Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634300-XIII nr. 61

34 300 XIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2016

Nr. 61 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 27 oktober 2015

De vaste commissie voor Economische Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden over het onderdeel Landbouw en Natuur en het Diergezondheidsfonds.

De vragen zijn op 8 oktober 2015 voorgelegd aan de Staatssecretaris van Economische Zaken. Bij brief van 26 oktober 2015 zijn ze door de Staatssecretaris van Economische Zaken beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel, over het onderdeel Economie en Innovatie voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Vermeij

Adjunct-griffier van de commissie, Vos

1

Is het waar dat de begroting geen nadere informatie geeft over de POR-Regeling (Regeling ontheffing productierechten Meststoffenwet)?

Antwoord

Ja. De Regeling ontheffing productierechten Meststoffenwet heeft geen implicaties voor de begroting.

2

Kan de regering een overzicht geven van alle posten die als subsidie voor de agrosector kunnen worden aangemerkt?

Antwoord

Dit overzicht is opgenomen in het subsidieoverzicht van de EZ-begroting 2016. De subsidies voor de agrosector vallen onder het beleidsartikel 16 (Een concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens) en zijn terug te vinden op de pagina’s 229 tot en met 232.

3

Waar zijn in de begroting de middelen voor het agrarisch natuurbeheer opgenomen?

Antwoord

Als uitvoering van de decentralisatieafspraken Natuur zijn de middelen voor het agrarisch Natuurbeheer in 2014 toegevoegd aan het Provinciefonds.

4

Wat is uw inzet voor het welzijn van dieren in dierentuinen en dolfinaria in 2016 en hoe groot is het budget dat hiervoor wordt ingezet?

Antwoord

RVO.nl verzorgt de uitvoering van de dierentuinregelgeving, waar ook het Dolfinarium onder valt, in het Besluit houders van dieren. Er is hiervoor budget gereserveerd bij RVO.nl. De exacte verdeling van dit budget is op dit moment nog niet bekend. In 2015 was circa € 500.000 voor de uitvoering gereserveerd. De dierentuinen worden gecontroleerd door de NVWA.

5

Wat zijn de kosten van de inzet van ambtenaren van de handhaving van handel in flora en fauna?

Antwoord

Bij de NVWA werkt 21 fte die belast is met het toezicht op de Flora- en Faunawet. Het gaat hierbij om een bedrag van € 3 mln. Euro.

6

Hoeveel geld is er gereserveerd voor de controle en handhaving van de verplichte inenting en registratie voor honden in 2016 en waar is dit in de begroting opgenomen?

Antwoord

Ik ben momenteel in overleg met de NVWA over de invulling van het jaarplan 2016. De beschikbare capaciteit voor toezicht en controle op hondenhandel en fokkerij binnen de NVWA maakt hier onderdeel van uit.

7

Hoe vaak is de wetenschappelijke commissie inzake onbedwelmd ritueel slachten bijeen geweest, wat is er besproken en wat zijn de resultaten van deze bijeenkomsten?

Antwoord

De Wetenschappelijke commissie in het kader van Convenant onbedwelmd slachten volgens religieuze riten heeft zich dit jaar gebogen over een aantal opgeleverde onderzoeksrapportages. Hierover heeft zij advies uitgebracht. Dit advies bespreek ik momenteel met de convenantpartners. Uw Kamer ontvangt voor het einde van het jaar een brief over de stand van zaken.

8

Hoe staat het met het realiseren van een wettelijke basis voor permanent toezicht bij onbedwelmd ritueel slachten en in hoeverre vindt dit permanente toezicht inmiddels plaats?

Antwoord

Het permanente toezicht op onbedwelmd slachten, zoals bedoeld in het Convenant onbedwelmd slachten volgens religieuze riten, is nog niet ingevoerd. Momenteel ben ik in gesprek met de convenantpartners over de stand van zaken van het convenant. Hierbij zal ik ook ingaan op het permanent toezicht. Hierover ontvangt uw Kamer voor het einde van het jaar een brief.

9

Wanneer krijgt de Kamer de eerste evaluatie van het convenant onbedwelmd ritueel slachten?

Antwoord

Momenteel ben ik in gesprek met de convenantpartners over de voortgang die gemaakt is met de afspraken in het convenant. Hierover zal ik uw Kamer voor het eind van het jaar een brief sturen.

10

Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over binnen welke termijn het verbod op de teenknip als identificatiemethode bij proefdieren gerealiseerd kan worden?

Antwoord

De Kamer wordt geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de teenknip in de tweede voortgangsrapportage over de uitvoering van het Plan van aanpak Dierproeven en alternatieven d.d. 28 februari 2014 (Kamerstuknummer 32 336, nr. 27), die binnenkort naar uw Kamer gestuurd wordt.

11

Hoeveel geld is er in 2016 beschikbaar voor het zoeken naar alternatieve methoden voor de teenknip bij proefdieren?

Antwoord

Er is (nog) geen specifiek bedrag hiervoor gereserveerd. ZonMw is gevraagd een aanvullend voorstel in te dienen voor een nieuwe module voor de ontwikkeling van een alternatief voor de teenknip. Dat voorstel is er nog niet. Zodra het voorstel er ligt, zal ik kijken hoe ik dat binnen de totale begroting kan financieren. U wordt hierover geïnformeerd in voornoemde voortgangsrapportage. Zie ook het antwoord op vraag 10.

12

Kan de regering aangeven onder welke begrotingsartikelen, en daarbinnen op welke onderdelen, vrije ruimte is in de begroting?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op de vragen 5 en 17 in de set met antwoorden op de schriftelijke vragen bij de EZ-begroting 2016, deel Economie en Innovatie (Kamerstuknummer 34 300 XIII, nr. 6).

13

Welke maatregelen worden genomen om mishandeling en verwaarlozing van landbouwdieren tegen te gaan dan wel te verminderen?

Antwoord

De NVWA reageert op meldingen, voert reguliere controles uit en volgt een aantal bedrijven proactief: de aandachtsbedrijven. Op de bedrijven waar (ernstige) dierverwaarlozing wordt geconstateerd volgt een intensief inspectieregime. Naast een strafrechtelijke aanpak wordt hierbij vooral gebruik gemaakt van bestuursrecht om tot herstel van de situatie te komen, dieren in beslag of bewaring te nemen of toe te werken naar het stilleggen van het bedrijf.

Het Vertrouwensloket Welzijn Landbouwhuisdieren en het Afsprakenkader Erfbetreders richten zich op preventie, tijdige signalering en het bieden van hulp aan boer en dier. Het Afsprakenkader Erfbetreders bestaat uit een brede vertegenwoordiging van bedrijven, banken en de overheid. Het Vertrouwensloket Welzijn Landbouwhuisdieren faciliteert de ondertekenaars en biedt daarnaast met preventie- en vertrouwensteams hulp aan boeren die in de problemen zijn gekomen.

14

Hoeveel geld is er voor de opvang van verwaarloosde en mishandelde landbouwdieren in 2016 gereserveerd?

Antwoord

In 2016 is € 198.000 gereserveerd voor ondersteuning van het Vertrouwensloket. Daarnaast is er een bedrag van € 2 miljoen gereserveerd voor de opvang van alle in beslag of bewaring genomen dieren (landbouwhuisdieren en gezelschapsdieren).

15

Kan de regering aangeven hoe het met de verduurzaming van de catering bij het Ministerie van Economische Zaken en de daaraan verwante instellingen zoals de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) staat?

Antwoord

Sinds 1 juni 2015 heeft EZ een nieuw cateringcontract. Hierin volgt EZ het Rijksbrede categorieplan catering waarin een percentage duurzame producten van minimaal 50% is afgesproken.

Naast dit afgesproken percentage heeft EZ nog verdergaande ambities zoals:

  • Het stimuleren van bewustwording van medewerkers bij het bestellen van vergaderlunches.

  • Het stimuleren van het gebruik van nieuwe eiwitten en het verminderen van de consumptie van dierlijke eiwitten.

  • Het stimuleren van de consumptie van gezonde voeding (groente en fruit).

  • Het beter omgaan met afvalscheiding door EZ medewerkers na afloop van de maaltijd.

  • Het bewuster omgaan met energie en water tijdens het bereidingsproces van maaltijden.

Deze ambities zullen in het vierde kwartaal 2015 verder uitgewerkt worden om de cateraar de ruimte te geven dit nieuwe contract goed te implementeren. RVO en NVWA sluiten zich aan bij deze ambities.

16

Kan de regering aangeven hoe het met de verduurzaming van de catering bij andere ministeries en bij decentrale overheden, zoals gemeenten en waterschappen, staat? Zo nee, wilt u dit laten inventariseren?

Antwoord

De coördinatie van Duurzame Inkoop is belegd bij het Ministerie van BZK en wordt ingevuld via categoriemanagement. Via de categoriemanager Catering Rijk levert EZ input om de beleidsdoelstellingen voor verduurzaming van voedsel te integreren in de uitvoering.

Voor andere overheden is het Ministerie van Infrastructuur en Milieu beleidsverantwoordelijk.

Op de website van PIANOo is voor een selectie productgroepen duurzaamheidscriteria en informatiedocumenten ontwikkeld. In opdracht van BZK vindt momenteel een inventarisatie plaats van relevante signalen met als doel het scherper formuleren van deze criteria voor duurzaam inkopen, waaronder de catering. Uiteindelijk zal dit resulteren in aangepaste criteria die niet alleen voor het Rijk maar voor de gehele overheid een krachtig instrument zal worden om doelstellingen te bereiken.

17

Kan de regering in het bijzonder ook aangeven hoe het staat met de verduurzaming van de catering bij het Ministerie van Defensie?

Antwoord

Nee, zie hiervoor het antwoord op vraag 16.

18

Kan de regering aangeven welke dierziekten de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) niet meer monitort en welk bedrag daarmee gemoeid was?

19

Werd deze monitoring alleen door het bedrijfsleven betaald of draagt uw ministerie hier financieel ook aan bij?

20

Kan de regering schetsen welke risico’s de pluimveesector loopt door het niet meer monitoren van deze dierziekten?

Antwoord 18 t/m 20

In de monitoring van pluimveeziekten is het afgelopen jaar inhoudelijk niets gewijzigd. Er zijn geen pluimveeziekten, waarop een jaar geleden nog wel werd gemonitord en nu niet meer. Er zijn twee belangrijke pijlers voor de monitoring van ziekten in de pluimveesector. Er zijn wettelijke verplichte monitoring programma’s, bijvoorbeeld voor vogelgriep en salmonella. Verder verzamelt en analyseert de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) signalen over dierziekten bij landbouwhuisdieren en rapporteert daarover aan het Ministerie van Economische Zaken (EZ) en aan de sector (dit is de zogenaamde Basismonitoring). Deze programma’s zijn niet gewijzigd het afgelopen jaar.

21

Kan de regering per sector aangeven hoeveel de primaire landbouwproductie in Nederland bijdraagt aan het BNP?

Antwoord

Volgens het Landbouw Economisch Bericht 2015 is de toegevoegde waarde van het totale Nederlandse agrocomplex € 48 miljard. Dat is 8,3% van het nationale totaal. Binnen het agrocomplex is de toegevoegde waarde van de primaire sector € 10,5 miljard. Dat is 1,8% van het nationale totaal. Het economisch belang van distributie en verwerking is in de periode 2010–2013 meer toegenomen dan dat van de primaire productie en de toelevering. Het verschil is grotendeels toe te schrijven aan het feit dat de beloning in de primaire sector van de ingezette arbeid, grond en kapitaal achterblijft bij de rest van de keten. Binnen het totale agrocomplex kunnen verschillende deelcomplexen worden onderscheiden. Volgens het Landbouw Economisch Bericht 2015 was het aandeel van de deelcomplexen in toegevoegde waarde van het Nederlandse agrocomplex als volgt:

  • grondgebonden veehouderij 30,3%

  • glastuinbouw 22,1%

  • akkerbouw 21,9%

  • intensieve veehouderij 15,3%

  • opengrondstuinbouw 8,7%

  • visserij 1,7%

22

Hoeveel exporteert de pluimveesector ten opzichte van de eigen productie in Nederland?

Antwoord

Nederland exporteert veel eieren en pluimveevlees. Als meest recente jaar zijn van 2012 meer gedetailleerde exportcijfers beschikbaar. In 2012 was de zelfvoorzieningsgraad voor eieren 307% en voor kuikenvlees 240% (PVE, 2013).

23

Hoeveel pluimvee importeert Nederland jaarlijks?

Antwoord

Volgens het Landbouw Economisch Bericht 2015 importeert de pluimveeketen jaarlijks 185.000 ton levend pluimvee en 405.000 ton kuikenvlees. De pluimveesector wordt gekenmerkt door enerzijds een grote export en anderzijds een grote import van pluimveevlees. De import bestaat vooral uit kuikenvlees uit Brazilië en, in mindere mate, uit Thailand.

24

Hoeveel exporteert de varkenssector ten opzichte van de eigen productie in Nederland?

Antwoord

In totaal werden er in 2014 in Nederland circa 14,5 miljoen varkens geslacht, een stijging van 0,6 miljoen ten opzichte van 2013. Naast afzet voor de binnenlandse consumptie, wordt vlees van deze varkens geëxporteerd (950.000 ton vlees en vleeswaren). Ook import van vlees en vleeswaren vindt plaats (290.000 ton). Dat er zowel vlees in- als uitgevoerd wordt, hangt onder andere samen met de zogenaamde vierkantverwaarding: de maximale verwaarding van alle delen van de varkens. Niet alle delen zijn geschikt voor vers vleesconsumptie, maar wel voor bijvoorbeeld worstproductie. Duitsland kent een grote vleesverwerking, wat een deel van de export verklaart.

25

Hoeveel varkens importeert Nederland jaarlijks?

Antwoord

Volgens het Landbouw Economisch Bericht 2014 importeert Nederland jaarlijks 0,9 miljoen varkens (inclusief biggen).

26

Hoeveel exporteert de kalversector ten opzichte van de eigen productie in Nederland?

Antwoord

Volgens het stroomschema van de Nederlandse kalfsvleesproductie uit de studie concurrentiemonitor blank kalfsvlees (LEI WageningenUR, januari 2012) is de binnenlandse productie 767.000 kalveren (199.600 ton) en 231.800 ton geslacht vlees. De export bestaat uit 124.000 kalveren (6.100 ton) en 208.000 ton geslacht vlees.

27

Hoeveel kalfjes importeert Nederland jaarlijks?

Antwoord

Volgens het stroomschema van de Nederlandse kalfsvleesproductie uit de studie concurrentiemonitor blank kalfsvlees (LEI WageningenUR, januari 2012) worden er jaarlijks 869.000 kalveren geïmporteerd.

28

Hoeveel exporteert de melkveesector ten opzichte van de eigen productie in Nederland?

Antwoord

Volgens ZuivelNL wordt 65% van de Nederlandse productie in het buitenland afgezet, waarvan de Europese Unie de belangrijkste markt is.

29

Hoeveel melkvee importeert Nederland jaarlijks?

Antwoord

Volgens Identificatie en Registratie (I&R) gegevens van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) zijn er tussen 1 juli 2014 en 1 juli 2015 ruim 111.000 stuks koeien en vaarskalveren bijgekomen. Deze toename komt door het uitblijven van slachtingen, de aanwas binnen melkveebedrijven en de import van melkvee. De exacte aantallen van de import van melkvee is niet bekend.

30

Hoeveel exporteert de vleessector ten opzichte van de eigen productie in Nederland?

Antwoord

Zie antwoorden op de vragen 22, 24 en 26.

31

Hoeveel vleesvee importeert Nederland jaarlijks?

Antwoord

De import van vlees, waaronder vleesvee, ligt volgens de UN Comtrade database sinds 2011 tussen de € 3 miljard en € 3,5 miljard. De jongste cijfers worden momenteel in kaart gebracht en zullen op een later moment aan uw Kamer worden toegezonden.

32

Het kabinet zal zich voor wat betreft themavoering in de voorbereiding en uitvoering van het Nederlandse EU-voorzitterschap richten op o.a. innovatieve groei. Wat gaat Nederland in dit kader doen om proefdiervrije innovatie op de kaart te zetten tijdens het EU-voorzitterschap?

Antwoord

In de Kamerbrief betreffende het voorzitterschap d.d. 28 januari 2015 (Kamerstuknummer 34 139, nr. 4) heeft het kabinet de thema’s voor het voorzitterschap toegelicht. Binnen het thema «innovatieve Unie gericht op groei en banen» gaat het om het wegnemen van belemmeringen voor innovatie in de interne markt, het vergroten van de innovatiefocus van alle Europese fondsen en het stimuleren van onderzoek en innovatie vanuit alle specifiek daartoe bestemde Europese fondsen en programma’s. Het gaat om stimuleren van innovatie en onderzoek in Europa. Specifieke inhoudelijke onderwerpen gericht op specifieke innovaties zijn, in dit kader niet aan de orde.

33

Welke mogelijkheden zijn er om EU-onderzoeksbudgetten te benutten voor proefdiervrije innovatie?

Antwoord

In het Europees Kaderprogramma voor Onderzoek en Innovatie (Horizon 2020) zit totaal aan budget € 80 miljard voor de periode 2014–2020. Iedere kennisinstelling kan hiervoor projectvoorstellen aandragen in lopende calls op het gebied van proefdiervrije innovaties en alternatieven voor dierproeven. Horizon2020 werkt met tweejaarlijkse werkprogramma’s waarin wordt vastgesteld hoeveel budget aan welk onderwerp besteed wordt. Nederland zet in om de werkprogramma’s zoveel mogelijk aan te laten sluiten bij Nederlandse kennisagenda’s. In het werkprogramma 2014–2015 is € 38 miljoen toegekend voor twee onderwerpen welke zich specifiek richten op het ontwikkelen van alternatieven voor dierproeven.

Een voorbeeld van hoe Nederlandse kennisinstellingen hiervan gebruik maken is het EUROMIX project met een omvang van € 8 miljoen wat gecoördineerd wordt door het RIVM en waarin DLO een van de partners is. EUROMIX ontwikkelt alternatieve strategieën voor toxicologische testen van chemicaliën.

34

Welke kansen van en voor proefdiervrije innovatie ziet het kabinet in het kader van de beleidsprioriteiten rond «vernieuwen», «verduurzamen» en «groene groei», en wat gaat het kabinet doen om deze te bevorderen? Zijn er binnen de hiervoor relevante begrotings- en fiscale posten mogelijkheden om deze ontwikkeling te faciliteren?

Antwoord

De Denktank Aanvullende financiering alternatieven voor dierproeven heeft advies uitgebracht. In de voortgangsrapportage Plan van Aanpak Dierproeven en alternatieven zal ik uw Kamer hierover binnenkort informeren.

35

Hoeveel procent moet de veestapel krimpen om de totale mestproductie in evenwicht te krijgen met de gestelde Europese doelen op het gebied van natuur en milieu?

Antwoord

De Europese Commissie heeft Nederland voor de periode 2014–2017 een derogatie verleend van de gebruiksnorm van 170 kilogram stikstof per hectare uit de Nitraatrichtlijn. Aan deze derogatie is de voorwaarde verbonden dat de totale mestproductie in Nederland – zowel voor stikstof als fosfaat – niet boven het niveau van 2002 mag groeien. De mestproductie in Nederland is begrensd door het stelsel van varkens- en pluimveerechten en, na inwerkingtreding van de per brief van 2 juli jongstleden door de Staatssecretaris van Economische Zaken aangekondigde wijziging van de Meststoffenwet (Kamerstuk 33 979, nr. 98), door fosfaatrechten voor melkvee. Met deze stelsels wordt geborgd dat voor ruim 90% van de Nederlandse veestapel de mestproductie is gelimiteerd. Zoals in voornoemde brief is aangekondigd kan besloten worden fosfaatrechten af te romen dan wel te korten bij overdracht indien mocht blijken dat de totale fosfaatproductie in de melkveehouderij er de oorzaak van is dat het mestproductieplafond wordt overschreden. Recente definitieve cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek over het jaar 2014 laten zien dat de totale fosfaatproductie uitkwam op 171,7 miljoen kilogram, 1,2 miljoen kilogram onder het plafond van 2002.

Het stelsel van gebruiksnormen en gebruiksvoorschriften bepaalt de maximale stikstof- en fosfaatgift en de wijze en momenten waarop en omstandigheden waaronder meststoffen toegediend mogen worden. Daarmee sturen de gebruiksnormen en gebruiksvoorschriften rechtstreeks op de milieudoelen voor grond- en oppervlaktewater. Met het Besluit emissiearme huisvesting wordt gestuurd op de emissie van ammoniak en fijnstof uit de veehouderij.

36

Kunt u een overzicht geven van de toename van middelen die u beschikbaar stelt voor innovatieve investeringen in de land- en tuinbouw ter ondersteuning van uw ambitie om de landbouw te verduurzamen?

Antwoord

Hierbij treft u een tabel aan, waarin de belangrijkste subsidieregelingen op het gebied van het stimuleren van duurzaamheid in de land- en tuinbouw en hun financiële beslag zijn weergegeven tussen 2006–2015.

37

Kunt u een overzicht geven van de middelen ter ondersteuning van investeringen in de landbouw in de afgelopen tien jaar?

Antwoord

Ik verwijs u naar het antwoord gegeven bij vraag 36.

38

Hoe staat het met de projecten om Welfare Quality in Nederland in de melkveehouderij en de pluimveehouderij door te voeren?

Antwoord

Het project Welfare Quality voor de melkveehouderij is in de laatste fase. Er is aansluiting gezocht en gevonden bij het gangbare KoeKompas systeem waardoor de praktische levensvatbaarheid van de ontwikkelde systematiek verhoogd is. Voor de pluimveehouderij (vleeskuikens) is het project afgerond. Voor beide projecten is er in 2016 onderzoeksbudget uitgetrokken om, nationaal en internationaal, te bezien hoe het project in de praktijk permanente follow-up kan krijgen.

39

Is het waar dat bij het ontwikkelen van een op Welfare Quality gebaseerde welzijnsmonitor voor vleeskalveren niet gekeken wordt naar het bloedijzergehalte van de kalveren?

40

Kan de regering er zorg voor dragen dat het bloedijzergehalte van kalveren opgenomen wordt in de op Welfare Quality gebaseerde welzijnsmonitor?

Antwoord 39 en 40

Nee. Bij de welzijnsmonitor vleeskalveren wordt gebruik gemaakt van een protocol waarbij het hemoglobinegehalte in bloed aan het begin en halverwege de mestperiode wordt bepaald. Sector, dierenbescherming en overheid vinden echter dat de haemoglobinestatus (Hb-status) aan het eind van de mestperiode ook een aandachtspunt moet zijn. De sector en Wageningen Universiteit hebben daarom een methode ontwikkeld om de Hb-status van een koppel vleeskalveren aan het eind van de mestperiode te schatten uit de vleeskleur, die op het slachthuis bij elk individueel karkas instrumenteel wordt bepaald. Voor het praktijkrijp maken van deze methode is nog een validatie nodig. Daarna kan bekeken worden of uitbreiding van het protocol met een bepaling van de Hb-status uit de vleeskleur aan het einde van de mestperiode haalbaar is.

41

Is de regering bereid alsnog een project op te starten voor het ontwikkelen van een welzijnsmonitor voor varkens in samenwerking met partijen die hieraan mee willen werken?

Antwoord

Daar sta ik positief tegenover. Echter definitieve besluitvorming heeft daarover nog niet plaatsgevonden.

42

Acht de regering het aannemelijk dat een verdere reductie bij de huidige snelgroeiende vleeskuikens, wat inherent kwetsbare dieren zijn, nauwelijks meer mogelijk is?

Antwoord

De SDa geeft in zijn rapport van mei 2015 aan dat er nog grote verschillen zijn tussen bedrijven in het actie- (rood) en signaleringsgebied (oranje) en bedrijven in het streefgebied (groen). Deze verschillen geven aan dat verdere reductie nog mogelijk is. In de brief aan de Tweede Kamer van 27 mei 2015 (Kamerstuknummer 29 683, nr. 200) is aangegeven dat de pluimveesector de ambitie heeft om het gebruik verder te verminderen en is gemeld welke aanvullende maatregelen de vleespluimveehouderij neemt om te komen tot een verdere vermindering van het antibioticumgebruik.

43

Is de regering van mening dat in het huidige antibioticabeleid ook gekeken moet worden naar langzamer groeiende, robuustere rassen, die niet of nauwelijks antibiotica nodig hebben en dat er dus in het huidige antibioticabeleid een bredere aanpak moet worden gekozen, gericht op het robuuster maken van de (pluimvee)houderij?

Antwoord

Het huidige antibioticabeleid kent geen voorkeur voor veehouderij-omstandigheden. Alle veehouderijbedrijven dienen te voldoen aan geldende regelgeving voor het gebruik van antibiotica. De beleidsdoelstelling van 70% reductie in gebruik geldt voor de vier grote veehouderijsectoren (waaronder de vleespluimveehouderij) in zijn geheel. In de brief aan de Tweede Kamer van 27 mei 2015 (Kamerstuknummer 29 683, nr. 200) is aangegeven welke focus het vervolgbeleid voor de komende vijf jaar zal hebben. Deze zal gericht zijn op een verdere reductie en vermindering van risico’s van resistentievorming en -verspreiding, waarbij de aanpak meer sectorgericht zal worden vormgegeven met verhoogde aandacht voor het verbeteren van de algehele diergezondheid. Veehouderijsectoren waarbij het gebruik nog te hoog is zullen harder aan het werk moeten om verbeteringen door te voeren gericht op betere diergezondheid en daarmee minder antibioticagebruik. De markt zal eveneens een rol spelen in de vermindering van gebruik nu de vraag naar langzamer groeiende, robuustere rassen stijgt.

44

Kan de regering onderbouwen waarom het huidige systeem van private keuringsdiensten niet goed is? Hoe verklaart u dat Nederland één van de wereld grootste exporteurs is van landbouwproducten, waaronder pootaardappelen, terwijl ons keuringssysteem volgens u niet worden vertrouwd in het buitenland?

45

Kan de regering aangeven wat er in het huidige private systeem van keuringsdiensten niet functioneert? Welk probleem lost u op met het «onder het publieke domein brengen» van goed functionerende agrarische keuringsdiensten?

46

Over het functioneren van de plantaardige agrarische keuringsdiensten is er geen discussie, telers zijn zeer tevreden over hun functioneren en er is veel vertrouwen in het buitenland, waarom suggereert de regering dat dit wel zo is?

47

Kan de regering toelichten waarom alleen bij het Ministerie van Economische Zaken de discussie wordt aangejaagd over Europese en vooral ideologische redenen ten aanzien van een strikt publiek/private scheiding van keuring, en niet bij andere partijen?

Antwoord 44 t/m 47

Met de brieven van 19 december 2013 (Kamerstuknummer 33 835, nr. 1) en 10 juni 2014 (Kamerstuknummer 26 991, nr. 418) heb ik uw Kamer, samen met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) geïnformeerd over het kabinetsstandpunt om te komen tot een herinrichting van het systeem van keuring en toezicht. Een brief, waarin het kabinet een uitvoeringsagenda heeft weergegeven voor de wijze waarop keuren en toezicht in het publieke domein wordt gepositioneerd, is u separaat toegezonden op 16 oktober jl.

48

Wat gaat de regering de komende 4 jaar doen om weidegang van melkkoeien te stimuleren?

Antwoord

De regering zal maatregelen uitwerken om de bestaande stimuleringsregelingen van de Maatlat Duurzame Veehouderij en de daarvan afgeleide eisen voor «plusstallen» beter toegankelijk te maken voor bedrijven die weidegang toepassen. Ook zal financieel worden bijgedragen aan deskundigheidsbevordering voor melkveehouders die willen overgaan op weidegang. Voorts zal ik in overleg met provincies bezien welk rol zij kunnen spelen bij het invullen van een verhoogde ambitie in het Convenant Weidegang. De regering zal in de periode 2015–2019 een bedrag van € 1 mln beschikbaar stellen om het bedrijfsleven te ondersteunen bij de extra inzet om weidegang van melkkoeien te stimuleren. Daarnaast ben ik voornemens om vanuit de nationale enveloppe (€ 30 mln) middelen ter beschikking te stellen. Het maatregelenpakket werk ik uit in overleg met het bedrijfsleven.

49

In welke mate intensiveert de regering in 2016 ten opzichte van 2015 de uitgaven aan natuur, en waaraan worden deze besteed?

Antwoord

Het uitgavenbudget van artikel 18 voor natuur wordt in 2016 niet geïntensiveerd ten opzichte van 2015.

50

Wanneer wordt de kabinetsreactie op het WRR-rapport «Naar een voedselbeleid» naar de Kamer gestuurd? Is dit mogelijk vooraf aan de begrotingsbehandeling?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar mijn brief van 9 oktober jl. (Kamerstuk 31 532, nr. 154).

51

Kan de regering nader duiden voor welk Europees visserijbeleid zij zich in het bijzonder inzet?

Antwoord

Voor de inzet die de regering kiest voor het EU-visserijbeleid zijn de doelstellingen van het in 2013 hervormde Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) leidend. Het GVB kent als centrale doelstelling het duurzaam gebruik en de instandhouding van de natuurlijke hulpbronnen en ecosystemen in zee. Het GVB beoogt daarbij bij te dragen aan een visserij- en aquacultuursector die duurzaam opereert en tegelijk ook concurrerend en economisch renderend is.

52

Hoeveel financiële middelen worden voor de uitvoering van het Europese visserijbeleid gebruikt en is er een gelijkmatige inzet van alle EU-lidstaten?

Antwoord

Voor de uitvoering van het Europese Visserijbeleid worden de middelen uit het Europese Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) ingezet. Voor Nederland is er gedurende de programmaperiode 2014–2020 € 101,5 mln beschikbaar gesteld vanuit Europa en de nationale cofinanciering bedraagt € 27,3 mln. De inzet van de EFMZV middelen is bepaald op basis van een aantal verdeelsleutels zoals de omvang van de visserijvloot in een lidstaat. Meer informatie over de allocatie van de EFMZV middelen per lidstaat vindt u op http://ec.europa.eu/fisheries/cfp/emff.

53

Hoe verklaart de regering dat het IBO weinig bruikbare conclusies opleverde? Hoe kan dit beter naar de toekomst toe, zou volgens de regering het betrekken van onafhankelijke partij bij het onderzoek kunnen bijdragen?

Antwoord

Ik verwijs u naar de antwoorden op vragen die zijn gesteld over het IBO Agro die op 19 oktober jl. aan uw Kamer zijn verzonden.

54

Kan de regering schetsen welke moeilijkheden er nog spelen bij aardwarmteprojecten?

Antwoord

In 2014 is vanuit publiek-private programma Kas als Energiebron het versnellingsplan aardwarmte opgesteld met medewerking van vertegenwoordigers uit de hele aardwarmteketen. Kennisontwikkeling, financiering en professionalisering van de keten zijn daarin de prioriteiten voor het versnellen van de ontwikkeling van aardwarmte. Stand van zaken bij deze prioriteiten:

  • Financiering wordt, mede als gevolg van de economische crisis, door het bedrijfsleven als lastig ervaren. Momenteel wordt bezien in overleg met bedrijfsleven, andere overheden en banken hoe investeringen in aardwarmte-installaties gefaciliteerd kunnen worden. Daarnaast wordt nut en noodzaak van een exploitatievoorziening, waarmee de risico’s van exploitatieproblemen afgedekt kunnen worden, onderzocht.

  • Het Ministerie van Economische Zaken en LTO Glaskracht Nederland financieren onderzoek naar de ontwikkeling van aardwarmte. De versnipperde en ad hoc kennisaansturing is vervangen door een afgestemde, landelijke gestuurde kennisagenda. De doelgroep, de toezichthouder en de financiers initiëren daarbij gezamenlijk het onderzoek dat nodig is en sturen het onderzoek aan. In 2015 zijn de eerste onderzoeken in opdracht gegeven. In de loop van 2015 zijn de resultaten te verwachten. Een tweede ronde waarin nieuwe projecten geselecteerd worden, loopt.

  • De aardwarmteoperators hebben werk gemaakt van de professionalisering. Zij hebben in 2014 de branchevereniging DAGO (Dutch Association for Geothermal Operators) opgericht. Prioriteit van DAGO is open kennisuitwisseling.

