Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2017-2018
Kamerstuk 34950-XIII nr. 1

Gepubliceerd op 16 mei 2018 10:20



34 950 XIII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Economische Zaken en Diergezondheidsfonds 2017

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN (XIII) EN DIERGEZONDHEIDSFONDS (F)

Aangeboden 16 mei 2018

Gerealiseerde uitgaven van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). De totale uitgavenrealisatie over 2017 bedraagt € 5,1 mld.

Gerealiseerde uitgaven van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). De totale uitgavenrealisatie over 2017 bedraagt € 5,1 mld.

Gerealiseerde ontvangsten van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). De totale ontvangstenrealisatie over 2017 bedraagt € 3,7 mld.

Gerealiseerde ontvangsten van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). De totale ontvangstenrealisatie over 2017 bedraagt € 3,7 mld.

Inhoudsopgave

   

blz.

     

A.

Algemeen

5

 

1.

Aanbieding van het jaarverslag en verzoek tot dechargeverlening

5

 

2.

Leeswijzer

8

     

B.

Beleidsverslag

13

 

3.

Beleidsprioriteiten

13

 

4.

Beleidsartikelen

29

   

1

Goed functionerende economie en markten

29

   

2

Bedrijvenbeleid: innovatie en duurzaam ondernemen

37

   

3

Toekomstfonds

55

   

4

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

61

   

5

Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen

75

   

6

Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

81

   

7

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

93

   

8

Natuur en biodiversiteit

98

 

5.

Niet-beleidsartikelen

102

   

40

Apparaat

102

   

41

Nominaal en Onvoorzien

106

 

6.

Bedrijfsvoeringsparagraaf

107

     

C.

Jaarrekening

111

 

7.

Departementale verantwoordingsstaat

111

 

8.

Samenvattende verantwoordingsstaat baten-lastenagentschappen

112

 

9.

Jaarverantwoording baten-lastenagentschappen per 31 december 2017

113

     

Agentschap Telecom (AT)

116

     

Dienst ICT Uitvoering (DICTU)

125

     

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

132

     

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

142

 

10.

Saldibalans

151

 

11.

WNT-verantwoording 2017 - Ministerie van Economische Zaken

163

     

D.

Jaarverslag Diergezondsheidsfonds (F)

169

 

12.

Beleidsverslag Diergezondheidsfonds

169

 

13.

Bedrijfsvoeringsparagraaf Diergezondheidsfonds

186

 

14.

Jaarrekening Diergezondheidsfonds

187

 

15.

Saldibalans Diergezondheidsfonds

188

     

E.

Bijlagen

190

 

Bijlage 1: Toezichtrelaties en Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak

190

 

Bijlage 2: Afgerond evaluatie- en overig onderzoek

199

 

Bijlage 3: Externe inhuur

215

 

Bijlage 4: Europese geldstromen

217

 

Lijst van afkortingen

230

A. ALGEMEEN

1. AANBIEDING VAN HET JAARVERSLAG EN VERZOEK TOT DECHARGEVERLENING

AAN de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) over het jaar 2017 aan, alsmede het jaarverslag met betrekking tot de begroting van het Diergezondheidsfonds (F) over het jaar 2017.

Onder verwijzing naar de artikelen 2.37, tweede en derde lid, 2.38, 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Economische Zaken en Klimaat decharge te verlenen over het in het jaar 2017 gevoerde financiële beheer.

Voor de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening stelt de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 7.14, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 een rapport op. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer op basis van artikel 7.12, van de Comptabiliteitswet 2016, over:

  • a. de financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen, bedoeld in artikel 3.8 van de Comptabiliteitswet 2016;

  • b. de totstandkoming van de niet-financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen, bedoeld in artikel 3.9 van de Comptabiliteitswet 2016;

  • c. de financiële verantwoordingsinformatie in het Financieel jaarverslag van het Rijk, bedoeld in artikel 2.35 van de Comptabiliteitswet 2016;

  • d. het gevoerde begrotingsbeheer, het financieel beheer en de materiele bedrijfsvoering, bedoeld in de artikelen 3.2 tot en met 3.4 van de Comptabiliteitswet 2016 en de daartoe bijgehouden administraties van het Rijk;

  • e. de centrale administratie van de schatkist van het Rijk van het Ministerie van Financiën.

Bij het besluit tot dechargeverlening worden verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken betrokken:

  • a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2017;

  • b. het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer over het onderzoek van de centrale administratie van de schatkist van het Rijk en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer over de in het Financieel jaarverslag van het Rijk, over 2017 opgenomen rijksrekening van uitgaven en geraamde ontvangsten over 2017, alsmede over de rijkssaldibalans over 2017 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 7.14, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. LEESWIJZER

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

  • 1. Opbouw jaarverslag;

  • 2. Ondergrenzen toelichtingen;

  • 3. Verantwoordelijkheidsverdeling tussen ministers;

  • 4. Overgangsrecht Comptabiliteitswet;

  • 5. Controlenormen financiële en niet-financiële gegevens;

  • 6. Focusonderwerpen jaarverslag;

  • 7. Groeiparagraaf;

  • 8. Motie Schouw en motie Hachchi c.s.

1. Opbouw jaarverslag

In 2017 wordt nog verantwoording afgelegd over de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (EZ) en het Diergezondheidsfonds (DGF). Vanaf het begrotingsjaar 2018 is sprake van een begrotingsstaat van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK), het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en het DGF (zie ook de nota van wijziging; Kamerstuk, 34 775 XIII, nr. 8).

Dit jaarverslag bevat een beleidsverslag, een jaarrekening, het jaarverslag van het Diergezondheidsfonds (DGF) en diverse bijlagen. Deze bevatten informatie over de in 2017 gerealiseerde beleidsresultaten en de budgettaire realisatiegegevens van EZ en het DGF.

Het onderdeel beleidsprioriteiten van het beleidsverslag betreft de verantwoording over de beleidsagenda uit de EZ-begroting 2017. Naast een macro-economisch beeld en een korte beschrijving van de EU- ontwikkelingen, worden in het beleidsverslag de prioriteiten van EZ voor 2017 toegelicht. Dit gebeurt via drie blokken:

  • 1. bedrijfsleven, innovatie en marktordening;

  • 2. verduurzaming en energietransitie en;

  • 3. voedselketen, landbouw en natuur.

De beleidsartikelen in dit jaarverslag hebben dezelfde opzet als de begroting 2017 (Kamerstuk, 34 550 XIII, nrs. 1 en 2) en zijn conform de Rijksbegrotingsvoorschriften opgesteld (https://www.rbv.minfin.nl/2018). Elk beleidsartikel bevat een paragraaf beleidsconclusies waarin voor de belangrijkste instrumenten een oordeel wordt gegeven over de uitvoering van het beleid in het afgelopen jaar. In beleidsartikel 4 (Een doelmatige en duurzame energievoorziening) is net als in de begroting 2017 een totaaloverzicht opgenomen van alle maatregelen van alle ministeries ten behoeve van het energieakkoord.

De bedrijfsvoeringparagraaf doet verslag van relevante aandachtspunten in de bedrijfsvoering van het Ministerie van EZ. Het jaarverslag van het DGF bevat een separate bedrijfsvoeringsparagraaf.

De jaarrekening bestaat uit de departementale verantwoordingsstaat, de samenvattende verantwoordingsstaat inzake de agentschappen, de jaarverantwoordingen van de agentschappen, de saldibalans en de WNT-verantwoording.

Het jaarverslag van het DGF bestaat uit een beleidsverslag (inclusief een bedrijfsvoeringsparagraaf) en een jaarrekening (verantwoordingsstaat DGF en een saldibalans). De apparaatsuitgaven voor de uitvoering van het DGF zijn deels opgenomen bij het moederdepartement (beleidsartikel 6).

De volgende bijlagen zijn opgenomen: Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO’s) en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT’s), afgerond evaluatie- en overig onderzoek 2017, Europese geldstromen, externe inhuur en een lijst van afkortingen.

2. Ondergrenzen toelichtingen

Voor wat betreft het toelichten van significante verschillen in de uitgaven, ontvangsten en verplichtingen in de realisatie versus de vastgestelde begroting 2017 zijn de ondergrenzen gehanteerd zoals opgenomen in de onderstaande tabel.

Omvang begrotingsartikel

(stand ontwerpbegroting)

in € mln

Beleidsmatige mutaties

(ondergrens in € mln)

Technische mutaties

(ondergrens in € mln)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 en < 1.000

5

10

=> 1.000

10

20

In sommige gevallen, waar politiek relevant, worden ook posten toegelicht beneden deze ondergrenzen.

De beleidsartikelen 2 (Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen) en 8 (Natuur en biodiversiteit) zijn in de huidige vorm voor het eerst verschenen in de begroting 2017 (zie ook de toelichting in de leeswijzer van de begroting 2017). Er zijn daarom alleen realisatiegegevens opgenomen voor 2017.

3. Verantwoordelijkheidsverdeling tussen ministers

De onderstaande tabel geeft weer welke ministers voor welke begrotingsartikelen of onderdelen op dit moment in de begroting van hoofdstuk XIII verantwoordelijk zijn. Dit naar aanleiding van de beleidsherverkavelingen die voortvloeien uit het Regeerakkoord.

Artikel (onderdeel)

Omschrijving

Beleidsverantwoordelijke ministers

 

Beleidsartikelen

 

1

Goed functionerende economie en markten

Minister van EZK

2

Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

Minister van EZK/Minister van BZK/Minister van IenW

3

Toekomstfonds

Minister van EZK

4

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Minister van EZK

5

Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen

Minister van EZK

6

Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Minister van LNV

7

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

Minister van OCW/Minister voor BVOM/Minister van LNV

8

Natuur en biodiversiteit

Minister van LNV

     
 

Niet-beleidsartikelen

 

40

Apparaat

Minister van EZK/Minister van LNV

41

Nominaal en onvoorzien

Minister van EZK/Minister van LNV

Toelichting

Van de beleidsartikelen is de Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) verantwoordelijk voor de beleidsartikelen 1 tot en met 5. Het deel van het beleidsartikel 2 dat betrekking heeft op het beleidsthema «digitale overheid voor bedrijven» valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van BZK. Het deel van het beleidsartikel 2 dat betrekking heeft op het beleidsthema «Elektrisch vervoer» valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van IenW. De budgettaire overheveling voor de beleidsthema’s digitale overheid (naar begroting BZK) voor bedrijven en elektrisch vervoer (naar begroting IenW) per 1 januari 2018 heeft plaatsgevonden bij de tweede nota van wijziging op de EZ-begroting 2018 (Kamerstuk, 34 775 XIII, nr. 8).

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) is verantwoordelijkheid voor de beleidsartikelen 6 en 8. Conform het koninklijk besluit houdende herindeling met betrekking tot het groen onderwijs (no. 2017001807) zijn de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media (BVOM) belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van groen onderwijs. Het grootste deel van het beleidsartikel 7 valt daarmee onder de verantwoordelijkheid van de Minister van OCW en de Minister voor BVOM. Een klein deel van het beleidsartikel 7 valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van LNV. Het betreft een deel van het subsidiebudget, een deel van het opdrachtenbudget en de bijdrage aan RVO.nl.

De Minister van EZK en de Minister van LNV zijn in 2017 beiden verantwoordelijk voor de niet-beleidsartikelen 40 en 41. Vanaf de begroting 2018 is de Minister van LNV verantwoordelijk voor de nieuwe niet-beleidsartikelen 42 (apparaat) en 43 (nominaal en onvoorzien)1.

4. Overgangsrecht Comptabiliteitswet

Op grond van het overgangsrecht in artikel 10.2 van de Comptabiliteitswet 2016 blijven voor de jaarverslagen en slotwetten over 2017 de bepalingen uit de Comptabiliteitswet 2001 en de daarop berustende bepalingen van toepassing zoals deze golden voor de inwerkingtreding van de Comptabiliteitswet 2016 per 1 januari 2018. Om die reden moet telkens bij de verwijzingen naar de bepalingen van de Comptabiliteitswet 2016 worden gelezen de artikelen van de Comptabiliteitswet 2001 conform de transponeringstabel bij de Comptabiliteitswet 2016, Stb. 2017, 139. Het betreft met name de volgende artikelen:

Artikelen in CW 2016 en CW 2001

Art. in CW 2016

Art. in CW 2001

3.2 – 3.4

19, eerste lid; 21, eerste en tweede lid

3.5

22, eerste lid; 26, eerste lid

3.8

58, eerste lid, onderdeel a, en derde lid; 61, derde lid

3.9

58, eerste lid, onderdeel b en c

2.37

60, tweede en derde lid; 63, eerste en vierde lid

2.35

61, tweede tot en met vierde lid

2.40

64

7.12

82, eerste lid; 83, eerste lid

7.14

82, vijfde lid; 83, tweede tot en met vierde lid

5. Controlenormen financiële en niet-financiële gegevens

Het jaarverslag bevat zowel financiële als niet-financiële gegevens (kengetallen en indicatoren). Deze gegevens zijn aan verschillende controlenormen onderhevig. De controle van financiële informatie is gebaseerd op normen zoals deze voortvloeien uit de Comptabiliteitswet 2016 en de Rijksbegrotingsvoorschriften 2018 (RBV). De controle van beleidsinformatie en informatie over de bedrijfsvoering is gebaseerd op normen zoals deze voortvloeien uit de RBV. Van een aantal indicatoren zijn de realisatiegegevens over 2017 nog niet bekend. In die gevallen is de meest recente realisatie opgenomen.

6. Focusonderwerpen jaarververslag

Door de Tweede Kamer zijn de volgende twee thema’s benoemd als focusonderwerpen voor het jaarverslag 2017: toetsbare beleidsplannen en financiële verplichtingen.

Over het thema «toetsbare beleidsplannen» is op het eind van bijlage 2 (Afgerond evaluatie- en overig onderzoek) een alinea opgenomen.

In het Financieel Jaarverslag Rijk (FJR) wordt specifiek aandacht gegeven aan het thema «financiële verplichtingen». In het FJR is ook een casus opgenomen over de verplichtingen van de subsidieregeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+).

7. Groeiparagraaf

Naar aanleiding van de bij het wetgevingsoverleg over het jaarverslag 2016 (28 juni 2017) aangenomen Motie Weverling c.s. (Kamerstuk, 34 725 XIII, nr. 10) is er in het jaarverslag 2017 extra aandacht geweest voor het formuleren van de beleidsconclusies en de kwaliteit van de toelichtingen bij de budgettaire verschillen (realisatie 2017 versus vastgestelde begroting 2017). Vanaf de begroting 2019 komen er aparte begrotingen voor het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). De doelen en niet-financiële gegevens in de beleidsartikelen worden in de begroting 2019, waar mogelijk, herzien (zie ook Kamerstuk, 34 775 XIII, nr. 14).

8. Motie Schouw en motie Hachchi c.s.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. Voor de beleidsterreinen van EZ is één specifieke aanbeveling gedaan. Het betreft de aanbeveling van de Europese Commissie, de OECD en het IMF om meer publiek te investeren in Research en Development (R&D) en meer private R&D-investeringen uit te lokken door de randvoorwaarden te verbeteren. In het beleidsartikel 2 (Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen) is hierover een beleidsconclusie opgenomen (R&D als percentage van het bbp).

Motie Hachchi c.s.

Ter uitvoering van de motie Hachchi c.s. (Kamerstuk, 33 000 IV, nr. 28) brengen departementen in kaart welke uitgaven zij doen in Caribisch Nederland, uitgesplitst per instrument. Voor het opnemen van deze uitgaven in de budgettaire tabellen geldt een ondergrens van € 1 mln. De totale uitgaven (realisatie) van EZ voor Caribisch Nederland in 2017 bedroegen € 3,5 mln. Deze uitgaven zijn verdeeld over de beleidsartikelen 1 (€ 0,8 mln), 2 (€ 0,3 mln), 4 (€ 0,6 mln) en 8 (€ 1,9 mln). Ten opzichte van de begroting 2017 is er sprake van € 3,6 mln lagere uitgaven (totale begroting bedroeg € 7,1 mln). Dit wordt met name veroorzaakt door € 0,8 mln lagere uitgaven op artikel 2 (categorie opdrachten) voor projecten zoals het strategisch beleidsonderzoek toerisme die met enige vertraging in 2018 worden gerealiseerd. Daarnaast is sprake van € 2,5 mln lagere subsidie-uitgaven op het beleidsartikel 4 als gevolg van lagere netbeheersubsidies aan de energiebedrijven van Saba en Sint Eustatius en het doorschuiven van de betalingen voor de 2e fase van het duurzame energieproject op Sint-Eustatius naar 2018.

B. BELEIDSVERSLAG

3. BELEIDSPRIORITEITEN

Inleiding

Met de beëdiging van het nieuwe kabinet is het Ministerie van Economische Zaken (EZ) gesplitst in het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Vanaf dat moment zitten er twee ministeries in één huis. In 2017 is echter nog sprake van één begroting en één jaarverslag onder de verantwoordelijkheid van zowel EZK als LNV. Met de overkomst van het klimaatbeleid naar EZK, de focus op het realiseren van een klimaatakkoord, de verdere verduurzaming van de veehouderij en het in goede banen leiden van de aanpak in Groningen liggen er grote uitdagingen. Hoewel EZ gesplitst is, zullen EZK en LNV onverminderd blijven samenwerken aan maatschappelijke thema’s met partijen uit de buitenwereld.

Economisch beeld

De Nederlandse economie heeft een zeer goed jaar achter de rug. Zo was in 2017 sprake van een economische groei van 3,2% die breed gedragen was, met meer consumptie, meer investeringen, en meer uitvoer. En was Nederland in 2017 wederom de tweede exporteur ter wereld van agrarische producten. 2017 was het jaar dat economische groei echt zichtbaar werd voor Nederlanders. Zo hadden we de grootste daling in de werkloosheid sinds de naoorlogse geschiedenis, en vonden 175 duizend Nederlanders een baan die er eerst geen hadden. Dat is evenveel als er nu werkzaam zijn in en rond de Rotterdamse haven. Door die snelle daling in de werkloosheid is die eind 2017 beland op 4,4% van de beroepsbevolking. Vooruitkijkend zijn Nederlanders optimistisch: zowel consumenten als producenten hebben een hoog vertrouwen.

Bedrijfsleven, innovatie en marktordening

Het goed functioneren van de economie staat of valt met een krachtig en innovatief bedrijfsleven. Het EZ-beleid is erop gericht bedrijven in staat te stellen deze rol optimaal in te vullen. Dit omvat een breed palet aan onderwerpen waarop EZ een stimulerende en faciliterende rol heeft: onderzoek, innovatie, financiering, vestigingsklimaat, ondernemerschap, start-ups, human capital, digitalisering, regeldruk, marktordening en mededinging. De combinatie van inzet op deze verschillende facetten heeft zich de afgelopen jaren uitbetaald in een verbeterde uitgangspositie van het Nederlandse bedrijfsleven: Nederland is één van de meeste concurrerende en innovatieve economieën ter wereld en het beste land ter wereld volgens de Good Country index2. Onderstaand wordt nader ingegaan op de resultaten van het afgelopen jaar.

Topsectoren

Het bedrijvenbeleid en de topsectorenaanpak werpen haar vruchten af. Nederland staat in de top vijf van concurrerende economieën en de R&D-intensiteit van Nederland steeg sinds 2011 van 1,98% naar 2,02% van het bbp. Bedrijven droegen voor € 514 mln bij aan publiek onderzoek via de Topconsortia voor Kennis- en Innovatie (TKI’s) in het kader van de publiek private samenwerking (PPS)-toeslag regeling. Dat is een stijging van 9,3% ten opzichte van het jaar daarvoor.

In december 2017 is door de kennisvoorzitters en de boegbeelden van de topsectoren het Kennis- en Innovatiecontract 2018–2019 vastgesteld. In totaal investeren publieke en private partners uit de topsectoren samen jaarlijks € 2,4 mld, waarvan € 1,3 mld privaat en € 1,1 mld publiek, in onderzoek en innovatie. Het contract biedt de financiële basis voor de uitvoering van de Kennis- en Innovatieagenda 2018–2021 die de topsectoren afgelopen zomer hebben opgesteld langs de lijnen van maatschappelijke uitdagingen en sleuteltechnologieën.

Vestigingsklimaat

Het goede vestigingsklimaat van Nederland zorgt er voor dat buitenlandse ondernemingen zich hier willen vestigen en dat Nederlandse kleine en grote bedrijven goed kunnen ondernemen, innoveren en over de hele wereld kunnen handelen. Dit draagt eraan bij dat multinationals vanuit Nederland actief zijn. Multinationals zorgen in totaal voor bijna twee miljoen banen. De komst van het European Medicine Agency (EMA) en het binnenhalen van het F35 onderhoudscontract zijn twee mooie illustraties van het succesvolle vestigingsklimaatbeleid.

Oprichting Invest-NL

Begin 2017 is het voornemen tot de oprichting van een Nederlandse financierings- en ontwikkelingsinstelling, Invest-NL, bekend gemaakt (Kamerstuk, 28 165, nr. 266). De voorbereidingen voor de wet voor de oprichting van Invest-NL zijn in volle gang.

StartupDelta2020

Een belangrijk onderdeel van het ondernemerschapsbeleid is StartupDelta2020, een PPS waarin verschillende partners werken aan de versterking van het ondernemersklimaat voor startups en scale-ups. Onder leiding van prins Constantijn van Oranje als Special Envoy StartupDelta zijn belangrijke mijlpalen gerealiseerd. Zo was er de lancering van de co-financieringsregeling voor scale-ups door EZ, en werden in het programma Costa tools aangeboden om te bepalen of startups en corporate-bedrijven voldoende klaar zijn voor onderlinge samenwerking. Ook was er de CityDeal Warm Welkom Talent, waarin overheden en gemeenten aanbevelingen hebben gedaan voor het versterken van de aantrekkingskracht van Nederland voor buitenlands talent.

Samenwerking Rijk-Regio

De regionale dimensie van de economie is van toenemend belang. EZ heeft in 2017 wederom ingezet op het verbinden van de agenda’s van het Rijk met medeoverheden en triple helices. Zo is voor Brainport Eindhoven in 2017 de ontwikkeling van een actieagenda in gang gezet, heeft de provincie Zeeland met het Investeringsprogramma Zeeland een aanpak gepresenteerd om de economie en werkgelegenheid in Zeeland te versterken en heeft het door EZ ingestelde Actieteam Grensoverschrijdende Economie en Arbeid een actieagenda gepresenteerd met als doel het werken, ondernemen en studeren in België en Duitsland gemakkelijker te maken. Voor de MKB Samenwerkingsagenda hebben EZ en provincies het budget voor de gezamenlijke MKB-innovatiestimulering Topsectoren (MIT)-regeling verhoogd en op Techniekpact is het aantal betrokken bedrijven in 2017 wederom toegenomen.

Digitalisering en telecom

In 2017 gaf het kabinet uitvoering aan de Digitale Agenda 2016–2017. Zo is er een impuls voor digitalisering op gebied van energie, smart industry, cyber security en e-health gegeven. Door de ontwikkeling en toepassing van big data analyse is een impuls gegeven aan het concurrentievermogen.

Samen met OCW is gewerkt aan het aansluiten van alle scholen op snel internet en de ontwikkeling van adaptief lesmateriaal. Daarnaast is het kabinet samen met industrie, kennisinstellingen en regionale overheden het Smart Industry-initiatief gestart. De eerste tranche van tien fieldlabs is inmiddels operationeel. Een tweede tranche fieldlabs werd in 2017 verder vormgegeven. Zo zijn er twee datahubs in Amsterdam en Almere gekomen. Hier kunnen MKB-ers laagdrempelig experimenteren met big data toepassingen. Daarnaast werd voor dit onderwerp gewerkt aan de uitwerking van de Europese actieagenda die onder het Nederlands EU-Voorzitterschap is gestart.

De SBIR (Small Business Innovation Research) blockchain met de provincie Groningen en de gemeente Rotterdam is gestart: 17 bedrijven zijn aan de slag gegaan met blokchain toepassingen voor maatschappelijke vraagstukken. Van oplossingen voor BTW-fraude tot snelle toegang tot patiëntengegevens in spoedeisende situaties.

Het elektronisch indienen van de jaarrekening bij de Kamer van Koophandel (KvK) voor kleine en middelgrote rechtspersonen vermindert de papieren rompslomp voor ondernemers. Er zijn ruim 672.000 jaarrekeningen elektronisch gedeponeerd in 2017. Medio 2017 is bij EZ een intentieovereenkomst getekend door de Belastingdienst, UWV, KvK, RDW, DUO en de gemeente Den Haag.

In 2017 is besloten tot het oprichten van een Digital Trust Centre (DTC). Het DTC beoogt het «niet-vitale bedrijfsleven» in Nederland in staat te stellen haar weerbaarheid tegen cyberdreigingen te vergroten. Behalve op het creëren van bewustwording richt het DTC zich ook nadrukkelijk op het aanbieden van oplossingen (toegesneden op specifieke doelgroepen) die bedrijven aanzetten tot handelen.

EU-lidstaten bereikten in november 2017 een gezamenlijke positie over de herziening van het Europees telecomkader. Het belangrijkste doel van deze richtlijn is het verbeteren van de randvoorwaarden voor investeringen in snelle digitale communicatieverbindingen in de EU. Op 15 juni 2017 werden de nieuwe EU-regels voor roaming binnen de EU van kracht. Wie in een andere EU-lidstaat belt dan wel, sms of internet gebruikt, betaalt dankzij deze regels evenveel als in eigen land. Dit principe heet Roam Like At Home.

Terugdringen regeldruk

Uit de rapportage «Goed geregeld» blijkt dat in de afgelopen jaren een structurele verlaging van de regeldrukkosten met € 2,48 mld is gerealiseerd. In het kader van de maatwerkaanpak zijn concrete problemen van ondernemers, samen met burgers en professionals, opgelost. Zo is in het kader van de maatwerkaanpak «winkelambacht» een digitale bedrijfshulpverleningsapplicatie ontwikkeld waarmee een forse besparing kan worden gerealiseerd. Ook is er binnen de maatwerkaanpak «banken» een InnovationHub gelanceerd, met als doel innovatie in de financiële sector te accommoderen.

Per 1 juni 2017 is het nieuwe Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) van start gegaan met als opdracht de toetsing van voorgenomen regelgeving te verbeteren. Naast het toezien op het goed in kaart brengen van de regeldrukeffecten van nieuwe wetgeving schenkt de ATR ook aandacht aan de vraag of alternatieven goed zijn afgewogen en of er voor het minst belastende alternatief is gekozen.

Bescherming van mededinging en consument

Uit de evaluatie van de Wet markt en overheid bleek dat de wet onvoldoende functioneert. Met name de algemeenbelanguitzondering is hierbij een knelpunt. Overheden maken veel gebruik van deze uitzondering, vaak met beperkte motivering en beperkte betrokkenheid van ondernemers. In september en oktober 2017 is daarom een wetsvoorstel geconsulteerd waarin de algemeenbelanguitzondering wordt aangescherpt. Dit gebeurt door het stellen van specifieke motiveringsvereisten, het verplichten van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure en het invoeren van een evaluatiebepaling.

Op 10 juli 2017 is de analyse toekomst postmarkt naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstuk, 29 502, nr. 140). De analyse is gebaseerd op een scenariostudie, een gebruikersonderzoek en de evaluatie van de universele postdienst. De analyse biedt bouwstenen om in de toekomst de post betaalbaar, betrouwbaar en bereikbaar te houden.

Verduurzaming en energietransitie

Het kabinet streeft naar 49% emissiereductie in 2030. De doelstellingen van het Energieakkoord, 14% hernieuwbare energie in 2020 en 16% in 2023, zijn belangrijke mijlpalen op weg daarnaartoe. Om deze doelen te bereiken is in 2013 een breed maatregelenpakket overeengekomen.

Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+)

De SDE+ maakt de uitrol van hernieuwbare energie versneld mogelijk. Om de uitrol van deze technieken te stimuleren en om de doelen tijdig te bereiken is met de SDE+ 2017 een budget van twee keer € 6 mld beschikbaar gesteld. Deze rondes zijn beide voorspoedig verlopen, waarbij er meer aanvragen waren dan dat er budget beschikbaar was.

Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE)

Sinds 1 januari 2016 staat de meerjarige investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) open. Met de ISDE stimuleert het kabinet de aanschaf van kleinschalige installaties voor de productie van hernieuwbare warmte. Dit zijn installaties zoals zonneboilers, biomassaketels en warmtepompen met een klein vermogen. In 2017 groeide de bekendheid van de regeling nog steeds en is het aantal aanvragen fors toegenomen tot circa € 80 mln. Deze installaties dragen concreet bij aan de energietransitie in huishoudens, bedrijven, lokale overheden en woningcorporaties.

