Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201935000-XIV nr. 8

35 000 XIV Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (XIV) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2019

Nr. 8 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 29 oktober 2018

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 28 september 2018 voorgelegd aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Bij brief van 26 oktober 2018 zijn ze door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Voorzitter van de commissie, Kuiken

Griffier van de commissie, Haveman-Schüssel

1. Kunt u toelichten waarom niet alle auditrapporten van de Auditdienst Rijk (ADR) die betrekking hebben op het werkveld van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) openbaar zijn gemaakt?

Antwoord

Alle auditrapporten van de Auditdienst Rijk (ADR) die betrekking hebben op het werkveld van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zijn openbaar gemaakt, behalve het Auditrapport 2017 van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en het Auditrapport 2017 Diergezondheidsfonds. Deze omissie is inmiddels rechtgezet en de rapporten zijn nu gepubliceerd.

2. Welke ADR-rapporten op LNV-terrein zijn niet openbaar gemaakt en kunt u per auditrapport toelichten waarom deze niet openbaar is gemaakt?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 1.

3. Bent u bereid de nog ontbrekende rapporten van de ADR zo spoedig mogelijk openbaar te maken?

Antwoord

De niet openbaar gemaakte rapporten zijn inmiddels openbaar gemaakt.

4. Kunt u toezeggen de rapporten van de ADR op het terrein van LNV in het vervolg binnen zes weken na publicatie openbaar te maken?

Antwoord

Ja, tenzij de aard en de inhoud van het rapport zich daartegen verzetten. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) volgt daarbij de rijksbrede lijn. Over deze lijn bent u door de Minister van Financiën geïnformeerd middels een begeleidende brief bij de beantwoording van vragen van de leden Ronnes en Omtzigt (beiden CDA) aan de Ministers van Financiën, van Veiligheid en Justitie, de Staatssecretaris van Financiën en de Minister van Defensie over de rapporten van de Auditdienst Rijk (Kamerstuk 32 802, nr. 23).

5. Welk deel van de kosten voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gaat naar sancties en boetes voor schending van het dierenwelzijn?

Antwoord

De volledige omvang hiervan kan niet worden bepaald, omdat de kosten die de NVWA maakt niet op dit detailniveau worden geregistreerd. Om een beeld te geven van de orde van grootte kan het volgende gemeld worden. Bij de divisie juridische zaken houden zich in 2018 ongeveer 5 fte (ca. € 0,7 miljoen) bezig met het opstellen van boetes en maatregelen op het gebied van dierenwelzijn. Naast deze inzet besteden ook inspecteurs en opsporingsmedewerkers tijd aan het opstellen van de Rapporten van Bevindingen (RvB), de processen verbaal en schriftelijke waarschuwingen op het terrein van dierenwelzijn.

6. Hoeveel geld is er in de begroting gereserveerd voor implementatie van de nieuwe landbouwvisie?

Antwoord

Met de visie zet ik de fundamentele omslag in naar kringlooplandbouw. Dit is een opgave die het commitment en de inzet van velen vraagt; ik zie het primair als mijn rol om voor dat commitment en die inzet maatschappelijk draagvlak te realiseren. De overheid (LNV) zal daarbij ook een partner in verandering zijn, wat betekent dat de visie doorwerking krijgt in het LNV-beleid, inclusief de begroting. De komende tijd zal de uitvoering van de visie vormgegeven worden – intern en met maatschappelijke partijen. Daarvoor zal werkbudget beschikbaar worden gemaakt. Het kabinet vertrouwt op de kracht in de samenleving om de omslag, die in de Visie Landbouw, Natuur en Voedsel, waardevol en verbonden (Kamerstuk 35000 XIV, hierna: LNV-visie) wordt geschetst, te bereiken.

De eerste stap is dat maatschappelijke partijen en overheid medio 2019 tot afspraken komen over hoe de transitie de komende jaren bereikt gaat worden, hoe resultaten gemeten gaan worden en welke inzet dat van eenieder vraagt.

Dit is in eerste instantie geen budgettaire opgave. Veel van de budgetten liggen ofwel grotendeels vast of lopen niet via de LNV-begroting, zoals de betalingen vanuit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Agrarisch ondernemen, ook natuurinclusief en met sluitende kringlopen op zo klein mogelijk niveau, moet lonend zijn uit zichzelf. De LNV-visie is wel richtinggevend, bijvoorbeeld in onderhandelingen over het nieuwe GLB en in de verdere uitwerking van bijvoorbeeld het interbestuurlijk programma Vitaal Platteland en de warme sanering van de varkenshouderij. Ook de partijen betrokken bij de klimaattafel Landbouw en landgebruik kunnen de LNV-visie betrekken bij het uitwerken van de concrete plannen.

Waar kennis- en innovatieopgaven liggen, zal de LNV-visie worden verbonden aan de uitwerking van een missiegedreven innovatieaanpak onder het thema Landbouw, Water, Voedsel. Dit onder meer in samenspraak met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). De missies die in het kader van dit traject worden gedefinieerd, zullen richtinggevend zijn voor de inzet van de topsectoren Agri&Food (AF) en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen (TU), maar ook voor onderdelen van de kennis- en innovatieagenda’s van de Topsector Water en andere sectoren die aan deze missie kunnen bijdragen (bijvoorbeeld vanuit sleuteltechnologieën).

In dit traject worden de bestaande budgetten voor de topsectoren en de extra middelen die in het regeerakkoord zijn vrijgemaakt voor toegepast onderzoek, onder meer voor de TO2-instituten en Publiek-Private Samenwerking (PPS) en het midden- en kleinbedrijf (mkb), ingezet. Waar mogelijk zal hier ook de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) bij worden betrokken.

Het is goed ons te realiseren dat er al veel trajecten lopen die bijdragen aan de doelen die de LNV-visie schetst. Denk aan het advies dat de commissie Grondgebondenheid (LTO en NZO) heeft opgesteld voor mineralenkringlopen en om veevoer meer lokaal te produceren. Of de inzet voor precisielandbouw, die heel precies gebruik van hulpstoffen mogelijk maakt, of de verduurzaming van de visserij. Andere voorbeelden zijn de pilotprojecten uit het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn (zoals het project Kunstmestvrije Achterhoek), de ondersteuning van het dit jaar opgerichte Nederlands Centrum voor Mestverwaarding en kennis- en innovatieprogramma’s zoals Kas als Energiebron.

De LNV-visie geeft richting om al die (nieuwe) initiatieven en kennis en innovatie beter op elkaar af te stemmen en elkaar te laten versterken.

7. Welke nieuwe investeringen in kringlooplandbouw worden gedaan en ten koste van welke investeringen wordt dit gedaan?

Antwoord

Ik hanteer de LNV-visie en de daarin opgenomen meetlat voor het toetsen van geldend en natuurlijk ook voor nieuw beleid. Diverse investeringen van het Ministerie van LNV dragen bij aan de ontwikkelingen naar kringlooplandbouw. Van concrete herschikking van middelen binnen de begroting is nog geen sprake. Mijn LNV-visie zal nader worden uitgewerkt en daarbij zal ook worden bekeken of financiële herschikking nodig is om bepaalde onderwerpen te versterken die de transitie naar kringlooplandbouw versnellen.

8. Hoeveel budget wordt er binnen de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM), of daarbuiten, vrijgemaakt voor goede monitoring om een basisbeeld te krijgen van hoe haaien en roggen gebruik maken van de Noordzee?

Antwoord

Er is geen apart budget gealloceerd om het gebruik van de Noordzee specifiek door haaien en roggen te monitoren. De KRM-gegevens over haaien en roggen komen uit de vissurveys die onder het Gemeenschappelijke Visserij Beleid worden uitgevoerd op basis van het Data Collection Framework.

9. Hoeveel budget wordt er binnen de KRM vrijgemaakt voor de (bij)vangsten van haaien en roggen in de visserij (met betrekking tot de uitzondering op de aanlandplicht)?

Antwoord

In het kader van het Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) haaienactieplan dat uw Kamer op 13 mei 2016 heeft ontvangen (Kamerstuk 33 450, nr. 48), heb ik met stakeholders gewerkt aan concrete voorstellen voor het verhogen van de overlevingskans van haaien en roggen en voor het verlagen van de ongewenste bijvangst. Deze hebben dit voorjaar de bouwstenen gevormd voor een voorstel voor een uitzondering van de aanlandplicht voor roggen op basis van hoge overleving. Ten behoeve van de uitvoering van deze uitzondering op de aanlandplicht wordt er momenteel op verzoek van de Europese Commissie (EC) een roadmap opgesteld. Hierin moet worden uiteengezet op welke wijze lidstaten kennislacunes willen gaan vullen de komende jaren. Daarnaast moet er in 2019 een actieplan komen vanuit de sector met maatregelen die vissers op schepen kunnen nemen om overleving te vergroten. Het benodigde budget voor het vullen van kennislacunes is momenteel nog niet bekend en moet bezien worden samen met andere lidstaten. Middelen vanuit het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV-fonds) kunnen hiervoor worden benut. Vanuit de KRM is geen budget beschikbaar.

10. Hoeveel geld wordt er geïnvesteerd in kennis en innovatie binnen de biologische sector?

Antwoord

Voor projecten voor de ontwikkeling en verspreiding van kennis en innovatie is jaarlijks € 130.000 beschikbaar. Hiernaast is in de jaren 2016 t/m 2018 ongeveer € 300.000 geïnvesteerd in onderzoek voor de biologische sector in het kader van het multilaterale samenwerkingsverband ERA-net Core Organic. In datzelfde verband zal in 2018–2020 ongeveer € 1,3 miljoen worden geïnvesteerd. Door het karakter van de internationale onderzoeksprojecten waarbij de nationale financiers elk maar een deel van een veel groter onderzoeksproject betalen, is er een hefboomwerking van de Nederlandse investering. Hierdoor komt voor een veel groter bedrag aan onderzoekproducten beschikbaar voor de Nederlandse biologische sector. Het Ministerie van LNV laat zich in deze samenwerking bijstaan door Bionext om maximaal met de sector de vraagarticulatie en de doorstroming van de onderzoeksresultaten te realiseren.

In de topsectoren AF en TU bestaan meerdere integrale onderzoeksprogramma’s waar de biologische sector deel van uitmaakt. Omdat deze programma’s veelal niet alleen de biologische sector dienen, is een duiding van budgetten niet te geven.

11. Wat vindt u van de uitslag van het voedsel referendum in Zwitserland en welke zaken kunnen hieruit worden geleerd voor de Nederlandse situatie?

Antwoord

In het voedselreferendum van 23 september 2018 konden de Zwitsers zich uitspreken over voorstellen voor een duurzamere en meer lokale voedselketen. Ruim 60 procent stemde uiteindelijk tegen de voorstellen. In de aanloop naar het referendum had de Zwitserse regering gewaarschuwd voor de onuitvoerbaarheid van de voorstellen. In dat licht is het niet vreemd dat de voorstellen zijn weggestemd. Het is wel een goed streven dat al het voedsel dat op ons bord ligt duurzaam geproduceerd is. In Nederland ben ik hier hard mee bezig door het consumenten steeds gemakkelijker te maken om een duurzame keuze te maken. En door het bedrijfsleven te stimuleren om te blijven verduurzamen. Samenwerking in de keten is hiervoor essentieel (zie ook de LNV-visie).

12. Kunt u toelichten of er geld gereserveerd is voor de ontwikkeling en Nederlandse inzet voor innovatieve toepassingen zoals CRISPR-Cas en mutagenese?

Antwoord

Vanuit verschillende budgetten, zoals budget voor kennisbasis en PPS-projecten binnen de Topsector TU, wordt onderzoek gefinancierd naar veredelingstechnieken. Crispr-Cas is een techniek die Wageningen University & Research (WUR) bijvoorbeeld vanuit kennisbasis onderzoekt.

13. Kunt u toelichten of geld is gereserveerd voor het voedselverspillingsbeleid?

Antwoord

Voor het voedselverspillingsbeleid is tot nu toe een bedrag van € 7 miljoen (2018–2021) gereserveerd, dat vooral wordt ingezet voor de acties van de Taskforce Circular Economy in Food. Zie verder Kamerstuk 31 532 nr. 190 van 20 maart 2018.

14. Op welke wijze worden bestaande initiatieven en kennis over kringlooplandbouw ondersteund?

Antwoord

Binnen de begroting van het Ministerie van LNV voor het jaar 2019 zijn middelen beschikbaar om innovaties te stimuleren, bijvoorbeeld via de topsectoren AF en TU. Daarnaast kunnen ondernemers gebruik maken van subsidieregelingen, van diverse fiscale faciliteiten en van financieringsfaciliteiten. Ook vanuit het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn worden diverse initiatieven die bijdragen aan kringlooplandbouw ondersteund.

15. Op welke wijze wordt de innovatieve biologische sector ondersteund, met name in haar transitie richting kringlooplandbouw?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 10.

16. Hoe behoudt u de hoogwaardige kwaliteit en een hoog plantgezondheidsniveau van plantaardige producten?

Antwoord

Een hoogwaardige kwaliteit en een hoog plantgezondheidsniveau van plantaardige producten zijn voor de Nederlandse concurrentiekracht van groot belang. Het beschermen van gewassen tegen ziekten, plagen en onkruiden is een belangrijke randvoorwaarde om een hoogwaardige en duurzame productie te blijven realiseren.

Belangrijk speerpunt is het voorkomen van de in- en uitsleep van plantenziekten in Nederland. Belangrijke uitvoerende organisaties hierin zijn de NVWA en de plantaardige keuringsdiensten. Het beleid voor plantgezondheid/fytosanitaire zaken speelt zich in hoge mate af in een internationale context. Nederland kent een grote handel in plantaardig materiaal en het maken van goede afspraken hierover in internationaal kader is essentieel. Nederland blijft de inzet zowel in multilateraal kader als in bilaterale afspraken (markttoegang) in 2019 voortzetten. Verder zal de implementatie van de herziening van het nieuwe Europese fytosanitaire stelsel worden voortgezet.

17. Hoe wordt de Nederlandse concurrentiekracht versterkt?

Antwoord

Zoals eerder gemeld, bijvoorbeeld in de brief aan uw Kamer (Kamerstuk 31 104, nr. 4) met de onderzoeksopzet van de voorgenomen beleidsdoorlichting van begrotingsartikel 6, richt het LNV-beleid zich op internationaal toonaangevende, concurrerende, sociaal verantwoorde, veilige, en dier- en milieuvriendelijke agro-, visserij- en voedselketens. Deze algemene doelstelling is geoperationaliseerd in een aantal doelstellingen, waaronder versterking van concurrentiekracht en verduurzaming van agroketens en visserij.

Het beleid om de concurrentiekracht van de Nederlandse agrosector verder te versterken maakt ook onderdeel uit van het bedrijvenbeleid waarmee het kabinet inzet op verduurzaming en vernieuwing van de Nederlandse economie. Het beleid versterkt onder andere gerichte samenwerking tussen bedrijven, onderzoekers en overheden om innovatie te bevorderen.

18. Hoe is de ambitie van de Landbouwvisie vormgegeven in deze begroting en wat zijn de extra investeringen die de realisatie hiervan dichterbij brengen?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 6.

19. Klopt het dat er geen extra investeringen worden gedaan in duurzame veehouderij, duurzame plantaardige productie en kennisontwikkeling?

Antwoord

Nee. Voor een additionele reductie van broeikasgasemissies in de veehouderij en de glastuinbouw en voor het Programma bodem zijn extra middelen uit de Klimaatenveloppe beschikbaar gemaakt. Verder is een enveloppe van € 200 miljoen gereserveerd voor de sanering van de varkenshouderij en de verduurzaming van de varkens-, pluimvee- en melkgeitenhouderij (Kamerstuk 28 973, nr. 200).

Binnen de begroting van het Ministerie van LNV voor het jaar 2019 zijn subsidiemiddelen beschikbaar voor innovaties en kennisontwikkeling (PPS) projecten via de Topsector AF en de Topsector TU. Ook zijn middelen beschikbaar voor het actie- en innovatieprogramma Kas als Energiebron en de subsidieregelingen Marktintroductie Energie Innovaties (MEI) en Energie-efficiëntie glastuinbouw (EG). Daarnaast kunnen ondernemers gebruik maken van de subsidieregeling Stimulering duurzame energieproductie (SDE+), Demonstratie energie-innovatie (DEI), Hernieuwbare energie (HE), van fiscale faciliteiten zoals de Energie-investeringsaftrek (EIA), milieu-investeringsaftrek (MIA) en Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil) op basis van de Maatlat Duurzame Veehouderij en van financieringsfaciliteiten als de Borgstelling MKB Landbouwkredieten (BL), Regeling groenprojecten en van de regeling Risico’s afdekken voor aardwarmte.

20. Waar in de begroting staan de middelen voor het Haaienactieplan voor Caribisch Nederland, dat in de brief van de voormalig Staatssecretaris van Economische Zaken (EZ) op korte termijn is toegezegd, maar de Kamer nog niet heeft bereikt (Kamerstuk 33 450, nr. 48)?

Antwoord

De middelen voor het Haaienactieplan voor Caribisch Nederland maken onderdeel uit van het opdrachtenbudget voor Caribisch Nederland binnen artikel 12.

21. Bent u aangesloten bij de interdepartementale werkgroep Behavioural Insights Netwerk Nederland (BIN NL) en in welke mate is BIN NL betrokken bij het voedselverspillingbeleid?

Antwoord

Om kennis en ervaringen te delen is in 2014 het Behavioural Insights Netwerk Nederland opgericht. Alle ministeries nemen hieraan deel, zo ook het Ministerie van LNV. Met betrokkenheid van het Behavioural Insights Team van het Ministerie van EZK/LNV zijn verkennende onderzoeken en interventies uitgevoerd naar gedragsfactoren bij voedselverspilling. Zie hiervoor ook de BIN NL Rapportage «Rijk aan gedragsinzichten: editie 2017», die op 23 november 2017 door de Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) aan uw Kamer is gezonden (Kamerstuk 34 775 XII, nr. 10).

22. Kunt u aangeven onder welke begrotingsartikelen en daarbinnen op welke onderdelen vrije ruimte is in de begroting?

Antwoord

Er is geen sprake van vrije ruimte in de begroting. Wel is er sprake van niet-juridisch verplichte ruimte. Deze uitgaven hebben wel een bestemming en zijn veelal bestuurlijk gebonden. Er liggen onder andere programma’s, acties en jaarlijks terugkerende toezeggingen onder die nog niet feitelijk juridisch verplicht zijn, maar ook niet op korte termijn terug te draaien zijn. In artikel 11 (Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens) zit € 20 miljoen aan niet-juridisch verplichte uitgaven voor 2019. Dit betreft de onderdelen Agrarisch ondernemerschap (€ 2 miljoen), Mestbeleid (€ 5,1 miljoen), Plantgezondheid (€ 3,1 miljoen), Integraal voedselbeleid (€ 2,4 miljoen), Kennisontwikkeling & (agrarische) innovatie (€ 2,6 miljoen), Medebewind voormalige productschappen (€ 4 miljoen) en Overig (€ 0,8 miljoen).

In artikel 12 (Natuur en biodiversiteit) gaat het om niet-juridisch verplichte uitgaven van € 12 miljoen. Hierbinnen gaat het om de onderdelen Grote wateren (€ 4,2 miljoen), Vermaatschappelijking natuur & biodiversiteit (€ 3,3 miljoen), Natuur & biodiversiteit op land (€ 2,2 miljoen), Internationale samenwerking (€ 1,9 miljoen) en Overig (€ 0,2 miljoen).

23. Hoe zijn de uitgaven ten aanzien van het Caribisch gebied die u schetst op pagina 6 te rijmen met de uitgaven waaraan op pagina 47 wordt gerefereerd?

Antwoord

De uitgaven op pagina 6 van de toelichting op de begroting van LNV betreft het budget opdrachten Caribisch Nederland. Naast dit budget is op pagina 47 van deze toelichting ook het budget bijdragen medeoverheden Caribisch Nederland opgenomen. Dit laatste budget heeft betrekking op een eenmalig beschikbaar gesteld budget van € 7,5 miljoen voor natuurprojecten. Hiervoor vinden de laatste betalingen plaats in 2019.

24. Ligt het gezien uw verantwoordelijkheid voor de natuur op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES), niet voor de hand dat u de financiering van het Dutch Caribbean Nature Alliance (DCNA) overneemt?

Antwoord

Dit ligt niet voor de hand: de kerntaken van Dutch Carribean Nature Alliance (DCNA) liggen op het terrein van natuurbeheer, waar de drie openbare lichamen en de drie andere landen van het Koninkrijk verantwoordelijk voor zijn. Dit neemt overigens niet weg dat ik de DCNA financier voor taken die onder mijn verantwoordelijkheid vallen op het terrein van onderzoek en communicatie.

25. Hoe duidt u het woord «minimaal» in de zin dat ten aanzien van de landbouw het «effect op de gezondheid van omwonenden minimaal» zou moeten zijn en welke schade aan de volksgezondheid vindt u acceptabel?

Antwoord

Het woord «minimaal» moet in deze context gelezen worden als «zo klein mogelijk». Zoals ik ook heb aangegeven in de LNV-visie past bij de verdere verduurzaming van de veehouderij ook de overgang naar integraal duurzame en emissiearme stal- en houderijsystemen. Deze verbeteren het leefklimaat voor mens en dier of voorkomen de emissies van broeikasgassen, ammoniak, geur en fijnstof.

26. Op welke zal gemonitord worden dat de bodem «blijvend gezond» wordt gehouden en in hoeverre wordt ingezet op integrale monitoring van bijvoorbeeld het hele landschap?

Antwoord

Binnen het bodemprogramma wordt met onderzoeksinstellingen en betrokken partijen gewerkt aan deugdelijke, eenduidige en praktisch hanteerbare set indicatoren en breed toepasbare instrumenten om de kwaliteit van landbouwbodems (chemisch – inclusief C vastlegging, fysisch én biologisch) te monitoren ten behoeve van het streefdoel alle landbouwbodems duurzaam beheerd in 2030. Er wordt naar gestreefd dat deze binnen enkele jaren door agrariërs toegepast kunnen worden.

Tijdens het Algemeen Overleg (AO) Landbouw- en Visserijraad van 12 juni jl. heb ik met u gesproken over de bescherming van landschapselementen, en toegezegd u te informeren over de huidige situatie en mogelijkheden inzake houtopstanden. In mijn brief van 15 oktober jl. aan uw Kamer hierover heb ik toegelicht dat provincies primair verantwoordelijk zijn voor het landschapsbeleid, en dat er in Nederland nog geen kaart is waarop alle landschapselementen in beeld zijn gebracht. Hier en daar zijn wel de inrichtende elementen in kaart gebracht die een onderdeel vormen van een landbouwperceel. Het kabinet ziet echter voor het nieuwe GLB kansen om te bezien hoe landschapselementen in het GLB een stevigere plek kunnen krijgen.

27. Ten aanzien van de sanering van de varkenshouderij zet de regering ook in op «brongerichte aanpassingen van bestaande systemen en nieuwe emissiearme houderijsystemen», kan onder deze noemer ook financiering van ketengerichte innovaties vallen, waarbij de ontwikkeling van een nieuw stalsysteem wordt gekoppeld aan een marktconcept?

Antwoord

Ik heb uw Kamer per brief van 7 juli jl. geïnformeerd over de nadere invulling van de sanering van de varkenshouderij en de verduurzaming van de varkens-, pluimvee- en melkgeitenhouderij (Kamerstuk 28 973, nr. 200). De afspraken die ik hierover heb gemaakt met betrokken provincies (Noord-Brabant, Limburg, Overijssel, Gelderland en Utrecht), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de ketenpartijen uit de Coalitie Vitale Varkenshouderij zijn vastgelegd in een bij genoemde brief gevoegd Hoofdlijnenakkoord van zeven hoofdlijnen (Kamerstuk 28 973, nr. 200). De verduurzaming ziet op «een innovatie- en een investeringsinstrument voor stallen en technieken waarmee brongericht milieuemissies uit de stal (geur, ammoniak, methaan, fijnstof en endotoxinen) zoveel mogelijk worden voorkomen.» Het gaat ten aanzien van de beschikbare middelen (€ 40 miljoen voor de varkens-, € 15 miljoen voor de pluimvee- en € 5 miljoen voor de melkgeitenhouderij) dus specifiek om investeringen in stallen en technieken, niet om investeringen in complete ketenconcepten. Dat laat onverlet dat nieuwe stalsystemen en -technieken natuurlijk wel onderdeel kunnen zijn van nieuwe ketenconcepten en bij kunnen dragen aan het verwaarden van de producten uit de veehouderij.

28. Wanneer wordt het bodemprogramma dat u samen met externe partijen vormgeeft naar de Kamer gestuurd?

Antwoord

Op dit moment vindt nader overleg plaats met externe partijen om samen te komen tot overeenstemming over een bodemprogramma. Ik hoop uw Kamer hierover eind 2018 nader te kunnen infomeren.

29. Wat gaat u, tegen de achtergrond van de fosfaatrechtenschaarste in de melkveehouderij en de huidige ruimschootse onderschrijding van het fosfaatplafond, doen met de vrijval van productierechten in de varkenshouderij als gevolg van de saneringsregeling?

Antwoord

Zoals vastgelegd in het Hoofdlijnenakkoord warme sanering varkenshouderij worden de opgekochte rechten definitief doorgehaald om een maximaal effect te bereiken. Wat betreft het fosfaatrechtenstelsel voor de melkveehouderij heb ik u in mijn brief van 14 september jl. (Kamerstuk 33 037, nr. 309) medegedeeld dat voor de Eurocommissaris de staatssteungoedkeuring op het fosfaatrechtenstelsel leidend is, en dat het fosfaatrechtenstelsel en de bijbehorende staatssteungoedkeuring onverkort en ongewijzigd van kracht blijven. Dit betekent ook dat er geen sprake kan zijn van (tijdelijke) ontschotting tussen de melkveehouderij en andere sectoren, waaronder de varkenshouderij. Zoals eerder aangekondigd in het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn zal ik de sectorplafonds vastleggen in de Meststoffenwet. Het wetsvoorstel hiertoe heb ik recent voor internetconsultatie gepubliceerd.

30. Wanneer in 2019 kunt u uw visie op de toekomst van het mestbeleid naar de Kamer sturen?

Antwoord

U bent, zoals ook verzocht door de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (kenmerk 33037–306/2018D42554), per brief van 24 oktober jl. geïnformeerd over de planning rondom het traject van herbezinning op het mestbeleid.

31. Hoeveel fulltime-equivalent (fte) werken er binnen het Ministerie van LNV aan het mestbeleid?

Antwoord

Binnen het Ministerie van LNV is het mestbeleid belegd bij de directie Plantaardige Agroketens en Voedselkwaliteit. Binnen deze directie werkt ca. 9 fte aan het mestbeleid. Deze capaciteit is exclusief de inzet vanuit het management, tijdelijke krachten en stafdirecties, zoals voor juridische zaken. Daarnaast zijn er vanzelfsprekend binnen de NVWA en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) medewerkers belast met het mestdossier.

32. Op welke wijze is de visie van het kabinet over kringlooplandbouw leidend bij de herziening van het mestbeleid?

Antwoord

Ik hanteer de LNV-visie en de daarin genoemde meetlat voor het toetsen van geldend en natuurlijk ook voor nieuw beleid. De LNV-visie biedt dus een kader voor de herbezinning op het mestbeleid. Bij de toelichting op het proces rondom de herbezinning op het mestbeleid, welke ik u op korte termijn zal toesturen, zal ik hier nader op ingaan.

33. Welke concrete acties heeft u in gedachten bij de zin «De transitie in landbouw en landgebruik om aan de klimaatopgave te voldoen, zeker voor de langere termijn, vraagt om nieuwe standaarden en normen, investeren in kennis, innovaties en grote systeemveranderingen, mede vanwege langjarige biologische processen»?

Antwoord

De genoemde acties om aan de klimaatopgave te voldoen worden in het kader van het Klimaatakkoord voorbereid met bedrijfsleven, NGO’s en medeoverheden. Onlangs heeft het kabinet in de reactie op het voorstel voor hoofdlijnen van het Klimaatakkoord een waardering gegeven aan de voorgestelde acties. Nu is het aan de sectortafel landbouw en landgebruik om tot concretisering van de voorstellen te komen. De concrete voorstellen zullen ook voorstellen moeten bevatten die niet alleen op de korte termijn, maar ook pas op de langere termijn tot reductie leiden. Biologische processen, waar landbouw en landgebruik door gekenmerkt worden, zijn immers vaak processen die zich over veel jaren uitstrekken.

34. Welke concrete activiteiten zullen worden ondernomen om mishandeling en verwaarlozing van dieren te voorkomen?

Antwoord

Uit het onderzoek «De aard van het beestje; kenmerken en achtergronden van dierenmishandelaars», uitgevoerd in opdracht van het Programma Politie en Wetenschap door Bureau Beke, blijkt dat in Nederland nog weinig bekend is over de redenen en de oorzaken van dierenmishandeling1. Onderzoek van de Faculteit diergeneeskunde en Bureau Beke via het Landelijk Expertisecentrum Dierenmishandeling, waaraan o.a. de Hondenbescherming, de Ministeries van LNV en Justitie en Veiligheid bijdragen, zal hier meer inzicht in geven. Nadere maatregelen zoals specifieke voorlichting kunnen daarna worden overwogen. Nu al worden dierenartsen via dit centrum ondersteund bij het herkennen van dierenmishandeling. Via het meldnummer «144 red een dier» en via voorlichting over het goed houden en verzorgen van dieren op de website van het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren (www.licg.nl) wordt kennis en alertheid over het welzijn van dieren bevorderd.

Een alertere omgeving draagt bij aan vroegtijdige signalering en kunnen ingrijpen bij problemen. Specifiek ter voorkoming van verwaarlozing van landbouwhuisdieren hebben erfbetreders een afsprakenkader ondertekend met als doel vroegtijdige signalen van verminderde dierzorg bespreekbaar maken bij een veehouder. Indien dat niet (meer) mogelijk is, kunnen zij hierover een melding doen bij het Loket welzijn landbouwhuisdieren. Dit loket kan dan, met instemming van de veehouder, hulp bieden aan de veehouder en zorgen voor een verbetering van de situatie van het dier. Over het algemeen zijn de belangrijkste oorzaken van dierverwaarlozing op landbouwbedrijven psychosociale problematiek en/of financiële problematiek.

35. Wordt er ook budget vrijgemaakt voor het toezicht op en handhaving van gezonde fokkerij van rashonden en katten?

Antwoord

In 2014 en 2015 had de NVWA voor toezicht en controle binnen de beschikbare uren voor dierenwelzijn 4 fte beschikbaar voor toezicht en controle op de hondenhandel en de fokkerij. In 2016 en 2017 was 6 fte beschikbaar. Ook in 2018 gaat het om 6 fte. De LID (Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming) heeft 16,7 fte beschikbaar die volledig worden ingezet voor het welzijn van gezelschapsdieren. Ruim 40% van de zaken die door hen worden opgepakt betreft honden.

36. Welk toezicht is er op het gebied van voorkomen van erfelijke afwijkingen en inteelt bij rashonden?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 35.

37. Bij welke organisatie wordt de controle van de witte lijst van bonafide handelaren belegd en is daar in het budget rekening mee gehouden?

Antwoord

Een witte lijst zoals deze in België is ingevoerd, en waar ik de mogelijkheden nu voor onderzoek, gaat uit van een verklaring in het land van herkomst dat aan de invoereisen, gesteld in het land van invoer, wordt voldaan. Ik verwacht eind dit jaar de resultaten, waarover ik u nader zal informeren. Indien de NVWA naar aanleiding van een melding optreedt, dan zal ook deze verklaring worden gecontroleerd. Omdat de NVWA geen toezichthoudende bevoegdheden heeft in andere landen, zullen de controles vooral plaatsvinden tezamen met controles die al uitgevoerd worden naar aanleiding van meldingen en door de toezichthoudende autoriteiten in het land van herkomst.

38. Wat is de stand van zaken inzake de komst van een Positieflijst voor te houden gezelschapsdieren?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober 2018 (Kamerstuk 28 286 nr. 991).

39. Kunt u aangeven wat de reden is dat de Positieflijst nog niet naar de is Kamer gestuurd?

Antwoord

Voor de beoordeling van diersoorten moet een systematiek worden ontwikkeld met criteria op het terrein van diergezondheid, dierenwelzijn en gevaar voor de mens. De systematiek dient objectief wetenschappelijk te zijn en ook eenvoudig te herhalen te zijn. De ontwikkeling van een dergelijke systematiek is complexer gebleken dan ingeschat en heeft daardoor meer tijd gekost.

40. Hoeveel budget is er (totaal en uitgesplitst per jaar) in deze kabinetsperiode gealloceerd voor de totstandkoming van de Positieflijst en waar gaat dit naar toe?

Antwoord

Dit jaar en komend jaar is er € 200.000 beschikbaar, daarna zal worden bezien welk budget nodig is voor de ontwikkeling en uitvoering van de positieflijst. In 2018 betreft het de ontwikkeling van de positieflijst voor zoogdieren en in 2019 dient het budget mede voor de ontwikkeling en uitvoering van de positieflijst voor vogels en reptielen.

41. Voor hoeveel dieren, uitgesplitst naar diersoort, is een ontheffing gegeven aan het Dolfinarium in Harderwijk?

Antwoord

Aan het Dolfinarium is een ontheffing verleend voor 6 dolfijnen en 2 walrussen.

42. Wat was de herkomst of bestemming van de dieren die tussen 2015 en 2018 van en naar het Dolfinarium zijn getransporteerd?

Antwoord

De transacties vindt u hieronder per jaar (bron: door Dolfinarium aangeleverde dierbestanden 2015, 2016 en 2017, obv Dierentuinvergunning):

2015

1 Californische zeeleeuw van Walibi Sud-Quest (Frankrijk) naar Dolfinarium Harderwijk

3 Californische zeeleeuwen van Dolfinarium Harderwijk naar Walibi Sud-Quest (Frankrijk)

1 Californische zeeleeuw van Dolfinarium Harderwijk naar Marineland Catalunya (Spanje)

1 walrus van Hamburg Zoo (Duitsland) naar Dolfinarium Harderwijk

1 walrus van Dolfinarium Harderwijk naar Hamburg Zoo (Duitsland)

1 dolfijn van Dolfinarium Harderwijk naar Planete Sauvage (Frankrijk)

1 bruinvis van Dolfinarium naar Ecomare Texel

1 bruinvis van SOS-Dolfijn naar Dolfinarium Harderwijk

2016

2 Californische zeeleeuwen van Dolfinarium Harderwijk naar AquaZoo Leeuwarden

1 Californische zeeleeuw van Dolfinarium Harderwijk naar Marineland Catalunya (Spanje)

2 dolfijnen van Dolfinarium Harderwijk naar Marineland Catalunya (Spanje)

2 dolfijnen van Dolfinarium Harderwijk naar Palmito Park Gran Canaria (Spanje)

2 dolfijnen van Dolfinarium Harderwijk naar Marineland Mallorca (Spanje)

1 dolfijnen van Dolfinarium Harderwijk naar ZooMarine Portugal (Portugal)

2017

Geen uitwisselingen

2018

Nog niet bekend.

43. Hoeveel diertransporten van en naar het Dolfinarium in Harderwijk hebben er tussen 2015 en 2018 plaatsgevonden na goedkeuring van de NVWA?

Antwoord

In 2015 is een zeehond en een dolfijn (of walvisachtige – hier wordt in de systemen geen onderscheid in gemaakt) ingevoerd van binnen de Europese Unie. Ook is er in 2015 een dolfijn (of walvisachtige) uitgevoerd naar een ander EU-land. In 2016 zijn er drie dolfijnen (of walvisachtigen) uitgevoerd.

44. Hoe wordt de implementatie en validatie van proefdiervrije innovatie in 2019 bevorderd?

Antwoord

Op 1 juni jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de gedeelde ambitie van mij en verschillende partners met betrekking tot de Transitie Proefdiervrije Innovatie (TPI) (Kamerstuk 32 336 nr. 71). Onderdeel van TPI is het bevorderen van implementatie en validatie van proefdiervrije methoden. Concreet worden in 2019 in het kader van het onderzoeksprogramma «Meer Kennis met Minder Dieren» van ZonMw in de module Life Sciences & Health (LSH) twee oproepen gedaan. De eerste oproep Create to solve beoogt versnelde ontwikkeling, toepassing en waar mogelijk en relevant commercialisering van proefdiervrije innovaties. De tweede oproep binnen de module LSH is de Ketenfinanciering en heeft als doel projecten met succesvolle en kansrijke proefdiervrije innovaties een stap verder in de kennisketen te brengen.

Daarnaast blijft het ministerie implementatie en validatie van proefdiervrije innovatie(s) bevorderen door financiële middelen beschikbaar te stellen aan kennisinstellingen voor activiteiten op het gebied van proefdiervrije innovatie.

45. Welke resultaten heeft de overheid in 2018 geboekt met betrekking tot de bevordering van de implementatie en validatie van proefdiervrije innovatie?

Antwoord

Ik kan enkele voorbeelden noemen van geboekte resultaten. In 2018 is het RIKILT gestart met een Europese validatiestudie van alternatieve methoden waarmee hormoonverstorende stoffen kunnen worden getest.

Bij ZonMw financier ik het programma «Meer kennis met minder dieren» (MKMD). In projecten onder deze vlag is men erin geslaagd om een in vitro model met uit stamcellen verkregen hartspiercellen verder te verbeteren, zodat het een beter model vormt om «kandidaatmedicijnen» te ontdekken die potentieel gevaarlijk zijn voor het hart. Het is een voorbeeld van onderzoek dat tien jaar geleden nog in de kinderschoenen stond, maar nu toepassingen heeft en plaatsvindt in een netwerk waarbij de hele keten betrokken is, inclusief academici, de private sector als ook de Food and Drugs Administration (FDA). Ook zijn er in MKMD-projecten stappen gezet in het onderzoek naar het in kweek houden en bewaren van menselijk weefsel. Zo is er een protocol voor cryopreservering ontwikkeld, dat al toepassing heeft gekregen in de zorgverlening van artrose. Ook is er gewerkt aan de optimalisatie van het in kweek houden van tumoren en weefsel met fibrose, is er een biobank met tumoren met verschillende soorten kanker opgezet en is er een systeem opgezet voor het verzamelen van weefsel met fibrose.

46. Kan er een overzicht worden gegeven van de investeringen die er in 2019 naar proefdiervrije innovatie gaan, van zowel de begroting van het Ministerie van EZK als vanuit andere departementale begrotingen?

Antwoord

Het Ministerie van LNV heeft voor 2019 voor dierproeven en voor alternatieven voor dierproeven de volgende budgetten gereserveerd:

  • Centrale Commissie Dierproeven (CCD), inclusief CCD-retributies: € 1,890 miljoen.

  • Nationaal Comité advies dierproevenbeleid (NCad): € 966.000.

  • ZonMw-onderzoeksprogramma «Meer Kennis met Minder Dieren (MKMD) 2018–2020»: gereserveerd is voor 2019 een bedrag van € 1,96 miljoen.

  • InTraVacc (voorheen het Nederlands Vaccin Instituut/NVI): ca. € 1,7 miljoen. Het geld staat op de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Het Ministerie van LNV heeft trekkingsrecht op dit budget.

  • RIVM-kennisvragen 2019: ca. € 810.000.

  • RIKILT/WOT-voedselveiligheid (proefdiervrije innovatie): € 537.819.

  • Universiteit Utrecht voor onderwijstaken: € 150.000.

  • Plan van aanpak Dierproeven en alternatieven: € 300.000.

  • Transitie Proefdiervrije Innovatie: € 1 miljoen.

Andere departementen hebben in 2019 de volgende bedragen gereserveerd voor alternatieven voor dierproeven: het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) € 2,3 miljoen (voor dierenwelzijn en alternatieven samen), het Ministerie van IenW € 441.000, het Ministerie van VWS € 622.346 en het Ministerie van Defensie € 150.000. Het totaal van de andere departementen is € 3.513.346.

Daarnaast leveren de Ministeries van EZK en OCW een bijdrage door middel van budgetten die beschikbaar worden gesteld voor innovatie (bijvoorbeeld via TKI- en PPS-middelen uit het topsectorenbeleid of via innovatiekredieten) respectievelijk wetenschappelijk onderzoek (via NWO/NWA en ZonMw). Die budgetten zijn niet specifiek voor TPI geoormerkt, maar kunnen wel benut worden voor onderzoek dat bijdraagt aan proefdiervrije innovatie.

47. In hoeveel en in welke onderzoeksprogramma’s die financiering krijgen worden proefdieren gebruikt?

Antwoord

Er zijn twee onderzoeksprogramma’s die (mede) gerelateerd zijn aan het terrein van «dierproeven en alternatieven voor dierproeven» die financiering krijgen, waarin proefdieren worden gebruikt. Het betreft ten eerste de wettelijke onderzoekstaken die het RIKILT heeft op het gebied van voedselveiligheid (WOT-voedselveiligheid onderzoek). Hierin wordt op beperkte schaal onderzoek met landbouwhuisdieren gedaan.

Ten tweede betreft het onderzoek bij InTraVacc. In 2019 wordt mogelijk in één project binnen het onderzoeksprogramma dierproeven gedaan om een bepaalde test te valideren (onvermijdelijk omdat zonder deze validatie op dit moment acceptatie door de regelgeving niet mogelijk is). Uiteraard wordt voor het doen van de dierproeven het vergunningenproces bij de Centrale Commissie Dierproeven (CCD) doorlopen en wordt zorgvuldig afgewogen of het belang van de uitvoering van de dierproeven opweegt tegen het ongerief dat het proefdier ondervindt.

48. Welk percentage van het onderzoeksbudget gaat naar de stimulering van proefdiervrij onderzoek?

Antwoord

Van de onderzoeksprogramma’s die (mede) gerelateerd zijn aan het terrein van «dierproeven en alternatieven voor dierproeven» gaan de volgende percentages van het onderzoeksbudget naar de stimulering van proefdiervrij onderzoek.

Voor het WOT-voedselveiligheidsprogramma van het RIKILT is in 2019 € 15.366.266 gereserveerd. Van dit bedrag wordt 3,5% gebruikt voor de stimulering van proefdiervrij onderzoek. Dat komt neer op zo’n € 537.819.

Voor het onderzoek van InTraVacc is ook voor 2019 een bedrag gereserveerd van € 1,7 miljoen. Hiervan wordt 89% besteed aan de stimulering van proefdiervrij onderzoek.

Dat betreft een bedrag van € 1.513.000.