55.

Kan de regering een overzicht geven van het gebruik van de garantieregeling aardwarmte in de afgelopen jaren en hoeveel aardwarmteprojecten er de komende jaren gepland zijn?

Antwoord

In de pilotopenstelling (2009/2010) en de tweede openstelling (2010/2011)van de garantieregeling aardwarmte zijn in totaal 6 aanvragen gehonoreerd. In de openstelling van 2013 zijn zeven aanvragen gehonoreerd, waarvan één herindiening. In de openstelling van 2014 zijn vier aanvragen gehonoreerd. Inmiddels zijn vier projecten afgerond, waarvan één project een gedeeltelijke uitnummering heeft ontvangen. Daarnaast zijn drie aanvragen ingetrokken. Gebaseerd op de informatie uit de garantieregeling zijn er de komende jaren in ieder geval negen projecten gepland.

56

Kan de regering een overzicht geven van het gebruik van de landbouw garantstellingsregelingen in de afgelopen jaren en de verwachtingen komend jaar?

Antwoord

 

2015 (t/m sept)

2014

2013

 

aantal

€ mln

aantal

€ mln

aantal

€ mln

Garantstelling Landbouw

39

12,8

52

13,3

66

21,7

Garantstelling Landbouw-Plus

8

6,6

12

12,7

18

14,7

totaal

47

19,4

64

26

84

36,4

Borgstellingen via Garantstelling Landbouw (plus) 2013–2015

Het gebruik van de garantstellingsregelingen gaat gelijk op met het investeringsniveau in de sector. Het investeringsniveau in de Landbouw heeft in 2014 een dieptepunt gehad. De verwachting is dat de investeringen de komende jaren weer toenemen. Voor het gebruik van de garantstellingsregelingen Landbouw en Landbouw-Plus wordt verwacht dat deze uiteindelijk weer op het gemiddeld gebruik zoals in de jaren voor de crisis uit zal komen (totaal ca. € 80 mln per jaar). Voor de Garantstelling Marktintroductie Innovaties wordt – na aanloop – een gebruik van ca. € 35 mln per jaar verwacht.

57

Kan de regering aangeven hoe de interne begrotingsreserves van artikel 14 en artikel 16 naar verwachting zullen toenemen of afnemen?

Antwoord

Naar de huidige inzichten zal de interne begrotingsreserve op artikel 14 dit jaar toenemen met een bedrag van circa € 500 mln tot circa € 1,1 miljard, vooral als gevolg van vertraagde projecten in de oude SDE-regeling. Naar verwachting zal de begrotingsreserve in de jaren 2016 en verder niet of in geringe mate toenemen. Op artikel 16 neemt de begrotingsreserve landbouw in 2015 naar verwachting met € 8,5 mln af naar circa € 25 mln. Geraamd wordt dat deze reserve de komende drie jaar met nog eens € 12 mln zal afnemen. De begrotingsreserve visserij zal eind 2015 met bijna € 4 mln afnemen naar ongeveer € 10 mln en neemt in 2016 met nog eens ruim € 2,2 mln af. De begrotingsreserve borgstellingsfaciliteit zal in 2015 met € 10 mln afnemen tot € 31 mln en neemt de komende drie jaar naar verwachting verder af naar circa € 19 mln.

Tenslotte zal de reserve apurement van € 150,3 mln (ultimo 2014) naar verwachting in 2015 met € 25,8 mln toenemen tot ruim € 176,1 mln. Deze mutatie komt door een terugontvangst van de Europese Commissie van € 29 mln op basis van een uitspraak van het Europese Hof van Justitie en een onttrekking van in totaal € 3,2 mln. Over hoe de reserve zich verder zal ontwikkelen kan op dit moment weinig gezegd worden, omdat verschillende apurementprocedures nog niet zijn afgerond. Zie ook het antwoord op vraag 204.

58

Kan de regering toelichten hoe motie 21 501-32 nr. 860 verder wordt uitgevoerd, met name hoe de samenwerking in de landbouw wordt bevorderd door de besteding van de extra gelden van bijna 30 miljoen euro?

Antwoord

De regering is voornemens de extra middelen in te zetten voor de verdere verduurzaming van de melkveehouderij, de vitalisering van de varkenshouderij en het stimuleren van mestverwerking voor de melkvee- en varkenshouderij. Het maatregelpakket wordt op dit moment uitgewerkt in overleg met het bedrijfsleven. Ik verwijs u hierbij naar mijn brief aan de Tweede Kamer van 24 september jl. (Kamerstuk 21 501-32, nr. 877).

Zoals aangegeven in onder andere het Verslag van de extra Landbouwraad van 7 september jl. (Kamerstuk 21 501-32, nr. 874) heb ik mede ter uitvoering van motie 21 501-32, nr. 860 in de extra Landbouwraad het belang van samenwerking in de keten onderschreven. Een nauwere samenwerking in de keten, bijvoorbeeld op het punt van duurzaamheid, kan stuiten op bezwaren van mededinging. Het kabinet zoekt naar een ruimere uitleg van de bestaande mededingingsregels. De Minister van Economische Zaken is hierover in gesprek met de Europese Commissie (Eurocommissaris Vestager) over de verduidelijking van de uitleg van de mededingingsregels in het kader van duurzaamheidsinitiatieven. Zie ook de antwoorden op vragen 78 en 79.

De Europese Commissie heeft in het kader van het werkprogramma 2016 voor de EU-promotieregeling mede op verzoek van de Nederlandse regering een extra EU-budget van € 30 mln. beschikbaar gesteld voor promotieprogramma’s in de sectoren zuivel en varkensvlees, waarvan 70% bestemd is voor promotieprogramma’s gericht op export naar derde landen en 30% voor programma’s gericht op de EU-binnenmarkt. Naar verwachting wordt de EU-promotieregeling begin 2016 opengesteld, sectororganisaties kunnen dan promotieprogramma’s indienen bij de Europese Commissie.

59

Waarom zijn de doelstellingen van artikel 16 in de begroting 2016 niet scherper geformuleerd, zoals de Staatssecretaris van EZ heeft toegezegd in het wetgevingsoverleg van 25 juni jl. bij de behandeling van het jaarverslag 2014?

Antwoord

De toezegging in het wetgevingsoverleg over het EZ-jaarverslag 2014 had betrekking op de kwaliteit van de beleidsconclusies. De toezegging is om in de volgende jaarverslagen, waar mogelijk, meer expliciet en transparant onderscheid te maken tussen beleidsresultaten, -conclusies, en -consequenties. Deze toezegging heeft daarom geen betrekking op de beleidsdoelstellingen van artikel 16 in de EZ-begroting 2016, maar is van toepassing voor het eerstkomende jaarverslag (EZ-jaarverslag over 2015).

60

Hoe gaat de regering er voor zorgen dat de Kamer zich bij de behandeling van het jaarverslag 2016 een duidelijk beeld kan vormen van de effectiviteit van het beleid van beleidsartikel 16, aangezien de aanbeveling van de IBO Agro «Actualiseer de integrale visie op het agrocomplex» nog niet is waar te nemen in de begroting 2016?

Antwoord

Zoals in de kabinetsreactie is aangegeven in reactie op aanbeveling 1 van het IBO-rapport, kiest het kabinet voor een duurzame «groene» economische groei zoals is uitgewerkt in diverse kamerbrieven en toekomstvisies. Dit betekent dat het kabinet de concurrentiepositie van de agroketens wil versterken en tegelijkertijd verdere verduurzaming stimuleert op het gebied van voedsel(productie en -veiligheid), dier- en plantgezondheid, dierenwelzijn, milieu en biodiversiteit. Deze integrale benadering heeft het kabinet concreet vertaald naar het beleid voor sectoren en maatschappelijke opgaven die op het gebied van landbouw en voedsel spelen. De voortgang en effectiviteit van dit beleid wordt regelmatig geëvalueerd. Voor het overzicht van evaluaties verwijs ik u naar de bijlage in de rijksbegroting en het jaarverslag. Ik verwijs u tevens naar de antwoorden op vragen die gesteld zijn over het IBO Agro die op 19 oktober jl. aan uw Kamer zijn verzonden.

61

Waarom is de coherente visie die het kabinet blijkens de kabinetsreactie bij de IBO AGRO heeft verwoord in negen kamerbrieven, niet terug te vinden in de begroting 2016?

Antwoord

In de begroting treft u een kort en bondige omschrijving aan van de algemene doelstelling van het beleid van EZ ten aanzien van het agrocomplex. Tevens zijn daarin de taken en verantwoordelijkheden van de overheid omschreven. Met de door het kabinet gepresenteerde nota’s over de verschillende maatschappelijke opgaven waar het agrocomplex voor staat, heeft het kabinet gewerkt aan actualisering en verdere uitbouw van de visie op het agrocomplex.

62

Zijn de lessen uit de reeds afgeronde beleidsdoorlichtingen van artikel 16 en 17 terug te vinden in het beleidsinstrumentarium van EZ, zoals aangekondigd in de beleidsagenda op p. 15? Zo ja, waar en hoe? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Voor artikel 16 is op 26 juni 2015 het IBO-AGRO met de kabinetsreactie aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstuknummer 30 991, nr. 25). De lessen uit deze beleidsdoorlichtingen zullen in 2016 verder worden vertaald naar het beleidsinstrumentarium van EZ met het doel om dit nog effectiever, consistenter en doelmatiger te maken. Dit krijgt naar verwachting zijn uitwerking in de begroting vanaf 2017. Zie ook het antwoord op vraag 61.

Voor artikel 17 zijn de lessen uit de beleidsdoorlichting in de praktijk gebracht en ook onderdeel geworden van het beleidsinstrumentarium en van de strategische planvorming binnen de groene onderwijsinstellingen zelf. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd met de beleidsreactie

(Kamerstuknummer 30 991, nr. 11). In artikel 17 wordt ingegaan op de uitrol van de Meerjaren Investerings Programma’s (MIP’s) voor de periode 2013–2015. De MIP’s zijn ook het concrete resultaat van een nieuwe samenwerkingsrelatie tussen het groen onderwijs, bedrijfsleven en EZ, waarbij de MIP kan worden beschouwd als een beleidsinstrument om de kennis- en innovatie-opdracht voor de School als regionaal kenniscentrum uit te voeren. De beleidsdoorlichting van artikel 17 is op 2 juni 2014 aan de Tweede Kamer aangeboden.

63

Hoeveel mensen zijn er werkzaam in de agrarische sector in Nederland?

Antwoord

Volgens het Landbouw Economisch Bericht 2015 zijn er 157.987 personen full time werkzaam in de land- en tuinbouw. In het gehele Nederlandse agrocomplex zijn ruim 600.000 personen full time werkzaam.

64

Wat is de trend over de afgelopen tien jaar binnen de werkgelegenheid binnen de agrarische sector?

Antwoord

De trend in de land- en tuinbouw met betrekking tot de werkgelegenheid is volgens het Landbouw Economisch Bericht afnemend (aantal banen) en circa 60% van de banen in deze sector betreft onbetaalde gezinsarbeid. In het gehele Nederlandse agrocomplex is de werkgelegenheid stabiel.

65

Wat is de exportwaarde van de Nederlandse agrarische sector?

Antwoord

De totale waarde van de export van landbouwproducten over 2014 bedroeg € 79,2 miljard.

66

Wat is de exportwaarde van de Nederlandse agrarische sector binnen de totale export van de Nederlandse economie?

Antwoord

De totale export van Nederlandse producten over 2014 bedroeg € 432,5 miljard, waarvan € 79,2 miljard landbouwproducten.

67

Wat is de trend in de exportwaarde over de afgelopen tien jaar?

Antwoord

De exportwaarde van Nederland in totaal en de Nederlandse agrarische sector zijn de afgelopen jaren beide gestegen. De afgelopen tien jaar maakt de agrarische export een stabiel deel uit van circa 17% van de totale Nederlandse exportwaarde.

68

Hoe is de exportwaarde verdeeld naar de verschillende sectoren binnen de agrarische sector?

Antwoord

De agrarische export is verdeeld onder de volgende sectoren: groenten en fruit 17,4%, sierteelt 10,2%, zuivel en eieren 9,8%, vlees 9,5%, veevoer 6,2%, cacao 4,5% en overig 42,3%

69

Wat is het aandeel van de agrarische sector in de Nederlandse economie?

Antwoord

Zie antwoord op vraag 21.

70

Hoeveel startende bedrijven binnen de agrarische sector waren er in het jaar 2014?

Antwoord

Het totaal aantal land- en tuinbouwbedrijven is in 2014 met 2,9% teruggelopen ten opzichte van het voorgaande jaar. Die afname is daarmee nagenoeg gelijk aan de afname per jaar vanaf 2000. Er is nagenoeg geen sprake van toename van bedrijven in de primaire sector.

Uiteraard zijn er wel startende bedrijven, maar veel van de startende bedrijven zijn een voortzetting van een agrarisch bedrijf in een andere vorm of met een ander bedrijfshoofd.

71

Hoe waren de startende bedrijven verdeeld over de verschillende sectoren?

Antwoord

Alleen de pluimveehouderij kende in 2014 een toename van bedrijven met 0,9%. In de andere agrarische sectoren was er alleen sprake van een afname: glastuinbouw – 7,6%, varkenshouderij – 6,2%, akkerbouw – 1,6% en melkvee – 1,1%.

72

Hoeveel bedrijven zijn er gestopt in 2014?

Antwoord

In 2014 zijn er volgens het CBS 1.975 landbouwbedrijven gestopt.

73

Hoe groot is de biotechnologie sector in Nederland?

Antwoord

Biotechnologische technieken worden op heel veel plaatsen toegepast. Dan kan het gaan om bijvoorbeeld de biomedische sector, maar ook voor de plantaardige en dierlijke productie. In de plantaardige en dierlijke sector gaat het dan met name om de toepassing van genetische modificatie en klonen. In Nederland wordt er in feite alleen genetische modificatie van dieren toegepast voor onderzoek voor biomedische doeleinden. Een aantal onderzoekscentra, dat daartoe een vergunning heeft, maakt hiervan gebruik. Het klonen van dieren wordt in Nederland niet gedaan. Daartoe zijn ook nimmer aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning ingediend.

In de plantaardige sector in Nederland worden er geen genetisch gemodificeerd (gg)-gewassen geteeld. De import van gg-levensmiddelen is zeer beperkt. De import van gg-veevoeders is groot. Het gaat dan vooral om gg-soja en gg-mais. Meer dan 90% van de geïmporteerde soja is genetische gemodificeerd.

74

Kunt u aangeven hoe de regering ervoor zorgt dat innovatieve technieken zoals cisgenese niet onder regelgeving betreffende genetische modificatie gaan vallen?

Antwoord

Nederland maakt zich in Europa al jarenlang sterk voor vrijstelling van cisgenese van de ggo-regelgeving. De Europese Commissie heeft aangekondigd nog dit jaar met een juridische analyse te komen ten aanzien van de zogenaamde new breeding techniques waaronder cisgenese. De lidstaten kunnen hierop reageren. Nederland zal op basis van de analyse een standpunt innemen.

75

Is de regering voornemens om opt-out verzoeken van genetisch gemodificeerde planten te honoreren? Op welke wijze wordt hierbij rekening gehouden met innovatie en voedselzekerheid?

Antwoord

In verschillende debatten met uw kamer zijn de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu en ik ingegaan op dit onderwerp, laatstelijk tijdens het Algemeen overleg biotechnologie en kwekersrecht op 9 september jl. In de brief van 18 juni 2015 van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu en mijzelf is toegelicht hoe het Nederlandse kabinet omgaat met de nationale teeltbevoegdheid. Nederland heeft een «ja, mits veilig» beleid ten aanzien van gg-planten vanwege de kansen die biotechnologie kan bieden voor voedselzekerheid, voedselkwaliteit en duurzaamheid. Momenteel wordt gewerkt aan een afwegingskader waaraan de gg-gewassen voor teelt kunnen worden getoetst. Het kabinet heeft aangegeven deze gewassen zorgvuldig te willen beoordelen. Om geen onomkeerbare stappen te nemen is door Nederland een geografische toepassingsbeperking aangevraagd voor de overgangsgewassen. Nadat deze aan het afwegingskader zijn beoordeeld, zal voor die gewassen die Nederland niet wil verbieden, worden verzocht om opheffing van een eventueel verleende geografische toepassingsbeperking.

76

Hoe verhouden volgens de regering de extra eisen waaraan een Nederlandse agrarisch ondernemer moeten voldoen ten opzichte van de Europese wet- en regelgeving, zoals de 4-dagen eis, grotere hokoppervlakte, extra duurzaamheidseisen bij uitbreidding, zich ten opzichte van de concurrentiepositie op de Europese markt?

Antwoord

Ik zie deze eisen, die voor een deel een gevolg zijn van veranderingen in de marktvraag, als een kans voor de sector om onderscheidende en herkenbare kwaliteitsproducten te produceren en de afzet van producten veilig te stellen.

77

Vindt de regering het ook tekenend dat er in de begroting geen kopje «Concurrentiepositie Nederlandse land- en tuinbouw» is, maar dat er wel thema’s om grenzen te stellen aan de land- en tuinbouw zoals mestbeleid, diergezondheid, voedselveiligheid etc. zijn opgenomen onder artikel 16?

Antwoord

De regering wijst erop dat in de toelichting op de begroting wel kopjes zijn opgenomen over agrarisch ondernemerschap en over kennisontwikkeling (agrarische) innovatie. Dit zijn belangrijke thema’s die bijdragen aan zowel de verdere verduurzaming als de concurrentiepositie van de Nederlandse land- en tuinbouw.

78

Hoe wordt de samenwerking in de agrarische sector door de regering versterkt?

Antwoord

Ik verwijs u hierbij naar het antwoord op vraag 58.

79

Hoe zet de regering zich in voor het verruimen van de mededingingsregels op Europees niveau?

Antwoord

Eerder dit jaar heeft de Minister van Economische Zaken met Eurocommissaris Vestager gesproken over het belang van duurzaamheidsinitiatieven en de uitleg van de mededingingsregels daarbij. Na dat gesprek is er ook een brief aan Eurocommissaris Vestager gestuurd waarin aandacht is gevraagd voor duurzaamheidsinitiatieven binnen de mededingingskaders en waarin is gevraagd om een nadere duiding van de ruimte. De komende tijd zal het Ministerie van EZ verder in overleg treden met de Europese Commissie over duurzaamheidsinitiatieven en de ruimte daarvoor binnen de mededingingsregels.

80

Kan de regering aangeven of de beleidsregels duurzaamheid aangepast worden en wanneer deze voorgelegd worden aan de Kamer?

Antwoord

De beleidsregel duurzaamheid wordt op dit moment aangepast. Deze beleidsregel zal naar verwachting voor het eind van dit jaar aan de Kamer worden voorgelegd.

81

Kan de regering een overzicht geven van de verschillen in de inspectie- en toezichttarieven in Nederland en de rest van Europa? Zou volgens u een verlaging van de NVWA tarieven in Nederland de concurrentiepositie van Nederlandse boeren versterken?

Antwoord

De Europese Commissie heeft in een onderzoek uit 2009 (Study on fees or charges collected by the Member States to cover the costs occasioned by official controls) de retributiestelsels in de EU-landen vergeleken. Ze concludeert dat de stelsels verschillen, maar dat het niet leidt tot verstoring van de EU interne markt. Andere factoren die de internationale concurrentiepositie bepalen, zijn belangrijker. Ik verwijs u hiervoor naar mijn brief van 22 juni 2009 (Vergaderjaar 2008–2009, Kamerstuk 26 991, nr. 260), inclusief de daarin genoemde LEI rapporten. Daarnaast wordt de vergelijkbaarheid nog lastiger, omdat de officiële controles in sommige gevallen uit andere bronnen worden gefinancierd. Zoals bijvoorbeeld België waarbij financiering via een aanvullende algemene heffingen aan alle operators in de voedselketen wordt gerealiseerd. Ik verwijs u hiervoor naar de brief van de Minister van I&M over de uitkomsten van het onderzoek naar de hoogte van de haven aanloop- en doorverkochten van 17 juni jl. (Kamerstuk 29 862, nr. 27). Het kabinetsbeleid omtrent de inspecties en retributies van de NVWA is vastgelegd in de Kamerbrief van 19 december 2013 (Kamerstuk 33835, nr, 2). Uitgangspunten zijn daarbij kostendekkendheid en het profijtbeginsel (Maathouden 2014).

82

Ziet de regering mogelijkheden om samenwerking in coöperaties en producentenorganisaties met het huidige beleidskader en financiële middelen verder te ondersteunen?

Antwoord

Samenwerking in de keten acht ik van groot belang. Het is vooral belangrijk dat boeren en tuinders de mogelijkheden van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid benutten. Met name de oprichting van producenten- en brancheorganisaties is daarin een kansrijke optie. De Europese integrale gemeenschappelijk marktordeningsverordening (iGMO) biedt hiertoe faciliteiten. Ik juich het toe indien het bedrijfsleven daar gebruik van gaat maken, om de marktpositie van aangesloten leden te versterken.

83

Is de regering bereid om beleidsdoelen van artikel 16 te concretiseren? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 59.

84

Kan de regering aangeven hoe de lessen uit de reeds afgeronde beleidsdoorlichtingen van artikel 16 en 17 terug te vinden zijn in het beleidsinstrumentarium van EZ? Zo ja, waar en hoe? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 62

85

Kunt u een overzicht geven van de controle-activiteiten van Nederland in de afgelopen 4 jaar op de Europese Verordening tot bescherming van dieren tijdens transport (EG Nr. 1/2005).

Antwoord

De controle-activiteiten op dierenwelzijn van de NVWA op het gebied van transport (m.b.t. EG Nr. 1/2005) worden gecategoriseerd in 4 groepen. Ten eerste worden de reisjournalen van de diertransporten geïnspecteerd. Van 2011 tot en met 2014 hebben hier respectievelijk 11.485, 8.666, 7.878 en 7.537 controles op plaatsgevonden. Ten tweede vinden er vervoerscontroles plaats (wegtransport, slachthuis, verzamelcentra en primair bedrijf). Van 2011 tot en met 2014 hebben hier respectievelijk 2.644, 2.273, 2.362 en 1.822 controles op plaatsgevonden. De dalende lijn die zowel bij de controles op de reisjournalen als bij de vervoerscontroles wordt geconstateerd is onder andere te verklaren door minder transportbewegingen richting Rusland en de Arabische landen. Ook spelen de economische omstandigheden een rol.

De overige twee controle-categorieën worden sinds 2014 specifiek geregistreerd binnen de NVWA. Het gaat om controles naar aanleiding van ontvangen rapporten van bevindingen van slachthuizen en verzamelcentrum (177 controles in 2014) en controles na het ontvangen van buitenlandse klachten dierenvervoer (49 controle sinds 2014). Naast de genoemde controles op dierenwelzijn vinden er bij export van levende dieren ook verplichte keuringen door de NVWA plaats (exportcertificering). Zie verder antwoord 88.

86

Hoeveel controles hebben er bij veetransporten plaatsgevonden en hoeveel overtredingen zijn daarbij geconstateerd?

87

Hoeveel en wat voor sancties zijn bij overtredingen bij veetransporten opgelegd en wat zijn de 10 meest voorkomende overtredingen?

Antwoord 86 en 87

In 2015 zijn tot op heden 2.020 controles op veetransporten geregistreerd. Dit zijn controles op zowel dierenwelzijn als regeling preventie (en in voorkomende gevallen op de regeling handel). Bij 378 controles is een interventie toegepast (60 boeterapporten, 43 processen-verbaal, 228 waarschuwingsbrieven en 47 rapporten van bevindingen). De meest voorkomende overtredingen in 2015 zijn het door houder of door vervoerder vervoeren van dieren die door bijvoorbeeld ziekte, verwondingen of slechte conditie niet geschikt zijn om te worden vervoerd. Het door de vervoerder niet beschikken over de juiste documenten om vakbekwaamheid aan te tonen en het overtreden van beladingsnormen en normen op het gebied van stahoogte, waardoor de dieren te weinig ruimte hebben. Daarnaast zijn overtredingen het niet in bezit hebben of onvolledig in het bezit hebben van vervoersdocumenten, geen of onvolledige reiniging en/of ontsmetting en niet in het bezit hebben van een getuigschrift en/of vervoersvergunning voor kort of lang transport.

Met betrekking tot exportcertificering vinden bij benadering 57.000 controles plaats (peildatum januari tot oktober 2015). Hierbij worden een beperkt aantal overtredingen gevonden, die met name I&R, R&O, transportwaardigheid of belading betreffen. Indien bij export de omissies niet opgeheven kunnen worden, vindt geen afgifte van het certificaat plaats.

88

Kan de regering aangeven hoeveel veetransporten er bij benadering, in, door en vanuit Nederland hebben plaatsgevonden? Hoeveel procent hiervan is gecontroleerd?

Antwoord

In de periode van 1 januari tot en met 10 oktober 2015 zijn er 54.473 import-, 74.202 export- en 13.932 doorvoerzendingen in TRACES geregistreerd, waarbij moet worden meegenomen dat meerdere zendingen samen één transport kunnen vormen. Voor het overgrote deel van zendingen levende dieren, in ieder geval voor runderen, varkens, paarden, schapen en geiten, die vanuit Nederland op export gaan naar bestemmingen binnen en buiten Europa, geldt dat de hele partij voorafgaand door een officiële dierenarts wordt gecontroleerd. Bij importen van levende dieren en levende producten geldt dat er een percentage van 10% (streefpercentage) wordt gecontroleerd. Verder zijn er in 2015 zijn tot op heden 972 binnenlandse vervoersbewegingen, 9 exporten naar derde landen en 414 intracommunautaire vervoersbewegingen (import, export en doorvoer) gecontroleerd.

89

Hoeveel slachterijen moeten gelet op het aantal dieren dat zij slachten een Animal Welfare Officer hebben (artikel 17, EC No 1099/2009) en van hoeveel heeft de NVWA vastgesteld dat dit het geval is?

Antwoord

In 2014 slachtten 84 slachthuizen hoefdieren meer dan 1000 GVE. Deze slachthuizen moeten een functionaris voor het dierenwelzijn aanstellen en dat is ook in alle gevallen gerealiseerd. Van de 24 actieve pluimveeslachthuizen zijn er 3 die minder slachten dan 150 000 stuks per jaar; er zijn dus 21 slachthuizen waarvoor een Functionaris dierenwelzijn verplicht is. Van deze pluimveeslachthuizen hebben 17 een Functionaris dierenwelzijn aangesteld, van de overige 4 is deze informatie niet voorhanden. In oktober 2015 is het NVWA Verbeterplan pluimveeslachthuizen gestart in alle pluimveeslachthuizen. Hiermee zal dergelijke informatie in 2016 inzichtelijk worden. Er is geen slachthuis waar meer dan 150 000 konijnen per jaar of meer worden geslacht.

90

Slachterijen moeten krachtens artikel 6 van de verordening (EC No 1099/2009) Standing Operating Procedures (SOP) opstellen; controleert de NVWA op de aanwezigheid van deze SOP’s? Zo ja, wat zijn de resultaten van deze controles? Zo Nee, waarom gebeurt dit nog niet?

Antwoord

Jaarlijks wordt er in alle slachthuizen een Systeeminspectie doden uitgevoerd te worden door de NVWA. SOPs oftewel Standaardwerkwijzen worden in deze jaarlijkse inspectie inhoudelijk beoordeeld.

In het kader van het Verbeterplan roodvlees is er onder andere gekeken naar de aanwezigheid van Standaardwerkwijzen en hieruit komt dat tot en met september 2015, 153 van de 160 gecontroleerde slachthuizen standaardwerkwijzen hebben voor het onderdeel «ontvangen en onderbrengen» en 156 van de 168 slachthuizen standaardwerkwijzen voor het onderdeel «bedwelmen en doden».

In oktober 2015 is het NVWA Verbeterplan pluimveeslachthuizen gestart in alle pluimveeslachthuizen. Hiermee zal soortgelijke informatie over de aanwezigheid van standaardwerkwijzen in 2016 inzichtelijk worden.

91

Kan de regering aangeven hoeveel bedrijven palingen doden en hoeveel van deze bedrijven inmiddels de benodigde bedwelmingsapparatuur hebben geïnstalleerd en in gebruik hebben?

Antwoord

Er zijn ca. 21 palingrokerijen die op grotere schaal paling opkopen, verwerken en roken. Zij leveren ook paling aan kleine rokerijen. Eind 2014 is een subsidieregeling opengesteld voor ondernemers die een bedwelmingsapparaat wilden aanschaffen om te kunnen voldoen aan de regeling «bedwelmen aal». Deze regeling is gebruikt voor de aanschaf van 8 bedwelmingsapparaten voor grote hoeveelheden aal en van 15 apparaten voor het bedwelmen van kleinere hoeveelheden aal.

92

Krachtens artikel 13 van de verordening (EC No 1099/2009) zullen lidstaten het opstellen en verspreiden van gidsen van goede praktijken stimuleren. Wat heeft Nederland op dit punt tot nu toe gedaan? Zijn er al gidsen van goede praktijken opgesteld en zo ja, welke? Wat gaat de regering in 2016 op dit punt doen?

Antwoord

In overleg met de NVWA zijn er zijn 2 gidsen van goede praktijken ontwikkeld. Het gaat om een gids voor kleine slachthuizen hoefdieren en om een gids voor pluimveeslachthuizen. Deze worden als werkdocument gebruikt die na een jaar gebruik zullen worden geëvalueerd. Daarna zullen ze, na eventuele aanpassing, ter goedkeuring aan het Ministerie van EZ worden voorgelegd. De brancheorganisaties voor middelgrote en grote slachthuizen werken ook aan een gids. Ten slotte ontwikkelen de verzamelcentra eveneens een gids van goede praktijken. De NVWA biedt ze hierin ondersteuning. Als deze gids klaar is zal er een jaar mee gewerkt worden en worden geëvalueerd voordat de gids ter goedkeuring wordt aangeboden aan het Ministerie van EZ.

93

Hoe staat het met de plannen van bedrijven die de bedwelmingsmethode voor paling nog niet hebben ingevoerd, ziet de NVWA er op toe? Wat gaat u doen met bedrijven die deze methode op 31-12-2015 nog niet hebben ingevoerd? Bent u bereid de laatstgenoemde categorie bedrijven te sluiten? En hoe gaat u dit toepassen voor de uit het wild gevangen paling?

Antwoord

De regeling «bedwelmen aal» waarin de verplichting is opgenomen om aal te bedwelmen voor de slacht, is nog niet in werking getreden. Handhaving door de NVWA is derhalve nog niet aan de orde. De regels voor het bedwelmen van aal zullen voor zowel kweekaal als voor aal uit het wild gelden.

94

Kan de regering aangeven hoeveel bedrijven meerval doden en hoeveel van deze bedrijven inmiddels de hiervoor ontwikkelde welzijnsvriendelijkere bedwelming hebben ingevoerd?

Antwoord

Er zijn ca. 4 verwerkers van meerval/claresse. De grootste verwerker (ca. 40% van het totaal) maakt reeds gebruik van een bedwelmingsapparaat.

95

Hoe staat het met het ontwikkelen van bedwelmings- en dodingsmethoden voor andere vissoorten?

Antwoord

De specificaties voor een bedwelmingsapparaat voor kweektarbot en Yellowtail kingfish zijn afgerond.

Het is nu aan het bedrijfsleven om deze apparaten verder te ontwikkelen.

96

Hoe staat het met het realiseren van een wettelijke basis voor permanent toezicht bij onbedwelmd slachten en in hoeverre vindt dit permanent toezicht inmiddels plaats?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 8.

97

Wanneer kan de Kamer de eerste evaluatie van het convenant onbedwelmd slachten verwachten?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 9.

98

Hoeveel budget had het Wageningen UR instituut IMARES hier de afgelopen 4 jaar voor en hoeveel budget is hiervoor de komende 4 jaar beschikbaar?

Antwoord

In het kader van het convenant onbedwelmd slachten is geen budget voor IMARES beschikbaar geweest en voor de komende 4 jaar wordt naar verwachting geen budget beschikbaar gesteld.