Wind op Zee

In overleg met de windsector is een procedure ontwikkeld waarin partijen de vergunning kunnen aanvragen voor het bouwen en exploiteren van een windpark, zonder subsidie. De vergunningsaanvragen worden getoetst op zes criteria, waarbij elementen die de kans vergroten dat het windpark daadwerkelijk wordt gebouwd het zwaarst tellen in de onderlinge vergelijking. Op deze eerste subsidieloze tender hebben diverse gerenommeerde partijen ingeschreven. Windenergie op zee lijkt dus zonder subsidie rendabel te worden.

Energiebesparing

Met de energie-intensieve industrie is een resultaatsconvenant en met de energieleveranciers een taakstellend convenant bereikt. De afgesproken 9 PJ energiebesparing voor de energie-intensieve industrie en de 10 PJ bij huur en koop zouden met deze afspraken gerealiseerd moeten kunnen worden volgens ECN (Energieonderzoek Centrum Nederland).

Energieakkoord

De resultaten die in de Nationale Energie Verkenningen (NEV) 2017 van ECN worden geschetst zijn bemoedigend. Het verwachte aandeel hernieuwbare energie in 2023 ligt met 17,3% fors hoger dan de doelstelling van 16% uit het Energieakkoord. Voor het jaar 2020 verwacht de NEV 2017 een aandeel hernieuwbare energie van 13%. Daarmee zou de doelstelling uit het Energieakkoord van 14% niet worden gehaald. De Energieakkoordpartijen – waaronder de rijksoverheid – werken daarom een extra inzet uit in de Uitvoeringsagenda 2018.

Daarnaast zijn diverse initiatieven in gang gezet om de productie van hernieuwbare energie aan te jagen. Zoals de tender monomestvergistingsinstallaties. Deze beoogt op boerderijschaal duurzaam biogas te produceren. De gekozen aanpak draagt bij aan een significante kostenreductie. Daarnaast is de Green Deal Ultra Diepe geothermie (UDG) ondertekend om drie pilots te ontwikkelen met zeven consortia. UDG kan een belangrijke bijdrage leveren aan het verduurzamen van hoge temperatuur warmte in de industrie. Tevens is er wet- en regelgeving voor het bij- en meestoken van biomassa in kolencentrales geïmplementeerd en de adviescommissie van experts geïnstalleerd. Nederland implementeert hiermee de meest vergaande duurzaamheidscriteria voor het gebruik van biomassa (houtafval) in de wereld.

Warmte

In maart 2017 werd de Green Deal Aardgasvrije wijken ondertekend door drie ministeries, 31 gemeenten, vijf netbeheerders, IPO, VNG en NBNL. In november 2017 vond de opening van het warmtenet in Hengelo plaats als resultante van deze Green Deal. Tevens is er in 2017 een wijziging van de Warmtewet aangeboden aan de Tweede Kamer.

Circulaire economie (grondstoffenakkoord, transitieagenda’s)

Nederland streeft naar een volledig circulaire economie in 2050. Om dit doel te bereiken moeten we op alle niveaus van onze samenleving actie ondernemen. Het Grondstoffenakkoord van januari 2017 markeert het startpunt om in gezamenlijkheid aan de slag te gaan met de circulaire economie. Inmiddels hebben meer dan 300 partijen het akkoord ondertekend en is het door vijf transitieteams vertaald naar transitieagenda’s voor vijf sectoren/ ketens waaronder de maakindustrie.

Energie-innovatie

In 2017 zijn de drie energie-innovatieregelingen wederom opengesteld voor een totaal bedrag van € 130 mln en is de beleidsevaluatie gestart. Specifiek voor de hernieuwbare energieregeling is met ingang van 1 april 2017 de tijdshorizon verlegd van 2023 naar 2030. Dat betekent dat nu ook innovatieve hernieuwbare energieprojecten in aanmerking komen die in 2030 tot productie kunnen leiden en een kostenbesparing op kunnen leveren op de SDE+-uitgaven.

ECN splitsing

In 2017 zijn verdere stappen gezet in de splitsing van ECN die per 1 januari 2018 hebben geleid tot de overheveling van de zogenaamde rekenmeesterfunctie naar PBL en per 1 april 2018 moeten leiden tot de overdacht van de duurzame onderzoeksactiviteiten aan TNO.

Gaswinning

In het besluit van 24 mei 2017 is het gaswinningsproductieniveau van het Groningenveld teruggebracht van 24 miljard m3 naar 21,6 miljard m3 per jaar uitgaande van een gemiddeld jaar. Het beleid is erop gericht de vraag naar gas en daarmee de productie zo snel mogelijk te verlagen teneinde te komen tot verdere reductie van de seismische activiteit. Dit zal in 2018 tot uitdrukking worden gebracht in een nieuw te nemen besluit over de gaswinning Groningen.

Met de inwerkingtreding van de wijzigingen van de Mijnbouwwet per 1 januari 2017 werd de reeds ingezette weg van het intensiever betrekken van de omgeving bij vergunningverlening geformaliseerd. Naast het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) en de Technische commissie bodembeweging (Tcbb) en de Mijnraad, hebben nu ook de provincies, gemeenten en waterschappen adviesrecht. Van de 28 winningsplannen die voor 2017 waren aangehouden zijn er 21 in behandeling. Van de overige moet nog bepaald worden of de behandeling nog opportuun is. Inclusief alle in 2017 ingediende winningsplannen zijn er 56 winningsplannen in procedure. De uitgebreidere procedure en het intensief betrekken van de omgeving leiden tot een veel grotere benodigde capaciteit voor de behandeling van de vergunningen door het ministerie.

In 2017 heeft de Nationale Coördinator Groningen (NCG) gewerkt aan de uitvoering van het Meerjarenprogramma Aardbevingsbestendig en Kansrijk Groningen 2017–2021. Per 31 maart 2017 is de afhandeling van schade volgens het oude protocol stopgezet. EZK heeft begin 2018 samen met de regio een nieuw schadeprotocol vastgesteld. Gezamenlijk uitgangspunt hierbij is dat NAM geen rol meer heeft in beslissingen over schadeherstel. Gegeven de grote impact en complexiteit van de opgave is in oktober 2017 een project-directeur-generaal Groningen Bovengrond benoemd. De inzet is om samen met alle betrokken partijen, provincie, gemeente, maatschappelijke partijen en NCG te komen tot een integrale totaalaanpak waarin een toekomstvisie van de regio, schade-afhandeling en versterken samen komen.

Ruimte voor duurzaamheidsinitatieven

Het wetsvoorstel Ruimte voor Duurzaamheidinitiatieven biedt coalities van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties een versneld proces om op hun verzoek te komen tot regelgeving rond duurzaamheid. In het voorjaar van 2017 is het wetsvoorstel geconsulteerd. Zowel ondernemers, maatschappelijke organisaties als wetenschappers toonden zich voorstander van het wetsvoorstel. In 2018 zal het wetsvoorstel aan de Raad van State worden aangeboden.

Voedselketen, landbouw en natuur

In 2017 is er prioriteit gegeven aan het versterken van de transparantie in de voedselketen, ondersteuning van maatschappelijke initiatieven en zijn er nieuwe impulsen gegeven aan innovatie in de voedselketen.

Voedsel

Het voedseleducatieprogramma Jong Leren Eten, dat in nauwe samenwerking met VWS en OCW wordt uitgevoerd, bundelt en versterkt het aanbod van activiteiten van overheden en educatieve organisaties, waaronder smaaklessen, schoolfruitregeling, schooltuinen, kooklessen en boerderij-educatie. Met het stimuleren van kennis en innovatie zijn veel meerjarige initiatieven tot stand gekomen (onder andere blockchain, een nationale proeftuin precisielandbouw, korte ketens en andere nieuwe concepten voor de landbouw).

Op het gebied van transparantie zijn het afgelopen jaar belangrijke stappen gezet door ordening te brengen in de veelheid aan voedsel-duurzaamheidskeurmerken. Verder zijn maatschappelijke initiatieven ondersteund die bijdragen aan de doelen van de Voedselagenda, zoals het Nationaal Actieplan Groente en Fruit, de Green Deal Dutch Cuisine en de Green Protein Alliance.

Het maatschappelijk commitment om gezamenlijk de opgaven die in de Voedselagenda zijn benoemd aan te pakken groeit, zoals blijkt uit de uitkomsten van de Voedseltop van januari 2017, maar ook uit tal van andere initiatieven en coalities die zich inzetten voor de productie en consumptie van meer duurzaam en gezond voedsel en een veerkrachtig voedselsysteem. De integrale benadering van voedselvraagstukken en de groeiende aandacht voor de rol van de consument werkt door in de publiekscommunicatie over voedsel, zoals de Schijf van Vijf en publieksevenementen als Wereldvoedseldag en de Dutch Agrifood Week.

Voedselveiligheid

In juni 2017 zijn de jaarlijkse rapportages over de ontwikkelingen in het antibioticumgebruik en antibioticaresistentie in de dierhouderij gepubliceerd (Kamerstuk, 29 683, nr. 234). Zowel het gebruik als de resistentie is verder gedaald. Eind 2016 is op basis van de verkoopcijfers een totale daling van het antibioticumgebruik van 64,4% gerealiseerd ten opzichte van het referentiejaar 2009. In 2017 is de aanpak van de vogelgriepcrisis 2016/2017 door Bureau Berenschot geëvalueerd en zijn de aanbevelingen geïmplementeerd.

In 2017 zijn naar aanleiding van het fipronil incident, op initiatief van onder meer Nederland, Europees afspraken gemaakt om de communicatie en informatie-uitwisseling tijdens voedselveiligheidsincidenten tussen lidstaten te verbeteren.

Ook is op aandringen van Nederland (EZ en VWS) in de EU met ingang van 1 januari 2018 een streng en toetsbaar wettelijk proceshygiënecriterium voor campylobacter van kracht voor het slachtproces van kippen. Hiermee wordt de veiligheid van kippenvlees verhoogd. Tevens is na drie jaar onderhandelen het onderhandelingsmandaat vastgesteld over het voorstel voor een nieuwe verordening diergeneesmiddelen en voor een nieuwe verordening gemedicineerde diervoeders. Door inzet van Nederland zijn hierin (aanvullende) regels opgenomen die het risico op het ontwikkelen van antibioticaresistentie bij dieren verminderen.

Investeren in kennis en innovatie in de agrofoodsector

Nederland behoort op het gebied van kennis en innovatie in de agrofoodsector tot de wereldtop. Het behoud van deze sterke positie is een cruciale factor voor de Nederlandse concurrentiekracht en het exportperspectief van de agrofoodsectoren. De inzet op kennis en innovatie is hierop gericht. Zo wordt met de programma’s van de topsectoren Agri&food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen met diverse publiek-private initiatieven bijgedragen aan een meer ecologisch houdbaar en robuust voedselsysteem. Concreet wordt er bijvoorbeeld gewerkt aan het ontwerpen van apparatuur en meer inzicht in de eigenschappen van de grondstoffen voor vleesvervangers, duurzame zeewierteelt en de professionalisering van de aardappelketen van teelt, oogst en bewaring tot verwerking.

Op het terrein van gewasbescherming is Wageningen University & Research gestart met de Kennisimpuls Groene Gewasbescherming en Bestuivers. De kennisimpuls Groene gewasbescherming moet de verduurzaming van gewasbescherming versnellen en leiden tot innovatieve duurzame teeltsystemen (van innovatieve technieken tot gebruik van de natuur), met marktperspectief en sterk verminderd milieu impact. Nieuwe concepten worden de komende jaren uitgewerkt voor bijvoorbeeld de appel, aardbei en lelie. En op het terrein van energie heeft het gezamenlijke actie- en innovatieprogramma Kas als Energiebron van de sector en de overheid tot diverse kennis- en innovatiedoorbraken op het gebied van teelt, kassen en duurzame energie geleid. Zo is in februari 2017 de winterlichtkas geopend. Dit kasconcept combineert een hogere productie met energiebesparing.

Specifiek voor technostarters in Agri-Horti-Food-Tech is een tender in de Seed Capital regeling geopend. Vanuit deze tender zijn twee investeringsfondsen ondersteund, te weten Future Food Fund en Shift Invest. In beide gevallen gaat het om een fonds van € 12 mln voor vier jaar.

De stelselverantwoordelijkheid voor het groen onderwijs is met het nieuwe kabinet overgegaan van voormalig EZ naar OCW. Voor LNV blijft het groen onderwijs belangrijk vanwege de samenwerking in de gouden driehoek op het domein agrofood, tuinbouw en natuur, de aansluiting op de toekomstige arbeidsmarktbehoeften en het werken aan maatschappelijke en innovatieopgaven. Dit is de kern van de Ontwikkelagenda Groen onderwijs 2016–2025 die mede door EZ is ondertekend en wordt ondersteund. De focus ligt daarbij op het faciliteren van de opstartfase en de grote maatschappelijke opgaven op het vlak van voedsel, klimaat en duurzaamheid.

Herstel balans octrooi- en kwekersrecht

De notitie die de Europese Commissie op verzoek van Nederland heeft opgesteld over de klassieke veredeling van producten die niet geoctrooieerd kunnen worden, is in 2017 zowel door de Raad van Ministers als door het Europees Parlement ondersteund. Vervolgens is de notitie door het Europees Octrooibureau in juli 2017 omgezet in een gewijzigde octrooiverleningspraktijk. Ook zijn er afspraken gemaakt over een betere kennisuitwisseling tussen het Europees kwekersrechtbureau en het Europees Octrooibureau, waardoor actuele kennis beter beschikbaar komt voor de beoordelaars van het Europees Octrooibureau. Samen met andere maatregelen als betere transparantie en een licentie-platform is een belangrijke stap gezet in herstel van de balans tussen beide stelsels. De komende jaren zullen de effecten van deze wijzigingen gemonitord moeten worden.

Fosfaatproductie

In 2015 en 2016 heeft Nederland het fosfaatproductieplafond overschreden, met name door uitbreiding van de melkveestapel na het vervallen van het Europese melkquoteringssysteem. Samen met het zuivelbedrijfsleven is het fosfaatreductieplan 2017 uitgevoerd om in 2017 weer onder het plafond te komen dat is vastgelegd in de derogatiebeschikking Nitraatrichtlijn (172,9 miljoen kilogram fosfaat). Deze reductie is van belang voor het milieu en was nodig voor behoud en verlenging van de derogatie (uitzondering op de stikstofbemestingsnorm uit de Nitraatrichtlijn) door de Europese Commissie. De doelstelling van het fosfaatreductieplan is ruimschoots gerealiseerd. Ook heeft Nederland goedkeuring gekregen van de Europese Commissie voor het fosfaatrechtenstelsel dat per 1 januari 2018 in werking is getreden. Het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn is opgesteld en bij de Europese Commissie ingediend. Daarin is het mestbeleid voor de komende vier jaar vastgelegd. Dit is ook de basis voor een nieuwe derogatie.

Veehouderij en Gezondheid: fijnstofemissiebeleid pluimveehouderij

Het kabinet heeft na overleg met de pluimveesector een pakket opgesteld met aanvullende maatregelen om de luchtkwaliteit rond pluimveehouderijbedrijven te verbeteren. Het gaat daarbij om halvering van de uitstoot van fijnstof per 2027. Overheid, bedrijfsleven en de wetenschap gaan gezamenlijk aan de slag met een nadere uitwerking waarbij per deelsector transitiepaden worden opgesteld. Daarbij wordt ook verkend hoe en wanneer vastlegging van de emissiereductie-eisen in regelgeving kan plaatsvinden. Ook de biologische pluimveesector wordt bij dit uitwerkingstraject betrokken. Daarnaast heeft EZ € 1,6 mln beschikbaar gesteld voor het Maatschappelijk Innovatie Programma (MIP) Duurzame Veehouderij. De focus in dit onderzoeksprogramma ligt op de implementatie van emissie reducerende maatregelen in zowel bestaande als nieuwe pluimveestallen. Het overleg met de pluimveesector over de implementatie van het maatregelenpakket wordt in 2018 voortgezet.

Weidegang

Het percentage melkveebedrijven met weidegang is in 2017 wederom toegenomen. Dit is vooral te danken aan enkele honderden melkveebedrijven die in 2017 voor het eerst zijn begonnen met weiden. Uit gegevens van de zuivelondernemingen blijkt dat 80,4% van de melkveehouders een vorm van weidegang toepaste. Daarmee ligt de doelstelling van het Convenant weidegang om minimaal het niveau te halen van 2012 (81,2%) binnen bereik. Omdat het kabinet geen wettelijke verplichting wil, zal de sector zorgen voor het halen van de eigen doelstelling in 2020.

Oprichting EU platform dierenwelzijn

Dankzij het pleidooi van Nederland, Denemarken, Duitsland en Zweden heeft de Europese Commissie in januari 2017 besloten tot de oprichting van het EU-Platform voor dierenwelzijn. Het Platform bestaat uit vertegenwoordigers van de autoriteiten van de EU-lidstaten, bedrijfsleven, dierenwelzijn-ngo’s, onafhankelijke experts en organisaties als werelddiergezondheidsorganisatie OIE, FAO en EFSA. Doel van het Platform is om de dialoog over dierenwelzijn te bevorderen en blijvend aandacht te vragen voor dierenwelzijn op de EU-agenda.

Hernieuwde aanpak stalbranden

In 2017 heeft een evaluatie van de aanpak van stalbranden plaatsgevonden en mede naar aanleiding daarvan is een brief naar de Tweede Kamer (Kamerstuk, 34 550 XIII, nr. 138) gegaan over de aanpak verminderen stalbranden. Het kabinet wil het aantal stalbranden verminderen en zal hiertoe samen met verzekeringsmaatschappijen en ketenkwaliteitsystemen vóór 2019 afspraken maken over de bestrijding van knaagdieren door ondernemers en een periodieke elektrakeuring.

Plantgezondheid

Er zijn in 2017 zes nieuwe toelatingen voor groene gewasbeschermingsmiddelen en aanbevelingen voor het inrichten van een «green team» (bundeling van experts) bij de toelatingsautoriteit geweest. Er is inzet gepleegd om in zeven verschillende teelten – samen met de stakeholders – te komen tot een systeemaanpak, waarbij duurzame gewasbescherming praktisch wordt vormgegeven om de milieulast substantieel te verminderen.

In 2017 zijn de plantaardige keuringsdiensten en de Raad voor Plantenrassen extern geëvalueerd. Uit de evaluatie komt naar voren dat de diensten zowel nationaal als internationaal hun rol met betrekking tot plantenrassen, het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van land- en tuinbouwproducten en het tegengaan van uitbraken van plantenziekten op een hoog niveau vervullen.

Natuur

In 2017 ging veel aandacht uit naar de interactie tussen natuur en landbouw. Dit uitte zich onder meer in ondersteuning van en scenario’s voor de ontwikkeling van natuurinclusieve landbouw en scenario’s voor de aanpak voor weidevogels, voor de grutto ook in internationaal verband. Het Programma Aanpak Stikstof is in 2017 herzien, waardoor er meer rekening gehouden wordt met de leefgebieden van planten en dieren die gevoelig zijn voor stikstof.

Uit de evaluatie van het Natuurpact en de provinciale voortgangsrapportage natuur blijkt dat provincies het natuurbeleid op land goed oppakken. Gemiddeld genomen is er in natuurgebieden op land sprake van enig natuurherstel, maar is extra inspanning van rijk en provincies nodig.

Visserij

De innovatieve pulsvisserij verbruikt, vergeleken met de traditionele boomkorvisserij, de helft energie, spaart het ecosysteem, zorgt voor minder ongewenste bijvangst en bevordert selectiever vissen. Momenteel kent deze techniek nog geen algemene Europese toelating. Nederland heeft sterk gepleit voor opname van de pulsvisserij in het voorstel voor de Verordening Technische Maatregelen. De Raad heeft in de Algemene Oriëntatie slechts een beperkte toelating van de pulsvisserij opgenomen en het Europees Parlement heeft besloten in te zetten op een totaalverbod. In januari 2018 is de voorbereiding van de triloog van start gegaan welke naar verwachting in 2018 zal worden afgerond. Dan is er duidelijkheid over de toepassingsmogelijkheden van deze visserijtechniek.

Realisatie beleidsdoorlichtingen

Art.

Naam artikel

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Geheel artikel?

Nr.

Naam artikel en eventueel artikelonderdeel

                 

1

Goed functionerende economie en markten

x

       

x

   

Ja

2

Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

       

x

     

Ja

3

Toekomstfonds

               

Ja

4

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

     

x

       

Ja

5

Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen

               

Ja

6

Concurrerende, duurzame en veilige agro-, visserij- en voedselketens

       

x1

     

Ja

7

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

     

x

       

Ja

8

Natuur en biodiversiteit

       

x2

     

Ja

X Noot
1

Gecombineerd met het IBO Agro-, visserij- en voedselketens

X Noot
2

Gecombineerd met de OECD Territorial Review of the Netherlands

In 2017 stonden voor EZ geen beleidsdoorlichtingen ingepland.

Artikel 1: De beleidsdoorlichting van voormalig artikel 11 is in april 2016 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstuk, 30 991, nr. 31).

Artikel 2: De beleidsdoorlichting van voormalige artikelen 12 en 13 is in mei 2015 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstuk, 30 991, nr. 23).

Artikel 4: De beleidsdoorlichting van voormalig artikel 14 is in december 2014 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstuk, 30 991, nr. 17).

Artikel 6: Het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) agro-, visserij en voedselketens is geïntegreerd met de beleidsdoorlichting van voormalig artikel 16. Het IBO is in juni 2015 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstuk, 30 991, nr. 25).

Artikel 7: De beleidsdoorlichting van voormalig artikel 17 is in juni 2014 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstuk, 30 991, nr. 11).

Artikel 8: De beleidsdoorlichting van voormalig artikel 18 is in december 2015 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstuk, 30 991, nr. 29).

Voor het meest recente overzicht van de programmering van beleidsdoorlichtingen, klik op deze link http://www.rijksbegroting.nl/2018/voorbereiding/begroting,kst236887_8.html.

Voor de realisatie van andere onderzoeken, zie bijlage 2 «Afgerond evaluatie- en overig onderzoek».

Overzicht van risicoregelingen

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2016

Verleend 2017

Vervallen 2017

Uitstaande garanties 2017

Garantie plafond

Totaal plafond

Totaal stand risicovoorziening

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

BMKB

1.827.015

558.374

564.811

1.820.578

765.000

 

69.780

 

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

566.263

165.574

138.754

593.083

400.000

 

65.052

 

Groeifaciliteit

121.590

25.152

27.826

118.916

135.000

 

18.313

 

Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfaciliteit

42.040

 

42.040

       
 

Garantie MKB-financiering

25.000

43.200

 

68.200

 

750.000

9.041

 

Microkredieten

99.700

13.280

9.600

103.380

 

113.000

 

Artikel 4 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Garantieregeling Aardwarmte

73.939

11.050

14.450

70.539

66.600

 

22.573

Artikel 6 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garanties voor investeringen en werkkapitaal landbouwonder-nemingen (Borgstelling MKB Landbouwkredieten (BL))

318.812

49.379

28.869

339.322

120.000

 

26.679

Artikel 8 Natuur en Regio

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

383.585

 

18.719

364.866

 

383.585

 
 

Garantie Ruimte voor Ruimte

 

4.400

4.400

   

4.400

 

Totaal

 

3.457.944

870.409

849.469

3.478.884

1.486.600

1.250.985

211.438

Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2016

Ontvangsten 2016

Saldo 2016

Uitgaven 2017

Inkomsten 2017

Saldo 2017

Mutatie risicovoorziening 2017 en (2016)

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

BMKB

34.972

35.572

600

34.818

37.316

2.498

11.147

(4.465)

 

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

2.056

9.653

7.597

1.610

9.132

7.522

4.940

(7.001)

 

Groeifaciliteit

6.057

4.376

– 1.681

4.216

5.510

1.294

2.144

(-831)

 

Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfaciliteit

 

127

127

 

178

178

– 10.136

(92)

 

Garantie MKB-financiering

       

41

41

41

(0)

 

Microkredieten

             

Artikel 4 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Garantieregeling Aardwarmte

1.204

1.012

– 192

 

833

833

833

(-218)

Artikel 6 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garanties voor investeringen en werkkapitaal landbouwondernemingen (Borgstelling MKB Landbouwkredieten (BL))

3.644

2.008

– 1.636

2.050

2.682

632

13.144

(-8.627)

Artikel 8 Natuur en Regio

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

             
 

Garantie Ruimte voor Ruimte

     

4.400

 

– 4.400

 

Totaal

 

47.933

52.748

4.815

47.094

55.692

8.598

 

De risicovoorzieningen bestaan uit begrotingsreserves. Een begrotingsreserve is een voorziening die door een ministerie op een afzonderlijke rekening-courant bij het Ministerie van Financiën wordt aangehouden. In de tabel «Overzicht verstrekte garanties» wordt met «totaalstand risicovoorziening» het saldo van de betreffende begrotingsreserve ultimo 2017 bedoeld. In de tabel «Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties» wordt met «mutatie risicovoorziening» de storting (+) dan wel de onttrekking (-) aan deze begrotingsreserve bedoeld. De mutaties op de begrotingsreserves worden in het betreffende beleidsartikel toegelicht.

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

BMKB

De BMKB is bedoeld voor bedrijven die te weinig zekerheden (onderpand) kunnen bieden aan een bank. De bank vindt het risico dat het bedrijf zijn lening niet kan terugbetalen dan vaak te hoog. Via de BMKB staat de overheid borg voor het deel van de lening waar het bedrijf geen onderpand voor heeft. De bank kan voor dat deel dus terugvallen op de overheid. Op grond van de Regeling nationale EZ-subsidies kunnen financiers kredieten die zij verstrekken aan MKB-ondernemers onder de werking van de regeling brengen. Hierdoor stelt de Staat zich voor 90% borg ten behoeve van de financier voor de terugbetaling van deze kredieten (de zogenaamde bedrijfsborgstellingskredieten). Eén van de voorwaarden die de regeling hieraan stelt, is dat de financier gelijktijdig met het verstrekken van een bedrijfsborgstellingskrediet, aan de MKB-ondernemer een ander krediet verstrekt, waarvoor deze borgstelling van de Staat niet geldt. Als hoofdregel geldt dat het bedrijfsborgstellingskrediet ten minste even groot moet zijn als het daarmee gelijktijdig afgesloten andere krediet. Het laatstgenoemde krediet bedraagt daarmee ten minste 100% van het bedrijfsborgstellingskrediet (verhouding 1:1). Voor starters en het innovatieve MKB gelden andere verhoudingen. Om de kredietverlening te stimuleren is per 1 november 2013 het maximum van het borgstellingskrediet verhoogd van € 1 mln naar € 1,5 mln en geldt voor bestaande bedrijven met een borgstellingskrediet tot maximaal € 200.000 de ruimere startersfaciliteit.

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

Met het instrument GO kunnen banken een 50% Staatsgarantie krijgen op (middel)grote leningen vanaf € 1,5 mln. Door de verstrekking van een Staatsgarantie wordt het risico voor de bank op de ondernemingsfinanciering gereduceerd. Dit vergroot de mogelijkheden om te voorzien in de financieringsbehoefte bij het Nederlandse bedrijfsleven. Ter stimulering van de kredietverlening aan het bedrijfsleven zijn de voorwaarden voor de GO-regeling tijdelijk verruimd. In 2013 is het maximum van de garantie verhoogd van € 25 mln naar € 75 mln (tot ultimo 2017) en is de GO, naast de al bestaande mogelijkheid om bankgaranties onder de GO te brengen, ook opengesteld voor alternatieve aanbieders van garanties aan bedrijven.

Groeifaciliteit

Met de Groeifaciliteit worden bedrijven geholpen bij het aantrekken van risicodragend vermogen door een 50% Staatsgarantie te verstrekken op achtergestelde leningen van banken (ten hoogste € 5 mln) en op aandelen van participatiemaatschappijen (ten hoogste € 25 mln). De Groeifaciliteit kan ondernemingen in een groeifase, bij bedrijfsovernames en bij herstructureringen helpen bij het aantrekken van risicokapitaal.

Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfaciliteit

Op basis van de evaluatie van de Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering (GSF) is besloten de GSF na 1 juli 2017 niet te verlengen.

Garantie MKB-financiering

Uit het Aanvullend Actieplan MKB-financiering was in totaal € 1 mld garantieruimte beschikbaar. Hiervan is € 100 mln beschikbaar gesteld voor de funding van Qredits (zie Microkredieten) en € 150 mln is toegevoegd aan de Groeifaciliteit voor garanties op achtergestelde leningen. Van de resterende ruimte van € 750 mln is € 400 mln beschikbaar voor alternatieve financiers voor het MKB. In 2017 is voor € 43,2 mln aan garanties verstrekt.

