Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201828286 nr. 942

28 286 Dierenwelzijn

Nr. 942 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 februari 2018

Hierbij ontvangt u een verzamelbrief dierenwelzijn met daarin de stand van zaken met betrekking tot een aantal toezeggingen en moties op het gebied van dierenwelzijn, de voortgang op de positieflijst na de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), de cursus voor eigenaren van hoogrisicohonden en het stopzetten van de kwaliteitssystemen voor transport en preventie. Tevens maak ik van de gelegenheid gebruik om u de jaarlijkse voortgangsrapportage van het Fairfokprogramma toe te zenden1.

Positieflijst huisdieren

Uw Kamer is op 22 juni 2017 (Kamerstuk 31 389, nr. 153) geïnformeerd over de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) over de positieflijst 2015. Het oordeel van het CBb heeft als gevolg dat een nieuw te ontwikkelen, vereenvoudigde beoordelingssystematiek nodig is die voldoet aan de beginselen van deskundigheid, onafhankelijkheid en doorzichtigheid. Deze sterk vereenvoudigde systematiek dient naast zoogdieren ook geschikt te zijn om toe te passen bij het opstellen van een positieflijst voor vogel-, reptiel- en amfibiesoorten. Eind juli 2017 zijn daartoe een aantal nationale en internationale experts geconsulteerd. Vanaf half augustus is een breed samengestelde commissie van wetenschappelijke deskundigen op het gebied van dierenwelzijn en risico van diersoorten voor mens en dier, ingesteld om over een nieuwe systematiek te adviseren. Deze commissie verwacht haar advies over de systematiek eind maart 2018 af te ronden.

Op basis van dit advies zal de nieuwe beoordelingssystematiek een externe consultatieronde ingaan. De systematiek wordt, met in achtneming van de uitkomsten van de consultatieronde, in beleidsregels vastgelegd, waarna de commissie aan de hand van de systematiek een advies zal uitbrengen over de op de lijst te plaatsen zoogdiersoorten. Op basis van dit advies neem ik een voorgenomen besluit dat naar verwachting medio 2018 naar uw Kamer wordt gestuurd.

Hoogrisicohonden

In de brief van 17 mei 2017 (Kamerstuk 28 286, nr. 909) heeft mijn voorganger aangegeven bijtincidenten zoveel mogelijk te willen voorkomen. Ik wil benadrukken dat de houder als eerste verantwoordelijk is voor zijn hond. Om bijtincidenten te kunnen voorkomen dienen houders zo vroeg als mogelijk hierop te worden aangesproken, in ieder geval op het moment dat hun hond de eerste symptomen van afwijkend gedrag laat zien. Ik ben van mening dat de sleutel hiervoor bij gemeenten ligt. In dit kader wil ik gemeenten dan ook ondersteunen in hun aanpak om dit te bereiken. Hiervoor zal ik samen met de gemeenten een totaalpakket aan maatregelen opstellen, ieder vanuit eigen rol en verantwoordelijkheid. Een eerste onderdeel van dit totaalpakket is het laten opstellen van een barrièremodel en interventiekompas door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (het CCV). Dit zijn instrumenten om de problematiek en het effect van de maatregelen te analyseren. Zo kan bijvoorbeeld op basis van vroegtijdige signalen contact gezocht worden met de desbetreffende houder en afhankelijk van de situatie maatregelen getroffen worden die variëren van een waarschuwing tot en met strafrechtelijke maatregelen.

In dit kader is het dus van belang dat op basis van een vroegtijdig signaal gemeenten individuele houders een op de problematiek van toepassing zijnde maatregel kunnen gaan opleggen. Dit kan in de vorm van een cursus. Het is belangrijk dat houders van deze honden beschikken over voldoende kennis en vaardigheden voor het verzorgen van deze bijzondere honden. Om die reden vind ik het mijn verantwoordelijkheid duidelijk te maken waar deze kennis en kunde uit moet bestaan. Dit zal ik in een beleidsregel nader uitwerken. Het is de verantwoordelijkheid van de sector om er zorg voor te dragen dat aangeboden cursussen hieraan voldoen. Deze verantwoordelijkheid zal worden besproken met partijen zoals de Hondenbescherming, Raad van Beheer en het Platform voor Professionele Diergedragsdeskundigen, de Nederlandse Vereniging voor Instructeurs in Hondenopvoeding en -opleiding en de Nederlandse Vereniging van Gedragstherapeuten voor Honden en Certipet. Gemeenten kunnen dan op grond van de APV deze cursussen in individuele gevallen aan houders gaan verplichten en aangeven.