99

Kan de regering aangeven hoeveel pluimveeslachterijen er zijn en welke bedwelmingsmethode ze gebruiken?

Antwoord

In 2015 zijn er 24 pluimveeslachthuizen actief: 13 gebruiken gasverdoving (waarvan één bedrijf zowel gasbedwelming op een slachtlijn als waterbadbedwelming op een andere lijn), 9 gebruiken waterbadverdoving (waaronder het hiervoor genoemde slachthuis met beide methoden), en de laatste 2 slachthuizen gebruiken kopbedwelming of slachten ritueel zonder voorafgaande bedwelming. Op dit moment wordt meer dan 80% van het pluimvee met gasbedwelming bedwelmd.

100

Wat is de stand van zaken met betrekking tot artikel 27 van de EU Verordening inzake de bescherming van dieren bij het doden, waarin wordt gesteld dat de Europese Commissie uiterlijk 8 december 2014 een rapport zal indienen over de mogelijkheid om regels te stellen voor het beschermen van het welzijn van vissen tijdens het doden?

Antwoord

De Europese Commissie heeft recent aangegeven dat alle mogelijke nieuwe initiatieven worden aangehouden tot de discussie binnen de Europese Commissie over de toekomstige richting van dierenwelzijn. Het is nog niet duidelijk wanneer dat debat zal plaatsvinden.

101

Kan de regering aangeven of de slachthuizen die nog de waterbadmethode gebruiken plannen hebben deze door een betere methode te vervangen en per wanneer?

Antwoord

Alle grote slachterijen gebruiken inmiddels gasverdoving. Eén bedrijf heeft de omschakeling naar kopbedwelming in de testfase in gebruik. De bedrijven die nog niet omschakelen van de waterbadmethode, zijn meestal de kleinere bedrijven voor specifieke groepen: biologisch, halal of ouderdieren. Of het zijn bedrijven waarvoor volledige omschakeling op dit moment economisch niet haalbaar is. Ik blijf met de sector het gesprek voeren over de overwegingen om over te schakelen en over hoe kan worden geholpen om verbeteringen door te voeren.

102

Hoe wordt bij pluimveeslachterijen die nog de waterbadmethode hanteren er op toegezien dat zij daarbij de juiste elektrische parameters gebruiken om zo adequaat mogelijk te bedwelmen? Kan dit automatisch zeker gesteld worden en wat doet de NVWA?

Antwoord

De NVWA controleert in het slachthuis dagelijks de ingestelde parameters van het waterbad. Tevens worden regelmatig checks uitgevoerd door een speciaal inspectieteam dat metingen verricht met de oscilloscoop en een «elektrische meetkip».

103

Is onderzoeksgeld opgenomen in de begroting om het doden van krabben en kreeften op een acceptabele manier verder te onderzoeken, nu blijkt uit een literatuurstudie van IMARES dat er onvoldoende kennis is?

Antwoord

Er is geen onderzoeksgeld opgenomen in de begroting om het doden van krabben en kreeften verder te onderzoeken. Ik heb uw Kamer per brief (Kamerstuk 21 501-32, nr. 848) aangegeven dat o.a. in Ierland onderzoek wordt voortgezet naar pijnervaring bij krabben en kreeften. Ik blijf dit internationale onderzoek met belangstelling volgen.

104

Kan de regering aangeven wat haar operationele doelen zijn die worden beoogd met de begroting voor aankomend jaar, op het gebied van verbetering van het dierenwelzijn binnen de kweekvissector?

Antwoord

De komende periode zal verder onderzoek gedaan worden naar verbetering van de waterkwaliteit in recirculatie systemen.

105

Kan de regering aangeven hoeveel budget er gaat naar onderzoek over het welzijn van vissen en het verbeteren van het welzijn van vissen?

106

Kan de regering aangeven welk deel van de begroting gereserveerd is om het welzijn van kweekvissen te verbeteren?

107

Kan de regering aangeven welk deel van de visserijbegroting gereserveerd is om onderzoek uit te voeren naar het verminderen van leed tijdens de wildvangst en het bedwelmen en doden van uit het wild gevangen vissen, krabben en kreeften aan boord van schepen?

Antwoord 105 t/m 107

Er loopt een driejarig programma (2014–2016) dat gericht is op ontwikkeling van een haalbaar, toepasbaar en handhaafbaar systeem om zeevis aan boord te bedwelmen en te doden. Het onderzoek beperkt zich tot de platvissoorten schol, tong en schar die op Nederlandse vissersschepen worden gevangen. Daarnaast loopt een onderzoek ten behoeve van de uitvoering aquacultuur. Het betreft een vierjarig programma (2015–2018), naar het verbeteren van de waterkwaliteit in recirculatiesystemen. Voor deze lopende meerjarige programma’s is respectievelijk € 150.000 en € 85.000 gereserveerd en maakt deel uit van van het beleidsondersteunend onderzoek op het gebied van dierenwelzijn.

108

Is de regering bereid vervanging van waterbadmethode te verplichten of bent u bereid pluimveeslachterijen die nog de waterbadmethode voor bedwelming gebruiken onder verscherpt toezicht te plaatsen. Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

De waterbadbedwelming is een in Verordening 1099/2009 toegelaten methode, die nationaal niet verboden kan worden, of aan strengere voorschriften gebonden kan worden. De dagelijkse inspecties ter controle van de elektrische waterbaden (zie ook het antwoord op vraag 102) is een vorm van verscherpt toezicht. Zie ook mijn antwoord op vraag 101.

109

Hoeveel veehouders zijn er die Belgisch Blauwen en Verbeterd Roodbont rundvee houden en hoeveel zijn er werkelijk bereid aan het plan van aanpak mee te werken? Klopt het dat een aanzienlijk deel van deze vleesveehouders niet aan het project willen deelnemen?

Antwoord

Er zijn in Nederland zo’n 1300 houders van raszuivere dieren van de genoemde rassen. Daarvan is 35% aangesloten bij een stamboek. Bij de start van het project Bijzonder natuurlijk luxe in 2015 is door de projectgroep (stamboeken, KNMvD en overheid) een inschatting gemaakt van de bereidwilligheid om het aantal routinematig uitgevoerde keizersneden omlaag te brengen. Op basis daarvan is besloten om gericht communicatiemiddelen in te zetten en zo meer draagvlak te creëren.

110

Waarom wordt 300.000 euro uitgeven aan een plan van aanpak om de incidentie van keizersneden bij Belgisch Blauwen en Verbeterd roodbont terug te dringen, terwijl onmiddellijk overgestapt kan worden op vleesveerassen die het probleem van hoge incidentie van keizerseden niet hebben?

Antwoord

Mijn inzet is gericht op een houderij die meer aandacht besteedt aan de intrinsieke waarde van het dier en gericht is op het terugdringen van ingrepen. De voorlopers in deze groep zijn actief en werken zowel aan een gewijzigd fokprogramma als uitgebreide communicatie, die ook gericht is op de niet aangeslotenen. Voor de voortgang verwijs ik u naar mijn stand van zakenbrief dierenwelzijn van 30 maart 2015 (Kamerstuknummer 28 286 nr. 799).

111

Kan de regering aangeven hoe de begroting, de personeelsformatie en de onderzoekagenda van het Varkens Innovatie Centrum Wageningen Universiteit en Research VIC Sterksel er oorspronkelijk voor 2015 uitzagen en welke bezuinigingen hierop hebben plaatsgevonden?

Antwoord

De oorspronkelijke begroting van het VIC Sterksel betrof ongeveer € 2,7 miljoen per jaar. Grofweg te verdelen in € 1,3 miljoen voor onderzoek en € 1,4 miljoen uit opbrengsten en activiteiten eigen bedrijf. Bij het VIC werkten 14 medewerkers tot medio 2015. Als invulling van de bezuinigingen heeft het VIC Sterksel afscheid moeten nemen van 7 medewerkers. Daarnaast is een aantal onderzoeksprojecten vertraagd of stopgezet, vooral praktijkgerichte onderzoeken. De onderzoeksagenda bevat projecten in het kader van topsector A&F en is vooral gericht op dierenwelzijn, milieu en diergezondheid in de varkenshouderij.

112

Hoe staat het met het project ter uitvoering van de Verklaring van Dalfsen inzake het stoppen met couperen van de varkensstaart?

Antwoord

Over het couperen van staarten bij biggen heb ik u geïnformeerd in mijn brieven van 4 april 2014 (Kamerstuknummer 28 286, nr. 729) en 2 december 2014 (Kamerstuknummer 28 286, nr. 773). Zoals ook aangegeven in deze brieven verrichten de verklaringspartners met WageningenUR een onderzoek «Verantwoord omgaan met staarten» dat inzicht zal geven of en welke perspectiefvolle oplossingsrichtingen bestaan. Verwacht wordt dat eind 2015 alle resultaten beschikbaar zijn. Indien er perspectiefvolle oplossingsrichtingen zijn zullen deze in de dagelijkse praktijk worden uitgeprobeerd. De verklaringspartners verkennen daarnaast met counterparts in een aantal Europese landen de mogelijkheden om gezamenlijk op te trekken en te komen tot vergelijkbare afspraken als in de Verklaring van Dalfsen.

113

Welk bedrag is er in 2016 gereserveerd voor de inzet tegen dolfijnenslachtingen in Japan en op de Faröer?

Antwoord

Er zijn geen bedragen voor dit doel gereserveerd op de begroting voor 2016.

114

Wat is de inzet van Nederland om de lijst van bedreigde Europese vissoorten te verlagen en hoeveel budget is hiervoor uitgetrokken?

Antwoord

Er zijn diverse lijsten waarop bedreigde Europese vissoorten staan, maar gelet op de context van de vraag ga ik ervan uit dat u doelt op de soorten van artikel 12 uit de jaarlijkse verordening voor de vangstmogelijkheden («TAC en quotum verordening»). Het betreft hier soorten waarvoor een verbod geldt om gevangen exemplaren aan boord te houden, over te laden of aan te landen. Zij moeten onmiddellijk en voorzichtig worden teruggezet, waar mogelijk ongedeerd. Het gaat hier om haaien en roggen die zeldzaam of bedreigd zijn en niet aangeland mogen worden. Pas als de soorten of bestanden hersteld zijn, kunnen ze na een wetenschappelijke evaluatie van de lijst af. De soorten in kwestie, zoals de mantarog en reuzenhaai, worden nauwelijks door de Nederlandse vissers bijgevangen. Maar andere soorten soms wel. Binnenkort ontvangt u van mij een Kader Richtlijn Marien-haaien actieplan voor de Noordzee in het kader van de mariene strategie. Hierin geef ik ook aan hoe ik met deze lijst wil omgaan en hoe ik samen met de buurlanden wil bijdragen aan het herstel van haaien en roggen in de Noordzee.

115

Wat is de stand van zaken met betrekking tot het wetsvoorstel dieraantallen en volksgezondheid?

Antwoord

Het wetsvoorstel wordt momenteel voorbereid. Ik verwacht het wetsvoorstel begin 2016 aan uw Kamer te kunnen sturen.

116

Is, op grond van de betreffende passage in de begroting, de veronderstelling juist dat gemeenten via de wet dieraantallen en volksgezondheid geen bevoegdheden krijgen om de veehouderij te reguleren?

Antwoord

Ja.

117

Wat is de reden dat de regeling fijnstofmaatregelen verhoogd wordt voor 2016?

Antwoord

De regeling fijnstofmaatregelen is voor het laatst opengesteld in 2014. De begrote bedragen betreffen uitfinanciering van de openstellingen 2013 en 2014. Het begrote bedrag in 2016 betreft uitbetalingen van de openstellingen 2013 en 2014. Het begrote bedrag in 2017 betreft het restant van de uitbetalingen van de openstelling 2014.

118

Hoe is het verschil te verklaren tussen de middelen die voor apurement zijn begroot in de jaren 2014 en 2015?

Antwoord

De Europese Commissie kan, in het kader van de goedkeuring van door Nederland ingediende declaraties van subsidiebetalingen, financiële correcties opleggen als zij achteraf een door Nederland gehanteerde toepassing van Europese subsidieregelgeving niet deelt. Voor 2014 betreft het opgenomen bedrag van € 35,247 mln een betaling op een correctiebesluit van de Europese Commissie over de periode 2008–2010, waarover de Tweede Kamer in 2013 is geïnformeerd (Kamerstuknummer 21 501 32, nr. 762, d.d. 20 december 2013). Op de EZ-begroting is voor 2015 en verder een vast bedrag van € 7,289 mln. per jaar opgenomen voor financiële correcties vanuit de Europese Commissie. Mee- of tegenvallers ten opzichte van dit bedrag worden aan de begrotingsreserve toegevoegd of onttrokken. De interne begrotingsreserve is bestemd voor het terugbetalen van financiële correcties van de Europese Commissie en is gebaseerd op de in recente jaren ontvangen correctiebesluiten van de Europese Commissie. EZ heeft maatregelen genomen om de risico’s op toekomstige financiële correcties te verkleinen door interpretaties van Europese regelgeving zoveel mogelijk vooraf aan de Europese Commissie ter verduidelijking voor te leggen.

119

Waarom wordt er geen doorgang gegeven aan de reeks interne begrotingsreserves landbouw en apurement?

Antwoord

De voor 2014 en 2015 bij de uitgaven op pagina 92 van de begroting van Economische Zaken opgenomen bedragen betreffen de in deze jaren in de desbetreffende reserves gestorte begrotingsbedragen. Omdat er voor de jaren 2016 en verder geen stortingen worden voorzien maar alleen onttrekkingen, zijn er voor deze jaren geen bedragen opgenomen. De gerealiseerde en geplande onttrekkingen aan de reserves vindt u in de tabel op pagina 93 bij de ontvangsten.

120

Hoe is de afbouw te verklaren in de begrootte middelen voor overige plantaardige productie?

Antwoord

De geraamde bedragen betreffen de uitfinanciering op enkele kleinere en aflopende regelingen, zoals de Investeringsregeling Energiebesparing (IRE), de Demonstratieregeling Schoon en Zuinig en de Set Aside regeling. Omdat op geen van deze regelingen een nieuwe openstelling wordt voorzien in de komende jaren, lopen de bedragen af.

121

Kan de regering een meerjarenoverzicht geven vanaf 2008 over het gerealiseerde percentage duurzame stallen? Kunt u dit weergeven als percentage van de nieuwe stallen en als percentage van het totale aantal stallen?

Antwoord

Onderstaand overzicht geeft een weergave van het percentage duurzame stallen ten opzichte van het totaal aantal stallen. Vanaf 2016 zal het aantal gerealiseerde duurzame stallen ook worden weergegeven als percentage van het aantal nieuwe stallen op basis van gegevens van de Landbouwtelling.

 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Realisatie peildatum 1 januari

2,2%

2,6%

3,4%

4,5%

5,7%

10,3%

11,3%

122

Kan de regering een overzicht geven van de doelstellingen duurzame stallen zoals die gepresenteerd waren in de begrotingen 2008 t/m heden? Waarom zijn de doelstellingen veranderd? Wilt u voortaan niet meer alleen de raming aangeven in de begrotingsindicator maar de daadwerkelijk gerealiseerde resultaten?

Antwoord

De doelstellingen voor het aandeel duurzame stallen als percentage van het totaal aantal stallen zijn als volgt. Deze doelstellingen zijn niet veranderd, maar worden wel jaarlijks aangevuld voor het betreffende begrotingsjaar.

 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Ambitie

1,2%

2,8%

5%

6%

8%

10%

12%

De doelstellingen betreffen het vergroten van het aandeel duurzame stallen ten opzichte van het totaal. Daarnaast is er samen met de partijen van de Uitvoeringsagenda duurzame veehouderij (UDV) de doelstelling van 100% integraal duurzame stallen afgesproken (Kamerstuknummer 28 973, nr. 139, d.d. 23 april 2014). Dit houdt in dat vanaf 2015 alle nieuwbouw stallen zullen voldoen aan het niveau plusstal. Plusstallen scoren op de belangrijkste duurzaamheidaspecten (dierenwelzijn, milieu, energie, ammoniak, etc.) boven het huidige wettelijke niveau. Voor deze Plusstallen geldt dat ze moeten voldoen aan 60% van het totaal aantal vereiste punten voor het niveau van fiscale tegemoetkoming van de Maatlat Duurzame Veehouderij èn per duurzaamheidthema minstens 40% van het aantal punten. De zogenaamde 40/60 norm. Zoals hiervoor is aangegeven wordt jaarlijks in de begroting de ambitie weergegeven voor het aankomende jaar in % duurzame stallen van het totaal. De gerealiseerde resultaten worden jaarlijks in het jaarverslag weergegeven.

123

Kan de regering uitsplitsen welke subsidies er voor duurzame stallen zijn en kunt u aangeven voor wat voor soort stallen deze bedoeld zijn (biologische stallen, vrijloopstallen, luchtwassers of iets dergelijks).

Antwoord

Voor 2015 en verder zijn geen specifieke subsidieregelingen voor duurzame stallen opengesteld of voorzien. De investeringsregeling duurzame stallen (PAS-variant) is voor het laatst opengesteld in 2014. De begrote bedragen betreffen uitfinanciering van de openstellingen 2013 en 2014.

Wel kunnen ondernemers die een integraal duurzame stal realiseren gebruik maken van de bestaande generieke fiscale regelingen «milieu investeringsaftrek» (MIA) en «Willekeurige Afschrijving milieu-investeringen» (Vamil) en de Garantstellingsregeling Landbouw Plus onder de voorwaarde dat de stal voldoet aan de Maatlat duurzame veehouderij.

124

Wat zijn de beleidsoverwegingen om de subsidie voor Marktintroductie Energie Innovaties (MEI) van € 8.642.000 in 2014 naar € 5.636.000 in 2015 naar € 3.689.000 in 2016 naar € 1.289.000 in 2017 bij te stellen?

Antwoord

In de Meerjarenafspraak Energietransitie Glastuinbouw 2014–2020 (kamerstuk 2013–2014 32 627 nr. 17) heb ik met de glastuinbouwsector afgesproken om te intensiveren op de Investeringsregeling Milieuvriendelijke Maatregelen (IMM) en deze open te stellen in de jaren 2014, 2015, 2016 en 2017. Tevens is afgesproken de regeling Marktintroductie Energie Innovaties (MEI) niet meer in 2014 en 2015 maar pas weer vanaf 2016 open te stellen. Dit past bij het stadium van het programma Kas als Energiebron, met prioriteit (via de IMM) voor het uitrollen van ontwikkelde en in de praktijk beproefde energiebesparingsinvesteringen samen met het ontwikkelen van nieuwe verdergaande innovaties via onderzoek, waarbij een eerste praktijktoepassing na enkele jaren te verwachten is.

Daarnaast blijkt in de praktijk dat aanvragers van MEI-subsidie meerdere jaren nodig hebben om het project te realiseren.

Dit verklaart de afname van het uitgavenverloop voor de MEI t/m 2017. Het gaat daarbij om de afwikkeling van de projecten die in de eerdere openstellingen t/m 2013 zijn gehonoreerd. Vanaf 2018 nemen de geraamde uitgaven weer toe omdat dan weer uitgaven verwacht worden voor de projecten die bij de openstelling in 2016 en 2017 gehonoreerd gaan worden.

125

Kan de regering aangeven onder hoeveel bedrijven de subsidies voor IMM en MEI zijn verdeeld in 2014 en 2016?

Antwoord

De openstelling van de IMM van 2014 heeft geleid tot 73 goedgekeurde subsidieaanvragen.

Voor 2016 is het aantal begunstigde bedrijven nog niet te geven.

126

Waarom wordt de investeringsregeling duurzame stallen en de regeling fijnstofmaatregelen na 2017 afgeschaft?

Antwoord

De investeringsregeling duurzame stallen (PAS-variant) en de regeling fijnstofmaatregelen zijn voor het laatst opengesteld in 2014. De begrote bedragen betreffen uitfinanciering van deze subsidieregelingen.

127

Worden er minder aanvragen voor MEI verwacht.

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 124.

128

Kiest de regering er bewust voor om minder geld te investeren in duurzame energie?

Antwoord

Nee. In de recente Kamerbrief over de nationale energieverkenning 2015 (Kamerstuknummer 30 196, nr. 363) is juist extra inzet benoemd. De specifieke budgetten voor de glastuinbouw zijn conform de afspraken in de Meerjarenafspraak Energietransitie Glastuinbouw 2014–2020. Daarbij is de trias energetica leidend met als uitgangspunt dat de energietransitie voor de sector economisch rendabel is. Er wordt dus ingezet op zoveel mogelijk besparen, waarna duurzame energie aan de orde komt en als sluitstuk de optimalisering van resterend gebruik van fossiele energie. Door deze werkwijze wordt voorkomen dat duurzame energie ingezet wordt voor een energievraag die niet noodzakelijk is. De keuze van de regering moet daarom ook bezien worden in samenhang met de overige instrumenten in het programma Kas als Energiebron. Zie verder het antwoord op vraag 124.

129

Hoe rijmt de regering dit met het streven naar duurzaamheid in de productie van plantaardige producten

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 124.

130

Kiest de regering hierbij voor grote projecten welke om relatief grote investeringen vragen of juist voor kleinere ondernemers met een relatief geringe investering?

Antwoord

De subsidieregeling marktintroductie energie innovaties (MEI) maakt geen onderscheid naar grote of kleine projecten of grote of kleine ondernemers.

131

Speelt de omvang van de investering een rol bij het wel of niet toekennen van een subsidie en zo ja, welke?

Antwoord

De omvang van de investering speelt geen rol bij het wel of niet toekennen van subsidie voor de MEI. De subsidie is wel gemaximeerd op € 1,5 miljoen per project.

132

Over hoeveel budget zal het Ministerie van Economische Zaken in 2016 beschikken voor beleidsondersteunend onderzoek op het gebied van dierenwelzijn?

Antwoord

Het budget waarover het Ministerie van Economische Zaken zal beschikken in 2016 voor beleidsondersteunend onderzoek op het gebied van dierenwelzijn is nog niet bekend. De reden hiervan is dat het offertetraject nog loopt.

133

Hoe groot was het budget voor beleidsondersteunend onderzoek op het gebied van dierenwelzijn in voorgaande jaren (sinds 2010)?

Antwoord

Sinds 2010 is ongeveer € 7 miljoen besteed aan beleidsondersteunend onderzoek op het gebied van dierenwelzijn.

134

Wat wordt verstaan onder de post opdrachten agrarisch ondernemerschap?

Antwoord

Dit betreft de overheidsinzet voor agrarisch Nederland bij het wereldwijd opzetten, verbeteren en versterken van duurzame ketens. Dit in nauwe samenwerking met het Landbouwradennetwerk.

135

Hoe verhouden de bezuinigen op de NVWA zich tot de taken die de NVWA moet uitvoeren?

136

Kan de regering aangeven wat de NVWA nu niet meer kan of gaat doen nu de middelen terug lopen?

Antwoord 135 en 136

De daling van het budget van de NVWA in 2016 en volgende jaren heeft meerdere oorzaken. Een algemene trend is dat het totaal aantal uren voor toezicht krimpt en dat daarbinnen het aandeel verplichte EU-controles toeneemt, hetgeen ten koste gaat van het overig toezicht. De door de NVWA te verrichten werkzaamheden worden in jaarplannen vastgelegd. Het jaarplan 2016 is op dit moment nog niet gereed. Over de wijze van prioritering heb ik u geïnformeerd in het Plan van Aanpak NVWA van 19 december 2013 (Kamerstuk 33 835, nr. 1). Ik verwijs u verder naar de 3e voortgangsrapportage Plan van Aanpak NVWA die op 16 oktober jl. aan uw Kamer is gestuurd. Daarin is aangegeven dat de financiële kaders van de NVWA onderwerp vormen van overleg met als doel een duurzame balans te vinden tussen kosten en baten. Over de uitkomst van dit overleg wordt uw Kamer separaat geïnformeerd.

137

Waarom zijn er na 2015 geen ontvangsten meer geraamd op het gebied van voedselveiligheid en kwaliteit?

Antwoord

Het voor 2015 geraamde bedrag betreft de terugstorting door subsidieontvangers van in eerdere jaren te veel aan hen uitbetaalde voorschotten op subsidies. Omdat dit bedrag jaarlijks aanzienlijk kan fluctueren, wordt elk jaar bezien welk bedrag aan ontvangsten verwacht kan worden. Daarom is er na 2015 nog geen ontvangstenraming opgenomen.

138

Waarom is er geen begrotingsreserve geraamd na 2018?

Antwoord

De van 2015 tot en met 2018 opgenomen bedragen onder interne begrotingsreserves betreffen niet de reserves zelf, maar de voor deze jaren geplande onttrekkingen aan de interne begrotingsreserves landbouw, visserij, borgstellingsfaciliteit en apurement. Met deze onttrekkingen, die als ontvangst op de begroting worden gepresenteerd, financiert het Ministerie van EZ uitgaven op het gebied van de uitfinanciering van subsidieregelingen (landbouw en visserij), verliesdeclaraties op basis van garantiestellingen (borgstellingsfaciliteit) en door de Europese Commissie aan Nederland opgelegde correcties als gevolg van onjuiste uitvoering van EU-regelgeving (apurement). Omdat het voor de jaren 2019 en verder zeer onzeker is welke bedragen er aan de reserves onttrokken dienen te worden, is er voor deze jaren geen bedrag opgenomen in de tabel.

139

Naar welke instituten en welke programma's gaan de ruim 121 miljoen euro aan beschikbaar gestelde gelden voor onderzoek in opdracht?

Antwoord

Op de terreinen van Agro en Natuur subsidieert het Ministerie van EZ jaarlijks onderzoeksprogramma's van de stichting DLO. De opdrachten worden niet verleend aan de afzonderlijke instituten van DLO. Bij een onderzoeksprogramma kunnen meerdere DLO-instituten betrokken zijn.

De onderzoeksprogramma's bestaan uit Kennisbasis, voor het langere termijn funderend onderzoek; Beleidsondersteunend Onderzoek voor beleid op het gebied van Agro en Natuur; Wettelijke Onderzoekstaken op de terreinen voedselveiligheid, besmettelijke dierziekten, visserijonderzoek, economische informatievoorziening, genetische bronnen en natuur & milieu. Tot slot betreft het onderzoek ten behoeve van de topsectoren Agri&Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen.

140

Welke concrete resultaten heeft de verplichte vergroening als voorwaarde voor een GLB-subsidieaanvraag reeds opgeleverd?

Antwoord

Uit de in 2015 ingediende aanvragen komt het volgende voorlopige beeld naar voren inzake de invulling van de verplichte vergroening:

In totaal heeft RVO.nl 50.100 aanvragen BBR2015 ontvangen. Hiervan moeten 14.100 aanvragen voldoen aan de eisen van gewasdiversificatie. Voor het voldoen aan de eis van 5% ecologisch aandachtsgebied hebben 10.400 aanvragers hier invulling gegeven middels de algemene lijst. In onderstaande tabel is aangegeven op welke wijze gebruik is gemaakt van de algemene lijst.

Maatregel 5% algemene lijst

Aantal aanvragen

Oppervlakte

(hectaren)

– Vanggewassen

9.500

157.200

– Stikstofbindende gewassen hoofdgewas

890

5.300

– Hakhout met korte omlooptijd (wilg)

370

170

– Akkerranden

1.500

2.300

Invulling vergroening middels de algemene lijst

Van de mogelijkheid de 5% ecologisch aandachtsgebied in te vullen door middel van een equivalent pakket hebben 320 aanvragers gebruik gemaakt. In tabel 2 is de verdeling over de equivalente pakketten weergegeven.

Maatregel 5% equivalente pakketten

Aantal aanvragen

– Akkerbouw-strokenpakket

80

– Veldleeuwerikpakket

240

Invulling vergroening middels equivalente pakketten

Circa 20 aanvragers vullen de eis van 5% ecologisch aandachtsgebied in door deel te nemen aan een collectief. Er zijn hiervoor 6 collectieven ingediend voor 1 april 2015. De maatregel «in stand houden blijvend grasland» is ingevuld als monitoring op nationaal niveau, dat het areaal blijvend grasland op nationaal niveau voldoende in stand wordt gehouden. Deze maatregel is vooralsnog niet op individueel niveau ingevuld. Voor het jaar 2015 voldoet Nederland aan deze eis.

Specifiek voor aanvragers met blijvend grasland in Natura2000 geldt de aanvullende eis van een ploegverbod. 3.400 aanvragers hebben blijvend grasland in Natura 2000 gebieden en dienen voor deze gronden aan deze aanvullende eis te voldoen. Na beoordeling van de aanvragen op de vergroeningseisen kan een definitief overzicht worden gegeven op welke wijze in Nederland invulling is gegeven aan de vergroening als voorwaarde voor een GLB subsidieaanvraag. Voor de wijze waarop de monitoring van de effecten van de vergroening is ingericht verwijs ik naar mijn antwoord aan de leden van de PvdA-fractie in mijn beantwoording van de inbreng Tweede Kamer in Schriftelijk Overleg informele Landbouwraad 31 mei–2 juni 2015 (Kamerstuknummer 21 501 32, nr. 843) van 27 mei 2015.

141

Wat zijn de voordelen voor agrarisch ondernemers om te kiezen voor een integraal duurzame stal ten opzichte van een plusstal? Welke rol speelt het Ministerie van Economische Zaken hierin?

Antwoord

Een agrarische ondernemer die een integraal duurzame stal bouwt die voldoet aan de normen van de Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) kan gebruik maken van de fiscale regelingen «milieu investeringsaftrek» (MIA) en «Willekeurige Afschrijving milieu-investeringen» (Vamil). Tevens kan hij gebruik maken van de Garantstellingsregeling Landbouw Plus voor een groter investeringsbedrag (80% van € 2,5 mln) in vergelijking tot de Garantstellingsregeling Landbouw (80% van € 600.000,–). De normen van de MDV worden vastgesteld door het College van deskundigen Agro/Food dierlijk. Het Ministerie van Economische Zaken is lid van dit college. Het beheer en de uitvoering van MDV vindt plaats door Stichting Milieukeur. De MIA- en Vamilregeling wordt uitgevoerd door RVO.nl in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. De Garantstellingsregeling Landbouw (Plus) wordt uitgevoerd door RVO.nl in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken.

142

Kunt u aangeven op basis waarvan hier een voorschot genomen wordt op de aanname dat er een significante relatie is tussen volksgezondheid en veehouderij? Heeft u hiervoor een wetenschappelijke onderbouwing?

Antwoord

Op dit moment is er geen wetenschappelijke onderbouwing dat intensieve veehouderij significante risico’s voor de volksgezondheid heeft. Het onderzoek staat echter niet stil en daarom ben ik voornemens om de Gezondheidsraad in 2016 te vragen om haar advies van 2012, «Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen», te actualiseren. Ook al is er thans geen gezondheidskundige onderbouwing voor deze relatie, de overheid heeft de verantwoordelijkheid de volksgezondheid te bevorderen en risico’s daarvoor te beperken. Het wetsvoorstel dieraantallen en volksgezondheid strekt ertoe om te kunnen optreden als dat in de toekomst noodzakelijk blijkt te zijn. Ik streef er naar het wetsvoorstel begin 2016 aan uw Kamer te sturen.

143

Welke ambities op het gebied van dierenwelzijn in score zijn er ten opzichte van de laatste «Staat van het dier» (april 2011)?

Antwoord

In het regeerakkoord «Bruggen Slaan» en de daaruit voortvloeiende Beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober 2013 (Kamerstuknummer 28 286 nr. 651) staan de dierenwelzijnsambities van dit Kabinet. Deze worden uitgevoerd en jaarlijks wordt uw Kamer daarover geïnformeerd via de stand van zakenbrief dierenwelzijn (Kamerstuknummer 28 286 nr. 799, d.d. 30 maart jl.) en – indien daar aanleiding toe is- ook via aanvullende brieven met daarin de stand van zaken inzake moties en toezeggingen inzake dierenwelzijn.

144

Wat is de doelwaarde voor het percentage integraal duurzame stallen in 2016 en daarna? Wanneer wordt de honderd procent bereikt?