Voor de jaarlijkse kennisvragen bij het RIVM is in 2019 ca. € 810.000 gereserveerd.

In 2019 wordt 80% van dit bedrag gebruikt voor onderzoek en activiteiten in het kader van de Transitie Proefdiervrije Innovatie (€ 648.000) en 20% voor de «V’s van «verfijning en vermindering» van dierproeven (€ 162.000).

Voor 2019 is € 1,96 miljoen gereserveerd voor ZonMw. Van dit bedrag zal ZonMw in 2019 € 1,3 miljoen verplichten. Van het bedrag van € 1,3 miljoen zal € 1,0 miljoen naar proefdiervrij onderzoek gaan (module Create to solve). Dat is ca. 77% van de € 1,3 miljoen.

49. Welk percentage van het onderzoeksbudget gaat naar onderzoek waarin dierproeven worden gebruikt?

Antwoord

Van het voor 2019 gereserveerde bedrag voor het WOT-programma voedselveiligheid, € 15.366.266 wordt 0,3% gebruikt voor onderzoek met proefdieren. Dat is een bedrag van € 46.099,– (afgerond).

Van het voor InTraVacc gereserveerde bedrag van € 1,7 miljoen op jaarbasis zal in 2019 rond 1% besteed worden aan dierproeven zelf. De dierproeven vinden plaats binnen een project gericht op verfijning van dierproeven.

50. Welke stappen heeft Nederland in 2018 in Europees verband gezet om proefdiervrij te stimuleren?

Antwoord

Zoals genoemd in de beantwoording van vraag 44, werk ik met partners aan het versnellen van de Transitie naar Proefdiervrije Innovatie (TPI). Om deze transitie te stimuleren en te versnellen moeten wij in Nederland én internationaal onze krachten, kennis en invloed bundelen. Alle TPI partners benutten hiervoor hun eigen internationale netwerken. Zo heeft bijvoorbeeld het RIVM in juni 2018 een internationale workshop gehouden over proefdiervrije veiligheidsbeoordeling. Het Nationaal Comité advies dierproevenbeleid (NCad) heeft wereldwijd presentaties over TPI gegeven en in 2018 het initiatief genomen een samenwerkingsverband van Europese Nationale Comités te starten waarin TPI onder de aandacht wordt gebracht.

51. Welke kansen heeft Nederland in 2019 en 2020 om in Europa proefdieren te agenderen?

Antwoord

In 2019 organiseer ik een internationale conferentie. Het doel van deze conferentie is informatie over TPI te verstrekken aan belangrijke internationale partners om samenwerking en coalitievorming te stimuleren. Daarnaast vindt in 2020 in Maastricht het 11de Wereldcongres over Alternatieven voor dierproeven plaats onder het motto «3R’s in Transition». Dit wereldcongres biedt een uitstekend platform voor het uitdragen van de Nederlandse TPI-ambities en de tot dan toe gerealiseerde resultaten.

52. Welke stappen zet Nederland wereldwijd om proefdiervrij te stimuleren?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vragen 50 en 51.

53. Heeft Nederland bij herziening van de Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van Chemische stoffen (REACH-)verordening ingezet op minder proefdieren?

Antwoord

De Minister van IenW heeft op 14 mei jl. een brief over de werking en evaluatie van REACH aan uw Kamer gestuurd (Kamerstuk 22 112, nr. 2561). Daarin is het belang onderstreept om de doelstellingen van REACH te realiseren, waaronder het bevorderen van testmethoden zonder dierproeven. Eén van de conclusies is dat het bevorderen van testmethoden zonder dierproeven succesvol is. In vijf jaar zijn er 38 alternatieve testen beschikbaar gekomen voor de beoordeling van gevaren van stoffen.

Het Bulgaarse EU-voorzitterschap heeft eind juni in haar overzicht van discussies over de evaluatie REACH het Nederlandse verzoek opgenomen om ook een actiepunt te maken gericht op het zo mogelijk voorkomen van dierproeven.

54. Kunt u aangeven hoeveel ontheffingen er de laatste vijf jaar zijn verleend aan het houden van dieren en voor welke dieren deze ontheffing gegeven is op basis van welke argumentatie?

Antwoord

Sinds 2015 zijn er vijf ontheffingen voor de Productiedierenlijst (Wet dieren) verleend. Voor het houden van dieren die niet op de Productiedierenlijst staan, kan een ontheffing worden aangevraagd. Informatie hierover is te vinden op: https://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/dieren-houden/huisdieren-houden-en-fokken/productiedierenlijst. Deze aanvraag wordt beoordeeld door een onafhankelijke commissie. De commissie kijkt naar de risico’s voor mens, dier, plant en milieu. De commissie bekijkt ook of er geen onaanvaardbare problemen optreden op het gebied van welzijn en gezondheid van de diersoort. Op basis hiervan krijgt de aanvrager een ontheffing of wordt de aanvraag afgewezen. Een ontheffing heeft altijd een geldigheidsduur.

RVO.nl verleent tussen de 150 en 200 bezitsontheffingen (Wet natuurbescherming) per jaar. Voor een aantal beschermde dieren geldt in Nederland een bezitsverbod. Deze dieren mogen vaak wel gehouden worden als ze gefokt zijn. Voor katachtige roofdieren, apen, haviken en dieren uit wild of dieren van onbekende herkomst is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Een ontheffing wordt alleen verleend als de instandhouding van de soort niet in het geding is. Voor strikt beschermde soorten -katachtige roofdieren, apen, Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijnsoorten- wordt ook het belang getoetst.

55. Kunt u aangeven wat de stand van zaken is ten aanzien van de herziening van de Europese richtlijnen ten aanzien van fokkerij?

Antwoord

De Fokkerijverordening ((EU) 2016/1012) is vastgesteld op 8 juni 2016 en gepubliceerd op 29 juni 2016. Per 1 november a.s. is de verordening van toepassing in alle lidstaten.

56. Welke onderzoeksprogramma’s ontvangen in 2019 financiering die gericht zijn op proefdiervrije innovatie?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 46.

57. Hoe wordt gemonitord of Nederland op schema loopt met de Transitie proefdiervrije innovatie?

Antwoord

Met de partners van de TPI heb ik de ambitie vastgesteld om als Nederland voorop te lopen in het terugdringen van het (onnodig) gebruik van proefdieren. Het TPI-traject is gericht op versnelling van innovaties zonder dierproeven. Bij het realiseren van deze versnelling worden vernieuwingsnetwerken opgezet. Vruchtbare ideeën uit de vernieuwingsnetwerken krijgen een vertaling naar concrete projecten die worden opgepakt door partijen uit de betreffende sectoren. Zoals ik u heb toegezegd tijdens het AO dierproeven en alternatieven van 7 juni jl. zal ik uw Kamer jaarlijks informeren over de voortgang en resultaten van TPI.

58. Wanneer zal de Kamer op de hoogte worden gesteld van de verdeling van de te besteden middelen inzake innovatie in de visserij?

Antwoord

In het afgelopen jaar is veel gesproken met de belanghebbenden over de mogelijke inzet van de in het regeerakkoord beschikbaar gestelde middelen. Om tot de juiste innovatieagenda te komen wordt een zogenaamd «match making event» georganiseerd en worden de plannen verder uitgewerkt. De Kamer wordt voor het einde van het jaar hierover geïnformeerd.

59. Welke onderzoeken lopen er naar het bedwelmen van vissoorten anders dan de paling?

Antwoord

In 2013 is onderzoek gestart naar het bedwelmen van schol, tong, schar en kabeljauw die op de Nederlandse vissersschepen wordt gevangen. In 2017 is vervolgonderzoek ingezet dat loopt tot en met 2020. Daarvoor is in totaal een bedrag van ca. € 0,6 miljoen aan Wageningen Marine Research (WMR) beschikbaar gesteld. Dit onderzoek wordt volledig door het Ministerie van LNV gefinancierd. De sector stelt faciliteiten beschikbaar om het onderzoek uit te voeren. In het huidig onderzoek is het nodig om eerst specificaties vast te stellen, waaraan het verdoven dient te voldoen en pas daarna kunnen er praktijktesten worden uitgevoerd.

60. Hoeveel geld steekt de vissector zelf onderzoeken naar het bedwelmen van vissoorten anders dan de paling en met hoeveel geld vult u dit eventueel aan?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 59.

61. Wanneer komt u met voorstellen om ook voor het bedwelmen en doden van vissoorten anders dan paling wettelijke regels voor te schrijven?

Antwoord

Paling (aal) is de meest gekweekte vissoort in Nederland. Voor de tweede meest gekweekte vissoort, de meerval, is een praktijkrijp apparaat voor het bedwelmen beschikbaar. Het bedrijf dat de meeste meerval (ruim 50%) slacht, heeft reeds een apparaat in gebruik. Met dit private initiatief toont het bedrijf eigen verantwoordelijkheid. Het bedwelmen van vis aan boord van vaartuigen is zeer complex. Momenteel wordt er onderzoek naar gedaan. Zie ook het antwoord op vraag 63. Als in de toekomst een bruikbare, wetenschappelijk onderbouwde methode voor het bedwelmen aan boord van vaartuigen beschikbaar is, zal ik daarbij vanwege het belang van een level playing field inzetten op EU-regelgeving. Ook voor de soorten die in Nederland gekweekt worden is mijn uitgangspunt dat regels voor het bedwelmen van vis voor de slacht op Europees niveau moeten worden gesteld. Om vissenwelzijn ook internationaal onder de aandacht te brengen en een gelijk speelveld te waarborgen, informeer ik de EU over de ontwikkelingen in Nederland.

62. Wat hebt u gedaan en wat gaat u doen om andere lidstaten van de Europese Unie (EU) en de EU te bewegen wettelijke regels uit te vaardigen om vissoorten voor het doden te bedwelmen?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 61.

63. Welk deel van de visserijbegroting is gereserveerd om onderzoek uit te voeren naar wildvangst, het verminderen van leed tijdens de wildvangst en het bedwelmen en doden van uit het wild gevangen vissen, krabben en kreeften aan boord van schepen?

Antwoord

In 2013 is onderzoek gestart naar het bedwelmen van schol, tong, schar en kabeljauw die op de Nederlandse vissersschepen wordt gevangen. In 2017 is vervolgonderzoek ingezet, dat loopt tot en met 2020, waarbij een bedrag van ca. € 0,6 miljoen is voorzien dat aan WMR beschikbaar wordt gesteld. Dit onderzoek wordt volledig door het Ministerie van LNV gefinancierd. De sector stelt faciliteiten beschikbaar om het onderzoek uit te voeren.

In het huidige onderzoek is het nodig om eerst specificaties vast te stellen waaraan het verdoven dient te voldoen en pas daarna kunnen er praktijktesten worden gedaan.

64. Welk deel van de begroting is gereserveerd voor het implementeren van al ontwikkelde bedwelmingsmethoden aan boord van schepen?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 59.

65. Kunt u aangeven welk deel van de begroting gereserveerd is om het welzijn van kweekvissen via het optimaliseren van houderijsystemen en het verplicht bedwelmen van kweekvissen voordat zij geslacht worden, te verbeteren?

Antwoord

In de afgelopen jaren zijn verschillende onderzoeken gedaan naar het welzijn van kweekvissen. Zo is bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar waterkwaliteitscriteria voor de opkweek van Afrikaanse meerval, snoekbaars en kweektarbot en is het onderzoek voor paling hiernaar vorig jaar afgerond. Ook zijn de bedwelmingscriteria voor de belangrijkste viskweeksoorten in Nederland vastgesteld en zijn er bedwelmingsapparaten beschikbaar voor de 2 belangrijkste soorten (paling en meerval). Op dit moment zijn er geen initiatieven voor de kweek van andere soorten. Er is geen budget opgenomen voor het welzijn van kweekvissen. Wel is het mogelijk om projecten in te dienen onder het Europees Fonds voor Maritieme zaken en Visserij (EFMZV) waarbij het welzijn van kweekvissen verder verbeterd wordt.

66. Wat is de stand van zaken van het project ketenborging, welke maatregelen zijn er sinds 2013 in dit verband genomen om voedselintegriteit te garanderen?

Antwoord

De voormalige Taskforce Voedselvertrouwen heeft criteria opgesteld waaraan private kwaliteitssystemen (PKS’en) zouden moeten voldoen om voldoende waarborgen in de keten te kunnen geven voor wat betreft voedselveiligheid en voedselintegriteit. De NVWA heeft daarin als onafhankelijke partij de rol om PKS’en te toetsen tegen deze criteria. Als een PKS aan de criteria voldoet, meldt de NVWA dit aan de Stichting Ketenborging.nl (een door het bedrijfsleven beheerde stichting) die het PKS dan op de website Ketenborging.nl vermeldt.

Schema-eigenaren kunnen zich melden bij de NVWA voor een toets tegen de criteria van de Taskforce. Aanmelding gebeurt op vrijwillige basis.

Op Ketenborging.nl kunnen bedrijven nagaan of hun leveranciers zijn gecertificeerd tegen een geaccepteerd PKS en daarop hun handelen aanpassen.

Sinds 2013 hebben 25 PKS’en zich bij de NVWA aangemeld. Zes daarvan zijn ondertussen geaccepteerd, zeven daarvan zitten nog in verschillende fases van de beoordeling. Het beoordelingsproces kan soms lang duren, bijvoorbeeld als een PKS veel aanpassingen moet doorvoeren. Twaalf hebben zich weer teruggetrokken, vaak omdat ze niet aan de criteria konden of wilden voldoen.

De NVWA heeft met de geaccepteerde PKS regulier overleg over continue verbetering (monitoring, informatieuitwisseling, verbeterstappen). De NVWA heeft in 2017 een pilot uitgevoerd door in bedrijven die aangesloten zijn bij een geaccepteerd PKS het toezicht aan te passen. Dit moet nog verder ontwikkeld worden en zal onderdeel van het risicogerichte toezicht uit gaan maken.

Deze ontwikkelingen hebben internationaal veel interesse opgewekt (in Europees verband, maar ook breder). De Nederlandse criteria zijn mondiaal overgenomen in de GFSI-eisen (Global Food Safety Initiative, de benchmark-organisatie voor de voedselveiligheidsstandaarden). In de uitwerking van de aanbevelingen van de Commissie Sorgdrager en de Werkgroep Verbetering Zelfregulering wordt gekeken hoe deze aanscherping van private kwaliteitssystemen en ketenverantwoordelijkheid verder gebracht kan worden.

67. Welke departementen zijn betrokken bij het integrale voedselbeleid en welke specifieke thema’s vallen onder welk departement?

Antwoord

Naast het Ministerie van LNV zijn ook het Ministerie van VWS, het Ministerie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS), het Ministerie van EZK en het Ministerie van IenW betrokken bij het integrale voedselbeleid. Centraal in het integrale voedselbeleid staat de waarde van voedsel, de waarde van de productie van voedsel en de beschikbaarheid van voldoende en verantwoord geproduceerd voedsel wereldwijd. Juist vanwege de integraliteit van het voedselbeleid wordt er samengewerkt op deze thema’s en is het niet voor de hand liggend om thema’s eenzijdig toe te wijzen aan een departement. De genoemde departementen hebben in april 2018 over het integraal voedselbeleid een gezamenlijke brief aan uw gestuurd «accenten in het voedselbeleid» (Kamerstuk 31 532, nr. 193).

68. Zijn er afgezien van de activiteiten in de zuivelketen waarbij de schakels tussen de veevoerketen en de primaire veehouderij zijn gesloten met behulp van SecureFeed, vergelijkbare initiatieven in andere ketens? Zo ja, hoe beoordeelt u deze initiatieven?

Antwoord

Het gesloten systeem van de zuivelsector is een goed voorbeeld, dat navolging verdient. De grotere complexiteit van de andere sectoren, o.a. door meer en meer diverse stakeholders, maakt dat dit minder eenvoudig en snel te bewerkstelligen is. Het is uiteindelijk aan de ondernemers zelf om te besluiten deel te nemen aan kwaliteitssystemen, en bij de kwaliteitssystemen aan te dringen op aansluiting tussen de systemen. IKB Ei en IKB Kip hebben in hun voorwaarden reeds opgenomen dat deelnemers alleen afnemen van GMP+ gecertificeerde diervoederleveranciers, IKB Ei vereist tevens SecureFeed.

Wij vinden het belangrijk dat ook andere ketens hun zelfregulering onder de loep nemen. Elke keten heeft zo zijn eigen problematiek. In de ketenoverleggen van de Ministeries van LNV en VWS met de verschillende sectoren en stakeholders, en ook de specifieke op toezicht en handhaving gerichte ketenoverleggen van de NVWA komt deze problematiek regelmatig aan bod.

De Minister van VWS en ik roepen de andere sectoren dan ook op hun zelfcontrole te toetsen aan de aanbevelingen van de Commissie Sorgdrager, aan de aanbevelingen van de Werkgroep Versterking Zelfregulering Eierketen (WVZE) en aan de criteria van de Taskforce Voedselvertrouwen die vermeld staan op www.ketenborging.nl.

69. Wat zijn de uitgangspunten die u hanteert bij de pilots ten aanzien van True Pricing, zijn deze gebaseerd op lineaire efficiëntie of gebaseerd op de principes van kringlooplandbouw?

Antwoord

Uitgangspunt bij True Pricing is dat naast de prijs van goederen die via de markt verhandeld worden ook de overige effecten van het produceren en consumeren van een goed in beeld gebracht worden. Dit kan in de vorm van prijzen maar ook in de vorm van externe maatschappelijke effecten van producten zoals CO2-equivalenten.

In geval van productie via kringlooplandbouw kan verwacht worden dat er naast de geproduceerde goederen (met een marktprijs) minder externe effecten zijn (zoals emissies, reststromen en uitputting van grondstoffen).

70. Bij welke instituten in Nederland zit kennis over kringlooplandbouw en natuur inclusieve landbouw en op welke wijze gaat u kennisuitwisseling en samenwerking tussen deze organisaties bevorderen?

Antwoord

Kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw zijn thema’s waar door een breed scala aan publieke en private instanties aan wordt gewerkt. Dat vind ik positief. De belangrijkste (deels) publiek gefinancierde instellingen in dezen zijn WUR, het Louis Bolk instituut, Rijksuniversiteit Groningen, het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), en diverse agrarische hogescholen.

De lijnen tussen deze instellingen zijn over het algemeen kort en het is mijn overtuiging dat deze instellingen ook nu al kennis delen. Samenwerking, kennisuitwisseling en kennisdoorstroming wordt bijvoorbeeld bevorderd door de in ontwikkeling zijnde Green Deal Natuur inclusieve landbouw in het groene onderwijs, waar ik samen met uiteenlopende partners aan werk. En ook in het kader van bijvoorbeeld het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn worden werksessies georganiseerd tussen publieke en private instanties om (de uitkomsten van) onderzoeks- en pilotprojecten met elkaar te delen.

71. Hoe staat u tegenover ontwerpprincipes (zowel keten als primair bedrijf) voor kringlooplandbouw en de vertaling hiervan in keurmerken om de ontwikkeling van ketenconcepten te ondersteunen?

Antwoord

Waar het keurmerken betreft die bedoeld zijn om de communicatie richting consumenten te ondersteunen, is terughoudendheid gewenst. Voorkomen moet worden dat door een veelheid aan keurmerken consumenten het overzicht verliezen. Het doel van de tweede benchmark duurzaamheidskeurmerken die Milieu Centraal op mijn verzoek uitvoert is dan ook juist gericht op het ordenen van keurmerken en het bieden van overzicht. Dat laat onverlet dat de ontwikkeling van ketenconcepten ondersteund kan worden door de vertaling ervan in een keurmerk.

72. Op welke wijze gaat u het pachtbeleid richten op het bevorderen van een duurzaam bodemgebruik en kringlooplandbouw en op welke wijze gaat u dit beleid met provincies en terreinbeheerders op elkaar afstemmen?

Antwoord

Zoals gemeld in mijn brief van 27 augustus jl. (Kamerstuk 27 924, nr. 72), ben ik mij aan het beraden op het pachtbeleid. Hierover ben ik in gesprek met stakeholders en ik zal uw Kamer hier nog dit jaar over informeren. In algemene zin geldt dat het bevorderen van duurzaam bodembeheer en kringlooplandbouw belangrijke uitgangspunten zijn voor deze herziening. Verder zijn er gesprekken met de provincies en terreinbeheerders over hoe we natuur en landbouw goed met elkaar in evenwicht kunnen brengen. Hierin zullen de eerdergenoemde onderwerpen ook worden meegenomen.

73. Op welke manier is de benodigde samenwerking met maatschappelijke organisaties voor de landbouwtransitie in deze begroting terug te zien?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 7.

74. Kunt u toelichten wat u bedoelt met «elkaars potentieel», wat wordt verstaan onder «het potentieel van de natuur» en «het potentieel van de landbouw»?

Antwoord

Met «elkaars potentieel benutten» bedoel ik dat natuur en landbouw veel aan elkaar kunnen hebben. Natuur herbergt een potentieel dat door de landbouw benut kan worden. Denk daarbij aan bestuiving door insecten, plaagwering door natuurlijke vijanden van plaagdieren en de functies die door het bodemleven worden gerealiseerd, zoals natuurlijke bodemvruchtbaarheid, afbraak van organisch materiaal, vochthuishouding en hulp bij nutriëntenopname door planten. En landbouwgebieden kunnen foerageer-, schuil- en broedplaatsen verschaffen aan specifieke soorten. Denk aan weide- en akkervogels in open gebieden, insecten op en rondom akkers of kruidenrijke weilanden, of reptielen, amfibieën en kleine zoogdieren in houtwallen of andere landschapselementen.

75. Wordt in de afstemming met andere departementen met betrekking tot wind op zee ook specifiek rekening gehouden met de belangen van vissers?

Antwoord

Voor medegebruik wordt in overleg met de visserijsector en windparken een pilot uitgewerkt. Hierbij zal ervaring worden opgedaan en zal aandacht zijn voor de risico’s en economische haalbaarheid.

Doorvaart en medegebruik voor visserij in windparken wordt momenteel onderzocht. Doorvaart voor schepen tot 24 meter is momenteel al mogelijk in de bestaande windparken langs de Hollandse Kust. Dit besluit wordt eind 2019 geëvalueerd. Tevens wordt momenteel al onderzocht wat de mogelijkheden zijn voor uitbreiding van de mogelijkheden voor doorvaart voor schepen tot 45 meter, zodat ook de meeste visserijschepen door windparken kunnen varen. Op basis van de evaluatie en het onderzoek zal een besluit worden genomen over de uitbreiding van doorvaart. Dit besluit zal dus voor de opening van het eerste nieuwe windpark (Borssele in 2021) worden genomen.

Bij de aanwijzing van nieuwe windenergiegebieden wordt de visserijsector nadrukkelijk betrokken, ten einde de belangrijkste visgronden zoveel mogelijk te ontzien. Het voorkomen van vis in windparken wordt reeds gemonitord. Dit zal worden aangevuld met onderzoek naar het eventuele effect op visbestanden.

76. Wordt de Kamer dit jaar nog geïnformeerd over de voortgang van de Regio Deals, inclusief de lijst met gekozen Deals?

Antwoord

Dit najaar besluit ik in overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) welke aangemelde voorstellen uitgewerkt kunnen worden tot Regio Deals. Uw Kamer wordt hier ook in het najaar over geïnformeerd, inclusief de verdeling van de bijdragen uit de Regio Envelop.

77. Wat bedoelt u met natuurinclusiviteit?

Antwoord

De term natuurinclusief betekent letterlijk «natuur inbegrepen.» In een natuurinclusieve werkwijze of bedrijfsvoering wordt dus rekening gehouden met de natuur.

Dat heeft twee kanten. Enerzijds een voorzorgkant: «brengt mijn werkwijze of bedrijfsvoering de natuur geen schade toe?» Anderzijds een kansenkant: «hoe kan ik in mijn werkwijze of bedrijfsvoering gebruik maken van producten of processen uit de natuur?»

78. In hoeverre kan inzichtelijk worden gemaakt of de biodiversiteit er op vooruit gaat?

Antwoord

Op diverse manieren wordt de toestand van de Nederlandse natuur en biodiversiteit gemeten en beoordeeld. Onder meer via de Balans voor de Leefomgeving (PBL) en via de begrotingsindicator «Percentage niet bedreigde soorten» (p.42, gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)) wordt hiervan op regelmatige basis verslag gedaan.

79. Op welke wijze wordt samenwerking tussen kennisinstituten in de Topsector Agri&Food gestimuleerd?

Antwoord

In de Kennis- en Innovatieprogramma’s van de Topsector AF zijn diverse mogelijkheden voor samenwerking van private partijen met diverse kennisinstellingen. De Topsector doet jaarlijks een oproep voor toegepast onderzoek waarbij consortia van private partijen samen met de WR-instituten of andere kennisinstellingen onderzoek kunnen uitvoeren in PPS-projecten. Het fundamenteel-strategisch onderzoek van Topsector AF wordt ingevuld in samenwerking met de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). NWO stelt regelmatig thema’s open die samen met het TKI Agri&Food worden ontwikkeld. In deze programma’s kunnen private partijen samen met universiteiten onderzoek uitvoeren. De Topsector AF heeft innovatiemakelaars (voor mkb-ondernemers) en onderzoeksregisseurs aangesteld die helpen bij het vinden en koppelen van passende kenniswerkers, netwerkpartners en clusters.

80. Is er sprake van aanbesteding van een deel van het budget onder concurrerende kennisinstituten, op welke wijze is er bij de Topsector Agri&Food sprake van een gelijk speelveld voor alle instituten in Nederland en indien dit gelijke speelveld er niet is, op welke wijze voorkomt u dat gedwongen winkelnering leidt tot suboptimale besteding van overheidsfinanciën en een maatschappelijk gezien suboptimale kennisvoorziening?

Antwoord

De Topsector AF organiseert in samenspraak met de departementen jaarlijks diverse oproepen voor onderzoek en innovatie, waarbij onderzoeksinstellingen kunnen samenwerken met private partijen. De Topsector doet zelf een oproep voor toegepast onderzoek. Daarnaast zijn er programma’s voor fundamenteel onderzoek (door NWO) en R&D-samenwerkingsprojecten (onderdeel van MIT door RVO.nl). Het uitgangspunt hierbij is dat er voor private partijen en consortia uit de sector Agri&Food een gelijk speelveld is. De kaders voor samenwerking worden verder bepaald door de beschikbare middelen, zoals afgesproken in het Innovatiecontract. Het Ministerie van LNV stelt capaciteit beschikbaar voor toegepast onderzoek en samenwerking met Wageningen Research (WR) waaraan zij subsidie beschikbaar stelt voor onderzoekprojecten ter ondersteuning van de Topsector. Indien andere kennisinstellingen nodig zijn in de samenwerking, kan de Topsector (TKI) de PPS-toeslag of de private cashbijdrage hiervoor inzetten.

De Topsector AF roept op tot innovatief onderzoek op basis van de gezamenlijk opgestelde kennis- en innovatieagenda en betrokkenheid van diverse partijen vanuit overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen. Hierbij zijn verbindingen mogelijk van fundamenteel onderzoek tot marktintroductie. De partijen bepalen samen welke kennisinstellingen zij daartoe inschakelen.

De beschikbare capaciteit voor samenwerking met TO2-instellingen (inclusief WR) voor onderzoek ten behoeve van topsectoren is vastgelegd in het Kennis- en Innovatiecontract 2018–2019.

81. Wat is de inhoud van de brede Strategische Kennis- en Innovatieagenda (SKIA)?

Antwoord

Momenteel wordt de Strategische Kennis- en Innovatieagenda (SKIA) vormgegeven. De agenda zal richtinggevend moeten worden voor de inzet van het kennis- en innovatiebeleid, waarmee zo optimaal als mogelijk wordt bijgedragen aan het vinden van oplossingen voor de maatschappelijke uitdagingen die in de LNV-visie zijn verwoord en waarbij kringlooplandbouw een centrale plaats zal innemen.

82. Op welke programma’s en landen zal de komende jaren de focus worden gelegd met betrekking tot het internationaal verder op de kaart zetten van Nederlandse kennis en kunde?

Antwoord

De komende jaren zal met betrekking tot het internationaal verder op de kaart zetten van Nederlandse kennis en kunde nadruk liggen op het versterken van voedselzekerheid en de duurzaamheid van de voedselproductie, in het bijzonder via circulaire en klimaatslimme landbouw. Met onze kennis kunnen we voor andere landen een voorbeeld zijn in het efficiënt produceren van voedsel in kringlopen zodat schade aan het ecosysteem (water, bodem, lucht) voorkomen en hersteld wordt. Met betrekking tot voedselzekerheid (inclusief het tegengaan van verliezen) draait het in het bijzonder om Afrika, voor duurzaamheid en circulariteit om de belangrijkste herkomstgebieden van grondstoffen. De kennis die Nederland met kringlooplandbouw opdoet, kan ontwikkelingslanden helpen bij het verbeteren van hun akkerbouw en veehouderij. Nederland kan met zijn kennis en innovaties helpen specifieke problemen aan te pakken zoals verzilting, droogte en erosie. Verder moedig ik de betrokkenheid aan van kennis- en onderwijsinstellingen binnen internationale PPS-vormen. Een sterke kenniskolom is een essentiële partner voor bedrijven die bij de afzet van technologie en het implementeren van systeemoplossingen onderkennen dat dit niet kan zonder kennisoverdracht en onderwijs.

83. Van de € 22 miljoen die wordt vrijgemaakt voor de Brexit, hoeveel wordt er per spoor besteed?

Antwoord

Het Ministerie van LNV, inclusief de NVWA en overige keuringsdiensten, zijn reeds gestart met de voorbereidingen op de Brexit. In 2019 heeft het kabinet hier ten behoeve van het gehele Ministerie van LNV € 22,2 miljoen voor vrijgemaakt. Van deze € 22,2 miljoen wordt € 4,3 miljoen ingezet voor de aanloopkosten (waarvan specifiek € 3,4 miljoen voor NVWA). Hieronder vallen kosten voor werving van extra medewerkers, taal- en opleidingskosten en inwerkkosten van nieuwe medewerkers en tegemoetkoming in verhuiskosten voor geworven buitenlandse dierenartsen. De resterende € 17,9 miljoen betreft structurele kosten (specifiek € 14,8 miljoen voor NVWA). De voorbereiding bij de NVWA loopt langs drie sporen: werving van extra medewerkers, in het bijzonder dierenartsen; de mogelijkheden in kaart brengen om de export- en importcontroles zo efficiënt mogelijk te laten verlopen en goede afstemming met ministeries, andere overheidsdiensten en bedrijfsleven.

84. Wanneer is naar verwachting bekend of Nederlandse vissers ook na de Brexit toegang blijven houden tot Britse wateren?

Antwoord

Dat tijdstip is nog onbekend; het is afhankelijk van de voortgang in en de uitkomst van de onderhandelingen tussen het Verenigd Koninkrijk (VK) en de Europese Unie (EU).

Als de EU en het VK een akkoord bereiken over het terugtrekkingsakkoord, en dat bovendien geratificeerd wordt door zowel het Europese als het Britse parlement, treedt zoals voorlopig overeengekomen, op 30 maart 2019 een transitieperiode in werking. Deze periode is bedoeld om het akkoord over de nieuwe relatie verder uit te werken. Gedurende deze periode verandert er op het gebied van visserij nagenoeg niets. Als de EU en het VK het dus eens worden over een nieuwe relatie, is uiterlijk 31 december 2020 bekend of de Nederlandse vissers hun toegang behouden tot de Britse wateren.

In het geval van een no-deal, omdat de EU en het VK het voor de Brexit (29 maart 2019) niet eens kunnen worden over een terugtrekkingsakkoord of omdat het akkoord verworpen wordt door een van de parlementen, dan heeft het VK in principe het recht om vanaf 30 maart 2019 de Nederlandse vissers de toegang tot de Britse wateren te ontzeggen.

Het risico op een no-deal blijft ook bestaan tijdens de onderhandelingen in de transitieperiode als de EU en het VK het alsnog niet eens kunnen worden over een akkoord over een nieuwe relatie.

85. Welk deel van de kosten voor herinrichting van het departement betreft extra personeel, welk deel ICT en welk deel betreft autonome ontwikkelingen?

Antwoord

De structurele kosten voor de herinrichting ad € 37,2 miljoen zijn als volgt verdeeld:

  • Personeel: € 12,5 miljoen

  • Materieel: € 5,7 miljoen

  • ICT: € 5 miljoen

  • Inrichtings- en uitvoeringskosten: € 1 miljoen

  • EU-uitvoeringskosten: € 13 miljoen.

86.Vallen alle lasten van de herinrichting ten laste van het Ministerie van LNV? Zo ja, waarom?

Antwoord

Ja, deze uitgaven komen ten laste van de begroting van het Ministerie van LNV. De LNV-begroting is hiervoor gecompenseerd vanuit algemene middelen.

87. Welke uitgaven met betrekking tot de herinrichting van het departement staan geboekt voor het jaar 2018?

Antwoord

In 2018 is € 50 miljoen beschikbaar voor de herinrichting van de Ministeries van LNV en EZK. Dit budget is als volgt verdeeld:

  • ICT-herinrichting: € 15 miljoen

  • Personeel en materieel: € 13 miljoen

  • EU-uitvoeringskosten en ICT-problematiek: € 20 miljoen

  • Inrichtings- en uitvoeringskosten: € 1,9 miljoen

In de Slotwet – en waar mogelijk in de 2e suppletoire begroting – zal inzicht gegeven worden in de uitputting van dit budget.

88. Welke uitgaven met betrekking tot de herinrichting van het departement staan gepland voor het jaar 2019?

Antwoord

Het budget voor de herinrichting van de Ministeries LNV en EZK in 2019 bedraagt € 63,2 miljoen. Dit budget is als volgt verdeeld:

  • ICT-herinrichting: € 20 miljoen

  • Personeel en materieel: € 22,2 miljoen

  • EU-uitvoeringskosten en ICT-problematiek: € 20 miljoen

  • Inrichtings- en uitvoeringskosten: € 1 miljoen.

89. Wat zijn de structurele meerkosten van de oprichting van het zelfstandige Ministerie voor LNV en wat zijn de incidentele kosten?

Antwoord

De geraamde structurele kosten bedragen € 37,2 miljoen per jaar en de incidentele kosten in totaal € 69 miljoen, verspreid over de jaren 2018–2021.

90. Kunt u aangeven hoeveel middelen structureel worden gestoken in het in ere herstellen van het Ministerie van LNV en waaraan deze middelen worden besteed?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 85.

91. Kunt u aangeven hoeveel middelen incidenteel worden uitgegeven aan het in ere herstellen van het Ministerie van LNV en waaraan deze middelen besteed gaan worden?

Antwoord

De geraamde incidentele kosten voor de heroprichting van LNV bedragen € 69 miljoen, bovenop de structurele kosten van € 37,2 miljoen. Deze middelen worden ingezet voor het opvangen van de financiële gevolgen voor de ondersteunende ICT-systemen. De ICT-kosten zijn uit te splitsen naar onder meer personeel (o.a. P-Direkt), de Cloud Werkplek, informatievoorziening (o.a. identiteitenbeheer/IBIS, documentenbeheer/DoMuS, e-mail), financiële functie (o.a. inkoop en boekhouding/Oracle eBS) en communicatie (o.a. (her)inrichting Rijksportaal). Er is een scenario gekozen waarbij, daar waar mogelijk, gezamenlijk gebruik wordt gemaakt van ICT-systemen om de kosten en complexiteit van de oprichting van het Ministerie van LNV zo beperkt mogelijk te houden.

92. Uit hoeveel fte bestaat het departement LNV en is dit meer of minder dan in 2010?

Antwoord

Het kerndepartement van LNV komt uit ca. 450 fte te bestaan. Dit aantal is exclusief het aantal fte’s van de dienstonderdelen die samen gedeeld worden met het Ministerie van EZK. Deze gezamenlijke onderdelen zijn formeel opgehangen onder het Ministerie van EZK. Het departement van LNV bestaat uit minder fte’s dan in 2010.

93. Hoeveel fte binnen het Ministerie van LNV werken er op dierenwelzijn en hoeveel op dierenrechten?

Antwoord

Op het kerndepartement van het Ministerie van LNV werken ongeveer 11 fte beleidsmedewerkers en 3 fte juristen op het thema dierenwelzijn/dierenrechten. Ook de leiding van het departement besteedt hier, gegeven de politieke aandacht, veel tijd aan. De capaciteit wordt flexibel ingezet, onder andere naar gelang de prioriteiten die de politiek en de betrokken bewindspersonen stellen. Dierenwelzijn is een onderwerp dat zowel de maatschappij, politiek als media veel aandacht krijgt.

94. Wat zijn de voordelen van een zelfstandig Ministerie voor LNV (met structurele meerkosten) ten opzichte van het LNV-beleid als onderdeel van een groter departement?

Antwoord

Het kabinet ziet op het terrein van landbouw, natuur en voedselkwaliteit grote maatschappelijke uitdagingen en heeft daarom bij de kabinetsformatie besloten om deze thema’s vanuit een zelfstandig ministerie te coördineren. De Nederlandse tuinbouw, landbouw en visserij zijn internationaal toongevend en met een zelfstandig ministerie kan het kabinet zich sterker positioneren in het agro- en natuurdomein, zowel in Nederland als in het buitenland.

95. Hoeveel apparaatskosten zijn in 2010 ten tijde van de samenvoeging van LNV en EZ tot het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) bespaard?

Antwoord

Bij de samenvoeging van de Ministeries van LNV en EZ tot het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie (EL&I) is invulling gegeven aan de apparaatstaakstelling van kabinet Rutte I. Het gaat om een besparing op het apparaat van het kerndepartement van € 58 miljoen. structureel. De taakstelling bestond uit een generieke korting van vier keer 1,5% en uit een additionele korting die zowel het Ministerie van Economische Zaken (EZ) (17%) als het Ministerie van LNV (10%) is opgelegd. Invulling van deze taakstelling is voor een belangrijk deel mogelijk gemaakt door de samenvoeging van beide ministeries.

96. Hoe verhoudt deze besparing uit 2010 zich tot de extra kosten die nu gemaakt worden?

Antwoord

De kosten die worden gemaakt bij het inrichten van het Ministerie van LNV worden op dit moment geraamd op structureel € 37 miljoen per jaar. Dit betreft naast personele en materiele kosten ook investeringen in ICT en een compensatie van voor het Ministerie van LNV voorziene EU-gerelateerde uitvoeringskosten. Deze extra uitvoeringskosten hadden zich ook voorgedaan als het Ministerie van LNV nog onderdeel was geweest van het Ministerie van EZ.

97. Welke kosten zijn er gemaakt door de naamswijziging EL&I naar EZ?

Antwoord

De kosten die het kerndepartement gemaakt heeft vanwege de naamswijziging van het Ministerie van EL&I naar het Ministerie van EZ bedragen ongeveer € 0,25 miljoen. De kosten zitten voornamelijk op het gebied van ICT, drukwerk en vormgeving.

98. Kunt u een overzicht geven van alle kosten die gemaakt zijn ten behoeve van de (re-)organisatie van het Ministerie van LNV na de verkiezingen in 2017, inclusief de kosten die gepaard zijn gegaan met de naamsverandering etc.?

Antwoord

De kosten die worden gemaakt ten behoeve van de inrichting van het Ministerie van LNV zijn onder te verdelen naar personeel, materieel, ICT en EU-gerelateerde uitvoeringskosten. Zie ook het antwoord op vraag 85. De geraamde structurele kosten bedragen € 37,2 miljoen per jaar en de incidentele kosten € 69 miljoen, verspreid over de jaren 2018–2021.

99. Kunt u met een overzicht inzichtelijk maken naar welke andere begrotingen de middelen uit de Regio Envelop gaan?

Antwoord

In een beperkt aantal gevallen is er sprake van een overboeking naar de begroting van een ander departement. Bij de tot nu toe door het Ministerie van Financiën goedgekeurde bestedingsplannen gaat het om de opgaven Nucleair en ESTEC (beide naar de begroting van het Ministerie van EZK). Met uitzondering van de beschikbaar gestelde bedragen voor de BES-eilanden (die na goedkeuring van het bestedingsplan uiteindelijk ook via de begrotingen van andere departementen beschikbaar zullen worden gesteld) zijn of zullen voor de overige deals (Eindhoven, Zeeland, Rotterdam Zuid) de middelen worden overgeboekt naar de begroting van het Gemeente- of Provinciefonds. Vanuit deze fondsen worden de toegekende bedragen uit de Regio Envelop middels een decentralisatie uitkering aan de gemeente of provincie uitgekeerd. Deze systematiek van decentralisatie uitkeringen zal ook gevolgd worden voor de lopende tranche van nieuwe Regio Deals.

100. Bent u bereid een overzicht met daarin de middelen die vanuit de Regio Envelop naar andere begrotingen gaan in het vervolg aan de begroting toe te voegen?

Antwoord

Vanaf de volgende ontwerpbegroting zal het bestaande overzicht van uitgekeerde bijdragen uit de Regio Envelop worden uitgebreid met een kolom met informatie over op welke begroting de vanuit de Aanvullende Post overgeboekte bedragen uiteindelijk terecht zijn gekomen.

101. Kunt u toelichten wat de Agro-opdracht van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) inhoudt, waarvoor jaarlijks structureel € 10 miljoen wordt gereserveerd?

De Agro-opdracht betreft alle uitvoerende taken op het Agro-domein, waarvoor in 2019 een totaalbedrag is geraamd van € 147 miljoen. De belangrijkste taak is de uitvoering van het zijn van Europees betaalorgaan voor de uitbetaling van Europese subsidies, zoals de basisbetaling, de betaling voor jonge landbouwers en de betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken, en de uitvoering van het EFMZV. In het kader van het Gemeenschappelijke markt- en prijsbeleid behandelt RVO.nl aanvragen voor invoercertificaten en tariefcontingenten. Voorts worden taken uitgevoerd betreffende identificatie en registratie van dieren en het mestbeleid en verleent RVO.nl vergunningen voor agrarische ondernemers en voor bezit en handel in beschermde plant- en diersoorten. Tenslotte wordt het landbouwradennetwerk vanuit deze post gefinancierd. Nieuwe ontwikkelingen, onder meer met betrekking tot het fosfaatrechtenstelsel en de geplande invoering van Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) voor de landbouwfondsen, resulteren in een verwachte structurele stijging van de uitvoeringskosten. Hiervoor is het geraamde budget met € 10 miljoen verhoogd.

