundigen vinden dat dat niet moet gebeuren en dat de samenleving niet veilig is als de betrokkene na de jeugd-tbs op 23-jarige leeftijd vrijkomt, dan kan die gelukkig worden omgezet in een tbs-maatregel en kunnen deskundigen vervolgens, onder leiding van de rechterlijke toetsing, monitoren of de betrokkene daar langer in moet zijn. Je hoopt natuurlijk altijd dat dat niet het geval zal zijn, de behandeling effectief zal zijn en zo iemand kan terugkeren in de samenleving, maar het is natuurlijk nooit uitgesloten dat dat niet kan, omdat er helaas voorbeelden zijn van mensen die al zo jong zodanige geestelijke problemen hebben dat ze eigenlijk niet meer in de samenleving passen. Dat is afschuwelijk – dat weet de VVD-fractie ook – maar wel een realiteit waar wij mee moeten leren leven.

Een andere verworvenheid van dit wetsvoorstel is dat de taakstraf niet meer kaal, als enige straf kan worden opgelegd voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven. Dat punt hebben wij ook in het vorige kabinet dringend naar voren gebracht, omdat wij zien dat er maatschappelijk draagvlak moet zijn als je de taakstraf als straf wilt handhaven. Het kan niet zo zijn dat het maatschappelijk draagvlak verdwijnt als taakstraffen worden opgelegd voor heel zware zeden- en geweldsmisdrijven. Dat wil niet zeggen dat de VVD-fractie niets ziet in de taakstraf als zodanig. Wij weten immers dat de taakstraf bij de juiste personen bijdraagt aan recidivevermindering, maar wij weten ook dat de taakstraf bij criminele veelplegers geen enkele functie vervult.

Ik heb nog een aantal vragen. Wij kennen het succesvolle ZSM-principe, waarbij het Openbaar Ministerie met hoge snelheid in samenwerking met een groot aantal ketenpartners zorgt voor een passende afwikkeling van criminele daden. Nu is mij recentelijk ter ore gekomen dat een van de punten daarbij is dat je in dat snelle proces tegelijkertijd moet kunnen vaststellen of iemand niet ook zorg nodig heeft. Hoe is geborgd dat in het ZSM-traject ook voldoende gekeken wordt naar de gedragsaspecten van een dader, en dat dat niet in het gedrang komt? Als dat wel zo is, wat gaat de staatssecretaris dan doen om ervoor te zorgen dat het ook in een ZSM-traject mogelijk is om te bekijken of iemand een bepaald forensisch behandeltraject nodig heeft?

De heer Bontes (PVV):

De heer Van der Steur trekt naar zich toe dat de VVD zich hard heeft gemaakt om geen taakstraffen uit te delen bij ernstige zedenmisdrijven en zware geweldsmisdrijven, maar het is de PVV die zich daar keihard voor heeft gemaakt. Dat is ons voorstel. Ik wil hier graag even aantekenen dat dat ons voorstel was en niet van de VVD.

De heer Van der Steur (VVD):

In een kabinet heb je altijd twee partijen nodig om een voorstel tot volle wasdom te laten komen. Ik geef het eerlijk toe; dit voorstel kwam vooral uit de PVV-koker. Dat zeg ik met name in de richting van mevrouw Helder, die op dit moment helaas niet in ons midden is maar die wel zit te kijken, zo heeft zij mij beloofd. Ik heb ook beloofd dat ik naar haar zou zwaaien. Dat doe ik weliswaar niet fysiek, maar wel bij monde. Dat geef ik dus eerlijk toe, maar het voorstel is niet in onvruchtbare bodem gevallen bij de VVD-fractie, omdat het draagvlak voor de taakstraf noodzakelijk maakt dat die niet kaal kan worden opgelegd voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven, ook niet voor jongeren.

De heer Bontes (PVV):

Ik ben tevreden zo. De heer Van der Steur erkent dat het een PVV-voorstel is. Hij heeft dat daarna verder gesteund, maar het is en blijft een PVV-voorstel. Dank voor de eerlijkheid om dat toe te geven.

De heer Van der Steur (VVD):

De heer Bontes kent de VVD-fractie als een eerlijke fractie. Ik vind het dus ook helemaal geen probleem om dat te doen. Het was ook een van de betere voorstellen van de PVV-fractie. Er zijn weleens voorstellen geweest die wat minder succesvol waren en die niet hebben kunnen rekenen op instemming van de VVD-fractie.

Reclassering Nederland heeft ons een brief geschreven waarin zij twee aspecten aan de orde stelt: één lastig aspect, namelijk de financiering, en een uitvoeringsaspect. Het eerste punt is de financiering. Reclassering Nederland wijst ons erop dat het uitvoeren van de maatregelen die wij nu mogelijk maken, geld kost. Wil de staatssecretaris monitoren of de financieringsbehoefte niet uit de mogelijkheden loopt? In dat geval moeten wij het daar namelijk met elkaar over hebben. Kan de staatssecretaris toezeggen dat hij dat monitort en de Kamer informeert over hoe zich dat ontwikkelt?