Antwoord

De doelwaarde voor integraal duurzame stallen in 2016 is 14% van het totaal aantal stallen. Om invulling te geven aan de doelstelling van 100% integraal duurzame stallen hebben de partijen van de Uitvoeringsagenda duurzame veehouderij (UDV) afgesproken (Kamerstuk 34.000 XIII, nr. 45) dat vanaf 2015 alle nieuwbouw stallen tenminste zullen voldoen aan het basisniveau voor duurzaamheid in de veehouderij, de plusstal. Daarnaast kunnen ondernemers kiezen voor de realisatie van integraal duurzame stallen die voldoen aan de voorwaarden van de Maatlat duurzame veehouderij (MDV) en in aanmerking komen voor daarop gebaseerde fiscale en garantstellingsregelingen, Milieukeur en andere geborgde marktconcepten. De realisatie van de doelstelling dat alle stallen integraal duurzaam zijn is van meerdere factoren afhankelijk zoals de afschrijvingstermijn van stallen (gemiddeld 30 jaar), nieuwe leveringsvoorwaarden van marktpartijen op het gebied van duurzaamheid, de bedrijfsopvolgingssituatie en het economisch toekomstperspectief van individuele veehouderijbedrijven.

145

Wanneer wordt precies de evaluatie van de Meststoffenwet verwacht?

Antwoord

De Evaluatie van de Meststoffenwet wordt in het najaar van 2016 verwacht.

146

Wanneer komt u met extra maatregelen om de vervuiling van grond- en oppervlaktewater door mest en landbouwgif te beperken?

Antwoord

Met het nationale mestbeleid wordt invulling gegeven aan de doelstellingen uit de Europese Nitraatrichtlijn. Nederland is verplicht vierjaarlijks maatregelen te formuleren die – op termijn – moeten leiden tot realisatie van deze doelstellingen. Momenteel is het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn van kracht (2014–2017).

Deze zomer is een start gemaakt met de vierjaarlijkse evaluatie van de Meststoffenwet. De evaluatie zal in het najaar van 2016 worden afgerond. De evaluatie van de Meststoffenwet moet inzicht geven in het effect van het mestbeleid en de mate van doelrealisatie en vormt de basis voor het formuleren van de benodigde maatregelen voor de periode na 2017 om de doelen voor het grond- en oppervlaktewater te realiseren. De resultaten van de evaluatie vormen dan ook de basis voor de gesprekken met de Europese Commissie over het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn voor de periode 2018–2021.

In de nota «Gezonde Groei, Duurzame Oogst staan verschillende maatregelen die in de periode 2013 tot 2023 zullen worden genomen om de waterkwaliteit te verbeteren. Enkele voorbeelden: het verbreden van teeltvrije zones, het verder terugdringen van het verwaaien van gewasbeschermingsmiddelen en het zuiveren van afvalwater met gewasbeschermingsmiddelen door de glastuinbouw (Kamerstukken II 2012/13, 27 858, nr. 146). Deze maatregelen zullen worden opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. De wijziging van dit besluit zal naar verwachting op 1 januari 2017 in werking treden. Het zuiveren van afvalwater zal op 1 januari 2018 in werking treden.

147

Wanneer wordt precies de evaluatie van de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden verwacht?

Antwoord

Mijn beleid inzake gewasbescherming staat beschreven in de beleidsnota duurzame gewasbescherming «Gezonde groei, duurzame oogst», die eind 2012 naar uw Kamer is gestuurd (Kamerstuknummer 27 858, nr. 146). Hierin wordt aangekondigd dat in 2018 een tussenevaluatie plaatsvindt van alle gestelde doelen om de gewasbescherming te verduurzamen. Hierin betrek ik ook de (eind-) evaluatie van het nationaal actieplan duurzame gewasbescherming – dat onderdeel uitmaakt van de nota – (Kamerstuknummer 27 858 nr. 110).

148

Wanneer wordt – vijf jaar na aanname – de motie Van der Ham (Kamerstuknummer 30 511, nr. 28) uitgevoerd en dus een houdverbod als zelfstandige maatregel ingevoerd?

Antwoord

De Minister van Veiligheid en Justitie heeft tijdens het Algemeen Overleg huiselijk geweld en dierenwelzijn van 16 oktober 2014 toegezegd om het strafrechtelijk houdverbod te evalueren (Kamerstuknummer 28 345, nr. 131). Zoals aangegeven in de beantwoording van schriftelijke vragen op 20 juli jl. over de mishandeling van olifanten (Aanhangsel Handelingen II 2014/15, nr. 2937) zal de Minister van Veiligheid en Justitie in het najaar de evaluatie met een beleidsreactie aan uw Kamer doen toekomen.

149

Waarom is de streefwaarde van de indicator EU-OIE vrije status om het beleid Diergezondheid en dierenwelzijn te meten, al jaren hetzelfde? Kunt u met een aanvullende indicator aan de Kamer een bredere indicatie geven van uw ambitie ten aanzien van dit beleid?

Antwoord

Er is een aantal dierziekten waarvoor Nederland een officiële EU en/of OIE vrijstatus heeft verkregen. Deze status wordt bewaakt via preventie, monitoring en bestrijding van besmettelijke dierziekten. De afgelopen jaren is hierin niet veel veranderd. De diergezondheidsstatus in Nederland is van een hoog niveau en ik streef ernaar om dit te behouden. De vraag is of deze betreffende indicator mijn beleidsinspanningen voldoende weerspiegelt. Ik zal mij beraden op welke wijze deze het best inzichtelijk gemaakt kunnen worden.

150

Bent u bereid om de evaluatie van de aanpak van de uitbraak van aviaire influenza vorig jaar, deze maand met een reactie naar de Kamer te sturen?

Antwoord

Ja.

151

Hoeveel geld is er in 2016 beschikbaar voor de bevordering van verbetering van dierenwelzijn door implementatie van Nederlandse en Europese wetgeving en door het stimuleren van (keten)partijen?

Antwoord

De € 11,9 mln. die in de budgettaire tabel wordt genoemd betreft € 6,1 mln. voor diergezondheid, € 3,1 mln. voor dierenwelzijn, € 2 mln. voor opvang van dieren en € 0,7 mln. voor dierproeven. Van de € 3,1 mln. voor dierenwelzijn is € 2,2 mln. voor gezelschapsdieren en paarden en € 0,9 mln. voor landbouwhuisdieren. De middelen voor dierenwelzijn worden ten dele besteed aan de implementatie van Nederlandse en Europese wetgeving en aan projecten zoals het uitvoeren van de actiepunten uit de Beleidsbrief Dierenwelzijn (Kamerstuknummer 28 286 nr. 651), bijdragen aan het loket Welzijn landbouwhuisdieren en actieplan stalbranden, bijdragen aan de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming voor handhavingsactiviteiten op terrein gezelschapsdieren en het Landelijke Informatie Centrum Gezelschapsdieren (LICG) voor communicatie- en voorlichtingsdoeleinden.

Daarnaast is dierenwelzijn onderdeel van subsidieregelingen ter verduurzaming van de veehouderij zoals de subsidieregeling Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij (UDV) en de fiscale regelingen milieu-investeringsaftrek (Mia) en Willekeurige Afschrijving milieu-investeringen(Vamil) op basis van de Maatlat Duurzame Veehouderij.

152

Hoeveel geld is er in 2016 beschikbaar voor het uitvoeren van de beleidsbrief dierenwelzijn?

Antwoord

Hiervoor is € 700.000 euro gereserveerd.

153

Op welke manier komt «de aandacht voor gezondheid en welzijn van gezelschapsdieren en paarden toeneemt» terug in het budget?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 151.

154

Welke wetenschappelijke onderzoeken en monitoringsprogramma’s lopen er met betrekking tot gezelschapsdieren?

Antwoord

In 2015 lopen de volgende wetenschappelijke onderzoeken en monitoringprogramma’s met betrekking tot gezelschapsdieren:

  • Incidentieonderzoek naar schadelijke raskenmerken en erfelijke gebreken bij rashonden en raskatten;

  • Ontwikkelen van een gezondheids- en welzijnsassessment voor in beslag genomen honden

  • Opstellen Positieflijst voor zoogdieren;

  • Monitoring gezelschapsdieren op CRE (Carbapenem-resistente Enterobacteriën).

155

Wat wordt precies verstaan onder het begrip «maatschappelijk geaccepteerd» in de zinsnede «het stimuleren van een maatschappelijke geaccepteerde fokkerij van vooral honden»?

Antwoord

Onder maatschappelijk geaccepteerde fokkerij van vooral honden wordt bedoeld dat bij het fokken van rashonden gezondheid en welzijn altijd voorop staan, waardoor erfelijke aandoeningen op den duur niet vaker voorkomen dan bij kruisingen. Dit is het uitgangspunt bij het Fairfokplan van de Raad van Beheer, waar ik me dan ook van harte achter kan stellen. Ik ondersteun dit plan door het beschikbaar stellen van een projectsecretaris voor een periode van 3 jaar. De Raad van Beheer is en blijft de trekker van het Fairfokplan. Ik verwijs u ook naar de brief van 12 februari jl (Kamerstuk 28 286, nr. 782).

156

Hoeveel geld is er in 2016 beschikbaar voor het stimuleren van maatschappelijk geaccepteerde fokkerij van honden?

Antwoord

In 2016 is er een totaal budget beschikbaar van € 0,2 mln voor het stimuleren van maatschappelijke geaccepteerde fokkerij van honden. Dit bedrag is bedoeld voor het realiseren van het incidentieonderzoek erfelijke aandoeningen door de Faculteit Diergeneeskunde en voor het beschikbaar stellen van een projectsecretaris.

157

In hoeverre zijn de overleggen die het Ministerie van Economische Zaken met de online handelsplaatsen voert over het terugdringen van impulsaankopen vruchtbaar?

Antwoord

De verantwoordelijkheid voor een goed dierenwelzijn ligt primair bij de houder van het dier. Maar ook voor andere partijen, bijvoorbeeld in de keten, is een belangrijke rol weggelegd.

De grootste online handelsplaatsen hebben samen afspraken gemaakt over juiste en tijdige informatievoorziening inzake aanschaf van dieren via internet.

Men informeert bezoekers over de aanschaf van dieren en verwijst naar informatie van het Landelijk Informatie Centrum Gezelschapsdieren (LICG) of andere officiële instanties. Het LICG plaatst banners op Marktplaats met verwijzing naar haar website, waarop uitgebreid aandacht besteed wordt aan voeding, verzorging, huisvesting en kosten die met het houden van een huisdier gemoeid zijn. De online handelsplaatsen verwijzen ook naar de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voor een actueel overzicht van regels voor handel in en houden van dieren. Ook de mogelijkheid tot het doen van melding van verdachte of illegale handelspraktijken via telefoonnummer 144, wordt door de handelsplaatsen onder de aandacht van bezoekers gebracht. Daarnaast werkt de NVWA samen met Marktplaats om illegale advertenties te laten verwijderen.

Jaarlijks vindt er een overleg plaats met deze partijen en de Dierenbescherming, LICG, Platform Verantwoord Huisdierenbezit, Dibevo, Hondenbescherming, de NVWA en mijn ministerie. Doel van het overleg is om met elkaar in gesprek te blijven over de mogelijkheden voor juiste en tijdige informatievoorziening inzake impulsaankopen van gezelschapsdieren.

Door deze contacten worden er stappen gezet om bezoekers van deze websites te informeren over de aanschaf en verzorging van dieren. Zo is tijdens de laatste bijeenkomst afgesproken om extra aandacht te besteden aan de 20 meest risicovolle diersoorten en zal er aandacht worden besteed aan nieuwe veterinaire regels.

158

Wat doet het Ministerie van Economische Zaken om impulsaankopen van paarden tegen te gaan?

Antwoord

Zoals aangegeven in mijn beleidsbrief Dierenwelzijn (Kamerstuknummer 28 286, nr. 651, dd. 4 oktober 2013), zal ik met name inzetten op voorlichting en bewustwording. Hierbinnen is tot nu toe niet specifiek aandacht besteed aan impulsaankopen van paarden.

159

Welke instrumenten heeft de consument beschikbaar om bij de aanschaf van een hond tot een goede aankoopbeslissing te komen?

Antwoord

Het is belangrijk dat kopers van dieren zich goed informeren alvorens zij een dier aanschaffen. Ik zet daarom in op voorlichting en bewustwording van deze mensen. Het Landelijk Informatie Centrum Gezelschapsdieren (LICG) geeft voorlichting aan (potentiële) kopers van huisdieren over de verzorging van dieren. Daarnaast er op de website van het LICG een puppychecklist te vinden met tips waarop te letten voor een verantwoorde aankoop van een pup.

Begin deze maand is ook een rashondengids gelanceerd, waar consumenten informatie kunnen vinden over de erfelijke gebreken en schadelijke raskenmerken per ras; dit instrument wordt komende tijd verder aangevuld aan de hand van de incidentieonderzoeken die door mij worden gefinancierd.

In 2014 is een campagne uitgevoerd «voorkomen impulsaanschaf huisdieren» door het LICG. Delen van deze campagne krijgen een vervolg. De Hondenbescherming subsidieert een vierjarig promotieonderzoek Impulsaankopen Honden, welke begin dit jaar is gestart. Ik heb toegezegd een bijdrage te leveren aan de kennisverspreiding van de resultaten van dit onderzoek.

Ook hebben de grootste online handelsplaatsen samen afspraken gemaakt over juiste en tijdige informatievoorziening inzake aanschaf van dieren via internet, waarbij expliciet aandacht wordt besteed aan de aanschaf van honden. Ten slotte zijn sinds de inwerkingtreding van het Besluit houders van dieren bedrijfsmatige handelaren en fokkers verplicht de koper informatie over de verzorging en de kosten gemoeid met het houden van het dier te verstrekken.

160

Welke activiteiten onderneemt het Ministerie van Economische Zaken om impulsaankopen van huisdieren en paarden tegen te gaan?

Antwoord

Ik verwijs u naar de antwoorden op vragen 157, 158 en 159. Aanvullend wordt er gewerkt aan de invulling van de pilot van de Dierenbescherming en Dibevo, waarin verkend wordt of konijnen en andere knaagdieren uit de opvang via dierenwinkels een nieuw thuis kunnen krijgen.

161

Welke acties onderneemt u om het risico op besmetting van het West-Nijl virus in ons land zo klein mogelijk te houden, gezien het feit dat het virus langzaam naar het noorden van Europa trekt?

Antwoord

Hiervoor geldt een Europese aanpak. Paarden die vanuit het buitenland naar Nederland worden gebracht vormen een risico voor de insleep van West-Nijl koorts. Nederland is namelijk officieel vrij van het West-Nijl virus. De paarden die uit Lidstaten van de Europese Unie komen dienen te voldoen aan de eisen van onder meer Richtlijn 2009/156/EG. Daarin bepaalt artikel 4 dat een paard voor het op transport naar Nederland mag eerst door een officiële dierenarts moet worden geïnspecteerd. Bij deze inspectie mogen de paardachtigen geen enkel klinisch ziekteverschijnsel vertonen. De inspectie dient binnen 48 uur vóór de inlading plaats te vinden.

Daarnaast moet de officiële dierenarts zich er tijdens de inspectie van vergewissen dat geen enkel feit – inclusief de verklaringen van de eigenaar of van de fokker – tot de conclusie leidt dat de paardachtigen de laatste 15 dagen vóór de inspectie in aanraking zijn geweest met paardachtigen die een infectie met West-Nijl virus hebben.

Voor landen buiten de Europese Unie zijn nog ingrijpender eisen geformuleerd waaraan paarden dienen te voldoen, voordat ze door de bevoegde autoriteit mogen worden gecertificeerd voor transport naar Nederland. Soms wordt geëist dat een bloedmonster wordt afgenomen dat wordt getest op antistoffen tegen het West-Nijl virus.

West-Nijl virus (WNV) de veroorzaker van Wes-Nijl koorts, wordt gehandhaafd in een enzoötische cyclus tussen vogels en muggen. De muggensoorten die WNV kunnen overdragen komen al overal in Nederland in grote getale voor. Het huidige beleid heeft als voornaamste onderdelen de signalering van ziekten die door muggen worden overgedragen op mens en dier en het verzamelen van gegevens over het verspreidingspatroon van inheemse en exotische muggen en het bestrijden van exotische muggen. In het verlengde van dit beleid heeft de Minister van VWS het RIVM gevraagd om in samenwerking met het Centrum Monitoring Vectoren (CMV) van de NVWA te adviseren over de problematiek, de mogelijkheden voor interventie en knelpunten ten aanzien inheemse muggen. Dit advies wordt eind van dit jaar verwacht.

162

In hoeverre u de kans reëel dat het West-Nijl virus bij paarden ons land zal bereiken?

Antwoord

Nederland is officieel vrij van West-Nijl Virus. De kans dat het virus Nederland binnen wordt gesleept is niet groot, maar niet geheel afwezig. Om daar meer inzicht in te verkrijgen is in 2014 een monitoringprogramma gestart door de Sectorraad paarden in samenwerking met het Ministerie van EZ. Het bloed van honderden, steeds verschillende paarden uit geheel Nederland wordt daartoe in een bepaalde periode van het jaar bemonsterd. Tot op heden zijn er geen positieve monsters gevonden.

163

Kan de regering aangeven hoeveel transporten er, vanuit Nederland, hebben plaatsgevonden naar landen buiten Europa, gespecificeerd naar land?

Antwoord

In 2014 waren de belangrijkste niet EU-landen waarnaar fokrunderen zijn geëxporteerd: Rusland (7.527 stuks), Marokko (3.281), Egypte (1.858), Oezbekistan (1.716), Koeweit (1.154) en Libanon (1.021)

164

Kan de regering aangeven hoeveel transporten vanuit Nederland hebben plaatsgevonden naar Turkije?

Antwoord

In 2015 hebben er tot op heden 4 zendingen van in totaal 130 fokrunderen plaatsgevonden vanuit Nederland naar Turkije

165

Hoe zijn de importcontroles voor voedsel uit derde landen exact vormgegeven?

Antwoord

De importcontroles voor voedsel worden uitgevoerd door de NVWA. De exacte invulling van de controles staat omschreven op de site van de NVWA.

https://www.nvwa.nl/onderwerpen/eten-drinken-roken/dossier/import-vanuit-derde-landen/import-van-levensmiddelen-en-consumentenproducten/hoe-controleert-de-nvwa. De verantwoordelijkheid voor de importcontrole van levensmiddelen ligt primair bij de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

166

Hoe wordt voorkomen dat een levensmiddel een verboden stof bevat of de etikettering onjuist is en daarmee verhuld wordt dat het levensmiddel genetisch gemodificeerde ingrediënten bevat?

Antwoord

Dit onderwerp is primair de verantwoordelijkheid van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

167

Wie draagt de primaire verantwoordelijkheid in het toezicht op de import van levensmiddelen uit derde landen en het voorkomen dat producten zonder te voldoen aan alle relevante wet- en regelgeving in de schappen belanden?

Antwoord

Dit onderwerp is primair de verantwoordelijkheid van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

168

Wat is de pakkans voor fraudeurs bij import uit derde landen? Hoe hoog zijn eventuele boetes?

Antwoord

Door samenwerking met de douane wordt er bij import vanuit meerdere invalhoeken naar zendingen met levensmiddelen gekeken. De ladingbelanghebbende moet vooraf gegevens aanleveren, en de NVWA en de douane controleren de gezondheidsdocumenten en fiscale documenten, alsmede de partijen zelf. Bij vermoedens van fraude wordt bij het land van verzending nagegaan of de gegevens kloppen. Hiermee wordt de kans op fraude zo veel mogelijk geminimaliseerd. Eventuele boetes bij overtredingen bij de import van levensmiddelen, worden gegeven in het kader van de Warenwet. Bedragen kunnen variëren van € 525 tot € 1.050. Bij fraude is strafrecht van toepassing.

169

Hoeveel geld heeft de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming de afgelopen vier jaar aan financiering ontvangen?

Antwoord

De LID heeft in 2011 een bijdrage van € 300.000 ontvangen. In 2012, 2013 en 2014 bedroeg de bijdrage circa € 1,6 mln. per jaar. Dit komt in totaal neer op een bedrag van € 5.1 mln. in de afgelopen 4 jaar.

170

Kan de regering per instantie uiteenzetten hoeveel geld er in 2016 beschikbaar is voor de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming en het Landelijke Informatie Centrum Gezelschapsdieren en waar dit geld aan wordt besteed?

Antwoord

Voor de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming is er een bedrag van circa € 1,6 miljoen beschikbaar voor toezicht op de naleving van de regelgeving voor gezelschapsdieren en voor de handhaving van het verbod op verwaarlozing en mishandeling van dieren.

Voor het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren (LICG) bedraagt de meerjarige financiering 2014–2016 € 270.000 subsidie per jaar. Dit betreft subsidie voor huisdierbijsluiters, voorlichting en campagnes. Daarnaast kan het LICG voorstellen voor subsidiëring van andere projecten indienen.

171

Welke projecten en initiatieven vallen onder «Voorlichting en communicatie over de preventie van dierziekten en diergezondheid»?

Antwoord

Onder de post «Voorlichting en communicatie over de preventie van dierziekten en diergezondheid» vallen diverse kleinere projecten, zoals het organiseren of meefinancieren van conferenties, het op laten stellen van voorlichtingsmateriaal of ad hoc communicatie bij dierziekte-uitbraken.

172

Kan de regering toelichten hoe Nederland, met haar topsectoren Agro&Food en Tuinbouw en Uitgangsmateriaal, concreet bijdraagt aan het versterken van de landbouwsector en voedselzekerheid in ontwikkelingslanden?

Antwoord

De topsectoren Agri&Food (A&F) en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen (T&U) hebben beide een agenda voor de internationalisering van de sectoren. Het versterken van voedselzekerheid in ontwikkelingslanden is hier onderdeel van. De Topsectoren Agri&Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen vragen hiervoor jaarlijks voorstellen in de oproep voor inzet van DLO en TNO. In de roadmap internationaal van de topsector A&F zijn 6 Publiek-Private Samenwerkingen actief in ontwikkelingslanden. Bij de topsector T&U gaat het om enkele kleinere PPS’en. In 2016 starten naar verwachting nieuwe internationale PPS’en.

Tevens stelt de topsector A&F jaarlijks € 400.000 beschikbaar voor Seed Money Initiatieven internationaal. Voor Topsector T&U zal dat naar verwachting € 100.000 zijn. In 2014 en 2015 zijn met deze middelen 19 initiatieven gehonoreerd voor haalbaarheidsonderzoeken met betrekking tot internationale publiek private samenwerking. Hiervan zijn er 4 gericht op ontwikkelingslanden. De inzichten van de overige projecten, gericht op opkomende economieën kunnen ook worden benut voor samenwerking met ontwikkelingslanden. Daarnaast stimuleer ik waar mogelijk en zinvol samen met de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de deelname van bedrijven uit de beide topsectoren aan het Food en Business programma en de samenwerking met de FDOV, CGIAR en het MoU «Food for All» met de Wereldbank. Op deze wijze en met deelname aan handelsmissies dragen diverse bedrijven en kennisinstellingen bij aan het versterken van de voedselzekerheid in ontwikkelingslanden.

173

Hoe voorkomt u dat met het instrument Partners for International Business doelstellingen op het gebied van private sectorontwikkeling en waarde toevoeging in ontwikkelingslanden zelf belemmerd worden?

Antwoord

Partners for International Business is een instrument van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en wordt als handelsinstrument voornamelijk op ontwikkelde landen ingezet.

Binnen het programma wordt elke business case ook beoordeeld op aspecten rondom maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), zoals ketenverantwoordelijkheid, mensenrechten, kinderarbeid, milieu en corruptie (OESO-richtlijnen). De overheid is ook betrokken als partner in de business case en kan daarop toezicht houden.

174

Kunt u per diercategorie over de afgelopen 2 jaar aangeven hoeveel veehouderijbedrijven er zijn en hoeveel er daarvan deelnemen aan een privaat kwaliteitssysteem dat jaarlijks het antibioticabeleid controleert?

Antwoord

Varkens

Aantal

Aantal

Bedrijven met > 30 varkens

5.821

 

Deelnemer van een privaat kwaliteitssysteem

 

5.792

Niet gecertificeerde bedrijven bij een privaat kwaliteitssysteem

 

29

     

Kalveren

   

Kalverbedrijven > 5 kalveren

2.204

 

Deelnemer van een privaat kwaliteitssysteem

 

2.203

Niet gecertificeerde bedrijven bij een privaat kwaliteitssysteem

 

1

     

Pluimvee

   

Actieve vleeskuikenbedrijven

789

 

Deelnemer van een privaat kwaliteitssysteem

 

719

Niet gecertificeerde bedrijven bij een privaat kwaliteitssysteem

 

70

     

Actieve legeindbedrijven

901

 

Deelnemer van een privaat kwaliteitssysteem

 

755

Niet gecertificeerde bedrijven bij een privaat kwaliteitssysteem

 

146

* bron zijn de private datasystemen en RVO

Onder de groep van ca. 18.000 melkveehouders is 99,9% deelnemer aan het kwaliteitssysteem van de zuivelfabrieken. Alleen onder de melkveehouders die hun producten zelf rechtstreeks verkopen bevinden zich enkele tientallen bedrijven die niet deelnemen. Rundveehouders die deelnemen aan een privaat kwaliteitssysteem worden overigens 1x per twee jaar gecontroleerd door het private kwaliteitssysteem.

175

Kunt u per diercategorie aangeven hoeveel personele capaciteit de NVWA nodig heeft om de niet bij een privaat kwaliteitssysteem aangesloten veehouderijbedrijven jaarlijks te controleren op hun antibioticagebruik.

Antwoord

Met de controles van niet bij een privaat kwaliteitssysteem aangesloten veehouderijbedrijven is gemiddeld 16 uur per controle gemoeid, inclusief administratieve voorbereiding en afwikkeling. Het gaat om controles van alle 100 niet-aangeslotenen in de kalver-, varkens- en vleeskuikensector. In de runder- en legeierensector controleert de NVWA in 2015 op basis van risicoselectie een beperkt deel van de niet-aangeslotenen.

176

Kunt u van de niet aan een privaat kwaliteitssysteem deelnemende veehouderijbedrijven aangeven hoeveel er daarvan de afgelopen 2 jaar en tot nu toe in 2015 door de NVWA op antibioticabeleid zijn gecontroleerd en hoeveel niet?

Antwoord

In 2014 waren de Productschappen Vee en Vlees en Pluimvee en Eieren verantwoordelijk voor de controle van niet aan een privaat kwaliteitssysteem deelnemende veehouderijbedrijven op de productschapsregelgeving antibiotica. De NVWA heeft deze taak als nieuwe activiteit overgenomen in 2015. In 2012 is er door de NVWA in de varkenssector een nalevingsonderzoek diergeneesmiddelen algemeen incl. antibiotica uitgevoerd, maar daar zijn bij de niet-aangeslotenen geen afwijkingen geconstateerd. In 2013 en 2014 heeft de NVWA risicogerichte controles uitgevoerd waarbij geen specifiek onderscheid is gemaakt tussen deelnemers en niet-deelnemers aan een privaat kwaliteitssysteem. In 2015 zijn 100 controles op niet-deelnemers gepland (zie antwoord vraag 175). Per 1 september 2015 waren 18 controles in uitvoering c.q. geheel afgewikkeld en dienden er nog 82 controles te worden uitgevoerd.

177

De reductie van antibioticagebruik bij vleeskuikens is, na een jaarlijkse aanzienlijk reductie, nagenoeg tot stilstand gekomen. Acht u het aannemelijk dat een verdere reductie bij de huidige snelgroeiende vleeskuikens, wat inherent kwetsbare dieren zijn, nauwelijks meer mogelijk is?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 42.

178

Bent u van mening dat in het huidige antibioticabeleid ook gekeken moet worden naar langzamer groeiende, robuustere rassen, die niet of nauwelijks antibiotica nodig hebben en dat er dus in het huidige antibioticabeleid een bredere aanpak moet worden gekozen, gericht op het robuuster maken van de (pluimvee)houderij?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 43.

179

Klopt het dat de NVWA niet of nauwelijks toekomt aan controles op antibioticagebruik in de veehouderij? Kunt u specificeren hoe intensief de NVWA controleert op antibiotica en hoe vaak een veehouder gemiddeld gecontroleerd wordt op antibiotica?

Antwoord:

De NVWA voert wel degelijk controles op het antibioticagebruik uit, op basis van risicoanalyses, bevindingen en meldingen inspecties via selecte- en a-selecte controles in de dierlijke sectoren, zoals ook geschetst in de brief van 9 december 2014 (Kamerstuknummer 29 683, nr. 194). Risicogericht controleren is voor de NVWA een evident uitgangspunt. Zo heeft de NVWA tussen 1 april 2014 en 1 augustus 2015 255 selecte UDD-controles uitgevoerd bij veehouderijbedrijven en 40 selecte UDD-controles bij dierenartspraktijken. De NVWA ziet tevens toe op de controlewerkzaamheden van de private kwaliteitssystemen. Voor de controles van de NVWA op niet aan een privaat kwaliteitssysteem deelnemende veehouderijbedrijven: zie antwoord op vraag 175.

180

Hoeveel en welke projecten op het gebied van veehouderij zullen er in de komende begrotingsperiode vanuit Nederland (mede) worden gefinancierd in het buitenland?

Antwoord

Er worden door het Ministerie van Economische Zaken geen projecten gefinancierd op het gebied van veehouderij. Er zijn twee «Centres of Expertise» in wording, die tot doel hebben kennisoverdracht te verwezenlijken op het gebied van de (melk)veehouderij resp. in Algerije en Oekraïne. Via RVO.nl (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) worden diverse regelingen uitgevoerd zoals het PIB en DHK (Demonstratieprojecten, Haalbaarheidsstudies, Kennisverwerving). Beide regelingen betreffen echter geen financiering van projecten, maar ondersteuning door middel van Economische Diplomatie en ondersteuning voor markttoegang/positionering. Voor de komend periode is nog geen zicht op projecten. In 2015 is in het kader van PIB één project gericht op de gangbare melkveehouderij in Roemenië en één op de pluimveeketen in Mexico. In het kader van DHK worden vier projecten in 2015 ondersteund in China (veevoer), Turkije (kalvermelk), Ethiopië (melkvee) en Mongolië (melkveestallen). Ik verwijs u verder gezien de verantwoordelijkheid van dit onderwerp naar de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

181

Hoeveel en welke projecten in het buitenland die Nederlandse financiering ontvangen zijn gericht op gangbare veehouderij en hoeveel op de biologische veehouderij?

Antwoord

Ik verwijs u hierbij naar het antwoord gegeven bij vraag 180.

182

Welke duurzaamheidscriteria worden er gehanteerd voor de internationale programma’s van de topsectoren Agro&Food en Tuinbouw en Uitgangsmateriaal die zich richten op het versterken van de landbouwsector in ontwikkelende en ontwikkelingslanden?

Antwoord

De voorstellen voor het internationale onderzoek moeten aan dezelfde voorwaarden voldoen als andere voorstellen. De criteria in de beoordeling betreffen enerzijds de mate van vernieuwing, de kwaliteit van het voorstel en de uitvoerders en anderzijds de economische, maatschappelijke en wetenschappelijke impact. Alle vijf onderdelen hebben een gelijke weging. Duurzaamheid is onderdeel van de maatschappelijke impact. Hierbij moet worden gedacht aan aspecten als efficiënter en schoner produceren met minder grondstoffen, energie en uitstoot, verminderen van voedselverliezen en het meer circulair maken van de voedselproductiesystemen.

183

Welke eisen worden gesteld aan de samenwerking met transitielanden en ontwikkelingslanden op het gebied van voedselzekerheid, bijvoorbeeld ten aanzien van duurzaamheid?

Antwoord

Naast publieke partijen en kennisinstellingen, zijn private partijen belangrijke partners om in de genoemde landen bij te dragen aan voedselzekerheid. Van hen wordt verwacht dat zij daarbij hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen door de kaders voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen in acht te nemen, zoals de «Principles for Responsible Investment in Agriculture and Food Systems» van de Committee on World Food Security en de OESO richtlijnen voor multinationale ondernemingen.

184

Welke rol speelt agro-ecologische landbouw in de inzet op voedselzekerheid, en op welke wijze komt dat tot uiting?