Ik ben van mening dat een cursus, opgelegd door de gemeenten, effectiever is dan het landelijk verplichten van een cursus voor alle houders. Om goed inzicht te verkrijgen in welke hondenrassen bijtincidenten veroorzaken is het van belang om te beschikken over betrouwbare data. Voor het verkrijgen van deze betrouwbare data is het noodzakelijk dat zowel gemeenten als politie op een uniforme en consistente wijze data over bijtincidenten bijhouden. Hierover ben ik in overleg met gemeenten en politie.

Verder vind ik het belangrijk dat er een wetenschappelijk onderbouwde lijst komt met genetisch risicovolle honden. Deze honden zijn niet per definitie gevaarlijk om te houden, maar op grond van de aangeboren kenmerken (zoals kaakstructuur, kaakkracht, doel waarvoor het dier gefokt is) zijn deze honden wel als genetisch risicovol te bestempelen. Dit maakt dat als een dier met de genoemde kenmerken niet op de juiste wijze wordt opgevoed en/of wordt gehouden, maatschappelijk ongewenst (agressief) gedrag kan gaan vertonen. Als dit ongewenste gedrag zich uit middels bijten kunnen de gevolgen zeer ernstig zijn. Het is daarom van belang dat (toekomstige) houders zich ervan bewust zijn dat het houden van een dergelijke hond extra verantwoordelijkheden met zich mee brengt. Een hond die op de juiste wijze wordt opgevoed en goed wordt behandeld, zal weinig tot geen neiging hebben om abnormaal hondengedrag te vertonen. Gemeenten kunnen deze lijst gebruiken om samen met binnengekomen signalen via het laagdrempelig meldpunt, problematische hond/eigenaar combinaties eerder op te sporen en gerichte maatregelen te treffen.

Fokken van gezonde en sociale honden

Bijgaand ontvangt u de rapportage van het Fairfokprogramma over 20172. Hierin staat de voortgang met betrekking tot de ambities en de plannen van de betrokkenen van het programma Fairfok onder de regie van de Raad van Beheer op kynologisch gebied.

Ik constateer dat binnen de hondenfokkerij goede stappen worden gezet op weg naar een gezonde en sociale hond. Zo geeft de rapportage aan dat rasstandaarden, die aanleiding kunnen geven tot welzijnsproblemen, zijn bijgesteld en dat alle Nederlandse keurmeesters op de hoogte zijn dat het uiterlijk van een rashond pas beoordeeld mag worden als gezondheid en welzijn zijn geborgd. Ook wordt in de rapportage aangegeven dat dierenartsen registreren welke problemen zich bij dieren voordoen, zodat meer inzicht wordt verkregen in de ernst en omvang van de problemen met betrekking tot rashonden en op deze rashonden gelijkende kruisingen. De Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde heeft voorts een veterinaire richtlijn «Tegengaan van erfelijke en/ of schadelijke raskenmerken bij honden en katten» opgesteld en geïmplementeerd.

Tegelijk constateer ik ook dat een breed gedragen cultuuromslag, waarbij alle partijen handelen volgens de gemaakte afspraken, tijd vergt. Het aanpassen van het fokkerijbeleid leidt niet direct tot de gewenste resultaten. Gemiddeld kost het 6 tot 10 jaar voordat een eenvoudige erfelijke aandoening bijna geheel is teruggedrongen. Omdat diverse acties uit Fairfokprogramma meer tijd vragen hebben de bij het Fairfokprogramma betrokken partijen aangegeven dat de realisatie hiervan ook na het formele einde van het programma in 2018 onverminderd door zal gaan. In de komende tijd zetten de partijen vooral in op het ontwikkelen van hulpmiddelen voor de fokker om een zorgvuldige reu-teef combinatie te kunnen maken. Verder werken alle partijen aan een gelijkgerichte communicatie over wat een gezonde en sociale hond is en waar de consument op moet letten bij een aankoop.