Ik kom op het tweede punt van Reclassering Nederland. De Raad voor de Kinderbescherming is naast het Openbaar Ministerie ingericht als een instantie die toezicht houdt. Een suggestie van Reclassering Nederland is om het toezicht op de reclassering van volwassenen te laten vervallen, zodat er wat minder administratieve druk op dat systeem komt. Ik kan alle nadelen niet goed overzien, maar ik zou graag van de staatssecretaris willen weten wat hij daarvan vindt.

Mijn volgende punt is de terbeschikkingstelling van het onderwijs. Die is nu geregeld op verzoek van de heer Marcouch van de PvdA-fractie. Ik noem maar meteen ieders naam, voordat er zo meteen iemand komt die zegt dat ik vergeten ben hem ere te doen toekomen. Het punt is opgenomen in dit wetsvoorstel. Als ik het goed zie, wordt er nu gezegd dat er een bepaald onderwijs gevolgd moet worden, maar wat is dan "volgen" naar de mening van de staatssecretaris? Ik ben er niet trots op, maar ik heb wel eens onderwijs gevolgd waarbij dat beperkt is gebleven tot fysieke aanwezigheid. Is dat de bedoeling als we het als straf opleggen? Dat denk ik niet. Hoe zorgen we er dus voor dat "volgen" enige intellectuele of intelligente arbeid inhoudt en het de betrokkene daadwerkelijk verder brengt? Ik vraag de staatssecretaris hoe de onderwijsverplichting wordt ingevuld en op welke wijze het toezicht daarop plaatsvindt, zodat die verplichting een functie heeft en er, om weer naar de heer Bontes te verwijzen, toe leidt dat de samenleving ziet dat het daadwerkelijk betekenis heeft dat we haar hebben opgenomen in dit wetsvoorstel.

Ik kom bij een zorgwekkend punt, dat ik eigenlijk al heb aangekaart ten aanzien van de twee jaar en de vier jaar. We zien nu dat de toepassing van een aantal van deze maatregelen achterblijft. Dat blijkt uit de pilot die is gehouden. Heeft de staatssecretaris daar een verklaring voor? Ligt het aan het Openbaar Ministerie? Ligt het aan de rechterlijke macht? Hoe kijkt de staatssecretaris tegen dat probleem aan? Het zou namelijk jammer zijn als we deze exercitie doen en we vervolgens vaststellen dat er eigenlijk nauwelijks gebruik van wordt gemaakt. Dan hebben we het niet goed gedaan.

Ik ga nu in op de isd. Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen de isd-maatregel in relatie tot dit wetsvoorstel? Telt bijvoorbeeld een veroordeling in het jeugdstrafrecht mee voor toepassing van de isd-maatregel? Eén ding is namelijk zeker: wat de VVD-fractie betreft, moet een criminele veelpleger ongeacht zijn leeftijd in aanmerking kunnen komen voor een passende isd-omgeving, omdat we zien dat de isd als zodanig functioneert. Zij zorgt ervoor dat criminele veelplegers minder vaak recidiveren dan ze deden voordat de maatregel werd opgelegd, en dat is precies wat de VVD-fractie wil.

Hetzelfde geldt natuurlijk voor de, naar het zich laat aanzien, succesvolle aanpak van de Top 600, zoals die nu in Amsterdam plaatsvindt. Is zo'n groepsaanpak, waarbij je niet alleen naar de dader kijkt maar ook naar alles eromheen, in de beleving van de staatssecretaris ook onderdeel van de uitwerking van het wetsvoorstel dat vandaag voorligt? Op dat punt krijgt de VVD-fractie graag informatie.

Ik houd nog twee punten over. Dat we maar twee jaar kunnen opleggen, betekent wel dat we snelheid moeten maken. We moeten zo snel mogelijk beginnen met de aanvang van de behandeling. Uit de reacties van organisaties die daar ervaring mee hebben, maak ik op dat er daarbij vier prangende vraagpunten zijn.

Het eerste punt is de indicatiestelling. Ik ben gisteren bij SVG in Utrecht geweest, bij de instelling Victas. Daar werd dat punt nog eens duidelijk naar voren gebracht. Nu bestaat er in de hele keten de behoefte om een paar keer achter elkaar dezelfde indicatiestelling te doen. Eerst de eerste keer, en vervolgens nog eens door de volgende instantie om te controleren of het wel klopt. Als staatssecretaris en als Kamer zouden we niet moeten willen dat dit plaatsvindt, want het is dubbel werk en het leidt tot vertraging. Gaat de staatssecretaris zich inzetten om de indicatiestelling te laten erkennen door de ketenpartners, zodat we een heleboel tijd, energie en geld besparen?

Hetzelfde geldt, ten tweede, voor de doorplaatsing vanuit het huis van bewaring naar de uiteindelijke plek waar de behandeling zal plaatsvinden. Die moet natuurlijk heel snel gebeuren. Ik hoor uit het veld dat dit niet het geval is. Gaat de staatssecretaris zich ervoor inspannen dat die doorplaatsing zo snel mogelijk plaatsvindt? Vooralsnog hebben we de tweejaarstermijn, tenzij mevrouw Van Toorenburg de heer Recourt zo ver krijgt dat die wordt opgerekt voor 18-plussers. Als dat echter niet lukt, hebben we er met zijn allen belang bij dat de doorplaatsing zo snel mogelijk gaat. Kan de staatssecretaris bevestigen dat hij zich daarvoor zal inzetten?

