Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum totstandkoming
Ministerie van Buitenlandse ZakenTractatenblad 2012, 163Verdrag

22 (2012) Nr. 1

A. TITEL

Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Midden-Amerika, anderzijds;

(met Bijlagen, Protocol en verklaringen)

Tegucigalpa, 29 juni 2012

B. TEKST1)


Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Midden-Amerika, anderzijds

het Koninkrijk België,

de Republiek Bulgarije,

de Tsjechische Republiek,

het Koninkrijk Denemarken,

de Bondsrepubliek Duitsland,

de Republiek Estland,

Ierland,

de Helleense Republiek,

het Koninkrijk Spanje,

de Franse Republiek,

de Italiaanse Republiek,

de Republiek Cyprus,

de Republiek Letland,

de Republiek Litouwen,

het Groothertogdom Luxemburg,

Hongarije,

Malta,

het Koninkrijk der Nederlanden,

de Republiek Oostenrijk,

de Republiek Polen,

de Portugese Republiek,

Roemenië,

de Republiek Slovenië,

de Slowaakse Republiek,

de Republiek Finland,

het Koninkrijk Zweden,

het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

Verdragsluitende partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna de „lidstaten van de Europese Unie” genoemd, en

de Europese Unie,

enerzijds, en

de Republiek Costa Rica,

de Republiek El Salvador,

de Republiek Guatemala,

de Republiek Honduras,

de Republiek Nicaragua,

de Republiek Panama,

hierna „Midden-Amerika”,

anderzijds,

gelet op de traditionele historische, culturele, politieke, economische en sociale banden tussen de partijen en de wens om de betrekkingen op basis van gemeenschappelijke beginselen en waarden te versterken, voortbouwend op de bestaande mechanismen die de betrekkingen tussen de partijen bepalen, alsmede de wens om de biregionale banden op gebieden van gemeenschappelijk belang te consolideren, te verdiepen en te diversifiëren in een sfeer van wederzijds respect, gelijkheid, non-discriminatie, solidariteit en wederzijds profijt;

gelet op de positieve ontwikkelingen in beide regio’s gedurende de laatste twee decennia, waardoor bij de bevordering van gemeenschappelijke doelen en belangen een nieuwe fase kan worden ingeluid met diepgaandere, modernere en permanentere betrekkingen, met als doel een biregionale associatie tot stand te brengen die beantwoordt aan zowel de huidige binnenlandse uitdagingen als de nieuwe internationale realiteit;

de nadruk leggend op het belang dat de partijen hechten aan de consolidatie van de politieke dialoog en het economisch samenwerkingsproces dat tot op heden bestaat tussen de partijen op grond van de Dialoog van San José, die is gestart in 1984 en die sindsdien bij diverse gelegenheden is hervat;

herinnerend aan de conclusies van de Top van Wenen van 2006, met inbegrip van de toezeggingen die door Midden-Amerika zijn gedaan met betrekking tot verdieping van de regionale economische integratie;

erkennend de vooruitgang die is geboekt in het Midden-Amerikaanse economische integratieproces, zoals de ratificatie van de Convenio Marco para el Establecimiento de la Unión Aduanera Centroamericana en het Tratado sobre Inversión y Comercio de Servicios, alsmede de implementatie van een gerechtelijk mechanisme dat moet zorgen voor handhaving van de regionale economische wetgeving in de gehele Midden-Amerikaanse regio;

herbevestigend dat zij de democratische beginselen en fundamentele mensenrechten zoals verwoord in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens respecteren;

herinnerend aan hun engagement voor de beginselen van de rechtsstaat en goed bestuur;

uitgaand van het beginsel van gedeelde verantwoordelijkheid en in de overtuiging van het belang van het voorkomen van illegaal drugsgebruik en van het beperken van de schadelijke effecten daarvan, met inbegrip van de strijd tegen de verbouwing, de productie, de verwerking en het verhandelen van drugs en hun precursoren, alsmede tegen witwaspraktijken;

er nota van nemend dat de bepalingen van deze overeenkomst die binnen het toepassingsgebied van het derde deel, titel V, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen, het Verenigd Koninkrijk en Ierland binden als afzonderlijke overeenkomstsluitende partijen, en niet als deel van de Europese Unie, tenzij de Europese Unie tezamen met het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland de republieken van de MA-partij ervan in kennis heeft gesteld dat het Verenigd Koninkrijk of Ierland gebonden zijn als deel van de Europese Unie, overeenkomstig Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht. Indien het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland overeenkomstig artikel 4 bis van Protocol nr. 21 niet langer gebonden zijn als deel van de Europese Unie, moet de Europese Unie tezamen met het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland de republieken van de MA-partij onmiddellijk in kennis stellen van iedere wijziging in hun positie; in dat geval blijven zij op zichzelf gebonden door de bepalingen van deze overeenkomst. Hetzelfde geldt voor Denemarken, overeenkomstig het aan die verdragen gehechte Protocol betreffende de positie van Denemarken;

onderstrepend hun engagement om samen te werken aan het verwezenlijken van de doeleinden van armoedebestrijding, werkgelegenheidsschepping, rechtvaardige en duurzame ontwikkeling, met inachtneming van de kwetsbaarheid voor natuurrampen, milieubehoud, milieubescherming en biodiversiteit, en de geleidelijke integratie van de republieken van de MA-partij in de wereldeconomie;

herbevestigend het belang dat de partijen hechten aan de beginselen en regels ten aanzien van de internationale handel, met name diegene die zijn opgenomen in de overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie van 15 april 1994 (hierna „WTO-Overeenkomst” genoemd), en de multilaterale overeenkomsten die zijn gehecht aan de WTO-Overeenkomst, alsmede aan de noodzaak om deze op een transparante en niet-discriminerende wijze toe te passen;

overwegend het verschil in economische en sociale ontwikkeling dat bestaat tussen de republieken van de MA-partij en de EU-partij en de gedeelde doelstelling om het proces van economische en sociale ontwikkeling in Midden-Amerika kracht bij te zetten;

de wens uitdrukkend hun economische betrekkingen te versterken, in het bijzonder handel en investeringen, ter versterking en verbetering van de huidige mate van toegang van de republieken van de MA-partij tot de markt van de Europese Unie, om zo bij te dragen aan de economische groei in Midden-Amerika en de vermindering van de ongelijkheden tussen de twee regio’s;

ervan overtuigd dat deze overeenkomst een klimaat zal creëren dat bevorderlijk is voor groei binnen duurzame economische betrekkingen tussen de partijen, met name in de sectoren handel en investeringen, die essentieel zijn voor de verwezenlijking van de economische en sociale ontwikkeling en van technologische innovatie en modernisering;

onderstrepend de noodzaak om voort te bouwen op de beginselen, doelstellingen en mechanismen die de betrekkingen tussen de twee regio’s bepalen, in het bijzonder de Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds, en de Republiek Costa Rica, de Republiek El Salvador, de Republiek Guatemala, de Republiek Honduras, de Republiek Nicaragua en de Republiek Panama anderzijds, ondertekend in 2003 (hierna „de Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking van 2003”), alsmede de Raamovereenkomst inzake samenwerking van 1993 die door dezelfde partijen is ondertekend;

zich bewust van de noodzaak om in beide regio’s duurzame ontwikkeling te bevorderen door middel van een ontwikkelingspartnerschap waar alle relevante belanghebbenden, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector, bij zijn betrokken, overeenkomstig de beginselen van de Consensus van Monterrey en de Verklaring van Johannesburg, en het bijbehorende Uitvoeringsplan;

herbevestigend dat de staten bij de uitoefening van hun soevereine bevoegdheid om hun natuurlijke hulpbronnen overeenkomstig hun eigen milieu- en ontwikkelingsbeleid te exploiteren, duurzame ontwikkeling moeten bevorderen;

indachtig de noodzaak om een uitgebreide dialoog over migratie te ontwikkelen ter versterking van de biregionale samenwerking inzake migratievraagstukken in het kader van die delen van deze overeenkomst welke betrekking hebben op politieke dialoog en samenwerking, en om te zorgen voor effectieve bevordering en bescherming van de mensenrechten van alle migranten;

erkennend dat geen enkele bepaling van deze overeenkomst in welk opzicht ook mag verwijzen naar of geïnterpreteerd of uitgelegd mag worden als de bepaling van een standpunt van de partijen in lopende of toekomstige bilaterale of multilaterale handelsbesprekingen;

de nadruk leggend op de wil om samen te werken in internationale fora inzake kwesties van wederzijds belang;

lettend op het strategisch partnerschap dat tussen de Europese Unie en Latijns-Amerika en het Caribisch gebied in het kader van de topontmoeting van Rio in 1999 tot stand is gekomen en dat op de topontmoetingen van Madrid in 2002, Guadalajara in 2004, Wenen in 2006, Lima in 2008 en Madrid in 2010 opnieuw is bevestigd;

rekening houdend met de verklaring van Madrid van mei 2010;

hebben besloten deze overeenkomst te sluiten:

DEEL I ALGEMENE EN INSTITUTIONELE BEPALINGEN

TITEL I AARD EN TOEPASSINGSGEBIED VAN DEZE OVEREENKOMST
Artikel 1 Beginselen
  • 1. Respect voor de democratische beginselen en fundamentele mensenrechten zoals verwoord in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en voor de rechtsstaat, vormt het fundament van het binnenlandse en internationale beleid van beide partijen en vormt een essentieel onderdeel van deze overeenkomst.

  • 2. De partijen bevestigen hun verbintenis om duurzame ontwikkeling te bevorderen, hetgeen een leidend beginsel vormt voor de uitvoering van deze overeenkomst, waarbij met name rekening wordt gehouden met de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling. De partijen zorgen voor een passend evenwicht tussen de economische, sociale en milieuaspecten van duurzame ontwikkeling.

  • 3. De partijen bevestigen opnieuw hun gehechtheid aan goed bestuur en de rechtsstaat, hetgeen in het bijzonder het primaat van het recht, de scheiding der machten, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, duidelijke besluitvormingsprocedures op het niveau van de overheidsinstellingen, transparante en verantwoordelijke instellingen, goed en transparant beheer van de publiekszaken op plaatselijk, regionaal en nationaal niveau, en de uitvoering van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van corruptie behelst.

Artikel 2 Doelstellingen

De partijen komen overeen dat deze overeenkomst de volgende doelstellingen heeft:

  • a. versterking en consolidatie van de betrekkingen tussen de partijen door middel van een associatie op basis van drie onderling afhankelijke en fundamentele delen: politieke dialoog, samenwerking en handel, op basis van wederzijds respect, wederkerigheid en gemeenschappelijk belang; bij de uitvoering van deze overeenkomst wordt volledig gebruik gemaakt van de institutionele overeenkomsten en mechanismen die de partijen zijn overeengekomen;

  • b. ontwikkeling van een geprivilegieerd politiek partnerschap op basis van waarden, beginselen en gemeenschappelijke doelstellingen, met name respect voor en bevordering van de democratie en de mensenrechten, duurzame ontwikkeling, goed bestuur en de rechtsstaat, met het engagement deze waarden en beginselen op het wereldtoneel te bevorderen en te beschermen op zodanige wijze dat dit bijdraagt aan de versterking van het multilateralisme;

  • c. versterking van de biregionale samenwerking op alle gebieden van gemeenschappelijk belang met als doel een duurzamere en rechtvaardigere sociale en economische ontwikkeling in beide regio’s te verwezenlijken;

  • d. uitbreiding en diversifiëring van de biregionale handelsbetrekkingen van de partijen conform de WTO-Overeenkomst en de specifieke doelstellingen en bepalingen die zijn opgenomen in deel IV van deze overeenkomst, hetgeen moet bijdragen aan meer economische groei, geleidelijke verbetering van de levenskwaliteit in beide regio’s en betere integratie van beide regio’s in de wereldeconomie;

  • e. versterking en verdieping van het progressieve proces van regionale integratie op gebieden van gemeenschappelijk belang, als een manier om de uitvoering van deze overeenkomst te bevorderen;

  • f. versterking van betrekkingen van goed nabuurschap en van het beginsel van een vreedzame oplossing van geschillen;

  • g. op zijn minst behoud, maar bij voorkeur ontwikkeling van het niveau van goed bestuur en de bestaande sociale, arbeids- en milieunormen door middel van de doelmatige uitvoering van de internationale verdragen die door de partijen zijn ondertekend op het moment van inwerkingtreding van deze overeenkomst; en

  • h. aanmoediging van meer handel en investeringen tussen de partijen, waarbij rekening wordt gehouden met de speciale en differentiële behandeling teneinde de structurele ongelijkheden tussen de beide regio’s te verkleinen.

Artikel 3 Toepassingsgebied

De partijen behandelen elkaar als gelijken. Geen enkele bepaling in deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat deze de soevereiniteit van een republiek van de MA-partij ondermijnt.

TITEL II INSTITUTIONEEL KADER
Artikel 4 Associatieraad
  • 1. Er wordt een Associatieraad ingesteld, die toezicht houdt op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst en de uitvoering daarvan. De Associatieraad komt op ministerieel niveau bijeen met regelmatige tussenpozen van niet meer dan twee jaar, en wanneer de omstandigheden zulks vereisen in buitengewone vergadering, indien de partijen daartoe gezamenlijk besluiten. De Associatieraad komt, indien nodig en overeengekomen door beide partijen, bijeen op het niveau van staatshoofden en regeringsleiders. Om de politieke dialoog te versterken en efficiënter te maken, zullen tevens ad-hocvergaderingen op werkniveau worden aangemoedigd.

  • 2. De Associatieraad behandelt alle belangrijke vraagstukken die zich in het kader van deze overeenkomst voordoen en alle andere bilaterale, multilaterale of internationale vraagstukken van gemeenschappelijk belang.

  • 3. De Associatieraad behandelt tevens voorstellen en aanbevelingen van de partijen die strekken tot verbetering van de betrekkingen die worden gevestigd op grond van deze overeenkomst.

Artikel 5 Samenstelling en reglement van orde
  • 1. De Associatieraad bestaat uit vertegenwoordigers op ministerieel niveau van de EU-partij en van elk van de republieken van de MA-partij, overeenkomstig de respectieve interne regelingen van de partijen en rekening houdend met de specifieke kwesties (politieke dialoog, samenwerking en/of handel) die tijdens een bepaalde sessie worden behandeld.

  • 2. De Associatieraad stelt zijn eigen reglement van orde vast.

  • 3. De leden van de Associatieraad kunnen zich doen vertegenwoordigen, overeenkomstig de daartoe in het reglement van orde van de Associatieraad vastgestelde voorwaarden.

  • 4. De Associatieraad wordt beurtelings voorgezeten door een vertegenwoordiger van de EU-partij enerzijds en een vertegenwoordiger van één republiek van de MA-partij anderzijds, zulks overeenkomstig het bepaalde in het reglement van orde van de Associatieraad.

Artikel 6 Beslissingsbevoegdheid
  • 1. Voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst heeft de Associatieraad beslissingsbevoegdheid in de gevallen die in deze overeenkomst worden genoemd.

  • 2. De besluiten van de Associatieraad zijn bindend voor de partijen, die voor de uitvoering ervan de nodige maatregelen treffen overeenkomstig de interne regelgeving en de wettelijke procedures van elke partij.

  • 3. De Associatieraad kan tevens passende aanbevelingen doen.

  • 4. De Associatieraad stelt besluiten en aanbevelingen vast in onderling overleg tussen de partijen. In het geval van de republieken van de MA-partij is voor de vaststelling van besluiten en aanbevelingen hun consensus vereist.

  • 5. De in lid 4 vastgestelde procedure geldt tevens voor alle andere bij deze overeenkomst ingestelde bestuursorganen.

Artikel 7 Associatiecomité
  • 1. De Associatieraad wordt bij de uitvoering van zijn taken bijgestaan door een Associatiecomité, dat bestaat uit vertegenwoordigers op het niveau van hoge ambtenaren van de EU-partij en van elk van de republieken van de MA-partij, rekening houdend met de specifieke kwesties (politieke dialoog, samenwerking en/of handel) die tijdens een bepaalde sessie worden behandeld.

  • 2. Het Associatiecomité wordt belast met de algemene uitvoering van deze overeenkomst.

  • 3. De Associatieraad stelt het reglement van orde van het Associatiecomité vast.

  • 4. Het Associatiecomité heeft beslissingsbevoegdheid in de gevallen waarin deze overeenkomst voorziet of in de gevallen waarin de Associatieraad die bevoegdheid aan het Associatiecomité heeft gedelegeerd. In dat geval neemt het Associatiecomité zijn besluiten overeenkomstig de bepalingen in de artikelen 4 tot en met 6.

  • 5. Het Associatiecomité komt in het algemeen eenmaal per jaar bijeen voor een algehele evaluatie van de uitvoering van deze overeenkomst, beurtelings in Brussel en in Midden-Amerika; de datum en de agenda worden van tevoren door de partijen in onderling overleg vastgesteld. Bij onderling akkoord kunnen er op verzoek van een van de partijen speciale vergaderingen worden bijeengeroepen. Het voorzitterschap van het Associatiecomité wordt bij toerbeurt bekleed door een vertegenwoordiger van elk van de partijen.

Artikel 8 Subcomités
  • 1. Het Associatiecomité wordt bij de uitvoering van zijn taken bijgestaan door de bij deze overeenkomst ingestelde subcomités.

  • 2. Het Associatiecomité kan besluiten tot instelling van aanvullende subcomités. Het kan besluiten de aan een subcomité toegewezen taak te wijzigen of een subcomité te ontbinden.

  • 3. Subcomités komen op een passend niveau eenmaal per jaar of op verzoek van een van de partijen of van het Associatiecomité bijeen. Vergaderingen in persoon worden beurtelings in Brussel en in Midden-Amerika gehouden. Vergaderingen kunnen ook worden gehouden met alle voor de partijen beschikbare technologische middelen.

  • 4. Subcomités worden beurtelings voor een periode van één jaar voorgezeten door een vertegenwoordiger van de EU-partij enerzijds en een vertegenwoordiger van één republiek van de MA-partij anderzijds.

  • 5. De oprichting of het bestaan van een subcomité staat er niet aan in de weg dat de partijen een aangelegenheid direct aan het Associatiecomité kunnen voorleggen.

  • 6. De Associatieraad stelt het reglement van orde vast waarin de samenstelling en de taken van dergelijke subcomités en hoe deze functioneren worden bepaald, voor zover niet reeds bepaald door deze overeenkomst.

  • 7. Er wordt een subcomité Samenwerking ingesteld. Dit zal het Associatiecomité bijstaan bij de uitvoering van zijn taken met betrekking tot deel III van deze overeenkomst. Het subcomité heeft ook de volgende taken:

    • a. zorg voor alle aan samenwerking gerelateerde aangelegenheden waarvoor het Associatiecomité mandaat heeft verleend;

    • b. toezicht op de algehele uitvoering van deel III van deze overeenkomst;

    • c. bespreking van alle aan samenwerking gerelateerde kwesties die van invloed kunnen zijn op de werking van deel III van deze overeenkomst.

Artikel 9 Parlementair Associatiecomité
  • 1. Er wordt een Parlementair Associatiecomité opgericht. Dit comité bestaat uit enerzijds leden van het Europees Parlement en anderzijds leden van het Parlamento Centroamericano (PARLACEN), en in het geval van republieken van de MA-partij die geen lid zijn van PARLACEN, vertegenwoordigers die worden aangewezen door hun respectieve Nationale Congres; de leden van het comité zullen bijeenkomen en van gedachten wisselen. Het comité bepaalt zelf de frequentie van zijn bijeenkomsten en wordt beurtelings voorgezeten door een van beide zijden.

  • 2. Het Parlementair Associatiecomité stelt zijn reglement van orde vast.

  • 3. Het Parlementair Associatiecomité kan de Associatieraad om relevante inlichtingen over de uitvoering van deze overeenkomst verzoeken. De Associatieraad verstrekt het Parlementair Associatiecomité de gevraagde informatie.

  • 4. Het Parlementair Associatiecomité wordt ingelicht over de besluiten en aanbevelingen van de Associatieraad.

  • 5. Het Parlementair Associatiecomité kan aanbevelingen doen aan de Associatieraad.

Artikel 10 Gemengd Raadgevend Comité
  • 1. Er wordt een Gemengd Raadgevend Comité opgericht, dat als raadgevend orgaan dient voor de Associatieraad. De werkzaamheden bestaan in het indienen bij de Associatieraad van zienswijzen van organisaties uit het maatschappelijk middenveld met betrekking tot de uitvoering van deze overeenkomst, onverminderd andere processen overeenkomstig artikel 11. Verder is het de taak van het Gemengd Raadgevend Comité om bij te dragen aan de bevordering van de dialoog en de samenwerking tussen organisaties uit het maatschappelijk middenveld in de Europese Unie en die in Midden-Amerika.

  • 2. Het Gemengd Raadgevend Comité bestaat uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van enerzijds het Europees Economisch en Sociaal Comité en anderzijds het Comité Consultivo del Sistema de la Integración Centroamericana (CC-SICA) en het Comité Consultivo de Integración Económica (CCIE).

  • 3. Het Gemengd Raadgevend Comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 11 Maatschappelijk middenveld
  • 1. De partijen bevorderen bijeenkomsten van vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld in de Europese Unie en in Midden-Amerika, waaronder de academische gemeenschap, de sociale en economische partners, en non-gouvernementele organisaties.

  • 2. De partijen komen op regelmatige basis bijeen met deze vertegenwoordigers zodat zij hen kunnen informeren over de uitvoering van deze overeenkomst en kennis kunnen nemen van hun suggesties in dit verband.

DEEL II POLITIEKE DIALOOG

Artikel 12 Doelstellingen

De partijen komen overeen dat de doelstellingen van de politieke dialoog tussen de republieken van de MA-partij en de EU-partij als volgt zijn:

  • a. totstandbrenging van een geprivilegieerd politiek partnerschap op basis van met name respect voor en bevordering van democratie, vrede, mensenrechten, de rechtsstaat, goed bestuur en duurzame ontwikkeling;

  • b. verdediging van gemeenschappelijke waarden, beginselen en doelstellingen door deze te bevorderen op internationaal niveau, in het bijzonder bij de Verenigde Naties;

  • c. versterking van de Verenigde Naties als centrum van het multilaterale systeem, met als doel mondiale problemen doelmatig aan te pakken;

  • d. uitbreiding van de politieke dialoog om ten behoeve van gezamenlijke initiatieven op internationaal niveau een brede uitwisseling van opvattingen, standpunten en informatie te bewerkstelligen;

  • e. samenwerking op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid, met als doel hun standpunten te coördineren en gezamenlijke initiatieven van wederzijds belang te nemen in het kader van de relevante internationale fora.

Artikel 13 Terreinen
  • 1. De partijen komen overeen dat de politieke dialoog alle aspecten van wederzijds belang op regionaal dan wel internationaal niveau betreft.

  • 2. De politieke dialoog tussen de partijen maakt de weg vrij voor nieuwe initiatieven ten behoeve van gemeenschappelijke doelstellingen en voor het vaststellen van gemeenschappelijke standpunten op terreinen als: regionale integratie; de rechtsstaat; goed bestuur; democratie; mensenrechten; bevordering en bescherming van de rechten en fundamentele vrijheden van inheemse volkeren en personen, zoals erkend door de Verklaring van de Verenigde Naties inzake de Rechten van Inheemse Volkeren; gelijke kansen en gendergelijkheid; de structuur en oriëntatie van internationale samenwerking; migratie; armoedebestrijding en sociale cohesie; fundamentele arbeidsnormen; bescherming van het milieu en duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen; regionale veiligheid en stabiliteit, met inbegrip van de strijd tegen onveiligheid van burgers; corruptie; drugs; transnationale georganiseerde misdaad; de handel in handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor; de strijd tegen terrorisme; het voorkomen en vreedzaam oplossen van conflicten.

  • 3. De dialoog op grond van deel II omvat overeenkomstig de internationale verbintenissen van de partijen tevens de internationale verdragen inzake mensenrechten, goed bestuur, fundamentele arbeidsnormen en het milieu, en richt zich in het bijzonder op de effectieve uitvoering daarvan.

  • 4. De partijen kunnen op elk moment overeenkomen een extra onderwerp als terrein voor politieke dialoog toe te voegen.

Artikel 14 Ontwapening
  • 1. De partijen komen overeen samen te werken en bij te dragen aan de versterking van het multilateraal systeem op het vlak van conventionele ontwapening door volledige naleving en uitvoering op nationaal vlak van hun bestaande verplichtingen op grond van internationale verdragen en overeenkomsten en overige relevante internationale instrumenten op het vlak van conventionele ontwapening.

  • 2. De partijen bevorderen in het bijzonder de volledige uitvoering en universalisatie van het Verdrag inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoneelsmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens, en het Verdrag inzake bepaalde conventionele wapens en de bijbehorende protocollen.

  • 3. De partijen erkennen verder dat de illegale productie en overdracht van en de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor, en de excessieve accumulatie en ongecontroleerde verspreiding ervan een ernstige bedreiging vormen voor de vrede en de internationale veiligheid. Zij komen daarom overeen samen te werken in de strijd tegen de illegale handel in en het excessief accumulatie van handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor, en komen tevens overeen gezamenlijk te werken aan de regulering van de legale handel in conventionele wapens.

  • 4. De partijen komen daarom overeen hun verplichtingen ten aanzien van de handel in handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor op grond van de bestaande internationale overeenkomsten en de geldende resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, alsmede hun verbintenissen in het kader van andere op dit gebied geldende internationale instrumenten, zoals het Actieprogramma van de Verenigde Naties inzake handvuurwapens en lichte wapens, na te leven en volledig uit te voeren.

Artikel 15 Massavernietigingswapens
  • 1. De partijen zijn van oordeel dat de proliferatie van kern-, chemische en biologische massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor, onder zowel overheids- als niet-overheidsactoren, een van de ernstigste bedreigingen voor de internationale stabiliteit en veiligheid vormt.

  • 2. De partijen komen daarom overeen samen te werken en bij te dragen aan de strijd tegen de verspreiding van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor door de volledige naleving en uitvoering op nationaal niveau van hun bestaande verplichtingen op grond van de ontwapenings- en non-proliferatieverdragen en -overeenkomsten en andere relevante internationale verplichtingen.

  • 3. De partijen komen overeen dat deze bepaling een essentieel element van deze overeenkomst vormt.

  • 4. De partijen komen bovendien overeen om samen te werken en bij te dragen aan het doel van non-proliferatie door:

    • a. maatregelen te nemen die gericht zijn op de ondertekening of ratificatie van of de toetreding tot, naargelang het geval, alle andere relevante internationale instrumenten, en op de volledige uitvoering en naleving daarvan;

    • b. een doeltreffend systeem van nationale exportcontroles op te zetten om de uitvoer en doorvoer van met massavernietigingswapens verband houdende goederen te controleren, met inbegrip van de controle van technologieën voor tweeërlei gebruik op eindgebruik voor massavernietigingswapens, met doeltreffende sancties op inbreuken op deze exportcontroles.

  • 5. De partijen komen overeen een regelmatige politieke dialoog in te stellen ter begeleiding en consolidatie van hun samenwerking op dit vlak.

Artikel 16 Terrorismebestrijding
  • 1. De partijen herbevestigen het belang van terrorismebestrijding en komen overeen samen te werken om terrorisme te voorkomen en te bestrijden, overeenkomstig de internationale mensenrechten, het internationale humanitaire recht en het internationaal vluchtelingenrecht, de relevante internationale verdragen en instrumenten, de relevante VN-resoluties, en hun respectieve wet- en regelgeving, alsmede de mondiale strategie voor terrorismebestrijding van de Verenigde Naties, die is vervat in Resolutie 60/288 van de Algemene Vergadering van de VN van 8 september 2006.

  • 2. Zij doen dit in het bijzonder:

    • a. in het kader van de volledige uitvoering van de internationale verdragen en instrumenten, met inbegrip van alle relevante resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en de resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;

    • b. door informatie uit te wisselen over terroristische groeperingen en de netwerken die hen ondersteunen, overeenkomstig het nationale en internationale recht;

    • c. door samen te werken ten aanzien van middelen en methoden om terrorisme te bestrijden, onder meer op technisch gebied en wat betreft opleiding, en door ervaring uit te wisselen met betrekking tot het voorkomen van terrorisme en de bescherming in het kader van de strijd tegen het terrorisme;

    • d. door meningen over wetgevingskaders en beste praktijken uit te wisselen, alsmede technische en bestuurlijke ondersteuning te bieden;

    • e. door overeenkomstig hun respectieve wetgevingen gegevens uit te wisselen;

    • f. door technische bijstand en opleiding inzake onderzoeksmethoden, informatietechnologie, ontwerp van preventieprotocollen, waarschuwingen en effectieve reacties op terroristische dreigingen of daden; en

    • g. door van gedachten te wisselen over preventiemodellen met betrekking tot overige illegale activiteiten die verband houden met terrorisme, zoals witwaspraktijken, handel in vuurwapens, vervalsing van identiteitsdocumenten en mensensmokkel.

Artikel 17 Ernstige misdaden waarmee de internationale gemeenschap wordt geconfronteerd
  • 1. De partijen bevestigen opnieuw dat de ernstigste misdaden die de gehele internationale gemeenschap aangaan, niet ongestraft mogen blijven en dat de vervolging ervan moet worden gewaarborgd door maatregelen op intern en waar nodig internationaal niveau, onder meer in het Internationaal Strafhof.

  • 2. De partijen zijn van oordeel dat de oprichting van een doeltreffend functionerend Internationaal Strafhof een belangrijke ontwikkeling is voor internationale vrede en gerechtigheid en dat het Strafhof een effectief instrument is om de ernstigste misdaden waarmee de internationale gemeenschap wordt geconfronteerd, te onderzoeken en de daders ervan te vervolgen indien nationale gerechtshoven niet bereid of in staat zijn dit te doen, zulks gelet op de complementariteit van het Internationaal Strafhof ten aanzien van nationale rechtspraak in strafzaken.

  • 3. De partijen komen overeen samen te werken aan de bevordering van de universele onderschrijving van het Statuut van Rome door:

    • a. verder stappen te nemen om het Statuut van Rome uit te voeren en gerelateerde instrumenten te ratificeren en uit te voeren (zoals het Verdrag betreffende de privileges en immuniteiten van het Internationaal Strafhof);

    • b. ervaring uit te wisselen met de regionale partners ten aanzien van de vaststelling van wetswijzigingen die vereist zijn om de ratificatie en uitvoering van het Statuut van Rome mogelijk te maken; en

    • c. maatregelen te treffen om de integriteit van het Statuut van Rome te waarborgen.

  • 4. Het blijft het soevereine besluit van elke staat om te bepalen wat het meest geschikte moment is om het Statuut van Rome te onderschrijven.

Artikel 18 Financiering voor ontwikkeling
  • 1. De partijen komen overeen internationale inspanningen te ondersteunen ter bevordering van beleidsmaatregelen en regels voor de financiering van ontwikkeling en ter versterking van de samenwerking om internationaal overeengekomen ontwikkelingsdoelen te verwezenlijken, waaronder de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, de verbintenissen van de Consensus van Monterrey en andere verwante fora.

  • 2. Ten behoeve hiervan, en met het doel meer inclusieve samenlevingen te bevorderen, erkennen de partijen de noodzaak om nieuwe en innovatieve financiële mechanismen te ontwikkelen.

Artikel 19 Migratie
  • 1. De partijen bevestigen opnieuw het belang dat zij hechten aan gezamenlijke beheersing van de migratiestromen tussen hun grondgebieden. In het besef dat armoede een van de grondoorzaken van migratie is en om de onderlinge samenwerking te versterken, zetten de partijen een brede dialoog op over alle kwesties in verband met migratie, waaronder illegale migratie, vluchtelingenstromen, mensensmokkel en mensenhandel. Het thema migratie, met inbegrip van braindrain, moet geïntegreerd worden in de nationale strategieën met betrekking tot economische en sociale ontwikkeling van de gebieden van herkomst van de migranten, mede rekening houdend met de historische en culturele banden tussen beide regio’s.

  • 2. De partijen komen overeen te zorgen voor de daadwerkelijke uitoefening, bescherming en bevordering van mensenrechten voor alle migranten en voor de naleving van de beginselen van eerlijkheid en transparantie bij de gelijke behandeling van migranten, en benadrukken het belang van de strijd tegen racisme, discriminatie, vreemdelingenhaat en andere vormen van intolerantie.

Artikel 20 Milieu
  • 1. Met erkenning van het beginsel van gedeelde maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid, zoals vastgelegd in de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling van 1992, bevorderen de partijen een dialoog op het vlak van het milieu en duurzame ontwikkeling door informatie uit te wisselen en initiatieven aan te moedigen betreffende plaatselijke en mondiale milieukwesties.

  • 2. Deze dialoog is onder andere gericht op de strijd tegen de bedreiging van klimaatverandering; het behoud van biodiversiteit; de bescherming en het duurzame beheer van bossen, onder meer om de door ontbossing en aantasting van bossen veroorzaakte uitstoot te verminderen; de bescherming van de water- en mariene hulpbronnen, stroomgebieden en waterrijke gebieden; het onderzoek naar en de ontwikkeling van alternatieve brandstoffen en technologieën voor hernieuwbare energie; en de hervorming van het milieubestuur met het oog op verhoging van de efficiëntie ervan.

Artikel 21 Veiligheid van burgers

De partijen gaan een dialoog aan over de veiligheid van burgers, die fundamenteel is om menselijke ontwikkeling, democratie, goed bestuur en respect voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te bevorderen. Zij erkennen dat de veiligheid van burgers de nationale en regionale grenzen overschrijdt en derhalve de ondersteuning van een bredere dialoog en samenwerking op dit vlak vereist.

Artikel 22 Goed fiscaal bestuur

Om de economische activiteit te versterken en te ontwikkelen, met inachtneming van de noodzaak een passend regelgevingskader te ontwikkelen, erkennen de partijen gemeenschappelijke en internationaal overeengekomen beginselen van goed fiscaal bestuur en verbinden zij zich ertoe deze toe te passen.

Artikel 23 Gemeenschappelijk economisch-financieel kredietfonds
  • 1. De partijen zijn het eens over het belang om de inspanningen te vergroten om de armoede terug te dringen en de ontwikkeling van Midden-Amerika te ondersteunen, in het bijzonder die van de armste gebieden en bevolkingsgroepen.

  • 2. Daarom komen de partijen overeen te onderhandelen over de instelling van een Gemeenschappelijk economisch en financieel mechanisme, met inbegrip van onder meer interventie door de Europese Investeringsbank (EIB), de Latijns-Amerikaanse investeringsfaciliteit (LAIF) en technische bijstand door het regionale samenwerkingsprogramma voor Midden-Amerika. Dit mechanisme dient ter ondersteuning van de armoedebestrijding, ter bevordering van de ontwikkeling en het algehele welzijn van Midden-Amerika, alsmede ter bevordering van de sociaaleconomische groei en ter bevordering van een evenwichtige relatie tussen beide regio’s.

  • 3. Ten behoeve hiervan is een biregionale werkgroep ingesteld. Het mandaat van deze groep bestaat erin de instelling van een dergelijk mechanisme te onderzoeken, alsmede de modaliteiten van het functioneren daarvan.

DEEL III SAMENWERKING

Artikel 24 Doelstellingen
  • 1. De algemene doelstelling van samenwerking is de uitvoering van deze overeenkomst te ondersteunen teneinde tot een effectief partnerschap tussen de twee regio’s te komen door de daarvoor benodigde middelen, mechanismen, instrumenten en procedures ter beschikking te stellen.

  • 2. De prioriteit ligt bij de volgende doelstellingen, die nader uiteen worden gezet in de titels I tot en met IX van dit deel:

    • a. het bevorderen van vrede en veiligheid;

    • b. het bijdragen aan het versterken van democratische instellingen, goed bestuur en de volledige toepasselijkheid van de rechtsstaat, gendergelijkheid, alle vormen van non-discriminatie, culturele diversiteit, pluralisme, bevordering van en respect voor mensenrechten, fundamentele vrijheden, transparantie en betrokkenheid van burgers;

    • c. het bijdragen aan sociale cohesie door middel van verlichting van armoede, ongelijkheid, sociale uitsluiting en alle vormen van discriminatie, met als doel de levenskwaliteit voor de volkeren van Midden-Amerika en de Europese Unie te verbeteren;

    • d. het bevorderen van economische groei met het oog op stimulering van duurzame ontwikkeling, vermindering van de ongelijkheden tussen en binnen de partijen en ontwikkeling van synergieën tussen de twee regio’s;

    • e. het verdiepen van het proces van regionale integratie in Midden-Amerika door uitbreiding van de mogelijkheden om deze overeenkomst uit te voeren en om van de voordelen ervan te profiteren, teneinde zo bij te dragen aan de economische, sociale en politieke ontwikkeling van geheel Midden-Amerika;

    • f. het versterken van de productie- en beheerscapaciteit en het verbeteren van de concurrentiepositie, teneinde handels- en investeringsmogelijkheden te openen voor alle economische en sociale spelers in de twee regio’s.

  • 3. De partijen streven bij het opstellen van hun beleid en beleidsmaatregelen naar de verwezenlijking van de hiervoor genoemde doelstellingen. Deze maatregelen kunnen innovatieve financiële mechanismen omvatten, die bedoeld zijn om bij te dragen aan de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en andere internationaal overeengekomen ontwikkelingsdoelen, overeenkomstig de verbintenissen van de Consensus van Monterrey en daaropvolgende fora.

Artikel 25 Beginselen

De samenwerking tussen de partijen gaat uit van de volgende beginselen:

  • a. de samenwerking ondersteunt en is complementair aan de inspanningen van de geassocieerde landen en regio’s om uitvoering te geven aan de prioriteiten die zijn bepaald door hun eigen ontwikkelingsbeleid en -strategieën, onverminderd de activiteiten die worden verricht tezamen met hun maatschappelijk middenveld;

  • b. de samenwerking is het resultaat van een dialoog tussen de geassocieerde landen en regio’s;

  • c. de partijen bevorderen de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en de plaatselijke autoriteiten bij het ontwikkelingsbeleid en bij hun samenwerking;

  • d. de samenwerkingsactiviteiten worden ontplooid op zowel nationaal als regionaal niveau op een wederzijds complementaire wijze teneinde de in deze overeenkomst opgenomen algemene en specifieke doelstellingen te ondersteunen;

  • e. bij de samenwerking wordt rekening gehouden met horizontale kwesties zoals democratie en mensenrechten, goed bestuur, inheemse volkeren, gender, milieu – met inbegrip van natuurrampen – en regionale integratie;

  • f. de partijen vergroten de doelmatigheid van hun samenwerking door binnen wederzijds overeengekomen kaders te opereren. Zij bevorderen harmonisatie, afstemming en coördinatie tussen donoren, en vervullen alle wederzijdse verplichtingen die verband houden met de verwezenlijking van de samenwerkingsactiviteiten;

  • g. de samenwerking omvat de technische en financiële steun als middel om bij te dragen aan de totstandbrenging van de doelstellingen van deze overeenkomst;

  • h. de partijen zijn het eens over het belang om rekening te houden met de verschillende niveaus van ontwikkeling bij de opzet van de samenwerkingsactiviteiten;

  • i. de partijen zijn het eens over het belang van voortdurende steun aan beleidsmaatregelen en strategieën van de middeninkomenslanden inzake armoedebestrijding, waarbij speciale aandacht uitgaat naar de landen met middellage inkomens;

  • j. de samenwerking in het kader van deze overeenkomst doet niets af aan de deelname van de republieken van de MA-partij, als ontwikkelingslanden, aan de activiteiten van de EU-partij op het vlak van onderzoek ten behoeve van ontwikkeling of andere programma’s voor ontwikkelingssamenwerking van de Europese Unie die gericht zijn op derde landen, met inachtneming van de regels en procedures van die programma’s.

Artikel 26 Modaliteiten en methodologie
  • 1. Voor de uitvoering van de samenwerkingsactiviteiten komen de partijen het volgende overeen:

    • a. instrumenten kunnen een breed vlak aan bilaterale, horizontale of regionale activiteiten beslaan, zoals programma’s en projecten, met inbegrip van infrastructuurprojecten, budgettaire ondersteuning, sectorale beleidsdialoog, uitwisseling en overdracht van apparatuur, studies, effectbeoordelingen, statistieken en gegevensbestanden, uitwisseling van ervaring en deskundigen, opleiding, voorlichtings- en bewustmakingscampagnes, congressen en publicaties;

    • b. de uitvoerende instanties kunnen plaatselijke, nationale en regionale autoriteiten en organisaties uit het maatschappelijk middenveld en internationale organisaties omvatten;

    • c. de partijen stellen passende administratieve en financiële middelen ter beschikking om de uitvoering van de overeengekomen samenwerkingsactiviteiten conform hun eigen wet- en regelgeving en procedures mogelijk te maken;

    • d. alle bij de samenwerking betrokken entiteiten zijn gehouden aan een transparant en verantwoordelijk beheer van de middelen;

    • e. zij bevorderen innovatieve samenwerkings- en financieringsmodaliteiten en -instrumenten teneinde de efficiëntie van de samenwerking te vergroten, en zo optimaal gebruik te maken van deze overeenkomst;

    • f. uit hoofde van de samenwerking tussen de partijen worden innovatieve samenwerkingsprogramma’s voor de republieken van MA-partij vastgesteld en ontwikkeld;

    • g. de partijen stimuleren en bevorderen particuliere financiering en directe buitenlandse investeringen, met name aan de hand van financiering van de Europese Investeringsbank in Midden-Amerika overeenkomstig haar eigen procedures en financiële criteria;

    • h. de deelname van elke partij als geassocieerd partner in de kaderprogramma’s, specifieke programma’s en andere activiteiten van de andere partij wordt overeenkomstig de eigen regels en procedures bevorderd;

    • i. de deelname van de republieken van de MA-partij aan de thematische en horizontale samenwerkingsprogramma’s van de EU-partij voor Latijns-Amerika wordt bevorderd, onder andere door middel van mogelijke specifieke loketten;

    • j. de partijen bevorderen overeenkomstig hun eigen regels en procedures de trilaterale samenwerking op vlakken van gemeenschappelijk belang tussen de twee regio’s en met derde landen;

    • k. de partijen dienen alle praktische mogelijkheden voor samenwerking in hun wederzijds belang te onderzoeken.

  • 2. De partijen komen overeen overeenkomstig hun behoeften en in het kader van hun respectieve programma’s en wetgeving, de samenwerking tussen financiële instellingen te bevorderen.

Artikel 27 Evolutieve clausule
  • 1. Het feit dat een gebied of samenwerkingsactiviteit niet wordt vermeld in deze overeenkomst, wordt niet als zodanig uitgelegd dat dit een belemmering vormt voor de partijen om overeenkomstig hun respectieve wetgevingen te beslissen om op dat vlak of ten aanzien van die activiteit samen te werken.

  • 2. Er worden op voorhand geen mogelijkheden voor samenwerking uitgesloten. De partijen kunnen gebruikmaken van het Associatiecomité om praktische mogelijkheden voor samenwerking in wederzijds belang te onderzoeken.

  • 3. Wat de uitvoering van deze overeenkomst betreft, kunnen de partijen voorstellen op elk gebied de samenwerking uit te breiden, waarbij rekening wordt gehouden met de ervaring die is opgedaan gedurende de uitvoering daarvan.

Artikel 28 Statistische samenwerking
  • 1. De partijen komen overeen samen te werken met als doel overeenkomstig internationaal geaccepteerde normen betere statistische methoden en programma’s te ontwikkelen, met inbegrip van de verzameling van, verwerking van, kwaliteitscontrole op en verspreiding van statistieken, gericht op het genereren van indicatoren met een betere vergelijkbaarheid tussen de partijen, zodat de partijen gebruik kunnen maken van elkaars statistieken inzake handel in goederen en diensten, buitenlandse directe investeringen en meer in het algemeen alle gebieden die onder deze overeenkomst vallen en waarover statistieken kunnen worden opgesteld. De partijen erkennen het nut van bilaterale samenwerking ter ondersteuning van deze doelstellingen.

  • 2. De samenwerking op dit gebied is ook gericht op:

    • a. de ontwikkeling van een regionaal statistisch systeem ter ondersteuning van de door de partijen overeengekomen prioriteiten voor regionale integratie;

    • b. werkzaamheden op het vlak van statistieken over wetenschap, technologie en innovatie.

  • 3. Deze samenwerking kan onder meer het volgende betreffen: technische uitwisseling tussen statistische bureaus in de republieken van de MA-partij en in de lidstaten van de Europese Unie en Eurostat, met inbegrip van de uitwisseling van wetenschappers; ontwikkeling van verbeterde, en waar van toepassing, consistente methoden voor de verzameling, uitsplitsing, analyse en interpretatie van gegevens; en organisatie van congressen, werkgroepen en opleidingsprogramma’s op het gebied van statistiek.

TITEL I DEMOCRATIE, MENSENRECHTEN EN GOED BESTUUR
Artikel 29 Democratie en mensenrechten
  • 1. De partijen werken samen met het oog op de verwezenlijking van de volledige naleving van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden, die universeel, ondeelbaar, onderling verbonden en onderling samenhangend zijn, alsmede met het oog op het instellen en versterken van democratie.

  • 2. Deze samenwerking betreft onder andere het volgende:

    • a. effectieve uitvoering van de internationale instrumenten ten behoeve van de mensenrechten, alsmede de aanbevelingen die uitgaan van Verdragsorganen en Speciale Procedures;

    • b. integratie van de bevordering en bescherming van mensenrechten in nationaal beleid en ontwikkelingsplannen;

    • c. versterking van de mogelijkheden om democratische beginselen en praktijken toe te passen;

    • d. ontwikkeling en uitvoering van actieplannen inzake democratie en mensenrechten;

    • e. bewustmaking en onderwijs op het vlak van mensenrechten, democratie en een cultuur van vrede;

    • f. versterking van de democratische en aan mensenrechten gerelateerde instellingen, alsmede de wettelijke en institutionele kaders voor de bevordering en bescherming van mensenrechten;

    • g. ontwikkeling van gezamenlijke initiatieven in wederzijds belang in het kader van relevante multilaterale fora.

Artikel 30 Goed bestuur

De partijen komen overeen dat samenwerking op dit gebied moet dienen tot actieve ondersteuning van de regeringen door middel van acties die gericht zijn op met name:

  • a. respect voor de rechtsstaat;

  • b. waarborging van de scheiding der machten;

  • c. waarborging van de onafhankelijkheid en doelmatigheid van de rechterlijke macht;

  • d. bevordering van transparante, verantwoordelijke, efficiënte, stabiele en democratische instellingen;

  • e. bevordering van beleidsmaatregelen voor de waarborging van verantwoordelijkheid en transparant beheer;

  • f. bestrijding van corruptie;

  • g. versterking van goed en transparant bestuur op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau;

  • h. instellen en behouden van duidelijke besluitvormingsprocedures voor publieke autoriteiten op alle niveaus;

  • i. ondersteuning van de deelname van het maatschappelijk middenveld.

Artikel 31 Modernisering van staat en openbaar bestuur, met inbegrip van decentralisatie
  • 1. De partijen komen overeen dat het doel van samenwerking op dit gebied erin bestaat de wettelijke en institutionele kaders te verbeteren op basis van met name beste praktijken. Dit omvat de hervorming en modernisering van openbaar bestuur, met inbegrip van capaciteitsopbouw, ter ondersteuning en versterking van de processen van decentralisatie en om de organisatorische wijzigingen als gevolg van regionale integratie kracht bij te zetten, waarbij speciale aandacht uitgaat naar de organisatorische efficiëntie en de levering van diensten aan burgers, alsmede naar goed en transparant bestuur van de publieke middelen en verantwoordingsplicht.

  • 2. Deze samenwerking kan nationale en regionale programma’s en projecten omvatten die gericht zijn op de capaciteitsopbouw voor beleidsontwerp en de uitvoering en beoordeling van publieke beleidsmaatregelen, alsmede het versterken van de rechterlijke macht, en tegelijk het bevorderen van de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld.

Artikel 32 Preventie en oplossing van conflicten
  • 1. De partijen komen overeen dat de samenwerking op dit gebied een integraal vredesbeleid moet bevorderen en onderhouden, met inbegrip van de preventie en oplossing van conflicten. Dit beleid is gestoeld op het beginsel van betrokkenheid en deelname van de samenleving, en is primair gericht op het ontwikkelen van regionale, subregionale en nationale capaciteiten. Het beleid waarborgt gelijke politieke, economische, sociale en culturele mogelijkheden voor alle onderdelen van de samenleving, zet de democratische legitimiteit kracht bij, bevordert de sociale cohesie en vormt een effectief mechanisme voor vreedzame verzoening van de belangen van de verschillende groepen, en stimuleert een actief en georganiseerd maatschappelijk middenveld, met name door gebruik te maken van de bestaande regionale instellingen.

  • 2. De samenwerking dient ter uitbreiding van de capaciteiten om conflicten op te lossen en kan onder meer het bieden van steun omvatten voor bemiddelings-, onderhandelings- en verzoeningsprocessen, voor strategieën ter bevordering van vrede, voor inspanningen om op regionaal niveau het vertrouwen en de veiligheid te verbeteren, voor inspanningen die worden geleverd om kinderen, vrouwen en ouderen te helpen, en voor maatregelen in de strijd tegen antipersoneelsmijnen.

Artikel 33 Versterking van de instellingen en de rechtsstaat

De partijen schenken bijzondere aandacht aan de consolidering van de rechtsstaat en de versterking van de instellingen op alle niveaus op het gebied van met name rechtshandhaving en rechtsbedeling. De samenwerking is met name gericht op de versterking van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de verbetering van de doeltreffendheid daarvan.

TITEL II JUSTITIE, VRIJHEID EN VEILIGHEID
Artikel 34 Bescherming van persoonsgegevens
  • 1. De partijen komen overeen samen te werken om het niveau van de bescherming van persoonsgegevens te verbeteren, zodat deze voldoet aan de hoogste internationale normen, zoals de „Guidelines for the Regulation of Computerized Personal Data Files”, zoals gewijzigd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 14 december 1990, en om te werken aan het vrije verkeer van persoonsgegevens tussen de partijen, met inachtneming van hun interne wetgeving.

  • 2. De samenwerking inzake de bescherming van persoonsgegevens kan onder andere technische bijstand in de vorm van de uitwisseling van informatie en expertise omvatten, rekening houdend met de wet- en regelgeving van de partijen.

Artikel 35 Illegale drugs
  • 1. De partijen werken samen met het oog op een integrale, geïntegreerde en evenwichtige aanpak op basis van doeltreffende actie en coördinatie tussen de bevoegde autoriteiten, onder meer uit de gezondheidszorg, het onderwijs, de rechtshandhaving, de douane, sociale zaken, justitie en binnenlandse zaken, met als doel vraag en aanbod van illegale drugs en het effect daarvan op drugsgebruikers en de samenleving in haar geheel zo veel mogelijk te beperken, alsmede om meer vat te krijgen op omleggingen naar chemische precursoren die worden gebruikt voor de illegale productie van drugs en psychotrope stoffen, met inbegrip van omleggingen naar illegaal gebruik van drugs en psychotrope stoffen voor medisch en wetenschappelijk gebruik, en deze beter te kunnen voorkomen.

  • 2. Deze samenwerking gaat uit van het beginsel van gedeelde verantwoordelijkheid en de relevante internationale verdragen, alsmede de politieke verklaring en de speciale verklaring inzake richtsnoeren om de vraag naar drugs te verminderen en de overige belangrijke documenten die zijn aangenomen door de twintigste speciale zitting inzake drugs van juni 1998 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.

  • 3. De samenwerking is gericht op coördinatie en uitbreiding van de gezamenlijke inspanningen om het probleem van de illegale drugshandel aan te pakken. Behoudens de overige samenwerkingsmechanismen, komen de partijen overeen dat op interregionaal niveau het coördinatie- en samenwerkingsmechanisme inzake drugs dat door de Europese Unie en Latijns-Amerika en het Caribisch gebied is ingesteld, ook voor dit doel zal worden gebruikt, en dat zij zullen samenwerken om de efficiëntie hiervan te vergroten.

  • 4. De partijen komen verder overeen samen te werken in de strijd tegen misdaad in verband met drugshandel, door middel van betere coördinatie met de relevante internationale organen en instellingen.

  • 5. De partijen werken samen met het oog op een integrale en evenwichtige aanpak via doeltreffende actie en coördinatie tussen de bevoegde autoriteiten op het vlak van sociale zaken, justitie en binnenlandse zaken, met als doel:

    • a. uitwisseling van standpunten ten aanzien van wettelijke regelingen en beste praktijken;

    • b. bestrijding van het aanbod van, de handel in en de vraag naar drugs en psychotrope stoffen;

    • c. versterking van de justitiële en politionele samenwerking in de strijd tegen drugshandel;

    • d. versterking van de samenwerking op zee met het oog op een doelmatige strijd tegen drugshandel;

    • e. oprichting van informatie- en toezichtcentra;

    • f. omschrijving en toepassing van maatregelen om drugshandel, medische recepten (van drugs en psychotrope stoffen) en chemische precursoren te verminderen;

    • g. opzetten van gezamenlijke onderzoeksprogramma’s en -projecten, alsmede wederzijdse juridische bijstand;

    • h. stimulering van alternatieve ontwikkeling, in het bijzonder de bevordering van legale gewassen voor kleine producenten;

    • i. bevordering van opleiding en onderwijs van menselijke hulpbronnen met als doel het drugsgebruik en de drugshandel te voorkomen, alsmede de bestuurlijke controlesystemen te versterken;

    • j. ondersteuning van jeugdpreventieprogramma’s en onderwijs binnen en buiten schoolverband;

    • k. betere preventie alsmede behandeling, rehabilitatie en re-integratie van drugsgebruikers op basis van een breed scala aan modaliteiten, met inbegrip van schadebeperking met betrekking tot drugsmisbruik.

