Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201832336 nr. 71

32 336 Dierproeven

Nr. 71 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juni 2018

Al meer dan honderd jaar maken mensen gebruik van proefdieren en dat heeft ons veel gebracht op het terrein van wetenschap, veiligheid en gezondheid. We hebben onze kennis over de veiligheid en werking van geneesmiddelen en andere stoffen vergroot, door ze te testen op levende wezens. Sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw groeit het besef dat ook proefdieren recht hebben op bescherming. Het gebruik van proefdieren werd middels de eerste Wet op de Dierproeven (1977) aan regels gebonden, in de geest van het 3V-beleid: het verfijnen, het verminderen en het vervangen van dierproeven. Deze regels zijn inmiddels verankerd in nationale, Europese en mondiale wet- en regelgeving. Aan het 3V-beleid hebben we te danken dat er aanzienlijk minder proefdieren worden gebruikt en dat deze dieren minder leed hoeven te ondergaan.

Van dierproeven naar proefdiervrije innovatie

De laatste jaren neemt de ethische en maatschappelijke zorg om het welzijn van proefdieren verder toe. Daarnaast wordt de regelmatig beperkte voorspellende waarde van dierproeven – zeker in veiligheidsstudies – door steeds meer wetenschappers erkend en naar voren gebracht. Ondertussen ontwikkelen de technologie en de wetenschap zich razendsnel. De overtuiging groeit dat het mogelijk zal worden om zónder proefdieren effectiever onderzoek te doen naar nieuwe geneesmiddelen en naar de veiligheid en risico’s van (chemische) stoffen. Innovatieve humane testmodellen hebben bijvoorbeeld een duidelijk belang voor de ontwikkeling van «personalized medicine».

Ik zie ook economische kansen bij het terugdringen van het aantal dierproeven, want dierproeven zijn kostbaar, kosten tijd en leveren niet altijd de gewenste resultaten op. Proefdiervrije innovatie zou wel eens een goede kans kunnen zijn om producten, waaronder geneesmiddelen, onder de huidige eisen met betrekking tot kwaliteit en veiligheid sneller en goedkoper op de markt te krijgen.

Maar ik zie ook dat het niet vanzelf gaat en ontwikkelingen traag verlopen. Het is een complexe opgave. Het uitvoeren van dierproeven is op vele domeinen een vanzelfsprekendheid, de enige (nu nog) reële mogelijkheid en/of een wettelijke verplichting. Willen we hierin verandering brengen, dan zal proefdiervrije innovatie verder en sterker moeten worden gestimuleerd. Daarom investeren mijn partners en ik in het versnellen van de transitie naar proefdiervrije innovatie, vanuit het perspectief van betere wetenschap, veiligheid én gezondheid. Wij nemen hierin gezamenlijk het voortouw: «Nederland als voorloper in de internationale transitie met proefdiervrije innovatie». Deze ambitie deel ik met vele stakeholders en met mijn collega’s van andere departementen. Zoals toegezegd tijdens de begrotingsbehandeling van Landbouw en Natuur van 6 december 2017 informeer ik u hoe wij de Transitie Proefdiervrije Innovatie (TPI) gezamenlijk tot 2020 gaan vormgeven en aanpakken.

Partners in de transitie

Met de partners in het transitietraject heb ik de afgelopen maanden een filosofie en werkwijze ontwikkeld om het transitietraject vorm te geven1. De (kennis)partners in TPI zijn het KNAW, ZonMw, het NCad, het RIVM2 en inmiddels ook een aantal universiteiten. Vanuit de NGO’s nemen de Samenwerkende Gezondheidsfondsen en Stichting Proefdiervrij het voortouw. De topsectoren Life Sciences & Health, Chemie en AgriFood zijn betrokken en worden binnenkort versterkt door innovatieve bedrijven die aan proefdiervrije innovatie werken: van start-ups tot multinationals.