Stopzetten Kwaliteitssystemen transport en preventie

De veesectoren hebben in 2014 de mogelijkheid gekregen om sectorgewijs met kwaliteitssystemen te komen. De kwaliteitssystemen in de dierlijke sectoren zijn opgericht om als sector te laten zien dat ze werken aan het verbeteren van dierenwelzijn, diergezondheid en voedselveiligheid. De private kwaliteitssystemen transport en preventie hadden tot doel het welzijn tijdens het transport van landbouwhuisdieren te borgen en verspreiding van dierziekten tijdens transport of tijdens het verzamelen te voorkomen.

Daarnaast hebben deze kwaliteitssystemen tot doel om een ontheffing te krijgen van bepaalde artikelen van de Regeling Preventie en de Regeling Handel (nationale regelgeving). Het gaat om de volgende modaliteiten: het onder toezicht van de NVWA twee keer verzamelen van schapen en geiten, het twee keer verzamelen van kalveren en om het vervoeren van zogenoemde weideschapen en -runderen van een verzamelcentrum naar een weidebedrijf. Bij varkens gaat het om stalkeuring, in plaats van het in gebruik zijnde klepkeuring, mogelijk te maken.

In de brief van 22 april 2016 (Kamerstuk 28 286, nr. 859) is gemeld dat op basis van de ervaringen met praktijktesten en pilots zal worden besloten of de kwaliteitssystemen worden erkend en of toezichtsmodaliteiten worden verleend.

Conform de afspraken tussen de overheid en de veesectoren zijn de nieuwe kwaliteitssystemen de afgelopen jaren getest en over de voortgang wordt uw Kamer jaarlijks geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nrs. 769, 799, 859 en 909). Belangrijke voorwaarde om de genoemde toezichtsmodaliteiten te verlenen, is dat bewezen moet zijn dat de private kwaliteitssystemen werken en de borging goed is. Voor alle sectoren is recent geconcludeerd dat dit niet het geval is. Daarom is het proces voor de erkenning van private kwaliteitssystemen voor transport en preventie voor varkens, schapen en runderen beëindigd.

In overleg met de veesector is besloten de gewenste modaliteiten mogelijk te maken door wijziging van de Regeling Preventie en niet door erkende private kwaliteitssystemen. Dat betekent ook dat de NVWA toeziet op de uitvoering. De wijziging van de Regeling Preventie ten aanzien van het twee keer verzamelen van schapen en geiten is inmiddels afgerond en wordt begin 2018 gepubliceerd in de Staatscourant. De wijziging over het vervoeren van weideschapen en -runderen van een verzamelcentrum naar een weidebedrijf vindt in 2018 plaats. Ook voor de kalveren wordt in 2018 de mogelijkheid verkend om het twee keer verzamelen onder toezicht van de overheid mogelijk te maken.

Het kwaliteitssysteem voor varkens dat als doel had om de stalkeuring (in plaats van klepkeuring) mogelijk te maken is ook komen te vervallen, omdat sinds 1 juni 2017 de stalkeuring voor individueel gemerkte slacht-, fok- en gebruiksvarkens mogelijk is. Eén van de basisvoorwaarden is dat de varkens elektronisch individueel geïdentificeerd moeten zijn. Najaar 2017 heeft de eerste stalkeuring voor varkens plaatsgevonden. Voor de modaliteit stalkeuring op basis van de Regeling Handel is dan ook geen privaat kwaliteitssysteem meer nodig. De onderhandelingen over de inzet van private kwaliteitssystemen inzake transport en preventie is hiermee afgerond.

