Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201828973 nr. 200

28 973 Toekomst veehouderij

Nr. 200 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 juli 2018

Met deze brief informeer ik uw Kamer over de hoofdlijnen van de warme sanering van de varkenshouderij, zoals aangekondigd in het regeerakkoord (bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34): «Het laatste decennium zijn we in Nederland geconfronteerd met de gezondheids- en leefomgevingsrisico’s in gebieden met een zeer hoge veedichtheid. Die kunnen en willen we niet negeren. Het kabinet zal met de sector en de betreffende provincies bezien hoe we deze problematiek kunnen aanpakken. In samenspraak met de provincies (met name Noord-Brabant) wordt bezien hoe een warme sanering van de varkenshouderij in belaste gebieden kan worden vormgeven. Het Rijk reserveert hiervoor financiële middelen.»

Hoofdlijnenakkoord

De coalitie Vitale Varkenshouderij heeft in juni 2016 het Actieplan Vitalisering Varkenshouderij gepresenteerd (Kamerstuk 28 973, nr. 180) en daarmee de noodzakelijke koers naar toekomstbestendigheid bepaald. Met dit actieplan wordt langs drie actielijnen (bouwen aan ketensturing, revitalisering en innovatie, kostenreductie) gewerkt aan het versterken van de positie van de varkenshouder in de keten en in de maatschappij. Verduurzaming van de productie maakt hier nadrukkelijk onderdeel van uit. Op dit moment herijkt de coalitie Vitale Varkenshouderij, na het toetreden van vier nieuwe ketenpartijen, dit plan. Met het herijkte actieplan wil de varkenshouderij zijn mondiale voortrekkersrol verder versterken.

De transitie, zoals beschreven in het actieplan, vormt echter geen oplossing voor alle uitdagingen, met name daar waar het gaat om urgente gezondheids- en leefomgevingsrisico’s. Vanuit de samenleving is er een groeiende roep om het leefklimaat rondom veehouderijbedrijven te verbeteren. Met name geuroverlast door varkenshouderijen zorgt voor aantasting van het leefklimaat, maatschappelijke onrust en daarmee een negatieve waardering van de sector. Een sector waar bedrijven zich inzetten om het goed te doen en tegelijkertijd geconfronteerd worden met problemen die hardnekkig zijn. Bestaande instrumenten zijn ontoereikend om de problemen op korte termijn aan te pakken. Het kabinet heeft om die reden in het regeerakkoord een warme sanering in veedichte en belaste gebieden aangekondigd en daarvoor € 200 miljoen gereserveerd.

De transitie naar een duurzame varkenshouderijketen die maatschappelijk geaccepteerd en gewaardeerd wordt vraagt om een omslag naar integraal duurzame en emissiearme bedrijfssystemen waarbij schadelijke emissies uit stallen (ammoniak, methaan, geur en fijnstof) brongericht en preventief worden voorkomen. Ik wil de ontwikkeling van dergelijke bedrijfssystemen actief stimuleren.

De genoemde transitie is het streven van zowel overheden als van de sector. Ik ben daarom met de ketenpartijen uit de coalitie Vitale Varkenshouderij, provincies (Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Overijssel en Utrecht) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) zeven hoofdlijnen overeengekomen die in bijgevoegd Hoofdlijnenakkoord (HA) zijn vastgelegd (zie bijlage)1. Daarmee worden enerzijds de meest urgente gezondheids- en leefomgevingsrisico’s door de varkenshouderij aangepakt en anderzijds wordt een forse stimulans gegeven aan een verdere verduurzaming van de veehouderij om zodoende te kunnen komen tot een vitalere sector.

Aanpak langs twee sporen

Om maximaal recht te doen aan de uitdagingen die er zowel op de korte als op de middellange en lange termijn liggen ben ik met partijen een gecombineerde aanpak langs twee sporen overeengekomen. Het eerste spoor ziet op het op korte termijn verminderen van de geuroverlast door varkensbedrijven in veedichte gebieden door het saneren en beëindigen van locaties of bedrijven die willen stoppen. Dit zal onder andere worden gerealiseerd door de opkoop en het doorhalen van varkensrechten. Het gaat om varkensbedrijven met een grote geurimpact op omwonenden in de concentratiegebieden Zuid en Oost van de Meststoffenwet. Hiervoor is een besteding voorzien van € 120 miljoen.

Het tweede spoor ziet op de ontwikkeling van en investeringen in nieuwe stal- en houderijsystemen. Dat geldt overigens breder dan alleen voor de varkenssector, zoals ook is toegelicht in het HA. Deze innovatie en verduurzaming voor de varkens-, pluimvee- en melkgeitenhouderij is voor de middellange en lange termijn gericht op een forse reductie en het brongericht voorkomen van schadelijke emissies uit stallen. Hierbij zal voor de pluimveesector aansluiting gezocht worden bij de uitkomsten van de samenwerking in de Regio FoodValley, waarvoor het kabinet in het regeerakkoord ondersteuning heeft toegezegd.

In totaal is voor innovaties en brongerichte verduurzaming een besteding van € 60 miljoen voorzien, waarvan € 40 miljoen voor de varkens-, € 15 miljoen voor de pluimvee- en € 5 miljoen voor de melkgeitenhouderij. Voorts zal er, in overeenstemming met de toepasselijke staatssteunrechtelijke randvoorwaarden, € 8 miljoen gereserveerd worden voor de verschillende flankerende maatregelen in het kader van de Wet verbod pelsdierhouderij bovenop de al eerder hiervoor gereserveerde middelen.