Artikel 36 Witwaspraktijken, met inbegrip van de financiering van terrorisme
  • 1. De partijen komen overeen samen te werken aan de preventie van het gebruik van hun financiële stelsels en ondernemingen voor het witwassen van opbrengsten die voortvloeien uit ernstige misdrijven en met name uit misdrijven in verband met illegale drugs en psychotrope stoffen en in verband met terroristische daden.

  • 2. Deze samenwerking omvat, waar van toepassing, overeenkomstig de normen die zijn vastgesteld door de Financial Action Task Force (FATF), administratieve en technische bijstand gericht op de ontwikkeling en uitvoering van regelgeving en het efficiënte functioneren van passende normen en mechanismen. De samenwerking zorgt met name voor de uitwisseling van relevante informatie en voor de vaststelling van passende normen ter bestrijding van witwaspraktijken en financiering van terrorisme overeenkomstig de normen die zijn aangenomen door internationale organen die actief zijn op dit gebied, en in overeenstemming met beste praktijken die in de internationale context worden gehanteerd.

Artikel 37 Georganiseerde misdaad en veiligheid van burgers
  • 1. De partijen komen overeen samen te werken bij de preventie en bestrijding van georganiseerde en financiële criminaliteit. Daartoe zorgen zij voor de bevordering en uitwisseling van goede praktijken en voor de toepassing van relevante overeengekomen internationale normen en instrumenten, zoals het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit en de protocollen daarbij, en het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie. Zij bevorderen met name getuigenbeschermingsprogramma’s.

  • 2. De partijen komen tevens overeen samen te werken aan een betere veiligheid van burgers, met name door ondersteuning van veiligheidsbeleid en -strategieën. Deze samenwerking dient bij te dragen aan de preventie van criminaliteit en kan activiteiten omvatten zoals regionale samenwerkingsprojecten tussen politionele en justitiële autoriteiten, opleidingsprogramma’s, en uitwisseling van beste praktijken voor het profileren van criminelen. Zij omvat verder onder meer gedachtewisselingen over wettelijke kaders, alsmede administratieve en technische bijstand gericht op versterking van de institutionele en operationele mogelijkheden van rechtshandhavingsinstanties.

Artikel 38 Bestrijding van corruptie
  • 1. De partijen erkennen het belang van het voorkomen en bestrijden van corruptie in de private en publieke sector en bevestigen opnieuw hun bezorgdheid over de ernst van de corruptie en de dreigingen die daarvan uitgaan voor de stabiliteit en veiligheid van democratische instellingen. Daartoe werken de partijen samen met het oog op de toepassing en bevordering van relevante internationale normen en instrumenten, zoals het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie.

  • 2. De partijen werken met name samen aan het volgende:

    • a. verbetering van de organisatorische doelmatigheid en waarborging van transparant beheer van de publieke middelen en verantwoordingsplicht;

    • b. versterking van de relevante instellingen, met inbegrip van rechtshandhavingsinstanties en de rechterlijke macht;

    • c. preventie van corruptie en omkoping in internationale transacties;

    • d. monitoring en beoordeling van beleidsmaatregelen ter bestrijding van corruptie op plaatselijk, regionaal, nationaal en internationaal niveau;

    • e. stimulering van acties ter bevordering van de waarden van een cultuur van transparantie, wettelijkheid en een wijziging in de houding van mensen ten aanzien van corrupte praktijken;

    • f. verdere ontwikkeling van de samenwerking ter aanmoediging van maatregelen om bezit terug te winnen, waarbij goede praktijken en capaciteitsopbouw worden bevorderd.

Artikel 39 Illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens
  • 1. De partijen werken samen aan de preventie en bestrijding van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens en de munitie daarvoor. Zij streven naar het coördineren van acties ter versterking van de wettelijke en institutionele samenwerking, alsmede het inzamelen en vernietigen van illegale handvuurwapens en lichte wapens en de munitie daarvoor in handen van burgers.

  • 2. De partijen werken samen aan de bevordering van gezamenlijke initiatieven in de strijd tegen handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor. De partijen werken met name samen aan gezamenlijke initiatieven gericht op de uitvoering van de nationale, regionale en internationale programma’s, alsmede verdragen op dat gebied, zowel in een multilateraal als interregionaal kader.

Artikel 40 Terrorismebestrijding met volledig respect voor de mensenrechten
  • 1. Samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding behelst de toepassing van het kader en de normen zoals overeengekomen in artikel 16 van deel II.

  • 2. De partijen werken ook samen om ervoor te zorgen dat personen die deelnemen aan het financieren, plannen, voorbereiden of plegen van terroristische daden of die terroristische daden ondersteunen, voor het gerecht worden gebracht. De partijen komen overeen dat de strijd tegen het terrorisme wordt verricht op basis van de volledige naleving van alle resoluties van de Verenigde Naties, respect voor de soevereiniteit van de staten, alsmede respect voor een eerlijke rechtsgang, mensenrechten en fundamentele vrijheden.

  • 3. De partijen komen overeen samen te werken aan de preventie en onderdrukking van terroristische daden door middel van politionele en justitiële samenwerking.

TITEL III SOCIALE ONTWIKKELING EN SOCIALE COHESIE
Artikel 41 Sociale cohesie met inbegrip van bestrijding van armoede, ongelijkheid en uitsluiting
  • 1. Erkennend dat sociale ontwikkeling en economische ontwikkeling hand in hand gaan, komen de partijen overeen dat de samenwerking gericht is op verbetering van de sociale cohesie door vermindering van armoede, onrechtvaardigheid, ongelijkheid en sociale uitsluiting, in het bijzonder met het oog op de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en het internationaal overeengekomen doel van bevordering van eerlijke globalisering en fatsoenlijk werk voor iedereen. Voor de verwezenlijking van deze doelstellingen worden aanzienlijke financiële middelen beschikbaar gesteld, zowel uit samenwerkingsbudgetten als nationale middelen.

  • 2. Daartoe werken de partijen samen aan de bevordering en ondersteuning van de uitvoering van:

    • a. economische beleidsmaatregelen met een sociale visie gericht op een meer inclusieve samenleving met een betere verdeling van de inkomsten teneinde de ongelijkheid en onrechtvaardigheid te verminderen;

    • b. handels- en investeringsmaatregelen, rekening houdend met de koppeling tussen handel en duurzame ontwikkeling, eerlijke handel, de ontwikkeling van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen op het platteland en in de stad en hun representatieve organisaties, en maatschappelijk verantwoord ondernemen;

    • c. een rechtvaardig en gezond fiscaal beleid ten behoeve van een betere herverdeling van rijkdom, toereikende niveaus van sociale uitgaven en inkrimping van de informele economie;

    • d. efficiënte publieke sociale uitgaven gekoppeld aan duidelijk vastgestelde sociale doelstellingen, teneinde tot een meer resultaatgeoriënteerde benadering te komen;

    • e. effectieve sociale beleidsmaatregelen en eerlijke toegang tot sociale diensten voor iedereen op tal van vlakken zoals onderwijs, gezondheid, voeding, sanitair, huisvesting, justitie en sociale zekerheid;

    • f. werkgelegenheidsbeleid gericht op fatsoenlijk werk voor iedereen en het creëren van economische kansen met specifieke aandacht voor de armste en kwetsbaarste groepen en de meest achtergestelde regio’s, en specifieke maatregelen ter bevordering van tolerantie voor culturele diversiteit op het werk;

    • g. sociale beschermingsregelingen op het gebied van onder andere pensioenen, gezondheid, ongevallen en werkloosheid, die uitgaan van het beginsel van solidariteit en toegankelijk zijn voor iedereen;

    • h. strategieën en beleidsmaatregelen ter bestrijding van vreemdelingenhaat en discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, geloofsovertuiging of etniciteit;

    • i. specifieke beleidsmaatregelen en programma’s gericht op de jeugd.

  • 3. De partijen komen overeen de uitwisseling te stimuleren van informatie over socialecohesieaspecten van nationale plannen of strategieën, alsmede van ervaringen met succes of mislukkingen met betrekking tot het opstellen en uitvoeren daarvan.

  • 4. De partijen trachten tevens gezamenlijk de bijdrage van de uitvoering van deze overeenkomst aan sociale cohesie te beoordelen.

Artikel 42 Werkgelegenheid en sociale bescherming
  • 1. De partijen komen overeen samen te werken aan de bevordering van werkgelegenheid en sociale bescherming door middel van acties en programma’s, die in het bijzonder gericht zijn op:

    • a. het zorgen voor fatsoenlijk werk voor iedereen;

    • b. het creëren van meer inclusieve en goed functionerende arbeidsmarkten;

    • c. het uitbreiden van de dekking van sociale bescherming;

    • d. het uitwisselen van beste praktijken op het gebied van werknemersmobiliteit en overdracht van pensioenrechten;

    • e. het bevorderen van de sociale dialoog;

    • f. het zorgen voor respect voor de fundamentele beginselen en rechten op het werk zoals vastgesteld door de Verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie, de zogeheten fundamentele arbeidsnormen, met name met betrekking tot de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen, het recht op collectieve onderhandelingen en non-discriminatie, de afschaffing van gedwongen en kinderarbeid, en gelijke behandeling van mannen en vrouwen;

    • g. het aanpakken van kwesties met betrekking tot de informele economie;

    • h. het geven van speciale aandacht aan achtergestelde groepen en aan de strijd tegen discriminatie;

    • i. het ontwikkelen van de kwaliteit van menselijke hulpbronnen door beter onderwijs en betere opleiding, met inbegrip van effectieve beroepsopleiding;

    • j. het verbeteren van de gezondheids- en veiligheidsomstandigheden op het werk, met name door krachtigere arbeidsinspectiediensten;

    • k. het stimuleren van werkgelegenheidsschepping en ondernemerschap door versterking van het institutionele kader dat nodig is voor het opzetten van kleine en middelgerote ondernemingen en het bevorderen van toegang tot krediet en microfinanciering.

  • 2. De activiteiten kunnen worden verricht op nationaal, regionaal en interregionaal niveau, met inbegrip van netwerken, wederzijds leren, vaststelling en verspreiding van goede praktijken, uitwisseling van informatie op basis van vergelijkbare statistische instrumenten en indicatoren en contacten tussen organisaties van sociale partners.

Artikel 43 Onderwijs en opleiding
  • 1. De partijen komen overeen dat de samenwerking gericht is op:

    • a. bevordering van rechtvaardige toegang tot onderwijs voor iedereen, met inbegrip van jongeren, vrouwen, oudere burgers, inheemse volkeren en minderheidsgroepen, waarbij speciale aandacht uitgaat naar de meest kwetsbare en gemarginaliseerde segmenten van de samenleving;

    • b. verbetering van de kwaliteit van het onderwijs, waarbij de prioriteit uitgaat naar basisonderwijs;

    • c. betere afronding van het basisonderwijs en vermindering van voortijdig schoolverlaten in het verplicht middelbaar onderwijs;

    • d. verbetering van niet-formeel leren;

    • e. verbetering van de infrastructuur en uitrusting van de bestaande onderwijscentra;

    • f. bevordering van het onderwijs voor inheemse volkeren, met inbegrip van intercultureel tweetalig onderwijs;

    • g. bevordering van hoger onderwijs, alsmede beroepsopleiding en een leven lang leren.

  • 2. De partijen komen tevens overeen het volgende aan te moedigen:

    • a. samenwerking tussen hogeronderwijsinstellingen van de partijen en uitwisseling van studenten, onderzoekers en academici door middel van bestaande programma’s;

    • b. synergiëen tussen hogeronderwijsinstellingen en de private en publieke sector op overeengekomen gebieden teneinde de overgang naar de werksituatie te vergemakkelijken.

  • 3. De partijen komen overeen speciale aandacht te blijven besteden aan de ontwikkeling van de EU-LAC-kennisruimte en initiatieven zoals de gezamenlijke ruimte voor hoger onderwijs van de EU en Latijns-Amerika/Caraïben, in het bijzonder met het oog op stimulering van het delen en uitwisselen van ervaring en technische middelen.

Artikel 44 Volksgezondheid
  • 1. De partijen komen overeen samen te werken aan de ontwikkeling van efficiënte zorgstelsels, competent en toereikend medisch personeel, eerlijke financieringsmechanismen en socialebeschermingsregelingen.

  • 2. Speciale aandacht gaat uit naar sectorale hervormingen en de zorg voor eerlijke toegang tot hoogwaardige gezondheidsdiensten, voedsel- en voedingsveiligheid, met name voor kwetsbare groepen zoals gehandicapten, ouderen, vrouwen, kinderen en inheemse volkeren.

  • 3. De partijen richten zich verder op samenwerking ter bevordering van primaire gezondheidszorg en preventie door middel van geïntegreerde benaderingen en acties waarbij ook andere beleidsterreinen worden betrokken, met name ter bestrijding van hiv/aids, malaria, tuberculose, knokkelkoorts, de ziekte van Chagas en andere prioritaire overdraagbare en niet-overdraagbare ziekten, alsmede chronische ziekten; om kindersterfte te verminderen; om de gezondheid tijdens de zwangerschap te verbeteren; en om prioritaire gebieden zoals seksuele en voortplantingsgezondheid en de zorg voor en preventie van seksueel overdraagbare aandoeningen en ongewenste zwangerschappen aan te pakken, zolang deze doelstellingen niet in strijd zijn met de nationale rechtskaders. Bovendien werken de partijen samen op het gebied van onderwijs, waterzuivering en gezondheidsgerelateerde thema’s.

  • 4. De samenwerking kan verder de ontwikkeling, uitvoering en bevordering stimuleren van het internationale gezondheidsrecht, met inbegrip van de Internationale Gezondheidsregeling en de Kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie ter bestrijding van tabaksgebruik.

  • 5. De partijen streven naar de totstandbrenging van associaties buiten het volksgezondheidsstelsel door middel van strategische partnerschappen met het maatschappelijk middenveld en andere spelers, waarbij de prioriteit uitgaat naar ziektepreventie en bevordering van de gezondheid.

Artikel 45 Inheemse volkeren en andere etnische groepen
  • 1. De partijen, die hun nationale, regionale en internationale verplichtingen nakomen en bevorderen, komen overeen dat hun samenwerkingsactiviteiten dienen bij te dragen tot grotere bescherming en bevordering van de rechten en fundamentele vrijheden van inheemse volkeren, zoals erkend door de Verklaring van de Verenigde Naties inzake de rechten van inheemse volkeren. Deze samenwerkingsactiviteiten dragen tevens bij tot versterking en bevordering van de mensenrechten en fundamentele vrijheden van personen die behoren tot minderheden en etnische groepen.

  • 2. Speciale aandacht moet uitgaan naar armoedevermindering en de strijd tegen ongelijkheid, uitsluiting en discriminatie. De ontwikkeling van samenwerkingsactiviteiten dient, overeenkomstig de nationale en internationale verplichtingen van de partijen, te worden gericht naar de relevante internationale documenten en instrumenten met betrekking tot de rechten van inheemse volkeren, zoals Resolutie 59/174 van de Verenigde Naties inzake het tweede decennium voor „s werelds inheemse volkeren en Verdrag 169 van de Internationale Arbeidsorganisatie over inheemse volkeren en stammen in onafhankelijke staten, zoals geratificeerd.

  • 3. De partijen komen verder overeen dat de samenwerkingsactiviteiten stelselmatig rekening houden met de sociale, economische en culturele identiteiten van deze volkeren en, waar nodig, voor effectieve deelname aan de samenwerkingsactiviteiten zorgen, met name op die gebieden die van groot belang voor hen zijn, zoals duurzaam beheer en gebruik van de grond en de natuurlijke hulpbronnen, het milieu, onderwijs, gezondheid, erfgoed en culturele identiteit.

  • 4. De samenwerking dient bij te dragen tot de bevordering van de ontwikkeling van inheemse volkeren. De samenwerking dient tevens bij te dragen tot de bevordering van de ontwikkeling van personen die tot organisaties van minderheden en etnische groepen behoren. Een dergelijke samenwerking verbetert ook hun capaciteiten op het gebied van onderhandelingen, bestuur en beheer.

Artikel 46 Kwetsbare groepen
  • 1. De partijen komen overeen dat de samenwerking ten gunste van kwetsbare groepen prioriteit geeft aan maatregelen, met inbegrip van innovatieve beleidsmaatregelen en projecten, waarbij dergelijke kwetsbare groepen worden betrokken. Deze moeten gericht zijn op bevordering van menselijke ontwikkeling, armoedevermindering en de strijd tegen sociale uitsluiting.

  • 2. De samenwerking omvat de bescherming van de mensenrechten en de gelijke kansen van kwetsbare groepen, het creëren van economische mogelijkheden voor de armsten, alsmede specifieke sociale beleidsmaatregelen gericht op de ontwikkeling van menselijke capaciteiten door middel van onderwijs en opleiding, toegang tot de primaire sociale diensten, sociale veiligheidsnetten en justitie, waarbij bijzondere aandacht uitgaat naar onder meer gehandicapten en hun families, kinderen, vrouwen en ouderen.

Artikel 47 Gendergelijkheid
  • 1. De partijen komen overeen dat de samenwerking dient bij te dragen tot de versterking van beleidslijnen, programma’s en mechanismen die de gelijke participatie en kansen van mannen en vrouwen in alle sectoren van het politieke, economische, maatschappelijke en culturele leven beogen te garanderen, verbeteren en verbreden, met name met het oog op de doelmatige uitvoering van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen. Waar nodig, worden positieve maatregelen ter ondersteuning van vrouwen overwogen.

  • 2. De samenwerking bevordert de integratie van het genderperspectief op alle relevante terreinen van samenwerking, met inbegrip van overheidsbeleid en ontwikkelingsstrategieën en -acties, alsmede indicatoren om het effect daarvan te meten.

  • 3. De samenwerking zou tevens moeten bijdragen tot gelijke toegang van mannen en vrouwen tot alle diensten en middelen op basis waarvan zij hun fundamentele rechten volledig kunnen uitoefenen, zoals met betrekking tot onderwijs, gezondheid, beroepsopleiding, arbeidsmogelijkheden, politieke besluitvorming, bestuursstructuren en private ondernemingen.

  • 4. Specifieke aandacht zal uitgaan naar programma’s ter bestrijding van geweld tegen vrouwen, met name door middel van preventie.

Artikel 48 Jeugd
  • 1. De samenwerking tussen de partijen ondersteunt alle relevante sectorale beleidsmaatregelen met betrekking tot de jeugd, met als doel de overerving van armoede en marginaliteit te voorkomen. Dit omvat steun aan gezinsbeleid en onderwijs, alsmede het bieden van arbeidsmogelijkheden aan jongeren, met name in arme regio’s, en het bevorderen van sociale en justitiële programma’s voor de preventie van jeugdcriminaliteit en de herintegratie in het economische en sociale leven.

  • 2. De partijen komen overeen de actieve deelname van jongeren aan de samenleving te bevorderen, met inbegrip van de vormgeving van beleidsmaatregelen die effect hebben op hun leven.

TITEL IV MIGRATIE
Artikel 49 Migratie
  • 1. Op basis van een specifieke analyse van de behoeften, die in onderling overleg door de partijen wordt verricht, werken de partijen samen overeenkomstig de desbetreffende vigerende EU-wetgeving en nationale wetgeving. De samenwerking richt zich met name op:

    • a. de grondoorzaken van migratie;

    • b. de ontwikkeling en uitvoering van nationale wetgeving en praktijken met betrekking tot internationale bescherming, teneinde te voldoen aan de bepalingen van het verdrag van Genève van 1951 inzake de status van vluchtelingen en het bijbehorende protocol van 1967 en andere relevante internationale instrumenten, en teneinde ervoor te zorgen dat het beginsel van non-refoulement gerespecteerd wordt;

    • c. de toelatingscriteria, alsmede de rechten en de status van toegelaten personen, de eerlijke behandeling en integratie van legale ingezetenen in de samenleving, onderwijs en opleiding van legale migranten en maatregelen tegen racisme en vreemdelingenhaat, en alle toepasselijke bepalingen met betrekking tot de mensenrechten van migranten;

    • d. de invoering van een doeltreffend beleid om het overmaken van geld te vergemakkelijken;

    • e. de tijdelijke en circulaire migratie, met inbegrip van het voorkomen van braindrain;

    • f. de invoering van een doeltreffend en integraal beleid inzake immigratie, smokkel van migranten en mensenhandel, met inbegrip van de vraag hoe netwerken en criminele organisaties van handelaars en smokkelaars kunnen worden bestreden en de slachtoffers van deze praktijken kunnen worden beschermd en ondersteund; alsmede alle andere vormen van migratie die niet overeenstemmen met het rechtskader van het land van bestemming;

    • g. de humane, veilige en waardige repatriëring van personen die geen legale verblijfsvergunning hebben, op grond van volledig respect voor de mensenrechten, alsmede de terugname van dergelijke personen overeenkomstig lid 2;

    • h. de uitwisseling van beste integratiepraktijken ten aanzien van migratie tussen de Europese Unie en de republieken van de MA-partij;

    • i. de ondersteunende maatregelen gericht op duurzame herintegratie van terugkerenden.

  • 2. In het kader van de samenwerking ter voorkoming en beheersing van immigratie die in strijd is met het rechtskader van het land van bestemming, komen de partijen eveneens overeen hun onderdanen die in strijd met het desbetreffende rechtskader op het grondgebied van de andere partij hebben verbleven, terug te nemen. Daartoe:

    • a. verbindt elke republiek van de MA-partij zich ertoe haar onderdanen die in strijd met het rechtskader van een lidstaat van de Europese Unie op het grondgebied van die lidstaat hebben verbleven, op verzoek en zonder verdere formaliteiten terug te nemen, deze onderdanen van passende identiteitsdocumenten te voorzien en hen alle administratieve faciliteiten die daartoe benodigd zijn, te verstrekken;

    • b. verbindt elke lidstaat van de Europese Unie zich ertoe zijn onderdanen die in strijd met het rechtskader van een republiek van de MA-partij op het grondgebied van die republiek van de MA-partij hebben verbleven, op verzoek en zonder verdere formaliteiten terug te nemen, deze onderdanen van passende identiteitsdocumenten te voorzien en hen alle administratieve faciliteiten die daartoe benodigd zijn, te verstrekken.

  • 3. Indien de terug te nemen persoon niet in het bezit is van documenten of andere bewijzen van zijn of haar nationaliteit, treffen de bevoegde diplomatieke en/of consulaire vertegenwoordigers van de desbetreffende lidstaat van de Europese Unie of de republiek van de MA-partij op verzoek van de desbetreffende republiek van de MA-partij of de lidstaat van de Europese Unie regelingen om deze persoon te ondervragen teneinde zijn of haar nationaliteit vast te stellen.

  • 4. De partijen komen overeen op verzoek en zo snel mogelijk een overeenkomst te sluiten tot vaststelling van de specifieke verplichtingen voor de lidstaten van de Europese Unie en de republieken van de MA-partij inzake terugname. Die overeenkomst betreft ook de terugname van onderdanen van andere landen en staatloze personen.

TITEL V MILIEU, NATUURRAMPEN EN KLIMAATVERANDERING
Artikel 50 Samenwerking inzake het milieu
  • 1. De partijen komen overeen de kwaliteit van het milieu op plaatselijk, regionaal en mondiaal niveau te beschermen en te verbeteren teneinde te komen tot duurzame ontwikkeling, zoals vastgelegd in de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling van 1992.

  • 2. Rekening houdend met het beginsel van gezamenlijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden, de prioriteiten en nationale ontwikkelingsstrategieën, besteden de partijen de nodige aandacht aan de relatie tussen armoede en het milieu en het effect van economische activiteit op het milieu, met inbegrip van het potentiële effect van deze overeenkomst.

  • 3. De samenwerking betreft in het bijzonder:

    • a. de bescherming en het duurzame beheer van natuurlijke hulpbronnen en ecosystemen, met inbegrip van bossen en visgronden;

    • b. de strijd tegen de vervuiling van zoete en zeewateren, lucht en bodem, onder andere door middel van goed beheer van afval, rioolwater, chemicaliën en andere gevaarlijke stoffen en materialen;

    • c. mondiale kwesties als klimaatverandering, aantasting van de ozonlaag, woestijnvorming, ontbossing, behoud van de biodiversiteit, en bioveiligheid;

    • d. in deze context zal de samenwerking gezamenlijke initiatieven trachten te bevorderen op het gebied van beperking van de klimaatverandering en aanpassing aan de nadelige effecten daarvan, met inbegrip van versterking van de koolstofmarktmechanismen.

  • 4. De samenwerking kan maatregelen omvatten als:

    • a. bevordering van de beleidsdialoog en de uitwisseling van beste milieupraktijken en ervaringen, en bevordering van capaciteitsopbouw, met inbegrip van institutionele versterking;

    • b. overdracht en gebruik van duurzame technologie en knowhow, met inbegrip van het creëren van stimuleringsmaatregelen en mechanismen voor innovatie en milieubescherming;

    • c. integratie van milieuoverwegingen met andere beleidsterreinen, met inbegrip van beheer van het grondgebruik;

    • d. bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen, onder meer door het duurzame gebruik van ecosystemen, diensten en goederen;

    • e. bevordering van milieubewustzijn en -voorlichting, alsmede grotere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, met name plaatselijke gemeenschappen, bij inspanningen ten behoeve van milieubescherming en duurzame ontwikkeling;

    • f. stimulering en bevordering van regionale samenwerking op het gebied van milieubescherming;

    • g. ondersteuning bij de uitvoering en handhaving van de multilaterale milieuovereenkomsten waarbij de partijen partij zijn;

    • h. versterking van het milieubeheer, alsmede de toezicht- en controlesystemen.

Artikel 51 Beheer van natuurrampen
  • 1. De partijen komen overeen dat de samenwerking op dit vlak gericht is op vermindering van de kwetsbaarheid van de Midden-Amerikaanse regio voor natuurrampen door ondersteuning van de nationale inspanningen, alsmede van het regionale kader voor het verminderen van de kwetsbaarheid voor en voor het reageren op natuurrampen, versterking van het regionale onderzoek, verspreiding van beste praktijken, het trekken van lessen uit de inspanningen inzake risicobeperking, en verder paraatheid, planning, monitoring, preventie, schadebeperking, respons en herstel. De samenwerking ondersteunt tevens inspanningen met betrekking tot harmonisatie van het rechtskader met de internationale normen, en de verbetering van de institutionele coördinatie en de overheidssteun.

  • 2. De partijen stimuleren strategieën ter vermindering van de maatschappelijke en ecologische kwetsbaarheid en ter versterking van de capaciteiten van plaatselijke gemeenschappen en instellingen voor risicobeperking.

  • 3. De partijen besteden specifieke aandacht aan verbetering van risicobeperking in al hun beleidsmaatregelen, waaronder territoriaal beheer, herstel en wederopbouw.

TITEL VI ECONOMISCHE EN HANDELSONTWIKKELING
Artikel 52 Samenwerking en technische bijstand op het vlak van mededingingsbeleid

Technische bijstand is onder andere gericht op institutionele capaciteitsopbouw en opleiding van medewerkers van de mededingingsautoriteiten, rekening houdend met de regionale dimensie, teneinde deze te ondersteunen bij het aanscherpen en effectief handhaven van de mededingingswetgeving op het gebied van kartelbestrijding en fusies, met inbegrip van het stimuleren van mededinging.

Artikel 53 Samenwerking douane en wederzijdse ondersteuning
  • 1. De partijen bevorderen en faciliteren de samenwerking tussen elkaars douanediensten, teneinde te zorgen voor de verwezenlijking van de in hoofdstuk 3 (Douane en handelsbevordering) van titel II van deel IV van deze overeenkomst genoemde doelstellingen, met name met het oog op vereenvoudiging van de douaneprocedures en facilitering van de rechtmatige handel, met behoud van hun mogelijkheden tot controle.

  • 2. De samenwerking moet onder meer leiden tot:

    • a. het uitwisselen van informatie aangaande de douanewetgeving en -procedures, in het bijzonder op de volgende gebieden:

      • i. vereenvoudiging en modernisering van de douaneprocedures;

      • ii. vergemakkelijking van doorvoer;

      • iii. handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douaneautoriteiten;

      • iv. betrekkingen met het bedrijfsleven;

      • v. vrij verkeer van goederen en regionale integratie;

    • b. het ontplooien van gezamenlijke initiatieven op onderling overeen te komen gebieden;

    • c. het bevorderen van de coördinatie tussen alle betrokken grensinstanties, zowel intern als grensoverschrijdend.

  • 3. De partijen bieden elkaar wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden overeenkomstig de bepalingen van bijlage III bij deel IV van deze overeenkomst.

Artikel 54 Samenwerking en technische bijstand inzake douane en handelsbevordering

De partijen erkennen het belang van technische bijstand op het vlak van douane en handelsbevordering teneinde de maatregelen die zijn opgenomen in hoofdstuk 3 (Douane en handelsbevordering) van titel II van deel IV van deze overeenkomst uit te voeren. De partijen komen overeen onder meer op de volgende gebieden samen te werken:

  • a. het verbeteren van de institutionele samenwerking ter versterking van het proces van regionale integratie;

  • b. het verstrekken van expertise en capaciteitsopbouw inzake douaneaangelegenheden aan de bevoegde autoriteiten (onder andere certificering en verificatie van oorsprong) en technische aangelegenheden ten behoeve van de handhaving van regionale douaneprocedures;

  • c. het toepassen van mechanismen en moderne douanetechnieken, zoals risicobeoordeling, bindende uitspraken vooraf, vereenvoudigde procedures voor binnenkomst en vrijgave van goederen, douanecontroles en bedrijfsauditmethodes;

  • d. het invoeren van procedures en praktijken die zo veel mogelijk in overeenstemming zijn met internationale instrumenten en normen op het gebied van douane en handel, met inbegrip van de WTO-regels en de instrumenten en normen van de Werelddouaneorganisatie (hierna de „WDO”), zoals de Internationale overeenkomst inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures, zoals gewijzigd (herziene overeenkomst van Kyoto) en het „Framework of Standards to Secure and Facilitate Global Trade” van de WDO; en

  • e. het invoeren van informatiesystemen en het automatiseren van douane en andere handelsprocedures.

Artikel 55 Samenwerking en technische bijstand inzake de overdracht van intellectuele eigendom en technologie
  • 1. De partijen erkennen het belang van samenwerking en technische bijstand op het vlak van intellectuele eigendom en komen overeen onder andere op de volgende gebieden samen te werken:

    • a. versterking van de institutionele samenwerking (bijvoorbeeld tussen bureaus voor intellectuele eigendom in de republieken van de MA-partij) en derhalve bevordering van de uitwisseling van informatie inzake rechtskaders voor intellectuele-eigendomsrechten en andere relevante beschermings- en handhavingsregels;

    • b. stimulering en bevordering van de ontwikkeling van contacten en samenwerking op het gebied van intellectuele eigendom, met inbegrip van bevordering en verspreiding van informatie tussen bedrijfskringen, het maatschappelijk middenveld, consumenten en onderwijsinstellingen;

    • c. het verstrekken van capaciteitsopbouw en opleiding (bijvoorbeeld voor rechters, aanklagers, douanebeambten en politieagenten) inzake handhaving van intellectuele-eigendomsrechten;

    • d. samenwerking ten aanzien van de ontwikkeling en verbetering van elektronische systemen van de bureaus voor intellectuele eigendom in de republieken van de MA-partij;

    • e. samenwerking inzake informatie-uitwisseling en het verlenen van expertise en technische bijstand over regionale integratie op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten.

  • 2. De partijen erkennen het belang van samenwerking ten aanzien van douaneaangelegenheden en zullen daarom de samenwerking bevorderen en vergemakkelijken teneinde grensmaatregelen met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten toe te passen, en in het bijzonder de informatie-uitwisseling en coördinatie tussen de relevante douaneadministraties uit te breiden. Deze samenwerking streeft naar versterking en modernisering van de prestaties van de douanes in de republieken van de MA-partij.

  • 3. De partijen erkennen tevens het belang van technische bijstand op het vlak van technologieoverdracht met als doel intellectuele eigendom beter te beschermen, en komen overeen onder meer bij de volgende activiteiten samen te werken:

    • a. de partijen bevorderen de overdracht van technologie, hetgeen zal geschieden op basis van programma’s voor academische, professionele en/of zakelijke uitwisselingen die gericht zijn op de overdracht van kennis van de EU-partij naar de republieken van de MA-partij;

    • b. de partijen erkennen het belang van het creëren van mechanismen ter versterking en bevordering van buitenlandse directe investeringen in de republieken van de MA-partij, met name in innovatieve en hightechsectoren. De EU stelt alles in het werk om instellingen en ondernemingen op haar grondgebied prikkels te bieden die gericht zijn op bevordering en aanmoediging van de overdracht van technologie aan instellingen en ondernemingen in de republieken van de MA-partij op zodanige wijze dat deze landen een levensvatbaar technologisch platform kunnen opbouwen;

    • c. evenzo zal de EU-partij programma’s faciliteren en bevorderen die gericht zijn op het creëren van activiteiten op het vlak van onderzoek en ontwikkeling in Midden-Amerika, teneinde aan de behoeften van de regio’s te voldoen, zoals toegang tot medicijnen, infrastructuur en technologische ontwikkeling ten behoeve van onder andere de ontwikkeling van hun bevolking.

Artikel 56 Samenwerking inzake vestiging, handel in diensten en elektronische handel
  • 1. De partijen erkennen het belang van technische samenwerking en ondersteuning ten behoeve van de uitvoering van verbintenissen en de optimalisatie van de mogelijkheden die worden gecreëerd op grond van Titel III (Vestiging, handel in diensten en elektronische handel) van deel IV, en de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst.

  • 2. De samenwerking omvat ondersteuning voor technische bijstand, opleiding en capaciteitsopbouw op onder andere de volgende gebieden:

    • a. verbetering van het vermogen van dienstverleners van de republieken van de MA-partij om informatie te verzamelen over en te voldoen aan de regels en normen van de EU-partij op het niveau van de Europese Unie en op nationaal en subnationaal niveau;

    • b. verbetering van de exportcapaciteit van dienstverleners van de republieken van de MA-partij, waarbij speciale aandacht uitgaat naar de behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen;

    • c. bevordering van interactie en dialoog tussen dienstverleners van de EU-partij en de republieken van de MA-partij;

    • d. voorziening in de behoeften aan kwalificatie en normen in die sectoren waarvoor in deze overeenkomst verbintenissen worden aangegaan;

    • e. bevordering van de uitwisseling van informatie en ervaring en verlening van technische bijstand ten aanzien van de ontwikkeling en uitvoering van regels op nationaal en regionaal niveau, waar van toepassing;

    • f. instelling van mechanismen ter bevordering van investeringen tussen de EU-partij en de republieken van de MA-partij, en vergroting van de capaciteiten van agentschappen ter bevordering van investeringen in de republieken van de MA-partij.

Artikel 57 Samenwerking en technische bijstand op het vlak van technische handelsbelemmeringen

De partijen erkennen het belang van technische bijstand op het vlak van technische handelsbelemmeringen en komen overeen onder andere op de volgende gebieden samen te werken:

  • a. verstrekking van expertise, capaciteitsopbouw, met inbegrip van de ontwikkeling en versterking van de relevante infrastructuur, opleiding en technische bijstand op het gebied van technische regelgeving, normalisatie, conformiteitsbeoordeling, accreditatie en metrologie. Dit kan tevens activiteiten omvatten ter bevordering van het begrip en de naleving van de voorschriften van de Europese Unie, met name door kleine en middelgrote ondernemingen;

  • b. ondersteuning van de harmonisatie van de wetgeving en -procedures inzake technische handelsbelemmeringen binnen Midden-Amerika en bevordering van het verkeer van goederen binnen de regio;

  • c. bevordering van de actieve participatie van de vertegenwoordigers van de republieken van de MA-partij aan de werkzaamheden van relevante internationale organisaties met het oog op een bredere toepassing van internationale normen;

  • d. uitwisseling van informatie, ervaring en goede praktijken ter bevordering van de uitvoering van hoofdstuk 4 (Technische handelsbelemmeringen) van titel II van deel IV van deze overeenkomst. Dit kan programma’s omvatten ter bevordering van de handel op vlakken van gezamenlijk belang, zoals omschreven in hoofdstuk 4.

Artikel 58 Samenwerking en technische bijstand op het vlak van overheidsopdrachten

De partijen erkennen het belang van samenwerking en technische bijstand op het vlak van overheidsopdrachten en komen overeen als volgt samen te werken:

  • a. in overeenkomst tussen de desbetreffende partijen, verbetering van de institutionele samenwerking en bevordering van de informatie-uitwisseling ten aanzien van rechtskaders aangaande overheidsopdrachten, aangevuld met de mogelijke introductie van een dialoogmechanisme;

  • b. op verzoek van een van de partijen, levering van capaciteitsopbouw en opleiding, met inbegrip van opleiding voor de particuliere sector inzake innovatieve middelen voor overheidsopdrachten in een concurrentiesituatie;

  • c. ondersteuning van publieksvoorlichtingsactiviteiten in de republieken van de MA-partij ten behoeve van de openbare sector, de particuliere sector en het maatschappelijk middenveld met betrekking tot de bepalingen van titel V (Overheidsopdrachten) van deel IV van deze overeenkomst, in verband met de systemen van de Europese Unie voor overheidsopdrachten, en de kansen die Midden-Amerikaanse leveranciers kunnen krijgen in de Europese Unie;

  • d. ondersteuning voor het ontwikkelen, vestigen en laten functioneren van één enkel contactpunt voor informatie met betrekking tot overheidsopdrachten voor de gehele Midden-Amerikaanse regio. Dit contactpunt functioneert overeenkomstig de bepalingen van artikel 212, lid 1, onder d), artikel 213, artikel 215, lid 4, en artikel 223, lid 2, van titel V (Overheidsopdrachten) van deel IV van deze overeenkomst;

  • e. verbetering van de technologische mogelijkheden voor overheidsdiensten op centraal en subcentraal niveau of voor andere aanbestedende diensten.

Artikel 59 Samenwerking en technische bijstand inzake visserij en aquacultuur
  • 1. De partijen erkennen het belang van economische, technische en wetenschappelijke samenwerking ten behoeve van een duurzame ontwikkeling van de visserij- en aquacultuursector. De doelstellingen van een dergelijke samenwerking zijn met name:

    • a. bevordering van een duurzame exploitatie en een duurzaam beheer van de visserij;

    • b. bevordering van beste praktijken ten aanzien van visserijbeheer;

    • c. verbetering van de gegevensverzameling teneinde rekening te kunnen houden met de best beschikbare wetenschappelijke informatie voor beoordeling en beheer van de visbestanden;

    • d. verbetering van de systemen van toezicht, controle en bewaking;

    • e. bestrijding van illegale, niet-gemelde of ongereglementeerde visserijactiviteiten.

  • 2. Deze samenwerking kan onder meer het volgende betreffen:

    • a. het beschikbaar stellen van technische expertise, ondersteuning en capaciteitsopbouw voor duurzaam beheer van de visbestanden, met inbegrip van de ontwikkeling van alternatieve viskwekerijen;

    • b. het uitwisselen van informatie, ervaring en capaciteitsopbouw voor duurzame sociale en economische ontwikkeling van de visserij- en aquacultuursector, waarbij specifieke aandacht uitgaat naar de verantwoordelijke ontwikkeling van ambachtelijke en kleinschalige visserij en aquacultuur en de diversificatie van hun producten en activiteiten, met inbegrip van met name de verwerkingsindustrie;

    • c. het ondersteunen van de institutionele samenwerking en het bevorderen van de informatie-uitwisseling inzake rechtskaders voor visserij en aquacultuur, met inbegrip van relevante internationale instrumenten;

    • d. het versterken van de samenwerking binnen internationale organisaties en met nationale en regionale organisaties voor visserijbeheer, waarbij technische bijstand wordt geboden, onder meer in de vorm van workshops en studies, om te zorgen voor een beter inzicht in de toegevoegde waarde van internationale rechtsinstrumenten voor de verwezenlijking van goed beheer van de mariene hulpbronnen.

Artikel 60 Samenwerking en technische bijstand op het vlak van ambachtelijke goederen

De partijen erkennen het belang van samenwerkingsprogramma’s ter bevordering van acties die ertoe bijdragen dat ambachtelijke goederen die in de republieken van de MA-partij worden geproduceerd, profiteren van deze overeenkomst. Meer in het bijzonder kan de samenwerking op de volgende gebieden worden gericht:

  • a. ontwikkeling van de mogelijkheden ter bevordering van de markttoegang van ambachtelijke goederen uit Midden-Amerika;

  • b. capaciteitsopbouw van de entiteiten in Midden-Amerika met verantwoordelijkheid voor de bevordering van de export, met name ter ondersteuning van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (hierna „mkmo’s”) uit stedelijke en plattelandsregio’s, die nodig zijn voor de productie en export van ambachtelijke goederen, onder meer met betrekking tot douaneprocedures en technische voorschriften die gelden in de EU-markt;

  • c. bevordering van het behoud van deze culturele producten;

  • d. ondersteuning van de ontwikkeling van de infrastructuur die vereist is om mkmo’s te ondersteunen die zich bezighouden met de productie van ambachtelijke goederen;

  • e. capaciteitsopbouw ter verbetering van de bedrijfsprestaties van producenten van ambachtelijke goederen door middel van opleidingsprogramma’s.

Artikel 61 Samenwerking en technische bijstand op het vlak van biologische goederen

De partijen erkennen het belang van samenwerkingsprogramma’s ter bevordering van de voordelen die biologische goederen die worden geproduceerd in de republieken van de MA-partij, kunnen hebben van deze overeenkomst. Meer in het bijzonder is de samenwerking onder andere op de volgende gebieden gericht:

  • a. ontwikkeling van de mogelijkheden ter bevordering van de markttoegang voor biologische goederen uit Midden-Amerika;

  • b. capaciteitsopbouw van de entiteiten in Midden-Amerika met verantwoordelijkheid voor de bevordering van de export, met name ter ondersteuning van mkmo’s uit stedelijke en plattelandsregio’s, die nodig zijn voor de productie en export van biologische goederen, onder meer met betrekking tot douaneprocedures, technische voorschriften en kwaliteitsnormen die gelden in de EU-markt;

  • c. ondersteuning van de ontwikkeling van de infrastructuur die vereist is om mkmo’s te ondersteunen bij de productie van biologische goederen;

  • d. capaciteitsopbouw ter verbetering van de bedrijfsprestaties van de producenten van biologische goederen door middel van opleidingsprogramma’s;

  • e. samenwerking bij de ontwikkeling van distributienetwerken in de EU-markt.

Artikel 62 Samenwerking en technische bijstand ten aanzien van voedselveiligheid, sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden, en vraagstukken van dierenwelzijn
  • 1. De samenwerking op dit vlak wordt toegespitst op versterking van de capaciteiten van de partijen ten aanzien van sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden en vraagstukken van dierenwelzijn, teneinde de toegang tot de markt van de andere partij te verbeteren en tegelijk de mate van bescherming van mensen, dieren en planten, alsmede het dierenwelzijn te waarborgen.

  • 2. Dit kan onder andere het volgende betreffen:

    • a. ondersteuning van de harmonisatie van sanitaire en fytosanitaire wetgeving en procedures binnen Midden-Amerika en bevordering van het verkeer van goederen binnen de regio;

    • b. beschikbaarstelling van expertise inzake de wettelijke en technische capaciteit om wetgeving op te stellen en te handhaven, alsmede om sanitaire en fytosanitaire controlesystemen te ontwikkelen (met inbegrip van uitroeiingsprogramma’s, voedselveiligheidssystemen en waarschuwingsmeldingen), en expertise inzake dierenwelzijn;

    • c. ondersteuning van de ontwikkeling en versterking van institutionele en administratieve capaciteiten in Midden-Amerika, zowel op regionaal als nationaal niveau, teneinde de sanitaire en fytosanitaire status te verbeteren;

    • d. ontwikkeling van capaciteiten in elk van de republieken van de MA-partij om aan de sanitaire en fytosanitaire voorschriften te voldoen teneinde de toegang tot de markt van de andere partij te verbeteren en tegelijk het beschermingsniveau te waarborgen;

    • e. verlening van advies en technische bijstand inzake de sanitaire en fytosanitaire regelgeving van de Europese Unie en de toepassing van de normen die vereist zijn voor de EU-markt.

  • 3. Het subcomité Sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden, zoals ingesteld uit hoofde van hoofdstuk 5 (Sanitaire en fytosanitaire maatregelen) van titel II (Handel in goederen), deel IV van deze overeenkomst, doet voorstellen inzake de behoeften aan samenwerking om een werkprogramma op te stellen.

  • 4. Het Associatiecomité controleert de voortgang van de samenwerking die wordt opgezet op grond van dit artikel en legt de resultaten van deze controle voor aan het subcomité Sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden.

Artikel 63 Samenwerking en technische bijstand inzake handel en duurzame ontwikkeling
  • 1. De partijen erkennen het belang van samenwerking en technische bijstand op het gebied van handel en arbeid, alsmede handel en milieu voor de verwezenlijking van de doelstellingen van titel VIII (Handel en duurzame ontwikkeling) van deel IV van deze overeenkomst.

  • 2. In aanvulling op de activiteiten die zijn omschreven in titel III (Sociale ontwikkeling en sociale cohesie) en titel V (Milieu, natuurrampen en klimaatverandering) van deel III van deze overeenkomst, komen de partijen overeen samen te werken, onder meer door acties inzake technische bijstand, opleiding en capaciteitsopbouw op onder andere de volgende gebieden te ondersteunen:

    • a. ondersteuning bij het opzetten van stimuleringsmaatregelen ten behoeve van milieubescherming en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, met name door middel van bevordering van legale en duurzame handel, bijvoorbeeld door middel van programma’s voor eerlijke en ethische handel, met inbegrip van programma’s die maatschappelijk verantwoord ondernemen en verantwoordingsplicht impliceren, alsmede gerelateerde etiketterings- en marketinginitiatieven;

    • b. bevordering van handelsgerelateerde samenwerkingsmechanismen, zoals overeengekomen door de partijen, om bij te dragen aan de uitvoering van de huidige en toekomstige internationale klimaatveranderingsregeling;

    • c. bevordering van handel in producten die verkregen zijn uit duurzaam beheerde natuurlijke hulpbronnen, onder andere door middel van effectieve maatregelen met betrekking tot dieren in het wild en visgronden, en certificering van legaal en duurzaam geproduceerd hout. Hierbij gaat specifieke aandacht uit naar vrijwillige en flexibele mechanismen en marketinginitiatieven gericht op bevordering van ecologisch duurzame productiesystemen;

    • d. versterking van institutionele kaders, ontwikkeling en uitvoering van beleidsmaatregelen en programma’s met betrekking tot de uitvoering en handhaving van multilaterale milieuovereenkomsten en milieuwetgeving, zoals overeengekomen door de partijen, en ontwikkeling van maatregelen ter bestrijding van illegale handel die voor het milieu van belang is, onder andere door handhavingsactiviteiten en douanesamenwerking;

    • e. versterking van institutionele kaders, ontwikkeling en uitvoering van beleidsmaatregelen en programma’s met betrekking tot fundamentele beginselen en rechten op het werk (de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen, het recht op collectieve onderhandelingen, dwangarbeid, kinderarbeid, geen discriminatie op de arbeidsmarkt), en uitvoering en handhaving van de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna de „ILO”) en de arbeidswetgeving, zoals overeengekomen door de partijen;

    • f. bevordering van gedachtewisselingen over de ontwikkeling van methoden en indicatoren voor duurzaamheidsbeoordeling en ondersteuning van initiatieven om gezamenlijk de bijdrage aan duurzame ontwikkeling van deel IV van deze overeenkomst te evalueren, te monitoren en te beoordelen;

    • g. versterking van de institutionele capaciteit ten aanzien van handels- en duurzame-ontwikkelingskwesties, en ondersteuning van de organisatie en bevordering van de overeengekomen kaders voor dialoog met het maatschappelijk middenveld over dergelijke zaken.

Artikel 64 Industriële samenwerking
  • 1. De partijen komen overeen dat industriële samenwerking de modernisering en herstructurering van de Midden-Amerikaanse industrie en de afzonderlijke sectoren bevordert, alsmede de industriële samenwerking tussen marktdeelnemers, met als doel de versterking van de particuliere sector op basis van voorwaarden die ten goede komen aan bescherming van het milieu.

  • 2. In initiatieven voor industriële samenwerking komen de door de partijen bepaalde prioriteiten tot uiting. Daarbij wordt rekening gehouden met regionale aspecten van industriële ontwikkeling en worden, waar van toepassing, transnationale partnerschappen bevorderd. De initiatieven zijn met name gericht op het instellen van een passend kader voor beter beheer van de knowhow en bevordering van de transparantie met betrekking tot de markten en voorwaarden voor zakelijke ondernemingen.

Artikel 65 Energie (met inbegrip van hernieuwbare energie)
  • 1. De partijen komen overeen dat het hun gezamenlijke doelstelling is om samenwerking te bevorderen op het vlak van energie, met name duurzame schone en hernieuwbare energiebronnen, energie-efficiëntie, energiebesparingstechnologie, elektriciteitsvoorziening op het platteland en regionale integratie van de energiemarkten, onder meer zoals vastgesteld door de partijen en overeenkomstig de interne wetgeving.

  • 2. De samenwerking kan onder andere het volgende betreffen:

    • a. formulering en planning van het energiebeleid, met inbegrip van onderling verbonden infrastructuren van regionaal belang, verbetering en diversifiëring van de energievoorziening en verbetering van de energiemarkten, waaronder vergemakkelijking van de doorvoer, transmissie en distributie binnen de republieken van de MA-partij;

    • b. management en opleiding voor de energiesector en overdracht van technologie en kennis, met inbegrip van de lopende werkzaamheden inzake normen met betrekking tot emissies bij energieopwekking en energie-efficiëntie;

    • c. bevordering van energiebesparing, energie-efficiëntie, hernieuwbare energie en onderzoek naar het milieueffect van energieproductie en -verbruik, in het bijzonder de effecten op biodiversiteit, bosbouw en veranderingen in grondgebruik;

    • d. bevordering van de toepassing van schone ontwikkelingsmechanismen ter ondersteuning van klimaatveranderingsinitiatieven en de variabiliteit daarvan.

Artikel 66 Samenwerking op het gebied van de mijnbouw

De partijen komen overeen samen te werken op het gebied van de mijnbouw, waarbij rekening wordt gehouden met de respectieve wetgevingen en interne procedures, alsmede aspecten van duurzame ontwikkeling, met inbegrip van milieubescherming en -behoud, door middel van initiatieven zoals bevordering van de uitwisseling van informatie, deskundigen, ervaring en ontwikkeling en overdracht van technologie.

Artikel 67 Eerlijk en duurzaam toerisme
  • 1. De partijen erkennen het belang van de toerismesector voor de armoedebestrijding door middel van de sociale en economische ontwikkeling van plaatselijke gemeenschappen, en het grote economische potentieel van beide regio’s om ondernemingsactiviteiten op dit gebied te ontwikkelen.

  • 2. Om deze reden komen zij overeen eerlijk en duurzaam toerisme te bevorderen, en met name het volgende te ondersteunen:

    • a. de ontwikkeling van beleidsmaatregelen om de sociaaleconomische voordelen van het toerisme te optimaliseren;

    • b. de creatie en consolidatie van toeristische producten door middel van het bieden van niet-financiële diensten, opleiding en technische bijstand en diensten;

    • c. de verwerking van milieu-, culturele en sociale overwegingen in de ontwikkeling van de toerismesector, onder andere door bescherming en bevordering van cultureel erfgoed en natuurlijke hulpbronnen;

    • d. de betrokkenheid van plaatselijke gemeenschappen bij het proces van toeristische ontwikkeling, met name plattelands- en gemeenschapstoerisme en ecotoerisme;

    • e. marketing- en promotiestrategieën, de ontwikkeling van institutionele capaciteit en menselijke hulpbronnen, en de bevordering van internationale normen;

    • f. de bevordering van publiek-private samenwerking en associatie;

    • g. de ontwikkeling van beheersplannen voor nationale en regionale toeristische ontwikkeling;

    • h. de bevordering van informatietechnologie op het gebied van toerisme.

Artikel 68 Samenwerking op vervoersgebied
  • 1. De partijen komen overeen dat de samenwerking op dit gebied wordt geconcentreerd op herstructurering en modernisering van de systemen voor vervoer en de daarmee samenhangende infrastructuur, met inbegrip van grensovergangen, op bevordering en verbetering van het verkeer van personen en goederen, en op verbetering van de toegang tot de markten voor stads-, lucht-, zee-, spoor- en wegvervoer en vervoer over de binnenwateren, door verbetering van het operationele en administratieve beheer van het vervoer en bevordering van strenge exploitatienormen.

  • 2. De samenwerking kan onder meer inhouden:

    • a. uitwisseling van informatie over het beleid van de partijen, met name wat betreft het stadsvervoer en de koppeling en interoperabiliteit van multimodale vervoersnetwerken, alsmede andere terreinen van wederzijds belang;

    • b. het beheer van binnenwateren, wegen, spoorwegen, havens en luchthavens, met inbegrip van passende samenwerking tussen de relevante autoriteiten;

    • c. projecten gericht op overdracht van Europese technologie op het gebied van het wereldwijde satellietnavigatiesysteem GNSS en centra voor openbaar stadsvervoer;

    • d. verbetering van de normen voor veiligheid en voorkoming van verontreiniging, onder meer door samenwerking in passende internationale fora, gericht op betere handhaving van de internationale normen;

    • e. activiteiten die de ontwikkeling van het lucht- en zeevervoer bevorderen.