Het geldt, ten derde, ook ten aanzien van de dossiers. Het onderdeel privacy is belangrijk, maar het systeem werkt natuurlijk alleen als iedereen in de keten op de hoogte is van het dossier. Dat moet dus geen belemmeringen opwerpen. Hoe kijkt de staatssecretaris daartegenaan?

Het vierde en laatste punt is een lastig punt. Vanuit het jeugdstrafrecht en het volwassenenstrafrecht hebben we diverse financieringsstromen. Die diverse financieringsstromen moeten in een aantal gevallen gelijk uitkomen om effectief te kunnen zijn binnen dit wetsvoorstel adolescentenstrafrecht. Je zou de schotten weg moeten halen, maar dat kan misschien niet overal. Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat de financieringsstromen die er zijn, effectief en efficiënt beschikbaar komen om het voorstel dat vandaag op tafel ligt, succesvol te maken?

Mijn laatste punt betreft de herstelbemiddeling. Mevrouw Van Toorenburg noemde dit ook al. Is de staatssecretaris bereid ervoor te zorgen dat de herstelbemiddeling een vast onderdeel is van het adolescentenstrafrecht? Ik heb gisteren gesproken met een jonge roofovervaller die inmiddels bij Exodus in Rotterdam zit en die enorm werd geholpen doordat hij excuses kon aanbieden aan de slachtoffers. Hij is ook met de slachtoffers in gesprek is gegaan. Hij heeft de slachtoffers daarmee geholpen. Voor dat soort mensen, die inderdaad willen werken aan hun toekomst en die willen inzien wat ze fout hebben gedaan, wat ook de bedoeling is van de behandeling en de gedragsbeïnvloedende maatregelen, zou die herstelbemiddeling standaard moeten zijn. Is de staatssecretaris voornemens om zich op dat punt ook inspanningen te getroosten?

Alles bij elkaar zijn dit een hoop vragen, maar over het algemeen overheerst voor de VVD-fractie de vreugde dat wij met deze maatregel een extra instrument creëren om recidive te verminderen en tegelijkertijd het uitgangspunt hoog te houden dat je gewoon volwassen wordt bestraft als je een volwassen misdaad pleegt.

De voorzitter:

Ik dank de heer Van der Steur en namens mevrouw Helder mag ik hem ook bedanken voor het zwaaien.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Voorzitter. Jeugdcriminaliteit in Nederland neemt af, maar nog steeds is het aandeel jonge criminelen veel te hoog. Wetenschap vertelt ons dat de ontwikkelingsfase van jongvolwassen daders nadrukkelijk moet worden meegewogen in de aanpak. Zo spreken wij vanavond over het voorstel van de staatssecretaris: een adolescentenstrafrecht voor 16- tot 23-jarigen. Voor de D66-fractie is dit een belangrijk voorstel, want niet de leeftijd, maar delict, ontwikkeling en gedrag gaan de straf bepalen. Meer ruimte dus voor maatwerk om vroegtijdig in te grijpen en recidive onder jonge daders terug te dringen door straffen, maar ook door gedragsinterventies, door scholing, werk en een stabiele leefomgeving. Want jonge daders uit de draaideur halen en houden, dat heeft betekenis voor veiligheid in Nederland.

Het voorstel van de staatssecretaris was onder het kabinet-Rutte I bepaald niet zo rooskleurig. Het las vooral als "harder straffen en langer opsluiten". Nu zien wij dat de staatssecretaris toch heeft geluisterd naar een deel van de Kamer, naar de Raad van State, naar de RSJ en naar de Raad voor de rechtspraak. Maar ook de nieuwe coalitiepartner heeft zich niet onberoerd gelaten. Langere jeugddetentie is niet meer aan de orde en de jeugddetentie blijft op twee jaar staan. En zowaar, er zit een sociale poot in het voorstel met terbeschikkingstelling aan het onderwijs. Hulde aan de PvdA-fractie dat zij hier door het VVD-pantser van strenge straffen is gebroken. Gaat het roer dan toch een beetje om bij Veiligheid en Justitie? Iets om eind dit jaar op te reflecteren, verzeker ik de coalitiepartijen. Het voorstel is dus zichtbaar door de staatssecretaris bijgeschaafd en beweegt daarmee ook in een meer wenselijke richting voor de D66-fractie.

Op enkele punten heeft mijn fractie nog wel behoefte aan verduidelijking. Om meteen het belangrijkste te nemen: de categorie 16- en 17-jarigen. Deze categorie valt nu onder het jeugdstrafrecht. Alleen bij uitzondering worden jongeren als volwassenen berecht. Leest mijn fractie de toelichting van de staatssecretaris nu correct dat voor de categorie van 16- en 17-jarigen de hoofdregel blijft dat zij onder het jeugdstrafrecht vallen tenzij een beroep wordt gedaan op artikel 77b en dat artikel 77c dus alleen ziet op de categorie 18- tot 23-jarigen? Mijn fractie heeft behoefte aan een verhelderend antwoord van de staatssecretaris. Wij hechten namelijk aan de bestaande hoofdregel voor de 16- en 17-jarigen en dus willen wij dit expliciet en helder gemarkeerd zien.