102. Wat valt er onder dekking diverse problematiek?

Antwoord

Onder dekking diverse problematiek valt de problematiek gerelateerd aan beleid en apparaat. Op het artikel Nog onverdeeld stond vanaf de Voorjaarsnota een reeks middelen gereserveerd ter dekking van deze problematiek. Het gaat o.a. om de extra bijdrage aan het Inkoop Uitvoeringscentrum, middelen voor het programma Cloud Werkplek, dekking van ICT-tegenvallers bij DICTU, kosten voor de implementatie van de Algemene verordening gegevensbescherming en het inrichten van een team agro-nutriketen bij de Autoriteit Markt en Consument (ACM).

103. Waarom is de € 20 miljoen die volgens het regeerakkoord structureel uitgetrokken zou worden voor de NVWA nog niet opgenomen in de voorliggende begroting?

Antwoord

Van deze reeks staat een eerste structurele tranche van € 5 miljoen op de begroting van LNV (2/3e deel) en op de begroting van VWS (1/3e deel). Hiermee is nog geen invulling gegeven aan de volledige € 20 miljoen structureel die vanaf 2022 beschikbaar is. Zoals ik aan uw Kamer heb gemeld in de brief van 7 juni 2018 (Kamerstuk 33 835, nr. 80), zal ik de verdere invulling samen laten hangen met de conclusies die zullen worden getrokken uit de lopende onderzoeken naar kosteneffectiviteit en efficiëntie.

104. Wordt er na 2019 nog geld geïnvesteerd in de Ontwikkelagenda Groen Onderwijs?

Antwoord

Met de overheveling van het groen onderwijs naar het Ministerie van OCW is de Ontwikkelagenda 2016–2025, nu Groenpact genaamd, in een nieuwe fase terecht gekomen (Kamerstuk 34 284, nr. 9). Het accent is komen te liggen op de bijdrage van het groen onderwijs aan het realiseren van maatschappelijke opgaven en innovatie aansluitend bij de LNV-visie en klimaatopgaven. Ik ben in gesprek met de partners van het Groenpact (o.a. kennis- en onderwijsinstellingen, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties en regionale overheden) over de gezamenlijke inzet daarbij voor 2019 en verder.

Voor een integrale betrokkenheid van het onderwijs bij de inhoudelijke thematische programmering van kennis en innovatie voor het Ministerie van LNV is in 2019 € 4,4 miljoen extra beschikbaar gesteld, naast het structurele budget van € 4,4 miljoen. Hiermee wordt ook de doorontwikkeling van de groene «Centers of Expertise» (hoger beroepsonderwijs) en «Centra voor Innovatief Vakmanschap» (middelbaar beroepsonderwijs) ondersteund.

Daarnaast zet ik in op een goede samenwerking en synergie met de programma’s van andere departementen zoals de Ministeries van OCW, EZK en Buitenlandse Zaken (BZ).

105. Wat is de reden dat de afdracht van gelden door Staatsbosbeheer over een langere periode worden ontvangen?

Antwoord

Het ontvangen van inkomsten, in verband met deze afdracht, uit de verkoop van erfpachtpercelen op de Waddeneilanden verloopt over een langere periode dan aanvankelijk voorzien, omdat het verkooptraject later dan verwacht in gang is gezet. Hierdoor is in 2017 minder gerealiseerd dan was geraamd.

106. Hoe worden de gelden bestemd voor internationale samenwerking op het gebied van natuur en biodiversiteit precies gespendeerd?

Antwoord

Dit budget wordt ingezet voor de uitvoering van acties die overeen zijn gekomen in internationale verdragen en afspraken over biodiversiteit. Het gaat om de volgende onderdelen:

  • Internationaal biodiversiteitsbeleid: Coördinatie standpuntbepaling en implementatie Biodiversiteitsverdrag (CBD), vergroten Nederlandse betrokkenheid bij kennisbasis Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES), Duurzame Ontwikkelingsdoelen.

  • Duurzaam landgebruik: Bijdrage natuur en bos aan klimaatbeleid, bijdrage bossen aan uitvoering afspraken Klimaatverdrag, nationaal en internationaal bosbeleid, duurzame agroketens, planmatig landgebruik.

  • Regeling in beslag genomen goederen (IBG): Budget voor de opslag van goederen of opvang van levende dieren die in het kader van het CITES-verdrag in Nederland in bewaring of in beslag worden genomen.

  • Soorten internationaal: dit budget wordt ingezet voor acties op het gebied van handel in bedreigde dier- en plantensoorten (CITES), migrerende soorten, bestrijding van wildlife crime en International Whaling Committee.

107. Hoe wordt de inzet op de «Ontwikkeling van Klimaatslimme landbouw en veehouderij in Oost-Afrika» vormgegeven, welke sectoren en welke systemen betreft dit en wie wordt er bij dit project betrokken?

Antwoord

Gesteund door de Ministeries van LNV en BHOS en de ambassades worden in de Hoorn van Afrika (Kenia, Uganda en Ethiopië) programma’s uitgevoerd door SNV Netherlands Development Organisation (voorheen Stichting Nederlandse Vrijwilligers) in nauwe samenwerking met private en kennispartners als WUR en Agriterra. Deze marktgerichte programma’s stimuleren boeren om te werken aan duurzame intensivering van voedselproductie in de akkerbouw en melkveehouderij/zuivel. Door co-creatie van en introductie van duurzame teelttechnieken en betere dierverzorging wordt beoogd de broeikasgasuitstoot per eenheid product te verminderen. Ook worden boeren door het bevorderen van betere productie en opslag van ruwvoer en waar mogelijk en nuttig met toepassing van irrigatie minder seizoen afhankelijk, wat bijdraagt aan de weerbaarheid van boeren.

108. Wat wordt er bedoeld met «door aanscherping van het toezicht wordt ingezet op het beschermen van de reputatie van de agro foodsector», welke activiteiten vallen hieronder en hoeveel fte wordt hiervoor ingezet?

Antwoord

Door de extra financiering die beschikbaar is gemaakt in het regeerakkoord kan de handhaving van de NVWA versterkt worden. Deze richt zich in 2019 op de domeinen voedselveiligheid en dierenwelzijn. Er wordt daarbij ingezet op onder meer versterking van de Inlichtingen en Opsporingsdienst (IOD), extra administratief en digitaal toezicht, versterking van de kennisopbouw en risicoduiding, openbaar making van handhavingsresultaten en een pilot met Cameratoezicht in slachthuizen

Voor 2019 is in het regeerakkoord € 5 miljoen beschikbaar gesteld. Hiervoor kan de NVWA structureel ca. 45 fte extra personeel hierop inzetten. Daarnaast is er in 2019 eenmalig € 4 miljoen extra aan financiering toegevoegd waarmee er in 2019 in totaal ca. 80 fte extra kan worden ingezet op voornamelijk de bovengenoemde onderwerpen. Voor beide bedragen geldt de verdeling 2/3 deel voor de begroting LNV en 1/3 deel voor de begroting VWS. Doordat deze investering parallel loopt met eerder ingeboekte efficiencyverbeteringen, die leiden tot personele krimp, zorgt dit niet voor een groei in de omvang van de organisatie.

De investering draagt bij aan de beoogde omslag in het werken van de organisatie.

Door een gerichte versterking van het toezicht wordt er naar gestreefd de naleving van wet- en regelgeving te verhogen. Een goede naleving moet incidenten door niet-naleving voorkomen. Dat werkt door in de reputatie van de agro foodsector.

109. Welke markt wordt bedoeld in de zin «gericht op de wereldmarkt en in evenwicht met natuur en milieu en samengaat met versterking van biodiversiteit en dierenwelzijn»?

Antwoord

Deze zin komt zo niet voor in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. In de memorie van toelichting (Kamerstuk 35 000 XIV, nr. 2) wordt het begrip «wereldmarkt» één keer gebruikt, op pagina 17. Met het begrip «wereldmarkt» wordt bedoeld de (internationale) markt waar de uitwisseling van vraag en aanbod uit alle delen van de wereld plaats heeft.

110. Kan het Borgstellingsfonds worden ingezet voor de (mede)financiering van bedrijven en ketens van bedrijven die stappen naar kringlooplandbouw willen zetten?

Antwoord

De Borgstelling MKB-Landbouwkredieten (huidige naam voor de regeling die tot 2010 door het Borgstellingsfonds voor de Landbouw werd uitgevoerd) kan worden gebruikt bij financieringen verleend aan primaire agrarische bedrijven voor de investeringen zij op hun bedrijf doen. Dus ook voor financieringen die zij, voor hun aandeel daarin, doen gericht op het sluiten van kringlopen.

111. In welke andere zaken kunnen jonge boeren investeren binnen het jonge boeren bedrijfsovernamefonds, naast ondersteuning voor investeringen in innovatie en ondersteuning van coaching en begeleiding van het overnameproces?

Antwoord

Het algemene uitgangspunt is dat startende agrarische ondernemers worden uitgedaagd om op het moment van bedrijfsovername te investeren in bedrijfsverbetering die bijdraagt aan een duurzame versterking van de sociaaleconomische positie van de agrarische onderneming in de keten, rekening houdend met de doelstellingen van de LNV-visie. Uw Kamer wordt later dit jaar geïnformeerd over de invulling van het bedrijfsovernamefonds jonge boeren.

112. Zijn de financieringen als onderdeel van het jonge boeren bedrijfsovernamefonds aan kaders en richtlijnen gebonden, welke zijn dat?

Antwoord

Het bedrijfsovernamefonds is bedoeld voor startende agrarische ondernemers van bedrijven met voldoende continuïteitsperspectief ten behoeve van investeringen die de sociaaleconomische positie van de agrarische onderneming in de keten duurzaam versterken, daarbij rekening houdend met de doelstellingen van de LNV-visie. Daarbij moet vermeden worden dat ondersteuning uit het bedrijfsovernamefonds een grondprijsopdrijvend effect heeft of leidt tot een hogere overnameprijs ten behoeve van het pensioen van de ouders en/of de erfenis voor andere gezinsleden.

113. Welk deel van de kosten voor het jonge boeren bedrijfsovernamefonds gaan naar investeringen die milieu en klimaatrichtlijnen ten goede komen?

Antwoord

Startende agrarische ondernemers van bedrijven met voldoende continuïteitsperspectief zullen gebruik kunnen maken van het bedrijfsovernamefonds ten behoeve van investeringen die de sociaaleconomische positie van de agrarische onderneming in de keten duurzaam versterken, daarbij rekening houdend met de doelstellingen van de LNV-visie. Het is niet voorzien dat er bepaalde percentages gekoppeld worden aan concrete doelstellingen.

114. Hoeveel Europese subsidie, directe betalingen, bijdragen aan promotiecampagnes of andere vormen van steun zoals fiscale regelingen of kortingen gaan er naar de Nederlandse varkenshouderij, op basis van welke regelingen is dit, wat is (per regeling of andere vorm van steun) het doel, hoe wordt (per regeling of andere vorm van steun) bepaald hoe hoog de bijdrage is, wat is in de afgelopen vijf jaar (per regeling of andere vorm van steun) de hoogte van de jaarlijkse bijdrage geweest en wat zijn hierbij (per regeling of andere vorm van steun) de voorwaarden?

Antwoord

De afgelopen jaren is jaarlijks ca. € 13 miljoen aan directe betalingen gedaan aan varkenshouderijbedrijven. Verder zijn er in 2016 en 2017 buitengewone steunmaatregelen getroffen voor de varkenshouderij en mestverwerking in verband met de slechte situatie op de markt: € 19 miljoen in 2016 en € 4 miljoen in 2017. In 2015 en 2016 zijn er vergoedingen betaald voor de particuliere opslag van varkensvlees: € 989.000 in 2015 en € 3 miljoen in 2016. Het is niet bekend of en hoeveel de verschillende sectoren gebruik maken van fiscale regelingen.

Aan promotieregelingen is vanuit het EU-budget de afgelopen jaren jaarlijks gemiddeld € 500.000 uitgekeerd voor promotie van regelingen rond dierlijke producten (varkensvlees, kalfsvlees, zuivel, eieren). In welke mate de verschillende sectoren gebruik maken van fiscale regelingen is niet inzichtelijk.

Voor wat betreft de nationale regelingen is over de genoemde jaren via de departementale jaarverslagen verantwoording afgelegd over de uitvoering van het beleid. Uw kamer heeft naar aanleiding hiervan schriftelijk en mondeling vragen gesteld en deze zijn door mijn ambtsvoorgangers beantwoord (Kamerstukken 34 950 XIII 1, 3, 4, 7, 8, 10, 11, 12 19; 34 725 XIII 1, 3, 4, 6, 20; 34 475 XIII 1, 3, 4, 6; 34 200 XIII 1, 3, 4; 33 930 XIII 1, 2, 3, 7, 20, 21).

Het doel van deze regelingen is bij te dragen aan een concurrentiekrachtige en duurzame landbouw.

115. Hoeveel Europese subsidie, directe betalingen, bijdragen aan promotiecampagnes of andere vormen van steun zoals fiscale regelingen of kortingen gaan er naar de Nederlandse melkveehouderij, op basis van welke regelingen is dit, wat is in de afgelopen vijf jaar (per regeling of andere vorm van steun) de hoogte van de jaarlijkse bijdrage geweest, wat is (per regeling of andere vorm van steun) het doel, hoe wordt (per regeling of andere vorm van steun) bepaald hoe hoog de bijdrage is en wat zijn hierbij (per regeling of andere vorm van steun) de voorwaarden?

Antwoord

De melkveehouderij ontving de afgelopen 5 jaar jaarlijks ca. € 370 miljoen aan directe betalingen. Daarnaast ontvangt de grondgebonden melkveehouderij steun uit de regeling agromilieu, ca. € 5 miljoen per jaar (cijfers 2017) en diverse kleinere regelingen, zoals de schoolmelkregeling en de graasdierpremie. De kosten voor particuliere opslagregeling boter en room bedroegen de afgelopen jaren jaarlijkse ca. € 2,5 miljoen. De laatste twee jaar zijn er ook betalingen gedaan in het kader van de particuliere opslagregeling voor magere melkpoeder (€ 726.000 in 2016 en € 2,6 miljoen in 2017). In deze jaren was er ook sprake van openbare opslag van magere melkpoeder (€ 52.000 in 2016 en € 2,2 miljoen in 2017). Daarnaast zijn er betalingen gedaan in het kader van de tijdelijke buitengewone steun voor melk en melkproducten in 2016 en 2017 van respectievelijk € 11 miljoen en € 26,1 miljoen. In welke mate de verschillende sectoren gebruik maken van fiscale regelingen is niet inzichtelijk. Voor promotieregelingen en de nationale regelingen verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 114.

Het doel van deze regelingen is bij te dragen aan een concurrentiekrachtige en duurzame landbouw.

116. Hoeveel Europese subsidie, directe betalingen, bijdragen aan promotiecampagnes of andere vormen van steun zoals fiscale regelingen of kortingen gaan er naar de Nederlandse kalverhouderij, op basis van welke regelingen is dit, wat is in de afgelopen vijf jaar (per regeling of andere vorm van steun) de hoogte van de jaarlijkse bijdrage geweest, wat is (per regeling of andere vorm van steun) het doel, hoe wordt (per regeling of andere vorm van steun) bepaald hoe hoog de bijdrage is en wat zijn hierbij (per regeling of andere vorm van steun) de voorwaarden?

Antwoord

De kalverhouderij ontving in 2014 € 50,3 miljoen en in 2017 € 32 miljoen aan directie betalingen. Dit jaarlijkse budget laat vanwege het toegroeien naar een gelijke hectare betalingen in 2019 een verder daling zien. In welke mate de verschillende sectoren gebruik maken van fiscale regelingen is niet inzichtelijk. Voor wat betreft de promotieregelingen en de nationale regelingen verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 114.

Het doel van deze regelingen is bij te dragen aan een concurrentiekrachtige en duurzame landbouw.

117. Hoeveel Europese subsidie, directe betalingen, bijdragen aan promotiecampagnes of andere vormen van steun zoals fiscale regelingen of kortingen gaan er naar de Nederlandse pluimveehouderij, uitgesplitst naar de vleeskuikenhouderij en de legkippenhouderij, op basis van welke regelingen is dit, wat is in de afgelopen vijf jaar (per regeling of andere vorm van steun) de hoogte van de jaarlijkse bijdrage geweest, wat is (per regeling of andere vorm van steun) het doel, hoe wordt (per regeling of andere vorm van steun) bepaald hoe hoog de bijdrage is en wat zijn hierbij (per regeling of andere vorm van steun) de voorwaarden?

Antwoord

De vleeskuikenhouderij ontving de afgelopen jaren jaarlijks € 3 à € 4 miljoen aan directe betalingen en de legkippenhouderij ca. € 3 miljoen. Het is niet bekend of en hoeveel de verschillende sectoren gebruik maken van fiscale regelingen. In welke mate de verschillende sectoren gebruik maken van fiscale regelingen is niet inzichtelijk. Voor wat betreft de promotieregelingen en de nationale regelingen verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 114.

Het doel van deze regelingen is bij te dragen aan een concurrentiekrachtige en duurzame landbouw.

118. Hoeveel Europese subsidie, directe betalingen, bijdragen aan promotiecampagnes of andere vormen van steun zoals fiscale regelingen of kortingen gaat er nog naar andere sectoren binnen de veehouderij, zoals houderijen van konijnen, kalkoenen of eenden? Op basis van welke regelingen is dit, wat is in de afgelopen vijf jaar (per regeling of andere vorm van steun) de hoogte van de jaarlijkse bijdrage geweest, wat is (per regeling of andere vorm van steun) het doel, hoe wordt (per regeling of andere vorm van steun) bepaald hoe hoog de bijdrage is en wat zijn hierbij (per regeling of andere vorm van steun) de voorwaarden?

Antwoord

Voor graasdieren, niet zijnde melkvee, bedraagt het jaarlijkse steunbedrag aan directe betalingen ca. € 53 miljoen. Voor kleinere sectoren, zoals de kalkoenen-, eenden- en konijnenhouderij, is de bijdrage vanuit het GLB beperkt. In welke mate de verschillende sectoren gebruik maken van fiscale regelingen is niet inzichtelijk. Voor wat betreft de nationale regelingen verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 114.

Het doel van deze regelingen is bij te dragen aan een concurrentiekrachtige en duurzame landbouw.

119. Welk percentage van de Europese landbouwgelden gaat naar biologische landbouw en welk percentage van de landbouwgelden gaat naar de reguliere landbouw?

Antwoord

2,64% van de GLB-gelden in Nederland gaat naar de biologische landbouw. Dit cijfer is gebaseerd op de verdeling van de uitgaven over 2017. De overige gelden gaan naar de reguliere landbouw.

120. Welk percentage van de Europese landbouwgelden gaat naar de productie van dierlijke eiwitten en welk percentage van de landbouwgelden gaat naar de productie van plantaardige eiwitten, uitgesplitst naar de productie van eiwitten voor dierlijke consumptie en de productie van eiwitten voor menselijke consumptie?

Antwoord

Het GLB koppelt steun voor de productie niet aan specifieke gewassen, landbouwproducten of componenten daarvan. Daarom is deze vraag niet goed te beantwoorden. Gegeven het feit dat de directe betalingen het grootste deel van het GLB-budget uitmaken en gelet op het gebruik van landbouwgrond in Nederland (volgens het CBS2) werd in 2017 van het totale areaal cultuurgrond van 1.789.992 hectare, 962.955 hectare gebruikt voor grasland, 215.286 hectare voor groenvoedergewas en 164.078 hectare voor granen (waarvan een belangrijk deel gebruikt wordt als diervoeder), is een eerste benadering dat rond 70% van de betalingen gebruikt wordt voor de teelt van gewassen voor dierlijke consumptie (gras, groenvoedergewassen, granen bestemd voor diervoer). Van het resterende deel van de landbouwgrond in Nederland wordt het grootste deel gebruikt voor productie van gewassen voor menselijke consumptie en een kleiner deel voor sierteelt en teelt van vezelgewassen.

121. Hoeveel geld van de begroting van het Ministerie van LNV gaat er naar de varkenshouderij, voor welke specifieke maatregelen is dit bedoeld, onder welke regeling valt dit en welk concreet doel wordt hiermee gediend (zoals het uitfaseren van de kraamkooi, bedrijfsbeëindiging of emissiereductie)?

Antwoord

Vanuit de € 200 miljoen die in het regeerakkoord is gereserveerd voor de warme sanering van de varkenshouderij, is € 120 miljoen bestemd voor het beëindigen van varkensbedrijven en het opkopen van varkensrechten en € 40 miljoen bestemd voor verdere verduurzaming van de varkenshouderij (innovatiespoor brongerichte stalemissie maatregelen) (Kamerstuk 28 973, nr. 200). Dit bedrag staat nog niet op de begroting van LNV voor het jaar 2019. Voor het jaar 2019 is op de LNV-begroting € 5 miljoen gereserveerd voor methaanreducerende projecten in de veehouderij. Dit bedrag is nog niet specifiek gelabeld aan een sector. In artikel 11 van de LNV-begroting is voor het jaar 2019 voor de verschillende dierlijke sectoren budget beschikbaar, dat is verdeeld over verschillende beleidsinstrumenten.

Er is € 79.439.000,- gereserveerd voor subsidies voor Kennisontwikkeling en (agrarische) innovatie. Onderdeel hiervan zijn de PPS-projecten in het kader van de Topsector AF. Voor de varkenshouderij worden in 2019 acht PPS-projecten op het terrein van diergezondheid, dierenwelzijn en robuuste dieren door LNV gecofinancierd voor een bedrag van € 922.000,-. Voor de melkveehouderij worden in 2019 zes PPS-projecten op het terrein van duurzaamheid, dierenwelzijn, diergezondheid en robuuste dieren door LNV gecofinancierd voor een bedrag van € 1.422.000,-. Voor de kalverhouderij worden twee PPS-projecten op het terrein van dierenwelzijn en robuuste dieren gecofinancierd door LNV voor een bedrag van € 731.000,-. Voor de pluimveehouderij worden in 2019 drie PPS-projecten op het terrein van dierenwelzijn, diergezondheid en robuuste dieren door LNV gecofinancierd voor een bedrag van € 539.000,-.

Er is € 2.822.000,- gereserveerd voor opdrachten en bijdragen aan derden voor Duurzame veehouderij. Hiervan is € 100.000,- bestemd als bijdrage aan de uitvoering van het Actieplan vitalisering varkenshouderij en € 50.000,- als bijdrage aan de voorbereiding van de saneringsregeling varkenshouderij. Voor de melkveehouderij is voor het jaar 2019 € 295.000,- gereserveerd voor verschillende projecten voor het stimuleren van weidegang. Voor de kalverhouderij is uit deze post € 1.158.600,- bestemd voor uitvoeringskosten van de Europese subsidieregelingen binnen het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3). Voor de pluimveehouderij is € 50.000,- bestemd als bijdrage van LNV aan het uitwerken van een duurzaamheidsagenda voor de pluimveeketen. Het resterende bedrag is niet gelabeld aan een specifieke dierlijke sector.

Er is € 13.081.000,- gereserveerd voor Opdrachten mestbeleid ten behoeve van de implementatie van het zesde Actieprogramma Nitraatrichtlijn. Dit richt zich als gevolg daarvan met name op de toepassing van meststoffen en goede landbouwpraktijk bij gewasteelt en de effecten daarvan op de waterkwaliteit, inclusief controle en handhaving. Daarmee komt het breed ten gunste van zowel de plantaardige als verschillende dierlijke sectoren.

Er is € 10.128.000,- gereserveerd voor Opdrachten Diergezondheid, dierenwelzijn en antibiotica. Hiervan is € 120.000,- specifiek bestemd voor een project gericht op het voorkomen van staartcouperen en € 50.000,- als bijdrage voor de ontwikkeling van een benchmark voor diergezondheid in de varkenshouderij. Voor de pluimveehouderij is € 100.000,- gereserveerd voor flankerende maatregelen voor het verbod op ingrepen en € 25.000,- bestemd als bijdrage van het Ministerie van LNV aan het uitwerken van een strategie voor Aviaire Influenza. Het resterende bedrag is niet gelabeld aan een specifieke dierlijke sector of is nog niet gelabeld aan concrete projecten.

Er is € 11.401.000,- gereserveerd voor Opdrachten Kennisontwikkeling en (agrarische) innovatie. Hiervan is € 133.000,- bestemd voor onderzoeksprojecten gericht op het voorkomen van staartcouperen in de varkenshouderij. Voor de pluimveehouderij is € 90.000,- gereserveerd voor een onderzoek naar preventie en bestrijding van Aviaire Influenza, € 330.000,- voor onderzoek naar fijnstofemissiereductie en € 200.000,- voor onderzoek naar de vogelmijt. Het resterende bedrag is niet gelabeld aan een specifieke dierlijke sector.

Voor de kalkoenen- en eendenhouderij zijn geen middelen gereserveerd voor specifieke projecten.

122. Hoeveel geld van de begroting van het Ministerie van LNV gaat er naar de melkveehouderij, voor welke specifieke maatregelen is dit bedoeld onder welke regeling valt dit en welk concreet doel wordt hiermee gediend?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 121.

123. Hoeveel geld van de begroting van het Ministerie van LNV gaat er naar de kalverhouderij en voor welke specifieke maatregelen is dit bedoeld, onder welke regeling valt dit en welk concreet doel wordt hiermee gediend (zoals investering in alternatieve vloeren voor kalveren)?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 121.

124. Hoeveel geld van de begroting van het Ministerie van LNV gaat er naar de pluimveehouderij, uitgesplitst naar de leghennenhouderij en de vleeskuikenhouderij, voor welke specifieke maatregelen is dit bedoeld, onder welke regeling valt dit en welk concreet doel wordt hiermee gediend?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 121.

125. Hoeveel geld van de begroting van het Ministerie van LNV gaat er naar de eendenhouderij, voor welke specifieke maatregelen is dit bedoeld, onder welke regeling valt dit en welk concreet doel wordt hiermee gediend?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 121.

126. Hoeveel geld van de begroting van het Ministerie van LNV gaat er naar de kalkoenenhouderij, voor welke specifieke maatregelen is dit bedoeld, onder welke regeling valt dit en welk concreet doel wordt hiermee gediend?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 121.

127. Hoeveel geld van de begroting van het Ministerie van LNV gaat er naar de nertsenhouderij, voor welke specifieke maatregelen is dit bedoeld, onder welke regeling valt dit en welk concreet doel wordt hiermee gediend?

Antwoord

Van de begrotingsreserve Landbouw is een bedrag van € 22 miljoen bestemd voor het flankerend beleid pelsdierhouderij. Deze flankerende maatregelen behelzen een tegemoetkoming in de kosten van sloop en ombouw en een bevoegdheid voor de Minister om een tegemoetkoming te verlenen bij onbillijkheden van overwegende aard die zich, als gevolg van de wet, voor kunnen doen ten aanzien van de pensioenvoorziening. Op 28 februari 2018 is de Regeling subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij in werking getreden. Recent heb ik uw Kamer medegedeeld (Kamerstuk 28 973, nr. 200) nog een aanvullend bedrag van € 8 miljoen te reserveren voor de flankerende maatregelen pelsdierhouderij.

128. Hoeveel geld van de begroting van het Ministerie van LNV gaat er naar de schapenhouderij, voor welke specifieke maatregelen is dit bedoeld, onder welke regeling valt dit en welk concreet doel wordt hiermee gediend?

Antwoord

Er zijn geen middelen op de begroting van het Ministerie van LNV voor het jaar 2019 gereserveerd die specifiek bestemd zijn voor de schapenhouderij.

129. Hoeveel geld van de begroting van het Ministerie van LNV gaat er naar de geitenhouderij, voor welke specifieke maatregelen is dit bedoeld, onder welke regeling valt dit en welk concreet doel wordt hiermee gediend?

Antwoord

Er zijn geen middelen op de begroting van het Ministerie van LNV voor het jaar 2019 gereserveerd die specifiek bestemd zijn voor de geitenhouderij. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 27 wordt vanuit de € 200 miljoen die in het regeerakkoord is gereserveerd voor sanering van de varkenshouderij wel € 5 miljoen gereserveerd voor verdere verduurzaming van de melkgeitenhouderij. Dit bedrag staat nog niet op de begroting van LNV voor het jaar 2019 gereserveerd.

130. Hoeveel geld van de begroting van het Ministerie van LNV gaat er naar de konijnenhouderij, voor welke specifieke maatregelen is dit bedoeld, onder welke regeling valt dit en welk concreet doel wordt hiermee gediend?

Antwoord

Sinds 2016 tot en met 2019 loopt de PPS «Gezondheid en welzijn van parkgehuisveste konijnen» in het kader van Topsector AF. Voor de hele duur van deze PPS gaat het om een financiering van € 240.000,- vanuit de begroting van LNV. De konijnenhouderij investeert hetzelfde bedrag in de PPS. De sector werkt samen met WUR aan de verduurzaming van de konijnenhouderij via onder meer een verlaging van het antibioticagebruik en een blijvende verbetering van het niveau van dierenwelzijn, boven de huidige wettelijke eisen. Er wordt geïntegreerd gewerkt aan deze doelen via optimalisatie van de huisvesting en het management (zoals diergezondheid) om de ambities in markt en maatschappij waar te maken.

131. Hoeveel geld van de begroting van het Ministerie van LNV gaat er naar de struisvogelhouderij, voor welke specifieke maatregelen is dit bedoeld, onder welke regeling valt dit en welk concreet doel wordt hiermee gediend?

Antwoord

Er zijn geen middelen op de begroting van het Ministerie van LNV voor het jaar 2019 gereserveerd die specifiek bestemd zijn voor de struisvogelhouderij.

132. Hoeveel geld van de begroting van het Ministerie van LNV gaat er naar de waterbuffelhouderij en voor welke specifieke maatregelen is dit bedoeld, onder welke regeling valt dit en welk concreet doel wordt hiermee gediend?

Antwoord

Er zijn geen middelen op de begroting van het Ministerie van LNV voor het jaar 2019 gereserveerd die specifiek bestemd zijn voor de waterbuffelhouderij.

133. Hoeveel geld van de begroting van het Ministerie van LNV gaat er naar de hertenhouderij, voor welke specifieke maatregelen is dit bedoeld, onder welke regeling valt dit en welk concreet doel wordt hiermee gediend?

Antwoord

Er zijn geen middelen op de begroting van het Ministerie van LNV voor het jaar 2019 gereserveerd die specifiek bestemd zijn voor de hertenhouderij.

134. Hoeveel geld is er in de begroting gereserveerd voor het saneren van de intensieve veehouderij, welke sectoren betreft het, om hoeveel dieren gaat het en worden de dierproductierechten van deze dieren uit de markt gehaald?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de brief van 7 juli jl., waarin ik u heb geïnformeerd over de hoofdlijnen van de sanering van de varkenshouderij (Kamerstuk 28 973, nr. 200).

135. Hoeveel geld is er vanuit de begroting gereserveerd voor het Programma Aanpak Stikstof (PAS) en voor welke maatregelen is dit geld gereserveerd (zoals emissiereducerende staltechnieken, mestvergisters, etc.)?

Antwoord

Het Ministerie van LNV heeft voor de komende jaren gemiddeld € 2,5 miljoen per jaar begroot voor uitvoering van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Dit opdrachtenbudget wordt onder andere ingezet voor het meten van effecten van het PAS op de stikstof- en ammoniakconcentraties, kosten voor de reguliere actualisatie van het programma, juridische procedures, de organisatie en programmasturing van het PAS en het beheer en de (door)ontwikkeling van het rekeninstrument AERIUS. Vanuit dit opdrachtenbudget is geen geld gereserveerd voor uitvoering van specifieke maatregelen als emissie reducerende staltechnieken, mestvergisters, etc.

136. Wat is het totaalbedrag dat in 2016 en 2017 is besteed aan onderzoek ten aanzien van de agroketen en welke onderzoeken waren dit?

Antwoord

Het budget voor kennisontwikkeling en innovatie ten behoeve van het groene domein bedroeg in 2016 € 163,6 miljoen en in 2017 € 165,4 miljoen. Het is besteed aan onderbouwing en uitvoering van beleid, aan instandhouding van de kennisbasis van het groene domein, aan wettelijke onderzoekstaken en aan PPS’en van de topsectoren AF en TU.

137. Hoeveel van het onderzoeksbudget in 2016 en 2017 is besteed aan onderzoek ten behoeve van dierenwelzijn en welke onderzoeken waren dit?

Antwoord

Voor het onderzoek op het gebied van dierenwelzijn is in 2016 € 1.323.000 besteed. In 2017 is € 911.000 besteed.

Het ging om onderzoeken ten behoeve van de verbetering van het welzijn van landbouwhuisdieren en gezelschapsdieren, bijvoorbeeld naar een systematiek voor het opstellen van de positieflijst voor zoogdieren, naar het voorkomen van misstanden in de hondenfokkerij en naar de vitaliteit van biggen.

Daarnaast was dierenwelzijn één van de aspecten van diverse onderzoeksprojecten van de Topsector AF die voor de helft gefinancierd worden door de overheid en voor de andere helft door het bedrijfsleven. Het gaat dan bijvoorbeeld om de ontwikkeling van nieuwe huisvestingssystemen voor onder meer kalveren, vleeskuikens, vleeskuikenouderdieren en varkens, gericht op een verbetering van het dierenwelzijn, diergezondheid en ook milieu.

138. Hoeveel van het onderzoeksbudget van het Ministerie van LNV alsmede van andere departementen is in 2016 en 2017 besteed aan onderzoek ten behoeve van dierenwelzijn voor gezelschapsdieren?

Antwoord

Van het onderzoeksbudget van het Ministerie van LNV dat besteed is aan onderzoek ten behoeve van dierenwelzijn, is in 2016 een bedrag van € 769.000 besteed aan onderzoek ten behoeve van gezelschapsdieren; in 2017 ging het om € 256.000. Het is mij niet bekend of andere departementen onderzoeksprojecten betreffende het welzijn van gezelschapsdieren hebben gefinancierd.

139. Kunt u een overzicht geven voor de jaren 2019 t/m 2024 van de investeringen in onderzoek ten behoeve van dierenwelzijn vanuit zowel de begroting van het Ministerie van LNV als vanuit andere departementale begrotingen?

Antwoord

In 2019 ben ik voornemens minimaal € 755.000 te investeren in beleidsondersteunend onderzoek ten behoeve van dierenwelzijn. In 2020 ben ik voornemens minimaal € 509.000 te besteden.

Daar komt nog een deel van de PPS-projecten onder Topsector AF bij met (gedeeltelijk) focus op dierenwelzijn die doorlopen tot 2019, 2020 of 2021.

Voor de jaren 2021 t/m 2024 zijn de precieze bedragen van de investeringen in beleidsondersteunend onderzoek voor dit onderwerp nog niet bekend. Verder is het mij niet bekend of andere departementen uitgaven gaan doen ten behoeve van onderzoek naar dierenwelzijn.

140. Hoeveel geld is er de laatste vijf jaar gegaan naar het subsidiëren of financieren van stallen groter dan 300 Nederlandse grootte-eenheden (nge) in Nederland?

Antwoord

De gevraagde informatie wordt niet geregistreerd en is derhalve niet beschikbaar.

141. Kunt u een opsomming geven van de projecten «natuurinclusieve landbouw» die u ondersteunt, financieel of anders?

Antwoord

Projecten of initiatieven op het gebied van natuurinclusieve landbouw die ik op dit moment ondersteun, zijn onder meer:

  • Green Deal Weidevarkens;

  • Green Deal Natuurinclusief Grondgebruik Herenboeren;

  • Living Lab natuurinclusieve melkveehouderij in Fryslân;

  • Landschapsherstel met een businesscase in het veenweidegebied rond Amsterdam door Stichting Commonland;

  • Experimenten natuurinclusieve landbouw die Staatsbosbeheer met een aantal pachters uitvoert;

  • Diverse projecten voor weidevogels in het kader van het amendement Grashoff-Leenders (Kamerstuk 34 300-XIII, nr. 91);

  • Green Deal Voedselbossen;

  • Onderzoek door onder meer WR, Louis Bolk Instituut, Universiteit Utrecht en PBL naar verdienmodellen, transitieaspecten en beweegredenen voor boeren om over te gaan op natuurinclusieve landbouw;

  • Het samenbrengen van initiatieven in het kader van de Bijenstrategie;

  • Vervaardiging van onderwijsmateriaal voor het groene onderwijs (middelbaar en hoger beroepsonderwijs);

  • Informatiedagen voor docenten uit het groene onderwijs (middelbaar en hoger beroepsonderwijs);

  • Pilots voor het onderbrengen van natuurinclusieve maatregelen en bedrijfsvoeringen in het GLB;

  • Pilot LandvanWaarde van Stichting Courage, Landschap Overijssel en het Nationaal Groenfonds, waarin boeren en hun zakelijke partners werken aan een set van belonende prikkels die boeren zodanig moet stimuleren dat natuurbeheer een volwaardige pijler onder hun bedrijfsvoering wordt;

  • De vorming van een netwerk van koplopers op het gebied van natuurinclusieve landbouw door de Stichting Nationaal Netwerk Natuurinclusieve Landbouw;

  • Ontwerpatelier over het Lege Midden van Fryslân in het kader van de tentoonstelling Places of Hope;

  • Ontwerpwedstrijd Brood en Spelen van het College van Rijksadviseurs;

  • Procesondersteuning bij de totstandkoming van het Deltaplan Biodiversiteitsherstel;

  • Het innovatielab «Voor de Oogst van Morgen», dat georganiseerd wordt door het Overlegorgaan Infrastructuur en Milieu;

  • Een inspiratiedag Natuurinclusief Platteland, georganiseerd door Land- en Tuinbouworganisatie (LTO), BoerenNatuur en Landschappen NL;

  • Het project «Towards an enhanced sustainable future EU agriculture» van de Europese afdeling van de International Union for Conservation of Nature (IUCN).

142. Hoeveel geld is er besteed aan de YouTube-serie «Boeren» waarin verhalen van boeren in Nederland worden verteld en hoeveel geld gaat er nog aan worden besteed?

Antwoord

Voor de Youtube-serie Boeren wordt geen externe partij ingehuurd. Deze wordt binnen de Directie Communicatie van het Ministerie LNV (in nauw overleg met beleidsafdelingen van het ministerie) ontwikkeld en gerealiseerd. Er staat momenteel geen einddatum voor de serie gepland.

143. Wat is het doel van de serie «Boeren»?

Antwoord

De Directie Communicatie van het Ministerie van LNV heeft een beeldstrategie geformuleerd met daarin de beeldambities voor 2018 en later. Een van de geformuleerde ambities is het gebruik van nieuwe beeld- en vertelvormen. Daarbij ligt de focus op mooie voorbeelden uit de samenleving die raken aan ons beleid. Zo is er rond de presentatie van de LNV-visie een aflevering over kringlooplandbouw gemaakt. Daarnaast haakt de serie Boeren aan bij de ambitie van LNV om Nederland te laten zien hoe boeren iedere dag bezig zijn om gezond en goed voedsel op ons bord te krijgen.

144. Op basis van welke criteria zijn de deelnemende boeren aan de serie «Boeren» geselecteerd?

Antwoord

De Directie Communicatie van het Ministerie van LNV maakt, in samenwerking met de verschillende beleidsafdelingen van het ministerie, een lijst van een zo divers mogelijk palet aan boeren die mee willen werken. Uiteindelijk moet de serie Boeren een soort «canon van de Nederlandse boer» vormen.

145. Kunt u een overzicht geven van de samenwerkingsverbanden met ketenpartners om duurzame voedselinnovaties op de markt te brengen, van de deelnemers hieraan, van de bijdrage die de overheid hieraan heeft geleverd, van de investeringen van het bedrijfsleven hierin en van welke duurzame voedselinnovaties hieruit zijn voortgekomen?

Antwoord

Het is geen taak van de overheid om alle samenwerkingsverbanden die (keten)partijen aangaan om nieuwe voedselinnovaties op de markt te brengen te monitoren. Daarom is het niet mogelijk om het gevraagde overzicht te geven. Wel wil ik in dit verband enkele voorbeelden geven van PPS-verbanden in de Topsector AF en de Topsector TU en wil ik het Sustainable Food Initiative (SFI) naar voren brengen.

In de topsectoren AF en TU wordt op diverse manieren gewerkt aan gezonde en duurzame voedselinnovaties. In deze publiek-private samenwerkingsverbanden financieren de private partijen minimaal 50% van de programmakosten. Enkele voorbeelden zijn:

de PPS-Verwaarden en verduurzamen waarin CONO Kaasmakers en Keten Duurzaam Varkensvlees met ondersteuning van WUR gewerkt hebben aan de verduurzaming van hun productieketens. Met de aangesloten boeren is gewerkt aan consumentgerichte productontwikkeling op gebied van smaak, dierenwelzijn (lange staarten) en milieu (ammoniak). LNV en private partners investeren beide € 530.000.

In de PPS-Groente als ingrediënt werken 4 bedrijven samen met de gemeente Helmond, GGD, HAS Den Bosch en WR om de groenteconsumptie te stimuleren bij jongeren (12–18 jaar). Het doel is het verhogen van de groenteconsumptie door het ontwikkelen van een gevarieerd productaanbod geschikt voor eetmomenten buiten de warme maaltijd. LNV, gemeente Helmond en bedrijven investeren samen € 387.000.

Een initiatief in opbouw is het Sustainable Food Initiative. Diverse bedrijven, onderzoeksinstellingen, universiteiten en overheden hebben in het SFI de handen ineengeslagen met als doel een systeemsprong te maken in de verduurzaming van de voedselproductie door onderzoek, ontwikkeling en innovatie sneller en in betere samenwerking uit te voeren. Betrokken zijn Unilever, DSM, Cosun, Heineken, Avebe, Danone, Cargill, Corbion, KraftHeinz, ISPT, TIFN, WUR, Universiteit Utrecht, TU/e, diverse mkb-bedrijven, de Topsector AF, de Ministeries van EZK en LNV en de provincie Gelderland.

146. Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van aantallen dieren binnen de landbouwsector van de afgelopen twee jaar, landelijk en per provincie, van de volgende soorten: runderen (melk- en vleesvee), varkens, kippen (legkippen en vleeskippen), geiten, konijnen, kalkoenen, herten en nertsen?

Antwoord

De ontwikkeling van het aantal runderen (melk en overig), varkens, kippen (legkippen en vleeskippen), geiten, konijnen, kalkoenen en (edepelsdieren) nertsen vindt u op de website van het CBS:

http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=80780NED&D1=459–460,466,469,475–476,479,486,542,561,568,572,575,578&D2=0,5–16&D3=16–17&HDR=G1&STB=T,G2&VW=T.

Voor herten is deze informatie niet beschikbaar.