Binnen de rijksoverheid hebben, naast het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Economische Zaken en Klimaat (EZK) en Infrastructuur en Waterstaat (IenW) hun commitment uitgesproken voor de ambitie van TPI. Met mijn collega’s van deze departementen gaan we voor een consistente en samenhangende aanpak voor proefdiervrije innovatie binnen de rijksoverheid. Het Ministerie van VWS volgt kansen en ontwikkelingen in de gezondheidszorg en in de veiligheids- en risicobeoordeling in het regulatoire veld. Het Ministerie van IenW richt zich op de veiligheids- en risicobeoordeling van chemische stoffen. De kwaliteit van de wetenschap ligt bij het Ministerie van OCW en het stimuleren van innovatie is belegd bij het Ministerie van EZK. Ook op mijn eigen beleidsterrein worden dierproeven uitgevoerd, bijvoorbeeld met betrekking tot gewasbescherming, voedselveiligheid en in de veehouderij.

Alle partners hebben internationale netwerken, die verbonden worden aan TPI-activiteiten. Het onderzoek en de wetenschap zijn immers sterk internationaal georiënteerd en zowel wet- en regelgeving als testmethodieken worden internationaal vastgesteld. Daarmee ga ik ervan uit dat TPI al snel een internationaal netwerk zal worden.

Regierol in de transitie

De Denktank en het NCad hebben al eerder geadviseerd3 dat Nederland voorop moet gaan in dit transitieproces, met een regierol voor het Ministerie van LNV. Ik constateer dat proefdiervrije innovatie zich op vele beleidsterreinen afspeelt. Bovengenoemde partners hebben daarin hun eigen rol en verantwoordelijkheid te nemen om ieder op het eigen beleidsterrein aan TPI te werken, bijvoorbeeld door initiatieven te ontwikkelen, te financieren en kansrijke netwerken en/of projecten van de grond te krijgen. Ik neem dus de regierol in dit transitietraject, maar ik moet realistisch zijn: ik kan dat absoluut niet alleen. We moeten in Nederland én internationaal onze krachten, kennis en invloed bundelen. Alleen dan kan Nederland voorloper worden in de transitie met proefdiervrije innovatie.

Transitie Proefdiervrije Innovatie (TPI)

Het traject naar proefdiervrije innovaties is gericht op versnelling en vernieuwing van methoden en technieken. Het is een traject dat leidt van een systeem van experimenteel onderzoek mét proefdieren, naar een wereld waarin we meer en meer onderzoek kunnen uitvoeren zónder dieren. Het is ook een onvoorspelbare weg: daarom stippelen we werkende weg onze route uit.

De afgelopen maanden zijn betrokken ministeries, bedrijven, kennisinstellingen en NGO’s al voortvarend aan de slag gegaan. Het RIVM heeft op mijn verzoek een agenda Proefdiervrije Innovatie in het Regulatoire Veld (PIRV) opgeleverd4.

TPI wordt vormgegeven via zogenaamde vernieuwingsnetwerken en projecten. Vernieuwingsnetwerken zijn tijdelijke netwerken met koplopers en nieuwsgierigen in de keten, die hun nek uit willen uitsteken en intensief samenwerken aan proefdiervrije innovaties op inhoud, proces en systeem.

Kansrijke ideeën worden hier gedeeld en verkend om nieuwe, experimentele ideeën op de vele domeinen van proefdiervrije innovatie verder uit te werken.

Juist in vernieuwingsnetwerken wordt de vrije ruimte benut, buiten vaste kaders en systemen. Koplopers en nieuwsgierigen uit binnen- en buitenland nemen op persoonlijke titel deel. Er is inmiddels een vernieuwingsnetwerk actief dat – op initiatief van de Samenwerkende Gezondheidsfondsen – ruimte geeft aan innovatief gezondheidsonderzoek zónder dieren. Een tweede vernieuwingsnetwerk op initiatief van het Ministerie van LNV nodigt start-ups en scale-ups uit om knelpunten op het gebied van financiën, wetgeving en beleid in beeld te brengen. Zo wordt gezocht naar oplossingen om bedrijven, die met of aan proefdiervrije innovaties werken, sneller uit te kunnen bouwen. Andere vernieuwingsnetwerken zijn nog in oprichting: zij richten zich bijvoorbeeld op veiligheid en risicobeoordeling op regulatoir gebied, humane concepten, gewasbeschermingsmiddelen en voedselveiligheid. In de komende maanden wordt daar door de TPI-partners verder inhoud aan gegeven.