Artikel 69 Goed bestuur op belastinggebied

Overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden verbeteren de partijen de internationale samenwerking op fiscaal gebied teneinde het innen van rechtmatige belastingopbrengsten te bevorderen en maatregelen te ontwikkelen voor de daadwerkelijke uitvoering van gemeenschappelijke en internationaal geaccepteerde beginselen van goed bestuur op fiscaal gebied, zoals genoemd in artikel 22, deel II, van deze overeenkomst.

Artikel 70 Micro-, kleine en middelgrote ondernemingen

De partijen komen overeen de concurrentiepositie en de integratie van rurale en stedelijke mkmo’s en hun vertegenwoordigende organisaties in de internationale markten te bevorderen, in het besef van hun bijdrage aan sociale cohesie door middel van armoedevermindering en het creëren van banen. De partijen doen dit door niet-financiële diensten, opleiding en technische bijstand te verstrekken, en door onder andere de volgende samenwerkingsactiviteiten te verrichten:

  • a. technische bijstand en overige bedrijfsontwikkelingsdiensten;

  • b. versterking van de plaatselijke en regionale institutionele kaders met het oog op het opzetten en de exploitatie van mkmo’s;

  • c. ondersteuning van mkmo’s, zodat zij kunnen deelnemen aan de goederen- en dienstenmarkten op plaatselijk en internationaal niveau, door middel van deelneming aan beurzen, handelsmissies en andere promotiemechanismen;

  • d. bevordering van productieve koppelingsprocessen;

  • e. bevordering van de uitwisseling van ervaring en beste praktijken;

  • f. stimulering van gezamenlijke investeringen, partnerschappen en bedrijfsnetwerken;

  • g. vaststelling en vermindering van belemmeringen voor mkmo’s om toegang tot financiële bronnen te krijgen, en totstandbrenging van nieuwe financieringsmechanismen;

  • h. bevordering van de overdracht van zowel technologie als kennis;

  • i. ondersteuning voor innovatie, alsmede onderzoek en ontwikkeling;

  • j. ondersteuning van het gebruik van kwaliteitsbeheerssystemen.

Artikel 71 Samenwerking inzake microkrediet en microfinanciering

De partijen zijn het erover eens dat, om de inkomensongelijkheid te reduceren, microfinanciering, met inbegrip van programma’s voor microkrediet, zelfstandige activiteiten genereert en een doelmatig instrument is om armoede te overwinnen en de kwetsbaarheid in tijden van economische crisis te verminderen, doordat gezorgd wordt voor een bredere deelname aan de economie. De samenwerking betreft het volgende:

  • a. uitwisseling van ervaringen en deskundigheid op het gebied van ethisch bankieren en bankieren op basis van een vereniging of een zelfbestuurde gemeenschap, en de versterking van duurzame programma’s voor microfinanciering, met inbegrip van certificerings-, toezicht- en validatieprogramma’s;

  • b. toegang tot microkrediet door de toegang tot door banken en financiële instellingen geboden financiële diensten te bevorderen door middel van stimuleringsmaatregelen en risicobeheersingsprogramma’s;

  • c. uitwisseling van ervaring op het vlak van beleidsmaatregelen en alternatieve wetgeving ter bevordering van het creëren van volksbankieren en ethisch bankieren.

TITEL VII REGIONALE INTEGRATIE
Artikel 72 Samenwerking inzake regionale integratie
  • 1. De partijen komen overeen dat in het kader van de samenwerking op dit gebied het proces van regionale integratie in Midden-Amerika op alle vlakken wordt versterkt, in het bijzonder door de ontwikkeling en invoering van een gemeenschappelijke markt, met als doel geleidelijk een economische unie te creëren.

  • 2. De samenwerking steunt de activiteiten met betrekking tot het integratieproces van Midden-Amerika, in het bijzonder de ontwikkeling en versterking van gemeenschappelijke instellingen met als doel deze doelmatiger, controleerbaarder en transparanter te maken, en van hun interinstitutionele betrekkingen.

  • 3. De samenwerking versterkt de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij het integratieproces onder de voorwaarden die door de partijen zijn bepaald, en omvat ondersteuning van de overlegmechanismen en bewustmakingscampagnes.

  • 4. De samenwerking bevordert ook de ontwikkeling van gezamenlijk beleid en de harmonisering van de wetgevingskaders, voor zover deze onder de instrumenten voor de integratie van Midden-Amerika vallen. Dit geldt voor economisch beleid, zoals handel, douane, landbouw, energie, vervoer, communicatie en mededinging, maar ook voor de coördinatie van het macro-economisch beleid, zoals het monetaire en fiscale beleid en de overheidsfinanciën. De samenwerking bevordert verder de coördinatie van sectoraal beleid op gebieden zoals consumentenbescherming, milieu, sociale cohesie, veiligheid, voorkoming van en respons op natuurrisico’s en -rampen. Specifieke aandacht gaat uit naar de genderdimensie.

  • 5. De samenwerking kan ook investeringen bevorderen in gemeenschappelijke infrastructuur en netwerken, in het bijzonder aan de grenzen van de republieken van de MA-partij.

Artikel 73 Regionale samenwerking

De partijen komen overeen alle beschikbare samenwerkingsinstrumenten te gebruiken om activiteiten te bevorderen op alle gebieden van samenwerking die onder deze overeenkomst vallen en die gericht zijn op de ontwikkeling van actieve samenwerking tussen de EU-partij en de republieken van de MA-partij, zonder de samenwerking tussen hen, tussen de republieken van de MA-partij en andere landen en/of gebieden in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied te ondermijnen. Er wordt naar gestreefd regionale en bilaterale samenwerkingsactiviteiten complementair te maken.

TITEL VIII CULTURELE EN AUDIOVISUELE SAMENWERKING
Artikel 74 Culturele en audiovisuele samenwerking
  • 1. De partijen verbinden zich ertoe de culturele samenwerking te bevorderen met als doel het wederzijdse begrip te vergroten en evenwichtige culturele uitwisselingen, alsmede de verspreiding van culturele activiteiten, goederen en diensten en het verkeer van artiesten en beroepsmensen uit de culturele sector aan te moedigen, waarbij overeenkomstig hun respectieve wetgeving ook organisaties uit het maatschappelijk middenveld van de EU-partij en de republieken van de MA-partij worden betrokken.

  • 2. De partijen stimuleren de interculturele dialoog tussen personen, culturele instellingen en organisaties uit het maatschappelijk middenveld van de EU-partij en de republieken van de MA-partij.

  • 3. De partijen stimuleren de coördinatie in het kader van de UNESCO met het oog op bevordering van de culturele diversiteit, onder andere via overleg inzake de ratificatie en uitvoering van het UNESCO-Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen door de EU-partij en de republieken van de MA-partij. De samenwerking omvat ook de bevordering van de culturele diversiteit, met inbegrip van die van inheemse volkeren, en de culturele praktijken van andere specifieke groepen, met inbegrip van het onderwijs in inheemse talen.

  • 4. De partijen komen overeen de samenwerking in de audiovisuele en mediasector, met inbegrip van radio en pers, te bevorderen door middel van gezamenlijke initiatieven op het vlak van opleiding, alsmede audiovisuele ontwikkeling en productie- en distributieactiviteiten, onder andere op het educatieve en culturele vlak.

  • 5. De samenwerking vindt plaats overeenkomstig de relevante nationale auteursrechtelijke bepalingen en de toepasselijke internationale overeenkomsten.

  • 6. De samenwerking op dit gebied omvat tevens de waarborging en bevordering van natuurlijk en cultureel erfgoed (materieel en immaterieel), met inbegrip van het voorkomen van en optreden tegen illegale handel in cultureel erfgoed, overeenkomstig de relevante internationale instrumenten.

  • 7. Aan deze overeenkomst is een protocol betreffende culturele samenwerking gehecht dat betrekking heeft op deze titel.

TITEL IX KENNISMAATSCHAPPIJ
Artikel 75 Informatiemaatschappij
  • 1. De partijen komen overeen dat informatie- en communicatietechnologieën essentiële sectoren in een moderne samenleving zijn en van cruciaal belang zijn voor de economische en sociale ontwikkeling en een soepele overgang naar een informatiemaatschappij. De samenwerking op dit gebied dient ertoe om bij te dragen tot de totstandbrenging van een degelijk regelgevings- en technologisch kader, om de ontwikkeling van deze technologieën te bevorderen, om beleidsmaatregelen te ontwikkelen die bijdragen aan vermindering van de digitale kloof en ontwikkeling van menselijke capaciteit, om rechtvaardige en inclusieve toegang te bieden tot informatietechnologie, en om optimaal gebruik te maken van deze technologieën voor de levering van diensten. In dit opzicht dient de samenwerking ook de uitvoering van deze beleidsmaatregelen te ondersteunen en bij te dragen aan betere interoperabiliteit van de elektronische communicatiediensten.

  • 2. De samenwerking op dit gebied is ook gericht op bevordering van:

    • a. de dialoog over en de uitwisseling van ervaringen ten aanzien van regelgevings- en beleidsmatige aangelegenheden met betrekking tot de informatiemaatschappij, waaronder het gebruik van informatie- en communicatietechnologieën zoals e-overheidsdiensten, e-learning en e-gezondheidszorg, en beleidsmaatregelen gericht op verkleining van de digitale kloof;

    • b. uitwisseling van ervaring en beste praktijken ten aanzien van de ontwikkeling en introductie van toepassingen voor e-overheidsdiensten;

    • c. dialoog over en uitwisseling van ervaring ten aanzien van de ontwikkeling van e-commerce, de digitale handtekening en telewerken;

    • d. uitwisseling van informatie over normen, conformiteitsbeoordeling en typegoedkeuring;

    • e. gezamenlijke onderzoek- en ontwikkelingsprojecten inzake informatie- en communicatietechnologieën;

    • f. ontwikkeling van het gebruik van het Academic Advanced Network, dat wil zeggen zoeken naar oplossingen op de lange termijn om RedCLARA zelfvoorzienend te maken.

Artikel 76 Wetenschappelijke en technologische samenwerking
  • 1. De samenwerking op dit gebied is gericht op de ontwikkeling van wetenschappelijke, technologische en innovatieve capaciteit die alle activiteiten beslaat die binnen de onderzoekskaderprogramma’s vallen. Daartoe zullen de partijen een beleidsdialoog op regionaal niveau bevorderen, alsmede informatie-uitwisseling en de participatie van hun onderzoeksinstellingen en instellingen voor technologische ontwikkeling ten aanzien van de volgende wetenschappelijke en technologische samenwerkingsactiviteiten, overeenkomstig hun interne regels:

    • a. gezamenlijke initiatieven om mensen bewust te maken van de programma’s voor wetenschappelijke en technologische capaciteitsopbouw, alsmede de Europese programma’s op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie;

    • b. initiatieven ter bevordering van de deelname aan kaderprogramma’s en aan andere relevante programma’s van de Europese Unie;

    • c. gezamenlijke onderzoeksacties op vlakken van gemeenschappelijk belang;

    • d. gezamenlijke wetenschappelijke bijeenkomsten ter bevordering van informatie-uitwisseling en om gezamenlijke onderzoeksgebieden vast te stellen;

    • e. bevordering van geavanceerde wetenschappelijke en technologische studies die bijdragen aan de duurzame ontwikkeling van de partijen op de lange termijn;

    • f. totstandbrenging van koppelingen tussen de openbare en particuliere sector, waarbij speciale nadruk wordt gelegd op de overdracht van wetenschappelijke en technologische resultaten naar nationale productieve systemen en sociale beleidsmaatregelen, en rekening wordt gehouden met milieuaspecten en de behoefte om schonere technologieën te gebruiken;

    • g. evaluatie van wetenschappelijke samenwerking en verspreiding van de resultaten;

    • h. bevordering, verspreiding en overdracht van technologie;

    • i. ondersteuning bij het opzetten van nationale innovatiesystemen, met als doel technologie te ontwikkelen en innovatie te bevorderen om passende antwoorden te vinden op de vraag van kleine en middelgrote ondernemingen en om onder andere de plaatselijke productie te stimuleren; en verder ondersteuning bij het opzetten van uitmuntendheidscentra en hightechgroepen;

    • j. bevordering van opleiding, onderzoek, ontwikkeling en toepassingen van kernwetenschap en -technologie voor medische toepassingen, waardoor de overdracht van technologie mogelijk wordt naar de republieken van de MA-partij op gebieden als gezondheidszorg, met name radiologie en nucleaire geneeskunde voor radiodiagnostiek en behandeling met radiotherapie, en die gebieden die de partijen overeenkomen vast te stellen, overeenkomstig de bestaande internationale verdragen en regels en met inachtneming van de jurisdictie van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie.

  • 2. Speciale aandacht zal uitgaan naar de opbouw van menselijk potentieel als langdurige basis voor wetenschappelijke en technologische uitmuntendheid en naar het creëren van duurzame banden tussen de wetenschappelijke en technologische gemeenschappen van de partijen, zowel op nationaal als regionaal niveau. Daartoe wordt de uitwisseling van onderzoekers en beste praktijken in onderzoeksprojecten bevorderd.

  • 3. In deze samenwerking worden op gepaste wijze onderzoekscentra, hogeronderwijsinstellingen en overige belanghebbenden, met inbegrip van mkmo’s, betrokken die gevestigd zijn op het grondgebied van de partijen.

  • 4. De partijen komen overeen alle mechanismen te gebruiken ter vergroting van de kwantiteit en kwaliteit van hooggekwalificeerde menselijke hulpbronnen, onder meer door opleiding, onderzoek in samenwerkingsverband, studiebeurzen en uitwisselingen.

  • 5. In het streven naar wetenschappelijke topprestaties tot wederzijds voordeel bevorderen de partijen de deelname van hun respectieve entiteiten aan elkaars wetenschappelijke en technologische programma’s, overeenkomstig hun bepalingen inzake de deelname van juridische entiteiten uit derde landen.

DEEL IV HANDEL

TITEL I INLEIDENDE BEPALINGEN
Artikel 77 Oprichting van een vrijhandelszone en verband met de WTO-Overeenkomst
  • 1. Overeenkomstig artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel van 1994 (hierna „GATT 1994” genoemd) en artikel V van de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten (hierna „GATS” genoemd), komen de partijen bij deze overeenkomst overeen een vrijhandelszone op te richten.

  • 2. De partijen herbevestigen hun bestaande1) rechten en verplichtingen ten opzichte van elkaar op grond van de WTO-Overeenkomst.

Artikel 78 Doelstellingen

De doelstellingen van deel IV van deze overeenkomst zijn:

  • a. de uitbreiding en diversifiëring van de handel in goederen tussen de partijen door middel van vermindering of afschaffing van tarifaire en niet-tarifaire handelsbelemmeringen;

  • b. de bevordering van de handel in goederen, met name door middel van de overeengekomen bepalingen inzake douane en handelsbevordering, normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures alsmede sanitaire en fytosanitaire maatregelen;

  • c. de liberalisering van de handel in diensten overeenkomstig artikel V van de GATS;

  • d. de bevordering van economische regionale integratie op het gebied van douaneprocedures, technische voorschriften en sanitaire en fytosanitaire maatregelen ter bevordering van het goederenverkeer tussen en binnen de partijen;

  • e. de ontwikkeling van een klimaat dat bevorderlijk is voor grotere investeringsstromen, betere vestigingsvoorwaarden tussen de partijen op basis van het beginsel van niet-discriminatie, en vergemakkelijking van handel en investeringen tussen de partijen aan de hand van lopende betalingen en kapitaalverkeer met betrekking tot directe investeringen;

  • f. het daadwerkelijk, wederzijds en geleidelijk openstellen van de markten voor overheidsopdrachten van de partijen;

  • g. de adequate en effectieve bescherming van intellectuele-eigendomsrechten overeenkomstig de internationale verplichtingen die gelden voor de partijen, met als doel te zorgen voor een evenwicht tussen de rechten van de rechthebbenden en het openbaar belang, rekening houdend met de verschillen tussen de partijen en de bevordering van technologieoverdracht tussen de regio’s;

  • h. de bevordering van vrije en onvervalste mededinging in de economische en handelsbetrekkingen tussen de partijen;

  • i. de invoering van een effectieve, eerlijke en voorspelbare regeling inzake geschillenbeslechting; en

  • j. de bevordering van internationale handel en investeringen tussen de partijen op een wijze die bijdraagt aan het doel van duurzame ontwikkeling door gezamenlijke werkzaamheden in samenwerkingsverband.

Artikel 79 Algemeen toepasselijke definities

Tenzij anders bepaald, hebben onderstaande termen voor de toepassing van deel IV van deze overeenkomst de volgende betekenis:

„Midden-Amerika”:

de republieken Costa Rica, El Salvador, Guatemala, Honduras, Nicaragua en Panama;

„douanerechten”:

alle soorten rechten en heffingen die worden opgelegd op of in verband met de invoer van goederen, met inbegrip van alle aanvullende heffingen of belastingen die worden opgelegd op of in verband met die invoer. Daaronder vallen niet:

  • a. heffingen die gelijkwaardig zijn aan interne belastingen die overeenkomstig artikel 85 van hoofdstuk 1 (Nationale behandeling en markttoegang voor goederen) van titel II worden opgelegd;

  • b. rechten die ingevolge de interne wetgeving van een partij worden opgelegd en die stroken met hoofdstuk 2 (Handelsmaatregelen) van titel II;

  • c. vergoedingen of andere heffingen die ingevolge het interne recht van een partij worden opgelegd en die stroke met artikel 87 van hoofdstuk 1 van titel II;

„dagen”:

kalenderdagen, met inbegrip van weekenden en feestdagen, tenzij anders gedefinieerd in deze overeenkomst;

„geharmoniseerd systeem” of „GS”:

het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en codering van goederen, met inbegrip van de bijbehorende algemene interpretatieregels en de aantekeningen op afdelingen en hoofdstukken, zoals aangenomen en ten uitvoer gelegd door de partijen in hun respectieve tarifaire wetgeving;

„rechtspersoon”:

elke juridische entiteit, naar toepasselijk recht opgericht of anderszins georganiseerd, met winst- of andere oogmerken, ongeacht of zij eigendom van particulieren of van de overheid is, met inbegrip van alle vennootschappen, trusts, maatschappen, joint ventures, eenmanszaken of verenigingen;

„maatregel”:

elke handeling of nalatigheid, met inbegrip van alle wetten, regels, procedures, voorschriften en praktijken;

„onderdaan”:

elke natuurlijke persoon die de nationaliteit van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een republiek van de MA-partij heeft overeenkomstig hun respectieve wetgeving;

„persoon”:

een natuurlijke persoon of rechtspersoon;

„preferentiële tariefbehandeling”:

het tarief van douanerechten dat op grond van deze overeenkomst van toepassing is op goederen van oorsprong.

TITEL II HANDEL IN GOEDEREN
HOOFDSTUK 1 NATIONALE BEHANDELING EN MARKTTOEGANG VOOR GOEDEREN
AFDELING A ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 80 Doel

De partijen liberaliseren geleidelijk de handel in goederen overeenkomstig de bepalingen van deze overeenkomst en overeenkomstig artikel XXIV van de GATT 1994.

Artikel 81 Toepassingsgebied

Tenzij anders is bepaald, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing op de handel in goederen tussen de partijen.

AFDELING B AFSCHAFFING VAN DOUANERECHTEN
Artikel 82 Indeling van goederen

De indeling van goederen in het handelsverkeer tussen de partijen is die welke is opgenomen in de respectieve tariefnomenclatuur van elke partij overeenkomstig het geharmoniseerd systeem.

Artikel 83 Afschaffing van douanerechten
  • 1. Elke partij schaft de douanerechten op goederen van oorsprong uit de andere partij af overeenkomstig de lijsten die zijn opgenomen in bijlage I (Afschaffing van douanerechten). Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder „van oorsprong” verstaan conform de oorsprongsregels die zijn opgenomen in bijlage II (Definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking)2).

  • 2. Voor elk goed is het basistarief van de douanerechten waarop ingevolge lid 1 de achtereenvolgende verlagingen moeten worden toegepast, het basistarief dat in de lijsten staat vermeld.

  • 3. Indien een partij na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst op enig tijdstip het door haar toegepaste meestbegunstigingsrecht verlaagt, dan geldt dat recht, indien en zolang het lager is dan het overeenkomstig de lijst van die partij berekende recht.

  • 4. Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst treden de partijen, indien een van hen daarom verzoekt, in overleg om te bezien of de afschaffing van douanerechten op invoer tussen de partijen kan worden bespoedigd en een breder toepassingsgebied kan krijgen. Een overeenkomst tussen de partijen waarbij de afschaffing van een douanerecht op een goed wordt bespoedigd of dat douanerecht wordt afgeschaft, prevaleert op een douanerecht dat of een afbouwcategorie die overeenkomstig hun lijsten voor dat goed is vastgesteld.

Artikel 84 Status-quo

Geen van beide partijen verhoogt bestaande douanerechten of stelt nieuwe douanerechten vast op een goed van oorsprong uit de andere partij3). Dit weerhoudt geen van de partijen ervan:

  • a. een douanerecht na een eenzijdige verlaging te verhogen tot het in haar lijst vastgestelde niveau;

  • b. een douanerecht te handhaven of te verhogen, voor zover toegestaan door het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO; of

  • c. de basistarieven van uitgesloten goederen te verhogen met als doel een gemeenschappelijk buitentarief te bereiken.

AFDELING C NIET-TARIFAIRE MAATREGELEN
Artikel 85 Nationale behandeling

Elke partij verleent de nationale behandeling aan de goederen van de andere partij, in overeenstemming met artikel III van de GATT 1994, met inbegrip van de aantekeningen erop. Hiertoe worden artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen daarop in deze overeenkomst opgenomen4).

Artikel 86 Invoer- en uitvoerbeperkingen

Behalve voor zover anders bepaald in deze overeenkomst of in overeenstemming met artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen daarop, mag geen van beide partijen verboden of beperkingen vaststellen of handhaven op de invoer van een goed uit de andere partij of de uitvoer of verkoop ten uitvoer van een goed dat voor het grondgebied van de andere partij is bestemd. Hiertoe worden artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen daarop in deze overeenkomst opgenomen5).

Artikel 87 Vergoedingen en andere heffingen op invoer en uitvoer

Overeenkomstig artikel VIII, lid 1, van de GATT 1994 en de aantekeningen daarop, zorgt elke partij dat alle vergoedingen en heffingen van welke aard ook (andere dan douanerechten, heffingen gelijkwaardig aan interne belastingen of overige interne heffingen die in overeenstemming met artikel 85 van dit hoofdstuk worden opgelegd, en antidumpingrechten en compenserende rechten die worden toegepast ingevolge het interne recht van een partij en overeenkomstig hoofdstuk 2 (Handelsmaatregelen) van deze titel), die worden ingesteld op of in verband met invoer of uitvoer, worden beperkt tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten en geen indirecte bescherming van interne goederen of een belasting op de invoer of uitvoer voor fiscale doeleinden vormen.

Artikel 88 Uitvoerrechten of -belastingen

Tenzij anders is bepaald in deze overeenkomst, mag geen van beide partijen rechten of belastingen die worden ingesteld op of in verband met de uitvoer van goederen naar de andere partij, handhaven of vaststellen.

AFDELING D LANDBOUW
Artikel 89 Uitvoersubsidies voor landbouwproducten
  • 1. Voor de toepassing van dit artikel heeft de term „uitvoersubsidies” de betekenis die aan die term is gegeven in artikel 1, onder e), van de WTO-Overeenkomst inzake de landbouw (hierna „Landbouwovereenkomst” genoemd), met inbegrip van de wijzigingen op dat artikel.

  • 2. De partijen stellen zich beide tot doel gezamenlijk binnen de WTO te werken om te zorgen voor parallelle afschaffing van alle vormen van uitvoersubsidie en de instelling van gedragscodes ten aanzien van alle uitvoermaatregelen van gelijke werking. Voor de toepassing hiervan omvatten uitvoermaatregelen van gelijke werking exportkredieten, regelingen voor exportkredietgarantie of -verzekering, uitvoerende staatshandelsondernemingen en voedselhulp.

  • 3. Geen van de partijen mag uitvoersubsidies handhaven, introduceren of herintroduceren op landbouwgoederen die bestemd zijn voor het grondgebied van de andere partij en die:

    • a. volledig en onmiddellijk geliberaliseerd zijn overeenkomstig bijlage I (Afschaffing van douanerechten); of

    • b. volledig maar niet onmiddellijk geliberaliseerd zijn en genieten van een rechtenvrij contingent bij inwerkingtreding van deze overeenkomst conform bijlage I (Afschaffing van douanerechten); of

    • c. onderworpen zijn aan een preferentiële behandeling, zoals vastgesteld op grond van deze overeenkomst, voor onder de posten 0402 en 0406 vallende producten, en genieten van een rechtenvrij contingent.

  • 4. Indien een partij in de gevallen beschreven in lid 3, onder a), b) en c), een uitvoersubsidie handhaaft, introduceert of herintroduceert, kan de getroffen/invoerende partij een aanvullend tarief toepassen waardoor het douanerecht voor de invoer van een dergelijk goed wordt verhoogd tot het niveau van het toegepaste meestbegunstigingsrecht (MFN) of, indien dit lager is, het basistarief dat is opgenomen in bijlage I (Afschaffing van douanerechten), voor de periode die is vastgesteld voor handhaving van de uitvoersubsidie.

  • 5. Voor producten die overeenkomstig bijlage I (Afschaffing van douanerechten) gedurende een overgangsperiode volledig geliberaliseerd worden en bij inwerkingtreding niet genieten van een rechtenvrij contingent, mag geen van de partijen aan het eind van die overgangsperiode uitvoersubsidies handhaven, introduceren of herintroduceren.

AFDELING E VISSERIJ, AQUACULTUUR, AMBACHTELIJKE GOEDEREN EN BIOLOGISCHE PRODUCTEN
Artikel 90 Technische samenwerking

In de artikelen 59, 60 en 61 van titel VI (Economische en handelsontwikkeling) van deel III van deze overeenkomst zijn maatregelen voor technische samenwerking vastgesteld om de handel in visserijproducten, aquacultuurproducten, ambachtelijke goederen en biologische producten tussen de partijen te verbeteren.

AFDELING F INSTITUTIONELE BEPALINGEN
Artikel 91 Subcomité Markttoegang voor goederen
  • 1. De partijen richten hierbij een subcomité Markttoegang voor goederen op overeenkomstig artikel 348 en zoals uiteengezet in bijlage XXI (Subcomités).

  • 2. De taken van het subcomité zijn onder meer:

    • a. toezien op de juiste toepassing en administratie van dit hoofdstuk;

    • b. als forum dienen voor overleg aangaande de interpretatie en toepassing van dit hoofdstuk;

    • c. de voorstellen beoordelen die door de partijen worden gedaan met betrekking tot de bespoediging van de afschaffing van tarieven en de opname van goederen in de lijsten;

    • d. relevante aanbevelingen doen aan het Associatiecomité ten aanzien van aangelegenheden die binnen zijn bevoegdheid liggen; en

    • e. alle overige zaken behandelen in opdracht van het Associatiecomité.

HOOFDSTUK 2 HANDELSMAATREGELEN
AFDELING A ANTIDUMPING- EN COMPENSERENDE MAATREGELEN
Artikel 92 Algemene bepalingen
  • 1. De partijen behouden hun rechten en verplichtingen op grond van de WTO-Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994 (hierna de „Antidumpingovereenkomst” genoemd), de WTO-Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen (hierna de „SCM-Overeenkomst” genoemd) en de WTO-Overeenkomst inzake oorsprongsregels (hierna de „Overeenkomst inzake oorsprongsregels” genoemd).

  • 2. Wanneer een antidumpingmaatregel of een compenserende maatregel op zowel regionaal als nationaal niveau kan worden ingesteld, zorgen de partijen ervoor dat een dergelijke antidumping- of compenserende maatregel ten aanzien van hetzelfde product niet tegelijkertijd door regionale en nationale autoriteiten wordt toegepast.

Artikel 93 Transparantie en rechtszekerheid
  • 1. De partijen komen overeen dat handelsmaatregelen volledig in overeenstemming met de WTO-voorschriften worden gehanteerd en uitgaan van een eerlijk en transparant systeem.

  • 2. De partijen, die de voordelen van rechtszekerheid en de voorspelbaarheid voor de marktdeelnemers erkennen, zorgen ervoor dat, waar van toepassing, hun respectieve interne wetgeving op het gebied van antidumping- en compenserende maatregelen geharmoniseerd en volledig verenigbaar is en blijft met de WTO-wetgeving.

  • 3. Niettegenstaande artikel 6, lid 9, van de Antidumpingovereenkomst en artikel 12, lid 8, van de SCM-Overeenkomst, is het wenselijk dat de partijen ervoor zorgen dat onmiddellijk nadat voorlopige maatregelen zijn ingesteld, de belangrijkste feiten en overwegingen die aan de beslissing tot toepassing van maatregelen ten grondslag liggen, volledig en zinvol worden meegedeeld, onverminderd artikel 6, lid 5, van de Antidumpingovereenkomst en artikel 12, lid 4, van de SCM-Overeenkomst. De mededeling dient schriftelijk te geschieden en tijdig genoeg zodat de belanghebbenden voldoende tijd hebben om hun belangen te verdedigen.

  • 4. Op verzoek van de belanghebbenden verlenen de partijen hen de mogelijkheid te worden gehoord, zodat zij gedurende het onderzoek naar de antidumping- of compenserende maatregelen hun standpunt naar voren kunnen brengen. Dit heeft geen onnodige vertraging van het onderzoek tot gevolg.

Artikel 94 Algemeen belang

Een partij kan ervoor kiezen geen antidumping- of compenserende maatregelen toe te passen indien op basis van de gedurende het onderzoek verstrekte informatie duidelijk kan worden geconcludeerd dat het niet in het algemeen belang is dergelijke maatregelen toe te passen.

Artikel 95 Regel van het laagste recht

Indien een partij besluit om een antidumping- of compenserend recht in te stellen, overschrijdt het bedrag van dit recht niet de dumping- of subsidiemarge, maar is het wenselijk dat dit recht lager is dan die marge wanneer door een lager recht de schade voor de interne industrie kan worden opgeheven.

Artikel 96 Oorzakelijk verband

Om antidumping- of compenserende maatregelen op te leggen dienen de onderzoekende autoriteiten overeenkomstig de bepalingen van artikel 3, lid 5, van de Antidumpingovereenkomst en de bepalingen van artikel 15, lid 5, van de SCM-Overeenkomst, als onderdeel van het aantonen van een oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de schade voor de interne industrie, de schadelijke gevolgen van alle bekende factoren te scheiden en te onderscheiden van de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping of subsidies.

Artikel 97 Cumulatieve beoordeling

Indien invoer uit meer dan één land gelijktijdig onderwerp is van antidumping- of antisubsidieonderzoeken, gaat de onderzoekende autoriteit van de EU-partij bijzonder zorgvuldig na of het in het licht van de concurrentievoorwaarden tussen de ingevoerde producten en van de concurrentievoorwaarden tussen de ingevoerde producten en het soortgelijke interne product, passend is de gevolgen van de invoer uit een republiek van de MA-partij cumulatief te beoordelen.

Artikel 98 Uitsluiting van procedures voor geschillenbeslechting

De partijen doen geen beroep op geschillenbeslechtingsprocedures op grond van titel X (Geschillenbeslechting) van deel IV van deze overeenkomst voor kwesties die in het kader van deze afdeling ontstaan.

AFDELING B VRIJWARINGSMAATREGELEN
ONDERAFDELING B.1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 99 Administratie van vrijwaringsprocedures
  • 1. Elke partij zorgt voor de consistente, onpartijdige en redelijke administratie van haar wet- en regelgeving, besluiten en uitspraken inzake de procedures voor de toepassing van vrijwaringsmaatregelen.

  • 2. Elke partij vertrouwt de vaststellingen van ernstige schade, of de dreiging daarvan, in het kader van vrijwaringsprocedures op grond van deze afdeling toe aan een bevoegde onderzoekende autoriteit. Deze vaststellingen worden onderworpen aan een beoordeling door gerechtelijke of administratieve instanties, voor zover de interne wetgeving daarin voorziet.

  • 3. Elke partij stelt rechtvaardige, tijdige, transparante en effectieve handelwijzen voor vrijwaringsprocedures op grond van deze afdeling vast, of handhaaft deze.

Artikel 100 Niet-cumulatie

Geen van beide partijen mag met betrekking tot hetzelfde product tegelijkertijd:

  • a. een bilaterale vrijwaringsmaatregel overeenkomstig onderafdeling B.3 (Bilaterale vrijwaringsmaatregelen) van dit hoofdstuk toepassen; en

  • b. een maatregel op grond van artikel XIX van de GATT 1994, de WTO-Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen (hierna de „Vrijwaringsovereenkomst” genoemd) of van artikel 5 van de Landbouwovereenkomst toepassen.

ONDERAFDELING B.2 MULTILATERALE VRIJWARINGSMAATREGELEN
Artikel 101 Algemene bepalingen

De partijen behouden hun rechten en verplichtingen op grond van artikel XIX van de GATT 1994, de Vrijwaringsovereenkomst, artikel 5 van de Landbouwovereenkomst en de Overeenkomst inzake oorsprongsregels.

Artikel 102 Transparantie

Niettegenstaande artikel 101 doet de partij die een onderzoek instelt of voornemens is vrijwaringsmaatregelen te nemen, op verzoek van de andere partij onmiddellijk ad hoc schriftelijk kennisgeving van alle relevante informatie, inclusief, voor zover van toepassing, over de opening van een vrijwaringsonderzoek, de voorlopige en de definitieve bevindingen van het onderzoek.

Artikel 103 Uitsluiting van procedures voor geschillenbeslechting

De partijen doen geen beroep op geschillenbeslechtingsprocedures op grond van titel X (Geschillenbeslechting) van deel IV van deze overeenkomst voor bepalingen betreffende WTO-rechten en -verplichtingen die in het kader van deze afdeling ontstaan.

ONDERAFDELING B.3 BILATERALE VRIJWARINGSMAATREGELEN
Artikel 104 Toepassing van bilaterale vrijwaringsmaatregelen
  • 1. Indien, niettegenstaande onderafdeling B.2 (Multilaterale vrijwaringsmaatregelen), als gevolg van de verlaging of afschaffing van een douanerecht op grond van deze overeenkomst, een product van oorsprong uit een partij wordt ingevoerd in het grondgebied van de andere partij in dermate toegenomen hoeveelheden, in absolute zin of in verhouding tot de interne productie, en onder zodanige voorwaarden dat interne producenten die soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten vervaardigen, ernstige schade lijden of dreigen te lijden, kan de invoerende partij in overeenstemming met de in deze onderafdeling vervatte voorwaarden en procedures passende maatregelen vaststellen.

  • 2. Indien aan de voorwaarden van lid 1 wordt voldaan, mogen de vrijwaringsmaatregelen van de invoerende partij slechts een van de volgende zijn:

    • a. schorsing van de verdere verlaging van het douanerecht op het betrokken product, zoals bepaald in deze overeenkomst; of

    • b. verhoging van het douanerecht op het betrokken product tot een niveau dat niet hoger ligt dan het laagste van de volgende rechten:

      • i. het meestbegunstigingsrecht op het product dat van kracht is op het tijdstip waarop de maatregel wordt getroffen; of

      • ii. het meestbegunstigingsrecht op het product dat van kracht is op de dag die direct voorafgaat aan de datum waarop deze overeenkomst in werking treedt.

  • 3. In het geval van producten die reeds voor de inwerkingtreding van deze overeenkomst volledig geliberaliseerd waren naar aanleiding van tariefpreferenties die voor de inwerkingtreding van deze overeenkomst waren toegekend, gaat de EU-partij bijzonder zorgvuldig na of de toegenomen invoer het gevolg is van de verlaging of afschaffing van douanerechten ingevolge deze overeenkomst.

  • 4. Geen van voornoemde maatregelen wordt toegepast binnen de grenzen van de bij deze overeenkomst toegekende preferentiële rechtenvrije tariefcontingenten.

Artikel 105 Voorwaarden en beperkingen
  • 1. Een bilaterale vrijwaringsmaatregel mag niet worden toegepast:

    • a. behalve voor zover en zo lang hij noodzakelijk is om de in artikel 104 of 109 beschreven situatie te voorkomen of te herstellen;

    • b. gedurende een periode van meer dan twee jaar, al kan deze periode met nog eens twee jaar worden verlengd indien de bevoegde autoriteiten van de invoerende partij overeenkomstig de in deze onderafdeling gespecificeerde procedures vaststellen dat de maatregel noodzakelijk blijft om de in artikel 104 of 109 beschreven situaties te voorkomen of te herstellen, waarbij de totale toepassingsperiode van een vrijwaringsmaatregel, met inbegrip van de initiële toepassingsperiode en elke verlenging daarvan, niet langer mag zijn dan vier jaar; of

    • c. na afloop van de overgangsperiode, behalve met instemming van de andere partij, waarbij „overgangsperiode” staat voor een periode van tien jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst. In het geval van een goed waarvoor op grond van de lijst in bijlage I (Afschaffing van douanerechten) van de partij die de maatregel toepast, wordt voorzien in een afschaffing van het tarief gedurende tien jaar of meer, staat overgangsperiode voor de periode van afschaffing van het tarief die voor dat goed in de lijst staat vermeld, aangevuld met drie jaar.

  • 2. Wanneer een partij een bilaterale vrijwaringsmaatregel niet langer toepast, is het douanerecht het tarief dat overeenkomstig de lijst van die partij voor dat goed van kracht zou zijn geweest.

Artikel 106 Voorlopige maatregelen

In kritieke omstandigheden waarin uitstel moeilijk te herstellen schade zou veroorzaken, mag een partij, zonder te hoeven voldoen aan de vereisten van artikel 116, lid 1, van dit hoofdstuk, een voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregel toepassen nadat voorlopig is vastgesteld dat er duidelijke bewijzen zijn voor een toename van de invoer van een goed van oorsprong uit de andere partij als gevolg van de verlaging of afschaffing van een douanerecht ingevolge deze overeenkomst, en dat dergelijke invoer de in artikel 104 of 109 beschreven situaties veroorzaakt of dreigt te veroorzaken. De duur van een dergelijke voorlopige maatregel mag niet langer zijn dan tweehonderd dagen en de partij dient gedurende die tijd te voldoen aan de relevante procedurele voorschriften, zoals vastgelegd in onderafdeling B.4 (Procedurele voorschriften van toepassing op bilaterale vrijwaringsmaatregelen). De partij betaalt alle tariefverhogingen onverwijld terug indien het in onderafdeling B.4 omschreven onderzoek niet uitwijst dat de voorwaarden van artikel 104 zijn vervuld. De duur van een voorlopige maatregel wordt gerekend als een deel van de in artikel 105, lid 1, onder b), beschreven periode. Indien de betrokken invoerende partij dergelijke voorlopige maatregelen neemt, stelt zij de andere betrokken partij daarvan in kennis en verwijst zij, op verzoek van de andere partij, de aangelegenheid onmiddellijk voor onderzoek naar het Associatiecomité.

Artikel 107 Compensatie en schorsing van concessies
  • 1. Een partij die een bilaterale vrijwaringsmaatregel toepast, treedt in overleg met de partij wier producten onder de maatregel vallen, teneinde overeenstemming te bereiken over een passende compensatie in het kader van de liberalisering van de handel die de vorm heeft van concessies met in wezen gelijkwaardige gevolgen voor de handel. De partij biedt uiterlijk dertig dagen na de toepassing van de bilaterale vrijwaringsmaatregel gelegenheid voor dergelijk overleg.

  • 2. Indien het overleg als bedoeld in lid 1 niet binnen dertig dagen leidt tot overeenstemming over een passende compensatie in het kader van de liberalisering van de handel, mag de partij wier producten onder de vrijwaringsmaatregel vallen, de toepassing schorsen van in wezen gelijkwaardige handelsconcessies aan de partij die de vrijwaringsmaatregel toepast.

Artikel 108 Tijdsduur tussen twee maatregelen

Ten aanzien van de invoer van een product waarop al eerder een vrijwaringsmaatregel van toepassing was, mag voordat een periode is verstreken die gelijk is aan de helft van de duur van de direct daaraan voorafgaande periode waarin de vrijwaringsmaatregel werd toegepast, niet opnieuw een vrijwaringsmaatregel als bedoeld in deze onderafdeling worden toegepast.

Artikel 109 Ultraperifere regio’s
  • 1. Wanneer een product van oorsprong uit een of meer republieken van de MA-partij in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden wordt ingevoerd in het grondgebied van een of meer ultraperifere regio’s van de EU-partij, dat hierdoor een verslechtering van de economische situatie van de betrokken ultraperifere regio(’s) van de EU-partij ontstaat of dreigt te ontstaan, mag de EU-partij, na eerst alternatieve oplossingen te hebben onderzocht, bij uitzondering vrijwaringsmaatregelen nemen die beperkt blijven tot het grondgebied van de betrokken regio(’s).

  • 2. Onverminderd de bepalingen van lid 1, zijn andere regels die in deze onderafdeling met betrekking tot bilaterale vrijwaringsmaatregelen zijn vastgesteld, eveneens van toepassing op alle vrijwaringsmaatregelen die op grond van dit artikel worden genomen.

  • 3. De Associatieraad kan bediscussiëren of in het geval van ernstige verslechtering, of de dreiging daarvan, van de economische situatie van zeer onderontwikkelde regio’s in de republieken van de MA-partij dit artikel ook op die regio’s van toepassing kan zijn.

ONDERAFDELING B.4 PROCEDURELE VOORSCHRIFTEN VAN TOEPASSING OP BILATERALE VRIJWARINGSMAATREGELEN
Artikel 110 Toepasselijk recht

Voor de toepassing van bilaterale vrijwaringsmaatregelen leeft de bevoegde onderzoekende autoriteit de bepalingen van deze onderafdeling na; in gevallen die niet onder deze onderafdeling vallen, past de bevoegde onderzoekende autoriteit de bij haar interne wetgeving vastgestelde regels toe.

Artikel 111 Inleiding van een procedure
  • 1. Ingevolge de interne wetgeving van elke partij kunnen vrijwaringsprocedures door de bevoegde onderzoekende autoriteit worden ingeleid op eigen initiatief, na ontvangst van informatie van een of meer lidstaten van de Europese Unie, of op schriftelijke aanvraag van de in de interne wetgeving gespecificeerde entiteiten. Indien een procedure wordt ingeleid op basis van een schriftelijke aanvraag, dient de entiteit die de aanvraag indient, aan te tonen dat zij een vertegenwoordiger is van de interne industrie die een soortgelijk goed of een direct met het ingevoerde goed concurrerend goed produceert.

  • 2. Zodra de schriftelijke aanvraag is ingediend, wordt deze onverwijld beschikbaar gesteld voor publieke raadpleging, met uitzondering van de vertrouwelijke informatie die zij bevat.

  • 3. Als de bevoegde onderzoekende autoriteit een vrijwaringsprocedure inleidt, publiceert zij een bericht van inleiding van de procedure in het publicatieblad van de desbetreffende partij. Het bericht vermeldt de entiteit die de schriftelijke aanvraag heeft ingediend, indien van toepassing, het ingevoerde goed dat onderwerp van de procedure is, alsmede de post waaronder het goed valt en het tariefnummer waaronder het is geclassificeerd, de aard en het tijdstip van de vaststelling die moet worden gedaan, de tijd en plaats van de openbare hoorzitting of de termijn waarbinnen de belanghebbenden kunnen verzoeken te worden gehoord door de onderzoekende autoriteit, de termijn waarbinnen de belanghebbenden hun standpunt schriftelijk kenbaar kunnen maken en informatie kunnen indienen, de plaats waar de schriftelijke aanvraag en alle andere tijdens het verloop van de procedure ingediende niet-vertrouwelijke documenten kunnen worden ingezien, en de naam, het adres en het telefoonnummer van het kantoor waarmee contact kan worden opgenomen voor nadere informatie.

  • 4. Ten aanzien van een vrijwaringsprocedure die is ingeleid op basis van een schriftelijke aanvraag door een entiteit die beweert een vertegenwoordiger te zijn van de interne industrie, maakt de bevoegde onderzoekende autoriteit het overeenkomstig lid 3 vereiste bericht pas bekend nadat zij eerst zorgvuldig heeft beoordeeld of de schriftelijke aanvraag voldoet aan de voorschriften van de interne wetgeving.

Artikel 112 Onderzoek
  • 1. Een partij mag alleen vrijwaringsmaatregelen toepassen na een onderzoek door de bevoegde onderzoekende autoriteit van die partij overeenkomstig de in deze onderafdeling vastgestelde procedures. Dit onderzoek omvat ook de publicatie van een bericht om alle belanghebbenden naar behoren op de hoogte te brengen, alsmede publieke hoorzittingen of andere passende middelen om importeurs, exporteurs en andere belanghebbenden in staat te stellen hun bewijsstukken over te leggen en hun standpunt kenbaar te maken, met inbegrip van de mogelijkheid te antwoorden op de opmerkingen van andere partijen.

  • 2. Elke partij zorgt ervoor dat haar bevoegde onderzoekende autoriteit een dergelijk onderzoek afrondt binnen twaalf maanden na de datum waarop het is geopend.

Artikel 113 Bewijs van schade en oorzakelijk verband
  • 1. Bij het verrichten van haar onderzoek beoordeelt de bevoegde onderzoekende autoriteit alle relevante factoren van objectieve en kwantificeerbare aard die van invloed zijn op de toestand van de interne industrie, in het bijzonder het percentage en de hoeveelheid waarmee de invoer van het desbetreffende goed in absolute zin of in relatieve zin ten opzichte van de interne productie is toegenomen, het aandeel van de toegenomen invoer in de interne markt, en de wijzigingen in het niveau van verkoop, productie, productiviteit, bezetting, winst en verlies, en werkgelegenheid.

  • 2. Er zal pas worden vastgesteld of de toegenomen invoer de in artikel 104 of 109 beschreven situaties heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, nadat het onderzoek op basis van objectief bewijsmateriaal heeft aangetoond dat er een duidelijk oorzakelijk verband bestaat tussen de toegenomen invoer van het desbetreffende goed en de in artikel 104 of 109 beschreven situaties. Indien andere factoren dan de toegenomen invoer gelijktijdig de in artikel 104 of 109 beschreven situaties veroorzaken, wordt de schade of ernstige verslechtering van de economische situatie niet toegeschreven aan de toegenomen invoer.

Artikel 114 Hoorzittingen

Tijdens het verloop van de procedure waarborgt de bevoegde onderzoekende autoriteit het volgende:

  • a. er wordt een publieke hoorzitting gehouden, die naar behoren bekend wordt gemaakt, om alle belanghebbenden en alle representatieve consumentenverenigingen in staat te stellen in persoon of bij raadsman te verschijnen, bewijsstukken over te leggen en te worden gehoord over de ernstige schade of de dreiging daarvan, alsmede de passende herstelmaatregel daarvoor; of

  • b. alle belanghebbenden die binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn een schriftelijke aanvraag hebben ingediend, waaruit blijkt dat zij waarschijnlijk daadwerkelijk zullen worden getroffen door de uitkomst van het onderzoek en dat er bijzondere redenen zijn waarom zij moeten worden gehoord, wordt de gelegenheid geboden te worden gehoord.

Artikel 115 Vertrouwelijke informatie

Informatie die vanwege haar aard vertrouwelijk is of die op vertrouwelijke basis wordt verstrekt, wordt, na opgave van redenen, door de bevoegde onderzoekende autoriteit als vertrouwelijk behandeld. Zonder machtiging van de verstrekkende partij wordt deze informatie niet openbaar gemaakt. Partijen die vertrouwelijke informatie verstrekken, kunnen worden verzocht niet-vertrouwelijke samenvattingen daarvan te verschaffen of, indien deze partijen verklaren dat de desbetreffende informatie niet kan worden samengevat, de redenen waarom geen samenvatting kan worden verstrekt. Indien de bevoegde onderzoekende autoriteit echter van oordeel is dat een verzoek om vertrouwelijke behandeling niet gegrond is en indien de betrokken partij de informatie niettemin toch niet openbaar wil maken noch machtiging wil geven tot bekendmaking daarvan in algemene bewoordingen of in de vorm van een samenvatting, heeft de onderzoekende autoriteit het recht om de desbetreffende informatie buiten beschouwing te laten, tenzij op overtuigende wijze en uit passende bron kan worden aangetoond dat de informatie juist is.

Artikel 116 Kennisgevingen en publicaties
  • 1. Wanneer een partij van oordeel is dat een van de in artikel 104 of 109 beschreven omstandigheden zich voordoet, verwijst zij de aangelegenheid onmiddellijk voor onderzoek naar het Associatiecomité. Het Associatiecomité kan elke aanbeveling doen die nodig is om in de gerezen omstandigheden uitkomst te bieden. Indien het Associatiecomité geen aanbevelingen met betrekking tot het verhelpen van de omstandigheden heeft gedaan, of indien er binnen dertig dagen nadat de aangelegenheid aan het Associatiecomité werd voorgelegd geen andere bevredigende oplossing is bereikt, kan de invoerende partij overeenkomstig deze onderafdeling passende maatregelen vaststellen om de omstandigheden te verhelpen.

  • 2. De bevoegde onderzoekende autoriteit verstrekt de uitvoerende partij alle relevante informatie, met inbegrip van bewijs van schade of ernstige verslechtering van de economische situatie als gevolg van de toegenomen invoer, een nauwkeurige omschrijving van het desbetreffende product en de voorgestelde maatregelen, de voorgestelde datum van instelling en de verwachte duur.

  • 3. De bevoegde onderzoekende autoriteit publiceert tevens haar bevindingen en met redenen omklede conclusies ten aanzien van alle relevante aangelegenheden van feitelijke en juridische aard in het publicatieblad van de partij, met inbegrip van een beschrijving van het ingevoerde goed, van de situatie die aanleiding heeft gegeven tot het instellen van de maatregelen overeenkomstig artikel 104 of 109, van het oorzakelijk verband tussen de situatie en de toegenomen invoer, en onder vermelding van de vorm, het niveau en de duur van de maatregelen.

  • 4. De bevoegde onderzoekende autoriteit maakt geen informatie bekend die is verstrekt ingevolge een verbintenis met betrekking tot vertrouwelijke informatie die mogelijk is aangegaan in de loop van de procedure.

HOOFDSTUK 3 DOUANE EN HANDELSBEVORDERING
Artikel 117 Doelstellingen
  • 1. De partijen erkennen het belang van aangelegenheden op het gebied van douane en handelsbevordering in het veranderende mondiale handelsstelsel. Zij komen overeen op dit gebied nauwer samen te werken om ervoor te zorgen dat de wetgeving en procedures ter zake, alsook de bestuurlijke capaciteit van de desbetreffende diensten, voldoen aan de doelstellingen van effectieve controle en bevordering van de handelsfacilitering, en helpen bij het stimuleren van de ontwikkeling en de regionale integratie van de republieken van de MA-partij.

  • 2. De partijen erkennen dat de legitieme doelstellingen van het overheidsbeleid, met inbegrip van die met betrekking tot de veiligheid en de fraudebestrijding, op generlei wijze in het gedrang mogen komen.

Artikel 118 Douane en handelsgerelateerde procedures
  • 1. De partijen komen overeen hun respectieve wet- en regelgeving en procedures op douanegebied te baseren op:

    • a. de internationale instrumenten en normen op douanegebied, met inbegrip van het „Framework of Standards to Secure and Facilitate Global Trade” van de Werelddouaneorganisatie en het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen;

    • b. de bescherming en vergemakkelijking van rechtmatige handel door een doeltreffende handhaving en naleving van de voorschriften van de douanewetgeving;

    • c. wetgeving die onnodige en discriminerende lasten vermijdt, waarborgt tegen douanefraude en voor verdere facilitering zorgt ten behoeve van een hoge mate van naleving;

    • d. de toepassing van moderne douanetechnieken, zoals risicobeheersing, vereenvoudigde procedures voor de binnenkomst en de vrijgave van goederen, controles na de vrijgave en bedrijfsauditmethodes;

    • e. een systeem van bindende uitspraken over douaneaangelegenheden, met name over de tariefindeling en de oorsprongsregels, in overeenstemming met de voorschriften in de wetgeving van de partijen;

    • f. de geleidelijke ontwikkeling van systemen, met inbegrip van die welke op informatietechnologie zijn gebaseerd, om elektronische gegevensuitwisseling binnen douanediensten en met andere verwante publieke instellingen te bevorderen;

    • g. regels die waarborgen dat de sancties voor geringe inbreuken op douanevoorschriften of procedurele eisen evenredig en niet-discriminerend zijn en dat hun toepassing niet tot onverantwoorde vertragingen leidt;

    • h. vergoedingen en heffingen die redelijk zijn, die de kosten van de dienst met betrekking tot een specifieke transactie niet te boven gaan en die niet ad valorem worden berekend; voor consulaire diensten worden geen vergoedingen en heffingen opgelegd; en

    • i. de afschaffing van alle voorschriften ten aanzien van het verplichte gebruik van inspecties vóór verzending, zoals bedoeld in de WTO-Overeenkomst inzake inspecties vóór verzending, of van alle andere inspecties die op de plaats van bestemming vóór inklaring worden verricht door particuliere ondernemingen.

  • 2. De partijen komen overeen hun respectieve wet- en regelgeving en procedures op douanegebied, voor zover mogelijk, te baseren op de materiële elementen van de Internationale overeenkomst inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures, zoals gewijzigd (herziene overeenkomst van Kyoto) en de bijbehorende bijlagen.