147. Hoeveel varkens zijn er in Nederland, op elk moment en op jaarbasis, uitgesplitst naar het aantal kraamzeugen, het aantal biggetjes dat nog bij de zeug ligt, het aantal gespeende biggen, het aantal vleesvarkens vanaf 25 kg en het aantal fokberen?

Antwoord

Het aantal varkens op 1 april 2017 (CBS Landbouwtelling) is in onderstaande tabel weergegeven.

Categorie

Aantallen * 1.000

Kraamzeugen

178

Overige zeugen

973

Fokberen

7

Biggen bij de zeug

2.186

Gespeende biggen

3.425

Vleesvarkens

5.631

   

Totaal

12.400

Door middel van de Landbouwtelling heb ik inzicht in de aantallen dieren op 1 april van een jaar. Hoewel mijn ministerie voor diverse doeleinden (zoals Identificatie & Registratie, I&R) gegevens bijhoudt over de Nederlandse veestapel geven alleen de gegevens van de Landbouwtelling inzicht in de dieraantallen op dat specifieke moment. De gegevens over het totaal aantal gehouden dieren in een jaar heb ik niet tot mijn beschikking.

148. Welk percentage van de varkens wordt gehouden in gangbare houderijsystemen, in een houderijsysteem met één ster van het Beter Leven-keurmerk van de Dierenbescherming, in een houderijsysteem met twee sterren, met drie sterren en biologisch en om hoeveel varkens gaat dit?

Antwoord

Ik verwijs u voor deze cijfers naar de Monitor Integraal duurzame stallen 2018 van WUR, die ik u op 22 oktober 2018 toezond. Hierin staat per diersoort zowel het percentage stallen als aantal dierplaatsen verder uitgesplitst naar onder andere het Beter Leven Keurmerk (BLK) en biologisch. Tevens kunt u uit de monitor afleiden hoe de verhouding is met gangbaar. In de monitor wordt bij het BLK geen onderscheid gemaakt naar aantal sterren. Deze gegevens zijn niet verzameld ten behoeve van de monitor en derhalve ook niet bij mij bekend. Het zijn private gegevens.

149. Wat zijn de verschillen tussen een varkenshouderijsysteem met drie sterren van het Beter Leven-keurmerk en biologisch gehouden?

Antwoord

Het Beter Leven Keurmerk is een privaat initiatief. Per diersoort en per ster zijn de eisen overzichtelijk gepresenteerd op de volgende website: https://beterleven.dierenbescherming.nl. Ook is daar de vergelijking met de eisen voor biologisch gehouden dieren te vinden.

150. Welk percentage van de varkens is gehuisvest in stallen waar het voeren, de watervoorziening en de luchtventilatie volautomatisch geregeld is, de zogenoemde volautomatische stallen, en om hoeveel varkens gaat dit?

Antwoord

Het is niet exact bekend hoeveel volautomatische varkensstallen er zijn in Nederland. Een inschatting van sectordeskundigen is dat meer dan 90% van de varkens in volautomatische stallen wordt gehouden.

151. Hoeveel varkens worden er per jaar naar Nederland geïmporteerd, vanuit welke landen en met welk doel?

Antwoord

Zie de tabel hieronder voor het antwoord op uw vraag.

Import varkens 2017

Herkomstland

Fokken

Productie

Slacht

Totaal

België

30

6.002

555.076

561.108

Denemarken

1.780

4.191

 

5.971

Duitsland

21.189

32.061

4.522

57.772

Frankrijk

1.134

336

5.878

7.348

Hongarije

3.746

2.571

 

6.317

Nederland

 

450

85

535

Noorwegen

129

   

129

Spanje

5

   

5

Tsjechië

135

   

135

Verenigd Koninkrijk

18

   

18

Totaal bestemming

28.166

45.611

565.561

639.338

152. Hoeveel varkens worden er per jaar geëxporteerd, naar welke landen en met welk doel?

Antwoord

In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de export van varkens in 2017 uitgesplitst naar land en doel.

Exporten Varken 2017

Bestemmingsland

Erkende Instanties

Fokken

Overig

Productie

Slacht

Totaal per land

Albanië

     

600

 

600

België

1

18.819

 

963.563

84.395

1.066.778

Bosnië-Herzegovina

     

1.410

 

1.410

Bulgarije

 

1

 

9.783

 

9.784

Denemarken

   

1

   

1

Duitsland

 

88.070

 

4.960.622

3.134.981

8.183.673

Frankrijk

2

541

 

16.960

38.001

55.504

Griekenland

 

8

   

740

748

Hongarije

 

454

 

217.430

781

218.665

Ierland

 

56

     

56

Israël

 

187

     

187

Italië

 

1.262

 

170.386

80.541

252.189

Kroatië

 

12

 

43.261

116.823

160.096

Litouwen

 

45

     

45

Luxemburg

     

36.173

2.179

38.352

Moldavië

     

9.450

 

9.450

Oostenrijk

     

28.336

 

28.336

Polen

 

494

 

210.123

 

210.617

Portugal

       

4.986

4.986

Roemenië

 

1.734

 

188.765

 

190.499

Singapore

 

41

     

41

Slovenië

     

41.807

750

42.557

Slowakije

     

2.560

 

2.560

Spanje

 

2.240

 

355.436

72.539

430.215

Tsjechië

 

18

 

29.140

 

29.158

Verenigd Koninkrijk

 

75

     

75

Zwitserland

2

50

     

52

Totaal per bestemming

5

114.107

1

7.285.805

3.536.716

10.936.634

153. Welke ingrepen worden er uitgevoerd bij varkens, om hoeveel varkens gaat het en in welk houderijsysteem worden zij gehouden?

Antwoord

Bij de varkens gaat het om het couperen van de varkensstaarten, het castreren, het aanbrengen van de dier identificatie en het vijlen van de tanden. Het couperen van varkensstaarten wordt nog regulier toegepast. Bij de biologische varkenshouderij is couperen niet toegestaan. Castratie wordt in Nederland nog bij +/- 35% van de mannelijke varkens toegepast. Dit vindt plaats in alle verschillende houderijsystemen. Het aanbrengen van dier identificatie is een wettelijke verplichting. Het vijlen van tanden komt in zeer beperkte mate voor.

154. Hoeveel legkippen zijn er in Nederland op elk moment en op jaarbasis, uitgesplitst naar jonge leghennen en producerende leghennen?

Antwoord

Op 1 april 2017 (CBS Landbouwtelling) werden in Nederland totaal 46.441.900 leghennen gehouden. Dit waren 11.625.800 leghennen jonger dan 18 weken, 32.648.500 leghennen van 18 weken tot 20 maanden en 2.167.700 leghennen ouder dan 20 maanden.

Voor een algemene uitleg over de registratie van dieren in Nederland wordt u verwezen naar het antwoord op vraag 147.

155. Hoeveel haantjes worden er jaarlijks gedood, op welke manieren gebeurt dit en om hoeveel haantjes gaat het per dodingsmethode?

Antwoord

Er worden ca. 40 miljoen leghaantjes gedood op jaarbasis. Deze worden alle middels gas gedood.

156. Wat gebeurt er met de gedode haantjes, worden deze bijvoorbeeld gebruikt als veevoer? Zo ja, voor welke dieren?

Antwoord

Het overgrote deel wordt gebruikt als voeding voor dierentuindieren en als voeding voor andere dieren, zoals vogels van valkeniers.

157. Welk percentage van de legkippen wordt gehouden in gangbare houderijsystemen, in een houderijsysteem met één ster van het Beter Leven-keurmerk van de Dierenbescherming, met twee sterren en met drie sterren?

Antwoord

Ik verwijs u voor deze cijfers naar de Monitor Integraal duurzame stallen 2018 van WUR die ik u op 22 oktober 2018 toezond. Hierin staat per diersoort zowel het percentage stallen als aantal dierplaatsen verder uitgesplitst naar onder andere het Beter Leven Keurmerk (BLK) en biologisch. Tevens kunt u uit de monitor afleiden hoe de verhouding is met gangbaar. In de monitor wordt geen onderscheid gemaakt naar legkippen of vleeskuikens. Bij het BLK is geen onderscheid gemaakt naar aantal sterren. Deze gegevens zijn niet verzameld ten behoeve van de monitor en derhalve ook niet bij mij bekend. Het zijn private gegevens.

158. Wat zijn de verschillen tussen een houderijsysteem voor legkippen met drie sterren van het Beter Leven-keurmerk en biologisch?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 149.

159. Welke stalsystemen voor legkippen vallen onder «gangbaar»?

Antwoord

Het merendeel van de leghennen op legeindbedrijven wordt gehouden in een scharrelsysteem.

Leghennen worden verder gehouden in huisvestingssystemen zoals toegestaan in het Besluit houders van dieren.

160. Hoeveel van de leghennen worden gehouden voor de productie van scharreleieren, voor vrije uitloopeieren en voor biologische eieren?

Antwoord

Conform Uitvoeringsverordening 2017/1185 geven alle lidstaten jaarlijks voor 1 april de productie van leghennen naar houderijsysteem door aan de EC.

De volgende aantallen leghennen (dus exclusief de opfokleghennen) in Nederland verdeeld over de houderijsystemen is in 2018 aan de EC doorgegeven:

  • Verrijkte kooi 6.234.000

  • Vrije uitloop 5.487.000

  • Scharrel 20.608.000

  • Biologisch 1.997.000

bron: Koppel Informatiesysteem Pluimvee (KIP)

Dit overzicht kunt u ook vinden op de volgende website van de EC: https://circabc.europa.eu/faces/jsp/extension/wai/navigation/container.jsp.

161. Op welke leeftijd worden de leghennen geslacht, welk percentage van de leghennen wordt in Nederland geslacht, welk percentage wordt in het buitenland geslacht, welke landen betreft dit en welk percentage wordt in welk land geslacht?

Antwoord

Gemiddeld worden leghennen op ongeveer 85–90 weken geslacht. Naar schatting wordt circa een kwart van de leghennen in Nederland geslacht. Gegevens over welke percentages leghennen in welke landen worden geslacht heb ik niet tot mijn beschikking.

162. Welke ingrepen worden er uitgevoerd bij leghennen, om hoeveel leghennen gaat het en in welk houderijsysteem worden zij gehouden?

Antwoord

De enige ingreep die nog wordt uitgevoerd bij leghennen is de snavelbehandeling. De laatste inventarisatie omtrent de snavelbehandeling eind 2017 liet zien dat 69% van de hennen op dat moment onbehandeld werd gehouden. Deze dieren zijn verdeeld over de kooi-, vrije uitloop- en scharrelsystemen. Biologische bedrijven houden alleen onbehandelde hennen. Vanaf 1 januari 2019 is het niet meer toegestaan leghennen aan de snavels te behandelen, zoals ik u heb laten weten in de brief over de Evaluatie Ingrepen Pluimvee van 5 juni 2018 (Kamerstuk 28 286 nr. 983).

163. Welke ingrepen worden er uitgevoerd bij de mannelijke ouderdieren van de legkippen, om hoeveel hanen gaat het en in welk houderijsysteem worden zij gehouden?

Antwoord

Bij wit bevederde hanen die als ouderdier van legkippen worden gehouden is het toegestaan om de kammen te verwijderen ter identificatie. Tevens is snavelbehandeling bij deze categorie dieren nog toegestaan gedurende vijf jaar. De legouderdieren worden in vergelijkbare huisvestingssytemen gehouden als leghennen, houderij in volière- en strooisel/rooster-systemen. Informatie over het aantal hanen is niet voorhanden.

164. Hoeveel vleeskuikens zijn er in Nederland, op elk moment en op jaarbasis?

Antwoord

Op 1 april 2017 waren er 48.237.240 vleeskuikens (CBS).

Voor een algemene uitleg over de registratie van dieren in Nederland wordt u verwezen naar het antwoord op vraag 147.

165. Welk percentage van de vleeskuikens wordt gehouden in gangbare houderijsystemen, in een houderijsysteem met één ster van het Beter Leven-keurmerk van de Dierenbescherming, met twee sterren, met drie sterren en biologisch?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 157.

166. Wat zijn de verschillen tussen een houderijsysteem voor vleeskuikens met drie sterren van het Beter Leven-keurmerk en biologisch?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn vraag 149.

167. Hoeveel vleeskuikens zijn gehuisvest in stallen met de in de EU hoogst toegestane dichtheid van 42 kg/m2 volgens de EU- Richtlijn 2007/43/EG van de Raad van 28 juni 2007 en hoeveel vleeskuikenhouderijen betreft dit?

Antwoord

Er zijn op dit moment 708 stallen in categorie 3, dat zijn 232 bedrijven. Het totaal aantal dieren betreft: 18.693.306 (bron: RVO.nl). Er zijn in totaal ongeveer 600 vleeskuikenbedrijven in Nederland (incl. biologisch), met zo’n 2000 stallen. Eén bedrijf kan meerdere locaties hebben.

168. Wat is de mortaliteit in de stallen met de in de EU hoogst toegestane dichtheid van 42 kg/m2?

Antwoord

De gemiddelde gecumuleerde dagelijkse mortaliteit is in 2018, voor stallen in de hoogste bezettingscategorie: 3,5% (bron: RVO.nl).

169. Welke ingrepen worden er uitgevoerd bij vleeskuikens, om hoeveel vleeskuikens gaat het en in welk houderijsysteem worden zij gehouden?

Antwoord

Vleeskuikens worden in grondstallen, met of zonder vrije uitloop gehouden. Er zijn geen ingrepen toegestaan bij vleeskuikens. Voor de aantallen verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 164.

170. Hoeveel koeien zijn er in Nederland, op elk moment en op jaarbasis, uitgesplitst naar jongvee voor de melkveehouderij, vleeskalveren, vleeskoeien en melkkoeien?

Antwoord

Op 1 april 2017 waren er 1.200.000 stuks jongvee voor de melkveehouderij, 953.000 vleeskalveren, 1.694.000 melkkoeien en 59.000 overige koeien (CBS, RVO.nl). Voor een algemene uitleg over de registratie van dieren in Nederland wordt u verwezen naar het antwoord op vraag 147.

171. Welk percentage van de koeien krijgt weidegang en hoeveel uur weidegang krijgen zij per dag?

Antwoord

Het percentage koeien met weidegang in 2017 bedraagt 68%. Dit is een groei van 3% ten opzichte van 2016.

Van de koeien met weidegang wordt 17% dag en nacht geweid met gemiddeld 19 uur per etmaal. 83% van de koeien met weidegang wordt alleen overdag geweid met gemiddeld 7 uur weidegang per etmaal. In de beantwoording van vragen naar aanleiding van het schriftelijk overleg Initiatiefnota Wei voor de koe (Kamerstuk 34 313, nr. 6) zijn de gegevens over dag- en nachtweiden in eerdere jaren opgenomen.

172. Welk percentage van de koeien staat nog in grupstallen, welk percentage daarvan staat jaarrond aangebonden op stal en welk percentage gedurende een deel van het jaar, bijvoorbeeld in de herfst en winter?

Antwoord

Uit gegevens van de Stichting Kwaliteitszorg Onderhoud Melkinstallaties (www.stichtingkom.nl/) blijkt dat er op 1122 grupstallen koeien worden gemolken (2017). Dat komt overeen met ca. 6,5% van de melkveebedrijven. Er zijn geen gegevens beschikbaar over het percentage koeien. Naar verwachting is het percentage koeien aanzienlijk lager dan 6,5% omdat de grupstal vooral gebruikt wordt op de kleinere bedrijven. Datzelfde geldt voor het percentage dat jaarrond op stal staat, omdat kleinere bedrijven vaker dan gemiddeld weidegang toepassen.

173. Welke ingrepen worden er uitgevoerd bij kalveren en koeien bestemd voor de melkproductie, om hoeveel koeien en kalveren gaat het en in welk houderijsysteem worden zij gehouden?

Antwoord

Vrijwel alle kalveren krijgen als ze jong zijn twee oormerken ter identificatie. Daarnaast worden vrijwel alle kalveren die bestemd zijn om melkkoe te worden onthoornd, kalveren bestemd voor de vleeskalverhouderij worden niet onthoornd. Een aantal melkkoeien krijgt een nummer door middel van vriesbranden. Dit vriesbranden wordt met ingang van 1 januari 2019 verboden (Kamerstuk 28 286, nr. 942). Voor een beperkte groep houders die nu nog vriesbranden, wordt vrijstelling verleend.

174. Hoeveel vleeskalveren worden er in Nederland gehouden, op elk moment en op jaarbasis?

Antwoord

Op 1 april 2017 waren er 597.000 kalveren gehouden voor blankvlees en 356.000 rosé kalveren (CBS Landbouwtelling).

Voor een algemene uitleg over de registratie van dieren in Nederland wordt u verwezen naar het antwoord op vraag 147.

175. Kunt u aangeven hoeveel vleeskalveren, op welke leeftijd, in 2017 naar Nederland werden geïmporteerd?

Antwoord

In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de geïmporteerde vleeskalveren uitgesplitst naar land. Het betreft dieren die niet ouder zijn dan 12 maanden.

Land

2014

2015

2016

2017

2018

België

91.718

52.389

29.619

40.622

73.391

Bulgarije

0

0

0

0

0

Denemarken

34.765

28.350

24.370

21.614

15.624

Duitsland

479.143

535.822

531.631

539.548

388.014

Estland

14.792

12.041

9.912

13.166

7.409

Frankrijk

327

1.066

3

1

2

Verenigd Koninkrijk

0

0

1

0

0

Hongarije

0

0

0

0

0

Ierland

31.534

30.785

16.397

26.208

28.012

Italië

3.088

1.649

0

156

0

Letland

22.622

20.655

20.635

21.287

18.337

Litouwen

29.579

18.836

8.204

5.766

6.319

Luxemburg

9.617

11.249

12.434

14.054

3.810

Oostenrijk

0

0

0

0

0

Polen

34.053

24.455

11.918

2.246

1.074

Roemenië

14

0

0

0

0

Slowakije

422

0

83

352

54

Spanje

0

0

0

0

0

Tsjechië

7.211

7.355

7.980

10.258

5.891

Totaal

758.885

744.652

673.187

695.278

547.937

176. Welke ingrepen worden er uitgevoerd bij vleeskalveren? Om hoeveel kalveren gaat het en in welk houderijsysteem worden zij gehouden?

Antwoord

Kalveren die gehouden worden voor de vleesproductie krijgen twee oormerken. Zij worden niet onthoornd. Voor de aantallen verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 170.

177. Hoeveel vleesrunderen zijn er in Nederland, op enig moment en op jaarbasis?

Antwoord

Op 1 april 2017 waren er 175.000 stuks jongvee voor de vleesproductie, 59.000 overige koeien en 16.000 stieren van 2 jaar en ouder (CBS, RVO.nl). Voor een algemene uitleg over de registratie van dieren in Nederland wordt u verwezen naar het antwoord op vraag 147.

178. Welk percentage van de vleesrunderen wordt gehouden in gangbare houderijsystemen, in een houderijsysteem met één ster van het Beter Leven-keurmerk van de Dierenbescherming, met twee sterren, met drie sterren en biologisch?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 157. In de monitor valt vleesvee onder de categorie rundveehouderij.

179. Wat zijn de verschillen tussen een houderijsysteem voor vleesrunderen met drie sterren van het Beter Leven-keurmerk en biologisch?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 149.

180. Welke ingrepen worden er uitgevoerd bij vleesrunderen? Om hoeveel vleesrunderen gaat het en in welk houderijsysteem worden zij gehouden?

Antwoord

Voor het aantal vleesrunderen dat in Nederland wordt gehouden en in welk systeem verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 146.

Vrijwel alle kalveren krijgen als ze jong zijn twee oormerken ter identificatie, ook kalveren die bestemd zijn te worden gehouden als vleesrunderen.

181. Hoeveel kalkoenen zijn er in Nederland, op enig moment en op jaarbasis?

Antwoord

Op 1 april 2017 (CBS Landbouwtelling) werden er in Nederland 670.500 kalkoenen gehouden.

Voor een algemene uitleg over de registratie van dieren in Nederland wordt u verwezen naar het antwoord op vraag 147.

182. Welk percentage van de kalkoenen wordt gehouden in gangbare houderijsystemen, in een houderijsysteem met één ster van het Beter Leven-keurmerk van de Dierenbescherming, met twee sterren, met drie sterren en biologisch?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 157. In de monitor vallen kalkoenen onder de categorie pluimvee.

183. Wat zijn de verschillen tussen een houderijsysteem voor kalkoenen met drie sterren van het Beter Leven-keurmerk en biologisch?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 149.

184. Welke ingrepen worden er uitgevoerd bij kalkoenen, om hoeveel kalkoenen gaat het en in welk houderijsysteem worden zij gehouden?

Antwoord

Bij kalkoenen vindt een behandeling aan de snavel plaats. Kalkoenen worden in grondstallen gehouden, deels met overdekte uitloop. Voor de aantallen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 181.

185. Hoeveel geiten zijn er in Nederland, op elk moment en op jaarbasis?

Antwoord

In onderstaande tabel is het aantal bedrijfsmatig gehouden geiten weergegeven voor het jaar 2017. Voor een algemene uitleg over de registratie van dieren in Nederland wordt u verwezen naar het antwoord op vraag 147.

Geiten

totaal

532.872

Melkgeiten

totaal

376.421

 

jonger dan 1 jaar

54.335

 

1 jaar en ouder

322.086

Overige geiten

totaal

156.451

 

jonger dan 1 jaar

123.299

 

1 jaar en ouder

33.152

186. Hoeveel geitenhouderijen zijn er?

Antwoord

Op grond van de gegevens uit de Landbouwtelling waren er in 2017 in totaal 2.660 agrarische bedrijven waar één of meerdere geiten werden gehouden. Het aantal gespecialiseerde melkgeitenhouderijen bedraagt volgens de Nederlandse Geitenzuivel Organisatie (NGZO) 365 bedrijven.

187. Hoeveel biologische geitenhouderijen zijn er?

Antwoord

Volgens Skal waren er in 2017 in totaal 88 geitenbedrijven gecertificeerd als biologisch bedrijf.

188. Welke ingrepen worden er uitgevoerd bij geiten, om hoeveel geiten gaat het en in welk houderijsysteem worden zij gehouden?

Antwoord

Geiten die worden gehouden met het oog op de melkproductie mogen worden onthoornd, behalve in de biologische melkgeitenhouderij. Precieze cijfers over het onthoornen zijn niet bekend, maar het algemene beeld is dat het overgrote deel van de geiten in de gangbare melkgeitenhouderij wordt onthoornd. Op grond van het Handboek Kwaligeit, het keten-kwaliteitszorgsysteem van de Nederlandse Geitenzuivel Organisatie (NGZO), is pijnbestrijding bij onthoornen verplicht.

189. Hoeveel gehouden vissen zijn er in de aquacultuur en welke soorten vissen betreft dit?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 191.

190. Hoeveel aquacultuurbedrijven zijn er?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 191.

191. Welke ingrepen worden er uitgevoerd bij gehouden vissen, om hoeveel vissen gaat het en in welk houderijsysteem worden zij gehouden?

Antwoord

Viskweek in Nederland is relatief klein waarbij paling(aal) de belangrijkste kweekvissoort is. In totaal zijn er 30 bedrijven die samen ca. 5.000 ton per jaar kweken. Het gaat om paling, Afrikaanse meerval, Claresse, tarbot, snoekbaars, forel en yellowtail kingfish. Bij de fok van meerval wordt bij het geschikte mannetje onder verdoving een deel van de hom operatief verwijderd. Het dier komt naderhand weer bij. Tijdens de houderij van pootvissen en de opkweek tot marktwaardige vissen is er geen sprake van ingrepen.

192. Hoeveel eenden worden er in Nederland gehouden, op enig moment en op jaarbasis?

Antwoord

Op 1 april 2017 waren er 1.009.400 eenden (CBS). Voor een algemene uitleg over de registratie van dieren in Nederland wordt u verwezen naar het antwoord op vraag 147.

193. Hoeveel eendenhouderijen zijn er?

Antwoord

Op 1 april 2017 waren er 50 eendenhouderijen in Nederland (CBS).

194. Welke ingrepen worden er uitgevoerd bij eenden, om hoeveel eenden gaat het en in welk houderijsysteem worden zij gehouden?

Antwoord

Bij eenden worden geen ingrepen uitgevoerd en zij worden gehouden in grondstallen met stro als bodembedekking.

195. Hoeveel konijnen worden er in Nederland gehouden, op enig moment en op jaarbasis?

Antwoord

Op 1 april 2017 (CBS Landbouwtelling) werden in Nederland 342.903 gespeende vleeskonijnen en voedsters gehouden.

Voor een algemene uitleg over de registratie van dieren in Nederland wordt u verwezen naar het antwoord op vraag 147.

196. Welke houderijsystemen voor konijnen zijn er en welk percentage is gehuisvest in welk houderijsysteem?

Antwoord

De voedsters met jongen verblijven voor 98% in de welzijnskooien en voor 2% in het parksysteem. De vleeskonijnen verblijven voor 40% in de welzijnskooien en voor 60% in het parksysteem.

197. Welke ingrepen worden er uitgevoerd bij konijnen, om hoeveel konijnen gaat het en in welk houderijsysteem worden zij gehouden?

Antwoord

Bij konijnen worden geen ingrepen uitgevoerd.

198. Hoeveel herten worden er in Nederland gehouden, op enig moment en op jaarbasis?

Antwoord

Op 1 april 2017 (CBS Landbouwtelling) werden er in Nederland 409 damherten en 897 edelherten gehouden. Voor een algemene uitleg over de registratie van dieren in Nederland wordt u verwezen naar het antwoord op vraag 147.

199. Hoeveel hertenhouderijen zijn er?

Antwoord

Op 1 april 2017 (CBS Landbouwtelling) waren er 36 bedrijven met damherten en 24 bedrijven met edelherten.

200. Welke ingrepen worden er uitgevoerd bij herten, om hoeveel herten gaat het en in welk houderijsysteem worden zij gehouden?

Antwoord

Er worden geen ingrepen uitgevoerd bij herten.

201. Hoeveel waterbuffels worden er in Nederland gehouden, op enig moment en op jaarbasis?

Antwoord

Op 1 april 2017 werden er 582 waterbuffels gehouden in Nederland (CBS 2017). Voor een algemene uitleg over de registratie van dieren in Nederland wordt u verwezen naar het antwoord op vraag 147.

202. Hoeveel waterbuffelhouderijen zijn er?

Antwoord

In 2017 waren er 8 waterbuffelhouderijen in Nederland.

203. Welke ingrepen worden er uitgevoerd bij waterbuffels, om hoeveel waterbuffels gaat het en in welk houderijsysteem worden zij gehouden?

Antwoord

Er worden voor zover mij bekend geen ingrepen toegepast op waterbuffels.

204. Hoeveel struisvogels worden er in Nederland gehouden, op enig moment en op jaarbasis?

Antwoord

Op 1 april 2017 (CBS Landbouwtelling) werden er in Nederland 63 struisvogels gehouden (vrouwelijk, geslachtsrijp).

Voor een algemene uitleg over de registratie van dieren in Nederland wordt u verwezen naar het antwoord op vraag 147.

205. Hoeveel struisvogelhouderijen zijn er?

Antwoord

Op 1 april 2017 (CBS Landbouwtelling) werden er in Nederland op twee bedrijven struisvogels gehouden.

206. Welke ingrepen worden er uitgevoerd bij struisvogels, om hoeveel struisvogels gaat het en in welk houderijsysteem worden zij gehouden?

Antwoord

Er worden geen ingrepen uitgevoerd bij struisvogels.

207. Welke soorten dieren en welke aantallen worden per jaar geëxporteerd, naar welke landen, en met welk doel (Bijvoorbeeld x aantal varkens naar Roemenië om te worden vetgemest, y aantal kalkoenen naar Duitsland om te worden geslacht, z aantal melkkoeien naar Rusland om mee te fokken etc.)?

Antwoord

In onderstaande overzichten wordt per diersoort, per categorie en uitgesplitst per land het aantal dieren vermeld dat in 2017 is geëxporteerd.

Exporten paarden 2017

Bestemmingsland

Fokken

Overig

Geregistreerde Paarden

Slacht

Eindtotaal

België

2.776

59

594

287

3.716

Bulgarije

   

30

 

30

Canada

   

59

 

59

China

20

136

79

 

235

Costa Rica

   

5

 

5

Cyprus

   

1

 

1

Denemarken

374

 

411

 

785

Duitsland

1.596

27

1.620

 

3.243

Estland

6

2

12

 

20

Finland

32

1

226

 

259

Frankrijk

181

5

817

 

1.003

Griekenland

   

25

 

25

Hong Kong

   

1

 

1

Hongarije

30

 

277

 

307

Ierland

11

 

252

 

263

India

   

6

 

6

Iran

   

22

 

22

Israël

   

5

 

5

Italië

556

57

1.085

 

1.698

Ivoorkust

   

3

 

3

Koeweit

12

 

96

 

108

Kroatië

   

10

 

10

Letland

3

 

17

 

20

Libanon

8

 

13

 

21

Litouwen

4

 

17

 

21

Luxemburg

3

 

9

 

12

Malta

110

 

5

 

115

Marokko

   

28

 

28

Mexico

   

102

 

102

Monaco

   

24

 

24

Noorwegen

2

 

249

 

251

Oman

92

 

1

 

93

Oostenrijk

23

5

304

 

332

Peru

   

2

 

2

Polen

28

 

375

20

423

Portugal

3

 

258

 

261

Qatar

   

35

 

35

Roemenië

12

 

11

 

23

Saoedi Arabië

41

 

12

 

53

Slovenië

3

 

41

 

44

Slowakije

   

123

 

123

Spanje

38

6

1.086

 

1.130

Sri Lanka

14

     

14

Thailand

   

13

 

13

Tsjechië

18

1

32

 

51

Turkmenistan

   

4

 

4

Verenigd Koninkrijk

90

8

2.476

 

2.574

Verenigde Staten

76

 

669

 

745

Vietnam

4

     

4

Zuid Korea

   

3

 

3

Zweden

38

2

1.168

 

1.208

Zwitserland

28

27

382

 

437

Totaal per bestemming

6.232

336

13.095

307

19.970

Runderen

Exporten Rund 2017

Bestemmingsland

Erkende Instanties

Fokken

Productie

Slacht

Totaal per land

Algerije

 

378

   

378

België

 

10.174

8.992

136.384

155.550

Bulgarije

 

591

   

591

Denemarken

 

10

   

10

Duitsland

 

5.721

661

51.637

58.019

Egypte

 

648

   

648

Estland

 

2

31

 

33

Ethiopië

 

112

   

112

Frankrijk

1

858

168

1.300

2.327

Georgie

 

239

   

239

Griekenland

 

276

   

276

Hongarije

 

10.149

2.189

 

12.338

Ierland

 

39

283

 

322

Italië

 

538

3.747

728

5.013

Jordanië

 

1.168

 

300

1.468

Kazachistan

 

66

   

66

Kroatië

 

425

3.482

 

3.907

Letland

 

621

   

621

Libanon

 

1.848

   

1.848

Libië

 

712

   

712

Litouwen

 

312

   

312

Luxemburg

 

12

   

12

Malta

 

35

   

35

Marokko

 

1.850

   

1.850

Moldavië

 

67

   

67

Oekraïne

 

109

   

109

Oezbekistan

 

663

   

663

Oostenrijk

 

10

   

10

Pakistan

 

520

   

520

Polen

1

7.540

12.386

71

19.998

Portugal

 

275

   

275

Roemenië

 

2.041

   

2.041

Rusland

 

22.674

   

22.674

Slovenië

 

54

111

 

165

Slowakije

 

963

152

 

1.115

Spanje

 

8.595

25.559

 

34.154

Tsjechië

 

29

   

29

Verenigd Koninkrijk

 

12.049

1.221

 

13.270

Wit-Rusland

 

15

   

15

Zwitserland

 

8

   

8

Totaal per bestemming

2

92.396

58.982

190.420

341.800

Varkens

Exporten Varken 2017

Bestemmingsland

Erkende Instanties

Fokken

Overig

Productie

Slacht

Totaal per land

Albanië

     

600

 

600

België

1

18.819

 

963.563

84.395

1.066.778

Bosnië-Herzegovina

     

1.410

 

1.410

Bulgarije

 

1

 

9.783

 

9.784

Denemarken

   

1

   

1

Duitsland

 

88.070

 

4.960.622

3.134.981

8.183.673

Frankrijk

2

541

 

16.960

38.001

55.504

Griekenland

 

8

   

740

748

Hongarije

 

454

 

217.430

781

218.665

Ierland

 

56

     

56

Israël

 

187

     

187

Italië

 

1.262

 

170.386

80.541

252.189

Kroatië

 

12

 

43.261

116.823

160.096

Litouwen

 

45

     

45

Luxemburg

     

36.173

2.179

38.352

Moldavië

     

9.450

 

9.450

Oostenrijk

     

28.336

 

28.336

Polen

 

494

 

210.123

 

210.617

Portugal

       

4.986

4.986

Roemenië

 

1.734

 

188.765

 

190.499

Singapore

 

41

     

41

Slovenië

     

41.807

750

42.557

Slowakije

     

2.560

 

2.560

Spanje

 

2.240

 

355.436

72.539

430.215

Tsjechië

 

18

 

29.140

 

29.158

Verenigd Koninkrijk

 

75

     

75

Zwitserland

2

50

     

52

Totaal per bestemming

5

114.107

1

7.285.805

3.536.716

10.936.634

Exporten Schaap/Geit 2017

2017 Schapen

       

Bestemmingsland

Fokken

Mesten

Slacht

Totaal per land

België

473

1.498

56.708

58.679

Denemarken

5

   

5

Duitsland

95

11

76.502

76.608

Frankrijk

65

1.900

34.755

36.720

Hongarije

24

330

 

354

Ierland

14

   

14

Italië

33

   

33

Letland

74

 

182

256

Luxemburg

23

   

23

Oostenrijk

11

   

11

Polen

14

   

14

Portugal

50

   

50

Roemenië

57

   

57

Rusland

185

   

185

Slowakije

12

   

12

Spanje

22

   

22

Verenigd Koninkrijk

429

   

429

Zweden

8

   

8

Zwitserland

48

   

48

Totaal per bestemming

1.642

3.739

168.147

173.528

2017 Geiten

         

Bestemmingsland

Erkende Instanties

Fokken

Mesten

Slacht

Totaal per land

België

 

2.873

249

2.889

6.011

Bosnië-Herzegovina

 

15

   

15

Cyprus

 

6

   

6

Denemarken

 

131

   

131

Duitsland

 

342

   

342

Estland

 

5

   

5

Frankrijk

 

12

2

 

14

Griekenland

 

13

   

13

Hongarije

 

6

   

6

Italië

 

11

   

11

Kazachistan

 

339

   

339

Luxemburg

   

29

 

29

Oostenrijk

 

333

   

333

Roemenië

1

     

1

Rusland

 

10

41

 

51

Spanje

 

3

   

3

Tsjechië

 

16

   

16

Verenigd Koninkrijk

 

25

130

 

155

Verenigde Arabische Emiraten

21

   

21

Totaal per bestemming

1

4.161

451

2.889

7.502

Pluimvee

Exporten Pluimvee 2017

2017 Kuikens (Hannen/kippen, Kalkoenen en eenden ≤ 185 gr)

   

Bestemmingsland

Erkende Instanties

Fokken

Overig

Slacht

Totaal per land

Azerbaidjan

 

42.880

   

42.880

België

4.000

16.243.898

   

16.247.898

Benin

 

42.212

   

42.212

Burkina Faso

 

564.039

34.472

 

598.511

Centraal Afrikaanse Republiek

 

26.008

   

26.008

Cyprus

 

57.712

   

57.712

Denemarken

 

342.233

   

342.233

Duitsland

43.900

167.951.112

358.316

 

168.353.328

Egypte

 

27.300

   

27.300

Estland

 

98.264

   

98.264

Ethiopië

 

49.274

   

49.274

Filipijnen

 

500.468

   

500.468

Finland

 

256.326

   

256.326

Frankrijk

 

1.128.432

   

1.128.432

Gabon

 

19.667

   

19.667

Georgie

 

586.316

   

586.316

Ghana

 

5.368

218.300

 

223.668

Griekenland

 

3.570

   

3.570

Guinea

 

250.360

   

250.360

Hongarije

 

143.026

   

143.026

Iran

 

152.440

   

152.440

Israël

 

106.200

   

106.200

Italie

 

1.575.708

   

1.575.708

Ivoorkust

 

542.984

   

542.984

Jordanië

 

19.200

   

19.200

Kameroen

 

114.000

154.800

 

268.800

Kazachistan

 

891.494

   

891.494

Kongo

 

56.852

   

56.852

Kroatië

 

5.112

   

5.112

Libanon

 

75.800

40.000

 

115.800

Litouwen

 

57.236

   

57.236

Malawi

 

60.320

   

60.320

Mali

 

1.000.992

   

1.000.992

Malta

 

41.128

   

41.128

Mauritius

 

37.480

   

37.480

Moldavië

 

65.640

   

65.640

Nepal

 

21.248

   

21.248

Niger

 

40.656

   

40.656

Noorwegen

 

1.320

   

1.320

Oeganda

 

16.376

16.230

 

32.606

Oekraëne

 

412.364

   

412.364

Oezbekistan

 

294.356

   

294.356

Oman

 

51.568

   

51.568

Oostenrijk

 

1.456.705

10.000

 

1.466.705

Pakistan

 

118.790

   

118.790

Polen

 

8.628.214

   

8.628.214

Portugal

 

86.112

165.700

 

251.812

Republiek Kongo

 

93.904

   

93.904

Rusland

 

5.010.607

   

5.010.607

Saoedi Arabië

 

144.284

   

144.284

Senegal

 

96.640

   

96.640

Sierra Leone

 

45.128

   

45.128

Soedan

 

88.976

   

88.976

Spanje

 

1.862.168

37.800

 

1.899.968

Thailand

 

21.210

   

21.210

Togo

 

201.152

   

201.152

Tsjechië

 

58.197

   

58.197

Verenigd Koninkrijk

 

10.841.727

   

10.841.727

Wit-Rusland

 

246.168

188.700

 

434.868

Zambia

 

473.104

   

473.104

Zweden

 

96.630

 

100

96.730

Zwitserland

 

572.200

   

572.200

Totaal per bestemming

47.900

224.120.855

1.224.318

100

225.393.173

2017 Oudere dieren (Hennen/kippen, Kalkoenen en eenden > 185 gr)

   

Bestemmingsland

Erkende Instanties

Fokken

Overig

Slacht

Totaal per land

Belgie

27.805

2.050.163

41.238

25.534.969

27.654.175

Duitsland

 

6.124.579

450

5.286.362

11.411.391

Frankrijk

4.500

415.028

 

60.767

480.295

Italië

 

22.384

   

22.384

Litouwen

 

579.320

   

579.320

Luxemburg

 

11.491

8.500

 

19.991

Oostenrijk

 

101.723

   

101.723

Polen

 

343.480

 

6.041.419

6.384.899

Slovenie

 

8.400

   

8.400

Spanje

 

786.738

   

786.738

Verenigd Koninkrijk

 

31.035

   

31.035

Totaal per bestemming

32.305

10.474.341

50.188

36.923.517

47.480.351

Exporten Overige dieren

2017 Overige dieren

         

Bestemmingsland

Erkende Instanties

Fokken

Huisdieren

Productie

Totaal per land

België

41

13

27

 

81

China

 

247

   

247

Denemarken

21

     

21

Duitsland

627

37

163

 

827

Frankrijk

163

7

539

 

709

Hongarije

51

     

51

Ierland

2

2

   

4

Indonesie

   

1

 

1

Italië

107

     

107

Kroatië

7

     

7

Letland

2

     

2

Luxemburg

   

4

 

4

Noorwegen

3

     

3

Oostenrijk

6

     

6

Polen

32

 

2

 

34

Portugal

3

     

3

Roemenië

3

     

3

Spanje

127

 

858

 

985

Tsjechië

141

3

6

 

150

Turkije

 

18

   

18

Verenigd Koninkrijk

121

1

224

38

384

Verenigde Arabische Emiraten

 

3

   

3

Vietnam

 

2

   

2

Zweden

3

1

   

4

Zwitserland

7

     

7

Totaal per bestemming

1.467

334

1.824

38

3.663

208. Hoeveel vlees, geslacht en verwerkt, is in 2017 naar het buitenland geëxporteerd, uitgesplitst per diersoort en naar de landen waar dit vlees naartoe is geëxporteerd?

Antwoord

De exporten in 2017 vanuit Nederland naar buiten de Europese Unie betreffen:

428.700.000 kg varkensvlees verdeeld over 20.000 zendingen naar de volgende landen: Afghanistan, Albanië, Angola, Armenië, Aruba, Australië, Bosnië en Herzegovina, Brunei, Canada, Chili, China, Congo, Equatoriaal-Guinea, Filipijnen, Georgië, Guinee, Guinee-Bissau, Haïti, Hongkong, IJsland, Israël, Ivoorkust, Japan, Kosovo, Libanon, Macedonië, Maldiven, Moldavië, Montenegro, Nieuw-Zeeland, Oman, Servië, Siërra Leone, Singapore, Somalië, Taiwan, Tanzania, Thailand, Tsjaad, Verenigde, Arabische Emiraten, Verenigde Staten, Zuid-Afrika en Zuid-Korea;

33.500.000 kg kalfsvlees verdeeld over 556 zendingen naar: Aruba, Israël, Libanon, Mauritius, Montenegro, Oekraïne, Thailand, Verenigde Arabische Emiraten en de Verenigde Staten;

36.000.000 kg rundvlees verdeeld over 4000 zendingen naar: Afghanistan, Albanië, Angola, Bahrein, Belarus, Bosnië en Herzegovina, Canada, Ceuta, Chili, Congo, Cyprus, Egypte, Equatoriaal-Guinea, Filipijnen, Gambia, Georgië, Ghana, Guinee, Guinee-Bissau, Hongkong, IJsland, Israël, Ivoorkust, Japan, Kosovo, Libanon, Macedonië, Mauritanië, Nederlandse Antillen, Rusland, Saoedi-Arabië, Servië, Singapore, Tanzania, Togo, Tsjaad, Verenigde Arabische Emiraten en de Verenigde Staten;

1.660.000 kg schapen- en geitenvlees verdeeld over 300 zendingen naar: Afghanistan, Azerbeidzjan, Centraal-Afrikaanse Republiek, Congo, Equatoriaal-Guinea, Gambia, Georgië, Ghana, Guinee, Haïti, Israël, Ivoorkust, Kosovo, Liberia, Nederlandse Antillen, Niger, Nigeria, Seychellen, Sierra Leone, Soedan, Suriname, Togo, Turkmenistan;

453.500 kg gemengd vlees van meerdere diersoorten verdeeld over 320 zendingen naar: Afghanistan, Angola, Australië, Bahrein, Barbados, Burkina Faso, Centraal-Afrikaanse Republiek, Congo, Cyprus, Equatoriaal-Guinea, Ethiopië, Gabon, Gambia, Ghana, Gibraltar, Guinee, Hongkong, Irak, Israël, Ivoorkust, Jemen, Jordanië, Kosovo, Libanon, Liberia, Madagaskar, Maldiven, Maleisië, Mali, Mongolië, Mozambique, Nieuw-Caledonië, Panama, Qatar, Saint-Pierre en Miquelon, Sierra Leone, Somalië, Suriname, Verenigde Arabische Emiraten, Wallis en Futuna en Zuid-Korea.