Er lopen ook enkele projecten. Zo werkt een wetenschappelijk commissie van het KNAW, in opdracht van de ministeries van OCW en LNV, aan een concreet streefbeeld proefdiervrije innovatie voor de fundamentele wetenschap. Een streefbeeld is gericht op de transitie naar proefdiervrij onderzoek. Het bevat heldere transitiedoelen voor de komende tien jaar die aansluiten op de kernvragen van het betreffende wetenschappelijke onderzoeksdomein.

Via het onderzoeksproject «Volgende stap naar proefdiervrij geneesmiddelenonderzoek» wordt, in opdracht van de ministeries van VWS en LNV, meer inzicht gegeven in welke diermodellen voor bepaalde aandoeningen een hoge voorspellende waarde hebben voor de mens en welke juist niet. Ik zie dit als een eerste stap naar een internationaal register, dat onnodig gebruik van proefdieren kan voorkómen.

In opdracht van het Ministerie van LNV voert het RIVM een onderzoek uit om beschikbare data van proefdiergebruik en proefdiervrije innovatie te ontsluiten via een informatieportaal (gegevenspakhuis).

De TPI-partners brengen de deelnemers van verschillende vernieuwingsnetwerken en projecten met elkaar in contact om de samenhang in acties en ideeën te benutten en te zorgen dat er synergie ontstaat. Van fundamentele wetenschap tot innovatieve gezondheidszorg. Van biotechnologie tot big data. De komende jaren ga ik samen met mijn partners doen wat er binnen ons vermogen ligt om als Nederland voorop te lopen in het terugdringen van het (onnodig) gebruik van proefdieren. Dat gebeurt niet alleen door procesgeld in te zetten, maar ook door beschikbare instrumenten als wet- en regelgeving te benutten en waar nodig nieuwe prikkels in te zetten.

Financiering TPI

Van 2018 tot en met 2020 zal ik jaarlijks één miljoen euro investeren om de transitie op gang te krijgen en in een hogere versnelling te brengen. Ik ben mij ervan bewust dat deze bijdrage aan de transitie niet voldoende is. Tijdens het rondetafelgesprek van uw Kamer – op 14 september 2017 – is nog eens bevestigd dat een transitie met impact op zoveel verschillende terreinen een substantieel budget vraagt. Mijn collega’s hebben aangegeven te willen onderzoeken of vernieuwingsnetwerken en/of projecten die een toegevoegde waarde hebben binnen de bestaande budgetten kunnen worden gefinancierd. Maar het moge duidelijk zijn dat het geld niet alléén van de overheid moet komen. Samen met het bedrijfsleven, kennisinstellingen en NGO’s onderzoeken we waar de mogelijkheden liggen. Bijvoorbeeld via PPS-constructies, fondsen, zoals het op te starten Humane4Animals en subsidies, bijvoorbeeld in het kader van de Nationale Wetenschapsagenda.

Tot slot

Ik kijk naar dierenwelzijn en proefdiervrije innovaties vanuit economisch, maatschappelijk en ethisch perspectief. Dieren zijn levende schepsels en iedereen heeft als bedrijf, onderzoeker of beleidsmaker de plicht om daar goed en verantwoord mee om te gaan. Op dit moment is het gebruik van proefdieren, vanwege het ontbreken van voldoende alternatieven, nog steeds noodzakelijk. Reden temeer om er alles aan te doen om proefdiervrije innovatie in de hoogste versnelling te krijgen en het aantal proefdieren dat nodig is voor experimenteel onderzoek zo klein mogelijk te houden. Daar zet ik me voor in.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


X Noot
1

Zie «Filosofie en werkwijze TPI» die als bijlage van deze brief is meegestuurd, raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

KNAW: Koninklijke Nederlandse Academie voor de Wetenschappen; ZonMw: Zorgonderzoek Nederland Medische wetenschappen; NCad: Nationaal Comité advies dierproeven; RIVM: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

X Noot
3

Zie het Denktank-advies In transitie! Nederland internationaal toonaangevend in proefdiervrije innovaties (eind 2015) en het NCad-advies Transitie naar proefdiervrij onderzoek (eind 2016)