Microkredieten

Uit het Aanvullend Actieplan MKB-financiering is € 100 mln beschikbaar voor Microkredieten. Hierop is een garantie van € 86,7 mln verstrekt aan de Europese Investeringsbank voor de funding van de Stichting Qredits van € 100 mln voor de verdere groei van de dienstverlening van Qredits (micro- en MKB tot € 150.000) als de nieuwe dienstverlening van Qredits (werkkapitaal en de hogere MKB kredieten tot € 250.000). In 2017 is in dit kader een garantie van € 13,3 mln verstrekt aan de Council of Europe Bank (CEB) voor de funding van Qredits.

Artikel 4 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Garantieregeling Aardwarmte

De garantieregeling Aardwarmte heeft als doel het afdekken van het financiële risico indien een boring van een put voor de toepassing van aardwarmte voor de borende partij minder oplevert dan verwacht. De garantieregeling dekt het risico dat een boring niet in een goede watervoerende laag uitkomt, waardoor het vermogen dat vooraf verwacht werd, niet wordt behaald. In dat geval wordt voor een deel van de gemaakte kosten een subsidie uitgekeerd, gerelateerd naar de mate waarin de aardwarmteboring mislukt is. Er wordt een premie van 7% gevraagd. De regeling richt zich zowel op gewone als diepe aardwarmte-projecten (dieper dan 3.500 meter).

Artikel 6 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garanties voor investeringen en werkkapitaal landbouwondernemingen (Borgstelling MKB Landbouwkredieten (BL))

De Garantieregeling Landbouw (GL) is vervangen door de regeling Borgstelling MKB Landbouwkredieten (BL). Met deze garantieregeling kunnen banken een borgstelling aan land- en tuinbouwondernemers verstrekken. Voor meer informatie zie bijlage van Kamerstuk 32 637 nr. 287 waarin de werking van het begrotingsinstrument wordt beschreven.

Ten opzichte van voorgaande jaren zijn in 2017 weer meer leningen onder garantie verstrekt (totaal circa € 43 mln). Tevens zijn in 2017 minder verliesdeclaraties ingediend (totaal circa € 2 mln). Beiden zijn tekenen van een aantrekkende economie.

Artikel 8 Natuur en regio

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

Het betreft het garant staan voor de leningen die aangetrokken zijn via het Groenfonds voor het realiseren van de EHS-gronden. Deze gronden zijn opgegaan in het Natuur Netwerk Nederland.

Garantie Ruimte voor Ruimte

De provincie Limburg doet voor € 4,4 mln een beroep op een in 2002 afgegeven garantie voor het project Ruimte voor Ruimte, omdat bij de eindafrekening van het project een verlies optreedt.

Overzicht verstrekte leningen (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande lening

Looptijd lening

Totaalstand risicovoorziening 2016

Totaalstand mutatie volume risicovoorziening 2017 en 2016

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

Microkrediet Nederland

46.430

tot en met 2036

   

Artikel 4

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Energieonderzoek Centrum Nederland

54.152

tot en met 2026

   

Artikel 4

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Pallas

20.880

tot en met 2018

   

Artikel 6 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Wageningen Research

30.753

tot en met 2027

   

Artikel 6 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Wageningen Research

11.309

tot en met 2022

   

Artikel 6 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Wageningen Research

12.198

tot en met 2029

   

Artikel 6 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Wageningen Research

2.579

tot en met 2030

   

4. BELEIDSARTIKELEN

1 Goed functionerende economie en markten

Algemene doelstelling

Het scheppen van voorwaarden voor een goed functionerende economie en goed functionerende markten, waaronder de markt voor elektronische communicatie.

Goed functionerende markten dragen in belangrijke mate bij aan de economische groei en innovatie. In een goed functionerende markt reageren vraag en aanbod effectief op elkaar. Consumenten en bedrijven profiteren daarvan. Op goed functionerende markten ontstaat een optimale prijs-kwaliteitverhouding van goederen en diensten en hebben gebruikers keuzevrijheid. Het slim benutten van en zorgdragen voor hoogwaardige elektronische communicatienetwerken en digitale infrastructuren waar de Nederlandse samenleving op kan bouwen én vertrouwen draagt bij aan het economisch groeivermogen en een goed functionerende economie.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Telecommunicatiewet verantwoordelijk voor het stellen van regels voor vaste en mobiele communicatienetwerken. Daarnaast ziet de Minister van EZ het als een taak eventuele belemmeringen voor het goed functioneren van markten te verminderen of weg te nemen en heeft een systeemverantwoordelijkheid voor de statistische informatievoorziening van rijkswege. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Stimuleren

  • Het stimuleren van een goede balans tussen de belangen van bedrijven en consumenten met generiek consumentenbeleid waarbij de Wet handhaving consumentenbescherming centraal staat.

Financieren

  • Het bijdragen aan het goed functioneren van markten door het financieren van TenderNed (het elektronisch aanbestedingssysteem) en diverse organisaties op het gebied van metrologie, normalisatie, accreditatie en markttoezicht.

  • Het financieren van een deel van de exploitatie van het Agentschap Telecom en het verrichten van uitgaven voor opdrachten inzake beleidsvoorbereiding en evaluaties voor frequentiebeleid en veiligheid.

  • Het financieren van het CBS om het van overheidswege verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken mogelijk te maken.

(Doen) uitvoeren

  • Het tegengaan van mededingingsbeperkende gedragingen met de Mededingingswet, mededingingsbeleid en Telecommunicatiewet in alle sectoren van de Nederlandse economie.

  • Het reguleren van de postmarkt met de Postwet 2009 waardoor een toegankelijke en betaalbare basisvoorziening voor de post is gewaarborgd (universele postdienst).

  • Het opstellen van verkeersregels voor het gebruik van de ether, door afspraken te maken in internationaal verband voor harmonisatie en door – in geval van schaarste – te bepalen op welke wijze het spectrum wordt verdeeld.

  • Het inzetten op het realiseren van hoogwaardige en innovatieve breedbandige mobiele communicatie en omroeptoepassingen door verruiming van gebruiksmogelijkheden van het spectrum en door de uitgifte van beschikbare frequentieruimte.

Regisseren

  • Het bevorderen van goed functionerende markten door het scheppen van randvoorwaarden via wet- en regelgeving.

  • Het scheppen van voorwaarden waarbinnen concurrentie kan plaatsvinden door middel van de Waarborgwet, de Winkeltijdenwet, de Aanbestedingswet, de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie en de Metrologiewet.

  • Het op basis van de middellange termijnvisie op de ontwikkeling van telecommunicatie, media en Internet in 2016 verder moderniseren van de regelgeving om deze te kunnen laten meegroeien met de ontwikkelingen in de markt en de behoeftes in de samenleving.

Beleidsconclusies

Aanbesteden

Sinds 1 juli 2017 is elektronisch aanbesteden verplicht bij Europese aanbestedingen. Bij e-aanbesteden verloopt alle communicatie en informatie-uitwisseling tussen overheden en ondernemers elektronisch (digitaal). E-aanbesteden maakt aanbesteden eenvoudiger en bespaart tijd, geld en papier. Ondernemers hoeven bijvoorbeeld nog maar één keer hun bedrijfsgegevens in te vullen. Het verlaagt de drempel voor ondernemers om in te schrijven op opdrachten.

In het kader van het traject Beter Aanbesteden is een zogenaamde actieagenda opgesteld op basis van input van regionale teams van aanbestedende diensten, ondernemers en onderwijs. Deze actieagenda bevat aanbevelingen en concrete acties ter verbetering van de aanbestedingspraktijk. De actieagenda wordt door alle deelnemende partijen ondersteund. De actieagenda is op 16 februari 2018 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstuk, 34 252, nr. 4).

Postmarkt

Conform de voorgestelde beleidsprioriteiten voor 2017 is op 10 juli 2017 de Analyse toekomst postmarkt naar de Kamer gestuurd (Kamerstuk, 29 502, 140). Het document presenteert relevante feiten en een analyse van de huidige situatie, een beschrijving van de verwachte marktontwikkelingen en presenteert de beleidsvragen die beantwoord dienen te worden voordat definitieve beleidskeuzes gemaakt kunnen worden. De analyse is gebaseerd op de in 2016 uitgevoerde scenariostudie en een gebruikersonderzoek en de in 2017 uitgevoerde evaluatie van de universele postdienst (bijlage bij Kamerstuk, 29 502, 140). De analyse biedt bouwstenen om in de toekomst de post betaalbaar, betrouwbaar en bereikbaar te houden.

In december 2017 is het Tijdelijk Besluit Postbezorgers aangepast (Stcrt. 22 december 2017, nr. 515 en Kamerstuk, 29 502, 146). Hiermee is de positie van postbezorgers verbeterd. De voorgestelde wijziging was al in december 2016 aan het parlement voorgelegd, maar de besluitvorming heeft vanwege de verkiezingen en controversieel verklaren langer geduurd.

Wetsvoorstel Ruimte voor Duurzaamheidsinitiatieven

Coalities van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties dragen graag bij aan verduurzaming van de samenleving. Het wetsvoorstel Ruimte voor Duurzaamheidinitiatieven biedt deze partijen een versneld proces om op hun verzoek te komen tot regelgeving rond duurzaamheid. In het voorjaar van 2017 is het wetsvoorstel geconsulteerd. Zowel ondernemers, maatschappelijke organisaties als wetenschappers toonden zich voorstander van het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel ligt op dit moment bij de Raad van State.

Wet markt en overheid

De Wet markt en overheid liep als gevolg van een horizonbepaling op 1 juli 2017 af. Daarom is met het «Besluit van 31 januari 2017, houdende verlenging van de werkingsduur van de gedragsregels voor de overheid in de Mededingingswet» de werking van de wet met twee jaar verlengd (Stb. 2017, 34). Om de wet inhoudelijk te wijzigen is in september en oktober 2017 een wetsvoorstel via internet geconsulteerd. In dit wetsvoorstel wordt de algemeenbelanguitzondering aangescherpt door het stellen van specifieke motiveringsvereisten, het verplichten van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure en het invoeren van een evaluatiebepaling. Met het wetsvoorstel heeft het ministerie een goede stap gezet richting het verbeteren van het proces wanneer overheden gebruikmaken van de algemeenbelanguitzondering.

Pakketreizen

In de begroting van 2017 werd de verwachting uitgesproken dat de richtlijn pakketreizen in 2017 geïmplementeerd zou zijn. Het ministerie heeft hier in 2017 hard aan gewerkt en het wetsvoorstel van de implementatie van deze richtlijn is succesvol in de Tweede Kamer behandeld en aangenomen. Op 5 december 2017 is het wetsvoorstel door de Eerste Kamer als hamerstuk aangenomen (Stcrt. 12 januari 2018, nr. 2) en de nieuwe regels zijn van toepassing vanaf 1 juli 2018. Deze wet regelt dat de aanbieder van de pakketreis verantwoordelijk is voor alle componenten van de samengestelde reis. Consumenten kunnen de aanbieder van de pakketreis hiermee aansprakelijk stellen voor gebreken aan zowel de vlucht, verblijf, evenement bezoek en anderszins in de overeenkomst opgenomen reisdiensten.

CPC-verordening

In 2016 kwam de Europese Commissie met een voorstel voor herziening van de Verordening betreffende samenwerking Europese nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor consumentenbescherming (oftewel de CPC-verordening). Nederland was positief over dit voorstel (Kamerstuk, 22 112, nr. 2168). Wel was Nederland kritisch over voorgestelde handhavingsbevoegdheden die zagen op de compensatie van schade van consumenten en de terugbetaling van de behaalde winst en op handhavingsbevoegdheden om derden te gelasten websites offline te halen. De herziene verordening (Vo. (EU) 2017/2394) is begin 2018 in werking getreden. Deze bevat uiteindelijk géén bevoegdheden die zien op compensatie van schade of terugbetaling van behaalde winst. Op dat punt is de Nederlandse inzet dus behaald. Wat betreft de opgenomen bevoegdheid voor het offline halen van websites is er voldoende ruimte voor de lidstaten om waarborgen op te nemen om een proportionele toepassing van deze bevoegdheid te verzekeren. In een uitvoeringswet zullen deze waarborgen worden vormgegeven. In 2018 wordt een voorstel daarvoor uitgewerkt. Naar verwachting vindt de internetconsultatie in het voorjaar plaats en wordt het wetsvoorstel in het najaar aan de Raad van State voorgelegd.

Nota Mobiele Communicatie

De Nota Mobiele Communicatie, die beschrijft hoe de overheid in de komende vijf tot tien jaar door middel van frequentieverdelingen een efficiënt werkende telecommunicatiemarkt wil waarborgen, was gepland in 2017. In 2017 is een concept van de nota geconsulteerd. De reacties op deze consultatie noopten tot nadere onderzoeken en een advies van ACM met betrekking tot de eerstvolgende veiling van de 700 MHz-, 2100 MHz-, en 1452–1492 MHz-banden. Eind 2017 werd bekend gemaakt dat T-Mobile Nederland voornemens is Tele2 Nederland over te nemen. Omdat deze overname van grote invloed is op de (mobiele) markt voor telecommunicatie, wordt een besluit over de voorgenomen overname afgewacht alvorens de nota wordt afgerond. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd bij brief van 22 december 2017 (Kamerstuk, 24 095, nr. 424) en verder toegelicht via de beantwoording van Kamervragen op 8 februari (Aanhangselnummer 1103). Naar verwachting zal op zijn vroegst in de tweede helft van 2018 duidelijk worden wanneer de Nota Mobiele Communicatie met de daarin te benoemen voorwaarden voor de eerstkomende veiling wordt gepubliceerd. De oorspronkelijke planning is dus helaas niet gehaald. Het blijft de inzet om de veiling in 2019 plaats te laten vinden.

Kengetal

2013

2014

2015

2016

2017

Ambitie komende jaren

Concurrentie markt mobiele telefonie (HHI-index)

3.675

3.469

3.529

3.547 (Q2)

3.147 (Q2)

dalend

Bron: ACM

De Herfindahl-Hirschman index (HHI) geeft een indicatie van de marktconcentratie en daarmee de mate van concurrentie in de mobiele telecommunicatiemarkt. De HHI is afhankelijk van het aantal marktpartijen (hoe meer partijen, des te lager de HHI) en de respectievelijke marktaandelen (hoe evenwichtiger de verdeling van de marktaandelen, des te lager de HHI). Vanaf de begroting 2017 is het effect zichtbaar van het actief worden van Tele2 als vierde netwerkspeler. Voorheen werd in de HHI berekening rekening gehouden met drie spelers. Hierdoor is de HHI waarde gedaald, hetgeen inderdaad duidt op toegenomen concurrentie. De berekening van de HHI wordt jaarlijks door ACM gedaan en gepresenteerd in haar marktmonitor.

Digitale connectiviteit

In 2017 is met verschillende stakeholders gesproken over het creëren van de juiste randvoorwaarden voor een goede digitale infrastructuur en het wegnemen van eventuele belemmeringen. Uit de gesprekken met stakeholders is een aantal belangrijke randvoorwaarden voor een goede digitale infrastructuur naar voren gekomen, te weten: spectrum, lokaal beleid, als ook investeringen, continuïteit en innovatie in netwerken. Sindsdien wordt met partijen nader gesproken over deze onderwerpen en is besloten om een actieplan digitale connectiviteit op te stellen, om te zorgen voor een kwalitatief hoogwaardige connectiviteit die een grote diversiteit aan vraag kan bedienen en altijd en overal beschikbaar is tegen concurrerende tarieven. Het actieplan digitale connectiviteit zal medio 2018 aan de Kamer zal worden aangeboden. Met het actieplan zal een verdere stap worden gezet naar de beschikbaarheid van snel internet voor zoveel mogelijk huishoudingen en bedrijven.

Herziening Europees Telecomkader

Lidstaten bereikten in november 2017 een gezamenlijke positie over de herziening van het Europees telecomkader. Het belangrijkste doel van deze richtlijn is het verbeteren van de randvoorwaarden voor investeringen in snelle digitale communicatieverbindingen in de EU. Het commissievoorstel dateert van september 2016 en is in de Raadspositie naar tevredenheid van Nederland op alle belangrijke punten aangepast. Zo is er meer ruimte voor toegangsregulering van vaste netwerken en voor een verdeling van spectrum voor mobiele netwerken die aansluit op nationale omstandigheden. De Raadspositie vormt het uitgangspunt voor de onderhandelingen met het Europees Parlement, die naar verwachting in april 2018 zullen worden afgerond.

Op 15 juni 2017 werden de nieuwe EU-regels voor roaming binnen de EU van kracht. Wie in een andere EU-lidstaat belt, sms-t of internet, betaalt dankzij deze regels evenveel als in eigen land. Dit principe heet Roam Like At Home. Om de lage roamingtarieven voor consumenten mogelijk te maken werden er in 2017 ook afspraken gemaakt over de tarieven die telecombedrijven binnen de EU aan elkaar rekenen voor gebruik van netwerken door bezoekers uit andere lidstaten. De Nederlandse doelstelling om deze tarieven voldoende te verlagen is daarbij gehaald. De nieuwe roamingregels zijn positief ontvangen door zowel consumenten als bedrijven.

Wetsvoorstel informatie uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken

Op 20 februari 2018 is het Wetsvoorstel informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken door de Eerste Kamer aangenomen (Kamerstuk, 34 739), waarmee de richtlijn kostenreductie breedband wordt geïmplementeerd. Het wetsvoorstel geeft een verdere impuls aan de ontwikkeling van breedbandnetwerken door bestaande infrastructuur die er al ligt, efficiënter te benutten. Hiermee worden de kosten voor het aanleggen van breedbandnetwerken verlaagd. Een hoogwaardige digitale infrastructuur is van groot belang voor de economische ontwikkeling en dit wetsvoorstel draagt daaraan bij. Met dit wetsvoorstel krijgen telecomaanbieders het recht op medegebruik van fysieke infrastructuur van andere beheerders van netwerken, zoals energiebeheerders, havenbedrijven en rioleringsbedrijven. Telecomaanbieders mogen gebruik maken van bijvoorbeeld kabelgoten, mantelbuizen, straatkasten en masten van die bedrijven. Deze netbeheerders kunnen voor het medegebruik aanspraak maken op een redelijke vergoeding. Dit wetsvoorstel wijzigt verder de zogenaamde gedoogplicht voor ongebruikte telecomkabels. Met de wijziging wordt voorkomen dat een grondeigenaar, zoals een gemeente, vanaf 1 januari 2018 precariobelasting zou kunnen heffen op telecomkabels die tien jaar niet zijn gebruikt. Deze buizen kunnen nog worden ingezet voor de aanleg van breedband. Met de wijziging wordt de druk bij telecomaanbieders weggenomen om deze buizen op te ruimen vanwege hoge precariokosten. De verwachting is dat het wetsvoorstel medio maart 2018 in werking zal treden. Hoewel het implementatietraject langer heeft geduurd dan vooraf was voorzien, is uiteindelijk een goede balans gevonden tussen het opruimen van ongebruikte telecomkabels en het verlagen van de kosten van breedbandnetwerken door benutting van bestaande infrastructuur.

Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 (Bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2013

2014

2015

2016

2017

2017

2017

VERPLICHTINGEN

214.441

195.559

197.904

193.012

212.076

188.943

23.133

UITGAVEN

216.199

197.270

200.072

194.204

208.679

185.726

22.953

               

Subsidies

797

356

900

600

488

 

488

Digitalisering regionale radio

797

356

900

600

488

 

488

               

Opdrachten

8.071

6.593

8.575

6.825

6.400

7.503

– 1.103

Onderzoek en Opdrachten

2.883

2.833

2.961

2.244

1.366

1.199

167

PIANOo/TenderNed

1.572

689

1.040

477

69

644

– 575

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

3.616

3.071

4.574

4.104

4.965

5.660

– 695

               

Bijdragen aan agentschappen

14.510

16.075

20.074

23.260

29.523

22.909

6.614

Agentschap Telecom

10.921

10.735

12.021

14.571

17.747

13.173

4.574

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

365

351

996

1.145

11.746

9.736

2.010

DICTU

3.224

4.989

7.057

7.544

30

 

30

               

Bijdrage aan ZBO’S/RWT’s

190.090

170.667

166.532

159.720

168.613

151.395

17.218

Metrologie

14.969

14.319

14.268

10.182

9.615

9.458

157

Raad voor Accreditatie

162

262

190

231

210

132

78

ACM

1.333

695

645

637

641

448

193

CBS

173.626

155.391

151.429

148.670

158.147

141.357

16.790

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

2.731

3.579

3.991

3.799

3.653

3.919

– 266

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

790

1.480

1.234

1.144

1.172

1.212

– 40

Internationale organisaties

1.941

2.043

2.757

2.655

2.481

2.634

– 153

Raad van deskundige voor de nationale meetstandaarden

 

56

     

73

– 73

               

ONTVANGSTEN

3.846.784

58.853

52.224

103.840

90.319

30.900

59.419

Ontvangsten ACM

1.074

963

         

High Trust

16.655

34.441

31.880

30.568

71.143

30.200

40.943

Diverse ontvangsten

3.829.055

23.449

20.344

73.272

19.175

700

18.475

Toelichting op de verplichtingen

Het verschil van € 23,1 mln wordt met name verklaard door:

  • Bijdrage aan het CBS: zoals toegelicht in de 2e suppletoire begroting 2017 is een bijdrage van € 12 mln ter versterking van het eigen vermogen verleend.

  • Loon- en prijsbijstelling: bij 2e suppletoire begroting 2017 is voor € 4,1 mln aan loon- en prijsbijstelling uitgekeerd op diverse instrumenten.

  • Agentschap Telecom: De hogere bijdrage aan het Agentschap Telecom (€ 4,6 mln) betreft de verhoging bij de 2e suppletoire begroting 2017 voor onder andere compensatie stijging pensioenpremies ABP, prijsbijstelling en een aantal aanvullende opdrachten.

  • Frequenties: bij de 2e suppletoire begroting 2017 is sprake van een verhoging van € 0,8 mln voor het vastleggen van opdrachten.

  • Nederlands Normalisatie Instituut (NEN): bij de 2e suppletoire begroting 2017 zijn de verplichtingen met € 0,1 mln verhoogd.

  • Het verplichtingenbudget is met € 1,8 mln verhoogd in verband met het meerjarig vastleggen van een internationale verplichting van Universal Postal Union (UPU).

Toelichting op de uitgaven

Subsidies

Digitalisering regionale radio

Dit betreft de uitfinanciering van de in 2011 afgegeven subsidiebeschikking aan de Stichting Regionale Publieke Omroep. Dit is de afgelopen jaren aangewend voor investeringen in digitale radio voor de regionale publieke omroepen. In 2017 is besloten tot een verlenging van de subsidie met 2 jaar.

Een indicatie voor het succes van digitale radio is de penetratiegraad van digitale radio-ontvangers in huishoudens. Dit wordt gemonitord door het CBS. Belangrijke indicator voor dit succes is het percentage huishoudens dat over een DAB+ ontvanger beschikt (in huis en/of in de auto) en daarmee toegang heeft tot digitale radio. Het percentage draagt bij aan het bepalen van een afschakeldatum voor de analoge FM.

Kengetal

Referentiewaarde

Peildatum

Realisatie 2017

Streefwaarde

Planning

Penetratiegraad van digitale radio ontvangers in huishoudens

6,0%

2015

10%

35%

2020

Bron: CBS

Bijdragen aan agentschappen

Agentschap Telecom

De hogere bijdrage aan het Agentschap Telecom (€ 4,6 mln) betreft de verhoging bij de 2e suppletoire begroting 2017 voor onder andere compensatie stijging pensioenpremies ABP, prijsbijstelling en een aantal aanvullende opdrachten.

Om te voldoen aan de rijksbrede ambitie van digitalisering is het Agentschap gestart met het programma zaakgericht werken (GAMMA). Hiermee realiseert het Agentschap de gevraagde digitaliseringsslag en wordt haar ICT-landschap vervangen. Hiervoor heeft AT in 2017 bij de 2e suppletoire begroting € 1,9 mln extra bijdrage ontvangen.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

De hogere bijdrage van € 2 mln heeft te maken met een verhoging van het budget voor stijging van de pensioenpremies ABP en de toegekende loon- en prijsbijstelling (€ 0,3 mln). Ook is een aantal aanvullende opdrachten verstrekt (€ 0,7 mln) en heeft er in verband met de overgang van PIANOo/TenderNed met ingang van 1 januari 2017 naar RVO.nl nog een aanvullende overboeking plaatsgevonden van € 1 mln.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

CBS

Van het verschil van € 16,8 mln heeft € 12,0 mln betrekking op een additionele bijdrage die EZ aan het CBS heeft verstrekt bij 2e suppletoire begroting 2017. Met deze bijdrage kan het CBS investeren in ICT, om het CBS in staat te stellen meer opbrengsten te genereren en efficiënter te werken, en zo de taakstelling Rutte-II te kunnen invullen. Van 2021 tot en met 2026 wordt de bijdrage aan het CBS met € 2 mln per jaar verlaagd, zodat deze additionele bijdrage meerjarig budgetneutraal opgevangen kan worden.

Daarnaast heeft EZ € 3,7 mln verleend voor loon- en prijsbijstellingen en heeft EZ diverse aanvullende opdrachten verstrekt voor specifieke beleidsondersteunende statistieken.

Toelichting op de ontvangsten

Het verschil van € 59,4 mln wordt met name verklaard door:

  • High Trust: zoals is toegelicht in de 2e suppletoire begroting 2017 betreft dit een meevaller als gevolg van een boete die de ACM aan de Nederlandse Spoorwegen (NS) heeft opgelegd (€ 39,9 mln).

  • Diverse ontvangsten: zoals toegelicht in de 1e suppletoire begroting 2017 betreft dit de afrekening met Agentschap Telecom over 2016 (€ 8,3 mln) en zoals toegelicht bij 2e suppletoire begroting 2017 afgedragen inkomsten van Agentschap Telecom (€ 8,5 mln).

2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

Algemene doelstelling

Met het bedrijvenbeleid werkt EZ aan een uitmuntend ondernemingsklimaat dat bedrijven stimuleert om duurzaam en innovatief te kunnen ondernemen. Daarbij worden de volgende vier strategische doelen nagestreefd:

  • 1. stimuleren van een concurrerend, innovatief en duurzaam bedrijfsleven;

  • 2. bevorderen van ondernemerschap en toegang tot en benutting van ondernemers(risico)financiering;

  • 3. ontwikkelen en benutten van hoogwaardig (internationaal) publiek gefinancierd onderzoek en technologie, inclusief publiek-private programma’s voor onderzoek, innovatie en menselijk kapitaal;

  • 4. waarborgen van responsieve overheids- en informatiediensten voor ondersteuning van ondernemers op regionaal, nationaal en internationaal niveau.

Het kabinet heeft met het Bedrijvenbeleid drie ambities:

  • Nederland in de top 5 van de meest concurrerende kenniseconomieën in de wereld (in 2020);

  • stijging van de Nederlandse R&D-inspanningen naar 2,5% van het BBP (in 2020);

  • Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI) waarin publieke en private partijen participeren voor meer dan € 800 mln waarvan tenminste 40% private financiering betreft (in 2020).

Over de voortgang bij de realisatie van de doelen van het Bedrijvenbeleid en over de indicatoren en kengetallen op dit beleidsterrein wordt jaarlijks gerapporteerd op de website «Bedrijvenbeleid in beeld» en in de Voortgangsrapportage Bedrijvenbeleid. De meest recente edities van deze rapportages zijn op 9 oktober 2017 verschenen (Kamerstuk, 32 637, nr. 293). De begroting geeft het overzicht van de budgettaire gevolgen van het bedrijvenbeleid.

Ad 1) Stimuleren van een concurrerend, innovatief en duurzaam bedrijfsleven

Het vergroten van de maatschappelijke welvaart – door met innovatie duurzame economische groei aan te jagen – vormt de kern van het bedrijvenbeleid. Nederland zal het, in het geval van een krimpend arbeidsaanbod, de komende decennia vooral moeten hebben van productiviteitsgroei. Innovatie en ambitieus ondernemerschap zijn daar belangrijke sleutels voor. Succesvolle innovaties creëren daarbij niet alleen economische toegevoegde waarde, maar ook nieuwe producten, diensten en productieprocessen die een bijdrage leveren aan (deel)oplossingen voor de grote maatschappelijke uitdagingen van deze tijd, bijvoorbeeld op het gebied van medische technologie, watermanagement en duurzaam energie- en materiaalgebruik. Een belangrijk deel van de beleidsinspanningen richt zich daarom op het aanjagen en stimuleren van een innovatief en duurzaam bedrijfsleven.

