Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634475-XIII nr. 1

34 475 XIII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Economische Zaken en Diergezondheidsfonds 2015

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN (XIII) EN DIERGEZONDHEIDSFONDS (F)

Aangeboden 18 mei 2016

Gerealiseerde verplichtingen van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). De totale verplichtingenrealisatie over 2015 bedraagt € 10,5 mld.

Gerealiseerde verplichtingen van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). De totale verplichtingenrealisatie over 2015 bedraagt € 10,5 mld.

Gerealiseerde uitgaven van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). De totale uitgavenrealisatie over 2015 bedraagt € 4,8 mld.

Gerealiseerde uitgaven van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). De totale uitgavenrealisatie over 2015 bedraagt € 4,8 mld.

Gerealiseerde ontvangsten van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). De totale ontvangstenrealisatie over 2015 bedraagt € 7,4 mld.

Gerealiseerde ontvangsten van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). De totale ontvangstenrealisatie over 2015 bedraagt € 7,4 mld.

Inhoudsopgave

A.

ALGEMEEN

6

 

1.1

AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

6

 

1.2.

Leeswijzer

9

B.

HET BELEIDSVERSLAG

11

 

1.3.1

De beleidsprioriteiten

11

   

Realisatie beleidsdoorlichtingen periode 2009 – 2015

23

   

Overzicht van risicoregelingen

24

 

1.3.2

De beleidsartikelen

28

   

11

Goed functionerende economie en markten

28

   

12

Een sterk innovatievermogen

37

   

13

Een excellent ondernemingsklimaat

47

   

14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

58

   

16

Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

70

   

17

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

84

   

18

Natuur en regio

90

   

19

Toekomstfonds

97

 

1.3.3

De niet-beleidsartikelen

101

   

40

Apparaat

101

   

41

Nominaal en Onvoorzien

104

 

1.3.4

De Bedrijfsvoeringsparagraaf

105

C.

JAARREKENING

109

 

1.4.1

Departementale verantwoordingsstaat Ministerie van EZ (XIII)

109

 

1.4.2

Samenvattende verantwoordingsstaat inzake agentschappen

110

 

1.4.3

Toelichting bij de samenvattende verantwoordingsstaat inzake agentschappen

111

   

Agentschap Telecom (AT)

113

   

Dienst ICT Uitvoering (DICTU)

120

   

Dienst Landelijk Gebied (DLG)

126

   

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

130

   

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

139

 

1.4.4

Saldibalans EZ per 31 december 2015

147

 

1.4.5

WNT-verantwoording 2015 – Ministerie van Economische Zaken

158

D.

JAARVERSLAG DIERGEZONDHEIDSFONDS (F)

166

 

1.5.1

Beleidsverslag Diergezondheidsfonds

166

   

Bedrijfsvoeringsparagraaf Diergezondheidsfonds

179

 

1.5.2

Jaarrekening Diergezondheidsfonds

180

   

Verantwoordingsstaat 2015 van het Diergezondheidsfonds

180

   

Saldibalans per 31 december 2015

180

E.

BIJLAGEN

182

 

1.

Bijlage Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO's) en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT's)

182

 

2.

Bijlage afgerond evaluatie- en overig onderzoek 2015

195

 

3.

Europese geldstromen

205

 

4.

Overzicht niet-financiële informatie over inschakeling van externe adviseurs en tijdelijk personeel (bijlage externe inhuur)

214

 

5.

Lijst van afkortingen

216

A. ALGEMEEN

1.1 AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

AAN de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) over het jaar 2015 aan, alsmede het jaarverslag met betrekking tot de begroting van het Diergezondheidsfonds (F) over het jaar 2015.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Economische Zaken decharge te verlenen over het in het jaar 2015 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • a. het gevoerde financieel beheer en materieel beheer;

  • b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

  • c. de financiële informatie in het jaarverslag;

  • d. de betrokken saldibalansen;

  • e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. de in het jaarverslagen opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2015;

  • b. het voorstel van de slotwetten dat met de onderhavige jaarverslagen samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2015 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2015, alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2015 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwetten zijn aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

1.2. LEESWIJZER

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

  • 1. Opbouw jaarverslag;

  • 2. Ondergrenzen toelichtingen;

  • 3. Controlenormen financiële en niet-financiële gegevens;

  • 4. Groeiparagraaf;

  • 5. Motie Schouw.

1. Opbouw jaarverslag

Dit jaarverslag bevat een beleidsverslag, een jaarrekening, het jaarverslag van het Diergezondheidsfonds (DGF) en diverse bijlagen. Deze bevatten informatie over de in 2015 gerealiseerde beleidsresultaten en de budgettaire realisatiegegevens van het Ministerie van Economische Zaken (EZ) en het DGF.

Het onderdeel beleidsprioriteiten van het beleidsverslag betreft de verantwoording over de beleidsagenda uit de EZ-begroting 2015. Het verhaal is, analoog aan de beleidsagenda, opgezet langs de volgende vijf lijnen:

  • 1. Economisch beeld;

  • 2. Veranderende verhoudingen in de wereld;

  • 3. Vernieuwing: technologische ontwikkelingen steeds bepalender;

  • 4. Verduurzaming en versterking van natuurlijk kapitaal;

  • 5. Verbinden: maatschappij en overheid in beweging.

Langs deze lijnen worden de belangrijkste beleidsresultaten van EZ in 2015 beschreven. In het onderdeel beleidsprioriteiten wordt ook ingegaan op het rijksbrede focusonderwerp «Tijd voor uitvoering van de hervormingstrajecten die in het jaar 2015 van start zijn gegaan» (Box 2: Versterken toezicht Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit).

De beleidsartikelen in dit jaarverslag hebben dezelfde opzet als de begroting 2015. Dit betekent dat de beleidsartikelen conform de Rijksbegrotingsvoorschriften van «Verantwoord Begroten» zijn opgesteld. Elk beleidsartikel bevat een paragraaf beleidsconclusies waarin voor de belangrijkste instrumenten een oordeel wordt gegeven over de uitvoering van het beleid in het afgelopen jaar.

De bedrijfsvoeringparagraaf doet verslag van relevante aandachtspunten in de bedrijfsvoering van het Ministerie van EZ en van het DGF.

De jaarrekening bestaat uit de departementale verantwoordingsstaat, de samenvattende verantwoordingsstaat inzake de agentschappen, de jaarverantwoordingen van de agentschappen, de saldibalans en de WNT-verantwoording.

Het jaarverslag van het DGF bestaat uit een beleidsverslag (inclusief een bedrijfsvoeringsparagraaf) en een jaarrekening (verantwoordingsstaat DGF en een saldibalans).

De volgende bijlagen zijn opgenomen: Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO’s) en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT’s), afgerond evaluatie- en overig onderzoek 2015, Europese geldstromen, externe inhuur en een lijst van afkortingen.

2. Ondergrenzen toelichtingen

Voor wat betreft het toelichten van significante verschillen in de uitgaven, ontvangsten en verplichtingen in de realisatie versus de vastgestelde begroting 2015 zijn de ondergrenzen gehanteerd zoals opgenomen in de onderstaande tabel.

Omvang begrotingsartikel (stand ontwerpbegroting) in € mln

Beleidsmatige mutaties

(ondergrens in € mln)

Technische mutaties

(ondergrens in € mln)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 en < 1.000

5

10

=> 1.000

10

20

In sommige gevallen, waar politiek relevant, worden ook posten toegelicht beneden deze ondergrenzen.

3. Controlenormen financiële en niet-financiële gegevens

Het jaarverslag bevat zowel financiële als niet-financiële gegevens (kengetallen en indicatoren). Deze gegevens zijn aan verschillende controlenormen onderhevig. De controle van financiële informatie is gebaseerd op normen zoals deze voortvloeien uit de Comptabiliteitswet 2001 en de Rijksbegrotingsvoorschriften 2016 (RBV). De controle van beleidsinformatie en informatie over de bedrijfsvoering is gebaseerd op normen zoals deze voortvloeien uit de RBV. Van een aantal indicatoren zijn de realisatiegegevens over 2015 nog niet bekend. In die gevallen is de meest recente realisatie opgenomen.

4. Groeiparagraaf

In het WGO over het EZ-jaarverslag 2014 heeft de Minister toegezegd om in volgende jaarverslagen, waar mogelijk, meer expliciet en transparant onderscheid te maken tussen beleidsresultaten, -conclusies, en -consequenties. De beleidsconclusies in de beleidsartikelen zijn ten opzichte van het jaarverslag 2014 korter en meer concluderend.

5. Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. Voor de beleidsterreinen van EZ zijn voor 2015 geen specifieke aanbevelingen gedaan.

B. HET BELEIDSVERSLAG

1.3.1 DE BELEIDSPRIORITEITEN

Inleiding

Het Ministerie van Economische Zaken zet zich in voor een duurzaam, ondernemend Nederland. Een stevige inzet op een excellent ondernemersklimaat en sterk innovatievermogen zorgt ervoor dat vernieuwende ondernemers en onderzoekers het beste uit zichzelf kunnen halen. Door internationale afspraken en ondersteuning van het bedrijfsleven wordt Nederland gepositioneerd als aantrekkelijke, innovatieve handelspartner. Verder zijn in 2015 concrete stappen gezet om duurzaamheid te bevorderen. Hierdoor wordt onder andere natuur beter beschermd en wordt een volgende stap gezet in de transitie naar een duurzame energievoorziening, die betaalbaar, betrouwbaar en veilig is. Deze stappen heeft het Ministerie van Economische Zaken niet alleen gezet, maar samen met private en publieke partijen, omdat goed beleid gezamenlijk tot stand komt.

1. Groei Nederlandse economie zet door

De Nederlandse economie is in 2015 met 2% gegroeid.1 Daarmee bereikte de Nederlandse economie voor het eerst na zeven jaar weer de omvang van voor de crisis. De Nederlandse economie groeide in 2015 over de brede linie. De export nam met een groei van 5,3% voor het vijfde jaar op rij toe. Huishoudens profiteerden van het krachtige herstel van de woningmarkt en de gestegen koopkracht. Bedrijven zagen weer volop investeringsmogelijkheden. De lage stand van de euro en de flink gedaalde olieprijzen zorgden daarnaast voor een extra steun in de rug. De consumptie van huishoudens en investeringen droegen in het afgelopen jaar meer bij aan de economische groei dan de export, met een toename van respectievelijk 1,5% en 10,3%.

In het afgelopen jaar zorgden verschillende ontwikkelingen echter ook voor tegenwind. De afzwakkende groei van de opkomende economieën, zoals China, zetten een rem op de ontwikkeling van de wereldhandel. Daarnaast heeft het kabinet, in het belang van de veiligheid van de inwoners van Groningen, besloten de gaswinning in Groningen flink te verlagen (zie box 1). Toch heeft de Nederlandse economie met een groei van 2% laten zien dat het sterk genoeg is om deze tegenwind te weerstaan. Zonder het negatieve gaseffect zou de Nederlandse economie met 2,4% zijn gegroeid. Het Ministerie van Economische Zaken heeft in 2015 verder gewerkt aan het versterken van het verdienvermogen van de Nederlandse economie. Het is echter vooral te danken aan de inzet en veerkracht van het bedrijfsleven dat de economische groei in het afgelopen jaar verder heeft doorgezet.

Box 1: Gaswinning Groningen

Bij de besluiten over de gaswinning zijn voor het kabinet twee zaken leidend: de veiligheid van de inwoners van Groningen en het belang van leveringszekerheid voor huishoudens en bedrijven die afhankelijk zijn van het gas uit Groningen. De gaswinning uit Groningen is daarom verminderd: van 53,9 mld m3 in kalenderjaar 2013 naar maximaal 30 mld m3in kalenderjaar 2015, aangevuld met de eenmalige beschikbaarheid van 3 mld m3 uit de gasopslag Norg. Dit productieplafond is op 18 november 2015 door de Raad van State vernietigd. In de uitspraak is een voorlopige voorziening getroffen op een niveau van 27 mld m3 voor het gasjaar 2015/2016. In december 2015 besloot het kabinet deze voorlopige voorziening in stand te laten. Voor 1 oktober 2016 zal het kabinet op basis van een nieuw winningsplan van NAM een nieuw besluit nemen.

Sinds het begin van 2015 wordt door twaalf Groninger gemeentes in het aardbevingsgebied, de provincie Groningen en de Rijksoverheid gewerkt aan het versterken van woningen om de veiligheid en leefbaarheid te verbeteren, onder leiding van Nationaal Coördinator Groningen Hans Alders. Op 18 december 2015 heeft het kabinet ingestemd met het «Meerjarenprogramma Aardbevingsbestendig en Kansrijk Groningen»van de CNG.2

Daarnaast is een wetsvoorstel ingediend ter aanpassing van de Mijnbouwwet om het veiligheidsbelang steviger te verankeren en meer invloed te krijgen op waar en onder welke omstandigheden mijnbouwactiviteiten zijn toegestaan. Hierbij wordt het burgerperspectief beter geregeld en krijgen andere overheden een adviesrecht. Ook wordt de onafhankelijke positie van Staatstoezicht op de Mijnen versterkt.3

De veiligheid van de inwoners van Groningen staat dus voorop. Tegelijkertijd heeft het verlagen van het gasplafond ook economische consequenties. Het lagere volume van de gasproductie (Groningen en kleine velden) drukte in 2014 de economische groei met circa 0,5%-punt en in 2015 met 0,4%-punt (zie figuur 1a).4 Daarnaast is sprake van een flink prijseffect. De gemiddelde gasprijs op de gasbeurs TTF daalde van circa 26 cent per m3 in 2013 naar circa 20 cent per m³ in 2015. De aardgasbaten zijn door de afgenomen gasproductie en -prijzen sinds 2013 sterk verminderd: van € 13,3 mld in 2013 naar € 6,4 mld in 2015 (zie figuur 1b).

Figuur 1a: Effect lagere gasproductie op economische groei (in %-punten)Figuur 1a: Effect lagere gasproductie op economische groei (in %-punten)

Bron: CBS, Statline

Figuur 1b: ontwikkeling aardgasbaten (in mld euro’s, op kasbasis, exclusief vpb)Figuur 1b: ontwikkeling aardgasbaten (in mld euro’s, op kasbasis, exclusief vpb)

Bron: op basis van eigen berekeningen

   

2. Veranderende verhoudingen in de wereld

Het zwaartepunt van de wereldeconomie verschuift. Landen als China en India groeiden in 2015 nog steeds bovengemiddeld snel en zijn inmiddels de grootste en op twee na grootste economieën ter wereld.5 De daling van de olieprijs tot circa 30 dollar per vat (Brentolie) zorgt voor economische en budgettaire moeilijkheden in landen die substantieel afhankelijk zijn van olie-export, terwijl het een kostenverlagend effect heeft op netto-importeurs. De opheffing van de VN-sancties tegen Iran zorgt voor nieuwe handelskansen. Daar staat tegenover dat Rusland zijn invoermaatregelen tegen agrarische producten uit onder andere Nederland heeft voortgezet. Door voeling te hebben voor de internationale dynamiek en door een stevige positie in internationale netwerken blijft Nederland concurrerend in een veranderende wereld.

Stevige positie Nederland in internationale netwerken

Afgelopen jaar heeft het kabinet zich daarom wederom ingezet om Nederland als herkomstland van hoogwaardige producten te positioneren. Zowel de aanhoudende Russische invoermaatregelen tegen diverse agrarische producten als de beperkingen van de export naar aanleiding van de uitbraak van vogelgriep hebben in 2015 geleid tot gezamenlijke initiatieven van het bedrijfsleven en de overheid.6

Nederland blijkt ook in 2015 een aantrekkelijk land voor buitenlandse bedrijven om in te investeren. 300 buitenlandse bedrijven hebben vorig jaar samen € 1,87 mld geïnvesteerd en gezamenlijk gezorgd voor 9.300 banen.7 Het Invest in Holland-netwerk positioneert Nederland in het buitenland als een aantrekkelijk land om in te investeren of een vestiging te openen. Sinds begin 2015 bundelen de Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) en verschillende regionale partners hun krachten in dit netwerk. Daarnaast heeft EZ in mei 2015 de Energy Charter Conference georganiseerd, een grote conferentie waar 71 landen door het tekenen van het charter de intentie uitspreken om de samenwerking op energiegebied te versterken op basis van gemeenschappelijke principes.8

Europese samenwerking op interne markt

Hoewel het belang van export naar landen buiten de Europese Unie toeneemt9, waren buurlanden Duitsland, België, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk ook in 2015 de belangrijkste exportmarkten van Nederland. Nederland profiteert daarom van de stabiliteit en groei in de Europese Unie.

In 2015 heeft de voorbereiding van het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie in de eerste helft van 2016 veel aandacht gehad. Prioriteiten van het Ministerie van EZ tijdens het voorzitterschap zijn het versterken van de interne markt op alle terreinen en het streven naar betere regulering. Om sneller voortgang te boeken bij het versterken van de interne markt heeft Nederland in 2015 met een kleine groep gelijkgestemde lidstaten onder andere gewerkt aan het opzetten van nationale «Single Market Centres» die zorgen dat ondernemers één digitaal contactpunt hebben. Verder is een groep van gelijkgezinde lidstaten opgericht rondom het Europees Semester, de jaarlijkse cyclus van Europese economische beleidscoördinatie. Doel is om de inzet voor het Europees Semester beter op elkaar af te stemmen zodat effectiever kan worden geopereerd.

Het Europees fonds voor Strategische Investeringen (EFSI) werd in het najaar van 2015 operationeel. Om te zorgen voor een optimale aansluiting van Nederlandse projecten op de financieringsmogelijkheden van het EFSI heeft het kabinet het Nederlands Investerings Agentschap (NIA) opgericht.10 Verder stond 2015 in het teken van de nationale implementatie van de herziening van het Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid.11 Het stelsel van inkomensondersteuning is vereenvoudigd en gekoppeld aan het leveren van maatschappelijke prestaties. Verder is het nationale plattelandsontwikkelingsprogramma geaccordeerd door de Europese Commissie. Dit programma geeft de basis voor Rijk en provincies om gedurende de programmaperiode van 7 jaar in totaal € 1,4 mld te besteden aan de versterking van innovatie en de concurrentiekracht van de agrarische sector, aan biodiversiteit en klimaat en aan de ontwikkeling van het platteland.

3. Vernieuwing: technologische ontwikkelingen steeds bepalender

Onze economische groei zal in toenemende mate moeten komen van een sterkere groei van de arbeidsproductiviteit. Arbeidsproductiviteitsgroei wordt vooral gedreven door vernieuwing: het proces waarin oude technologieën, kennis en verdienmodellen plaatsmaken voor nieuwe. Het tempo van vernieuwing komt steeds hoger te liggen. Het is belangrijk dat de overheid en het bedrijfsleven hier snel op inspelen.

Een stevige stimulans voor ondernemerschap en innovatie

Een uitstekend ondernemers- en kennisklimaat stelt vernieuwende ondernemers en onderzoekers in staat het beste uit zichzelf te halen. Met de generieke regelingen voor innovatie (met name WBSO/RDA) werden in 2015 bijna 23.000 bedrijven gestimuleerd tot R&D-investeringen, waarvan ruim 97% van deze bedrijven afkomstig is uit het MKB.12 Verder is in januari 2015 ter versterking van het startupklimaat de StartupDelta gelanceerd met Neelie Kroes als special envoy startups.13 Belangrijke resultaten tot nu toe zijn de introductie van het startupvisum, de lancering van de Startupbox en de Corporate Launchpad.

Dankzij het economisch herstel trekken de detailhandelsverkopen inmiddels weer aan. Desalniettemin is in 2015 het faillissement van een aantal grote winkelketens uitgesproken, waaronder V&D, DA en Macintosh, en een aantal andere bedrijven verkeert in zwaar weer. Dit is deels het gevolg van structurele veranderingen in de detailhandel, veelal gedreven door nieuwe technologieën en online verkoop, en veranderende voorkeuren van het winkelend publiek. Om hierop beter te kunnen inspelen, is in 2015 de Retailagenda gepresenteerd waarin verschillende afspraken zijn gemaakt om de detailhandel toekomstbestendig te maken en tegelijkertijd de leefbaarheid van de binnensteden en dorpskernen te verbeteren.14 Als onderdeel daarvan hebben 29 gemeenten en twee regio’s een retaildeal gesloten. Samen met stakeholders gaan deze gemeentes aan de slag om te kijken waar geïnvesteerd kan worden in vastgoed, maar ook waar winkeloppervlakte moet verdwijnen.

Inzet op een interactief innovatiesysteem waar partijen elkaar makkelijk kunnen vinden

De praktijk leert dat innovaties sneller tot stand komen als partijen elkaar beter kunnen vinden en elkaar inspireren door samen te werken in netwerken en clusters. De topsectoren, waarin bedrijfsleven, kennisinstellingen en de overheid samenwerken, vervullen hierin een belangrijke rol.

Op 5 oktober is het kennis- en innovatiecontract voor 2016 en 2017 ondertekend.15 Met dit contract geven topsectoren gezamenlijk vorm aan de agenda voor fundamenteel en toegepast onderzoek voor de komende periode. De omvang van de agenda bedraagt € 4,1 mld, waarvan € 2,1 mld een private bijdrage betreft. De topsectoren hebben daarnaast een gezamenlijke Human Capital Agenda geformuleerd.16

Om innovatie bij het MKB over regiogrenzen heen te stimuleren stelden Rijk en Regio in 2015 samen € 50 mln beschikbaar in de MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT), als onderdeel van de MKB-samenwerkingsagenda.17 Verder is met behulp van financiering van het kabinet een aantal grote PPS-projecten tot stand gekomen, waaronder Onco XL op het gebied van oncologieonderzoek, het Chemical Building Blocks Consortium op het gebied van onderzoek naar nieuwe materialen en energiedragers, en de samenwerking tussen Intel en QuTech op het gebied van quantumtechnologie.

Ook zijn in 2015 stappen gezet op het grensvlak van ICT en innovatie. Zo is in 2015 de kennis- en innovatie-agenda ICT opgezet die een doorsnijdende en verbindende functie heeft voor alle topsectoren. In de nieuwe agenda wordt onder andere een meerjarig programma voor big data onderzoek en innovatie gelanceerd, die door NWO, TNO en EZ wordt ondersteund met € 40 mln voor de jaren 2016–2017.18 Verder is in 2015 het eerste Fieldlab gelanceerd, een praktijkomgeving waarin industriële bedrijven en kennisinstellingen ICT-gerelateerde oplossingen ontwikkelen. Het gaat om Fieldlab Campione, een consortium van dertig bedrijven en kennisinstellingen die als doel hebben gesteld het onderhoud in chemiebedrijven efficiënter te maken.19

Uitstekende randvoorwaarden voor een uitstekend ondernemersklimaat

Om nieuwe ideeën te kunnen realiseren en op de markt te brengen is het belangrijk dat ondernemers toegang tot financiering hebben. Vooral MKB-bedrijven hadden de afgelopen jaren moeite om financiering te krijgen. Daarom is het Aanvullend Actieplan MKB-financiering dat op 1 juli 2014 werd gepubliceerd in 2015 verder uitgerold.20 Zo heeft de Europese Investeringsbank Qredits als eerste microfinancieringsinstelling in Europa € 100 mln verstrekt dankzij een gedeeltelijke garantie van het kabinet en het Europees Fonds voor Strategische Investeringen. Daarnaast is een tweede Dutch Venture Initiative (DVI) fonds opgezet voor de financiering van investeringsfondsen voor innovatief mkb dat wil doorgroeien, waarin het kabinet en het Europees Investeringsfonds (EIF) beide € 100 mln hebben verstrekt.

Om de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt in de technieksector te verbeteren zijn in 2013 in het Techniekpact concrete afspraken gemaakt. Deze aanpak is in 2015 voortgezet.21 In het schooljaar 2014/2015 werken meer dan 2.100 bedrijven structureel met het beroepsonderwijs samen, een groei van 30% ten opzichte van een jaar eerder.

Het is tevens belangrijk dat wet- en regelgeving ruimte biedt aan vernieuwing en ondernemerschap.22 Het kabinet heeft zich, als onderdeel van een bredere aanpak richting toekomstbestendige wet- en regelgeving, gecommitteerd actief te kijken naar die situaties waarin innovatie wordt belemmerd door regelgeving. De uitdaging daarbij is om de juiste balans te vinden tussen de ruimte aan innovatie, vernieuwing en ondernemerschap enerzijds en anderzijds de zorg voor adequate borging van publieke belangen.23 Op voorwaarde van verdergaande digitalisering van de radio werd op het gebied van frequenties in 2015 besloten tot een verlenging van de commerciële radiovergunningen.24 Daarnaast werd besloten tot veiling van de vergunning voor digitale ethertelevisie.25

In 2015 is de regeldruk voor bedrijven, burgers en professionals met € 600 mln verminderd ten opzichte van een jaar eerder, onder andere door implementatie van de richtlijn jaarrekening. Ook heeft het kabinet besloten een nieuwe inventarisatie te starten naar regeldrukverminderende maatregelen om de resterende opgave van de € 2,5-miljarddoelstelling in te vullen. In aanvulling op de kwantitatieve reductie van regeldruk geeft het kabinet met de maatwerkaanpak een extra impuls aan merkbare regeldrukvermindering voor ondernemers. Dit resulteerde onder andere in de actieplannen voor de sectoren logistiek, agro & food, kinderopvang, chemie en het winkelambacht.26

4. Verduurzaming en versterking van natuurlijk kapitaal

Om welvaart en welzijn in de toekomst zeker te stellen dienen natuur, leefmilieu en klimaat onlosmakelijke onderdelen te worden van duurzame economische en maatschappelijke ontwikkelingen. Door het stellen van heldere, strategische doelen en kaders kan de overheid coördinatie en samenwerking binnen de economie in de gewenste richting versterken. Door innovatieve oplossingen te ontwikkelen, onder andere in de topsectoren agro, water, energie en high tech systems en materialen (HTSM), gaat het oplossen van maatschappelijke uitdagingen samen met economische kansen voor Nederland. Daarnaast zijn op een aantal terreinen in 2015 concrete verduurzamingsstappen gezet.

Naar een duurzame energievoorziening

Nederland staat voor de uitdaging om het energiesysteem richting 2050 vergaand te verduurzamen.