  • 3. Om hun werkmethoden te verbeteren en ervoor te zorgen dat hun optreden niet-discriminerend, transparant, doeltreffend, integer en te verantwoorden is, komen de partijen overeen:

    • a. voor zover mogelijk maatregelen te nemen om de door de douanediensten en andere verwante publieke instellingen verlangde gegevens en documentatie te verminderen, te vereenvoudigen en te standaardiseren;

    • b. waar mogelijk voorschriften en formaliteiten te vereenvoudigen, zodat goederen snel worden vrijgegeven en ingeklaard;

    • c. volgens de wetgeving van elke partij voor doeltreffende, snelle, niet-discriminerende en makkelijk toegankelijke beroepsprocedures te zorgen tegen administratieve maatregelen, uitspraken en besluiten van de douane betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen; de eventuele kosten daarvan zijn vergelijkbaar met de kosten van de beroepsprocedures; en

    • d. maatregelen te nemen om te zorgen dat de hoogste integriteitsnormen worden gehandhaafd.

  • 4. De partijen zorgen ervoor dat de wetgeving inzake douane-expediteurs uitgaat van transparante en evenredige regels. Indien een partij het verplichte gebruik van douane-expediteurs vereist, zijn rechtspersonen gerechtigd te opereren op basis van hun interne, door de bevoegde autoriteit daartoe gemachtigde douane-expediteurs. Deze bepaling geldt onverminderd de standpunten van de partijen in multilaterale onderhandelingen.

Artikel 119 Doorvoer
  • 1. De partijen waarborgen overeenkomstig de beginselen van artikel V van de GATT 1994 de vrije doorvoer over hun gebied.

  • 2. Eventuele beperkingen, controles of voorschriften moeten gebaseerd zijn op een geldige reden van openbare orde en moeten niet-discriminerend en evenredig zijn en overal op dezelfde wijze worden toegepast.

  • 3. Onverminderd rechtmatige douanecontroles en toezicht op doorvoergoederen, behandelen de partijen de doorvoer van goederen naar of uit het grondgebied van de andere partij niet ongunstiger dan de doorvoer van goederen over hun grondgebied.

  • 4. Overeenkomstig de beginselen van artikel V van de GATT 1994 passen de partijen regelingen toe om de doorvoer van goederen plaats te laten vinden zonder dat er douanerechten, doorvoerrechten of andere heffingen worden opgelegd met betrekking tot de doorvoer, met uitzondering van kosten voor vervoer of kosten die overeenkomen met de administratieve kosten van de doorvoer of met de kosten van de geleverde diensten, en met verstrekking van een passende garantie.

  • 5. De partijen bevorderen regionale doorvoerregelingen en leggen deze ten uitvoer teneinde handelsbelemmeringen te verminderen.

  • 6. De partijen zien erop toe dat alle betrokken autoriteiten en instanties op hun grondgebied gecoördineerd samenwerken om de doorvoer te vergemakkelijken en de grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen.

Artikel 120 Relaties met de bedrijfsgemeenschap

De partijen komen overeen:

  • a. erop toe te zien dat alle wetgeving, procedures, vergoedingen en heffingen, samen met alle nodige aanvullende informatie, algemeen bekend worden gemaakt, voor zover mogelijk langs elektronische weg.

    De partijen geven algemene bekendheid aan administratieve berichten ter zake, met inbegrip van voorschriften en procedures bij binnenkomst van goederen, openingstijden en werkwijzen van douanekantoren, en contactpunten voor het inwinnen van informatie;

  • b. dat tijdig en regelmatig met vertegenwoordigers van de belanghebbenden wordt overlegd over wetsvoorstellen en procedures met betrekking tot douaneaangelegenheden; hiertoe worden door elke partij passende mechanismen voor regelmatig overleg opgericht;

  • c. te zorgen voor een redelijke tijdspanne tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding van nieuwe of gewijzigde wetgeving, procedures, vergoedingen of heffingen6);

  • d. de samenwerking met de bedrijfsgemeenschap te stimuleren door toepassing van niet-arbitraire, openbaar toegankelijke procedures, zoals memoranda van overeenstemming op basis van die welke door de WDO zijn uitgevaardigd; en

  • e. erop toe te zien dat hun respectieve voorschriften en procedures op douanegebied en aanverwante gebieden blijven aansluiten op de behoeften van de handelaren, dat hierbij de beste praktijken worden gevolgd en dat de handel hierdoor zo min mogelijk wordt beperkt.

Artikel 121 Douanewaarde

De Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 (hierna de „Overeenkomst inzake de douanewaarde” genoemd), is van toepassing op de vaststelling van de douanewaarde in de wederzijdse handel tussen de partijen.

Artikel 122 Risicobeheersing

Elke partij maakt gebruik van risicobeheersingsystemen zodat haar douaneautoriteiten hun inspectiewerkzaamheden kunnen concentreren op goederen met een hoog risico, en de inklaring en het in het verkeer brengen van goederen met een laag risico worden vergemakkelijkt.

Artikel 123 Subcomité Douane, handelsbevordering en oorsprongsregels
  • 1. De partijen richten hierbij een subcomité Douane, handelsbevordering en oorsprongsregels op, overeenkomstig artikel 348 en zoals uiteengezet in bijlage XXI (Subcomités).

  • 2. De taken van het subcomité zijn onder meer:

    • a. toezicht houden op de tenuitvoerlegging en het beheer van dit hoofdstuk en bijlage II (Definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking) van deze overeenkomst;

    • b. een forum bieden voor overleg en discussie over alle onderwerpen betreffende de douane, zoals met name douaneprocedures, douanewaarde, tariefindeling, douanenomenclatuur, douanesamenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden;

    • c. een forum bieden voor overleg en discussie over oorsprongsregels en administratieve samenwerking;

    • d. de samenwerking verbeteren bij de ontwikkeling, toepassing en handhaving van douaneprocedures, wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden, oorsprongsregels en administratieve samenwerking;

    • e. wijzigingsverzoeken inzake de oorsprongsregels behandelen en de resultaten van de analyses en de aanbevelingen aan het Associatiecomité voorleggen;

    • f. de taken en functies uitvoeren zoals vastgelegd in bijlage II (Definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking) van deze overeenkomst;

    • g. de samenwerking verbeteren bij de capaciteitsopbouw en de technische bijstand; en

    • h. alle overige zaken behandelen in opdracht van het Associatiecomité.

  • 3. De partijen kunnen overeenkomen ad-hocvergaderingen bijeen te roepen inzake douanesamenwerking, oorsprongsregels of wederzijdse administratieve bijstand.

Artikel 124 Samenwerking en technische bijstand inzake douane en handelsbevordering

De maatregelen inzake technische bijstand die vereist zijn voor de uitvoering van dit hoofdstuk, zijn vastgesteld in de artikelen 53 en 54 van titel VI (Economische en handelsontwikkeling) van deel III van deze overeenkomst.

HOOFDSTUK 4 TECHNISCHE HANDELSBELEMMERINGEN
Artikel 125 Doelstellingen
  • 1. Dit hoofdstuk heeft tot doel de handel in goederen te vergemakkelijken en te vergroten door onnodige handelsbelemmeringen tussen de partijen, die zich kunnen voordoen als gevolg van het opstellen, vaststellen en toepassen van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures in de zin van de WTO-Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (hierna „TBT-Overeenkomst” genoemd) te signaleren, te voorkomen en uit de weg te ruimen.

  • 2. De partijen verbinden zich ertoe samen te werken bij de versterking van de regionale integratie binnen de partijen inzake aangelegenheden die betrekking hebben op technische handelsbelemmeringen.

  • 3. De partijen verbinden zich ertoe de technische capaciteit inzake aangelegenheden met betrekking tot technische handelsbelemmeringen tot stand te brengen en te vergroten, met als doel de toegang tot hun respectieve markten te verbeteren.

Artikel 126 Algemene bepalingen

De partijen herbevestigen hun bestaande rechten en verplichtingen ten opzichte van elkaar op grond van de TBT-Overeenkomst, die hierbij wordt opgenomen in deze overeenkomst en er deel van uitmaakt. De partijen houden in het bijzonder rekening met artikel 12 van de TBT-Overeenkomst inzake speciale en differentiële behandeling.

Artikel 127 Toepassingsgebied
  • 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op het opstellen, vaststellen en toepassen van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures, zoals omschreven in de TBT-Overeenkomst, die de handel in goederen tussen de partijen kunnen beïnvloeden.

  • 2. Niettegenstaande lid 1, is dit hoofdstuk niet van toepassing op sanitaire en fytosanitaire maatregelen zoals omschreven in bijlage A bij de WTO-Overeenkomst inzake de toepassing van sanitaire en fytosanitaire maatregelen (hierna de „SPS-Overeenkomst” genoemd), noch op de aankoopspecificaties die zijn opgesteld door overheidsorganen ter voorziening in de productie- of verbruiksbehoeften van overheidsorganen, die worden gereguleerd door Titel V (Overheidsopdrachten) van deel IV van deze overeenkomst.

Artikel 128 Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de definities van bijlage I bij de TBT-Overeenkomst.

Artikel 129 Technische voorschriften

De partijen komen overeen dat zij optimaal gebruik maken van goede regelgevingspraktijken als bedoeld in de TBT-Overeenkomst. De partijen komen met name overeen:

  • a. relevante internationale normen te gebruiken als basis voor technische voorschriften, met inbegrip van conformiteitsbeoordelingsprocedures, tenzij dergelijke internationale normen ondoelmatig of ongeschikt zijn voor de verwezenlijking van de nagestreefde legitieme doelstellingen; en indien internationale normen niet als basis worden gebruikt, aan de andere partij op verzoek uit te leggen waarom dergelijke normen ondoelmatig of ongeschikt voor het nagestreefde doel worden geacht;

  • b. de ontwikkeling van regionale technische voorschriften te bevorderen en ervoor te zorgen dat deze de bestaande nationale voorschriften vervangen, om zodoende de handel met en tussen de partijen te vergemakkelijken;

  • c. mechanismen vast te stellen voor betere informatievoorziening aan de industrieën van de andere partij over technische voorschriften (bijvoorbeeld via een openbare website); en

  • d. op verzoek en onverwijld aan de andere partij of haar marktdeelnemers informatie en, waar nodig, schriftelijke aanwijzingen te verstrekken over de wijze waarop aan hun technische voorschriften kan worden voldaan.

Artikel 130 Normen
  • 1. De partijen bevestigen dat zij ingevolge artikel 4, lid 1, van de TBT-Overeenkomst dienen te waarborgen dat hun normalisatie-instellingen de in bijlage 3 bij de TBT-Overeenkomst opgenomen praktijkrichtlijn voor het opstellen, het aannemen en de toepassing van normen, aanvaarden en naleven.

  • 2. De partijen verbinden zich ertoe:

    • a. te zorgen voor passende interactie tussen de regelgevende autoriteiten en de nationale, regionale of internationale normalisatie-instellingen;

    • b. te zorgen voor de toepassing van de beginselen van het „Besluit van de Commissie inzake de beginselen voor de ontwikkeling van internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen met betrekking tot de artikelen 2 en 5 van en bijlage 3 bij de overeenkomst”, dat door de TBT-commissie van de WTO op 13 november 2000 is vastgesteld;

    • c. ervoor te zorgen dat hun normalisatie-instellingen samenwerken teneinde te waarborgen dat de internationale normalisatiewerkzaamheden waar mogelijk worden gebruikt als basis voor de ontwikkeling van normen op regionaal niveau;

    • d. de ontwikkeling van regionale normen te bevorderen en te zorgen dat waar regionale normen worden aangenomen, deze de bestaande nationale normen volledig vervangen;

    • e. informatie uit te wisselen over het gebruik door de partijen van de normen in verband met technische voorschriften en, voor zover mogelijk, ervoor te zorgen dat de normen niet verplicht worden gemaakt; en

    • f. informatie en expertise uit te wisselen inzake de werkzaamheden van internationale, regionale en nationale normalisatie-instellingen en inzake de mate waarin internationale normen worden gebruikt als basis voor hun nationale en regionale normen, alsmede algemene informatie uit te wisselen over samenwerkingsovereenkomsten die door elk van de partijen worden gebruikt bij normalisatie.

Artikel 131 Conformiteitsbeoordeling en accreditatie
  • 1. De partijen erkennen dat er een brede verscheidenheid aan conformiteitsbeoordelingsmechanismen bestaat, die ervoor zorgen dat de producten op het grondgebied van de partijen gemakkelijker worden aanvaard, waaronder:

    • a. aanvaarding van een conformiteitsverklaring van de leverancier;

    • b. aanwijzing van op het grondgebied van de andere partij gevestigde conformiteitsbeoordelingsinstanties;

    • c. acceptatie van de resultaten van de op het grondgebied van de andere partij gevestigde conformiteitsbeoordelingsinstanties; en

    • d. vrijwillige regelingen tussen conformiteitsbeoordelingsinstanties op het grondgebied van elke partij.

  • 2. Overeenkomstig hiermee verbindende partijen zich ertoe:

    • a. overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder 2, van de TBT-Overeenkomst conformiteitsbeoordelingsprocedures te verlangen die niet strikter zijn dan noodzakelijk is;

    • b. ervoor te zorgen dat, indien diverse conformiteitsbeoordelingsinstanties door een partij op grond van het toepasselijk recht van die partij gemachtigd zijn, de door die partij vastgestelde wettelijke maatregelen niet de vrijheid van marktdeelnemers beperkt om te kiezen waar zij de desbetreffende conformiteitsbeoordelingsprocedures verrichten; en

    • c. informatie uit te wisselen over het accreditatiebeleid, en te beoordelen hoe optimaal gebruik kan worden gemaakt van internationale accreditatienormen en van internationale overeenkomsten waarbij de accreditatie-instellingen van de partijen betrokken zijn, bijvoorbeeld met behulp van de mechanismen van de International Laboratory Accreditation Co-operation (ILAC) en het International Accreditation Forum (IAF).

Artikel 132 Speciale en differentiële behandeling

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 126 van dit hoofdstuk, komen de partijen het volgende overeen:

  • a. de partijen waarborgen dat de wettelijke maatregelen geen belemmering vormen voor het sluiten van vrijwillige overeenkomsten tussen de conformiteitsbeoordelingsinstanties in de republieken van de MA-partij en die in de EU-partij, en bevorderen voorts de deelname van dergelijke instanties aan deze overeenkomsten;

  • b. als een van de partijen een specifiek probleem met betrekking tot een bestaand of voorgesteld technisch voorschrift, een norm of een conformiteitsbeoordelingsprocedure vaststelt waardoor de handel tussen de partijen beïnvloed kan worden, kan deze uitvoerende partij opheldering en begeleiding vragen over hoe aan de maatregel van de invoerende partij kan worden voldaan. Deze laatste geeft onverwijld gehoor aan dit verzoek en neemt de door de uitvoerende partij geuite bezwaren in overweging;

  • c. op verzoek van de uitvoerende partij verbindt de invoerende partij zich ertoe via haar bevoegde autoriteiten onverwijld informatie te verstrekken over de technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures die voor een groep goederen of voor een specifiek goed gelden ten aanzien van het op de markt brengen daarvan op het grondgebied van de invoerende partij; en

  • d. overeenkomstig artikel 12, lid 3, van de TBT-Overeenkomst, houdt de EU-partij bij het opstellen of toepassen van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures, rekening met de speciale ontwikkelings-, financierings- en handelsbehoeften van de republieken van de MA-partij, met als doel te waarborgen dat deze technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures geen onnodige belemmeringen voor hun uitvoer creëren.

Artikel 133 Samenwerking en technische bijstand

De partijen zijn het erover eens dat het in hun gemeenschappelijk belang is initiatieven tot wederzijdse samenwerking en technische bijstand te bevorderen ten aanzien van kwesties met betrekking tot technische handelsbelemmeringen. In dit opzicht hebben de partijen een aantal samenwerkingsactiviteiten vastgesteld die zijn opgenomen in artikel 57 van titel VI (Economische en handelsontwikkeling) van deel III van deze overeenkomst.

Artikel 134 Samenwerking en regionale integratie

De partijen zijn het erover eens dat samenwerking tussen nationale en regionale autoriteiten die zich met technische handelsbelemmeringen bezighouden, zowel in de openbare als in de particuliere sector, van belang is om de handel binnen de regio’s en tussen de partijen zelf te bevorderen. De partijen verbinden zich ertoe ten behoeve hiervan gezamenlijke acties te ondernemen, onder andere:

  • a. de samenwerking versterken op het gebied van normen, technische voorschriften, metrologie, accreditatie en conformiteitsbeoordeling, teneinde het wederzijdse begrip van hun respectieve systemen te verbeteren, en op gebieden van gemeenschappelijk belang initiatieven voor handelsbevordering onderzoeken die leiden tot convergentie van de voorschriften van hun regelgeving. Daartoe kunnen zij zowel op horizontaal als op sectoraal niveau dialogen over regelgeving tot stand brengen;

  • b. ernaar streven om handelsbevorderende initiatieven in kaart te brengen, te ontwikkelen en te bevorderen die met name, doch niet uitsluitend, het volgende kunnen inhouden:

    • i. versterking van de samenwerking op regelgevingsgebied door, bijvoorbeeld, de uitwisseling van informatie, expertise en gegevens, alsmede door wetenschappelijke en technische samenwerking, teneinde de manier waarop technische voorschriften worden ontwikkeld, te verbeteren in de zin van transparantie en overleg, en efficiënt gebruik te maken van de beschikbare middelen op regelgevingsgebied;

    • ii. vereenvoudiging van procedures en voorschriften; en

    • iii. bevordering en aanmoediging van bilaterale samenwerking tussen hun respectieve openbare of particuliere instellingen voor metrologie, normalisatie, beproeving, certificering en accreditatie;

  • c. op verzoek voorstellen die een andere partij doet voor samenwerking in het kader van dit hoofdstuk op gepaste wijze in overweging nemen.

Artikel 135 Transparantie en kennisgevingsprocedures

De partijen komen overeen:

  • a. te voldoen aan de verplichtingen inzake transparantie van de partijen zoals opgenomen in de TBT-Overeenkomst, en vroegtijdig te waarschuwen in het geval van de introductie van technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures met een aanzienlijk effect op de handel tussen de partijen, en, in het geval dat dergelijke technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures worden geïntroduceerd, voldoende ruimte te laten tussen de bekendmaking ervan en de inwerkingtreding zodat marktdeelnemers gelegenheid hebben zich hieraan aan te passen;

  • b. de andere partij in het geval van kennisgeving overeenkomstig de TBT-Overeenkomst ten minste zestig dagen volgend op de kennisgeving de tijd te geven schriftelijke opmerkingen over het voorstel in te dienen, tenzij er zich dringende problemen inzake veiligheid, gezondheid, milieubescherming of nationale veiligheid voordoen of dreigen voor te doen, en, voor zover mogelijk, redelijke verzoeken tot verlenging van de termijn waarbinnen opmerkingen kunnen worden gemaakt, op gepaste wijze in overweging te nemen. Deze termijn wordt verlengd indien de TBT-commissie van de WTO dit aanbeveelt; en

  • c. op gepaste wijze rekening te houden met de standpunten van de andere partij indien een onderdeel van het proces voor de ontwikkeling van een technisch voorschrift of een conformiteitsbeoordelingsprocedure voorafgaand aan het WTO-kennisgevingsproces, overeenkomstig de procedures van elke regio aan een openbare raadpleging is onderworpen, en op de opmerkingen van de andere partij op verzoek schriftelijk te antwoorden.

Artikel 136 Markttoezicht

De partijen verbinden zich ertoe:

  • a. van gedachten te wisselen over markttoezicht en handhavend optreden; en

  • b. ervoor te zorgen dat het markttoezicht door de bevoegde autoriteiten op onafhankelijke wijze wordt verricht, met als doel belangenconflicten te vermijden.

Artikel 137 Vergoedingen

De partijen verbinden zich ertoe ervoor te zorgen dat:

  • a. vergoedingen voor de conformiteitsbeoordeling van producten van oorsprong uit het grondgebied van een van de partijen billijk zijn in vergelijking met de vergoedingen die worden gevraagd voor de conformiteitsbeoordeling van soortgelijke producten van nationale oorsprong of van oorsprong uit het grondgebied van de andere partij, met inachtneming van de kosten van communicatie, vervoer en andere kosten die het gevolg zijn van het feit dat de bedrijfsruimten van de aanvrager en die van de conformiteitsbeoordelingsinstantie op verschillende plaatsen zijn gevestigd;

  • b. een partij de andere partij gelegenheid geeft bezwaar in te dienen tegen het bedrag dat wordt aangerekend voor de conformiteitsbeoordeling van producten indien de vergoeding excessief is in verhouding tot de kosten van de certificering en indien dit de concurrentiepositie van haar producten ondermijnt; en

  • c. de verwachte verwerkingsperiode voor alle verplichte conformiteitsbeoordelingen redelijk en billijk is voor ingevoerde en interne goederen.

Artikel 138 Merktekens en etikettering
  • 1. De partijen brengen in herinnering dat, zoals vermeld in artikel 1 van bijlage 1 bij de TBT-Overeenkomst, een technisch voorschrift geheel of ten dele betrekking kan hebben op merktekens of etikettering, en zij komen overeen dat voor zover hun technische voorschriften voorzien in verplichte merktekens of etikettering, zij de beginselen van artikel 2, lid 2, van de TBT-Overeenkomst zullen eerbiedigen.

  • 2. De partijen komen met name het volgende overeen:

    • a. de partijen vereisen alleen merktekens of etikettering die voor de consument of gebruiker van het product relevant zijn, of om aan te geven dat het product voldoet aan de verplichte technische voorschriften7);

    • b. indien nodig met het oog op het risico van de producten voor de gezondheid of het leven van mensen, dieren of planten, voor het milieu of voor de nationale veiligheid, kunnen de partijen:

      • i. de goedkeuring, registratie of certificering van merktekens of etikettering vereisen als voorwaarde voor verkoop op hun respectieve markten; of

      • ii. voorschriften inzake de fysieke kenmerken of het ontwerp van een etiket invoeren, met name dat de informatie wordt geplaatst op een specifiek deel van het product of in een bepaalde vorm of omvang.

      Het voorgaande geldt onverminderd maatregelen die door de partijen worden genomen ingevolge hun interne regelgeving om te controleren of etiketten voldoen aan de bindende voorschriften, alsmede maatregelen die zij nemen om praktijken te controleren die misleidend kunnen zijn voor de consument;

    • c. in het geval dat een partij verlangt dat marktdeelnemers een uniek identificatienummer gebruiken, wordt een dergelijk nummer zonder onnodige vertraging en op niet-discriminerende grondslag aan de marktdeelnemers van de andere partij toegekend;

    • d. tenzij dit misleidend, tegenstrijdig of verwarrend is ten opzichte van de informatie die in het land van bestemming van de goederen moet worden verstrekt, staan de partijen het volgende toe:

      • i. informatie in meer talen dan alleen de taal die in het land van bestemming is voorgeschreven;

      • ii. internationale nomenclaturen, pictogrammen, symbolen en grafieken; en

      • iii. aanvullende informatie naast die welke in het land van bestemming van de goederen is voorgeschreven;

    • e. de partijen trachten, zolang de legitieme doelstellingen van de TBT-Overeenkomst hierdoor niet in gevaar komen en de informatie op juiste wijze de consument bereikt, niet-permanente of verwijderbare etiketten dan wel merktekens of etiketten in de begeleidende documentatie in plaats van op of aan het product zelf aangebracht, te aanvaarden; en

    • f. de partijen staan toe dat er in het land van bestemming etikettering of correcties op etikettering wordt of worden aangebracht alvorens de goederen op de markt worden gebracht.

  • 3. Rekening houdend met lid 2, komen de partijen overeen dat wanneer een partij merktekens of etikettering op textiel, kleding of schoeisel vereist, alleen van de volgende informatie kan worden verlangd dat deze permanent wordt aangebracht:

    • a. in het geval van textiel en kleding: de vezelsamenstelling, het land van oorsprong, veiligheidsinstructies voor specifieke gebruikswijzen en onderhoudsinstructies; en

    • b. in het geval van schoeisel: de belangrijkste grondstoffen van de hoofdonderdelen, veiligheidsinstructies voor specifieke gebruikswijzen en het land van oorsprong.

  • 4. De partijen passen de bepalingen van dit artikel uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst toe.

Artikel 139 Subcomité Technische handelsbelemmeringen
  • 1. De partijen richten hierbij een subcomité Technische handelsbelemmeringen op, overeenkomstig artikel 348 en zoals uiteengezet in bijlage XXI (Subcomités).

  • 2. Het subcomité heeft de volgende taken:

    • a. alle zaken met betrekking tot de toepassing van dit hoofdstuk bespreken die van invloed kunnen zijn op de handel tussen de partijen;

    • b. toezicht houden op de uitvoering en het beheer van dit hoofdstuk, waarbij onverwijld een kwestie wordt behandeld wanneer door een van de partijen een dergelijke kwestie wordt voorgelegd in verband met de ontwikkeling, de vaststelling, de toepassing of de handhaving van normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures; en, op verzoek van een van beide partijen, overleg plegen over kwesties die in verband met dit hoofdstuk aan de orde komen;

    • c. de informatie-uitwisseling inzake technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures vereenvoudigen;

    • d. een discussieforum bieden om binnen het toepassingsgebied en de doelstelling van dit hoofdstuk problemen of kwesties op te lossen die de handel belemmeren of beperken;

    • e. de samenwerking verbeteren bij de ontwikkeling en verbetering van normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures, met inbegrip van het uitwisselen van informatie tussen de relevante openbare en particuliere organen die zich met deze aangelegenheden bezighouden, en directe interactie aanmoedigen tussen niet-gouvernementele instanties, zoals normalisatie-, accreditatie- en certificerende instellingen;

    • f. de informatie-uitwisseling vereenvoudigen over werkzaamheden die worden verricht bij niet-gouvernementele, regionale en multilaterale fora die zich bezighouden met activiteiten met betrekking tot technische voorschriften, normalisatie en conformiteitsbeoordelingsprocedures;

    • g. uitzoeken hoe de handel tussen de partijen kan worden verbeterd;

    • h. rapporteren over de samenwerkingsprogramma’s die zijn ingesteld op grond van artikel 57 van titel VI (Economische en handelsontwikkeling) van deel III van deze overeenkomst, de resultaten daarvan en het effect van deze projecten op de bevordering van de handel en de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk;

    • i. dit hoofdstuk evalueren in het licht van ontwikkelingen die met de TBT-Overeenkomst verband houden;

    • j. rapporteren aan het Associatiecomité inzake de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk, met name de vooruitgang ten aanzien van de verwezenlijking van de vastgestelde doelen en de bepalingen in verband met speciale en differentiële behandeling;

    • k. alle andere stappen doen waarvan de partijen menen dat deze zullen bijdragen aan de uitvoering van dit hoofdstuk;

    • l. een dialoog tot stand brengen tussen regelgevers overeenkomstig artikel 134, onder a), van dit hoofdstuk en, waar van toepassing, werkgroepen instellen om de verschillende kwesties te bespreken die van belang zijn voor de partijen. Niet-gouvernementele deskundigen en belanghebbenden kunnen deel uitmaken van deze werkgroepen of worden geraadpleegd; en

    • m. alle overige zaken behandelen in opdracht van het Associatiecomité.

HOOFDSTUK 5 SANITAIRE EN FYTOSANITAIRE MAATREGELEN
Artikel 140 Doelstellingen

De doelstellingen van dit hoofdstuk zijn:

  • a. het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten op het grondgebied van de partijen te beschermen, en tegelijk de handel tussen de partijen binnen het toepassingsgebied van de uitvoering van dit hoofdstuk te bevorderen;

  • b. samen te werken voor de verdere uitvoering van de SPS-Overeenkomst;

  • c. ervoor te zorgen dat de sanitaire en fytosanitaire maatregelen geen ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen tussen de partijen opwerpen;

  • d. rekening te houden met de ongelijkheden tussen de regio’s;

  • e. de samenwerking op sanitair en fytosanitair vlak te verbeteren overeenkomstig deel III van deze overeenkomst, met als doel de capaciteiten van een partij ten aanzien van sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden te versterken, teneinde de toegang tot de markt van de andere partij te verbeteren en tegelijk het niveau van bescherming van mensen, dieren en planten te waarborgen; en

  • f. geleidelijk een regio-tot-regio-aanpak van de handel in goederen door te voeren, met inachtneming van sanitaire en fytosanitaire maatregelen.

Artikel 141 Multilaterale rechten en verplichtingen

De partijen herbevestigen hun rechten en verplichtingen ingevolge de SPS-Overeenkomst.

Artikel 142 Toepassingsgebied
  • 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle sanitaire en fytosanitaire maatregelen van een partij die de handel tussen de partijen al dan niet rechtstreeks kunnen beïnvloeden.

  • 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures, zoals omschreven in de TBT-Overeenkomst.

  • 3. Daarnaast is dit hoofdstuk van toepassing op de samenwerking op het terrein van dierenwelzijn.

Artikel 143 Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de definities die zijn opgenomen in bijlage A bij de SPS-Overeenkomst.

Artikel 144 Bevoegde autoriteiten

De bevoegde autoriteiten van de partijen zijn de autoriteiten die bevoegd zijn voor de uitvoering van dit hoofdstuk, zoals vastgesteld in bijlage VI (Bevoegde autoriteiten). Overeenkomstig artikel 151 van dit hoofdstuk stellen de partijen elkaar in kennis van elke wijziging met betrekking tot de bevoegde autoriteiten.

Artikel 145 Algemene beginselen
  • 1. De sanitaire en fytosanitaire maatregelen die door de partijen worden toegepast, gaan uit van de beginselen die zijn vastgelegd in artikel 3 van de SPS-Overeenkomst.

  • 2. De sanitaire en fytosanitaire maatregelen mogen niet worden gebruikt om ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen op te werpen.

  • 3. De procedures die worden ingesteld binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk, worden toegepast op transparante wijze, zonder onnodige vertragingen en onder voorwaarden en vereisten met inbegrip van kosten, die niet hoger zijn dan de werkelijke kosten van de dienst en die billijk zijn in verhouding tot vergoedingen die in rekening worden gebracht voor soortgelijke interne producten van de partijen.

  • 4. De partijen maken geen gebruik van de in lid 3 genoemde procedures, noch van de verzoeken om aanvullende informatie, om de toegang tot de markt zonder wetenschappelijke en technische rechtvaardiging te vertragen.

Artikel 146 Voorschriften voor invoer
  • 1. De uitvoerende partij zorgt ervoor dat de naar de invoerende partij uitgevoerde producten voldoen aan de sanitaire en fytosanitaire voorschriften van de invoerende partij.

  • 2. De invoerende partij garandeert dat de invoervoorwaarden worden toegepast op evenredige en niet-discriminerende wijze.

Artikel 147 Handelsbevordering
  • 1. Lijst van inrichtingen:

    • a. Voor de invoer van dierlijke producten verschaft de uitvoerende partij de invoerende partij een lijst van inrichtingen die voldoen aan de voorschriften van de invoerende partij.

    • b. Op verzoek van de uitvoerende partij, die bij haar verzoek de passende sanitaire garanties voegt, erkent de invoerende partij inrichtingen als bedoeld in bijlage VII (Voorschriften en bepalingen betreffende de erkenning van inrichtingen voor producten van dierlijke oorsprong), die gevestigd zijn op het grondgebied van de uitvoerende partij, zonder voorafgaande inspectie van de afzonderlijke inrichtingen. Deze erkenning dient overeen te stemmen met de voorschriften en bepalingen van bijlage VII, en blijft beperkt tot die productcategorieën waarvoor de invoer is toegestaan.

    • c. De in dit artikel bedoelde sanitaire garanties kunnen relevante en gerechtvaardigde informatie omvatten om de sanitaire status van de in te voeren levende dieren en dierlijke producten te garanderen.

    • d. Tenzij om aanvullende informatie wordt verzocht, neemt de invoerende partij de nodige wetgevende of administratieve maatregelen, overeenkomstig haar geldende wettelijke procedures, om binnen veertig werkdagen na ontvangst van het verzoek van de uitvoerende partij, dat vergezeld gaat van de passende sanitaire garanties, de invoer op die basis toe te staan.

    • e. De invoerende partij doet regelmatig verslag van de afgewezen verzoeken om erkenning, met vermelding van de non-conformiteiten waarop de besluiten om een inrichting niet te erkennen, zijn gebaseerd.

  • 2. Vergoedingen voor invoercontroles en -inspectie: de eventuele vergoedingen die worden opgelegd voor de procedures inzake ingevoerde producten, mogen slechts de door de bevoegde autoriteit voor het verrichten van de invoercontrole opgelopen kosten omvatten; de vergoedingen zijn niet hoger dan de werkelijke kosten van de dienst en zijn billijk ten aanzien van vergoedingen die in rekening worden gebracht voor soortgelijke interne producten.

Artikel 148 Verificaties
  • 1. Om het vertrouwen in de doeltreffende uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk te bewaren, heeft elke partij, binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk, het recht om:

    • a. een verificatie te verrichten van het geheel of een deel van het controlesysteem van de autoriteiten van de andere partij, overeenkomstig de richtsnoeren die zijn opgenomen in bijlage VIII (Richtsnoeren voor de uitvoering van verificaties), waarbij de kosten van een dergelijke verificatie worden gedragen door de partij die de verificatie verricht; en

    • b. informatie te ontvangen van de andere partij over haar controlesysteem en te worden geïnformeerd over de resultaten van de controles die door middel van dat systeem zijn uitgevoerd.

  • 2. De partijen wisselen de resultaten en conclusies van de op het grondgebied van de andere partij verrichte verificaties uit en maken deze algemeen bekend.

  • 3. Indien de invoerende partij besluit een verificatiebezoek te brengen aan de uitvoerende partij, stelt zij de andere partij daar ten minste zestig werkdagen van tevoren van in kennis, uitgezonderd in noodgevallen of als de betrokken partijen anderszins overeenkomen. Wijzigingen ten aanzien van dit bezoek worden overeengekomen door de betrokken partijen.

Artikel 149 Maatregelen in verband met de gezondheid van planten en dieren
  • 1. De partijen erkennen het concept van ziekte- of plagenvrije gebieden en gebieden met een lage prevalentie van ziekten of plagen overeenkomstig de SPS-Overeenkomst, alsmede de normen, richtsnoeren en aanbevelingen van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (hierna de „OIE” genoemd) en het Internationaal Verdrag voor de Bescherming van Planten (hierna de „IPPC” genoemd). Het in artikel 156 van dit hoofdstuk genoemde subcomité kan de details van de procedure voor de erkenning van dergelijke gebieden nader definiëren, rekening houdend met de SPS-Overeenkomst en de desbetreffende normen, richtsnoeren en aanbevelingen van de OIE en de IPPC. Deze procedure wordt tevens toegepast bij uitbraken en herbesmetting.

  • 2. Bij de vaststelling van ziekte- of plagenvrije gebieden en gebieden met een lage prevalentie van ziekten of plagen, wordt rekening gehouden met factoren als geografische ligging, ecosystemen, epidemiologische surveillance en de doeltreffendheid van sanitaire of fytosanitaire controles in die gebieden.

  • 3. Voor de vaststelling van ziekte- of plagenvrije gebieden en gebieden met een lage prevalentie van ziekten en plagen, brengen de partijen een nauwe samenwerking tot stand om vertrouwen in de door elke partij voor die vaststelling gevolgde procedures te verkrijgen.

  • 4. Bij de vaststelling van deze gebieden, ongeacht of dit voor het eerst gebeurt of na de uitbraak van een dierenziekte of het opnieuw optreden van een plantenplaag, baseert de invoerende partij haar eigen vaststelling van de dier- of plantgezondheidsstatus van de uitvoerende partij of delen daarvan in beginsel op de door de uitvoerende partij overeenkomstig de SPS-Overeenkomst en de desbetreffende normen, richtsnoeren en aanbevelingen van de OIC en het IPPC verstrekte informatie, en houdt zij rekening met de vaststelling die de uitvoerende partij heeft gedaan.

  • 5. Indien de invoerende partij voornoemde, door de uitvoerende partij gedane vaststelling niet aanvaardt, zet zij de redenen hiervoor uiteen en is zij bereid in overleg te treden.

  • 6. De uitvoerende partij levert het nodige bewijs om de invoerende partij objectief aan te tonen dat de desbetreffende gebieden ziekte- of plagenvrije gebieden, respectievelijk gebieden met een lage prevalentie van ziekten en plagen zijn, en dat waarschijnlijk ook blijven. Hiertoe wordt aan de invoerende partij op verzoek redelijke toegang verleend voor inspectie, proeven en andere relevante procedures.

  • 7. De partijen erkennen het beginsel van compartimentering van de OIE en van plagenvrije productieplaatsen en -locaties van de IPPC. Zij zullen hun toekomstige aanbevelingen ter zake in overweging nemen. Het subcomité dat op grond van artikel 156 van dit hoofdstuk is ingesteld, doet dienovereenkomstig aanbevelingen.

Artikel 150 Gelijkwaardigheid

Middels het subcomité Sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden dat op grond van artikel 156 is ingesteld, kunnen de partijen bepalingen inzake gelijkwaardigheid opstellen en zullen zij aanbevelingen doen overeenkomstig de procedures die zijn vastgesteld in de institutionele bepalingen van deze overeenkomst.

Artikel 151 Transparantie en uitwisseling van informatie

De partijen:

  • a. streven transparantie na op het gebied van sanitaire en fytosanitaire maatregelen die op de handel van toepassing zijn;

  • b. verbeteren het wederzijdse begrip van de sanitaire en fytosanitaire maatregelen van elke partij en de toepassing ervan;

  • c. wisselen informatie uit over aangelegenheden die verband houden met de ontwikkeling en de toepassing van sanitaire en fytosanitaire maatregelen die de handel tussen de partijen beïnvloeden of kunnen beïnvloeden, opdat de negatieve gevolgen ervan voor de handel zoveel mogelijk worden beperkt; en

  • d. delen op verzoek van een partij de op de invoer van specifieke producten toepasselijke voorschriften mede.

Artikel 152 Kennisgeving en overleg
  • 1. Elke partij stelt de andere partij binnen drie werkdagen schriftelijk in kennis van alle ernstige of aanzienlijke risico’s voor het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten, met inbegrip van noodsituaties op voedselgebied.

  • 2. De kennisgevingen worden gedaan aan de contactpunten die zijn opgenomen in bijlage IX (Contactpunten en websites). Onder schriftelijke kennisgeving wordt kennisgeving per post, fax of e-mail verstaan.

  • 3. Indien een partij ernstige bedenkingen heeft ten aanzien van een risico voor het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten, waarbij producten gemoeid zijn die worden verhandeld, dient overleg over de situatie op verzoek zo snel mogelijk plaats te vinden. Elke partij tracht in dergelijke omstandigheden alle nodige informatie te verstrekken teneinde handelsverstoringen te voorkomen.

  • 4. Het in lid 3 bedoelde overleg kan worden gepleegd via e-mail, video-/audioconferentie of elk ander wederzijds door de partijen overeengekomen middel. De verzoekende partij heeft de taak om de notulen van het overleg op te stellen, die formeel door de partijen moeten worden goedgekeurd.

Artikel 153 Noodmaatregelen
  • 1. In het geval van een ernstig risico voor het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten, mag de invoerende partij zonder voorafgaande kennisgeving maatregelen treffen die nodig zijn voor de bescherming van het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten. Voor zendingen die in doorvoer zijn tussen de partijen, kiest de invoerende partij de meest geschikte en evenredige oplossing teneinde onnodige handelsverstoringen te vermijden.

  • 2. De partij die de maatregelen neemt, stelt de andere partij zo snel mogelijk in kennis en in ieder geval niet later dan één werkdag na het vaststellen van de maatregel. De partijen kunnen verzoeken om informatie met betrekking tot de sanitaire en fytosanitaire situatie en de vastgestelde maatregelen, en de partijen antwoorden zodra de gevraagde informatie beschikbaar is.

  • 3. Op verzoek van elk van de partijen en overeenkomstig de bepalingen van artikel 152 van dit hoofdstuk, plegen de partijen binnen vijftien werkdagen na kennisgeving overleg over de situatie. Doel van dit overleg is het voorkomen van onnodige handelsverstoringen. De partijen kunnen opties overwegen voor de bevordering van de uitvoering of de vervanging van de maatregelen.

Artikel 154 Samenwerking en technische bijstand
  • 1. De maatregelen inzake samenwerking en technische bijstand die vereist zijn voor de uitvoering van dit hoofdstuk, zijn vastgesteld in artikel 62 van titel VI (Economische en handelsontwikkeling) van deel III van deze overeenkomst.

  • 2. Middels het subcomité Sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden dat op grond van artikel 156 van dit hoofdstuk is ingesteld, stellen de partijen een werkprogramma op, waarin onder andere de nodige elementen worden beschreven van de samenwerking en technische bijstand voor het opbouwen en/of versterken van de capaciteit van de partijen inzake kwesties van gemeenschappelijk belang op het gebied van de gezondheid van mensen, dieren en planten en voedselveiligheid.

Artikel 155 Speciale en differentiële behandeling

Elke republiek van de MA-partij mag direct overleg plegen met de EU-partij wanneer zij een specifiek probleem vaststelt met betrekking tot een door de EU-partij voorgestelde maatregel die de onderlinge handel kan beïnvloeden. Voor dergelijk overleg kunnen de besluiten van de SPS-commissie van de WTO, zoals document G/SPS/33 en de wijzigingen daarop, als richtsnoer worden gebruikt.

Artikel 156 Subcomité Sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden
  • 1. De partijen richten hierbij een subcomité Sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden op overeenkomstig artikel 348 en zoals uiteengezet in bijlage XXI (Subcomités).

  • 2. Het subcomité kan elk vraagstuk behandelen dat verband houdt met de rechten en verplichtingen op grond van dit hoofdstuk. Het heeft in het bijzonder de volgende verantwoordelijkheden en taken:

    • a. aanbevelingen doen ten aanzien van de ontwikkeling van procedures of regelingen die voor de uitvoering van dit hoofdstuk nodig zijn;

    • b. toezicht houden op de voortgang bij de uitvoering van dit hoofdstuk;

    • c. een forum bieden voor discussie over problemen die zich voordoen door de toepassing van bepaalde sanitaire of fytosanitaire maatregelen, teneinde wederzijds aanvaardbare alternatieven te formuleren; Daartoe wordt het subcomité op verzoek van een partij met spoed bijeengeroepen voor overleg;

    • d. indien nodig, overleg plegen zoals vastgesteld in artikel 155 van dit hoofdstuk inzake speciale en differentiële behandeling;

    • e. indien nodig, overleg plegen zoals vastgesteld in artikel 157 van dit hoofdstuk over de beslechting van geschillen die zich voordoen in verband met dit hoofdstuk;

    • f. de samenwerking tussen de partijen inzake dierenwelzijn bevorderen; en

    • g. alle overige zaken behandelen in opdracht van het Associatiecomité.

  • 3. Het subcomité stelt op zijn eerste vergadering zijn reglement van orde vast, dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het Associatiecomité.

Artikel 157 Geschillenbeslechting
  • 1. Indien een partij van oordeel is dat een maatregel van de andere partij in strijd is of kan zijn met de verplichtingen op grond van dit hoofdstuk, kan zij verzoeken om technisch overleg in het bij artikel 156 opgerichte subcomité. De in bijlage VI (Bevoegde autoriteiten) genoemde bevoegde autoriteiten zullen dit overleg faciliteren.

  • 2. Indien een geschil onderwerp is van overleg in het subcomité overeenkomstig lid 1, vervangt dit overleg het overleg waarin artikel 310 van titel X (Geschillenbeslechting) van deel IV van deze overeenkomst voorziet, tenzij anderszins overeengekomen door de partijen bij het geschil. Het overleg in het subcomité wordt uiterlijk dertig dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij de overleg plegende partijen overeenkomen het overleg voort te zetten. Dit overleg kan worden gepleegd via telefonische conferentie, videoconferentie of elk ander wederzijds door de partijen overeengekomen middel.

HOOFDSTUK 6 UITZONDERINGEN MET BETREKKING TOT GOEDEREN
Artikel 158 Algemene uitzonderingen
  • 1. Artikel XX van de GATT 1994 en de aantekeningen daarop worden opgenomen in deze overeenkomst en maken er integraal deel van uit.

  • 2. De partijen erkennen dat artikel XX, onder b), van de GATT 1994 ook van toepassing kan zijn op milieumaatregelen die nodig zijn voor de bescherming van het leven en de gezondheid van mensen, dieren of planten, en dat artikel XX, onder g), van de GATT 1994 van toepassing is op maatregelen met betrekking tot de instandhouding van levende en niet-levende niet-hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen.

  • 3. De partijen zijn het erover eens dat, voordat in artikel XX, onder i) en j), van de GATT 1994 bedoelde maatregelen worden genomen, de uitvoerende partij die voornemens is maatregelen te nemen, de andere partij op verzoek alle relevante informatie verstrekt. De partijen kunnen overeenkomen elk middel aan te wenden dat vereist is om een einde te maken aan de omstandigheden die tot de maatregelen nopen. Indien binnen dertig dagen geen overeenstemming is bereikt, kan de uitvoerende partij krachtens dit artikel maatregelen nemen ten aanzien van de uitvoer van het betrokken product. Wanneer door uitzonderlijke en kritieke omstandigheden die onmiddellijk handelen vereisen, voorafgaande informatieverstrekking of voorafgaand onderzoek niet mogelijk is, kan de partij die voornemens is de maatregelen te nemen, onmiddellijk de voorzorgsmaatregelen nemen die strikt noodzakelijk zijn om de situatie te verhelpen, en stelt zij de andere partij onmiddellijk hiervan in kennis.

TITEL III VESTIGING, HANDEL IN DIENSTEN EN ELEKTRONISCHE HANDEL
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 159 Doel en toepassingsgebied
  • 1. De partijen, die hun verbintenissen op grond van de WTO-Overeenkomst herbevestigen, leggen hierbij de noodzakelijke bepalingen vast voor de geleidelijke invoering van de vrijheid van vestiging en de geleidelijke liberalisering van de handel in diensten en voor samenwerking op het gebied van elektronische handel (hierna „e-commerce” genoemd).

  • 2. Niets in deze titel wordt zodanig uitgelegd dat het de privatisering vereist van overheidsondernemingen of van de dienstverlening van openbare nutsbedrijven bij de uitoefening van overheidsgezag, of dat het een verplichting inhoudt met betrekking tot overheidsopdrachten.

  • 3. De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op door de partijen verleende subsidies.

  • 4. Overeenkomstig de bepalingen van deze titel behoudt elke partij het recht regelgevend op te treden en nieuwe regelingen in te voeren om legitieme nationale beleidsdoelstellingen te bereiken.

  • 5. Deze titel is noch van toepassing op maatregelen betreffende natuurlijke personen die toegang tot de arbeidsmarkt van een partij zoeken, noch op maatregelen inzake staatsburgerschap, verblijf of werk op permanente basis.

  • 6. Niets in deze titel belet een partij maatregelen toe te passen tot regeling van de toegang van natuurlijke personen tot of hun tijdelijke verblijf op haar grondgebied, daarbij inbegrepen maatregelen die nodig zijn voor het beschermen van de integriteit en het verzekeren van het ordelijke verkeer van natuurlijke personen over haar grenzen, al mogen deze maatregelen niet zodanig worden toegepast dat de voordelen die een partij op grond van een specifieke verbintenis toekomen, daardoor teniet worden gedaan of uitgehold8).

Artikel 160 Definities

Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:

  • a. „maatregel”: elke maatregel van een partij, in de vorm van een wet, regeling, voorschrift, procedure, besluit, administratieve handeling, of in enige andere vorm;

  • b. „door een partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen”: maatregelen genomen door:

    • i. centrale, regionale of lokale overheden en autoriteiten; en

    • ii. niet-gouvernementele lichamen bij de uitoefening van door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten gedelegeerde bevoegdheden;

  • c. „natuurlijke persoon van een partij”: een onderdaan van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een republiek van de MA-partij overeenkomstig hun respectieve wetgeving;

  • d. „rechtspersoon”: elke juridische entiteit, naar toepasselijk recht opgericht of anderszins georganiseerd, met winst- of andere oogmerken, ongeacht of zij eigendom van particulieren of van de overheid is, met inbegrip van alle vennootschappen, trusts, maatschappen, joint ventures, eenmanszaken of verenigingen;

  • e. „rechtspersoon van de EU-partij” of „rechtspersoon van een republiek van de MA-partij”: een rechtspersoon die is gevestigd naar het recht van respectievelijk een lidstaat van de Europese Unie of een republiek van de MA-partij en die op het grondgebied van respectievelijk de EU-partij of een republiek van de MA-partij zijn statutaire zetel, hoofdbestuur of hoofdvestiging heeft.

    Indien de rechtspersoon slechts zijn statutaire zetel of hoofdbestuur op het grondgebied van respectievelijk de Europese Unie of een republiek van de MA-partij heeft, wordt deze niet beschouwd als respectievelijk een rechtspersoon van de EU-partij of een rechtspersoon van een republiek van de MA-partij, tenzij hij omvangrijke zakelijke transacties verricht op het grondgebied van respectievelijk een lidstaat van de Europese Unie of een republiek van de MA-partij9); en

  • f. niettegenstaande het voorgaande punt vallen buiten de EU-partij of de republieken van de MA-partij gevestigde scheepvaartondernemingen waarover onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie respectievelijk een republiek van de MA-partij zeggenschap hebben, tevens onder de bepalingen van deze overeenkomst indien hun schepen in die lidstaat van de Europese Unie of in een republiek van de MA-partij zijn geregistreerd overeenkomstig hun respectieve wetgeving en zij de vlag van een lidstaat van de Europese Unie of van een republiek van de MA-partij voeren.

Artikel 161 Samenwerking inzake vestiging, handel in diensten en e-commerce

De partijen komen overeen dat het in hun gemeenschappelijk belang is initiatieven inzake wederzijdse samenwerking en technische bijstand te bevorderen ten aanzien van kwesties met betrekking tot vestiging, handel in diensten en e-commerce. In deze zin hebben de partijen een aantal samenwerkingsactiviteiten vastgesteld, die zijn opgenomen in artikel 56 van titel VI (Economische en handelsontwikkeling) van deel III van deze overeenkomst.

HOOFDSTUK 2 VESTIGING
Artikel 162 Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. „filiaal van een rechtspersoon van een partij”:

een handelszaak zonder rechtspersoonlijkheid die kennelijk een permanent karakter bezit, zoals een agentschap van een moedermaatschappij, een eigen management heeft en over de nodige materiële voorzieningen beschikt om zaken te doen met derden, zodat laatstgenoemden, hoewel zij ervan op de hoogte zijn dat er indien nodig een rechtsverhouding is met de moedermaatschappij waarvan het hoofdkantoor zich in het buitenland bevindt, geen rechtstreeks contact met deze moedermaatschappij behoeven te hebben, maar hun transacties kunnen afhandelen met de handelszaak die het agentschap vormt;

b. „economische activiteit”:

de activiteiten waarvoor verbintenissen zijn aangegaan in bijlage X (Lijsten van verbintenissen inzake vestiging). „Economische activiteit” omvat geen activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van de uitoefening van overheidsgezag, bijvoorbeeld activiteiten die noch op commerciële grondslag, noch in concurrentie met een of meer marktdeelnemers worden uitgeoefend;

c. „vestiging”:
  • i. de oprichting, overname of handhaving van een rechtspersoon10); of

  • ii. de oprichting of handhaving van een filiaal of vertegenwoordiging,

    op het grondgebied van een partij met als doel een economische activiteit uit te oefenen;

d. „investeerder van een partij”:

een natuurlijke persoon of rechtspersoon van een partij die door middel van het opzetten van een vestiging een economische activiteit tracht uit te oefenen of uitoefent; en

e. „dochteronderneming van een rechtspersoon van een partij”:

een rechtspersoon waarover een andere rechtspersoon van die partij daadwerkelijk zeggenschap heeft11).

Artikel 163 Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op maatregelen van de partijen die van invloed zijn op vestiging12) in alle economische activiteiten zoals gedefinieerd in artikel 162, met uitzondering van:

  • a. de winning, vervaardiging en verwerking van nucleair materiaal;

  • b. de productie van of handel in wapens, munitie en oorlogsmaterieel;

  • c. audiovisuele diensten;

  • d. nationale cabotage en cabotage over de binnenwateren13); en

  • e. nationale en internationale luchtvervoerdiensten, ongeacht of het gaat om lijndiensten of niet, en diensten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van verkeersrechten, andere dan:

    • i. diensten voor reparatie en onderhoud van vliegtuigen, gedurende welke een vliegtuig wordt onttrokken aan de luchtvaartdienst;

    • ii. verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;

    • iii. geautomatiseerde boekingssystemen (CRS); en

    • iv. andere diensten die de activiteiten van luchtvaartmaatschappijen ondersteunen, zoals opgenomen in bijlage X (Lijsten van verbintenissen inzake vestiging).

Artikel 164 Markttoegang
  • 1. Ten aanzien van de markttoegang in het kader van vestiging behandelt elke partij vestigingen en investeerders van de andere partij niet minder gunstig dan is bepaald in de voorwaarden en beperkingen die zijn overeengekomen en opgenomen in de in bijlage X (Lijsten van verbintenissen inzake vestiging) vermelde specifieke verbintenissen.