Voor de categorie van 18- tot 23-jarigen geldt straks "het gewone strafrecht, tenzij". De toepassing van het jeugdstrafrecht op jongvolwassenen zal dus een veel stevigere plek in de rechtspleging moeten krijgen. Een afzonderlijke aanwijzing gaat daarin voorzien. Hoe gaat het Openbaar Ministerie dit echter waarmaken als het straks zo fors moet bezuinigen? Een kwart van het budget vervalt. Dit gaat geheid druk op de keten geven. Met jaarlijks 20.000 strafzaken betreffende 18- tot 23-jarigen kan deze verontrusting de staatssecretaris niet verbazen. Heeft de officier van justitie straks nog voldoende ruimte om die afweging überhaupt te kunnen maken? Welke waarborgen biedt dit voorstel daartoe, zodat de adolescent straks niet tussen wal en schip valt?

Dit geldt evenzeer voor ZSM. De staatssecretaris noemt ZSM dienstbaar aan een effectief werkend adolescentenstrafrecht. Bij ZSM gaat het echter om een aanzienlijke versnelling in het afdoeningsproces. Het kan de staatssecretaris niet verbazen dat er dan wordt gevraagd naar de zorgvuldigheid. ZSM zal in veel gevallen de plek zijn waar de weging en selectie gemaakt moet worden. Er moet bekeken worden of een jongvolwassene in aanmerking komt voor het jeugdstrafrecht en dus of de jongere in het traject van heropvoeding, onderwijs en resocialisatie wordt gezet. Het is de vraag hoe die zorgvuldigheid met name in het ZSM-traject zal worden gewaarborgd.

Bezuinigingen en een hoge werkdruk in de keten kunnen gaan wringen. Dit geldt ook voor de reclassering. Andere collega's spraken daar ook al over. Zij zijn verantwoordelijk voor de gedragskundige rapportage of het reclasseringsrapport. Dat gaat niet over een nacht ijs, maar volgens een nauwkeurige afweging waarbij ook de sociale omgeving van de jongere wordt betrokken, zo lieten de reclasseringsorganisaties de Kamer weten. Hierbij is het dus ook essentieel dat de zorgvuldigheid en de kwaliteit worden gewaarborgd. Hoe zal de staatssecretaris die gaan borgen? Ik reik de staatssecretaris in dezen een suggestie aan. Er loopt een aantal pilots. De staatssecretaris kan wellicht aan de hand van die pilots naar dit aspect kijken.

Als wij de adolescent als volwassene berechten, komt deze in een volwassenenregime terecht. Wij stellen echter vast dat 16- tot 23-jarigen een kwetsbare groep vormen en tot de adolescentencategorie binnen het strafrecht behoren. Willen wij deze jongeren dan wel opsluiten tussen de volwassenen? Mijn fractie heeft gevangenissen al vaker "criminele leerscholen" genoemd. Bovendien staat het gevangeniswezen voor een forse bezuinigingsopdracht: meerpersoonscellen en een sterk versoberd regime. Daar komt de adolescent straks in terecht. Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris om daarin wat meer schotten aan te brengen en groepen gescheiden van elkaar te plaatsen?

Daarnaast is ook de samenplaatsing van minderjarige adolescenten een aandachtspunt. Mevrouw Kooiman sprak daar ook al over. 18-plussers kunnen straks, via het adolescentenstrafrecht, in jeugdinrichtingen worden geplaatst, maar het verschil met de categorie 18-minners blijft aanwezig. Kan de staatssecretaris nog eens helder toelichten op welke wijze hij de samenplaatsing van die groepen minimaliseert? Ziet hij mogelijkheden om binnen justitiële jeugdinrichtingen aparte afdelingen voor 18-plussers te realiseren?

De staatssecretaris schrijft dat hij "de volle overtuiging heeft dat het voorgestelde adolescentenstrafrecht aan de verdere daling van recidive zal kunnen bijdragen." Zo'n sterke overtuiging vraagt om een toelichting. Mijn fractie ziet de inzet op recidivebestrijding bij voorkeur stevig. Die inzet was echter in de afgelopen twee jaar maar pover belicht bij het ministerie. Kan de staatssecretaris toelichten waar zijn volle overtuiging op gebaseerd is en hoe hij die concreet gaat maken? Waar mogen wij hem straks op afrekenen? Een keihard percentage noemen is meer de stijl van de minister. Deze staatssecretaris doet echter niet onder voor zijn minister. Ik complimenteer hem daarvoor. Hij kan dus best een indicatie geven van waar hij op wil uitkomen over, zeg, drie jaar. Specifieke onderdelen van het adolescentenstrafrecht worden de komende jaren gemonitord. Dat is een uitstekend plan. Kunnen we met de staatssecretaris afspreken dat hij daarin ook expliciet recidive meeneemt? Het gaat om inspanningen versus resultaat. Als we op basis van ervaringen de recidiveaanpak kunnen versterken, moeten we dat straks niet nalaten. Die ervaringen worden cruciaal, want er zijn geen ervaringen uit het buitenland. We varen dus enigszins blind, zo houd ik de staatssecretaris voor.