2) Bevorderen van ondernemerschap en toegang tot en benutting van ondernemers(risico)financiering

Ondernemerschap is, in een dynamische economie als de Nederlandse, cruciaal voor ons concurrentie- en innovatievermogen. Nieuwe bedrijven zijn een belangrijke bron van economische groei, innovatie en productiviteit (creatieve destructie). Een goede toegang tot ondernemersfinanciering is van essentieel belang voor het kunnen realiseren van de plannen van ambitieuze ondernemers. Het bedrijvenbeleid borgt daarom de toegang tot financiering voor kansrijke en in de kern gezonde bedrijven. Daarnaast wordt in het bedrijvenbeleid ondernemerschap in Nederland ook bevorderd door ook andere facetten van het ondernemingsklimaat goed en concurrerend te houden. Daarbij gaat het niet alleen om zaken als fiscale regelingen (onder andere zelfstandigenaftrek), toegang tot talent (onder andere techniekpact) en ondernemersvaardigheden (onder andere NLGroeit) maar ook om eventuele onvolkomenheden in het handelsverkeer (franchisecode; betaaltermijnen), om de impact van regelgeving en om de gevolgen van overheidsbeleid zelf (innovatiegericht inkopen).

3) Ontwikkelen en benutten van hoogwaardig (internationaal) publiek gefinancierd onderzoek en technologie, inclusief publiek-private samenwerking

Voor innovatie en vernieuwend ondernemerschap is de ontwikkeling, kwaliteit en benutting van wetenschappelijke en toegepaste kennis één van de belangrijkste voedingsbronnen. Het maatschappelijk rendement en responsiviteit van publiek gefinancierde onderzoeksinstellingen kan worden vergroot door onderzoekssamenwerking met bedrijven en door het uitlokken van private kennisinvesteringen van bedrijven in dergelijke publiek-private onderzoekssamenwerking. Daarmee worden bovendien de beschikbare middelen voor onderzoek vergroot. Innovatie is geen lineair proces dat zich binnen één organisatie afspeelt, maar een complex interactie- en kennisuitwisselingsproces tussen verschillende actoren in een «open» innovatienetwerk of -cluster (van bedrijven, kennisleveranciers, maatschappelijke organisaties en/of consumenten). Niet alleen de ondernemer en zijn omgeving staat daarom centraal in het bedrijvenbeleid, maar ook het stelsel van toegepast onderzoek en de interactie en publiek-private onderzoeksamenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen en overheden (nationaal, regionaal en Europees) in het relevante innovatienetwerk, zoals in de topsectoren. Daartoe faciliteert EZ met het bedrijvenbeleid ook een responsief stelsel van (toegepast) onderzoek.

4) Responsieve overheids- en informatiediensten en ondersteuning voor ondernemers op regionaal, nationaal en internationaal niveau

Om ondernemers de ruimte te geven om succesvol te kunnen ondernemen en hun positie zowel regionaal, nationaal als internationaal te versterken biedt EZ (veelal samen met andere departementen) verschillende publieke diensten aan. De geboden informatie en dienstverlening is veelzijdig: van informatie over wetgeving, belastingregels en maatschappelijk verantwoord ondernemen tot subsidies en directe (financiële) ondersteuning bij regionale en (inter)nationale activiteiten van ondernemers uit binnen- en buitenland. Toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige publieke diensten verhogen de kwaliteit van het ondernemerschap en bespaart ondernemers kostbare tijd. Om de (hoge) kwaliteit van het Nederlandse vestigings- en ondernemingsklimaat op peil te houden werkt EZ nauw samen met haar internationale, Europese en regionale partners en andere vakdepartementen. EZ versterkt de digitalisering van contacten tussen overheid en bedrijfsleven met als doelstelling dat burgers en bedrijven hun zaken digitaal kunnen afhandelen. Ook met merkbare vermindering van administratieve lasten en nalevingskosten, meer innovatie en duurzaamheid bevorderende wet- en regelgeving en met de inzet van meer ICT worden gunstige voorwaarden gecreëerd voor succesvol ondernemerschap, een ondersteunend ondernemingsklimaat en een aantrekkelijk investeringsklimaat.

Rol en verantwoordelijkheid

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de belangrijkste rollen en verantwoordelijkheden die de Minister van Economische Zaken heeft in het Bedrijvenbeleid. In de tekst onder de tabel wordt verder toegelicht wat deze rollen en verantwoordelijkheden behelzen en op welke van de vier hierboven onderscheiden strategische doelen ze betrekking hebben.

In dit begrotingsartikel ligt de nadruk zoals aangegeven op overheidsinterventies met financiële gevolgen voor de begroting. Naast financiële interventies spelen in het Bedrijvenbeleid echter ook niet-financiële interventies een belangrijke rol bij het realiseren van de strategische doelen, bijvoorbeeld op het terrein van wet- en regelgeving, maar ook en vooral bij het organiseren van publiek-private samenwerking (bijvoorbeeld binnen de topsectoren, op regionaal niveau en door de inzet van «Green Deals»). Een volledig overzicht van deze interventies wordt geboden in de jaarlijkse voortgangsrapportage en in de Monitor Bedrijvenbeleid.

 

Stimuleren

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

Stimuleren van een concurrerend, innovatief en duurzaam bedrijfsleven

     

Ondernemerschap bevorderen en toegang tot en benutting van ondernemers(risico)financiering

     

Ontwikkelen en benutten van hoogwaardig (internationaal) publiek gefinancierd onderzoek en technologie, inclusief publiek-private samenwerking

 

Responsieve overheids- en informatiediensten en ondersteuning voor ondernemers op regionaal, nationaal en internationaal niveau

 

Stimuleren van een concurrerend, innovatief en duurzaam bedrijfsleven

De Minister stimuleert een concurrerend, innovatief en duurzaam bedrijfsleven door:

  • private investeringen in R&D te bevorderen via de WBSO;

  • de R&D-samenwerking in het midden- en kleinbedrijf te stimuleren via de regeling MKB-innovatiestimulering Topsectoren (MIT);

  • in samenwerking met andere ministeries, bedrijven, wetenschap en maatschappelijke organisaties de transitie naar groene groei te versnellen, onder meer via het «Green Deal»- en «Ruimte in Regels» instrument en de interdepartementale programma’s «Groene Groei» en «Bio Based Economy» en het rijksbrede programma Circulaire Economie;

  • internationale samenwerking op het terrein van R&D te faciliteren, onder meer via Internationaal Innoveren en Eurostars;

  • cofinanciering van de EFRO-programma’s (Europees Fonds Regionale Ontwikkeling (EFRO); voor de EFRO-programma’s binnen Nederland draagt de Minister systeemverantwoordelijkheid;

  • het bevorderen van innovatiegericht inkopen door overheden;

  • de inrichting van een adequaat stelsel van intellectueel eigendom;

  • samen met OCW en met het Valorisatieprogramma twaalf consortia te ondersteunen bij het vormgeven van hun activiteiten op het gebied van ondernemerschapsonderwijs en kennisvalorisatie;

  • samen met de partners van het «Techniekpact» te zorgen voor voldoende technisch personeel;

  • In samenwerking met bedrijfsleven, maatschappelijke middenveld, de vakbeweging, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en andere ministeries door middel van IMVO-convenanten in te zetten op het identificeren, voorkomen en verminderen van IMVO-risico’s in de waardeketens van het Nederlands bedrijfsleven.

Bevorderen van ondernemerschap en toegang tot en benutting van ondernemers(risico)-financiering

De Minister stimuleert ondernemerschap door:

  • de toegang tot financiering te verbeteren door als overheid garant te staan voor in de kern gezonde bedrijven en verbeterde toegang tot (risico)kapitaal in cruciale fases in de levenscyclus van bedrijven;

  • het ondersteunen van de transitie op de kapitaalmarkt door ruimte en ondersteuning te bieden aan alternatieve vormen van financiering;

  • inzetten op investeringen in Nederland onder meer door het Nederlands Investerings Agentschap (NIA) en via ondersteuning van het private initiatief van institutionele beleggers in de vorm van de Nederlandse Investeringsinstelling (NLII); een pakket van fiscale ondernemersstimulering gericht op zelfstandig ondernemerschap, bedrijfsoverdrachten en bedrijfsinvesteringen;

  • ambitieus ondernemerschap in Nederland aan te jagen door het met StartupDelta versterken van het «start up» en «scale up» ecosysteem;

  • de toegang tot vaardigheden te verbeteren door vraag en aanbod op elkaar af te stemmen via publiek-private samenwerking (NL-Groeit);

  • eerlijk en verantwoord handelsverkeer te bevorderen via afspraken en/of gedragscodes (corporate governance, franchise, betaalme.nu).

Ontwikkelen en benutten van hoogwaardig (internationaal) publiek gefinancierd onderzoek en technologie, inclusief publiek-private samenwerking

De Minister van EZ en de bewindslieden van OCW coördineren en borgen de publieke kennisinfrastructuur voor toegepast en fundamenteel onderzoek. De Minister financiert en regisseert het ontwikkelen en benutten van hoogwaardig (internationaal) publiek gefinancierd onderzoek en technologie, inclusief publiek-private samenwerking door:

  • de TO2-instituten (TNO, Wageningen Research, ECN, Deltares, Marin en NLR) te financieren;

  • gezamenlijke regie met OCW op de publiek-private samenwerking via NWO, waarbij EZ specifiek NWO-TTW subsidieert.

Daarnaast heeft de Minister een stimulerende rol met:

  • de PPS-toeslag, voor het stimuleren van private deelname aan publiek-private onderzoeksinitiatieven vanuit de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s);

  • de financiële bijdrage aan het ruimtevaartbeleid, met name in Europees verband.

Tot slot heeft de Minister een regisserende rol bij het tot stand komen van publiek-private samenwerking binnen het bedrijvenbeleid: de topsectorenaanpak, zoals bij de invulling van de kennis- en innovatiecontracten en «Human Capital Agenda’s» van de topsectoren, bij de maatwerkaanpak op het terrein van regelgeving, bij de «Green Deals» en bij de «Nationale Iconen».

Waarborgen van responsieve overheids- en informatiediensten voor ondersteuning van ondernemers op regionaal, nationaal en internationaal niveau

De Minister stimuleert responsieve overheids- en informatiediensten en ondersteuning voor ondernemers op regionaal, nationaal en internationaal niveau door:

  • uitvoering van de wettelijke taken van de Kamer van Koophandel (Handelsregister en innovatiestimulering) en het inrichten van regionale Ondernemerspleinen ten behoeve van de informatievoorziening, zowel fysiek als digitaal;

  • digitaal zakendoen met de overheid voor ondernemers mogelijk te maken;

  • toegang tot overheidsondersteuning (financieel en/of door middel van kennis via: de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; Het aansturen van het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) met als oogmerk het aantrekken van buitenlandse investeerders naar Nederland, samen met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; het Innovatie Attaché Netwerk ter ondersteuning van ondernemers uit binnen- en buitenland bij hun internationale R&D en innovatie-ambities;

  • gerichte regie op het verbinden van het Bedrijvenbeleid met de relevante regionale netwerken en partners.

Daarnaast heeft de Minister ook een uitvoerende rol bij het verlenen van Nederlandse octrooien volgens de in de Rijksoctrooiwet geformuleerde voorwaarden.

Beleidsconclusies

Met het bedrijvenbeleid werkt EZ aan een uitmuntend ondernemers- en vestigingsklimaat, dat bedrijven in staat stelt succesvol, duurzaam en innovatief te ondernemen. De voortgangsrapportage bedrijvenbeleid 2017 en website Bedrijvenbeleid in Beeld geven inzicht in de geboekte voortgang van het afgelopen jaar. Beide laten zien dat het bedrijvenbeleid zijn vruchten afwerpt. Dat blijkt uit de voortgang op de drie centrale ambities van het bedrijvenbeleid voor 2020:

  • 1. Nederland in de top 5 van kenniseconomieën in de wereld.

  • 2. Stijging van de Nederlandse R&D inspanningen naar 2,5% van het bbp.

  • 3. Topconsortia voor Kennis en Innovatie, waarin publieke en private partijen participeren voor meer dan € 800 mln, waarvan tenminste 40% gefinancierd door het bedrijfsleven.

Nederland ook in 2017 op vierde plaats mondiale concurrentie-index

Een van de ambities van het Bedrijvenbeleid is dat Nederland tot de top 5 behoort van de meest concurrerende kenniseconomieën in de wereld. Deze ambitie is geformuleerd voor 2020, maar wordt inmiddels al enkele jaren gerealiseerd. Als maatstaf voor de realisatie wordt de positie van Nederland op de ranglijst van The Global Competitiveness Index van World Economic Forum gehanteerd. In 2015 is Nederland op deze mondiale concurrentieranglijst gestegen van 8 naar 5, waarna in 2016 en 2017 een vierde positie werd behaald. Met deze vierde positie is Nederland de meest concurrerende economie in de Europese Unie.

R&D-inspanningen nemen licht toe

In het kader van de Europa 2020-strategie stelt Nederland zich ten doel dat in 2020 2,5% van het bruto binnenlands product aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) wordt uitgegeven. De afgelopen jaren zijn de R&D-uitgaven substantieel gestegen, van 1,90% van het bbp in 2011 naar 2,00% van het bbp in 2014 en 2015 en, volgens voorlopige cijfers van het CBS, 2,03% van het bbp in 2016. Hiermee blijft Nederland nog wel ver verwijderd van de doelstelling. In internationaal perspectief scoort Nederland boven het EU-28 gemiddelde (1,96% van het bbp in 2015), maar blijft het fors achter bij het OECD-gemiddelde (2,38% van bbp in 2015). Nederland scoort daarbij relatief laag bij de R&D-uitgaven in de private sector en relatief hoog bij de R&D-uitgaven in de publieke sector.

Publiek en private uitgaven aan pps-projecten blijven toenemen

In het Bedrijvenbeleid geldt als ambitie dat er in 2020 voor meer dan € 800 mln aan publiek-private-samenwerking (PPS) plaatsvindt in TKI-verband, waarvan tenminste 40% is gefinancierd door het bedrijfsleven. De omvang van deze publiek-private samenwerking heeft zich de afgelopen jaren voortvarend ontwikkeld, waardoor de doelstelling al in 2015 ruimschoots werd gehaald. De geïnvesteerde middelen in publiek-private samenwerkingsprojecten bedroegen in 2016 naar schatting € 1.026 mln. Dat is bijna € 60 mln meer dan in 2015. Bedrijven investeerden zo’n € 498 mln in de publieke kennisinfrastructuur. Het aandeel private middelen komt daarbij uit op 49 procent.

Invest-NL

Op 10 februari 2017 is Invest-NL aangekondigd (Kamerstuk, 28 165, nr. 266), een nieuwe financierings- en ontwikkelingsinstelling. In het regeerakkoord is aangekondigd dat het kabinet de oprichting doorzet conform de reeds in gang gezette opzet met drie hoofddoelen. Er is onder andere gewerkt aan het wettelijk kader, het uitwerken van de statuten en beleids- en samenwerkingsovereenkomsten, de voorbereiding van de staatssteunprocedure bij de Europese Commissie, en de operationele inrichting van de instelling (inclusief het samenwerkingsverband met FMO). 15 februari 2018 zijn Tweede en Eerste Kamer geïnformeerd over de Vormgeving van Invest-NL, en de start van de publieke internetconsultatie van het wetsvoorstel medio februari voor een periode van 6 weken. Indiening van de wet bij de Tweede Kamer is voorzien in het najaar van 2018.

Om vooruitlopend op de formele oprichting wel al de benodigde ontwikkeling en eventuele financiering te kunnen doen, heeft het kabinet in de 1e suppletoire begroting 2017 middelen vrijgemaakt voor het intensiveren van de ontwikkelactiviteiten die thans worden uitgevoerd door het Nederlandse Investerings Agentschap (NIA) en FMO NL Business. De ontwikkelactiviteit betreft zowel ondersteuning bij de business development van startende en doorgroeiende innovatieve bedrijven als ondersteuning bij het tot stand komen van projecten. Hiermee hebben NIA en FMO NL Business hun capaciteit kunnen uitbreiden voor de ontwikkeling van bedrijven en projecten. In beide gevallen gaat het om het financierbaar maken van bedrijven of projecten met zo veel mogelijk private inleg. Dit heeft bij NIA onder andere geleid tot een nieuw Co-investeringsfonds met het EIF voor zeer snel groeiende innovatieve bedrijven, en de Energie Transitie Financieringsfaciliteit met BNG, die als regeling zal worden afgeschaft maar waarvan het doel via de investeringstak van Invest-NL zal worden voortgezet. De ontwikkeltak van Invest-NL zal ertoe bijdragen dat projecten die nu onvoldoende van de grond komen op het terrein van de transitie-opgaven, zoals in de energie(besparing) en verduurzaming, worden vlot getrokken. Tevens kan Invest-NL als regisseur optreden om met de markt financieringsbronnen bij elkaar te brengen en kleinere projecten te bundelen en te standaardiseren.

Bedrijfsfinanciering

Alhoewel de situatie op de financieringsmarkt de afgelopen jaren is verbeterd, blijven de slagingspercentages van kredietaanvragen van het MKB achter. Trendmatig gezien neemt het percentage afwijzingen sinds 2014 af. Uit de laatste financieringsmonitor die met de Tweede Kamer is gedeeld (2017–1) blijkt echter dat voor het micro- en kleinbedrijf de afwijzingspercentages aanzienlijk hoger liggen (microbedrijf 34% en kleinbedrijf 24%) dan het midden- en grootbedrijf met name doordat de financier het risico hoger percipieert. Inzet op bedrijfsfinanciering met het financieringsinstrumentarium en diverse aanvullende maatregelen blijft om bovenstaande redenen belangrijk. Het Aanvullend Actieplan MKB-financiering (Kamerstuk, 32 637, nr. 270) dat heeft bijgedragen aan verbreding van het aanbod in de markt van MKB-financiering, en aan het oplossen van fricties en onvolkomenheden in de markt, is afgerond. De beschikbaarheid van voldoende risicokapitaal geeft ondernemers ruimte om te investeren. Daarom is er in 2017 samen met het Europees Investeringsfonds (EIF) een faciliteit voor € 100 mln (waarvan € 50 mln uit het Toekomstfonds) geopend voor snelgroeiende ondernemingen, zogenaamde scale-ups.

Ambitieus Ondernemerschap

Innovatieve MKB’ers, en dan met name de startups en scale-ups, zijn vernieuwers van de economie, dagen het gevestigde bedrijfsleven uit om te innoveren en dragen bij aan de werkgelegenheid. De aanpak voor startups en scale-ups blijft gericht op het wegnemen van barrières die deze groep MKB bedrijven ervaren in hun groeipad. Uitdagingen liggen met name op het gebied van toegang tot voldoende opgeleid talent, toegang tot investeerders en financieringsinstrumenten, netwerkontwikkeling, toegang en benutting van kennis en toegang tot (internationale) markten. Publieke en private partners binnen StartupDelta hebben in 2017 vol ingezet op deze thema’s. Voorbeelden daarvan zijn de lancering van het scale-up fonds (zie ook conclusie bedrijfsfinanciering), de deelname en zichtbaarheid van Nederland op internationale missies en beurzen (zoals CES Las Vegas) en de uitvoering van maatregelen uit de Citydeal Warm Welkom Talent.

Techniekpact

Het Techniekpact versterkt de regionale samenwerking tussen het onderwijs en het bedrijfsleven om het aanbod van technisch geschoold personeel te vergroten en het in stand houden van relevant onderwijs. Het aantal betrokken bedrijven bij publiek-private samenwerkingsverbanden in het beroepsonderwijs is in vier jaar tijd met 2.900 toegenomen, tot circa 4.500 bedrijven in schooljaar 2016/2017.

Sinds eind 2013 is het aantal werkzame mensen in de techniek met 92.000 gestegen tot 1.487.000 eind 2016. Het ICT-aandeel daarbinnen kende in dezelfde periode een groei van 2 procentpunt tot 13% eind 2016.

De instroom van studenten in de bètatechniek nam tussen 2013/2014 en 2016/2017 toe met 2 procentpunt in het WO (nu 36%), 4 procentpunt in het HBO (nu 25%) en 3 procentpunt in het MBO (nu 32%). Deze cijfers tonen een positieve trend wat betreft stijgende instroom in technische opleidingen, waarmee de ambitie van 4 op 10 jongeren met een technische opleiding in 2020 binnen bereik is.

Digitale overheid

Op het vlak van digitale overheid zijn diverse stappen gezet. Zo is de verplichting voor het elektronisch indienen van de jaarrekening bij de Kamer van Koophandel (KvK) via Standard Business Reporting vanaf het boekjaar 2017 ook voor middelgrote rechtspersonen ingegaan. Dit vermindert de papieren rompslomp voor deze ondernemers. Voor micro-ondernemingen en kleine rechtspersonen gold deze verplichting al voor het boekjaar 2016. Er zijn in 2017 ruim 672.000 jaarrekeningen elektronisch gedeponeerd, waarvan bijna 580.000 via SBR-software. Daarnaast is medio 2017 een intentieovereenkomst getekend door de Belastingdienst, UWV, Kamer van Koophandel, RDW, DUO en de gemeente Den Haag. Deze partijen hebben afgesproken om gezamenlijk in de 12 maanden vanaf Q4 2017 hun online diensten voor bedrijven geheel of gedeeltelijk open te stellen voor het inloggen met eHerkenning. De overeenkomst betekent dat in 2018 een doorbraak van het gebruik van eHerkenning bij grote overheidspartijen zal plaatsvinden.

Verder heeft een herpositionering van het digitaal ondernemersplein plaatsgevonden. Met het Ondernemersplein werken verschillende overheden (waaronder RVO.nl, KvK, CBS, BD en UWV) samen om informatie van de overheid vanuit het perspectief van de Ondernemer te ontsluiten. Tot slot heeft de Eerste en Tweede Kamer het wetsvoorstel aangenomen tot wijziging van Aanbestedingswetgeving in verband met de implementatie van de EU-richtlijn voor elektronische facturering bij overheidsopdrachten. Bedrijven die zaken doen met aanbestedende diensten en speciale sectorbedrijven krijgen op basis van deze wijziging het «recht» om bij opdrachten boven de EU drempelwaarden een e-factuur in te dienen. Deze ontwikkelingen wijzen uit dat het beleid van de afgelopen jaren succesvol is en wordt omgezet in concrete maatregelen op het vlak van de digitale dienstverlening.

Regeldruk

Op 12 mei 2017 heeft de Minister van Economische Zaken de rapportage «goed geregeld» naar de kamer gestuurd waarin verantwoording wordt afgelegd over de reductie van de regeldruk in de kabinetsperiode 2012–2017.

Hierin wordt aangegeven dat in de genoemde kabinetsperiode een structurele verlaging van de regeldrukkosten met € 2,48 mld is gerealiseerd. Hiermee is ruim 99% van de kabinetsdoelstelling van € 2,5 mld gerealiseerd. De reductie bevatte voor € 1,39 mld aan maatregelen voor bedrijven en voor € 1,09 mld aan maatregelen voor burgers en professionals.

Verder is aangegeven dat binnen een aantal sectoren in het kader van de maatwerkaanpak concrete problemen van ondernemers zijn opgelost. Binnen die maatwerkaanpak inventariseert de overheid samen met bedrijven, burgers en professionals knelpunten om die vervolgens gezamenlijk op te lossen. Zo werd in het kader van de maatwerkaanpak «winkelambacht» een digitale bedrijfshulpverleningsapplicatie ontwikkeld waarmee een forse besparing kan worden gerealiseerd om dat werkgevers op een eenvoudige en adequate wijze passende bedrijfshulpverlening kunnen organiseren. Ook is er binnen de maatwerkaanpak «banken» een InnovationHub gelanceerd met als doel innovatie in de financiële sector te accommoderen.

Tot slot is per 1 juni 2017 het nieuwe Adviescollege Toetsing Regeldruk van start gegaan met als opdracht de toetsing van voorgenomen regelgeving te verbeteren. Naast het toezien op het goed in kaart brengen van de regeldrukeffecten van nieuwe wetgeving schenkt de ATR ook aandacht aan de vraag of alternatieven goed zijn afgewogen en of er voor het minst belastende alternatief is gekozen.

Budgettaire gevolgen van beleid artikel 2 (bedragen x € 1.000)1
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2017

2017

2017

VERPLICHTINGEN

1.654.654

2.357.564

– 702.910

Waarvan garantieverplichtingen

805.621

1.676.662

– 871.041

UITGAVEN

843.402

829.651

13.751

       

Garanties

58.916

65.780

– 6.864

BMKB

34.818

41.594

– 6.776

Storting reserve BMKB

11.147

 

11.147

Groeifaciliteit

4.216

8.850

– 4.634

Storting reserve Groeifaciliteit

2.144

 

2.144

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

1.610

11.745

– 10.135

Storting reserve GO

4.940

 

4.940

Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering

 

3.591

– 3.591

Storting reserve MKB Financiering

41

 

41

       

Subsidies

97.343

113.606

– 16.263

Lucht- en Ruimtevaart

1.587

3.214

– 1.627

MKB-Innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

15.818

31.265

– 15.447

Eurostars

13.325

14.689

– 1.364

Bevorderen Ondernemerschap

7.465

6.242

1.223

Groene Groei en Biobased Economy

1.147

1.553

– 406

Cofinanciering EFRO, inclusief INTERREG

37.356

42.916

– 5.560

Bijdrage aan ROM's

5.375

5.313

62

Overige subsidies

15.270

8.414

6.856

       

Opdrachten

29.971

35.681

– 5.710

Onderzoek en opdrachten

4.255

4.697

– 442

Caribisch Nederland

190

1.044

– 854

ICT beleid

16.834

19.056

– 2.222

Regeldruk

735

2.221

– 1.486

Mainport Rotterdam

7.537

7.612

– 75

Regiekosten regionale functie

263

1.051

– 788

Invest-NL i.o.

157

 

157

       

Bijdragen aan agentschappen

107.074

88.925

18.149

Bijdrage RVO.nl

98.351

83.978

14.373

Bijdrage Agentschap Telecom

3.240

2.710

530

Bijdrage Logius

2.672

2.237

435

Invest-NL i.o.

2.811

 

2.811

       

Bijdragen aan ZBO's/RWT’s

268.831

255.888

12.943

Bijdrage aan TNO

138.926

131.361

7.565

Kamer van Koophandel

109.969

104.301

5.668

NWO-TTW2

19.936

20.226

– 290

       

Bijdragen aan medeoverheden

2.045

3.914

– 1.869

Sterke Regio's en Nota Ruimte

2.045

3.914

– 1.869

       

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

279.221

265.857

13.364

Internationaal Innoveren

36.499

33.771

2.728

PPS-toeslag

100.804

99.396

1.408

TO2 (exclusief TNO)

32.348

31.745

603

Topsectoren overig

31.193

21.386

9.807

Ruimtevaart (ESA)

66.599

64.766

1.833

Bijdrage NBTC

8.694

8.554

140

Bijdragen organisaties

3.084

6.239

– 3.155

       

ONTVANGSTEN

134.101

114.332

19.769

BMKB

37.316

33.000

4.316

Groeifaciliteit

5.510

8.000

– 2.490

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

9.132

13.000

– 3.868

Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering (GSF)

178

4.000

– 3.822

Onttrekking reserve GSF

10.136

 

10.136

MKB Financiering

41

 

41

Luchtvaartkredietregeling

13.507

8.447

5.060

Rijksoctrooiwet

40.260

37.681

2.579

Eurostars

1.629

4.238

– 2.609

Joint Strike Fighter

2.009

2.500

– 491

Diverse ontvangsten

14.383

3.466

10.917

X Noot
1

Artikel 2 in deze vorm is voor het eerst verschenen in de begroting 2017. Er zijn daarom alleen realisatiegegevens opgenomen voor 2017.

X Noot
2

De stichting Technische Wetenschappen (STW) is per 1 januari 2017 opgegaan in de ZBO NWO (NWO-domein TTW). In de oorspronkelijke begroting was STW opgenomen onder bijdragen aan (inter-)nationale organisaties. Met de 1e suppletoire begroting 2017 is NWO-TTW opgenomen onder de Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s.

Toelichting op de verplichtingen

De verplichtingen zijn circa € 703 mln lager dan geraamd. Dit wordt veroorzaakt door de volgende mutaties:

  • Benutting garantie-instrumentarium (– € 927,6). Van het garantie-instrumentarium bleven de volgende budgetten onbenut: Borgstelling MKB (BMKB) € 206,7 mln; Groeifaciliteit (GF) € 109,8 mln; Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) € 234,4 mln; De benutting van de BMKB en de Groeifaciliteit lag op een lager niveau dan in 2016 (– € 98,3 respectievelijk -€ 26,1 mln). De benutting van de GO lag € 47 mln boven het niveau van vorig jaar. De ETFF is medio 2017 in werking getreden waarvoor tot ultimo 2017 nog geen garanties zijn verstrekt.

  • Daarnaast zijn in het kader van het aanvullend actieplan MKB-financiering voor € 56,5 mln aan garanties verstrekt, waarvoor aanvankelijk geen budget was geraamd in de oorspronkelijke begroting. Bij 1e suppletoire begroting 2017 is hiervoor het garantiebudget beschikbaar gesteld.