De systemen van de NVWA zijn niet ingericht om eenvoudig een uitsplitsing te maken naar kilogrammen per diersoort per land.

209. Wat zijn de aantallen dieren en diersoorten die per jaar in Nederland worden geslacht en die buiten de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) van slachtingen per jaar worden gehouden, zoals eenden en konijnen?

Antwoord

Deze aantallen zijn niet bekend omdat ze niet worden gemonitord door het CBS. Mijn beeld is dat het om relatief kleine aantallen gaat.

210. Wat is de reden dat die diersoorten buiten de CBS-cijfers over slachtingen worden gehouden?

Antwoord

Het aantal slachtingen voor eenden en konijnen wordt niet gemonitord door het CBS omdat hiervoor geen Europese verplichting geldt.

211. Hoeveel slachterijen van konijnen zijn er in Nederland?

Antwoord

Het slachten van konijnen gebeurt meestal in België en soms ook in Duitsland. Derhalve zijn er in Nederland geen gespecialiseerde konijnenslachterijen. In Nederland bestaat wel een aantal kleinere slachterijen die ook konijnen slachten. Verder worden er konijnen geslacht bij diverse poeliers.

212. Hoe worden deze konijnen gedood?

Antwoord

Op het doden van productiedieren, waaronder konijnen, is de Europese Verordening nr. 1099/2009 van de Raad, 24 september 2009, inzake de bescherming van dieren bij het doden, van toepassing. Voorgeschreven is dat de dieren uitsluitend worden gedood, nadat zij volgens één van de toegelaten methoden zijn bedwelmd. Bij de slacht van konijnen worden de dieren onmiddellijk, nadat zij elektrisch of mechanisch zijn bedwelmd, gedood door middel van verbloeden na halssnede.

213. Wat zijn de aantallen dieren per diersoort die in het buitenland worden geslacht, (zoals bokjes, konijnen, kalkoenen, varkens) en welke landen betreft dit per diersoort?

Antwoord

De NVWA houdt hiervan geen gegevens bij.

214. Wat is de reden, per diersoort, dat deze dieren in het buitenland worden geslacht en wat is de transportduur?

Antwoord

De precieze overwegingen hierachter zijn mij niet bekend.

215. Wat zijn de slachtcondities in de landen waar dieren in het buitenland worden geëxporteerd en wordt hier door u toezicht op gehouden? Zo ja, op welke wijze?

Antwoord

De Nederlandse overheid ziet niet toe op de productieomstandigheden in buitenlandse slachthuizen, dat is aan de betreffende nationale overheden. Wel moeten alle lidstaten van de Europese Unie voldoen aan dezelfde Europese wetgeving. De EC voert in alle lidstaten inspecties uit en controleert of de lidstaten het toezicht op naleving van deze wetgeving goed inregelen.

216. Hoe staat het met de projecten om Welfare Quality in Nederland door te voeren, hoe staat het met het onderzoek hiernaar en wanneer en hoe worden de welzijnsmonitors ingevoerd?

Antwoord

Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van de begrotingsvragen vorig jaar (Kamerstuk 34775, XIII, nr.7) is de pilot voor Welfare Quality in de melkveehouderij afgerond en zijn de uitgangspunten overgenomen in Koekompas. Koekompas is een uitgebreid bedrijfsmanagementsysteem dat door de veehouder samen met zijn (bedrijfs-)dierenarts gebruikt wordt, waar de uitgangspunten van de WQ in opgenomen zijn, naast diergezondheidsaspecten en andere bedrijfsmanagementzaken. In de vleeskalverhouderij is een pilot met de vereenvoudigde monitor uitgevoerd. De eindrapportage heeft vertraging opgelopen, maar komt voor het eind van het jaar beschikbaar. De sector bekijkt hoe ze verder willen met de aanbevelingen die dit heeft opgeleverd. Het bestaande WQ protocol voor leghennen is recent aangescherpt en verbeterd en wordt incidenteel gebruikt voor het toetsen van nieuwe houderijsystemen op welzijnsvriendelijkheid. Het is en blijft echter zeer tijdrovend en daardoor in de praktijk niet grootschalig bruikbaar. Het is niet mogelijk gebleken het protocol te vereenvoudigen. Voor vleeskuikens heeft de WUR onlangs onderzoek afgerond om te bezien hoe WQ verder in de praktijk kan worden geïmplementeerd. Publicatie hiervan volgt binnenkort en dan wordt samen met de sector bekeken of en hoe dit in de praktijk geïmplementeerd kan worden.

217. Hoe staat het met de projecten om de projecten Welfare Quality in Nederland in de melkveehouderij, de vleeskalverhouderij en de pluimveehouderij door te voeren, loopt er nog onderzoek en wanneer en hoe worden de welzijnsmonitors ingevoerd?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 216.

218. Zijn er plannen om Welfare Quality ook in de varkenshouderij in te voeren? Zo ja, wat houden deze plannen in? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

In 2016 zijn de Keten Duurzame Varkenshouderij, DLV Advies en Wageningen Livestock Research (WLR) gestart met het ontwikkelen van een monitor om op bedrijfsniveau het welzijn te verbeteren voor de varkenshouderij. Hierbij wordt gebruik gemaakt van onderdelen van het EU Welfare Quality project. Het project is in de afrondende fase. Daarna wordt bekeken of en hoe dit in de praktijk geïmplementeerd kan worden.

219. Wat is de stand van zaken met betrekking tot het voorkomen van de slacht van hoogdrachtige dieren, zoals in de brief van 5 juli 2017 weergegeven (Kamerstuk 28 286, nr. 922)?

Antwoord

Ik ben bezig met de uitwerking van een wettelijk verbod voor het aanvoeren van drachtige dieren in het laatste derde deel van de dracht naar een slachthuis. Ook ben ik in gesprek met de sector over het voorkómen van de aanvoer, betere administratie inzake de drachtigheid en bewustwording. Ik zal u begin volgend jaar nader informeren.

220. Kunt u over de afgelopen twee jaar aangeven hoeveel pluimveeslachterijen er waren en hoeveel er waterbadbedwelming, meerfasen CO2-bedwelming, gasbedwelming en andere vormen van bedwelming gebruikten?

Antwoord

Voor pluimvee zijn gebruikelijke, conform de Verordening 1099/2009 inzake de bescherming van dieren, bij het doden toegelaten bedwelmingsmethodes:

  • koolstofdioxide tweefasen CAS-bedwelming;

  • elektrische waterbadbedwelming.

Van de grote pluimveeslachthuizen gebruiken er momenteel 14 CAS-bedwelming en 5 slachthuizen gebruiken waterbadbedwelming.

In onderstaande tabel staan de grote slachthuizen met permanent toezicht van de NVWA3:

# pluimveeslachterijen met:

CAS bedwelming

Waterbad bedwelming

2012

9

11

2013

10

10

2014

12

8

2015

13

7

20161

14

5

2017

14

5

20182

14

5

X Noot
1

In 2016 is 1 slachthuis gestopt (overgenomen)

X Noot
2

In 2018 actuele situatie in maart; overige jaren peildatum 31 december. Sommigen slachterijen hebben meerdere slachtlijnen, waarbij niet alle slachtlijnen gelijktijdig omgeschakeld zijn van waterbad naar CAS.

Andere toegelaten methoden zijn:

– elektrische head-only bedwelming;

– «Low Atmosphere Pressure Stunning» (LAPS); bedwelming door drukverlaging van de omgevingslucht, dit is een in 2018 door de EC nieuw toegelaten methode.

Head-only bedwelming wordt vooralsnog alleen bij handmatige slacht op kleine schaal toegepast. LAPS wordt in de praktijk (nog) niet gebruikt.

221. Hoeveel kosten zijn er de laatste vier jaar gemaakt in het kader van het Convenant onverdoofd ritueel slachten en waar is dit aan besteed?

Antwoord

De kosten die de afgelopen 4 jaar gemaakt zijn in het kader van het Convenant onbedwelmd slachten volgens religieuze riten zijn:

  • Onderzoek uitgevoerd door onderzoekscommissie onder leiding van de heer Vanthemsche: € 42.000,- (2015)

  • Wetenschappelijke Adviescommissie (2015 t/m 2018) € 93.000,-

222. Sinds wanneer worden er in Nederland geen kippen meer onbedwelmd geslacht en wat is hiervoor de reden geweest?

Antwoord

Slachthuizen die onbedwelmd willen slachten dienen hiervoor geregistreerd te zijn bij de NVWA, waarbij de standaardwerkwijzen van het betreffende slachthuis erin moet voorzien dat zij dit op zorgvuldige wijze uit kunnen voeren.

Óf en hoe vaak slachthuizen daadwerkelijk onbedwelmde slacht uitvoerden werd tot 1 januari 2018 niet geregistreerd. Vanaf 1 januari mogen slachthuizen uitsluitend onbedwelmd slachten als zij hiertoe bij de NVWA voor die momenten dat zij onbedwelmde slacht uit willen voeren permanent NVWA-toezicht aanvragen.

Geen enkel pluimveeslachthuis heeft vanaf 1 januari 2018 hiertoe een aanvraag ingediend.

223. Waar en op welke manier worden de kippen waarvan het vlees in Nederland wordt verkocht als koosjer kippenvlees geslacht?

Antwoord

De op joodse wijze onbedwelmde slacht van kippen voor koosjer vlees vindt plaats buiten Nederland, in andere landen binnen de EU. Dit is mij bevestigd door vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap in Nederland.

224. Waar en op welke manier worden de kippen waarvan het vlees in Nederland wordt verkocht als halal kippenvlees geslacht?

Antwoord

Er zijn meerdere slachterijen waar kippen geslacht worden die onder het predicaat «halal» verkocht worden. Het is bekend dat sommige van deze slachterijen slachten na een elektrische waterbadbedwelming; andere slachterijen slachten na gasbedwelming.

De overheid heeft geen bemoeienis met de eisen die gesteld worden aan het predicaat «halal», noch op het toezicht van de naleving hiervan.

225. Kunt u uiteenzetten hoeveel vlees in slachthuizen op jaarbasis wordt afgekeurd voor menselijke consumptie, in kilogrammen en uitgesplitst per diersoort?

Antwoord

In 2017 is in Nederlandse pluimveeslachthuizen in totaal 6,9 miljoen stuks pluimvee (10.566 ton vlees) afgekeurd, dat is 1,1% van de totale geslachte hoeveelheid. In roodvleesslachthuizen zijn in totaal 75.562 dieren (9.314 ton vlees) afgekeurd, dat is 0,42% van de geslachte hoeveelheid. Zie onderstaande tabellen voor een uitsplitsing per diersoort.

Tabel: Afgekeurde dieren pluimvee in 2017
 

Afgekeurde zieke dieren (aantal)

Afgekeurde hoeveelheid vlees (ton)

Vleeskuikens

6.759.807

10.274,9

Kippen

141.066

214,4

Eenden

50.138

76,2

Duiven

66

0,1

Parelhoenders

3

0,005

Totaal

6.951.080

10.565,6

Tabel: Afgekeurde dieren roodvlees in 2017
 

Afgekeurde zieke dieren (aantal)

Afgekeurd vlees (ton)

Eenhoevig dier

45

13,5

Geit

13.538

20,3

Gekweekte damherten

5

0,3

Gekweekte edelherten

1

0,07

Kalf

3.007

451,1

Lama

0

-

Rund

13.077

3.923,1

Schaap jonger dan 1 jaar

82

2,1

Schaap ouder dan 1 jaar

432

10,8

Varken

57.558

4.892,4

226. Kunt u uiteenzetten wat de voornaamste redenen zijn voor het afkeuren van vlees als geschikt voor menselijke consumptie (zoals ontstekingen of andere gezondheidsproblemen, onjuist verbloed of onjuist gesneden), waar mogelijk in percentages en uitgesplitst per diersoort?

Antwoord

In 2017 waren de drie meest voorkomende redenen voor afkeur van hele pluimveekarkassen: 1) afwijkende kleur, geur & consistentie, 2) polyserositis en 3) hepatitis. De drie meest voorkomende redenen voor afkeur van delen en organen van pluimveekarkassen waren huidontsteking, omvangrijk letsel en pericarditis. Zie de tabel hieronder voor een uitsplitsing per diersoort.

 

Hele karkassen

Delen en organen

Totaal pluimvee

Afwijkende kleur, geur en consistentie

Polyserositis

Hepatitis

Huidontsteking

Omvangrijk letsel

Pericarditis

Vleeskuikens

Afwijkende kleur, geur en consistentie

Polyserositis

Hepatitis

Huidontsteking

Omvangrijk letsel

Pericarditis

Kippen

Ei concrementen

Afwijkende kleur, geur en consistentie

Polyarthritis/synovitis

Huidontsteking

Arthritis/synovitis

Omvangrijk letsel

Eenden

Hdrops

Cachexie

Polyserositis

Pericarditis

Arthritis/synovitis

Open fracturen

Duiven

Afwijkende kleur, geur en consistentie

Cachexie

       

Parelhoenders

Cachexie

         

Bij roodvlees werden de meeste karkassen zonder nader laboratoriumonderzoek afgekeurd (0,4% van het aanbod). De redenen voor afkeur na nader onderzoek (0,01%) variëren per diersoort maar in het algemeen werden tumoren, positief bacteriologisch onderzoek en tuberculose, vlekziekte het meest genoemd.

Diersoort

aangeboden

niet toegelaten ter slachting

afgekeurd zonder nader onderzoek

afgekeurd na nader onderzoek

afkeurreden na nader onderzoek

aantal

aantal

%

aantal

%

aantal

%

eenhoevig dier

2.528

30

1,2%

13

0,5%

1

0,04%

tumoren

geit

153.848

325

0,2%

1.016

0,7%

377

0,2%

tumoren

gekweekte damherten

1.000

   

5

0,5%

0

   

gekweekte edelherten

651

   

1

0,2%

0

   

gekweekte zwijnen

16

   

5

31,3%

0

   

Kalf

1.503.698

239

0,02%

3.765

0,3%

6

0,0004%

bacteriologisch onderzoek (BO)

lama

15

   

0

0,0%

0

   

rund

644.315

615

0,1%

12.170

1,9%

193

0,03%

tumoren, BO

schaap <1 jaar

414.228

18

0,004%

94

0,0%

1

0,0002%

BO

schaap >1 jaar

130.866

75

0,1%

361

0,3%

9

0,01%

tumoren

Varken

15.155.650

5.440

0,04%

46.482

0,3%

1.024

0.01%

vlekziekte, tuberculose

Totaal

18.006.815

6.742

0,037%

63.912

0,4%

1.611

0,009%

 

227. Wat zijn de sterftecijfers (de «uitval» voordat de dieren naar de slacht gaan) van varkens, leghennen, vleeskippen, runderen, konijnen, eenden, nertsen, geiten, vissen, schapen, van geboorte tot aan de slachtleeftijd?

Antwoord

Op grond van de RVO-rapportage Dierregistraties over 2017 betreft het aantal doodmeldingen geregistreerd in het I&R-systeem over 2017 (dus ongeacht of deze dieren bestemd waren voor slacht):

  • Runderen 253.972

  • Doodgeboren kalveren 173.278

  • Schapen 136.581

  • Geiten 110.237

  • Varkens 5.903.679

Voor pluimvee, nertsen, konijnen en vissen worden geen doodmeldingen geregistreerd. Voor een nadere duiding van de gegevens uit I&R verwijs ik u naar mijn antwoorden op vragen van lid Futselaar (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 802).

228. Hoeveel dieren zijn er in 2015 t/m 2018 ten gevolge van stalbranden om het leven gekomen?

Antwoord

Ik verwijs u voor mijn antwoord ook naar de brief van 30 augustus 2017 (Kamerstuk 34 550 XIII, nr. 138) waarin de jaren 2012 – 2016 zijn opgenomen. Voor 2017 gaat het om 11 stalbranden in de rundveehouderij met 339 omgekomen dieren, 11 stalbranden in de varkenshouderij met 35352 omgekomen dieren en 3 stalbranden in de pluimveehouderij met 196000 omgekomen dieren. De voorlopige cijfers over 2018 tot 1 augustus zijn 9 stalbranden in de rundveehouderij met 749 omgekomen dieren, 2 stalbranden in de varkenshouderij met 2510 omgekomen dieren en 5 stalbranden in de pluimveehouderij met 104.000 omgekomen dieren.

229. Omvatten de aantallen dieren die bij stalbranden zijn omgekomen ook het aantal biggetjes bij de zeug, of biggen onder de 25 kilo, of moeten die daar apart nog bij opgeteld worden? Zo ja, geldt dit ook voor andere diersoorten, als konijnen, dat de jongen die nog bij de moeder zijn moeten worden opgeteld bij de aantallen dieren die zijn omgekomen bij een stalbrand? Zo ja, wat is dan het werkelijke aantal omgekomen dieren bij stalbranden in de afgelopen vier jaar?

Antwoord

De genoemde aantallen zijn gebaseerd op de informatie die de brandweer in de afgelopen jaren heeft verzameld. De brandweer kan zo meer zicht krijgen op het aantal stalbranden, het aantal omgekomen dieren en mogelijk de oorzaken van stalbranden. In de brief van 20 september 2017 (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 25) is nader ingegaan op de vraag over het daadwerkelijke aantal dieren dat is omgekomen bij stalbranden.

230. Hoe ziet de volledige productieketen vlees er uit voor Nederland, inclusief de kanalen voor import en export?

Antwoord

Ik verwijs u naar de beschrijving die hiervan gegeven is in de risicoanalyse roodvleesketen4 en de integrale risicobeoordeling pluimveevleesketen.5

231. Wordt er in de productieketen vlees een onderscheid gemaakt tussen vlees van dieren die in Nederland geslacht zijn dat voor de Nederlandse markt bestemd is en vlees van dieren die in Nederland geslacht zijn dat voor een ander EU-land of derde land bestemd is? Zo ja, waar in de productieketen vlees wordt dat onderscheid precies gemaakt?

Antwoord

Orders worden in alle onderdelen van de keten klaargemaakt conform de wensen van de betreffende klant. Dit betekent dat vanaf de slachterijfase stromen gekanaliseerd kunnen worden voor een buitenlandse afnemer.

232. Hoeveel koel- en vrieshuizen zijn er in Nederland die een vergunning hebben om vlees op te slaan?

Antwoord

De NVWA heeft (per 1 januari 2018) in totaal 530 erkenningen voor koel- en vrieshuizen afgegeven. Al deze koel- en vrieshuizen zijn bevoegd om vlees op te slaan.

233. Wat is de waarde en de hoeveelheid van de vleesproductie van dieren die in Nederland geslacht worden, uitgesplitst voor de volgende dieren: alle overige runderen, volwassen koeien, vaarzen, volwassen stieren, kalveren, alle varkens, alle schapen, alle geiten, alle eenhoevigen, alle vleeskuikens, alle overige kippen, alle kalkoenen en al het overige pluimvee? Indien u de gegevens niet zo gedetailleerd heeft, welke gegevens heeft u dan wel?

Antwoord

Mijn departement houdt de waarde van deze productie niet bij. Deze informatie is openbaar toegankelijke op de CBS Statline website.6 Daar is vanaf 1990 informatie beschikbaar per gevraagde onderverdeling.

234. Welk gedeelte van de vleesproductie van dieren die in Nederland geslacht worden, in waarde en hoeveelheid, gaat niet via een uitsnijderij, uitgesplitst voor de volgende dieren: alle overige runderen, volwassen koeien, vaarzen, volwassen stieren, kalveren, alle varkens, alle schapen, alle geiten, alle eenhoevigen, alle vleeskuikens, alle overige kippen, alle kalkoenen en al het overige pluimvee? Waar gaat dat vlees dan heen? Indien u de gegevens niet zo gedetailleerd heeft, welke gegevens heeft u dan wel?

235 Welk gedeelte van de vleesproductie van dieren die in Nederland geslacht worden, in waarde en hoeveelheid, gaat van de uitsnijderij direct richting een koel- en vrieshuis, uitgesplitst voor de volgende dieren: alle overige runderen, volwassen koeien, vaarzen, volwassen stieren, kalveren, alle varkens, alle schapen, alle geiten, alle eenhoevigen, alle vleeskuikens, alle overige kippen, alle kalkoenen en al het overige pluimvee? Indien u de gegevens niet zo gedetailleerd heeft, welke gegevens heeft u dan wel?

236. Welk gedeelte van de vleesproductie van dieren die in Nederland geslacht worden, in waarde en hoeveelheid, gaat van de uitsnijderij direct richting de retail, uitgesplitst voor de volgende dieren: alle overige runderen, volwassen koeien, vaarzen, volwassen stieren, kalveren, alle varkens, alle schapen, alle geiten, alle eenhoevigen, alle vleeskuikens, alle overige kippen, alle kalkoenen en al het overig pluimvee? Indien u de gegevens niet zo gedetailleerd heeft, welke gegevens heeft u dan wel?

237. Welk gedeelte van de vleesproductie van dieren die in Nederland geslacht worden, in waarde en hoeveelheid, gaat van de uitsnijderij direct richting een vleesverwerkingsbedrijf, uitgesplitst voor de volgende dieren: alle overige runderen, volwassen koeien, vaarzen, volwassen stieren, kalveren, alle varkens, alle schapen, alle geiten, alle eenhoevigen, alle vleeskuikens, alle overige kippen, alle kalkoenen en al het overige pluimvee? Indien u de gegevens niet zo gedetailleerd heeft, welke gegevens heeft u dan wel?

238. Welk gedeelte van de vleesproductie van dieren die in Nederland geslacht worden, in waarde en hoeveelheid, is bestemd voor de Nederlandse markt, uitgesplitst voor de volgende dieren: alle overige runderen, volwassen koeien, vaarzen, volwassen stieren, kalveren, alle varkens, alle schapen, alle geiten, alle eenhoevigen, alle vleeskuikens, alle overige kippen, alle kalkoenen en al het overige pluimvee? Indien u de gegevens niet zo gedetailleerd heeft, welke gegevens heeft u dan wel?

239. Welk gedeelte van de vleesproductie dat in Nederland geconsumeerd wordt, is afkomstig dieren die in Nederland geslacht worden, uitgesplitst voor de volgende dieren: alle overige runderen, volwassen koeien, vaarzen, volwassen stieren, kalveren, alle varkens, alle schapen, alle geiten, alle eenhoevigen, alle vleeskuikens, alle overige kippen, alle kalkoenen en al het overige pluimvee? Indien u de gegevens niet zo gedetailleerd heeft, welke gegevens heeft u dan wel?

240. Is er sprake van een stroom vlees in de productieketen vlees die niet via een uitsnijderij of een vleesverwerkend bedrijf in de Nederlandse retail terechtkomt? Zo ja, welk gedeelte van de vleesproductie gaat het dan om, in waarde en hoeveelheid, uitgesplitst voor de volgende dieren: alle runderen, volwassen koeien, vaarzen, volwassen stieren, kalveren, alle varkens, alle schapen, alle geiten, alle eenhoevigen, alle vleeskuikens, alle overige kippen, alle kalkoenen en al het overige pluimvee? Indien u de gegevens niet zo gedetailleerd heeft, welke gegevens heeft u dan wel?

Antwoord vragen 234 t/m 240

De NVWA registreert de stromen van vleesproducten alleen wanneer deze gecertificeerd worden voor het buitenland en heeft daarmee geen direct zicht op de totaalstromen.

241. Is het mogelijk om van vlees dat van een derde land afkomstig is onderscheid te maken tussen vlees dat voor de Nederlandse markt bestemd is en vlees dat voor andere EU-landen bestemd is? Zo ja, waar in de productieketenvlees wordt dat onderscheid gemaakt en kan deze uitsplitsing per diersoort worden gemaakt? Indien u de gegevens niet zo gedetailleerd heeft, welke gegevens heeft u dan wel?

Antwoord

Wanneer vlees wordt geïmporteerd, dient aangegeven te worden voor welk adres de betreffende zending bestemd is. In die fase is er dus zicht op het vlees met een Nederlandse bestemming. Overigens dienen alle in de EU ingevoerde producten van dierlijke oorsprong aan dezelfde normen te voldoen.

242. Hoeveel en welke koel- en vrieshuizen in Nederland slaan vlees over dat uit een derde land geïmporteerd wordt en dat bedoeld is voor de Nederlandse markt?

243. Hoeveel en welke koel- en vrieshuizen in Nederland slaan vlees over dat uit een ander EU-land geïmporteerd wordt en dat bedoeld is voor de Nederlandse markt?

244. Is er binnen de productieketen vlees, vlees dat van een ander land komt (EU-land of derde land) dat niet via een koel- of vrieshuis gaat? Zo ja, om welk gedeelte gaat dat dan, in waarde en hoeveelheid, uitgesplitst per diersoort? Indien u de gegevens niet zo gedetailleerd heeft, welke gegevens heeft u dan wel?

245. Wat zijn de totale hoeveelheden vlees en de waarde van dat vlees die via Nederlandse distributiekanalen lopen, uitgesplitst per handelsstroom (dus zowel met Nederland als land van oorsprong voor de Nederlandse markt, Nederland als land van oorsprong voor de EU-markt, Nederland als oorsprong voor een derde land, Nederland als doorvoerland van ander EU-land naar een derde land, Nederland als doorvoerland van een derde land naar een ander EU-land, Nederland als doorvoerland van een derde land naar een derde land, Nederland als doelland van import uit een ander EU-land en Nederland als doelland van import uit een derde land)?

Antwoord vragen 242 t/m 245

Het bedrijfsleven is op grond van artikel 18 lid 2 van de algemene levensmiddelen verordening verantwoordelijk voor de mogelijkheid tot tracering van producten binnen alle stadia van de eigen productie en daarbij één stap voorwaarts en één stap achterwaarts in de distributieketen. Bedrijven zijn niet verantwoordelijk om de tracering van onveilige levensmiddelen en diervoeders in de gehele distributieketen uit te voeren. In het geval dat er onveilige levensmiddelen (en diervoeders) in de handel zijn gebracht, zorgt het systeem van een stap voorwaarts en een stap achterwaarts ervoor dat de onveilige levensmiddelen (en diervoeders) in de gehele distributieketen worden getraceerd. De NVWA ziet hierop toe.

246. Kunt u een overzicht geven, voor de periode 2000–2018, waaruit duidelijk wordt wat het budgettaire belang is van de aanspraak op de landbouwvrijstelling van Nederlandse boeren, uitgesplitst naar: boeren met minder dan 5 hectare landbouwgrond; tussen de 5 en 15 hectare landbouwgrond; tussen de 15 en 35 hectare landbouwgrond en meer dan 35 hectare landbouwgrond en uitgesplitst naar gangbare varkensboeren, gangbare rundveeboeren, gangbare vleeskuikenboeren, gangbare legkippenboeren, gangbare schapenboeren, gangbare geitenboeren, gangbaar overig pluimvee, biologische varkensboeren, biologische rundveeboeren, biologische vleeskuikenboeren, biologische legkippenboeren, biologische schapenboeren, biologische geitenboeren, biologische overig pluimvee, akkerbouwers, tuinbouwers en een totaalcijfer? Indien u de gegevens niet zo gedetailleerd heeft, welke gegevens heeft u dan wel?

Antwoord

Het budgettaire belang van de landbouwvrijstelling wordt gemonitord in de Miljoenennota en staat vermeld op de begroting van het Ministerie van LNV. Vanaf 2010 is de ramingsmethode gewijzigd, waardoor de reeks voor 2010 niet vergelijkbaar is met de cijfers vanaf 2010. De reeks van 2010 tot 2019 is als volgt:

Tabel 1. Budgettair belang Landbouwvrijstelling 2010–2019

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

1.625

1.773

1.630

1.262

1.109

1.596

1.533

1.471

1.409

1.347

De raming wordt gebaseerd op het gebruik van de landbouwvrijstelling dat wordt aangegeven bij de belastingaangifte (inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting). Deze informatie is op dit moment in redelijke mate definitief beschikbaar tot en met 2015. De cijfers voor de jaren 2016–2019 zijn trendramingen. Hoewel de landbouwvrijstelling in principe geldt voor elke jaarlijkse waardestijging van de grond, wordt deze alleen aangegeven in de belastingaangifte bij overdracht van de grond tussen eigenaars of bij herwaardering van de fiscale boekwaarde van de grond. Met name die herwaarderingen zorgen voor een relatief groot budgettair belang in de jaren 2010–2019 en voor een aantal jaar-op-jaar verschillen van meer dan € 200 miljoen.

Uit de aangiftegegevens is geen informatie te herleiden over het aantal hectare landbouwgrond van de gebruikers of het soort landbouwbedrijf. Ook is niet bekend hoeveelheid cultuurgrond per jaar verhandeld wordt waarbij er succesvol aanspraak is gemaakt op de landbouwvrijstelling.

247. Kunt u een uitputtend overzicht geven van de totale hoeveelheid cultuurgrond die verhandeld of vergeven (vervreemd) wordt, uitgesplitst per jaar voor de jaren 2000 tot en met 2018? Indien u de gegevens niet zo gedetailleerd heeft, welke gegevens heeft u dan wel?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 246.

248. Kunt u een uitputtend overzicht geven van de gemiddelde hoeveelheid cultuurgrond die verhandeld of vergeven (vervreemd) wordt per grondtransactie en het aantal grondtransacties over de jaren 2000 tot en met 2018? Indien u de gegevens niet zo gedetailleerd heeft, welke gegevens heeft u dan wel?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 246.

249. Kunt u een uitputtend overzicht geven van de totale hoeveelheid cultuurgrond die verhandeld of vergeven (vervreemd) wordt per jaar voor de jaren 2000 tot en met 2018, waarbij er een succesvol aanspraak is gemaakt op de landbouwvrijstelling? Indien u de gegevens niet zo gedetailleerd heeft, welke gegevens heeft u dan wel?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 246.

250. Kunt u een uitputtend overzicht geven van de gemiddelde hoeveelheid cultuurgrond die verhandeld of vergeven (vervreemd) wordt per grondtransactie en het aantal grondtransacties over de jaren 2000 tot en met 2018 waarbij er een succesvol aanspraak is gemaakt op de landbouwvrijstelling? Indien u de gegevens niet zo gedetailleerd heeft, welke gegevens heeft u dan wel?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 246.

251. Kunt u een uitputtend overzicht geven van het aantal boeren dat per jaar staakt met de landbouwonderneming van de jaren 2000 tot en met 2018, uitgesplitst per jaar, uitgesplitst naar: boeren met minder dan 5 hectare landbouwgrond; tussen 5 en 15 hectare landbouwgrond; tussen 15 en 35 hectare landbouwgrond en meer dan 35 hectare landbouwgrond en uitgesplitst naar gangbare varkensboeren, gangbare rundveeboeren, gangbare vleeskuikenboeren, gangbare legkippenboeren, gangbare schapenboeren, gangbare geitenboeren, gangbaar overige pluimvee, biologische varkensboeren, biologische rundveeboeren, biologische vleeskuikenboeren, biologische legkippenboeren, biologische schapenboeren, biologische geitenboeren, biologische overig pluimvee, akkerbouwers, tuinbouwers en een totaalcijfer? Indien u de gegevens niet zo gedetailleerd heeft, welke gegevens heeft u dan wel?

Antwoord

Het uitputtende overzicht waarom gevraagd wordt is niet op deze wijze beschikbaar. Wel zijn er gegevens over de ontwikkeling van het aantal bedrijven in verschillende (deel)sectoren en daarmee ook een indirect beeld van de hoeveelheid bedrijven die gestaakt zijn. Deze gegevens worden ieder jaar in het Voedseleconomisch Bericht (voorheen het Landbouweconomisch bericht) gepresenteerd, zie hieronder het meest recente overzicht. Op de website www.agrimatie.nl is daarnaast een grote hoeveelheid relevante informatie beschikbaar, bijvoorbeeld over bedrijfsopvolging en economisch resultaat.

Land- en tuinbouwbedrijven naar bedrijfstype, 2000–2017
 

Aantal bedrijven

Verschil (%)

2000

2010

2016

2017

2016–2017

Glastuinbouw- en champignonbedrijven

8.804

4.573

3.056

2.824

-7,6

Opengrondstuinbouwbedrijven

10.489

7.450

5.945

5.866

-1,3

Akkerbouwbedrijven

14.799

11.962

10.821

10.685

-1,3

Melkveebedrijven

23.280

17.519

16.503

16.331

-1,0

Overige graasdierbedrijven

20.208

19.073

10.143

10.030

-1,1

Intensieve veehouderijbedrijven

12.058

7.911

6.101

5.846

-4,2

Gecombineerde bedrijven

7.751

3.836

3.112

3.258

4,7

Land- en tuinbouwbedrijven, totaal

97.389

72.324

55.681

54.840

-1,5

Bron: CBS-Landbouwtelling, bewerking WEcR.

252. Kunt u een overzicht geven van het totale budgettaire belang van de landbouwvrijstelling uitgesplitst per jaar voor de periode 2000–2018? Indien er sprake is van jaarlijkse verschillen van meer dan € 200 miljoen per jaar, kunt u uitleggen waarom dat het geval is?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 246.

253. Wordt er bij het onbedwelmd slachten bijgehouden hoeveel dieren na 40 seconden alsnog bedwelmd moeten worden en om welk percentage van het totaal aantal onbedwelmd geslachte dieren dit gaat? Zo ja, wat zijn deze cijfers? Zo nee, kunt u dit alsnog gaan bijhouden?

Antwoord

Vanaf 1 januari 2018 wordt wel bijgehouden hoeveel dieren onbedwelmd aangesneden worden. En er wordt toezicht op gehouden dat de dieren, indien het bewustzijn nog niet verloren is, de dieren binnen 40 seconden na het aansnijden alsnog een bedwelming krijgen.

Er wordt niet bijgehouden op welk moment de dieren alsnog een bedwelming krijgen. Uit het toezicht is wel bekend dat dit varieert van direct na het aansnijden tot kort voor 40 seconden na het aansnijden.

254. Hoe wordt ervoor gezorgd dat vlees van dieren die bij onbedwelmd slachten niet binnen 40 seconden buiten bewustzijn zijn geraakt niet bij consumenten terecht komt die niet om onbedwelmd slachten hebben gevraagd?

Antwoord

Zoals ik heb gemeld in antwoord op recente vragen van het lid Ouwehand (Kamerstuk 31 571, nr. 32) houdt de NVWA houdt geen toezicht op de afzet van vlees van onbedwelmde slacht.

255. Hoe staat het met het optuigen van een systeem om de behoefte aan vlees van onbedwelmd geslachte dieren in Nederland in kaart te krijgen, waardoor jaarlijks niet meer dieren onbedwelmd ritueel worden geslacht dan strikt noodzakelijk? Hoe gaat dit systeem eruit zien en wanneer wordt dit systeem ingevoerd?

Antwoord

Zoals ik heb gemeld in antwoord op recente vragen van het lid Ouwehand (Kamerstuk 31 571, nr. 32) staat in het addendum op het Convenant dat met de partijen afgesproken is dat een stelsel zal worden vormgegeven waarmee geborgd zal worden dat het aantal dieren dat voor onbedwelmde slacht aangeboden wordt, beperkt zal worden tot dat aantal dat nodig is voor de Nederlandse behoefte aan onbedwelmd ritueel geslacht vlees. Concrete uitwerking van deze punten vergt nog nader onderzoek. Ik wil hierover spreken met de convenantpartners voor ik mijn inzet hierop bepaal.

256. Kunt u aangeven hoeveel runderen, schapen en geiten er tijdens het jaarlijkse offerfeest sinds 2014 zijn geslacht?

Antwoord

In onderstaande tabel vindt u het aantal runderen, schapen en geiten dat sinds 2014 tijdens het offerfeest is geslacht.

Tabel: aantal geslachte runderen, schapen en geiten tijdens offerfeest

Jaar

Runderen

Schapen en geiten

2014

3.418

65.938

2015

3.834

63.165

2016

3.391

67.672

2017

2.926

62.231

2018

2.974

40.627

257. Kunt u aangeven hoe vaak in de jaren 2014 tot en met 2018 tijdens het offerfeest door de toezichthouders aanwijzingen zijn gegeven, hoe vaak er boetes zijn uitgedeeld, en wat de vijf meest voorkomende situaties waren waarop door de toezichthouder is ingegrepen?

Antwoord

Het aantal rapporten van bevindingen dat door de toezichthouders is opgesteld ten behoeve van een maatregel, is hieronder weergegeven. De NVWA legt het aantal gegeven aanwijzingen niet vast. Een aanwijzing hoeft niet altijd te leiden tot een maatregel (schriftelijke waarschuwing, boete).

 

Aantal Rapporten van bevindingen t.b.v. maatregel

2014

7

2015

6

2016

15

2017

20

2018

8

De meest voorkomende oorzaken voor het ingrijpen zijn door de jaren heen redelijk stabiel. De 5 meest voorkomende oorzaken staan hieronder weergegeven.

Tabel: Top 5 meest voorkomende oorzaken ingrijpen toezichthouder

Fecale bezoedeling karkas

Hygiënische werkwijze algemeen

Onvoldoende watertemperatuur sterilisatoren

Contact van karkassen met bordessen / andere karkassen

Onvoldoende scheren van halzen van schapen die bedoeld zijn voor onbedwelmde slacht

258. Kunt u aangeven hoeveel personeel van de NVWA tijdens de offerfeesten in de jaren 2014 tot en met 2018 in de mobiele toezichtteams van de NVWA zijn ingezet om toezicht te houden op de slacht buiten de daarvoor aangewezen slachthuizen, hoeveel overtredingen zij hebben geconstateerd en welke sancties daar op zijn gevolgd?

Antwoord

In onderstaande tabel vindt u een overzicht van de inzet van mobiele teams voor toezicht op slacht buiten de daarvoor aangewezen slachthuizen tijdens het Offerfeest. Deze controles vinden plaats naar aanleiding van meldingen. Niet elke melding leidt tot vaststelling van een overtreding. Daarnaast is in dit overzicht ook het aantal overtredingen opgenomen dat deze teams hebben vastgesteld, evenals de sancties die zijn opgelegd naar aanleiding van die overtredingen. Dit voor de jaren 2014 t/m 2018.

 

2014

2015

2016

2017

2018

Hoeveelheid personeel in de mobiele toezichtteams tijdens het offerfeest

48

42

20

24

22

Aantal overtredingen

6

9

1

4

Schriftelijke waarschuwingen

2

3

3

Proces-verbaal

3

3

1

1

Rapport van bevindingen voor bestuurlijke boete

1

3

259. Welke landbouwproducten (zoals dieren, vlees, bloemen, bollen, diervoer als sojaschroot (doorvoer), verwerkt pluimveebloedmeel, sperma, etc.) exporteert Nederland naar welke landen? Hoeveel?

Antwoord

In 2017 bedroeg de export van agrarische goederen € 96,7 miljard. Onderverdeeld naar productengroepen, exporteert Nederland met name levende planten en producten van de bloementeelt (€ 9.13 miljard), melk- en zuivelproducten en vogeleieren (€ 8,77 miljard), groente, wortels en knollen, etc. (€ 6,76 miljard) en fruit (€ 6,64 miljard). De landen Duitsland (€ 24,7 miljard), België (€ 10,5 miljard) Frankrijk (€ 9,2 miljard) en het Verenigd Koninkrijk (€ 8,9 miljard) zijn de belangrijkste afnemers.

260. Welke landbouwproducten (zoals dieren, vlees, bloemen, bollen, diervoer als sojaschroot (doorvoer), sperma etc.) importeert Nederland vanuit welke landen? En hoeveel?

Antwoord

In 2017 bedroeg de import van agrarische goederen € 66,7 miljard. Onderverdeeld naar productengroepen, importeert Nederland met name fruit, schillen van citrusvruchten en van meloenen (€ 6,98 miljard), vetten- en oliën (dierlijke en plantaardige) etc. (€ 5,54 miljard), vlees en eetbare slachtafvallen (€ 4,36 miljard) en cacao en bereiding daarvan (€ 4,32 miljard). De meeste import is afkomstig uit de landen Duitsland (€ 11,9 miljard), België (€ 8,5 miljard) Frankrijk (€ 3,7 miljard) en Brazilië (€ 3,1 miljard).

261. Hoe wordt het sperma van fokberen verkregen, welke handelingen moeten daartoe worden verricht, wie doet dat en hoe wordt de zeug bevrucht?

Antwoord

De medewerkers van de KI-stations brengen de fokberen naar een zogenoemde dekstoel of vangmachine, waar het sperma van de fokberen wordt verkregen. Het sperma wordt door het KI-station gecontroleerd op ziekten en kwaliteit en verdund tot de gewenste dosis. Vervolgens wordt het sperma in tubes afgevuld en onder geconditioneerde omstandigheden op bestelling naar de zeugenhouders vervoerd. De zeugenhouders insemineren op het zeugenbedrijf de berige zeugen.

262. Bij welke voor productie gehouden diersoorten gaat de bevruchting net als bij varkens ook via kunstmatige inseminatie en hoe wordt daarbij het sperma verkregen?

Antwoord

Bij melkkoeien en kalkoenen wordt voornamelijk een met varkens vergelijkbare manier van kunstmatige inseminatie toegepast. Bij melkkoeien wordt hoofdzakelijk diepgevroren sperma gebruikt en bij varkens hoofdzakelijk vers sperma. Bij melkgeiten en schapen is voor het grootste deel sprake van natuurlijke dekkingen. Bij melkgeiten vindt voor een deel bevruchting via kunstmatige inseminatie plaats. In de paardensector worden kunstmatige inseminatie en natuurlijke dekkingen toegepast.

263. Bij welke voor productie gehouden diersoorten gebeurt de bevruchting door mannelijke soortgenoten bij de vrouwelijke dieren te laten?