In 2015 is de uitvoering van het Energieakkoord voortgezet. Op basis van de Nationale Energieverkenning (NEV) 2015 is in oktober 2015 gebleken dat drie27 van de vijf doelen binnen bereik zijn. Het kabinet heeft met de andere partijen uit het Energieakkoord in december 2015 aanvullende afspraken gemaakt om te zorgen dat de doelstelling voor 14% hernieuwbare energie en 100 PJ energiebesparing in 2020 ook binnen bereik komen. Het kabinet heeft hiervoor onder andere de Investeringssubsidie Duurzame Energie opgezet, die subsidie beschikbaar stelt voor zonneboilers, warmtepompen, biomassaketels en pelletkachels.

In 2015 is de stimuleringsregeling duurzame energie (SDE+) weer opengesteld. Het beschikbare budget van € 3,5 mld is toegekend aan 194 projecten. Indien al deze projecten tot realisatie komen, leveren deze een bijdrage van 19 PJ aan het doelbereik. Cumulatief is met de SDE en SDE+-rondes tot en met 2015 voor een jaarproductie van 107PJ aan beschikkingen afgegeven. Dit komt overeen met het energieverbruik van ruim 1,8 mln huishoudens.28

Ook op het terrein van windenergie op zee is voortgang geboekt. De Wet Windenergie op zee is conform de planning in werking getreden op 1 juli 2015. Verder heeft de Minister van EZ een Warmtevisie opgesteld, die het kader schetst voor verduurzaming van de warmtevoorziening.29 Belangrijk element uit de warmtevisie is het opstellen van regionale warmteplannen. Daarnaast is in 2015 gewerkt aan het Energierapport 2016, dat een integrale visie geeft op de toekomstige energievoorziening in Nederland.

Betere bescherming van natuur

Het natuurbeleid richt zich op behoud en versterking van de Nederlandse natuur. In 2015 is het stelsel van agrarisch natuurbeheer geheel vernieuwd.30 Collectieven van agrariërs gaan gezamenlijk het agrarisch natuur- en landschapsbeheer uitvoeren. Dit leidt naar verwachting tot een betere bescherming van de natuur, is goedkoper in de uitvoering en wordt meer gedragen door de regio. Daarnaast is de Wet natuurbescherming met brede steun door het parlement aanvaard. Deze wet biedt een gemoderniseerd, vereenvoudigd en integraal kader voor de bescherming van Natura 2000-gebieden, kwetsbare soorten en houtopstanden.31 De wet versterkt ook een maatschappelijk verantwoorde en transparante uitoefening van de jacht. De bevoegdheden voor de uitvoering van de wet zijn overeenkomstig het Bestuursakkoord Natuur en het Natuurpact in belangrijke mate bij de provincies neergelegd. Ook is op 1 maart 2015 het Programma Nationale Parken ingesteld. De ambitie van dit programma is om samen met betrokken partners een aantal (natuur)gebieden in Nederland te positioneren als Nationale Parken van internationale allure.32 Het verbod op wilde dieren in het circus is met ingang van 15 september 2015 van kracht geworden.33

Een samenhangend en duurzaam voedselbeleid

Het kabinet heeft in 2015 een voedselagenda34 opgesteld voor een samenhangend beleid rond de bescherming van de volksgezondheid, ecologische houdbaarheid en een robuust voedselsysteem dat schokken op kan vangen. De landbouw- en visserijsectoren staan voor de uitdaging om wereldwijd een groeiende bevolking te voeden, terwijl de uitstoot van broeikasgassen wordt teruggebracht en de teelt van gewassen aan klimaatverandering wordt aangepast. Het kabinet stimuleert daarom dat de kennis en kunde van Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen op dit terrein wereldwijd in praktijk worden gebracht.

In 2015 is verder ingezet op een duurzame veehouderij en duurzame voedselvoorziening, in nauwe samenwerking met ketenpartijen en partners. Ketenpartijen zijn als eerste aan zet als het gaat om het formuleren van duurzaamheidsinitiatieven. Zo hebben de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij (UDV) en de Alliantie Verduurzaming Voedsel (AVV) in 2015 afgesproken het verduurzamingsproces te stimuleren en te versnellen.35 In 2015 zijn in totaal acht voorstellen voor verbeterplannen en projecten gehonoreerd in het kader van de Regeling UDV, ter waarde van ruim € 500.000.

In het kader van voedselveiligheid is het nieuwe toezichtskader voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) naar de Tweede Kamer gestuurd.36 Dit toezichtskader sluit aan op de verbeteringen in het plan van aanpak (box 2) en vraagt met name aandacht voor een slagvaardig, effectief en voorspelbaar optreden bij overtredingen. Door minder te waarschuwen en recidivisten harder aan te pakken moet de effectiviteit van het ingrijpen van de NVWA verbeteren.

Verbinding duurzaamheid en maatschappij

Initiatieven op het gebied van verduurzaming kunnen niet los gezien worden van andere economische en maatschappelijke ontwikkelingen. Waar mogelijk is het streven om verschillende ontwikkelingen aan elkaar te verbinden. Zo is op 1 juli 2015 het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden. Het programma verbindt economie met ecologie. Dankzij dit programma zijn (economische) activiteiten rondom Natura 2000-gebieden die stikstofdepositie op natuurgebieden veroorzaken en die tot die tijd moeilijk of niet vergunbaar waren, weer mogelijk. Daarbij zijn bovendien de administratieve lasten voor ondernemers sterk verminderd. Het programma zorgt tevens, door de herstelmaatregelen, voor versterking van de kwetsbare natuur, waardoor behoud van natuurwaarden gegarandeerd is.

Ook is de maatschappelijke uitvoeringsagenda Natuurvisie opgesteld met maatschappelijke initiatieven die natuurwinst combineren met andere maatschappelijke doelen. Onderdeel van de agenda is de beleidslijn Tijdelijke Natuur, dat het mogelijk maakt om natuur toe te laten op de vele tienduizenden hectares aan bouwterreinen die anders braak zouden blijven liggen. Een belangrijke stap hierin is dat eind 2015 de stichting Tijdelijke Natuur is opgezet om dergelijke initiatieven te ondersteunen.37

Box 2: Versterken toezicht Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

Het plan van aanpak voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bevat maatregelen om het toezicht door de NVWA te versterken en verbeteren. Het plan van aanpak ligt op koers38, met uitzondering van de geplande efficiencywinst door het aanpassen van de arbeidsvoorwaarden.39 In 2015 is een aantal maatregelen afgerond, zoals:

  • De invoering van een nieuwe toezichtsaanpak bij varkensslachthuizen, kalverslachterijen en bij de pluimveeslachterijen. De effectmeting van de nieuwe toezichtsaanpak bij kleine en middelgrote roodvleesslachtplaatsen laat zien dat er op vrijwel alle gemeten risicogebieden – dierenwelzijn, hygiënisch werken en temperatuur en reinigen en ontsmetten van veewagens – sprake is van een verbetering van de naleving.

  • Investeringen in het vroegtijdig signaleren van niet-naleving om de capaciteit van de NVWA zo effectief en risicogericht mogelijk in te zetten. Daartoe is Bureau Risicobeoordeling (BuRO) versterkt, is een netwerk van data-analisten gerealiseerd en is de toolbox voor data-analyse gevuld.

  • Het herinrichten van de teams voor toezichtuitvoering en organiseren van ondersteuning voor teamleiders, zodat er meer aandacht is voor de begeleiding en aansturing van de medewerkers. De teamregio’s van de veterinaire teams zijn verkleind waardoor het management beter in staat is de reistijden te reduceren en dierenartsen efficiënter in te plannen.

  • De eerste ketenanalyse is gepubliceerd, de risicobeoordeling Roodvleesketen. Op basis hiervan zijn aanbevelingen voor het verbeteren en aanpassen van het toezicht opgesteld.

  • De planning van de werkzaamheden op de terreinen consument & veiligheid en veterinair & import is verbeterd.

De uitvoering van het Verbeterplan is complex en inherent risicovol. Het is verweven met het reguliere werk. Tevens blijft de vraag naar inzet van de NVWA groeien, bijvoorbeeld voor de uitvoering van de door EU voorgeschreven controles, terwijl het totale budgettaire kader onder druk staat. De financiële problematiek komt ter sprake tijdens de voorjaarsbesluitvorming.

5. Verbinden: maatschappij en overheid in beweging

Door ruimte te geven aan initiatieven uit de maatschappij en door private en publieke partijen goed te betrekken bij beleidsvorming en -uitvoering kan de overheid belangen beter afwegen, wordt het draagvlak onder beleid verbreed en de effectiviteit ervan vergroot. Het Ministerie van EZ heeft in 2015 daarom ingezet op het houden van constructieve dialogen en versterking van de samenwerking met private en andere publieke partijen.

Samenwerken kent geen grenzen

Op verschillende manieren is het ministerie met stakeholders in gesprek gegaan of is het gesprek tussen stakeholders versterkt. Zo is bij de ontwikkeling van de Nederlandse Franchise Code (NFC) de franchisesector in staat gesteld om een set heldere onderlinge spelregels af te spreken, die het aantal conflicten in de sector drastisch vermindert.40 Uit het proces dat met de sector is doorlopen is gebleken dat er veel steun is voor de code. Belangrijke voorwaarden voor het slagen van zelfregulering zijn voldoende momentum voor sectorbrede implementatie van de NFC en bescherming tegen «freeriders». Om dit te borgen zal het kabinet de mogelijkheid tot wettelijke verankering van de NFC verkennen.41

Ook zijn een aantal grote publiek-private samenwerkingen tot stand gekomen. Daarnaast is in 2015 de eerste digitale interactieve kamerbrief verstuurd, over de creatieve industrie.42 Deze kamerbrief gaat niet enkel over de waarde van de creatieve industrie, maar is zelf ook een product van de creatieve industrie.

Niet alleen nationaal, maar vooral ook regionaal is de samenwerking verder uitgebouwd. Zoals bijvoorbeeld de samenwerking tussen het Ministerie van EZ en de provincies in de MIT-regeling en de regionale verankering van het Techniekpact. De samenwerking in het kader van Agenda Stad is daarnaast verder geconcretiseerd.43 Samen met het Ministerie van BZK, Metropoolregio Rotterdam Den Haag, provincie Zuid-Holland en de Economische Programmaraad Zuidvleugel heeft het Ministerie van EZ de eerste city deal gesloten.44 Daarmee committeren partijen zich aan het regionale economische strategietraject «Roadmap Next Economy», dat de acties en investeringen moet beschrijven die nodig zijn voor een toekomstbestendige economie. Verder slaan het Ministerie van EZ, enkele topsectoren (Energie & Creatieve industrie), Netbeheer Nederland en vijf vooruitstrevende gemeenten met de Green Deal Smart Energy Cities de handen ineen om de energietransitie in Nederland te versnellen en innovatie meer ruimte te bieden. De Retailagenda is tevens met allerlei stakeholders – gemeenten, provincies, vastgoed, vakbonden, financiers, MKB Nederland en de sector zelf – opgesteld.

Ook op Europees gebied werden de banden aangehaald. Zo gingen de vier landsdelige programma’s van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) in 2015 van start.45 Ze stelden voor meer dan € 200 mln aan EFRO-budget open voor innovatiestimulering en het realiseren van een koolstofarme economie. In oktober 2015 heeft het kabinet het wetsvoorstel tot wijziging van de Aanbestedingswet 2012 in verband met de implementatie van de herziene Europese aanbestedingsrichtlijnen aan de Tweede Kamer gezonden.46 Belangrijk onderdeel van het wetsvoorstel is de digitalisering van de aanbesteding van (overheids)opdrachten boven de Europese drempelbedragen. Door een betere e-overheidsdienstverlening en verlaging van de administratieve lasten zijn ondernemers minder tijd en geld kwijt.

Door samenwerking Kvk en RVO.nl vinden ondernemers de juiste weg

De Kamer van Koophandel (KvK) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) hebben begin december een samenwerkingsconvenant afgesloten.47 Zij werken als ketenpartners en de dienstverlening is complementair aan elkaar. Beide organisaties gaan zich duidelijker extern positioneren zodat het voor de ondernemer duidelijk is welke organisatie welk type dienstverlening aanbiedt en waar hij moet zijn. Daarnaast kunnen de organisaties de ondernemer gericht doorverwijzen naar elkaar.

Realisatie beleidsdoorlichtingen periode 2009–2015
Realisatie beleidsdoorlichtingen

Artikel

Naam artikel

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Geheel artikel?

(Nummer artikel)

(Naam artikel en eventueel artikelonderdeel)

             

Ja

11

Goed functionerende economie en markten

   

x

       

Ja

12

Een sterk innovatievermogen

 

x1

       

x2

Ja

13

Een excellent ondernemingsklimaat

           

x2

Ja

14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

 

x3

     

x

 

Ja

16

Concurrerende, duurzame en veilige agro-, visserij- en voedselketens

x

         

x4

Ja

17

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

         

x

 

Ja

18

Natuur en regio

 

x5

       

x6

Ja

X Noot
1

Gecombineerd met de Brede Heroverweging Innovatie en toegepast onderzoek

X Noot
2

De beleidsdoorlichtingen van artikel 12 en 13 zijn gezamenlijk uitgevoerd.

X Noot
3

Gecombineerd met de Brede Heroverweging Energie en klimaat

X Noot
4

Gecombineerd met het IBO Agro-, visserij- en voedselketens

X Noot
5

Gecombineerd met de Brede Heroverweging Leefomgeving en Natuur

X Noot
6

Gecombineerd met de OECD Territorial Review of the Netherlands

De huidige artikelindeling (beleidsartikel 11 tot en met 18) is van toepassing vanaf de begroting 2012. Voor de jaren 2008 tot en met 2011 was er nog sprake van twee ministeries (Landbouw, Natuur en Voedsel-kwaliteit en Economische Zaken) met een andere artikelindeling.

Voor het meerjarenoverzicht is uitgegaan van de huidige artikelindeling. Voor een toelichting op de afgeronde beleidsdoorlichtingen in 2015 (en de beschikbare hyperlinks) wordt verwezen naar bijlage 2 «afgerond evaluatie- en overig onderzoek».

Afronding van de beleidsdoorlichting van artikel 11 wordt begin 2016 voorzien zodat ook de resultaten van de evaluatie ACM (afronding eind 2015) in deze beleidsdoorlichting meegenomen kunnen worden.

De meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen is opgenomen in de EZ-begroting 2016 (TK, 34 300 XIII, nr. 2). Deze is terug te vinden op de website Rijksbegroting.nl/beleidsevaluaties, zie: 2016 – XIII Economische Zaken – Planning beleidsdoorlichtingen – Rijksbegroting.nl.

Overzicht van risicoregelingen
Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2014

Verleende garanties 2015

Vervallen garanties 2015

Uitstaande garanties 2015

Garantie plafond

Totaal plafond

Totaal stand risicovoorziening

Artikel 13 Een excellent ondernemingsklimaat

BMKB

1.911.429

446.148

601.287

1.756.290

706.250

 

54.168

 

Garantie Ondernemingsfinanciering

644.334

118.889

97.773

665.450

400.000

 

53.111

 

Groeifaciliteit

95.027

28.653

15.973

107.707

85.000

 

17.000

 

Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfaciliteit

10.880

42.040

10.880

42.040

400.000

 

10.044

 

Garantie MKB-financiering

         

400.000

9.000

 

Microkredieten

13.000

86.700

0

99.700

 

113.000

 
                 

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Aardwarmte

49.292

31.873

14.450

66.714

93.052

 

21.958

                 

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garanties voor investeringen en werkkapitaal landbouwondernemingen (Garantieregelingen Landbouw en Garantieregeling Marktintroductie Innovatie)

343.781

28.430

49.814

322.398

120.000

 

122.162

Totaal

 

3.054.743

782.733

790.177

3.060.299

1.804.302

513.000

187.443

X Noot
1

Bedrag is inclusief € 10 mln voor de Pelsdierhouderreserve.

Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2014

Ontvangsten 2014

Saldo 2014

Uitgaven 2015

Ontvangsten 2015

Saldo 2015

Mutatie volume risicovoorziening (2014) en 2015

Artikel 13 Een excellent ondernemingsklimaat

BMKB

97.779

30.389

– 67.390

65.330

32.307

– 33.023

(36.555)

– 12.387

 

Garantie Ondernemingsfinanciering

17.875

9.380

– 8.495

10.600

9.443

– 1.157

(– 9.612)

– 1.898

 

Groeifaciliteit

2.168

2.436

268

3.499

2.964

– 535

(5.000)

12.000

 

Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfaciliteit

– 

46

46

– 

15

15

(– 15.000)

0

 

Garantie MKB-financiering

– 

– 

– 

– 

– 

– 

(9.000)

0

 

Microkredieten

– 

– 

– 

– 

– 

– 

(–)

– 

                 

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Aardwarmte

– 

2.184

2.184

– 

922

922

(9.206)

1.922

                 

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garanties voor investeringen en werkkapitaal landbouwonder-nemingen (Garantierege-lingen Landbouw en Garantieregeling Marktintroductie Innovatie)

23.691

2.004

– 21.687

28.347

1.696

– 26.651

(– 16.835)

– 19.128

Totaal

 

141.513

46.439

– 95.074

107.776

47.347

– 60.429

(18.314)

– 8.663

Artikel 13 Een excellent ondernemingsklimaat

BMKB

De BMKB is bedoeld voor bedrijven die te weinig zekerheden (onderpand) kunnen bieden aan een bank. De bank vindt het risico dat het bedrijf zijn lening niet kan terugbetalen dan vaak te hoog. Via de BMKB staat de overheid borg voor het deel van de lening waar het bedrijf geen onderpand voor heeft. De bank kan voor dat deel dus terugvallen op de overheid. Op grond van de Regeling nationale EZ-subsidies kunnen financiers kredieten die zij verstrekken aan MKB-ondernemers onder de werking van de regeling brengen. Hierdoor stelt de Staat zich voor 90% borg ten behoeve van de financier voor de terugbetaling van deze kredieten (de zogenaamde bedrijfsborgstellingskredieten). Eén van de voorwaarden die de regeling hieraan stelt, is dat de financier gelijktijdig met het verstrekken van een bedrijfsborgstellingskrediet, aan de MKB-ondernemer een ander krediet verstrekt, waarvoor deze borgstelling van de Staat niet geldt. Als hoofdregel geldt dat het bedrijfsborgstellingskrediet ten minste even groot moet zijn als het daarmee gelijktijdig afgesloten andere krediet. Het laatstgenoemde krediet bedraagt daarmee ten minste 100% van het bedrijfsborgstellingskrediet (verhouding 1:1). Voor starters en het innovatieve MKB gelden andere verhoudingen. Om de kredietverlening te stimuleren is per 1 november 2013 het maximum van het borgstellingskrediet verhoogd van € 1 mln naar € 1,5 mln en geldt voor bestaande bedrijven met een borgstellingskrediet tot maximaal € 200.000 de ruimere startersfaciliteit.

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

Met het instrument GO kunnen banken een 50% Staatsgarantie krijgen op (middel)grote leningen vanaf € 1,5 mln. Door de verstrekking van een Staatsgarantie wordt het risico voor de bank op de ondernemingsfinanciering gereduceerd. Dit vergroot de mogelijkheden om te voorzien in de financieringsbehoefte bij het Nederlandse bedrijfsleven. Ter stimulering van de kredietverlening aan het bedrijfsleven zijn de voorwaarden voor de GO-regeling tijdelijk verruimd. In 2013 is het maximum van de garantie verhoogd van € 25 mln naar € 75 mln en is de GO, naast de al bestaande mogelijkheid om bankgaranties onder de GO te brengen, ook opengesteld voor alternatieve aanbieders van garanties aan bedrijven.

Groeifaciliteit

Met de Groeifaciliteit worden bedrijven geholpen bij het aantrekken van risicodragend vermogen door een 50% Staatsgarantie te verstrekken op achtergestelde leningen van banken (ten hoogste € 5 mln) en op aandelen van participatiemaatschappijen (ten hoogste € 25 mln). De Groeifaciliteit kan ondernemingen in een groeifase, bij bedrijfsovernames en bij herstructureringen helpen bij het aantrekken van risicokapitaal.

Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfaciliteit

Met de Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfaciliteit kunnen banken 80% Staatsgarantie krijgen op de nieuwbouwfinanciering van een schip. Hierdoor wordt het risico voor de bank op de te verstrekken bouwfinanciering of voorfinanciering gereduceerd. Dit vergroot de kans voor Nederlandse scheepswerven om financiering aan te trekken. De sector kan door deze regeling beter concurreren met buitenlandse werven die van soortgelijke garantieregelingen gebruik kunnen maken.

Garantie MKB-financiering

Uit het Aanvullend Actieplan MKB-financiering is € 400 mln beschikbaar voor alternatieve financiers voor het MKB en € 500 mln voor achtergestelde leningenfondsen. Hierop zijn nog geen verplichtingen aangegaan. Het achtergestelde leningenfonds van de Nederlandse Investeringsinstelling zal in 2016 gebruik maken van een deel van laatstgenoemde € 500 mln die via de Groeifaciliteit beschikbaar gesteld wordt. De € 100 mln garantieruimte die beschikbaar was voor de funding van Qredits is opgenomen onder Microkredieten.

Microkredieten

Uit het Aanvullend Actieplan MKB-financiering is € 100 mln beschikbaar voor Microkredieten. Hierop is een garantie van € 86,7 mln verstrekt aan de Europese Investeringsbank voor de funding van de Stichting Qredits van € 100 mln voor de verder groei van de dienstverlening van Qredits (micro- en MKB tot € 150.000) als de nieuwe dienstverlening van Qredits (werkkapitaal en de hogere MKB kredieten tot € 250.000).

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Garantieregeling Aardwarmte

De garantieregeling Aardwarmte heeft als doel het afdekken van het financiële risico indien een boring van een put voor de toepassing van aardwarmte voor de borende partij minder oplevert dan verwacht. De garantieregeling dekt het risico dat een boring niet in een goede watervoerende laag uitkomt, waardoor het vermogen dat vooraf verwacht werd, niet wordt behaald. In dat geval wordt voor een deel van de gemaakte kosten een subsidie uitgekeerd, gerelateerd naar de mate waarin de aardwarmteboring mislukt is. Er wordt een premie van 7% gevraagd. De regeling richt zich zowel op gewone als diepe aardwarmteprojecten (dieper dan 3.500 meter).

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garanties voor investeringen en werkkapitaal landbouwondernemingen (Garantieregeling Landbouw en Garantieregeling Marktintroductie Innovatie).

Op basis van de garantstellingsregeling voor investeringen in landbouwondernemingen worden garantstellingen verleend aan banken waarmee innovatieve en duurzame investeringen in de landbouw worden gefaciliteerd.

1.3.2 DE BELEIDSARTIKELEN

11 Goed functionerende economie en markten

Algemene doelstelling

Het scheppen van voorwaarden voor een goed functionerende economie en goed functionerende markten, waaronder de markt voor elektronische communicatie.

Goed functionerende markten dragen in belangrijke mate bij aan de economische groei en innovatie. In een goed functionerende markt reageren vraag en aanbod effectief op elkaar. Consumenten en bedrijven profiteren daarvan. Op goed functionerende markten ontstaat een optimale prijs – kwaliteitverhouding van goederen en diensten en hebben gebruikers keuzevrijheid. Het slim benutten van en zorgdragen voor hoogwaardige elektronische communicatie netwerken en digitale infrastructuren waar de Nederlandse samenleving op kan bouwen én vertrouwen draagt bij aan het economisch groeivermogen en een goed functionerende economie.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Telecommunicatiewet en de Postwet 2009 verantwoordelijk voor het stellen van regels voor vaste en mobiele communicatienetwerken respectievelijk de postvoorziening. Daarnaast ziet de Minister van EZ het als een taak eventuele belemmeringen voor het goed functioneren van markten te verminderen of weg te nemen en heeft hij een systeemverantwoordelijkheid voor de statistische informatievoorziening van rijkswege. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Financieren

  • Het bijdragen aan het goed functioneren van markten door het financieren van TenderNed (het elektronisch aanbestedingssysteem) en diverse organisaties op het gebied van metrologie, normalisatie, accreditatie en markttoezicht;

  • Het financieren van een deel van de exploitatie van het Agentschap Telecom en het verrichten van uitgaven voor opdrachten inzake beleidsvoorbereiding en evaluaties voor frequentiebeleid en veiligheid. Veiligheid heeft hier met name betrekking op het beheersen van risico’s bij openbare elektronische communicatienetwerken en diensten, het voorkomen van internet- en telefoonstoringen en het voorkomen van graafschades aan kabels en leidingen;

  • Het financieren van het CBS om het van overheidswege verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken mogelijk te maken.

(Doen) uitvoeren

  • Het tegengaan van mededinging beperkende gedragingen met de Mededingingswet en uitvoeren van mededingingsbeleid in alle sectoren van de Nederlandse economie;

  • Het reguleren van de postmarkt met de Postwet 2009 waardoor een toegankelijke en betaalbare basisvoorziening voor de post is gewaarborgd (universele postdienst);

  • Het opstellen van verkeersregels voor het gebruik van de ether, door afspraken te maken in internationaal verband voor harmonisatie en door – in geval van schaarste – te bepalen op welke wijze het spectrum wordt verdeeld;

  • Het inzetten op het realiseren van hoogwaardige en innovatieve breedbandige mobiele communicatie en omroeptoepassingen door verruiming van gebruiksmogelijkheden van het spectrum en door de uitgifte van beschikbare frequentieruimte.

Regisseren

  • Het bevorderen van goed functionerende markten door het scheppen van randvoorwaarden via wet- en regelgeving;

  • Het bewaken van een goede balans tussen de belangen van bedrijven en consumenten met generiek consumentenbeleid waarbij de Wet handhaving consumentenbescherming centraal staat;

  • Het scheppen van voorwaarden waarbinnen concurrentie kan plaatsvinden door middel van de Waarborgwet, de Winkeltijdenwet, de Aanbestedingswet 2012, de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie en de Metrologiewet;

  • Het op basis van de in 2013 uitgekomen middellange termijnvisie op de ontwikkeling van telecommunicatie, media en Internet in 2015 verder moderniseren van de regelgeving om deze te kunnen laten meegroeien met de ontwikkelingen in de markt en de behoeftes in de samenleving.

Beleidsdoorlichting

In 2015 is de beleidsdoorlichting van artikel 11 uitgevoerd. Onder artikel 11 vallen een aantal belangrijke marktordeningswetten zoals de Mededingingswet, de Aanbestedingswet, de Telecommunicatiewet en de Postwet. Ook de financiering van het CBS valt onder artikel 11.

Een beleidsdoorlichting is een periodiek onderzoek naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid op het niveau van een begrotingsartikel. Een beleidsdoorlichting heeft het karakter van een synthese onderzoek: het vat samen wat reeds bekend is over doeltreffendheid en doelmatigheid van de verschillende onderdelen. De beleidsdoorlichting is intern EZ uitgevoerd. De beleidsdoorlichting van artikel 11 kijkt globaal terug op de periode 2006–2015.

Naast een overzicht van de mate waarin het beleidsterrein op doeltreffendheid en doelmatigheid is geëvalueerd, geeft de beleidsdoorlichting ook een oordeel over de doeltreffendheid en doelmatigheid van de instrumenten in hun onderlinge samenhang (het totale effect van de beleidsmix op het in algemene termen geformuleerde einddoel). Dit onderdeel van de beleidsdoorlichting is uitgevoerd door een extern onderzoeksbureau (AEF). In de beleidsdoorlichting is ook gekeken naar de beleidsopties indien er significant minder of meer middelen (20%) beschikbaar zijn. De beleidsdoorlichting wordt mei 2016 naar de Tweede Kamer gestuurd.

Beleidsconclusies

In 2015 zijn met het beleid en de bijbehorende uitgaven weer stappen gezet richting de bescherming van vitale telecommunicatie-infrastructuren, de bescherming van eindgebruikers en de verdere modernisering van de wetgeving rond de convergerende markten van telecommunicatie, media en internet. Naar aanleiding van een evaluatie zal binnen het frequentiebeleid de komende jaren meer aandacht worden besteed aan de kwetsbaarheid van infrastructuren en zal worden gewerkt aan een meer dynamisch spectrumbeheer en een grotere voorspelbaarheid van beleid.

Naar aanleiding van het inwerking treden van de Stroomlijningswet ACM op 1 augustus 2014 is op 1 januari 2015 een gestroomlijnde methodiek voor het doorberekenen van kosten die de ACM maakt van kracht geworden (Besluit doorberekening kosten ACM, Stb. 2014,406). De ACM berekent een deel van de kosten die samenhangen met het sectorspecifieke toezicht door aan de marktorganisaties die onder dat toezicht vallen.

Het wetsvoorstel Verhoging boetemaxima ACM (TK, 34 190, nr. 2) is 22 december 2015 aangenomen door de Eerste Kamer. De wet moet de afschrikkende werking van de ACM-boetes en daarmee van de effectiviteit van het markttoezicht dat de ACM uitoefent vergroten. De wet zal in beginsel op 1 juli 2016 in werking treden.

De evaluatie van de ACM is 24 december 2015 verzonden aan de Tweede Kamer (TK, 25 268, nr. 132). De evaluatie concludeert dat de ACM over het algemeen doeltreffend is. Tegelijkertijd worden op verschillende onderdelen, zoals op de doorlooptijden, nog verbetermogelijkheden gesignaleerd.

Het wetsvoorstel Modernisering en flexibilisering van de universele postdienstverlening (TK, 34 024, nr. 2), ingediend in 2014, is op 1 januari 2016 in werking getreden. Met dit wetsvoorstel zijn de eisen aan de Universele Postdienst (UPD) meer in lijn gebracht met de behoeften van gebruikers, met name door het verminderen van het aantal verplichte postvestigingen en brievenbussen.

In 2015 is op het terrein van de metrologie gestart met de implementatie van de op basis van verordening 765/2008 betreffende accreditatie en marktoezicht en besluit 768/2008 betreffende het verhandelen van producten in de Metrologiewet herziende Europese richtlijnen. De wet tot wijziging van de Metrologiewet (Stb 2015, nr 307) is op 28 juli 2015 gepubliceerd en zal op 20 april 2016 in werking treden. Eveneens is het Besluit aangewezen instanties en interne instanties Metrologiewet (Stb 2015, nr. 493) op 15 december 2015 gepubliceerd. Dit Besluit is op 1 januari 2016 in werking getreden. Begin januari zal het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers na akkoord in de Ministerraad voor advies naar de Raad van State worden gezonden.

In 2015 is, conform de visie telecom, media en internet uit 2013 (TK, 26 643, nr. 300) verder ingezet op modernisering van beleid en regelgeving rond deze sectoren. Er verscheen een nieuwe agenda van de Europese Commissie aangaande de Digitale Interne Markt. Voorstellen tot herziening van het regelgevend kader (marktregulering breedband, spectrum, maar ook hoe om te gaan met nieuwe online communicatiediensten) worden nu verwacht in 2016. Nederland blijft inzetten op een nieuw marktkader dat ook de ruimte geeft om ook een oligopolie in de breedbandmarkt aan te kunnen pakken.

Het wetsvoorstel om de Minister van Economische Zaken extra bevoegdheden te geven indien een partij overwegende zeggenschap wil verwerven in een telecommunicatiebedrijf dat beschikt over vitale infrastructuur, is vertraagd. Oorzaak is de complexiteit van het wetsvoorstel hetgeen noopt tot meer werk en afstemming dan voorzien. Het wetsvoorstel zal in 2016, na de zomer, aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

De Verzamelwet met diverse wijzigingen van de Telecommunicatiewet is niet eind 2014 maar in augustus 2015 bij de Tweede Kamer ingediend. De voorbereiding van het wetsvoorstel en de extra afstemming met marktpartijen kostte meer tijd. In januari 2016 is het wetsvoorstel aangenomen door de Tweede Kamer en op 2 februari 2016 door de Eerste Kamer. Het wetsvoorstel zal, op enkele uitzonderingen na, op 1 juli 2016 in werking treden.

Na aanvaarding van het Wetsvoorstel cookies door de Tweede Kamer op 7 oktober 2014 en de Eerste Kamer op 3 februari 2015 is op 11 maart 2015 het gewijzigde artikel 11.7a van de Telecommunicatiewet (cookiebepaling) in werking getreden. Deze bepaling zorgt er voor dat cookies die geen of nauwelijks gevolgen hebben voor de privacy niet meer onder de informatieplicht en het toestemmingsvereiste vallen.

Ten aanzien van de veiligheid van netwerken werd in 2015 een akkoord bereikt over een nieuwe Europese richtlijn over informatiebeveiliging.

De evaluatie van het frequentiebeleid over de afgelopen tien jaar is in 2015 afgerond en de Tweede Kamer is hierover in oktober 2015 geïnformeerd (TK, 24 095, nr. 392). Hieruit bleek dat de hoofdlijnen van het beleid gehandhaafd moeten blijven, maar dat meer aandacht gegeven kan worden aan voorspelbaarheid van beleid, telekwetsbaarheid en een meer dynamisch spectrumbeheer. Deze uitkomsten en de bevindingen en afspraken van de World Radio Conference welke in 2015 plaatsvond, worden betrokken bij een nieuwe visie op het frequentiebeleid, de Nota Frequentiebeleid 2016. Deze visie zal richting geven aan de frequentievraagstukken voor de komende jaren en wordt in het najaar van 2016 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2014

2015

2015

2015

VERPLICHTINGEN

231.522

228.384

214.441

195.559

197.904

192.396

5.508

UITGAVEN

232.766

233.701

216.199

197.270

200.072

192.483

7.589

               

Subsidies

   

797

356

900

1.400

– 500

Digitalisering regionale radio

   

797

356

900

1.400

– 500

               

Opdrachten

9.005

14.884

8.071

6.593

8.575

14.186

– 5.611

Onderzoek en Opdrachten

2.948

2.603

2.883

2.833

2.961

1.866

1.095

PIANOo/TenderNed

6.057

7.022

1.572

689

1.040

6.857

– 5.817

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

 

5.259

3.616

3.071

4.574

5.463

– 889

               

Bijdragen aan agentschappen

11.262

10.984

14.510

16.075

20.074

9.825

10.249

Agentschap Telecom

11.000

10.984

10.921

10.735

12.021

9.825

2.196

RVO

262

 

365

351

996

 

996

DICTU

   

3.224

4.989

7.057

 

7.057

               

Bijdrage aan ZBO’S/RWT’s

209.926

205.019

190.090

170.667

166.532

162.309

4.223

Metrologie

14.923

15.171

14.969

14.319

14.268

13.935

333

Raad voor Accreditatie

432

93

162

262

190

105

85

ACM

2.895

2.901

1.333

695

645

402

243

CBS

191.676

186.854

173.626

155.391

151.429

147.867

3.562

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

2.573

2.814

2.731

3.579

3.991

4.763

– 772

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

565

898

790

1.480

1.234

1.039

195

Internationale organisaties

1.982

1.916

1.941

2.043

2.757

3.664

– 907

Raad van deskundige voor de nationale meetstandaarden

26

   

56

0

60

– 60

               

ONTVANGSTEN

78.464

82.680

3.846.784

58.853

52.224

52.265

– 41

High Trust

21.443

32.060

16.655

34.441

31.880

31.300

580

Diverse ontvangsten

53.676

50.620

3.829.055

23.449

20.344

20.965

– 621

Ontvangsten ACM

3.345

 

1.074

963

0

 

0

Subsidies

Digitalisering regionale radio

De subsidie aan de Stichting Regionale Omroep Overleg en Samenwerking (ROOS) wordt aangewend voor investeringen in digitale radio voor de regionale publieke omroepen. In 2015 is het netwerk voor regionale digitale etherradio (DAB+) in de lucht gekomen en zijn de uitzendingen van start gegaan. Ook de niet-landelijke commerciële radiostations en de middengolfvergunninghouders zenden inmiddels via dit netwerk uit.

Een indicatie voor het succes van de introductie van digitale radio is de penetratiegraad van digitale radio-ontvangers in huishoudens. Dit wordt gemonitord in de jaarlijkse uitgave «De Digitale Economie» van het CBS. Als uit de in 2016 geplande evaluatie blijkt dat digitale radio (via de TDAB technologie) zoveel succes heeft dat het op relatief korte termijn de distributie via de analoge FM kan vervangen, wordt een afschakelmoment van de analoge FM vastgesteld (TK, 24 095, nr. 241).

Indicator

Referentie waarde 2012

Peil datum

Raming 2014

Realisatie 2014

Raming 2015

Realisatie 2015

Bron

Penetratiegraad van digitale radio-ontvangers in huishoudens

3,9%

2012

15%

4%

25–30%

Nog niet bekend1

CBS

X Noot
1

Wordt in juli 2016 door het CBS gepubliceerd.

De realisatie van het percentage digitale radio-ontvangers in huishoudens in 2014 (4%) is lager dan de raming voor 2015 (25–30%). Zoals eerder aan de Tweede Kamer gemeld (TK, 24 095, nr. 384) verloopt de overstap van FM naar DAB+, ook internationaal, minder snel dan verwacht. Nederland bevindt zich in de early adopter fase. Het aantal huishoudens nadert nog niet de beoogde 50% waardoor het op dit moment niet opportuun is om al een afschakeldatum voor de analoge FM te bepalen. In de komende jaren zal samen met de sector bezien worden wat een realistisch afschakelscenario voor de FM is.

Opdrachten

PIANOo/TenderNed

Dictu voert het technisch- en applicatiebeheer uit van TenderNed en zorgt voor de doorontwikkeling van TenderNed. Voor dit doel is budget van TenderNed overgeboekt naar DICTU.

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

Ten aanzien van frequenties is in 2015 de aanvraagregeling verlenging vergunningen 2100 MHz band gepubliceerd. De huidige vergunninghouders worden in staat gesteld om een aanvraag tot verlenging van de betreffende vergunningen te doen. Dit wordt begin 2016 afgerond, waarbij een verlengingsprijs in rekening zal worden gebracht. In 2015 heeft de Tweede Kamer de Minister gevraagd de vergunningen voor commerciële radio, die in 2017 aflopen, te verlengen. De Minister heeft aangekondigd hiertoe bereid te zijn, op voorwaarde van verdergaande digitalisering van de radio, en in 2016 met een verlengbaarheidsbesluit te komen (TK, 24 095, nr. 391). Daarnaast heeft de Minister in 2015 besloten om na de huidige vergunningstermijn, die tot begin 2017 loopt, weer spectrum beschikbaar te stellen voor digitale ethertelevisie en dit spectrum door middel van een veiling te verdelen (TK, 24 095, nr. 394). Deze veiling is gepland in juli 2016.

Ten aanzien van de internetveiligheid stond Nederland begin 2015 in de internationale schijnwerpers door de organisatie van Global Conference on Cyberspace. Verder is in 2015 in samenwerking met het Platform Internetveiligheid een aantal concrete acties opgepakt. Er is fors ingezet op uitbreiding van functionaliteit en bekendheid van de portal veiliginternetten.nl. Met 750.000 unieke bezoekers is de doelstelling van 700.000 bezoekers voor 2015 ruimschoots gehaald. Voor 2016 zal er verder worden gekeken naar (nauwere) samenwerking met verschillende stakeholders rondom veilig internetten gerelateerde onderwerpen.

Om botnets (netwerken van met malware besmette computers) te bestrijden, is in 2015 ABUSE HUB opgezet. Dit is een vereniging van grotere internet service providers (ISP’s) die een gezamenlijk centrum exploiteren van waaruit besmettingeninformatie wordt verzameld opdat klanten goed kunnen worden «ontsmet». Onderzoek van de TU Delft wijst uit dat de besmettingsgraad in Nederland is afgenomen sinds de start van ABUSE HUB. Er wordt in 2016 gewerkt aan een intensivering van de botnetbestrijding door ABUSE HUB uit te breiden met andere partijen, zoals mobiele operators, hosters, kleinere ISP’s en banken.

Daarnaast is in 2015 het Platform Internetstandaarden en de website www.internet.nl gelanceerd. Het platform streeft naar brede invoering van moderne internetstandaarden, waarmee de betrouwbaarheid en veiligheid van het Internet wordt verhoogd. Op de website www.Internet.nl kan getest worden of een internetverbinding, e-mail of een website voldoet aan de modernste internetstandaarden. Er zijn meer dan 65.000 testen uitgevoerd. De functionaliteit van de website wordt in 2016 verder uitgebouwd en er zal via andere kanalen zoals seminars aandacht worden besteedt aan het belang van een goede adoptie van internetstandaarden. In 2015 is ook de expertgroep Privacy en big data van start gegaan.

Kengetal

2011

2012

2013

2014

2015

Concurrentie markt mobiele telefonie (HHI-index)

3.721

3.740

3.675

3.469

3.185

(Q3)

Bron: ACM

Bijdragen aan agentschappen

DICTU

De bijdrage aan DICTU is verhoogd vanwege het technisch- en applicatiebeheer en de doorontwikkeling van TenderNed.

Agentschap Telecom

Agentschap Telecom draagt zorg voor de verdeling van en toelating tot het radiofrequentiespectrum, geeft vergunningen af voor het gebruik ervan en ziet toe op de naleving van de voorwaarden die daaraan verbonden zijn. De bestede bedragen hebben betrekking op deze taken. Kerntaken zijn de verdeling en het beheer van het Nederlandse radiofrequentiespectrum, het houden van toezicht op onderdelen van de Telecommunicatiewet en de Wet Informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) en het voeren van juridische procedures op deze terreinen. Ten aanzien van juridische procedures heeft Agentschap Telecom in 2015 procedures in het kader van de multibandveiling uitgevoerd. De hogere realisatie heeft te maken met een aantal extra opdrachten die onder andere betrekking hebben op beleidsvoorbereiding commerciële FM-radiovergunningen, onderzoeken naar telekwetsbaarheid en de mobiele bereikbaarheid van 1-1-2, ondersteuning bij storingsproblematiek GSM-Rail.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

CBS

In 2015 is de reductie van het budget van Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) ingevuld door verhoging van de efficiency en beperkte versobering van het outputprogramma. Het outputprogramma van zoals opgenomen in het CBS-jaarplan voor 2015 is gerealiseerd binnen het budgettaire kader.

De hogere uitgaven van het CBS zijn met name het gevolg van extra verplichte EU-statistieken en veiligheidsmonitor.

ACM

In 2015 is ACM begonnen met het doorlopend meten van de klanttevredenheid van consumenten die de website ConsuWijzer.nl bezoeken en die per telefoon of e-mail contact hebben met ConsuWijzer over hun vraag of klacht. Naast het feit dat ACM nu doorlopend de klanttevredenheid meet, terwijl dat in voorgaande jaren eens per jaar was, is ook de manier van onderzoek verbeterd. ACM meet meer aspecten en heeft de vraagstelling in het onderzoek aangepast. Door deze aanpassingen zijn de resultaten niet volledig vergelijkbaar met voorgaande jaren.

Sinds 2015 meet ACM eerst het voornemen bij consumenten om stappen te ondernemen om hun recht te halen. Die meting gebeurt bij websitebezoekers en bij consumenten die per telefoon of e-mail contact met ConsuWijzer hebben gehad. Vervolgens doet ACM een tweede meting of er ook werkelijk stappen zijn ondernomen. Uit deze metingen blijkt dat 43% stappen gaat ondernemen en dat 78% daarvan dat ook werkelijk doet. Consumenten die geen stappen ondernemen geven daarvoor verschillende redenen. Zij staan bijvoorbeeld niet in hun recht, hadden al stappen ondernomen of zijn door ACM doorverwezen naar een andere instantie. De raming in bovenstaande tabel is gebaseerd op de oude onderzoeksmethode.

Wat betreft het cijfer voor de algemene klanttevredenheid is de manier van onderzoek nagenoeg ongewijzigd en dus goed vergelijkbaar met 2014. Het cijfer 7,6 is een tiende hoger dan in 2014 en hoger dan de raming en de referentiewaarde.

Kengetal

Referentie waarde

Peil datum

Raming 2014

Realisatie 2014

Raming

2015

Realisatie 2015

Bron

Percentage consumenten dat

stappen heeft ondernomen na

bezoek ConsuWijzer

46%

2011

47%

45%

46%

43%

ACM

Klanttevredenheid Consuwijzer

7,4

2011

7,2

7,5

7,3

7,6

ACM

Bijdragen aan (inter)nationale organisatie

  • International Telecommunications Union (ITU): Op 16 december 2015 ging de Algemene Vergadering van de VN akkoord met een vernieuwde agenda voor de Informatiemaatschappij na 2015 (WSIS+10). Alle punten van de Nederlandse inzet bij deze onderhandelingen, die met de Tweede Kamer zijn gedeeld in de geannoteerde agenda van de Telecomraad van december 2015 (Kamerstukken II, 21 501-33, nr. 570) zijn binnengehaald. Zo is de multistakeholder benadering bij het beheer van het Internet nu ondubbelzinnig erkend. Daarnaast heeft in 2015 een ITU Wereld Radio Conferentie (WRC) plaatsgevonden. Doel is het aanpassen van de Radio Reglementen aan nieuwe wensen en ontwikkelingen. Een belangrijk agendapunt was het bestemmen van aanvullende frequentiebanden voor mobiele breedband communicatie. De Conferentie is voor Europa succesvol verlopen. De volgende WRC is gepland in 2019.

  • Internet Governance Forum (IGF): Het IGF is een mondiaal forum voor uiteenlopende stakeholders (bedrijfsleven, overheid, wetenschap, maatschappelijke organisaties, parlementariërs) die discussiëren over de toekomst van het Internet. Ten behoeve van bedrijfsleven en consumenten streeft EZ naar een open, vrij, veilig en stabiel internet. Het IGF maakt zich wereldwijd hiervoor sterk. De Nederlandse overheid (EZ) heeft het IGF daarom vanaf het begin (2006) tot en met 2015 financieel ondersteund en is daarmee één van de grotere donateurs van forum. Tijdens de Algemene Vergadering van de VN op 16 december 2015 is het VN-mandaat van het IGF met tien jaar verlengd. EZ overweegt de donatie aan het IGF voort te zetten. EZ heeft voor 2016 opnieuw subsidie verleend aan ECP ten behoeve van het organiseren van NLIGF-bijeenkomsten ter voorbereiding op de mondiale IGF-bijeenkomsten.

  • European Conference of Postal and Telecommunications Administrations (CEPT): 2015 heeft voor een groot deel in het teken gestaan van de voorbereiding van de WRC. Op nagenoeg alle agendapunten van de WRC zijn «Gemeenschappelijke Europese Standpunten» voorbereid. Daarnaast zijn de reguliere werkzaamheden voortgezet: regionale afspraken over nummers en frequentieverdelingen. Ook is op basis van mandaten van de Europese Commissie gewerkt aan rapporten over uitbreidingsbanden voor mobiel (met name 700 MHz, 1.5 en 2.3 GHz) en voor RLAN’s/WiFi (5 GHz) en over technische voorschriften aan het gebruik.

  • The Internet Corporation for Assigned Names and Numbers/Governmental Advisory Committee (ICANN/GAC): Deze belangrijke internetorganisatie draagt ook bij aan een open, vrij, veilig en stabiel internet. Nederland heeft daarom ook in 2015 (mede) het secretariaat van deze organisatie gefinancierd.

12 Een sterk innovatievermogen

Algemene doelstelling

Een sterker innovatievermogen van de Nederlandse economie.

  • De ambitie is dat de positie van Nederland in de Innovation Union Scoreboard verbetert naar de groep van innovatieleiders. Nederland neemt nu de vijfde plaats in en is daarmee innovatievolger.

  • In het kader van de Europa 2020-strategie stelt Nederland zich ten doel dat in 2020 2,5% van het bruto binnenlands product aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) wordt uitgegeven.

  • Bovendien is het een ambitie van het bedrijvenbeleid dat publieke en private partijen in 2015 voor tenminste € 500 mln participeren in Topconsortia voor Kennis en Innovatie, waarvan tenminste 40% wordt gefinancierd door het bedrijfsleven.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is Rijksbreed verantwoordelijk voor versterking van het innovatievermogen, in het bijzonder gericht op het bedrijfsleven, om te komen tot:

  • nieuwe of sterk verbeterde producten, processen of diensten;

  • administratieve, organisatorische of marketinginnovatie.

Samen met de bewindspersonen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is de Minister van Economische Zaken verantwoordelijk voor het coördineren en borgen van de publieke kennisinfrastructuur voor toegepast en fundamenteel onderzoek.

Vanuit deze verantwoordelijkheden heeft de Minister een stimulerende en regisserende rol:

Stimuleren

  • Het stimuleren van extra investeringen in R&D en innovatie in generieke zin en specifiek ten aanzien van topsectoren, door alle bedrijven, inclusief het MKB.

  • Het stimuleren van privaatpublieke samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven, zoals in de topconsortia voor kennis en innovatie (TKI).

  • Het stimuleren van Europese en internationale samenwerking op het gebied van innovatie en samen met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen het stimuleren van Europese en internationale samenwerking op het gebied van R&D.

Regisseren

  • De kabinetsbrede regie van het topsectorenbeleid en de invulling van de kennis- en innovatiecontracten.

  • Het regisseren van een effectief stelsel voor kennisbescherming en benutting.

  • Het regisseren van het Nederlandse lucht- en ruimtevaartbeleid.

Indicator

Referentiewaarde1

Peildatum

Raming 20142

Realisatie 2014

Raming

2015

Realisatie 2015

Bron

R&D-uitgaven als % van het BBP

1,94%

2012

1,90%

1,97%

2,1%

n.n.b.

CBS

– waarvan private sector

1,10%

2012

1,08%

1,11%

1,3%

n.n.b.

CBS

– waarvan publieke sector

0,84%

2012

0,83%

0,86%

0,8%

n.n.b.

CBS

X Noot
1

Dit betreft aangepaste cijfers conform de meest recente cijfers van het CBS over 2012.

X Noot
2

Dit betreft de aangepaste raming conform het jaarverslag 2014.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Innovation Union Scoreboard: positie Nederland in EU

8e

8e

7e

5e

6e

5e

n.n.b.

Aantal bij PCT aangevraagde octrooien,1

             

– per mld euro BBP (in purchasing power parity (PPP) €)2

7,03 (2006)

6,59 (2007)

6,46 (2008)

6,32 (2009)

5,45

(2010)

6,00 (2011)

n.n.b.

– positie Nederland in EU

5e

5e

5e

5e

5e

5e

n.n.b.

Aantal bij OHIM aangevraagde handelsmerken,3

             

– per mld euro BBP (in PPP €)4

5,90 (2008)

6,76 (2009)

7,38 (2010)

7,12 (2011)

7,19 (2012)

6,74 (2013)

n.n.b.

– positie Nederland in EU

9e

6e

6e

9e

9e

10e

n.n.b.

Bron: Europese Commissie (Innovation Union Scoreboard 2015)

X Noot
1

Het Patent Cooperation Treaty wordt uitgevoerd door de World Intellectual Property Organisation (WIPO), het agentschap van de Verenigde Naties dat onder andere internationaal aangevraagde octrooien registreert.

X Noot
2

Betreft het aantal octrooiaanvragen (onder PCT, internationale fase met EPO-bestemming) naar land van uitvinder, gedeeld door het BBP in mld euro’s gecorrigeerd voor koopkrachtverschillen. Tussen haken is het jaar opgenomen waarop de data betrekking hebben. Dit betekent dat de positie van Nederland in 2014 op de Innovation Union Scoreboard dus mede is bepaald op basis van octrooidata uit 2011.

X Noot
3

Het Office for Harmonisation in the Internal Market (OHIM) is het EU-agentschap dat onder andere handelsmerken registreert die in de gehele EU geldig zijn.

X Noot
4

Tussen haken zijn de jaren aangegeven waarop de data betrekking hebben.

Kengetal

2006

2008

20101

2012

2014

Realisatie 20152

Aandeel innoverende bedrijven:

           

– Industrie (EU-gemiddelde)

42%

42% (44%)

53% (44%)

50% (41%)

54% (n.n.b.)

n.b.

– Diensten (EU-gemiddelde)

32%

31% (35%)

44% (35%)

42% (32%)

44% (n.n.b.)

n.b.

Aandeel innoverende bedrijven dat (de laatste drie jaar) technologisch heeft samengewerkt met publieke partijen:

           

– Researchinstellingen (EU-gemiddelde)

8%

10% (6%)

6% (6%)

8% (9%)

7% (n.n.b.)

n.b.

– Universiteiten (EU-gemiddelde)

11%

14% (10%)

8% (11%)

11% (13%)

14% (n.n.b.)

n.b.

Bron: CBS en Eurostat (uitkomsten van innovatie-enquêtes, die tweejaarlijks worden gehouden); voor 2014 voorlopige cijfers verstrekt door CBS in maart 2016

X Noot
1

Bij de meting over 2010 is de enquêtemethodiek gewijzigd in Nederland (invoering van digitale enquêtemethode). Dit bemoeilijkt een vergelijking van de cijfers voor Nederland vanaf 2010 met die van voorgaande jaren.

X Noot
2

De gegevens over 2015 komen niet beschikbaar, omdat de onderliggende innovatie-enquête tweejaarlijks wordt gehouden en wel over even jaren.

Beleidsconclusies

Positie van Nederland in de Innovation Union Scoreboard

De ambitie was dat de positie van Nederland in de Innovation Union Scoreboard verbetert naar de groep van innovatieleiders.

In het Innovation Union Scoreboard (IUS) dat in 2015 verscheen, is Nederland gestegen van de zesde naar de vijfde plaats. Daarmee werd Nederland leider van een groep «innovatievolgers». De afstand naar de groep «innovatieleiders» werd weliswaar iets kleiner, maar de afstand naar deze groep blijft nog behoorlijk groot. Een en ander is toegelicht in de Monitor Bedrijvenbeleid 2015, die een bijlage is van de Rapportage Bedrijvenbeleid 2015. Deze Rapportage is op 5 oktober 2015 toegezonden aan de Tweede Kamer (TK, 32 637, nr. 201).

R&D als percentage van het bbp

Nederland streeft in het kader van de Europese strategie voor groei en banen EU2020 naar 2,5% R&D-uitgaven als percentage van het bbp in 2020.

Uit de recentste (voorlopige) gegevens van het CBS blijkt dat Nederland met 1,97% in 2014 nog altijd een stijgende lijn kent ten opzichte van voorgaande jaren. Tegelijkertijd is te constateren dat Nederland nog ver verwijderd blijft van de doelstelling. De meest recente OESO-gegevens laten zien dat Nederland in 2014 boven het EU-28 gemiddelde presteerde (1,94%), maar onder het gemiddelde van de OESO-landen (2,37%).

Publiek-private-samenwerking (PPS)

Eén van de beleidsdoelen van het Bedrijvenbeleid is dat er in 2015 voor meer dan € 500 mln aan (grondslagprojecten) publiek-private-samenwerking moest plaatsvinden met een bijdrage van private partijen van tenminste 40%.

Uit de Monitor Bedrijvenbeleid 2015 (TK, 32 637, nr. 201) blijkt dat de omvang van de totale publiek-private-samenwerking (inclusief de toeslagprojecten welke met de TKI-toeslag nieuw zijn gestart) in 2014 geschat wordt op circa € 900 mln, waarvan ruim € 800 mln grondslagprojecten (waarop de TKI’s TKI-toeslag verdienen) betrof met een private bijdrage van gemiddeld 44%. Daarmee was de doelstelling voor 2015 al in 2014 bereikt.

Het aandeel van publiek-privaat samenwerkende bedrijven binnen de groep innoverende bedrijven is voor Nederland rond het EU-gemiddelde (zie kengetallen CBS in tabel hierboven). Relevant hierbij is dat de groep innoverende bedrijven binnen de totale bedrijvenpopulatie (noemer van de kengetallen) relatief groot is in Nederland in vergelijking met het EU-gemiddelde. Bij de samenwerking met universiteiten is sinds 2010 sprake van een aanhoudende stijging, terwijl het aandeel innoverende bedrijven dat samenwerkt met researchinstellingen in 2014 enigszins is gedaald ten opzichte van 2012.

Beleidsdoorlichting

In 2015 is er een beleidsdoorlichting uitgevoerd van het bedrijvenbeleid: dit betrof de artikelen 12 (Een sterk innovatievermogen) en 13 (Een excellent ondernemingsklimaat) van de begroting. De kabinetsreactie is op 13 mei 2015 toegezonden aan de Tweede Kamer (TK, 30 991, nr. 23).

Belangrijkste bevindingen met betrekking tot artikel 12:

  • Uit analyse van beschikbare instrumentevaluaties blijkt dat de legitimiteit, de economische rationale en de doeltreffendheid van de beleidsmix op het terrein van het innovatiebeleid op orde is. Zo leiden de WBSO en de Innovatiekredieten tot substantiële additionele private R&D-inspanningen.

  • De uitvoering van het beleid was doelmatig. Over de «macro doelmatigheid» (wegen de totale kosten van het beleid op tegen de totale baten, of kunnen de doelen goedkoper bereikt worden?) wordt vastgesteld dat te weinig informatie voorhanden is om er een onderbouwde uitspraak over te kunnen doen. Dat laatste wordt vooral veroorzaakt door methodologische beperkingen en de stand van het economisch onderzoek op dit terrein.

  • De topsectorenaanpak als moderne vorm van integrale beleidscoördinatie rond kennis- en innovatiegedreven publiek-private samenwerking zou de interdepartementale inzet op cross-sectorale thema’s (zoals ICT en maatschappelijke opgaven) verder kunnen vergroten.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2014

2015

2015

2015

VERPLICHTINGEN

976.140

655.501

768.402

656.850

638.508

488.699

149.809

UITGAVEN

883.706

745.806

775.292

695.721

534.926

569.897

– 34.971

               

Leningen

46.293

39.646

99.538

72.107

     

Innovatiefonds (IF): Innovatiekrediet

35.786

27.296

48.965

43.282

     

Innovatiefonds: Seed

10.507

12.350

16.500

13.430

     

Innovatiefonds: Fund to fund

   

17.073

12.000

     

Innovatiefonds: Vroege fase/informal investors/ROM’s

   

17.000

3.395

     
               

Subsidies

155.641

124.365

73.576

49.598

45.154

82.422

– 37.268

MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

       

21.133

47.957

– 26.824

Eurostars

4.165

5.680

6.949

7.299

8.531

11.174

– 2.643

Lucht en Ruimtevaart

22.061

22.434

7.812

7.317

3.511

13.347

– 9.836

Innovatie Prestatie Contracten

30.207

44.019

16.622

1.127

3.012

 

3.012

Overig

99.208

52.232

42.193

33.855

8.967

9.944

– 977

               

Opdrachten

3.326

2.366

1.436

1.151

1.650

1.464

186

Onderzoek en opdrachten

3.326

2.366

1.436

1.151

1.650

1.464

186

               

Bijdragen aan agentschappen

77.006

75.197

68.895

65.706

57.773

61.643

– 3.870

RVO

77.006

75.130

68.602

65.462

56.995

61.004

– 4.009

Dienst Landelijk Gebied

         

500

– 500

Agentschap Telecom

 

67

293

244

778

139

639

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

147.180

150.833

154.840

138.851

121.747

113.349

8.398

TNO

147.180

150.833

154.840

138.851

121.747

113.349

8.398

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

454.260

353.399

377.007

368.312

308.603

311.019

– 2.416

Toeslag Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag)

   

25.434

58.011

54.638

60.945

– 6.307

Internationaal Innoveren

     

4.539

17.019

14.000

3.019

Topsectoren overig

263.289

223.355

183.625

171.756

128.268

132.146

– 3.878

Marin,Deltares, NLR

       

44.589

40.833

3.756

Syntens

32.506

31.453

19.797

0

     

Ruimtevaart (ESA)

111.011

48.805

92.895

90.154

63.982

61.925

2.057

Overig (inclusief onderzoeksprojecten)

784

739

454

824

107

1.170

– 1.063

Grote Technologische Instituten (GTI’s)

46.670

49.047

54.802

43.028

     
               

ONTVANGSTEN

44.462

70.496

96.098

61.491

51.891

42.013

9.878

Luchtvaartkredietregeling

1.861

1.519

2.515

2.523

4.980

3.800

1.180

Technische Ontwikkelingsprojecten (TOP)

5.412

3.939

2.128

860

948

3.000

– 2.052

Rijksoctrooiwet

31.596

36.787

35.287

35.182

39.456

31.212

8.244

Seed

143

585

2.188

3.209

     

Eurostars

1.060

1.143

104

248

112

2.413

– 2.301

Diverse ontvangsten

4.390

20.543

20.150

7.660

6.395

1.588

4.807

Innovatiekredieten

– 

5.980

16.733

8.685

     

Fund to fund

     

103

     

Ontvangsten ROM’s

   

16.995

2.999

     

Toelichting op de verplichtingen

De mutatie op het verplichtingenbudget van in totaal € 149,8 kent de volgende oorzaken:

Het verplichtingenbudget van Ruimtevaart is met € 128 mln verhoogd. Voor € 125,9 mln is bij de 1e suppletoire begroting een temporisatie van het verplichtingbudget doorgevoerd (dekking uit latere jaren) om te kunnen voldoen aan de toezeggingen die gedaan zijn in het kader van de ESA ministersconferentie 2014. Daarnaast is door het Ministerie van I&M € 2,5 mln overgeheveld ten behoeve van de optionele ESA-programma’s.

Het verplichtingenbudget voor de TKI-toeslag is voor € 36,2 mln meer benut dan de oorspronkelijke raming. De verplichtingenmutatie wordt verklaard door het in 2015 toegenomen beroep op de TKI-toeslag regeling. Het na het Amendement Van Veen/Vos (TK, 34 000 XIII, nr. 17) resterende budget is in totaal met € 36,2 mln overschreden, waarmee de regeling in 2015 met een totaal beroep van bijna € 120 mln zeer succesvol is geweest in het stimuleren van publiek-privaat onderzoek.

Het TNO verplichtingenbudget is met € 21,7 mln verhoogd. Hiervan heeft € 17 mln betrekking op een BTW-compensatie. Als gevolg van een arrest van het Hof van Justitie van de EU heeft TNO vanaf 2016 geen recht op aftrek van BTW die is toe te rekenen aan niet-economische activiteiten. TNO is hiervoor budgettair gecompenseerd. De toezegging aan TNO voor 2016 wordt in 2015 gedaan en voor deze BTW-compensatie is het verplichtingbudget 2015 verhoogd. Daarnaast is een bedrag van € 3,7 mln getemporiseerd van 2016 naar 2015 ten behoeve van het maatschappelijk thema Arbeid en Gezondheid (een bijdrage van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het jaar 2016). Deze verplichting voor 2016 is namelijk conform de gebruikelijke werkwijze al in 2015 aangegaan.

Tegenover deze verhogingen van het verplichtingenbudget staat een verlaging van het verplichtingenbudget van de MIT van € 30 mln. Dit wordt voor € 14,5 mln verklaard doordat het amendement Van Veen en Vos (TK, 34 000 XIII nr. 17), dat bij de begrotingsbehandeling 2015 is verwerkt, meerjarig is gespreid over de MIT, SBIR en IPC. Daarnaast is € 15 mln overgeheveld naar het Provinciefonds voor de regionale uitvoering van de regeling MKB-innovatiestimulering topsectoren in het kader van de Samenwerkingsagenda Rijk-regio. Deze mutaties werden reeds toegelicht in de 1e en 2e suppletoire begroting.

Toelichting op de uitgaven

Subsidies

De mutatie van – € 9,8 mln bij lucht en ruimtevaart is voor € 7,7 mln te verklaren doordat Rekkof Aircraft N.V. in 2015 niet heeft kunnen voldoen aan de voorwaarde van de financiering van haar eigen aandeel in de ontwikkelingskosten. Hiermee samenhangend zullen bij Voorjaarsnota 2016 de geraamde ontvangsten neerwaarts worden bijgesteld. € 2 mln heeft daarnaast betrekking op de verschuldigde rente die vrijvalt ten gunste van het generale beeld.

De mutatie van € 26,8 mln op de regeling MKB Innovatiestimulering Topsectoren wordt voor € 15 mln verklaard door de overheveling aan het Provinciefonds van € 15 mln (zie ook toelichting op de verplichtingen). Daarnaast is er als gevolg van de spreiding van het Amendement Van Veen/Vos (TK, 34 000 XIII, nr. 17) over meerdere jaren (zoals de Kamer per brief is gemeld, TK, 34 000 XIII, nr. 149), in 2015 kasbudget vrijgevallen bij de MIT. Dit kasbudget is ingezet voor de uitfinanciering van in het verleden aangegane verplichtingen voor CTMM (€ 7,4 mln) en Joint Technology Initiatives (€ 2,0 mln), zoals is toegelicht in de 2e suppletoire begroting 2015.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

De mutatie van € 8,4 mln op de bijdrage aan TNO kent de volgende oorzaken:

Ter bevordering van TO2 brede samenwerkingsprojecten, gericht op de in Horizon 2020 geformuleerde maatschappelijke uitdagingen, was er voor alle TO2’s samen in 2015 een bedrag beschikbaar van € 14,6 mln, waarover de Tweede Kamer per brief is geïnformeerd (TK, 32 637 nr. 146). Hiervan had € 5,4 mln betrekking op bijdrage TNO. Daarnaast is het budget van TNO onder meer met € 2,2 mln verhoogd voor de TTI-transitie ten behoeve van de topsectoren Chemie en High Tech Systemen en Materialen (TK, 28 753, 32 637 nr. 33). Deze middelen zijn bij de 1e suppletoire begroting toegevoegd aan het budget van TNO.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

De mutatie in het kasbudget van de TKI-toeslagregeling (– € 6,3 mln) wordt onder meer verklaard door de overhevelingen ten behoeve van de topsector Agrifood via NWO (€ 3 mln) en de TKI-Click (€ 1 mln) voor de creatieve sector in lijn met de brief d.d. 10 juli 2012 (TK, 32 637, nr. 38). Het resterende deel heeft betrekking op een langzamer kasritme bij de uitfinanciering van onderzoekstrajecten. Om deze reden is in het voorjaar ook een meerjarige ramingsbijstelling van – € 35 mln aangebracht, zoals is toegelicht in de 2e suppletoire begroting.

Toelichting op de ontvangsten

Er zijn € 8,2 mln meer octrooiopbrengsten gerealiseerd dan oorspronkelijk werd geraamd. Voor € 1 mln is de stijging van de octrooiontvangsten toe te rekenen aan de toename van het aantal in Nederland geldig geworden (Europese) octrooien. Daarnaast zijn de meeropbrengsten deels het gevolg van een eerdere toename van het aantal nationale octrooien, waarvan het effect pas later zichtbaar wordt.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde 2014

Realisatie 2014

Streefwaarde 2015

Realisatie 20151

Bron

Aantal bedrijven dat deelneemt aan MIT

1.893

2013

600

662

1.600

1.041

RVO

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met MIT (x € 1 mln)

26

2013

45

61

60

71

RVO

X Noot
1

Dit betreft de cijfers van Zuid-Holland, Noord, Zuid en het landelijk deel van de regeling. Cijfers voor Oost en Utrecht waren op het peilmoment 20 april 2016 nog niet beschikbaar.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde 2014

Realisatie 2014

Streefwaarde 2015

Realisatie 2015

Bron

Aantal Nederlandse deelnemers aan Eurostars

49

2013

66

20

88

691

RVO

– waarvan bedrijven

37

 

50

13

68

50

 

– waarvan high-tech MKB (%)

81%

 

85%

100%

85%

96%

 

Door Eurostars ondersteunde private R&D-uitgaven van Nederlandse deelnemers (mln euro)

13

2013

15,5

7

20,6

32

RVO

X Noot
1

Het aantal deelnemers ligt lager dan geraamd omdat een aantal samenwerkingsprojecten met andere landen niet door kon gaan. Een aantal landen had namelijk onvoldoende middelen beschikbaar gesteld voor Eurostarsprojecten. De verwachting voor 2016 is dat de geplande samenwerkingsprojecten doorgang kunnen vinden. De budgettaire ruimte voor de 1e call in 2016 in het kader van Eurostars is volledig benut.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2014

Realisatie 2014

Raming 2015

Realisatie

2015

Bron

Omvang middelen PPS-projecten TKI (x € 1 mln)

571

2013

550

814

500

938

RVO

– waarvan private middelen (%)

35%

2013

40%

44%

40%

45%

RVO

De realisatie in 2014 is een herzien cijfer met medeneming van de volledige grondslag TKI Maritiem en de bijdrage van de ANBI’s aan de TKI grondslag, en valt € 34 mln hoger uit dan vermeld in de begroting 2016. Het bedrag van € 814 mln is eerder al gepubliceerd in de Monitor Bedrijvenbeleid van oktober 2015.

Met ingang van 2015 wordt de hoogte van de toeslag bepaald door de gerealiseerde private bijdrage aan PPS-projecten in het voorgaande jaar. Op deze wijze hebben de TKIs meer zekerheid over de hoogte van de inzetbare programmatoeslag in het lopende jaar. Cijfers over de gerealiseerde private bijdrage aan PPS projecten in 2015 zijn op moment van publicatie van dit jaarverslag nog niet beschikbaar. De realisatiewaarde van de begrotingsindicator 2015 is daarom een schatting gebaseerd op de gerealiseerde private bijdrage aan PPS-projecten in 2014. Uitzondering is het deel dat betrekking heeft op de projecttoeslag, dat wel betrekking op 2015 heeft. TKI's hebben in de loop van 2015 de mogelijkheid gehad om hun oorspronkelijke aanvraag over 2014 aan te vullen met projecten die eerder in 2014 buiten beschouwing waren gebleven. De totale omvang van deze additionele projecten uit 2014 bedraagt € 110 mln.

Indicator

Referentiewaarde1

Peildatum

Streefwaarde 2014

Realisatie 2014

Streefwaarde 2015

Realisatie 20152

BRON

Aantal Nederlandse deelnemers aan KP7/ H2020

1.506

t/m 2013

300

449

250

713

RVO/EC

– waarvan bedrijven

1.137

 

200

298

180

500

 

Omvang KP7/H2020-middelen voor Nederlandse deelnemers (retour in mln euro)

3.373

t/m 2013

600

538

631

1.038

RVO/EC

– waarvan bedrijven (%)

22%

 

25%

31%

25%

27,9%

 

Retourpercentage voor Nederland (%)

7,4%

t/m 2013

7,0%

8,1%

7,0%

7,4%

RVO/EC

X Noot
1

De referentiewaardes betreffen cijfers over het 7e kaderprogramma 2007 tot met 2013.

X Noot
2

De realisatiewaardes betreffen voorlopige cijfers van H2020 cumulatief vanaf 2014 tot en met 2015 met als peildatum 26 februari 2016. De JTI-projecten zijn hierin niet meegenomen evenals de calls die eind 2015 zijn opengesteld.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde 2015

Realisatie 2015

Bron

Klanttevredenheid Deltares

8,0

2013

8,0

8,7

Deltares

Klanttevredenheid MARIN

8,8

2013

8,0

8,8

MARIN

Klanttevredenheid NLR

8,5

2013

8,0

8,8

NLR

Klanttevredenheid cofinanciers TNO

8,2

2013

8,0

8,4

TNO

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2014

Realisatie 2014

Raming 2015

Realisatie 2015

Bron

Aantal Nederlandse bedrijven dat deelneemt aan ruimtevaartprogramma's ESA

488

2011

170

552

100

121

ESA

Ruimtevaart geo-return/retour (%)

1,09

2011

1,05

1,14

1

1,02

ESA

In het hier weergegeven getal zijn alle contracten van Nederlandse bedrijven met ESA opgenomen, ook de contracten die niet direct aan ruimtevaartprogramma’s zijn gekoppeld, maar gerelateerd zijn aan de vestiging van ESTEC in Nederland. Verschillende divisies van een bedrijf worden als afzonderlijke contractanten meegeteld. Doordat ESA in 2015 is gestart met een nieuwe, opgeschoonde database valt de realisatiewaarde 2015 substantieel lager uit dan de referentiewaarde en de cumulatieve waarden tot en met 2014. De realisatiewaarde betreft een cumulatief getal op basis van databestanden van ESA vanaf 1 januari 2015.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van WBSO

16.620

19.450

20.530

22.220

22.640

22.974

22.980

Aantal S&O-arbeidsjaren

67.600

73.660

75.330

79.560

81.660

83.468

83.400

Door WBSO ondersteunde private R&D-uitgaven (S&O-loon, x € 1 mln)

3.011

3.377

3.571

3.850

3.917

3.997

3.868

Bron: RVO

Kengetal

2012

2013

2014

2015

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van RDA

13.860

16.160

16.622

16.510

Door RDA ondersteunde private R&D uitgaven (x € 1 mln)

2.035

2.530

2.587

2.426

Bron: RVO

13 Een excellent ondernemingsklimaat

Algemene doelstelling

Bedrijven zijn de motor achter economische groei. De overheid zet zich in om de juiste voorwaarden voor een excellent ondernemersklimaat te creëren, zodat bedrijven kunnen investeren en groeien. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar de concurrentiekracht van negen topsectoren en groene groei.

Om deze doelstelling te bereiken zet de Minister van Economische Zaken enerzijds financiële instrumenten in, zoals borgstellingen en garanties. De financiële instrumenten verbeteren de toegang tot financiering voor het Nederlandse bedrijfsleven

Daarnaast maakt de Minister van Economische Zaken gebruik van niet-financiële instrumenten, zoals het terugdringen van onnodige regeldruk en het verbeteren van (digitale) dienstverlening aan bedrijven. Onder deze doelstelling valt ook het opschalen van ICT toepassingen om maatschappelijke en economische uitdagingen op te lossen, bijvoorbeeld met de ICT-doorbraakprojecten. Via onder andere het interdepartementaal programma Biobased Economy, de Green Deal aanpak en het aanpassen van belemmerende regelgeving wordt bijgedragen aan groene economische groei.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is vanuit een stimulerende rol verantwoordelijk voor het scheppen van randvoorwaarden voor een excellent ondernemingsklimaat door:

Stimuleren

  • Het stimuleren van de juiste randvoorwaarden en grootschalige implementatie van digitale voorzieningen die de overheidsdienstverlening aan ondernemers verbeteren, zoals het Ondernemingsdossier en het digitaal Ondernemersplein.

  • Realiseren van tien publiek-private ICT-doorbraakprojecten, ondermeer gericht op het vergroten van het gebruik en kennis van ICT door het midden- en kleinbedrijf, in de topsectoren en in sectoren als logistiek, agro, onderwijs en de zorg. Dit wordt met name gerealiseerd door het gericht oplossen van belemmeringen op het terrein van standaardisatie, wet- en regelgeving en het gebruik van ICT.

  • De stimulering, coördinatie en facilitering van de transitie naar een biobased economy.

  • Het stimuleren van een ambitieuze en duurzame ondernemerschapscultuur.

  • Het bevorderen van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

  • Het bevorderen van innovatiegericht inkopen.

Regisseren/faciliteren

  • De kabinetsbrede coördinatie van het topsectorenbeleid.

  • De coördinatie en het faciliteren van het kabinetsbrede regeldrukverminderingsprogramma «Goed Geregeld, een verantwoorde vermindering van regeldruk 2012–2017». In dit programma zijn de vakministers verantwoordelijk voor de regeldrukvermindering op hun beleidsterrein. De Minister van Economische Zaken coördineert de aanpak voor bedrijven, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de aanpak voor burgers en professionals, evenals het lokaal toezicht.

  • Faciliteren van het Nederlandse bedrijfsleven in hun duurzame grondstoffenvoorzieningszekerheid zoals in de grondstoffennotitie.

  • De coördinatie van het Groene Groei-traject en de Green Deal aanpak.

  • Het verbeteren van de dienstverlening aan de ondernemers door middel van Ondernemerspleinen.

  • Het ondersteunen van de toegang tot (risico)kapitaal voor bedrijven.

  • Het waarborgen van een internationaal level playing field.

  • Een betere aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt.

  • Het verbeteren van de match tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt voor technisch personeel (Techniekpact).

Uitgangspunt is de juiste randvoorwaarden te creëren en ondernemers de ruimte te geven voor vernieuwing en groei. In dialoog met bedrijven, maatschappelijke organisaties en medeoverheden worden kansen benut en knelpunten opgelost. De Minister van EZ is gesprekspartner en aanspreekpunt voor het bedrijfsleven, sectoren, branches en individuele bedrijven. De overheid is terughoudend met ingrijpen in het bedrijfsleven, maar er kan soms een rol zijn in geval van externe effecten, informatie-asymmetrie of verstorend gedrag van (internationale) overheden. Hiervoor zet de Minister zowel financiële instrumenten in, zoals garanties en subsidies aan bedrijven en instellingen, als niet financiële instrumenten.

Kengetallen; Ondernemingsklimaat van Nederland

1 – Global Competitiveness Index

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Positie van Nederland

8e

7e

5e

8e

8e

5e

Bron: World Economic Forum (Global Competitiveness Report, 2015–2016)

           
             

2 – Ondernemersquote

2010

2011

2012

2013

2014

2015

% zelfstandig ondernemer binnen werkzame beroepsbevolking

13,6%

13,6%

13,9%

14,1%

14,7%

14,8%

Bron: CBS

         

(derde kwartaal)

             

3 – Investeringsquote van bedrijven

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Nederland

15,2%

16,7%

15,8%

15,6%

15,6%

15,9%

Bron: CPB (CEP, 2015)

           
             

4 – Aandeel snelle groeiers

 

2007/2010

2008/2011

2009/2012

2010/2013

2011/2014

Nederland

 

3,7%

3,7%

4,0%

3,2%

3,1%

Bron: CBS

           
             

5 – Ranglijst van digitale economieën

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Positie van Nederland

9

11

6

4

4

4

Bron: Global Information Technology Report (World Economic Forum)

           
  • 2. Ondernemersquote: De oude cijferreeks over de ondernemersquote via EIM/Panteia is stopgezet. In plaats daarvan wordt nu gebruik gemaakt van de gegevens van het CBS (het aantal zelfstandig ondernemers in de werkzame beroepsbevolking uitgedrukt in een percentage).

  • 3. Investeringsquote van bedrijven: Met het verschijnen van het Centraal Economisch Plan in 2015 is de tijdsreeks van de Investeringsquote in voorgaande jaren ook bijgewerkt. Daarmee ontstaan er verschillen tussen deze cijfers en de cijfers die in de begroting 2015 werden gepresenteerd.

  • 5. Ranglijst van digitale economieën: Nederland is 4e in ranking Global Information Technology Report 2015 van april 2015. Onze ambitie is om tot de top-5 te behoren. Nederland scoort goed op de mate waarin bedrijven hun verdienmodellen volledig digitaal maken, zoals bv. booking.com. Ook doet Nederland het goed qua adoptie van internettechnologie om de toegang tot onderwijs, gezondheidszorg en de overheid te vergroten. Denk bijvoorbeeld aan de inburgering van online winkelen en de betaalservice iDeal.

Beleidsconclusies

Bedrijfsfinanciering

De financiering van het bedrijfsleven, en met name van het MKB, is verbeterd. Uit de Financieringsmonitor 2015–2 blijkt dat bedrijven de gezochte financiering weer vaker hebben aan kunnen trekken, waarbij het kleinbedrijf iets achterblijft. De aangekondigde maatregelen in het Aanvullend Actieplan MKB-financiering (TK, 32 637, nr. 147) zijn inmiddels voor een belangrijk deel in gang gezet. Het toegenomen gebruik van de bestaande financieringsinstrumenten, zoals de Borgstelling MKB, de Garantie Ondernemingsfinanciering en de Groeifaciliteit, in combinatie met het aanvullend actieplan hebben bijgedragen aan de verbetering van de financiering van het bedrijfsleven.

Ambitieus ondernemerschap

Start ups zijn van belang voor het ontwikkelen en op de markt brengen van nieuwe producten, diensten en processen. Daarnaast zorgen ze ervoor dat de gevestigde orde «scherp» blijft. In januari 2015 is ter versterking van het start up klimaat de StartupDelta gelanceerd met Neelie Kroes als special envoy startups. Belangrijke resultaten tot nu toe zijn de introductie van het startup visum, de lancering van de Startupbox en de Corporate Launchpad. De inzet op startups werpt zijn vruchten af: volgens de Global Startup Ecosystem Ranking 2015 is Amsterdam/StartupDelta na Berlijn en Londen het snelst groeiende startup ecosysteem van Europa.

Techniekpact

Via het Techniekpact wordt er via regionale aanpak beter ingespeeld op de specifieke arbeidsmarktvraagstukken en het in stand houden van relevant onderwijsaanbod in de techniek. De overkoepelende ambitie van het Techniekpact is dat 4 op de 10 jongeren een technische opleiding volgt in 2020 (voor het MBO is de tussentijdse ambitie gesteld op 30% in 2016). Voor het schooljaar 2014/2015 volgt in het middelbaar beroepsonderwijs 31% een technische opleiding (in 2005/2006 was dit 29%). Het aandeel instromende studenten bètatechniek steeg in het hoger beroepsonderwijs van 18% in 2004/2005 naar 22% in 2014/15, in het wetenschappelijk onderwijs is het percentage gestegen van 26% in 2004/05 naar 35% in 2014/2015. De cijfers tonen een positieve trend wat betreft stijgende instroom in technische opleidingen, waarmee de ambitie van 4 op 10 in 2020 binnen bereik is.

Groene Groei en Biobased Economy

  • De transitie naar groene groei en een duurzame samenleving krijgt vorm door de inspanningen van bedrijfsleven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en overheden (Tussenbalans Groene Groei). Marktpartijen investeren in onderzoek, ontwikkeling en fabricage van nieuwe productmarktcombinaties wanneer er sprake is van een haalbare business case. Het zoeken naar prikkels in markten en het in de prijs van goederen en diensten tot uitdrukking brengen van de maatschappelijke kosten is een opgave voor het groenegroeibeleid. De derde Monitor Duurzaam Nederland laat zien dat in het laatste decennium de Nederlandse economie (onze productie) is gegroeid, terwijl bijna alle emissies en het verbruik van grondstoffen zijn afgenomen. Dat betekent dat er overwegend sprake is geweest van een absolute ontkoppeling tussen economische groei en milieudruk. Voor energie is sprake van een relatieve ontkoppeling; het energiegebruik is minder snel gegroeid dan de economie. Europees gezien scoort Nederland daarmee gemiddeld.

  • Met het afsluiten van 17 nieuwe Green Deals is het portfolio gegroeid tot 193 deals. Hiermee zijn nieuwe netwerken en ketens gerealiseerd die potentieel bij kunnen dragen aan groene groei. Inmiddels zijn 125 deals afgerond. Ook krijgen deals navolging of schalen ze op. Een voorbeeld hiervan is de menukaart uit de Green Deal Groene Grachten voor het energiezuiniger maken van historische panden in Amsterdam. Deze menukaart wordt nu landelijk uitgerold. Daarnaast hebben Green Deals geleid tot aanpassingen van wet- en regelgeving. Met de Experimenten AmvB («Besluit experimenten decentrale duurzame elektriciteit opwekking») heeft de Rijksoverheid ervoor gezorgd dat initiatieven voor lokale opwekking van energie gestimuleerd worden waarmee een versnelling van lokale opwekking mogelijk wordt. De aanpak is verder verbreed worden naar het maatschappelijke domein gezondheid. In november heeft Minister Schippers de Health Deal aanpak gelanceerd en is het Health Deal loket bij RVO.nl geopend.

  • EZ zet in op de stimulering, coördinatie en facilitering van de transitie naar een BioBased Economy (BBE). Daartoe is in actieve samenwerkingsverbanden met medeoverheden, bedrijfsleven, wetenschap en maatschappelijke organisaties binnen de groene groei agenda aan ontwikkeling gewerkt. Het resultaat is in 2015 zichtbaar geworden door de gestage groei van de BioBased Economy. De afgelopen drie jaar is door circa 700 bedrijven individueel of in partnerships voor € 1,5 mld in 800 biobased projecten geïnvesteerd. De directe en indirecte toegevoegde waarde van BBE bedroeg € 4,3 mld en leverde 44.000 fte aan werkgelegenheid (monitor 2014).

ICT en regeldruk

  • In 2015 zijn er weer nieuwe stappen gezet om de ambities uit het kabinetsbrede regeldrukprogramma «Goed Geregeld, een verantwoorde vermindering van regeldruk 2012–2017» te behalen. Zo is er ten aanzien van de doelstelling om de regeldruk voor bedrijven, burgers en professionals met € 2,5 mld te verminderen reeds voor € 1,8 mld aan maatregelen gerealiseerd (najaarsrapportage regeldruk van 18 december 2015, nr. 29 515 nr. 372). Dat is een stijging van ruim € 600 mln ten opzichte van 2014. Het genereren van nieuwe maatregelen om de € 2,5 miljard doelstelling verder mee in te vullen, is nog wel een aandachtspunt. Door een aantal tegenvallers is er nu voor € 2,3 mld aan plannen geïnventariseerd ten opzichte van € 2,35 mld in 2014. Om de daling in het cijferbeeld tegen te gaan en de ontbrekende € 200 mln op te halen, heeft het kabinet eind 2015 daarom besloten om een nieuwe inventarisatie te starten naar regeldrukverminderende maatregelen.

  • Ook in het verminderen van regeldruk door digitalisering van de overheidsdienstverlening is in 2015 vooruitgang geboekt. Ondernemers vinden op het Ondernemersplein.nl snel en laagdrempelig alle nuttige overheidsinformatie die voor hen van belang is. Er zijn inmiddels 700.000 bezoekers per maand. De groeiversnelling van de eHerkenning zet door, er zijn inmiddels 250.000 inlogmiddelen bij bedrijven waarmee zij kunnen inloggen bij 160 overheidsorganisaties. De efficiënte digitale gegevensuitwisseling tussen bedrijven en overheid met Standard Business Reporting neemt steeds verder toe en alle zeventien door VNO-NCW en MKB Nederland als prioritair aangemerkte digitale regelhulpen zijn inmiddels beschikbaar.

  • ICT binnen het topsectoren beleid verder aan te jagen heeft het Team ICT ook in 2015 een aantal belangrijke stappen gezet. Er is een human capital agenda opgesteld en er is een ambitieuze kennis en innovatie agenda opgesteld waaraan onderzoeksinstellingen, bedrijven en overheid gezamenlijk gaan bijdragen. Hierin is onder andere een meerjarig programma voor big data onderzoek en innovatie gelanceerd waar bedrijven (grote en kleine ICT-gebruikers en ICT-aanbieders) en onderzoeksinstellingen samenwerken aan toepassingen voor (over)morgen. De focus is gericht op sectoren met grote economische potentie: smart industry, energie (onder andere smart grids), zorg (onder andere diagnostiek, gezonde voeding en personal health), cyber security en logistiek. NWO, TNO en EZ ondersteunen dit programma met € 40 mln in totaal voor de jaren 2016–2017.

  • De gewenste resultaten voor het Ondernemingsdossier blijven achter. De digitale wereld verandert namelijk snel en gebleken is dat ondernemers behoefte hebben aan meer samenhang tussen voorzieningen van de overheid, zoals het Ondernemingsdossier en ondernemersplein.nl. Het kabinet heeft daarom ingezet op een beleidswijziging om samenhang te realiseren bij het aanbieden van digitale voorzieningen voor bedrijven. Dit betekend dat het Ondernemingsdossier door ontwikkelt naar een voorziening onder de naam «mijn overheid voor bedrijven» waar Berichtenbox, Ondernemersplein en voormalige Ondernemingsdossier in samenhang worden aangeboden. De verwachting is dat dit een verdere impuls zal geven aan het aantal ondernemers dat van het Ondernemingsdossier gebruik wil maken. Deze wijziging is opgenomen in najaarsrapportage regeldruk van 18 december 2015, (TK, 29 515, nr. 372).

  • In 2015 zijn onder leiding van de Nationaal Commissaris Digitale Overheid belangrijke stappen gezet in het verder realiseren van een digitale overheid. Er is overheidsbreed dekking gevonden voor de bestaande knelpunten in de financiering van de digitale overheid. Daarnaast is er rond de Ministeriële Commissie Digitale Overheid een interdepartementale besluitvormingsstructuur opgezet om digitale overheidsdienstverlening verder te laten toenemen. Mede namens de Minister van EZ heeft de Minister van BZK de uitgangspunten vastgesteld voor wetgeving voor de zogenaamde Generieke Digitale Infrastructuur van de overheid. Het Ministerie van EZ levert aan dit alles een belangrijke bijdrage, vanuit de beleidsverantwoordelijkheid voor de digitale overheid voor bedrijven.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2014

2015

2015

2015

VERPLICHTINGEN

1.370.342

977.386

725.485

757.490

928.330

1.798.832

– 870.502

Waarvan garantieverplichtingen

1.192.913

709.448

463.183

516.609

722.430

1.591.250

– 868.820

UITGAVEN

271.467

312.203

436.722

404.941

294.859

306.921

– 12.062

               

Garanties

87.913

144.946

114.100

153.377

91.429

95.886

– 4.457

BMKB

73.605

126.302

102.422

124.334

65.330

71.000

– 5.670

Groeifaciliteit

2.447

2.270

2.360

2.168

3.499

9.365

– 5.866

Groeifaciliteit begrotingsreserve

       

12.000

 

12.000

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

11.861

16.374

9.274

17.875

10.600

11.842

– 1.242

Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfaciliteit

   

44

   

3.679

– 3.679

Garantie MKB-financiering

     

9.000

     
               

Subsidies

68.792

71.136

77.685

30.567

26.537

41.473

– 14.936

Bevorderen ondernemerschap

6.636

7.928

7.383

8.254

10.675

27.222

– 16.547

Interdepartementaal Programma Biobased Economy

5.598

12.521

7.829

3.509

951

1.500

– 549

Microkrediet

851

750

30.989

506

300

 

300

Uitfinanciering subsidies

55.707

49.937

31.484

18.298

14.611

12.751

1.860

               

Opdrachten

67.163

34.353

24.660

24.104

21.411

24.110

– 2.699

Onderzoek & ontwikkeling

8.901

3.942

4.706

2.640

2.120

1.402

718

ICT-beleid

35.516

28.974

18.118

20.001

18.040

17.819

221

Beleidsvoorbereiding en evaluaties

17.870

283

831

459

 

2.559

– 2.559

Regiegroep Regeldruk/ACTAL

4.876

1.154

1.005

1.004

1.251

2.330

– 1.079

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

24.588

22.195

21.701

17.034

13.536

17.855

– 4.319

NBTC

18.421

15.213

13.536

10.152

8.810

8.471

339

UNWTO

 

252

271

291

313

240

73

Bijdragen aan instituten

6.167

6.730

7.894

6.591

4.413

9.144

– 4.731

               

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

 

18.496

153.144

150.288

109.287

107.271

2.016

Kamers van Koophandel / Ondernemerspleinen

 

18.496

153.144

150.288

109.287

107.271

2.016

               

Bijdragen aan agentschappen

23.011

21.077

45.430

29.573

32.659

20.326

12.333

RVO

12.279

8.368

28.582

25.906

30.501

18.117

12.384

Logius

10.732

12.709

8.699

3.645

2.158

2.209

– 51

DICTU

   

8.149

22

     
               

ONTVANGSTEN

77.797

41.763

37.435

55.967

63.493

78.041

– 14.548

BMKB

32.674

23.645

21.544

30.389

32.307

25.000

7.307

BMKB begrotingsreserve

       

12.387

25.406

– 13.019

Groeifaciliteit

1.930

2.154

2.047

2.436

2.964

8.000

– 5.036

Garantie Ondernemingsfinanciering

13.226

13.391

10.160

18.992

9.443

13.000

– 3.557

Garantie Ondernemingsfinanciering begrotingsreserve

       

1.898

 

1.898

Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfaciliteit

– 

– 

44

46

15

4.000

– 3.985

Joint Strike Fighter

617

879

1.418

988

1.297

1.204

93

Diverse ontvangsten

29.350

1.694

2.223

3.116

3.184

1.431

1.753

Toelichting op de verplichtingen

Er zijn in totaal € 870,5 mln minder verplichtingen aangegaan dan oorspronkelijk geraamd. De oorzaken hiervoor zijn in het bijzonder gelegen in de lagere realisatie van garantieverplichtingen:

  • Voor de BMKB zijn € 260 mln minder garantieverplichtingen aangegaan dan de raming. De benutting (€ 446 mln) is overigens wel toegenomen ten opzichte van vorig jaar (€ 372 mln).

  • Voor de Groeifaciliteit zijn € 56 mln minder garantieverplichtingen aangegaan dan geraamd. De benutting lag met € 29 mln onder de realisatie van vorig jaar (€ 35 mln).

  • Voor de Garantie Ondernemingsfinanciering zijn € 281 mln minder garantieverplichtingen aangegaan dan de oorspronkelijke begroting. De benutting van circa € 119 mln is wel toegenomen ten opzichte van vorig jaar (€ 109 mln).

  • Voor de Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfaciliteit zijn € 358 mln minder garantieverplichtingen aangegaan dan geraamd.

Tegenover deze lagere realisatie van garantieverplichtingen staat een hogere verplichtingenrealisatie als gevolg van het Aanvullend Actieplan MKB-financiering. Er is een garantieverplichting aangegaan van € 86,7 mln aan de Europese Investeringsbank voor de € 100 mln funding aan Qredits.

Toelichting op de uitgaven

Garanties

De uitgaven voor de BMKB lagen € 5,7 mln onder de raming vanwege een lager aantal verliesdeclaraties dan aanvankelijk werd verwacht.

Er is € 5,9 mln minder uitgegeven aan de Groeifaciliteit dan geraamd vanwege de lager dan geraamde benutting in voorgaande jaren. Hierdoor vallen de verliesdeclaraties ook lager uit. Daarnaast heeft een storting van € 12 mln plaatsgevonden in de begrotingsreserve Groeifaciliteit. Deze storting werd voorzien in het Aanvullend Actieplan MKB-financiering ten behoeve van de garanties voor achtergestelde leningenfondsen. Het Achtergestelde leningenfonds van het NLII gaat namelijk de komende jaren gebruik maken van de Groeifaciliteit.

Subsidies

Voor Bevorderen Ondernemerschap zijn € 16,5 mln lagere uitgaven gerealiseerd dan begroot. Dit wordt onder meer verklaard uit de volgende oorzaken: er is vanuit Bevorderen Ondernemerschap € 12 mln beschikbaar gesteld voor de storting in de begrotingsreserve Groeifaciliteit conform het Aanvullend Actieplan, zoals hiervoor onder de garanties is toegelicht; er heeft een overheveling plaatsgevonden van € 2,4 mln naar de bijdrage RVO voor de uitvoering van diverse opdrachten door RVO (onder andere Nederlands Investeringsagentschap, Startup delta, Hannover Messe, Aanvullend Actieplan); er is bij de 2e suppletoire begroting 2015 een bijdrage aan het NBTC verstrekt voor de Marketingstrategie Holland 2020 (€ 0,3 mln); er heeft een begrotingsoverheveling plaats gevonden ten behoeve van de uitfinanciering van diverse oude verplichtingen (€ 3,2 mln) onder andere op het gebied van Ondernemerschap en Onderwijs, de bedrijfsbeëindigingshulp, Veiligheid Kleine bedrijven en voor de uitfinanciering van de BSRI-regeling. Tegenover deze verlaging van het budget staan hogere uitgaven van € 1,4 mln voor de uitfinanciering van openstaande verplichtingen op Bevorderen Ondernemerschap.

Bijdragen aan agentschappen

Bijdrage aan RVO

Op de bijdrage aan RVO zijn € 12,4 mln hogere uitgaven gerealiseerd dan oorspronkelijk geraamd. Dit betreft voor € 3,7 mln een overheveling vanuit de bijdragen (inter)nationale organisaties ten behoeve van de uitvoeringskosten van de NFIA. Daarnaast is € 2,4 mln overgeheveld vanuit de bijdrage RVO van beleidsartikel 12 naar beleidsartikel 13. Verder zijn er diverse opdrachten verstrekt in het kader van het ICT-beleid (€ 1,9 mln) en bedrijfsfinanciering onder meer voor Startupdelta, Nederlands Investeringsagentschap, Aanvullend Actieplan MKB-financiering (€ 3,1 mln).

Bijdrage aan Logius

De bijdrage aan Logius bestaat uit een bijdrage aan het programma (Bureau)Forum Standaardisatie en het programma SBR (Standard Business Reporting). Logius is in 2015, in opdracht van EZ, gestart met een pilot voor het uitwisselen van gegevens ten behoeve van een financieringsaanvraag door midden- en kleinbedrijven binnen het project Fink. Dit project heeft tot doel heeft dat midden- en kleinbedrijven snel en gemakkelijk inzicht kunnen krijgen in hun financieringskansen bij meerdere financiers

Toelichting op de ontvangsten

Als gevolg van hogere ontvangsten door afgewezen verliesdeclaraties bij de BMKB was de ontvangstenrealisatie € 7,3 mln hoger. Daarnaast werd als gevolg van de hogere ontvangsten en de lager dan geraamde schade-uitgaven voor € 13 mln minder onttrokken aan de begrotingsreserve BMKB.

Voor de Groeifaciliteit werd € 5 mln minder ontvangen dan geraamd. Dit is het gevolg van de lager dan geraamde benutting in de afgelopen jaren, waardoor de premieontvangsten ook lager zijn. Hier staan ook lagere schade-uitgaven tegenover.

Kengetallen en indicatoren

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verstrekte garanties BMKB, x € 1 mln

742

909

486

344

372

446

Totaal aantal verstrekte garanties

3.701

4.325

2.640

1.983

1.949

2.545

Bron: RVO

Het bedrag en aantal verstrekte BMKB garanties is in 2015 verder toegenomen. Dit spoort met de resultaten van de Panteia Financieringsmonitor 2015–1 en 2015–2, die uitwijzen dat het percentage toekenningen van externe financieringsaanvragen van het MKB in 2015 is toegenomen. Het gebruik van de BMKB is sterk afhankelijk van het aantal MKB-kredietaanvragen en toekenningen daarvan: de BMKB verstrekt een borgstelling voor in de kern gezonde midden- en kleinbedrijven die onvoldoende onderpand hebben om een krediet te verkrijgen voor nieuwe investeringen.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verstrekte garanties Groeifaciliteit, x € 1 mln

25

12

13

8

32

19

Totaal aantal verstrekte garanties

32

17

21

16

20

14

Bron: RVO

De Groeifaciliteit heeft in 2015 de toegang tot (risico)kapitaal verbeterd. De verwachting is dat met het Achtergestelde Leningenfonds van het NLII de stijgende trend van 2014 in 2016 zal doorzetten.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verstrekte garanties GO, x € 1 mln

413

261

103

103

82

137

Totaal aantal verstrekte garanties

104

62

53

51

39

76

Bron: RVO

De GO-regeling biedt middelgrote en grote bedrijven de mogelijkheid een garantie van 50% van de overheid te verkrijgen, zodat nieuwe bankleningen en/of bankgaranties kunnen worden verstrekt. De GO-regeling is kostendekkend, met als opzet dat banken er slechts gebruik van maken indien zij vanwege het risicoprofiel zelfstandig niet of onvoldoende in staat zijn in de kern gezonde bedrijven te financieren. Het gebruik van de GO-regeling is over 2015 is fors toegenomen ten opzichte van 2014.

Kengetal

2013

2014

2015

Verstrekte garanties Scheepsnieuwbouw, x € 1 mln

44

 

3

Totaal aantal verstrekte garanties

6

 

1

Bron: RVO

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2014

Realisatie 2014

Raming 2015

Realisatie 2015

Bron

Aantal verstrekte kredieten (Micro- en MKB-krediet)

610

2009

1.350

1.187

1.550

1.500

Qredits

In 2015 zijn er 1.300 microkredieten en 200 MKB-kredieten verstrekt door Qredits. De verwachting was om het product werkkapitaalfinanciering eind 2015 gereed te hebben (TK, 32 637, nr. 198) en ook al in 2015 circa 50 werkkapitaalkredieten te verstrekken. Echter vanwege de uitwerking van de ict-infrastructuur door Qredits vergt dit meer tijd en zal het product begin 2016 geïntroduceerd worden (TK, 32 637, nr. 224).

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2014

Realisatie 2014

Raming 2015

Realisatie 2015

Bron

Netto verlaging regeldruk (cumulatief)

€ 527,4

2013

– 

€ 1.153 mln van de € 2,5 mld

€ 2,3 mld

€ 1.808 mln van € 2,5 mld

EZ

In 2015 zijn van de doelstelling om de regeldruk voor bedrijven, burgers en professionals met € 2,5 mld te verminderen reeds voor € 1,8 mld aan maatregelen gerealiseerd. Dat is een stijging van ruim € 600 mln ten opzichte van 2014.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2014

Realisatie 2014

Raming 2015

Realisatie 2015

Bron

Gerealiseerde invulling compensatie / IP-verplichting

(5 jaars gemiddelde)

€ 419 mln

2013

€ 350 mln

€ 383 mln

€ 350 mln

€ 342 mln

EZ

De uitvoering van de industriële participatie overeenkomsten met het plaatsen van opdrachten door buitenlandse bedrijven in Nederland is in 2015 conform verwachting verlopen. De realisatie is lager uitgevallen dan geraamd doordat het volume aan opdrachten van het Ministerie van Defensie, waarbij industriële participatie afspraken zijn gemaakt, lager was dan verwacht.

Toelichting op de interne begrotingsreserves

Interne begrotingsreserve BMKB

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2015

66.555

+ storting

 

– onttrekking

– 12.387

Stand per 31/12/2015

54.168

Interne begrotingsreserve Groeifaciliteit

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2015

5.000

+ storting

+12.000

– onttrekking

 

Stand per 31/12/2015

17.000

Interne begrotingsreserve Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2015

55.009

+ storting

 

– onttrekking

– 1.898

Stand per 31/12/2015

53.111

Interne begrotingsreserve Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfaciliteit

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2015

10.044

+ storting

 

– onttrekking

 

Stand per 31/12/2015

10.044

Interne begrotingsreserve Garantie MKB-financiering

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2015

9.000

+ storting

 

– onttrekking

 

Stand per 31/12/2015

9.000

14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Algemene doelstelling

In de Begroting 2015 was de algemene doelstelling een internationaal concurrerende energievoorziening die betrouwbaar, veilig en duurzaam is. In 2015 is gewerkt aan het Energierapport 2016 waarin de algemene doelstelling is aangepast naar: een CO2-arme energievoorziening, die veilig, betrouwbaar en betaalbaar is.

Om deze doelstelling te bereiken zet EZ financiële instrumenten in zoals subsidies en garanties, maar ook niet-financiële instrumenten zoals het stroomlijnen van de energie- en gaswet om de werking van de energiemarkt te verbeteren, de regeldruk te verminderen en efficiënter toezicht mogelijk te maken.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is verantwoordelijk voor het energiebeleid. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Financieren

  • Het voeren van het financieel instrumentarium op de beleidsterreinen hernieuwbare energie, energiebesparing en het gebruik van innovatieve energietechnologieën.

(Doen)Uitvoeren

  • Het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie (conform afspraken Energieakkoord: 14% in 2020 en 16% in 2023).

  • Het vergroten van het aandeel energiebesparing (conform afspraken Energieakkoord: besparing met gemiddeld 1,5% per jaar en 100 PJ in 2020).

Regisseren

  • Het regisseren van de realisatie van grote energie-infrastructuur projecten die onder de rijkscoördinatieregeling vallen; dit betekent als projectminister, samen met de Minister van Infrastructuur en Milieu, verantwoordelijk voor de ruimtelijke inpassing van projecten en voor de coördinatie van benodigde projecten.

  • Het stimuleren van een goed werkende Europese energiemarkt met een adequate infrastructuur.

  • Het creëren van randvoorwaarden waardoor de energievoorziening internationaal kan concurreren.

  • Het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige, verantwoorde en veilige winning van onze bodemschatten.

  • Het stimuleren van de transitie naar een CO2-arme energievoorziening, die veilig, betrouwbaar en betaalbaar is. Daarom is in 2016 een Energiedialoog gestart en wordt een Beleidsagenda voorbereid.

  • Het bieden van mogelijkheden aan lokale energieprojecten.

  • Het coördineren van het energiebesparingsbeleid via de verschillende vakministers en het stimuleren van energiebesparing in de industrie en energiesectoren.

  • Het stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van innovatieve energietechnologieën.

  • Het stimuleren van de verdergaande reductie van CO2-uitstoot van energiebedrijven en industrie.

Beleidsconclusies

Gaswinning Groningen

In december 2015 heeft het kabinet besloten de voorlopige voorziening die de Raad van State met zijn uitspraak van 18 november 2015 heeft getroffen voor het gasjaar 2015/2016 in stand te houden (TK, 33 529, nr. 212). Dat betekent dat de gaswinning wordt beperkt tot 27 miljard m³ met ruimte voor meer productie als dat nodig is om de leveringszekerheid te waarborgen. De keuze voor dit productieniveau is in lijn met het advies van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM). Op basis van het nieuwe winningsplan van NAM zal het kabinet volgend jaar, na advisering door SodM en decentrale overheden, een besluit nemen voor de langere termijn.

In relatie met de aardbevingsproblematiek in Groningen heeft het kabinet in 2015 besloten tot de instelling van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG). De NCG heeft als doel het versterken van woningen om de veiligheid en leefbaarheid in het aardbevingsgebied te verbeteren. Inmiddels is de heer Alders als Nationaal Coördinator benoemd en is de financiering van de Overheidsdienst Groningen zeker gesteld. Op 18 december 2015 heeft het kabinet ingestemd met het «Meerjarenprogramma Aardbevingsbestendig en Kansrijk Groningen»van de NCG (TK, 33 529, nr. 212).

In reactie op het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat in februari 2015 verscheen over de gaswinning in Groningen is aangegeven dat de Mijnbouwwet aangepast wordt om zo het veiligheidsbelang te versterken en meer invloed te krijgen op waar en onder welke omstandigheden mijnbouwactiviteiten kunnen worden toegestaan. Hierbij wordt ook het burgerperspectief beter geregeld en krijgen andere overheden een adviesrecht. Ook wordt de onafhankelijke positie van SodM versterkt. Dit wetsvoorstel is in november 2015 aan de Tweede Kamer gestuurd (TK, 34 348, nrs. 1 t/m 3).

Energieakkoord voor duurzame groei

De uitvoering van het Energieakkoord is in 2015 volgens planning voortgezet. Op het terrein van windenergie op zee zijn grote stappen gezet, met onder andere de succesvolle en snelle parlementaire behandeling van de Wet Windenergie op zee. Deze wet is conform de planning in werking getreden op 1 juli 2015. Op basis van de Nationale Energieverkenning (NEV) 2015 is in oktober 2015 gebleken dat twee doelen uit het Energieakkoord nog niet binnen bereik waren op basis van de tot dat moment bekende uitwerking van het akkoord. Om die reden heeft het kabinet met de overige partijen uit het Energieakkoord in december 2015 aanvullende afspraken gemaakt. Op basis van deze aanvullende afspraken concludeerden alle partijen bij het Energieakkoord in de Voortgangsrapportage van de Borgingscommissie Energieakkoord dat alle doelen weer binnen bereik zijn (TK, 30 196 nr. 381). Nadien is het wetsvoorstel Elektriciteits- en gaswet (STROOM) op 22 december 2015 verworpen door de Eerste Kamer. Dit wetvoorstel bood onder andere de basis voor het aanwijzen van TenneT als netbeheerder op zee. Dit is cruciaal voor het realiseren van de windparken op zee conform het Energieakkoord. Om de vertraging voor de ontwikkeling van nieuwe windparken op zee zo veel mogelijk te beperken is begin 2016 een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend om het net op zee alsnog spoedig te regelen.

In april 2015 heeft de Minister van EZ zijn Warmtevisie aan de Tweede Kamer gestuurd (TK, 30 196, nr. 305). De Warmtevisie schetst het kader dat gebruikt wordt om de warmtevoorziening te verduurzamen. In dat kader is gestart met de evaluatie van de Warmtewet en met het ontwikkelen van nieuwe marktmodellen voor de warmtemarkt. De uitvoering van de eerste stappen uit de Warmtevisie ligt op koers.

In 2015 is de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (SDE+) weer opengesteld, dit keer met een verplichtingenbudget van € 3,5 mld. Dit budget is in de loop van het jaar ruim overtekend: in totaal is voor € 7,7 mld aan subsidies aangevraagd. Het beschikbare budget van € 3,5 mld is toegekend aan 194 projecten. Indien al deze projecten tot realisatie komen, leveren deze een bijdrage van 19 PJ aan het doelbereik. In totaal is er met de SDE en de SDE+-rondes tot en met 2015 voor een jaarproductie van 107 PJ aan beschikkingen afgegeven. Dit komt overeen met het energieverbruik van ruim 1,8 mln huishoudens.

Met name technieken met lagere basisbedragen, zoals wind op land en biomassa (warmte), hebben een subsidiebeschikking gekregen. De overige aanvragen zijn afgewezen vanwege budgetuitputting of op inhoudelijke gronden. Deze projecten kunnen in 2016 een nieuwe (verbeterde) aanvraag indienen. In december 2015 is de vormgeving van de SDE+ in 2016 aangekondigd. Verdeeld over twee indieningsrondes zal naar verwachting een budget van in totaal € 8 mld worden opengesteld (TK, 31 239, nr. 208).

Zoals aangekondigd in de begroting 2015 heeft het Ministerie van EZ een nieuwe regeling voor demonstratieprojecten op het gebied van duurzame energie gepubliceerd, de Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE). De ISDE is een subsidieregeling voor kleinschalige installaties voor de productie van hernieuwbare energie. Dit zijn installaties zoals zonneboilers, biomassaketels en warmtepompen met een klein vermogen. De regeling geeft huishoudens de kans om hun warmwaterboiler te vervangen door een zonneboiler, bedrijven om hun (proces)warmte te produceren met een biomassaketel en woningcorporaties om warmtepompen te installeren voor de verwarming van huurwoningen. Hiermee worden burgers en bedrijven gestimuleerd om zelf hernieuwbare energie te produceren en bij te dragen aan de hernieuwbare energiedoelstelling. De regeling geldt voor een periode van vijf jaar, met als doel dat deze installaties op de langere termijn zonder ondersteuning kunnen concurreren met fossiele alternatieven. Het beschikbare budget voor deze regeling en de maatvoering van de ondersteuning via deze regeling wordt jaarlijks tegelijkertijd met het SDE+-budget vast gesteld. In 2016 is € 70 mln beschikbaar voor deze regeling.

Schaliegas

Op 10 juli 2015 heeft het kabinet besloten dat commerciële opsporing en winning van schaliegas de komende vijf jaar niet aan de orde is (TK, 33 952, nr. 32). Tevens is besloten dat in 2016 een onderzoeksprogramma wordt voorbereid waarvan enkele onderzoeksboringen onder de vlag van de overheid onderdeel kunnen worden.

Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS)

Per 1 januari 2015 is de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) conform planning opgericht. De ANVS voert werkzaamheden uit op het vlak van nucleaire veiligheid en stralingsbescherming, vervoer van radioactieve stoffen en radioactief afval, stralingsincidenten en beveiliging en safeguards. De ANVS voldoet aan internationale richtlijnen (zoals die van het Internationaal Atoomenergie Agentschap IAEA) en werkt nauw samen met nationale en internationale organisaties. De ANVS is per 1 januari 2015 een dienst van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M). Tot 1 mei 2015 was de Minister van EZ op grond van de Kernenergiewet echter nog eerstverantwoordelijk voor nucleaire veiligheid en stralingsbescherming; de taken die de ANVS uitvoert. Per 1 mei 2015 zijn deze verantwoordelijkheden overgegaan van de Minister van EZ naar de Minister van I&M (Staatscourant 2015 11080).

Kengetal

2011

2012

2013

2014

2015

Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit

         

– HHI

2.465

2.338

2.276

2.230

2.152

– C3

85%

83%

81%

81%

79%

Concentratiegraad in de retailsector gas

         

– HHI

2.344

2.258

2.204

2.171

2.052

– C3

83%

81%

79%

79%

77%

Bron: ACM

De C3 is het gezamenlijk marktaandeel van de drie grootste leveranciers. De mate van concentratie op de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas vormt een indicatie voor de concurrentie op die markten. Een indicator hiervoor is de Herfindahl-Hirschman Index (HHI). Een markt met een HHI onder de 1.800 punten wordt gezien als een competitieve markt en een markt met een index tussen de 1.800 en 8.000 punten wordt gezien als een geconcentreerde markt. Uit de bovenstaande tabel kan geconcludeerd worden dat zowel de elektriciteits- als de gasmarkt de afgelopen jaren steeds meer concurrerend is geworden.

Kengetal

2011

2012

2013

2014

2015

Elektriciteitsstoring in minuten per jaar

23 min

27 min

23 min

20 min

33 min

Bron: Netbeheer Nederland

Het aantal storingsminuten per huishouden per jaar geeft een indicatie van de leveringszekerheid van elektriciteit.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2014

2015

2015

2015

VERPLICHTINGEN

3.155.526

2.289.462

3.397.213

2.646.202

6.494.697

3.960.853

2.533.844

Waarvan garantieverplichtingen

 

147.225

47.342

526

31.873

62.400

– 30.527

UITGAVEN

1.027.671

1.085.460

1.251.807

1.441.886

1.557.919

1.619.026

– 61.107

               

Subsidies

834.077

857.264

1.030.692

1.181.789

1.347.519

1.410.701

– 63.182

Topsectoren Energie

34.867

29.792

30.282

34.925

57.681

67.993

– 10.312

Energie-innovatie (IA)

22.317

56.868

36.766

27.383

17.300

7.872

9.428

Green Deal

 

225

1.889

918

1.809

750

1.059

Energie akkoord

     

666

10.631

35.464

– 24.833

MEP

658.895

619.608

505.321

432.032

362.995

380.000

– 17.005

SDE/SDE+

57.472

100.954

169.133

235.116

323.059

804.749

– 481.690

Storting in reserve Duurzame Energie

   

225.007

369.356

503.423

 

503.423

Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

     

56.955

31.765

77.000

– 45.235

CCS

12.352

5.531

5.015

4.905

2.500

19.557

– 17.057

Hoge Flux Reactor

8.223

7.250

7.250

7.250

7.250

7.250

 

Aanschafsubsidie zonnepanelen

 

21.339

29.632

       

Elektrisch rijden

3.993

2.154

2.535

2.184

1.541

1.120

421

Caribisch Nederland

 

1.304

3.161

6.807

17.108

7.000

10.108

Overige subsidies

31.471

12.239

14.701

3.292

10.457

1.946

8.511

Stadsverwarming

4.487

           
               

Garanties

6.094

 

526

9.206

1.922

1.000

922

Geothermie

6.094

 

526

   

1.000

– 1.000

Storting in reserve Geothermie

     

9.206

1.922

 

1.922

               

Opdrachten

23.545

24.654

33.861

28.108

19.813

24.528

– 4.715

O&O bodembeheer

3.997

2.897

2.497

3.843

12.651

766

11.885

Joint implementation

13.079

14.787

12.148

768

252

1.300

– 1.048

Straling

3.196

5.006

9.726

9.257

50

6.060

– 6.010

Pallas

 

154

1.001

10.004

 

13.500

– 13.500

Onderzoek en opdrachten

3.273

1.810

8.489

4.236

6.860

2.902

3.958

               

Bijdragen aan agentschappen

37.057

43.095

45.589

47.281

41.805

44.963

– 3.158

RVO

36.668

42.342

38.680

41.949

40.168

39.557

611

Dienst Landelijk Gebied

         

500

– 500

NVWA

389

753

698

692

681

680

1

Kern Fysische Dienst

   

6.211

3.690

 

3.226

– 3.226

KNMI

     

950

956

1.000

– 44

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

89.292

86.418

103.039

110.603

107.423

113.113

– 5.690

Doorsluis COVA heffing

89.292

86.418

100.947

107.594

106.074

111.000

– 4.926

TNO bodembeheer

   

2.092

3.009

1.349

2.113

– 764

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

37.606

74.029

38.100

64.899

39.437

24.721

14.716

ECN/NRG

37.232

73.557

37.757

57.903

38.819

23.949

14.870

Interne begrotingsreserve risicopremie lening ECN/NRG

     

6.600

     

Diverse instituten

374

472

343

396

618

772

– 154

               

ONTVANGSTEN

11.299.393

11.960.294

13.547.739

10.801.567

6.851.765

9.535.411

– 2.683.646

COVA

89.292

86.436

100.947

107.594

106.074

111.000

– 4.926

SDE+

   

97.363

173.619

278.861

320.000

– 41.139

Aardgasbaten

11.165.588

11.839.743

13.342.665

10.505.291

6.424.910

9.100.000

– 2.675.090

Onttrekking aan reserve Duurzame energie

       

20.000

 

20.000

Ontvangsten zoutwinning

2.379

2.350

2.373

2.474

2.342

1.761

581

Diverse ontvangsten

42.135

31.765

4.391

12.589

19.578

2.650

16.928

Toelichting op de verplichtingen

De overschrijding van het verplichtingenbudget heeft als voornaamste oorzaak dat een groot bedrag aan subsidiebeschikkingen voor de openstelling 2014 van de SDE+ pas in 2015 zijn verstrekt. Omdat de beschikkingen voor de openstelling 2015 geheel in 2015 zijn verstrekt heeft dit geleid tot een overschrijding van het verplichtingenbudget van € 2,58 mld.

Op de garantieregeling geothermie is in 2015 een lager beroep gedaan dan geraamd, zodat er veel minder garantieverplichtingen zijn aangegaan dan begroot. In totaal is voor vier aardwarmteprojecten een garantie afgegeven.

Toelichting op de uitgaven

Subsidies

Topsectoren energie

De lagere uitgaven zijn een saldo van hogere uitgaven op de tenderregeling Energie-innovatie (€ 10,8 mln) en lagere uitgaven op de SDE+-projecten van de topsector energie (€ 21,1 mln) vanwege vertraging in het opstarten van de projecten. Dit laatste bedrag is in de interne begrotingsreserve duurzame energie gestort.

Energie-innovatie

De overschrijding op energie-innovatie is voornamelijk het gevolg van veel hogere nabetalingen op de Unieke Kansen Regeling (UKR) dan waar bij het opstellen van de begroting rekening mee was gehouden.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Aantal deelnemende bedrijven bij TKI1

n.v.t.

n.v.t.

3012

5003

8504

1.150

Bron: RVO

           

Kwaliteit van het Nederlandse energieonderzoek gemeten als retourpercentage van het zevende EU kaderprogramma thema energie5

6,8%

7,4%

7,0%

6,8%

6,9%

7,2%

Bron: RVO

           
X Noot
1

In september 2012 zijn de TKI ’s opgericht. Daardoor is er geen waarde beschikbaar voor 2011.

X Noot
2

De oorspronkelijke waarde van 333 is bijgesteld naar 301. Oorzaken hiervoor waren: het terugtrekken van bedrijven uit samenwerkingsprojecten en goedgekeurde projecten die uiteindelijk niet zijn doorgegaan of waarvan de aanvraag is ingetrokken.

X Noot
3

De oorspronkelijke waarde van 486 is opgehoogd doordat ook TNO-projecten zijn toegevoegd aan de dataset.

X Noot
4

De oorspronkelijke waarde van 612 is opgehoogd, doordat TNO-projecten zijn toegevoegd aan de dataset als ook verschillende projecten (onder andere uit de DEI-tender) uit 2014 die op eerdere peildatum nog niet waren beschikt.

X Noot
5

De cijfers betreffen cumulatieve cijfers vanaf de start van het zevende kaderprogramma in 2007

Energieakkoord

Op dit budget zijn de lagere uitgaven vooral veroorzaakt door vertraging in de projecten die gefinancierd worden uit de Demonstratieregeling Energie Innovatie (DEI). Het budget dat is overgebleven op de diverse projecten Energieakkoord (€ 1 mln) is in de begrotingsreserve duurzame energie gestort.

Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP)

De lagere uitgaven op de MEP-regeling zijn vooral veroorzaakt door een lagere subsidiabele elektriciteitsproductie dan waar in de raming voor de ontwerpbegroting rekening mee was gehouden. Van de lagere uitgaven is € 15 mln ingezet voor knelpunten elders op de EZ-begroting: € 2 mln is gestort in de begrotingsreserve duurzame energie.

SDE/SDE+

Op de SDE- en de SDE+-regeling is per saldo zo’n € 482 mln minder uitgegeven dan begroot, voornamelijk als gevolg van de vertraging in de start van een aantal grote energieprojecten. Van het bedrag dat niet is uitgegeven is € 479 mln in de interne begrotingsreserve duurzame energie gestort.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Bron

Duurzame energieproductie

4,5%

2012

5,5%

In september 2016 bekend

CBS

Bron: ECN, PBL, CBS, RVO

Storting in begrotingsreserve duurzame energie

De in 2013 gevormde interne begrotingsreserve duurzame energie is bestemd voor middelen die in enig jaar onbesteed zijn gebleven als gevolg van vertraging of niet doorgaan van projecten waaraan reeds subsidie is toegekend. Deze middelen kunnen vervolgens worden ingezet voor andere projecten met het oog op het bereiken van de doelstelling. Via de begrotingsreserve blijven de middelen beschikbaar tot het moment dat ze alsnog zullen worden uitbetaald. In 2015 is € 503 mln in de reserve gestort.

Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

Van het beschikbare budget van € 61 mln is slechts € 37 mln uitbetaald (inclusief een overheveling naar het Provinciefonds in het kader van de regeling Regionale Investeringssteun Groningen (RIG) van € 5 mln), doordat en minder bedrijven een aanvraag voor compensatie hebben ingediend en de bedrijven die wel voor de regeling in aanmerking kwamen een lagere compensatie hebben ontvangen, vooral als gevolg van de lagere CO2-prijs dan waar bij de ontwerpbegroting van werd uitgegaan. Conform afspraak met het Ministerie van Financiën blijven de middelen die in enig jaar overblijven voor ETS-compensatie beschikbaar voor latere jaren. Van de niet-bestede middelen is daarom € 24 mln doorgeschoven naar 2016.

Carbon Capture and Storage (CCS)

Dit budget heeft vooral betrekking op het Rotterdamse CCS- project ROAD (Rotterdam Opslag en Afvang Demonstratieproject) dat tot doel heeft om CO2 van een kolencentrale af te vangen en op te slaan in een leeg gasveld in de Noordzee. Omdat de initiatiefnemers van het project (E.ON en Engie) nog geen definitief investeringsbesluit genomen hebben, zijn de voor dit project op de begroting gereserveerde middelen niet tot betaling gekomen. De niet-bestede middelen zijn ingezet ter dekking van knelpunten op de EZ-begroting.

Caribisch Nederland

In 2013 is het Gemeenschappelijk Energie Bedrijf (GEBE) van de bovenwindse eilanden ontvlochten en opgesplitst in drie bedrijven, voor ieder van de eilanden één. Al vóór de ontvlechting zijn beslag kreeg was duidelijk dat die nieuwe bedrijven hun tarieven fors zouden moeten verhogen om een sluitende begroting te hebben. Sindsdien heeft EZ ingezet op kostprijsverlaging door introductie van duurzame energie (zon, wind) en verplaatsing van de powerplant op Saba; EZ zou die investeringen subsidiëren en in 2013 en 2014 zijn daarvoor middelen op de begroting vrijgemaakt. Door vertraging van het project zijn ook de uitgaven in die jaren vertraagd, daarom is het budget bij de voorjaarsbesluitvorming in 2015 met € 10,8 mln opgehoogd. Dit bedrag is vrijwel geheel tot uitbetaling gekomen. Voor de ondersteuning van de elektriciteitstarieven in Caribisch Nederland is minder uitgegeven dan begroot, terwijl hierbij het beoogde doel wel is bereikt: gelijke netbeheertarieven in Caribisch Nederland als in Europees Nederland. Het wetsvoorstel Elektriciteit en drinkwater BES is op 17 november 2015 met algemene stemmen in de Tweede Kamer aangenomen (TK, 34 089, nr. 2) en is op 22 maart 2016 in de Eerste Kamer aangenomen.

Overige subsidies

De overschrijding van het budget van overige subsidies met € 8,5 mln is vooral veroorzaakt door hogere betalingen op de subsidieregeling Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur (BSIK) en op subsidies op het gebied van transitiemanagement.

Garanties

De garantieregeling geothermie verzekert het geologisch risico van aardwarmteprojecten, namelijk de onzekerheid over de aanwezigheid van een goede laag in de ondergrond waaruit het warme water te winnen is en ook terug te injecteren is. Deelnemers betalen vooraf een premie en in ruil daarvoor keert de regeling uit als een boring een teleurstellende warmteopbrengst heeft. In 2015 is niets uitgekeerd. Vier beschikkingen zijn verleend. Daarnaast zijn vier beschikkingen uit eerdere openstellingen nog van kracht en zijn twee projecten succesvol afgerond. De huidige openstelling liep nog tot en met 31 maart 2016.

Opdrachten

Onderzoek en ontwikkeling (O&O) Bodembeheer

In verband met de oprichting van de Overheidsdienst Groningen (TK, 33 529, nr. 96) is gedurende 2015 per saldo € 8,2 mln ten behoeve van bodemonderzoeken door gespecialiseerde onderzoeksbureaus aan de begroting toegevoegd. Vanwege de elkaar snel opvolgende ontwikkelingen rond de gaswinning in Groningen in 2015 bleken vele aanvullende onderzoeken nodig te zijn. Hieraan is uiteindelijk zo’n € 12,7 mln uitgegeven.

Straling

In navolging van het besluit om de expertise op het gebied van nucleaire veiligheid en stralingsbescherming bij I&M en EZ samen te voegen tot één onafhankelijke organisatie genaamd Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en deze organisatie te positioneren als ZBO van I&M, is vrijwel het gehele hiervoor op de EZ-begroting beschikbare budget (€ 6 mln) overgeheveld naar de I&M-begroting.

Pallas

In 2015 stond in de begroting geraamd dat er € 13,5 mln betaald zou worden aan het Pallas-project als onderdeel (2e tranche) van de in 2012 toegezegde totale lening van € 40 mln van EZ en € 40 mln van de provincie Noord Holland. Eind 2015 kwamen er echter vragen vanuit de provincie Noord-Holland over het project. Deze vragen hadden betrekking op de marktvooruitzichten voor Pallas, de ontwikkeling van een level playing field, de positionering van Pallas als onderzoeksreactor, de belangstelling van investeerders en de liquiditeitsbehoefte van de Stichting Pallas. De gerezen vragen zorgden voor uitstel van de betaling door Noord-Holland en dit heeft er toe geleid dat ook de 2e tranche van EZ uiteindelijk niet is uitbetaald in 2015.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

ECN/NRG

Aan het Energieonderzoek Centrum Nederland en haar dochter de Nuclear Research and Consultancy Group (ECN/NRG) is door het Rijk in 2014 een krediet verstrekt om de continuïteit van hun bedrijfsvoering te verzekeren, dit in aanloop naar de komst van de beoogde opvolger van de Hoge Flux Reactor (HFR), Pallas.

Voor deze lening is in 2014 een verplichting vastgelegd. De kasdoorwerking na 2014 is pas bij Voorjaarsnota 2015 aan het budget voor (inter)nationale organisaties toegevoegd. ECN/NRG heeft de overeengekomen lening minder snel opgevraagd dan eerder geraamd. Hierdoor is in 2015 uiteindelijk slechts € 10 mln uitbetaald.

In de loop van 2015 is budget toegevoegd aan het ECN-budget in verband met de TKI-toeslag (€ 1,3 mln) en de bijdragen van BZK en I&M aan de Nationale Energie Verkenningen (€ 0,4 mln). Daarnaast heeft ECN in september 2015 gemeld een onoverbrugbaar tekort te hebben op de begroting voor 2016. Het betrof hier vooral tekorten op de onderdelen die onderzoek naar duurzame energie uitvoeren. Omdat het ECN niet is gelukt dit tekort zelfstandig te dichten, is in overleg met de Kamer (TK, 30 196, nr. 369) besloten om de bijdrage voor 2016 eenmalig met € 2,5 mln te verhogen: dit bedrag is eind 2015 uitbetaald. Dit alles heeft geleid tot een overschrijding van het oorspronkelijke budget met € 14,8 mln.

Toelichting op de interne begrotingsreserve

Interne begrotingsreserve Geothermie

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2015

20.037

+ storting

1.922

– onttrekking

 

Stand per 31/12/2015

21.959

De interne begrotingsreserve voor de garantieregeling Geothermie is bedoeld om het budget voor deze regeling meerjarig in te kunnen zetten en een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten en uitgaven op te vangen. Om gebruik te kunnen maken van de garantieregeling Geothermie betalen marktpartijen een premie aan de uitvoerder van de regeling (RVO) die wordt gestort in de interne begrotingsreserve.

Als dekking voor eventuele toekomstige uitgaven heeft in 2015 een storting van € 1,9 mln in de interne begrotingsreserve plaatsgevonden.

Interne begrotingsreserve Duurzame energie

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2015

594.363

+ storting SDE/SDE+

479.344

+ storting MEP

1.992

+ storting SDE+ projecten topsectoren

21.101

+ storting diverse projecten Energieakkoord

986

– onttrekking

– 20.000

Stand per 31/12/2015

1.077.786

De interne begrotingsreserve Duurzame energie is bestemd voor onbesteed gebleven middelen als gevolg van vertraging bij projecten waaraan reeds subsidie is toegekend en reeds verplichte projecten die niet tot uitvoering komen en door andere projecten moeten worden vervangen met het oog op het bereiken van de doelstelling. Via de begrotingsreserve blijven de middelen beschikbaar tot het moment dat ze alsnog zullen worden uitbetaald. In 2015 is € 503 mln in de reserve gestort en € 20 mln aan de reserve onttrokken.

Interne begrotingsreserve risicopremie lening ECN/NRG

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2015

6.600

+ storting

0

– onttrekking

0

Stand per 31/12/2015

6.600

De middelen op de interne begrotingsreserve risicopremie ECN/NRG zullen worden aangesproken als ECN – al dan niet tijdelijk – (gedeeltelijk) niet kan voldoen aan de terugbetalingsverplichtingen volgens de afgesloten leningsovereenkomst.

Toelichting op de ontvangsten

SDE+

De opbrengsten uit de Opslag Duurzame Energie (ODE) zijn lager uitgevallen dan eerder geraamd, vooral onder invloed van de gemiddeld hogere temperatuur in 2015 en het lagere energieverbruik dat hiervan het gevolg was.

Onttrekking aan reserve Duurzame energie

Ter dekking van de extra uitgaven voor de Overheidsdienst Groningen en de daarmee samenhangende intensivering voor het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) en de energiedirecties van EZ is bij de Voorjaarsnota 2015 omgebogen op de budgetten voor de TKI-regeling en de ETS-regeling. Omdat de vrijvallende middelen pas in latere jaren beschikbaar komen dan de benodigde middelen, is in 2015 € 20 mln aan de begrotingsreserve Duurzame energie onttrokken. Dit bedrag zal in de periode 2021–2026 weer in de reserve teruggestort worden.

Aardgasbaten

Door het besluit tot verlaging van het gaswinningsplafond en de daling van de gasprijs zijn de aardgasbaten in 2015 fors lager uitgevallen dan geraamd (€ 2,68 mld). Ook de hogere kosten die de NAM heeft gemaakt om de gevolgen van de aardbevingsrisico’s te compenseren hebben geleid tot een lagere afdracht aan het Ministerie van EZ.

Op grond van een overeenkomst tussen Energiebeheer Nederland (EBN) en de Staat keert EBN maandelijks bijzondere winstuitkeringen uit. Als gevolg van de aanzienlijke daling van de olie- en gasprijzen heeft EBN in het vierde kwartaal van 2015 forse afwaarderingen moeten boeken op een aantal deelnemingen. Als consequentie van de systematiek van maandelijkse bijzondere winstuitkeringen, in combinatie met door EBN gerealiseerde negatieve netto winsten in de maanden van het vierde kwartaal van 2015, is er over het jaar 2015 door EBN meer aan voorlopige betalingen uitgekeerd dan er netto winst over 2015 is gerealiseerd. EBN heeft over het jaar 2015, € 527 mln meer aan voorlopige betalingen aan de Staat uitgekeerd dan er netto winst is gerealiseerd. Daarom zal dit bedrag in 2016 (na formele vaststelling van de Jaarrekening 2015 van EBN) naar EBN worden teruggestort.

Verwachting 2014–2015

2014

2015

Productie aardgas totaal

64,4 mld Nm3

61,6 mld Nm3

Bron: TNO

   

Euro/dollarkoers

1,36

1,35

Bron: CBS/CPB

   

Olieprijs (dollar/vat)

108

107

Bron: CBS/CPB

   

Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

22

24

Bron: APX Endex

   

Kengetallen

2011

2012

2013

2014

Realisatie 2015

1. Gewonnen volume aardgas kleine velden

27 mld Nm3

27 mld Nm3

26 mld Nm3

24 mld Nm3

22 mld Nm3

Bron: TNO

         

2. Aantal boringen exploratie onshore en offshore

18

16

9

21

16

Bron: TNO

         

3. Aantal boringen productie onshore en offshore

39

19

18

32

171

Bron: TNO

         

4. Productie aardgas totaal

75 mld Nm3

74 mld Nm3

80 mld Nm3

66 mld Nm3

50 mld Nm3

Bron: TNO

         

5. Euro/dollarkoers

1,39

1,28

1,33

1,33

1,11

Bron: CBS/CPB

         

6. Olieprijs (dollar/vat)

111,3

111,7

108,7

101,4

52,5

Bron: CBS/CPB

         

7. Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

22,9

24,0

26,0

21,3

19,8

Bron: APX Endex

         
X Noot
1

productieboringen inclusief aantal boringen voor ondergrondse gasopslag

Cijfers bij 1 en 4 zijn omgezet in Normaal m3. Sinds vorig jaar staan in het jaarverslag Delfstoffen en Aardgas (in overleg met EZ) alleen nog Normaal m3 volumes (0,9475 van de Standaard m3). Productiecijfers tot en met november 2015 gerapporteerd, voor kleine velden is de maand december berekend op basis van voorgaande jaren.

Diverse ontvangsten

Bij de ontwerpbegroting 2015 was geen rekening gehouden met opbrengsten uit terugontvangen subsidievoorschotten op diverse subsidieregelingen en met de opbrengst uit de ontvangen provisies voor de garantieregeling geothermie. Hierdoor is € 17 mln meer ontvangen dan begroot.

16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Algemene doelstelling

EZ streeft naar internationaal toonaangevende, concurrerende, sociaal verantwoorde, veilige en dier- en milieuvriendelijke agro-, visserij- en voedselketens.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is verantwoordelijk voor:

Stimuleren

  • Het versterken van de positie van de Nederlandse agrarische en visserijketen, het stimuleren van groene economische groei via energie- en klimaatbeleid voor de landbouw en het bevorderen van transparantie in de voedselketen.

  • Het stimuleren van een adequate en duurzame voedselvoorziening/voedselzekerheid en voedselkwaliteit op Europees en mondiaal niveau evenals het bijdragen aan het Europese en internationale landbouw- en visserijbeleid.

  • Het stimuleren van nieuwe technologieën in de land- en tuinbouw.

  • Het stimuleren van verduurzaming in de veehouderij en plantaardige teelten door middel van nieuwe vormen van ketensamenwerking en nieuwe marktstrategieën.

Regisseren

  • Het borgen van voedselveiligheid. Producenten en partijen uit de voedselketen zijn primair verantwoordelijk voor hun producten en productiewijze. Zij opereren op basis van normen en kaders die de overheid stelt en die goeddeels hun grondslag vinden in internationale, vooral Europese regelgeving. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor wetgeving voor voedselveiligheid, met uitzondering van wetgeving voor het slachten van dieren en het keuren en uitsnijden van vlees, waar de Minister van EZ verantwoordelijk voor is.

  • Het bevorderen van adequate en duurzame gewasbescherming, evenals het borgen van plant- en diergezondheid en dierenwelzijn.

(Doen) uitvoeren

  • Het doen uitvoeren van een effectief beleid ter realisatie van de doelstellingen uit de Europese regelgeving.

  • Het doen uitvoeren van adequaat veterinair en fytosanitair beleid.

  • Het uitoefenen van toezicht en handhaven van de regelgeving op gebied van dier- en plantgezondheid, dierenwelzijn, mest, natuur en voedselveiligheid (primaire productie en slachterijfase).

  • Het doen uitvoeren van kennisontwikkeling en financieren van innovatie ten behoeve van het groene domein.

  • De controle op en handhaving van de regels voor de veiligheid van voedsel in de primaire productie en slachterijfase.

  • Het doen uitvoeren van een gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid. Bij het verder vormgeven van het Europees Landbouwbeleid voor de periode 2014–2020 heeft de minister de rol om de Nederlandse inbreng goed tot zijn recht te laten komen. In de Beleidsagenda en bijlage Europese geldstromen wordt hier nader op ingegaan.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

2015

1. Maatschappelijke appreciatiescore

Geen meting

Geen meting

7,5

7,6

Geen meting

7,6

Bron: TNS/NIPO

           

2. Mate van vertrouwen consumenten in voedsel

3,4

3,4

Geen meting

3,2

Geen meting

3,2

Bron: NVWA monitor

           

3. % Handelssaldo agrarisch ten opzichte van totaal handelssaldo Nederland

57%

87%

58%

59%

57%

57%

Bron: LEI

           

Ad 1. Indicator betreft de maatschappelijke waardering onder de Nederlandse bevolking van de landbouw vastgelegd in een rapportcijfer. De visserij werd gewaardeerd met een 6,9 in 2015. Meting vindt vanaf 2013 om de twee jaar plaats.

Ad 2. De NVWA meet op een schaal van 1–5 het vertrouwen van de consument in de veiligheid van voedsel. Meting vindt om de 2 jaar plaats.

Ad 3. In 2015 was het Nederlandse handelsoverschot € 46,3 mld. Het agrarische handelsoverschot is € 26,4 mld; 57% van het totaal. 2015 betreft een voorlopige realisatie.

Beleidsconclusies

De onderstaande beleidsconclusies geven een kernachtig beeld van de belangrijkste programma-uitgaven en de belangrijkste resultaten van het beleid in 2015. In 2015 zijn de meeste in de begroting 2015 voorgenomen prestaties gerealiseerd. Eventuele afwijkingen worden hieronder toegelicht.

Voedselagenda en duurzame voedselproductie

  • Om te komen tot een meer toekomstbestendig voedselsysteem heeft EZ, in reactie op het WRR-advies «Naar een voedselbeleid», een «voedselagenda» gepresenteerd (TK, 31 532, nr. 156). In de kamerbrief van 23 april 2015 (TK, 34 087, nr. 3) en in de reactie op het WRR-rapport (TK, 31 532 nr. 156) zijn nieuwe beleidsvoornemens voor het terugdringen van de voedselverspilling en -verliezen opgenomen. In 2015 is met de uitvoering hiervan gestart.

  • In 2015 is de implementatie van de acties genoemd in de beleidsbrief «duurzame voedselproductie» (TK, 31 532, nr. 118) afgerond.

  • Met de Green Deal «verduurzamen voedselconsumptie» is een eerste stap gerealiseerd naar een verschuiving in consumptie naar meer groenten en plantaardige eiwitten.

  • Door inbreng van EZ heeft de Alliantie Verduurzaming Voedsel (AVV) in 2015 de eerste stappen gezet om te komen tot een ordening van (duurzaamheids-)keurmerken en heeft zich alsmede actief ingezet voor het bestrijden van voedselverspilling.

  • De mede door EZ gedragen internationale conferentie No More Food To Waste (TK, 31 532, nr. 152) heeft de aanzet gegeven tot de vorming van een internationale high-level groep «Champions 12.3», die zich wereldwijd gaat inzetten voor de vermindering van voedselverspilling en – verliezen.

Indicator

Referentiewaarde

Peil datum

Raming 2014

Realisatie 2014

Raming 2015

Realisatie 2015

Bron

Mate van afname van antibioticagebruik in de dierhouderij

Antibioticagebruik in 2009

2009

Niet apart benoemd, maar reductie van 70% in 2015

58,1%

70%

Publicatie in 2016

SDa

Nalevingsniveau HACCP-verplichting

80%

April 2009

88%

90%

90%

Publicatie in 2016

NVWA

Antibiotica

De verkoop van antibiotica voor dieren is in 2014 met 4% gedaald waarmee de daling in het gebruik ten opzichte van 2009 op 58,1% is gekomen. De verkoop van antibiotica die voor de humane gezondheid van kritisch belang zijn, fluoroquinolonen en 3e en 4e generatie cefalosporinen is in de vier grote veehouderijsectoren in 2014 nog verder afgenomen. Het gebruik in deze sectoren nadert de door de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit (SDa) vastgestelde streefwaarde van nul (TK, 29 683 nr. 200).

HACCP

In 2014 hebben de vleesproductiebedrijven waarvoor Hazard Analysis and Critical Control Points (HACCP) verplicht is, voldaan aan 90% van de HACCP regels op de inspectielijst van de NVWA. Bij gemiddeld 8% van de regels op de inspectielijst van de NVWA was er sprake van een geringe overtreding en bij 2% sprake van een overtreding of ernstige overtreding. De realisatie van 2015 zal uitwijzen of het goede resultaat geconsolideerd kan worden. Op basis van het resultaat uit 2014 is tevens de oorspronkelijke prognose voor 2015 voorzichtig naar boven bijgesteld (van 88% naar 90%).

Voedselzekerheid

  • De inzet van EZ op voedselzekerheid richtte zich in 2015 op vier thema’s: genetische bronnen, klimaatslimme landbouw, voedselverspilling en oceanen en aquacultuur. Voorts heeft EZ een Memorandum of Understanding getekend met onder meer Myanmar en Zuid-Afrika gericht op samenwerking op het vlak van de ontwikkeling van landbouw en kennisontwikkeling.

  • Nederland heeft nationale wetgeving inzake het Nagoya Protocol aangenomen. Dit draagt bij aan de behoud van internationale diversiteit van genetische bronnen voor landbouwgewassen.

  • In Grenada is, onder aanvoering van Nederland, FAO en de Wereldbank, het Voluntary Global Network on Foodsecurity and Blue Growth gelanceerd. Dit richt zich in een multistakeholder aanpak op de duurzame bescherming van mariene biodiversiteit op volle zee, het bevorderen van het duurzaam gebruik van oceanen voor visserij en het stimuleren van duurzame aquacultuur als voedselbron.

Duurzame veehouderij

  • In 2015 is binnen de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij (UDV) een (concept)duurzaamheidsplan geïntroduceerd, waarmee ondernemers met nieuwbouw- of ingrijpende verbouwplannen kunnen laten zien hoe zij met hun investeringen willen bijdragen aan de verduurzaming van hun bedrijf én van de sector. Daarnaast zijn de UDV en de AVV in 2015 een samenwerking aangegaan met als doel het verduurzamingsproces in de productie en afzet van vlees met een plus op duurzaamheid te stimuleren en te versnellen. Er wordt een meerjarig programma uitgewerkt dat zich richt op het bevorderen van marktconcepten in de vleessector die een plus zijn voor de (internationale) markt, consument, dier en omgeving op het gebied van duurzaamheid.

  • EZ heeft de ambitie om het huidige percentage weidende melkkoeien te verhogen van 70% (in 2013) naar 80% in 2020. Hiervoor is onder andere financiële ondersteuning geboden aan de Stichting Weidegang en door een aanvullende bijdrage (2015–2020) voor kennisontwikkeling en -overdracht.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2014

Realisatie 2014

Raming 2015

Realisatie 2015

Bron

Percentage integraal duurzame stallen

0%

2008

10%

11,3%

12%

12,4%1

WUR

X Noot
1

Dit betreft een voorlopige realisatie.

De waarde is een indicatie van het percentage integraal duurzame stallen in Nederland ten opzichte van het totaal aantal in gebruik zijnde stallen.

Indicator

Referentiewaarde

Peil datum

Raming 2014

Realisatie 2014

Raming 2015

Realisatie 2015

Bron

Verhouding duurzame – totale investeringen

27%

2012

20%

28%1

24,5%

Publicatie in 2017

LEI

X Noot
1

Op basis van conceptrapport LEI, maart 2016.

Het aandeel duurzame investeringen in het totaal aan investeringen is in 2014 28%. In 2013 was dit nog 36%. De duurzame investeringen uitgedrukt in euro’s zijn in 2014 iets gestegen, maar de totale investeringen zijn harder gestegen.

Mestbeleid

  • Per 1 januari 2015 is de Wet verantwoorde groei melkveehouderij van kracht geworden. Deze wet maakt groei van bedrijven met melkvee mogelijk, mits de toename van de fosfaatproductie wordt verantwoord met mestverwerking en/of grond in gebruik bij het bedrijf. De AMvB verantwoorde groei melkveehouderij (AMvB Grondgebondenheid) zorgt ervoor, dat bij groei van de fosfaatproductie op melkveebedrijven deze groei ten minste voor een wettelijk vastgesteld percentage wordt verantwoord met grond in gebruik bij het bedrijf.

  • In 2015 is een stelsel van fosfaatrechten voor melkvee aangekondigd vanwege de groei van de melkveestapel (TK, 33 979, nr. 98). Met als doel te borgen dat de nationale fosfaatproductie onder het fosfaatproductieplafond blijft.

  • Voor het jaar 2015 zijn de percentages verplichte mestverwerking verhoogd. De operationele mestverwerkingscapaciteit is in 2015 naar verwachting vergroot met 3,5 mln kilogram fosfaat.

  • Per 1 januari 2015 zijn alle gebruiksnormen voor stikstof en fosfaat op het niveau gekomen zoals aangekondigd in het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2014

Realisatie 2014

Raming 2015

Realisatie 2015

Bron

1. Realisatie normen fosfaat

78 mln kg

2002

10 mln kg

7 mln kg

0 mln kg

Publicatie 2016

CBS

2. Realisatie normen stikstof

420 mln kg

2002

331 mln kg

260 mln kg

325 mln kg

Publicatie 2016

CBS

De indicatoren «realisatie normen fosfaat» en «realisatie normen stikstof» geven de bodemoverschotten voor beide stoffen op Nederlandse landbouwgronden weer. Zij zijn een maat voor het berekende verlies aan mineralen naar landbouwgrond, na aftrek van de opname door landbouwgewassen en vervluchtiging van stikstof. De meest recent realisatiecijfers hebben betrekking op 2014. De realisatie is sterk afhankelijk van (vooral) natuurlijke omstandigheden in het groeiseizoen, met name het weer. Door minder groeizaam weer kan de opname van fosfaat door het gewas achterblijven waardoor er meer verliezen naar het milieu optreden (hier uitgedrukt in een bodemoverschot voor fosfaat). De realisatie van de normen voor stikstof en fosfaat voor 2014 zijn gebaseerd op voorlopige cijfers van het CBS. De definitieve cijfers worden rond september 2016 verwacht. Volgens de voorlopige cijfers is de raming 2014 voor fosfaat (10 mln kg) gehaald. De raming voor stikstof uit de begroting 2014 (331 mln kg) is, op basis van de voorlopige cijfers voor 2014, ruim gehaald. De voorlopige realisatiecijfers voor de indicatoren stikstof en fosfaat 2015 worden omstreeks juli 2016 verwacht.

Plantgezondheid en plantaardige productie

  • De voortgaande boycot van Rusland voor de export van plantaardige producten heeft ook in 2015 geleid tot het zoeken naar alternatieve afzetmogelijkheden. Zo is bijvoorbeeld de grens geopend voor peer in Brazilië, appel, peer en stekmateriaal in Vietnam.

  • In 2015 zijn afspraken gemaakt over fytosanitaire preventie tussen EZ en plantaardige sectororganisaties.

  • In 2015 zijn via het publiek private innovatie- en actieprogramma «Kas als Energiebron» de doelen en ambities uit de Meerjarenafspraak Energietransitie Glastuinbouw 2014–2020 bepaald.

  • Uit de energiemonitor blijkt dat de CO2-emissie fors is gedaald, door onder andere de positieve trends bij het gebruik van duurzame energie en energiebesparing. Zoals door aardwarmteprojecten en de implementatie van «Het Nieuwe Telen».

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2014

Realisatie 2014

Raming 2015

Realisatie 2015

Bron

Totale CO2-emissie glastuinbouw

Circa 7,5 Mton1

2013

7,3 Mton

5,7

7,1 Mton2

Publicatie in 2016

LEI

               

Energie-efficiency index voedings- en genotmiddelen-industrie (VGI)

100%

2005

86%

84%

84%

Publicatie in 2016

RVO

X Noot
1

is CO2-emissieruimte conform CO2-convenant, zijnde het gemiddelde van de CO2-emissies van 2010 tot en met 2012.

X Noot
2

Abusievelijk was de raming voor 2014 van 7,3 Mton in de begroting doorgetrokken naar 2015, terwijl dit 7,1 Mton had moeten zijn.

De ramingen 2014 en 2015 betreffen de maximale CO2-emissieruimtes van de glastuinbouw voor deze jaren. De realisatie ligt daar fors onder.

De CO2-emissie van de glastuinbouw is in de periode van 2010–2014 met 30% afgenomen. De daling komt door krimp van het areaal, de gedaalde elektriciteitsopwekking door WKK en de positieve trends bij het gebruik van duurzame energie en energiebesparing. De inzet van duurzame energie versnelt, vooral door aardwarmteprojecten. Het energiegebruik per m2 daalt doordat energiebesparing het effect van intensivering (door bijvoorbeeld extra belichting) overtreft. Bron: LEI-WUR, Energiemonitor Nederlandse glastuinbouw 2014.

De voedings- en genotmiddelenindustrie ligt qua energie-efficiency in 2014, evenals in 2013, circa 1,5% voor op de raming. Dit wijst op het belang dat deze sectoren hechten aan energie efficiency maatregelen.

Diergezondheid en dierenwelzijn

  • In 2015 is het verbod op wilde dieren in het circus in werking getreden. Verder is een verbod op zwanendriften gerealiseerd. Nieuw is verder dat voor de invoering van de 4 dagen-eis bij drachtige zeugen (in Europa is dat 28 dagen) een maatwerkaanpak is gestart. In de beleidsbrief dierenwelzijn (TK, 28 286, nr. 651) is de Tweede Kamer geïnformeerd over het dierenwelzijnsbeleid Het Besluit tot wijziging van het Besluit Houders van dieren is nog niet vastgesteld, waardoor een aantal voornemens uit de beleidsbrief nog niet is bestendigd. Om ook verdere stappen op Europees niveau te zetten, is samen met een aantal andere lidstaten position papers uitgebracht over transport en de verbetering van het welzijn van varkens.

  • In 2015 zijn de Centrale Commissie Dierproeven (CCD) en het Nationaal Comité advies dierproevenbeleid (NCad) in functie getreden. Eind 2015 is de voortgangs-rapportage Plan van aanpak Dierproeven en alternatieven (TK, 32 336, nr. 42) naar de Tweede Kamer gestuurd. Het advies van de denktank Aanvullende financiering alternatieven voor dierproeven vormt hierin een cruciaal element. EZ neemt de ambitie van de denktank over om Nederland internationaal toongevend te laten worden op het gebied van humane proefdiervrije innovaties.

  • EZ heeft geïnvesteerd in preventie en het tijdig opsporen van besmettelijke dierziekten. Er zijn in 2015 geen uitbraken geweest van besmettelijke dierziekten. Het jaar stond in het teken van de nasleep van de hoogpathogene vogelgriep H5N8 uitbraken in 2014 (evaluatie en opvolging). Daarnaast zijn de overgenomen regelgeving en taken van de voormalig Productschappen ingebed in de EZ organisatie.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2014

Realisatie 2014

Raming 2015

Realisatie 2015

Bron

EU-OIE vrije status

7

2009

7

7

7

7

EU en OIE

Deze indicator geeft het aantal ziekten weer, waarvoor Nederland een officiële EU en/of OIE dierziektevrije status heeft.

Visserij

  • In februari 2015 heeft de Europese Commissie het Nederlandse Operationeel Programma 2014–2020 goedgekeurd.

  • In 2015 zijn twee regelingen opengesteld, de regeling jonge vissers en de regeling innovatieprojecten aanlandplicht.

  • Het jaar 2015 was ook het laatste jaar dat nog gebruik gemaakt kon worden van middelen uit het Europees Visserijfonds (EVF) programmaperiode 2007–2013 om deze doelen te bereiken.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum1

Realisatie 2014

Raming 2015

Realisatie 2015

Bron

1. Voorzorgsniveau schol

230.000 ton

2005

803.308 ton

735.330 ton

901.694 ton

ACOM

2. Voorzorgsniveau tong

37.000 ton

2005

40.570 ton

48.151 ton

41.137 ton

ACOM

X Noot
1

Voorzorgniveaus zijn in de loop van de tijd aangepast. Oorspronkelijk was deze 205.000 ton voor schol en 41.000 ton voor tong.

ICES beschouwt sinds juni 2015 het bestand voor de Noordzee en voor het Skagerrak als één, hiermee is het totale bestand dus groter dan voorheen (was alleen Noordzee). De referentiewaarden zijn hiermee nog niet in overeenstemming gebracht.

De referentiewaarde hier is overeenkomstig de minimale streefwaarde: het betreft de minimale omvang van een visbestand om de soort duurzaam in stand te houden. De realisatie van de voorzorgsniveaus voor tong en schol vertonen nog steeds een gunstige ontwikkeling. De realisatiecijfers voor 2015 betreffen voorlopige cijfers. Definitieve cijfers komen medio 2016 beschikbaar.

Kennisontwikkeling en innovatie

  • Onderzoek is uitgevoerd voor de agenda's van de topsectoren Agri&Food, en Tuinbouw&Uitgangsmaterialen en voor beleidsontwikkeling en politieke besluitvorming in het groene domein. De accenten bij het onderzoek voor politieke besluitvorming lagen bij mest en mineralenbeleid, risico's van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij omwonenden en bijen. Binnen de Topsectoren is voortgang geboekt om maatschappelijke opgaven samen met het bedrijfsleven op te pakken. Voorbeelden zijn Publiek Private Samenwerkingen op het gebied van duurzame bodem, duurzame veehouderij, diergezondheid, voedselveiligheid en vergroening gewasbescherming.

  • Op basis van de nieuwe innovatieagenda’s 2016–2019 zijn nieuwe innovatiecontracten voor de periode 2016–2017 ondertekend (TK, 32 637, nr. 201).

  • In opdracht van EZ heeft de OESO het Nederlandse agrarische kennis- en innovatiesysteem (AKIS) gereviewd. Daaruit blijkt dat de Nederlandse AKIS op wereldniveau goed functioneert en daarmee bijdraagt aan concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens. Om die positie te behouden, heeft de OESO enkele aanbevelingen gedaan. De evaluatie en de beleidsreactie is in 2016 naar de Tweede Kamer gestuurd (TK, 34 284, nr. 7).

  • Uit de evaluaties van de Regeling Subsidie Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek over de periode 2008–2014 en het Kennisbasisprogramma 2011–2014 blijkt dat voldaan wordt aan de gestelde doelstellingen (TK, 34 000 XIII, 151).

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2014

Realisatie 2014

Raming 2015

Realisatie 2015

Bron

Percentage innoverende agrarische bedrijven

11,6%

2006

10%

17,8%

10%

Publicatie in 2016

LEI

Kengetal

2012

2013

2014

2015

Aantal innovatienetwerken en bedrijfsprojecten groene sector gestart met bijdrage uit publieke middelen

155

131

0

0

Bron: RVO.nl

       

Bron: RVO

In 2015 zijn er geen openstellingen geweest vanwege de overgang van het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP2) per 1-1-2014 naar de provincies. Om die reden was en is er geen rijksbudget meer beschikbaar voor de Praktijknetwerken en Samenwerking bij Innovatie.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2014

Realisatie 2014

Raming 2015

Realisatie 2015

Bron

1. Vraagsturing van groen onderzoek door maatschappelijke actoren (beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties)

80%

2012

>85%

95%

>80%

Publicatie in 2016

PROSU

2. Kennisbenutting door beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties

85%

2012

>85%

84%

>85%

Publicatie in 2016

PROSU

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2014

2015

2015

2015

VERPLICHTINGEN

885.441

696.112

676.537

729.130

623.541

658.062

– 34.521

Waarvan garantieverplichtingen

58.700

43.374

37.707

28.537

28.430

131.869

– 103.439

UITGAVEN

867.196

613.752

666.001

660.124

667.686

585.628

82.058

               

Subsidies

300.756

99.065

71.753

78.379

90.430

53.904

36.526

Duurzame veehouderij

27.131

27.799

16.241

6.256

14.088

7.483

6.605

Investeringsregeling duurzame stallen

18.760

5.047

10.565

1.476

7.663

3.211

4.452

Kleine en grote netwerken POP-Nieuwe Uitdagingen

476

622

459

1.166

1.742

1.176

566

Regeling fijnstofmaatregelen

309

16.054

 

1.491

3.261

1.820

1.441

Overig

7.586

6.076

5.217

2.123

1.422

1.276

146

Plantaardige productie

14.768

19.327

15.396

12.724

9.562

15.526

– 5.964

Duurzaamheids-investeringen Nieuwe Uitdagingen

3.988

3.855

1.931

2.068

3.275

4.975

– 1.700

Demoregeling Schoon en Zuinig

2.225

57

709

526

911

1.032

– 121

Investeringsregeling energiebesparing (IRE)

401

862

113

375

– 262

Marktintroductie energie innovaties (MEI)

7.749

12.577

13.689

8.642

4.788

8.749

– 3.961

Overig

806

2.838

597

626

475

395

80

Diergezondheid en dierenwelzijn

3.702

2.518

3.017

4.820

3.368

2.008

1.360

Regeling in beslag genomen goederen

3.702

2.518

3.017

4.820

3.368

2.008

1.360

Visserij

6.365

8.549

8.774

5.416

6.229

7.483

– 1.254

Regelingen onder het nieuwe EFMZV

       

5.017

5.003

14

Overige (uitfinanciering regelingen onder EVF)

6.365

8.549

8.774

5.416

1.212

2.480

– 1.268

Agrarisch ondernemerschap

9.220

9.953

9.785

8.824

9.496

11.138

– 1.642

Flankerend beleid pelsdierhouders

2.000

2.000

2.000

2.000

2.006

2.000

6

Brede weersverzekering

1.876

1.421

1.471

1.403

3.550

6.650

– 3.100

Investeringsregeling Jonge Agrariërs

4.778

3.945

3.349

2.235

3.940

2.488

1.452

Demoregeling proefprojecten Gemeenschappelijk Landbouwbeleid

1.862

2.557

2.019

3.186

     

Overig

704

30

946

       

Agrarische innovatie

17.537

10.373

4.340

2.091

3.416

2.997

419

Samenwerking POP Nieuwe uitdagingen

149

548

591

2.091

1.978

1.400

578

Overig

15.388

9.825

3.749

 

1.438

1.597

– 159

Apurement

52.033

20.546

12.269

35.247

11.799

7.269

4.530

Regeling apurement

52.033

20.546

12.269

35.247

11.799

7.269

4.530

               

Storting interne begrotingsreserves

170.000

   

3.001

32.472

0

32.472

Interne begrotingsreserve landbouw

     

2.511

3.525

0

3.525

Interne begrotingsreserve apurement

170.000

   

490

28.947

0

28.947

               

Garanties

12.862

10.500

27.119

27.191

33.862

22.500

11.362

Bijdrage begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit

1.450

2.000

3.000

3.056

3.008

3.000

8

Verliesdeclaraties Borgstellingsfaciliteit

11.412

8.500

24.119

24.135

28.347

17.000

11.347

Garantstelling Marktintroductie Innovaties (GMI)

       

2.507

2.500

7

               

Opdrachten

186.690

151.569

145.478

156.959

136.504

134.903

1.601

Duurzame veehouderij

4.555

1.761

8.463

2.908

4.282

5.610

– 1.328

Mestbeleid

5.410

5.609

6.539

13.007

9.161

10.640

– 1.479

Plantaardige productie

9.542

3.934

4.541

5.334

1.057

1.739

– 682

Plantgezondheid

5.357

1.769

2.500

1.605

1.758

2.362

– 604

Diergezondheid en dierenwelzijn

13.006

13.161

10.011

9.075

8.044

10.104

– 2.060

Voedselveiligheid- en kwaliteit

15.371

12.799

7.137

5.909

3.820

4.917

– 1.097

Voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid

1.487

5.753

3.743

4.382

1.741

3.745

– 2.004

Visserij

6.805

5.387

1.923

1.388

3.398

1.180

2.218

Agrarisch ondernemerschap

4.671

4.155

4.655

2.547

2.849

2.364

485

Agrarische innovatie en overig

2.926

4.877

227

522

760

500

260

Kennisontwikkeling en innovatie

114.736

92.364

95.739

110.282

99.634

91.742

7.892

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

118.087

117.704

120.616

105.610

82.746

86.883

– 4.137

Medebewind productschappen

23.749

20.354

23.750

25.477

4.774

7.333

– 2.559

Dienst Landbouwkundig Onderzoek

94.338

95.027

94.819

77.341

75.221

75.816

– 595

ZonMW/dierproeven

         

1.880

– 1.880

College Toelating Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden

 

2.323

2.047

2.792

2.751

1.037

1.714

Centrale Commissie Dierproeven

         

817

– 817

               

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

3.500

4.200

5.577

3.145

14.064

3.972

10.092

Diergezondheidsfonds

3.500

4.200

5.577

3.145

14.064

3.972

10.092

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

12.615

10.647

10.519

8.672

1.847

UNEP, FAO en overige contributies

   

12.615

10.647

10.519

8.672

1.847

               

Bijdragen aan agentschappen

245.301

230.714

282.843

278.193

299.561

274.794

24.767

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

136.926

125.039

144.817

130.740

141.829

129.706

12.123

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

96.595

98.992

129.197

138.948

149.999

136.932

13.067

Dienst Landelijk Gebied

365

255

221

222

 

1.121

– 1.121

Rijksrederij

11.415

6.428

8.608

8.283

7.733

7.035

698

               

ONTVANGSTEN

306.938

302.615

329.393

357.416

123.539

313.058

– 189.519

Agroketens

     

3.430

267

 

267

Mestbeleid

5.617

5.990

6.324

5.884

3.324

7.209

– 3.885

Diergezondheid en dierenwelzijn

788

385

8.760

3.327

2.399

500

1.899

Plant- en diergezondheid

     

605

328

 

328

Voedselveiligheid en kwaliteit

4.293

2.812

288

94

46

430

– 384

Voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid

258.113

254.252

279.244

228.287

40.697

259.170

– 218.473

Visserij

6.512

7.449

6.265

8.891

9.154

4.993

4.161

Agrarische innovatie en overig

6.268

5.279

671

707

1.832

 

1.832

Kennisontwikkeling en innovatie

10.280

14.760

15.902

20.177

13.617

12.363

1.254

Garanties (provisies)

3.359

1.162

2.300

2.004

1.696

1.800

– 104

Agentschappen

485

483

15

5.689

0

5.689

Onttrekking begrotingsreserves

11.709

10.041

9.156

83.995

44.490

26.593

17.897

Toelichting op de verplichtingen

De lagere verplichtingen van € 18,7 mln houden onder meer verband met uitgaventaakstellingen voor 2016.

Toelichting op de uitgaven

Subsidies

Duurzame veehouderij

De hogere realisatie op de post «Investeringsregeling duurzame stallen» ad. € 4,5 mln betreffen met name de hogere uitgaven voor de Regeling duurzame stallen Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) ad. € 3,8 mln. De reden is dat ten tijde van de opstelling ontwerpbegroting 2015 nog niet de laatste prognoses voor uitfinanciering van de aangegane verplichtingen bekend waren. Daarnaast is sprake van hogere uitgaven voor subsidies Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij (UDV) ad. € 0,5 mln.

Plantaardige productie

Dit onderdeel laat een lagere realisatie (€ 6,0 mln) zien, op de onderdelen duurzaamheidsinvesteringen nieuwe uitdagingen en marktintroductie energie innovaties (MEI). Lagere uitgaven bij de MEI houden deels verband met het overhevelen van het onderzoeksdeel van het budget naar het opdrachtenbudget voor kennisontwikkeling en innovatie. Verder zijn er geen nieuwe openstellingen geweest.

Agrarisch ondernemerschap

In 2015 is de brede weersverzekering met 50% gegroeid naar 1.200 deelnemers. In 2015 viel de subsidieregeling voor het eerst onder het kader van het Plattelands Ontwikkelings Programma (POP3). Een deel van de regeling krijgt daarmee Europese cofinanciering. Er is minder (€ 3,1 mln) uitgegeven omdat niet het gehele budget voor de regeling nodig was. Tevens is meer in Brussel gedeclareerd dan oorspronkelijk begroot om toekomstige onderuitputting van Europese middelen te voorkomen.

Apurement

De realisatie houdt verband met door de Europese Commissie opgelegde correcties op ingediende declaraties. Dit is vooraf niet in te schatten. De correcties hebben met name betrekking gehad op Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV) over de periode 2000–2006 € 4,5 mln, de randvoorwaarden (cross compliance) op het domein van dierenwelzijn, diergezondheid en milieu € 6 mln en overschrijding van de betaaltermijn voor de GMO-regeling groenten en fruit € 1,3 mln.

Toelichting op de interne begrotingsreserves

Interne begrotingsreserve Landbouw

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2015

33.249

+ bijschrijving rente

0

+ storting voor uitfinanciering regeling Marktintroductie Energie Innovaties (MEI)

868

+ storting voor uitfinanciering diverse regelingen gefinancierd met PAS-middelen

2.657

– onttrekking voor betaling diverse regelingen

3.900

– onttrekking voor betaling diverse projecten

7.094

– onttrekking voor Ctgb

908

Stand per 31/12/2015

24.872

Toelichting op de stortingen

De uitfinanciering van de openstellingen van de regeling loopt ook de komende jaren nog door. Om kasbudget beschikbaar te houden voor de betalingen op de openstellingen, is het niet gebruikte kasbudget in de reserve landbouw gestort.

Toelichting op de onttrekkingen

In het verleden zijn bedragen in de reserve gestort om de uitfinanciering op diverse regelingen en projecten te kunnen financieren. In 2015 zijn daarvoor bedragen aan de reserve onttrokken. Het gaat daarbij om onder andere de duurzame stallen, investeringsregeling Jonge Agrariërs, regeling Fijnstofmaatregelen en de uitvoering van diverse projecten op het gebied van intensieve veehouderij. Op het budget voor College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) is een jaarlijks tekort. De onttrekking uit de reserve heeft tot doel dit tekort voor 2015 te dekken.

Interne begrotingsreserve Visserij

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2015

13.425

+ bijschrijving rente

0

+ storting voor subsidieregelingen onder EFMZV

5.017

– onttrekking voor subsidieregelingen onder EVF as 1

92

– onttrekking voor subsidieregelingen onder EVF as 2

199

– onttrekking voor subsidieregelingen onder EVF as 3

920

Stand per 31/12/2015

17.231

Toelichting op de stortingen en onttrekkingen

Voor de cofinanciering van het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) is een bedrag van € 5 mln gestort omdat voor de opengestelde regelingen nog geen uitgaven zijn gedaan.

Er is € 1,2 mln onttrokken aan de interne begrotingsreserve Visserij om de nationale cofinanciering van het Europees Visserijfonds (EVF) aan te vullen.

Interne begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2015

41.290

+ bijschrijving rente

0

+ storting voor flankerend beleid pelsdierhouderij

2.006

+ storting voor dekking verliesdeclaraties

5.516

– onttrekking

26.650

Stand per 31/12/2015

22.162

Toelichting op de stortingen

Deze reserve is bedoeld om de verliesdeclaraties te betalen voor afgegeven garantiestellingen aan banken waarmee innovatieve en duurzame investeringen in de landbouw en visserij worden gefaciliteerd. Hiervoor is een reguliere storting gedaan van 3 mln. Daarnaast is een bedrag van € 2,5 mln gestort voor verliesdeclaraties voor de garantstelling voor marktintroductie van innovaties binnen het plattelandsontwikkelingsprogramma. Deze regeling is in 2015 nog niet opengesteld. Tenslotte is de jaarlijkse storting van € 2 mln gedaan die benodigd is voor het flankerend beleid bij het verbod op de pelsdierhouderij (amendement van Gerven/Dijsselbloem, TK, 2010–2011, 32 609 XIII, nr 4).

Toelichting op de onttrekkingen

Ook in 2015 hebben de banken als gevolg van de economische crisis en de verzwakte structuur van de sector met veel faillissementen in met name de glastuinbouw verliesdeclaraties op grond van de borgstelling ingediend. Dekking van deze hogere uitgaven heeft plaatsgevonden uit de reserve Borgstellingsfaciliteit.

Garantstelling Landbouwondernemingen Werkkapitaal (GLOW)

In december 2014 heeft de Staatssecretaris de garantstelling voor werkkapitaal gepubliceerd en opengesteld, als vangnetmaatregel in verband met de Russische boycot van agrarische producten (augustus 2014). In het voorjaar 2015 is gebleken dat de banken met de al bestaande producten en instrumenten in staat waren om in de kern gezonde bedrijven adequaat te ondersteunen. De regeling is per 31-12-2015 afgelopen.

Garantstelling Marktintroductie Innovaties

In 2015 heeft de Europese Commissie goedkeuring gegeven aan de garantstelling voor marktintroductie van innovaties binnen het nationale plattelandsontwikkelingsprogramma. Ten behoeve van de openstelling is de regeling in concept uitgewerkt en de uitvoering door RVO voorbereid. Eind 2015 is het overleg met de banken over de regeling nog niet afgerond.

Interne begrotingsreserve apurement

Bedragen x € 1.000

Stand 1/1/2015

150.304

+ storting

28.947

– onttrekking

4.727

Stand per 31/12/2015

174.524

De reserve is bestemd voor door de Europese Commissie opgelegde correctievoorstellen op ingediende declaraties. De storting houdt verband met het door het Europese Hof nietig verklaarde besluit van de EC voor de correctie van de regeling aardappelzetmeel van ruim € 28 mln. De EC heeft dit bedrag in 2015 terugbetaald. Voor de periode 2007–2009 heeft de EC in juni 2014 een correctievoorstel opgelegd van € 72 mln voor het dossier GMO Groeten en Fruit. EZ is naar het Bemiddelingsorgaan gegaan en heeft geadviseerd het correctievoorstel substantieel lager vast te stellen. Het definitieve besluit van de EC bedraagt € 50,8 mln. Dit bedrag zal Nederland naar verwachting in 2016 betalen ten laste van de interne reserve apurement.

Garanties

Verliesdeclaratie Borgstellingsfaciliteit

De hogere uitgaven hangen samen met de in 2015 voortdurende economische crisis waardoor banken een omvangrijk beroep hebben gedaan op de garantieregeling landbouw en landbouw plus. Dekking van deze hogere uitgaven heeft plaatsgevonden uit de reserve Borgstellingsfaciliteit.

Opdrachten

Kennisontwikkeling en Innovatie

De € 7,9 mln hogere uitgavenrealisatie op Kennisontwikkeling en Innovatie betreft additionele projectbudgetten voor de DLO-onderzoeksprogrammering. Hiervan is € 1,9 mln besteed aan Voedselzekerheidsprojecten via het Ministerie van Buitenlandse zaken/Ontwikkelingsamenwerking in Afghanistan.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Het budget voor ZonMW/dierproeven is overgeheveld naar het Ministerie van VWS om mee te nemen in de programmering ZonMW en wordt derhalve daar verantwoord.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

De bijdrage aan het Diergezondheidsfonds (DGF) valt totaal € 10 mln hoger uit. De reden is dat EZ genoodzaakt is om een aantal uitgaven voor te financieren. Deze uitgaven komen voort uit een verandering van systematiek. De PBO’s zijn met ingang van ultimo 2015 opgeheven en EZ heeft een aantal taken overgenomen. EZ legt voor deze en andere DGF-taken op basis van de Gezonds- en welzijnszijnswet voor dieren (Gwwd) bij de sector heffingen op. In deze heffingen zitten echter nog niet alle kosten verwerkt die op basis van het DGF convenant aan de sector toegerekend kunnen worden. Bovendien moeten de uitgaven die voor cofinanciering door Europa in aanmerking komen, eerst door EZ betaald worden. Een deel van de overschrijding wordt gecompenseerd door de onderuitputting bij de post opdrachten Diergezondheid, voor de basismonitoring door de Gezondheidsdienst voor Dieren, die nu betaald is vanuit het DGF en begroot stond onder opdrachten Diergezondheid.

Bijdragen aan agentschappen

De NVWA stevende in 2015 af op een negatief exploitatieresultaat. Daardoor dreigde het eigen vermogen van de NVWA negatief te worden. EZ streeft naar een gezond eigen vermogen voor de NVWA, dat voldoende buffer vormt om toekomstige (onvoorziene) tegenvallers te kunnen opvangen. Daartoe is in 2015 € 12,1 mln toegevoegd aan het eigen vermogen van de NVWA.

17 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

Algemene doelstelling

Groen onderwijs van hoge kwaliteit. Hierbij streeft het Ministerie van Economische Zaken naar:

  • Voldoende gekwalificeerde beroepsbeoefenaren voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte.

  • Vergroten van de kennisverspreiding en -benutting voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte.

Hiermee draagt groen onderwijs bij aan de doelstellingen van de artikelen 16 (Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens) en 18 (Natuur en regio).

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is verantwoordelijk voor:

Voldoende gekwalificeerde beroepsbeoefenaren voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte.

Stimuleren

  • Stimuleren van een hoog kwaliteitsniveau van onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

  • Stimuleren van voorwaarden om te voldoen aan de vervangingsvraag en de transitie naar een groene economie. Afspraken maken met instellingen over bevorderen doorstroom, verminderen aantal voortijdige schoolverlaters, leven lang leren door om- her- en bijscholing, aanspreken van nieuwe groepen, in het bijzonder in de (rand)stedelijke omgeving.

  • Stimuleren, in overleg met de instellingen, van ondernemerschap en internationalisering waardoor leerlingen na afronding van hun opleiding een basis hebben voor de start van een eigen bedrijf in het groene domein.

Regisseren

  • Mede met instellingen en het bedrijfsleven zorgdragen voor het versterken van kwalificerende functies binnen het domein voedsel, natuur en leefomgeving van het groen (voorbereidend) beroepsonderwijs en de kennisverspreiding en ondersteunende functies binnen de groene kennisinfrastructuur.

Financieren

  • De groene instellingen functioneren binnen het wettelijk stelsel dat voor het gehele onderwijs geldt. Naast de basisbekostiging ontvangen de scholen stimuleringsbijdragen om zich te verbinden met het bedrijfsleven en de groene kennisinfrastructuur (zie onderstaand).

Kennisverspreiding en -benutting voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte (natuur en groene leefomgeving), onder meer door actieve inzet van het groen onderwijs.

Stimuleren

  • Stimuleren van de vorming van vraaggestuurde landelijke Centra voor Innovatief Vakmanschap (CIV) en Centers of Expertise (CoE) op een achttal expertisethema’s: Biobased Economy, Greenports, Agrodier, Food, Open teelten, Natuur en groene Leefomgeving, Agri&Food en Tuinbouw en uitgangsmaterialen. Daarbij worden slimme verbindingen gemaakt tussen regionaal opererende organisaties en wordt landelijke afstemming gezocht tussen onderwijs, regionaal Midden- en Kleinbedrijf (MKB), maatschappelijke organisaties en lagere overheden (stimuleren van de gouden driehoek in de groene sector). Belangrijke speerpunten zijn het opleiden van talent dat aansluit bij de innovatieopgaven van ondernemers, zwaartepuntvorming, stimuleren van ondernemerschap en excellent praktijkgericht onderzoek samen met bedrijfsleven.

  • Stimuleren van beter ondersteunen van het innovatief vermogen van het MKB door het instrument van groene plus lectoraten in het groene HBO meer vraaggestuurd in te zetten voor kennisvragen vanuit het MKB.

  • Stimuleren van activiteiten gericht op het verspreiden, doorstromen en benutten van kennis voor doelgroepen die deelnemen aan de Nederlandse samenleving.

  • Stimuleren van educatieve activiteiten (sociaal leren) voor een groene economie (Duurzaam Door).

Kengetal

2011

2013

2015

Adequaat aanbod aan de vraag op de arbeidsmarkt.

1%

52%

85%

Bron: The Research Centre for Education and the Labour Market (ROA)

Toelichting: Adequaat aanbod wordt gemeten door middel van de Indicator Toekomstige Knelpunten in de Personeelsvoorziening naar Beroep (ITKB). Resultaten worden tweejaarlijks gepubliceerd.

Beleidsconclusies

De onderstaande beleidsconclusies geven een kernachtig beeld van de belangrijkste programma-uitgaven en de belangrijkste resultaten van het beleid in 2015.

Algemeen

De Kamer is met de brief Sectoronderwijs (TK, 34 284, nr.1) en de brief Reactie kabinet op het rapport van Berenschot «Scenario’s bekostiging AOC’s» (TK, 34 284, nr.4) geïnformeerd over de uitkomsten van een aantal onderzoeksporen die in 2015 zijn afgerond. Het gaat hierbij om de bekostiging tussen EZ en OCW gefinancierd onderwijs en de invulling van de stelselrol EZ richting het Groen onderwijs. Voornaamste beleidsconclusies zijn:

  • De taakstelling van € 33 mln vanaf 2016 als gevolg van het Regeerakkoord Rutte II wordt binnen de groene onderwijskolom taakstellend ingevuld met structuurverbeteringen gericht op vernieuwing van het Groen onderwijsmodel. Hiervoor wordt een meerjarige strategische ontwikkelagenda opgesteld in 2016.

  • De vakinhoudelijke sturing op het Groen onderwijs wordt vanuit EZ versterkt en OCW gaat het stelselbeleid meer laten aansluiten op sectorale behoeften.

Kennisverspreiding, benutting en doorstroming

  • De voortgang van vier Centres of Expertise (CoE) in het hoger beroepsonderwijs (HBO) op de thema’s Food, Greenports, Agrodier en Open Teelten zijn in 2015, tijdens de «Midterm review», positief beoordeeld door Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek. De commissie geeft aan dat de vier CoE een solide basis hebben gelegd en voldoende voortgang hebben geboekt die vertrouwen biedt voor een duurzame financiële en inhoudelijke zelfstandige publiek-private samenwerking in 2016 en verder.

  • In 2015 zijn een zevental nieuwe (groene plus) lectoraten van start gegaan op de thema’s biomimicry, bijengezondheid, responsief onderwijs, gezonde & duurzame voeding en welvaartsziekten, nieuwe business modellen, sociale innovatie en vitale agribusiness.

  • Verschillende instrumenten zijn ingezet om kennisdoorstroming, -verspreiding en -benutting te stimuleren waaronder Wageningen UR Knowledge Share (WURKS), Beleidsondersteunend Onderzoek Groen Onderwijs (BOGO) en Groen KennisNet (GKN). Er zijn vele tastbare producten ontwikkeld zoals lesmateriaal, vernieuwing curricula, masterclasses en cursussen voor docenten. De producten zijn in gebruik genomen door het groene onderwijs.

DuurzaamDoor

  • In 2015 zijn landelijk onderwijsnetwerken onderhouden in het primair onderwijs (PO), voortgezet onderwijs (VO), middelbaar beroepsonderwijs (MBO) en hoger onderwijs (HO) die elk jaarconferenties, publicaties en professionaliseringstrainingen voor docenten hebben georganiseerd. Kennis en lesmaterialen zijn gedeeld via het ICT systeem «Groen Gelinkt». Het Groen onderwijs is betrokken via ambitie van «Voorop in de vergroening» waarin alle scholen inmiddels het ECO-school» label hebben verworven. Aan het onderwijsproces Onderwijs2032 is een «White paper Natuur, Milieu en Duurzaamheid» aangeboden namens 50 veldpartijen en samen met het Ministerie van I&M is een onderzoek «Duurzaamheid in het onderwijs» uitgevoerd door Het Groene Brein en aangeboden aan de Tweede Kamer (TK, 20 487, nrs. 49 en 50).

  • In de provincies zijn in 2015 circa 70 grotere en kleinere projecten tot stand gekomen op lokaal/regionaal niveau op dossiers groen en de stad, energie, klimaat, afval, integrale gebiedsontwikkeling, water, productie en consumptie en maatschappelijk verantwoord ondernemen.

MeerjarenInvesteringsProgramma’s 2013–2015

  • Door het Groen onderwijs is geïnvesteerd in de thema’s versterking kennisinfrastructuur, doelmatigheid opleidingsaanbod, versterken authentiek leren en inhoudelijke vernieuwing van opleidingen. Binnen deze thema’s hebben alle instellingen eigen concrete strategische accenten gelegd.

Internationaal

  • Binnen het Borderless Network vindt samenwerking plaats tussen overheid, bedrijfsleven en groene kennisinstellingen binnen het thema internationalisering. In 2015 is er op basis van een bestuurlijk vastgestelde notitie verder gewerkt aan vastgestelde doelstellingen. EZ faciliteerde verschillende acties om deze doelstellingen te bereiken.

  • De kennisinstellingen maakten zichtbaar waar ze internationaal actief zijn in samenwerking met elkaar, de overheid en het bedrijfsleven. Hiervoor is landenkaart fase 1 ontwikkeld: http://www.wageningenur.nl/nl/Onderzoek-Resultaten/projectenkaart.htm en http://goo.gl/21vshb.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2014

2015

2015

2015

VERPLICHTINGEN

792.820

805.094

840.206

862.305

827.516

891.348

– 63.832

UITGAVEN

775.377

788.384

817.433

807.497

843.384

839.465

3.919

               

Leningen

   

83

 

55

 

55

Schatkistbankieren

   

83

 

55

 

55

               

Bekostiging

685.539

704.293

733.507

739.107

780.769

763.092

17.677

WO-groen

162.177

165.535

168.174

169.299

174.610

181.531

– 6.921

HBO-groen

67.472

78.137

79.472

84.478

90.568

87.188

3.380

MBO-groen

146.364

152.130

158.744

153.186

181.919

170.347

11.572

Voorbereidende en Ondersteunende Activiteiten (VOA)

11.364

11.813

13.933

12.733

     

Wachtgelden

12.333

13.152

13.545

13.966

13.991

13.673

318

VMBO-groen

278.649

276.313

291.009

297.706

316.547

305.717

10.830

Aequor

7.180

7.213

8.630

7.739

3.134

4.636

– 1.502

               

Subsidies

83.889

79.481

82.205

66.194

60.695

74.524

– 13.829

Aansturing collectieve ondersteuning

5.545

5.074

5.404

3.325

5.875

4.039

1.836

School als Kenniscentrum

30.522

26.755

27.872

23.851

21.962

31.383

– 9.421

Kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs

5.567

5.665

1.991

2.044

1.523

713

810

Aanvullende onderwijssubsidies

34.634

32.809

41.150

33.272

27.106

33.705

– 6.599