Dan kom ik tot mijn laatste punt. Om het adolescentenstrafrecht te doen slagen, is ketensamenwerking cruciaal. De staatssecretaris meent dat het wetsvoorstel geen gevolgen heeft voor de transitie van jeugdzorg naar gemeenten. Toch is aansluiting op jeugdzorg en van jeugd- op volwassenenreclassering een aandachtspunt. Ik zou dat ook liever een zorgpunt willen noemen. De huidige zorgregimes voor 18-minners en 18-plussers zijn verschillend en die verschuiven straks. Hoe zal de indicatiestelling en financiering van de zorg dan verlopen? De inzet van jeugdreclassering bij 18-plussers blijft wat ambigue. Zij krijgt straks mogelijk meer zaken toegewezen. Maar hoe wordt die inzet ook geborgd? Hoe wordt de overgang tussen jeugd- en volwassenenreclassering geregeld?

Ik rond af. Mijn fractie ziet de staatssecretaris in een wenselijke richting bewegen met het adolescentenstrafrecht. Dat neemt echter niet weg dat een aantal zaken verheldering en borging behoeft.

De heer Recourt (PvdA):

Voorzitter. Ik ben de laatste spreker van de zijde van de Kamer over het adolescentenstrafrecht. De meeste delicten worden gepleegd door adolescenten dus daar is voor de samenleving de meeste winst te behalen voor slachtoffers. Ook voor de jongeren zelf is het van belang om hier extra en extra goede aandacht aan te geven. Niet de leeftijd, maar de ontwikkeling, het gedrag en het delict bepalen de straf. De term "maatwerk" is dan ook heel erg passend. Soms moet er streng gestraft worden, zoals bij calculerend crimineel gedrag. Er moet dan een calculerende straf opgelegd worden en soms kan dat het beste een harde staf zijn. Dat is zelfs meestal het geval. Soms moet er zachter en passender gestraft worden. Dat geldt bijvoorbeeld voor jongeren die 18 jaar zijn geweest, maar die met een enorm laag IQ kampen. Ik steun dit wetsvoorstel, maar ben wel kritisch of in ieder geval bezorgd over de uitvoering ervan. De meeste van mijn vragen zullen daarop betrekking hebben.

Allereerst wil ik opmerken dat onderwijs en criminaliteitspreventie hand in hand gaan. Dat heeft alles met elkaar te maken. Schooluitval is de belangrijkste indicator om te zien of het mogelijk later misgaat in de criminaliteit, of goed gaat, hoe je het ook wilt noemen. Dat betekent dat de samenleving alle belang heeft bij het opleiden tot een goed diploma, tot een papiertje voor de arbeidsmarkt. Ik ben daarom ontzettend blij met de eerste stap van de uitvoering van de motie van mijn collega Marcouch over het ter beschikking stellen van het onderwijs. Dit wetsvoorstel maakt het namelijk mogelijk verplicht onderwijs te volgen als bijzondere voorwaarde.

Het tweede punt dat ik als heel positief wil benoemen, is het aanscherpen van het reclasseringstoezicht. Hoe is de verhouding tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering en Reclassering Nederland? In dit plan kan Reclassering Nederland voor volwassenenreclassering al bij 16 jaar in beeld komen, terwijl de officier van justitie advies vraagt aan de Raad voor de Kinderbescherming. Een van de elementen die in het plan naar voren komt, is meer elektronisch toezicht. Het gaat dan om elektronisch toezicht bij of ter ondersteuning van andere maatregelen aan het einde van de jeugddetentie. Elektronisch toezicht thuis is prima, maar op welke manier wordt het gezin daarbij betrokken? Op welke manier wordt het gezin ingezet? Hoe gaat dat? Wat is de rol van de ouders daarbij? Dat vraag ik in navolging van een aantal collega's. Ik moet wel zeggen dat de ouders heel belangrijk zijn, maar juist rond 18 jaar zijn jongeren bezig om zich aan hun ouders te ontworstelen. Dat is terecht; dat doet iedere jongere. Als je de omgeving belangrijk vindt, moet je dus niet alleen naar de ouders kijken maar ook naar andere relevante derden in het leven van de jongere.

De rol van de officier van justitie is wat mij betreft cruciaal voor het succes en de inzet van het adolescentenstrafrecht. De officier van justitie moet namelijk aan het begin signaleren: hé, voor deze zaak, deze jongere, is het adolescentenstrafrecht geschikt en moeten we dat inzetten. Als dat niet gebeurt, hebben wij te maken met een dode letter en blijft alles zoals het is. Ik heb al eerder gezegd dat de officier van justitie op advies van de Raad voor de Kinderbescherming handelt. Een vraag die andere collega's ook al hebben gesteld, is hoe het zit met de relatie met "zo spoedig mogelijk"; bestaat niet het gevaar dat je te snel gaat en daarmee de zorgvuldigheid geen goede dienst bewijst? Ik verwijs bijvoorbeeld naar een jongere met een laag IQ. Hoe wordt die herkend? Hoe zit het met de werkdruk van het Openbaar Ministerie? Dat is een zeer actuele vraag. En wat is de specifieke kennis van het Openbaar Ministerie zelf, de kennis bij de parketsecretaris en de officier, om in de voorbereidingen van zaken de juiste zaken voor het adolescentenstrafrecht te selecteren? En wordt er ter advies altijd vroeghulp door de reclassering geboden?