  • Het saldo per garantieregeling van de beschikbare begrotingsmiddelen, ontvangsten en schade-uitgaven per ultimo 2017 is afgestort in de begrotingsreserves van de garantieregelingen (€ 18,3 mln). Dit betreft achtereenvolgens de volgende bedragen: BMKB € 11,1 mln; GF € 2,1 mln, GO € 4,9 mln en MKB-garanties € 0,1 mln.

  • MKB Innovatiestimulering Topsectoren MIT (– € 11 mln). Dit wordt in het bijzonder veroorzaakt door een overheveling naar het Provinciefonds van € 14,1 mln ten behoeve van de decentrale uitvoering van de MIT. Deze overheveling heeft voor € 1,52 mln betrekking op de tranche 2016 en voor € 12,6 mln op de tranche 2017. Omdat de uitvoering van de decentrale MIT door de regio’s wordt uitgevoerd, vormen de hiermee samenhangende middelen geen onderdeel van de verantwoording in het jaarverslag van het Rijk. Naast deze overheveling van € 14,1 mln werd € 3 mln aan verplichtingenruimte aan de begroting toegevoegd uit de onderuitputting van 2016.

  • TNO (€ 12,7 mln). Dit betreft diverse mutaties die plaats hebben gevonden bij de 2e suppletoire begroting. De belangrijkste mutaties zijn: Het verwerken van de loon- en prijsbijstelling tranche 2017 ad € 2,4 mln; de bijdrage van I&M ad € 3,1 mln in het kader van het implementatie programma Basisregistratie Ondergrond (BRO) van TNO; de bijdrage van Justitie en Veiligheid ad € 1,6 mln in aanvulling op het Vraaggestuurd Programma Veilige Maatschappij van TNO; het naar voren halen van verplichtingenruimte van in totaal € 7,4 mln om de committering aan TNO voor 2018 te kunnen vastleggen in 2017; een overheveling van € 2,5 mln naar beleidsartikel 6 (Concurrende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens) ten behoeve van Wageningen Research in het kader van de oprichting van het Dutch Food Initiative.

  • Kamer van Koophandel (€ 6,8 mln): De hogere verplichtingenrealisatie voor de Kamer van Koophandel komt voort uit bijdragen van diverse overheidspartijen – als gebruiker van het handelsregister – voor innovatie van het handelsregister, bijdragen van het Ministerie van Financiën en Veiligheid en Justitie voor de bouw van het UBO-register, de door het Ministerie van Financiën uitgekeerde loon- en prijsbijstelling en compensatie in verband met stijging pensioenpremies en een technische mutatie voor de uitkering hiervan in 2018, alsmede de door de Unie van Waterschappen geleverde bijdrage voor inputfinanciering van het handelsregister.

  • PPS-toeslag (€ 26 mln): De belangrijkste oorzaken hiervoor betreffen de wijzigingen in de 2e suppletoire begroting waarmee de verplichtingenruimte van de PPS-toeslag is opgehoogd met € 20 mln. Dit was nodig om de toen verwachte aanvragen te faciliteren. De uiteindelijke verplichtingenrealisatie van de PPS-toeslagregeling was € 143 mln. Ook is het verplichtingenbudget voor het Organiserend Vermogen van de TKI’s, dat ook onder de PPS-toeslag wordt verantwoord, opgehoogd met circa € 4 mln.

  • Ruimtevaart (€ 100,3 mln). De mutatie betreft het naar voren halen van verplichtingenruimte in verband met het committeren van de inschrijvingen op de Ministerconferentie 2016 van het Europese Ruimtevaart Agentschap (ESA).

  • Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) (€ 14,3 mln): De opdracht aan RVO.nl met € 14,3 mln is verhoogd als gevolg van onder andere de volgende mutaties en aanvullende opdrachten: loon- en prijsbijstelling (€ 2,8 mln), opdrachten ICT beleid (€ 5,9 mln voor onder andere Regelhulpen, Ondernemersplein, Mijn overheid voor ondernemers, Berichtenbox bedrijven, eIDAS knooppunt, programma bureau efactureren), vaststelling RVO.nl-opdracht 2016 (€ 1,1 mln), opdrachten NFIA (€ 0,9 mln voor onder andere werkzaamheden in het kader van de Brexit), het Nederlands Investerings Agentschap (€ 0,9 mln) en overige opdrachten (€ 2,7 mln voor onder andere het Netherlands Space Office, Startup Delta, Hannover Messe, het Aanvullen Actieplan, compensatie voor de euro/dollar koers voor NFIA en het Innovatie Attaché Netwerk).

Toelichting op de uitgaven

Garanties

Borgstelling MKB (BMKB) (– € 6,8 mln): De schade-uitgaven voor de BMKB lagen op hetzelfde niveau als vorig jaar (€ 34,8). Vanwege het lage aantal faillissementen was niet het volledige voor schadeuitgaven geraamde budget nodig. Door deze lagere uitgaven van € 6,8 mln en de hoger dan geraamde ontvangsten van € 4,3 mln was het mogelijk € 11,1 mln te storten in de begrotingsreserve van de BMKB als buffer voor eventuele tegenvallers in de toekomst.

Garantie Ondernemingsfinanciering (– € 10,1 mln): Voor de GO waren de schade-uitgaven beperkt (€ 1,6 mln), waardoor de realisatie fors onder de schaderaming in de begroting uitkwam. Voor de GO was het mogelijk een bedrag van € 4,9 mln af te storten in de begrotingsreserve als buffer voor eventuele tegenvallers in komende jaren.

Subsidies

MKB-Innovatiestimulering Topsectoren (MIT) (– € 15,4 mln): Deze lagere realisatie wordt voornamelijk veroorzaakt door een overheveling naar het Provinciefonds van € 14,1 mln ten behoeve van de decentrale uitvoering van de MIT. Omdat de uitvoering van de decentrale MIT door de regio’s wordt uitgevoerd, vormen de hiermee samenhangende middelen geen onderdeel van de verantwoording in het jaarverslag van het Rijk. Daarnaast was er sprake van een beperkte onderuitputting van € 1,3 mln als gevolg van een aangepast uitbetalingsritme.

EFRO (– € 5,6 mln): Dit wordt in het bijzonder veroorzaakt door een budgetoverheveling naar het Ministerie van Financiën voor de opdrachtverlening aan de Auditdienst Rijk (ADR) voor het uitvoeren van de werkzaamheden voor de landsdelige EFRO-programma’s en voor Interreg (€ 1,5 mln) en het alternatief inzetten ten behoeve van het werkgelegenheidsprogramma Vierkant voor Werk (€ 1,7 mln). Daarnaast was er € 1,9 mln onderuitputting.

Overige subsidies (€ 6,9 mln): Dit wordt in het bijzonder veroorzaakt door een boekhoudkundige afwikkeling van alle financiële verplichtingen vanuit het programma Pieken in de Delta (€ 5,9 mln). Tegenover deze geboekte uitgaven is in het kader van de afwikkeling van deze verplichtingen een ontvangst van circa € 6,1 mln in de administratie verwerkt. Per saldo is op basis van de subsidieverantwoording door het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN) circa € 0,2 mln teruggestort aan EZ als gevolg van te veel verstrekte voorschotten. Daarnaast was voor de uitfinanciering van de Innovatieve Onderzoeksprogramma’s € 1,1 mln minder benodigd. Voor de uitfinanciering van de aangegane verplichtingen in het kader van de Subsidieregeling Innovatieve Scheepsbouw was € 2,0 mln benodigd waarvoor in de oorspronkelijke begroting geen middelen waren geraamd.

Bijdragen aan agentschappen

RVO.nl (€ 14,3 mln): Dit betrof een verhoging van de opdracht aan RVO.nl. Zie de toelichting onder de verplichtingen.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

TNO (€ 7,6): Dit betreft diverse mutaties die plaats hebben gevonden bij de 2e suppletoire begroting 2017. De belangrijkste mutaties zijn: het verwerken van de loon- en prijsbijstelling tranche 2017 ad € 2,4 mln; de bijdrage van IenW ad € 3,1 mln in het kader van het implementatieprogramma Basisregistratie Ondergrond (BRO) van TNO; de bijdrage van Justitie en Veiligheid ad € 1,6 mln in aanvulling op het Vraaggestuurd Programma Veilige Maatschappij van TNO.

Kamer van Koophandel (€ 5,7 mln): De hogere uitgaven voor de Kamer van Koophandel komen voort uit bijdragen van diverse overheidspartijen – als gebruiker van het handelsregister – voor innovatie van het handelsregister, bijdragen van het Ministerie van Financiën en Veiligheid en Justitie voor de bouw van het UBO-register, de uitgekeerde loon en prijsbijstelling en compensatie in verband met stijging van de pensioenpremies, alsmede de door de Unie van Waterschappen geleverde bijdrage voor inputfinanciering van het handelsregister. Daarnaast is de benodigde kasbijdrage beschikbaar gesteld voor de financieringsdesk, de kosten van de bronkopie van het handelsregister en voor het programmma NL Groeit in 2017.

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

Topsectoren overig (€ 9,8 mln): De belangrijkste reden hiervoor is dat voor de oud FES-projecten NanonextNL en Commit de subsidies definitief zijn vastgesteld. Voor de slotbetalingen op deze verplichtingen was € 3,8 mln respectievelijk € 5 mln benodigd. Bij de 2e suppletoire begroting 2017 zijn hiervoor de benodigde budgetten beschikbaar gesteld.

Strategisch doel 1 Stimuleren van een concurrerend, innovatief en duurzaam bedrijfsleven

Tabel kengetallen behorend bij strategisch doel 1

Kengetallen

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Bron

MIT

           

RVO.nl

Aantal bedrijven dat deelneemt aan MIT1

 

707

662

1.206

1.287

1.404

 

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met MIT (x € 1 mln)

 

26

61

86

83

93

 

Eurostars

           

RVO.nl

Aantal Nederlandse deelnemers aan Eurostars

44

49

20

69

75

72

 

waarvan bedrijven

37

37

13

50

52

49

 

waarvan hightech MKB (%)

89%

81%

100%

96%

90%

98%

 

Door Eurostars ondersteunde private R&D-uitgaven van Nederlandse deelnemers (x € 1 mln)

11,1

13

7

32

28

30

 

Horizon20202

           

RVO.nl/EC

Aantal Nederlandse deelnemers aan H2020

 

1.544

449

712

984

1.388

 

waarvan bedrijven

 

1.185

298

500

713

1.003

 

Omvang H2020-middelen voor Nederlandse deelnemers (retour in mln euro)

 

3.403

538

1.016

1.644

2.272

 

waarvan bedrijven (%)

 

21%

31%

28%

25%

27%

 

Retourpercentage voor Nederland (%)

 

7,5%

8,1%

7,7%

7,5%

7,6%

 

WBSO

           

RVO.nl

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van WBSO

22.220

22.640

22.974

22.980

22.330

21.265

 

Door WBSO ondersteunde private R&D-uitgaven (S&O-loon, x € 1 mln)

3.854

3.917

3.997

3.868

3.930

4.008

 
X Noot
1

De MIT-cijfers zijn voorlopig omdat nog niet alle regio’s hun rapportage hebben aangeleverd. De cijfers zijn exclusief Utrecht (R&D tender) en exclusief netwerkactiviteiten en innovatiemakelaars.

X Noot
2

Deze cijfers zijn cumulatief. De peildatum is oktober 2017. Een deel van de stijging in 2017 is het gevolg van een andere meetmethode. Anders dan voorgaande jaren heeft de Europese Commissie de zogenaamde «thirdparties» (voor onder meer de Marie Curie beurzen) meegeteld.

Strategisch doel 2 Bevorderen ondernemerschap en toegang tot en benutting van ondernemers(risico)financiering

Tabel kengetallen behorend bij strategisch doel 2

Kengetallen

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Bron

BMKB

           

RVO.nl

Verstrekte garanties BMKB, x € 1 mln

486

344

372

446

657

558

 

Totaal aantal verstrekte garanties

2.640

1.983

1.949

2.545

3.688

3.299

 

Groeifaciliteit

           

RVO.nl

Verstrekte garanties Groeifaciliteit, x € 1 mln

13

8

32

19

37

21

 

Totaal aantal verstrekte garanties

21

16

20

14

17

8

 

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

           

RVO.nl

Verstrekte garanties GO, x € 1 mln

103

103

82

137

58

91

 

Totaal aantal verstrekte garanties

53

51

39

76

36

80

 

Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering

           

RVO.nl

Verstrekte garanties Scheepsnieuwbouw, x € 1 mln

 

44

0

3

0

0

 

Totaal aantal verstrekte garanties

 

6

0

1

0

0

 

Qredits

           

Qredits

Aantal verstrekte kredieten (Micro- en MKB-krediet)

1.133

1.020

1.187

1.500

1.750

2.238

 

Qredits heeft in 2017 aan 2.238 startende en bestaande ondernemers een krediet verstrekt voor in totaal een bedrag van € 53,8 mln. Dit zijn 488 kredieten meer dan in 2016 ofwel een groei van 28%.

Er werden 1.747 microkredieten (€ 35 mln), 118 MKB kredieten (€ 10,5 mln), 359 flexibele kredieten (€ 5,5 mln) en 14 achtergestelde leningen (€ 3,8 mln) verstrekt.

Het aantal aanvragen is ook gestegen te weten 8% meer aanvragen voor een microkrediet en 6% meer aanvragen voor een MKB krediet. Voor een MKB-krediet aanvraag is een afwijzing of doorverwijzing van de bank nodig.

Uit het Aanvullend Actieplan MKB-financiering was € 100 mln beschikbaar voor Microkredieten. Eind 2017 is een garantie verstrekt van € 13,3 mln aan de Bank van de Raad van Europa voor een lening aan Qredits van € 16,6 mln. Deze bank financiert activiteiten met een sociale impact en past goed bij de doelstellingen van Qredits. In 2015/16 was reeds een garantie verstrekt van € 86,7 mln aan de Europese Investeringsbank voor een lening aan Qredits van € 100 mln. De leningen van beide banken wordt ingezet voor zowel de verdere groei van de dienstverlening van Qredits (micro- en MKB tot € 150.000) als de nieuwe dienstverlening van Qredits (werkkapitaal en de hogere MKB-kredieten tot € 250.000).

Strategisch doel 3 Ontwikkelen en benutten van hoogwaardig (internationaal) publiek gefinancierd onderzoek en technologie, inclusief publiek-private samenwerking

Tabel kengetallen behorend bij strategisch doel 3

Kengetallen

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Bron

TKI's

           

RVO.nl/ TKI’s

Omvang middelen PPS-programma’s TKI (x € 1 mln)1

 

571

814

970

1.026

n.n.b.

 

waarvan private middelen (%)

 

35%

44%

49%

49%

n.n.b.

 

TO2

             

Klanttevredenheid Deltares

 

8,0

7,9

8,7

8,6

8,2

Deltares

Klanttevredenheid Marin

 

8,8

9,0

8,8

8,9

8,6

Marin

Klanttevredenheid NLR

 

8,5

8,7

8,8

8,7

8,7

NLR

Klanttevredenheid TNO

 

8,2

8,3

8,4

8,6

8,6

TNO

Kennisbenutting Deltares

     

96%

97%

93%

Deltares

Kennisbenutting Marin

     

97%

100%

100%

Marin

Kennisbenutting NLR

     

99%

99,5%

99%

NLR

Kennisbenutting TNO

     

98%

98%

98%

TNO

Europese Ruimtevaartorganisatie (ESA)

             

Aantal Nederlandse bedrijven dat deelneemt aan ruimtevaartprogramma’s ESA

499

 

552

121

121

136

ESA

Ruimtevaart geo-return/retour (%)

1,07

1,10

1,14

1,02

1,18

1,16

ESA

X Noot
1

Het cijfer over 2016 betreft het definitieve realisatiecijfer van de omvang middelen PPS-programma’s TKI en wijkt af van het voorlopige cijfer gepresenteerd in de begroting 2018.

Strategisch doel 4 Waarborgen van responsieve overheids- en informatiediensten en ondersteuning voor ondernemers op regionaal, nationaal en internationaal niveau

Tabel kengetallen behorend bij strategisch doel 4

Kengetallen

2013

2014

2015

2016

2017

Bron

Innovatie Attaché Netwerk

         

IAN/RVO.nl

Geformaliseerde samenwerkingsverbanden

67

115

78

97

60

 

Klanttevredenheid1

8,6

8,8

8,6

8,1

n.n.b.

 

Netherlands Foreign Investment Agency

         

NFIA/RVO.nl

Projecten

193

187

207

227

224

 

Investeringsomvang (€ mln)

1.658

3.185

1.765

1.467

1.227

 

Werkgelegenheid (arbeidsplaatsen)

8.435

6.304

7.779

7.570

8.158

 

KvK/Ondernemerspleinen

         

KvK

Waardering Kamer van Koophandel2

 

7,1

7,1

7,2

– 10

 

Bereik Kamer van Koophandel

 

51%

52%

55%

55%

 

Waardering Ondernemersplein.nl3

 

6,8

6,8

7,0

7,3

 

Regeldruk

           

Netto verlaging regeldruk (cumulatief, € mln)

527

1.153

1.808

2.228

2.481

EZ

X Noot
1

In het najaar van 2017 is geen meting uitgevoerd onder klanten van het netwerk. Deze meting wordt alsnog uitgevoerd in het eerste kwartaal van 2018 en de realisatie wordt opgenomen in de begroting 2019.

X Noot
2

In 2016 is de Kamer van Koophandel voor het meten van de waardering overgestapt op het meten van de Net Promotor Score (NPS). Hierbij wordt gemeten hoe klanten van de Kamer van Koophandel, de producten en/of diensten aanbevelen bij een collega of zakenrelatie. De NPS wordt verkregen door het verschil te berekenen tussen het percentage Promotors (zij die een score van 9 of 10 geven) en het percentage Criticasters (respondenten die een score van 0 tot 6 geven). Dit is een gangbare (internationale) meetmethodiek. De NPS was in 2016 – 13 en in 2017 – 10. De ambitie voor 2018 is om deze score (ten opzichte van 2017) met 3 punten te laten groeien tot – 7. Het vergroten van de waardering wordt gerealiseerd met onder andere het verder oplossen van knelpunten in de dienstverlening en het vergroten van het klantgemak.

X Noot
3

Het cijfer voor 2017 is gebaseerd op het Online Tevredenheidsonderzoek van het vierde kwartaal 2017.

Toelichting op de ontvangsten

Onttrekking begrotingsreserve Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering (GSF) (€ 10,1 mln): De GSF is per 1 juli 2017 beëindigd. De laatste garantieverplichtingen vervielen ultimo 2017. De middelen in de begrotingsreserve die ten behoeve van de regeling was opgebouwd, zijn in 2017 aan deze reserve onttrokken en vielen vrij ten gunste van het generale beeld. Zie ook de toelichting op de uitgaven.

Luchtvaartkredietregeling (€ 5,1 mln): De meevaller in de ontvangsten is veroorzaakt doordat een luchtvaartkrediet van € 2,7 mln in één keer werd afgelost.

Daarnaast is een aantal luchtvaartkredieten versneld afgelost en zijn er hogere aflossingen gerealiseerd dan aanvankelijk geraamd.

Diverse ontvangsten (€ 10,9 mln): Deze ontvangstenmeevaller wordt door de volgende mutaties veroorzaakt:

  • Ontvangsten ruimtelijk economisch beleid (€ 6,5 mln): Dit wordt in het bijzonder veroorzaakt vanwege de boekhoudkundige afwikkeling van oude subsidieverplichtingen Pieken in de Delta (zie ook de toelichting onder de uitgaven).

  • Ontvangsten innovatie (€ 1,9 mln): Er is bij de afwikkeling van oude subsidieverplichtingen in totaal € 1,9 mln terugontvangen, onder andere aan te veel betaalde voorschotten.

  • Terugontvangsten RVO.nl (€ 2,5 mln): In het kader van de afwikkeling van de opdracht aan RVO.nl over 2015 is in 2017 nog een bedrag van € 2,5 mln terug ontvangen. De opdracht werd tegen lagere dan geraamde kosten uitgevoerd.

Toelichting op de begrotingsreserves

Begrotingsreserve Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

Bedragen x € 1 mln

Stand 1/1/2017

58,6

+ Storting

11,1

– Onttrekking

 

Stand per 31/12/20171

69,8

X Noot
1

De afwijking van dit bedrag met de twee bovenstaande bedragen wordt veroorzaakt door een afrondingsverschil.

Op basis van de gerealiseerde schade-uitgaven, de beschikbare middelen op de begroting en de gerealiseerde ontvangsten is € 11,1 mln gestort in de begrotingsreserve BMKB.

Begrotingsreserve Groeifaciliteit

Bedragen x € 1 mln

Stand 1/1/2017

16,2

+ Storting

2,1

– Onttrekking

 

Stand per 31/12/2017

18,3

Op basis van de gerealiseerde schade-uitgaven, de beschikbare middelen op de begroting en de gerealiseerde ontvangsten is € 2,1 mln gestort in de begrotingsreserve Groeifaciliteit.

Begrotingsreserve Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

Bedragen x € 1 mln

Stand 1/1/2017

60,1

+ Storting

4,9

– Onttrekking

 

Stand per 31/12/20171

65,1

X Noot
1

De afwijking van dit bedrag met de twee bovenstaande bedragen wordt veroorzaakt door een afrondingsverschil.

Op basis van de gerealiseerde schade-uitgaven, de beschikbare middelen op de begroting en de gerealiseerde ontvangsten is € 4,9 mln gestort in de begrotingsreserve Garantie Ondernemingsfinanciering.

Begrotingsreserve Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering

Bedragen x € 1 mln

Stand 1/1/2017

10,1

+ Storting

 

– Onttrekking

– 10,1

Stand per 31/12/2017

0

Op basis van de evaluatie van de Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering (GSF) is besloten de GSF na 1 juli 2017 niet te verlengen. Daarmee is de noodzaak om een begrotingsreserve GSF aan te houden vervallen.

Begrotingsreserve Garantie MKB-financiering

Bedragen x € 1 mln

Stand 1/1/2017

9,0

+ Storting1

0

– Onttrekking

 

Stand per 31/12/2017

9,0

X Noot
1

Er is daadwerkelijk € 41.000 gestort, in de afronding is dat echter 0 en blijft de stand van de reserve € 9,0 mln.

3 Toekomstfonds

Algemene Doelstelling

Versterken van de innovatieve kracht van Nederland door het beschikbaar stellen van financiering voor innovatief en snelgroeiend MKB en voor fundamenteel en toegepast onderzoek en het behouden van vermogen voor toekomstige generaties.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is rijksbreed verantwoordelijk voor versterking van het innovatievermogen, in het bijzonder gericht op het bedrijfsleven en verantwoordelijk voor het scheppen van randvoorwaarden voor een excellent ondernemingsklimaat.

De Minister van EZ en de bewindslieden van OCW coördineren en borgen de publieke kennisinfrastructuur voor toegepast en fundamenteel onderzoek.

Vanuit deze verantwoordelijkheden heeft de Minister een financierende en faciliterende rol, samenhangend met de stimulerende, regisserende en faciliterende rollen zoals vermeld in artikel 2 van deze begroting:

Financieren/faciliteren

  • Het mede-financieren van investeringen in R&D en innovatie.

  • Het faciliteren van toegang tot en financieren van (risico)kapitaal voor bedrijven.

  • Het mede-financieren van Europese en internationale samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie.

Beleidsconclusies

De beschikbaarheid van risicokapitaal voor startups en snelgroeiende en innovatieve bedrijfsleven is in Nederland de afgelopen jaren flink vergroot, maar loopt in vergelijking met toonaangevende innovatie-gedreven landen, zoals de Verenigde Staten en Israël, nog achter (OECD 2017, Entrepreneurship at a glance). Het Toekomstfonds speelt een belangrijke rol om hier verandering in te brengen. In 2017 heeft EZ samen met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in drie eHealth fondsen geïnvesteerd in de Seed-capital regeling. Deze fondsen investeren in startende ondernemingen die innovatie zorgtechnologie ontwikkelen op het gebied van eHealth. Daarnaast is er ook binnen de Seed € 10 mln beschikbaar gesteld om te investeringen met zogenaamde business angels in startups. Voor de snelgroeiende innovatieve ondernemingen is er het Dutch Venture Initiative en is er in 2017 een co-investeringsfonds van € 100 mln voor grotere risicokapitaal investeringen gestart.

Om de oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen en het toekomstig verdienvermogen extra kracht bij te zetten investeert het kabinet vanuit het Toekomstfonds tevens in hoogwaardige onderzoeksfaciliteiten en in excellente onderzoeksthema’s. In 2017 zijn er met de regeling Toekomstfondskrediet OnderzoeksFaciliteiten met € 13,7 mln 4 voorstellen gehonoreerd om onderzoeksfaciliteiten te ondersteunen (brief d.d. 25-10-2017, Kamerstuk, 31 288/34 775 VIII nr. 603). Tevens zijn met € 3,6 mln twee Smart Industry field Labs aanvragen gehonoreerd en is de Vroege Fase Financiering uitgebreid. Dat betekent dat TO2-starters een aanvraag kunnen indienen voor subsidie voor een haalbaarheidsstudie (maximaal € 45.000); en als vervolg daarop kunnen meedingen naar een lening (maximaal € 250.000) voor een vroegefasetraject.

Oost NL werkt samen met het Europees Investeringsfonds (EIF) en EZ aan het Dutch Venture Initiative om de toegang tot financiering te verbeteren voor snelgroeiende innovatieve ondernemingen. Voor ondernemingen met groeiambities blijft de beschikbaarheid van risicokapitaal cruciaal. Venture capital fondsen zijn met hun risicokapitaalverstrekking bij uitstek financiers van snelgroeiende innovatieve ondernemingen. Bedrijven gefinancierd met venture capital groeien bovengemiddeld. DVI-1 heeft geleid tot 15 nieuwe hoogwaardige risicokapitaalfondsen met financiering uit de private markt, waaronder ook initiatieven waar provincies bij betrokken zijn. DVI-1 heeft daarmee al haar middelen gecommitteerd. Het Europese Investeringsfonds (EIF) heeft voor het tweede DVI-fonds € 100 mln beschikbaar gesteld en via Oost NL stelt het EZ ook € 100 mln beschikbaar. Dit fonds is in april 2016 gestart en heeft al in zeven nieuwe hoogwaardige risicokapitaalfondsen geïnvesteerd.

Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie 20151

Realisatie

2016

Realisatie

2017

Vastgestelde begroting 2017

Verschil

VERPLICHTINGEN

194.439

166.591

198.306

94.489

103.817

UITGAVEN

78.451

125.418

130.373

145.118

– 14.745

           

Leningen

72.401

118.571

122.593

138.530

– 15.937

I MKB-FINANCIERING

         

Volledig revolverend

         

Dutch Venture Initiative/Fund of Funds

3.000

26.000

13.500

32.600

– 19.100

Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen

 

15.144

15.001

 

15.001

Co-investment venture capital instrument/EIF

   

10.000

 

10.000

Smart Industry

   

337

 

337

           

Gedeeltelijk revolverend

         

Innovatiekrediet

45.178

39.910

44.802

51.358

– 6.556

Risicokapitaal (seed capital)

14.856

16.538

18.461

20.263

– 1.802

Vroege fasefinanciering

9.367

10.555

11.676

11.309

367

Start ups/MKB

     

23.000

– 23.000

NL-Californië Duurzaam E-mobility fund

         
           

II INVESTERINGEN IN FUNDAMENTEEL EN TOEGEPAST ONDERZOEK

Met vermogensbehoud

         

Fundamenteel en toegepast onderzoek

 

10.424

8.816

 

8.816

           

III Staatsobligaties Toekomstfonds

         
           

Subsidies

   

224

 

224

IV Reëel rendement voor onderzoek

         

V Overige subsidies

         

Smart Industry

   

168

 

168

Haalbaarheidsstudies TO2 innovatieve starters

   

56

 

56

           

Bijdragen aan agentschappen

6.050

6.847

7.554

6.588

966

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

6.050

6.847

7.554

6.588

966

           

ONTVANGSTEN

49.428

138.848

52.632

36.388

16.244

MKB-FINANCIERING BESTAND INSTRUMENTARIUM

         

Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen

10.000

114.567

10.500

3.000

7.500

Fund of Funds (DVI I/Business Angels)

     

100

– 100

Innovatiekredieten

24.920

13.806

26.812

25.288

1.524

Seed

14.508

10.467

12.413

8.000

4.413

Vroege fase financiering

 

7

67

 

67

           

MKB-FINANCIERING INCIDENTELE MIDDELEN

         

Ontvangsten DVI II

         
           

Ontvangsten fundamenteel en toegepast onderzoek

         

Fundamenteel en toegepast onderzoek

   

2.840

 

2.840

           

Renteontvangsten Toekomstfonds

         
X Noot
1

Tot en met 2014 werd het Innovatiefonds op voormalig artikel 12 (nu artikel 2) verantwoord.