Antwoord

Dit is het geval in de vermeerderingssector van de leg- en vleeskuikenpluimveehouderij, in de schapensector en de vleessector. Verder verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 262.

264. Hoeveel hectare van het totaal areaal aan landbouwgrond (55% van het oppervlak van Nederland) is biologisch, welk percentage is dat in verhouding tot gangbaar en hoe verhoudt dit percentage zich tot andere landen binnen de EU?

Antwoord

Volgens cijfers van het CBS was in 2017 56.400 hectare biologisch; dat is 3,3% van het totaal areaal aan landbouwgrond in Nederland. Volgens meest recent beschikbare cijfers van Eurostat bedroeg het EU-gemiddelde in 2016 6,7%.

265. Wat was het percentage biologisch landbouwareaal in Nederland over de afgelopen vijf jaar?

Antwoord

Het percentage biologisch landbouwareaal steeg in de afgelopen vijf jaar van 2,8% in 2013, 2014 en 2015 naar 3% in 2016 en 3,3% in 2017.

266. Welk percentage van het totale areaal aan landbouwgrond wordt gebruikt voor veehouderij, hoeveel voor sierteelt, hoeveel voor akkerbouw, hoeveel voor glastuinbouw?

Antwoord

Volgens gegevens van het CBS7 bedroeg in 2017 het areaal cultuurgrond8 1.789.992 hectare. Daarvan was 509.147 hectare (28,4%) bestemd voor akkerbouw, 93.524 voor tuinbouw open grond (5,2%), 9.079 hectare voor tuinbouw onder glas (0,5%) en 1.178.241 hectare voor grasland en groenvoedergewassen (65,8%).

267. Waaruit bestaat het grondgebruik voor de veehouderij, zoals voor grasland of de maisteelt? In welke percentages?

Antwoord

Van het areaal in gebruik als grasland en groenvoedergewassen was volgens gegevens van het CBS9 in 2017 962.955 hectare (53,8% van het totale areaal cultuurgrond) in gebruik als grasland; en 215.286 (12,0% van het totale areaal cultuurgrond) als groenvoedergewas (snijmais, luzerne, voederbieten en overige groenvoedergewassen). Van die groenvoedergewassen was snijmais in 2017 veruit het belangrijkste groenvoedergewas met 205.249 hectare (11,5% van het areaal cultuurgrond). Van de in de akkerbouw verbouwde granen (totaal 164.078 hectare in 2017, overeenkomend met 9,1% van het totale areaal cultuurgrond in dat jaar) wordt een groot deel gebruikt voor veevoer. De precieze hoeveelheid is afhankelijk van de kwaliteit van het geteelde graan, maar veelal wordt veruit het grootste deel van het in Nederland geteelde graan (tweederde of meer) gebruikt voor veevoer.

268. Waaruit bestaat het grondgebruik voor sierteelt, zoals voor rozen, lelies en bollen, in welke percentages en op hoeveel hectares worden lelies geteeld?

Antwoord

Sierteelt vindt zowel in de tuinbouw in de open grond als in de tuinbouw onder glas plaats.

In 2017 werd volgens het CBS10 op 26.676 hectare tuinbouw open grond bloembollen geteeld. Dit komt overeen met 1,5% van het totale areaal cultuurgrond. Van het areaal bloembollen in 2017 was 6.434 hectare bestemd voor lelies. Het areaal bloemkwekerijgewassen in de tuinbouw open grond bedroeg in dat jaar 3.108 hectare (0,2% van het totale areaal cultuurgrond). Het totale areaal boomkwekerijgewassen en vaste planten (open grond) bedroeg 16.960 hectare (afgerond bijna 1,0% van het totale areaal cultuurgrond), waarvan 360 hectare rozenstruiken.

Van het areaal tuinbouw onder glas werd in 2017 3.592 hectare (0,2% van het totale areaal cultuurgrond) gebruikt voor bloemkwekerijgewassen. Hiervan was 228 hectare bestemd voor (snij)rozen. Van het areaal tuinbouw onder glas was in dat jaar 401 hectare bestemd voor boomkwekerij en vaste planten (0,02% van het totale areaal cultuurgrond).

269. Waaruit bestaat het grondgebruik voor de akkerbouw, welke gewassen worden geteeld, op welke schaal (dus hoeveel mais op hoeveel hectare, hoeveel suikerbieten op hoeveel hectare, hoeveel graan op hoeveel hectare, etc.)?

Antwoord

Van het areaal cultuurgrond dat in 2017 volgens het CBS11 voor akkerbouw werd gebruikt (509.147 hectare), werd 164.078 hectare gebruikt voor granen (zoals tarwe, tarwe, gerst en korrelmais), 162.671 hectare voor aardappelen (waarvan ruim 76.000 hectare voor consumptieaardappelen en 44.041 voor zetmeelaardappelen) en 85.352 hectare voor suikerbieten. Daarnaast was 12.396 hectare bestemd voor handelsgewassen (zoals cichorei, vlas, hennep en koolzaad), 10.084 hectare voor graszaden, 6.046 hectare voor akkerbouwgroenten (zoals uien, winterpeen, sperziebonen, spinazie en witlofwortel), 3.063 hectare voor peulvruchten en 3.980 hectare voor overige akkerbouwgewassen. Het areaal van het groenvoedergewas snijmais bedroeg in 2017 205.249 hectare.

270. Welke gewassen worden geteeld als voer voor de veehouderij, zoals mais en wat is het aandeel van deze gewassen in het totale grondgebruik?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 267.

271. Welke gewassen worden geteeld voor menselijke consumptie, wat is het aandeel van deze gewassen in het totale grondgebruik, wat bedraagt de oppervlakte van deze teelten en hoe groot is bijvoorbeeld het deel dat wordt gebruikt voor de teelt van suikerbieten?

Antwoord

Een belangrijk deel van de gewassen geteeld in de akkerbouw is in hoofdzaak en direct of na industriële verwerking bestemd voor menselijke consumptie. Dit geldt voor een groot deel van de aardappelen, voor suikerbieten, voor akkerbouwgroenten en voor een deel van de handelsgewassen (zie ook mijn antwoord op vraag 269). Ook een beperkt deel van de in de akkerbouw geteelde granen is bestemd voor menselijke consumptie (zie het antwoord op vraag 267). Het geldt eveneens voor de teelt van groenten en fruit in de tuinbouw in de open grond en onder glas: in 2017 werd volgens het CBS 20.463 hectare gebruikt voor fruitteelt in de open grond, 26.317 hectare voor tuinbouwgroenten in de open grond, 4.992 hectare voor groententeelt onder glas en 95 hectare voor fruitteelt onder glas. Dit betekent dat rond 350.000 hectare landbouwgrond in 2017 in Nederland gebruikt werd voor gewassen die direct of na industriële verwerking bestemd zijn voor menselijke consumptie12.

272. Hoe verhoudt de productie van eiwitgewassen voor menselijke consumptie zich tot het buitenland?

Antwoord

De EC is momenteel bezig om een rapport samen te stellen over de eiwitproductie in de Europese Unie. In dit rapport worden vraag en aanbod van eiwitgewassen verkend. Het rapport zal eind dit jaar klaar zijn en dan zal ook duidelijk worden hoe de Nederlandse productie zich verhoudt tot het buitenland.

273. Wat zit er in het voer(mengsel) van kippen, koeien, varkens, etc.?

Antwoord

De voersamenstelling voor de Nederlandse landbouwhuisdieren bestaat uit voer van weiland en akker (gras, snijmais, voederbieten, tarwe), bijproducten uit de voedingsmiddelenindustrie (bierbostel, wei, gries en zemelen van granen, sojaschroot, bietmelasse, bietenpulp) en grondstoffen uit het buitenland (maisgluten, tapioca, tarwe, palmpitschilfers, rietmelasse, citruspulp). Het menu van herkauwers is hoofdzakelijk afkomstig van de Nederlandse landbouwgronden, de andere diersoorten worden hoofdzakelijke gevoerd met bijproducten uit de levensmiddelenindustrie en grondstoffen uit het buitenland.

274. Welke stromen uit productieprocessen van humaan voedsel, of anderszins uit de voedselketen, gaan naar landbouwdieren en welke stromen (zoals kaaswei, erwteneiwit) worden gevoerd aan welke dieren specifiek en welke hoeveelheden betreft dit?

Antwoord

Het gaat hierbij om co-producten die afkomstig zijn uit de levensmiddelenindustrie en die ontstaan bij de productie van bijvoorbeeld bier, sinaasappelsap, patat óf schroten die bijvoorbeeld voortkomen uit het crushen/persen van oliehoudende zaden zoals zonnebloem, raap, palm en soja. Het kan echter ook gaan om retourproducten zoals oud brood, koekjes, pizzabodems of snoepgoed die niet meer geschikt zijn voor menselijke consumptie omdat dat wettelijk niet mag of omdat het retourproduct niet verteerbaar/smakelijk is voor mensen. Deze producten zijn ook niet geschikt voor voedselbanken. Aanwending als diervoedergrondstof is de hoogst mogelijk verwaarding van grondstoffen ná menselijke consumptie en draagt in hoge mate bij aan de kringlooplandbouw die ik nastreef.

De genoemde producten worden hoofdzakelijk gebruikt in varkensvoer en in de rantsoenen van melkvee. Bij varkens kan dit aandeel oplopen tot 2/3 van alle gebruikte grondstoffen. Bij melkvee is dat afhankelijk van het rantsoen; als ook het ruwvoer van eigen grond (gras, maïs etc.) wordt meegenomen, kan het aandeel oplopen tot 3/4 van het voer. WUR heeft becijferd dat gemiddeld over alle diervoedermiddelen en diersoorten heen het aandeel van de co-producten in mengvoer 50,8% bedraagt. Voor gegevens over de herkomst en volumes van diervoedergrondstoffen verwijs ik u naar de (tweede editie van de) grondstoffenwijzer van de Nederlandse diervoederindustrie, uitgebracht door de brancheorganisatie Nevedi (www.nevedi.nl).

275. Wat gaat er veranderen aan de stromen uit de voedselketen die naar landbouwdieren gaan, vanuit uw doelstelling om te komen tot een systeem van kringlooplandbouw, komen er stromen bij? Zo ja, welke?

Antwoord

Mijn beleid was en is erop gericht dat resten uit bijvoorbeeld de voedingsmiddelenindustrie zo hoog mogelijk verwaard worden. Veel van deze stromen worden al gebruikt als voedsel voor landbouwhuisdieren. Ik sta positief tegenover initiatieven om elk (rest)product, of dat nu in de primaire productie is, de verwerkende industrie, de retail, catering of keuken, in de voedselproductieketen te houden, waarbij de borging van voedselveiligheid de eerste voorwaarde is. Ik zal mij hier voor blijven inzetten.

Een stroom waar ik mij bijvoorbeeld voor inzet is diermelen. Nederland wil in beginsel diermelen die gemaakt zijn met slachtafval van gezonde goedgekeurde varkens en kippen benutten als veevoedergrondstof voor pluimvee- respectievelijk varkensvoeders. Daarvoor is aanpassing nodig van de EU-regelgeving. Nederland vindt dat het mogelijk is dergelijke diermelen in diervoeders te benutten zonder afbreuk te doen aan het hoge beschermingsniveau voor mens en dier. De EU is bereid tot deze stap maar zoekt nog naar goede lab-analysemethodes voor kant en klare diervoeders. Die zijn nodig voor het toezicht op een verantwoorde diervoederproductie. Nederland ondersteunt de EC daarin.

276. Waar wordt de kunstmelk die aan kalfjes wordt gevoerd van gemaakt?

Antwoord

Kunstmelk voor kalveren bestaat uit zuivelgrondstoffen, plantaardige eiwitten, zetmeel, vitaminen, mineralen en organische zuren. Elke producent hanteert een eigen samenstelling van de voeders.

277. Krijgen kalfjes gemalen vis te eten?

Antwoord

Nee, er zit geen gemalen vis in kalvervoeders.

278. Hoeveel procent van de grondstoffen voor voer van kippen, koeien, varkens etc. komt van menselijk voedsel, van de levensmiddelenindustrie, van akkerbouw, van sojaschroot, of andere producten en welke reststromen of producten zijn dat?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 274.

279. Kunt u een overzicht geven van het aantal gesprekken dat het ministerie in 2017 en 2018 heeft gevoerd met de veehouderijsectoren en het aantal gesprekken met natuur- en dierenwelzijnsorganisaties?

Antwoord

Nee, dit is niet mogelijk. Het ministerie voert met alle betrokken partijen (bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) en op allerlei niveaus overleg over de vormgeving van het beleid.

280. Kunt u aangeven welke beleidsonderwerpen en regelingen (specifiek) de gesprekken met de veehouderijsector betroffen?

Antwoord

De overleggen met het veehouderijbedrijfsleven hadden betrekking op het brede beleidsveld van het Ministerie van LNV.

281. Welke verschillende mestaanwendingstechnieken zijn er? Hoe vaak worden deze gebruikt?

Antwoord

Vaste mest wordt altijd op de grond gestrooid. In het geval van bouwland moet dit in een direct erop volgende werkgang in de grond worden gewerkt.

Wat betreft drijfmest zijn de volgende aanwendingsmethodes te onderscheiden.13

Methode van aanwending bij drijfmest

Aandeel (in %) van mesttoediening op grasland en bouwland

 

Grasland

Onbeteeld bouwland

Beteeld bouwland

In sleufjes door injectie (bouwlandinjecteur)

86

In sleufjes in grond (zodenbemester)

64

9

70

In strookjes op grond (sleepvoetbemester)

13

0

30

Gedeeltelijk in sleufjes en in strookjes (sleufkouterbemester)

22

0

 

Bovengronds breedwerpig

1

0

 

Onderwerken in één werkgang

-

5

 

282. Wat doet het uitrijden van de mest met de bodem, per mestaanwendingstechniek?

Antwoord

Er is geen eenduidig onderscheid te maken in het effect van een aanwendingstechniek op de bodem, omdat dit verschilt per bodemsoort en de draagkracht daarvan. In het algemeen geldt dat naarmate machines groter en zwaarder worden, het risico op bodemverdichting toeneemt. Daarin speelt echter ook de druk per oppervlakte-eenheid een rol.

Vanwege de problematiek van geringere draagkracht op veen- en kleigrond en het gemakkelijk stuk trekken van de graszode op veengrond en het bij droogte moeilijk (tot niet) in de grond kunnen snijden op kleigrond is in de praktijk het aandeel van toediening van drijfmest door zodenbemesting zeer gering. Bij drijfmest in sleufjes in de bodem van grasland brengen wordt tot ongeveer 5 cm diepte in de bodem gedrongen door de graszode te doorsnijden. Er zijn, naast de vermelde problematiek op klei- en veengrond, geen gegevens bekend dat deze vorm van bemesten nadelig is voor de bodem. Alleen bij (aanhoudende) droogte kan het gras op de randen van de sleuven verdrogen. Van breedwerpig bovengronds uitrijden is bekend, dat onder droge omstandigheden er gemakkelijk verbranding van het gras op kan treden.

Naast het effect op de bodem is het ook van belang om rekening te houden met de ammoniakemissie bij de aanwending van mest. De laagste ammoniakemissie vindt plaats bij de bouwlandinjecteur (2%) en de hoogste ammoniakemissie vindt plaats bij het breedwerpig bovengronds uitrijden (71%).

283. Hoeveel veetransporten hebben er in 2017, door en vanuit Nederland plaatsgevonden uitgewerkt naar diersoort?

Zie onderstaande tabel voor de transporten binnen de Europese Unie in 2017. Hierbij moet worden opgemerkt dat meerdere zendingen samen één transport kunnen vormen. Er zijn geen gegevens bekend over het totaal aantal binnenlandse transporten.

 

Import

Export

Doorvoer

Diersoort

Aantal zendingen

Aantal dieren

Aantal zendingen

Aantal dieren

Aantal zendingen

Aantal dieren

Paarden

8.242

14.440

13.609

19.976

8.584

12.943

Runderen

12.022

869.308

7.624

341.969

877

56.817

Varkens

4.069

639.522

33.887

10.941.440

4.370

668.276

Schapen/Geiten

344

55.624

1.418

181.030

86

8.426

Pluimvee

51.114

359.545.291

13.936

272.873.524

1.741

21.633.542

Andere

5.652

4.692.016.778

312

3.665

5.607

796.907.549

Totaal

81.443

5.053.140.963

70.786

284.361.604

21.265

819.287.553

284. Kunt u een overzicht geven van het aantal kalveren dat de afgelopen vijf jaar is geïmporteerd in Nederland, uitgesplitst naar het land van oorsprong?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 175.

285. Hoeveel varkens zijn er de laatste drie jaar vanuit Nederland naar Spanje geëxporteerd?

Antwoord

In onderstaande tabel vindt u het aantal varkens dat de laatste drie jaar vanuit Nederland naar Spanje is geëxporteerd.

Tabel: Aantal varkens

2015

2016

2017

616.465

326.451

427.975

286. Hoeveel geld is in de begroting van uw ministerie gereserveerd voor de NVWA en hoe verhoudt dit bedrag zich tot de budgetten voor andere rijksinspectiediensten, zoals de Inspectie Leefomgeving en Transport, de Inspectie Veiligheid en Justitie en de Inspectie Sociale Zaken Werkgelegenheid.

Antwoord

In onderstaande tabel zijn de budgetten voor 2019 van de rijksinspectiediensten NVWA, ILT, IVJ en ISZW opgenomen. Deze rijksinspectiediensten verschillen onderling sterk wat taken en werkgebied betreft. De NVWA en de ILT zijn batenlastenagentschappen die begroten en verantwoorden volgens het batenlastenstelsel. De Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en de Inspectie Justitie en Veiligheid (J&V) zijn diensten die werken volgens het kasstelsel.

Omzet inspectiediensten begroting 2019 (€ miljoen)

Batenlastenagentschappen:

NVWA

ILT

omzet moederdepartement

171,7

120,5

overige departementen

90,8

0,9

omzet derden

103,4

24,2

totaal baten

365,9

145,6

Budget inspectiediensten begroting 2019 (€ miljoen)

Kasdiensten

Inspectie J&V

Inspectie SZW

kasbudget

9,5

123,9

287. Hoe wordt het budget voor de NVWA besteed?

Antwoord

Het budget van de NVWA wordt voor ongeveer 56% besteed aan personeelslasten (o.a. salarissen, reis- en verblijfkosten, externe inhuur), voor 38% aan materiële kosten (o.a. huisvesting, dienstauto’s, Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector (KDS), practitioners, uitbesteed onderzoek en ICT) en voor ca. 5% aan afschrijvingskosten (op voornamelijk software, auto’s, gebouwen en apparatuur).

288. Hoeveel fte is binnen de NVWA beschikbaar voor controles op levende dieren en diergezondheid en wat voor controles vallen hieronder?

Antwoord

In 2018 was voor controles op levende dieren en diergezondheid in totaal 44.289 uur begroot. Omgerekend betreft dit 32,1 fte. Dit betreft controles in de primaire fase, dat wil zeggen op de boerderij en bij het transport tot aan het slachthuis.

De inspecteurs voeren controles uit op de volgende gebieden: verplichte identificatie & registratie van landbouwhuisdieren en honden, naleving preventieregeling dierziekten, naleving verplichte monitorings- en vaccinatieprogramma’s. Ook verrichten zij taken in het kader van bestrijding van besmettelijke dierziekten in het geval van uitbraken.

289. Wat zijn de taken van de inspecteurs levende dieren en diergezondheid?

Antwoord

Inspecteurs die toezichtcontroles uitvoeren in het kader van levende dieren en diergezondheid in de boerderijfase en de vervoersfase tot aan het slachthuis, beoordelen in hoeverre houders van dieren de regelgeving naleven. Zij stellen daarbij vast of sprake is van overtreding(en) van deze regels. De inspecteurs maken in geval van overtreding(en) een rapport van bevindingen op ten behoeve van bestuursrechtelijke maatregelen of maken een herstel/waarschuwingsbrief op. In die gevallen waarin de overtreding een strafrechtelijke maatregel vergt, maakt de inspecteur een proces-verbaal op.

290. Hoeveel fte is binnen de NVWA beschikbaar voor controles vleesketen en voedselveiligheid en wat voor controles vallen hieronder?

291. Wat zijn de taken van de inspecteurs vleesketen en voedselveiligheid?

Antwoord vragen 290 en 291

De NVWA zet in 2018 ongeveer 300 fte in bij het toezicht op de slachthuizen. Deze werkzaamheden betreffen de ante mortem-keuring (keuring vóór de slacht), toezicht op en/of uitvoeren van de post mortem-keuring. Bij het toezicht wordt ook aandacht besteed aan onder meer dierenwelzijn, hygiënisch werken, dierlijke bijproducten, traceerbaarheid, vleestemperatuur en microbiologie.

292. Hoeveel is binnen de NVWA het aantal directe fte (betrokken bij het primaire proces) in de totale formatie gedaald sinds 2014 en wat is hiervoor de reden?

Antwoord

De daling in het aantal directe fte’s sinds 2014 wordt vooral verklaard door het voornemen om in 2019 het laboratorium Voeder- en Voedselveiligheid van de NVWA te laten fuseren met RIKILT. Het aantal directe fte van de NVWA daalt hierdoor.

293. Wat heeft dit voor gevolgen gehad voor het aantal uitgevoerde controles en de tijd die inspecteurs hiervoor hebben?

Antwoord

Het aantal uitgevoerde controles zoals weergegeven in het jaarverslag over het Multi Annual Control Plan is in de periode 2014–2017 nagenoeg stabiel (van 147.278 controles in 2014 tot 147.906 controles in 2017). In 2013 was het aantal controles nog 140.207.

In dit totaal zijn naast de controles van en door de NVWA ook de controles opgenomen op o.a. biologische productie door SKAL en de controles door COKZ en NCAE. Dat gaat om een relatief gering aandeel in het totaal (opgeteld 6668 in 2014 tot 8518 in 2017).

In het aantal controles van en door de NVWA worden per jaar en per domein keuzes gemaakt op basis van risico’s.

Het aantal controles van de I&R-registratie, Dierlijke bijproducten, Diergeneesmiddelen, Horeca en Claims bijzondere voeding is in de periode 2014–2017 gedaald. Het aantal controles in de domeinen Diergezondheid en Import levende dieren is in die periode nagenoeg gelijk gebleven. Het aantal controles in de domeinen Dierenwelzijn, Diervoeder, Vlees, Vleesproducten, Residuen&Contaminanten en Gewasbeschermingsmiddelen is tussen 2014 en 2017 gestegen.

Een effect van risicogericht inspecteren is onder meer te zien in het aantal boeterapporten dat de NVWA uitschrijft (van 5327 boeterapporten in 2014 tot 8376 boeterapporten in 2017).

294. Kunt u aangeven hoeveel uren er in 2015, 2016 en 2017 zijn begroot voor de NVWA ten aanzien van inspecties op dierenwelzijn en hoeveel daarvan daadwerkelijk zijn besteed aan dierenwelzijn?

Antwoord

In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de geplande en gerealiseerde uren in het domein dierenwelzijn in de periode 2015–2017.

Tabel: geplande en gerealiseerde uren toezicht 2015 – 2017

Domein

 

2015

2016

2017

Dierenwelzijn

planning

140.000

126.000

124.000

 

realisatie

130.000

131.000

121.000

295. Kunt u aangeven hoeveel uren er in 2015, 2016 en 2017 zijn begroot voor de NVWA ten aanzien van inspecties op levende dieren en diergezondheid en hoeveel daarvan daadwerkelijk zijn besteed aan deze aandachtsgebieden?

Antwoord

In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de geplande en gerealiseerde uren in het domein levende dieren en diergezondheid in de periode 2015–2017.

Tabel: geplande en gerealiseerde uren toezicht 2015 – 2017

Domein

 

2015

2016

2017

Levende dieren en diergezondheid

planning

183.000

178.000

185.000

realisatie

194.000

216.000

201.000

296. Kunt u aangeven hoeveel uren er in 2015, 2016 en 2017 zijn begroot voor de NVWA ten aanzien van inspecties op vleesketen en voedselveiligheid en hoeveel daarvan daadwerkelijk zijn besteed aan deze aandachtsgebieden?

Antwoord

In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de geplande en gerealiseerde uren in het domein vleesketen en voedselveiligheid in de periode 2015–2017.

Tabel: geplande en gerealiseerde uren toezicht 2015 – 2017

Domein

 

2015

2016

2017

Vleesketen en voedselveiligheid

planning

340.000

343.000

383.000

realisatie

378.000

393.000

394.000

297. Kunt u een overzicht geven van de controleactiviteiten van Nederland ingevolge de Europese Verordening tot bescherming van dieren tijdens transport (EG Nr. 1/2005) in de afgelopen vier jaar: a. hoeveel controles hebben er plaatsgevonden, b. hoeveel overtredingen zijn daarbij geconstateerd, c. hoeveel en wat voor sancties zijn daarbij opgelegd, d. wat zijn de tien meest voorkomende overtredingen per diersoort?

298. Kunt u de rapportages die u volgens deze verordening verplicht bent jaarlijks aan de Europese Commissie te verstrekken over de handhavingsactiviteiten in het kader van deze verordening aan de Kamer sturen?

Antwoord vragen 297 en 298

Van 2014 tot en met 2017 hebben respectievelijk ca. 109.000, 122.000, 127.000 en 133.000 geregistreerde controles op het gebied van transport (met betrekking tot Verordening EG Nr. 1/2005) plaatsgevonden.

Deze geregistreerde controleactiviteiten van de NVWA vinden met name plaats voorafgaand aan exporten, bij transporten onderweg en bij aankomst van buitenlandse zendingen op slachthuizen. Ook worden reisjournaals en GPS-gegevens van langeafstandtransporten geïnspecteerd en vinden er controles plaats na het ontvangen van buitenlandse klachten. Daarbuiten zijn er nog aanzienlijke aantallen controles waarvan geen aantallen worden geregistreerd, zoals bij binnenlandse aanvoer op een slachthuis.

De NVWA houdt de overtredingen op het gebied van dierenwelzijn bij het transport niet

apart bij. Bij exportcertificering worden eventuele problemen ter plekke opgelost of wordt het

certificaat niet afgegeven. In het jaarlijkse Meerjarig Nationaal Controleplan Nederland (MANCP) worden cijfers gegeven over onder meer controles onderweg op het gebied van dierenwelzijn. Zo laat de meest recente MANCP (2017) zien dat er 2067 controles door de vervoersteams zijn uitgevoerd. Bij 27% van die controles werden afwijkingen geconstateerd. Deze MANCP-rapportage wordt jaarlijks gepubliceerd, hierin worden ook de opgelegde sancties weergegeven.

De meest voorkomende overtreding in 2017 betreft het vervoeren van dieren die niet geschikt zijn voor transport, door bijvoorbeeld ziekte, verwondingen of slechte conditie, maar ook runderen die te ver zijn in de dracht om vervoerd te mogen worden. Er is door intensievere controles een toename aan overtredingen met betrekking tot vangletsel bij pluimvee. Verder komen ook tekortkomingen voor ten aanzien van de wijze waarop dieren vervoerd worden (zoals de beladingsgraad, in het bijzonder bij pluimvee) en het door de vervoerder niet beschikken over de juiste documenten (bijvoorbeeld vervoersbewijzen, vergunningen, bewijs van vakbekwaamheid). Verder wordt er gecontroleerd op overtredingen ten aanzien van de transport- en rusttijden. Er is door de verschillende wijze van controles en toezicht geen kwantitatieve rangschikking van

bovenstaande overtredingen te maken.

De controleactiviteiten die Nederland (en overige EU-landen) uitvoeren ingevolge deze Verordening worden gerapporteerd aan de EC. Deze rapportages zijn openbaar.14

299. Kunt u aangeven hoeveel veetransporten er -bij benadering-, in, door en vanuit Nederland hebben plaatsgevonden en om hoeveel dieren per diersoort dit gaat en welk percentage van deze transporten is gecontroleerd? Indien u de informatie niet heeft, kunt u dan de informatie geven die u wel heeft?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vragen 283 en 288. Er zijn geen gegevens bekend over het totaal aantal binnenlandse transporten. Hieruit volgt dat geen percentage kan worden gegeven.

300. Kunt u aangeven in hoeverre boetes de eventuele financiële voordelen van overtredingen ontnemen?

Antwoord

Ik ga ervan uit dat u met uw vraag doelt op de bestuurlijke boetes op grond van de Wet dieren. De Wet dieren kent vijf boetecategorieën met vaste boetebedragen. Deze bedragen worden in de overgrote meerderheid van de overtredingen als effectief en afschrikwekkend beschouwd. Met ingang van 1 juli 2016 is de boetecategorie 5 verhoogd (€ 10.000 of, indien dat meer is, 10% van de jaaromzet). Dat kan nodig zijn als de overtreder met de overtreding een economisch voordeel heeft dat aanzienlijk meer bedraagt dan het boetebedrag dat normaliter verschuldigd is voor die overtreding.

301. Kunt u aangeven of het aantal controles en de pakkans bij overtredingen voldoende afschrikwekkend werkt?

Antwoord

De NVWA publiceert jaarlijks de resultaten van o.a. haar controles over vervoer van dieren via de zogenaamde MANCP-rapportage.15 Daarin is ook te lezen hoe groot het aantal geconstateerde afwijkingen is ten opzichte van het aantal controles. Ook worden daarin de sancties gepubliceerd. Deze controles zijn in principe risico gebaseerd. Het totaal aantal vervoersbewegingen – met name nationaal – is echter niet bekend. Over het afschrikwekkende effect kan ik dus in cijfers geen resultaten geven. Wel ga ik ervan uit dat vervoerders ten algemene weten dat zij gecontroleerd kunnen worden, en dat zij dat mee nemen in hun overwegingen. Om het afschrikwekkende effect van controles te verhogen zal de NVWA haar interventiebeleid per 1 januari 2019 aanscherpen zoals ik in mijn Beleidsbrief dierenwelzijn geschreven heb (Kamerstuk 28 286, nr. 991).

302. Wat weerhoudt u ervan het aantal controles drastisch te verhogen en de pakkans te vergroten?

Antwoord

Ik vind het belangrijk dat er zo min mogelijk overtredingen worden gemaakt bij het vervoer van dieren, maar ook andere overtredingen gericht op dierenwelzijn. Hiertoe worden controles uitgevoerd en wordt ook ingezet op verhoging van de naleving door inzet van brancheorganisaties en de sector zelf. Daarbij wordt risicogericht te werk gegaan, op basis van kennis en meldingen, waardoor de pakkans wordt vergroot. De inzet wordt bepaald door de hiervoor beschikbare capaciteit binnen het jaarplanproces.

303. Kunt u aangeven hoeveel controles van veetransporten er voor 2019 zijn gepland, welk percentage dat is van het te verwachten aantal veetransporten en hoe groot de pakkans en het afschrikkingseffect is?

Antwoord

Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen buitenlandse (export) transporten en binnenlandse transporten. Exporttransporten moeten gemeld worden, en er moet een keuring door de NVWA plaatsvinden voor vertrek. Voor binnenlandse transporten bestaat echter die verplichting niet. Ik kan daarom niet exact aangeven hoeveel veetransporten er in totaal – inclusief binnenlandse transporten – plaatsvinden.

In het aantal veetransporten voor export heb ik wel inzicht. Dit schommelt jaarlijks, afhankelijk van de markt, tussen de 60.000 en 70.000 aanvragen. Naast de keuring voor vertrek voert de NVWA controles onderweg uit. In 2017 waren dit er 2.067, waarbij bij 27% overtredingen werden geconstateerd. Deze overtredingen werden vooral aangetroffen op binnenlandse transporten. Met betrekking tot de uit te voeren controles zijn er voor 2019 geen grote verschuivingen te verwachten ten opzichte van de voorgaande jaren. Ik verwijs u tevens naar het antwoord op vraag 297.

304. Hoe vaak heeft de NVWA sinds de bekendmaking in juni 2016 van het «Nationaal plan voor veetransport tijdens extreme temperaturen» dit plan vanwege extreme hitte toegepast?

Antwoord

In 2018 is op 22 dagen het Nationaal plan toegepast, in 2016 en 2017 waren dit respectievelijk 11 en 10 dagen.

305. Kunt u aangeven in hoeverre de NVWA bevoegd is om controle en handhaving op basis van het «Nationaal plan voor veetransport tijdens extreme temperaturen» uit te voeren, of dat dit enkel vrijblijvende afspraken gemaakt door de verschillende sectororganisaties zijn en in hoeverre zijn de afgesproken maatregelen juridisch afdwingbaar?

Antwoord

Het Nationaal plan geeft aan bij welke temperaturen er extra maatregelen genomen kunnen worden en welke verantwoordelijkheden de verschillende organisaties hebben. Dit plan is geen wet- en regelgeving en vormt daarom voor de NVWA geen zelfstandige basis voor toezicht en handhaving. Wel kan de NVWA het Nationaal plan gebruiken ten onderbouwing van haar handhavend optreden op basis van de Wet dieren.

306. Kunt u over de periode juni 2016 tot de laatste hitteperiode dit jaar aangeven: a. hoeveel controles er in het kader van dit plan hebben plaatsgevonden, b. hoeveel overtredingen daarbij zijn geconstateerd, c. hoeveel aanwijzingen er zijn gegeven om acute situaties te verbeteren d. hoeveel en wat voor sancties daarbij zijn opgelegd, e. wat de tien meest voorkomende overtredingen zijn per diersoort?

Antwoord

De vervoersteams hebben dit jaar 226 inspecties tijdens het vervoer uitgevoerd in het kader van de extreme temperaturen. De verdeling naar diersoort is als volgt:

Diersoort

Aantal inspecties

Paarden

11

Pluimvee

37

Runderen

52

Schapen/ geiten

1

Varkens

125

Totaal

226

In totaal zijn 15 overtredingen geconstateerd die te relateren zijn aan de extreme temperaturen. Het gaat dan om onnodig lijden (te warm/ hittestress), onvoldoende coördinatie (rekening houden met weersomstandigheden) en onnodig oponthoud. In 2017 zijn in het kader van het hitteplan 63 inspecties uitgevoerd, waarbij 1 overtreding is geconstateerd. In 2016 ging het om 169 inspecties waarbij 35 overtredingen zijn geconstateerd.

307. Kunt u aangeven waarom de Vereniging van de Nederlandse Pluimveeverwerkende Industrie (NEPLUVI) niet mee doet aan het hitteprotocol voor transport tijdens extreme temperaturen, worden hier gesprekken over gevoerd met hen en hoe denkt u de situatie zo te veranderen dat deze organisatie hier wel aan gaat meedoen?

Antwoord

Nepluvi heeft tot nu toe haar eigen sectorprotocol niet in overeenstemming met het nationaal plan gemaakt, omdat er een verschil van opvatting is over het transport van dieren bij een temperatuur boven de 35 graden Celsius. Het nationaal plan geeft aan dat er vanaf die temperatuur geen transporten meer kunnen plaatsvinden. Momenteel vinden daarover nog gesprekken plaats tussen Nepluvi en de NVWA. Ik verwacht dat die op korte termijn leiden tot een uitkomst waaronder Nepluvi haar sectorprotocol conform het nationaal plan kan afronden.

308. Op welke wijze wordt dierenwelzijn meegenomen in de kaders voor de kringlooplandbouw?

Antwoord

In de LNV-visie heb ik aangegeven dat de overgang naar integraal duurzame en emissiearme stal- en houderijsystemen één van de kenmerken van kringlooplandbouw voor de veehouderij is. Deze verbeteren het leefklimaat voor mens en dier en verlagen of voorkomen de emissies van broeikasgassen, ammoniak, geur en fijnstof. In deze stal- en houderijsystemen uit de zorg voor dierenwelzijn zich in de huisvesting van dieren, die ruimte biedt aan hun natuurlijk gedrag en die wordt gecombineerd met een goede zorg vanuit hun specifieke behoeften. Ook wordt bij het ontwerp van stallen, bij de stalinrichting en bij de voederpraktijk expliciet aandacht gegeven aan het voorkomen van ziektes.

Daarnaast heb ik in de LNV-visie aangegeven de visie als meetlat te zullen hanteren om afwegingen te maken. Ik zal beleidsvoornemens, plannen en andere voorstellen toetsen aan de negen criteria van de meetlat. Dierenwelzijn is één van de negen toetsingscriteria. Bij het nemen van besluiten weegt de overheid zorgvuldig de belangen van het dier tegen die van mensen en andere belangen af. Gezondheid, welzijn, eigenheid en integriteit van het dier worden daarin meegewogen. Het is de wens van het kabinet dat de meetlat ook andere beslissers gaat helpen om afwegingen te maken.

309. Wanneer komt de volgende versie van «Feiten en cijfers Gezelschapsdieren 2015» in opdracht van het Ministerie van LNV uit?

Antwoord

Naar verwachting zal een volgende versie van «Feiten & Cijfers» in 2020 worden uitgebracht.

310. Wat is de stand van zaken met betrekking tot de herziening van de Europese richtlijnen ten aanzien van fokkerij?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 55.

311. Hoe staat het met het onderzoek naar het terugdringen van keizersneden in de dikbilhouderij, hoeveel keizersneden zijn er in 2017 en 2018 uitgevoerd, bij welk percentage van de dikbilrunderen en bij welk percentage van het totale aantal bevallingen en hoeveel jaar is er nodig om het aantal keizersneden tot minder dan tien procent terug te brengen?

Antwoord

De stamboeken Verbeterd Roodbont en Belgisch Witblauw hebben een plan van aanpak om toe te werken naar meer natuurlijke geboorten. Voor raszuivere Belgisch Witblauw koeien wordt er gestreefd naar 60% natuurlijk afkalven in 2030. Voor Verbeterd Roodbont koeien wordt gestreefd naar 50% natuurlijk afkalven in 2035. WLR voert op dit moment een evaluatie uit naar de voortgang van het plan van aanpak «Naar meer natuurlijke geboorten» van oktober 2014. Daarna zal ik bezien wat eventuele vervolgstappen zijn. Ik zal u hierover in het eerste kwartaal van 2019 informeren.

312. Welke maatregelen, anders dan fokkerij, implementeert de dikbilhouderij om het aantal keizersneden terug te brengen?

Antwoord

Binnen het project Bewust Natuurlijke Luxe wordt steeds meer focus gelegd op de kennis en ervaring die nodig is om een koe natuurlijk te laten afkalven. Zo worden er bijvoorbeeld excursies georganiseerd naar ervaren fokkers en is er een praktijkdag over afkalven gehouden op de Faculteit Diergeneeskunde.

313. Hoe staat het met de andere ongeriefpunten (naast keizersneden) bij dikbilkoeien, bijvoorbeeld het feit dat 10% van de kalveren last heeft van afwijkingen als een dikke tong, kromme poten en hart- en ademhalingsproblemen, hoeveel kalveren hebben hier in totaal last van en wat wordt er gedaan om dit terug te dringen?

Antwoord

De overheid houdt geen gegevens bij over de gevraagde aandoeningen. De sector geeft aan dat er het laatste decennium genomische testen gebruikt zijn om erfelijke afwijkingen te voorkomen en dat deze daarmee sterk terug lopen. De door KI-organisaties aangeboden stieren zijn vrij van de erfelijke kenmerken die geanalyseerd kunnen worden via het DNA. Vleesveehouders met eigen stieren laten steeds vaker ook deze testen uitvoeren. Daarnaast selecteren vleesveehouders op andere verervende kenmerken (functioneel en zoötechnisch) via de beschikbare fokwaarden.

314. Kunt u voor de sectoren legpluimveesector, de vleeskuikensector en de kalversector aangeven: a. hoeveel geld zij innen via de producenten- of bedrijfsorganisaties, aan welke onderwerpen dit besteed wordt, welke dierenwelzijnsonderwerpen daaronder zitten, en kunt u per onderwerp aangeven hoeveel daar aan besteed wordt? b. Kunt u per onderwerp aangeven in hoeverre de overheid de budgetten aanvult? c. Kunt u per onderwerp aangeven in hoeverre naast vertegenwoordigers uit de betrokken sector zelf de overheid, maatschappelijke organisaties en andere stakeholders betrokken zijn?

Antwoord

OVONED, PLUIMNED en SBK zijn private organisaties die op grond van de Regeling producenten- en brancheorganisaties zijn erkend. Dat betekent dat zij een verzoek kunnen indienen om hun privaatrechtelijke overeenkomsten of privaatrechtelijke regelingen die de bij deze organisaties aangesloten ondernemers onderling hanteren algemeen verbindend te verklaren, zodat die overeenkomsten of regelingen (zoals de uitvoering van onderzoeksprogramma’s) ook moeten worden toegepast door ondernemers (uit de betreffende sector) die niet bij die organisaties zijn aangesloten. De uitvoering (waaronder ook de financiering valt) van die onderzoeksprogramma’s betreft dan ook een eigenstandige verantwoordelijkheid van de brancheorganisaties.

Op 4 april 2018 heb ik onderzoeksprogramma’s in de pluimveesector en kalversector en de daarbij behorende uitvoeringsregelingen algemeen verbindend verklaard. De brancheorganisaties zijn daarmee in staat het onderzoeksprogramma volgens hun eigen opzet uit te voeren dat zij in samenspraak met de sector hebben opgesteld.

De besluiten en de onderzoeksprogramma’s van de erkende producenten- en brancheorganisaties met de onderzoeksthema’s (inclusief de dierenwelzijnsonderwerpen) en begroting zijn gepubliceerd op de RVO-site16.

De overheid vult geen budgetten aan bij een AVV. De overheid stelt bijvoorbeeld wel geld beschikbaar voor onderzoek in het kader van een PPS. De sectororganisatie kan dan de AVV gebruiken om de bijdragen van het sectordeel te innen voor dat PPS-onderzoek. Voor deze overheidsbijdragen verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 121–126.

315. Hoe staat het per diersector met het opzetten van producenten- of bedrijfsorganisaties bij wijze van alternatief voor de weggevallen productschappen?

Antwoord

In de varkenshouderij is een producentenorganisatie opgericht en in de kalver- en pluimveesector zijn brancheorganisaties opgericht. De integrale Gemeenschappelijke Marktordeningsverordening (iGMO) biedt daartoe de mogelijkheid. De Regeling producenten- en brancheorganisatie geeft daaraan uitvoering. Daarmee is deze samenwerkingsvorm tot en met 31 december 2020 (de looptijd van de iGMO) in de Nederlandse regelgeving verankerd.

316. Hoe staat het in de varkenssector met de plannen van de Producentenorganisatie Varkenshouderij (POV) om via algemeen verbindend verklaren (AVV) van regelingen heffingen op te leggen voor zaken als onderzoek en diergezondheid? Loopt er een aanvraag voor een AVV? Waarom is het toekennen van een AVV tot nu toe niet gelukt?