Ik kom op een zorgpunt in relatie tot de pij-maatregel, namelijk het omzetten van jeugd-tbs in volwassenen-tbs. Bij uitzondering kan dat goed zijn. Ook mijn fractie is daar geen principieel tegenstander van. Zij kent namelijk ook de voorbeelden van iemand die na een halve behandeling op straat terechtkomt, omdat de pij-maatregel moet stoppen. Ik heb wel de volgende zorg. Als je als minderjarige namelijk een pij-maatregel opgelegd krijgt, kun je in theorie je leven lang achter de tralies blijven. Je kunt dan je leven lang in een longstay-afdeling terechtkomen. We hebben de staatssecretaris daar al eerder naar gevraagd en hij zei toen dat dit een theoretische mogelijkheid is. Kan hij echter nog een keer bevestigen dat het bij een theoretische mogelijkheid blijft? Wordt uiteindelijk de normale ggz ingezet, de normale psychiatrische behandeling, of wordt op een andere manier voorkomen dat iemand in theorie vanaf 14, 15 jaar tot aan zijn dood voor hetzelfde delict achter de tralies blijft?

De heer Van der Steur (VVD):

Ik heb daar in mijn termijn ook al iets over gezegd. Natuurlijk zal dat volgens niemand in dit huis de bedoeling zijn. Ik denk wel dat de heer Recourt realistisch genoeg is, zeker gelet op zijn achtergrond als rechter, om het volgende te beamen. Als de rechter op advies van een instelling zou oordelen dat iemand zodanig gevaarlijk en ongeschikt is om terug te keren in de samenleving, kan de consequentie zijn dat iemand achter de tralies blijft. Dat is vooral een theoretische mogelijkheid omdat het waarschijnlijk niet of nauwelijks zal voorkomen, maar het kan zeker niet worden uitgesloten. Zeker de staatssecretaris kan dat volgens mij niet uitsluiten.

De heer Recourt (PvdA):

Ook de Partij van de Arbeid wil geen levensgevaarlijke mensen op straat hebben. Het kan niet anders dan een zeer hoge uitzondering zijn, maar dat is onwenselijk. De vraag is alleen of je eindeloos het justitiële traject moet voortzetten. Kun je op een gegeven moment niet besluiten dat iemand naar de gewone, civiele psychiatrische zorg overgaat, als iemand al van kinds af aan in zo'n eindeloos traject zit?

De heer Van der Steur (VVD):

Als dat kan, kan ik me voorstellen dat dit de voorkeur heeft. Als iemand echter tbs houdt omdat diegene levensgevaarlijk is, is "het hek eromheen" zoals bij longstay gebruik is, waarschijnlijk niet onpraktisch. Volgens mij ziet de heer Recourt dat ook zo.

De heer Recourt (PvdA):

Ook binnen de niet-strafrechtelijke behandeling heb je behandelingen binnen een gedwongen kader. We delen het standpunt dat je mensen die levensgevaarlijk zijn niet op straat moet zetten. Volgens mij leeft bij mijn fractie echter meer de zorg dat het potentieel langer dan noodzakelijk kan duren als je iemand in een strafrechtelijk traject onderbrengt.

De heer Van der Steur (VVD):

Daar hebben we voldoende waarborgen voor, juist bij tbs. Ik herinner mij de brief van de staatssecretaris waarin staat dat hij ernaar streeft de tbs-termijn zo kort mogelijk te maken. Op dat punt wordt de PvdA-fractie op haar wenken bediend. Maar volgens de VVD-fractie is het uitgangspunt helder: als iemand vluchtgevaarlijk is of een gevaar voor zichzelf, zijn eigen omgeving of voor anderen, dan wil je die niet hebben in de reguliere psychiatrie, maar gewoon in de tbs, waar hij op grond van de rechterlijke uitspraak ook hoort.

De heer Recourt (PvdA):

Ook binnen de reguliere psychiatrie is het gevaarscriterium hét criterium om iemand in een verplicht kader op te nemen. Kortom, het uitgangspunt is precies hetzelfde. Ik heb alleen zorgen over de vorm.