Toelichting op de verplichtingen

De hogere verplichtingenrealisatie van € 103,8 mln wordt in het bijzonder verklaard door de volgende mutaties:

  • Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (€ 15 mln): Er is in 2017 € 15 mln aanvullend kapitaal beschikbaar gesteld aan Innovation Quarter (Zie Kamerstuk, 29 697, nr. 36).

  • Co-investment venture capital instrument EIF (€ 50 mln): Om de toegang tot risicokapitaal voor snelgroeiende innovatieve ondernemingen te versterken, is in samenwerking met private investeerders en met inzet van EFSI-middelen dit instrument ontwikkeld. Het instrument betreft een co-investment fonds van € 100 mln voor grotere risicokapitaal investeringen in Nederlandse ondernemingen. EZ en het EIF/EFSI leggen beide € 50 mln in (Zie Kamerstuk, 22 112, nr. 2218).

  • Haalbaarheidsstudies TO2 innovatieve starters (€ 4 mln): Zoals toegelicht in de 1e suppletoire begroting is voor de periode 2017–2021 € 4 mln aan NWO-TTW beschikbaar gesteld voor de haalbaarheidsstudies voor TO2 innovatieve starters.

  • Innovatiekrediet (€ 22,5 mln): Dit betreft een verhoging van het verplichtingenbudget van het Innovatiekrediet bij de 1e suppletoire begroting 2017 met de niet benutte ruimte van het Innovatiekrediet in 2016, conform de fondsconstructie van het Toekomstfonds. Deze middelen waren noodzakelijk voor de publicatie van het subsidieplafond van € 60 mln in 2017. Dit verplichtingenplafond van € 60 mln is in 2017 volledig benut.

  • Seed-regeling (€ 17,6 mln): Deze hogere realisatie wordt veroorzaakt door een hogere publicatie van € 4 mln voor de reguliere Seed-regeling die volledig is benut. Daarnaast zijn bij Voorjaarsnota 2018 door herschikkingen binnen het Toekomstfonds nieuwe instrumenten gecreëerd binnen het Toekomstfonds, waaronder de regeling voor Seed business angels waarvoor 2 fondsen van in totaal € 0,8 mln zijn gecommitteerd. Tot slot is een bedrag van € 6,8 mln in 2017 beschikbaar gesteld door het Ministerie van VWS voor een fonds dat investeringen kan doen in eHealth ondernemingen om impactvolle toepassingen op te schalen. Er is besloten om hiervoor gebruik te maken van de Seed-regeling van EZ, die hiervoor ook € 6 mln beschikbaar heeft gesteld. Deze € 12,8 mln zijn volledig benut.

  • Fundamenteel en toegepast onderzoek (€ 13,7 mln): In totaal zijn acht aanvragen ingediend met een totale projectomvang van ruim € 87 mln. De gevraagde bijdrage voor deze projecten uit het Toekomstfonds was € 40 mln, ruim het dubbele van het beschikbare budget van € 20 mln. De projectvoorstellen zijn gerangschikt op basis van de rangschikkingscriteria in de regeling. Van de acht ingediende projecten voldeden drie voorstellen niet aan de criteria, waardoor ze werden afgewezen. De aanvraag voor een ander projectvoorstel werd tijdens de behandelperiode door de indieners weer ingetrokken. In totaal is er voor € 13,7 mln gecommitteerd.

  • Startups/MKB (– € 23 mln): De middelen voor Startups/MKB zijn bij Voorjaarsnota ingezet in het kader van de uitwerking van diverse initiatieven binnen het Toekomstfonds waaronder de regeling Seed business angels, de Seedfondsen voor agrifood en tuinbouw en het NL-Californië Duurzaam E-mobility fund. Een deel van de middelen (€ 12 mln) is nog beschikbaar binnen het Toekomstfonds en wordt doorgeschoven naar latere jaren, conform de fondsconstructie van het Toekomstfonds.

  • Smart Industry (€ 3,6 mln): De regeling Smart Industry Fieldlabs is in 2017 voor het eerst opengesteld. De voor deze regeling benodigde middelen zijn bij de 1e suppletoire begroting 2017 voor dit doel beschikbaar gesteld. In 2017 is van het leningendeel € 2,4 mln gecommitteerd en van het subsidiedeel € 1,2 mln.

Toelichting op de uitgaven

Leningen

I MKB-financiering

Volledig revolverend

  • Dutch Venture Initiative (DVI) (– € 19,1 mln): De omvang en moment van de uitgaven in het kader van het Dutch Venture Initiative worden bepaald door de investeringen en terugontvangsten van de fondsen bij hun portfolio-bedrijven. Deze investeringen en ontvangsten fluctueren in aantal en omvang. Vooraf zijn deze fluctuaties niet precies te ramen. Zoals gebruikelijk is er een constante toename van de investeringen in aantal ondernemingen en de totale omvang. Aangezien sprake is van een fondsconstructie blijven deze middelen beschikbaar binnen het Toekomstfonds.

  • Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (€ 15 mln): Er is in 2017 € 15 mln aanvullend kapitaal beschikbaar gesteld aan Innovation Quarter. De middelen hiervoor zijn verwerkt in de 1e suppletoire begroting 2017.

  • Co-investment venture capital instrument EIF (€ 10 mln);

    Om de toegang tot risicokapitaal voor snelgroeiende innovatieve ondernemingen te versterken, is in samenwerking met private investeerders en met inzet van EFSI-middelen dit instrument ontwikkeld. Het instrument betreft een co-investment fonds van € 100 mln voor grotere risicokapitaal investeringen in Nederlandse ondernemingen. Het Ministerie van Economische Zaken en het EIF/EFSI leggen beide € 50 mln in (Kamerstuk, 22 112, nr. 2218). In 2017 is hiervan een eerste voorschot van € 10 mln uitbetaald.

Gedeeltelijk revolverend

  • Innovatiekrediet (– € 6,6 mln): De kasuitgaven op het Innovatiekrediet fluctueren jaarlijks door individuele uitbetalingsafspraken van RVO.nl met bedrijven op basis van afgesproken mijlpalen. Een aantal verwachte voorschotbetalingen voor toekenningen in het vierde kwartaal van 2017 is doorgeschoven naar 2018, omdat nog niet aan de voorwaarden was voldaan. Aangezien sprake is van een fondsconstructie blijven deze middelen beschikbaar binnen het Toekomstfonds.

  • Startups/MKB (– € 23 mln): De middelen zijn bij 1e suppletoire begroting 2017 ingezet ten behoeve van de uitwerking van diverse initiatieven binnen het Toekomstfonds, waaronder de regeling Seed business angels en het Co-investment vehicle met het EIF.

II Investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek (met vermogensbehoud)

Fundamenteel en toegepast onderzoek: (€ 8,8 mln): De middelen voor de uitfinanciering van de verplichtingen voor fundamenteel en toegepast onderzoek zijn conform de fondsconstructie van het Toekomstfonds in de 1e suppletoire begroting 2017 toegevoegd aan de begroting uit de niet benutte middelen 2016. Hiervan is € 8,8 mln tot uitbetaling gekomen.

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Realisatie 2016

Raming 2017

Realisatie 2017

Bron

Aantal bedrijven dat Innovatiekrediet gebruikt

33

2015

32

>30

29

RVO.nl

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met een Innovatiekrediet (x € 1 mln)

119

2015

136

>120

159

RVO.nl

Aantal participaties via Seed en Fund of Funds

44

2015

81

45

95

RVO.nl/EIF

Omvang gestimuleerd risicokapitaal voor innovatieve bedrijven door Seed en Dutch Venture Initiative/Fund of Funds (x € 1 mln)1

551

2015

744

390

182

RVO.nl/EIF

Aantal ondernemers dat Vroege Fase Financiering gebruikt

39

2015

37

>35

41

RVO.nl/STW

X Noot
1

Omdat de definitieve cijfers over heel 2017 nog niet beschikbaar zijn, betreffen de gepresenteerde geconsolideerde cijfers de realisatie tot 30 september 2017. In het vierde kwartaal zijn bij DVI-2 drie aanvullende overeenkomsten getekend, waardoor de totale omvang van het gestimuleerd risicokapitaal in 2017 boven de raming voor 2017 zou uitkomen.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Realisatie 2016

Raming 2017

Realisatie 2017

Bron

Verstrekte leningen onderzoeksinfrastructuur (x € 1 mln)1

   

40

60

44

RVO.nl

Uitgelokte investeringen in onderzoeksinfrastructuur (x € 1 mln)

   

132

> 60

124

RVO.nl

X Noot
1

De bedragen zijn cumulatief. Daarnaast zijn tussentijds ingetrokken leningen in mindering gebracht op het cumulatieve bedrag van het jaar waarin de intrekking heeft plaatsgevonden. De uitgelokte investeringen in onderzoeksinfrastructuur van 2016 zijn bijgesteld naar € 132 mln, in eerste instantie zijn hier ongeschoonde projectkosten gebruikt in plaats van geschoond.

Toelichting op de ontvangsten

  • Ontvangsten Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (€ 7,5 mln): In 2018 is in totaal € 10,5 mln aan dividend ontvangen van de Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij (NOM). Daarnaast was aanvankelijk in de begroting € 3 mln aan ontvangsten geraamd in het kader van de afwikkeling van de verkoop van NOM-aandelen aan de noordelijke provincies. Zoals toegelicht in de 2e suppletoire begroting zijn deze ontvangsten niet gerealiseerd in 2017 en worden deze doorgeschoven naar 2018.

  • Ontvangsten Seed-regeling (€ 4,4 mln): De geraamde terugontvangsten Seed zijn gebaseerd op een inschatting. Het is moeilijk vooraf in te schatten wanneer de terugontvangsten precies plaats zullen vinden. Dit hangt af van het tijdstip dat participaties van het startersfonds worden verkocht. Dit jaar is het bedrag hoger uitgevallen door enkele verkopen.

  • Ontvangsten Fundamenteel en toegepast onderzoek (€ 2,8 mln): Eén van de projecten uit het Toekomstfondskrediet Onderzoeksfaciliteiten is niet doorgegaan. De reeds betaalde voorschotten (€ 2,8 mln) zijn terugbetaald en bij 2e suppletoire begroting 2017 weer aan het budget toegevoegd.

4 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Algemene doelstelling

In internationaal verband streven naar een CO2-arme energievoorziening die veilig, betrouwbaar en betaalbaar is, op zodanige wijze dat economische kansen worden verzilverd, op CO2-reductie wordt gestuurd en energie in het ruimtelijk beleid is geïntegreerd.

Op de korte termijn stuurt het kabinet op de doelstellingen, zoals overeengekomen in het energieakkoord: 14% duurzame energie in 2020 en 16% in 2023; gemiddeld 1,5% energiebesparing per jaar en 100 PJ in 2020; creëren van ten minste 15.000 voltijdsbanen.

Om deze doelstelling te bereiken zet EZ financiële instrumenten in zoals subsidies en garanties, maar ook niet-financiële instrumenten zoals het stroomlijnen van energieregelgeving om de werking van de energiemarkt te verbeteren, de regeldruk te verminderen en efficiënter toezicht mogelijk te maken.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Elektriciteitswet, de Gaswet en de Mijnbouwwet verantwoordelijk voor het energiebeleid. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Financieren

  • Het voeren van het financieel instrumentarium op de beleidsterreinen hernieuwbare energie, energiebesparing, mijnbouwklimaat en innovatieve energietechnologieën.

(Doen) Uitvoeren

  • Het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie (conform afspraken Energieakkoord).

  • Het vergroten van het aandeel energiebesparing (conform afspraken Energieakkoord).

Regisseren

  • Het regisseren van de realisatie van grote energie-infrastructuurprojecten die onder de Rijkscoördinatieregeling vallen; dit betekent als projectminister, samen met de Minister van Infrastructuur en Milieu, verantwoordelijk voor de ruimtelijke inpassing van projecten en voor de coördinatie van benodigde vergunningen.

  • Het stimuleren van een goed werkende Europese energiemarkt met een adequate infrastructuur.

  • Het actief participeren in Europese en internationale netwerken ten behoeve van energy governance, kennis brengen naar en leren van andere landen en instellingen.

  • Het creëren van randvoorwaarden waardoor de energievoorziening internationaal kan concurreren en het verdienpotentieel van de energiesector in relatie tot de energietransitie ten volle wordt benut.

  • Het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige, veilige en verantwoorde winning van onze bodemschatten.

  • Het stimuleren van de transitie naar een duurzame en betrouwbare energievoorziening.

  • Het bieden van mogelijkheden aan, en het faciliteren van, lokale duurzame energie-initiatieven.

  • Het coördineren van het energiebesparingsbeleid via de verschillende vakministers en het stimuleren van energiebesparing in de industrie en energiesectoren.

  • Het stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van innovatieve energietechnologieën.

  • Het stimuleren van de verdergaande reductie van CO2-uitstoot van energiebedrijven en industrie.

  • Het creëren van randvoorwaarden voor een goede positie op het gebied van nucleair onderzoek, isotopenproductie en uraniumverrijking, met inbegrip van de taken die hierover zijn opgenomen in internationale verdragen, met het oog op de bewaking en beveiliging van de hierbij betrokken kennis en technologie.

  • Het sturen op CO2-reductie in Europees en internationaal verband.

Kengetal HHI en C3

De C3 is het gezamelijk marktaandeel van de drie grootste leveranciers. De mate van concentratie op de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas vormt een indicatie voor de concurrentie op die markten. Een indicator hiervoor is de Herfindahl-Hirschman Index (HHI). Een markt met een HHI onder de 1.800 punten wordt gezien als een competitieve markt en een markt met een index tussen de 1.800 en 8.000 punten wordt gezien als een geconcentreerde markt. Het energiebeleid is gericht op een zo goed mogelijk werkende markt. Dat zal zich vertalen in een structurele daling van C3 en lagere HHI. Evenwel is er geen beleid specifiek gericht op het beïnvloeden van de concentratiegraad. De ambitie richt zich dan ook niet op een specifieke uitkomst, maar op een voortzetting van de daling van C3 en HHI als indicatie of het beleid voldoende effectief is.

Kengetal

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Ambitie 2017

1. Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit

– HHI

2.338

2.276

2.230

2.152

1.992

1.822

<2.100

– C3

83%

81%

81%

79%

75%

72%

<77%

2. concentratiegraad in de retailsector gas

– HHI

2.258

2.204

2.171

2.052

1.895

1.821

<2000

– C3

81%

79%

79%

76,8%

74%

72%

<75%

Bron: ACM

Kengetal: Elektriciteitsstoringen in minuten per jaar

Kengetal: Elektriciteitsstoringen in minuten per jaar

Bron: Netbeheer Nederland

Beleidsconclusies

Uitwerking Energieagenda

Door het vorige kabinet is in 2017 samen met stakeholders gewerkt aan de uitwerking van de transitiepaden uit de Energieagenda. Hiervoor was de studie van Energie Centrum Nederland (ECN) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) «Verkenning van Klimaatdoelen: van lange termijn beelden naar korte termijn acties» (Kamerstuk, 32 813, nr. 155) een bouwsteen. Deze ambtelijke verkenning heeft geleid tot uitgewerkte transitiepaden waarin mogelijke maatregelen zijn benoemd om het CO2-doel in 2050 te halen. Hierbij is getracht een zo breed mogelijk palet aan opties te schetsen, mede op basis van reacties van diverse stakeholders. Deze ambtelijke verkenningen dienen als input voor de gesprekken rond het Klimaatakkoord. Hiermee is invulling gegeven aan de in de begroting aangekondigde stappen richting 2030.

Energieakkoord voor duurzame groei

De resultaten die in de Nationale Energie Verkenningen (NEV) 2017 van het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) worden geschetst zijn bemoedigend. Het verwachte aandeel hernieuwbare energie in 2023 ligt met 17,3% fors hoger dan de doelstelling van 16% uit het Energieakkoord. Daarmee wordt, als gevolg van de maatregelen die in de afgelopen kabinetsperiode in gang zijn gezet, tussen 2013 en 2023 bijna een verviervoudiging van het aandeel hernieuwbare energie gerealiseerd. (Kamerstuk, 30 196, nr. 559) De stimuleringsregeling voor hernieuwbare energieproductie SDE+ (inclusief de uitrol van windenergie op zee) is hiervoor het belangrijkste instrument. Voor het jaar 2020 verwacht de NEV 2017 een aandeel hernieuwbare energie van 13%. Daarmee zou de doelstelling uit het Energieakkoord van 14% niet worden gehaald, hetgeen betekent dat extra inzet nodig is. De Energieakkoord-partijen – waaronder de rijksoverheid – werken deze extra inzet nog uit in de Uitvoeringsagenda 2018. Daarnaast zijn diverse initiatieven in gang gezet om de productie van hernieuwbare energie aan te jagen, onder ander op het gebied van geothermie, monomestvergisting en kleinschalige apparaten. Hiermee ligt Nederland goed op schema voor het behalen van de doelstelling voor 2023 in het Energieakkoord.

Stevige inzet Europese voorstellen klimaat- en energiedoelen

In 2017 zijn de onderhandelingen over de wetgevende voorstellen van de Energie Unie in de Raad nagenoeg afgerond. Daarmee ligt de EU op schema. Doel van de Energie Unie is om met een samenhangend wetgevingspakket de energietransitie in de Europese Unie vorm te geven, de leveringszekerheid te borgen, de marktwerking te verbeteren en de klimaat- en energiedoelen voor 2030 te realiseren. In de Raad is met instemming van Nederland een akkoord bereikt over de herzieningen van de richtlijnen voor hernieuwbare energie, Energie-efficiëntie, over de Verordening Governance van de Energie Unie en over een wetgevend voorstel voor een verbeterd ontwerp voor de markt voor elektriciteit. Nederland heeft niet ingestemd met het akkoord in de Raad over de verordening voor elektriciteit vanwege het gebrek aan ambitie (Kamerstuk, 21 501-33, nr. 630; Kamerstuk, 21 501-08, nr. 672; Kamerstuk, 21 501-33, nr. 647; Kamerstuk, 21 501-33, nr. 660; Kamerstuk, 21 501-33, nr. 663; Kamerstuk, 21 501-33, nr. 666; Kamerstuk, 21 501-33, nr. 678).

Energie-innovatie

Tijdens de Klimaatconferentie in Marokko in november 2016 (COP22) is Nederland zoals opgenomen in de begroting 2017 definitief toegetreden tot Mission Innovation (Kamerstuk, 31 793, nr. 163). Het Mission Innovation initiatief kan als een mooie opstap voor versterkte internationale samenwerking voor energie-innovatie beschouwd worden.

Zoals in de begroting 2017 aangekondigd zijn in 2017 de drie energie-innovatieregelingen Demonstratieregeling Energie Innovatie (DEI), de Hernieuwbare Energieregeling (HER) en de Topsector Energieregelingen (TSE) wederom opengesteld voor een totaal bedrag van circa € 130 mln. Specifiek voor de HER is met ingang van 1 april 2017 de termijn waarbinnen projecten dienen bij te dragen aan hernieuwbare energieproductie en een besparing op de uitgaven aan subsidies verlengd van 2023 naar 2030. Dat betekent dat nu ook innovatieve hernieuwbare energieprojecten in aanmerking komen die in 2030 tot productie kunnen leiden. Hiermee komen naast innovaties op de korte termijn ook innovaties aan bod die op de iets langere termijn richting 2030 kunnen bijdragen aan de klimaatopgave. Hiermee is een belangrijke stap gezet die tegemoet komt aan de behoefte in de markt. In de praktijk bleek namelijk dat veel goede innovatieve projecten die een goede bijdrage kunnen leveren aan besparing op de subsidie-uitgaven SDE+ zich niet konden kwalificeren doordat ze nog niet tot hernieuwbare energieproductie in 2023 zouden kunnen leiden. Hierdoor ontstond de laatste jaren meer en meer een onevenwichtige nadruk op korte-termijn-uitrol en konden innovatieve projecten met een wat langere tijdshorizon niet worden gehonoreerd. In 2018 zal in het kader van het nieuw maatschappelijk klimaatakkoord gericht op de CO2-reductieopgave en de daaraan gekoppelde kennis- en innovatieagenda de benodigde inzet op kennis en innovatie worden herijkt.

De HER, de DEI en de TSE zijn in 2017 geëvalueerd (Kamerstuk, 30 196, nr. 572). Belangrijke conclusies uit het onderzoek waren dat de regelingen bijdragen aan het doel van de Topsector Energie om de betrokkenheid van een breed spectrum aan bedrijven in onderzoek en ontwikkeling te versterken en dat de verbindingen sneller worden gelegd en langer doorgaan dan bij voorgaand energie-innovatiebeleid. Ook wordt geconcludeerd dat door de DEI de kans toeneemt dat in de kapitaalintensieve fase van demonstratie van energie-innovaties de stap naar kredietverstrekkers kan worden gemaakt voor aanvullende financiering. Het onderzoek heeft niet kunnen aantonen dat als gevolg van de regelingen meer omzet, export en werkgelegenheid is ontstaan.

Energiebesparing

In 2017 zijn verdere intensiveringen doorgevoerd ten behoeve van de energiebesparingsdoelen uit het Energieakkoord. In plaats van de voorgenomen energiebesparingsverplichting in de gebouwde omgeving is een convenant afgesloten met betrokken partijen om 10 PJ aanvullende besparing te realiseren. Voor energiebesparing in de energie-intensieve industrie is het MEE-convenant uitgebreid met het Addendum op het MEE-convenant, waarin de convenantsdeelnemers zich verbinden aan de doelstelling van 9 PJ aanvullende besparing in 2020. Dit Addendum is in de plaats gekomen van de één op één afspraken met het bedrijfsleven. Indien de afspraken uit het Addendum niet worden uitgevoerd, is er een mogelijkheid om een wettelijke energiebesparingsverplichting in te voeren. Zo wordt de 9 PJ behaald en ligt Nederland op schema om de 100 PJ energiebesparing in 2020 te halen. In 2018 worden de ingediende projecten om te voldoen aan de 9 PJ energiebesparing beoordeeld (Kamerstuk, 30 196, nr. 546; Kamerstuk, 30 196, nr. 568).

Mijnbouwwet

Zoals aangekondigd in de begroting is de Mijnbouwwet op tijd en volgens planning gewijzigd. Op grond van de gewijzigde Mijnbouwwet wordt het mogelijk om de kosten van het op aanvraag verlenen, wijzigen of intrekken van een vergunning, ontheffing, of instemming dan wel het beoordelen van een melding voor een handeling met een mobiele installatie en de kosten van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) voor de uitvoering van enkele specifieke taken in verband met mijnbouwwerken in rekening te brengen bij mijnbouwbedrijven en gasnetbeheerders (retributies). De gewijzigde Mijnbouwregeling, welke de hoogte van de bedragen vaststelt en daarmee het innen van de retributies mogelijk maakt, is in 2017 afgerond en is per 1 januari 2018 in werking getreden.

Energie-audits

In 2017 hebben veel grote ondernemingen een energie-audit ondergaan. De energie-audits geven zicht op de mogelijkheden voor kostenefficiënte energiebesparing. Gemeenten en provincies zien als bevoegd gezag toe op de uitvoering. EZ heeft voor dit toezicht middelen beschikbaar gesteld aan de gemeenten en provincies op basis van onderzoek dat in 2016 is uitgevoerd. In 2017 is gestart met de evaluatie van de auditplicht (Kamerstuk, 31 209, nr. 213). Het evaluatieonderzoek naar de energie-audits wordt, later dan gepland, naar verwachting in de eerste helft van 2018 afgerond, waarna de Kamer zal worden geïnformeerd. Beoordeeld wordt onder meer of de regelgeving en de uitvoering goed zijn ingericht en wat de uitvoeringslasten zijn.

Windenergie op zee

In overleg met de windsector is een procedure ontwikkeld waarin partijen de vergunning kunnen aanvragen voor het bouwen en exploiteren van het windpark, zonder subsidie. De vergunningsaanvragen worden getoetst op zes criteria, waarbij elementen die de kans vergroten dat het windpark daadwerkelijk wordt gebouwd het zwaarst tellen in de onderlinge vergelijking. Op deze eerste subsidieloze tender hebben diverse gerenommeerde partijen ingeschreven. Windenergie op zee lijkt dus zonder subsidie rendabel te worden (Kamerstuk, 33 561, nr. 39). Daarmee wordt de doelstelling van het Energieakkoord om tussen 2014 en 2023 het kostenniveau van windenergie op zee met 40% te verlagen ruimschoots gehaald. Met deze tender is – ook in internationaal perspectief – een nieuwe mijlpaal bereikt in de verlaging van de kosten van windparken: dit is het eerste park ter wereld dat zonder subsidie zal worden geëxploiteerd. Deze eerste subsidieloze tender betreft de derde van in totaal vijf tenders van de routekaart windenergie op zee tot 2023 (Kamerstuk, 33 561, nr. A/11). Daarmee verloopt de uitvoering van die routekaart volgens schema.

ECN

In 2016 is besloten dat het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) wordt opgesplitst (Kamerstuk, 30 196, nr. 465). Daarbij wordt het duurzame energieonderzoek van ECN samengevoegd met de energieonderzoek-activiteiten van TNO. Conform planning zijn in 2017 de voorbereidingen getroffen om deze krachtenbundeling per 1 april 2018 mogelijk te maken. In de rapportage Bedrijvenbeleid 2017 «Navigeren met wind in de zeilen» heeft het ministerie aangegeven dat de samenwerking vanaf 1 januari 2018 een feit is, maar dat de formele overgang van ECN naar TNO plaatsvindt op 1 april 2018 (Kamerstuk, 32 637, nr. 293). De zogenaamde rekenmeesterfunctie is conform de gemaakte afspraken per 1 januari 2018 overgeheveld naar het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Tot slot is er in 2017 onderzoek gestart naar de kosten van het historisch radioactief afval en de ontmanteling van gebouwen en installaties in Petten. Dit proces ligt op schema. De Kamer zal hierover in het voorjaar van 2018 worden geïnformeerd.

Start Uitkoopregeling

Op aandringen van de Tweede Kamer komen woningen die loodrecht onder de hoogspanningslijnen staan van 220 en 380 kV verbindingen en 110 en 150 kV verbindingen buiten de bevolkingskernen in aanmerking voor uitkoop. Het Rijk heeft in de periode 2017–2021 € 140 mln beschikbaar gesteld voor een vrijwillige uitkoopregeling onder de voorwaarde dat de betrokken gemeenten zorgen voor verwijderen van de woonfunctie van het betreffende pand. De regeling is samen met de betrokken gemeenten uitgewerkt en heeft een looptijd van vijf jaar (Kamerstuk, 31 574, nr. 29). Door EZ zijn alle eigenaren van woningen die vallen onder de Uitkoopregeling geïnformeerd over de regeling. In totaal gaat het om circa 385 woningen. De uitvoering vindt door de betrokken gemeenten plaats. In 2017 zijn in totaal 64 woningen in het kader van de Uitkoopregeling aangekocht door gemeenten. Dit is minder dan waar rekening mee gehouden was. Omdat de Uitkoopregeling een facultatieve regeling is, waar eigenaren van woningen onder een hoogspanningsverbinding gebruik van kunnen maken (maar niet verplicht zijn om dit te doen), is EZ tevreden met dit resultaat.

Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2013

2014

2015

2016

2017

2017

2017

VERPLICHTINGEN

3.397.213

2.646.202

6.494.697

17.514.501

8.618.677

13.472.436

– 4.853.759

Waarvan garantieverplichtingen

47.342

526

31.873

28.900

11.050

66.600

– 55.550

UITGAVEN

1.251.807

1.441.886

1.557.919

1.824.624

1.887.248

1.902.455

– 15.207

               

Subsidies

1.030.692

1.181.789

1.347.519

1.621.186

1.635.472

1.663.412

– 27.940

Topsectoren Energie

             

– tenderregeling Energie-innovatie

16.371

19.398

36.543

38.935

38.791

33.088

5.703

– SDE+projecten

13.911

15.527

21.138

31.497

30.934

48.600

– 17.666

Energie-innovatie (IA)

36.766

27.383

17.300

16.190

7.098

2.368

4.730

Green Deals

1.889

918

1.809

2.660

4.997

3.000

1.997

Energieakkoord

             

– Demonstratie-regeling Energie Innovatie (DEI)

   

10.153

19.329

21.931

41.000

– 19.069

– Projecten Energieakkoord SER

 

666

478

562

733

4.089

– 3.356

MEP

505.321

432.032

362.995

288.426

149.960

187.847

– 37.887

SDE

141.908

183.978

207.832

443.837

552.127

613.605

– 61.478

SDE+

27.225

51.138

115.227

187.446

321.514

653.197

– 331.683

Storting in begrotingsreserve duurzame energie

225.007

369.356

503.423

473.061

377.819

 

377.819

Bijdrage aan ECN

     

40.000

     

ISDE-regeling

     

18.018

50.927

 

50.927

Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

 

56.955

31.765

45.008

53.477

61.045

– 7.568

CCS

5.015

4.905

2.500

171

865

4.362

– 3.497

Subsidieregeling Energiebesparing en duurzame energie sport-accommodaties (EDS)

     

5.822

6.170

 

6.170

Hoge Flux Reactor

7.250

7.250

7.250

 

14.500

8.111

6.389

Aanschafsubsidie zonnepanelen

29.632

           

Elektrisch rijden

2.535

2.184

1.541

844

538

 

538

Caribisch Nederland

3.161

6.807

17.108

8.472

574

3.100

– 2.526

Overige subsidies

14.701

3.292

10.457

908

2.517

 

2.517

               

Garanties

526

9.206

1.922

2.242

833

2.500

– 1.667

Aardwarmte

526

   

1.230

     

Storting in begrotingsreserve Aardwarmte

 

9.206

1.922

1.012

833

2.500

– 1.667

               

Opdrachten

33.861

28.108

19.813

13.029

18.188

14.537

3.651

O&O bodembeheer

2.497

3.843

12.651

2.614

2.123

7.806

– 5.683

Joint implementation

12.148

768

252

5

434

410

24

Straling

9.726

9.257

50

   

46

– 46

Pallas

1.001

10.004

   

9.000

4.011

4.989

Onderzoek en opdrachten

8.489

4.236

6.860

10.410

6.631

2.264

4.367

               

Bijdragen aan agentschappen

45.589

47.281

41.805

46.026

52.877

44.819

8.058

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

38.680

41.949

40.168

44.400

51.050

43.099

7.951

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

698

692

681

676

713

690

23

Kern Fysische Dienst

6.211

3.690

         

KNMI

 

950

956

950

1.114

1.030

84

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

103.039

110.603

107.423

113.356

116.403

115.594

809

Doorsluis COVA heffing

100.947

107.594

106.074

108.179

110.263

111.000

– 737

TNO Bodembeheer

2.092

3.009

1.349

5.177

6.140

4.594

1.546

               

Bijdragen aan mede-overheden

       

24.380

28.000

– 3.620

Uitkoop regeling

       

24.380

28.000

– 3.620

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

38.100

64.899

39.437

28.785

39.095

33.593

5.502

ECN/NRG

37.757

57.903

38.819

27.982

38.519

32.236

6.283

Storting begrotingsreserve risicopremie lening ECN/NRG

 

6.600

         

Diverse instituten

343

396

618

803

576

1.357

– 781

               

ONTVANGSTEN

13.547.739

10.801.567

6.851.765

2.546.908

3.202.936

3.426.661

– 223.725

COVA

100.947

107.594

106.074

108.179

110.264

111.000

– 736

Opbrengst heffing ODE (SDE+)

97.363

173.619

278.861

421.036

626.953

678.000

– 51.047

Onttrekking begrotingsreserve duurzame energie

   

20.000

77.000

77.000

77.000

 

Aardgasbaten

13.342.665

10.505.291

6.424.910

1.926.754

2.373.989

2.550.000

– 176.011

Ontvangsten zoutwinning

2.373

2.474

2.342

2.510

2.525

2.511

14

Diverse ontvangsten

4.391

12.589

19.578

11.429

12.205

8.150

4.055

Toelichting op de verplichtingen

SDE+

Het lagere bedrag aan verplichtingen is vrijwel geheel terug te voeren op de lagere verplichtingen die zijn aangegaan voor de regeling Stimulering Duurzame Energie (SDE+). De nieuwste tender Wind op Zee waarvan de inschrijftermijn in december 2017 sloot, is inmiddels zonder subsidie toegekend. Daarnaast zal een groot deel van de verplichtingen voor de tweede openstelling van de reguliere SDE+ pas in 2018 worden aangegaan, omdat als gevolg van de beoordelingstermijn het merendeel van de aanvragen pas na de jaargrens een subsidiebeschikking zal ontvangen.

Garantieregeling aardwarmte

Voor de garantieregeling aardwarmte is voor slechts één geothermieproject een garantieverplichting afgegeven, zodat het garantieplafond van € 66,6 mln voor een bedrag van circa € 55,5 mln niet is uitgeput.

Toelichting op de uitgaven

Subsidies

Topsectoren energie

  • Tenderregeling Energie-Innovatie (TSE): de realisatie van de TSE is hoger dan oorspronkelijk begroot, omdat uit de vraag uit de markt en de doelstellingen van de Topsector Energie bleek dat er gedurende 2017 relatief meer behoefte was aan R&D-middelen dan aan demonstratiemiddelen. Het beschikbare budget van € 33 mln is daarom bij 2e suppletoire begroting 2017 opgehoogd uit de DEI-middelen.

  • SDE+-projecten topsectoren energie/Hernieuwbare Energie Regeling (HER): de uitgaven voor de regeling zijn € 17,7 mln lager uitgevallen dan begroot. In 2017 zijn de voorwaarden voor de regeling geactualiseerd, waardoor in de komende jaren een hogere uitputting van het beschikbare budget wordt verwacht.

Energieakkoord SER

Voor de Demonstratieregeling Energie-Innovatie (DEI) is € 19 mln minder uitgegeven dan begroot omdat een deel van het DEI-budget is overgeheveld naar het budget van de Tenderregeling Energie-Innovatie (TSE). De realisatie van de DEI in 2017 is extra tegengevallen doordat een aantal grote projecten vertraagd zijn.

Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP), SDE, SDE+ en regeling Investerings Subsidie Duurzame Energie (ISDE)

De lagere uitgaven op de MEP-regeling (€ 37,9 mln) zijn veroorzaakt door een lagere gerealiseerde subsidiabele elektriciteitsproductie dan waar in de raming eerder rekening mee was gehouden.

Ook bij de regelingen SDE en SDE+ is er sprake van dat de uitgaven lager zijn uitgevallen dan de in de begroting beschikbare middelen (totaal € 393 mln). Dit is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan een tragere realisatie van de subsidiabele productie dan voorzien bij het opstellen van de ramingen en voor het overige aan het beschikbaar stellen van SDE+ middelen voor de InvesteringSubsidie Duurzame Energie (ISDE) en de subsidie aan TenneT voor het net op zee. De bij de SDE+ uitgevallen productie zal voor een groot deel in latere jaren alsnog worden gerealiseerd en gesubsidieerd via dezelfde of vervangende projecten.

Voor de uitgaven op de ISDE waren in de begroting nog geen middelen opgenomen. Deze middelen zijn afkomstig uit de middelen voor de SDE+. De op de MEP, SDE, SDE+ en aanverwante instrumenten per saldo niet uitgegeven middelen zijn gestort in de begrotingsreserve duurzame energie.

Storting in begrotingsreserve duurzame energie

De begrotingsreserve duurzame energie is bestemd voor middelen voor duurzame energieproductie die in enig jaar onbenut zijn gebleven als gevolg van vertraging of niet doorgaan van projecten. Deze middelen moeten later alsnog worden uitbetaald voor dezelfde projecten, of kunnen worden ingezet voor andere vervangende projecten met het oog op het bereiken van de doelstelling. Via de begrotingsreserve blijven de middelen beschikbaar tot het moment dat ze alsnog zullen worden uitbetaald. In 2017 is € 377,8 mln in de reserve gestort. € 280,7 mln is beschikbaar gekomen via de SDE+, SDE+-projecten topsectoren energie en de ISDE (te financieren uit de Opslag Duurzame Energie, ODE). € 33,9 mln is beschikbaar gekomen uit de MEP en € 63,2 mln uit de SDE (beide te financieren uit de algemene middelen).

Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

Bij de compensatieregeling indirecte kosten ETS is vooral sprake van lagere uitgaven omdat van één grote aanvrager de productiecapaciteit veel lager dan verwacht was, waardoor aan deze aanvrager ruim € 3,5 mln minder is uitgekeerd dan begroot. Daarnaast was ook ruimte in het budget gereserveerd voor nieuwe aanvragers die gebruik willen maken van de regeling, maar deze nieuwe aanvragen bleken geen grote bedragen te betreffen, waardoor ook deze ruimte (€ 4 mln) niet is benut.

Subsidieregeling Energiebesparing en duurzame energie sportaccommodaties (EDS)

De bijdrage van € 6,2 mln van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) aan EZ voor het uitvoeren van de Subsidieregeling Energiebesparing en duurzame energie sportaccommodaties (EDS) over 2017 is bij 2e suppletoire begroting 2017 naar de begroting van EZ overgeheveld.

Hoge Flux Reactor

De overschrijding van het budget is veroorzaakt doordat de Europese Commissie er niet in geslaagd is een besluit over het Aanvullende Programma ter financiering van de Hoge Flux Reactor (HFR) in Petten voor de periode 2016–2019 voor het einde van 2016 aan de Raad voor te leggen. Daarom was er in 2016 nog geen grondslag om EZ te verzoeken om de bijdrage € 7,25 mln voor het jaar 2016 te betalen aan de Commissie. Hierop heeft de Europese Commissie aangegeven dat in 2017 twee keer betaald diende te worden (de bijdragen voor 2016 en 2017).

Kengetal

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Ambitie 2017

Aantal deelnemende bedrijven bij TKI

Bron: RVO.nl

301

486

612

1.150

1.200

1.400

1.540

Kwaliteit van het Nederlandse energieonderzoek gemeten als retourpercentage van het Achtste EU kaderprogramma thema energie

7,0%

6,8%

6,6%

7,2%

7,0%

6,4%1

7,0%

X Noot
1

Indien de Joint Technology Initiatives (publiek-private programma’s) worden meegenomen op het gebied van energie, dan komt het retourpercentage uit op 6,2%.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Streefwaarde

Planning

Bron

Duurzame energieproductie

4,5%

2013

5,8%

6%

16%

2023

CBS

Opdrachten

Onderzoek en opdrachten Bodembeheer

De lagere uitgaven worden vooral veroorzaakt doordat het Kennisprogramma Effecten Mijnbouw (KEM) in 2017 pas in een laat stadium van de grond is gekomen. Dit als gevolg van het feit dat het zeer moeilijk bleek onafhankelijke en deskundige leden te vinden voor het wetenschappelijk panel dat de projectvoorstellen voor het KEM moet beoordelen. Vervolgens hebben de aanbestedingsprocedures van de eerste KEM-projecten veel tijd gevergd, waardoor de eerste uitgaven voor het KEM pas in 2018 worden verwacht.

Pallas

In 2014 is aan de stichting voorbereiding Pallas een lening ter beschikking gesteld met een hoofdsom van € 40 mln. De hoofdsom wordt in tranches beschikbaar gesteld op basis van verzoeken door de stichting. In 2017 is door de stichting € 5 mln meer opgevraagd dan waar bij het opstellen van de begroting mee was gerekend.

Onderzoek en opdrachten

De overschrijding van € 4,4 mln wordt voor het grootste deel veroorzaakt doordat bij de begroting nog geen middelen op de begroting beschikbaar waren voor het doen van planschade-uitkeringen. Deze middelen zijn bij de 1e en 2e suppletoire begroting aan dit budget toegevoegd.

Bijdragen aan agentschappen

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

De bijdrage aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) is hoger geworden doordat RVO.nl een compensatie heeft ontvangen voor de hogere cao-lonen van de Rijksambtenaren, gestegen ABP-premies en hogere prijzen (€ 1,4 mln). Ook is budget toegevoegd voor de uitvoering van de Subsidieregeling Duurzame Scheepsbouw (SDS, € 0,15 mln), de regeling Sportaccommodaties (€ 0,44 mln), de Uitkoopregeling (€ 0,44 mln) en het loket Mijnbouwschade (€ 0,5 mln). Voor de toenemende werkzaamheden van RVO.nl voor de uitvoering van de SDE+ en de Hernieuwbare Energieregeling is eveneens extra budget toegevoegd (€ 4,2 mln). Tenslotte is er budget beschikbaar gesteld voor de aanvullende werkzaamheden in het kader van de Meerjarenafspraken Energie-Efficiëntie ETS-ondernemingen (MEE-convenant) om 9 PJ extra energiebesparing te realiseren (€ 0,75 mln).

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Energieonderzoek Centrum Nederland/Nuclear Research and Consultancy Group (ECN/NRG)

In oktober 2014 is aan ECN/NRG een lening verstrekt voor het herstelplan van de Hoge Flux Reactor (HFR). De kasuitloop van deze lening is toentertijd in de begroting en meerjarenramingen verwerkt conform de destijds bestaande ramingen. Dit betekende dat er in 2017 in de Ontwerpbegroting een kasbedrag van € 9,2 mln beschikbaar was. In de praktijk is de lening aanzienlijk trager opgenomen dan destijds voorzien. Tevens is het financiële arrangement voor ECN en NRG in oktober 2016 herzien en uitgebreid in het kader van onder meer de voorgenomen splitsing van ECN en de samenvoeging van het onderdeel ECN-duurzaam met TNO. Daarom is in 2017 ten laste van de lening uit oktober 2014 een bedrag van € 15 mln opgenomen en uitbetaald. Ook is voor een bedrag van zo’n € 0,5 mln extra bijgedragen aan ECN zelf in verband met de uitkering van de loon- en prijsbijstelling over 2017.

Indicator: klanttevredenheid en kennisbenutting

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Streef-waarde

Planning

Bron

Klanttevredenheid ECN

8,6

2014

8,4

8,2

8,4

2017

ECN

Kennisbenutting ECN

96%

2015

95%

95%

96%

2017

ECN

Ontvangsten

Opslag Duurzame Energie (ODE)

De ontvangsten op basis van de Opslag Duurzame Energie (ODE) zijn € 51 mln lager dan geraamd. De tariefstructuur van de ODE volgt de structuur van de energiebelasting. De ontvangstenreeks van de ODE is in eerste instantie in 2012 bij de invoering van de ODE meerjarig geraamd op basis van een aantal veronderstellingen over het energieverbruik, tempo van energiebesparing, de uitrol van zonnepanelen etc. De raming is in 2013 bij gelegenheid van het Energieakkoord weliswaar bijgesteld, echter zonder actualisatie van de variabelen die relevant zijn voor de hoogte van de ontvangsten.

Aardgasbaten

De aardgasbaten zijn € 176 mln lager uitgevallen dan geraamd. De belangrijkste reden hiervoor is het lagere productievolume. In de begroting 2017 werd de totale aardgasproductie geraamd op 44 miljard Nm3. De werkelijke productie in 2017 bedroeg 42 mld Nm3.

Kengetallen

2012

2013

2014

2015

2016

2017

1. Gewonnen volume aardgas kleine velden (in Nm3)

Bron: TNO

26 mld Nm3

26 mld Nm3

24 mld Nm3

22 mld Nm3

20 mld Nm3

18 mld Nm3

2. Aantal boringen exploratie onshore en offshore

Bron: TNO

16

9

21

16

4

6

3. Aantal boringen productie onshore en offshore

Bron: TNO

19

18

32

17

16

8

4. Productie aardgas totaal (in Nm3)

Bron: TNO

74 mld Nm3

80 mld Nm3

66 mld Nm3

50 mld Nm3

48 mld Nm3

42 mld Nm3

5. Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,28

1,33

1,33

1,11

1,11

1,13

6. Olieprijs (dollar/vat)

Bron: CBS/CPB

111,7

108,7

101,4

52,5

43,3

54,0

7. Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

Bron: APX Endex

24,0

26,0

21,3

19,8

13,6

16,6

Toelichting op de begrotingsreserves

Begrotingsreserve Aardwarmte

Bedragen x € 1 mln

Stand 1/1/2017

21,7

+ Storting

0,8

– Onttrekking

 

Stand per 31/12/2017

22,61

X Noot
1

De afwijking van dit bedrag met de twee bovenstaande bedragen wordt veroorzaakt door een afrondingsverschil.

De begrotingsreserve voor de garantieregeling Geothermie is bedoeld om het budget voor deze regeling meerjarig in te kunnen zetten en een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten en uitgaven op te vangen. Om gebruik te kunnen maken van de garantieregeling Geothermie betalen marktpartijen een premie aan de uitvoerder van de regeling (RVO.nl) die wordt gestort in de begrotingsreserve. In 2017 zijn geen verliesdeclaraties op basis van de garantieregeling bij RVO.nl ingediend, zodat er niets aan de begrotingsreserve is onttrokken.

Begrotingsreserve Duurzame energie

Bedragen x € 1 mln

Stand 1/1/2017

1.473,9

+ Storting

377,8

– Onttrekking

– 77,0

Stand per 31/12/2017

1.774,7

De begrotingsreserve Duurzame energie is bestemd voor onbesteed gebleven middelen als gevolg van vertraging bij projecten waaraan reeds subsidie is toegekend en reeds verplichte projecten die niet tot uitvoering komen en door andere projecten moeten worden vervangen met het oog op het bereiken van de doelstelling voor duurzame energieproductie. Het gaat hier om middelen ten behoeve van de MEP, SDE, SDE+, ISDE en de SDE+-projecten van de topsectoren energie. Via de begrotingsreserve blijven de middelen beschikbaar tot het moment dat ze alsnog zullen worden uitbetaald. In 2017 is € 377,8 mln in de reserve gestort en € 77 mln aan de reserve onttrokken (Kamerstuk, 34 210 XIII, nr. 4, antwoord op vraag 5).

Specificatie stortingen/onttrekkingen begrotingsreserve Duurzame Energie (bedragen x € 1 mln)

Specificatie begrotingsreserve Duurzame Energie

2013

2014

2015

2016

2017

Totaal

MEP (algemene middelen)

23

16

2

 

34

75

SDE (algemene middelen)

143

220

297

191

63

914

Tijdelijke onttrekking (MEP/SDE)

   

– 20

– 77

– 77

– 174

SDE+ (ODE gefinancierd)

59

134

204

282

281

960

Totaal

225

370

483

396

301

1.775

Begrotingsreserve ECN verstrekte leningen

Bedragen x € 1 mln

Stand 1/1/2017

6,6

+ Storting

0

– Onttrekking

0

Stand per 31/12/2017

6,6

De middelen op de begrotingsreserve risicopremie ECN/NRG zullen worden aangesproken als ECN – al dan niet tijdelijk – (gedeeltelijk) niet kan voldoen aan de terugbetalingsverplichtingen volgens de in 2014 afgesloten leningsovereenkomst.

Overzicht maatregelen ten behoeve van het Energieakkoord

Uitgaven x € 1.000

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Realisatie 2017

Begroting 2017

Verschil

ENERGIEBESPARING

         

MJA3 / MEE (EZ, art. 4)

3.061

4.242

3.053

2.368

685

EIA (FIN, fiscaal)

106.000

147.000

124.000

161.000

– 37.000

Compensatie indirecte kosten ETS (EZ, art. 4)

31.765

45.008

53.477

61.045

– 7.568

Duurzame warmte (EZ,art 4)

262

       

Demo Schoon en Zuinig (EZ, art. 6)

911

1

     

Innovatieagenda Energie (EZ, art. 6)

640

1.096

1.102

2.059

– 957

Marktintroductie energie innovaties (MEI) (EZ, art. 6)

4.768

3.537

3.290

789

2.501

Energie-efficiëntie en hernieuwbare energie (EZ, art. 6)

3.275

6.124

3.984

7.100

– 3.116

Wet Milieubeheer energiebesparing (IenM, art. 19)

3.913

1.066

2.141

2.046

95

Openbare verlichting decentrale overheden (IenM, art. 19)

17

       

Revolverend fonds EGO (WenR, art. 2)

 

35.000

     

Bijdragen aan agentschappen (WenR, art. 2)

11.745

6.132

3.847

5.000

– 1.153

Energiebesparing verhuurders, uitvoering STEP (WenR, art. 2)

   

816

816

 

Beleidsprogramma Energiebesparing (Subsidies en opdrachten) (WenR, art. 2)

5.000

4.000

6.500

4.000

2.500

Energiebesparing Koopsector (WenR, art. 2)

 

7.383

39.900

35.800

4.100

           

HERNIEUWBARE ENERGIE

         

MEP (EZ, art. 4)

362.995

288.426

149.960

187.847

– 37.887

SDE/SDE+ (EZ, art.4)

323.059

614.493

873.641

1.266.802

– 393.161

Storting in begrotingsreserve duurzame energie (EZ, art. 4)

503.423

473.061

377.819

 

377.819

Storting in begrotingsreserve

Garantieregeling Aardwarmte (EZ, art. 4)

1.922

1.012

833

2.500

– 1.667

InvesteringsSubsidie Duurzame Energie (EZ, art.4)

 

18.018

50.927

 

50.927

           

ENERGIE-INNOVATIE

         

Topsector Energie (EZ, art. 4)

36.516

38.915

38.791

33.088

5.703

Demonstratieregeling Energie-innovaties (EZ, art. 4)

10.153

19.330

21.931

41.000

– 19.069

Innovatiemiddelen SDE+ (EZ, art. 4)

21.138

31.497

30.934

48.600

– 17.666

           

MOBILITEIT

         

Elektrisch rijden (EZ, art. 4)

1.541

844

538

 

538

Lean and Green Personal Mobility (IenM, art. 14)

540

216

     

Bewustwordingscampagne «Hopper» (IenM, art. 14)

50

   

35

– 35

Organisatiekosten Green Deal Autodelen (IenM, art. 14)

60

54

20

 

20

Campagne veilige, zuinige, stille banden op spanning (IenM, art. 19)

172

98

13

13

 
           

OVERIGE

         

Bijdrage RVO.nl uitvoeringslasten Energieakkoord (EZ, art. 4)

5.200

5.200

6.263

5.337

926

Uitvoeringskosten Revolverend Fonds Energiebesparing Verhuurders (RVO.nl) (WenR, art. 2)

353

88

61

403

– 342

Fonds duurzaam funderingsherstel (FDF) (WenR, art. 2)

   

20.000

20.000

 

5 Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen

Algemene doelstelling

Het scheppen van voorwaarden voor een aardbevingsbestendig en kansrijk Groningen.

Om deze doelstelling te bereiken zorgt de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) in dialoog met alle maatschappelijke en bestuurlijke stakeholders voor een planmatige en daadkrachtige regie en sturing op een duurzame versterking en vernieuwing van het aardbevingsgebied, opdat deze regio weer veilig wordt en sterker dan ooit een nieuwe balans vindt tussen gaswinning en een versterkte gebiedsidentiteit en gebiedskwaliteit met nieuwe economische kansen en een leefbare en aantrekkelijke woon-, werk- en leefomgeving.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Mijnbouwwet verantwoordelijk voor de gaswinning. De gaswinning in Groningen grijpt diep in op het dagelijkse leven van inwoners in het gebied, met name in het gebied waar zich frequent aardbevingen voordoen. Voor het kabinet staat de veiligheid van inwoners voorop. Naast een beperking van de gaswinning, is gekozen voor een brede flankerende aanpak die zich richt op de veiligheid (schadeherstel), het (preventief) versterken van woningen en gebouwen en het gelijktijdig investeren in de leefbaarheid, economie en duurzaamheid. De opgave in Groningen is een nationale opgave van de NAM, regio en Rijk, waarbij wordt gezocht hoe Rijksopgaven en Rijksambities verbonden kunnen worden aan regionale opgaven en regionale ambities.

De gezamenlijke opgave heeft als eerste geresulteerd in het bestuursakkoord «Vertrouwen op herstel en herstel van vertrouwen» (Kamerstuk, 33 529, nr. 28) en in de aanvulling daarop (Kamerstuk, 33 529, nr. 96, Kamerstuk, 33 529, nr. 98). De afspraken in deze bestuursakkoorden zien mede op de intensivering, verbreding en versnelling van de inzet van betrokken overheden door middel van publieke regie in de vorm van een Nationaal Coördinator Groningen (NCG).

De NCG valt conform het Instellingsbesluit onder de verantwoordelijkheid van de Minister van EZ als coördinerend Minister (Staatscourant, nr. 12511). De NCG is belast met het bevorderen van de uitvoering van het meerjarenprogramma aardbevingsbestendig en kansrijk Groningen (bijlage bij Kamerstuk, 33 529, nr. 212). De NCG voert de volgende taken uit:

Stimuleren

  • Het in samenhang bevorderen van de leefbaarheid, duurzaamheid en de economie van het aardbevingsgebied.

  • Het bevorderen van maatschappelijk, politiek en bestuurlijk draagvlak voor het meerjarenprogramma en van maatschappelijke participatie in de uitvoering daarvan en het bijdragen aan herstel van vertrouwen.

  • Het bevorderen van de instelling van een bedrijvenloket en een steunpunt voor burgers.

Financieren

  • Het financieel bijdragen aan de verduurzaming bij het herstel van woningen in de provincie Groningen.

  • Inzet specifiek instrumentarium voor de woningmarkt, waaronder een regeling voor achterstallig onderhoud en de opzet van een woonbedrijf.

  • Compensatie van extra kosten voor gemeenten en provincie.

(Doen) uitvoeren

  • Het bijdragen aan de uitvoering van het meerjarenprogramma.

  • Het behandelen van de complexe schademeldingen, door met alle betrokkenen te zoeken naar een oplossing en te komen met een bemiddelingsvoorstel.

  • Het inrichten van een breed instrumentarium ter bevordering van schadeafhandeling en de preventieve versterking van gebouwen, alsmede op de thema’s vergroten van leefbaarheid en de verbetering van de woningmarkt.

Regisseren

  • Het coördineren en faciliteren van de uitvoering van het meerjarenprogramma.

  • Het monitoren van de afhandeling van reguliere schadegevallen door het Centrum Veilig Wonen (CVW).

  • Het voeren van programmaregie bij de versterking van gebouwen in het aardbevingsgebied.

Beleidsconclusies

In 2017 is uitvoering gegeven aan het in december 2016 vastgestelde meerjarenprogramma (MJP) Aardbevingsbestendig en Kansrijk Groningen 2017–2021.

In 2017 is gewerkt aan een nieuw schadeprotocol met als doel de NAM op afstand te brengen bij de afhandeling van schadeclaims. In de schade afhandeling is een tweedeling tot stand gebracht. Aanvragen ingediend voor 31 maart 2017 worden afgehandeld volgens het oude schadeprotocol, aanvragen ontvangen na 31 maart vallen in principe onder het nieuwe protocol. De inzet was om in juli overeenstemming te hebben over een nieuw protocol. Deze overeenstemming is pas op 31 januari 2018 tot stand gekomen. Deze omstandigheid heeft geleid tot vertraging in de afhandeling van schadeclaims. Alle bewoners die op 31 maart 2017 een openstaande schademelding hadden, hebben van NAM een voucher aangeboden gekregen voor het herstel van schade. In de meeste gevallen hebben bewoners een bedenktijd van twaalf maanden. In 2017 hebben ruim 5.500 bewoners gebruik gemaakt van hun voucher.

Veel bewoners hebben in 2016 en 2017 gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hun geschil met betrekking tot schade voor te leggen aan de Arbiters Bodembeweging. De wachttijd is inmiddels opgelopen tot een jaar. Om de afhandeling te versnellen is in het vierde kwartaal een reglementswijziging doorgevoerd die arbiters de mogelijkheid geeft om geschillen met een lager bedrag dan € 4.000 schriftelijk af te handelen.

Op 3 april is de Regeling waardevermeerdering woningen gaswinning Groningenveld opengesteld voor erkende schadegevallen vanaf 1 januari 2016. De regeling wordt uitgevoerd door het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN). Sinds het openstellen van de regeling zijn 1.627 aanvragen ingediend. Inmiddels zijn 1.257 subsidies verleend voor in totaal € 4,8 mln. Door het stilzetten van de opname van schade aan huizen in afwachting van het nieuwe schadeprotocol, zijn er minder aanmeldingen in vergelijking tot de interim waardevermeerderingsregeling.

In het meerjarenprogramma 2017–2021 is vastgelegd dat CVW de opdracht heeft om in 2017 inspecties uit te voeren voor 5.000 grondgebonden woningen en 300 andere gebouwen. In 2017 zijn 5.056 inspecties uitgevoerd.

Halverwege vorig jaar heeft de NCG de eerste 1.467 concept-versterkingsadviezen (VA’s) ontvangen van het Centrum voor Veilig Wonen (CVW). Tussen juli en december 2017 zijn met alle bewoners de eerste gesprekken gevoerd over de uitkomsten van de concept-versterkingsadviezen.

De afspraak met CVW was dat er eind 2017 nog eens 3.500 gebiedsgerichte VA’s opgeleverd zouden worden. De eerste conceptadviezen over de 1.588 inspecties in 2017 zijn rond de jaarwisseling geleverd aan de NCG. De adviezen worden beoordeeld door de NCG en de externe validatie commissie voordat de VA’s definitief worden. De betrokken gebouweigenaren worden geïnformeerd zodra het versterkingsadvies definitief is opgeleverd.