Antwoord

Het is bekend dat de POV voornemens is een verzoek te doen voor een AVV met het oog op de uitvoering van een onderzoeksprogramma. De POV heeft op dit moment nog niet daadwerkelijk een aanvraag bij RVO.nl ingediend.

317. Welke overige plannen voor AVV’s zijn er tot nu toe met uw ministerie besproken, welke dierenwelzijnsonderwerpen zaten/zitten er in die plannen, en wat zijn de belemmeringen bij de organisaties en bij de overheid waardoor er nog geen algemeen verbindend verklaarde regelingen zijn?

Antwoord

In april 2016 is algemeen verbindend verklaard het Gezamenlijk programma Onderzoek en Innovatie en de daarmee samenhangende verplichting tot afdracht van financiële bijdragen en een registratieverplichting in de akkerbouwsector. Dat betrof een verzoek van de brancheorganisatie Granen, de brancheorganisatie Suiker en de brancheorganisatie Aardappelen en overige akkerbouwgewassen. Zoals in het antwoord op vraag 314 is vermeld, zijn in april 2018 de onderzoeksprogramma’s in de pluimveesector en kalversector en de daarbij behorende uitvoeringsregelingen algemeen verbindend verklaard.

Daarnaast zijn er op dit moment geen concrete verzoeken voor een algemeenverbindendverklaring.

318. Hoeveel bedrijven in de varkens-, de pluimvee, de geiten-, de kalver- en de melkveesector zitten te dicht op woonbebouwing en/of natuurgebieden en zouden vanwege grote overlast gesloten of verplaatst moeten worden? Indien u hier geen beeld van heeft, bent u bereid hier een inventarisatie maken en wanneer mogen we die verwachten?

Antwoord

Er is geen norm op basis waarvan vastgesteld kan worden of een veehouderijbedrijf te dicht op woonbebouwing of en/of natuurgebieden zit en daardoor «grote overlast» veroorzaakt. Overlast is niet te vangen in een enkel kengetal en niet toe te wijzen aan uitsluitend de landbouw of aan een enkele bron (een enkel veehouderijbedrijf). De omstandigheden ter plaatse bepalen of, in welke mate en wanneer er sprake is van overlast, waarbij de mate waarin overlast wordt ervaren een zeer persoonlijke is en sterk kan verschillen tussen personen. Ook de mate van overlast op (belasting van) een natuurgebied kan zeer sterk fluctueren. De overlast die door omwonenden wordt ervaren en/of de belasting van een natuurgebied is vrijwel altijd de resultante van de bijdrage van meerdere bronnen, die niet uitsluitend aan de landbouw gerelateerd zijn (denk bijvoorbeeld aan verkeer en industriële activiteiten). Het inventariseren van de hoeveelheid bedrijven die te dicht op woonbebouwing en/of natuurgebieden zit, is om die reden niet mogelijk en niet zinvol; het benoemen van een aantal bedrijven dat gesloten of verplaatst moet worden daarmee ook niet.

319. Welke partijen zijn nodig bij sanering van deze bedrijven?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 318.

320. Kunt u bij benadering aangeven hoeveel geld bij de sanering van de overlast gevende veehouderijbedrijven gemoeid is, welke schadeposten worden vergoed en welke niet, en wat het aandeel hierin van bedrijfsleven, banken en respectievelijk overheid zou kunnen zijn, mede in het licht van het voorbeeld in de varkenshouderij en de pelsdierhouderij?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 318.

321. Wat is er sinds de in 2017 uitgevoerde evaluatie van het topsectorenbeleid, waaruit o.a. bleek dat de Topsector Agri&Food nauwelijks onderzoek heeft gedaan die gerelateerd zijn aan verbetering van dierenwelzijn en dat het onderzoek vooral gericht was op de korte termijn en verdere productieverhoging, gedaan om het beleid op het gebied van beleidsondersteunend, praktijkgericht en fundamenteel onderzoek op het gebied van dierenwelzijn in te richten en zodanig aan te sturen dat maatschappelijke aandachtspunten voldoende aan bod komen bij het onderzoek?

Antwoord

Beleidsondersteunend onderzoek is niet het terrein van de topsectoren. Praktijkgericht onderzoek wel. Dialogic noemt in de evaluatie topsectorenaanpak (Kamerstuk 32 637, nr. 289) te weinig aandacht voor dierenwelzijn als een van de kritiekpunten uit de maatschappij die het draagvlak voor en acceptatie van de Agri&Food-sector verlagen. De topsector organiseert daarom de dialoog tussen ondernemers en lokale bewoners om draagvlak en acceptatie te vergroten. Een van de initiatieven is de Dutch Agrifood Week. Dialogic heeft in de evaluatie geen opmerkingen over de omvang van onderzoek naar dierenwelzijn gedaan. Wel doet Dialogic de aanbeveling om de topsectorenaanpak (nog) duidelijker aan maatschappelijke opgaven te koppelen. Dit is een algemene aanbeveling die niet beperkt is tot de Topsector Agri&Food. Met de door het Ministerie van EZK aangekondigde missiegedreven aanpak wordt de topsectoraanpak sterker gericht op de maatschappelijke opgaven en de hiervoor benodigde grensverleggende innovaties. Voor het thema «landbouw, water en voedsel» sluit ik hierbij aan met de in de LNV-visie beschreven opgaven.

322. Welke programma’s van de Topsector Agri&Food gerelateerd aan de veehouderij lopen er en welke onderwerpen staan er op de onderzoeksagenda van deze programma’s?

Antwoord

De Topsector AF heeft een groot aantal PPS’en gerelateerd aan de veehouderij. Binnen het kernthema Klimaatneutraal wordt een groot deel van het veehouderijonderzoek uitgevoerd. De PPS’en in dit thema ontwikkelen kennis gericht op klimaatneutrale, efficiënte, weerbare en robuuste productiesystemen, met oog voor dier- en plantgezondheid, dierenwelzijn en biodiversiteit. De beschrijving van de onderzoeksagenda en de PPS’en zijn te vinden op de website van de topsector; https://Topsectoragrifood.nl/kennis-en-innovatie/.

323. Welke dierenwelzijnsonderwerpen vallen daaronder en kunt u per onderwerp aangeven: hoeveel daaraan besteed wordt, in hoeverre de overheid de budgetten aanvult en in hoeverre, naast vertegenwoordigers uit de betrokken sector zelf, de overheid, maatschappelijke organisaties en andere stakeholders betrokken zijn?

Antwoord

Binnen de Topsector AF worden de volgende dierenwelzijnsonderwerpen opgepakt:

  • Relatie voeding en verenpikken;

  • Productiesystemen voor vleeskuikens waarin verhoging van dierenwelzijn en verlaging van de milieudruk samengaan;

  • Huisvestings- en managementsystemen voor vleeskuikenouderdieren die ontworpen worden met het oog op verbetering van dierenwelzijn, milieu, diergezondheid (en antibioticumgebruik) en (re)productie;

  • Voedings- en houderijmanagement, resulterend in een verbetering van de bot- en vleugelontwikkeling van vleeskuikens;

  • Het opgroeien en socialiseren van opfokzeugen en het creëren van een nieuw innovatief huisvestingssysteem voor opfokzeugen;

  • Houderijsysteem voor zeugen, biggen en vleesvarkens;

  • Alternatieven voor CO2-bedwelming bij varkens;

  • Vitaal en gezond kalf in de kalverhouderij;

  • Kansen voor het kalf in de keten;

  • Inzichten rondom de functie «koe-kalf» en «kalf-kalf» contact in relatie tot de gezondheid en welzijn van het jonge kalf;

  • Ontwikkeling van biomarkers voor welzijn melkvee;

  • Gezondheid en welzijn van parkgehuisveste konijnen;

  • Integraal duurzame veehouderijsystemen in relatie tot verminderen van emissies van fijnstof;

  • Implementatie van Integrated Pest Management voor vogelmijten.

De publieke bijdrage voor deze PPS’en is € 7,3 miljoen. Private partijen dragen cash en «in kind» € 6,9 miljoen bij. De sectororganisaties, en bij sommige onderwerpen ook ngo's, zijn breed betrokken bij dit onderzoek. Bij enkele PPS’en dragen provincies en gemeenten financieel bij.

324. Hoe staat het met de transparantie van de beoordeling van de aangevraagde projecten en de resultaten van het onderzoek in de Topsector Agri&Food?

Antwoord

De Topsector AF maakt gebruik van onafhankelijke commissies bij de beoordeling van voorstellen voor PPS’en waarvoor ze oproepen uitzet. Dit geldt ook voor de onderzoek- en innovatieprogramma’s die door RVO.nl en NWO worden uitgevoerd. Vanwege de vertrouwelijkheid worden de resultaten van beoordelingen niet gepubliceerd. De leden van de thema- en reviewcommissies, die betrokken zijn bij de beoordeling, staan vermeld op de website van de topsector. De criteria en weging van beoordelingsaspecten zijn onderdeel van de oproep en zijn hierdoor volledig transparant. De afgelopen jaren is de transparantie verder verbeterd door de publicatie van samenvatting en voortgang van alle gehonoreerde projecten door de topsector. Voorts zijn met de topsector en onderzoeksinstellingen aanvullende afspraken op de bepalingen uit de TO2-regeling gemaakt over de wijze waarop resultaten uit het onderzoek worden gepubliceerd.

325. Kunt u over de periode 2014 t/m 2017 het aantal meldingen bij het Vertrouwensloket Welzijn Landbouwhuisdieren, een samenwerkingsverband van o.a. Land- en Tuinbouw Organisatie (LTO), Gezondheidsdienst voor Dieren (GD), Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD) en LNV, per diersoort aangeven wat het aantal meldingen was van verwaarlozing van landbouwhuisdieren?

Antwoord

In onderstaande tabel staan het aantal meldingen – uitgesplitst per diersoort – bij het Vertrouwensloket Welzijn Landbouwhuisdieren. De verwachting is dat in 2018 de meldingen komen op het niveau van 2017.

Aantal meldingen vanaf 2001

Diersoort

Meldingen

 

2001 t/m 2014

2015

2016

2017

2018

(jan-juni)

Rund

396

28

35

101

85

34

Schaap/ geit

111

8

10

25

13

4

Varken

35

3

4

3

8

6

Pluimvee

13

1

0

0

0

1

Paarden

X

X

X

X

X

4

Overig1

99

7

12

16

8

2

             

Totaal

654

47

61

145

114

51

             

Totaal (excl. overig)

555

40

49

129

106

49

Waarvan recidieven

59

4

9

28

26

11

Bron: GD

X Noot
1

Betreft meldingen van (mogelijke) verwaarlozing bij dieren anders dan landbouwhuisdieren.

326. Kunt u aangeven waar de stijging van het aantal meldingen bij het Vertrouwensloket Welzijn Landbouwhuisdieren van verwaarlozing van landbouwhuisdieren door wordt veroorzaakt?

Antwoord

De eerste jaren was een stijging te zien, maar sinds 2016 lijkt het aantal meldingen te stabiliseren. Over het algemeen zijn de belangrijkste oorzaken van dierverwaarlozing op landbouwbedrijven psychosociale problematiek en/of financiële problematiek.

327. Hoeveel meldingen van verwaarlozing van landbouwhuisdieren handelde het Vertrouwensloket Welzijn Landbouwdieren zelf af en welke reguliere hulpverleners werden voor de afhandeling van de overige gevallen ingeschakeld?

Antwoord

Alle meldingen worden bekeken en indien nodig gaat er een vertrouwensteam van twee mensen naar het bedrijf waarover de melding is gedaan. Er zijn vertrouwensteams die zijn gericht op korte interventies (preventieteams) en vertrouwensteams gericht op begeleiding met aandacht voor psychosociale problematiek (begeleidingsteams). Daarbij wordt gebruik gemaakt van een pool van specialisten met een psychosociale of bedrijfseconomische achtergrond en dierenartsen. Ook worden er- indien wenselijk en mogelijk- mensen uit de directe omgeving van de veehouder ingeschakeld. Het komt ook voor dat de melding door het Vertrouwensloket kan worden afgehandeld, zonder tussenkomst van de vertrouwensteams, bijvoorbeeld als het gaat om relatief eenvoudige situaties of om het geven van informatie. Ook kan het kan zijn dat de situatie dermate ernstig is dat de NVWA wordt ingeschakeld. In 2017 zijn de vertrouwensteams 67 keer in actie gekomen en 37 keer in de eerste helft van 2018. In 2017 zijn er 29 meldingen bij de NVWA belegd en 34 meldingen in de eerste helft van 2018.

328. Hoeveel van de meldingen bij het Vertrouwensloket Welzijn Landbouwdieren betroffen herhalingsgevallen (recidive) en in hoeverre wordt in deze gevallen, afhankelijk van de ernst van de zaak en de oplossingsmogelijkheden, ook gekeken naar het beëindigen van het houden van vee?

Antwoord

Voor recidivegevallen verwijs u naar mijn antwoord op vraag 325. De hulp die het Vertrouwensloket geeft is vrijwillig en gericht op zodanig herstel van de situatie op het bedrijf dat het dierenwelzijn geborgd is, of op vrijwillige beëindiging van het bedrijf.

329. Welke stimuleringsmaatregelen heeft u genomen en gaat u nog nemen om aan de ambitie van 80% weidende koeien in 2020 bij te dragen en welke bedragen zijn daarvoor uitgetrokken of gaan hiervoor nog uitgetrokken worden?

Antwoord

In het regeerakkoord is ten aanzien van de doelstelling van weidegang het volgende aangegeven:

«Het kabinet wil geen wettelijke verplichting tot weidegang. De sector dient er daarom voor te zorgen dat zij de eigen doelstellingen in 2020 haalt».

Om deze doelstelling te realiseren ondersteun ik weidegang o.a. met de volgende inzet:

  • Uitrol van het project Nieuwe Weiders door Stichting Weidegang; voor de jaren 2019 en 2020 is hiervoor nog € 172.000,- beschikbaar.

  • Deskundigheidsbevordering weidegang van toekomstige ondernemers en jonge melkveehouders (project vanuit NAJK); voor de jaren 2019 – 2020 is hiervoor nog € 130.000,- beschikbaar.

  • Kenniswerkzaamheden over weidegang door (WLR). WLR voert dit project samen en in overleg met de Stichting Weidegang uit; hiervoor is in 2019 en 2020 in totaal nog € 100.000,- beschikbaar.

Daarnaast het stimuleren van weidegang via bestaande instrumenten, zoals:

  • De fiscale regeling MIA/Vamil voor integraal duurzame stallen met weidegang.

  • Het expliciet aandacht besteden aan weidegang binnen het agrarisch onderwijs. Weidegang is een onderdeel van het curriculum op het Middelbaar agrarisch onderwijs en binnen het Hoger agrarisch onderwijs functioneert o.a. een lector weidegang. Daarnaast zal bij de WUR in 2019 een buitengewoon hoogleraar graslandmanagement en weidegang worden aangesteld.

330. Kunt u aangeven welke stappen de melkveesector, de vleesveesector en de kalversector hebben genomen om de rundveehouderij vrij te krijgen van de dierziekten Infectieuze Bovine Rhinotracheïtis (IBR) en Bovine Virus Diarree (BVD) en hoeveel van de bedrijven in deze sectoren zijn al IBR resp. BVD vrij?

Antwoord

Er bestaat voor veehouders al sinds lange tijd de mogelijkheid om via een vrijwillig programma IBR en BVD te bestrijden op bedrijfsniveau. Sinds 1 april van 2018 is de bestrijding van IBR en BVD privaat verplicht gesteld voor melkveehouders. De meeste zuivelondernemingen hebben dat geregeld in de leveringsvoorwaarden en/ of het kwaliteitsborgingssysteem. Op dit moment heeft 78% van de melkveebedrijven een gunstige status voor IBR, voor BVD is dit 77%. Vleesveebedrijven kunnen vrijwillig deelnemen aan het private programma. In de vleesvee sector heeft ongeveer 15% van de bedrijven een gunstige status voor IBR, voor BVD is dit 10%. (Bron: ZuivelNL en GD)

331. In hoeverre ondersteunt de overheid het streven IBR en BVD vrij te worden financieel, wettelijk en/of met andere maatregelen?

Antwoord

Zoals geschreven in mijn brief van juni 2017 (Kamerstuk 29 683, nr. 232) bereid ik regelgeving voor die de wettelijke bestrijding van IBR gaat regelen. In deze brief is ook aangegeven dat de aanpak van BVD voorlopig aan de sector zelf is, mede omdat op dit moment geen Europees kader bestaat voor BVD. In de nieuwe diergezondheidsverordening van de EU, die per april 2021 van kracht wordt, zal een vrijwillig bestrijdingskader worden opgenomen voor BVD. Ik maak mij er op dit moment, bij de uitwerking van de uitvoeringsregelgeving bij die verordening, sterk voor dat die uitvoeringsregelgeving goed zal aansluiten bij de huidige Nederlandse private aanpak van BVD. Als de uitvoeringsregelgeving is vastgesteld zal worden bekeken of wettelijke ondersteuning van de bestrijding van BVD nodig en gewenst is.

332. Hoe staat het met de uitvoering van het verbod op het koudmerken van koeien?

Antwoord

In het Besluit houdende wijziging van het Besluit diergeneeskundigen en het Besluit houders van dieren in verband met diverse wijzigingen op het gebied van dierenwelzijn (hierna: het wijzigingsbesluit) is het vriesbranden als toegestane ingreep bij runderen uit het Besluit diergeneeskundigen geschrapt. Bij motie-Heerema (Kamerstuk 28 286, nr. 940) is bij het in procedure brengen van dit wijzigingsbesluit de regering verzocht bij de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit het vriesbranden uit te faseren. Het wijzigingsbesluit is inmiddels vastgesteld en gepubliceerd en op 1 juli 2018 in werking getreden, met uitzondering van de wijzigingsbepaling waarbij het koudmerken als toegestane ingreep bij runderen wordt geschrapt. De inwerkingtreding van deze laatste bepaling wordt bij koninklijk besluit bepaald en zal naar verwachting op korte termijn gepubliceerd worden en op 1 januari 2019 in werking treden. Voor een beperkte groep houders die nu nog vriesbranden komt een vrijstellingsregeling waarmee de uitfasering van het koudmerken wordt geregeld om daarmee uitvoering te geven aan de motie-Heerema.

333. Hoe denkt u te bepalen welke bedrijven voor de uitzonderingsregel in aanmerking komen voor het verbod van koudmerken van koeien en hoe denkt u dit te gaan handhaven?

Antwoord

Dit werk ik op dit moment uit en zal in de vrijstellingsregeling die binnenkort gepubliceerd zal worden nader worden beschreven.

334. Hoeveel personele inzet en geld is hiermee gemoeid en gaat u de kosten hiervan volledig doorberekenen aan degenen die nog koudmerken?

Antwoord

Dit werk ik op dit moment uit en zal in de vrijstellingsregeling die binnenkort gepubliceerd zal worden nader worden beschreven.

335. Hoe functioneert het per 1 december 2015 gewijzigde protocol gewetensbezwaarden identificatie en registratie (I&R) rund?

Antwoord

De NVWA heeft in 2017 van de 17 geregistreerde gewetensbezwaarden 16 gecontroleerd (één inspectie is niet doorgegaan in verband met ziekenhuisopname houder). Van de 16 inspecties voldeden 14 aan het protocol voor gewetensbezwaarden. De overtredingen die bij 2 houders zijn vastgesteld betroffen:

  • Geen foto’s aanwezig van een aangevoerd rund;

  • Twee runderen niet juist geregistreerd (verwisseld bij registratie);

  • Eén rund geregistreerd, maar niet aanwezig.

336. In 2015 waren er nog 18 gewetensbezwaarden I&R rund, hoeveel zijn dat er nu?

Antwoord

Er zijn op dit moment 17 gewetensbezwaarden.

337. Kunt u aangeven hoeveel paarden en pony’s er vanaf verzamelcentra uit Nederland in 2017 en 2018 zijn geëxporteerd en hoeveel van deze verzamelcentra paardenmarkten waren?

Antwoord

In 2017 waren er geen erkende paardenverzamelcentra. Wel was er een wekelijkse paardenmarkt in Bennekom en hebben er op drie dagen paardenmarkten plaatsgevonden waar de NVWA exportcertificering verzorgd heeft. In totaal zijn hier in 2017 1659 paarden geëxporteerd.

In 2018 is de exportlocatie in Bennekom erkend als paardenverzamelcentrum. Tot 1 oktober 2018 heeft de NVWA verder op één ander erkend paardenverzamelcentrum op één dag gecertificeerd. In totaal zijn vanaf deze locaties in 2018 516 paarden geëxporteerd.

338. Kunt u aangeven hoeveel aangevoerde, jonge kalveren er in 2016, 2017 en tot nu toe in 2018 op verzamellocaties zijn aangevoerd die ter plekke zijn gedood of naar een slachterij zijn afgevoerd omdat ze te licht en/of ziek of gewond waren? Indien u de informatie niet heeft, kunt u dan de informatie geven die u wel heeft?

Antwoord

Verzamelcentra melden in het I&R-systeem de dieren die dood afgevoerd worden en de dieren die naar de slacht gaan. Er wordt bij een doodmelding echter niet geregistreerd of de dieren geëuthanaseerd zijn en wat de reden is geweest voor euthanasie. Ook voor de naar de slacht afgevoerde dieren is niet te achterhalen wat de reden hiervoor was.

De informatie die wel beschikbaar is, is het aantal aangevoerde jonge kalveren op verzamelcentra die naar de slacht zijn afgevoerd of die dood gemeld zijn vanaf de verzamelcentra.

In 2016 zijn er 2387 jonge kalveren afgevoerd naar de slacht en 3816 dood gemeld vanaf de verzamelcentra. In 2017 zijn er 2589 jonge kaveren afgevoerd naar de slacht en 3178 dood gemeld vanaf de verzamelcentra. In 2018 zijn er tot en met 30 september 2018 1012 jonge kalveren afgevoerd naar de slacht en 1506 dood gemeld vanaf de verzamelcentra.

339. Kunt u aangeven hoeveel paarden en pony’s er naar verzamelcentra in Nederland in 2017 en 2018 zijn geïmporteerd en hoeveel van deze verzamelcentra paardenmarkten waren?

Antwoord

Voor zover uit de datasystemen te achterhalen is, zijn er in 2017 18 dieren geïmporteerd naar de wekelijkse paardenmarkt in Bennekom. In 2018 zijn geen importen geregistreerd. Hierbij moet worden vermeld dat de meeste import indirect plaatsvindt via handelaren, waardoor niet te achterhalen is wat via deze importstromen op de verzamelcentra en markten binnenkomt.

340. Hoeveel van het budget van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) is in 2016, 2017 en 2018 naar de paardensector gegaan?

Antwoord

In 2017 en 2016 is in Nederland € 3,5 respectievelijke € 3,2 miljoen uitgegeven vanuit GLB aan de paarden- en ponybedrijven. De cijfers over 2018 zijn nog niet bekend.

341. Kunt u, in vergelijking met de vier voorgaande jaren, aangeven wat het effect is van de door de kalversector ingevoerde regeling dat kalverhandelaren kalveren waarvan het geboortebewijs niet klopt, die te licht zijn of die niet gezond zijn niet van het melkveebedrijf meegenomen mogen worden maar daar achter moeten blijven, blijven de kalveren één of meer weken langer op het melkveebedrijf en gaan ze dan alsnog naar de melkveesector, worden ze op het melkveebedrijf doodgespoten of gaan ze vandaar naar een slachthuis of is er sprake van een stijging van afvoer van kalveren van melkveebedrijven naar de destructie?

Antwoord

Het plan «Vitaal kalf» van de melkveesector, handel en kalversector samen, wordt op dit moment geïmplementeerd. Ik heb van de sectoren begrepen dat het grootste effect dat nu merkbaar is, is dat kalveren waarvan het geboortebewijs niet klopt of die te licht zijn, niet meegenomen worden vanaf het melkveebedrijf. Hierdoor blijven deze dieren langer op het melkveebedrijf en gaan op een later moment, als het gewicht en de registratie klopt, mee naar de vleeskalverhouderij.

Er zijn nog niet genoeg gegevens voorhanden om dit met cijfers te onderbouwen.

Ik heb geen aanwijzingen dat er meer kalveren worden geëuthanaseerd op het melkveebedrijf.

342. Gaat u de effecten van de regeling voor de kalverhandelaren, dat de kalveren waarvan de het geboortebewijs niet klopt, die te licht zijn of die niet gezond zijn niet van het melkveebedrijf meegenomen mogen worden maar daar achter moeten blijven, met de kalversector evalueren en wilt u de Kamer van de resultaten van de evaluatie in kennis stellen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

De melkveesector, de veehandelaren en de kalversector voeren gezamenlijk het plan «Vitaal kalf» uit. In het kader van de nadere uitwerking van mijn visie over de verduurzaming van de veehouderij ga ik met deze sectoren afspraken maken over de resultaten die de komende jaren bereikt moeten worden. Hierover zal ik uw Kamer informeren.

343. Hoeveel kalveren staan er nog op vloeren die hen beschadigen, hoeveel kalverhouders betreft dat en welk percentage van de kalverhouders is dat?

Antwoord

De gangbare betonnen en/of houten roostervloeren voor (rose)kalveren voldoen aan de Europese kalverrichtlijn. Om het comfort voor het kalf te vergroten is er afgelopen jaren grootschalig praktijkonderzoek gedaan naar alternatieve vloeren. Hieruit is gebleken dat kalveren op alternatieve vloeren (met rubber) meer comfort ervaren dan op de referentievloeren (beton en hout) maar de overige dierkenmerken die in het onderzoek zijn onderzocht zoals de klinische gezondheid en de technisch prestaties werden niet of nauwelijks beïnvloed door het vloertype.

In mijn brief aan uw Kamer van januari jl. (Kamerstuk 28 286, nr. 942) heb ik aangegeven niet voornemens te zijn om een verplichting op te leggen voor rubbermatten en hiermee verder te gaan dan de Europese kalverrichtlijn. Er is inmiddels wel een subsidieregeling voor de aanschaf van alternatieve vloeren (zie ook mijn antwoord op vraag 348). Hoeveel kalverhouders hieraan gaan deelnemen is nog niet bekend en daarom kan ik ook nog niets zeggen over het aantal dieren dat op deze nieuwe vloeren gehouden gaat worden.

344. Hoeveel kalveren staan op vloeren die hen niet of minder beschadigen, als rubber vloeren, hoeveel kalverhouders betreft dat en welk percentage van de kalverhouders is dat?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 343.

345. Kunt u een overzicht geven van de aantallen, de leeftijd(sklasse) en de herkomstlanden van in Nederland voor de vleeskalverhouderij ingevoerde kalveren over de afgelopen vier jaar en het eerste half jaar van 2018?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar mijn antwoord op vraag 175.

346. Klopt het dat u voor de jaren 2015 tot en met 2020 € 10 miljoen heeft uitgetrokken uit de EU-plattelandsgelden voor de kalversector om hen te compenseren in de fors mindere inkomenssteun die veel kalverhouders gaan ontvangen vanwege het in de komende jaren vervangen van de Europese slachtpremie voor kalveren voor een hectarepremie, gaat het om € 10 miljoen per jaar of € 10 miljoen in totaal voor de periode 2015 tot en met 2020?

Antwoord

Ja dat klopt, het betreft hier € 10 miljoen per jaar, in totaal € 50 miljoen.

347. Hoeveel bedroeg de slachtpremie voor kalveren in 2014, hoeveel bedraagt de slachtpremie nu, en wanneer is deze volledig vervangen door een hectarepremie?

Antwoord

De laatste betalingen in het kader van de slachtpremie zijn gedaan in 2010. Vanaf dat jaar is de slachtpremie opgegaan in de ontkoppelde directe inkomenssteun. De slachtpremie bestond in 2014 derhalve niet meer en dat is nog steeds het geval.

348. Kunt u voor 2015 t/m de eerste helft van 2018 gedetailleerd aangeven waar de voor de kalversector bestemde gelden uit de plattelandsgelden ter compensatie aan uitgegeven zijn en hoe deze uitgaven volgens u aan systeeminnovaties en verduurzaming van de kalfsvleesketen bijdragen?

Antwoord

In december 2016 heeft de toenmalige Staatssecretaris van EZ besloten een kwaliteitsregeling voor de kalversector open te stellen. De subsidie is een stimulans voor de deelname aan een nieuw, vrijwillig kwaliteitssysteem. De voorschriften in dit kwaliteitssysteem zijn onder andere gericht op het terugdringen van het antibioticagebruik en op samenwerking en transparantie in de keten in Nederland. Deze maatregelen moeten bijdragen aan de gezondheid en het welzijn van het dier, aan de kwaliteit van het eindproduct (kalfsvlees) en aan de gezondheid van de mens. Met de vrijwillige kwaliteitsregeling en de eigen inspanningen moet de sector in staat zijn haar toekomstbestendigheid te verzekeren. Hiervoor is het van belang om de transparantie te vergroten op het gebied van diergezondheid en welzijn van het kalf vanaf het melkveebedrijf tot aan de slacht en vice versa. Dit betekent dat het kwaliteitssysteem ook voorschriften bevat gericht op een goed werkend keteninformatiesysteem. Hierdoor krijgt de keten van melkveehouder tot en met de kalverhouder meer inzicht in de achtergrond en prestaties van de kalveren. Met deze informatie kan de kalverhouder in samenwerking met de melkveehouderij zijn opvang en gezondheidszorg van de kalveren gerichter uitvoeren en zo het antibioticagebruik verlagen.

Het plafondbedrag voor deze kwaliteitsregeling bedraagt € 30 miljoen (100% EU-middelen) gedurende een periode van 5 jaar. Bijna 1.700 landbouwers doen mee aan de kwaliteitsregeling Kalveren. De vergoeding die zij ontvangen betreft de kosten verbonden aan de certificering. De vergoeding is achteraf. De regeling is opengesteld in 2017 en in 2018 en zal in 2019 nogmaals worden opengesteld. Per 1 juli 2018 is er voor deze regeling € 3,6 miljoen gedeclareerd bij de EU en is er voor € 22,5 miljoen verplichtingen aangegaan.

349. Kunt u voor 2019 gedetailleerd en voor 2020 globaal aangeven wat de plannen zijn voor besteding van de voor de kalversector bestemde gelden en hoe deze uitgaven volgens u bijdragen aan systeeminnovaties en verduurzaming van de kalfsvleesketen?

Antwoord

De kwaliteitsregeling loopt door in 2019 en 2020, zie ook mijn antwoord op vraag 348

Tevens is er in juni 2018 een investeringsregeling voor de kalversector vastgesteld. Hiervoor is € 15 miljoen (100% EU-middelen) beschikbaar. Deze regeling is op dit moment (oktober 2018) opengesteld en zal in 2019 nog een keer worden opengesteld. Op dit moment is het nog niet bekend hoeveel aanvragen er zijn er hoeveel hieraan besteed gaat worden.

De fysieke investeringen zijn primair bedoeld om innovatie en modernisering in de primaire sector te bevorderen, en niet voor uitvoering van reguliere bedrijfsactiviteiten. Het betreft hier vooral situaties waar steun voor fysieke investeringen de toepassing van innovatie en modernisering op grote schaal zal versnellen. De subsidie is een stimulans voor vleeskalverhouders om investeringen te doen in het realiseren van welzijnsvriendelijke stalvloeren en in ammoniareducerende systemen in vleeskalverstallen.

Van de € 50 miljoen is nog € 5 miljoen beschikbaar, hierover ben ik nog in gesprek met de kalversector.

350. Wat is de stand van zaken met betrekking tot het verhogen van de stahoogte voor runderen, waaronder kalveren van enkele weken oud, gelet op het voornemen van de Nederlandse overheid om per 1 januari 2018 uit te gaan van 15 cm boven de schouder van het rund en per 1 januari 2019 van 20 cm, wat is het exacte voornemen en in welk document staat dat en hoe staat het met de uitvoering?

Antwoord

De voorgenomen invulling van de Europese norm voor de stahoogtes voor diverse diersoorten is bij de EC genotificeerd. In reactie daarop heeft de EC in het voorjaar van 2018 te kennen gegeven dat de voorgenomen invulling in strijd kan komen met het vrije verkeer van goederen. Naar aanleiding van de door de EC uitgebrachte bezwaren, is besloten de voorgestelde invulling niet vast te stellen. De NVWA zal dit jaar, in samenwerking met het Ministerie van LNV en de veesector, verkennen welke nieuwe afspraken gemaakt kunnen worden over de stahoogte en beladingsdichtheid van vee om nadere invulling te geven aan deze open normen van de Transportverordening.

351. Wanneer wordt de voorgenomen stahoogte voor runderen tijdens transport ingevoerd, of is deze reeds ingevoerd? Zo ja, welke hoogte betreft dit en waar is of wordt dit vastgelegd?

Antwoord

De vraag naar de termijn van invoering van nieuwe afspraken over stahoogte en beladingsdichtheid, maakt onderdeel uit van het overleg dat de NVWA samen met het Ministerie van LNV voert met de veesector. Verder verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 350.

352. Wordt de bepaling van de stahoogte voor runderen aan de orde gesteld in de Kamer, of wordt deze uitonderhandeld met de sector en vervolgens buiten de Kamer om in een Uitvoeringsregeling opgenomen?

Antwoord

Het gaat hier om de uitvoering van (Europese) wetgeving en het toezicht daarop. Over hoe deze uitvoering er uit komt te zien ten aanzien van stahoogte voor runderen, zal ik uw Kamer volgend voorjaar informeren. Verder verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 350.

353. Klopt het dat u voor het plan om het aantal keizersneden bij de runderen Belgisch Blauwen en Verbeterd roodbont terug te dringen naar 40 a 50% in 2030 of 2035 een bedrag van € 300.000 uittrekt? Zo nee, welke bijdrage gaat hier dan naartoe?

Antwoord

Voor het project Bewust Natuurlijk Luxe is inderdaad een bedrag van € 300.000 uitgetrokken waarvan het project van 2015 tot eind 2018 mede wordt gefinancierd. Voor raszuivere Belgisch Witblauw koeien wordt er gestreefd naar 60% natuurlijk afkalven in 2030. Voor Verbeterd Roodbont koeien wordt gestreefd naar 50% natuurlijk afkalven in 2035. WLR voert op dit moment een evaluatie uit naar de voortgang van het project zoals ook benoemd in mijn antwoord op vraag 311.

354. Hoeveel Belgisch Blauwen en Verbeterd roodbont runderen zijn er in Nederland, hoeveel kalveren worden er jaarlijks binnen deze sector geboren en welk percentage daarvan wordt geboren via een keizersnede?

Antwoord

Het totaal aantal raszuivere Belgisch Blauwe dieren was 12079 per 31 december 2017. Het totaal aantal Verbeterd Roodbonte dieren was 1550 per 31 december 2017 (aantallen inclusief stierkalveren, deels in de kalvermesterij). Zie verder het antwoord op vraag 311.

355. Kunt u een overzicht geven van de aantallen varkens die zijn getransporteerd, ingedeeld in biggen, gespeende biggen, vleesvarkens en fokzeugen en de landen waarheen deze dieren worden geëxporteerd, over de afgelopen vier jaar en het eerste halfjaar van 2018?

Antwoord

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de doelen waarvoor de varkens gecertificeerd zijn, waarbij de term «erkende instanties» met name doelt op spermawincentra. De systemen van de NVWA zijn niet ingericht om eenvoudig een nadere uitsplitsing te maken.

DIEREN GECERTIFICEERD VOOR

Bestemmingsland

2014

2015

2016

2017

1e helft 2018

Aantal Dieren

Aantal Dieren

Aantal Dieren

Aantal Dieren

Aantal Dieren

Erkende Instanties

België

2

2

 

1

 

Erkende Instanties

Duitsland

67

     

2

Erkende Instanties

Frankrijk

     

2

 

Erkende Instanties

Hongarije

 

6

     

Erkende Instanties

Singapore

18

       

Erkende Instanties

Spanje

       

3

Erkende Instanties

Verenigd Koninkrijk

1

     

1

Erkende Instanties

Zwitserland

     

2

 

Totaal Erkende Instanties

230

8

 

5

6

Fokken

Albanië

490

       

Fokken

België

754.469

93.717

22.918

18.819

2.477

Fokken

Bulgarije

21.423

 

1

1

 

Fokken

Cyprus

   

6

   

Fokken

Duitsland

4.305.244

783.047

117.974

88.070

8.735

Fokken

Frankrijk

19.438

379

9

541

13

Fokken

Griekenland

783

339

355

8

 

Fokken

Hongarije

272.419

49.100

20.303

454

41

Fokken

Ierland

   

32

56

25

Fokken

Israël

142

193

165

187

129

Fokken

Italië

232.656

10.215

4.532

1.262

19

Fokken

Kroatië

112.333

9.110

960

12

2

Fokken

Litouwen

   

41

45

33

Fokken

Luxemburg

6.280

       

Fokken

Oostenrijk

3.130

630

     

Fokken

Polen

466.397

32.849

3.660

494

27

Fokken

Portugal

474

2

7

   

Fokken

Roemenië

238.498

19.415

4.000

1.734

2.196

Fokken

Servië

   

650

6

14

Fokken

Singapore

80

69

21

41

 

Fokken

Slovenië

3.053

       

Fokken

Slowakije

13.281

900

     

Fokken

Spanje

346.304

35.761

936

2.240

991

Fokken

Tsjechië

50.091

11.692

4

18

12

Fokken

Verenigd Koninkrijk

28

67

133

75

43

Fokken

Zwitserland

   

6

50

 

Totaal Breeding

6.846.871

1.047.485

176.713

114.113

14.757

Anders

Denemarken

     

1

 

Totaal Anders

     

1

 

Productie/Mesten

Albanië

 

1.350

1.460

600

2.575

Productie/Mesten

België

97.384

792.121

874.145

963.563

518.396

Productie/Mesten

Bosnië-Herzegovina

640

650

1.299

1.410

 

Productie/Mesten

Bulgarije

7.315

1.600

6.120

9.783

4.850

Productie/Mesten

Duitsland

370.146

3.860.019

4.804.019

4.960.622

2.394.528

Productie/Mesten

Frankrijk

 

13.501

16.220

16.960

940

Productie/Mesten

Griekenland

   

1.450

   

Productie/Mesten

Hongarije

9.575

232.239

329.653

217.430

4.164

Productie/Mesten

Italië

2.066

177.959

151.927

170.386

77.908

Productie/Mesten

Kroatië

20.759

90.383

43.136

43.261

12.015

Productie/Mesten

Luxemburg

 

9.072

42.378

36.173

23.363

Productie/Mesten

Malta

         

Productie/Mesten

Moldavië

   

5.355

9.450

4.800

Productie/Mesten

Oostenrijk

 

4.803

16.265

28.336

14.932

Productie/Mesten

Polen

19.007

414.265

311.402

210.123

76.573

Productie/Mesten

Portugal

3.456

6.305

     

Productie/Mesten

Roemenië

19.021

246.508

197.328

188.765

58.574

Productie/Mesten

Servië

   

1.324

4.800

28.330

Productie/Mesten

Slovenië

 

6.478

23.358

41.807

17.425

Productie/Mesten

Slowakije

50

10.347

6.168

2.560

2.285

Productie/Mesten

Spanje

2.038

532.031

244.388

355.436

600.993

Productie/Mesten

Tsjechië

30.726

42.820

34.704

29.140

 

Totaal Productie/Mesten

551.457

6.442.451

7.112.099

7.290.605

3.842.651

Slacht

Albanië

600

       

Slacht

België

86.433

80.090

49.590

84.395

21.335

Slacht

Duitsland

3.651.741

3.626.097

3.613.096

3.134.981

1.216.594

Slacht

Frankrijk

31.452

19.971

16.602

38.001

17.320

Slacht

Griekenland

     

740

 

Slacht

Hongarije

5.649

3.605

295

781

 

Slacht

Italië

86.158

124.897

90.800

80.541

28.876

Slacht

Kroatië

102.485

174.712

149.677

116.823

36.580

Slacht

Luxemburg

201

2.244

1.796

2.179

 

Slacht

Polen

16.209

2.702

   

1.550

Slacht

Portugal

38.811

48.375

25.161

4.986

1.015

Slacht

Roemenië

398

1.450

     

Slacht

Slovenië

 

102

 

750

 

Slacht

Slowakije

1.790

1.985

     

Slacht

Spanje

125.802

84.434

82.063

72.539

57.856

Slacht

Tsjechië

6.421

686

     

Totaal Slacht

4.154.150

4.171.350

4.029.080

3.536.716

1.381.126

Grensverkeer

Duitsland

147

       

Totaal Grensverkeer

147

       

Eindtotaal

11.583.581

11.661.294

11.317.892

10.941.440

5.238.540

356. Welke bestemmingen van de varkenstransporten van de afgelopen vier jaar en het eerste halfjaar van 2018 liggen binnen 8 uur / 500 km rijden en zijn volgens de Veetransportverordening kort transport?

357. Welke bestemmingen liggen verder weg en vallen onder de definitie van lange afstandstransporten?

Antwoord vragen 356 en 357

De landen of gebieden die binnen 8 uur zijn te bereiken, zijn België, Luxemburg, een deel van Duitsland, Noord-Frankrijk en Zuid-Denemarken. De overige bestemmingen kunnen niet binnen 8 uur bereikt worden. De overige bestemmingen vallen onder de definitie van lange afstandstransporten.

358. Wat zijn de redenen van het vervoer van varkens over lange afstanden (meer dan 8 uur/500 km) en welke aangrijpingspunten ziet u daarin om lange afstandstransporten terug te dringen?

Antwoord

Binnen de Europese interne markt kunnen varkens, met inachtneming van de Europese regels, naar alle EU-landen worden vervoerd. Dat betekent voor Nederlandse slachtvarkens soms vervoer van meer dan 8 uur of verder dan 500 kilometer. Ook buiten de EU is er vraag naar Nederlandse varkens (zie ook antwoord op vraag 207).

Ik verwijs u voor mijn inzet op het beperken van diertransport naar mijn beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober 2018 (Kamerstuk 28 286, nr. 919)

359. Wat is de stand van zaken van de verkenning naar het verder beperken van het vervoer van dieren die het kabinet in het regeerakkoord heeft aangekondigd?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar mijn beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober jl. (Kamerstuk 28 286, nr. 919).