Antwoord

In de brief 18 november 2014 (Kamerstuk 33 625, nr. 147) hebben de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en ik onze inzet aan de wereldwijde voedselzekerheid beschreven. Het streven is daarbij duurzame intensivering van de voedselproductie te koppelen aan een duurzame bescherming en gebruik van natuurlijke hulpbronnen (klimaat, milieu, bodem, water, biodiversiteit) en op adequate wijze rekening te houden met sociale aspecten (inclusieve groei). Deze elementen vormen een overeenkomstige grondhouding in, internationaal vaak naast elkaar gebruikte, concepten als «agro-ecologie», «sustainable production intensification», «conservation agriculture» en «climate smart agriculture».

185

Wat zijn de middelen die het Ministerie van Economische Zaken gebruikt om de zaadsectoren en gewasbescherming in ontwikkelingslanden te versterken?

Antwoord

Om voor kleine boeren in sub-Sahara Afrika de toegang tot goed, aan de lokale omstandigheden aangepast zaaizaad en uitgangsmateriaal te bevorderen en de zaadsectoren te versterken, ondersteunt het Ministerie van Economische Zaken het programma Integrated Seed Sector Development Africa (ISSD Africa). Dit programma richt zich op het ontwikkelen van gedifferentieerde zaaizaadsystemen die de basis vormen voor een sterke, lokale zaaizaadsector.

Het ministerie zet zich ook in om toegang tot zoveel mogelijk genetische bronnen voor alle gebruikers mogelijk te maken. Voor goede afspraken over de toegang tot genetische bronnen en de billijke verdeling van de voordelen van het gebruik daarvan, zet Economische Zaken zich in in de Biodiversiteitsconventie (CBD/Nagoya Protocol inzake Access and Benefit Sharing), de FAO International Treaty on Plant Genetic Resources (FAO-ITPGRFA) en de Global Crop Diversity Trust (GCDT).

Ook een randvoorwaarde voor veredeling is een systeem van Plant Variety Protection (PVP en kwekersrecht) dat aansluit bij de Unie voor bescherming van nieuwe gewasvariëteiten (UPOV – International Union for the Protection of New Varieties of Plants). Economische Zaken is daarom ook binnen UPOV actief. Tevens bevordert het ministerie in multilateraal en bilateraal verband het kwekersrecht door middel van capaciteitsopbouw PVP in ontwikkelings- en zich ontwikkelende landen.

Gewasbescherming: Geïntegreerde gewasbescherming (IPM – Integrated Pest Management) is een belangrijk speerpunt in het Nederlandse gewasbeschermingsbeleid. Schoon uitgangsmateriaal, waaronder zaaizaad van hoge kwaliteit is een essentieel onderdeel van IPM. Het Ministerie van Economische Zaken zet zich ook in ontwikkelingslanden hiervoor in, zowel via multilaterale gremia zoals de OESO, als op bilateraal niveau. Zo zijn er projecten waarbij specifieke problemen worden aangepakt in Nigeria, Kenia en India op dit terrein.

186

Welke bijdrage wilt u leveren aan het beperken van voedselverliezen in ontwikkelingslanden?

Antwoord

Samen met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heb ik u 18 november 2014 een brief gestuurd over de Nederlandse inzet voor wereldwijde voedselzekerheid (Kamerstuknummer 33 625, nr. 147). Rondom het onderwerp voedselverspilling heb ik in juni 2015 de internationale conferentie No More Food To Waste – Global action to stop food losses and food waste in Den Haag georganiseerd. Over de uitkomsten heb ik uw Kamer geinformeerd op 13 juli jl. (Kamerstuknummer 31 532, nr. 152). Ik geef nu actief vervolg aan de conferentie. Zo is tijdens de zeventigste Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in New York de Duurzame Ontwikkelings «Agenda 2030» aangenomen, waaronder Sustainable Development Goal (SDG) 12.3 om in 2030 voedselverspilling en voedselverliezen te halveren. Om te helpen deze doelen te verwezenlijken, heeft de conferentie No More Food To Waste voorgesteld een coalitie Champions 12.3 te formeren. Champions 12.3 is een high level groep van overheden, bedrijven en maatschappelijke partijen die zich enerzijds committeren om de SDG 12.3 te implementeren en, anderzijds zich zullen inzetten om andere overheden, bedrijven en NGO’s te mobiliseren om (versneld) aan de slag te gaan met het terugdringen van voedselverliezen en -verspilling. Belangrijke partners in deze coalitie zijn World Resource Institute (WRI), Waste & Resources Action Programme (WRAP), UNEP, FAO en een aantal ontwikkelingslanden. Tijdens de besprekingen in New York heb ik dit initiatief gepresenteerd. Het initiatief werd goed ontvangen. In 2016 zal ik de Champions 12.3 formeel van start laten gaan.

Daarnaast ondersteun ik samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken het post harvest network (bestaande uit o.a. WUR, FME en Dinalog). Dit is een instrument dat op verzoek van derden kan worden ingezet in de analyse van de voedselverliezen die in de keten optreden en in het ontwikkelen van een aanpak deze te reduceren.

187

Welke nieuwe initiatieven en partnerschappen op het gebied van mondiale voedselzekerheid en duurzame economische ontwikkeling heeft u concreet voor ogen?

Antwoord

In de brief 18 november 2014 (Kamerstuk 33 625, nr. 147) hebben de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en ik onze inzet aan de wereldwijde voedselzekerheid beschreven. Daarbij zijn ook accenten voor de komende jaren benoemd. Tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is onlangs de Duurzame Ontwikkelings «Agenda 2030» van de Verenigde Naties aangenomen met de bijbehorende Sustainable Development Goals (SDGs), waaronder SDG-14. SDG 14 richt zich op het behouden en duurzaam gebruik van de oceanen, zeeën en de mariene hulpbronnen voor duurzame ontwikkeling. Wat betreft mijn ambities om het gebied van schone oceanen en voedselzekerheid kom ik binnenkort met een aparte brief, mede op uw verzoek om een reactie op het rapport van het Wereld Natuurfonds «Living Blue Planet Report».

Voorts zal in 2016 nadere uitwerking gegeven worden aan bestaande partnerschappen. Dat met de Wereldbankgroep gaat over veiligheid en gezondheid in voedselsystemen, inclusieve en duurzame groei van de landbouw en ecologisch duurzame landbouwsystemen. Activiteiten: het opzetten van expertpanels op deze thema’s, faciliteren van detacheringen van Nederlandse experts bij de Wereldbank, het organiseren van trainingen, workshops, conferenties etc. en samenwerking op het vlak van e-learning.

In het partnerschap tussen Nederland en de CGIAR (Consultative Group for International Agricultural Research) wordt het jaar 2016 gebruikt om een aantal gezamenlijke programma's te ontwikkelen. Deze programma’s zullen zich richten op integrale praktijkoplossingen: klimaatslimme landbouw, een efficiënt gebruik van water en ecosystemen, een betere voedingswaarde en minder voedselverlies. Vanuit Nederland worden naast de kennisinstellingen ook ngo's en bedrijven ingeschakeld (zgn. Dutch diamond). Ik verwijs u verder naar het antwoord op vraag 186.

188

Wat is de economische waarde van de visserijsector in Nederland?

Antwoord

In 2013 bedroeg de totale opbrengst in de Nederlandse zeevisserij, mosselcultuur en oestervisserij 399 mln. euro. Voor 2014 komt de totale geschatte waarde uit op 402 mln. euro. Meer informatie vindt u op www.agrimatie.nl/visse rij

189

Wat is de exportwaarde van de visserijsector in Nederland?

Antwoord

Nederland is ook op het gebied van de internationale handel in vis een draaischijf: er is niet alleen export van de eigen productie, maar ook import van vis en visproducten die deels weer onbewerkt of bewerkt geëxporteerd worden. In 2014 werd er voor € 5.011 mln uitgevoerd en voor € 4.324 ingevoerd. Netto was die balans € 687 mln. Meer info vindt u op http://statline.cbs.nl

190

Komt er voor de jaren 2015 en 2016 een maatschappelijke appreciatiescore voor de waardering van de Nederlandse samenleving voor de agrarische- en visserijsector?

Antwoord

In mei 2015 heeft TNS NIPO onderzoek gedaan naar de maatschappelijke waardering van de Nederlandse landbouw en visserij. De Nederlander waardeert de landbouwer met een 7,6 en de visser met een 6,9. In 2017 zal TNS NIPO opnieuw dit onderzoek uitvoeren.

191

Kan de regering nader toelichten waarom het bedrag voor regelingen onder het nieuwe Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) in het jaar 2017 significant stijgt en daarna weer daalt?

Antwoord

In het Operationeel Programma EFMZV was voorzien dat er in het eerste jaar van uitvoering (2015) veel regelingen worden opengesteld en bij een projectduur van maximaal drie jaar was de prognose dat er in 2017 de meeste declaraties worden uitbetaald. Dit verklaart waarom in 2017 een piek is voorzien in de begroting.

192

Kan er een schatting gemaakt worden van de negatieve financiële consequenties voor de Nederlandse visserijsector die de aanlandplicht met zich meebrengt?

Antwoord

In november 2013 heeft het LEI een het rapport «Economische effecten van een aanlandplicht voor de Nederlandse visserij» gepubliceerd. In dit rapport wordt een inschatting gemaakt van de kosten in een situatie zonder uitzonderingen op de aanlandplicht. Er van uitgaande dat er een ophoging komt van het quotum voor het aanlanden van ongewenste bijvangsten, worden de netto baten voor de kottersector geschat op een bedrag tussen de – € 5,6 mln en – € 12,5 mln, afhankelijk van de opbrengstprijs voor de bijvangsten. Voor de pelagische sector worden de netto baten geschat op een bedrag tussen – €-0,6 mln en – € 1,5 mln.

In het stappenplan (Kamerstuknummer 29675 – 180) dat ik op 1 juni 2015 samen met de Coöperatieve Visserij Organisatie naar uw Kamer stuurde, staat onze ambitie met de aanlandplicht. De inzet op bepaalde uitzonderingen, bijvoorbeeld in verband met hoge overleving voor schol wanneer dit wetenschappelijk onderbouwd wordt en het afschaffen van een TAC voor schar wanneer dit biologisch gezien verantwoord is, zijn bedoeld om de negatieve financiële consequenties van de aanlandplicht voor een deel te mitigeren. De belangrijkste uitdaging voor de Nederlandse visserijsector, en dan met name de tong- en kreeftjesvisserij, is om selectievere vistuigen te ontwikkelen, waardoor er minder ongewenste bijvangsten aangeland moeten worden.

193

Gaat de regering deze consequenties evalueren en kan het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) aangepast worden op de resultaten?

Antwoord

De pelagische visserij werkt al sinds 1 januari 2015 met de aanlandplicht. In de kottervisserij wordt de aanlandplicht vanaf 1 januari 2016 gefaseerd ingevoerd. Er is continu overleg met de visserijsector om een vinger aan de pols te houden en waar mogelijk knelpunten weg te nemen. Het is gebruikelijk om beleid na verloop van tijd te evalueren. De ervaringen met de aanlandplicht en ook de resultaten van lopende pilots kunnen aanleiding geven om nieuwe subsidieregelingen onder het EFMZV open te stellen. Deze subsidieregelingen zijn altijd gericht op innovatie en verduurzaming van de Nederlandse visserijvloot en worden nooit ingezet voor financiële ondersteuning in moeilijke tijden.

194

Gaat de regering deze consequenties evalueren en kan het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) aangepast worden op de resultaten?

Antwoord

Ik verwijs u hierbij naar het antwoord op vraag 193.

195

Zullen de nieuwe openstellingen die onder het Europees Visserijfonds (EVF) in verhouding staan met visstanden die op peil staan?

Antwoord

Onder het EVF zullen er geen openstellingen meer zijn. Voor alle concrete acties onder het nieuwe Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) geldt dat dit niet mag leiden tot vergroting van de vangstcapaciteit van een vaartuig of uitrusting waarmee het vermogen van het vaartuig om vis op te sporen, wordt vergroot.

196

Wat is de definitiebepaling van «duurzame innovaties en investeringen» en wie heeft deze bepaling vastgesteld?

Antwoord

In de EFMZV-verordening (EC 2014/508) staan geen definities van «duurzame innovaties en investeringen». Echter, bij openstellingen moeten de projecten wel passen binnen de in de verordening opgestelde kaders. Als het gaat om «duurzame innovaties» staat bijvoorbeeld in artikel 39 dat steun kan worden verleend «aan concrete acties die tot doel hebben nieuwe technische of organisatorische kennis te ontwikkelen of in te voeren die de impact van visserijactiviteiten op het milieu beperkt, ook op het gebied van verbeterde vangsttechnieken en selectiviteit van het vistuig, of waarmee een duurzamer gebruik van de biologische rijkdommen van de zee en co-existentie met beschermde predatoren worden verwezenlijkt.»

197

Op welke wijze gaat u om met de kritiek van een groot aantal milieu en ontwikkelingsorganisaties op uw «klimaatslimme landbouw»?

Antwoord

Klimaatslimme landbouw staat voor de triple-win van duurzame verhoging van de landbouwproductie, klimaatweerbaarheid en reductie van broeikasgassen; en er zijn veel (potentiële) manieren om die te realiseren. Ik vind het vanuit de voedselzekerheidsopgave belangrijk dat juist vanuit verschillende partijen en oogpunten meegedacht en gewerkt wordt aan wereldwijde voedselproductie, die tevens een duurzaam antwoord geeft op de (lokale) uitdagingen en impact van klimaatsverandering.

Dat is ook de reden dat er zowel in het voortraject als binnen de Global Alliance for Climate Smart Agriculture (GACSA) uitdrukkelijk de ruimte is om open met elkaar – leden en niet-leden – de dialoog aan te gaan.

198

Wat is uw definitie van «duurzaam» in het beleid dat gericht is op «goed en duurzaam presenterende agrarische ondernemers»?

Antwoord

Het woord «duurzaam» in de door u aangehaalde context slaat op ondernemers die toekomstgericht investeren in een duurzame bedrijfsvoering. Dat betekent dat ze rekening met de maatschappelijke wensen op het gebied van milieu, volksgezondheid en dierenwelzijn en hun bedrijf inrichten volgens de principes van people, planet en profit. Ik verwijs u tevens naar de antwoorden op de vragen die zijn gesteld naar aanleiding van het IBO Agro die op 19 oktober jl. aan uw Kamer zijn gestuurd.

199

Is de Brede Weersverzekering een taak die uitsluitend door de overheid vervult kan worden?

Antwoord

Met een premiesubsidie stimuleert het Ministerie van Financiën de realisatie van een marktconforme verzekering die is gericht op ondernemers die zich willen verzekeren voor schade door slechte weersomstandigheden die een flinke invloed kunnen hebben op de bedrijfsvoering en het bedrijfsinkomen. Hiermee wordt voorkomen dat er ad hoc schadevergoeding door de overheid zou moeten worden gegeven. Pas bij voldoende deelnemers en kennis over risico’s als gevolg van ongunstige weersomstandigheden zijn verzekeraars in staat om een verzekering in de markt te zetten met een acceptabele premie, die zonder subsidie rendabel te maken is. Daarom draagt de overheid in de beginfase bij via een premiesubsidie.

De brede weersverzekering is een private verzekering die een drietal verzekeraars uitvoeren.

200

Wat wordt verstaan onder de investeringen die niet vallen onder de categorie duurzame investeringen?

Antwoord

Investeringen die niet vallen onder de categorie duurzame investeringen zijn de gebruikelijke vervangingsinvesteringen die niet voldoen aan de criteria van de duurzaamheidsregelingen zoals MIA/VAMIL of EIA. Het kan daarbij zowel om roerende of onroerende goederen gaan.

201

Waarom is bij de tweede indicator de referentiewaarde uit 2013 (88%) hoger dan de streefwaarde in 2020 (>85%)? Zou het niet meer voor de hand liggen dan te streven naar minstens 90%?

Antwoord

Er wordt altijd gestreefd naar maximale benutting van kennis door beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties, maar het is inherent aan onderzoek dat het niet altijd tot een bruikbaar resultaat leidt. Een benutting van 88% in 2013 is een bijzonder goed resultaat, het is niet realistisch te verwachten dat zo’n benutting elk jaar wordt gehaald.

202

Wanneer komt er duidelijkheid over de hoor en wederhoor procedures met betrekking tot apurement van de Gemeenschappelijke Marktordening Groente en Fruit?

Antwoord

We bevinden ons in de afrondende fase van de apurementsprocedures over de audits in 2009 en 2011. Recent zijn hiervan de voorgenomen correctiebesluiten ontvangen. Formele besluitvorming (en dus openbaarmaking) hierover vindt pas plaats na behandeling in het Comité van de Landbouwfondsen. In zal u op korte termijn via het verslag van de Landbouwraad informeren over de voortgang in deze procedure.

Tevens kan ik u mededelen dat er recent een nieuw conformiteitsonderzoek naar de GMO Groente en Fruit is gestart. De (voorlopige) bevindingen hiervan zijn nog niet bekend. Wel heeft de Europese Commissie aangegeven te streven naar een snellere afhandeling van de apurementsprocedures.

203

Wat is de stand van zaken aangaande de mogelijke correcties op de Gemeenschappelijke Marktordening Groente en Fruit naar aanleiding van de audits in 2009 en 2011? Welke ontwikkelingen hebben sinds juni 2015 plaatsgevonden? Wanneer wordt afronding van de procedure verwacht?

Antwoord

Zie beantwoording bij vraag 202.

204

Kunt u aangeven welke onttrekkingen er in 2015 en daarop volgende jaren worden verwacht van de begrotingsreserve apurement?

Antwoord

Voor 2015 en daarop volgende jaren kan nog geen uitsluitsel gegeven worden hoe hoog de betalingen zullen worden, omdat de verschillende apurementprocedures nog niet zijn afgerond. Ook is nog niet bekend welke apurementprocedures nog gestart worden. Het aanhouden van een begrotingsreserve is daarom nodig.

In 2015 zijn tot op heden correctiebesluiten ontvangen van in totaal € 13 mln. Deze hebben betrekking op het niet voldoen aan de cross compliance voorwaarden in de periode 2009–2011, de afsluiting van het Europees visserijprogramma 2000–2006 en de Gemeenschappelijke Marktordening Groenten en Fruit in de periode 2012–2013. Daarnaast volgen naar verwachting nog correctiebesluiten naar aanleiding van de uitvoering van de Gemeenschappelijke Marktordening Groenten en Fruit in de periode 2007–2011 en de uitvoering van het Plattelandsontwikkelingsprogramma in 2010 en 2011. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 202.

Overigens merk ik op dat als gevolg van een uitspraak van het Europese Hof van Justitie het Ministerie van Economische Zaken in 2015 een bedrag van € 28,947 mln terugontvangen heeft van de Europese Commissie.

205

Kunt u aangeven hoe de begroting, de personeelsformatie en de onderzoekagenda van VIC Sterksel er oorspronkelijk voor 2015 uitzagen en welke bezuinigingen hierop hebben plaatsgevonden?

Antwoord

Hiervoor verwijs ik u naar het antwoord op vraag 111.

206

Is er bij de NVWA extra budget of personele capaciteit vrijgemaakt en specifiek geoormerkt voor het verbeteren van de handhavingscapaciteit op illegale puppyhandel?

Antwoord

In 2014 en 2015 had en heeft de NVWA voor toezicht en controle binnen de beschikbare uren voor dierenwelzijn 4 FTE beschikbaar voor toezicht en controle op de hondenhandel en de fokkerij, waarbij zowel op overtredingen ten aanzien van de regels met betrekking tot welzijn, als die op de veterinaire regelgeving wordt toegezien. In 2016 wordt, binnen de beschikbare capaciteit, prioriteit gegeven aan het toenemend aantal meldingen over hondenhandel, mede naar aanleiding van de nieuwe veterinaire regels voor pups (vaccinatieverplichting). Dit wordt nader uitgewerkt in het jaarplan 2016 van de NVWA.

207

Kan er een overzicht worden gegeven van de retributiesystematiek keuren en toezicht voor het bedrijfsleven?

Antwoord

Het kabinetsbeleid omtrent de inspecties en retributies van de NVWA is vastgelegd in de brief van 19 december 2013 over het retributiestelsel (Kamerstuknummer 33 835, nr. 2), het Plan van Aanpak NVWA van 19 december 2013 (Kamerstuknummer 33 835, nr. 1) en de kabinetsreactie op het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid van 10 juni 2014 (Kamerstuknummer 26 991, nr. 418). Binnen deze kaders streeft het kabinet naar een zo efficiënt mogelijke uitvoering van de inspectie en het toezicht. Uitgangspunt is dat de kosten die de NVWA maakt, zijn verdisconteerd in het tarief volgens het profijtbeginsel en dat het tarief kostendekkend is (rapport Maat houden 2014). Kosten moeten volgens bedrijfseconomische principes worden doorberekend.

208

Is er sprake van een stijging, of een daling, van de retributies keuren en toezicht voor het bedrijfsleven de afgelopen 5 jaar?

Antwoord

Onderdeel van het kabinetsbeleid inzake retributies is zoals aangegeven in het antwoord op vraag 207 het doorvoeren van volledige kostendekkendheid voor de hoogte van de tarieven (rapport Maat houden, 2014). De retributies zijn als gevolg hiervan in de afgelopen jaren gestegen. Zoals toegezegd in het Algemeen Overleg Landbouwraad van 3 september jl. ontvangt uw Kamer een overzicht van de keuringskosten, inclusief de investeringen vanuit de overheid.

209

Wat betekent het voor de werkwijze van de NVWA nu er in 2016 er minder geld naar de NVWA gaat vanuit de begroting EZ?

Antwoord

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 35 en 136.

210

Wat betekent het voor de organisatie en personele bezetting van de NVWA nu er in 2016 gaat minder geld naar de NVWA gaat vanuit de begroting EZ?

Antwoord

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 135 en 136.

211

Wat betekent het voor het systeem van keuren en toezicht van de NVWA nu er in 2016 minder geld naar de NVWA gaat vanuit de begroting EZ?

Antwoord

Ik verwijs u naar de antwoorden gegeven bij de vragen 44 t/m 47.

212

Kunt u voor de volledige rijksbegroting aangeven welke gelden voor dierproeven danwel alternatieven, vervanging, vermindering en verfijning van dierproeven worden besteed?

Antwoord

De ministeries van EZ, I&M, VWS, Defensie en OCW besteden gezamenlijk in totaal € 9.582.624,- aan dierproeven en alternatieven.

213

Kunt u aangeven welk bezuinigingsprogramma u op dit moment doorvoert bij de NVWA? Wat moet dit op gaan leveren?

Antwoord

Ik heb eind 2013 het Plan van Aanpak NVWA aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstuknummer 33 835 nr. 1). Dit is gericht op versterking van het toezicht op vijf domeinen en het versterken van de organisatie. Een onderdeel van het plan van aanpak betreft het wegnemen van inefficiënties in de bedrijfsvoering (arbeidsvoorwaarden en planning). Deze activiteiten dragen bij aan een efficiëntere inzet van de NVWA. Ik verwijs u verder naar de 3e voortgangsrapportage Plan van Aanpak NVWA die op 16 oktober jl. aan uw Kamer is verzonden.

214

Wat heeft u nodig om de klepkeuring af te schaffen?

Antwoord

Klepkeuring is de nationale uitvoering van een keuringssysteem volgens Europese wetten, waarbij de dieren vóór aanvang van een transport naar het buitenland worden gekeurd om te voorkomen dat dieren worden getransporteerd die uit het oogpunt van diergezondheid of dierenwelzijn niet vervoerd mogen worden.

Deze keuringssystematiek vormt de basis om de vereiste garanties in het handelsverkeer te kunnen geven. Ik heb de sector de mogelijkheid geboden om door middel van stalkeuring in de 24 uur voor vertrek export mogelijk te maken mits er gewerkt wordt met een goedgekeurd kwaliteitssysteem.

215

Hoeveel meldingen van illegale hondenhandel heeft de NVWA in 2014 ontvangen en hoeveel van deze meldingen zijn ook daadwerkelijk onderzocht.

216

Hoeveel meldingen van illegale hondenhandel heeft de NVWA in 2014 wegens onvoldoende beschikbare mensen of middelen niet op kunnen volgen?

Antwoord op 215 en 216

In 2014 zijn bij het Klantcontactcentrum van de NVWA 58 meldingen m.b.t. vermoedens van illegale hondenhandel ontvangen. Van deze meldingen hebben er 40 op basis van risico-selectie tot nader onderzoek geleid.

217

Hoeveel extra fte heeft de NVWA nodig om alle meldingen van illegale hondenhandel op te kunnen volgen?

Antwoord

De aanpak van illegale hondenhandel vindt in samenwerking tussen NVWA, politie en LID plaats en het convenant samenwerking dierenhandhaving vormt hiervoor het uitgangspunt. Meldingen worden door de NVWA op basis van risico analyse opgevolgd. De NVWA hanteert het risicogericht inspecteren als uitgangspunt om het toezicht zo effectief mogelijk in te zetten. Om die reden worden meldingen beoordeeld en wordt gericht en selectief vervolgactie ingezet. Over de invulling van het jaarplan 2016 vindt nog overleg plaats. Ik verwijs u verder naar het antwoord op vraag 135 en 136.

218

Hoeveel meldingen van illegale hondenhandel heeft de NVWA in de periode 2010–2014 ontvangen?

Antwoord

Het systeem waarmee binnen de NVWA meldingen geregistreerd worden is eind 2009 in gebruik genomen. In de periode 2010–2014 zijn 147 meldingen geregistreerd m.b.t. vermoedens van illegale hondenhandel.

219

Hoeveel van de ontvangen meldingen van illegale hondenhandel heeft de NVWA in de periode 2010–2014 afgehandeld en hoeveel meldingen zijn niet behandeld.

Antwoord

In de periode 2011–2014 zijn door de NVWA minimaal 85 onderzoeken en controles uitgevoerd naar aanleiding van meldingen. Het programma waarin de registratie van de uitgevoerde controles op hondenhandel plaatsvindt is pas sinds 2011 werkzaam. Voor het kalenderjaar 2010 kan derhalve niet bepaald worden hoeveel meldingen gerelateerd aan hondenhandel tot onderzoek en/of controle hebben geleid.

220

Hoeveel online aanbieders van puppy’s zijn in 2014 door de NVWA benaderd om de online handel in puppy’s in te perken?

Antwoord

Inspecteurs van de NVWA vorderen gegevens van online aanbieders voor nader onderzoek ten behoeve van uit te voeren controles. In 2014 is ten behoeve van onderzoek naar hondenhandel 38 keer een vordering gedaan. Naar aanleiding hiervan heeft 35 keer een controle plaatsgevonden. In 2015 is overigens door de NVWA een pilot uitgevoerd waarbij 133 aanbieders van pups op internet middels handhavingscommunicatie actief werden benaderd over regelgeving omtrent identificatie en registratie van honden. Adverteerders werden verzocht hun gegevens aan de NVWA te verzenden ten behoeve van controles op deze regelgeving. Benaderen van adverteerders langs deze weg is zinvol gebleken om adverteerders te laten inzien dat ze gecontroleerd worden door de NVWA, ook via internetaanbieders. Tevens werd hiermee meer bekendheid gecreëerd voor de I&R-verplichting voor honden. De NVWA is voornemens in navolging van de pilot nog controles uit te gaan voeren ten behoeve van het beter risicogericht inrichten van het interventiebeleid. Ik zal in de evaluatie van het beleid op het terrein van hondenhandel, die uw Kamer begin 2016 ontvangt, nader op de resultaten hiervan in gaan.

221

Wat is de toedeling naar fte’s van de capaciteit van de NVWA over de verschillende sectoren?

Antwoord

Onderstaande indeling is indicatief gebaseerd op een verwachte inzet van de handhavingscapaciteit van de NVWA.

Sector

FTE

Veiligheid in de voedselketen

38%

Productveiligheid

5%

Dierenwelzijn en diergezondheid

16%

Export en Import

7%

Plantgezondheid en Natuur

13%

Alcohol en tabak

2%

Controletaken subsidieregelingen

5%

Risicobeoordeling, onderzoek, opsporing Klantcontact en dienstverlening

15%

Eindtotaal

100%

222

Kan de regering een overzicht geven van het aantal lopende pilots en te verwachten pilots op het gebied van keuring en toezicht in de veevoer-, veetransport- en vee-industrie?

Antwoord

Met betrekking tot de pilots ten bate van de acceptatie kwaliteitssystemen transport lopen er vier trajecten: 1) de pilot ten behoeve van het uitvoeren van twee verzamelslagen en bijkomend vervoer bij slacht- en weideschapen, 2) de (pre-)pilot ten behoeve van het uitvoeren van twee verzamelslagen bij kalveren, inclusief het lossen op twee adressen per vervoerseenheid, 3) de pilot weiderunderen ter verkrijging van de mogelijkheid om vanaf een verzamelcentrum weiderunderen af te kunnen voeren naar een weidebedrijf om afgemest te worden en de (pre-)pilot bij varkens ten behoeve van het verkrijgen van stalkeuring voor bepaalde categorieën varkens in geval van kort transport. De prepilots bij de kalveren en de varkens zijn gehouden en naar aanleiding van de evaluatie daarvan wordt gesproken over de wijze waarop het vervolg hierop wordt ingericht. Bij de runderen worden de mogelijkheden bekeken voor een pilot ten behoeve van stalkeuring van fokrunderen op een verzamelcentrum (zie ook Kamerstuknummer 28 286 nr. 799, dd. 1 april 2015).

223

Kunt u een overzicht geven van lopende en verwachte private kwaliteitssystemen in de veevoer-, veetransport- en vee-industrie?

Antwoord

Private kwaliteitssystemen kunnen een grote rol spelen in het borgen van de voedselveiligheid en integriteit in de voedselketen. Private kwaliteitssystemen die voldoen aan bepaalde, strenge criteria (Kamerstuknummer 26 993 nr. 423, dd. 4 juli 2015) t.b.v. voedselkwaliteit en voedselintegriteit kunnen door de NVWA worden geaccepteerd als ondersteunend aan haar toezicht. Per 1 oktober 2015 hebben zestien private kwaliteitssystemen de intentie uitgesproken om aan deze strenge criteria te voldoen en tien aanvragen zijn reeds door de NVWA in behandeling genomen. Hieronder zitten tevens enkele van de grotere, internationale kwaliteitssystemen. De in behandeling zijnde kwaliteitssystemen ten aanzien van de dierlijke sector zijn: FSSC22000, GlobalG.A.P., Feed Chain Alliance, Efisc, GMP+ International, Qlip en IKB Ei. Deze kwaliteitssystemen zijn nu bezig hun systemen aan de nieuwe criteria aan te passen.

Ook zijn nieuwe kwaliteitssystemen in ontwikkeling. De varkenshouderijsector werkt aan een nieuw integraal ketenkwaliteitssysteem. Met het nieuwe ketenkwaliteitssysteem wordt de productie van varkensvlees geborgd van het begin van de keten tot en met de retail op basis van het principe van «chain of custody». Bij alle ketenpartijen in de varkenssector is er draagvlak voor één integraal ketensysteem. Binnen de diervoedersector is in Nederland het kwaliteitssysteem SecureFeed opgericht voor de borging van de voedselveiligheid en -integriteit vanuit bedrijven die diervoeders leveren aan veehouders. Het doel van het kwaliteitssysteem is om de borging van de voedselveiligheid en -integriteit binnen de diervoederketen en de dierlijke sectoren beter op elkaar aan te laten sluiten.

Op het gebied van de kwaliteitssystemen voor het diertransport lopen op dit moment vier trajecten (zie ook mijn antwoord op vraag 222).

224

Kunt u een overzicht geven van de controle-activiteiten van Nederland in het afgelopen jaar in de veevoer-, veetransport-, en vee-industrie (hoeveel controles hebben er plaatsgevonden, hoeveel overtredingen zijn daarbij geconstateerd, hoeveel, wat voor sancties zijn daarbij opgelegd en wat zijn de 10 meest voorkomende overtredingen)?

Antwoord

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 86 en 87.