Moties en toezeggingen

Kalf bij de Koe

Met deze brief ontvangt u de brochure «Verkenning kalf bij de koe, een sectorbrede inventarisatie van kennis en ervaring rond het houden van kalveren bij de koe»3, zoals toegezegd tijdens de begrotingsbehandeling (Kamerstuk 34 775 XIII, nr. 7). Deze brochure is ontwikkeld door het Louis Bolk Instituut (LBI) en Wageningen University & Research (WUR) in samenwerking met verschillende partijen. De brochure bevat een overzicht van bestaande kennis en ervaringen en geeft inzicht in nog te ontwikkelen kennis op het gebied van het houden van het kalf bij de koe. Aanleiding voor deze brochure is de motie Thieme (Kamerstuk 33 979, nr. 104), waarbij de regering wordt verzocht om binnen een half jaar een plan van aanpak te presenteren dat erop gericht is om kalveren voor een bepaalde tijd bij de moeder te laten. Bij brief van 2 februari 2016 heeft mijn voorganger gereageerd op deze motie, en aangegeven het primair de verantwoordelijkheid te vinden van de melkvee- en kalverhouderij om samen met de zuivelketen na te denken over de vraag hoe kalveren een goede start kunnen krijgen (Kamerstuk 33 979, nr. 107). Om melkveehouders te faciliteren die (op termijn) overwegen het kalf voor bepaalde tijd bij de koe te houden is toegezegd (Kamerstuk 28 286, nr. 859) in overleg te gaan met de sector, Dierenbescherming en het Louis Bolk Instituut om te bezien op welke wijze ervaringen gedeeld kunnen worden. Hierover is uw Kamer bij brief van 11 juli 2016 (Kamerstuk 28 286, nr. 884) geïnformeerd. Dit alles heeft geleid tot voorliggende brochure. De diverse kennislacunes die benoemd worden in de brochure zijn ondertussen meegenomen in het vervolgonderzoek (PPS) Kansen voor het Kalf in de Keten, dat eind 2017 gestart is.

Ik laat het aan de melkveehouder om de afweging te maken hoe lang het kalf bij de koe wordt gehouden. De brochure en het lopende onderzoek kunnen daarbij tot steun zijn.

Grootschalig onderzoek naar alternatieve kalvervloeren

In november 2017 is het rapport «Alternatieve vloeren voor vleeskalveren» afgerond (https://doi.org/10.18174/425832). De basis voor dit rapport is de Nota Dierenwelzijn 2007, waarin was opgenomen dat vleeskalveren verplicht op rubbermatten gehuisvest moesten worden, tenzij er sprake was van huisvesting op stro. In de aangenomen motie van het lid van der Vlies c.s. (Kamerstuk 28 286, nr. 170) werd de regering verzocht de verplichtstelling op te schorten en in een grootschalig praktijkonderzoek alternatieve vloeren te vergelijken op de effecten op o.a. loop- en ligcomfort, diergezondheid en stalklimaat. Ook werd verzocht om op basis van de resultaten een besluit te nemen over verplichte toepassing van rubberen matten of andere vloertypen.

Aan het onderzoek hebben 14 kalverhouders meegedaan die daartoe hun stallen voor de kalveren hebben verbouwd. Het onderzoek kende twee fasen waarbij de vloeren eerst werden getest op hokniveau en daarna op afdelingsniveau gedurende meerdere mestrondes. Het gevraagde grootschalige onderzoek is in 2017 afgerond. Uit het onderzoek komt naar voren dat kalveren op de alternatieve vloeren (met rubber) meer comfort ervaren dan op de referentievloeren (beton en hout). De overige dierkenmerken die in het onderzoek zijn onderzocht, zoals de klinische gezondheid en de technisch prestaties, werden niet of nauwelijks beïnvloed door het vloertype. Deelnemende kalverhouders zijn over het algemeen tevreden over de alternatieve vloer.

Ik ben in overleg met de kalversector over een subsidieregeling voor de aanschaf van alternatieve vloeren. Ik ben niet voornemens een verplichting op te leggen voor rubbermatten en hiermee verder te gaan dan de Europese kalverrichtlijn. Met de uitkomsten van dit onderzoek wordt een langjarig onderzoekstraject afgerond.

Koudmerken

Het verbod op vriesbranden (koudmerken) is opgenomen in het Besluit tot wijziging van het besluit houders van dieren en Besluit diergeneeskundigen. Dit besluit is met uw Kamer besproken en treedt 1 juli 2018 in werking. Recent is de motie Rudmer Heerema aangenomen (Kamerstuk 28 286, nr. 940), waarin de regering wordt verzocht bij de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit koudmerken uit te faseren.

Ter uitvoering van deze motie zal ik bij de publicatie van het wijzigingsbesluit een vrijstellingsregeling opstellen die uitsluitend bedoeld is voor melkveehouders die op dit moment nog koudmerken. Bij beëindiging of overname van het bedrijf vervalt dit privilege. Het overgrote deel van de melkveehouders, namelijk 90%, van de melkveehouders maakt geen gebruik (meer) van vriesbranden als methode voor individuele dierherkenning. Deze melkveehouders maken gebruik van alternatieven zoals een halsband, vaak in combinatie met elektronische koeherkenning.