Voorzitter. Ik kom op een volgend zorgpunt: geen kale taakstraffen bij ernstige zeden- en geweldsmisdrijven. Wij hebben hier in de vorige kabinetsperiode uitgebreid over gediscussieerd. Ik was daar tegenstander van. Ik zal het debat nu niet herhalen, maar ik heb een heel praktisch punt. Op vragen die onder meer werden gesteld door mijn fractie, antwoordde de staatssecretaris dat bij een gedragsbeïnvloedende maatregel, een zogenaamde GBM, wel een taakstraf kan worden opgelegd aan minderjarigen. Hij heeft geschreven dat er een voorwaardelijke GBM bestaat. Ik ben zelf nog eens gaan kijken, met hulp. Volgens mij is de wet in 2012 gewijzigd en bestaat er geen voorwaardelijke GBM. Klopt dat? Wat is dan de consequentie? Betekent het dat je dan alleen nog maar een kale taakstraf plus een voorwaardelijke jeugddetentie over hebt? Daarnaast bestaat er natuurlijk de mogelijkheid om onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, maar dan is een taakstraf meestal niet meer aan de orde.

Collega's hebben al gevraagd naar herstelbemiddeling en mediation. Ook op dit punt zet de Partij van de Arbeid natuurlijk al een poos stevig in, in die zin dat we dat heel goed op de kaart willen zetten, dus ook hier.

Ik heb nog een volgend puntje, maar ik zie dat de heer Bontes een vraag heeft.

De heer Bontes (PVV):

De heer Recourt zegt dat een laag IQ een criterium kan zijn om over te gaan tot het adolescentenstrafrecht. De PvdA-burgemeester in Rotterdam, Aboutaleb, heeft gezegd: ik heb gigantisch veel last van criminele Antillianen en dat is te wijten aan een laag IQ. Ik zal het zelf niet zo gauw zeggen, maar de PvdA-burgemeester in Rotterdam zegt dat dit te wijten is aan een laag IQ. Dat betekent dat al die 21- en 22-jarige Antillianen die zware misdrijven plegen, volgens de heer Recourt onder het adolescentenstrafrecht zullen vallen, gelet op de woorden "laag IQ" van de heer Aboutaleb.

De heer Recourt (PvdA):

Die suggestie klopt niet. Het adolescentenstrafrecht moet goed worden toegepast. Het moet namelijk worden toegepast op die mensen van wie je zegt: de middelen voor minderjarigen passen in dit geval heel goed bij meerderjarigen. Ik vrees dat meerderjarigen die snoeiharde feiten plegen, niet in aanmerking zullen komen voor het adolescentenstrafrecht. Dat lijkt mij echt een brug te ver.

De heer Bontes (PVV):

Dat begrijp ik niet helemaal. De heer Recourt had het zelf over een laag IQ. Die woorden heeft hij een paar keer herhaald toen hij sprak over het criterium om over te gaan op adolescentenstrafrecht. Dit geldt dus ook voor een heel grote groep Antillianen in Rotterdam. De burgemeester van Rotterdam heeft het zelf gezegd. Dan kan ik toch niet anders dan concluderen dat die groep van 21- en 22-jarigen volgens de visie van de heer Recourt onder het adolescentenstrafrecht gaat vallen? De heer Recourt heeft het opeens over maatwerk. Maar als ik die lijn doortrek, kan ik niet anders dan concluderen dat dit ook voor deze groep geldt.

De heer Recourt (PvdA):

Ten eerste deel ik niet de opvatting dat Antillianen in Rotterdam over het algemeen een laag IQ hebben. Ten tweede ben ik begonnen met te zeggen dat niet leeftijd een criterium is, maar dat het gaat om de persoon, het delict en de omstandigheden. Ik herhaal de tekst even: gedrag, delict en ontwikkeling bepalen of adolescentenstrafrecht aan de orde is. Het delict is daar uitdrukkelijk een onderdeel van. Als het om een zeer zwaar delict gaat, denk ik dat het adolescentenstrafrecht niet makkelijk geïnitieerd zal zijn.

De heer Bontes (PVV):

Dat begrijp ik niet, want ik hoor de heer Recourt twee keer zeggen: IQ, IQ, IQ, en nu brengt hij dat niet in bij zijn verweer. Ik begrijp niet dat dit nu ineens wegvalt als een heel belangrijk criterium.

De heer Recourt (PvdA):

Nogmaals, ik herhaal: delict is een element om te kijken of het adolescentenstrafrecht voor volwassenen aan de orde is, maar ook de persoon van de dader. In het kader van de persoon van de dader zeg ik: IQ. Het kan zijn dat de ontwikkeling van iemand van 20 het niveau heeft van iemand van 16, wat betreft de wijze waarop hij kan doorzien wat de gevolgen van zijn daden zijn enzovoorts. Dan zul je waarschijnlijk zeggen dat het adolescentenstrafrecht geïndiceerd is. Maar als die persoon ontzettend zware delicten heeft gepleegd, lijkt mij dat weer een indicatie de andere kant op. Kortom, de link die u legt, dat iemand met een laag IQ altijd onder het adolescentenstrafrecht zal vallen, ongeacht wat hij gedaan heeft, volg ik niet. Die klopt niet.

De voorzitter:

U kunt verdergaan. U bent al door de tijd heen die u zelf hebt opgegeven, maar het betreft een wetsbehandeling, dus u kunt er wat langer over doen, maar u mag wel langzaam gaan afronden.

De heer Recourt (PvdA):

Dank u wel. Ik zal de volgende keer ietsje ruimer begroten, want het kan beter meevallen dan tegenvallen, merk ik.

De voorzitter:

Dat mag ook. Dat is een les.