  • 2. Voor sectoren waarvoor verbintenissen betreffende markttoegang worden aangegaan, worden de maatregelen die een partij niet mag vaststellen of handhaven voor een bepaalde regio of voor haar gehele grondgebied, tenzij anderszins bepaald in bijlage X, omschreven als:

    • a. beperkingen van het aantal vestigingen in de vorm van numerieke quota, monopolies, exclusieve rechten of de vereisten van een onderzoek naar de economische behoefte;

    • b. beperkingen van de totale waarde van transacties of activa in de vorm van numerieke quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;

    • c. beperkingen van het totale aantal transacties of het totale volume van de output, uitgedrukt in bepaalde numerieke eenheden, in de vorm van quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte14);

    • d. beperkingen van de participatie van buitenlands kapitaal, uitgedrukt als een maximumpercentage voor buitenlands aandeelhouderschap of de totale waarde van individuele of totale buitenlandse investeringen; en

    • e. maatregelen die specifieke soorten vestigingen (dochteronderneming, filiaal, vertegenwoordiging)15) of joint ventures via welke een investeerder van de andere partij een economische activiteit kan uitoefenen, vereisen of ten aanzien van die vestigingen of joint ventures beperkingen opleggen.

Artikel 165 Nationale behandeling
  • 1. Elke partij behandelt binnen de in bijlage X (Lijsten van verbintenissen inzake vestiging) vermelde sectoren en met inachtneming van de daarin vermelde voorwaarden en kwalificaties, vestigingen en investeerders van de andere partij niet minder gunstig dan haar eigen soortgelijke vestigingen en investeerders.

  • 2. Een partij kan aan het bepaalde in lid 1 voldoen door aan vestigingen en investeerders van de andere partij een behandeling toe te kennen die naar de vorm identiek is dan wel naar de vorm afwijkt van de behandeling die zij aan haar eigen soortgelijke vestigingen en investeerders toekent.

  • 3. Een naar de vorm identieke of naar de vorm afwijkende behandeling wordt geacht minder gunstig te zijn indien zij de mededingingsvoorwaarden wijzigt ten gunste van vestigingen of investeerders van de partij, in vergelijking met soortgelijke vestigingen of investeerders van de andere partij.

  • 4. De op grond van dit artikel aangegane specifieke verbintenissen worden niet zodanig uitgelegd dat een partij verplicht is tot compensatie van concurrentienadelen die inherent zijn aan het buitenlandse karakter van de desbetreffende investeerders.

Artikel 166 Lijsten van verbintenissen

De sectoren waarvoor elk van beide partijen ingevolge dit hoofdstuk verbintenissen heeft aangegaan, en de beperkingen, voorwaarden en kwalificaties, door middel van voorbehouden, van de markttoegang en van de nationale behandeling voor vestigingen en investeerders van de andere partij in die sectoren, worden in de lijsten van verbintenissen in bijlage X (Lijsten van verbintenissen inzake vestiging) vermeld.

Artikel 167 Andere overeenkomsten

Niets in deze titel wordt zodanig uitgelegd dat het de rechten beperkt van investeerders van de partijen op een gunstigere behandeling waarin is voorzien in een bestaande of toekomstige internationale overeenkomst inzake investeringen waarbij een lidstaat van de Europese Unie en een republiek van de MA-partij partijen zijn. Niets in deze overeenkomst wordt, direct dan wel indirect, onderworpen aan in die overeenkomsten vastgestelde procedures voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staat.

Artikel 168 Evaluatie

De partijen zeggen toe het rechtskader inzake investeringen, het investeringsklimaat en de onderlinge investeringsstromen uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst, en vervolgens met regelmatige tussenpozen in overeenstemming met hun uit internationale overeenkomsten voortvloeiende verbintenissen, te evalueren.

HOOFDSTUK 3 GRENSOVERSCHRIJDENDE DIENSTVERLENING
Artikel 169 Toepassingsgebied en definities
  • 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op maatregelen van de partijen die van invloed zijn op alle grensoverschrijdende dienstverlening met uitzondering van:

    • a. audiovisuele diensten;

    • b. nationale cabotage en cabotage over de binnenwateren16); en

    • c. nationale en internationale luchtvervoerdiensten, ongeacht of het gaat om lijndiensten of niet, en diensten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van verkeersrechten, andere dan:

      • i. diensten voor reparatie en onderhoud van vliegtuigen, gedurende welke een vliegtuig wordt onttrokken aan de luchtvaartdienst;

      • ii. verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;

      • iii. geautomatiseerde boekingssystemen (CRS);

      • iv. andere diensten die de activiteiten van luchtvaartmaatschappijen ondersteunen, zoals opgenomen in bijlage XI (Lijsten van verbintenissen inzake grensoverschrijdende dienstverlening).

  • 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    a. „grensoverschrijdende dienstverlening”:

    het verlenen van een dienst:

    • i. vanaf het grondgebied van een partij naar het grondgebied van de andere partij (vorm van dienstverlening 1);

    • ii. op het grondgebied van een partij ten behoeve van de dienstafnemer van de andere partij (vorm van dienstverlening 2);

    b. „diensten”:

    alle diensten in elke sector, behalve de in het kader van de uitoefening van overheidsgezag verleende diensten;

    „in het kader van de uitoefening van overheidsgezag verleende dienst”: elke dienst die noch op commerciële basis, noch in concurrentie met een of meer dienstverleners wordt verleend;

    c. „dienstverlener van een partij”:

    een natuurlijke persoon of rechtspersoon van een partij die een dienst tracht te verlenen of verleent; en

    d. „dienstverlening”:

    de productie, distributie, marketing, verkoop en levering van een dienst.

Artikel 170 Markttoegang
  • 1. Ten aanzien van de markttoegang via de vormen van dienstlevering die zijn vermeld in artikel 169, lid 2, onder a), behandelt elke partij de diensten en dienstverleners van de andere partij niet minder gunstig dan is bepaald in de voorwaarden en beperkingen die zijn overeengekomen en opgenomen in de in bijlage XI (Lijsten van verbintenissen inzake grensoverschrijdende dienstverlening) vermelde specifieke verbintenissen.

  • 2. Voor sectoren waarvoor verbintenissen betreffende markttoegang worden aangegaan, worden de maatregelen die een partij niet mag vaststellen of handhaven voor een bepaalde regio of voor haar gehele grondgebied, tenzij anderszins bepaald in bijlage XI, omschreven als:

    • a. beperkingen van het aantal dienstverleners in de vorm van numerieke quota, monopolies, exclusieve dienstverleners of de vereisten van een onderzoek naar de economische behoefte;

    • b. beperkingen van de totale waarde van transacties of activa in verband met diensten in de vorm van numerieke quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte; en

    • c. beperkingen van het totale aantal dienstentransacties of het totale volume van de dienstenoutput, uitgedrukt in bepaalde numerieke eenheden, in de vorm van quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte17).

Artikel 171 Nationale behandeling
  • 1. Elke partij behandelt binnen de in bijlage XI (Lijsten van verbintenissen inzake grensoverschrijdende dienstverlening) opgenomen sectoren en met inachtneming van de daarin vermelde voorwaarden en kwalificaties, diensten en dienstverleners van de andere partij in het kader van alle maatregelen die op de grensoverschrijdende dienstverlening van invloed zijn, niet minder gunstig dan haar eigen soortgelijke diensten en dienstverleners.

  • 2. Een partij kan aan het bepaalde in lid 1 voldoen door aan diensten en dienstverleners van de andere partij een behandeling toe te kennen die naar de vorm identiek is dan wel naar de vorm afwijkt van de behandeling die zij aan haar eigen soortgelijke diensten en dienstverleners toekent.

  • 3. Een naar de vorm identieke of naar de vorm afwijkende behandeling wordt geacht minder gunstig te zijn indien zij de mededingingsvoorwaarden wijzigt ten gunste van diensten of dienstverleners van de partij, in vergelijking met soortgelijke diensten of dienstverleners van de andere partij.

  • 4. De op grond van dit artikel aangegane specifieke verbintenissen worden niet zodanig uitgelegd dat een partij verplicht is tot compensatie van concurrentienadelen die inherent zijn aan het buitenlandse karakter van de desbetreffende diensten of dienstverleners.

Artikel 172 Lijsten van verbintenissen

De sectoren waarvoor elk van beide partijen ingevolge dit hoofdstuk verbintenissen heeft aangegaan, en de beperkingen, voorwaarden en kwalificaties, door middel van voorbehouden, van de markttoegang en van de nationale behandeling voor diensten en dienstverleners van de andere partij in die sectoren, worden in de lijsten van verbintenissen in bijlage XI (Lijsten van verbintenissen inzake grensoverschrijdende dienstverlening) vermeld.

HOOFDSTUK 4 TIJDELIJKE AANWEZIGHEID VAN NATUURLIJKE PERSONEN VOOR ZAKEN
Artikel 173 Toepassingsgebied en definities
  • 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op maatregelen van de partijen betreffende de toegang tot en het tijdelijke verblijf op hun grondgebied van stafpersoneel, afgestudeerde stagiairs, verkopers van zakelijke diensten, dienstverleners op contractbasis en zelfstandigen ingevolge artikel 159, lid 5, van deze titel.

  • 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    a. „stafpersoneel”:

    natuurlijke personen die bij een andere rechtspersoon van een partij dan een organisatie zonder winstoogmerk werkzaam zijn en verantwoordelijk zijn voor het opzetten van dan wel een goed toezicht op en een goede administratie en exploitatie van een vestiging.

    Tot het stafpersoneel behoren tevens „zakelijke bezoekers” die verantwoordelijk zijn voor het opzetten van een vestiging en „binnen de onderneming overgeplaatste personen”:

    • i. „zakelijke bezoekers”: natuurlijke personen met een staffunctie die verantwoordelijk zijn voor het opzetten van een vestiging. Zij verrichten geen directe transacties met het publiek en ontvangen geen beloning uit een bron die in de gastpartij is gevestigd;

    • ii. „binnen de onderneming overgeplaatste personen”: natuurlijke personen die ten minste een jaar werknemer of partner bij een rechtspersoon zijn en die tijdelijk naar een vestiging op het grondgebied van de andere partij worden overgeplaatst. De betrokken natuurlijke persoon moet tot een van de volgende categorieën behoren.

      „Managers”:

      Personen die deel uitmaken van het hoger leidinggevend personeel van een rechtspersoon, die in de eerste plaats het management van de vestiging leiden, onder het algemene toezicht of de leiding van de raad van bestuur of de aandeelhouders of daarmee gelijkgestelde personen, met inbegrip van:

      • leiding geven aan de vestiging of een afdeling of onderafdeling daarvan;

      • toezicht houden op de werkzaamheden van andere toezichthoudende, gespecialiseerde of leidinggevende werknemers en deze werkzaamheden controleren;

      • persoonlijk bevoegd zijn werknemers in dienst te nemen en te ontslaan, of indienstneming of ontslag van werknemers of andere maatregelen in het kader van het personeelsbeleid aan te bevelen.

      „Specialisten”:

      Binnen een rechtspersoon aangestelde personen die beschikken over uitzonderlijke kennis die van wezenlijk belang is voor de productie, de onderzoeksuitrusting, de technische werkzaamheden of het management van de vestiging. Voor de beoordeling van die kennis wordt niet alleen specifiek met de vestiging verband houdende kennis in aanmerking genomen, maar ook of de persoon in hoge mate gekwalificeerd is voor een type werk of handel waarvoor specifieke technische kennis vereist is, evenals het lidmaatschap van een erkende beroepsgroep;

    b. „afgestudeerde stagiairs”:

    natuurlijke personen die ten minste een jaar in dienst zijn van een rechtspersoon van een partij, die universitair afgestudeerd zijn en die voor loopbaanontwikkeling of een opleiding in bedrijfskundige technieken of methoden tijdelijk naar een vestiging van de rechtspersoon op het grondgebied van de andere partij worden overgeplaatst18).

    c. „verkopers van zakelijke diensten”:

    natuurlijke personen die vertegenwoordigers zijn van een dienstverlener van een partij en die tijdelijke toegang tot het grondgebied van de andere partij beogen om over de verkoop van diensten te onderhandelen of voor die dienstverlener overeenkomsten voor de verkoop van diensten te sluiten. Zij verrichten geen directe transacties met het publiek en ontvangen geen beloning uit een in de gastpartij gevestigde bron;

    d. „dienstverleners op contractbasis”:

    natuurlijke personen in dienst bij een rechtspersoon van een partij die geen vestiging op het grondgebied van de andere partij heeft en die een bonafide contract (anders dan door een agentschap zoals gedefinieerd door CPC 872)19) voor de verlening van diensten aan een eindverbruiker in laatstgenoemde partij heeft gesloten, zodat de tijdelijke aanwezigheid van zijn werknemers in die partij vereist is voor de uitvoering van het dienstverleningscontract;

    e. „zelfstandigen”:

    natuurlijke personen die als zelfstandige dienstverlener op het grondgebied van een partij zijn gevestigd, geen vestiging op het grondgebied van de andere partij hebben en een bonafide contract (anders dan door een agentschap zoals gedefinieerd door CPC 872) voor de verlening van diensten aan een eindverbruiker in laatstgenoemde partij hebben gesloten, zodat hun tijdelijke aanwezigheid in die partij vereist is voor de uitvoering van het dienstverleningscontract20);

    f. „kwalificaties”:

    diploma’s, certificaten en overige bewijsstukken (van formele kwalificatie) die zijn afgegeven door een ingevolge wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen aangewezen instantie en die getuigen van de succesvolle afronding van een beroepsopleiding.

Artikel 174 Stafpersoneel en afgestudeerde stagiairs
  • 1. Voor elke overeenkomstig hoofdstuk 2 van deze titel geliberaliseerde sector staat de EU-partij, behoudens de in bijlage X (Lijsten van verbintenissen inzake vestiging) of bijlage XII (Voorbehouden inzake stafpersoneel en afgestudeerde stagiairs uit de EU-partij) opgenomen voorbehouden, investeerders van de republieken van de MA-partij toe natuurlijke personen uit die republieken van de MA-partij in hun vestiging in dienst te nemen, mits die werknemers behoren tot het stafpersoneel dan wel afgestudeerd stagiair zijn, zoals omschreven in artikel 173. De duur van het tijdelijke verblijf van stafpersoneel en afgestudeerde stagiairs bedraagt ten hoogste drie jaar voor binnen de onderneming overgeplaatste personen, ten hoogste negentig dagen in een periode van twaalf maanden voor zakelijke bezoekers en ten hoogste een jaar voor afgestudeerde stagiairs.

    Voor elke overeenkomstig hoofdstuk 2 van deze titel geliberaliseerde sector worden de maatregelen die de EU-partij niet mag handhaven of vaststellen voor een bepaalde regio of voor haar gehele grondgebied, tenzij anders bepaald in bijlage XII, omschreven als beperkingen van het totale aantal natuurlijke personen dat een investeerder als stafpersoneel of als afgestudeerde stagiairs in een bepaalde sector in dienst mag nemen, in de vorm van numerieke quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte, en als discriminerende beperkingen.

  • 2. Voor elke in bijlage XIII (Lijsten van verbintenissen van de republieken van de MA-partij betreffende stafpersoneel en afgestudeerde stagiairs) genoemde sector staan de republieken van de MA-partij, behoudens de in die bijlage opgenomen voorbehouden en voorwaarden, investeerders van de EU-partij toe natuurlijke personen van de EU-partij in hun vestiging in dienst te nemen, mits die werknemers behoren tot het stafpersoneel dan wel afgestudeerd stagiair zijn, zoals omschreven in artikel 173. De duur van het tijdelijke verblijf van stafpersoneel en afgestudeerde stagiairs bedraagt ten hoogste één jaar, hetgeen kan worden verlengd tot de maximale duur die is toegestaan overeenkomstig de geldende bepalingen in de respectieve wetgeving van de partijen. De duur van het tijdelijke verblijf van zakelijke bezoekers bedraagt ten hoogste negentig dagen in een periode van twaalf maanden.

    Voor elke in bijlage XIII genoemde sector, en behoudens de in die bijlage opgenomen voorbehouden en voorwaarden, worden de maatregelen die een republiek van de MA-partij niet mag handhaven of vaststellen voor een bepaalde regio of voor haar gehele grondgebied, omschreven als beperkingen van het totale aantal natuurlijke personen dat een investeerder als stafpersoneel of als afgestudeerde stagiairs in een bepaalde sector in dienst mag nemen, in de vorm van numerieke quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte, en als discriminerende beperkingen.

Artikel 175 Verkopers van zakelijke diensten
  • 1. Voor elke overeenkomstig de hoofdstukken 2 en 3 van deze titel geliberaliseerde sector staat de EU-partij, behoudens de in de bijlagen X (Lijsten van verbintenissen inzake vestiging) en XI (Lijsten van verbintenissen inzake grensoverschrijdende dienstverlening) opgenomen voorbehouden, de toegang en het tijdelijke verblijf van verkopers van zakelijke diensten van de republieken van de MA-partij toe voor een periode van ten hoogste negentig dagen in een periode van twaalf maanden.

  • 2. Voor elke in bijlage XIV (Lijsten van verbintenissen van de republieken van de MA-partij inzake verkopers van zakelijke diensten) genoemde sector staan de republieken van de MA-partij, behoudens de in die bijlage opgenomen voorbehouden en voorwaarden, de toegang en het tijdelijke verblijf van verkopers van zakelijke diensten van de EU-partij toe voor een periode van ten hoogste negentig dagen in een periode van twaalf maanden.

Artikel 176 Dienstverleners op contractbasis en zelfstandigen

De partijen herbevestigen hun respectieve verbintenissen op grond van de GATS ten aanzien van de toegang en het tijdelijke verblijf van dienstverleners op contractbasis en zelfstandigen.

HOOFDSTUK 5 REGELGEVINGSKADER
AFDELING A ALGEMEEN TOEPASSELIJKE BEPALINGEN
Artikel 177 Wederzijdse erkenning
  • 1. Niets in deze titel belet een partij te eisen dat natuurlijke personen de nodige kwalificaties en/of beroepservaring hebben die op het grondgebied waar de dienst wordt verleend, voor de betrokken activiteitssector zijn voorgeschreven.

  • 2. De partijen moedigen de desbetreffende beroepsorganisaties of bevoegde autoriteiten, al naargelang, op hun respectieve grondgebied aan gezamenlijk aanbevelingen over wederzijdse erkenning te ontwikkelen en aan het Associatiecomité voor te leggen, opdat investeerders en dienstverleners volledig of gedeeltelijk voldoen aan de door elke partij toegepaste criteria voor het verlenen van vergunningen, licenties en certificaten aan en het functioneren van investeerders en dienstverleners, in het bijzonder voor beroepsdiensten.

  • 3. Wanneer het Associatiecomité een aanbeveling als bedoeld in het voorgaande lid ontvangt, onderzoekt het deze binnen een redelijke termijn om vast te stellen of zij met deze titel in overeenstemming is.

  • 4. Wanneer overeenkomstig de procedure van lid 3 wordt vastgesteld dat een in lid 2 bedoelde aanbeveling in overeenstemming met deze titel is en er een voldoende mate van analogie tussen de desbetreffende regelingen van de partijen bestaat, moedigen de partijen hun bevoegde autoriteiten aan te onderhandelen over een overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van eisen, kwalificaties, vergunningen en andere regelingen, teneinde die aanbeveling ten uitvoer te kunnen leggen.

  • 5. Een dergelijke overeenkomst is in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van de WTO-Overeenkomst, en met name met artikel VII van de GATS.

Artikel 178 Transparantie en openbaarmaking van vertrouwelijke informatie
  • 1. Elke partij beantwoordt zo spoedig mogelijk verzoeken van de andere partij om specifieke informatie over haar algemeen toepasselijke maatregelen of internationale overeenkomsten die op deze titel betrekking hebben of daarvoor gevolgen hebben. Elke partij wijst uiterlijk bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst een of meer informatiepunten aan, die over al deze aangelegenheden op verzoek specifieke informatie verstrekken aan investeerders en dienstverleners van de andere partij. Het is niet nodig dat deze informatiepunten bewaarplaatsen voor wet- en regelgeving zijn.

  • 2. Niets in deel IV van deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat het een verplichting voor een partij inhoudt tot verstrekking van vertrouwelijke informatie waarvan bekendmaking de rechtshandhaving zou belemmeren, anderszins in strijd zou zijn met het openbaar belang of schadelijk zou zijn voor de rechtmatige handelsbelangen van bepaalde openbare dan wel particuliere ondernemingen.

Artikel 179 Procedures
  • 1. Indien voor de verlening van een dienst of voor een vestiging waarvoor een specifieke verbintenis is aangegaan, een vergunning vereist is, delen de bevoegde autoriteiten van een partij de aanvrager binnen een redelijke termijn na de indiening van de volgens de interne wet- en regelgeving als compleet beschouwde aanvraag mede welk besluit zij ten aanzien van die aanvraag hebben genomen. De bevoegde autoriteiten van de partij verstrekken de aanvrager, op diens verzoek, zonder onnodige vertraging informatie over de stand van zaken betreffende de aanvraag.

  • 2. Elke partij houdt gerechtelijke, scheidsrechterlijke of administratieve instanties of procedures in stand, of stelt deze in, waarmee op verzoek van een betrokken investeerder of dienstverlener administratieve besluiten met betrekking tot vestiging, grensoverschrijdende dienstverlening of de tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken onverwijld kunnen worden onderzocht en, indien gerechtvaardigd, door passende maatregelen kunnen worden rechtgezet. Wanneer deze procedures niet onafhankelijk zijn van de instantie die bevoegd is het betrokken administratieve besluit te nemen, zien de partijen erop toe dat de procedure feitelijk in een objectief en onpartijdig onderzoek voorziet.

AFDELING B COMPUTERDIENSTEN
Artikel 180 Afspraak over computerdiensten
  • 1. Voor zover voor de handel in computerdiensten verbintenissen zijn aangegaan in de lijsten van verbintenissen in overeenstemming met de hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze titel onderschrijven de partijen de in de hiernavolgende leden omschreven afspraak.

  • 2. CPC 8421), de VN-code voor de beschrijving van computer- en aanverwante diensten, heeft betrekking op de basisfuncties die worden gebruikt voor het verlenen van alle computer- en aanverwante diensten: computerprogramma’s, gedefinieerd als de instructies waardoor computers kunnen werken of met elkaar kunnen communiceren (met inbegrip van de ontwikkeling en implementatie ervan), gegevensverwerking en -opslag, en aanverwante diensten, zoals het verstrekken van advies en opleiding aan het personeel van de klanten. Technologische ontwikkelingen hebben geleid tot een toename van het aanbod van deze diensten als een pakket van aanverwante diensten dat alle of een deel van deze basisfuncties kan omvatten. Zo bestaan diensten als web- of domeinhosting, datamining en gridcomputing elk uit een combinatie van basisfuncties van computerdiensten.

  • 3. Ongeacht of zij via een netwerk zoals internet worden geleverd, omvatten computer- en aanverwante diensten alle diensten op het gebied van:

    • a. advies, strategie, analyse, planning, specificatie, ontwerp, ontwikkeling, installatie, implementatie, integratie, testen, debuggen, updaten, ondersteuning, technische hulp of beheer van of voor computers of computersystemen; of

    • b. computerprogramma’s, gedefinieerd als de instructies (op zich) waardoor computers kunnen werken of communiceren, plus advies, strategie, analyse, planning, specificatie, ontwerp, ontwikkeling, installatie, implementatie, integratie, testen, debuggen, updaten, aanpassen, onderhoud, ondersteuning, technische hulp, beheer of gebruik van of voor computerprogramma’s; of

    • c. de verwerking, opslag en hosting van gegevens of diensten in verband met databanken; of

    • d. onderhoud en reparatie van kantoormachines en -apparatuur, met inbegrip van computers; en

    • e. opleidingen voor het personeel van klanten in verband met computerprogramma’s, computers of computersystemen die niet elders zijn ingedeeld.

  • 4. Computer- en aanverwante diensten maken het verlenen van andere diensten, zoals financiële diensten, elektronisch of anderszins, mogelijk. Er is echter een groot verschil tussen de ondersteunende dienst (bv. webhosting, gegevensverwerking of applicatiehosting) en de inhouds- of hoofddienst die elektronisch wordt geleverd (bv. financiële diensten). In dergelijke gevallen valt de inhouds- of hoofddienst niet onder CPC 84.

AFDELING C KOERIERSDIENSTEN
Artikel 181 Toepassingsgebied en definities
  • 1. In deze afdeling worden de beginselen omschreven van het regelgevingskader voor koeriersdiensten waarvoor verbintenissen zijn aangegaan in de lijsten van verbintenissen overeenkomstig de hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze titel.

  • 2. Voor de toepassing van deze afdeling en van de hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze titel wordt verstaan onder „vergunning”: een vergunning die door een bevoegde autoriteit aan een individuele dienstverlener wordt verleend en die nodig kan zijn om een bepaalde dienst op te zetten of te verlenen.

Artikel 182 Voorkoming van concurrentiebeperkende praktijken bij koeriersdiensten
  • 1. Door de partijen worden passende maatregelen gehandhaafd of ingevoerd om te voorkomen dat dienstverleners die, alleen of samen met anderen, de voorwaarden voor deelneming (wat prijs en aanbod betreft) in de desbetreffende markt voor koeriersdiensten door het gebruik van hun eigen marktpositie in belangrijke mate kunnen beïnvloeden, overgaan tot concurrentieverstorende praktijken of deze voortzetten.

  • 2. Elke partij zorgt ervoor dat, indien een monopoliehoudende verlener van postdiensten van een partij direct dan wel via een gelieerde onderneming mededingt bij de levering van expresbesteldiensten die buiten het bereik van haar monopolierechten vallen, deze dienstverlener geen inbreuk pleegt op zijn verplichtingen op grond van deze titel.

Artikel 183 Vergunningen
  • 1. Indien een vergunning vereist is, dient het volgende algemeen bekendgemaakt te worden:

    • a. alle vergunningscriteria en de termijn die normaliter nodig is om een besluit over de aanvraag van een vergunning te nemen; en

    • b. de voorwaarden van de vergunning.

  • 2. De redenen voor de afwijzing van een vergunning worden de aanvrager op diens verzoek bekendgemaakt. De dienstverlener op wie dat besluit van toepassing is, is overeenkomstig de respectieve wetgeving gerechtigd bezwaar tegen dat besluit aan te tekenen bij een onafhankelijke en bevoegde instantie. Een dergelijke procedure is transparant en niet-discriminerend en gaat uit van objectieve criteria.

Artikel 184 Onafhankelijkheid van regelgevende instanties

Indien de partijen regelgevende instanties hebben, dienen deze juridisch onafhankelijk te zijn van en op geen enkele wijze verantwoordingsplichtig aan verleners van koeriersdiensten. De besluiten die de regelgevende instanties nemen en de procedures die zij toepassen, zijn onpartijdig ten aanzien van alle marktdeelnemers.

AFDELING D TELECOMMUNICATIEDIENSTEN
Artikel 185 Definities en toepassingsgebied
  • 1. In deze afdeling worden de beginselen uiteengezet van het regelgevingskader voor openbare telecommunicatiediensten, met uitzondering van omroepdiensten, waarvoor verbintenissen zijn aangegaan overeenkomstig de hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze titel, met inbegrip van spraaktelefonie, pakketgeschakelde datatransmissie, circuitgeschakelde datatransmissie, telex, telegraaf, fax, particuliere huurlijnen, en diensten en systemen voor mobiele en persoonlijke communicatie22).

  • 2. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:

    a. „telecommunicatiediensten”:

    alle diensten bestaande in de transmissie en ontvangst van elektromagnetische signalen via telecommunicatienetwerken, maar niet de economische activiteit bestaande in de levering van inhoud die voor het transport van die inhoud afhankelijk is van telecommunicatienetwerken;

    b. „openbare telecommunicatiediensten of telecommunicatiediensten die beschikbaar zijn voor het publiek”:

    alle telecommunicatiediensten waarvan een partij eist dat zij algemeen aan het publiek worden aangeboden overeenkomstig de respectieve wetgeving;

    c. „regelgevende autoriteit in de telecommunicatiesector”:

    de instantie of instanties die belast is/zijn met de regelgevingstaken zoals toegekend overeenkomstig de interne wetgeving van elke partij;

    d. „essentiële telecommunicatiefaciliteiten”:

    de faciliteiten van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst die:

    • i. uitsluitend of voornamelijk ter beschikking worden gesteld door één of een beperkt aantal dienstverleners; en

    • ii. bij het verlenen van een dienst niet op haalbare wijze economisch of technisch kunnen worden vervangen;

    e. „grote dienstverlener”

    in de telecommunicatiesector: de aanbieder van een openbare telecommunicatiedienst die de voorwaarden voor deelneming (wat prijs en aanbod betreft) in de desbetreffende markt voor openbare telecommunicatiediensten door zijn controle over essentiële faciliteiten of door aanwending van zijn marktpositie, in belangrijke mate kan beïnvloeden; en

    f. „interconnectie”:

    de koppeling tussen aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten, zodat gebruikers van een aanbieder kunnen communiceren met gebruikers van een andere aanbieder en toegang krijgen tot door een andere aanbieder geleverde diensten.

Artikel 186 Regelgevende autoriteit
  • 1. Regelgevende autoriteiten in de telecommunicatiesector zijn juridisch en functioneel onafhankelijk van aanbieders van telecommunicatiediensten.

  • 2. Elke partij tracht ervoor te zorgen dat haar regelgevende autoriteit beschikt over adequate middelen om haar taken te verrichten. De taken van een regelgevende autoriteit worden duidelijk en in een gemakkelijk toegankelijke vorm bekendgemaakt, in het bijzonder wanneer meer dan één instantie met die taken belast is.

  • 3. De besluiten die een regelgevende autoriteit neemt en de procedures die zij toepast, zijn onpartijdig ten aanzien van alle marktdeelnemers.

  • 4. De dienstverlener op wie het besluit van een regelgevende autoriteit van toepassing is, is overeenkomstig de respectieve wetgeving gerechtigd bezwaar aan te tekenen tegen dat besluit bij een bevoegde instantie die onafhankelijk is van de betrokken dienstverleners. Wanneer de bevoegde instantie geen rechterlijke instantie is, motiveert zij haar besluit altijd schriftelijk en kunnen haar besluiten tevens door een onpartijdige en onafhankelijke rechterlijke autoriteit worden getoetst.

    De besluiten van deze bevoegde instanties worden daadwerkelijk ten uitvoer gelegd overeenkomstig de geldende juridische procedures. In afwachting van de uitkomst van deze juridische procedures geldt het besluit van de regelgevende autoriteit, tenzij de bevoegde instantie of de geldende wetgeving anderszins bepaalt.

Artikel 187 Vergunning voor het verlenen van telecommunicatiediensten23)
  • 1. Voor de levering van diensten wordt zo veel mogelijk een vergunning verleend op basis van eenvoudige procedures en, indien van toepassing, louter door kennisgeving.

  • 2. Er kan een licentie of specifieke vergunning vereist zijn in verband met kwesties betreffende de toekenning van nummers en frequenties. De voorwaarden voor dergelijke licenties of specifieke vergunningen worden algemeen bekendgemaakt.

  • 3. Wanneer een licentie of vergunning vereist is:

    • a. worden alle licentie- of vergunningscriteria en de redelijke termijn die normaliter nodig is om een besluit over de aanvraag van een licentie of vergunning te nemen, algemeen bekendgemaakt;

    • b. worden de redenen voor afwijzing van een licentie of vergunning de aanvrager op verzoek schriftelijk medegedeeld; en

    • c. kan de aanvrager van een licentie of vergunning overeenkomstig de respectieve wetgeving bezwaar aantekenen bij een bevoegde instantie in het geval dat de aanvraag van een licentie of vergunning onrechtmatig is afgewezen.

Artikel 188 Concurrentiewaarborgen ten aanzien van grote dienstverleners

Er zullen door de partijen passende maatregelen worden geïntroduceerd of gehandhaafd om te voorkomen dat dienstverleners die alleen of met anderen gezamenlijk een grote dienstverlener zijn, concurrentiebeperkende praktijken toepassen of blijven toepassen. In dit verband wordt onder meer onder concurrentiebeperkende praktijken verstaan:

  • a. het op concurrentiebeperkende wijze toepassen van kruissubsidiëring24);

  • b. het op concurrentiebeperkende wijze gebruiken van informatie van concurrenten; en

  • c. het niet tijdig aan andere dienstverleners beschikbaar stellen van technische informatie over essentiële faciliteiten en van commercieel relevante informatie die deze dienstverleners voor het leveren van hun diensten nodig hebben.

Artikel 189 Interconnectie25)
  • 1. Elke dienstverlener die over een vergunning beschikt om openbare telecommunicatiediensten te verlenen, heeft het recht om te onderhandelen over interconnectie met andere aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten. De interconnectie dient in beginsel te worden overeengekomen op basis van een commerciële onderhandeling tussen de desbetreffende dienstverleners, onverminderd de bevoegdheid van de regelgevende autoriteit om in te grijpen overeenkomstig de respectieve wetgeving.

  • 2. De dienstverleners die bij onderhandelingen over interconnectieregelingen informatie van een andere dienstverlener ontvangen, zijn verplicht om die informatie uitsluitend te gebruiken voor het doel waarvoor die werd verstrekt en respecteren te allen tijde de vertrouwelijkheid van de verstrekte of opgeslagen informatie.

  • 3. Op elk punt in het netwerk waar dat technisch haalbaar is, moet worden gezorgd voor interconnectie met een grote dienstverlener. Deze interconnectie dient overeenkomstig de respectieve interne wetgeving te worden aangeboden:

    • a. op niet-discriminerende voorwaarden (inclusief technische normen en specificaties) en tegen niet-discriminerende tarieven, en met een kwaliteit die niet lager is dan die welke wordt geboden voor de eigen soortgelijke diensten, voor soortgelijke diensten van niet-gelieerde dienstverleners of voor soortgelijke diensten van dochterondernemingen of andere gelieerde ondernemingen;

    • b. binnen een redelijke termijn, tegen voorwaarden (inclusief technische normen en specificaties) en tegen op de kosten gebaseerde tarieven die transparant, economisch redelijk en voldoende gescheiden zijn, zodat de dienstverlener niet behoeft te betalen voor netwerkonderdelen en -faciliteiten die deze voor de te verlenen dienst niet nodig heeft; en

    • c. op verzoek, via extra aansluitpunten, in aanvulling op de aan de meeste gebruikers aangeboden netwerkaansluitpunten, tegen een vergoeding die gebaseerd is op de kosten voor het aanleggen van de noodzakelijke aanvullende faciliteiten.

  • 4. De procedures voor interconnectie met een grote dienstverlener worden algemeen bekendgemaakt.

  • 5. Overeenkomstig de respectieve wetgeving maken grote dienstverleners hun geldende interconnectieovereenkomsten of hun referentieaanbiedingen voor interconnectie, of beide, algemeen bekend.

  • 6. Een dienstverlener die interconnectie met een grote dienstverlener aanvraagt, kan na een redelijke termijn die openbaar bekend is gemaakt, een beroep doen op een onafhankelijke binnenlandse instantie, die een regelgevende autoriteit zoals genoemd in artikel 186 kan zijn, om geschillen te beslechten met betrekking tot passende voorwaarden en tarieven voor interconnectie.

Artikel 190 Schaarse middelen

Elke procedure voor de toewijzing en het gebruik van schaarse middelen, zoals frequenties, nummers en doorgangsrechten, wordt tijdig op objectieve, transparante en niet-discriminerende wijze toegepast. De stand van zaken met betrekking tot toegewezen frequentiebanden wordt algemeen bekendgemaakt, maar een gedetailleerde vermelding van de frequenties die voor specifiek gebruik door de overheid zijn toegewezen, is niet vereist.

Artikel 191 Universele dienst
  • 1. Elke partij heeft het recht vast te stellen welke universeledienstverplichtingen zij wenst in te stellen of te handhaven.

  • 2. Deze verplichtingen worden op zich niet concurrentiebeperkend geacht, mits zij op transparante, objectieve en niet-discriminerende wijze worden beheerd. Het beheer van dergelijke verplichtingen is ook neutraal met betrekking tot de mededinging en niet belastender dan nodig is voor de soort universele dienst die door de partij wordt vastgesteld.

  • 3. Alle dienstverleners moeten in aanmerking kunnen komen voor het verzorgen van de universele dienst. De aanwijzing vindt plaats op basis van een efficiënt, transparant en niet-discriminerend mechanisme, overeenkomstig de respectieve wetgeving.

  • 4. De partijen zorgen ervoor dat:

    • a. telefoongidsen met alle abonnees van vaste telefonie beschikbaar worden gemaakt voor gebruikers overeenkomstig de respectieve wetgeving; en

    • b. organisaties die de onder a) genoemde diensten leveren, het beginsel van niet-discriminatie toepassen op de behandeling van informatie die aan hen is verstrekt door overige organisaties.

Artikel 192 Vertrouwelijkheid van informatie

Elke partij waarborgt, overeenkomstig haar respectieve wetgeving, het vertrouwelijke karakter van het telecommunicatieverkeer dat via een openbaar telecommunicatienetwerk en via openbare telecommunicatiediensten plaatsvindt, alsmede van de gegevens over dat verkeer, behoudens de vereiste dat dergelijke maatregelen niet op een wijze worden toegepast dat deze een middel vormen tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie, of een verkapte beperking van de handel in diensten.

Artikel 193 Geschillen tussen dienstverleners

Wanneer tussen aanbieders van telecommunicatienetwerken of -diensten een geschil ontstaat in verband met uit de artikelen 188 en 189 voortvloeiende rechten en verplichtingen, neemt de betrokken nationale regelgevende autoriteit of een andere relevante autoriteit op verzoek van een van de aanbieders en overeenkomstig de in de respectieve wetgeving vastgestelde procedures, een bindend besluit om het geschil zo spoedig mogelijk op te lossen.

AFDELING E FINANCIËLE DIENSTEN
Artikel 194 Toepassingsgebied en definities
  • 1. In deze afdeling worden de beginselen omschreven van het regelgevingskader voor alle financiële diensten waarvoor verbintenissen zijn aangegaan in de lijsten van verbintenissen ingevolge de hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze titel.

  • 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze titel wordt verstaan onder:

    • a. „financiële dienst”: elke dienst van financiële aard, aangeboden door een verlener van financiële diensten van een partij. Financiële diensten omvatten de volgende activiteiten:

      • A. verzekeringen en aanverwante diensten

        • 1. directe verzekering (met inbegrip van medeverzekering):

          • a. levensverzekering;

          • b. schadeverzekering;

        • 2. herverzekering en retrocessie;

        • 3. verzekeringsbemiddeling, zoals de diensten van makelaars en agentschappen; en

        • 4. ondersteunende diensten voor verzekeringen, zoals adviesverstrekking, actuariaat, risicobeoordeling en de regeling van schade-eisen.

      • B. bankdiensten en andere financiële diensten (behalve verzekeringen):

        • 1. aanvaarding van deposito’s en andere terugbetaalbare fondsen van het publiek;

        • 2. alle soorten leningen, waaronder consumentenkrediet en hypotheekleningen, factoring en financiering van commerciële transacties;

        • 3. financiële leasing;

        • 4. alle diensten in verband met het betalingsverkeer en de overmaking van geld, waaronder creditcards, betaalkaarten, debetkaarten, reischeques en bankwissels;

        • 5. garanties en verbintenissen;

        • 6. transacties voor eigen rekening of voor rekening van cliënten, op de beurs of op de onderhandse markt of anderszins, ten aanzien van:

          • a. geldmarktinstrumenten (met inbegrip van cheques, wissels en depositocertificaten);

          • b. deviezen;

          • c. derivaten, met inbegrip van termijninstrumenten en opties;

          • d. wisselkoers- en rentetariefinstrumenten, waaronder producten als swaps en rentetermijncontracten;

          • e. verhandelbare effecten;

          • f. andere verhandelbare stukken en financiële activa, met inbegrip van ongemunt goud en zilver;

        • 7. deelneming in de uitgifte van alle soorten effecten, met inbegrip van garantieverlening en plaatsing in de hoedanigheid van agent (openbaar dan wel particulier) en verlening van diensten in verband met deze uitgiften;

        • 8. financiële bemiddeling;

        • 9. beheer van activa, zoals beheer van contanten of portefeuillebeheer, alle vormen van beheer van collectieve investeringen, beheer van pensioenfondsen, diensten aangaande bewaarneming, depositodiensten en fiduciaire diensten;

        • 10. betalings- en compensatiediensten in verband met financiële activa, met inbegrip van effecten, derivaten en andere verhandelbare instrumenten;

        • 11. verstrekking en doorgifte van financiële informatie, verwerking van financiële gegevens en bijbehorende software door verleners van andere financiële diensten; en

        • 12. advies- en bemiddelingsdiensten en andere ondersteunende financiële diensten voor alle onder 1) tot en met 11) vermelde activiteiten, met inbegrip van kredietonderzoek en -analyse, onderzoek en advies aangaande investeringen en beleggingen, advies over overnames, bedrijfsreorganisaties en -strategieën;

    • b. „verlener van financiële diensten”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon van een partij die financiële diensten tracht te verlenen of verleent. De term „verlener van financiële diensten” omvat geen openbare entiteiten;

    • c. „openbare entiteit”:

      • i. een overheid, centrale bank of monetaire autoriteit van een partij, of een entiteit die eigendom is van een partij of onder zeggenschap staat van een partij en die zich in hoofdzaak bezighoudt met de uitvoering van overheidstaken of activiteiten voor overheidsdoeleinden, met uitzondering van entiteiten die zich in hoofdzaak bezighouden met het verlenen van financiële diensten op commerciële basis; of

      • ii. een particuliere entiteit die taken vervult die normalerwijze door een centrale bank of monetaire autoriteit worden vervuld;

    • d. „nieuwe financiële dienst”: een niet op het grondgebied van een partij verleende financiële dienst, die wordt verleend op het grondgebied van de andere partij, met inbegrip van alle nieuwe vormen van levering van financiële diensten of de verkoop van een financieel product dat niet wordt verkocht op het grondgebied van de partij.

Artikel 195 Prudentiële uitzonderingsbepaling
  • 1. Elke partij kan maatregelen vaststellen of handhaven om prudentiële redenen, waaronder:

    • a. de bescherming van investeerders, spaarders, gebruikers van de financiële markt, polishouders of personen aan wie een verlener van financiële diensten een fiduciair recht verschuldigd is;

    • b. het handhaven van de veiligheid, degelijkheid, integriteit of financiële verantwoordelijkheid van verleners van financiële diensten; en

    • c. het verzekeren van de integriteit en de stabiliteit van het financiële stelsel van een partij.

  • 2. Indien dergelijke maatregelen niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van dit hoofdstuk, worden zij niet gebruikt als middel om de verbintenissen of verplichtingen van de partij ingevolge het hoofdstuk te ontwijken.

  • 3. Niets in deze overeenkomst mag op zodanige wijze worden geïnterpreteerd dat het een partij verplicht tot het verstrekken van informatie betreffende de zaken en de rekeningen van individuele consumenten, dan wel vertrouwelijke of gepatenteerde informatie die in het bezit is van openbare entiteiten.

Artikel 196 Effectieve en transparante regelgeving
  • 1. Elke partij stelt alles in het werk om alle belanghebbenden vooraf in kennis te stellen van elke algemeen toepasselijke maatregel die de partij wil vaststellen, teneinde deze personen de mogelijkheid te geven commentaar op de maatregel te leveren. Dergelijke maatregelen worden bekendgemaakt:

    • a. door officiële publicatie; of

    • b. in een andere vorm, schriftelijk of elektronisch.

  • 2. Elke partij stelt de belanghebbenden in kennis van haar voorschriften voor het opstellen van aanvragen met betrekking tot het verlenen van financiële diensten.

    Op verzoek van een aanvrager stelt de desbetreffende partij die aanvrager in kennis van de status van zijn aanvraag. Indien de desbetreffende partij aanvullende informatie van de aanvrager verlangt, stelt zij deze daarvan zonder onnodige vertraging in kennis.

  • 3. Elke partij stelt alles in het werk om ervoor te zorgen dat internationaal overeengekomen normen voor regulering en toezicht in de financiëledienstensector, alsmede voor de strijd tegen witwaspraktijken en financiering van terrorisme, en de strijd tegen belastingfraude en -ontwijking, op haar grondgebied ten uitvoer worden gelegd en worden toegepast.

Artikel 197 Nieuwe financiële diensten
  • 1. Een partij staat de verleners van financiële diensten van de andere partij die zich op haar grondgebied hebben gevestigd, toe op haar grondgebied nieuwe financiële diensten te verlenen binnen het toepassingsgebied van de subsectoren en financiële diensten waarvoor verbintenissen zijn aangegaan op grond van de lijsten van verbintenissen en behoudens de beperkingen, voorwaarden en kwalificaties die in die lijsten van verbintenissen zijn vastgesteld, op voorwaarde dat de introductie van deze nieuwe financiële diensten geen nieuwe wet of aanpassing van een bestaande wet vereist.

  • 2. Overeenkomstig lid 1 kan een partij de rechtsvorm vaststellen via welke de dienst kan worden verleend en kan zij de betrokken dienstverlening aan vergunningsplicht onderwerpen. Wanneer een vergunning vereist is, wordt hieromtrent binnen een redelijke termijn een besluit genomen en kan de vergunning uitsluitend om prudentiële redenen worden geweigerd.

Artikel 198 Gegevensverwerking
  • 1. Elke partij staat een verlener van financiële diensten van de andere partij toe informatie in elektronische of andere vorm van en naar haar grondgebied te verzenden met het oog op gegevensverwerking, wanneer deze gegevensverwerking noodzakelijk is in het kader van de normale bedrijfsvoering van de verlener van financiële diensten26).

  • 2. Elke partij zorgt voor de vaststelling of handhaving van passende waarborgen voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de fundamentele rechten en de vrijheid van natuurlijke personen, in het bijzonder met betrekking tot de overdracht van persoonsgegevens.

Artikel 199 Specifieke uitzonderingen
  • 1. Niets in deze titel kan voor een partij, met inbegrip van haar openbare entiteiten, een beletsel vormen om op haar grondgebied exclusief activiteiten of diensten te verrichten of aan te bieden in het kader van een pensioenregeling van de overheid of een wettelijk stelsel van sociale zekerheid, tenzij verleners van financiële diensten deze activiteiten krachtens de interne regelgeving van de partij in concurrentie met openbare entiteiten of particuliere instellingen kunnen verrichten.

  • 2. Niets in deze overeenkomst is van toepassing op de activiteiten die worden verricht door een centrale bank of een monetaire autoriteit of enige andere openbare entiteit bij het voeren van een monetair of wisselkoersbeleid.

  • 3. Niets in deze titel kan voor een partij, met inbegrip van haar openbare entiteiten, een beletsel vormen om op haar grondgebied exclusief activiteiten of diensten te verrichten of aan te bieden voor rekening van of met garantiestelling door of met gebruikmaking van de financiële middelen van de partij of haar openbare entiteiten.

AFDELING F INTERNATIONALE ZEEVERVOERSDIENSTEN
Artikel 200 Toepassingsgebied, definities en beginselen
  • 1. In deze afdeling worden de beginselen uiteengezet met betrekking tot de internationale zeevervoersdiensten waarvoor verbintenissen zijn aangegaan in de lijsten van verbintenissen ingevolge de hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze titel.

  • 2. Voor de toepassing van deze afdeling en van de hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze titel wordt verstaan onder:

    a. „internationaal zeevervoer”:

    multimodaal vervoer van deur tot deur, zijnde het vervoer van goederen met behulp van meer dan een wijze van vervoer, waaronder ook vervoer over zee, met een enkel vervoersdocument, en in verband daarmee ook het recht voor internationale zeevervoerders rechtstreeks met aanbieders van andere wijzen van vervoer contracten te sluiten27);

    b. „diensten met betrekking tot de behandeling van zeevracht”:

    activiteiten van stuwadoorsbedrijven, met inbegrip van terminalexploitanten, maar zonder de directe activiteiten van dokwerkers, wanneer deze arbeidskrachten onafhankelijk van de stuwadoorsbedrijven of terminalexploitanten zijn georganiseerd. De hier bedoelde activiteiten omvatten de organisatie van en het toezicht op:

    • i. het laden en lossen van schepen;

    • ii. het sjorren en losmaken van vracht;

    • iii. het in ontvangst nemen/afleveren en veilig bewaren van vracht vóór verscheping of na lossing;

    c. „behandeling door de douane” (ook wel genoemd „in- en uitklaring”):

    activiteiten bestaande in de afhandeling van douaneformaliteiten namens een andere partij met betrekking tot de in-, uit- of doorvoer van vracht, ongeacht of deze dienst de hoofdactiviteit van de dienstverlener is of een gebruikelijke aanvulling op diens hoofdactiviteit;

    d. „diensten in verband met de opslag van containers”:

    activiteiten bestaande in de opslag van containers op haventerreinen dan wel landinwaarts, om ze te laden of te lossen, te repareren en beschikbaar te stellen voor verscheping;

    e. „diensten van scheepsagenten”:

    activiteiten waarbij de zakelijke belangen van een of meer scheepvaartlijnen of scheepvaartmaatschappijen binnen een bepaald geografisch gebied door een agent worden behartigd voor de volgende doeleinden:

    • i. marketing en verkoop van zeevervoers- en aanverwante diensten, van de prijsopgave tot de facturering, alsmede het afgeven van vrachtbrieven namens de maatschappijen, het kopen en weer verkopen van de nodige aanverwante diensten, het opstellen van documenten en het verschaffen van bedrijfsinformatie;

    • ii. het optreden namens ondernemingen die de afroep van aanvragen om scheepsruimte organiseren, of, indien nodig, het overnemen van vracht;

    f. „expediteursdiensten”:

    de activiteiten bestaande in het organiseren en controleren van verzendingsactiviteiten namens verzenders, door de aankoop van transport- en aanverwante diensten, het opstellen van documenten en het verschaffen van bedrijfsinformatie.

  • 3. Gezien de bestaande situatie tussen de partijen op het gebied van het internationale zeevervoer:

    • a. past elke partij daadwerkelijk het beginsel van onbeperkte toegang tot de internationale markten voor zeevervoer en handelsroutes op commerciële en niet-discriminerende grondslag toe; en

    • b. kent elke partij aan vaartuigen die de vlag voeren van de andere partij of worden geëxploiteerd door dienstverleners van de andere partij, een behandeling toe die niet minder gunstig is dan die welke zij aan haar eigen vaartuigen toekent voor de toegang tot havens, het gebruik van infrastructuur en ondersteunende havendiensten voor zeevervoer, evenals de daarmee verband houdende vergoedingen en heffingen, douanefaciliteiten en de toewijzing van aanlegplaatsen en laad- en losinstallaties28).

  • 4. Bij de toepassing van deze beginselen:

    • a. neemt elke partij in toekomstige bilaterale overeenkomsten met derde landen geen vrachtverdelingsregelingen op met betrekking tot zeevervoerdiensten, met inbegrip van het vervoer van droge en vloeibare bulkladingen en het lijnverkeer, en beëindigt zij binnen een redelijke termijn dergelijke vrachtverdelingsregelingen wanneer deze in eerdere bilaterale overeenkomsten voorkomen; en

    • b. waarborgt elke partij, behoudens de lijsten van verbintenissen ingevolge de hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze titel, dat alle bestaande of toekomstige maatregelen die worden genomen met betrekking tot internationale zeevervoersdiensten niet-discriminerend van aard zijn en geen verkapte beperking vormen op internationale zeevervoersdiensten.

  • 5. Overeenkomstig artikel 165 staat elke partij de verleners van internationale zeevervoersdiensten van de andere partij toe op haar grondgebied een vestiging te hebben.

  • 6. De partijen zorgen ervoor dat de in havens geboden diensten worden geleverd onder niet-discriminerende voorwaarden. De beschikbare diensten omvatten onder meer loodsen, hulp van duw- en sleepboten, bevoorrading, brandstof- en waterlevering, ophalen en verwerking van afval, kapiteinsdiensten, navigatiehulp, diensten vanaf de wal die essentieel zijn voor het functioneren van een schip, waaronder communicatie, water- en elektriciteitsvoorzieningen, faciliteiten voor noodreparaties, verankering en aan- en afmeren.

HOOFDSTUK 6 ELEKTRONISCHE HANDEL
Artikel 201 Doelstellingen en beginselen
  • 1. De partijen erkennen dat de handelsmogelijkheden op het vlak van e-commerce in tal van sectoren toenemen en komen overeen de onderlinge ontwikkeling van e-commerce te bevorderen, in het bijzonder door op grond van de bepalingen van deze titel samen te werken ten aanzien van kwesties met betrekking tot e-commerce.

  • 2. De partijen erkennen dat de ontwikkeling van e-commerce verenigbaar moet zijn met de internationale normen voor gegevensbescherming, teneinde ervoor te zorgen dat de gebruiker vertrouwen heeft in e-commerce.

  • 3. De partijen komen overeen geen douanerechten te heffen op leveringen langs elektronische weg.

Artikel 202 Regelgevingsaspecten van e-commerce

De partijen onderhouden een dialoog over regelgevingskwesties in verband met e-commerce, onder meer over:

  • a. erkenning van aan het grote publiek afgegeven certificaten voor elektronische handtekeningen en bevordering van grensoverschrijdende certificeringsdiensten;

  • b. behandeling van ongevraagde elektronische commerciële communicatie;

  • c. consumentenbescherming op het gebied van e-commerce; en

  • d. alle andere kwesties die van belang zijn voor de ontwikkeling van e-commerce.