360. Hoe staat het met het project Boars 2018, gericht op het bevorderen van stoppen met castratie en acceptatie van ongecastreerde beerbiggen en vlees van ongecastreerde varkens in andere EU-landen: wat is er afgelopen jaar gedaan, wat gebeurt er dit en komend jaar, hoe zit de financiering van afgelopen jaar en van dit en komend jaar in elkaar (wat draagt het bedrijfsleven bij, wat de overheid)?

Antwoord

In het afgelopen jaar, dit jaar en komende jaren wordt door Boars 2018 met name ingezet op het in andere lidstaten in Europa delen van de in Nederland opgedane kennis op het gebied van stoppen van castreren en het houden van intacte beren. Lopende activiteiten zijn onder andere inbreng in het Harmonisatieproject van de EU, het IPEMA Cost action onderzoeksnetwerk en internationale afstemming met Duitsland, Denemarken en België op het gebied van borging van de detectie van berengeur en het verdoofd castreren. Het nationale project Boars 2018 is onderdeel van de onderzoeksagenda varkenshouderij van de POV. Jaarlijks gaat het om een bedrag van € 60.000, waarbij in 2017 en 2018 het bedrijfsleven 40% voor zijn rekening neemt en de overheid 60%. In 2019 neemt het bedrijfsleven de helft van de kosten voor zijn rekening en de overheid de andere helft.

361. Hoe gaat de Verklaring van Brussel waarin Europese koepelorganisaties en stakeholders uit diverse EU-lidstaten toezeggen aan beëindiging van castratie te willen werken, nu verder, nu het dit jaar afkoopt en het beoogde resultaat nog niet bereikt is en komt er een nieuwe verklaring met nieuwe doelen en streefdata?

Antwoord

Het is duidelijk dat het beoogde resultaat eind 2018 nog niet bereikt zal zijn. Er wordt doorgewerkt aan het behalen van het gestelde doel om castratie verder uit te faseren en ngo’s en het internationale bedrijfsleven zijn in overleg om tot een nieuwe streefdatum te komen. Het probleem is dat de afzet van vlees van niet gecastreerde varkens een van de beperkende factoren is door het risico dat er vlees met berengeur op de markt komt.

362. Van hoeveel biggetjes wordt ieder jaar de staart gecoupeerd?

Antwoord

In de Nederlandse varkenshouderij wordt bij de meeste biggen het couperen van de staarten toegepast. Bedrijven die in concepten zoals het Beter Leven keurmerk 2 en 3 sterren of biologisch werken en leveren, waarin de meerkosten voor lange staarten vergoed worden, houden varkens met lange staarten.

363. Van hoeveel biggetjes wordt de staart niet gecoupeerd en is dit gerelateerd aan het stalsysteem? Zo ja, wel stalsysteem is dat?

Antwoord

Dit is een klein percentage en niet gerelateerd aan een stalsysteem. In ieder geval onder het Beter Leven keurmerk van 2 en 3 sterren en biologisch worden de staarten niet gecoupeerd. Staartbijten is een multifactorieel thema dat niet uitsluitend verband houdt met het type stalsysteem.

364. Hoe staat het met de uitvoering van de Verklaring van Dalfsen: wat is er het afgelopen jaar gedaan om te komen tot het stoppen met het couperen van staartjes en wat wordt er dit en komend jaar gedaan en hoe zit de financiering voor dit en komend jaar in elkaar (hoeveel betaalt de sector en hoeveel de overheid)?

Antwoord

In de verzamelbrief dierenwelzijn van 5 februari 2018 (Kamerstuk 28 286, nr. 942) is de stand van zaken rond het couperen van varkensstaarten gemeld aan uw Kamer. Verder is aan te geven dat afgelopen voorjaar het praktijknetwerk staarten met 15 varkenshouders van start is gegaan en dat eind oktober 2018 de nieuwe brochure hokverrijking uitgebracht wordt voor de varkenshouders. De checklist risicobeoordeling wordt nu in de praktijk getoetst op de bedrijven die meedoen aan het praktijknetwerk. Voor de financiering zijn afspraken gemaakt in het kader van de onderzoeksagenda varkenshouderij, waarin onderzoek en innovatie op gezondheid- en welzijnsdossiers samengebracht zijn. De sector neemt 50% van de totale kosten voor zijn rekening. Voor de bekostiging verwijs ik u ook naar mijn antwoord op de vragen 121 t/m 126.

365. Hoe staat het met het opstellen van een checklist waarmee varkenshouders kunnen inventariseren welke risico’s er op hun bedrijf zijn op staartbijten?

Antwoord

De WUR heeft dit jaar een checklist opgesteld die nu binnen het praktijknetwerk staarten wordt toegepast om ervaring op te doen.

366. Gaat u het gebruik van een dergelijke checklist waarmee varkenshouders kunnen inventariseren welke risico’s er op hun bedrijf zijn op staart bijten, verplichten en gaat u het aanpakken van geconstateerde tekortkomingen verplicht stellen? Zo ja, hoe en wanneer? Zo nee, waarom niet en hoe bent u in dat geval voornemens het gebruik hiervan te bevorderen?

Antwoord

De varkenssector onderzoekt de mogelijkheden om de checklist een verplicht onderdeel te laten zijn van het kwaliteitssysteem Holland Varken, waarmee invulling gegeven wordt aan de Europese aanbeveling 2016/336 over het uitvoeren van een risicobeoordeling. De checklist geeft een algemeen beeld over het bedrijf met verbeterpunten voor gezondheid en welzijn voor de dieren.

367. Hebt u al een datum in het voorjaar van 2019 gepland waarop u met de varkenssector gaat praten over een datum waarop er een einde komt aan het routinematig couperen van varkensstaarten?

Antwoord

Hiervoor is nog geen datum gepland. Maar zoals toegezegd zal ik 2019 met de varkenssector in gesprek gaan over een met de sector over een reële einddatum om te stoppen met couperen.

368. Wat is de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de in 2015 aangenomen motie van de leden Thieme en van Dekken waarin wordt verzocht aandacht te geven aan alternatieven voor CO2-bedwelming bij varkens, en als alternatieven reëel blijken te zijn, hierbij een termijn te stellen waarbinnen de CO2-bedwelming wordt uit gefaseerd (Kamerstuk 34 300 XIII, nr. 151 )?

Antwoord

Naar aanleiding van de motie Thieme en Van Dekken wordt binnen het topsectoronderzoek een project uitgevoerd. In dit onderzoek wordt meegenomen:

  • de mogelijkheden om de negatieve effecten van CO2-bedwelming te verminderen;

  • de mogelijkheden en effecten van andere gassamenstellingen of toevoegingen;

  • de resultaten uit onderzoek in andere landen naar andere bedwelmingsmethoden (gasmengsels, LAPS, N2 in schuim);

  • de mogelijkheden van minder stressvolle methoden van opdrijven bij elektrische bedwelming.

De resultaten van dit onderzoek zullen naar verwachting voor het einde van dit jaar opgeleverd worden.

Een huidige reeds beschikbare alternatieve methode voor CO2-bedwelming is elektrische bedwelming. Deze heeft echter als nadeel dat relatief grote stress optreedt doordat de dieren individueel aangevoerd moeten worden bij het bedwelmingsapparaat. Zowel de elektrische- als gasbedwelming zijn op grond van de EU-verordening 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden, toegelaten methodes. Deze methoden kunnen door een lidstaat niet zonder meer verboden worden.

369. Kunt u aangeven wat er naar aanleiding van de in 2015 aangenomen motie van de leden Thieme en van Dekken in gang is gezet en hoe het hiermee staat (Kamerstuk 34 300 XIII, nr. 151 )?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 368.

370. Wanneer worden de resultaten van het onderzoeksproject ten aanzien van de uitvoering van de motie van de leden Thieme en Van Dekken over CO2-bedwelming bij varkens naar de Kamer gestuurd (Kamerstuk 34 300 XIII, nr. 151)?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 368.

371. Kunt u aangeven welke onderzoeken naar alternatieven voor CO2 bedwelming van varkens er in binnen- en buitenland lopen en wat de stand van zaken hiervan is?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 368.

372. Is er zicht op alternatieven voor CO2 bedwelming van varkens en binnen welke termijn deze ingevoerd zouden kunnen worden en wat weerhoudt de invoering?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 368.

373. Wat is de stand van zaken van het stoppen met het doden van eendagshaantjes?

Antwoord

Er zijn verschillende technieken in ontwikkeling in onder andere in Nederland en Duitsland waarmee het geslacht van het kuiken in het ei kan worden bepaald. Er is op dit moment echter nog geen praktijkrijpe methode beschikbaar. Een aantal methoden lijkt op niet al te lange termijn praktijkrijp te kunnen zijn. Naast de geslachtsbepaling worden in het Kipster-concept de leghaantjes afgemest en het vlees verkocht.

374. Kunt u aangeven hoeveel controles de NVWA de afgelopen vier jaar en de eerste helft van dit jaar gedaan heeft op «vangbeschadigingen» en sterfte bij pluimvee tijdens het vangen, tijdens transport en in het slachthuis, wat daarbij de bevindingen waren per diersoort (vleeskuikens, leghennen, kalkoenen, eenden, vermeerderingsdieren) en welke trend hierin zichtbaar is?

Antwoord

Sterfte bij pluimvee tijdens het vangen is niet bekend, aangezien dit niet wordt geregistreerd. Dode dieren mogen niet naar het slachthuis worden afgevoerd. In 2015 zijn 32 inspecties uitgevoerd tijdens het vangen van pluimvee (1 bij kalkoenen, 4 bij leghennen en 27 bij vleeskuikens), waarbij in totaal 2 overtredingen zijn geconstateerd. In 2017 zijn 65 inspecties uitgevoerd tijdens het vangen van vleeskuikens, waarbij in totaal 6 overtredingen zijn geconstateerd. Er is in beide gevallen geconstateerd dat het beoordelen van letsel bij een levend, nog gevederd dier lastig is. Het valt ook niet uit te sluiten dat de wijze van omgang met de dieren werd beïnvloed door de aanwezigheid van NVWA-inspecteurs. De gangbare controles op vangletsel op het slachthuis vinden plaats aan het einde van de slachtlijn bij de geplukte kip. De controles op vangletsel en DOA’s (dead on arrival) op de slachthuizen vinden plaats binnen het reguliere werk op het slachthuis.

Tot 2018 werd er risico gebaseerd toezicht gehouden op vangletsel. Wanneer de toezichthouder tijdens het lossen het vermoeden had dat er veel dieren met vangletsel aanwezig waren, werd een telling uitgevoerd. Zodoende is het aantal uitgevoerde tellingen tot 2018 niet bekend. Enkel het aantal overschrijdingen van de grenswaarde werd vastgelegd. Sinds het laatste kwartaal van 2017 wordt toezicht op vangletsel naast risico gebaseerd ook structureel in kaart gebracht. Hierbij wordt het aantal DOA’s per koppel geregistreerd. Een rapport van bevindingen (RvB) wordt opgemaakt bij hoge aantallen DOA’s waarbij kan worden aangetoond wat de oorzaak hiervan is.

In onderstaande tabellen staan de aantallen afwijkingen per jaar waarvoor een rapport van bevindingen is opgemaakt. Een rapport van bevindingen kan leiden tot een schriftelijke waarschuwing of een bestuurlijke boete.

Tabel: pluimvee vangletsel en DOA

Jaar

Vangletsel

DOA

2014

3

2

2015

13

29

2016

232

32

2017

250

16

2018 (t/m juni)

109

8

In 2014 is gestart met een nieuwe wijze van registreren, waardoor de aantallen voor dat jaar niet het hele jaar omvat. De controles op vangletsel op de slachthuizen zijn sinds 2016 geïntensiveerd.

Ook is er in de zomer van 2017 een periode intensiever gecontroleerd op vangletsel. Bij aanvang van deze periode bleek dat bij 45% van de geïnspecteerde koppels vleeskuikens het vangletsel

onder de interventiegrens lag. Aan het einde van de periode van intensiever handhaven was de naleving verbeterd tot 92%. De tendens is dat op vangletsel gerichte handhavingsacties leiden tot

een verbetering, in ieder geval op korte termijn. De sector staat voor de uitdaging om deze verbetering te continueren.

375. Welke onderzoeken naar preventie en bestrijding van bloedluis lopen er in Nederland, wat kosten ze, wie betalen het, wat hebben ze opgeleverd of gaan zij naar verwachting opleveren?

Antwoord

In Nederland loopt sinds dit jaar een MIP (maatschappelijk innovatieprogramma) over vogelmijt (of bloedluis), met als titel «MIP Aanpak van vogelmijt bij pluimvee», in het kader van Topsector AF. Het MIP wordt door het Ministerie van LNV, de provincie Gelderland, de gemeenten in de Food Valley en diverse organisaties en bedrijven uit de pluimveesector gefinancierd en loopt t/m 2019. Dit onderzoeksproject heeft als doel een effectieve aanpak van het vogelmijtprobleem, waarbij enerzijds een gestructureerde aanpak voorgestaan wordt met nadruk op preventieve maatregelen en anderzijds een overzicht en richtlijn verstrekt worden voor het verantwoord gebruik van middelen tegen vogelmijt.

376. Kunt u een overzicht geven van wat er aan onderzoek naar bloedluis in het buitenland loopt?

Antwoord

Het onderzoek naar bloedluis in Europa (waaronder Nederland) richt zich op een aantal aspecten:

  • onderzoek naar chemische en biologische (roofmijt, vaccins en pathogene schimmels) bestrijdingsmaatregelen van bloedluis. Er lopen onderzoeksprojecten hiernaar in Nederland, België, Frankrijk, Spanje, Italië, Polen en Tsjechië;

  • onderzoek naar (automatische) monitoring en beslismodellen. Dit onderzoek wordt uitgevoerd in Nederland;

  • onderzoek van overdracht van ziekten op mens en dier door de bloedluis. Onderzoek hiernaar wordt uitgevoerd in Nederland, Griekenland en Noorwegen;

  • onderzoek van overdracht van bloedluis in de keten in Verenigd Koninkrijk.

377. In hoeverre worden de binnen- en buitenlandse onderzoeken naar preventie en bestrijding van bloedluis gecoördineerd en afgestemd?

Antwoord

Wat betreft de coördinatie en afstemming tussen binnen- en buitenlandse onderzoekprogramma’s is er een COST-action (Cooperation in Science and Technology) COREMI (Control of Red Mites) die onderzoekers en bedrijfsleven bij elkaar brengt om elkaar te informeren over het vogelmijtprobleem en het zoeken naar oplossingen voor preventie en control. Een COST-action is een EU-netwerk van onderzoekers met als doel de nationaal gefinancierde onderzoeksprogramma’s op elkaar af te stemmen. COREMI is een Europees Horizon 2020-programma. In COREMI stemmen onderzoekers hun werk op elkaar af. Dit heeft onder andere geleid tot een gezamenlijk onderzoek vanuit verschillende lidstaten naar een geïntegreerde aanpak van de bloedluis.

378. Wat is, gelet op wat er nu al gebeurt c.q. onderzocht wordt, het perspectief op een effectieve en efficiënte aanpak van bloedluis en wat kan de overheid doen om een dergelijke, liefst preventieve c.q. zo milieuvriendelijk mogelijke aanpak, te stimuleren?

Antwoord

Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 375 levert de overheid een financiële bijdrage om te komen tot een effectieve aanpak van vogelmijt met de nadruk op preventieve maatregelen.

379. Welke bedwelmingsmethoden zijn er voor pluimvee momenteel in gebruik?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 220.

380. Kunt u over de afgelopen vier jaar aangeven hoeveel pluimveeslachterijen er waren, en hoeveel er waterbadbedwelming, meerfasen CO2-bedwelming, gasbedwelming of nog weer andere methoden gebruikten?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 220.

381. Wat is de stand van zaken met betrekking tot de doelstelling uit de Nota dierenwelzijn uit 2007 dat binnen 15 jaar de stallen zodanig zijn dat geen ingrepen meer nodig zijn (Kamerstuk 28 286, nr. 76)?

Antwoord

Er is sinds 2007 veel onderzoek verricht naar nieuwe stalsystemen waarbij het welzijn en de gezondheid van het dier, de veehouder met een goed verdienmodel en goede arbeidsomstandigheden en de omgeving (milieu) centraal staan (rapporten: Varkansen, Kracht van Koeien en Houden van Hennen). Dat heeft geleid tot nieuwe innovatieve houderijconcepten zoals de vrijloopstal, de Kipster en het rondeel en ontwikkelingen als de Pro Dromi kraamhok bij varkens. In deze nieuwe stalconcepten kunnen een aantal ingrepen achterwege gelaten worden. Daarnaast zijn een aantal ingrepen verboden. Verder verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 389.

382. Is er een afname van het aantal pluimveeslachterijen dat de waterbadbedwelming gebruikt?

Antwoord

Er is de laatste jaren geen afname van het aantal slachthuizen dat gebruik maakt van waterbadbedwelming.

383. Wat is de stand van zaken met betrekking tot de doelstelling uit de Nota dierenwelzijn uit 2007 dat binnen 15 jaar transport van slachtvee over lange afstand niet meer plaatsvindt (Kamerstuk 28 286, nr. 76)?

Antwoord

De doelstelling blijft overeind. Ik verwijs u naar mijn beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober jl. (Kamerstuk 28 286, nr. 919). Hiervoor is een aanpassing nodig van de Europese Transportverordening.

De inzet op het verbeteren en aanscherpen van de Transportverordening doe ik via het signaleren van knelpunten in het EU-platform voor dierenwelzijn, via het netwerk van de National Contact Points Transport en door samen met mijn collega’s uit de verklaring van Vught druk uit te blijven oefenen op de EC. Dit zijn acties gericht op de nieuwe zittingstermijn van de EC, aangezien zij heeft aangegeven in de huidige zittingsperiode (tot medio 2019) de focus te leggen op verbetering van de naleving en handhaving.

384. Op welke wijze zou de overheid en/of het bedrijfsleven het uitfaseren van de waterbadbedwelmingsmethode bij het slachten van kippen kunnen stimuleren en versnellen?

Antwoord

De mogelijkheden hiertoe zijn beperkt aangezien waterbadbedwelming een volgens de Europese regelgeving toegestane methode is. De methode wordt voornamelijk nog toegepast in kleinere slachthuizen en ten behoeve van rituele slacht.

385. Wat is de stand van zaken met betrekking tot de doelstelling uit de Nota dierenwelzijn uit 2007 dat binnen 15 jaar landbouwdieren in principe zichtbaar zijn voor burgers, ofwel in het landschap, ofwel op het bedrijf waarbij maatschappelijke transparantie de norm is bij het houden van dieren opdat de burger als consument zijn verantwoordelijkheid kan nemen bij de aanschaf van dierlijke producten (Kamerstuk 28 286, nr. 76)?

Antwoord

Transparantie is van belang zodat een consument bewust een keuze kan maken. Dat vind ik ook van belang zoals ook aangegeven in mijn beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober jl. (Kamerstuk 28 286, nr. 991), want ook de consument heeft een verantwoordelijkheid als het gaat om het welzijn van dieren. Het maken van een bewuste keuze kan hij of zij doen op basis van productinformatie (zie ook mijn antwoord op vraag 386). Daarnaast hebben veehouders, soms in samenwerking met de retail, de afgelopen jaren de stap gemaakt naar transparantie door onder andere zichtstallen, open dagen en innovatieve stallen waar burgers en consumenten kunnen kijken, zoals de rondeelstal of de Kipsterstal.

386. Welke onderzoeken naar de mogelijkheden om ingrepen die routinematig bij pluimvee, zoals het verwijderen van de achterste tenen en sporen bij hanen uit de fokkerij, achterwege te laten, lopen momenteel en welke onderzoeken zijn de afgelopen tien jaar uitgevoerd?

Antwoord

Ik verwijs hiervoor naar het evaluatierapport van WLR dat de Stuurgroep Ingrepen Pluimvee heeft aangeboden17. Daarnaast loopt er momenteel onderzoek naar het achterwege laten van ingrepen bij hanen en hennen in de vermeerderingssector bij zowel reguliere als trager groeiende rassen.

387. Wat is de stand van zaken met betrekking tot de doelstelling uit de Nota dierenwelzijn uit 2007 dat binnen 15 jaar consumenten beschikken over voldoende kennis, informatie en ondersteuning om in redelijkheid een afweging te kunnen maken bij hun aankoop van dierlijke producten wat dierenwelzijn betreft (Kamerstuk 28 286, nr. 76)?

Antwoord

Deze doelstelling is behaald. De consument kan aan de hand van het etiket en een keurmerk op de verpakking informatie verkrijgen over het dierenwelzijn van de dieren die het product leveren. Op de site van het Voedingscentrum is een overzicht te vinden van alle keurmerken op het gebied van dierenwelzijn18.

388. Wat is de stand van zaken met betrekking tot de ambitie zoals beschreven in de Nota dierenwelzijn uit 2007 dat de intensieve veehouderij «de komende jaren» inzet op het gebruik van meer robuuste dieren (dit zijn dieren die o.a. fysiek gezond zijn en niet eenzijdig zijn geselecteerd op groei en productie, waardoor zij last van hun poten krijgen) en wat is hiervan terechtgekomen (Kamerstuk 28 286, nr. 76)?

Antwoord

De sectoren hebben hier afgelopen jaren zeker aandacht voor gehad. In de vleeskuikenhouderij wordt steeds meer gebruik gemaakt van traag groeiende en meer robuuste rassen. Het gaat om ongeveer 30 procent van alle vleeskuikens. Bij kalkoenen wordt geëxperimenteerd met meer robuuste rassen onder het Beter Leven keurmerk. Bij de varkenshouderij zijn er maar een beperkt aantal fokkerijorganisaties die werken in een internationale context, waardoor de sturing vanuit Nederland op robuustere rassen en eigenschappen moeilijk is. In het plan van aanpak bigvitaliteit is ook aandacht voor de fokkerij, waarbij de selectiedoelen onder andere zijn gericht op toomgrootte, bigvitaliteit en bigoverleving.

389. Bent u van plan om mogelijkheden waardoor deze ingrepen achterwege kunnen worden gelaten te stimuleren? Zo ja, hoe?

Antwoord

Het streven is om het aantal ingrepen zoveel mogelijk te beperken. Dat was ook een speerpunt uit de beleidsbrief dierenwelzijn uit 2013 (Kamerstuk 28 286, nr. 651). Inmiddels zijn diverse ingrepen verboden, zoals het verwijderen van sporen bij hanen, het dubben van kammen bij bruine hanen, leewieken, neusringen bij mannelijke varkens en het verwijderen van bijklauwtjes bij honden. Op korte termijn komen daar nog het vriesbranden van melkvee en het snavelbehandelen van legpluimvee en reguliere vleeskuikenmoederdieren bij. Sommige ingrepen kunnen nog niet achterwege gelaten worden zonder dat dat welzijnsschade meebrengt, zoals het couperen van biggenstaarten (staartbijten) en het verwijderen van achtertenen bij hanen in de vleesvermeerderingssector. De sector werkt hier aan het uitfaseren en wordt daarbij financieel ondersteund door het Ministerie van LNV.

390. Wat is er terechtgekomen van de ambitie zoals geformuleerd in de Nota dierenwelzijn uit 2007 waarin staat dat de overheid zich inzet voor een aanscherping van de Transportverordening «bij de eerstvolgende evaluatie (transportcondities op de wagen en transportduur)», welke inzet heeft de overheid sindsdien gepleegd en wat is de stand van zaken (Kamerstuk 28 286, nr. 76)?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 383.

391. Welke onderzoeken naar de mogelijkheden om bij vleeskuikenouderdieren het onthouden van voer overbodig te maken, lopen momenteel en welke onderzoeken hiernaar zijn de afgelopen tien jaar uitgevoerd?

Antwoord

Binnen de PPS Breeders in Balance gaat een proef starten naar beperkte voergift en mogelijke oplossingen hiervoor.

Zowel in Nederland als internationaal zijn diverse experimenten uitgevoerd waarbij naar de samenstelling van het voer gekeken is en hoe dit effect heeft op onder andere het gedrag. Daarnaast worden er ook onderzoeken gedaan waarbij het voer wordt verdund, waardoor de symptomen van honger worden verminderd. In het buitenland wordt daarnaast onderzoek gedaan naar het zogenaamde skip-a-day voerregime, maar dit is voor Nederland niet relevant omdat de dieren hier wel dagelijks worden gevoerd.

392. Wat is er terechtgekomen van de ambitie zoals geformuleerd in de Nota dierenwelzijn uit 2007 waarin staat dat de overheid zich op EU-niveau inzet voor Europese welzijnsregeling voor (opfok) vleeskuikenouderdieren, kalkoenen, nertsen en konijnen, welke inzet heeft de overheid sindsdien gepleegd en wat is de stand van zaken (Kamerstuk 28 286, nr. 76)?

Antwoord

In de afgelopen jaren hebben voorgaande bewindslieden voor Landbouw bij de EC en de EU-lidstaten gepleit voor specifieke EU-regelgeving voor vleeskuikenouderdieren, kalkoenen, konijnen en nertsen. Dit is onder meer schriftelijk gebeurd via een brief, gevoegd bij brief van 3 oktober 2011 aan uw Kamer (Kamerstuk 21 501-32, nr. 526). Ook in de gemeenschappelijke Verklaring van Vught (december 2014) heeft Nederland, samen met Duitsland en Denemarken, aangegeven dat het nodig is om specifieke EU-dierenwelzijnsregelgeving te overwegen, voor kalkoenen, konijnen, vleeskuikenouderdieren en opfokleghennen. De EC heeft, ook in reactie op uit de Verklaring van Vught voortvloeiende position papers, aangegeven te focussen op betere uitvoering van de bestaande EU-dierenwelzijnsregelgeving – inclusief de algemene dierenwelzijnsrichtlijn 98/58/EG voor landbouwhuisdieren – en afronding van de actiepunten uit het EU-strategiedocument dierenwelzijn 2012–2015, voordat zij eventuele wijzigingen qua regelgeving overweegt. De Commissie heeft afgelopen jaar een inventarisatie-onderzoek gedaan naar productie en welzijn van konijnen in de Europese commerciële konijnenhouderij. Zij ziet op basis van dit onderzoek echter geen aanleiding om specifieke EU-welzijnsregelgeving voor de commerciële konijnenhouderij voor te bereiden.

393. Bent u van plan om mogelijkheden waardoor het onthouden van voer bij vleeskuikenouderdieren achterwege kan worden gelaten, zoals het gebruik van trager groeiende dieren, te stimuleren? Zo ja, hoe?

Antwoord

Er moet telkens een afweging worden gemaakt tussen het beperken in voer en de nadelige welzijnseffecten die optreden als gevolg van overgewicht wanneer er onbeperkt wordt gevoerd. Ik overleg regelmatig met de sector om te proberen een oplossing voor dit vraagstuk te vinden waarbij zo goed mogelijk tegemoet wordt gekomen aan het welzijn van de vleeskuikenouderdieren. Er loopt op dit moment binnen de PPS Breeders in Balance onderzoek op dit gebied.

394. Wordt er geld overgeheveld van de Topsector Agri&Food, zodat er geld beschikbaar komt voor beleidsondersteunend onderzoek voor Innovatie&Duurzaamheid voor de veehouderij? Hoeveel geld is er in 2019 beschikbaar voor het uitvoeren van beleidsondersteunend onderzoek?

Antwoord

Het Ministerie van LNV ondersteunt de Topsector AF met onderzoekscapaciteit voor WR. Dit is onderdeel van de jaarlijkse subsidieverlening en in overeenstemming met de afspraken in het Nationale Innovatiecontract 2018–2019. Hiermee kan WR PPS’en realiseren waarmee wordt bijgedragen aan de Kennis- en Innovatieagenda van de topsector. Deze agenda is opgesteld in gezamenlijk overleg met bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid. Binnen de topsector wordt ook beleidsrelevant publiek-privaat georganiseerd onderzoek uitgevoerd onder andere ten behoeve van verduurzaming van de veehouderij.

Voor onderzoek ten behoeve van beleidsontwikkeling, beantwoording van Kamervragen en politieke besluitvorming is in 2019 ca. € 20 miljoen beschikbaar.

395. Zijn er met betrekking tot de onthouding van water bij vleeskuikenouderdieren in de afgelopen vier jaar en dit jaar overtredingen vastgesteld door de NVWA? In hoeveel gevallen leidde dit tot sancties en welke waren dit?

Antwoord

De NVWA heeft sinds 2015 de controle van de bedrijven die vleeskuikenouderdieren houden overgenomen van de productschappen. In de jaren 2015 tot en met 2017 zijn alle bedrijven in Nederland gecontroleerd. In totaal zijn er 245 controles uitgevoerd. Bij 183 controles werden er tekortkomingen geconstateerd. De meest voorkomende tekortkomingen waren de afwezigheid van zitstokken en het niet permanent verstrekken van drinkwater en/of voer.

Permanente aanwezigheid van drinkwater en voer is geen wettelijke eis. De pluimveesector acht aanwezigheid van zitstokken in geval van beschikbaarheid van andersoortige verhogingen in de stal niet noodzakelijk. In de afgelopen jaren is onderzoek uitgevoerd betreffende deze huisvestings- en verzorgingsaspecten bij vleeskuikenouderdieren.

396. Hoe wordt het beleid ten aanzien van de veehouderij verbonden en geïntegreerd met het voedselbeleid?

Antwoord

In het kader van de LNV-visie heb ik aangekondigd medio 2019 afspraken te willen maken over de resultaten die de komende jaren bereikt moeten worden en welke inzet dat van eenieder vraagt. In de ketens zijn afgelopen jaren nieuwe concepten en initiatieven ontstaan, maar producenten van duurzamere dierlijke producten en inkopers van dierlijke producten zoals de voedingsmiddelenindustrie, retail, horeca en cateraars kunnen elkaar niet altijd vinden. Sinds 2016 ondersteunt mijn ministerie daarom activiteiten van het netwerk MeatNL. Het doel van MeatNL is om de ontwikkeling van duurzame concepten te versnellen en de afzet hiervan te vergroten door o.a. bedrijven met elkaar in contact te brengen.

In de komende periode vraag ik nog meer inzet van de inkopers van dierlijke producten om te verkennen hoe zij kunnen zorgen voor een groter aanbod van duurzamer geproduceerde producten in hun (Nederlandse) assortiment. Daarbij is een voorwaarde dat boeren voor de investeringen in duurzaamheid een redelijke vergoeding ontvangen. Om de consument te bewegen te kiezen voor duurzamer geproduceerd vlees, heeft de consument (meer) informatie nodig. Hierin wordt onder andere voorzien door het Voedingscentrum. Maar ook duurzaamheidskeurmerken spelen hierin een rol. Om de effectiviteit van dit informatiehulpmiddel te vergroten, wordt in opdracht van mijn ministerie door Milieu Centraal een (tweede) benchmark duurzaamheidskeurmerken uitgevoerd. Het resultaat van die tweede benchmark zal begin volgend jaar gepubliceerd worden.

397. Wordt ervoor gewaakt dat beleid ten aanzien van maatregelen op het gebied van milieu en klimaat niet ten koste gaan van het verbeteren van dierenwelzijn en wordt er een geïntegreerd beleid op het gebied van duurzaamheid (inclusief dierenwelzijn) gevoerd en wordt dit ook doorvertaald naar provinciaal beleid?

Antwoord

Zoals ik in mijn LNV-visie heb aangegeven zal ik beleidsvoornemens, plannen en andere voorstellen toetsen aan de negen criteria van de meetlat. Daarin is het belang van dierenwelzijn en diergezondheid opgenomen. Hierbij kunnen zich dilemma’s voordoen waarbij de verschillende belangen tegen elkaar moeten worden afgewogen en keuzes moeten worden gemaakt. Het dierwelzijnsbeleid is primair rijksbeleid. Het is aan de provincies om dit mee te wegen bij het provinciale beleid.

398. Hoeveel vleeskuikens hadden in 2017, bij het bepalen van voetzoollaesie in het kader van de Europese welzijnverordening vleeskuikens 2007/43/EG bij maximale hokbezettting, een score tussen de 80 en 120, hoeveel koppels hadden een score van meer dan 120, hebben alle bedrijven die een score van meer dan 80 hadden ook daadwerkelijk een verbeterplan ingestuurd, wat is de verdere procedure die deze bedrijven moeten doorlopen en hoeveel bedrijven zijn daadwerkelijk gedwongen om een lagere bezetting te handhaven en voor hoeveel opeenvolgende koppels gold deze sanctie?

Antwoord

71 Bedrijven hadden in 2017 een gemiddelde score hoger dan 80. Deze bedrijven hebben per brief een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom (LOD) ontvangen. Van de 71 bedrijven hebben 13 bedrijven daarop niet gereageerd. Deze bedrijven hebben een LOD opgelegd gekregen. Hierop hebben 10 bedrijven alsnog gereageerd. Drie bedrijven hebben helemaal niet gereageerd. Bij deze bedrijven wordt de opgelegde dwangsom verbeurd.

Zes van de 71 bedrijven hadden een gemiddelde score hoger dan 120 punten. Naast het insturen van een verbeterplan moesten zij ook hun bezettingscategorie verlagen. Dit is door vijf bedrijven op tijd gedaan. Het zesde bedrijf heeft een LOD ontvangen en heeft daarna alsnog de bezetting verlaagd.

Het voldoen aan de eisen uit het Besluit en de Regeling houders van dieren is een voorwaarde voor het mogen houden van vleeskuikens met een bepaalde bezettingsdichtheid. Wanneer niet aan de voorwaarden wordt voldaan, moeten de dieren in een lagere bezettingscategorie worden gehouden (en dient aan de voorwaarden voor die categorie te worden voldaan). De verlaagde bezetting moet in stand worden gehouden gedurende de rest van het kalenderjaar.

Voor het niet indienen van een verbeterplan en voor het niet verlagen van de bezetting kan een LOD worden opgelegd.

399. Op basis van welke regelingen ontvangt de Nederlandse varkenshouderij subsidies, directe betalingen, bijdragen aan promotiecampagnes of andere vormen van steun zoals fiscale regelingen of kortingen, wat is (per regeling of andere vorm van steun) het doel, hoe wordt (per regeling of andere vorm van steun) bepaald hoe hoog de bijdrage is, wat is in de afgelopen vijf jaar (per regeling of andere vorm van steun) de hoogte van de jaarlijkse bijdrage geweest en wat zijn hierbij (per regeling of andere vorm van steun), de voorwaarden?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 114.

400. Wat is in de afgelopen vijf jaar per regeling of andere vorm van steun aan de varkenshouderij vanuit de begroting van het Ministerie van LNV de hoogte van de jaarlijkse bijdrage geweest en wat zijn de voorwaarden om voor dit geld in aanmerking te komen?

Antwoord

Over de genoemde jaren is via de departementale jaarverslagen verantwoording afgelegd over de uitvoering van het beleid. Uw kamer heeft naar aanleiding hiervan schriftelijk en mondeling vragen gesteld en deze zijn door mijn ambtsvoorgangers beantwoord (Kamerstukken 34 950 XIII 1, 3, 4, 7, 8, 10, 11, 12 19; 34 725 XIII 1, 3, 4, 6, 20; 34 475 XIII 1, 3, 4, 6; 34 200 XIII 1, 3, 4; 33 930 XIII 1, 2, 3, 7, 20, 21)

Tevens verwijs ik u naar mijn antwoord op de eerdere vragen 121 – 133.

Voorts wijs ik op de voorgenomen beleidsdoorlichting Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van begrotingsartikel 6: Concurrerende, duurzame en veilige agro-, visserij- en voedselketens. Ik heb uw Kamer geïnformeerd over de onderzoeksopzet van de beleidsdoorlichting (Kamerstuk 31 104, nr. 4). Ook zijn daarover Kamervragen beantwoord (Kamerstuk 31 104, nr. 4).

401. Wat is in de afgelopen vijf jaar per regeling of andere vorm van steun aan de melkveehouderij vanuit de begroting van het Ministerie van LNV de hoogte van de jaarlijkse bijdrage geweest en wat zijn de voorwaarden om voor dit geld in aanmerking te komen?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 400.

402. Wat is in de afgelopen vijf jaar per regeling of andere vorm van steun aan de kalverhouderij vanuit de begroting van het Ministerie van LNV de hoogte van de jaarlijkse bijdrage geweest en wat zijn de voorwaarden om voor dit geld in aanmerking te komen?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 400.

403. Wat is in de afgelopen vijf jaar per regeling of andere vorm van steun aan de pluimveehouderij vanuit de begroting van het Ministerie van LNV de hoogte van de jaarlijkse bijdrage geweest en wat zijn de voorwaarden om voor dit geld in aanmerking te komen?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 400.

404. Wat is in de afgelopen vijf jaar per regeling of andere vorm van steun aan de eendenhouderij vanuit de begroting van het Ministerie van LNV de hoogte van de jaarlijkse bijdrage geweest en wat zijn de voorwaarden om voor dit geld in aanmerking te komen?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 400.

405. Wat is in de afgelopen vijf jaar per regeling of andere vorm van steun aan de kalkoenenhouderij vanuit de begroting van het Ministerie van LNV de hoogte van de jaarlijkse bijdrage geweest en wat zijn de voorwaarden om voor dit geld in aanmerking te komen?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 400.

406. Wat is de stand van zaken met betrekking tot het doel om te stoppen met het doden van haantjes?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 373.

407. Hoeveel van de leghennen zijn gehuisvest in het verrijkte kooi-stalsysteem?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 160.

408. Wat is de reden dat de leghennen buiten Nederland worden geslacht en hoelang is de transportduur naar deze landen?

Antwoord

Er zijn in Nederland twee slachthuizen die leghennen kunnen slachten. De overige Nederlandse pluimveeslachthuizen zijn ingericht voor de slacht van vleeskuikens. De capaciteit is daardoor beperkt. Voor de transportduur verwijs ik u naar de bijlage van mijn beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober 2018 (Kamerstuk 28 286, nr. 919).

409. Wat betreft de stallen met de in de EU hoogst toegestane dichtheid van 42 kg/m2, hoe vaak heeft u deze de afgelopen vijf jaar gecontroleerd, hoe vaak heeft er in de afgelopen vijf jaar controle plaatsgevonden op de luchtkwaliteit in deze stallen, op o.a. zuurstof, CO2, ammoniak, stof en temperatuur en hoe verhouden deze aantallen en concentraties zich tot de minimumvoorschriften in de EU-Richtlijn 2007/43/EG van de Raad van 28 juni 2007?

Antwoord

De luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier mogen niet schadelijk zijn voor het dier (art 2.5. lid 4 Besluit houders van dieren). Specifieke normen voor stofgehalte en zuurstofconcentratie zijn niet opgenomen in wet- en regelgeving. Tijdens controles bij vleeskuikens wordt, indien daar aanleiding toe bestaat, het koolstofdioxide en/of het ammoniakgehalte gemeten. Tevens vindt, indien daar aanleiding toe is, een controle met betrekking tot de binnentemperatuur plaats. Richtlijn 2007/43/EG, Bijlage II lid 3.b stelt dat de binnentemperatuur de buitentemperatuur met niet meer dan 3°C mag overschrijden, wanneer het buiten in de schaduw warmer is dan 30°C. In bijgevoegd overzicht is aangegeven hoe vaak in de periode 2014 t/m 2018 tijdens inspecties een controle is uitgevoerd ten aanzien van de kooldioxide en ammoniak. In 2018 zijn naar aanleiding van meldingen 2 controles bij vleeskuikens uitgevoerd omtrent de temperatuur in de stal. Deze controles zijn akkoord bevonden.

Controle-item

2014

2015

2016

2017

2018

Aantal inspecties koolstofdioxide (CO2)

10

42

41

44

75

Niet akkoord

0

4

5

4

9

Aantal inspecties ammoniak

10

42

41

44

75

Niet akkoord

0

0

0

4

5

410. Is er over de afgelopen vijf jaar een trend zichtbaar dat de vleeskalveren over steeds grotere afstanden worden getransporteerd en kunt u de cijfers geven van aantallen kalveren en transportafstanden over de afgelopen vijf jaar?

Antwoord

Voor wat betreft de herkomstlanden van kalveren die in de vleeskalverhouderij worden gehouden verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 345.

411. Hoe worden de vissen in aquacultuurbedrijven gehouden, waaronder de dichtheid?

Antwoord

In Nederland wordt vissen gekweekt in recirculatiesystemen(RAS). In deze systemen wordt het water gefilterd en hergebruikt. De waterkwaliteit in RAS systemen wordt steeds gecontroleerd en bewaakt om zo de waterkwaliteitscriteria, die in eerdere onderzoeken zijn vastgesteld, optimaal te houden. Ik verwijs u tevens naar mijn antwoord op vraag 65. De dichtheid tijdens de kweek is afhankelijk van de vissoorten en varieert tijdens de opkweek tussen ca. 100 tot 350 kg/1.000 liter water.

412. Welke houderijsystemen voor eenden zijn er, welk percentage is gehuisvest in welk houderijsysteem?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 194.

413. Welke houderijsystemen voor herten zijn er en welk percentage is gehuisvest in welk houderijsysteem?

Antwoord

De vrouwelijke herten (hindes) staan met hun nakomelingen vanaf het voorjaar tot december in groepen (roedels) van ca. 50 dieren in weiden met een waterpoel. In de wintermaanden worden de vrouwelijke herten met hun nakomelingen in ruime stallen gehouden waarvan de zijmuren vaak zijn verlaagd waardoor de dieren naar buiten kunnen kijken en veel frisse lucht hebben.

De mannelijke herten worden het hele jaar in weiden met een waterpoel gehouden.

414. Welke houderijsystemen voor waterbuffels zijn er en welk percentage is gehuisvest in welk houderijsysteem?

Antwoord

Waterbuffels worden in Nederland gehouden in ligboxenstallen en potstallen. De meerderheid van de bedrijven houden buffels voor de melkproductie en een aantal waterbuffelhouderijen combineert melk- en vleesproductie.

415. Welke houderijsystemen voor struisvogels zijn er en welk percentage is gehuisvest in welk houderijsysteem?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 206.

416. Wat zijn de aantallen per diersoort die uit het buitenland komen om in Nederland te worden geslacht, zoals varkens uit Spanje, welke landen betreft dit (uitgesplitst per diersoort), wat is de transportduur en wat is de reden dat deze dieren in Nederland worden geslacht?

Antwoord

In onderstaande tabellen wordt een overzicht gegeven van de import van voor slacht bestemde dieren. De overwegingen om deze dieren in Nederland te slachten zijn mij niet bekend.

Runderen

 

Herkomstland

2017

België

31.379

Denemarken

 

Duitsland

11.029

Frankrijk

257

Luxemburg

13

Nederland

216

Tsjechië

27

Totaal per jaar

42.921

Varkens

 

Herkomstland

2017