225

Kunt u aangeven wat het budget is wat u gereserveerd heeft voor de NVWA om controles uit te voeren op het gebruik van illegale antibiotica en groeihormonen in de vee- en veevoerindustrie?

Antwoord

De gesprekken met de NVWA over het jaarplan 2016 zijn nog niet afgerond. Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 135 en 136.

226

Op welke wijze gaat de NVWA Nederlandse transporteurs controleren die in het buitenland overtredingen maken op het gebied van dierenwelzijn en diergezondheid?

Antwoord

In het algemeen vinden er controles plaats naar aanleiding van klachten en meldingen vanuit het buitenland. In het buitenland vindt er over het algemeen een interventie plaats door het betreffende land waarin de overtreding is geconstateerd. Daarnaast vinden er in Nederland op basis van import, export en doorvoer controles plaats.

227

Op welke termijn gaan alle veewagens (voor kort en lang transport) uitgerust worden met GPS en wat vindt u een redelijke termijn?

Antwoord

Alle veewagens voor lang transport dienen al uitgerust te zijn met GPS. Voor kort transport wordt dit op grond van de transportverordening niet verplicht gesteld. Om effectief te kunnen controleren zijn aanvullende voorwaarden aan de GPS systemen noodzakelijk gebleken. Tijdens de beoordeling van de kwaliteitssystemen voor transport in de varkenssector, kijkt de NVWA naar de verbetering van het GPS toezicht. Voor de invoering van een GPS systeem waarin realtime controle kan plaatsvinden is door de sector een project gestart dat binnen drie jaar moet leiden naar de introductie van zo’n realtimesysteem. Ik vind deze termijn redelijk mits er in tussenliggende periode duidelijke praktische verbeteringen worden doorgevoerd ten opzichte van de bestaande transportsystemen. Dit sluit aan bij de motie van het lid Van Dekken (Vergaderjaar 2013–2014, Kamerstuk 28 286, nr. 761).

228

Kunt u per diercategorie over de afgelopen 2 jaar aangeven hoeveel veehouderijbedrijven er zijn en hoeveel er daarvan deelnemen aan een privaat kwaliteitssysteem dat jaarlijks het antibioticabeleid controleert?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar mij antwoord op vraag 174.

229

Kunt u per diercategorie aangeven hoeveel personele capaciteit de NVWA nodig heeft om de niet bij een privaat kwaliteitssysteem aangesloten veehouderijbedrijven jaarlijks te controleren op hun antibioticagebruik?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 175.

230

Kunt u van de niet aan een privaat kwaliteitssysteem deelnemende veehouderijbedrijven aangeven hoeveel er daarvan de afgelopen 2 jaar en tot nu toe in 2015 door de NVWA op antibioticabeleid zijn gecontroleerd en hoeveel niet?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 176.

231

Is het waar dat de NVWA niet of nauwelijks toekomt aan controles op antibioticagebruik in de veehouderij?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 179.

232

Bent u bereid de personele capaciteit van de NVWA zodanig uit te breiden dat alle veehouderijbedrijven jaarlijks worden gecontroleerd op antibioticagebruik?

Antwoord

Nee. Uitgangspunt bij het algemene NVWA-controleregime is risico gebaseerde handhaving. Ik zie geen reden om hiervan voor de controles op antibioticagebruik af te wijken.

233

Kunt u aangeven hoeveel controles van veetransporten er voor 2016 zijn gepland, welk percentage dat is van het te verwachten aantal veetransporten en hoe groot de pakkans en het afschrikkingseffect is?

Antwoord

Naar verwachting zullen zo’n 2.900 controles op veetransporten 2016 gepland worden. Dit betreft zowel controles op dierenwelzijn, maar ook controles op preventieregelgeving, en import en export-voorschriften. Hierbij zal de analyse van de controleresultaten over 2015 worden gebruikt ten behoeve van de pakkans in 2016. Om de gepercipieerde pakkans te vergroten, wordt er veelal select gecontroleerd, naar aanleiding van een risicoanalyse gericht op specifieke onderwerpen (bv. import, stahoogte bij runderen etc.).

234

NVWA Hoeveel slachterijen moeten gelet op het aantal dieren dat zij slachten een Animal Welfare Officer hebben (artikel 17) en van hoeveel slachterijen heeft de NVWA vastgesteld dat dit het geval is?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 89.

235

Controleert de NVWA op de aanwezigheid van Standard Operating Procedures?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar mijn antwoord op vraag 90.

236

Wat zijn de resultaten van de controles op Standard Operating Procedures?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar mijn antwoord op vraag 90.

237

Bent u bereid pluimveeslachterijen die nog de waterbadmethode voor bedwelming gebruiken onder verscherpt toezicht te plaatsen?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar mijn antwoord op vraag 108.

238

Kunt u aangeven of de slachthuizen die nog de waterbadmethode gebruiken plannen hebben deze door een betere methode te vervangen en per wanneer?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar mijn antwoord op vraag 101.

239

Kunt u aangeven of u al in gesprek bent gegaan met slachthuizen om het levend aanhangen voor de slacht uit te bannen en wat is de stand van zaken hiervan?

Antwoord

Hierover is in het voorjaar 2015 gesproken met de sector. Ik verwijs u hiervoor naar mijn antwoord op vraag 101.

240

Bent u het er mee eens dat dit onderzoekscentrum van belang is om in Nederland onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek te blijven doen om in de varkenssector, ook als deze krimpt, te werken aan de noodzakelijke verduurzaming waaronder het diervriendelijker maken van de sector?

Antwoord

Ik onderschrijf het belang van voldoende onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek in Nederland ten behoeve van de verdere verduurzaming van de varkenssector. Dergelijk onderzoek wordt uitgevoerd op verschillende locaties, waaronder op het VIC Sterksel.

241

Kunt u aangeven in hoeverre de in 2015 bij VIC Sterksel getroffen bezuinigingsmaatregelen komen door vermindering van de overheidsbijdrage aan onderzoek en in hoeverre dit komt door het wegvallen van de bijdrage van het vroegere productschap voor vee en vlees zonder dat hiervoor een bijdrage via een zogenaamd AVV in de plaats is gekomen?

Antwoord

De bezuinigingsmaatregelen komen voornamelijk door het wegvallen van een deel van de onderzoeksgelden in 2015 omdat de bijdrage van de sector aan de onderzoeksprojecten nog niet geregeld is via een AVV. De sector werkt momenteel aan een AVV-aanvraag. In dit overgangsjaar heeft de overheid bij uitzondering voor een extra financiering gezorgd voor enkele projecten waarvan de voortzetting of afronding als prioritair wordt gezien in relatie tot maatschappelijke onderwerpen.

242

Hoeveel geld is er volgens Wageningen UR nodig om een redelijk praktijk onderzoekscentrum voor de varkenshouderij in Nederland in stand te houden?

Antwoord

De Wageningen UR geeft aan een budget van € 2,6 – € 3,9 miljoen per jaar nodig te hebben voor onderzoek in de varkenshouderij in Nederland. Van dit budget is ongeveer € 1,3 miljoen per jaar bestemd voor onderzoek op het innovatiecentrum Sterksel.

243

Is de regering bereid om aan het algemeen verbindend verklaren van een regeling voor heffing van onderzoeksgelden in de varkenshouderij de voorwaarde te verbinden dat hiervan minstens hetzelfde bedrag dat de overheid aan VIC Sterksel besteedt, besteed moet worden bij VIC Sterksel?

Antwoord

Nee. Het Europese iGMO-instrument «verbindend verklaren» is namelijk niet bedoeld voor een dergelijke overheidssturing op de inzet van private middelen. Op grond van de iGMO kan een erkende producenten- of brancheorganisatie (PO/BO) die de belangen behartigt van bij de PO of BO aangesloten varkenshouders bij de Minister van EZ een verzoek indienen om de financiële bijdragen die deze aangesloten varkenshouderleden (als leden van de PO of BO) betalen voor de financiering van door de PO of BO uit te voeren onderzoeken óók te mogen vorderen van varkenshouders die niet bij de PO of BO zijn aangesloten. Omdat met dit instrument de marktvrijheid van niet aangesloten varkenshouders wordt ingeperkt, behelst de iGMO stringente eisen waaraan een dergelijk verzoek moet voldoen. Onder andere moet vaststaan dat niet bij de PO of BO aangesloten varkenshouders daadwerkelijk voordeel hebben bij de uitvoering van de onderzoeken en dient de PO of BO te voldoen aan de representativiteitscriteria uit de iGMO. Maar zoals hiervoor aangegeven zal de Minister van EZ in diens besluit niet vastleggen bij welke organisatie de PO of BO het onderzoek moet laten uitvoeren.

244

Kunt u een overzicht geven van de trekkingen en voedingen uit de interne begrotingsreserves per subonderdeel over de afgelopen 5 jaar?

Antwoord

De onttrekkingen uit en stortingen in de interne begrotingsreserves over de periode 2011 t/m 2015 kunnen als volgt weergegeven worden (de bedragen voor 2015 zijn de geraamde onttrekkingen en stortingen, stand per 31 december wijkt soms af door afrondingsverschillen):

Begrotingsreserve landbouw

(bedragen x 1 mln)

2011

2012

2013

2014

2015

Stand per 1–1

18,6

38,9

46,3

57,3

33,3

Onttrokken

– 2,2

– 4,9

– 5,2

– 26,6

– 9,1

Gestort

+22,5

+12,3

+16,2

+2,7

0,6

Stand 31–12

38,9

46,3

57,3

33,3

24,9

Begrotingsreserve visserij

(bedragen x 1 mln)

2011

2012

2013

2014

2015

Stand per 1–1

27,7

26,9

21,9

20,5

13,5

Onttrokken

– 2,0

– 5,0

– 1,5

– 7,1

– 3,8

Gestort

+1,2

+0,1

+0,1

+0,0

+0,0

Stand 31–12

26,9

21,9

20,5

13,5

9,7

Begrotingsreserve borgstellingsfaciliteit

(bedragen x 1 mln)

2011

2012

2013

2014

2015

Stand per 1–1

54,9

49,2

53,5

58,1

41,3

Onttrokken

– 9,7

– 0,0

– 0,0

– 21,9

– 15,2

Gestort

+4,0

+4,3

+4,5

+5,1

+5,0

Stand 31–12

49,2

53,5

58,1

41,3

31,1

Begrotingsreserve apurement

(bedragen x 1 mln)

2011

2012

2013

2014

2015

Stand per 1–1

0,0

170,0

166,8

177,8

150,3

Onttrokken

– 0,0

– 3,2

– 0,0

– 28,0

– 3,2

Gestort

170,0

+0,0

+11,0

+0,5

+29,0

Stand 31–12

170,0

166,8

177,8

150,3

176,1

245

Kunt u toelichten welke uitgaven u dit jaar verwacht ten aanzien van de begrotingsreserves apurement?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar mijn antwoord op vraag 204.

246

Welke toe- of afname van de begrotingsreserve apurement wordt geraamd in het komende jaar?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar mijn antwoord op vraag 204.

247

Geldt de Garantieregeling Marktintroductie Innovatie ook voor innovaties betreffende alternatieven voor dierlijke producten zoals plantaardige vlees- en zuivelvervangers?

Antwoord

Ondernemers in alle agroproductiesectoren kunnen een beroep gaan doen op borgstelling via de Garantieregeling Marktintroductie Innovaties. Dat kunnen in principe dus ook agrariërs zijn die vernieuwing in hun keten concreet uitwerken in de vorm van plantaardige vervangers van dierlijke producten.

248

Op welke manieren zou de begroting, primair uitgaande van een kasstroomstelsel, kunnen worden vormgegeven zonder de interne begrotingsreserve? Welke voor- en nadelen zou dat met zich meebrengen?

Antwoord

Het uitgangspunt van het begrotingsbeleid is ook dat alle kasstromen in eerste aanleg worden vormgegeven binnen het huidige kasstroomstelsel van de begroting, voor begrotingsreserves geldt derhalve ook een «Nee tenzij beleid». De interne begrotingsreserves zijn ingesteld, omdat er in bijzondere gevallen sprake is van uitgaven die naar hun aard of doel jaarlijks sterk kunnen fluctueren, zoals bijvoorbeeld de schades uit risicoregelingen. Er is dan sprake van onzekerheid over de omvang of het tijdstip van de uitgaven. Het voordeel van een interne begrotingsreserve is dat de middelen op die manier beschikbaar blijven voor het specifieke doel. Met het afschaffen van interne begrotingsreserves zou deze mogelijkheid komen te vervallen, hetgeen praktische problemen zou veroorzaken voor het inpassen van incidentele (grote) uitgaven zoals financiële correcties door de Europese Commissie. Een andere mogelijkheid voor het opvangen van fluctuaties in de begroting is de eindejaarsmarge. Dit kan in sommige gevallen echter een te beperkte buffer (1% van de uitgaven) zijn en is niet bedoeld voor het treffen van een voorziening voor een specifiek doel.

249

Welke doelstelling heeft u voor 2016 op het gebied van het creëren van een gezonde, groene woon- en werkomgeving?

Antwoord

Met de maatschappelijke uitvoeringsagenda van de Rijksnatuurvisie «Natuurlijk Verder» wordt ingezet op het stimuleren van onder andere groen ondernemerschap en groener wonen en werken.

Deze maatschappelijke uitvoeringsagenda wordt samen met provincies uitgevoerd. Er zijn en worden Green Deals gesloten gericht op vergroening van steden en bedrijven. De in opdracht van EZ ontwikkelde TEEB-stad Tool helpt provincies en gemeenten daarbij. Met deze Tool kunnen gemeenten de waarde van groen berekenen en geeft het handvatten om een proces tot stand te brengen in de samenleving dat leidt tot meer natuur in de steden. Daarnaast is het beleid gericht op het ontstaan van netwerken in de samenleving, waar van elkaar geleerd kan worden en samengewerkt. In het kader van het interdepartementaal programma Agenda Stad worden met steden onder andere city deals verkend rond de groene en gezonde stad.

250

Klopt het dat op basis van tabel 3.4a in het Panteia onderzoek naar de bekostiging in het groen onderwijs het verschil tussen door Economische Zaken (EZ) en Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW) gefinancierd onderwijs € 351 euro per student is?

Antwoord

De omvang van de basisbekostiging per student in het mbo ligt voor het door EZ bekostigde onderwijs over de gehele onderzoeksperiode lager dan voor het door OCW bekostigde onderwijs. Het verschil is in 2014 € 351 per student. Daar tegenover staat een aanzienlijk bedrag per leerling waarmee EZ de mbo-instellingen aanvullend bekostigt. De totale uitgaven per mbo-student gewogen voor BOL/BBL voor het door EZ bekostigde onderwijs liggen in 2014 € 1.113 hoger dan voor het OCW bekostigde onderwijs. Panteia heeft de vergelijkingen gebaseerd op de bekostiging inclusief de vernieuwingssubsidies groen onderwijs welke na 2015 vervallen. Daarnaast geeft Panteia aan dat het effect van de verschillende prijsfactoren waarmee de bekostiging plaatsvindt op basis van de aard van de opleiding niet kon worden meegenomen en dat daarom de prijzen niet vergelijkbaar zijn.

251

Wat is het begrootte verschil in gewogen bekostiging per student tussen het EZ-MBO en het OCW-MBO in 2016?

Antwoord

Berekening van de bekostigingsverschillen in 2015 en 2016 wordt momenteel gevalideerd op basis van het rapport Berenschot. Over de uitkomsten daarvan wordt uw Kamer voor de begrotingsbehandeling van OCW en EZ geïnformeerd.

252

Wat is het begrootte verschil in gewogen bekostiging per student tussen het EZ-HBO en het OCW-HBO in 2016?

Antwoord

Panteia heeft de onderwijsbekostiging tot en met 2014 onderzocht op basis van definitieve onderwijsuitgaven en gerealiseerde studentenaantallen. Er zijn voor de periode na 2014 geen gevalideerde vergelijkingen beschikbaar in de vorm van definitieve cijfers.

253

Hoe worden de MIP’s ingebed bij de AOC’s?

Antwoord

De MeerjarenInvesteringsProgramma’s (MIP’s) zijn verbonden aan de strategische onderwijsplannen (instellingsplan en het sectorplan) van een AOC. Daarmee is het een onderdeel geworden van de schoolorganisatie. De AOC’s zorgen ervoor dat de gekozen thema’s, actielijnen, financiering en samenwerkingsverbanden in de regio worden geborgd in de onderwijsprogramma’s en binnen de schoolorganisatie. De hieruit voorkomende kennisbasisinfrastructuur moet het mogelijk maken dat ook na 2015 de kennis- en innovatieopdracht wordt ingevuld.

254

Waarom is in het Panteia onderzoek naar de bekostiging in het groen onderwijs voor het WO gekozen voor de jaren 2011 en 2012?

255

Wat betekent het wanneer de vergelijking in het Panteia onderzoek naar de bekostiging in het groen onderwijs voor het WO wordt doorgetrokken vanuit 2012 naar 2014?

256

Wat betekent het voor de bekostiging per student wanneer de vergelijking in het Panteia onderzoek naar de bekostiging in het groen onderwijs voor het WO wordt doorgetrokken vanuit 2012 naar 2014?

257

Wat betekent het voor de vergelijking bekostiging per student aan de WUR met andere technische universiteiten wanneer de vergelijking in het Panteia onderzoek naar de bekostiging in het groen onderwijs voor het WO wordt doorgetrokken vanuit 2012 naar 2014?

Antwoord op 254 t/m 257

De door Panteia uitgevoerde vergelijking tussen Wageningen Universiteit en de drie Technische universiteiten is gebaseerd op 1cijferHO (DUO studentcijfers) en bekostigingstabellen van OCW. Deze zijn alleen voor 2011 en 2012 gemaakt, omdat er geen uitsplitsing van de rijksbijdragen vóór 2011 beschikbaar was en het 1cijferHO-bestand tot en met 2012 van toepassing was. Voor de periode na 2012 waren geen gevalideerde definitieve cijfers beschikbaar ten tijde van het Panteia onderzoek (2014), dat is ook de reden dat niet is doorgetrokken vanuit 2012 naar 2014.

258

Wat is de actuele ontwikkeling van het aantal studenten aan de WUR?

Antwoord

In onderstaande tabel zijn de studenten in het groen WO per bekostigingsjaar weergegeven. Deze tabel is ook opgenomen in de EZ begroting 2016.

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

7.500

8.300

9.000

8.700

8.800

8.900

9.100

259

Hoe verloopt de financiering van de WUR?

Antwoord

De WUR bestaat uit meerdere onderdelen, waaronder de onderzoeksinstelling DLO en Wageningen Universiteit. Wageningen Universiteit wordt gefinancierd volgens regelgeving voor de bekostiging van het hoger onderwijs.

260

Hoe werkt de 2% afbufferingsafspraak in de praktijk?

261

Wat betekent de 2% afbufferingsafspraak voor de financiering van de WUR nu?

262

Wat betekent de 2% afbufferingsafspraak voor de financiering van de WUR in de toekomst?

Antwoord 260 t/m 262

De EZ begroting 2016 voorziet in maximaal 2% groei van de bekostiging van Wageningen Universiteit per jaar. Omgekeerd geldt hetzelfde bij een daling van de bekostiging. Indien de berekende rijksbijdrage exclusief de loon- en prijsbijstelling in een bepaald jaar met meer dan 2% stijgt wordt de rijksbijdrage van het vorig jaar plus 2% en vermeerderd met de loon en prijsbijstelling verstrekt. Bij een berekende daling met meer dan 2% wordt de rijksbijdrage van het voorgaand jaar min 2% maar vermeerderd met de loon- en prijsbijstelling verstrekt. De afbuffering geldt alleen voor dat jaar, basis voor de berekening in het daaropvolgende jaar is het niet afgebufferde bedrag. Door de afbuffering worden grote wijzigingen in de rijksbijdrage voorkomen. In 2015 en 2016 is er afbuffering aan de orde, volgens de huidige prognose is dat in de periode 2017–2020 niet meer het geval.

263

Wat betekent het versterken van de verticale onderwijskolom voor de financiering van het Groene Onderwijs?

Antwoord

Een versterkte verticale groene onderwijskolom maakt het mogelijk om niet alleen op onderwijsinhoud (bijvoorbeeld de doorlopende leerlijn), maar ook in de financiering effectiever en efficiënter te opereren. Door juist meer samen te werken binnen, maar ook buiten de groene onderwijskolom kan met minder publieke financiering de onderwijsopdracht worden uitgevoerd.

264

Hoe wordt de kwaliteit van het Groene Onderwijs vastgelegd in de versterking van de verticale onderwijskolom?

Antwoord

De onderwijskwaliteit borgen is primair een verantwoordelijkheid van iedere groene onderwijsinstelling. Toezicht hierop is een zaak van de Inspectie van het Onderwijs. Binnen de verticale onderwijskolom kunnen groene onderwijsinstellingen afspraken maken over een gezamenlijke invulling van onderwijsprogramma’s, versterken van het beroepsonderwijs en de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt. De afspraken hierover worden vastgelegd in de afzonderlijke MIP’s van de instellingen, de sectorplannen van de AOC’s, HASsen en het Strategisch Plan WUR. Het groen onderwijs heeft zich ook uitgesproken om te komen tot een gezamenlijke meerjarige strategische ontwikkelagenda (Kamerstuknummer 34 284, nr. 1). Onderdeel hiervan is onder meer de versterking van de verticale onderwijskolom.

265

Is de veronderstelling juist dat de basisbekostiging per student voor de Wageningen Universiteit door het hanteren van de 2% grens voor budgettoename (ook) in 2015 en 2016 relatief lager uitvalt dan voor de (andere) technische universiteiten? Hoe groot is het verschil?

Antwoord

Er zijn nog geen definitieve bekostigingscijfers 2015 en 2016 beschikbaar. De bekostiging valt op basis van het actuele bekostigingsmodel enkele procenten per bekostigde student lager uit ten opzichte van 2014. Belangrijke oorzaak is de 2% afbuffering in combinatie met een stijging van het aantal studenten.

266

Kunt u aangeven hoe de uitgaven aan het groen onderwijs met name aan de Agrarische Opleidingscentra komend jaar teruglopen ten opzichte van voorgaande jaren en in hoeverre het verschil oploopt tussen uitgaven aan studenten in het regulier en groene MBO?

Antwoord

De uitgaven aan het groene vmbo en mbo zijn door Panteia in beeld gebracht voor de periode 2004 tot en met 2014. Panteia heeft in een aanvullende rapportage naar aanleiding van de validatie van het rapport Berenschot (periode 2015–2016) de voorlopige uitgaven in de jaren 2015 en 2016 in beeld gebracht. Hierover wordt uw Kamer schriftelijk geïnformeerd voor de begrotingsbehandeling van OCW en EZ.

267

Is de analyse van Berenschot (Das e.a.; Scenario's bekostiging AOC's; september 2015) dat vanaf 2016 de basisbekostiging per student in het groene VMBO- en MBO-onderwijs ongeveer 1.000 euro lager ligt dan bij andere MBO-opleidingen juist?

Antwoord

De beantwoording van deze vraag houdt verband met de validatie op het Berenschot rapport over de EZ en OCW bekostiging 2016. Hierover wordt u schriftelijk geïnformeerd voor de begrotingsbehandeling van OCW en EZ.

268

Kunt u uitleggen waarom het amendement om extra geld voor groen onderwijs te regelen niet doorgezet is naar het jaar 2016? Wordt het budget voor opleidingen toegekend aan de hand van het aantal leerlingen, zo ja: kunt u het bedrag per leerling (WO, HBO, MBO, VO) weergeven en de ontwikkeling daarvan in de afgelopen jaren?

Antwoord

Bij Voorjaarsnota 2015 is de verwerking van het amendement doorgetrokken naar 2016 en volgende jaren. De 2% versobering zoals vastgelegd in de Voorjaarsnota 2014 is hiermee teruggedraaid (Kamerstuknummer 34 284, nr. 1). Voor het voortgezet onderwijs wordt het budget, behoudens een kleine vaste voet, toegekend op basis van het aantal leerlingen zonder een ondersteuningsbedrag. Bij het middelbaar beroepsonderwijs wordt het beschikbare macrokader toegekend op basis van aantal leerlingen gewogen voor leerwegen en prijsfactoren. Bij het hoger onderwijs wordt er toegekend op basis van variabele componenten (bekostigde inschrijvingen, graden en promoties) en vaste componenten (onderwijs en onderzoek). Dit betreft onderwijs en onderzoek. In onderstaande tabel wordt de gerealiseerde bekostiging tot en met 2014 en de geraamde bekostiging voor de jaren 2015 en 2016 gegeven per onderwijsdeelnemer per bekostigingsjaar. Deze tabel is ook opgenomen in de EZ begroting 2016. Het gaat hierbij om de budgettaire realisaties en ramingen.

 

2012

2013

2014

2015

2016

WO

25.467

23.686

22.573

21.037

19.672

HBO

8.779

8.733

9.084

9.057

7.855

MBO

5.071

5.239

5.301

6.520

6.362

VO

8.689

8.982

8.756

8.920

8.983

269

Waarom krijgen HBO en MBO beduidend minder budget en op welke fronten moeten de betreffende instellingen bezuinigen?

Antwoord

De budgettaire afname van 2015 naar 2016 binnen het HBO en MBO wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de wegvallende groene onderwijsvernieuwingssubsidies (waaronder middelen gerelateerd aan de basiskostiging zoals mbo praktijkleren en ondersteuning) conform Regeerakkoord Rutte II. Het opvangen van de verlaagde budgetten is onderdeel van de meerjarige strategische ontwikkelagenda, waarbij binnen de groene onderwijskolom structuurverbeteringen worden doorgevoerd in combinatie kostenbesparingen. Dit kan op verschillende manieren worden ingevuld, waarbij het vooral de keuze van de onderwijsinstellingen zelf is om hier invulling aan te geven.

270

Wat is uw reactie op de brief die de Raad van Bestuur van het WUR onlangs aan Kamerleden heeft gestuurd waarin ze stelt dat Wageningen Universiteit tot 2012 even goed wordt bekostigd als de technische universiteiten, maar dat het Panteia-rapport nalaat de vergelijking te maken met de jaren na 2012 en dat de Wageningen Universiteit juist in de recente jaren slechter wordt bekostigd dan de Technische Universiteiten (TU’s)? Klopt het dat het nadeel oploopt tot zo’n € 10 miljoen per jaar?

Antwoord

Er is voor deze periode geen gevalideerde vergelijking beschikbaar op basis van de systematiek van Panteia. Ik verwijs u verder naar mijn antwoord op vraag 257.

271

Kunt u de financiering voor TU's en voor de WUR naast elkaar zetten vanaf 2012?

Antwoord

In 2014, 2015 en 2016 is er sprake van «afbuffering» bij de Wageningen Universiteit. Dit heeft een beperking van de Rijksbijdrage voor de WUR tot gevolg. Dit hangt samen met de sterke groei van Wageningen Universiteit. Na 2016 wordt er op basis van de huidige ramingen geen afbuffering verwacht.

Uitgaven (€ mln)1

2012

2013

2014

EZ WU

164,2

166,7

167,8

OCW 3TU

722,3

738,0

750,8

X Noot
1

uitgaven basisbekostiging (onderwijs en onderzoek) EZ aan Wageningen Universiteit en OCW aan de drie technische universiteiten. Dit is exclusief de aanvullende EZ subsidies die vanaf 2015 wegvallen.

272

Hoe wordt concreet invulling gegeven aan concurrentie binnen de ruimtelijk-economische structuur?

Antwoord

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) heeft het Kabinet aangegeven hoe het Nederland via ruimtelijke maatregelen concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig wil maken. EZ werkt in kader van het topsectorenbeleid met private partners, kennisinstellingen en medeoverheden aan een concurrerende economische structuur. Dit topsectoren beleid slaat ook neer in regionale clusters en campussen en wordt goed zichtbaar in de regionale clusters. Voorbeelden: Brainport Eindhoven, Brightlands/Chemelot, Bioscience Park Leiden, Wageningen Campus (Food Valley), Science Park Watergraafsmeer, watercluster Wetsus in Leeuwarden. We sluiten op deze wijze aan bij de regionaal/ruimtelijke economische dynamiek in de regio. Door cofinanciering van EFRO en Interreg middelen en inzet van de ROMs dragen we gericht bij aan sterke regionale economische structuur. Ook initiatieven als Start up Delta en smart industry fieldlabs slaan neer in de regio. Zie ook de eerdere Kamerbrief over Gebiedsgerichte economische perspectieven en Regionaal Economisch Beleid (Kamerstuknummer 29 697, nr. 17).

273

Op welke wijze is er in de begroting rekening gehouden met de noodzaak van goede ambtelijke ondersteuning om wetgevingstrajecten zoals de nieuwe Wet Natuurbescherming, de herziening van de Vogel- en habitatrichtlijn en de implementatie van de invasieve exoten strategie?

Antwoord

De ambtelijke ondersteuning hiervoor is onderdeel van het totaal van de personele inzet om beleidsdoelen te realiseren. Deze ondersteuning wordt echter in de begroting niet per project uitgesplitst. De ambtelijke ondersteuning wordt binnen de bestaande formatie opgevangen.

274

Op welke wijze worden provincies financieel ondersteund, zodat zij het onderzoek en het inzetten van innovatieve middelen om overlast op diervriendelijke wijze kunnen blijven uitvoeren nu ook het faunafonds is gedecentraliseerd?

Antwoord

Het Faunafonds is naar provincies gedecentraliseerd, inclusief de bijbehorende middelen. Het is de verantwoordelijkheid van de provincies om budget beschikbaar te stellen voor onderzoek naar alternatieve middelen om schade op diervriendelijke wijze te kunnen voorkomen of bestrijden.

275

Hoeveel budget is er gereserveerd om de illegale handel in inheemse uit het wild gevangen vogels te bestrijden?

Antwoord

Door de NVWA vindt handhaving en controle plaats van de natuurregelgeving. Daar maakt bestrijding van de illegale handel in uit het wild gevangen beschermde vogels deel van uit. Het totale budget voor handhaving en controle van de natuurregelgeving is € 3 miljoen.

276

Is het voor jagers mogelijk om aanspraak te maken op subsidies omdat het als een vorm van sport wordt gezien?

Antwoord

Nee, het is voor jagers niet mogelijk om aanspraak te maken op rijkssubsidies voor het uitoefenen van de jacht.

277

Hoeveel robuuste verbindingszones zijn er gerealiseerd en hoeveel staan er nog op de planning? Welke knelpunten ziet u bij de aanleg en op welke wijze kunnen deze knelpunten opgelost worden?

Antwoord

In het Natuurpact uit 2013 (Kamerstuknummer 33 576, nr. 6) heb ik afspraken gemaakt met de provincies over de decentralisatie van het natuurbeleid. De provincies zijn daarmee nu verantwoordelijk voor de realisatie van natuurlijke verbindingen die bijdragen aan het Natuurnetwerk Nederland. Van provincies begrijp ik dat zij goed tempo maken met de realisatie van de inrichtingsopgave van het Natuurnetwerk Nederland. De natuurlijke verbindingen maken hier integraal onderdeel van uit.

278

Welke maatregelen gaat u treffen om Natuurnetwerk Nederland binnen de afgesproken tijd af te ronden, nu blijkt dat provincies als Noord-Holland structureel geld tekort komen voor hun deel van de realisatie?

Antwoord

Met het Natuurpact (Kamerstuknummer 33 576, nr. 6) heb ik met provincies afspraken gemaakt over de realisatie en het beheer van het Natuurnetwerk Nederland, waaronder de realisatie van 80.000 ha nieuwe natuur en het bijbehorende budget. Provincies pakken dat in gezamenlijkheid op. Met een jaarlijkse voortgangsrapportage en een drie jaarlijkse evaluatie word ik over de voortgang geïnformeerd (Kamerstuknummer 33 576, nr. 214). De eerste voortgangsrapportage ontvang ik eind van dit jaar en de eerste evaluatie eind 2016. Die rapportages bespreek ik met de provincies.

279

Welke maatregelen gaat u nemen om de condities in de Waddenzee te verbeteren, zodat deze niet langer de zwakste schakel is in de Oost-Atlantische route van trekvogels?