HOOFDSTUK 7 UITZONDERINGEN
Artikel 203 Algemene uitzonderingen
  • 1. Mits de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de partijen bij soortgelijke omstandigheden, of een verkapte beperking van het recht van vestiging of van grensoverschrijdende dienstverlening vormen, wordt niets in deze titel uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of toepassen door een partij van maatregelen die:

    • a. noodzakelijk zijn voor de bescherming van de openbare veiligheid of de openbare zeden of voor de handhaving van de openbare orde;

    • b. noodzakelijk zijn voor de bescherming van het leven en de gezondheid van mensen, dieren of planten;

    • c. betrekking hebben op de instandhouding van niet-vernieuwbare natuurlijke hulpbronnen, mits die maatregelen met beperkingen voor interne investeerders of met beperkingen van het interne aanbod of verbruik van diensten gepaard gaan;

    • d. noodzakelijk zijn voor de bescherming van nationaal artistiek, historisch of archeologisch erfgoed;

    • e. noodzakelijk zijn voor de handhaving van wet- en regelgeving die niet strijdig is met de bepalingen van deze titel, met inbegrip van die welke betrekking hebben op:

      • i. het voorkomen van misleidende of frauduleuze praktijken of op middelen om de gevolgen van de niet-nakoming van contracten aan te pakken;

      • ii. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking en verspreiding van persoonsgegevens en op de bescherming van de vertrouwelijke aard van persoonlijke dossiers en rekeningen;

      • iii. de veiligheid;

    • f. strijdig zijn met de artikelen 165 en 171 van deze titel, mits het verschil in behandeling bedoeld is om directe belastingen op doeltreffende of billijke wijze te kunnen opleggen of innen ten aanzien van economische activiteiten, investeerders of dienstverleners van de andere partij29).

  • 2. De bepalingen van deze titel en van de bijbehorende bijlagen inzake de lijsten van verbintenissen zijn niet van toepassing op de respectieve socialezekerheidsstelsels van de partijen of de activiteiten op het grondgebied van elke partij, die verband houden, al is het maar bij gelegenheid, met de uitoefening van openbaar gezag.

TITEL IV LOPENDE BETALINGEN EN KAPITAALVERKEER
Artikel 204 Doel en toepassingsgebied
  • 1. De partijen streven naar liberalisering van hun onderlinge lopende betalingen en kapitaalverkeer, overeenkomstig de verbintenissen die zijn aangegaan in het kader van de internationale financiële instellingen en terdege rekening houdend met de stabiliteit van de valuta van elke partij.

  • 2. Deze titel is van toepassing op alle lopende betalingen en kapitaalverkeer tussen de partijen.

Artikel 205 Lopende rekening

De partijen staan alle betalingen en transfers tussen de partijen in vrij converteerbare valuta’s op de lopende rekening van de betalingsbalans toe of geven daartoe machtiging, naargelang het geval, overeenkomstig de statuten van het Internationaal Monetair Fonds, in het bijzonder met inbegrip van de bepalingen van artikel VIII.

Artikel 206 Kapitaalrekening

Wat de transacties op de kapitaalrekening en de financiële rekening van de betalingsbalans betreft, verbinden de partijen zich ertoe vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst het vrije kapitaalverkeer toe te staan of te waarborgen, waar van toepassing, ten aanzien van directe investeringen in rechtspersonen die zijn opgericht in overeenstemming met de wetgeving van het gastland, en investeringen en overige transacties die worden verricht overeenkomstig de bepalingen van titel III (Vestiging, handel in diensten en elektronische handel)30) van deel IV van deze overeenkomst, alsmede de liquidatie en repatriëring van deze investeringen en de daaruit voortkomende opbrengsten.

Artikel 207 Vrijwaringsmaatregelen

Wanneer in uitzonderlijke omstandigheden kapitaalbewegingen tussen de partijen ernstige moeilijkheden veroorzaken of dreigen te veroorzaken voor het wisselkoersbeleid of het monetair beleid in een partij, kunnen door de desbetreffende partij voor een periode van ten hoogste één jaar vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van kapitaalbewegingen worden genomen. De toepassing van vrijwaringsmaatregelen kan worden verlengd door deze formeel opnieuw te introduceren in het geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden en na onderlinge coördinatie vooraf tussen de partijen met betrekking tot de uitvoering van een eventueel voorgestelde formele herintroductie31).

Artikel 208 Slotbepalingen
  • 1. Ten aanzien van deze titel bevestigen de partijen de rechten en verplichtingen zoals vastgesteld door het Internationaal Monetair Fonds of elke andere overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Unie en een republiek van de MA-partij.

  • 2. De partijen treden in overleg teneinde hun onderlinge kapitaalverkeer te vergemakkelijken met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst.

TITEL V OVERHEIDSOPDRACHTEN
Artikel 209 Inleiding
  • 1. De partijen erkennen de bijdrage van transparante, op concurrentie gebaseerde en open aanbestedingen aan duurzame economische ontwikkeling en stellen zich een effectieve, wederzijdse en geleidelijke openstelling van hun respectieve markten voor overheidsopdrachten ten doel.

  • 2. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:

    a. „handelsgoederen en -diensten”:

    goederen en diensten die in de regel in de handel worden verkocht of te koop worden aangeboden aan, en in de regel worden aangekocht door niet-overheidskopers voor niet-overheidsdoeleinden;

    b. „conformiteitsbeoordelingsprocedure”:

    een procedure die, direct dan wel indirect, wordt gebruikt om vast te stellen of aan relevante vereisten in technische voorschriften en normen wordt voldaan;

    c. „constructiedienst”:

    een dienst die gericht is op de uitvoering, ongeacht op welke wijze, van bouwwerkzaamheden of civieltechnische werken, gebaseerd op afdeling 51 van de voorlopige centrale productenclassificatie van de Verenigde Naties;

    d. „elektronische veiling”:

    een zich herhalend proces waarbij leveranciers langs elektronische weg nieuwe prijzen opgeven, dan wel nieuwe waarden voor kwantificeerbare, niet op de prijs betrekking hebbende en met de beoordelingscriteria samenhangende onderdelen van de inschrijving, of beide, en waardoor een rangorde van de inschrijvingen tot stand komt of de rangorde wordt gewijzigd;

    e. „schriftelijk”:

    betreft elke formulering in woorden of cijfers die kan worden gelezen, gereproduceerd of later medegedeeld. De term „schriftelijk” kan ook betrekking hebben op elektronisch verzonden en opgeslagen informatie;

    f. „onderhandse aanbesteding”:

    een procedure waarbij de aanbestedende dienst contact zoekt met een leverancier of leveranciers van zijn keuze;

    g. „lijst van leveranciers”:

    een door een aanbestedende dienst opgestelde lijst van leveranciers die voldoen aan de voorwaarden voor deelname aan die lijst en/of de formele vereisten om in die lijst te worden opgenomen, waarvan de aanbestedende dienst meer dan eens gebruik denkt te zullen maken;

    h. „maatregel”:

    een wet, voorschrift, procedure, administratief richtsnoer of praktijk van een aanbestedende dienst betreffende een hier bedoelde overheidsopdracht;

    i. „bericht van aanbesteding”:

    een bekendmaking van een aanbestedende dienst waarbij belangstellende leveranciers worden uitgenodigd overeenkomstig de wetgeving van elke partij een verzoek om deelname in te dienen, zich in te schrijven of beide;

    j. „compensatie”:

    een voorwaarde of verbintenis die de plaatselijke ontwikkeling aanmoedigt of de betalingsbalans van een partij verbetert, zoals het gebruik van interne producten, het in licentie geven van technologie, investeringen, compenserende handel en dergelijke;

    k. „openbare aanbesteding”:

    een aanbestedingsprocedure waarbij alle belangstellende leveranciers kunnen inschrijven;

    l. „aanbestedende dienst”:

    een entiteit die onder afdeling A, B of C van aanhangsel 1 (Toepassingsgebied) van bijlage XVI (Overheidsopdrachten) van een partij valt;

    m. „erkende leverancier”:

    een leverancier die door een aanbestedende dienst is erkend als leverancier die aan de voorwaarden voor deelname voldoet;

    n. „aanbesteding met voorafgaande selectie”:

    een aanbestedingsprocedure waarbij slechts erkende of geregistreerde leveranciers door de aanbestedende dienst tot inschrijven worden uitgenodigd;

    o. „diensten”:

    omvat constructiediensten, tenzij anders bepaald; en

    p. „technische specificatie”:

    een vereiste in een aanbestedingsprocedure waarin:

    • i. de kenmerken van de aan te schaffen goederen of diensten worden omschreven, zoals kwaliteit, prestaties en veiligheid en afmetingen, dan wel de processen of methoden voor productie of levering; of

    • ii. terminologische elementen, symbolen en voorschriften betreffende verpakking, markering of etikettering die van toepassing zijn op een product of dienst, worden omschreven.

Artikel 210 Toepassingsgebied
  • 1. Deze titel is van toepassing op alle maatregelen inzake de hier bedoelde overheidsopdrachten. Voor de toepassing van deze titel wordt onder de hier bedoelde overheidsopdrachten verstaan de aanschaf voor overheidsdoeleinden:

    • a. van goederen, diensten of een combinatie daarvan:

      • i. zoals door elke partij aangegeven in de desbetreffende afdelingen van aanhangsel 1 (Toepassingsgebied) bij bijlage XVI; en

      • ii. die niet worden aangeschaft met het oog op commerciële verkoop of wederverkoop of voor gebruik bij de productie of levering van goederen of diensten voor commerciële verkoop of wederverkoop;

    • b. met welke contractuele middelen dan ook, waaronder koop, lease, huur of huurkoop, met of zonder koopoptie;

    • c. waarvan de waarde op het moment van publicatie van een bericht overeenkomstig artikel 213 gelijk is aan of meer bedraagt dan de desbetreffende drempelwaarde die door elke partij is gespecificeerd in aanhangsel 1 (Toepassingsgebied) bij bijlage XVI;

    • d. door een aanbestedende dienst; en

    • e. die niet anderszins van het toepassingsgebied is uitgesloten.

  • 2. Tenzij anders bepaald, is deze titel niet van toepassing op:

    • a. de verwerving of huur van grond, gebouwen of andere onroerende goederen of de rechten daarop;

    • b. niet-contractuele overeenkomsten of elke vorm van bijstand die een partij verleent, met inbegrip van samenwerkingsovereenkomsten, subsidies, leningen, kapitaalinjecties, garanties en fiscale stimuleringsmaatregelen, alsmede leveringen van overheidswege van goederen en diensten aan nationale, regionale of plaatselijke overheidsdiensten;

    • c. de aanschaf of verwerving van belastingadviesdiensten of bewaardiensten, vereffenings- en managementdiensten voor gereglementeerde financiële instellingen of van diensten in verband met de verkoop, aflossing en distributie van de overheidsschuld, met inbegrip van leningen, staatsobligaties, bankbiljetten en andere effecten;

    • d. arbeidsovereenkomsten voor werk bij de overheid en aanverwante werkgelegenheidsmaatregelen;

    • e. opdrachten die worden aanbesteed:

      • i. met het specifieke doel internationale bijstand, met inbegrip van ontwikkelingshulp, te verlenen;

      • ii. in het kader van een bijzondere procedure of krachtens een bijzondere voorwaarde van een internationale overeenkomst betreffende de legering van strijdkrachten of betreffende de gezamenlijke uitvoering van een project door de ondertekenende landen;

      • iii. in het kader van een bijzondere procedure of krachtens een bijzondere voorwaarde van een internationale organisatie, of gefinancierd door een internationale subsidie, lening of andere vorm van steun, wanneer die procedure of voorwaarde niet in overeenstemming is met deze titel;

    • f. aankopen die worden gedaan onder uitzonderlijk gunstige voorwaarden die enkel op de zeer korte termijn voorkomen, zoals ongewone uitverkopen van ondernemingen die normaal gesproken geen leverancier zijn, of de verkoop van de activa van ondernemingen die in vereffening zijn of onder het beheer van een curator staan.

  • 3. Elke partij verstrekt in aanhangsel 1 (Toepassingsgebied) bij bijlage XVI de volgende informatie:

    • a. in afdeling A: de diensten van de centrale overheid waarvan de aanbestedingen onder deze titel vallen;

    • b. in afdeling B: de diensten van de lagere overheid waarvan de aanbestedingen onder deze titel vallen;

    • c. in afdeling C: alle overige diensten waarvan de aanbestedingen onder deze titel vallen;

    • d. in afdeling D: de diensten, andere dan constructiediensten, die onder deze titel vallen;

    • e. in afdeling E: de constructiediensten die onder deze titel vallen; en

    • f. in afdeling F: eventuele algemene aantekeningen.

  • 4. Indien de interne wetgeving van een partij toestaat dat een hier bedoelde overheidsopdracht namens de aanbestedende dienst wordt uitgevoerd door andere diensten of personen, zijn de bepalingen van deze titel evenzo van toepassing.

  • 5.

    • a. Het is aanbestedende diensten niet toegestaan een overheidsopdracht op te stellen, te ontwerpen of anderszins te structureren of verdelen met als doel de verplichtingen op grond van deze titel te vermijden;

    • b. Wanneer een overheidsopdracht aanleiding kan geven tot opdrachten die gelijktijdig in afzonderlijke partijen of percelen worden gegund, wordt rekening gehouden met de totale geraamde waarde van deze partijen of percelen. Wanneer de totale geraamde waarde van de partijen of percelen gelijk is aan of groter is dan de in de desbetreffende afdeling opgenomen drempelbedragen van de partij, is deze titel van toepassing op de gunning van dergelijke partijen of percelen, met uitzondering van die partijen of percelen waarvan de waarde minder bedraagt dan 80 000 EUR.

  • 6. Niets in deze titel mag worden uitgelegd als een beletsel voor een partij om maatregelen vast te stellen of te handhaven met betrekking tot goederen of diensten van gehandicapten of liefdadigheidsinstellingen of die het resultaat zijn van gevangenisarbeid, dan wel maatregelen die noodzakelijk zijn ter bescherming van de openbare zeden, de orde of veiligheid, ter bescherming van het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten, met inbegrip van milieubeschermingsmaatregelen, en ter bescherming van intellectuele eigendom.

    De republieken van de MA-partij zijn gerechtigd om maatregelen vast te stellen, te ontwerpen, te handhaven of uit te voeren ter bevordering van de mogelijkheden van of programma’s voor aanbestedingsbeleid inzake de ontwikkeling van haar minderheden en haar mkmo’s, met inbegrip van preferentiële regels, zoals:

    • a. het aanwijzen van mkmo’s die zijn geregistreerd als overheidsleverancier;

    • b. het vaststellen van beslissingscriteria op basis waarvan aanbestedende diensten een contract kunnen gunnen aan een interne mkmo, die als afzonderlijke deelnemer of als onderdeel van een consortium een even goed gerangschikte offerte heeft ingediend als die van andere leveranciers.

  • 7. Niets in deze titel mag worden uitgelegd als een beletsel voor een partij om nieuwe beleidsmaatregelen, procedures of contractuele middelen inzake aanbestedingen te ontwikkelen, zolang deze niet strijdig zijn met deze titel.

Artikel 211 Algemene beginselen
  • 1. Ten aanzien van alle maatregelen en alle hier bedoelde overheidsopdrachten behandelt elke partij, met inbegrip van haar aanbestedende diensten, goederen en diensten van de andere partij en de leveranciers van de andere partij die deze goederen of diensten aanbieden, niet ongunstiger dan de partij, met inbegrip van haar aanbestedende diensten, binnenlandse goederen, diensten en leveranciers behandelt.

  • 2. Voor alle maatregelen betreffende de hier bedoelde overheidsopdrachten ziet een partij, met inbegrip van haar aanbestedende diensten, erop toe:

    • a. dat een plaatselijk gevestigde leverancier niet minder gunstig wordt behandeld dan een andere plaatselijk gevestigde leverancier op grond van de mate waarin het kapitaal ervan of de zeggenschap erover in buitenlandse handen is; en

    • b. dat een plaatselijk gevestigde leverancier niet wordt gediscrimineerd op grond van het feit dat de goederen of diensten die door die leverancier voor een bepaalde opdracht worden aangeboden, goederen of diensten van de andere partij zijn.

  • 3. Elke leverancier of dienstverlener van de EU-partij die zich heeft gevestigd in een republiek van de MA-partij wordt in alle andere republieken van de MA-partij niet ongunstiger behandeld dan deze laatste hun eigen leveranciers of dienstverleners behandelen ten aanzien van alle maatregelen inzake hier bedoelde overheidsopdrachten.

    Elke leverancier of dienstverlener uit een republiek van de MA-partij die is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie, wordt in alle overige lidstaten van de Europese Unie niet ongunstiger behandeld dan deze laatste hun eigen leveranciers of dienstverleners behandelen ten aanzien van alle maatregelen inzake hier bedoelde overheidsopdrachten.

    De partijen introduceren geen nieuwe vereisten ten aanzien van de plaatselijke vestiging of registratie van leveranciers en dienstverleners die willen inschrijven voor een hier bedoelde overheidsopdracht, waardoor de leveranciers en dienstverleners van de andere partij een concurrentienadeel hebben. De bestaande vereisten worden uiterlijk tien jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst opnieuw bekeken32).

Gebruik van elektronische middelen

  • 4. Wanneer een hier bedoelde overheidsopdracht wordt aanbesteed met gebruikmaking van elektronische middelen:

    • a. ziet de aanbestedende dienst erop toe dat voor de aanbesteding informatietechnologiesystemen en software, met inbegrip van die betreffende de authenticatie en encryptie van informatie, worden gebruikt die algemeen beschikbaar zijn en interoperabel met andere algemeen beschikbare informatietechnologiesystemen en software; en

    • b. houdt de aanbestedende dienst mechanismen in stand die de integriteit van verzoeken om deelneming en van inschrijvingen waarborgen, inclusief het registreren van het tijdstip en de ontvangst en het voorkomen van ongeoorloofde toegang.

Verloop van de aanbesteding

  • 5. Aanbestedende diensten zien erop toe dat de hier bedoelde overheidsopdrachten worden aanbesteed op transparante en onpartijdige wijze met behulp van methoden als openbare aanbesteding, aanbesteding met voorafgaande selectie en onderhandse aanbesteding, waarbij belangenconflicten en corrupte praktijken worden voorkomen en de bepalingen van deze titel in acht worden genomen. Daarnaast voeren de partijen sancties in tegen dergelijke corrupte praktijken of handhaven zij deze.

Oorsprongsregels

  • 6. Ten behoeve van de hier bedoelde overheidsopdrachten passen de partijen op uit de andere partij ingevoerde goederen of door de andere partij verleende diensten geen oorsprongsregels toe die afwijken van de oorsprongsregels die de partij op dat moment op de invoer van dezelfde goederen of de verlening van dezelfde diensten uit dezelfde partij in het normale handelsverkeer toepast.

Compensaties

  • 7. Behoudens de uitzonderingen zoals genoemd in deze titel of de daarop betrekking hebbende bijlagen zal geen enkele partij om compensaties vragen, hiermee rekening houden, of deze opleggen of afdwingen.

Artikel 212 Publicatie van informatie over overheidsopdrachten
  • 1. Elke partij:

    • a. publiceert onverwijld alle wetgeving, regelgeving, gerechtelijke uitspraken, algemeen toepasselijke administratieve beschikkingen en standaardcontractbepalingen die bij wet- of regelgeving verplicht zijn gesteld en door verwijzing zijn opgenomen in berichten van aanbesteding, aanbestedingsstukken en -procedures inzake de hier bedoelde overheidsopdrachten, alsmede alle wijzigingen daarvan, in officieel daartoe aangewezen elektronische of gedrukte media die op ruime schaal worden verspreid en gemakkelijk toegankelijk blijven voor het publiek;

    • b. verstrekt op verzoek van de andere partij nadere informatie met betrekking tot de toepassing van dergelijke bepalingen;

    • c. vermeldt in aanhangsel 2 (Media voor de publicatie van informatie over aanbestedingen) van bijlage XVI de elektronische of gedrukte media waarin de partij de onder a) omschreven informatie publiceert; en

    • d. vermeldt in aanhangsel 3 (Media voor de publicatie van berichten van aanbesteding) van bijlage XVI de media waarin de partij de berichten publiceert die vereist zijn krachtens artikel 213, artikel 215, lid 4, en artikel 223, lid 2.

  • 2. De MA-partij stelt al het redelijke in het werk om één enkel toegangspunt op regionaal niveau te ontwikkelen. De EU-partij biedt technische en financiële steun bij de ontwikkeling, de totstandbrenging en het onderhoud van een dergelijk toegangspunt. Deze samenwerking wordt behandeld in titel VI (Economische en handelsontwikkeling) van deel III van deze overeenkomst. De uitvoering van deze bepaling is onder voorbehoud van verwezenlijking van het initiatief inzake technische en financiële steun voor de ontwikkeling, de totstandbrenging en het onderhoud van één enkel toegangspunt op Midden-Amerikaans niveau.

  • 3. Elke partij stelt de andere partij onverwijld in kennis van elke wijziging van de in aanhangsel 2 (Media voor de publicatie van informatie over aanbestedingen) en aanhangsel 3 (Media voor de publicatie van berichten van aanbesteding) van bijlage XVI vermelde informatie van de partij.

Artikel 213 Publicatie van berichten

Bericht van aanbesteding

  • 1. Voor elke hier bedoelde overheidsopdracht publiceert de aanbestedende dienst, behalve in de omstandigheden omschreven in artikel 220, een bericht van aanbesteding in de daartoe bestemde media als vermeld in aanhangsel 3 (Media voor de publicatie van berichten van aanbesteding) van bijlage XVI. In elk bericht wordt de informatie opgenomen die in aanhangsel 4 (Bericht van aanbesteding) van bijlage XVI bij deze overeenkomst is vermeld. Deze berichten zijn, indien en waar zij voorkomen, kosteloos langs elektronische weg beschikbaar via één enkel toegangspunt op regionaal niveau.

Aankondiging van geplande aanbestedingen

  • 2. De aanbestedende diensten worden aangemoedigd elk jaar zo vroeg mogelijk hun aanbestedingsplannen aan te kondigen („aankondiging van geplande aanbestedingen”). De aankondiging bevat de inhoud van de opdracht en bij benadering de datum van publicatie van het bericht van aanbesteding of de periode waarin deze wordt gehouden.

  • 3. Indien de interne wetgeving hierin voorziet, kunnen aanbestedende diensten de aankondiging van geplande aanbestedingen als bericht van aanbesteding gebruiken, mits de aankondiging zoveel mogelijk van de in aanhangsel 4 (Bericht van aanbesteding) bij deze overeenkomst bedoelde informatie bevat, alsmede een verklaring dat belangstellende leveranciers hun belangstelling voor de opdracht bij de aanbestedende dienst bekend moeten maken.

Artikel 214 Voorwaarden voor deelname aan aanbestedingen
  • 1. Aanbestedende diensten beperken de eventuele voorwaarden voor deelname aan een aanbesteding tot wat essentieel is om te waarborgen dat de leverancier over de juridische en financiële capaciteiten en de commerciële en technische bekwaamheid beschikt om de desbetreffende opdracht uit te voeren.

  • 2. Bij de beoordeling of een leverancier aan de voorwaarden voor deelname voldoet, evalueert de aanbestedende dienst de financiële draagkracht en de commerciële en technische bekwaamheid van de leverancier aan de hand van diens zakelijke activiteiten op en buiten het grondgebied van de partij waartoe de aanbestedende dienst behoort. Daarbij mag de aanbestedende dienst de deelname van een leverancier aan een aanbesteding niet afhankelijk stellen van de voorwaarde dat aan de betrokken leverancier reeds eerder door een aanbestedende dienst van een gegeven partij een of meer opdrachten zijn gegund of dat de leverancier reeds eerder werkzaamheden heeft verricht op het grondgebied van een gegeven partij.

  • 3. De aanbestedende dienst baseert zich bij deze beoordeling op de voorwaarden die hij vooraf in berichten of aanbestedingsstukken heeft gespecificeerd.

  • 4. Een leverancier wordt door de aanbestedende dienst uitgesloten in geval van faillissement, valse verklaringen, aanzienlijke tekortkomingen bij de uitvoering van een wezenlijke eis of verplichting in het kader van een eerdere opdracht of eerdere opdrachten, veroordelingen wegens een ernstig misdrijf of andere veroordelingen wegens ernstige strafbare feiten, fouten bij de beroepsuitoefening, het niet betalen van belastingen of vergelijkbare redenen.

    Elke partij kan procedures vaststellen of handhaven om leveranciers waarvan de partij heeft geconstateerd dat zij zich bezig hebben gehouden met frauduleuze of andere illegale praktijken met betrekking tot aanbestedingen, voor onbepaalde tijd of voor een bepaalde periode ongeschikt te verklaren voor deelname aan de aanbestedingen van de partij. Elk van de partijen geeft op verzoek van de andere partij, voor zover uitvoerbaar, aan van welke leveranciers is bepaald dat deze ongeschikt zijn op grond van deze procedures en wisselt, waar van toepassing, informatie uit over deze leveranciers of over de frauduleuze of illegale praktijk.

  • 5. De aanbestedende dienst kan de inschrijver vragen om in de inschrijving aan te geven welk deel van het contract de inschrijver beoogt uit te besteden aan derden en voorgestelde subcontractanten. Deze aanduiding laat de vraag naar de aansprakelijkheid van de hoofdondernemer onverlet.

Artikel 215 Erkenning of registratie van leveranciers

Aanbesteding met voorafgaande selectie

  • 1. Wanneer een aanbestedende dienst een opdracht wil aanbesteden met een voorafgaande selectie:

    • a. neemt de aanbestedende dienst in het bericht van aanbesteding ten minste de in punt 1 van aanhangsel 4 (Bericht van aanbesteding) van bijlage XVI vermelde informatie op en nodigt hij leveranciers uit een verzoek om deelname in te dienen; en

    • b. verstrekt de aanbestedende dienst, uiterlijk bij de aanvang van de inschrijvingstermijn, ten minste de in punt 2 van aanhangsel 4 (Bericht van aanbesteding) van bijlage XVI vermelde informatie aan de erkende of geregistreerde leveranciers.

  • 2. Aanbestedende diensten beschouwen als erkende leveranciers alle interne leveranciers en leveranciers van de andere partij die aan de voorwaarden voor deelneming aan een specifieke aanbesteding voldoen, tenzij de aanbestedende dienst in het bericht van aanbesteding vermeldt dat slechts een beperkt aantal leveranciers mag inschrijven, onder opgave van de criteria voor de selectie van dit beperkte aantal leveranciers.

  • 3. Indien de aanbestedingsstukken niet vanaf de datum van publicatie van het in lid 1 bedoelde bericht van aanbesteding openbaar toegankelijk zijn, ziet de aanbestedende dienst erop toe dat die stukken voor alle overeenkomstig lid 2 geselecteerde erkende leveranciers op hetzelfde tijdstip beschikbaar worden gesteld.

Lijst van leveranciers

  • 4. Aanbestedende diensten mogen een lijst van leveranciers bijhouden, mits zij jaarlijks een bericht publiceren waarin belangstellende leveranciers worden uitgenodigd een aanvraag in te dienen om in de lijst te worden opgenomen, en dit bericht in geval van elektronische publicatie permanent beschikbaar wordt gesteld in het daartoe bestemde medium als vermeld in aanhangsel 3 (Media voor de publicatie van berichten van aanbesteding) van bijlage XVI. In dat bericht wordt de informatie opgenomen die in aanhangsel 5 (Bericht tot uitnodiging van belangstellende leveranciers om opname in een lijst van leveranciers aan te vragen) van bijlage XVI is vermeld.

  • 5. Niettegenstaande lid 4 is het toegestaan dat een aanbestedende dienst, indien deze een lijst van leveranciers met een geldigheidsduur van drie jaar of minder bijhoudt, slechts éénmaal, bij aanvang van de geldigheidsduur van de lijst, het in dat lid bedoelde bericht publiceert, mits in het bericht wordt vermeld wat de geldigheidsduur is en dat tijdens die periode geen verdere berichten zullen worden gepubliceerd.

  • 6. Aanbestedende diensten staan leveranciers toe te allen tijde een aanvraag tot opname in een lijst van leveranciers in te dienen en nemen binnen een redelijke korte tijd alle leveranciers in die lijst op die aan de desbetreffende vereisten voldoen.

  • 7. Indien de wetgeving van de partij daarin voorziet, kunnen aanbestedende diensten een bericht tot uitnodiging van leveranciers om opname in een lijst van leveranciers aan te vragen, gebruiken als bericht van aanbesteding, mits:

    • a. het bericht gepubliceerd wordt overeenkomstig lid 4 en de in aanhangsel 5 (Bericht tot uitnodiging van belangstellende leveranciers om opname in een lijst van leveranciers aan te vragen) vermelde informatie en zoveel mogelijk van de in aanhangsel 4 (Bericht van aanbesteding) van bijlage XVI bedoelde informatie bevat, alsmede een verklaring dat het bericht als bericht van aanbesteding geldt;

    • b. de aanbestedende dienst aan leveranciers die bij hem belangstelling hebben geuit voor een bepaalde opdracht onverwijld voldoende informatie verstrekt aan de hand waarvan zij kunnen beoordelen in hoeverre de opdracht voor hen relevant is, alsmede alle overige in aanhangsel 4 (Bericht van aanbesteding) van bijlage XVI voorgeschreven informatie, voor zover die beschikbaar is; en

    • c. een leverancier die overeenkomstig lid 6 opname in een lijst van leveranciers heeft aangevraagd, zich voor een specifieke overheidsopdracht mag inschrijven, indien er voldoende tijd voor de aanbestedende dienst is om te beoordelen of deze leverancier aan de voorwaarden voor deelname voldoet.

  • 8. Aanbestedende diensten stellen leveranciers die een verzoek tot deelname of een aanvraag tot opname in een lijst van leveranciers hebben ingediend, zo spoedig mogelijk in kennis van hun besluit inzake dat verzoek of die aanvraag.

  • 9. Wanneer een aanbestedende dienst een verzoek van een leverancier om erkenning of opname in een lijst van leveranciers afwijst, de erkenning van een leverancier intrekt of een leverancier van een lijst van leveranciers schrapt, stelt de dienst de leverancier daarvan zo spoedig mogelijk in kennis en verstrekt hij de leverancier op verzoek een schriftelijke motivering van zijn besluit.

  • 10. De partijen geven in afdeling F (Algemene opmerkingen) van aanhangsel 1 (Toepassingsgebied) van bijlage XVI aan welke diensten gebruik mogen maken van de lijsten van leveranciers.

Artikel 216 Technische specificaties
  • 1. Aanbestedende diensten mogen geen technische specificaties op- of vaststellen of toepassen of conformiteitsbeoordelingsprocedures voorschrijven met als doel of gevolg dat onnodige belemmeringen voor de internationale handel ontstaan.

  • 2. Bij het voorschrijven van de technische specificaties van de goederen of diensten die het voorwerp van de aanbesteding zijn, en waar nodig:

    • a. specificeert de aanbestedende dienst de technische specificaties aan de hand van prestatie-eisen of functionele eisen en niet aan de hand van ontwerp- of descriptieve kenmerken; en

    • b. baseert de aanbestedende dienst de technische specificaties op internationale normen, indien deze bestaan, en anders op nationale technische voorschriften, erkende nationale normen of bouwvoorschriften.

  • 3. Wanneer in de technische specificaties ontwerp- of descriptieve kenmerken zijn opgenomen, geeft de aanbestedende dienst in voorkomend geval aan dat inschrijvingen voor gelijkwaardige goederen of diensten die aantoonbaar aan de voorwaarden van de opdracht voldoen eveneens in aanmerking komen, door in de aanbestedingsstukken termen als „of gelijkwaardig” op te nemen.

  • 4. Aanbestedende diensten schrijven geen technische specificaties voor waarin vereisten inzake of verwijzingen naar bepaalde handelsmerken of handelsnamen, octrooien, auteursrechten, ontwerpen of typen, of naar een bepaalde oorsprong, producent of leverancier zijn opgenomen, tenzij er geen andere voldoende nauwkeurige of begrijpelijke manier is om de vereisten van de opdracht te beschrijven, en op voorwaarde dat in dergelijke gevallen termen zoals „of gelijkwaardig” in de aanbestedingsstukken zijn opgenomen.

  • 5. Aanbestedende diensten vragen of aanvaarden van personen die een commercieel belang bij de aanbesteding kunnen hebben geen advies dat gebruikt kan worden bij het opstellen of vaststellen van een technische specificatie voor een specifieke opdracht, wanneer dat advies tot gevolg kan hebben dat concurrentie wordt uitgesloten.

  • 6. Zekerheidshalve zij opgemerkt dat dit artikel niet is bedoeld om een aanbestedende dienst ervan te weerhouden technische specificaties op te stellen, vast te stellen of toe te passen met als doel het behoud van natuurlijke hulpbronnen of de bescherming van het milieu te bevorderen.

Artikel 217 Aanbestedingsstukken
  • 1. De aanbestedende dienst verstrekt aan leveranciers aanbestedingsstukken met alle informatie die zij nodig hebben om geldige inschrijvingen op te stellen en in te dienen. Deze stukken bevatten een volledige beschrijving van alle in aanhangsel 8 (Aanbestedingsstukken) van bijlage XVI genoemde punten, tenzij deze reeds in het bericht van aanbesteding zijn vermeld.

  • 2. Aanbestedende diensten verstrekken op verzoek onverwijld de aanbestedingsstukken aan elke leverancier die aan de aanbestedingsprocedure deelneemt en beantwoorden elk redelijk verzoek om relevante informatie van een leverancier die aan de aanbestedingsprocedure deelneemt, mits dergelijke informatie die leverancier niet bevoordeelt ten opzichte van zijn mededingers in de aanbestedingsprocedure en het verzoek is ingediend binnen de vastgestelde termijn.

  • 3. Indien een aanbestedende dienst tijdens het aanbestedingsproces de criteria of vereisten aanpast of wijzigt die in het bericht van aanbesteding of de aan deelnemende leveranciers verstrekte aanbestedingsstukken zijn vermeld, geeft hij schriftelijk kennis van alle wijzigingen:

    • a. aan alle leveranciers die op het moment dat de informatie wordt gewijzigd aan de procedure deelnemen, indien deze bekend zijn, en in alle andere gevallen op dezelfde wijze als de oorspronkelijke informatie; en

    • b. op een zodanig tijdstip dat de leveranciers voldoende tijd hebben om, indien nodig, hun inschrijving te wijzigen en opnieuw in te dienen.

Artikel 218 Termijnen

De aanbestedende diensten geven, overeenkomstig hun eigen behoeften, de leveranciers voldoende tijd om verzoeken tot deelname en geldige inschrijvingen op te stellen en in te dienen, waarbij rekening wordt gehouden met factoren zoals de aard en de complexiteit van de opdracht, de omvang van de verwachte onderaanneming en de tijd die nodig is voor de verzending van inschrijvingen vanuit plaatsen zowel in het buitenland als intern waar geen gebruik wordt gemaakt van elektronische middelen. Dergelijke termijnen en eventuele verlengingen ervan moeten voor alle belangstellende of deelnemende leveranciers gelijk zijn. De toepasselijke termijnen zijn vermeld in aanhangsel 6 (Termijnen) van bijlage XVI.

Artikel 219 Onderhandelingen
  • 1. Elke partij kan in de volgende gevallen bepalen dat haar aanbestedende diensten de aanbestedingen verrichten aan de hand van de onderhandelingsprocedure:

    • a. in het kader van aanbestedingen waarbij zij in het bericht van aanbesteding die intentie te kennen hebben gegeven; of

    • b. indien uit de beoordeling blijkt dat geen van de inschrijvingen duidelijk het voordeligst is volgens de in de berichten of aanbestedingsstukken vermelde specifieke beoordelingscriteria.

  • 2. Aanbestedende diensten:

    • a. zien erop toe dat iedere uitsluiting van leveranciers die deelnemen aan de onderhandelingen, plaatsvindt in overeenstemming met de in de berichten of aanbestedingsstukken vermelde beoordelingscriteria; en

    • b. stellen, wanneer de onderhandelingen zijn afgesloten, voor alle resterende leveranciers een gelijke termijn vast voor de indiening van een nieuwe of herziene inschrijving.

Artikel 220 Gebruik van onderhandse aanbesteding of andere vergelijkbare aanbestedingsprocedures
  • 1. Op voorwaarde dat de aanbestedingsprocedure niet wordt gebruikt om concurrentie te vermijden of binnenlandse leveranciers te beschermen, kan een aanbestedende dienst in de volgende gevallen de opdracht gunnen op basis van onderhandse aanbesteding of andere vergelijkbare aanbestedingsprocedures:

    • a. indien,

      • i. geen inschrijvingen zijn ingediend of geen leveranciers om deelname hebben verzocht;

      • ii. geen inschrijvingen zijn ingediend die aan de essentiële eisen van de aanbestedingsstukken voldoen;

      • iii. geen leveranciers aan de voorwaarden voor deelname voldoen; of

      • iv. de ingediende aanschrijvingen onderling zijn afgestemd;

        op voorwaarde dat de vereisten van de aanbestedingsstukken niet wezenlijk worden gewijzigd;

    • b. indien de goederen of diensten slechts door een bepaalde leverancier kunnen worden geleverd en er geen redelijk alternatief of substituut bestaat vanwege het feit dat het een kunstwerk betreft of om redenen die verband houden met de bescherming van exclusieve intellectuele-eigendomsrechten, zoals octrooien of auteursrechten, of gepatenteerde informatie, of vanwege de afwezigheid van concurrentie om technische redenen;

    • c. voor aanvullende leveringen, door de oorspronkelijke leverancier, van goederen en diensten die niet in de oorspronkelijke opdracht waren opgenomen, indien verandering van leverancier voor de aanvullende goederen of diensten:

      • i. niet mogelijk is om economische of technische redenen, zoals wanneer de aanvullende goederen of diensten uitwisselbaar of interoperabel moeten zijn met bestaande apparatuur, software, diensten of installaties die in het kader van de oorspronkelijke opdracht zijn geleverd; en

      • ii. tot aanzienlijk ongemak of aanzienlijke dubbele kosten zou leiden voor de aanbestedende dienst;

    • d. voor goederen die op een grondstoffenmarkt worden aangekocht;

    • e. wanneer een aanbestedende dienst een prototype of een eerste product of dienst aanschaft die op zijn verzoek tijdens de uitvoering van een specifieke opdracht inzake onderzoek, proefneming, studie of oorspronkelijke ontwikkeling ten behoeve van die opdracht zijn ontwikkeld. Wanneer dergelijke opdrachten zijn uitgevoerd, zijn daaropvolgende aanbestedingen van goederen en diensten onderworpen aan deze titel;

    • f. indien aanvullende constructiediensten die niet waren opgenomen in de oorspronkelijke opdracht, maar die wel binnen de doelstellingen van de oorspronkelijke aanbestedingsstukken vielen, als gevolg van onvoorzienbare omstandigheden nodig zijn geworden om de daarin beschreven constructiediensten te voltooien, waarbij echter geldt dat de totale waarde van de voor de aanvullende constructiediensten gegunde opdrachten niet meer mag bedragen dan 50% van het bedrag van de oorspronkelijke opdracht;

    • g. in strikt noodzakelijke gevallen, wanneer de goederen of diensten om dringende redenen, wegens gebeurtenissen die door de aanbestedende dienst niet konden worden voorzien, niet tijdig kunnen worden verkregen door middel van openbare aanbesteding, en wanneer het gebruik van een openbare aanbesteding zou resulteren in ernstige schade voor de aanbestedende dienst, de verantwoordelijkheden van de dienst ten aanzien van het programma, of de partij;

    • h. in het geval van opdrachten die worden gegund aan de winnaar van een prijsvraag voor ontwerpen, mits die prijsvraag is georganiseerd op een wijze die verenigbaar is met de beginselen van deze titel, en de inzendingen worden beoordeeld door een onafhankelijke jury met het oog op de gunning van een ontwerpopdracht aan de maker van de winnende inzending; of

    • i. in de gevallen die door elke partij zijn aangegeven in afdeling F (Algemene opmerkingen) van aanhangsel 1 (Toepassingsgebied) bij bijlage XVI.

  • 2. Een aanbestedende dienst houdt aantekeningen bij of stelt schriftelijke verslagen op waarin elke op grond van lid 1 gegunde opdracht specifiek wordt gerechtvaardigd.

Artikel 221 Elektronische veilingen

Wanneer een aanbestedende dienst een hier bedoelde overheidsopdracht wil aanbesteden door middel van een elektronische veiling, stelt de dienst, alvorens de elektronische veiling te openen, iedere deelnemer in kennis van:

  • a. de methode voor automatische beoordeling, met inbegrip van de wiskundige formule, gebaseerd op de in de aanbestedingsstukken opgenomen beoordelingscriteria, die gebruikt wordt om automatisch de rangorde vast te stellen of te wijzigen tijdens de veiling;

  • b. de resultaten van een eventuele eerste beoordeling van de onderdelen van zijn inschrijving, indien de opdracht wordt gegund aan de indiener van de voordeligste inschrijving; en

  • c. alle andere relevante informatie over het houden van de veiling.

Artikel 222 Behandeling van inschrijvingen en gunning van opdrachten
  • 1. De aanbestedende dienst neemt bij het ontvangen, openen en behandelen van alle inschrijvingen procedures in acht die garanderen dat het aanbestedingsproces eerlijk en onpartijdig verloopt en de inschrijvingen vertrouwelijk worden behandeld.

  • 2. Om voor gunning in aanmerking te komen, moet een inschrijving schriftelijk worden ingediend, bij de opening voldoen aan de essentiële vereisten die in de aanbestedingsstukken en, waar van toepassing, in de berichten zijn opgenomen, en afkomstig zijn van een leverancier die aan de voorwaarden voor deelname voldoet.

  • 3. Tenzij de aanbestedende dienst besluit dat het niet in het algemeen belang is de opdracht te gunnen, gunt hij de opdracht aan de leverancier die volgens de bevindingen van de aanbestedende dienst in staat is de voorwaarden van de opdracht te vervullen en van wie de inschrijving, uitsluitend op basis van de beoordelingscriteria in de berichten en de aanbestedingsstukken, het voordeligst is, ofwel, wanneer de prijs het enige criterium is, de laagste prijs biedt.

  • 4. Wanneer een aanbestedende dienst een inschrijving ontvangt met een prijs die in verhouding tot de andere inschrijvingen abnormaal laag is, kan hij er zich bij de inschrijver van vergewissen dat deze aan de deelnemingsvoorwaarden voldoet en in staat is te voldoen aan de voorwaarden van de opdracht.

Artikel 223 Transparantie van informatie over overheidsopdrachten
  • 1. Aanbestedende diensten stellen de deelnemende leveranciers onverwijld in kennis van besluiten aangaande de gunning van een opdracht en doen dat op verzoek schriftelijk. Met inachtneming van artikel 224, leden 2 en 3, stelt de aanbestedende dienst een afgewezen leverancier op verzoek in kennis van de redenen voor de afwijzing van zijn inschrijving en van de relatieve voordelen van de inschrijving van de geselecteerde leverancier.

  • 2. Na de gunning van een opdracht die onder deze titel valt, publiceert de aanbestedende dienst zo snel mogelijk en binnen de in de wetgeving van elke partij vastgestelde termijn een bericht in het passende gedrukte of elektronische medium als vermeld in aanhangsel 3 (Media voor de publicatie van berichten van aanbesteding) van bijlage XVI. Wanneer alleen gebruik wordt gemaakt van een elektronisch medium, dient de informatie gedurende een redelijke termijn gemakkelijk toegankelijk te blijven. In het bericht wordt in ieder geval de informatie opgenomen die in aanhangsel 7 (Gunningsberichten) van bijlage XVI is vermeld.

Artikel 224 Bekendmaking van informatie
  • 1. Indien de andere partij daarom verzoekt, verstrekt een partij onverwijld alle relevante informatie over de gunning van een hier bedoelde overheidsopdracht, zodat kan worden bepaald of de aanbesteding overeenkomstig de voorschriften van deze titel is verlopen. Wanneer het bekendmaken van deze informatie de mededinging bij latere aanbestedingen zou verstoren, mag de partij die deze informatie ontvangt, deze alleen na overleg met en instemming van de partij die de informatie heeft verstrekt, aan leveranciers bekendmaken.

  • 2. Niettegenstaande andere bepalingen van deze titel verstrekt een partij, met inbegrip van haar aanbestedende diensten, geen informatie aan leveranciers die afbreuk zou kunnen doen aan de concurrentie tussen leveranciers.

  • 3. Niets in deze titel mag zodanig worden uitgelegd dat een partij, met inbegrip van haar aanbestedende diensten, autoriteiten en toetsingsinstanties, verplicht wordt vertrouwelijke informatie openbaar te maken waarvan de openbaarmaking de rechtshandhaving zou bemoeilijken, de eerlijke concurrentie tussen leveranciers zou kunnen schaden, de legitieme handelsbelangen van bepaalde personen, met inbegrip van de bescherming van de intellectuele eigendom, zou schaden, of anderszins in strijd zou zijn met het algemeen belang.

Artikel 225 Interne toetsingsprocedures
  • 1. Elke partij voorziet in een snelle, doeltreffende, transparante en niet-discriminerende procedure voor bestuurlijke of rechterlijke toetsing, waarmee een leverancier bezwaar kan aantekenen met betrekking tot de verplichtingen van een partij en haar diensten op grond van deze titel, die zich voordoen in het kader van een hier bedoelde overheidsopdracht waarbij de leverancier belang heeft of heeft gehad. De procedurele regels voor alle bezwaarschriften worden op schrift gesteld en openbaar gemaakt.

  • 2. Elke partij kan in haar interne wetgeving bepalen dat als een leverancier in het kader van een hier bedoelde overheidsopdracht een klacht indient, zij haar aanbestedende dienst en de leverancier aanmoedigt het geschil door overleg te beslechten. De aanbestedende dienst neemt dergelijke klachten onpartijdig en tijdig in beraad op een wijze die geen afbreuk doet aan de deelname van de leverancier aan lopende of toekomstige aanbestedingen of aan diens recht om door middel van de procedure voor bestuurlijke of rechterlijke toetsing te trachten corrigerende maatregelen te verkrijgen.

  • 3. Iedere leverancier krijgt voldoende tijd om een bezwaarschrift op te stellen en in te dienen; deze termijn is ten minste tien dagen vanaf het tijdstip waarop de grond voor het bezwaar voor de leverancier bekend is geworden of redelijkerwijs bekend had kunnen worden.

  • 4. Door elke partij wordt ten minste één onpartijdige en van de aanbestedende diensten onafhankelijke bestuurlijke of rechterlijke autoriteit ingesteld of aangewezen om een bezwaarschrift van een leverancier in het kader van een hier bedoelde overheidsopdracht te ontvangen en te beoordelen.

  • 5. Indien een bezwaarschrift in eerste aanleg wordt beoordeeld door een andere instantie dan een van de in lid 4 bedoelde autoriteiten, ziet de partij erop toe dat de leverancier tegen het oorspronkelijke besluit in beroep kan gaan bij een onpartijdige bestuurlijke of rechterlijke instantie die onafhankelijk is van de aanbestedende dienst die de aanbesteding heeft uitgeschreven waarop het bezwaarschrift betrekking heeft. Een niet-rechterlijke toetsingsinstantie wordt aan rechterlijke toetsing onderworpen of beschikt over procedurele garanties die ervoor zorgen dat:

    • a. de aanbestedende dienst schriftelijk op het bezwaarschrift reageert en alle relevante documenten aan de toetsingsinstantie ter beschikking stelt;

    • b. de deelnemers aan de procedure (hierna „de deelnemers” genoemd) het recht hebben te worden gehoord alvorens de toetsingsinstantie een besluit neemt over het bezwaarschrift;

    • c. de deelnemers het recht hebben zich te laten vertegenwoordigen en vergezellen;

    • d. de deelnemers toegang hebben tot alle zittingen in het kader van de procedure; en

    • e. besluiten of aanbevelingen betreffende bezwaarschriften van leveranciers binnen redelijke tijd schriftelijk worden uitgebracht en voorzien zijn van een motivering voor elk besluit of elke aanbeveling.

  • 6. Elke partij stelt procedures vast, of handhaaft deze, die voorzien in:

    • a. snelle voorlopige maatregelen die de mogelijkheid van de leverancier om aan de aanbesteding deel te nemen vrijwaren. Dergelijke voorlopige maatregelen kunnen aanleiding geven tot schorsing van de aanbestedingsprocedure. Er kan worden bepaald dat bij het nemen van het besluit over het al dan niet toepassen van dergelijke maatregelen rekening mag worden gehouden met prevalerende negatieve gevolgen voor de betrokken belangen, waaronder het algemeen belang. De rechtmatige redenen om geen maatregelen te nemen, worden schriftelijk aangegeven; en

    • b. corrigerende maatregelen of compensatie voor het geleden verlies of de geleden schade, overeenkomstig de wetgeving van elke partij, indien de toetsingsinstantie heeft bepaald dat er sprake is van inbreuk of niet-naleving als bedoeld in lid 1.

Artikel 226 Wijzigingen en rectificaties van het toepassingsgebied
  • 1. Wijzigingen en rectificaties van het toepassingsgebied worden door de EU-partij behandeld op basis van bilaterale onderhandelingen met elke republiek van de MA-partij. Omgekeerd worden wijzigingen en rectificaties van het toepassingsgebied door elke republiek van de MA-partij behandeld op basis van bilaterale onderhandelingen met de EU-partij.

    Indien een partij voornemens is het toepassingsgebied van aanbestedingen in het kader van deze titel te wijzigen, dient de partij:

    • a. de betrokken andere partij of partijen schriftelijk in kennis te stellen; en

    • b. in de kennisgeving een voorstel voor passende compenserende aanpassingen aan de andere partij te doen teneinde de omvang van het toepassingsgebied vergelijkbaar te houden met die voorafgaand aan de wijziging.

  • 2. Niettegenstaande lid 1, onder b), hoeft een partij geen compenserende aanpassingen aan te bieden indien:

    • a. de desbetreffende wijziging een kleine wijziging of rectificatie van puur formele aard is; of

    • b. de voorgestelde wijziging verwijst naar een dienst waarover de partij de facto haar zeggenschap of invloed heeft beëindigd.

      De partijen mogen kleine wijzigingen of rectificaties van puur formele aard aanbrengen in het toepassingsgebied in het kader van deze titel, overeenkomstig de bepalingen van titel XIII (Specifieke taken in handelsaangelegenheden van de op grond van deze overeenkomst ingestelde instanties) van deel IV van deze overeenkomst.

  • 3. Als de EU-partij of de betrokken republiek van de MA-partij het er niet mee eens is dat:

    • a. de op grond van lid 1, onder b), voorgestelde aanpassing toereikend is om een wederzijds overeengekomen toepassingsgebied van vergelijkbare omvang te behouden;

    • b. de voorgestelde wijziging een kleine wijziging of rectificatie van puur formele aard op grond van lid 2, onder a), is; of

    • c. de voorgestelde wijziging verwijst naar een dienst waarover de partij de facto haar zeggenschap of invloed heeft beëindigd op grond van lid 2, onder b),

    dient zij binnen dertig dagen na ontvangst van de in lid 1 genoemde kennisgeving schriftelijk bewaar aan te tekenen, zo niet wordt zij geacht te hebben ingestemd met de aanpassing of de voorgestelde wijziging, ook voor de toepassing van titel X (Geschillenbeslechting) van deel IV van deze overeenkomst.

  • 4. Indien de betrokken partijen tot overeenstemming zijn gekomen over de voorgestelde wijziging, rectificatie of kleine wijziging, ook als na dertig dagen geen bezwaar op grond van lid 3 is aangetekend, wordt de wijziging aangebracht overeenkomstig de bepalingen van lid 6.

  • 5. Overeenkomstig de in deze overeenkomst vervatte relevante institutionele en procedurele regelingen kunnen de EU-partij en elke republiek van de MA-partij te allen tijde bilaterale onderhandelingen aangaan met betrekking tot het verruimen van de op grond van deze titel wederzijds toegekende markttoegang.

  • 6. De Associatieraad wijzigt de relevante delen van de afdelingen A, B of C van aanhangsel 1 (Toepassingsgebied) van bijlage XVI teneinde alle door de partijen overeengekomen wijzigingen, technische rectificaties of kleine wijzigingen daarin op te nemen.

Artikel 227 Samenwerking en technische bijstand op het vlak van overheidsopdrachten

De partijen komen overeen dat het in hun gemeenschappelijk belang is initiatieven tot wederzijdse samenwerking en technische bijstand te bevorderen ten aanzien van kwesties met betrekking tot overheidsopdrachten. In deze zin hebben de partijen een aantal samenwerkingsactiviteiten vastgesteld, die zijn opgenomen in artikel 58 van titel VI (Economische en handelsontwikkeling) van deel III van deze overeenkomst.

TITEL VI INTELLECTUELE EIGENDOM
HOOFDSTUK 1 DOELSTELLINGEN EN BEGINSELEN
Artikel 228 Doelstellingen

De doelstellingen van deze titel zijn:

  • a. zorgen voor adequate en effectieve bescherming van intellectuele-eigendomsrechten op het grondgebied van de partijen, rekening houdend met de economische situatie en de sociale of culturele behoeften van elke partij;

  • b. de overdracht van technologie tussen beide regio’s bevorderen en stimuleren met als doel een gezonde en levensvatbare technologische basis te creëren in de republieken van de MA-partij; en

  • c. de technische en financiële samenwerking tussen beide regio’s op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten bevorderen.

Artikel 229 Aard en toepassingsgebied van de verplichtingen
  • 1. De partijen waarborgen een adequate en doeltreffende tenuitvoerlegging van de internationale verdragen inzake intellectuele eigendom waarbij zij partij zijn, met inbegrip van de WTO-Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (WTO-Agreement on Trade-Related Aspects of Intellectual Property Rights – hierna de „TRIPs-overeenkomst” genoemd). De bepalingen van deze titel vormen een aanvulling op en specificatie van de tussen de partijen geldende rechten en verplichtingen op grond van de TRIPs-overeenkomst en andere internationale verdragen op het vlak van intellectuele eigendom.