De heer Recourt (PvdA):

Er is al veel gezegd over het samen detineren van jongeren of minderjarigen en meerderjarigen die onder het adolescentenstrafrecht vallen. Daar sluit ik mij bij aan. Er is ook gevraagd of er voldoende specifieke en gespecialiseerde kennis is, niet alleen bij het Openbaar Ministerie, maar ook bij de rechter, de reclassering, gevangenissen enzovoorts. Hoe wordt deze georganiseerd en bijgehouden? Wat betreft de indicatiestelling sluit ik mij aan bij de vraag van de heer Van der Steur. Als het gaat om een indicatie door de ggz, de reclassering, de Raad voor de Kinderbescherming, kunnen zij deze dan van elkaar accepteren?

Dan kom ik tot een afronding. Straffen is iemand verantwoordelijk houden voor zijn gedrag. Ook kinderen vanaf 12 jaar kun je strafrechtelijk verantwoordelijk houden voor hun gedrag, ondanks dat hun hersenen, hun geweten, hun inzicht in hun handelen nog niet volledig zijn ontwikkeld. Welke straf wordt opgelegd, is vervolgens bepalend voor de toekomst; de toekomst van het kind, van de slachtoffers die mogelijk kunnen vallen, wanneer je het niet goed doet, de toekomst van de familie en van de wijk. Daarom is het van groot belang dat we een goede wet hebben. Ik hoop op en verwacht een goede uitvoering. Ik wacht de antwoorden van de staatssecretaris af.

De voorzitter:

Maar niet dan nadat mevrouw Van Toorenburg een vraag heeft gesteld.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik dacht: misschien doet hij het zelf wel, dus ik wachtte tot het eind of hij uit eigen beweging op mijn verzoek zou ingaan.

De heer Recourt (PvdA):

Ik had maar weinig tijd, dus het moest bij interruptie.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik snap het. Kan de heer Recourt alvast een tipje van de sluier oplichten hoe hij denkt te gaan kijken naar een eventueel amendement om alleen voor 18-plussers, die straf te verhogen en de rechters te verleiden het jeugdstrafrecht toe te passen waar zij vinden dat het eigenlijk zou moeten?

De heer Recourt (PvdA):

Laat ik met het eind beginnen. Ik zal de deur niet helemaal dichtgooien, want daar ga ik nooit in mee, maar ik ben wel sceptisch, om een aantal redenen. De eerste reden is de volgende. Als je consequent bent en naar meerderjarigen kijkt, dan zie je dat hun ontwikkeling eigenlijk niet gelijk te stellen is aan die van minderjarigen. Dan moet je het strafrecht van minderjarigen ook toepassen. Dan is het gek dat je de strafmaat daarvan uitsluit. De tweede reden is: op het moment dat meerderjarigen heel ernstige delicten plegen – en dan kom ik bij de heer Bontes – dan weet ik niet of het adolescentenstrafrecht wel aan de orde is. Mevrouw Van Toorenburg haalde de VVD en D66 in haar kampje, maar ik kan mij voorstellen dat zij niet aan haar kant staan, want zij zeggen dat je bij zware delicten helemaal niet moet beginnen aan het adolescentenstrafrecht. Daar hebben we het meerderjarigenstrafrecht voor, net als wanneer meerderjarigen zware delicten plegen. Ook dat is een vrij consequent gevolg. Desalniettemin vraag ik de staatssecretaris om zich erover uit te laten wat zijn mening is. Daarbij heb ik een aanvullende vraag: om hoeveel gevallen zal het gaan? Ik denk dat het om gevallen bij hoge uitzondering gaat. Het is nu al zo dat bij minderjarigen nauwelijks de maximumstraf van twee jaar wordt opgelegd. We gaan donderdag verder met dit debat. Ik heb morgen nog om bij mijn deskundige achterban te informeren of die behoefte er is en welke potentiële gevaren er zijn. Ik wil daarom vanavond niet direct de deur dichtgooien, maar nogmaals, ik ben wel sceptisch.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Dank. Ik vind dat iemand bij de behandeling van zo'n ingewikkeld wetsvoorstel de ruimte moet krijgen om daar kritisch naar te kijken. Het enige wat ik de heer Recourt wil meegeven, is of hij vooral wil kijken naar de vorige keer dat we binnen het jeugdstrafrecht de straf hebben verhoogd, waardoor we meer onder het jeugdstrafrecht brachten. Met name dat heeft mij immers overtuigd. Het kon eerder ook al, tot de 21-jarigen. Veel meer rechters gingen dat toen doen. Dat is voor mij de reden geweest om dit aan de orde te stellen. Wil de heer Recourt dit meenemen?

De heer Recourt (PvdA):

Dat doe ik. Je moet je ogen altijd op de bal houden, ook in dit geval. "De bal" betekent in dit geval: de beste inhoud. Als er een voorstel komt, is het evident dat je altijd goed moet bekijken of dat voorstel misschien beter is.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Dit debat wordt donderdag voortgezet vanaf 10.35 uur. Ik dank de staatssecretaris en ik wens iedereen een goede terugreis.

Sluiting 21.35 uur.