Antwoord

Het is al langer bekend dat het, met name met een aantal trekvogels die broeden in de Waddenzee niet goed gaat. Ik heb vorig jaar in Denemarken, tijdens de trilaterale regeringsconferentie ingezet op een internationale aanpak voor trekvogels in de Waddenzee. Er is toen besloten om gezamenlijk een actieplan op te stellen waarmee de neerwaartse trend in aantallen broedvogels wordt gekeerd. Er worden nu al maatregelen genomen, door bijvoorbeeld het toepassen van dynamische zonering om rustgebieden te vrijwaren van verstoring, het nemen van maatregelen om predatiedruk te verminderen en door het behouden of eventueel aanleggen van klimaat robuuste vogeleilanden. Ik blijf mij de komende jaren inzetten op het uitvoeren van tellingen en verdere capaciteitsopbouw langs de gehele «Oost Atlantische flyway» route. Dit doe ik via het programma naar een Rijke Waddenzee en samen met de betrokken (inter)nationale partijen binnen het «Wadden Sea Flyway Initiative».

280

De Europese rapporten State of Nature en Half way there concluderen dat vooral vermesting, verzuring en verdroging de Nederlandse biodiversiteit en instandhoudingsdoelen bedreigen, kunt u bevestigen dat de provincies deze problemen niet kunnen oplossen, en op welke wijze bent u voornemens deze problemen aan te pakken?

Antwoord

De genoemde problemen zijn bekend en onderdeel van herstelmaatregelen waarover het rijk afspraken heeft gemaakt met provincies en budget beschikbaar heeft gesteld. Provincies werken samen met de waterschappen aan oplossingen. Daarnaast neem ik emissie beperkende maatregelen zoals het stelsel van fosfaatrechten voor de melkveehouderij, waarover ik u 2 juli 2015 (Kamerstuknummer 33 979, nr. 98) heb geïnformeerd. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS), dat 1 juli jl. in werking is getreden (Kamerstuknummer 32 670, nr. 101 en 33 037, nr. 155), voorziet in emissie-reducerende maatregelen voor ammoniak. Met deze herstelmaatregelen en inzet om emissie te reduceren worden de genoemde problemen samen met andere overheden en de agrarisch sector aangepakt.

281

Op welke manier draagt een vereenvoudiging en flexibilisering van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn bij aan het behalen van de afgesproken internationale natuurdoelen?

Antwoord

Er is reeds veel bereikt met de Vogel- en Habitatrichtlijn, maar er blijft een voortdurende inspanningsverplichting vereist. Daarom is een volgende stap nodig voor een effectieve invulling van de natuurdoelen. In het Natuurpact hebben het Rijk en de provincies hierover afspraken gemaakt (Kamerstuknummer 33 576, nr. 6). Het gaat daarbij om, uitgaande van de bestaande Europese natuurdoelen, het optimaliseren van de uitvoering. Ik verwijs u hiervoor naar mijn brief van 18 mei jl. (Kamerstuknummer 33 576, nr. 43), waarin ik mijn inzet toelicht om een ontwikkelingsgerichte gebiedsbenadering met ruimte voor de natuurlijke dynamiek mogelijk te maken.

282

Welke aanvullende maatregelen naast de invoering van de PAS gaat u nemen, nu blijkt dat de biodiversiteitsdoelen in 2020 niet gehaald gaan worden?

Antwoord

In de Uitvoeringsagenda Natuurlijk Kapitaal (Kamerstuknummer 26 407, nr. 85), het Natuurpact (Kamerstuknummer 33 576, nr. 6) en de Natuurvisie met zijn maatschappelijke uitvoeringsagenda (Kamerstuknummer 33 576, nr. 1 en 41) staan maatregelen en acties genoemd, die bijdragen aan het realiseren van biodiversiteitsdoelen. Samen met vele andere partijen ben ik volop bezig om die acties te realiseren waarvan de effecten zichtbaar worden, zoals geconstateerd in de Balans voor de Leefomgeving 2014.

283

Op welke manier en met welk budget ben u van plan natuur in steden en op bedrijven terreinen te versterken, wat ook nodig is voor het behalen van de internationale doelstellingen?

Antwoord

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 249.

284

Op welke manier en met welk budget bent u van plan om naast de invoering van de PAS beschermde gebieden in het Natuurnetwerk Nederland te versterken?

Antwoord

Ik heb met provincies afspraken gemaakt over de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland. De gebieden in dit netwerk genieten een ruimtelijke bescherming via de Wet Ruimtelijke Ordening (Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening) en Provinciale verordeningen. In het kader van dit natuurnetwerk realiseren de provincies in de periode tot 2027 80.000 ha nieuwe beschermde natuur. Ik verwijs u ook naar het antwoord op vraag 278.

285

Wat verstaat u onder een natuur inclusieve economie en in hoeverre dragen we daarmee momenteel bij aan het biodiversiteitsverdrag CBD?

Antwoord

Onder een natuur-inclusieve economie versta ik een economie die leidt tot toegenomen welzijn zonder dat de biologische diversiteit en de voorraad natuurlijke hulpbronnen en ecosysteemdiensten die de aarde levert (het natuurlijk kapitaal) wordt aangetast of uitgeput. Met de inzet voor een natuur inclusieve economie draagt Nederland bij aan de hoofddoelen van de Convention on Biodiversity, namelijk het behoud van, en het duurzaam gebruik van biologische diversiteit, en een billijke verdeling van de voordelen die voortvloeien uit het gebruik van natuurlijke hulpbronnen.

286

Met welke maatregelen en welk budget gaat Nederland de beschermingsverantwoordelijkheid van bedreigde vogels verbeteren, nu is gebleken in het BirdLife rapport Half Way There dat Nederland daar slecht op scoort?

Antwoord

In mijn reactie op het rapport van BirdLife (2015D206010) en het State of Nature rapport van de Europese Unie (Kamerstuknummer 26 407, nr. 99) heb ik aangegeven in te willen zetten op de ontwikkeling van een landschapsvisie, samen met de provincies. Daarin zullen agrarisch natuurbeheer, waaronder weide- en akkervogelbeheer en vergroening van de landbouw een belangrijk onderdeel vormen.

287

Bent u voornemens om gebieden in de Noordzee zoals de Borkumse Stenen aan te wijzen als Natura-2000 gebied en op welke manier genieten de al aangewezen gebieden bescherming tegen visserij?

Antwoord

In mijn brief van 16 maart 2015 heb ik uw Kamer bericht dat onderzoek in het gebied Borkumse Stenen heeft aangetoond dat het habitattype riffen in het gebied aanwezig is. Met de aanwijzing van Natura 2000-gebied Klaverbank is ruimschoots voldoende van dit habitattype onder het beschermingsregime van Natura 2000 gebracht. Er is dan ook geen noodzaak om het gebied Borkumse Stenen als Natura 2000-gebied aan te wijzen. (Kamerstuknummer 33 450, nr. 42)

Ik ben voornemens om nog dit jaar de gebieden Doggersbank, Klaverbank en Friese Front als Natura 2000-gebied aan te wijzen. Op 21 september jl. heb ik de ontwerpen van de besluiten voor deze gebieden aan beide Kamers voorgehangen (Kamerstuknummer 32 670, nr. 103).

Het beschermingsregime in de al aangewezen Noordzeegebieden is maatwerk en verschilt daarom van gebied tot gebied. Voor de Vlakte van de Raan zijn geen maatregelen getroffen ter bescherming van de zeebodem. Wel zijn vier gebieden als onderzoeksgebied aangewezen. In deze gebieden mag de bodemberoerende visserij niet meer vissen. Voor de Voordelta geldt dat er strikte beperkingen zijn opgelegd aan de bodemberoerende visserijen. Bovendien is daar een aantal rustgebieden aangewezen waar geen enkele vorm van visserij mag plaatsvinden. In de Noordzeekustzone zijn gebieden geïdentificeerd waar geen visserij op garnalen mag plaatsvinden. Ook voor de visserij met wekkerkettingen zijn gebieden gesloten. De visserijmaatregelen in de gebieden in de EEZ worden door de Europese Commissie vastgesteld. Daartoe moet een procedure volgend uit artikel 11 van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid worden doorlopen.

288

Welke aanvullende maatregelen zijn er in het Natuurpact het afgelopen jaar getroffen en gaan er het komend jaar genomen worden om dichter bij de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water te komen en hoeveel budget is daarvoor uitgetrokken?

Antwoord

In het Natuurpact zijn afspraken gemaakt om te komen tot een robuust werkend Nederlands natuurnetwerk in 2027 dat ook bijdraagt aan de realisatie van de doelstellingen in de Kaderrichtlijn Water. De uitvoering van het Natuurpact is de verantwoordelijkheid van de provincies. In het Natuurpact is afgesproken dat de provincies en waterschappen zoeken naar synergie tussen natuur- en watermaatregelen met aandacht voor de betekenis daarvan voor de realisatie van de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water. Zo hebben zij in de gebiedsanalyses voor de PAS veel herstelmaatregelen opgenomen voor verbetering van de hydrologische situaties van Natura 2000-gebieden.

289

Op welke wijze wordt het beschikbare budget voor Natuurvisie in 2016, 2017 en 2018 besteed?

Antwoord

Het budget voor de maatschappelijke uitvoeringsagenda van de rijksnatuurvisie «Natuurlijk Verder», wordt gebruikt voor stimulering van groen ondernemerschap, natuurinclusieve landbouw, gebiedsgerichte natuurontwikkeling, groener wonen en werken. De middelen die hiervoor ingezet worden richten zich op het verder brengen van maatschappelijke initiatieven,via verkenningen, pilotontwikkeling, onderzoek en procesondersteuning.

290

Op welke wijze wordt het beschikbare budget voor Internationale Biodiversiteit in 2016, 2017 en 2018 besteed?

Antwoord

Dit budget wordt onder meer gebruikt voor de uitvoering van acties die zijn afgesproken in het kader van internationale verdragen, zoals de Conventie inzake Biologische Diversiteit (CBD), Intergovernmental Platform on Biodiversity and Ecosystem (IPBES), Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora (CITES), Convention on Migratory Species (CMS), De conventie van Ramsar (internationale overeenkomst inzake watergebieden) en de Internationale Whaling Commission (IWC).

291

Met de beoogde inzet kunnen we in 2027 de juiste ruimte en milieucondities hebben bereikt voor 65% van de voor de VHR te beschermen soorten, hoe verwacht u dat via ruimte voor ondernemen de overige 35% gerealiseerd gaan worden?

Antwoord

De doelstellingen van de Vogel- en Habitatrichtlijn vragen een gecombineerde aanpak van ontwikkeling en beheer van natuurgebieden met de rest van Nederland om zo de biodiversiteit in het hele land te versterken. Door het investeren in het Natuurnetwerk Nederland en de afspraken die ik met provincies via het Natuurpact heb gemaakt, is vastgelegd dat 65% van de soorten en habitats in 2027 worden beschermd.

Een deel van de soorten en habitats zijn specifiek verbonden met de stedelijke omgeving en het agrarisch gebied. Met het collectief agrarisch natuurbeheer, verdere vergroening van de agrarische sector en natuurcombinaties kan de biodiversiteit ook worden versterkt. Een voorbeeld daarvan is de drinkwaterwinning in de duinen, waarbij een deel van de investeringen terugvloeien in de natuur. Ook de bouw van wegen kan natuurinclusief zijn. Dat laat de aanleg van A2 in Maastricht zien, waar bovenop een tunnel tweeduizend bomen worden aangelegd die voor de verbinding met de natuur zorgen aan weerszijde van de stad.

292

Welke kwantificeerbare natuurdoelstellingen hanteert u voor de begroting 2016?

Antwoord

De natuurdoelstellingen zijn door de landen van de Europese Unie gezamenlijk bepaald in de Europese biodiversiteitsstrategie tot 2020. Ik verwijs u hiervoor naar mijn brief van 19 oktober 2015.

In de begroting is de indicator «percentage niet-bedreigde soorten» opgenomen. Daarvoor geldt dat het huidige percentage niet mag dalen. Verdere doorontwikkeling van de indicator is nodig om deze representatief te laten zijn voor de natuurdoelstellingen van de Europese biodiversiteitsstrategie.

293

Kunt u aangeven hoeveel geld er beschikbaar is voor de handhaving van de regelgeving omtrent CITES en kunt u uitsplitsen waar deze kosten precies voor worden gemaakt?

Antwoord

De handhaving van de CITES-regelgeving is in handen van verschillende instanties te weten RVO, NVWA, de douane en de politie. Het Ministerie van Economische Zaken geeft via RVO € 2 miljoen uit aan bestuursrechtelijke handhaving en kosten voor in beslag genomen goederen. Via de NVWA wordt € 1,6 miljoen besteed aan de handhaving. In dit bedrag zit de afhandeling van meldingen van o.a. burgers, assistentie aan medehandhavers en het opzetten van handhavingsprojecten gericht op bepaalde doelgroepen.

Het totale budget van de NVWA voor handhaving en controle van de natuurregelgeving is 3 miljoen euro. De 21 inspecteurs die werkzaam zijn bij het team Natuur van de NVWA, en onder andere in CITES-verband werkzaam zijn, worden betaald van dat budget. De inzet van de douane en de politie is moeilijk in geld uit te drukken aangezien handhavers met CITES in hun pakket veelal ook andere taken uitvoeren.

294

Wat is de inzet voor de CITES Conferentie 2016?

Antwoord

Op dit moment is de agenda voor deze conferentie, die plaatsvindt in het najaar van 2016 nog niet bekend. Verwacht wordt dat het tegengaan van wildlife crime een belangrijke rol zal spelen tijdens de 17e Conference of the Parties. Zoals gebruikelijk zal ik uw Kamer van tevoren laten weten wat mijn inzet en die van de EU zal zijn voor deze conferentie.

295

Op welke wijze bent u van plan preventieve maatregelen tegen muizenschade te stimuleren en heeft u daar budget voor gereserveerd?

Antwoord

Muizenaantallen variëren enorm, soms zijn er sterke pieken in aantallen, zodat er sprake is van een plaag zoals die zich eind 2014 voordeed. Het is voor de landbouw, maar ook bijvoorbeeld voor de waterschappen, van groot belang om dergelijke heftige pieken vroegtijdig te onderkennen, en te begrijpen of en hoe ze eventueel kunnen worden voorkomen, dan wel kunnen worden ingedamd. Ook is het van belang om de risico’s in kaart te brengen en werkzame beheersmaatregelen uit te werken.

Ik heb in 2015 ruim € 100.000 onderzoekbudget uitgetrokken voor een breed onderzoeksprogramma dat onder regie van provincie Friesland, LTO-Noord, waterschap Friesland en het Faunafonds wordt uitgevoerd. Daarin wordt, mede op mijn aandringen, substantiële aandacht aan preventieve maatregelen gegeven. Eenzelfde bedrag is bijgedragen door overige partijen als provincies, gemeentes, waterschappen, Faunafonds en LTO Noord. Eind van dit jaar zullen de uitkomsten worden gepresenteerd; ik kan op dit moment niet vooruitlopen op de bevindingen van dit onderzoek.

296

Wat waren de kosten in 2015 voor het doden van ganzen en wat is het effect hiervan op de ganzenpopulatie?

Antwoord

In opdracht van het rijk zijn in 2015 op en rondom Schiphol ca. 5.400 ganzen gedood in verband met de vliegveiligheid. Voor de kosten hiervan, verwijs ik u naar de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

Ten aanzien van het effect van het doden van ganzen op de ganzenpopulatie verwijs ik u naar mijn antwoorden op de vragen van het lid Thieme (Kamerstuknummer 2014–2015, nr. 2546).

297

Welke concrete stappen bent u van plan in 2016 te nemen om de Nederlandse Rode Lijst van soorten te verkorten?

Antwoord

Er zijn in Nederland Rode Lijsten van achttien soortengroepen vastgesteld, waaronder vogels, vaatplanten, mossen, vlinders, libellen, vissen en paddenstoelen. De Rode Lijst geeft aan dat de soort uit Nederland verdwenen is of in zijn voorkomen in Nederland bedreigd wordt.

Het CBS heeft vorig jaar geconstateerd dat de lengte van de Rode Lijsten afneemt. Dit neemt niet weg dat er soorten op de Rode Lijsten staan waarmee het niet goed gaat.

De instrumenten die ik heb om de instandhouding van soorten te bevorderen zijn naast de wetgeving, de afspraken die ik in het kader van het Natuurpact met de provincies heb gemaakt over het Natuurnetwerk Nederland, het Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer en het soortenbeleid. Voor het Waddengebied investeer ik in het programma naar een Rijke Waddenzee en samen met de betrokken (inter)nationale partijen in het «Wadden Sea Flyway Initiative». Ik verwijs u ook naar mijn antwoord op de vragen 279, 282 en 291.

298

Welke concrete effecten verwacht u in 2016, 2017, 2018 met uw plannen omtrent agrarisch natuurbeheer?

Antwoord

De provincies en EZ hebben met het nieuwe stelsel voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer een effectiever agrarisch natuurbeheer voor ogen, dat gedragen wordt in de streek en efficiënter is in de uitvoering. Voor de komende jaren verwacht ik de volgende ontwikkeling. 2016 en 2017 zijn leerjaren voor de collectieven, provincies en EZ. Het stelsel functioneert en werkende weg wordt gezamenlijk de uitvoering verbeterd. In 2018 functioneert het collectief agrarisch natuurbeheer zoals de bedoeling is. De collectieven voeren het beheer professioneel en flexibel uit, rekening houdend met de natuur. De collectieven zijn goed in verbinding met de partijen in de streek. De uitvoeringskosten voor de overheden zijn met 40% tot 50% verlaagd tov 2013–2014. Het stelsel wordt EU conform uitgevoerd.

De resultaten in het veld zijn niet van de ene op de andere dag zichtbaar, dat duurt enkele jaren. Maar de ambitie is dat in 2020, bij de start van de volgende GLB-periode, het collectieve stelsel zichzelf bewezen heeft en niemand er meer om heen kan, zowel in effectiviteit als in efficiëntie.

299

Waarom staat het beheer van het Kroondomein het Loo apart in de begroting en niet onder het reguliere deel bekostiging beheer natuur?

Antwoord

De Staatsecretaris van Financiën heeft in het Aanhangsel van Handelingen, nr. 717, vergaderjaar 2007–2008 (19 november 2007) de Tweede Kamer geïnformeerd over de financiering door het toenmalige Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan het Kroondomein. De financiering voor (agrarisch) natuurbeheer aan het Kroondomein maakte geen deel uit van het Investeringsbudget Landelijk Gebied. Deze financiering wordt door de Staatsecretaris van EZ verstrekt, onder dezelfde voorwaarden als opgenomen in de Provinciale subsidieregeling (agrarisch) natuurbeheer.

300

Waarom zijn er alleen voor 2015 middelen gereserveerd voor de Nationale Parken?

Antwoord

De middelen voor de Nationale Parken staan in de begroting 2016 gereserveerd bij de Natuurvisie. Bij Voorjaarsnota 2016 worden de middelen overgeheveld naar het programma Nationale Parken. Het programma Nationale Parken heeft een looptijd van 3 jaar (2015–2018).

301

Kunt u exact aangeven hoeveel procent van het potje «Natuurvisie» juridisch verplicht danwel bestuurlijk gebonden is? Wilt u dat aangeven voor 2016 en de daarop volgende jaren? In hoeverre heeft het beleid vorm gekregen?

Antwoord

Het beschikbaar budget op het instrument «natuurvisie» is als volgt juridisch verplicht danwel bestuurlijk gebonden: 2016 (69%), 2017 (49%) en in 2018 (38%). Voor de uitvoering verwijs ik u naar stand van zaken van de uitvoeringsagenda bij de natuurvisie (Kamerstuknummer 33 576, nr. 41). Via deze agenda span ik mij samen met provincies in om maatschappelijke initiatieven, gericht op integratie van natuur, economie en samenleving te stimuleren en te ondersteunen.

302

Kunt u aangeven welk deel van de EFRO gelden (inclusief ETS) juridisch verplicht is dan wel bestuurlijk gebonden en dit uitsplitsen naar EFRO en ETS?

Antwoord

De EFRO-budgetten op de EZ-begroting zijn benodigd voor de uitfinanciering van de Rijkscofinanciering van de vorige programmaperiode 2007–2013 alsmede de nieuwe programmaperiode 2014–2020. Alle budgetten van de vorige programmaperiode zijn juridisch en bestuurlijk verplicht.

Van de Rijkscofinanciering voor de programmaperiode 2014–2020 is ongeveer 65% bestemd voor de landsdelige programma's en 35% voor INTERREG (ETS). Deze Rijkscofinanciering is volledige juridisch verplicht. Daarnaast worden er jaarlijks middelen gereserveerd voor de Auditautoriteit (AdR) en de Certificeringsautoriteit (RVO). Met beiden zijn juridische en bestuurlijk bindende afspraken gemaakt voor de gehele programmaperiode.

303

In hoeverre is het mogelijk om opnieuw met de Europese Commissie te onderhandelen over een verkleind EFRO pakket? Zijn er in het verleden lidstaten geweest die verzocht hebben het EFRO pakket aan te passen en wat was het resultaat?

Antwoord

Het ligt niet voor de hand om met de Europese Commissie te onderhandelen over een verkleind EFRO pakket. Er zijn mij ook geen voorbeelden bekend van landen die gevraagd hebben hun bijdrage te verlagen. De middelen die Nederland zijn toegewezen vanuit het EFRO hebben hun grondslag in het Meerjarig Financieel Kader 2014–2020 en de betreffende verordeningen. Aanpassingen vergen daarom niet alleen onderhandelingen met de Europese Commissie, maar ook met de Europese Raad en het Europees parlement. Samen met de decentrale overheden zijn voor besteding van de middelen operationele programma's opgesteld, goedgekeurd en in uitvoering. Verlaging van de EFRO bijdrage vereist derhalve ook nieuwe onderhandelingen met decentrale overheden. Ik ga er vanuit dat decentrale overheden het niet wenselijk vinden om de bijdrage te verlagen. Ook ik vind het niet wenselijk om de EFRO bijdrage te verlagen. In de eerste plaats omdat de EFRO programma's met hun huidige inzet op innovatie en koolstofarme economie bijdragen aan de concurrentiekracht van Nederland en aan maatschappelijke uitdagingen. Daarbij is bovendien een sterke relatie in de programma's gelegd met het bedrijvenbeleid. In de tweede plaats omdat de programma's een sterke focus op het mkb kennen en zo bijdragen aan innovatief mkb en ondernemerschap. In de derde plaats omdat de publieke middelen een forse multiplier kennen door bijdrages van andere publieke en private partijen in projecten.

304

Kunt u exact aangeven hoeveel procent van het Programma Natuurlijk Ondernemen en Green Deals» juridisch verplicht danwel bestuurlijk gebonden is? Wilt u dat aangeven voor 2016 en de daaropvolgende jaren?

Antwoord

Het beschikbare budget in 2016 en 2017 voor de subsidieregeling Natuurlijk Ondernemen en Green Deals is 100% juridisch verplicht danwel bestuurlijk gebonden. Het beschikbaar budget op het instrument opdrachten Natuurlijk ondernemen is als volgt juridisch verplicht danwel bestuurlijk gebonden: 2016 (53%), 2017 (10%) en in 2018 (4%)

305

Kunt u exact aangeven waar het budget voor de Zuiderzeelijn voor wordt gebruikt en in hoeverre dit juridisch verplicht is?

Antwoord

De vraag heeft betrekking op de bedragen die op de EZ begroting staan. Deze bedragen zijn juridisch verplicht. Daarbij gaat het om de projecten:

IJkdijk

€ 3 mln

 

gereed

DOME

€ 15 mln

 

in uitvoering

Life Lines

€ 13 mln

 

in uitvoering

Eriba

€ 4 mln

 

in uitvoering

Edgar

€ 5 mln

 

gereed

306

Waar wordt het budget Pieken in de Delta aan uitgegeven en in hoeverre is dit juridisch verplicht?

Antwoord

Het doel van het programma Pieken in de Delta was de pieken (regionaal sterke punten) van 6 regio’s in Nederland te versterken en uit te bouwen. Dit programma is in 2010 beëindigd. Het budget 2016 is bestemd voor de uitfinanciering van die projecten en is derhalve volledig juridisch verplicht.

308

Hoeveel inzet is er qua geld en fte op het bestrijden van illegale import van trofeeën van vogels, reptielen en amfibieën en illegale import van dieren (CITES) vanuit de EZ begroting dan wel van andere begrotingen?

Antwoord

Voor het antwoord verwijs ik u naar het antwoord op vraag 293.

309

Hoeveel hectare nieuwe natuur is er in de jaren 2011, 2012, 2013 en 2014 bij gekomen?

Antwoord

In de voortgangsrapportages Groot Project EHS is af te leiden dat er in 2011, 2012, en 2013 resp 6.748 ha, 5.200 ha en 3.700 ha nieuwe natuur is ingericht ten behoeve van de voorheen Ecologische Hoofdstructuur, nu Natuurnetwerk Nederland.(resp. Kamerstuknummer 30 825, nr. 188, Kamerstuknummer 30 285, nr. 206, Kamerstuknummer 30 825, nr. 214) ten behoeve van de EHS. Eind van dit jaar verwacht ik uw Kamer te kunnen informeren over de een voortgangsrapportage Natuurpact van de provincies over het jaar 2014, met daarin informatie over de realisatie en het Natuurnetwerk Nederland.

Naast het Natuurnetwerk Nederland, zijn er ook andere maatschappelijke partijen en initiatieven die nieuwe natuur realiseren. Zo is er het initiatief uit de Maatschappelijke Uitvoeringsagenda Natuurvisie om 200.000 hectare subsidievrije natuur te realiseren door het stimuleren van maatschappelijke en economische initiatieven, zoals tijdelijke natuur en het combineren van waterveiligheid, natuurbeheer en recreatief ondernemen in de uiterwaarden (Kamerstuknummer 33 576, nr 41). Ik heb geen informatie over het aantal hectares nieuwe natuur dat buiten het Natuurnetwerk Nederland (of daarvoor de EHS) is gerealiseerd.

310

Hoeveel geld hebben de provincies in 2014 en 2013 uitgegeven aan natuur?

Antwoord

Ik heb met provincies afspraken gemaakt over ambities en prestaties en daarvoor budget beschikbaar gesteld via het provinciefonds. Provincies rapporteren mij over de voortgang van de ambities en prestaties. De budgetverantwoordelijkheid ligt bij provincies.

311

Kunt u aangeven op basis van welke criteria het nationale parken project geëvalueerd gaat worden? Welke doelen wilt u met dit project bereiken?

Antwoord

De ambitie van het Programma is om samen met de betrokken partners een aantal (natuur)gebieden in Nederland op de kaart te zetten. Tevens zal een nieuwe standaard voor Nationale Parken in Nederland ontwikkeld worden. Het doel is dat deze parken natuuriconen van internationale allure bevatten, dat ze een sterk merk worden en meer (inter)nationale bezoekers trekken, dat de Parken zorgen voor sociaaleconomische ontwikkeling in de regio en een goed functionerende governance hebben. Samen met andere partijen werk ik deze doelstellingen uit in toetsbare criteria.

323

Kunt u per diersector (varkens, pluimvee, melkvee, vleesvee, vleeskalveren, geiten, schapen) aangeven hoeveel de productschappen van 2010–2014 aan gelden voor dierenwelzijnsonderzoek via heffingen bijeen hebben gebracht en hoeveel er in 2015 tot nu toe collectief door het bedrijfsleven per diersector bijeen is gebracht?»

Antwoord

In de periode 2010 t/m 2014 hebben de productschappen voor Vee, Vlees en Eieren, het productschap Zuivel en het productschap Diervoeder gezamenlijk tussen de € 15 en € 20 miljoen per jaar aan onderzoek bijgedragen. Hiervan werd tussen de € 1,5 en € 3 miljoen per jaar besteed aan onderzoek naar dierenwelzijn. Door het wegvallen van de productschappen in 2015 zoekt het bedrijfsleven naar nieuwe mogelijkheden voor financiering. Op dit moment worden met name door branche- en producentenorganisaties de mogelijkheden onderzocht die de Europese marktordeningsverordening (iGMO) biedt voor financiering door middel van verbindend verklaring van heffingen ten behoeve van onderzoek bij niet-aangesloten ondernemers. Omdat met dit instrument de marktvrijheid van individuele ondernemers door de lidstaat wordt ingeperkt, behelst de iGMO stringente eisen waaraan een AVV-verzoek moet voldoen.

312

Kunt u een overzicht geven van alle lopende Green Deals, de afgesproken doelen en de mate waarin deze op koers liggen om gerealiseerd te worden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Op de recent gelanceerde website www.greendeals.nl is een overzicht gegeven van alle lopende Green deals. Per Green Deal is meer informatie te vinden over de ambitie en de te realiseren doelen. Jaarlijks wordt een monitoring op het Green Deal portfolio uitgevoerd door RVO.nl. De resultaten uit deze monitoring vormen de basis voor de voortgangsrapportage. In april 2015 is de Tweede Kamer in de Voortgangsrapportage Green Deals 2011–2014 geïnformeerd over de voortgang van de Green Deal aanpak (Kamerstuknummer 33 043 nr. 40).

313

Voor behoud van vermogen van het Toekomstfonds wordt vanaf 2018 een buffer opgebouwd van € 50 miljoen voor de niet renderende investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek. Kunnen middelen uit deze buffer ook ex ante worden ingezet voor het formuleren van revolverende onderzoeksprojecten voor de oplossing van maatschappelijke vraagstukken?

Antwoord

Zoals aangegeven in mijn brief van 16 september 2014 over het Toekomstfonds (Kamerstuknummer 34 000 XIII, nr. 5) is onderzoek in de regel niet volledig revolverend. Om het niet-revolverende deel af te dekken heeft het kabinet de buffer hiervoor bestemd. Deze buffer is nodig om tekorten van het fonds af te dekken en kan dus niet ex ante worden ingezet.

Aanvragen voor een lening op grond van de regeling voor onderzoeksfaciliteiten worden onder meer beoordeeld op hun bijdrage aan oplossingen van maatschappelijke vraagstukken, zoals de verwachte bijdrage aan duurzaamheid, veiligheid, lichamelijke of geestelijke gezondheid.

314

Het onderzoeksdeel van het Toekomstfonds levert risicodragende financiering voor onder andere het bijdragen aan nieuwe producten, diensten en maatschappelijke innovaties voor de oplossing van maatschappelijke vraagstukken. Waarom bestaat er in het themadeel van het onderzoeksdeel van het Toekomstfonds geen categorie voor maatschappelijke vraagstukken en proefdiervrije innovatie? Kan een dergelijke categorie alsnog gecreëerd worden in de resterende tranche van € 20 miljoen?

Antwoord

In mijn brief van 9 maart 2015 (Kamerstuknummer 34 000 XIII, nr. 150) heb ik aangegeven ervaringen die opgedaan worden met de huidige opzet mee te nemen bij de inzet van de resterende € 20 miljoen. Deze nu apart te richten op maatschappelijke vraagstukken gaat voorbij aan de inzet van de reeds bestemde middelen waar voor het merendeel maatschappelijke vraagstukken reeds een rol spelen. Het onderzoeksdeel van het Toekomstfonds bestaat uit een regeling voor onderzoeksfaciliteiten en een thematisch deel. Bij de onderzoeksfaciliteiten wordt de bijdrage aan maatschappelijke vraagstukken meegewogen in de beoordeling van de voorstellen. Voor het thematisch deel geldt dat die ook deels op zichzelf bijdragen aan maatschappelijke uitdagingen. Dit is in het bijzonder het geval bij de thematische technology transfer. Zoals aangegeven in mijn brief van 26 juni 2015 (Kamerstuknummer 31 288, nr. 477) wordt met name op het gebied van gezondheid concrete voorstellen voorbereid, zoals OncoXL voor kankeronderzoek. Ook investeringen in Smart Industry dragen bij aan maatschappelijke vraagstukken op gebieden als veiligheid, voeding en gezondheid. Dit kan eveneens gelden voor de investeringen in «proof of concept», afhankelijk van welke concepten verder worden uitgewerkt. Naast ervaringen met de huidige inzet is ook de mate waarin bestedingen revolverend kunnen zijn doorslaggevend voor de inzet van de resterende € 20 miljoen, omdat alle onderdelen van het onderzoeksdeel risicodragend zijn.