  • 2. Ten aanzien van intellectuele eigendom en volksgezondheid geldt het volgende:

    • a. de partijen erkennen het belang van de Verklaring van Doha inzake de TRIPs-overeenkomst en de volksgezondheid, die op 14 november 2001 werd aangenomen door de ministeriële conferentie van de Wereldhandelsorganisatie. Voor de interpretatie en uitvoering van de rechten en verplichtingen uit hoofde van deze titel waarborgen de partijen de consistentie met deze verklaring;

    • b. de partijen dragen bij aan de uitvoering en de naleving van het Besluit van de Algemene Raad van de WTO van 30 augustus 2003 over de uitvoering van punt 6 van de Verklaring van Doha inzake de TRIPs-overeenkomst en de volksgezondheid, alsmede het Protocol tot wijziging van de TRIPs-overeenkomst, dat op 6 december 2005 in Genève is vastgesteld.

  • 3.

    • a. Voor de toepassing van deze overeenkomst behoren tot de intellectuele-eigendomsrechten: auteursrechten, met inbegrip van auteursrechten op computerprogramma’s en databanken, en naburige rechten; rechten in verband met octrooien; handelsmerken; handelsnamen; tekeningen en modellen van nijverheid; ontwerpen voor schakelpatronen (topografieën) van geïntegreerde schakelingen; geografische aanduidingen, met inbegrip van oorsprongsbenamingen; plantenrassen; en bescherming van niet openbaar gemaakte informatie.

    • b. Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt ten aanzien van oneerlijke concurrentie tevens bescherming geboden overeenkomstig artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom (Akte van Stockholm, 1967), hierna „het Verdrag van Parijs” genoemd.

  • 4. De partijen erkennen het soevereine recht van de staten over hun natuurlijke hulpbronnen en de toegang tot hun genetische hulpbronnen overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag inzake biologische diversiteit (1992). Geen van de bepalingen van deze titel weerhoudt de partijen ervan maatregelen vast te stellen of te handhaven om het behoud van de biologische diversiteit, het duurzame gebruik van de onderdelen ervan en de eerlijke en rechtvaardige participatie in de voordelen die voortvloeien uit het gebruik van genetische hulpbronnen te bevorderen, overeenkomstig de bepalingen van dat verdrag.

  • 5. De partijen erkennen het belang van de eerbiediging, bescherming en instandhouding van de kennis, de innovaties en praktijken van autochtone en plaatselijke gemeenschappen, waarmee traditionele praktijken gemoeid zijn die verband houden met het behoud en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit.

Artikel 230 Meestbegunstigingsrecht en nationale behandeling

Overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van de TRIPs-overeenkomst en met inachtneming van de in die bepalingen opgenomen uitzonderingen biedt elke partij de onderdanen van de andere partij:

  • a. een behandeling die niet minder gunstig is dan de behandeling die zij haar eigen onderdanen biedt ten aanzien van de bescherming van intellectuele eigendom; en

  • b. alle voordelen, gunsten, privileges en immuniteiten die ook aan de onderdanen van andere landen worden geboden met betrekking tot de bescherming van intellectuele eigendom.

Artikel 231 Overdracht van technologie
  • 1. De partijen komen overeen standpunten en informatie uit te wisselen over hun praktijken en beleid met betrekking tot de overdracht van technologie, zowel binnen hun respectieve regio’s als met derde landen, teneinde maatregelen te ontwikkelen om informatiestromen, zakelijke partnerschappen, licentieverlening en onderaanneming te vergemakkelijken. Er wordt bijzondere aandacht besteed aan de voorwaarden die nodig zijn voor het scheppen van een passend gunstig klimaat voor technologieoverdracht tussen de partijen, met inbegrip van onder meer kwesties als de ontwikkeling van menselijk kapitaal en een rechtskader.

  • 2. De partijen erkennen het belang van onderwijs en beroepsopleiding voor de overdracht van technologie, hetgeen kan geschieden op basis van programma’s voor academische, professionele en/of zakelijke uitwisselingen die gericht zijn op de overdracht van kennis tussen de partijen33).

  • 3. De partijen nemen, waar nodig, maatregelen ter voorkoming of bestrijding van licentiepraktijken of -voorwaarden met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten die de internationale technologieoverdracht kunnen schaden en een misbruik van intellectuele-eigendomsrechten door de rechthebbenden of een misbruik van een duidelijke informatieasymmetrie bij de onderhandelingen over licenties vormen.

  • 4. De partijen erkennen de noodzaak van het creëren van mechanismen ter versterking en bevordering van investeringen in de republieken van de MA-partij, met name in innovatieve en hightechsectoren. De EU-partij stelt alles in het werk om instellingen en ondernemingen op haar grondgebied prikkels te bieden die gericht zijn op bevordering en aanmoediging van de overdracht van technologie aan instellingen en ondernemingen van de republieken van de MA-partij, op zodanige wijze dat deze laatste een levensvatbaar technologisch platform kunnen opbouwen.

  • 5. De acties die vereist zijn om de in dit artikel opgenomen doelstellingen te verwezenlijken, zijn vastgesteld in artikel 55 van titel VI (Economische en handelsontwikkeling) van deel III van deze overeenkomst.

Artikel 232 Uitputting

Het staat de partijen vrij, met inachtneming van de bepalingen van de TRIPs-overeenkomst, hun eigen regeling voor de uitputting van intellectuele-eigendomsrechten vast te stellen.

HOOFDSTUK 2 NORMEN BETREFFENDE INTELLECTUELE-EIGENDOMSRECHTEN
AFDELING A AUTEURSRECHT EN NABURIGE RECHTEN
Artikel 233 Geboden bescherming

De partijen leven de volgende bepalingen na:

  • a. het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties (Rome, 1961) (hierna „het Verdrag van Rome” genoemd);

  • b. de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst (1886, laatstelijk gewijzigd in 1979) (hierna „de Berner Conventie” genoemd);

  • c. het Verdrag inzake auteursrechten van de Wereldorganisatie voor intellectuele eigendom (Genève, 1996) (hierna „het WCT” genoemd); en

  • d. het Verdrag van de Wereldorganisatie inzake uitvoeringen en fonogrammen (Genève, 1996) (hierna „het WPPT” genoemd).

Artikel 234 Duur van auteursrechten

De partijen komen overeen dat voor de berekening van de beschermingstermijn van auteursrechten de regels zoals vastgesteld in de artikelen 7 en 7 bis van de Berner Conventie gelden voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, met dien verstande dat de minimumduur van de in artikel 7, leden 1 tot en met 4, van de Berner Conventie vastgestelde beschermingstermijnen zeventig jaar bedraagt.

Artikel 235 Duur van naburige rechten

De partijen komen overeen dat voor de berekening van de beschermingstermijn van de rechten van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties de in artikel 14 van het Verdrag van Rome vastgestelde bepalingen gelden, met dien verstande dat de minimumduur van de in artikel 14 van het Verdrag van Rome vastgestelde beschermingstermijnen vijftig jaar bedraagt.

Artikel 236 Collectief beheer van rechten

De partijen erkennen het belang van de werkzaamheden van collectieve beheersorganisaties, en van het vaststellen van regelingen tussen die organisaties, met als doel wederzijds te zorgen voor eenvoudiger toegang en levering van inhoud tussen de grondgebieden van de partijen en de verwezenlijking van een hoog ontwikkelingsniveau met betrekking tot de uitvoering van hun taken.

Artikel 237 Uitzending en mededeling aan het publiek34)
  • 1. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder mededeling aan het publiek van een uitvoering of een fonogram de overdracht aan het publiek verstaan door elk ander medium dan door uitzending, van geluiden van een uitvoering of de op een fonogram vastgelegde geluiden of weergaven van geluiden. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „mededeling aan het publiek” ook verstaan het voor het publiek hoorbaar maken van de op een fonogram vastgelegde geluiden of weergaven van geluiden.

  • 2. Overeenkomstig de interne wetgeving verlenen de partijen uitvoerende kunstenaars het uitsluitend recht om uitzending en mededeling aan het publiek van hun uitvoeringen toe te staan of te verbieden, behalve wanneer de uitvoering zelf al een uitgezonden uitvoering is of gemaakt is op basis van een vastlegging.

  • 3. Uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen genieten het recht op een enkele billijke beloning voor het directe of indirecte gebruik van fonogrammen die voor commerciële doeleinden, voor uitzending of voor elke mededeling aan het publiek worden gepubliceerd. Bij afwezigheid van een overeenkomst tussen de uitvoerende kunstenaars en de producenten van fonogrammen, kunnen de partijen de voorwaarden ten aanzien van het delen van deze beloning tussen beide categorieën rechthebbenden vastleggen.

  • 4. De partijen bieden omroeporganisaties het exclusieve recht de draadloze heruitzending van hun programma’s, alsmede de mededeling aan het publiek van hun televisie-uitzendingen indien die mededeling geschiedt op plaatsen die tegen betaling van een entreeprijs voor het publiek toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.

  • 5. De partijen kunnen in hun interne wetgeving voorzien in beperkingen van of uitzonderingen op de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde rechten in bepaalde bijzondere gevallen die niet in strijd zijn met een normale exploitatie van het onderwerp en de rechtmatige belangen van de rechthebbenden niet op onredelijke wijze schaden.

AFDELING B HANDELSMERKEN
Artikel 238 Internationale overeenkomsten

De Europese Unie en de republieken van de MA-partij stellen al het redelijke in het werk om:

  • a. het Protocol bij de schikking van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken (Madrid, 1989) te ratificeren of tot dat protocol toe te treden; en

  • b. te voldoen aan het Verdrag inzake het handelsmerkenrecht (Genève, 1994).

Artikel 239 Registratieprocedure

De EU-partij en de republieken van de MA-partij voorzien in een systeem voor de registratie van handelsmerken op grond waarvan elk eindbesluit dat door de desbetreffende handelsmerkenorganisatie wordt genomen, naar behoren schriftelijk wordt gemotiveerd. Als zodanig worden de redenen voor weigering om een handelsmerk te registreren schriftelijk aan de aanvrager medegedeeld. Deze laatste heeft de mogelijkheid een dergelijke weigering aan te vechten en voor het gerecht beroep in te stellen tegen een definitieve weigering. De EU-partij en de republieken van de MA-partij voorzien tevens in de mogelijkheid om verzet aan te tekenen tegen de aanvraag van een handelsmerk. Dergelijke oppositieprocedures zijn contradictoir.

Artikel 240 Bekende handelsmerken

Artikel 6 bis van het Verdrag van Parijs is van overeenkomstige toepassing op de goederen of diensten die niet identiek of vergelijkbaar zijn met diegene die worden aangeduid door een bekend handelsmerk, op voorwaarde dat het gebruik van dat handelsmerk met betrekking tot die goederen of diensten op een verband wijst tussen die goederen of diensten en de eigenaar van het handelsmerk, en op voorwaarde dat de belangen van de eigenaar van het handelsmerk waarschijnlijk door dat gebruik worden geschaad. Zekerheidshalve zij opgemerkt dat de partijen deze bescherming ook mogen toepassen op ongeregistreerde bekende handelsmerken.

Artikel 241 Uitzonderingen op de rechten die zijn verbonden aan een handelsmerk

De partijen kunnen beperkte uitzonderingen invoeren op de rechten die verbonden zijn aan een handelsmerk, zoals eerlijk gebruik van beschrijvende termen. Dergelijke uitzonderingen dienen rekening te houden met de rechtmatige belangen van de eigenaar van het geregistreerde handelsmerk en van derden.

AFDELING C GEOGRAFISCHE AANDUIDINGEN
Artikel 242 Algemene bepalingen
  • 1. De volgende bepalingen zijn van toepassing op de erkenning en bescherming van geografische aanduidingen die hun oorsprong hebben in het grondgebied van de partijen.

  • 2. Voor de toepassing van deze overeenkomst worden onder geografische aanduidingen verstaan aanduidingen die aangeven dat waren van oorsprong zijn uit het grondgebied van een partij, of uit een regio of plaats in dat grondgebied, waarbij een bepaalde kwaliteit, reputatie of ander kenmerk van die waren hoofdzakelijk valt toe te schrijven aan hun geografische oorsprong.

Artikel 243 Toepassingsgebied
  • 1. De partijen herbevestigen de rechten en verplichtingen die zijn vastgesteld in deel II, afdeling 3, van de TRIPs-overeenkomst.

  • 2. De geografische aanduidingen van een partij die moeten worden beschermd door de andere partij, vallen slechts onder dit artikel als ze in hun land van oorsprong erkend en als zodanig aangegeven zijn.

Artikel 244 Systeem van bescherming
  • 1. Uiterlijk bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst overeenkomstig artikel 353, lid 5, van deel V stellen de partijen in hun wetgeving systemen voor de bescherming van geografische aanduidingen vast, of handhaven zij deze.

  • 2. De wetgeving van de partijen bevat onder meer de volgende elementen:

    • a. een register waarin de op hun respectieve grondgebied beschermde geografische aanduidingen zijn opgenomen;

    • b. een administratieve procedure om te controleren dat de geografische aanduidingen aangeven dat de waren van oorsprong zijn uit een gebied, regio of plaats van een van de partijen, waarbij een bepaalde kwaliteit, reputatie of ander kenmerk van die waren hoofdzakelijk valt toe te schrijven aan hun geografische oorsprong;

    • c. het vereiste dat een geregistreerde naam overeenkomt met een specifiek product of specifieke producten waarvoor een productspecificatie is vastgesteld die alleen kan worden gewijzigd volgens de daarvoor voorgeschreven administratieve procedure;

    • d. bepalingen inzake het toezicht op de productie van de waar of waren;

    • e. een recht voor elke marktdeelnemer die in het gebied is gevestigd is en die zich onderwerpt aan het controlesysteem, om de beschermde naam te gebruiken, op voorwaarde dat het product voldoet aan de overeenkomstige specificatie;

    • f. een procedure voor de publicatie van de aanvraag waardoor rekening kan worden gehouden met de legitieme belangen van vroegere gebruikers van namen, ongeacht of deze namen al dan niet als een vorm van intellectuele eigendom worden beschermd.

Artikel 245 Gevestigde geografische aanduidingen
  • 1. Uiterlijk bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst overeenkomstig artikel 353, lid 5, van deel V hebben de partijen gezorgd voor35):

    • a. de afronding van de oppositie- en onderzoeksprocedures, ten minste ten aanzien van de in bijlage XVII (Lijst van benamingen die voor bescherming als geografische aanduiding op het grondgebied van de partijen moeten worden gebruikt) opgenomen geografische aanduidingen waartegen geen verzet is aangetekend of waarvoor het verzet in de loop van de nationale registratieprocedures is verworpen op grond van formele redenen;

    • b. de inleiding van de procedures voor de bescherming van de in bijlage XVII (Lijst van benamingen die voor bescherming als geografische aanduiding op het grondgebied van de partijen moeten worden gebruikt) opgenomen geografische aanduidingen waarbij de termijnen voor het aantekenen van verzet zijn afgelopen, met betrekking tot de in bijlage XVII opgenomen geografische aanduidingen waartegen verzet werd aangetekend en waarvan tijdens de nationale registratieprocedures is geoordeeld dat het verzet op het eerste gezicht gegrond was;

    • c. de bescherming van de geografische aanduidingen waaraan als zodanig bescherming werd verleend, overeenkomstig de in deze overeenkomst vastgestelde mate van bescherming.

  • 2. De Associatieraad neemt tijdens zijn eerste bijeenkomst een besluit waarbij alle namen uit bijlage XVII (Lijst van benamingen die voor bescherming als geografische aanduiding op het grondgebied van de partijen moeten worden gebruikt) die als geografische aanduidingen beschermd zijn nadat zij met succes door de bevoegde nationale of regionale autoriteiten van de partijen zijn onderzocht, in bijlage XVIII (Beschermde geografische aanduidingen) worden opgenomen.

Artikel 246 Geboden bescherming
  • 1. De in bijlage XVIII (Beschermde geografische aanduidingen) opgenomen geografische aanduidingen, alsmede diegene die zijn toegevoegd ingevolge artikel 247, zijn minimaal beschermd tegen:

    • a. het gebruik van middelen in de benaming of presentatie van waren waarmee wordt aangeduid of gesuggereerd dat de waren in kwestie van oorsprong zijn uit een ander geografisch gebied dan de werkelijke plaats van oorsprong op een wijze die het publiek misleidt ten aanzien van de geografische oorsprong van de waren;

    • b. het gebruik van een beschermde geografische aanduiding voor dezelfde waren die niet van oorsprong zijn uit de door de geografische aanduiding in kwestie aangeduide plaats, zelfs wanneer de werkelijke oorsprong van de producten is vermeld of de beschermde naam wordt gebruikt in vertaling of vergezeld gaat van uitdrukkingen zoals „stijl”, „type”, „imitatie”, „soortgelijk” en dergelijke;

    • c. alle overige praktijken die voor de consument misleidend zijn ten aanzien van de werkelijke oorsprong van het product of elk ander gebruik dat een daad van oneerlijke mededinging vormt in de zin van artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs.

  • 2. Een geografische aanduiding die in een van de partijen bescherming geniet kan ingevolge de procedure op grond van artikel 245 in die partij niet worden geacht een soortnaam te zijn geworden, zolang deze als geografische aanduiding in de partij van oorsprong beschermd is.

  • 3. Indien in een geografische aanduiding een naam is opgenomen die in een partij wordt geacht een soortnaam te zijn, wordt het gebruik van die soortnaam ten aanzien van de desbetreffende waar in die partij niet beschouwd als tegenstrijdig met dit artikel.

  • 4. Niets in deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat het ten aanzien van andere geografische aanduidingen dan die van wijnen en gedistilleerde dranken een partij ertoe verplicht te voorkomen dat een specifieke geografische aanduiding van de andere partij verder en op vergelijkbare wijze wordt gebruikt ten aanzien van goederen of diensten door een van haar onderdanen of ingezetenen die deze geografische aanduiding te goeder trouw en op continue wijze ten aanzien van dezelfde of aanverwante goederen of diensten heeft gebruikt op het grondgebied van die partij voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.

Artikel 247 Toevoeging van nieuwe geografische aanduidingen
  • 1. De partijen komen overeen dat het mogelijk is om op basis van de in deze titel vastgestelde regels en procedures, voor zover van toepassing, aanvullende geografische aanduidingen voor wijnen, gedistilleerde dranken, landbouwproducten en levensmiddelen die moeten worden beschermd, toe te voegen.

    Deze geografische aanduidingen worden, nadat zij door de bevoegde nationale of regionale autoriteiten met succes zijn onderzocht, opgenomen in bijlage XVIII (Beschermde geografische aanduidingen) overeenkomstig de desbetreffende regels en procedures voor de Associatieraad.

  • 2. De datum van de aanvraag om bescherming is de datum waarop een verzoek om bescherming van een geografische aanduiding aan de andere partij is toegezonden, op voorwaarde dat aan alle formele vereisten voor een dergelijke aanvraag is voldaan.

Artikel 248 Verband tussen geografische aanduidingen en handelsmerken
  • 1. De wetgeving van de partijen voorziet erin dat de aanvraag om registratie van een handelsmerk die beantwoordt aan een van de in artikel 246 vermelde situaties voor soortgelijke producten36), wordt geweigerd indien deze registratieaanvraag wordt ingediend na de datum van de aanvraag om registratie van de geografische aanduiding op het desbetreffende grondgebied37).

  • 2. Evenzo kunnen de partijen overeenkomstig hun interne of regionale wetgeving de redenen bepalen voor het weigeren van de bescherming van geografische aanduidingen, met inbegrip van de mogelijkheid om geen bescherming te verlenen aan een geografische aanduiding wanneer de bescherming, met het oog op een gerenommeerd of bekend handelsmerk, de consument kan misleiden ten aanzien van de ware identiteit van het product.

  • 3. De partijen handhaven de wettelijke middelen voor alle natuurlijke en rechtspersonen die een legitiem belang hebben, om te verzoeken om annulering of nietigverklaring van een handelsmerk of geografische aanduiding onder vermelding van de redenen voor dat verzoek.

Artikel 249 Gebruiksrecht van geografische aanduidingen

Zodra een geografische aanduiding op grond van deze overeenkomst wordt beschermd in een andere partij dan de partij van oorsprong, is het gebruik van deze beschermde naam niet onderworpen aan registratie van gebruikers in die partij.

Artikel 250 Geschillenbeslechting

Geen van de partijen heeft de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen tegen het definitieve besluit dat is uitgevaardigd door een nationale of regionale bevoegde autoriteit met betrekking tot de registratie of bescherming van een geografische aanduiding op grond van titel X (Geschillenbeslechting) van deel IV van deze overeenkomst. Alle eisen tegen de bescherming van een geografische aanduiding worden ingesteld bij de beschikbare rechterlijke instanties die zijn gevestigd op grond van de interne of regionale wetgeving van elke partij.

AFDELING D TEKENINGEN EN MODELLEN VAN NIJVERHEID
Artikel 251 Internationale overeenkomsten

De Europese Unie en de republieken van de MA-partij doen alle redelijke inspanningen om de Overeenkomst van ’s-Gravenhage betreffende de internationale inschrijving van tekeningen of modellen van nijverheid (Akte van Genève, 1999) na te leven.

Artikel 252 Beschermingsvereisten
  • 1. De partijen voorzien in de bescherming van onafhankelijk gecreëerde tekeningen en modellen die nieuw38) of oorspronkelijk zijn.

  • 2. Tekeningen of modellen worden geacht nieuw te zijn als zij aanzienlijk afwijken van bekende tekeningen of modellen of combinaties van elementen van bekende tekeningen of modellen.

  • 3. Deze bescherming wordt verleend door registratie en geeft de rechthebbende exclusieve rechten overeenkomstig de bepalingen van dit artikel. Elke partij kan erin voorzien dat niet-geregistreerde tekeningen en modellen die beschikbaar worden gemaakt aan het publiek, dezelfde exclusieve rechten geven, maar alleen indien het aangevochten gebruik voortvloeit uit het namaken van de beschermde tekening of het beschermde model.

Artikel 253 Uitzonderingen
  • 1. De partijen kunnen voorzien in beperkte uitzonderingen op de bescherming van tekeningen en modellen, mits deze uitzonderingen niet op onredelijke wijze strijdig zijn met de normale exploitatie van beschermde tekeningen en modellen en niet op onredelijke wijze de legitieme belangen van de eigenaar van de beschermde tekening of het beschermde model schaden, rekening houdend met de legitieme belangen van derden.

  • 2. De bescherming van tekeningen en modellen strekt zich niet uit tot tekeningen en modellen waarvoor hoofdzakelijk technische of functionele overwegingen bepalend zijn.

  • 3. Tekeningen en modellen verlenen geen rechten indien zij strijdig zijn met de openbare orde of goede zeden.

Artikel 254 Verleende rechten
  • 1. De eigenaar van een beschermde tekening of een beschermd model heeft het recht derden die daartoe niet zijn toestemming hebben, te beletten artikelen te vervaardigen, te verkopen of in te voeren, die de beschermde tekening of het beschermde model vertonen of incorporeren, wanneer dit om commerciële redenen gebeurt.

  • 2. Bovendien voorzien de partijen in de effectieve bescherming van tekeningen en modellen van nijverheid om handelingen te voorkomen die zonder noodzaak afbreuk doen aan de normale exploitatie van de tekening of het model of niet verenigbaar zijn met eerlijke handelspraktijken, zulks op een wijze overeenkomstig artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs.

Artikel 255 Duur van de bescherming
  • 1. De duur van de bescherming die in de EU-partij en de republieken van de MA-partij wordt geboden, bedraagt ten minste tien jaar. Elke partij kan erin voorzien dat de rechthebbende de duur van de bescherming laat verlengen voor een of meer termijnen van vijf jaar, tot een maximale duur van de bescherming zoals in de wetgeving van elke partij vastgesteld.

  • 2. Indien een partij voorziet in de bescherming van niet-geregistreerde tekeningen en modellen, bedraagt de duur van die bescherming ten minste drie jaar.

Artikel 256 Ongeldigheid of weigering van registratie
  • 1. Een tekening of model mag alleen voor registratie worden geweigerd of ongeldig worden verklaard om dringende en zwaarwegende redenen, die, met inachtneming van de wetgeving van elke partij, het volgende kunnen omvatten:

    • a. indien de tekening of het model niet overeenkomt met de definitie in artikel 252, lid 1;

    • b. indien de rechthebbende krachtens een rechterlijke uitspraak geen recht heeft op de tekening of het model;

    • c. indien de tekening of het model in strijd is met een eerdere tekening die of een eerder model dat beschikbaar is gemaakt aan het publiek na de datum van indiening van de aanvraag of, indien een prioriteit wordt geclaimd, na de datum van prioriteit van de tekening of het model, en beschermd is vanaf een datum voorafgaand aan genoemde datum door een geregistreerde tekening of een geregistreerd model of een aanvraag voor een tekening of model;

    • d. indien in een latere tekening of een later model gebruik wordt gemaakt van een onderscheidend teken en de wetgeving van de betrokken partij die van toepassing is op die tekening of dat model, de houder van het recht op het teken het recht verleent om een dergelijk gebruik te verbieden;

    • e. indien de tekening of het model een ongeautoriseerd gebruik vormt van een werk dat beschermd is op grond van de auteursrechtenwetgeving van de betrokken partij;

    • f. indien de tekening of het model een oneigenlijk gebruik vormt van een van de in artikel 6 ter van het Verdrag van Parijs genoemde zaken of van badges, emblemen en wapenschilden die niet onder genoemd artikel 6 ter vallen en die in een partij van bijzonder openbaar belang zijn;

    • g. indien de openbaarmaking van de tekening of het model van nijverheid strijdig is met de openbare orde of goede zeden.

  • 2. Een partij kan als alternatief voor de ongeldigheid bepalen dat een tekening of model op de in lid 1 vermelde gronden beperkt wordt in het gebruik.

Artikel 257 Verband met auteursrecht

Tekeningen of modellen die door een modelrecht worden beschermd en overeenkomstig deze afdeling in een partij zijn geregistreerd, kunnen vanaf de datum waarop de tekening of het model is gecreëerd of in een vorm is vastgelegd, tevens in aanmerking komen voor bescherming krachtens de auteursrechtwetgeving van die partij.

AFDELING E OCTROOIEN
Artikel 258 Internationale overeenkomsten
  • 1. De partijen voldoen aan de bepalingen van het Verdrag van Boedapest inzake de internationale erkenning van het depot van micro-organismen ten dienste van de octrooiverlening (1977, zoals gewijzigd in 1980).

  • 2. De Europese Unie doet redelijke inspanningen om te voldoen aan het Verdrag inzake octrooirecht (Genève, 2000); en de republieken van de MA-partij doen redelijke inspanningen om voornoemd verdrag te ratificeren of tot het verdrag toe te treden.

AFDELING F PLANTENRASSEN
Artikel 259 Plantenrassen
  • 1. De partijen voorzien in de bescherming van plantenrassen door middel van octrooien of door een doeltreffend eigen systeem of een combinatie daarvan.

  • 2. De partijen komen overeen dat er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen de bescherming van plantenrassen en de bevoegdheid van een partij om haar genetische hulpbronnen te beschermen en te behouden.

  • 3. De partijen hebben het recht te voorzien in uitzonderingen op exclusieve kwekersrechten, teneinde landbouwers de mogelijkheid te bieden beschermd, op eigen bedrijf gewonnen zaai- en pootgoed of teelmateriaal te bewaren, te gebruiken of te ruilen.

HOOFDSTUK 3 HANDHAVING VAN INTELLECTUELE-EIGENDOMSRECHTEN
Artikel 260 Algemene verplichtingen
  • 1. De partijen herbevestigen hun rechten en verbintenissen op grond van de TRIPs-overeenkomst en in het bijzonder deel III daarvan, en voorzien in de volgende aanvullende maatregelen, procedures en rechtsmiddelen, die nodig zijn om te zorgen voor de handhaving van de intellectuele-eigendomsrechten.

    Die maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zijn eerlijk, evenredig en billijk, en zijn niet onnodig ingewikkeld of duur of houden geen onredelijke termijnen of ongerechtvaardigde vertragingen in39).

  • 2. Die maatregelen en rechtsmiddelen zijn ook doeltreffend en ontradend en worden zodanig toegepast dat er geen belemmeringen voor legitiem handelsverkeer worden gecreëerd en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik ervan.

Artikel 261 Gerechtigde verzoekers

De partijen erkennen dat de volgende personen gerechtigd zijn te verzoeken om toepassing van de in deze afdeling en in deel III van de TRIPs-overeenkomst bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen:

  • a. houders van intellectuele-eigendomsrechten, in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijke recht; en

  • b. federaties en verenigingen, alsmede houders van exclusieve licenties en andere gemachtigde licentiehouders, voor zover dit wordt toegestaan door en in overeenstemming is met het toepasselijke recht. De term „licentiehouder” omvat licentiehouders van een of meer exclusieve intellectuele-eigendomsrechten die verbonden zijn aan een intellectuele eigendom.

Artikel 262 Bewijsmateriaal

De partijen nemen de nodige maatregelen wanneer een rechthebbende redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd ter ondersteuning van zijn bewering dat er op commerciële schaal inbreuk op zijn intellectuele-eigendomsrecht is gepleegd, alsmede bewijsmateriaal heeft gespecificeerd dat van belang is voor de staving van zijn beweringen en dat onder de controle valt van de tegenpartij, teneinde de bevoegde rechterlijke autoriteiten in de gelegenheid te stellen waar nodig en indien het toepasselijke recht daarin voorziet, naar aanleiding van een aanvraag te gelasten dat de tegenpartij deze bewijsstukken overlegt, behoudens de bescherming van vertrouwelijke informatie.

Artikel 263 Maatregelen ter bewaring van bewijsmateriaal

De rechterlijke autoriteiten hebben de bevoegdheid om, op aanvraag van een partij die redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd tot staving van haar bewering dat er inbreuk op haar intellectuele-eigendomsrecht is gemaakt of zal worden gemaakt, onmiddellijk afdoende voorlopige maatregelen te gelasten teneinde relevant bewijsmateriaal in verband met de vermeende inbreuk te bewaren, mits vertrouwelijke informatie wordt beschermd. Deze maatregelen kunnen de gedetailleerde beschrijving, met of zonder monsterneming, dan wel de fysieke inbeslagneming van de inbreukmakende goederen en, in voorkomende gevallen, de materialen en werktuigen die bij de productie en/of distributie van deze goederen en de daarop betrekking hebbende documenten zijn gebruikt, omvatten. Die maatregelen kunnen zo nodig worden genomen zonder dat de andere partij wordt gehoord, met name wanneer het waarschijnlijk is dat uitstel de rechthebbende onherstelbare schade zal berokkenen, of indien er een aantoonbaar gevaar bestaat dat bewijsmateriaal wordt vernietigd.

Artikel 264 Recht op informatie

De partijen kunnen bepalen dat de rechterlijke autoriteiten de bevoegdheid hebben, tenzij dit niet in verhouding zou staan tot de ernst van de inbreuk, om de inbreukmaker te gelasten de rechthebbende in kennis te stellen van de identiteit van derden die betrokken zijn bij de productie en distributie van de inbreukmakende goederen of diensten en van hun distributiekanalen.

Artikel 265 Voorlopige en voorzorgsmaatregelen
  • 1. Elke partij zorgt ervoor dat haar rechterlijke autoriteiten de bevoegdheid hebben om voorlopige en voorzorgsmaatregelen uit te vaardigen en deze zo spoedig mogelijk uit te voeren teneinde dreigende schendingen van de intellectuele-eigendomsrechten te voorkomen of de voortzetting van vermeende schendingen te verbieden. Dergelijke maatregelen kunnen worden genomen op verzoek van de rechthebbende, zonder dat of nadat de verweerder is gehoord, overeenkomstig de gerechtelijke procedures van elke partij.

  • 2. Elke partij zorgt ervoor dat haar rechterlijke autoriteiten de bevoegdheid hebben om van de klager te verlangen dat deze alle redelijkerwijs beschikbare bewijsstukken voorlegt teneinde zich voldoende zekerheid te verschaffen dat de rechten van de klager worden geschonden of dat een dergelijke schending dreigt, alsmede om de klager te gelasten een redelijke zekerheid of een vergelijkbare garantie te bieden die toereikend is om de verweerder te beschermen en misbruik te voorkomen, en op zodanige wijze dat niet op onredelijke wijze wordt ontmoedigd dat van dergelijke procedures gebruik wordt gemaakt.

Artikel 266 Corrigerende maatregelen
  • 1. Elke partij ziet erop toe dat:

    • a. haar rechterlijke autoriteiten de bevoegdheid hebben om op verzoek van de eiser, onverminderd de aan de rechthebbende wegens de inbreuk verschuldigde schadevergoeding, de vernietiging te gelasten van de goederen waarvan zij hebben vastgesteld dat deze onrechtmatig geproduceerd of nagemaakt zijn, dan wel andere passende maatregelen te gelasten om die goederen definitief uit het handelsverkeer te verwijderen;

    • b. haar rechterlijke autoriteiten de bevoegdheid hebben om in voorkomende gevallen te gelasten dat materialen en werktuigen die hoofdzakelijk zijn gebruikt bij de productie of creatie van dergelijke onrechtmatig geproduceerde of nagemaakte goederen zonder enige vergoeding worden vernietigd of, in uitzonderlijke omstandigheden, van de hand worden gedaan buiten het handelsverkeer, op zodanige wijze dat het gevaar van verdere schending zo veel mogelijk beperkt wordt. Bij de behandeling van verzoeken om dergelijke corrigerende maatregelen kunnen de rechterlijke autoriteiten van de partij onder andere rekening houden met de ernst van de schending, alsmede de belangen van derden die eigendoms-, possessoire, contractuele of gegarandeerde belangen hebben.

  • 2. Elke partij kan erop toezien dat schenking aan een liefdadigheidsinstelling van nagemaakte merkartikelen en goederen die auteursrechten en naburige rechten schenden, indien dit is toegestaan op grond van de interne wetgeving, niet door de rechterlijke autoriteiten wordt gelast zonder de toestemming van de rechthebbende, dan wel dat dergelijke goederen slechts onder bepaalde omstandigheden die kunnen worden vastgesteld volgens de interne wetgeving, aan liefdadigheidsinstellingen worden gedoneerd. In geen geval is enkel de verwijdering van het onrechtmatig aangebrachte handelsmerk voldoende om de vrijgave van de goederen in het handelsverkeer toe te staan, behalve in gevallen die zijn vastgesteld in de interne wetgeving en andere internationale verplichtingen.

  • 3. Bij de behandeling van verzoeken om corrigerende maatregelen kunnen de partijen hun rechterlijke autoriteiten de mogelijkheid bieden onder andere rekening te houden met de ernst van de schending, alsmede de belangen van derden die eigendoms-, possessoire, contractuele of gegarandeerde belangen hebben.

  • 4. De rechterlijke autoriteiten gelasten dat die maatregelen, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, op kosten van de inbreukmaker worden uitgevoerd.

  • 5. Overeenkomstig de interne wetgeving mogen de partijen voorzien in andere corrigerende maatregelen met betrekking tot goederen waarvan is gebleken dat deze onrechtmatig geproduceerd of nagemaakt zijn, en met betrekking tot materialen en werktuigen die hoofdzakelijk zijn gebruikt bij de creatie of productie van dergelijke goederen.

Artikel 267 Schadevergoeding

De rechterlijke autoriteiten hebben de bevoegdheid de inbreukmaker te gelasten aan de rechthebbende een toereikende schadevergoeding te betalen ter compensatie van de schade die de rechthebbende heeft geleden wegens een inbreuk op het intellectuele-eigendomsrecht van die persoon door een inbreukmaker die wist of redelijke grond had om te weten dat hij inbreuk pleegde. In voorkomende gevallen kunnen de partijen de rechterlijke autoriteiten machtigen invordering van winsten en/of betaling van een vooraf vastgestelde schadevergoeding te gelasten, zelfs als de inbreukmaker niet wist of geen redelijke grond had om te weten dat hij inbreuk pleegde.

Artikel 268 Gerechtskosten

De partijen zorgen ervoor dat overeenkomstig de interne wetgeving, als algemene regel, redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, door de verliezende partij worden gedragen, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet.

Artikel 269 Openbaarmaking van rechterlijke uitspraken

De partijen kunnen bepalen dat de rechterlijke autoriteiten in rechtszaken wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht op verzoek van de eiser kunnen gelasten dat op kosten van de inbreukmaker passende maatregelen tot verspreiding van de informatie over de uitspraak worden getroffen, met inbegrip van het volledig of gedeeltelijk ophangen en publiceren van de uitspraak. De partijen kunnen voorzien in andere bijkomende vormen van bekendmaking, zoals opvallende publiciteit, die passend zijn in de omstandigheden van het geval.

Artikel 270 Vermoeden van eigendom

Voor de toepassing van de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen waarin op grond van deze titel wordt voorzien, is het voor de houders van auteursrechten of naburige rechten met betrekking tot hun beschermde materiaal voldoende, zolang het tegendeel niet is bewezen, dat hun naam op de gangbare manier op het werk verschijnt, om als zodanig te worden aangemerkt en bijgevolg gerechtigd te zijn om een inbreukprocedure in te stellen.

Artikel 271 Strafrechtelijke sancties

De partijen voorzien ten minste in gevallen van opzettelijke namaak van een handelsmerk of opzettelijke inbreuk op auteursrechten op commerciële schaal in strafrechtelijke procedures en sancties. De mogelijke sancties omvatten vrijheidsstraffen en/of geldboetes die voldoende zijn om afschrikwekkend te werken, in overeenstemming met het niveau van de straffen opgelegd voor strafbare feiten van overeenkomstige zwaarte. In passende gevallen omvatten de mogelijke sancties ook de inbeslagneming, verbeurdverklaring en vernietiging van de inbreukmakende goederen en van materialen en werktuigen die voornamelijk zijn gebruikt bij het plegen van het strafbare feit. De partijen kunnen in nog andere gevallen van inbreuk op de intellectuele-eigendomsrechten, met name wanneer deze opzettelijk en op commerciële schaal worden verricht, voorzien in strafrechtelijke procedures en sancties.

Artikel 272 Beperkingen op de aansprakelijkheid van dienstverleners

De partijen komen overeen dat zij de soorten beperkingen van de verantwoordelijkheid van dienstverleners waarin zij momenteel in hun respectieve wetgeving voorzien, handhaven, namelijk:

  • a. voor de EU-partij: de beperkingen die zijn vastgesteld in Richtlijn 2000/31/EG inzake elektronische handel;

  • b. voor de republieken van de MA-partij: de beperkingen die intern zijn vastgesteld om te voldoen aan hun internationale verplichtingen.

    Een partij mag de inwerkingtreding van de bepalingen van dit artikel uitstellen voor een periode van uiterlijk drie jaar, beginnende op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.

Artikel 273 Grensmaatregelen
  • 1. De partijen erkennen het belang van coördinatie ten aanzien van douaneaangelegenheden en zullen daarom de toepassing en handhaving van de douaneprocedures met betrekking tot nagemaakte merkartikelen of onrechtmatig gereproduceerde goederen waarop een auteursrecht rust bevorderen, in het bijzonder door informatie-uitwisseling en coördinatie tussen de douaneadministraties van de partijen.

  • 2. Tenzij in dit hoofdstuk anders wordt bepaald, stellen de partijen procedures vast om een rechthebbende die geldige gronden heeft om te vermoeden dat goederen waarmee inbreuk op een handelsmerk of een auteursrecht wordt gemaakt, worden ingevoerd, uitgevoerd of wederuitgevoerd, het douanegebied worden binnen- of uitgebracht, onder een schorsingsregeling worden gebracht, in een vrije zone worden gebracht of in een douane-entrepot worden geplaatst, in staat te stellen bij de bevoegde administratieve of rechterlijke autoriteiten een schriftelijk verzoek in te dienen tot opschorting van het in het vrije verkeer brengen van deze goederen dan wel tot het vasthouden ervan door de douaneautoriteiten. Er bestaat overeenstemming over het feit dat er geen verplichting bestaat om deze procedures toe te passen op de invoer van goederen die door de rechthebbende of met diens toestemming in een ander land in de handel worden gebracht.

  • 3. Alle rechten of plichten die in het kader van afdeling 4 van de TRIPs-overeenkomst zijn vastgesteld voor de importeur, zijn ook van toepassing voor de exporteur of voor de bezitter van de goederen.

  • 4. Elke partij voorziet erin dat haar bevoegde autoriteiten in het geval van invoer, uitvoer en doorvoer ambtshalve grensmaatregelen kunnen instellen.

HOOFDSTUK 4 INSTITUTIONELE BEPALINGEN
Artikel 274 Subcomité Intellectuele eigendom
  • 1. De partijen richten hierbij een subcomité Intellectuele eigendom op, overeenkomstig artikel 348 en zoals uiteengezet in bijlage XXI (Subcomités), teneinde toe te zien op de tenuitvoerlegging van artikel 231 en afdeling C (Geografische aanduidingen) van hoofdstuk 2 van deze titel.

  • 2. De taken van het subcomité zijn onder meer:

    • a. aanbevelingen doen aan het Associatiecomité ter goedkeuring door de Associatieraad inzake wijzigingen in de lijst van geografische aanduidingen bij bijlage XVIII (Beschermde geografische aanduidingen);

    • b. informatie uitwisselen over geografische aanduidingen met het oog op hun eventuele bescherming in overeenstemming met deze overeenkomst, alsmede over geografische aanduidingen die niet langer beschermd worden in hun land van oorsprong;

    • c. technologieoverdracht van de EU-partij naar de republieken van de MA-partij bevorderen;

    • d. de prioritaire gebieden bepalen waarop initiatieven moeten worden genomen die gericht zijn op technologieoverdracht, onderzoek en ontwikkeling en het opbouwen van menselijk kapitaal;

    • e. een inventaris of register bijhouden van de lopende programma’s, activiteiten of initiatieven op het vlak van intellectuele eigendom, waarbij de nadruk ligt op technologieoverdracht;

    • f. relevante aanbevelingen doen aan het Associatiecomité ten aanzien van aangelegenheden die binnen zijn bevoegdheid liggen; en

    • g. alle overige zaken behandelen in opdracht van het Associatiecomité.

Artikel 275 Samenwerking en technische bijstand op het gebied van intellectuele eigendom

De partijen komen overeen dat het in hun gemeenschappelijk belang is initiatieven tot wederzijdse samenwerking en technische bijstand te bevorderen ten aanzien van kwesties met betrekking tot deze titel. In deze zin hebben de partijen een aantal samenwerkingsactiviteiten vastgesteld, die zijn opgenomen in artikel 55 van titel VI (Economische en handelsontwikkeling) van deel III van deze overeenkomst.

Artikel 276 Slotbepalingen
  • 1. Panama mag de inwerkingtreding van de bepalingen van artikel 233, onder c) en d), artikel 234, artikel 238, onder b), artikel 240, artikel 252, leden 1 en 2, artikel 255, lid 2, artikel 256, artikel 258, lid 1, artikel 259, artikel 266, lid 4, en artikel 271 gedurende uiterlijk twee jaar uitstellen, beginnende op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.

  • 2. Panama treedt tot het Verdrag tot samenwerking inzake octrooien (Washington 1970, laatst gewijzigd in 2001) toe binnen een periode van uiterlijk twee jaar, beginnende op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.

TITEL VII HANDEL EN MEDEDINGING
Artikel 277 Definities

Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:

1. „mededingingswetgeving”:
  • a. voor de EU-partij: de artikelen 101, 102 en 106 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, en de uitvoeringsverordeningen en wijzigingen daarvan;

  • b. voor de MA-partij: de Midden-Amerikaanse mededingingsverordening (hierna de „verordening” genoemd) die wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 25 van het Protocolo al Tratado General de Integración Económica Centroamericana (Protocolo de Guatemala) en artikel 21 van de Convenio Marco para el Establecimiento de la Unión Aduanera Centroamericana (Guatemala, 2007);

  • c. totdat de verordening conform artikel 279 wordt vastgesteld, wordt onder „mededingingswetgeving” de nationale mededingingswetgeving verstaan die in elk van de republieken van de MA-partij overeenkomstig artikel 279 wordt vastgesteld of gehandhaafd; en

  • d. alle wijzigingen van voornoemde instrumenten na de inwerkingtreding van deze overeenkomst;

2. „mededingingsautoriteit”:
  • a. voor de EU-partij: de Europese Commissie;

  • b. voor de MA-partij: een Midden-Amerikaanse mededingingsinstantie die wordt ingesteld en opgezet door de MA-partij op grond van haar mededingingsverordening; en

  • c. totdat de Midden-Amerikaanse mededingingsinstantie conform artikel 279 gevestigd is en operationeel wordt, worden onder „mededingingsautoriteit” de nationale mededingingsautoriteiten van elk van de republieken van de MA-partij verstaan.

Artikel 278 Beginselen
  • 1. De partijen erkennen het belang van een vrije en onvervalste mededinging voor hun handelsbetrekkingen. De partijen erkennen dat concurrentiebeperkende praktijken de goede werking van de markten en de voordelen van handelsliberalisering nadelig kunnen beïnvloeden.

  • 2. De partijen komen derhalve overeen dat de volgende zaken onverenigbaar zijn met deze overeenkomst, voor zover zij de handel tussen de partijen nadelig kunnen beïnvloeden:

    • a. overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van verenigingen van ondernemingen en tussen ondernemingen afgestemde feitelijke gedragingen, die ten doel of als gevolg hebben dat de mededinging40) wordt voorkomen, beperkt of verstoord, zoals gespecificeerd in hun respectieve mededingingswetgeving;

    • b. misbruik door een of meer ondernemingen van een machtspositie of van een aanzienlijke invloed op de markt of aanmerkelijk marktaandeel, zoals gespecificeerd in hun respectieve mededingingswetgeving; en

    • c. concentraties van ondernemingen die de feitelijke mededinging aanzienlijk belemmeren, zoals gespecificeerd in hun respectieve mededingingswetgeving.

Artikel 279 Tenuitvoerlegging
  • 1. De partijen stellen een uitgebreide mededingingswetgeving vast, of handhaven deze, die de in artikel 278, lid 2, onder a), b) en c), genoemde concurrentiebeperkende praktijken effectief aanpakken. De partijen vestigen of handhaven een mededingingsautoriteit die wordt aangewezen en naar behoren toegerust voor de transparante en doelmatige tenuitvoerlegging van de mededingingswetgeving.

  • 2. Indien op het moment van inwerkingtreding van deze overeenkomst een van de partijen nog geen mededingingswetgeving zoals bedoeld in artikel 277, lid 1, onder a) of b), heeft vastgesteld, noch een mededingingsautoriteit zoals bedoeld in artikel 277, lid 2, onder a) of b), heeft aangewezen, doet zij dit alsnog binnen een periode van zeven jaar. Zodra deze overgangsperiode is afgelopen, hebben de termen mededingingswetgeving en mededingingsautoriteit zoals bedoeld in deze titel, slechts de betekenis als bepaald in artikel 277, lid 1, onder a) en b), en lid 2, onder a) en b).

  • 3. Indien op het moment van inwerkingtreding van deze overeenkomst een republiek van de MA-partij nog geen mededingingswetgeving zoals bedoeld in artikel 277, lid 1, onder c), heeft vastgesteld, noch een mededingingsautoriteit zoals bedoeld in artikel 277, lid 2, onder c), heeft aangewezen, doet zij dit alsnog binnen een periode van drie jaar.

  • 4. Niets is deze titel loopt vooruit op de bevoegdheden die door de partijen worden toegekend aan hun respectieve regionale en nationale autoriteiten voor de doelmatige en samenhangende tenuitvoerlegging van hun respectieve mededingingswetgevingen.

Artikel 280 Overheidsondernemingen en ondernemingen met speciale of exclusieve rechten, met inbegrip van toegewezen monopolies
  • 1. Niets in deze titel belet een republiek van de MA-partij of een lidstaat van de Europese Unie om in overeenstemming met hun respectieve nationale wetgeving overheidsondernemingen, ondernemingen met speciale of exclusieve rechten of monopolies aan te wijzen of te handhaven.

  • 2. De in lid 1 hiervoor genoemde entiteiten zijn onderworpen aan mededingingswetgeving voor zover de toepassing van de mededingingswetgeving de juro of de facto geen belemmering vormt voor de uitvoering van de specifieke taken die hun door een republiek van de MA-partij of een lidstaat van de EU-partij zijn opgedragen.

  • 3. De partijen waarborgen dat er met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst geen discriminatie41) door dergelijke entiteiten wordt uitgeoefend met betrekking tot de voorwaarden waaronder goederen of diensten worden gekocht of verkocht, noch tussen de natuurlijke of rechtspersonen van beide partijen, noch tussen goederen van oorsprong uit een van beide partijen.

  • 4. Niets in deze titel heeft gevolgen voor de rechten en verplichtingen van de partijen zoals uiteengezet in titel V (Overheidsopdrachten) van deel IV van deze overeenkomst.

Artikel 281 Uitwisseling van niet-vertrouwelijke informatie en samenwerking op het vlak van handhaving
  • 1. Met het oog op de bevordering van de doelmatige toepassing van hun respectieve mededingingswetgeving zijn de mededingingsautoriteiten gerechtigd niet-vertrouwelijke informatie uit te wisselen.

  • 2. De mededingingsautoriteit van de ene partij kan de mededingingsautoriteit van de andere partij om samenwerking vragen met betrekking tot handhavingsactiviteiten. Deze samenwerking belet de partijen niet om autonome beslissingen te nemen.

  • 3. Geen van de partijen is gehouden de andere partij in kennis te stellen van informatie. Indien een partij besluit informatie mee te delen, mag deze partij de informatie achterhouden wanneer zulks krachtens de wet- en regelgeving van de partij die de informatie in haar bezit heeft, verboden is of met haar belangen onverenigbaar zou zijn. Een partij mag eisen dat de informatie die zij ingevolge dit artikel verstrekt, wordt gebruikt overeenkomstig door haar zelf te specificeren voorwaarden.

Artikel 282 Samenwerking en technische bijstand

De partijen komen overeen dat het in hun gemeenschappelijk belang is initiatieven tot technische bijstand te bevorderen met betrekking tot mededingingsbeleid en rechtshandhavingsactiviteiten. Deze samenwerking wordt behandeld in artikel 52 van titel VI (Economische en handelsontwikkeling) van deel III van deze overeenkomst.

Artikel 283 Geschillenbeslechting

De partijen doen geen beroep op geschillenbeslechtingsprocedures op grond van titel X (Geschillenbeslechting) van deel IV van deze overeenkomst voor kwesties die in het kader van deze titel ontstaan.

TITEL VIII HANDEL EN DUURZAME ONTWIKKELING
Artikel 284 Context en doelstellingen
  • 1. De partijen herinneren aan Agenda 21 over milieu en ontwikkeling van 1992, het Uitvoeringsplan van Johannesburg over duurzame ontwikkeling van 2002 en de Ministeriële Verklaring van 2006 van de Economische en Sociale Raad van de VN over volledige werkgelegenheid en fatsoenlijk werk. De partijen herbevestigen hun verbintenis om op zodanige wijze de ontwikkeling van de internationale handel te bevorderen dat aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling wordt bijgedragen, alsmede dat deze doelstelling wordt geïntegreerd in en tot uitdrukking komt op elk niveau van hun handelsbetrekkingen. Hiertoe erkennen de partijen dat het belangrijk is om rekening te houden met de beste belangen op economisch, sociaal en milieugebied van niet alleen hun respectieve bevolking, maar ook van toekomstige generaties.

  • 2. De partijen herbevestigen hun verbintenis om te komen tot duurzame ontwikkeling, waarvan de pijlers – economische en sociale ontwikkeling en milieubescherming – nauw samenhangen en elkaar wederzijds versterkende componenten zijn. De partijen benadrukken de voordelen die het inhoudt wanneer handelsgerelateerde sociale en milieukwesties als onderdeel van een globale aanpak van handel en duurzame ontwikkeling worden beschouwd.

  • 3. De partijen komen overeen dat deze titel een coöperatieve benadering op basis van gemeenschappelijke waarden en belangen behelst, rekening houdende met de verschillen in hun ontwikkelingsniveaus en het respect voor de huidige en toekomstige behoeften en ambities.

  • 4. De partijen doen geen beroep op geschillenbeslechtingsprocedures op grond van titel X (Geschillenbeslechting) van deel IV van deze overeenkomst en het bemiddelingsmechanisme voor niet-tarifaire maatregelen op grond van titel XI (Bemiddelingsmechanisme voor niet-tarifaire maatregelen) van deel IV van deze overeenkomst voor kwesties die in het kader van deze titel ontstaan.

Artikel 285 Regelgevingsrecht en beschermingsniveaus
  • 1. De partijen herbevestigen hun respect voor elkaars respectieve grondwetten42) en voor hun rechten op grond daarvan om regels vast te stellen om hun eigen prioriteiten voor duurzame ontwikkeling te bepalen, om eigen niveaus van nationale milieu- en sociale bescherming in te stellen, en om dienovereenkomstig relevante wetten en beleidsmaatregelen vast te stellen of te wijzigen.

  • 2. Elke partij streeft ernaar te waarborgen dat haar wetgeving en beleid voorzien in een hoog beschermingsniveau voor milieu en werknemers, en dit bevorderen, zoals passend bij haar respectieve sociale, ecologische en economische omstandigheden en in overeenstemming met de in de artikelen 286 en 287 genoemde internationaal erkende normen en overeenkomsten waarbij zij partij is, en streeft naar een voortdurende verbetering van die wetgeving en dat beleid, op voorwaarde dat deze niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de partijen of een verkapte beperking van de internationale handel vormen.