Inzet van de rijksmiddelen zal – conform de afspraken uit het regeerakkoord – mede getoetst worden op doelmatigheid en doeltreffendheid. De definitieve verdeling zal vervolgens plaatsvinden op basis van een evaluatie van de resultaten (onder meer op doelmatigheid en doeltreffendheid) van de eerste tranche van de sanerings- en beëindigingsregeling.

Inzet

Alle partijen die zich hebben gecommitteerd aan het Hoofdlijnenakkoord zullen zowel organisatorisch als financieel bijdragen aan (het uitvoeren van) beide sporen, ieder vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid. Er wordt aansluiting gezocht bij lopende initiatieven, waardoor meerwaarde wordt gecreëerd en partijen van elkaar kunnen leren. Specifiek wordt verbinding gelegd met het Interbestuurlijk Programma (IBP), onderdeel Vitaal Platteland.

In de tweede helft van dit jaar zullen de maatregelen in gezamenlijkheid door partijen nader uitgewerkt en juridisch vormgegeven worden. Ik streef ernaar de benodigde regelgeving in het eerste kwartaal van 2019 te publiceren, waarna het maatregelenpakket ten uitvoer gebracht kan worden.

De ketenpartijen hebben aangegeven dat realisatie van de doelen uit het HA bij kan dragen aan het versterken van het toekomstperspectief van de varkenshouderij, maar dat er nog aanvullende uitdagingen liggen die geadresseerd moeten worden. Het verwaarden van mest is wat dat betreft een van de grootste uitdagingen. Provincies zijn aan de slag met PIP (Provinciaal Inpassingsplan)- en vergunningprocedures en de sector moet zorg dragen voor professionele vergunningsaanvragen voor mestverwerkingsinstallaties. Daarin heeft de coalitie Vitalisering Varkenshouderij een belangrijke ondersteunende rol. Het verkrijgen van draagvlak in de regio is een belangrijke succesvoorwaarde voor het welslagen. Betrokken partijen zijn het eens over dit belang en zijn overeengekomen dat zij zich, parallel aan de maatregelen uit het HA, zullen inspannen om de verwaarding van varkensmest tot een realistisch perspectief te brengen.

Raakvlakken met andere beleidstrajecten

Er zijn meerdere lopende en nog in ontwikkeling zijnde beleidstrajecten die gericht zijn op of bijdragen aan de brede verduurzamingsopgave voor de veehouderij. Te denken valt aan de taakstelling voor de veehouderij in het kader van de klimaatopgave, de te maken afspraken in het kader van het IBP, de Regio-enveloppen uit het regeerakkoord, de aankomende herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), het Schone Lucht Akkoord (SLA), de aanpak van de resterende fijnstofknelpunten rond veehouderijen en de aangekondigde herbezinning op het mestbeleid. De sanering van de varkenshouderij en de brongerichte verduurzaming van de varkens-, pluimvee en melkgeitenhouderij kent raakvlakken met genoemde trajecten, maar is in de kern bedoeld om urgente problemen in deze kabinetsperiode aan te pakken. In het verlengde hiervan zal op verzoek van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) een expertcommissie, na consultatie van belanghebbenden, aanbevelingen doen voor het verminderen van de geurproblematiek in overbelaste situaties. Daar waar de uitkomsten van deze commissie en andere trajecten elkaar kunnen versterken, bijvoorbeeld bij de verdere verduurzaming door brongerichte emissiebeperkende maatregelen, zal de samenwerking vanzelfsprekend gezocht worden. Indien nodig zal ik ook samen met de Staatssecretaris van IenW bezien of wet- en regelgeving dient te worden aangepast.

In het bestuurlijk overleg met provincies/IPO en gemeenten/VNG met de Staatssecretaris van IenW op 7 juni 2018 is afgesproken dat het Ministerie van IenW het initiatief neemt voor vervolgoverleg met alle betrokken partijen (regionale overheden, sectoren, andere departementen) over de mogelijkheden van een Algemene Periodieke Keuring (APK) voor bestaande stallen en het toepassen van de best beschikbare technieken (BBT). Een belangrijk aandachtspunt daarbij is dat de emissiereducerende maatregelen haalbaar en betaalbaar moeten zijn en dat rekening wordt gehouden met de economische afschrijving en de leeftijd van bestaande stallen. De uitwerking hiervan volgt een parallel spoor, maar gezien het duidelijke raakvlak maak ik me sterk voor verbinding en afstemming tussen beide departementen. Goede betrokkenheid van de sector is daarbij van belang.

Vanwege de gezondheidsrisico’s van hoge fijnstofconcentraties rondom pluimveebedrijven en in lijn met de reactie op het onderzoek «Veehouderij en gezondheid omwonenden» (VGO) (Kamerstuk 28 973, nr. 191) maak ik, als onderdeel van de verdere verduurzaming van de pluimveeketen, samen met de Staatssecretaris van IenW afspraken met de pluimveesector voor een realistische invulling van de ambitie van het kabinet. Inzet in het overleg is te komen tot reductie-eisen voor fijnstof van 70% voor nieuwe pluimveestallen en 50% voor bestaande stallen.

Nu de hoofdlijnen helder zijn, gaan we de gezamenlijke opgave met alle partijen oppakken en invulling geven aan het maatregelenpakket op basis van het HA, waarbij ieder zijn (financiële) verantwoordelijkheid en rol heeft en gaat nemen. Ik zal uw Kamer op de hoogte houden van de voortgang op dit dossier.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.