Ook voorstellen die betrekking hebben op proefdiervrije innovaties kunnen worden ingediend bij de regeling Toekomstfondskrediet voor onderzoeksfaciliteiten. Die voorstellen worden vervolgens net als alle andere voorstellen getoetst aan de criteria, waaronder de bijdrage aan maatschappelijke vraagstukken.

315

Kunt u aangeven hoe de bezuinigingen komende jaren bij RVO neerslaan? Betreft dit ook dienstverlening in de landbouw?

Antwoord

De bijdrage van het moederdepartement aan RVO daalt in 2016 met € 34 mln ten opzichte van 2015. Deze daling heeft betrekking op de taakstelling Rutte II die gerealiseerd moet worden. In de portefeuille voor RVO slaat dit voor € 12 mln neer bij het opdrachtenpakket aan RVO op artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens. Het overige deel van de van de taakstelling (€ 22 mln) slaat neer bij het opdrachtenpakket aan RVO op de andere beleidsartikelen van EZ. RVO en EZ zijn op dit moment met elkaar in overleg te bezien welk deel daarvan zal worden ingevuld door versoberde uitvoering (keuzes maken/schrappen) en welk deel met efficiencymaatregelen kan worden opgevangen in bijvoorbeeld bedrijfsvoerings- en uitvoeringsprocessen.

316

Wat wordt verstaan onder de post baten, omzet derden? Wat voor baten betreffen dit?

Antwoord

Omzet derden betreft opbrengsten van het bedrijfsleven in de vorm van retributies en overige baten. Het bedrijfsleven betaalt retributies voor de diensten die de NVWA en Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector (KDS) verrichten, bijvoorbeeld voor toezicht in de vorm van inspecties en keuringen bij import, export en slachthuizen. Naast de retributieopbrengsten realiseert de NVWA ook nog overige baten derden. Deze bestaan voornamelijk uit opbrengsten voor de uitvoering van (inter)nationale projecten.

317

Waarom is er voor gekozen om de afschrijvingskosten te verhogen ten opzichte van de voorgaande jaren?

Antwoord

De toename van de materiële afschrijvingskosten wordt veroorzaakt door de uitbreiding van het wagenpark in 2015 als gevolg van het verplicht gestelde gebruik door inspecteurs van een dienstauto. De toename van de immateriële afschrijvingskosten is het gevolg van hogere investeringen in het kader van het Plan van Aanpak NVWA om de ICT-voorziening binnen de NVWA op voldoende niveau te brengen.

318

Wat voor functies worden er precies extern ingehuurd?

Antwoord

Externe inhuur vindt plaats voor de volgende vakgebieden:

  • Interim-management

  • Organisatie- en Formatieadvies

  • Beleidsadvies

  • Communicatieadvisering

  • Juridisch Advies

  • Advisering opdrachtgevers automatisering

  • Accountancy, financiën en AO

  • Administratieve uitzendkrachten en inzet voor leeftijdgrenscontroles in de horeca.

319

Waarom wordt er extern ingehuurd en zijn deze mensen niet in vaste dienst van het ministerie?

Antwoord

De externe inhuur betreft met name inhuur in relatie tot het Plan van Aanpak NVWA. De NVWA zit in een transitie naar een kennis-gedreven en risicogerichte wijze van toezichthouden. Om deze transitie tot een goed einde te brengen is tijdelijk specifieke kennis nodig. Dit geldt ook voor inhuur om de ICT-voorziening en bedrijfsvoering binnen de NVWA op voldoende niveau te brengen. De specifieke werkzaamheden/inhuur hebben geen structureel karakter. Daarnaast zet de NVWA weekendpoolers in voor leeftijdgrenscontroles in de horeca. Hiermee behoudt de NVWA de flexibiliteit om voldoende capaciteit in te zetten op piekmomenten.

320

Zijn de bedragen inclusief de aangekondigde extra gelden? Hoe verklaart u dat het budget van de NVWA de komende jaren alleen maar naar beneden gaat? Kunt u de tabel op pagina 152 aanvullen voor de voorgaande 4 jaren betreffende totale baten en totale lasten?

Antwoord

Eind 2013 is door de ministeries van EZ en VWS meerjarig extra budget toegezegd aan de NVWA voor uitvoering van het Plan van aanpak NVWA (Kamerstuknummer 33 835, nr. 1). De toegezegde bedragen zijn in de begroting verwerkt.

Het totale budget van de NVWA daalt tussen 2015 en 2020 met circa € 27 mln. Dat komt voor een deel doordat de bijdrage voor het versterken van de organisatie ter ondersteuning van het primaire proces, die onderdeel vormt van het Plan van aanpak, geleidelijk in omvang afneemt. De in het Plan van aanpak opgenomen compensatie voor de te optimistisch ingeschatte verlaging van ICT kosten daalt eveneens. Daarnaast is sprake van een beperkte oploop in de taakstellingen, die door de kabinetten Rutte I en Rutte II zijn opgelegd. Tenslotte zijn er diverse kleinere mutaties, die ook een negatief effect hebben.

Het in 2014 niet bestede budget voor uitvoering van het Plan van aanpak is doorgeschoven naar 2015. Door deze mutatie is in 2015 eenmalig extra budget beschikbaar en lijkt de daling in de daarop volgende jaren groter dan deze daadwerkelijk is. Voor een zuivere meerjarige vergelijking moet hiervoor worden gecorrigeerd. In onderstaande tabel is de afname van de totale baten van 2015 tot 2020 samengevat.

Plan van aanpak

– 5

Compensatie voor ICT kosten

– 7

Oploop taakstellingen Rutte I en Rutte II

– 3,5

Overige mutaties

– 4,5

Doorschuiven budget van 2014 naar 2015 voor uitvoering Plan aanpak

– 7

Totaal

– 27

Idem, gecorrigeerd voor doorschuiven budget voor Plan van aanpak

– 20

Specificatie van de mutaties in de totale baten van de NVWA in de periode 2015–2020 (mln. euro)

In de onderstaande tabel zijn de totale baten en lasten weergegeven in de periode 2010 t/m 2020. De NVWA is gevormd per 1-1-2012. De jaren daarvoor betreffen de rechtsvoorgangers van de NVWA, t.w. VWA (Voedsel en Waren Autoriteit), AID (Algemene Inspectie Dienst) en PD (Plantenziektenkundige Dienst).

 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Totale baten

285,2

304,2

290,6

278,1

306,8

314,2

300,2

292,0

287,0

287,0

287,0

Totale lasten

290,8

303,9

290,7

277,4

314,3

317,0

300,4

292,2

287,2

287,2

287,2

Totale baten en lasten NVWA (mln euro)

Als gevolg van gewijzigde verslaggevingsregels wordt de door Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector (KDS) gerealiseerde retributieomzet vanaf 2014 meegenomen in de totale baten en lasten van de NVWA. Deze mutatie verhoogt de baten en lasten met circa € 17 mln. In de jaren voor 2015 zijn opgetreden fluctuaties veroorzaakt door het vrijvallen van voorzieningen en/of het ontvangen van bijzondere baten.

321

Hoe slaat de besparing van 10 miljoen bij personele kosten van de NVWA neer? Bij welke taken komt dit terecht?

Antwoord

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 135 en 136.

322

Hoe wordt de klantvriendelijkheid van RVO gemeten? Kunt u dit inzichtelijk maken?

Antwoord

RVO.nl hecht groot belang aan de tevredenheid van de ondernemers en meet daarom jaarlijks de klanttevredenheid. Dit gebeurt met een representatieve steekproef onder ruim 20.000 ondernemers waarbij over meer dan 30 producten, diensten of regelingen de tevredenheid wordt gemeten. De ondernemers worden bevraagd op zes aspecten: snelheid, betrouwbaarheid, transparantie, behulpzaamheid, deskundigheid en bruikbaarheid. De enquêtes worden afgenomen door een extern bureau. De methodiek van het KTO staat beschreven in G. Thijssen en B. van Engelenburg (2014) Meting klanttevredenheid bij overheidsorganisaties (Economisch Statistische Berichten 502–505). RVO.nl werkt ook met (fysieke) klantenpanels om de communicatie over nieuwe regelingen of aanpassingen van bestaande regelingen zo goed mogelijk af te stemmen op de doelgroep.

323

Kunt u per diersector (varkens, pluimvee, melkvee, vleesvee, vleeskalveren, geiten, schapen) aangeven hoeveel de productschappen van 2010–2014 aan gelden voor dierenwelzijnsonderzoek via heffingen bijeen hebben gebracht en hoeveel er in 2015 tot nu toe collectief door het bedrijfsleven per diersector bijeen is gebracht?»

Antwoord

In de periode 2010 t/m 2014 hebben de productschappen voor Vee, Vlees en Eieren, het productschap Zuivel en het productschap Diervoeder gezamenlijk tussen de € 15 en € 20 miljoen per jaar aan onderzoek bijgedragen. Hiervan werd tussen de € 1,5 en € 3 miljoen per jaar besteed aan onderzoek naar dierenwelzijn. Door het wegvallen van de productschappen in 2015 zoekt het bedrijfsleven naar nieuwe mogelijkheden voor financiering. Op dit moment worden met name door branche- en producentenorganisaties de mogelijkheden onderzocht die de Europese marktordeningsverordening (iGMO) biedt voor financiering door middel van verbindend verklaring van heffingen ten behoeve van onderzoek bij niet-aangesloten ondernemers. Omdat met dit instrument de marktvrijheid van individuele ondernemers door de lidstaat wordt ingeperkt, behelst de iGMO stringente eisen waaraan een AVV-verzoek moet voldoen.

324

Is het waar dat sectoren het er soms moeilijk mee hebben hun achterbannen voor te stellen geld te heffen voor onderzoeken en projecten zoals stoppen met snavelkappen bij leghennen, staart couperen bij varkens, castratie bij varkens?

De pluimvee- en varkenssector zijn actief bezig ingrepen uit te faseren. Daartoe wordt door die sectoren onderzoek gedaan en vinden praktijkproeven plaats. Financiering voor onderzoek verliep voor een belangrijk deel via de heffingen die door de productschappen generiek werden opgelegd. Door het wegvallen van de productschappen zoekt het bedrijfsleven naar nieuwe mogelijkheden voor financiering. Op dit moment worden door branche- en producentenorganisaties onder andere de mogelijkheden onderzocht – binnen het strikte iGMO-kader – voor financiering door middel van verbindend verklaring van afdracht van financiële bijdragen ten behoeve van medefinanciering van door deze organisaties te verrichten onderzoek (welk onderzoek door de leden van die organisaties wordt gefinancierd) bij ook niet bij die organisaties aangesloten ondernemers.

Zie ook het antwoord op vraag 323.

325

Kunt u aangeven waar de op pagina 167 genoemde crisisreserve van het Diergezondheidsfonds zichtbaar is op de begroting EZ, zodat de Kamer zicht heeft op de omvang van die crisisreserve?

Antwoord

De crisisreserve wordt niet apart inzichtelijk gemaakt op de EZ-begroting, maar op de begroting van het Diergezondheidfonds. In het convenant is weergegeven wat de omvang is van de genoemde crisisreserves voor de verschillende sectoren. Echter de begrote ontvangsten voorzien nog niet in een component «opbouw reserves»; deze zal bij een eerstvolgende tariefswijziging worden meegenomen. Bij de toekomstige verantwoording over het Diergezondheidsfonds zal inzicht worden gegeven in de op dat moment beschikbare reserves per ultimo jaar.

326

Wat wordt er met deze crisisreserve gedaan als de convenantperiode is afgelopen?

Antwoord

De verwachting is dat na afloop van de convenantperiode deze zal worden verlengd. De eventueel dan nog beschikbare reserve zou ingebracht kunnen worden voor de nieuwe periode. Afhankelijk van de nieuwe afspraken kan dit verrekend worden in de heffingen van de sectoren. In het geval dat de convenantperiode niet wordt verlengd en er nog reserves zijn die opgebracht zijn door de sectoren, zal verrekening plaats vinden.

327

Kunt u aangeven hoeveel wrak vee er is gedood in 2014 en 2015, uitgewerkt naar diersoort en op welke wijze dit doorgaans geschiedt?

Antwoord

Dieren die ziek en ernstig verzwakt zijn worden niet geschikt geacht om vervoerd te worden naar een slachterij. Ze behoren op de houderij te worden geëuthanaseerd. Deze aantallen heeft de NVWA niet in beeld.

328

Hoeveel geld is er gereserveerd in 2016 voor het bevorderen van de transitie naar een meer plantaardig voedingspatroon?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar mijn antwoord op vraag 330.

329

Op welke wijze wordt er gestalte gegeven aan de transitie naar een meer plantaardig voedingspatroon?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar mijn antwoord op vraag 330.

330

Op welke wijze wordt de consument gestimuleerd in de aankoop van alternatieven voor vlees, zuivel, eieren en vis?

Antwoord

Het Voedingscentrum adviseert de consumptie van plantaardige producten (groenten en fruit, peulvruchten) als onderdeel van een gezonde en duurzame voedselkeuze. Het Voedingscentrum ontvangt voor zijn activiteiten bijdragen van de ministeries van VWS en EZ.

Daarnaast stimuleert het kabinet op verschillende manieren een meer duurzaam voedingspatroon. Zo worden middels het topsectorenbeleid en green deals, de ontwikkeling van innovatieve plantaardige producten en marketingconcepten voor een aantrekkelijke afzet van plantaardige producten gestimuleerd, alsmede de ontwikkeling en het gebruik van nieuwe eiwitbronnen zoals peulvruchten, wieren, algen (Kamerstuk 31 532, nr. 118, d.d. 11 juli 2013). Binnenkort wordt de vierjarige publiek private samenwerking DONRO (Developer of Nudges for Retail and Out of Home) afgesloten. Dit programma, gefinancierd uit de Topsector Agro&Food, heeft tot doel het ontwikkelen van nieuwe winkelschapindelingen om het gezonde en duurzame voedselpakket, waaronder alternatieven voor vlees, zuivel, eieren en vis, zo aan te bieden dat het de gemakkelijke keuze is. De call voor de topsector Agro&Food in 2016 biedt ruimte voor het indienen van nieuwe projecten in het kader van de verduurzaming van de voedselconsumptie. Daarnaast wordt ingezet op het wegnemen van wettelijke barrières bij het gebruik van nieuwe eiwitbronnen. En middels de EU-schoolfruitregeling wordt consumptie van groenten en fruit onder jongeren gestimuleerd.

Ook het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) stimuleert de consumptie van meer plantaardige eiwitten door innovaties te ondersteunen en door gedrag beïnvloedende initiatieven. Binnenkort ondertekenen EZ en het Ministerie van I&M de «Green Deal verduurzamen voedselconsumptie» met onder andere het initiatief Dutch Cuisine, waarbij de horeca met de hele keten inclusief onderwijs een transitie wil maken naar een duurzamere voedselconsumptie door o.a. meer groente op het bord.

331

Heeft de zuivel- en melkveehouderijsector al ingestemd met de voorgestelde aanscherping ten aanzien van het verhogen van weidegang?

Antwoord

In een bijeenkomst van de partners van het Convenant Weidegang op 9 juli jongstleden zijn suggesties gedaan voor extra stappen om de weidegang te verhogen. De uitwerking van deze suggesties vindt momenteel plaats en deze zullen worden gepresenteerd tijdens de najaarsbijeenkomst van de convenantpartners.

332

Welke stimuleringsmaatregelen wil het ministerie nemen om aan de 80% weidegang ambitie bij te dragen?

Antwoord

Hiervoor verwijs ik u naar het antwoord op vraag 48.

333

Bent u bereid opname in de maatlat duurzame melkveehouderij te bezien van investeringen ter verbetering van verkaveling met het oog op weidegang?

Antwoord

Investeringen in de verbetering van de verkaveling hebben betrekking op transacties van landbouwgronden die in pacht of eigendom zijn van het melkveebedrijf of via kavelruil. Zulke transacties lenen zich niet voor het instrument van de maatlat duurzame veehouderij. Ondernemers die via de maatlat duurzame veehouderij opteren voor weidegang bij een nieuw te bouwen stal dienen over voldoende huiskavel te beschikken.

334

Bent u, mede gezien de 80% doelstelling, bereid de maatlat zo aan te passen dat weidegang en het hiertoe hebben van een redelijk huiskavel verplicht is en een knock-out punt vormt voor het verkrijgen van een MDV-certificaat?

Antwoord

Zoals ik uw Kamer heb aangegeven in mijn brief van 29 maart jongstleden (Kamerstuknummer 33 979, nr. 73) zal ik maatregelen uitwerken om de bestaande stimuleringsregelingen van de Maatlat Duurzame Veehouderij en de daarvan afgeleide eisen voor «plusstallen» beter toegankelijk te maken voor bedrijven die weidegang toepassen.

335

Van welke equivalente maatregelen maakt Nederland gebruik?

Antwoord

Er zijn drie equivalente pakketten die thans voor goedkeuring bij de Europese Commissie liggen.

336

Kan er een overzicht worden gegeven van de equivalente maatregelen?

Antwoord

Ik verwijs u hierbij naar het antwoord op vraag 335.

337

Wanneer gaat de regeling jonge boeren van start?

Antwoord

In het kader van het decentralisatie akkoord met de provincies is afgesproken dat de provincies een regeling voor jonge landbouwers zouden opstellen. Conform de wens van uw Kamer en conform de motie van Dik Faber (Kamerstuknummer 33 750-XIII, nr. 65) is in een werkgroep jonge landbouwers door de provincies gewerkt aan een land dekkende en zo uniform mogelijke jongeboerenregeling. Tijdens het Algemeen Overleg van 3 september 2015 over de extra Landbouw en Visserijraad van 7 september 2015 (2015D33554) heb ik al aangegeven dat de verantwoordelijkheid voor de jongeboerenregeling primair bij de provincies ligt. In het bestuurlijk overleg van 21 september jl. heb ik dit met de provincies besproken.

De regeling zou aanvankelijk begin november 2015 worden opengesteld, maar de provincies geven aan dat de voorbereidingen meer tijd in beslag nemen. Ik heb in dit kader toegezegd te willen faciliteren bij een uniforme regeling zodat de regeling toch nog dit jaar met een uitloop naar het eerste kwartaal van 2016 kan worden opengesteld. Het gesprek met de werkgroep jonge landbouwers waarin de provincies zitten, wacht ik af.

338

Wat zijn de accentverschillen per provincie?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 337.

339

Om hoeveel jonge boeren gaat het?

Antwoord

Op basis van het beschikbare budget kunnen ongeveer 1800 jonge boeren van de regeling gebruik maken.

340

Welke bedragen zijn hiermee beschikbaar per jonge boer?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 342.

341

Kan een overzicht worden gegeven aan welke projecten de pijler 2 gelden in Nederland worden uitgegeven?

Antwoord

In mijn Kamerbrieven van 2 april 2014 (Kamerstuknummer 28 625, nr. 89) en van 5 juni 2014 (Kamerstuknummer 28 625, nr. 194) ben ik ingegaan op de invulling van het plattelandsontwikkelingsprogramma 2014–2020. Het nationale programma binnen pijler 2 richt zich op projecten binnen de thema’s «Versterken van innovatie, verduurzaming en concurrentiekracht», «Jonge boeren», «Natuur en landschap», «Verbetering van de waterkwaliteit» en «Leader». Afgesproken is dat de provincies de thema’s in provinciale regelingen uitwerken. In dit verband stelt de provincie Noord-Brabant samen met de Brabantse waterschappen binenkort twee maatregelen open voor respectievelijk «Kennisoverdracht bodem en water op landbouwbedrijven» en «Innovaties op het landbouwbedrijf voor precisiebemesting». De overige provincies werken momenteel aan hun eigen regelingen die naar verwachting in 2016 worden opengesteld. In dit verband wil ik nogmaals benadrukken dat de provincies aan zet zijn.

Het Rijk heeft zelf vanaf begin 2015 de Brede Weersverzekering opengesteld. Daarnaast gaat per 1 januari 2016 de Garantstelling Marktintroductie open. Voor beide regelingen wordt voor een periode van 6 jaar in totaal respectievelijk € 39,29 miljoen en € 11,08 miljoen beschikbaar gesteld.

342

Kan een overzicht worden gegeven welke bedragen met de pijler 2 projecten gemoeid zijn?

Antwoord

In mijn kamerbrief van 5 juni 2014 (Kamerstuknummer 28 625, nr. 194) heb ik een nadere specificatie gegeven van de verdeling van de bedragen per jaar over de verschillende thema’s en tussen EU-middelen, rijksmiddelen en provinciale middelen.

In onderstaand overzicht is dezelfde indeling gemaakt voor de totale bedragen in de periode 2014–2020.

343

Kunt u voor 2015 gedetailleerd aangeven waar de voor de kalversector bestemde gelden aan uitgegeven worden en hoe deze uitgaven volgens u aan systeeminnovaties en verduurzaming van de kalfsvleesketen bijdragen?

Antwoord

Eind augustus jongstleden zijn voorstellen over de voor de kalversector bestemde gelden voorgelegd aan de Europese Commissie om te worden opgenomen in de eerste aanpassing van het POP3, welke voor het einde van dit jaar is voorzien. Naar verwachting zullen in 2015 geen uitgaven meer kunnen worden gedaan van de voor de kalversector bestemde gelden, deze gelden kunnen worden doorgeschoven naar het volgende kalenderjaar.

344

Kunt u voor 2016 aangeven wat de plannen zijn voor besteding van de voor de kalversector bestemde gelden en hoe deze uitgaven volgens u bijdragen aan systeeminnovaties en verduurzaming van de kalfsvleesketen?

Antwoord

In samenspraak met de kalversector zijn maatregelen uitgewerkt ter versterking van het concurrentievermogen en systeeminnovaties op het terrein van dierenwelzijn en kwaliteitsregelingen. Na goedkeuring door de Europese Commissie kunnen de beschikbare gelden vanaf 2016 via nationale regelingen aan de kalverhouders ten goede komen. Ik zal de regelingen richten op die bedrijven die zich committeren aan de geformuleerde verduurzamingsdoelen voor 2020 in de verduurzamings- en transitieagenda die de kalversector opstelt.

345

Bent u bereid met de kalversector, of met vooruitstrevende partijen daarbinnen, alsnog een dierenwelzijns herontwerp traject op te zetten en daarvoor uit de jaarlijkse 10 miljoen de nodige gelden vrij te maken?

Antwoord

De wenselijkheid van een op te zetten herontwerptraject zal blijken uit de verduurzamings- en transitieagenda die de kalversector opstelt. Ik ben bereid op verzoek van de sector daarvoor vanuit de jaarlijks beschikbare € 10 miljoen gelden vrij te maken, rekening houdend met de kaders van de Europese plattelandsontwikkelingsverordening.

346

Bent u bereid een project op te zetten ter beëindiging van deze lange afstandstransporten voor kalveren en daarvoor uit de jaarlijkse 10 miljoen de nodige gelden vrij te maken?

Antwoord

Het aspect lage afstandstransporten zal deel uitmaken van de verduurzamings- en transitieagenda die de kalversector opstelt. Voor het overige verwijs ik u naar gegeven antwoord op vraag 345.

347

Bent u bereid alsnog ook ruimere kalverhokken met een ligbedding van stro te laten onderzoeken en daarvoor uit de jaarlijkse 10 miljoen de nodige gelden vrij te maken?

Antwoord

Hiervoor verwijs ik u naar mijn gegeven antwoord op vraag 345.

348

Klopt het dat een aanzienlijk deel van de vleesveehouders niet aan het project rondom uitfasering van keizersneden willen deelnemen?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar mijn antwoord op vraag Zie de antwoorden op vraag 109 en 110.

349

Kan de Staatssecretaris aangeven of er sprake is van een opkomst van nieuwe regels in EU-verband

regels, zoals beperkingen voor bepaalde visserijmethoden?

Antwoord

Mij is op dit moment niet bekend of de Europese Commissie voorstellen overweegt waarmee beoogd wordt beperkingen op te leggen aan bepaalde visserijmethoden.

350

Kan de Staatssecretaris aangeven welke afspraken er precies zijn gemaakt op het gebied van controle & handhaving, gezien de berichten dat dit nog niet goed op orde is?

Antwoord

In het plan van aanpak voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) zijn maatregelen afgesproken om het toezicht door de NVWA te versterken en verbeteren (Kamerstuknummer 33 835, nr. 1).

Onderdeel hiervan is het investeren in het vergroten en efficiënter inzetten van de toezicht- en handhavingscapaciteit van de NVWA en daarmee het vergroten van de slagkracht van de organisatie in de diverse toezichtdomeinen. Zoals aangegeven in de 3e voortgangsrapportage die op 16 oktober jl. aan uw Kamer is gestuurd vormen de financiële kaders van de NVWA onderwerp van overleg met als doel een duurzame balans te vinden tussen kosten en baten.Over de uitkomst van dit overleg wordt uw Kamer op een later moment geïnformeerd. Ik verwijs u tevens naar het antwoord op vraag 135 en 136.

351

Kan er een overzicht gegeven worden in hoeverre de andere EU-lidstaten Europese subsidies uitbetalen.

Antwoord

Bij deze vraag verwijst u naar pagina 220 van de begroting waar een overzicht is gegeven van de bedragen die voor Nederland vanuit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) beschikbaar zijn voor POP3. In onderstaande tabel treft u de gegevens aan over alle EU-lidstaten.

Aanspraken Europese gelden plattelandsbeleid
 

2014

2015

2016

Totaal 2014–2020

Ratio 2014–2020

Huidige prijzen

mln EUR

mln EUR

mln EUR

mln EUR

%

Frankrijk

1.404,9

1.635,9

1.663,3

11.384,8

11,5%

Italië

1.480,2

1.483,4

1.491,5

10.444,4

10,5%

Duitsland

1.221,4

1.219,9

1.407,2

9.445,9

9,5%

Polen

1.569,5

1.175,6

1.193,4

8.697,6

8,8%

Spanje

1.187,5

1.186,4

1.186,7

8.297,4

8,4%

Roemenië

1.149,8

1.148,3

1.176,7

8.128,0

8,2%

Verenigd Koninkrijk

667,8

752,3

755,7

5.199,7

5,2%

Griekenland

605,1

604,5

705,2

4.718,3

4,7%

Portugal

577,0

577,9

578,9

4.058,5

4,1%

Oostenrijk

557,8

559,3

560,9

3.937,6

4,0%

Hongarije

495,7

495,0

489,3

3.430,7

3,5%

Finland

335,4

336,9

338,5

2.380,4

2,4%

Bulgarije

335,5

335,1

337,3

2.366,7

2,4%

Tsjechië

314,3

313,0

346,0

2.305,7

2,3%

Ierland

313,1

313,1

313,1

2.190,6

2,2%

Kroatië

332,2

282,3

282,3

2.026,2

2,0%

Zweden

257,9

258,0

249,2

1.763,6

1,8%

Litouwen

230,4

230,4

230,4

1.613,1

1,6%

Slowakije

271,2

213,1

215,6

1.559,7

1,6%

Letland

138,3

151,0

153,1

1.075,6

1,1%

Denemarken

90,3

90,2

136,4

918,8

0,9%

Slovenië

118,7

119,0

119,3

837,8

0,8%

Estland

103,6

103,7

111,2

823,3

0,8%

Nederland

87,1

87,0

118,5

765,3

0,8%

België

78,3

78,5

91,1

647,8

0,7%

Cyprus

18,9

18,9

18,9

132,2

0,1%

Luxemburg

14,2

14,3

14,3

100,6

0,1%

Malta

13,9

14,0

13,9

97,3

0,1%

Gerangschikt van hoogste naar laagste aanspraak in % van het totale EU-budget in de periode 2014–2020. Bron: EC, Verordening 1305/2013

352

Kan er een subsidieoverzicht worden gegeven per ontvangende organisatie binnen artikel 16?

Antwoord

Een overzicht van de geraamde subsidies voor 2016 is opgenomen in het subsidieoverzicht van de EZ-begroting 2016 (zie het antwoord op vraag 2). Het gevraagde overzicht van de ontvangende organisaties wordt jaarlijks opgesteld in het kader van de verantwoording en wordt als open-data bestand geplaatst op de website www.rijksbegroting.nl. Het meest recente overzicht is het subsidieoverzicht met de realisatiegegevens over 2014. Bij de verantwoording over 2015 (mei 2016) zal het subsidieoverzicht met de realisatiegegevens per ontvangende organisatie (geclusterd per beleidsartikel) openbaar worden gemaakt.

353

Op welke manier wordt er verantwoording afgelegd door de ontvangende organisaties voor het gebruik van de subsidies?

Antwoord

Bij het toekennen van een subsidie geeft het Ministerie van EZ voorwaarden mee voor het definitief vaststellen van de subsidie. Deze voorwaarden zijn onder andere afhankelijk van het ingeschatte risico en van de hoogte van de aangevraagde subsidie: hoe hoger het bedrag, hoe meer eisen er aan de verantwoording gesteld worden (conform het Uniform Subsidiekader van de rijksoverheid).

De subsidieaanvrager voor subsidies boven de € 25.000,-- dient na afloop van de subsidieperiode een verantwoording (verzoek tot vaststelling) in. Vervolgens wordt beoordeeld of aan de gestelde subsidievoorwaarden is voldaan. Indien dit het geval is wordt de subsidie definitief vastgesteld en vindt verrekening plaats met eventueel verstrekte voorschotten.

354

Waaraan worden de middelen in het kader van het flankerend beleid pelsdierhouders besteed?

Deze middelen worden gereserveerd voor de financiering van het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij en voor de pensioenvoorziening bij onbillijkheden van overwegende aard, die zich als gevolg van het verbod ten aanzien van de pensioenvoorziening voordoen, voor pelsdierhouders die op 1 januari 2014 55 jaar of ouder zijn. Voor deze tegemoetkomingen reserveert het Ministerie van Economische Zaken in de periode van 2011 tot en met 2024 totaal € 28 mln. (amendement Van Gerven/Dijsselbloem, Kamerstuknummer 32 609 XIII, nr. 4)

Op dit moment is de Wet verbod pelsdierhouderij buiten werking gesteld, de hoger beroepsprocedure loopt. Het vonnis wordt verwacht op 10 november 2015.

Tevens vindt op dit moment in het kader van de staatssteunprocedure de notificatie bij de Europese Commissie plaats van het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij.

355

Waarom worden er middelen uitgegeven aan een brede weersverzekering?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar mijn antwoord op vraag 199.

356

Kent de begroting EZ, of andere begrotingen, vergelijkbare vergoedingen voor verzekeringen zoals de brede weersverzekering?

Antwoord

De Gemeenschappelijke Markt Ordening Groenten en Fruit (GMO) kent een mogelijkheid voor premiesubsidie voor een verzekering voor schade aan het gewas door extreme weersomstandigheden. Deze verzekeringen zijn alleen voor groenten- en fruitgewassen. Het is aan de telersverenigingen, die de GMO uitvoeren, of ze gebruik maken van deze subsidiemogelijkheid. In de regeling is de mogelijkheid van dubbele vergoedingen uitgesloten.

357

Op welke wijze wordt het dierenwelzijn geborgd in de PPS en seed money projecten onder het topsectorenbeleid, met name op het gebied van pluimvee?

Antwoord

Dierenwelzijn maakt integraal onderdeel uit van de beoordelingscriteria voor de maatschappelijke impact van toegepaste onderzoeksprojecten in het kader van de PPS-en (zie ook het antwoord op vraag 182). Naast deze integrale toetsing zijn er ook enkele PPS-en geheel of gedeeltelijk gewijd aan het verbeteren van dierenwelzijn in de veehouderij zoals de PPS Poultry4Food, de PPS Samenwerkende varkensketen en de PPS berengeurdetectie.

Daarnaast zijn in de afgelopen jaren enkele Seed Money Initiatieven op het gebied van pluimvee gestart (o.a. in India/Sri Lanka). In deze initiatieven wordt de haalbaarheid verkend van internationale samenwerking bij de introductie van duurzame pluimveeketens. Het betreft diervriendelijke huisvesting, duurzame voeding en een terughoudend gebruik van antibiotica.