De pilot Heft in eigen Hand (Eigen initiatief), waarbij particulieren de mogelijkheid wordt geboden om zelf de regie over de versterking van de eigen woning uit te voeren, heeft geleid tot tevredenheid bij de deelnemers. Besloten is om jaarlijks 200 particulieren deze mogelijkheid aan te bieden.

Het kabinet heeft eerder € 4.000 per woning beschikbaar gesteld voor duurzaamheids-maatregelen in samenhang met de versterking. De Regeling verduurzaming bij versterking komt naar verwachting het eerste half jaar van 2018 beschikbaar.

Het scholenprogramma is erop gericht om scholen niet alleen te versterken, maar ook toekomstbestendig en duurzaam te maken. Binnen het scholenprogramma zijn circa 101 schoolgebouwen betrokken. Daarvan worden 40 versterkt en circa 29 scholen worden nieuw gebouwd. Het scholenprogramma is gericht op realisatie vóór 2021. Het scholenprogramma zit in de uitvoeringsfase. In de gemeente Bedum en Loppersum is de uitvoering van de projecten zichtbaar. Alle beschikbare middelen voor het scholenprogramma uit het meerjarenprogramma NCG zijn inmiddels beschikbaar gesteld aan de gemeenten.

De pilot Koopinstrument is nagenoeg afgerond. Sinds april 2017 zijn de eerste woningen opgekocht. Per eind 2017 is de overdracht van 37 woningen voltooid. In het vierde kwartaal is gestart met de voorbereidingen om het koopinstrument een meerjarig vervolg te kunnen geven. NAM heeft aangegeven € 10 mln extra voor het vervolg beschikbaar te stellen, bovenop de € 10 mln van de proef.

NCG bewaakt het proces om te komen tot praktisch toepasbare (bouw)normen/toetsingskaders. Dit heeft ertoe geleid dat NEN op 22 juni 2017 een geactualiseerde versie van de Nederlandse Praktijk Richtlijn (NPR 9998:2017) aardbevingsbestendig bouwen heeft gepubliceerd.

Er zijn extra inspanningen nodig om nieuwbouw aardbevingsbestendig te bouwen. De Nieuwbouwregeling van NAM biedt technische en financiële ondersteuning om nieuwbouw aardbevingsbestendig te bouwen op basis van de NPR. NCG heeft in overleg met gemeenten, provincie, Rijk, maatschappelijke partijen en NAM de oude Nieuwbouwregeling van NAM herijkt. Een commissie bestaande uit vertegenwoordigers van de NEN commissie, Raad van Arbitrage en de Rijksbouwmeester toetst momenteel de nieuwe regeling om vast te stellen of deze ook daadwerkelijk het gewenste effect heeft in zowel binnenstedelijk gebied als daarbuiten.

De voorbereidingen voor het op te richten woonbedrijf zijn in 2017 voortgezet. De stukken zijn voor bestuurlijk overleg rond de kerstperiode naar de Algemene Rekenkamer gestuurd. Verwacht wordt dat het bestuurlijk overleg begin 2018 wordt afgerond. Daarna moet het voornemen nog worden geagendeerd in de ministerraad en worden voorgehangen in de Staten-Generaal.

De oprichting van de stichting zal evenwel niet eerder plaatsvinden dan na goedkeuring van de Europese Commissie op het staatssteunaspect.

Het Ministerie van OCW, provincie Groningen en NCG hebben besloten om een pilot uit te voeren om ervaring op te doen met de financiering van onderhoud voor rijksmonumenten in de aardbevingsregio. Het Ministerie van OCW stelt daarvoor € 2 mln beschikbaar. Provincie Groningen en NCG financieren allebei € 1,35 mln.

De kwalitatieve risicoanalyse naar infrastructuur in het aardbevingsgebied is in de zomer van 2017 opgeleverd en de laatste conceptversie is met vertegenwoordigers van regionale en landelijke infrabeheerders in november 2017 besproken. Bestuurlijke vaststelling is nog in afwachting van de beantwoording van inhoudelijke vragen van de betrokken bestuurders.

In 2017 zijn belangrijke stappen gezet voor het ontwikkelen van een toetsingskader voor de industrie. In het najaar van 2017 is de risicogebaseerde rekenmethodiek afgerond waarmee chemiebedrijven hun installaties op kwantitatieve wijze kunnen beoordelen op aardbevingsbestendigheid. De stuurgroep Industrie heeft op 30 november afgesproken dat deze methodiek, naast de al gehanteerde Loss of Containment (LoC)-methode kan worden toegepast.

Budgettaire gevolgen van beleid artikel 5 (Bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2016

2017

2017

2017

VERPLICHTINGEN

23.005

58.215

77.800

– 19.585

UITGAVEN

8.470

47.099

77.800

– 30.701

         

Subsidies

0

33.918

64.000

– 30.082

Verduurzamingsopgave

 

33.916

50.000

– 16.084

Verduurzamingsopgave overig (kader relevante uitgaven)

   

6.000

– 6.000

Instrumentarium woningmarkt

 

2

5.000

– 4.998

Scholenprogramma (kader relevante uitgaven)

   

3.000

– 3.000

         

Opdrachten

8.320

13.132

13.800

– 668

Onderzoek en compensatie gemeenten en provincie

2.404

5.450

7.000

– 1.550

Werkbudget

5.916

7.682

6.800

882

         

Bijdragen aan agentschappen

150

48

 

48

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

150

48

 

48

Ontvangsten

 

225

 

225

Algemeen

NCG kent voor alle instrumenten, behalve voor de instrumenten Verduurzamingsopgave overig (kader relevante uitgaven) en het Scholenprogramma een 100% eindejaarsmarge. Dit houdt in dat budget dat in een bepaald jaar niet wordt benut, kan worden meegenomen naar volgende jaren en derhalve beschikbaar blijft voor uitvoering van het meerjarenprogramma. Op deze wijze heeft het Kabinet rekening gehouden met de complexe en deels onvoorspelbare opgave waar de NCG voor staat en wordt de nodige flexibiliteit geboden zodat het budget optimaal kan worden aangewend (Kamerstuk, 33 529, nr. 256)

Dit betekent dat middelen die in 2016 niet zijn benut bij 1e suppletoire begroting 2017 zijn toegevoegd aan de begroting 2017. Daarnaast zijn de uitgavenritmes voor de posten verduurzamingsopgave uit aardgasbaten, verduurzamingsopgave overig en instrument woningmarkt in de 1e suppletoire begroting 2017 aangepast.

Toelichting op de verplichtingen en de uitgaven

De lagere verplichtingen zijn met name het gevolg van de ontwikkelingen bij de instrumenten Verduurzamingsopgave (uit aardgasbaten en overig), en Instrumentarium woningmarkt. De ontwikkelingen worden onder de paragraaf «subsidies» nader toegelicht.

Subsidies

Verduurzamingssopgave

De uitgaven van € 33,9 mln hebben betrekking op de waardevermeerderingsregeling (bij € 1.000 aardbevingsschade kunnen bewoners aanspraak maken op € 4.000 subsidie). De onderschrijding van het budget bedraagt € 16,1 mln. Dat de uitgaven substantieel lager zijn dan verwacht is het gevolg van het uitblijven van de invoering van het nieuwe schadeprotocol waardoor vertraging in de afhandeling is ontstaan. De bestemde middelen in het programma blijven beschikbaar voor de nieuwe schaderegeling.

Voor de nieuwe waardevermeerderingsregeling voor schadegevallen is in 2017 € 40 mln beschikbaar gesteld. Een voorschotbedrag van € 30 mln is in 2017 overgemaakt naar SNN. De uitvoeringskosten van de regeling bedragen tot nu toe € 0,4 mln.

De uitgekeerde compensatie voor de oude waardevermeerderingsregeling, in uitvoering bij de provincie, bedraagt in 2017 € 3,6 mln.

Verduurzamingsopgave overig (kader relevante uitgaven)

Op dit programma onderdeel zijn in 2017 nog geen uitgaven gedaan. De subsidieregeling voor de versterkingsopgave wordt in 2018 vastgesteld. Het beschikbaar gestelde budget in 2017 kent geen 100% eindejaarsmarge. Het budget blijft voor toekomstige jaren beschikbaar voor de uitvoering van het meerjarenprogramma.

Instrumentarium woningmarkt (inclusief achterstallig onderhoud)

De uitgaven voor het achterstallig onderhoud zullen primair besteed worden aan monumentale gebouwen. Het erfgoedprogramma is in het najaar van 2017 vastgesteld. Uitgaven worden voorzien vanaf 2018.

In de begroting zijn middelen opgenomen voor een op te richten woonbedrijf. Voorbereidende werkzaamheden zijn voortgezet. Er moeten nog procedures worden doorlopen voordat in 2018 kan worden overgegaan tot oprichting van het woonbedrijf. De uitgaven in 2017 beperken zich tot die van de adviescommissie pilot woonbedrijf.

Scholenprogramma

Het Ministerie van OCW heeft voor het scholenprogramma een totaalbedrag van € 50 mln beschikbaar gesteld (in jaartranches van € 3 mln waaronder de jaarschijf 2017). De bedragen van het scholenprogramma zijn bij de 1e suppletoire begroting 2017 van de EZ-begroting overgemaakt naar het Gemeentefonds om zo direct beschikbaar te komen aan de deelnemende gemeenten en scholen.

Opdrachten

Onderzoek en compensatie gemeenten en provincie en werkbudget

De uitgaven bleven € 0,7 mln achter ten opzichte van de oorspronkelijke begroting. Deze afwijking kent meerdere oorzaken. Een aantal onderzoeken en bijbehorende rapportages konden niet voor 2017 worden afgerond. Het betreft onder andere het onderzoek naar de oorzaak van schaden, het CBS woononderzoek 1e helft 2017 en de derde rapportage van de Rijksuniversiteit Groningen naar de context en psychosociale gevolgen van de aardbevingsproblematiek.

Bijdrage aan agentschappen

In 2017 is € 48.000 aan diensten van de RVO.nl afgenomen voor digitaal kaart materiaal ter ondersteuning van de versterkingsoperatie.

Ontvangsten

Van de provincie is een bedrag van € 0,2 mln ontvangen als bijdrage in de ondersteuning van maatschappelijke organisaties die betrokken zijn bij het aardbevingsdossier.

6 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Algemene doelstelling

EZ streeft naar internationaal toonaangevende, concurrerende, sociaal verantwoorde, veilige, en dier- en milieuvriendelijke agro-, visserij- en voedselketens.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is verantwoordelijk voor:

Stimuleren

  • Het versterken van de positie van de Nederlandse agro-, visserij- en voedselketens, het stimuleren van groene economische groei via energie- en klimaatbeleid voor de landbouw en het bevorderen van transparantie en ketenverantwoordelijkheid in de Nederlandse agro- visserij- en voedselketens.

  • Het stimuleren van een adequate en duurzame voedselvoorziening/voedselzekerheid, voedselkwaliteit op Europees en mondiaal niveau evenals het bijdragen aan het Europese en internationale landbouw- en visserijbeleid.

  • Het stimuleren van kennisontwikkeling, innovatie en nieuwe technologieën in de land- en tuinbouw.

  • Het stimuleren van verduurzaming van de productie en de consumptie van dierlijke en plantaardige producten door middel van nieuwe vormen van ketensamenwerking en nieuwe marktstrategieën.

  • Het versnellen van de verduurzaming van gewasbescherming, evenals het borgen en verbeteren van plant- en diergezondheid en dierenwelzijn.

Regisseren

  • Het borgen van voedselveiligheid. Producenten en partijen uit de voedselketen zijn primair verantwoordelijk voor de veiligheid van hun producten en productiewijze. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor wetgeving voor voedselveiligheid, met uitzondering van wetgeving voor het slachten van dieren en het keuren en uitsnijden van vlees, waar de Minister van EZ verantwoordelijk voor is.

Uitvoeren

  • Het doen uitvoeren van een effectief beleid ter realisatie van de doelstellingen uit de Europese regelgeving.

  • Het uitvoeren van adequaat veterinair en fytosanitair beleid.

  • Het uitoefenen van toezicht en het handhaven van de regelgeving op het gebied van dier- en plantgezondheid, dierenwelzijn, mest, natuur en voedselveiligheid (primaire productie en slachterijfase).

  • Het uitvoeren van het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid.

Beleidsconclusies

Onderstaand wordt ingegaan op enkele concrete resultaten, onder meer voor een aantal speerpunten die genoemd zijn in de begroting van 2017.

Duurzame veehouderij en mestbeleid

Voor de uitvoering van het Actieplan vitalisering varkenshouderij is € 20 mln ter beschikking gesteld uit de eerste nationale envelop Europese crisismiddelen. Hiervoor zijn in 2017 door de Producenten Organisatie Varkenshouderij private regelingen opgesteld en in uitvoering genomen. De resultaten en effecten hiervan op de vitalisering van de varkenshouderij zullen in 2018 beschikbaar komen.

De aangekondigde activiteiten en beleidswijzigingen op het gebied van mestbeleid zijn gerealiseerd. In de Vierde kwartaalrapportage fosfaatreductieplan (Kamerstuk, 33 037, nr. 252) is gemeld dat de fosfaatproductie in Nederland is afgenomen tot onder het plafond, waarmee de overtreding van deze voorwaarde uit de derogatiebeschikking ongedaan is gemaakt. Het plan is afgerond. De Europese commissie heeft goedkeuring gegeven aan het fosfaatrechtenstelsel, dat op 1 januari 2018 in werking is getreden (zie Kamerstuk, 33 037, nr. 232). De algemene conclusie uit de evaluatie van de Meststoffenwet (Kamerstuk, 33 037, nr. 193/D) is dat het mestbeleid en de mestregelgeving effectief is, maar dat op onderdelen nog ruimte is voor verbetering. Daarnaast is de conclusie dat de huidige regel- en handhavingspraktijk tegen zijn grenzen aanloopt.

Het beleidsdoel van maximaal 50 milligram nitraat per liter in het bovenste grondwater wordt bijna overal in Nederland gehaald, met uitzondering van het zuidelijk zandgebied en het lössgebied. Op 22 december 2017 is het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn aan Tweede en Eerste Kamer aangeboden (Kamerstuk, 33 037, nr. 250/J). In het zesde actieprogramma zijn voor de komende vier jaar de aanvullende maatregelen vastgelegd om het doel van de nitraatrichtlijn te bereiken.

Plantaardige productie en plantgezondheid

De CO2-reductie van de glastuinbouw ligt op koers. In 2016 ligt de CO2-emissie van de glastuinbouw met 5,6 Mton al 0,6 Mton onder het huidige doel voor 2020 (de emissie 2017 wordt in 2018 bekend). Uit de tussentijdse evaluatie Meerjarenafspraak Energietransitie Glastuinbouw 2014–2020 blijkt dat de gemaakte afspraken door de partijen zijn nagekomen. De CO2-emissiereductie, voortgang bij de ambities, de kennis- en techniekontwikkeling en de kennisuitwisseling verlopen volgens plan, zoals beschreven in het convenant (zie Kamerstuk, 32 677, nr. 27). De convenantspartijen hebben op basis van resultaten van de evaluatie van de CO2-sturing (zie Kamerstuk, 32 813, nr. 149) afgesproken het CO2-doel voor 2020 technisch aan te scherpen van 6,2 Mton naar 4,6.

In 2017 is een Green Deal Groene gewasbeschermingsmiddelen afgerond. Dit resulteerde onder meer in zes nieuwe toelatingen voor groene gewasbeschermingsmiddelen en leverde aanbevelingen op voor een vervolgtraject. Laagrisico middelen moeten op grond van de Verordening (EG) nr. 1107/2009 binnen 120 dagen worden toegelaten. Om deze termijn te halen heeft het Ctgb binnen de afgesloten Green Deal Groene gewasbeschermingsmiddelen al enige tijdwinst gerealiseerd door het instellen van een speciaal Green Team van beoordelaars en een coördinator biologische middelen. Daarnaast bestaan financiële stimulansen voor groene, laagrisico middelen. Sinds 2017 gelden fiscale voordelen voor producenten die laagrisico middelen willen ontwikkelen via de zogeheten innovatiebox. Ook gelden (beperkt) voordelen voor toelatingsaanvragen bij het Ctgb. Zo hanteert het Ctgb voor enkele laagrisico stoffen en middelen lagere voorschotten en wordt aan aanvragers in het pré-aanvraag traject informatie via de service desk geboden (geen kosten tot 4 uur advies).

Diergezondheid en dierenwelzijn

In 2016 is het antibioticagebruik in de dierhouderij verder gedaald. Eind 2016 is op basis van verkoopcijfers een totale daling van het antibioticumgebruik van 64,4% gerealiseerd ten opzichte van het referentie jaar 2009. De verkoop van antibiotica voor dieren is in 2016 met 14,5% gedaald ten opzichte van 2015. Dit blijkt uit de cijfers die de Stichting diergeneesmiddelenautoriteit (SDa) in mei 2017 heeft gepubliceerd (Kamerstuk, 29 683, nr. 231). In 2018 zal de Minister sectorspecifieke reductiedoelstellingen vaststellen. Tot die tijd blijft de generieke doelstelling van 70% reductie van het antibioticumverkoop ten opzichte van 2009 in stand.

Het percentage bedrijven met weidegang is in 2017 gestegen tot 80,4% van de melkveebedrijven. Volledige weidegang vond plaats op 73,2% van de melkveebedrijven, op de resterende bedrijven was sprake van deeltijdweidegang. Zie https://www.nzo.nl/nl/nieuws/sterke-toename-weidegang/. Het aantal melkkoeien dat in 2017 weidegang had, wordt in de tweede helft van 2018 gepubliceerd door het CBS.

Beleidsinformatie

Kengetal

2012

2013

2014

2015

2016

2017

1. Maatschappelijke appreciatiescore1

Bron: TNS/NIPO

7,5

7,6

Geen meting

7,6

Geen meting

7,7

2. Mate van vertrouwen consumenten in voedsel2

Bron: NVWA monitor

Geen meting

3,2

Geen meting

3,2

Geen meting

Geen meting

3. Export van agrarische producten uit Nederland3 (bedragen x € mln)

           

– Duitsland

20.125

21.079

20.820

20.711

22.229

23.365

– België

7.856

8.479

8.652

8.581

9.317

10.373

– Verenigd Koninkrijk

7.358

7.843

8.067

8.269

8.461

8.621

– Frankrijk

7.296

7.481

7.122

3.183

7.129

8.048

– Italië

3.776

3.787

3.479

6.714

3.409

3.701

– Overige landen

30.476

32.287

33.561

33.926

34.973

37.594

Totaal

76.887

80.955

81.702

81.384

85.517

91.703

Bron: 2010–2016 CBS, 2017 Wageningen Economic Research/CBS

           
X Noot
1

Indicator betreft de maatschappelijke waardering onder de Nederlandse bevolking van de landbouw vastgelegd in een rapportcijfer. Meting vindt vanaf 2013 om de twee jaar plaats.

X Noot
2

De NVWA meet op een schaal van 1–5 het vertrouwen van de consument in de veiligheid van voedsel. Meting vindt om de 2 jaar plaats. Vanwege het fipronil incident heeft de NVWA in 2017 geen onderzoek uitgevoerd naar de mate van vertrouwen van consumenten in voedsel. Dit onderzoek wordt in 2018 uitgevoerd en zal als kengetal in het jaarverslag van 2018 komen te staan.

X Noot
3

Het betreft hier de export van primaire en secundaire agrarische producten. Uitgesloten zijn dus de tertiaire goederen, zoals bijvoorbeeld melkrobots. De exportcijfers aangaande het afgelopen jaar, zijn voorlopig en nog niet helemaal stabiel. Daarnaast worden bij berekeningen van exportcijfers door de statische bureaus soms lichte correcties in eerdere jaren doorgevoerd.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Realisatie

2016

Raming 2016

Realisatie

2017

Raming 2017

Bron

Percentage integraal duurzame stallen

0%

2008

13,6%

14%

Publicatie in 20181

15%

Wageningen UR Livestock Research

X Noot
1

De gegevens over 2017 zijn in het eerste kwartaal van 2018 beschikbaar. De monitor duurzame stallen wordt daarom in het tweede kwartaal van 2018 gepubliceerd.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Realisatie 2016

Raming 2016

Realisatie 2017

Raming 2017

Streefwaarde

Planning

Bron

Totale CO2-emissie glastuinbouw1

Circa 7,5 Mton

2013

5,6 Mton

6,9 Mton

Publicatie in 2018

6,7Mton

6,2 Mton

2020

LEI-WUR

Energie-efficiency index

voedings- en genot-middelenindustrie (VGI)2

100%

2005

82%

82%

Publicatie in 2018

80%

70%

2020

RVO.nl

X Noot
1

De totale CO2-emissie van de glastuinbouw daalde in 2016 met 0,2 Mton naar 5,6 Mton en ligt daarmee 0,6 Mton onder het oorspronkelijke doel van 6,2 Mton voor 2020.

X Noot
2

De voedings- en genotmiddelenindustrie ligt qua energie-efficiency op schema. Hoe lager het percentage, hoe efficiënter.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Raming 2017

Streefwaarde

Planning

Bron

Mate van afname van antibiotica- in de dierhouderij1

Antibioticaverkoop in 2009

2009

64,4%

Publicatie in 2018

Is nog niet bepaald

70% reductie (t.o.v. 2009)

Is nog niet bepaald

SDa

X Noot
1

Uit de jaarlijkse rapportage van de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit (SDa) blijkt dat de verkoop van antibiotica in de periode 2009–2016 is gedaald met 64,4%.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Realisatie 2017

Raming 2017

Streefwaarde

Planning

Bron

Nalevingsniveau HACCP-verplichting

80%

April 2009

88,8%

90%

90%

2018

NVWA

In 2017 hebben de vleesproductiebedrijven waarvoor de Hazard Analysis and Critical Control Points (HACCP) verplicht is, voldaan aan 88,8% van de HACCP regels op de inspectielijst van de NVWA.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Realisatie 2015

Raming 2015

Realisatie 2016

Raming 2016

Streefwaarde

Planning

Bron

Verhouding duurzame – totale investeringen

36%

2013

33%

24,5%

Publicatie in 2018

27%

30%

2017

Wageningen Economic Research

Bovenstaande indicator betreft de verhouding tussen de bedragen in duurzame investeringen en de totale investeringen in de landbouw, tuinbouw en visserij. Voorbeelden van duurzame investeringen in de land- en tuinbouw zijn Groen Label Kassen en Maatlat Duurzame Veehouderij stallen.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Raming 2017

Streef-waarde

Planning

Bron

1 Klanttevredenheid

8,7

2014

8,7

8,3

8,0

8,0

2018

PROSU/WR

2 Kennisbenutting door beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties

84%

2014

97%

97%

>80%

>80%

2020

PROSU/WR

3 Percentage innoverende agrarische bedrijven

11,6%

2006

17%

Publicatie in 2018

15%

10%

2018

LEI

De indicator innoverende agrarische bedrijven geeft het percentage bedrijven weer dat product- of procesinnovaties heeft doorgevoerd. Het gaat om bedrijven die als eerste iets nieuws hebben geïmplementeerd en om innovatieve volgers.

Budgettaire gevolgen van beleid artikel 6 (Bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2013

2014

2015

2016

2017

2017

2017

VERPLICHTINGEN

676.537

729.130

623.541

673.900

662.357

650.823

11.534

Waarvan garantieverplichtingen

37.707

28.537

28.430

37.690

49.379

120.000

– 70.621

UITGAVEN

666.001

660.124

667.686

642.217

614.513

538.382

76.131

               

Subsidies

71.753

78.379

90.430

103.230

47.117

31.674

15.443

Duurzame veehouderij

16.241

6.256

14.088

10.702

16.464

10.181

6.283

Bedrijfsbeëindiging melkveehouderij (Stoppersregeling)

       

13.713

 

13.713

Maatregelen fosfaatreductiepakket

         

7.000

– 7.000

Investeringsregeling duurzame stallen

10.565

1.476

7.663

6.719

762

40

722

Regeling fijnstofmaatregelen

 

1.491

3.261

3.077

1.246

2.014

– 768

Overig

5.676

3.289

3.164

906

744

1.127

– 383

Plantaardige productie

15.396

12.724

9.562

9.917

7.496

7.937

– 441

Energie-efficiency en hernieuwbare energie glastuinbouw (EHG)

     

6.124

3.984

7.100

– 3.116

Marktintroductie energie innovaties (MEI)

13.689

8.642

4.788

3.537

3.290

789

2.501

Overig

1.707

4.082

4.774

256

221

48

173

Visserij

8.774

5.416

6.229

3.729

7.195

7.360

– 165

Regelingen onder het nieuwe EFMZV

   

5.017

2.304

6.970

7.360

– 390

Overige (uitfinanciering regelingen onder EVF)

8.774

5.416

1.212

1.425

225

 

225

Agrarisch ondernemerschap

9.785

8.824

9.496

4.972

5.695

5.324

371

Brede weersverzekering

1.471

1.403

3.550

4.672

5.651

5.324

327

Investeringsregeling Jonge Agrariërs

3.349

2.235

3.940

300

44

 

44

Overig

4.965

5.186

2.006

       

Kennisontwikkeling en (agrarische) innovatie

4.340

2.091

3.416

586

34

872

– 838

Overig (onder meer tegemoetkoming Vamil)

4.340

2.091

3.416

586

34

872

– 838

Apurement

12.269

35.247

11.799

65.329

8.312

 

8.312

Regeling apurement

12.269

35.247

11.799

65.329

8.312

 

8.312

Begrotingsreserves

 

3.001

32.472

8.003

1.920

 

1.920

Begrotingsreserve landbouw

 

2.511

3.525

 

1.812

 

1.812

Begrotingsreserve apurement

 

490

28.947

8.003

108

 

108

               

Garanties

27.119

27.191

33.862

6.652

2.682

2.515

167

Bijdrage begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit

3.000

3.056

3.008

3.008

632

8

624

Verliesdeclaraties Borgstellingsfaciliteit

24.119

24.135

28.347

3.644

2.050

2.500

– 450

Garantstelling Marktintroductie Innovaties (GMI)

   

2.507

   

7

– 7

               

Opdrachten

145.478

156.959

136.504

121.118

117.395

111.866

5.531

Duurzame veehouderij

8.463

2.908

4.282

4.044

2.896

2.866

30

Mestbeleid

6.539

13.007

9.161

3.411

2.950

2.292

658

Plantaardige productie

4.541

5.334

1.057

1.462

1.416

2.306

– 890

Plantgezondheid

2.500

1.605

1.758

1.666

1.360

1.980

– 620

Diergezondheid en dierenwelzijn

10.011

9.075

8.044

9.301

6.680

5.654

1.026

Voedselagenda

7.137

5.909

3.820

5.562

4.412

20.000

– 15.588

Voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid

3.743

4.382

1.741

4.695

11.138

3.635

7.503

Visserij

1.923

1.388

3.398

1.683

1.243

1.029

214

Agrarisch ondernemerschap

4.655

2.547

2.849

1.728

2.114

2.398

– 284

Kennisontwikkeling en (agrarische) innovatie

95.966

110.804

100.394

87.566

83.189

69.706

13.483

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

120.616

105.610

82.746

78.720

79.327

78.125

1.202

Medebewind en overige voormalige publieke PBO-taken

23.750

25.477

4.774

1.535

1.144

903

241

Wageningen Research kennisbasis

       

13.532

13.458

74

Wageningen Research wettelijke taken

94.819

77.341

75.221

75.232

60.911

62.060

– 1.149

College Toelating Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden

2.047

2.792

2.751

1.953

3.740

978

2.762

Centrale Commissie Dierproeven

         

726

– 726

               

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

5.577

3.145

14.064

12.253

21.263

9.863

11.400

Diergezondheidsfonds

5.577

3.145

14.064

12.253

21.263

9.863

11.400

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

12.615

10.647

10.519

10.042

9.975

9.378

597

FAO en overige contributies

12.615

10.647

10.519

10.042

9.975

9.378

597

               

Bijdragen aan agentschappen

282.843

278.193

299.561

310.202

336.754

294.961

41.793

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

144.817

130.740

141.829

152.451

157.072

154.810

2.262

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

129.197

138.948

149.999

148.985

165.342

127.233

38.109

Dienst Landelijk Gebied

221

222

         

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

     

897

6.827

5.620

1.207

Rijksrederij

8.608

8.283

7.733

7.869

7.513

7.298

215

               

ONTVANGSTEN

329.393

357.416

123.539

136.431

110.457

57.398

53.059

Agroketens

24

3.430

267

1.015

10.222

 

10.222

Mestbeleid

6.324

5.884

3.324

10.724

6.917

7.209

– 292

Diergezondheid en dierenwelzijn

7.320

3.327

2.399

3.165

6.580

500