Artikel 286 Multilaterale arbeidsnormen en -overeenkomsten
  • 1. Gelet op de Ministeriële Verklaring van 2006 van de Economische en Sociale Raad van de VN over volledige werkgelegenheid en fatsoenlijk werk, erkennen de partijen dat volledige productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen, hetgeen sociale bescherming, fundamentele beginselen, het recht op werk en sociale dialoog omvat, hoofdelementen zijn van duurzame ontwikkeling voor alle landen en aldus een prioritaire doelstelling van internationale samenwerking. In deze context herbevestigen de partijen hun streven om de ontwikkeling van macro-economische beleidsmaatregelen op zodanige wijze te bevorderen dat deze tot volledige, productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen, zowel mannen, vrouwen als jongeren, leidt, met volledig respect voor de fundamentele beginselen en het recht op werk onder rechtvaardige, gelijke, veilige en waardige omstandigheden.

    Overeenkomstig hun verplichtingen als lid van de ILO herbevestigen de partijen hun verbintenis om de beginselen inzake de fundamentele rechten die centraal staan in de fundamentele ILO-verdragen te goeder trouw en overeenkomstig het statuut van de ILO te respecteren, te bevorderen en te verwezenlijken, namelijk:

    • a. de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de daadwerkelijke erkenning van het recht op collectieve onderhandelingen;

    • b. de uitbanning van alle vormen van dwangarbeid of verplichte arbeid;

    • c. de daadwerkelijke afschaffing van kinderarbeid; en

    • d. de uitbanning van discriminatie met betrekking tot werk en beroep.

  • 2. De partijen herbevestigen hun verbintenis tot daadwerkelijke tenuitvoerlegging in hun wetgeving en in de praktijk van de fundamentele ILO-verdragen die zijn opgenomen in de Verklaring van de ILO over de fundamentele rechten en beginselen op het werk van 1998, hetgeen de volgende verdragen omvat:

    • a. het Verdrag betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces (nr. 138);

    • b. het Verdrag betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid (nr. 182);

    • c. het Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid (nr. 105);

    • d. het Verdrag betreffende de gedwongen of verplichte arbeid (nr. 29);

    • e. het Verdrag betreffende gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke arbeidskrachten voor arbeid van gelijke waarde (nr. 100);

    • f. het Verdrag betreffende discriminatie in arbeid en beroep (nr. 111);

    • g. het Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht (nr. 87); en

    • h. het Verdrag betreffende de toepassing van de beginselen van het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen (nr. 98).

  • 3. De partijen wisselen informatie uit over hun respectieve situatie en de vorderingen met betrekking tot de ratificatie van de andere ILO-verdragen.

  • 4. De partijen benadrukken dat arbeidsnormen nooit mogen worden ingeroepen of anderszins worden aangewend voor protectionistische handelsdoeleinden en dat het comparatieve voordeel van een partij in geen geval ter discussie mag worden gesteld.

  • 5. De partijen verbinden zich ertoe in voorkomend geval elkaar te raadplegen en samen te werken bij handelsgerelateerde arbeidsvraagstukken van wederzijds belang.

Artikel 287 Multilaterale milieunormen en -overeenkomsten
  • 1. De partijen erkennen dat internationale milieugovernance en internationale milieuovereenkomsten belangrijke elementen zijn om de mondiale en regionale milieuproblemen aan te pakken en benadrukken de noodzaak om de wederzijdse ondersteuning van handel en milieu te vergroten. De partijen verbinden zich ertoe in voorkomend geval elkaar te raadplegen en samen te werken bij handelsgerelateerde milieuvraagstukken van wederzijds belang.

  • 2. De partijen herbevestigen hun verbintenis om de multilaterale milieuovereenkomsten waarbij zij partij zijn, daadwerkelijk in hun wetgeving en praktijk om te zetten, met inbegrip van:

    • a. het Protocol van Montréal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken;

    • b. het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan;

    • c. het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen;

    • d. de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (hierna „CITES” genoemd);

    • e. het Verdrag inzake biologische diversiteit;

    • f. het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid bij het Verdrag inzake biologische diversiteit; en

    • g. het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering43).

  • 3. De partijen verbinden zich ertoe ervoor te zorgen dat zij het amendement op artikel XXI van CITES, dat op 30 april 1983 is goedgekeurd te Gaborone (Botswana), uiterlijk op de datum van de inwerkingtreding van deze overeenkomst hebben geratificeerd.

  • 4. De partijen verbinden zich er tevens toe, voor zover zij dat niet reeds hebben gedaan, uiterlijk op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel te ratificeren en daadwerkelijk ten uitvoer te leggen.

  • 5. Niets in deze overeenkomst wordt uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of handhaven door een van de partijen van maatregelen tot tenuitvoerlegging van de in dit artikel genoemde overeenkomsten, mits dergelijke maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen landen bij gelijke omstandigheden, of een verkapte beperking van de internationale handel vormen.

Artikel 288 Handel ter bevordering van duurzame ontwikkeling
  • 1. De partijen herbevestigen dat de handel de duurzame ontwikkeling in al haar aspecten moet bevorderen. In deze context erkennen zij de waarde van internationale samenwerking ter ondersteuning van de inspanningen om handelsregelingen en -praktijken die gunstig zijn voor duurzame ontwikkeling op te zetten, en komen zij overeen samen te werken in het kader van de artikelen 288, 289 en 290 met als doel, waar nodig, een collaboratieve aanpak te ontwikkelen.

  • 2. De partijen streven ernaar:

    • a. die situaties te overwegen waarin het wegnemen of reduceren van belemmeringen voor de handel ten goede komt aan de handel en de duurzame ontwikkeling, rekening houdende met in het bijzonder de interacties tussen milieumaatregelen en markttoegang;

    • b. de handel en de buitenlandse directe investeringen in milieutechnologieën en -diensten, hernieuwbare energie en energie-efficiënte producten en diensten te vergemakkelijken en te bevorderen, onder meer door de aanpak van daaraan gerelateerde niet-tarifaire belemmeringen;

    • c. de handel in producten die voldoen aan overwegingen van duurzaamheid, waaronder producten die onder programma’s vallen voor eerlijke en ethische handel, voor milieukeuren, voor biologische productie of waarvoor een verplichting tot maatschappelijk verantwoord ondernemen geldt, te vergemakkelijken en te bevorderen; en

    • d. de ontwikkeling van praktijken en programma’s die gericht zijn op bevordering van passend economisch rendement uit het behoud en het duurzaam gebruik van het milieu, zoals ecotoerisme, te vergemakkelijken en te bevorderen.

Artikel 289 Handel in bosbouwproducten

Ter bevordering van een duurzaam bosbeheer zeggen de partijen toe samen te werken aan een betere handhaving van de boswetgeving en een betere governance in de bosbouw, alsmede de bevordering van de handel in wettelijke en duurzame bosproducten aan de hand van onder andere de volgende instrumenten: effectief gebruik van CITES met betrekking tot bedreigde houtsoorten; certificeringsregelingen voor duurzaam geoogste bosproducten; en regionale of bilaterale vrijwillige partnerschapsovereenkomsten inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw („FLEGT”).

Artikel 290 Handel in visproducten
  • 1. De partijen erkennen het belang om duurzame visserij te bevorderen, teneinde zo bij te dragen aan het behoud van de visbestanden en aan duurzame handel in vis.

  • 2. Daartoe verbinden de partijen zich ertoe:

    • a. toe te treden tot en te zorgen voor de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de Overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden, met betrekking tot het volgende: duurzaam gebruik, behoud en beheer van grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden; internationale samenwerking tussen de staten; ondersteuning van wetenschappelijk advies en onderzoek; tenuitvoerlegging van doelmatige toezichts-, controle- en inspectiemaatregelen; en de plichten van de vlaggen- en de havenstaten, met inbegrip van naleving en handhaving;

    • b. samen te werken, onder meer met en binnen de relevante regionale organisaties voor visserijbeheer, teneinde illegale, niet-aangegeven en niet-gereglementeerde (IUU) visserij te voorkomen, onder andere door doelmatige instrumenten vast te stellen om controle- en inspectieregelingen in te voeren en zo te zorgen voor de volledige naleving van instandhoudingsmaatregelen;

    • c. wetenschappelijke en niet-vertrouwelijke handelsgegevens uit te wisselen, ervaringen en goede praktijken op het vlak van duurzame visserij uit te wisselen, en meer in het algemeen een duurzame aanpak ten aanzien van de visserij te bevorderen.

  • 3. De partijen komen overeen om, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, havenstaatmaatregelen vast te stellen die in lijn zijn met de Overeenkomst van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties inzake havenstaatmaatregelen om illegale, niet-aangegeven en niet-gereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, en om controle- en inspectieregelingen alsmede stimuleringsmaatregelen en verplichtingen in te voeren voor een gezond, duurzaam beheer van de visserij en het kustmilieu op de lange termijn.

Artikel 291 Handhaving van beschermingsniveaus
  • 1. De partijen erkennen dat het niet gepast is handel of investeringen aan te moedigen door het beschermingsniveau waarin de interne milieu- en arbeidswetgeving voorziet, te verlagen.

  • 2. Geen van de partijen doet afstand van of wijkt af van, of biedt aan afstand te doen van of af te wijken van, haar arbeids- en milieuwetgeving op zodanige wijze dat dit de handel beïnvloedt of als aanmoediging werkt voor de vestiging, de overname, de uitbreiding of de handhaving van een investering of een investeerder op haar grondgebied.

  • 3. De partijen laten niet na hun arbeids- en milieuwetgeving daadwerkelijk te handhaven op een wijze die van invloed is op de handel of de investeringen tussen de partijen.

  • 4. Niets in deze titel wordt zodanig uitgelegd dat het de autoriteiten van een partij machtigt om rechtshandhavingsactiviteiten te ondernemen op het grondgebied van de andere partij.

Artikel 292 Wetenschappelijke informatie

Ten aanzien van het opstellen en uitvoeren van maatregelen die gericht zijn op de bescherming van het milieu of de gezondheid en veiligheid op het werk, erkennen de partijen het belang om rekening te houden met wetenschappelijke en technische informatie, alsmede de desbetreffende internationale normen, richtsnoeren of aanbevelingen. Tegelijkertijd erkennen de partijen dat als er een dreiging is van ernstige of onherstelbare schade, het gebrek aan volledige wetenschappelijke zekerheid niet als reden mag worden gebruikt om beschermingsmaatregelen uit te stellen.

Artikel 293 Duurzaamheidsevaluatie

De partijen zeggen toe om gezamenlijk de bijdrage van deel IV van deze overeenkomst, met inbegrip van de samenwerkingsactiviteiten op grond van artikel 302, aan duurzame ontwikkeling te evalueren, op te volgen en te beoordelen.

Artikel 294 Institutioneel en opvolgingsmechanisme
  • 1. Elke partij wijst binnen haar administratie een dienst aan als contactpunt ten behoeve van de tenuitvoerlegging van handelsgerelateerde aspecten van duurzame ontwikkeling. Bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst verstrekken de partijen alle contactgegevens van hun contactpunten aan het Associatiecomité.

  • 2. De partijen richten hierbij een Raad inzake handel en duurzame ontwikkeling44) op, die bestaat uit autoriteiten op hoog niveau uit de administraties van elke partij. Voorafgaand aan elke bijeenkomst van de Raad stellen de partijen elkaar in kennis van de identiteit en de contactgegevens van hun respectieve vertegenwoordigers.

  • 3. De Raad inzake handel en duurzame ontwikkeling komt in het eerste jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst bijeen, en vervolgens wanneer het nodig is, om toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van deze titel, met inbegrip van de krachtens titel VI (Economische en handelsontwikkeling) van deel III van deze overeenkomst ondernomen samenwerkingsactiviteiten. De besluiten en aanbevelingen van de Raad worden vastgesteld in onderling overleg tussen de partijen en worden openbaar gemaakt, tenzij de Raad anders bepaalt.

  • 4. Elke partij roept nieuwe adviesgroepen inzake handel en duurzame ontwikkeling bijeen, of raadpleegt de bestaande adviesgroepen45). Deze groepen worden belast met het formuleren van standpunten en het doen van aanbevelingen inzake handelsgerelateerde aspecten van duurzame ontwikkeling en het adviseren van de partijen over hoe de doelstellingen van deze titel beter kunnen worden verwezenlijkt.

  • 5. De adviesgroepen van de partijen zijn samengesteld uit onafhankelijke representatieve organisaties en vertegenwoordigen op evenwichtige wijze de belanghebbenden op economisch, sociaal en milieugebied, met inbegrip van werkgevers- en werknemersorganisaties, brancheorganisaties, niet-gouvernementele organisaties en plaatselijke overheidsinstanties.

Artikel 295 Forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld
  • 1. De partijen komen overeen om, met het oog op een open dialoog, een biregionaal forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld op basis van een evenwichtige vertegenwoordiging van de belanghebbenden op milieu-, economisch en sociaal gebied, te organiseren en te bevorderen. Het forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld voert een dialoog over de aspecten van de handelsbetrekkingen tussen de partijen die betrekking hebben op duurzame ontwikkeling, alsmede over hoe de samenwerking kan bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van deze titel. Het forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld komt eenmaal per jaar bijeen, tenzij de partijen anders overeenkomen46).

  • 2. Tenzij de partijen anders overeenkomen, omvat elke bijeenkomst van de Raad een sessie waarin de leden aan het forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld verslag uitbrengen over de tenuitvoerlegging van deze titel. Omgekeerd kan het forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld zijn standpunten en opvattingen kenbaar maken om de dialoog over hoe de doelstellingen van deze titel beter kunnen worden verwezenlijkt, te bevorderen.

Artikel 296 Overleg op regeringsniveau
  • 1. Een partij kan verzoeken om overleg met een andere partij over aangelegenheden van wederzijds belang die voortvloeien uit deze titel. Dit kan worden gedaan door een schriftelijk verzoek in te dienen bij het contactpunt van de andere partij. Om de partij die het verzoek ontvangt in staat te stellen daarop te reageren, bevat het verzoek voldoende specifieke informatie waarin de aangelegenheid helder en feitelijk uiteen wordt gezet, door het desbetreffende probleem te omschrijven en een korte samenvatting te geven van de aanspraken op grond van deze titel. Het overleg wordt onverwijld aangevat nadat een partij een verzoek om overleg heeft ingediend.

  • 2. De overleggende partijen stellen alles in het werk om tot een wederzijds bevredigende oplossing van de kwestie te komen, rekening houdend met de door de overleggende partijen uitgewisselde informatie en de mogelijkheden voor samenwerking ter zake. Tijdens het overleg gaat speciale aandacht uit naar de specifieke problemen en belangen van de ontwikkelingslanden onder de partijen. De overleggende partijen houden rekening met de activiteiten van de ILO of relevante multilaterale milieuorganisaties of -organen waarbij zij partij zijn. Waar van toepassing kunnen de overleggende partijen zich in onderling overleg voor advies of bijstand wenden tot die organisaties en organen, of tot personen of organen die zij geschikt achten om de zaak in kwestie volledig te onderzoeken.

  • 3. Indien een overleggende partij negentig dagen na het verzoek om overleg van oordeel is dat de zaak nader moet worden besproken, kan de zaak, tenzij de overleggende partijen anders overeenkomen, door indiening van een schriftelijk verzoek bij het contactpunt van de andere partijen voor behandeling worden doorverwezen naar de Raad inzake handel en duurzame ontwikkeling. De Raad inzake handel en duurzame ontwikkeling komt onverwijld bijeen om bij te dragen aan het vinden van een wederzijds bevredigende oplossing. De Raad inzake handel en duurzame ontwikkeling kan, indien hij dit nodig acht, de hulp van een deskundige inwinnen in verband met de desbetreffende kwestie, met als doel de analyse ervan te bevorderen.

  • 4. Elke oplossing ter zake die door de overleggende partijen wordt bereikt, wordt openbaar gemaakt, tenzij de Raad inzake handel en duurzame ontwikkeling anders besluit.

Artikel 297 Deskundigenpanel
  • 1. Tenzij de overleggende partijen anders overeenkomen, kan een overleggende partij zestig dagen na doorverwijzing van de zaak naar de Raad inzake handel en duurzame ontwikkeling of, indien de zaak niet naar de Raad is doorverwezen, negentig dagen na indiening van een verzoek om overleg overeenkomstig artikel 296, respectievelijk lid 1 en lid 3, verzoeken een deskundigenpanel bijeen te roepen om een aangelegenheid te onderzoeken die tijdens het overleg op regeringsniveau niet op bevredigende wijze is opgelost. De partijen bij de procedure kunnen documenten aan het deskundigenpanel voorleggen.

  • 2. Bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst leggen de partijen, ter bekrachtiging door de Raad bij diens eerste bijeenkomst, aan het Associatiecomité een lijst van zeventien personen voor, waarvan ten minste vijf personen geen onderdaan zijn van een van de partijen, met deskundigheid op het vlak van milieurecht, internationale handel of de beslechting van geschillen die voortvloeien uit internationale overeenkomsten, alsmede een lijst van zeventien personen, waarvan ten minste vijf personen geen onderdaan zijn van een van de partijen, met deskundigheid op het vlak van arbeidsrecht, internationale handel of de beslechting van geschillen die voortvloeien uit internationale overeenkomsten. De deskundigen die geen onderdaan zijn van een van de partijen, kunnen in aanmerking komen als voorzitter van het deskundigenpanel. De deskundigen zijn i) onafhankelijk van, hebben geen banden met en ontvangen geen instructies van de partijen of de in de adviesgroep(en) vertegenwoordigde organisaties, en ii) zijn gekozen op basis van objectiviteit, betrouwbaarheid en deugdelijke afweging.

  • 3. De partijen bepalen in onderling overleg de vervangers van deskundigen die niet langer beschikbaar zijn om zitting te nemen in panels, en kunnen anderszins overeenkomen om de lijst te wijzigen indien en wanneer zij dit nodig achten.

Artikel 298 Samenstelling van het deskundigenpanel
  • 1. Het deskundigenpanel bestaat uit drie deskundigen.

  • 2. De voorzitter is geen onderdaan van een partij.

  • 3. Elke partij bij de procedure selecteert binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek om oprichting van een deskundigenpanel één deskundige uit de lijst van deskundigen. Indien een van de partijen verzuimt haar deskundige binnen die periode te selecteren, selecteert de andere partij bij de procedure uit de lijst van deskundigen een onderdaan van de partij bij de procedure die verzuimd heeft een deskundige te selecteren. De twee geselecteerde deskundigen selecteren in overleg of door loting de voorzitter uit de deskundigen die geen onderdaan van een van de partijen zijn.

  • 4. Personen kunnen niet optreden als deskundigen inzake aangelegenheden waarin zij of een organisatie waaraan zij verbonden zijn, een direct of indirect belang hebben, zodat er een belangenconflict ontstaat. Bij de selectie van deskundigen ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid wordt van elke deskundige verwacht dat deze het bestaan of ontstaan bekendmaakt van alle belangen, betrekkingen of aangelegenheden die deze deskundige redelijkerwijs kan worden geacht te weten en die de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van die deskundige kunnen beïnvloeden of aanleiding kunnen geven tot gerechtvaardigde twijfel hierover.

  • 5. Indien een van de partijen bij de procedure denkt dat een deskundige inbreuk pleegt op de vereisten van lid 4, plegen de partijen bij de procedure onverwijld overleg met elkaar en wordt de deskundige, indien de partijen het eens zijn, van het panel verwijderd en wordt een nieuwe deskundige geselecteerd overeenkomstig de procedures van lid 3, die werden gebruikt voor de selectie van de verwijderde deskundige.

  • 6. Tenzij door de partijen bij de procedure overeenkomstig lid 2 van artikel 301 anders is overeengekomen, wordt het deskundigenpanel niet later dan zestig dagen na het verzoek van een partij ingesteld.

Artikel 299 Reglement van orde
  • 1. Het deskundigenpanel stelt een tijdsschema op op basis waarvan de partijen bij de procedure gelegenheid hebben schriftelijke documenten en relevante informatie in te dienen.

  • 2. Het deskundigenpanel en de partijen waarborgen de bescherming van vertrouwelijke informatie overeenkomstig de beginselen van titel X (Geschillenbeslechting) van deel IV van deze overeenkomst.

  • 3. De taakomschrijving van het deskundigenpanel luidt als volgt:

    „Onderzoeken of er sprake is van niet-nakoming door een van de partijen van de verplichtingen op grond van artikel 286, lid 2, artikel 287, leden 2, 3 en 4, en artikel 291 van deze titel, en niet-bindende aanbevelingen doen om de zaak op te lossen. In het geval van aangelegenheden met betrekking tot de handhaving van wetgeving is het de taak van het deskundigenpanel te bepalen of er sprake is van een onafgebroken of herhaald verzuim van een van de partijen om daadwerkelijk haar verplichtingen na te komen.”.

Artikel 300 Eerste verslag
  • 1. Het deskundigenpanel gebruikt de door de partijen bij de procedure ingediende documenten en argumenten als uitgangspunt voor zijn verslag. In de loop van de procedure hebben de partijen de gelegenheid commentaar te geven op documenten of informatie die het panel van belang acht voor zijn werkzaamheden.

  • 2. Binnen honderdtwintig dagen na de datum waarop het deskundigenpanel is ingesteld, legt het panel aan de partijen bij de procedure een eerste verslag voor, met inbegrip van zijn aanbevelingen. Indien het panel van oordeel is dat het zijn verslag niet binnen honderdtwintig dagen kan voorleggen, stelt het de partijen bij de procedure schriftelijk in kennis van de redenen van de vertraging en geeft het een schatting van de termijn waarbinnen het alsnog zijn verslag zal indienen.

  • 3. Bij zijn aanbevelingen houdt het panel rekening met de specifieke sociaaleconomische situatie van de partijen.

  • 4. De partijen bij de procedure kunnen binnen dertig dagen na de presentatie van het eerste verslag hun opmerkingen daaromtrent voorleggen aan het panel.

  • 5. Na ontvangst van eventuele schriftelijke opmerkingen kan het panel op eigen initiatief of op verzoek van een van de partijen bij de procedure:

    • a. de partijen bij de procedure, waar van toepassing, verzoeken hun standpunt met betrekking tot de schriftelijke opmerkingen mee te delen;

    • b. zijn verslag heroverwegen; of

    • c. verdere afwegingen maken die het passend acht.

    In het definitieve verslag van het panel worden de in de schriftelijke opmerkingen van de partijen naar voren gebrachte argumenten besproken.

Artikel 301 Eindverslag
  • 1. Het panel dient uiterlijk honderdtachtig dagen na de datum waarop het panel is ingesteld, bij de partijen bij de procedure en bij de Raad inzake handel en duurzame ontwikkeling een eindverslag in. De partijen maken binnen vijftien dagen na de presentatie het eindverslag openbaar.

  • 2. De partijen bij de procedure kunnen in onderling overleg besluiten de in lid 1 en de in artikel 298, lid 6, en artikel 300, lid 4, vastgestelde termijnen, te verlengen.

  • 3. Rekening houdend met het verslag en de aanbevelingen van het deskundigenpanel, streven de partijen bij de procedure ernaar passende maatregelen te bespreken die moeten worden genomen, met inbegrip van, waar van toepassing, mogelijke samenwerking ter ondersteuning van de uitvoering van deze maatregelen. De partij waaraan de aanbevelingen zijn gericht, informeert de Raad inzake handel en duurzame ontwikkeling over haar plannen met betrekking tot het verslag en de aanbevelingen van het deskundigenpanel, onder meer door, waar van toepassing, een actieplan te presenteren. De Raad inzake handel en duurzame ontwikkeling houdt toezicht op de uitvoering van de acties die de partij heeft bepaald.

Artikel 302 Samenwerking en technische bijstand inzake handel en duurzame ontwikkeling

De maatregelen inzake samenwerking en technische bijstand betreffende deze titel zijn vastgesteld in titel VI (Economische en handelsontwikkeling) van deel III van deze overeenkomst.

TITEL IX REGIONALE ECONOMISCHE INTEGRATIE
Artikel 303 Algemene bepalingen
  • 1. De partijen onderstrepen het belang van de regio-tot-regio-dimensie en erkennen de betekenis van regionale economische integratie in de context van deze overeenkomst. Dienovereenkomstig herbevestigen zij hun voornemen om binnen de geldende kaders hun respectieve regionale economische integratieprocessen te versterken en uit te diepen.

  • 2. De partijen erkennen dat regionale economische integratie op het vlak van douaneprocedures, technische voorschriften en sanitaire en fytosanitaire maatregelen van cruciaal belang is voor het vrije verkeer van goederen binnen Midden-Amerika en de EU-partij.

  • 3. Dienovereenkomstig, en rekening houdend met de verschillende ontwikkelingsniveaus van hun respectieve regionale economische integratieprocessen, komen de partijen de volgende bepalingen overeen.

Artikel 304 Douaneprocedures
  • 1. Wat betreft douaneprocedures verleent de douaneautoriteit van de republiek van de MA-partij van eerste binnenkomst uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst restitutie van de betaalde rechten indien de goederen in kwestie worden uitgevoerd naar een andere republiek van de MA-partij. Op deze goederen worden douanerechten geheven in de republiek van de MA-partij van invoer.

  • 2. De partijen streven ernaar een mechanisme in te stellen dat ervoor zorgt dat goederen van oorsprong uit Midden-Amerika of uit de Europese Unie overeenkomstig bijlage II (Definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking) bij deze overeenkomst, die hun respectieve grondgebied binnenkomen en zijn ingeklaard, niet langer kunnen worden onderworpen aan douanerechten of heffingen met een gelijkwaardig effect dan wel aan kwantitatieve beperkingen of maatregelen met een gelijkwaardig effect.

  • 3. De partijen komen overeen dat hun respectieve douanewetgeving en -procedures voorzien in het gebruik van een enig administratief document of elektronisch equivalent in respectievelijk de EU-partij en de MA-partij voor het opstellen van douaneaangiften bij invoer en uitvoer. De MA-partij verbindt zich ertoe deze doelstelling drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst te verwezenlijken.

  • 4. De partijen zorgen er tevens voor dat de douanewetgeving, de douaneprocedures en douanegerelateerde voorschriften die bij invoer van toepassing zijn op goederen van oorsprong uit Midden-Amerika of de Europese Unie, worden geharmoniseerd op regionaal niveau. De MA-partij verbindt zich ertoe deze doelstelling uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst te verwezenlijken.

Artikel 305 Technische handelsbelemmeringen
  • 1. Op het gebied van technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures:

    • a. komen de partijen overeen dat de lidstaten van de Europese Unie ervoor zullen zorgen dat producten van oorsprong uit Midden-Amerika die in een van de lidstaten van de Europese Unie op legale wijze op de markt zijn gebracht, ook in de overige lidstaten van de Europese Unie op de markt kunnen worden gebracht, op voorwaarde dat het product een gelijke mate van bescherming van de diverse legitieme belangen in kwestie biedt (beginsel van wederzijdse erkenning);

    • b. accepteren de lidstaten van de Europese Unie in dit verband dat producten die aan de conformiteitsbeoordelingsprocedures hebben voldaan die in een van de lidstaten van de Europese Unie gelden, ook op de markt kunnen worden gebracht in de overige lidstaten van de Europese Unie zonder dat deze een aanvullende conformiteitsbeoordelingsprocedure hoeven te ondergaan, op voorwaarde dat het product een gelijke mate van bescherming van de diverse legitieme belangen in kwestie biedt.

  • 2. Wanneer er geharmoniseerde regionale invoervereisten bestaan, moeten producten van oorsprong uit de Europese Unie voldoen aan de regionale vereisten teneinde legaal op de markt te kunnen worden gebracht in de republiek van de MA-partij van eerste invoer. Ingevolge deze overeenkomst dient, als een product onder geharmoniseerde wetgeving valt en moet worden geregistreerd, de registratie die in een van de republieken van de MA-partij is verricht, te worden geaccepteerd door alle overige republieken van de MA-partij zodra aan alle interne procedures is voldaan.

  • 3. Daarnaast geldt dat indien registratie vereist is, de republieken van de MA-partij accepteren dat de producten moeten worden geregistreerd per groep of familie van producten.

  • 4. De MA-partij gaat ermee akkoord om binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze overeenkomst de regionale technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures die momenteel worden opgesteld en in bijlage XX (Lijst van Midden-Amerikaanse technische voorschriften (RTCA) die worden geharmoniseerd) bij deze overeenkomst zijn vermeld, vast te stellen, alsmede om te blijven werken aan harmonisatie van de technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures en om de ontwikkeling van regionale normen te bevorderen.

  • 5. Voor producten die nog niet zijn geharmoniseerd in de MA-partij en die niet zijn opgenomen in bijlage XX, stelt het Associatiecomité een werkprogramma vast om na te gaan of in de toekomst aanvullende producten kunnen worden opgenomen.

Artikel 306 Sanitaire en fytosanitaire maatregelen
  • 1. Het doel van dit artikel is om:

    • a. voorwaarden te bevorderen om het vrije verkeer van aan sanitaire en fytosanitaire maatregelen onderworpen goederen in Midden-Amerika en de EU-partij mogelijk te maken;

    • b. de harmonisatie en verbetering van sanitaire en fytosanitaire voorschriften en procedures in de MA-partij en de EU-partij te bevorderen, onder andere om te komen tot het gebruik van een enkel invoercertificaat, een enkele lijst van inrichtingen, een enkele sanitaire invoercontrole en een enkele vergoeding voor de uit de EU-partij in de MA-partij ingevoerde producten;

    • c. ernaar te streven dat de wederzijdse erkenning van de door de republieken van de MA-partij in een lidstaat van de Europese Unie verrichte controles wordt gegarandeerd.

  • 2. De EU-partij zorgt ervoor dat vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst dieren, dierlijke producten, planten en plantaardige producten die wettig op de markt worden gebracht, vrij en zonder controles aan de interne grenzen kunnen worden verhandeld op het grondgebied van de EU-partij, mits zij voldoen aan de relevante sanitaire en fytosanitaire voorschriften.

  • 3. De MA-partij zorgt ervoor dat vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst dieren, dierlijke producten, planten en plantaardige producten in aanmerking komen voor de bevordering van de regionale doorvoer op het grondgebied van de MA-partij overeenkomstig Resolutie nr. 219-2007 (COMIECO-XLVII) en daaropvolgende daaraan gerelateerde instrumenten. Voor de toepassing van deze titel wordt in het geval van invoer vanuit de EU-partij onder bevordering van de regionale doorvoer verstaan dat de goederen van de EU-partij kunnen worden ingevoerd via elke grensinspectiepost van de MA-partij en binnen de regio kunnen worden doorgevoerd van de ene republiek van de MA-partij naar de andere, waarbij wordt voldaan aan de sanitaire en fytosanitaire voorschriften van de eindbestemming, alwaar een sanitaire en fytosanitaire inspectie kan worden verricht.

  • 4. Op voorwaarde dat wordt voldaan aan de relevante sanitaire en fytosanitaire voorschriften en overeenkomstig de bestaande mechanismen in het kader van het Midden-Amerikaanse regionale integratieproces, verbindt de MA-partij zich ertoe de in bijlage XIX (Lijst van producten bedoeld in artikel 306, lid 4) opgenomen dieren, dierlijke producten, planten en plantaardige producten de volgende behandeling te verlenen: op het moment van invoer op het grondgebied van een republiek van de MA-partij controleren de bevoegde autoriteiten het door de bevoegde autoriteit van de EU-partij afgegeven certificaat en kunnen zij een sanitaire of fytosanitaire inspectie verrichten; eenmaal ingeklaard, kunnen producten die zijn opgenomen in bijlage XIX enkel worden onderworpen aan steekproefsgewijze sanitaire of fytosanitaire inspectie op de plaats van binnenkomst in de republiek van de MA-partij van eindbestemming.

    Voor producten die zijn opgenomen in lijst 1 van bijlage XIX, gaat voornoemde verplichting uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst in.

    Voor producten die zijn opgenomen in lijst 2 van bijlage XIX, gaat voornoemde verplichting uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst in.

  • 5. Onverminderd de rechten en verplichtingen van de partijen (de EU-partij en de republieken van de MA-partij) op grond van de WTO-Overeenkomst en de sanitaire en fytosanitaire procedures en voorschriften die door elke partij zijn vastgesteld, kan een invoerende partij niet worden verplicht een gunstigere behandeling te verlenen aan producten die worden ingevoerd vanuit de uitvoerende partij dan de behandeling die door die uitvoerende partij in haar intraregionale handelsverkeer wordt verleend.

  • 6. Overeenkomstig de in titel XIII (Specifieke taken in handelsaangelegenheden van de op grond van deze overeenkomst ingestelde instanties) van deel IV van deze overeenkomst vastgestelde procedure kan de Associatieraad bijlage XIX (Lijst van producten bedoeld in artikel 306, lid 4) wijzigen naar aanleiding van aanbevelingen die door het subcomité Sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden aan het Associatiecomité worden gedaan.

  • 7. Het in lid 6 genoemde subcomité houdt nauwlettend toezicht op de tenuitvoerlegging van dit artikel.

Artikel 307 Tenuitvoerlegging
  • 1. De partijen erkennen het belang van betere samenwerking om de doelstellingen van deze titel te verwezenlijken en om dit probleem aan te pakken door middel van de mechanismen zoals bedoeld in titel VI (Economische en handelsontwikkeling) van deel III van deze overeenkomst.

  • 2. De partijen verbinden zich ertoe elkaar te raadplegen over kwesties in verband met deze titel, teneinde te zorgen voor de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de regio-tot-regio-dimensie van deze overeenkomst en de doelstellingen van regionale economische integratie.

  • 3. Over de vorderingen van de MA-partij bij de tenuitvoerlegging van deze titel worden door de MA-partij periodieke voortgangsverslagen en werkprogramma’s met betrekking tot de artikelen 304, 305 en 306 opgesteld. De voortgangsverslagen en werkprogramma’s worden schriftelijk gepresenteerd en zetten alle maatregelen uiteen die gericht zijn op de nakoming van de verplichtingen en de verwezenlijking van de doelstellingen zoals gedefinieerd in artikel 304, leden 1, 3 en 4, artikel 305, leden 2, 3 en 4, en artikel 306, leden 3 en 4, alsmede de voorgenomen maatregelen voor de periode voorafgaand aan het volgende voortgangsverslag. De voortgangsverslagen en werkprogramma’s worden elk jaar ingediend totdat de in dit lid gespecificeerde verbintenissen de facto zijn nagekomen.

  • 4. Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst zullen de partijen de opname van nog andere terreinen in deze titel in overweging nemen.

  • 5. De verbintenissen van de MA-partij inzake regionale integratie op grond van deze titel vallen niet onder de geschillenbeslechtingsprocedures op grond van titel X (Geschillenbeslechting) van deel IV van deze overeenkomst.

TITEL X GESCHILLENBESLECHTING
HOOFDSTUK 1 DOEL EN TOEPASSINGSGEBIED
Artikel 308 Doel

Het doel van deze titel is geschillen tussen de partijen over de interpretatie of toepassing van deel IV van deze overeenkomst te vermijden en te beslechten en de partijen, waar mogelijk, tot een wederzijds bevredigende oplossing te laten komen.

Artikel 309 Toepassingsgebied
  • 1. De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op alle geschillen over de interpretatie en toepassing van deel IV van deze overeenkomst, behalve voor zover uitdrukkelijk anders bepaald.

  • 2. Deze titel is niet van toepassing op geschillen tussen de republieken van de MA-partij.

HOOFDSTUK 2 OVERLEG
Artikel 310 Overleg
  • 1. De partijen trachten elk geschil over de interpretatie of toepassing van de in artikel 309 bedoelde bepalingen op te lossen door te goeder trouw overleg te plegen, teneinde tot een wederzijds bevredigende oplossing te komen.

  • 2. Elk van de partijen bij deze overeenkomst verzoekt de andere partij schriftelijk om overleg, met verzending van een kopie naar het Associatiecomité, onder vermelding van de redenen van het verzoek, de rechtsgrondslag voor de klacht en de feitelijke of voorgestelde maatregel die in het geding is.

  • 3. Wanneer de klagende partij de EU-partij is en de vermeende inbreuk op een overeenkomstig lid 2 omschreven bepaling in alle relevante wettelijke en feitelijke aspecten vergelijkbaar is ten aanzien van meer dan één republiek van de MA-partij, kan de EU-partij verzoeken om één enkele overlegprocedure waar deze republieken van de MA-partij bij betrokken zijn47).

  • 4. Wanneer de klagende partij een republiek van de MA-partij is en de vermeende inbreuk op een overeenkomstig lid 2 omschreven bepaling een nadelig effect op de handel48) van meer dan één republiek van de MA-partij heeft, kunnen de republieken van de MA-partij ofwel verzoeken om één enkele overlegprocedure, ofwel binnen vijf dagen na de datum van indiening van het aanvankelijke verzoek om overleg erom verzoeken zich bij het overleg aan te sluiten. De belanghebbende republiek van de MA-partij verstrekt in haar verzoek uitleg over het wezenlijke handelsbelang ter zake.

  • 5. Het overleg vindt plaats binnen dertig dagen na de datum van indiening van het verzoek en wordt, tenzij de partijen anders overeenkomen, gehouden op het grondgebied van de partij waartegen de klacht gericht is. Het overleg wordt dertig dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen overeenkomen het overleg voort te zetten. Wanneer overeenkomstig de leden 3 en 4 meer dan één republiek van de MA-partij betrokken is bij het overleg, wordt dit veertig dagen na de datum van indiening van het aanvankelijke verzoek geacht te zijn afgesloten. Alle tijdens het overleg verstrekte informatie wordt vertrouwelijk behandeld.

  • 6. Bij urgente kwesties, met name ten aanzien van bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, vindt overleg plaats binnen vijftien dagen na de datum van indiening van het verzoek en wordt dit vijftien dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten. Wanneer overeenkomstig de leden 3 en 4 meer dan één republiek van de MA-partij betrokken is bij het overleg, wordt dit twintig dagen na de datum van indiening van het aanvankelijke verzoek geacht te zijn afgesloten.

  • 7. Indien de partij waartegen de klacht is gericht, niet reageert op het verzoek om overleg binnen tien dagen na de datum van ontvangst van het verzoek, indien het overleg niet binnen de in respectievelijk lid 5 of lid 6 genoemde termijnen plaatsvindt, of indien het overleg is afgesloten zonder dat het geschil is opgelost, kan de klagende partij verzoeken om de instelling van een panel overeenkomstig artikel 311.

  • 8. Indien meer dan twaalf maanden van inactiviteit zijn verlopen vanaf de datum van het laatste overleg en indien de grond van het geschil blijft bestaan, kan de klagende partij om nieuw overleg verzoeken. Dit lid is niet van toepassing indien de inactiviteit voortvloeit uit pogingen te goeder trouw om overeenkomstig artikel 324 tot een wederzijds bevredigende oplossing te komen.

HOOFDSTUK 3 PROCEDURES VOOR GESCHILLENBESLECHTING
AFDELING A PANELPROCEDURE
Artikel 311 Inleiding van de panelprocedure
  • 1. Wanneer de partijen er niet in zijn geslaagd het geschil overeenkomstig de bepalingen van artikel 310 op te lossen, kan de klagende partij verzoeken om de instelling van een panel om de kwestie te onderzoeken.

  • 2. Het verzoek om instelling van een panel moet schriftelijk worden gedaan bij de partij waartegen de klacht is gericht, met verzending van een kopie naar het Associatiecomité. De klagende partij vermeldt in haar verzoek de specifieke maatregel die in het geding is, vermeldt de rechtsgrondslag voor de klacht en legt uit waarom die maatregel een inbreuk op de in artikel 309 bedoelde bepalingen is.

  • 3. Elke partij die op grond van lid 1 gerechtigd is te verzoeken om de instelling van een panel, kan zich als klagende partij bij de panelprocedure aansluiten na schriftelijke kennisgeving aan de andere partijen bij het geschil. Deze kennisgeving dient uiterlijk vijf dagen na de datum van ontvangst van het aanvankelijke verzoek om instelling van een panel te worden ingediend.

  • 4. Het is niet toegestaan om de instelling van een panel te verzoeken om een voorgestelde maatregel te onderzoeken.

Artikel 312 Instelling van het panel
  • 1. Het panel bestaat uit drie panelleden.

  • 2. De partijen bij het geschil plegen binnen tien dagen na de datum van indiening van het verzoek om instelling van een panel overleg teneinde tot overeenstemming te komen over de samenstelling van het panel49).

  • 3. Indien de partijen bij het geschil er niet in slagen binnen de in lid 2 bepaalde termijn tot overeenstemming te komen over de samenstelling van het panel, heeft elke partij bij het geschil het recht om binnen drie dagen na afloop van de in lid 2 bepaalde termijn uit de personen die zijn opgenomen in de in artikel 325 vastgestelde lijst één panellid te selecteren, dat echter niet zal optreden als voorzitter. De voorzitter van het Associatiecomité of diens vertegenwoordiger selecteert vervolgens door loting de voorzitter en eventueel resterende panelleden uit de desbetreffende personen die zijn opgenomen in de in artikel 325 vastgestelde lijst.

  • 4. De voorzitter van het Associatiecomité of diens vertegenwoordiger verricht de loting binnen vijf dagen na ontvangst van een verzoek hiertoe van een of beide partijen bij het geschil. De loting wordt verricht op een tijdstip en een plaats die onverwijld aan de partijen bij het geschil worden medegedeeld. Desgewenst kunnen de partijen bij het geschil tijdens de loting aanwezig zijn.

  • 5. De partijen bij het geschil kunnen in onderling overleg en binnen de in lid 2 vastgestelde termijn personen selecteren die niet zijn opgenomen in de lijst van panelleden, maar die wel voldoen aan de in artikel 325 vastgestelde vereisten.

  • 6. De datum van instelling van het panel is de datum waarop alle panelleden kennisgeving hebben gedaan van de aanvaarding van hun selectie.

Artikel 313 Uitspraak van het panel
  • 1. Het panel stelt de partijen bij het geschil binnen honderdtwintig dagen na de datum van instelling van het panel in kennis van zijn uitspraak ter zake, met verzending van een kopie naar het Associatiecomité.

  • 2. Wanneer het panel van oordeel is dat de in lid 1 genoemde termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het panel de partijen bij het geschil onverwijld schriftelijk hiervan in kennis, met verzending van een kopie naar het Associatiecomité, onder vermelding van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel zijn werk wel denkt te kunnen voltooien. Tenzij er uitzonderlijke omstandigheden gelden, wordt de uitspraak uiterlijk honderdvijftig dagen na de datum van instelling van het panel medegedeeld.

  • 3. In dringende gevallen, met name wanneer de zaak betrekking heeft op bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, stelt het panel alles in het werk om binnen zestig dagen na zijn instelling kennisgeving te doen van zijn uitspraak. Tenzij er uitzonderlijke omstandigheden gelden, wordt de uitspraak uiterlijk vijfenzeventig dagen na de datum van instelling van het panel medegedeeld. Het panel kan op verzoek van een partij bij het geschil binnen tien dagen na zijn instelling een voorlopige uitspraak doen over de vraag of het de zaak dringend acht.

AFDELING B NALEVING
Artikel 314 Naleving van de uitspraak van het panel
  • 1. Waar van toepassing, neemt de partij waartegen de klacht is gericht, zonder onnodige vertraging de nodige maatregelen om de uitspraak van het panel in de zaak in kwestie te goeder trouw na te leven, en de partijen bij het geschil trachten overeenstemming te bereiken over de termijn voor de naleving.

  • 2. Ten behoeve van de naleving houden de partijen bij het geschil, en in ieder geval het panel, rekening met de mogelijke effecten van de strijdig met deze overeenkomst bevonden maatregel op het ontwikkelingsniveau van de partij waartegen de klacht is gericht.

  • 3. Wanneer de uitspraak van het panel niet volledig en tijdig wordt nageleefd, kunnen compensatie of schorsing van verplichtingen als tijdelijke maatregelen worden toegepast. In dat geval streven de partijen bij het geschil ernaar eerder een compensatie overeen te komen dan over te gaan tot schorsing van verplichtingen. Compensatie noch schorsing van verplichtingen verdient echter de voorkeur boven volledige en tijdige tenuitvoerlegging van de uitspraak van het panel.

  • 4. Wanneer een uitspraak van het panel van toepassing is op meer dan één republiek van de MA-partij als klagende partij of partij waartegen de klacht is gericht, geldt elke compensatie of schorsing van verplichtingen ingevolge deze titel afzonderlijk voor elke republiek van de MA-partij. Daartoe bepaalt het panel voor elke republiek van de MA-partij afzonderlijk de mate waarin de schending de voordelen voor de desbetreffende partij tenietdoet of beperkt.

Artikel 315 Redelijke termijn voor naleving
  • 1. De partij waartegen de klacht is gericht, stelt de klagende partij onverwijld in kennis van de redelijke termijn die nodig is voor de naleving, alsmede van de specifieke maatregelen die zij van plan is te nemen, voor zover dit mogelijk is.

  • 2. De partijen bij het geschil streven ernaar binnen dertig dagen na kennisgeving van voornoemde uitspraak aan de partijen bij het geschil overeenstemming te bereiken over de redelijke termijn die nodig is voor de naleving. Zodra overeenstemming wordt bereikt, stellen de partijen bij het geschil het Associatiecomité in kennis van de overeengekomen redelijke termijn en, waar mogelijk, van de specifieke maatregelen die de partij waartegen de klacht is gericht, van plan is te nemen.

  • 3. Wanneer de partijen bij het geschil binnen de in lid 2 bepaalde termijn geen overeenstemming bereiken over de redelijke termijn om aan de uitspraak van het panel te voldoen, kan de klagende partij het oorspronkelijke panel verzoeken de redelijke termijn te bepalen. Dat verzoek wordt schriftelijk gedaan en tegelijkertijd medegedeeld aan de andere partij bij het geschil, met een kopie aan het Associatiecomité. Het panel stelt de partijen bij het geschil binnen twintig dagen na indiening van het verzoek in kennis van zijn uitspraak, met verzending van een kopie naar het Associatiecomité. Wanneer een uitspraak van het panel betrekking heeft op meer dan één republiek van de MA-partij, bepaalt het panel voor elke republiek van de MA-partij de redelijke termijn.

  • 4. Indien het oorspronkelijke panel, of een of meer van de leden daarvan, niet opnieuw kan bijeenkomen, zijn de desbetreffende procedures van artikel 312 van toepassing. De termijn voor de kennisgeving van de uitspraak bedraagt vijfendertig dagen vanaf de datum van indiening van het in lid 3 bedoelde verzoek.

  • 5. De partij waartegen de klacht is gericht, brengt verslag uit aan het Associatiecomité over de genomen en te nemen maatregelen om te voldoen aan de uitspraak van het panel. Het verslag wordt schriftelijk en uiterlijk halverwege de redelijke termijn ingediend.

  • 6. De partijen bij het geschil kunnen de redelijke termijn in onderling overleg verlengen. Alle in dit artikel vermelde termijnen maken deel uit van de redelijke termijn.

Artikel 316 Onderzoek van maatregelen getroffen tot naleving van de uitspraak van het panel
  • 1. De partij waartegen de klacht is gericht, stelt de klagende partij, met verzending van een kopie naar het Associatiecomité, vóór afloop van de redelijke termijn in kennis van alle maatregelen die zij heeft genomen om aan de uitspraak van het panel te voldoen en verstrekt daarbij details zoals de datum van inwerkingtreding, de desbetreffende tekst van de maatregel en een feitelijke en juridische uitleg van hoe de ten behoeve van de naleving genomen maatregel ervoor zorgt dat de partij waartegen de klacht is gericht, deze overeenkomst weer naleeft.

  • 2. Wanneer er tussen de partijen bij het geschil onenigheid bestaat over de vraag of een maatregel waarvan overeenkomstig lid 1 kennisgeving is gedaan, daadwerkelijk bestaat dan wel in overeenstemming is met de in artikel 309 bedoelde bepalingen, kan de klagende partij het oorspronkelijke panel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. In dat verzoek wordt aangegeven om welke specifieke maatregel het gaat en wordt uitgelegd waarom deze niet in overeenstemming is met de in artikel 309 bedoelde bepalingen. Het panel deelt zijn uitspraak binnen vijfenveertig dagen na de datum van indiening van het verzoek mede. Wanneer een uitspraak van het panel betrekking heeft op meer dan één republiek van de MA-partij, doet het panel, indien nodig gezien de omstandigheden, voor elke republiek van de MA-partij zijn uitspraak overeenkomstig dit artikel.

  • 3. Indien het oorspronkelijke panel, of een of meer van de leden daarvan, niet opnieuw kan bijeenkomen, zijn de desbetreffende procedures van artikel 312 van toepassing. De termijn voor de kennisgeving van de uitspraak bedraagt zestig dagen vanaf de datum van indiening van het in lid 2 bedoelde verzoek.

Artikel 317 Tijdelijke maatregelen bij niet-naleving
  • 1. Indien een partij waartegen een klacht is gericht, niet voor afloop van de in artikel 316, lid 1, vastgestelde redelijke termijn kennis geeft van een maatregel die zij heeft getroffen om de uitspraak van het panel na te leven, of indien het panel oordeelt dat de maatregel waarvan overeenkomstig artikel 316, lid 1, kennis is gegeven, niet in overeenstemming is met de verplichtingen van de partij uit hoofde van de in artikel 309 bedoelde bepalingen, doet de partij waartegen de klacht is gericht, de klagende partij, op haar verzoek, een aanbod voor compensatie. Wanneer een uitspraak van het panel van toepassing is op meer dan één republiek van de MA-partij, doet elke republiek van de MA-partij een aanbod voor compensatie of wordt elke republiek van de MA-partij een aanbod voor compensatie gedaan, al naargelang, rekening houdend met de mate waarin de schending overeenkomstig artikel 314, lid 4, de voordelen voor de desbetreffende partij tenietdoet of beperkt, alsmede alle maatregelen waarvan overeenkomstig artikel 316, lid 1, kennis is gegeven. De EU-partij betracht de nodige terughoudendheid bij het vragen van compensatie overeenkomstig dit lid.

  • 2. Indien de partijen niet binnen dertig dagen na afloop van de redelijke termijn of na de in artikel 316 bedoelde kennisgeving van de uitspraak van het panel dat een maatregel die is getroffen om de uitspraak na te leven niet in overeenstemming is met de in artikel 309 bedoelde bepalingen, overeenstemming over compensatie bereiken, is de klagende partij gerechtigd om, na de partij waartegen de klacht is gericht hiervan in kennis te hebben gesteld, met verzending van een kopie naar het Associatiecomité, de verplichtingen op grond van de in artikel 309 bedoelde bepalingen te schorsen in een mate die evenredig is met de mate waarin de schending de voordelen voor de klagende partij tenietdoet of beperkt. In de kennisgeving wordt aangegeven welke verplichtingen de klagende partij beoogt te schorsen. De klagende partij kan de schorsing tien dagen na de datum van kennisgeving laten ingaan, tenzij de partij waartegen de klacht is gericht, overeenkomstig lid 3 om een uitspraak van het panel heeft verzocht. Wanneer een uitspraak van het panel van toepassing is op meer dan één republiek van de MA-partij, geldt de schorsing van verplichtingen voor elke afzonderlijke republiek van de MA-partij die haar verplichtingen niet nakomt, of wordt deze toegepast door elke afzonderlijke republiek van de MA-partij, al naargelang, rekening houdend met de mate waarin de schending overeenkomstig artikel 314, lid 4, voor elk afzonderlijk de voordelen tenietdoet of beperkt, alsmede met alle maatregelen waarvan overeenkomstig artikel 316, lid 1, kennis is gegeven.

  • 3. Indien een partij waartegen een klacht is gericht, van oordeel is dat de mate van schorsing niet gelijkwaardig is aan de mate waarin de schending de voordelen voor de andere partij tenietdoet of beperkt, kan zij het oorspronkelijke panel schriftelijk verzoeken hierover een uitspraak te doen. Een dergelijk verzoek wordt vóór afloop van de in lid 2 bedoelde termijn van tien dagen kenbaar gemaakt aan de andere partij, met verzending van een kopie naar het Associatiecomité. Het panel maakt zijn uitspraak over de mate van schorsing van verplichtingen binnen dertig dagen na de datum van indiening van het verzoek bekend aan de partijen bij het geschil, met verzending van een kopie naar het Associatiecomité. Er worden geen verplichtingen geschorst voordat het panel zijn uitspraak heeft medegedeeld en de eventuele schorsing dient in overeenstemming te zijn met de uitspraak van het panel.

  • 4. Indien het oorspronkelijke panel, of een of meer van de leden daarvan, niet opnieuw kan bijeenkomen, zijn de desbetreffende procedures van artikel 312 van toepassing. De termijn voor de kennisgeving van de uitspraak bedraagt vijfenveertig dagen vanaf de datum van indiening van het in lid 3 bedoelde verzoek.

  • 5. Wanneer overeenkomstig lid 1 voordelen worden geschorst, betracht de EU-partij een passende matiging, rekening houdend met onder andere het waarschijnlijke effect op de economie en het ontwikkelingsniveau van de partij waartegen de klacht is gericht, en kiest zij voor maatregelen die bevorderen dat de partij waartegen de klacht is gericht, alsnog overgaat tot naleving, en die het minst risico inhouden dat de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst nadelig wordt beïnvloed.

  • 6. De schorsing van verplichtingen is tijdelijk en wordt slechts toegepast totdat de specifieke maatregel(en) waarvan is vastgesteld dat deze niet in overeenstemming is of zijn met de in artikel 309 bedoelde bepalingen, in overeenstemming is of zijn gebracht met die bepalingen, zoals vastgesteld in artikel 318, of totdat de partijen bij het geschil zijn overeengekomen het geschil bij te leggen.