Couperen van varkensstaarten

Het couperen van biggenstaarten is op basis van de Europese varkensrichtlijn verboden, tenzij blijkt dat getroffen maatregelen ter voorkoming van staartbijten en andere gedragsstoornissen, niet werkzaam zijn gebleken. In de praktijk blijkt het lastig te zijn om effectieve preventiemaatregelen te treffen en dat heeft ertoe geleid dat in de meeste landen van de EU in relatief veel gevallen biggenstaarten worden gecoupeerd.

In juni 2013 heeft de Nederlandse varkensketen de Verklaring van Dalfsen ondertekend met als doel het op termijn op een verantwoorde manier stoppen met couperen van biggenstaarten. Zij heeft daartoe allerlei acties ondernomen en hierover is uw Kamer diverse malen geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nrs. 729, 773 en 859). De sector heeft een over de jaren 2016 en 2017 een voortgangsrapportage «Varkens met een intacte staart» opgesteld en ook is er voor de komende jaren het projectvoorstel «Stappenplan krulstaarten 2017–2021» gemaakt (https://doi.org/10.18174/425832). Dit is een vervolgstap in de uitvoering van de Verklaring van Dalfsen. De realiteit is dat de afgelopen twee jaar door het wegvallen van de productschappen, en daarmee ook de mogelijkheden tot financiering van onderzoek door de sector, er minder vooruitgang is geboekt dan gehoopt en verwacht. Daar komt nu verandering in. Recent zijn er tussen het ministerie en de Producentenorganisatie Varkenshouderij (POV) afspraken gemaakt over meerjarige financiering van de Onderzoeksagenda Varkenshouderij. De Onderzoeksagenda Varkenshouderij is recent gepresenteerd door de POV en couperen heeft daarin een stevige plaats gekregen. In 2018 wordt door betrokkenen vol ingezet om de tot nu toe opgedane ervaringen met varkens met staarten, op een groter aantal bedrijven dan in de testfase, toe te passen. En de tijd lijkt er ook rijp voor te zijn, voor steeds meer varkenshouders is het bespreekbaar om niet meer structureel te couperen.

De Europese Commissie (EC) realiseert zich dat het stoppen geen eenvoudige zaak is en heeft een traject ingezet om in heel de EU stappen te zetten om te komen tot het verminderen en uiteindelijk niet meer structureel couperen van de varkensstaarten. Zij heeft ter verduidelijking van de Varkensrichtlijn 2008/120/EC een aanbeveling opgesteld (2016/336) met maatregelen om het couperen van staarten minder noodzakelijk te maken. Het gaat daarbij om aanwijzingen voor verrijkingsmateriaal en het opstellen en uitvoeren van een risicobeoordeling per bedrijf. Ook voert de EC in diverse lidstaten audits uit. In mei 2017 was de audit in Nederland. De Commissie was kritisch over het feit dat vrijwel alle Nederlandse varkenshouders nog couperen, maar positief over de initiatieven en onderzoeken om langzaamaan de staarten er aan te laten. In het «Stappenplan krulstaarten 2017–2021» zijn de door de Europese Commissie opgestelde aanbevelingen (2016/336) én de aanbevelingen uit het audit bezoek in mei 2017 opgenomen.

Uw Kamer heeft in 2013 en 2014, middels de motie Thieme (Kamerstuk 34 000 XIII, nr. 84) de motie Van Dekken (Kamerstuk 28 286, nr. 666), verzocht een einddatum vast te stellen waarop het couperen van biggenstaarten in Nederland beëindigd moet zijn. Ik verwacht dat op basis van de opgedane ervaringen in 2018 en het inzetten van een risicobeoordeling en verrijkingsmateriaal, in 2019 steeds meer bedrijven de stap kunnen zetten om biggen succesvol te houden met krulstaarten. Hiervoor is noodzakelijk dat de risicofactoren voor staartbijten worden geminimaliseerd waardoor uitbraken van staartbijten zoveel mogelijk voorkomen kunnen worden. Dat betekent dat dierverzorgers een eventuele uitbraak snel signaleren, dat er een effectief vangnet beschikbaar is ten behoeve van het stoppen van het bijtgedrag en dat er een adequate noodopvang is. Ik blijf met de sector in gesprek en blijf de voortgang kritisch volgen. Ik zal begin 2019 met de sector het gesprek aangaan over een reële einddatum om te stoppen met couperen.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
3

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl