Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201620487 nr. 50

20 487 Natuur- en milieueducatie

Nr. 50 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARISSEN VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU EN VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 oktober 2015

Op 29 juni 2015 werd aan uw Kamer de Rapportage onderzoek Duurzaam Onderwijs van Het Groene Brein aangeboden1 naar aanleiding van de aangenomen motie Ouwehand met betrekking tot duurzame ontwikkeling (DO) in het onderwijs (Kamerstuk 34 000 XII, nr. 46). Met onderhavige brief geef ik samen met mijn collega’s van OCW en EZ de beleidsreactie op het rapport.

Samenvatting en conclusies uit het onderzoek

Duurzaamheid is een breed thema wat veel aspecten kent. Binnen de alom gehanteerde definitie van het Bruntlandrapport2 is nog veel ruimte voor interpretatie.

Duurzaam onderwijs wordt in dit onderzoek uitgelegd als «een samenhang tussen duurzaamheid en systeem denken in onderwijs». (p.4 onderzoek)

Duurzaamheid in het onderwijs is vergelijkbaar met thema’s als bijvoorbeeld democratisering of globalisering: een breed thema dat in verschillende vakken terug kan komen. Duurzaam onderwijs heeft een kennisdeel en een vaardighedendeel. Het kennisdeel gaat onder meer over het kunnen begrijpen van de oorzaken van niet duurzame praktijken en de dilemma’s die horen bij de verschillende oplossingen voor duurzaamheidsvraagstukken. Om deze complexe vraagstukken goed te kunnen doorgronden is het van belang dat leerlingen en studenten ook over relevante vaardigheden beschikken waar de huidige tijd om vraagt, verbanden leggen, kritisch denken, omgaan met onzekerheid, afwegingen maken, samenwerken en scenario’s bouwen.3 In dit rapport noemt men deze vaardigheden «ingrediënten voor het systeemdenken».

Het rapport geeft een overkoepelend beeld van de stand van zaken op dit moment op basis van beschikbare data over duurzaamheid in alle geledingen van het onderwijs.

Uit het onderzoek blijkt dat scholen en instellingen weliswaar vaak aandacht besteden aan aspecten van natuur, milieu en duurzaamheid, maar dat dit ad hoc gebeurt en dat er een versnipperde ondersteuning plaatsvindt vanuit bestaande en nieuwe netwerken, waardoor de structurele implementatie geen gelijke ontwikkelingen laat zien. Slechts een klein gedeelte van de scholen en instellingen is systematisch met duurzaamheid bezig. De onderzoekers concluderen tegelijkertijd dat Nederland redelijk voorop loopt als het gaat om de integrale benadering van duurzaamheid in het onderwijs.

In het beroepsonderwijs werken alle aoc’s (groen onderwijs) en diverse mbo-opleidingen meer structureel aan duurzaamheid, in het hoger onderwijs gaan 120 hbo-opleidingen en 152 wo-opleidingen over (elementen van) duurzaamheid. Daarnaast is er een groot aantal initiatieven van aanbiedende partijen buiten het onderwijs die duurzaam onderwijs stimuleert. Deze partijen opereren zowel op lokaal, regionaal als landelijk niveau.

Naast deze stand van zaken over Duurzaam Onderwijs zijn er ook uitspraken over een ondersteuningsstructuur: het onderzoek laat zien dat op diverse plaatsen waar een enthousiaste en concrete ondersteuning wordt gegeven scholen en instellingen ook actief meedoen. Voorwaarden daarbij zijn de vraagsturing, kwaliteit en mate van maatwerk. Het gaat dan vaak om lokale/regionale ondersteuning in de zin van concrete projecten, docentenwerkgroepen, concrete ondersteuning op de scholen en instellingen, excursies en/of gastlessen. Het onderzoek maakt onderscheid tussen het lokaal/regionale niveau waar een «makelaar» tussen scholen, instellingen, bedrijven en maatschappelijke organisaties een goede rol kan spelen en het landelijk niveau waar de rol van een kenniscentrum wordt bepleit.

Het onderzoek sluit af met de volgende aanbevelingen:

1. Maak de vraag om duurzaamheid in het onderwijs (meer) zichtbaar.

De onderzoekers geven aan dat er bij bedrijven en maatschappelijke partijen een stevige vraag is om duurzaamheid in het onderwijs. Deze vraag kan per onderwijssector en per opleiding verschillen. Van belang is dat de vraag vanuit bedrijven goed geformuleerd wordt en besproken wordt in bijvoorbeeld de beroepenveldcommissies in het hbo en in de sectorkamers SBB in het mbo.

2. Geef ruimte aan scholen die willen en plaats goede voorbeelden in het zonnetje.

Het is van belang dat docenten en scholen/instellingen gebruik maken van de ruimte die er is om invulling te geven aan nieuwe ontwikkelingen in het onderwijs. Het gaat er ook om dat de koplopers in duurzaam onderwijs onderling afstemmen en praktijkvoorbeelden breed delen om van elkaar te leren en gestimuleerd worden tot continue verbetering.

3. Zorg voor verbinding tussen mensen, initiatieven en organisaties.

Het is zaak om met alle partijen die ondersteuning bieden aan het onderwijs op het gebied van natuur, milieu en natuur (o.a. subsidies, fte’s, fondsen) gezamenlijk te investeren in een kennisinfrastructuur en vraaggerichte ondersteuning. DO kan vaker als voorbeeld dienen in artikelen en in reguliere en additionele onderwijsmaterialen.

Huidige beleidsinzet

Algemeen:

DO is voor het kabinet een belangrijke beleidsopgave. Door de breedte van het onderwerp en het integrale karakter bestrijkt DO veel thema’s en invalshoeken. Ook in het onderwijs verdient DO aandacht. Verschillende invalshoeken van het principe «people, planet, profit» kunnen daarbij worden opgepakt.

Het Kabinet ondersteunt al duurzaamheidseducatie. Het vigerende beleidskader voor Duurzaamheidseducatie en het huidige uitvoeringsprogramma DuurzaamDoor (2013–2016)4 is in juni 2013 namens de Staatssecretaris van EZ, in afstemming met OCW en I&M, aan uw Kamer aangeboden en biedt een platform voor duurzaamheid, vooral ook voor onderwijsnetwerken. Daarnaast investeren diverse ministeries met het (laten) organiseren van onderwijsprojecten en additionele onderwijsondersteuning d.m.v. materialen, excursies, gastlessen5.

Duurzame bedrijfsvoering:

Een ander belangrijke bijdrage aan duurzaamheid op scholen en instellingen is het bieden van faciliteiten voor een meer duurzame bedrijfsvoering. Scholen en instellingen zijn ook instanties die in hun bedrijfsvoering en beleid een maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) opgave hebben en ook via die aspecten uiting kunnen geven aan hun verantwoordelijkheid t.a.v. duurzaamheid. Scholen en instellingen kunnen daarbij gebruik maken van bestaande regelingen zoals de Green Deal Energie op School, het project Energiesprong of de Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+) regeling voor toepassing duurzame energie.

Eind 2014 heeft de rijksoverheid de «Green Deal Verduurzaming Scholen» meeondertekend. Het doel van deze Green Deal is een betere en duurzame leer- en werkomgeving voor leerlingen en docenten6. Een (nog) bescheiden aantal scholen en instellingen kiest ervoor om DO een meer prominente plaats te geven in hun beleid en bedrijfsvoering. De koppeling van die duurzame bedrijfsvoering met het onderwijsproces – zoals in Ecoschools aanpak – is dan nog een extra uitdaging. Een dergelijke aanpak juicht het Kabinet toe, indien scholen en instellingen daarvoor kiezen.

Ten aanzien van primair en voortgezet onderwijs:

Thema’s als natuur, milieu en duurzaamheid komen nu in de kerndoelen voor het po en de onderbouw van het vo aan de orde, en staan ook in de eindtermen van (examen)vakken als biologie, economie, maatschappijleer, natuur, leven en techniek. De onderzoekers constateren dat veel scholen activiteiten ondernemen en projecten organiseren op het gebied van natuur, milieu en duurzaamheid, maar ook dat scholen hier zeer verschillend mee omgaan. Dat scholen hier verschillend mee omgaan heeft bijvoorbeeld te maken met de specifieke kenmerken van hun leerling populatie.

Veel onderwijsprofessionals geven aan dat er behoefte bestaat aan een meer stabiele, heldere en samenhangende opdracht aan scholen. De fragmentarische discussie over de onderwijsinhoud en losse thema’s die daarbij vanuit alle hoeken op de scholen afkomen wordt niet altijd als positief ervaren en heeft geleid tot een gevoel van overladenheid. Om deze reden heeft de Staatssecretaris van OCW aan Platform Onderwijs2032 onder leiding van Paul Schnabel gevraagd om te komen tot een koersbepaling voor het curriculum in het funderend onderwijs. Deze koersbepaling moet een visie bevatten over wat leerlingen – gelet op de veranderingen in de samenleving en op de arbeidsmarkt – zouden moeten kennen en kunnen. Op basis hiervan wil de Staatssecretaris komen tot een herijking van de kerndoelen en eindtermen voor po en vo, zodat alle leerlingen goed zijn voorbereid op de toekomst. Doel van de aanpak is ook om samenhang te waarborgen en een overladen curriculum te voorkomen.

Ten aanzien van beroepsonderwijs:

In het beroepsonderwijs, vooral in het mbo en in mindere mate het vmbo, is de vraag van het bedrijfsleven een belangrijke aandrijver om aspecten van DO een plek te geven in het curriculum. De herziening van de kwalificatiestructuur biedt een kapstok voor het thema DO. Via SBB (Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven) geven de diverse branches aan welke inhoud, technieken en competenties nodig zijn bij de kwalificaties op basis waarvan de beroepsopleidingen door scholen worden vormgegeven. Vooral in de sectoren «bouw en installatietechniek» en «voedsel en agro» zijn daar concrete stappen te zien. In vele beroepenvelden, en dus ook in het bijbehorende onderwijsveld, zal de vraag naar DO (aspecten) toenemen. Het is aan het beroepsonderwijs om daar in zowel initieel als post initieel onderwijs invulling aan te geven.

Vanaf 1 augustus 2015 kunnen mbo-scholen een expliciet keuzedeel Duurzaamheid in de beroepsopleidingen opnemen. Daarnaast is DO verweven in diverse kwalificatiedossiers mbo.

Ten aanzien van hoger onderwijs:

In het hoger onderwijs heeft iedere instelling de wettelijke taak aandacht te besteden aan brede vorming en bevordering van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Daarbij is er ook aandacht voor de persoonlijke en professionele ontplooiing van het individu (de student) in de volle breedte, ten dienste van zichzelf en van de samenleving7. In de recent door de Minister van OCW uitgebrachte Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek »De waarde(n) van weten»8 wordt ook het belang hiervan onderstreept. Aandacht voor DO past in deze brede opdracht. Veel instellingen geven actief vorm aan deze opdracht. De mate waarin aan DO aandacht wordt besteed verschilt -logischerwijs- per opleiding. Hogeronderwijsinstellingen hebben beleidsruimte en vrijheid om zelf aan deze maatschappelijke opgave een plaats te geven in onderwijs en onderzoek. Diverse lectoraten en Centers of Expertise in het hbo en leerstoelen en instituten in het wetenschappelijk onderwijs stellen DO integraal of op onderdelen aan de orde in onderzoek en onderwijs. Vragen uit het bedrijfsleven en maatschappij raken in toenemende mate het thema DO en worden opgenomen in de agenda’s van hogeronderwijsinstellingen. Het netwerk het Groene Brein is een voorbeeld van wetenschappers die zich samen met bedrijfsleven en andere partijen inzetten voor een duurzame economie.

Verder zijn er initiatieven gericht op instellingen in het hoger onderwijs om uiting te geven aan DO, zoals accreditatie met het bijzonder kenmerk duurzaam hoger onderwijs van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) en het initiatief van Studenten voor Morgen «Sustainabul», een duurzaamheidsranglijst voor het hoger onderwijs waarbij instellingen getoetst worden op duurzaamheid in onderwijs, onderzoek en bedrijfsvoering.

Ten aanzien van de ondersteuningsstructuur:

Vanuit het bestaande beleid ten aanzien van natuur- en milieueducatie (NME) en duurzaamheidseducatie wordt al op veel plaatsen invulling gegeven aan lokale/regionale ondersteuning aan scholen en instellingen. Bijvoorbeeld in de zin van lokale NME-centra, regionale of provinciale steunpunten. Het is vanuit de integrale benadering van het onderwijs niet wenselijk om voor afzonderlijke thema’s speciale ondersteuningsstructuren te bouwen. Het is aan provincies en gemeenten of er lokaal/regionaal ondersteuningsstructuren worden opgezet of uitgebreid.

Inzet van het Kabinet:

Het Kabinet ziet DO als een belangrijke rode draad in het werken aan een economisch, maatschappelijk en ecologisch houdbare toekomst. Verschillende ministeries werken individueel en ook in wisselende coalities aan de verschillende inhoudelijke aspecten van DO. Het rapport over Duurzaam Onderwijs stemt tevreden in de zin dat DO vele invalshoeken en aspecten kent en dus via verschillende thema’s kan worden opgepakt en zichtbaar wordt in het onderwijs.

Het Kabinet ziet een aantal acties naar aanleiding van het rapport.

Ten eerste zal het rapport onder de aandacht worden gebracht van een groot aantal partijen die werken aan de ontwikkeling van onderwijs en de mogelijke positie van duurzaamheid daarin:

  • Het rapport is onder de aandacht gebracht van het Platform Onderwijs2032 die zich bezighoudt met het maatschappelijk debat over funderend onderwijs;

  • Het rapport en vooral de aspecten van duurzame bedrijfsvoering en de relatie met een «Whole -school-approach» wordt onder de aandacht van schoolbesturen gebracht via de PO-Raad en de VO-raad en waar mogelijk via andere gremia richting mbo en hbo.

  • Het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling (SLO) en SBB zullen in kennis gesteld worden van het onderzoek van het Groene Brein in relatie tot de examenprofielen vmbo en de kwalificatiestructuur mbo.

Ten tweede zal het Kabinet zich inzetten voor een betere vraagarticulatie van bedrijfsleven en maatschappelijke actoren:

  • Het Kabinet zal onder meer met VNO-NCW, de Human Capital Agenda’s van de Topsectoren, de Groene Zaak, MVO-NL, de SER en het maatschappelijk middenveld in gesprek gaan over hoe vanuit bedrijfsleven de vraag naar duurzaamheid in onderwijs beter geformuleerd kan worden. En tevens hoe deze vraag goed via bestaande netwerken richting het onderwijsveld (vooral mbo en hbo) onder de aandacht gebracht kan worden.

Ten derde zal het Kabinet de dialoog met diverse partijen voortzetten om good-practices onder de aandacht te brengen. Hiervoor worden onder meer de bestaande netwerken gebruikt:

  • Netwerken als «Duurzaam MBO», «Realisatie van een Acceleratie naar een Circulaire Economie» (RACE) en «Groene Brein Roots» worden geïnformeerd over het rapport. Met deze netwerken wordt onder meer gesproken om te verkennen hoe het professionaliseringsaanbod voor docenten kan worden versterkt en beter kan aansluiten op de vraag vanuit het bedrijfsleven.

  • Binnen bestaande duurzaamheidsprogramma’s en onderwijsnetwerken zullen de goede voorbeelden nog nadrukkelijker onder de aandacht gebracht worden, zoals via Kennisnet, ICT platform Groen Gelinkt en de websites van de onderwijsnetwerken.

  • In het kader van de Green Deal Verduurzaming Scholen zullen de goede voorbeelden onder de aandacht worden gebracht. Op de website van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) staan al voorbeelden van bijvoorbeeld energie neutrale scholen en instellingen vermeld: www.rvo.nl

  • Ook organiseert RVO een aantal sectorbijeenkomsten voor de universiteiten en hogescholen die meedoen in meerjarenafspraken energie-efficiëntie (MJA3) convenant. Elke 3 jaar dient men een nieuw energie efficiency plan (EEP) op te stellen. Voor de periode 2017–2020 dienen zij een nieuwe EEP in te dienen waarin zij aangeven welke plannen zij hebben met energiebesparing voor die periode. Met die sectorbijeenkomsten wordt de vraag naar energiebesparing duidelijk en kan men leren van «koplopers».

Ten vierde zal het Kabinet aandacht besteden aan de afstemming van de inzet van de diverse ministeries en andere initiatiefnemers om zo te komen tot een meer gezamenlijke visie, strategie en inzet rond (duurzaamheids)educatie.

In het rapport wijzen de onderzoekers erop dat eerdere onderzoeken beschikbaar zijn, maar op (sub) thema’s en/of met een andere onderzoeksopzet. Dit onderzoek kan dan ook worden gezien als een nulmeting rond de stand van zaken over Duurzaam Onderwijs.

  • De aanbeveling om over een paar jaar dit onderzoek te herhalen neemt het Kabinet dan ook over.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker


X Noot
1

Kamerstuk 20 487 nr. 49

X Noot
2

VN commissie Bruntland (1987): een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeftevoorziening van de toekomstige generaties in gevaar te brengen

X Noot
3

Zie hiervoor de visiebrief die Staatssecretaris Dekker van OCW op 17 november 2014 naar uw Kamer stuurde: «Toekomstgericht funderend onderwijs» (Kamerstukken 31 293 en 31 289, nr. 226).

X Noot
4

Kamerstuk 20 487, nr. 41 d.d. 26 juni 2013

X Noot
5

Bijvoorbeeld het Opleiding- en Onderzoekprogramma Van Afval naar Grondstof (VANG) en de agenda Watereducatie zetten ook in op onderwijsactiviteiten. Deze kunnen ook in eenzelfde kader worden benut.

X Noot
6

De ministeries van BZK, EZ, IenM en OCW, het Klimaatverbond, Ruimte voor Onderwijs en Kinderopvang (Ruimte-OK), de VNG, de PO-Raad en de VO-raad hebben besloten een Green Deal op te stellen. Daarnaast heeft het Ministerie van BZK een convenant lopen met veel hogescholen en alle universiteiten in het kader van de MJA3 (Meerjarenafspraken Energiebesparing). Het convenant (2005–2020) streeft naar een gemiddelde energiebesparing van 2% per jaar.

X Noot
7

zie ook Kamerstuk 34 000 VII, nr. 93

X Noot
8

Kamerstuk 31 288, nr. 481