Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201533576 nr. 43

33 576 Natuurbeleid

Nr. 43 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 mei 2015

Tijdens het AO Landbouw- en Visserijraad van 10 maart jl. heb ik u toegezegd mijn inzet te schetsen in de Europese Fitness Check van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR)(Kamerstuk 21 501-32, nr. 836). Deze toezegging heb ik bevestigd tijdens het AO Landbouw- en Visserijraad van 15 april jl. en daarbij aangegeven de verzamelde knelpunten mee te sturen. Met deze brief geef ik invulling aan deze toezegging.

In de (voorbereiding van) de Fitness Check werk ik nauw samen met de Minister en Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu en met het IPO. Het IPO vervult in dit proces een belangrijke rol vanwege de decentralisatie van het natuurbeleid aan de provincies.

Mijlpalen in de Fitness Check en rol Nederlands voorzitterschap

De Europese evaluatie van de VHR is eind januari 2015 van start gegaan. Deze Fitness Check is onderdeel van een regulier programma van de Europese Commissie (EC) om Europees beleid door te lichten (REFIT). De Fitness Check is een samenhangende evaluatie gericht op het beoordelen van de doelmatigheid van de VHR en of de regelgeving proportioneel is ten opzichte van de doelen.

Als eerste stap heeft een onderzoeksconsortium, in opdracht van de EC, een vragenlijst uitgezet bij de lidstaten en betrokken maatschappelijke organisaties. Deze vragenlijst is uitsluitend gericht op het verzamelen van feiten. In de beantwoording hiervan heb ik knelpunten opgenomen waar Nederland tegenaan loopt bij de implementatie van de VHR. Ik kom hier verder in deze brief op terug. Verder organiseert de EC tot juli 2015 een publieksconsultatie, waaraan iedereen in de Europese Unie via internet kan bijdragen.

Eind oktober 2015 wil de EC de voorlopige resultaten van het (technische) onderzoek presenteren in een internationale conferentie. Op dit moment is nog niet bekend hoe het vervolgproces eruit gaat zien. Naar verwachting besluit de EC de definitieve resultaten van het onderzoek en haar standpunt in te brengen in de Milieuraad van maart 2016, onder het Nederlandse voorzitterschap. Om de bespreking van de Fitness Check te faciliteren zal ik tijdens het Nederlandse voorzitterschap een internationale conferentie organiseren. Een terugkoppeling van deze conferentie zal worden gegeven in de Milieuraad van juni 2016.

Nederland wil het EU-voorzitterschap technisch goed, objectief en faciliterend invullen, zoals ook is aangegeven in de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken aan uw Kamer over het Nederlands EU-voorzitterschap (Kamerstuk 34 139, nr. 1). Dat geldt ook voor de Nederlandse rol in de voortgang van de Fitness Check tijdens het voorzitterschap. Ik streef daarom met name naar het entameren van een brede en diepgaande Europese discussie over een toekomstbestendig natuurbeleid, waarbij de in Nederland gesignaleerde knelpunten bij de implementatie van de VHR aan de orde kunnen komen.

Ter voorbereiding op het voorzitterschap zal ik in het komend najaar goed contact onderhouden met de EC en met betrokken lidstaten, zowel over het proces tijdens het Nederlandse voorzitterschap als over de in Nederland en andere lidstaten gesignaleerde knelpunten bij de implementatie van de VHR. Ik wil nagaan in hoeverre we stappen kunnen zetten naar een meer flexibele en dynamische invulling van de Europese regels, uitgaande van de Europese natuurdoelen. Deze inzet licht ik hieronder toe.

Inzet in de Fitness Check

Achtergrond

In de Rijksnatuurvisie (Kamerstuk 33 576, nr. 14) is door het kabinet als één van de uitgangspunten neergelegd dat de natuur er is om beleefd, beschermd en benut te worden. De kern van dit beleid is een omslag in denken: het gaat om het versterken van de natuur mét de samenleving in plaats van het beschermen van de natuur tegen de samenleving. Hierbij versterken natuur en economie elkaar. Het kabinet wil daarmee een effectieve invulling geven aan de natuurdoelen die Nederland internationaal heeft afgesproken en tegelijk de maatschappelijke betekenis van natuur vergroten. Deze omslag naar een natuurinclusieve samenleving komt ook tot uitdrukking in provinciale omgevings- en/of natuurvisies. De Rijksnatuurvisie is tijdens het AO Natuurbeleid van 2 oktober 2014 besproken met uw Kamer.

In lijn met de Natuurvisie beschouwt het kabinet het als zijn verantwoordelijkheid om het combineren van natuur met particuliere en maatschappelijke initiatieven te vergemakkelijken en nationaal en internationaal ineffectieve onderdelen van uitvoering van beleid aan te pakken, onder andere in het licht van de Fitness Check van de VHR. Inzet daarbij is om een ontwikkelingsgerichte gebiedsbenadering met ruimte voor de natuurlijke dynamiek mogelijk te maken. Hiermee wordt mede beoogd het draagvlak vanuit de samenleving voor verbetering van de natuur te verhogen.

Uitdagingen en wensen

Elke twee jaar publiceert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) over de voortgang met betrekking tot de Europese biodiversiteitdoelen. In 2010 meldde het PBL voor het eerst dat de achteruitgang van de biodiversiteit is afgenomen. In 2014 meldde PBL dat, gemiddeld genomen, de daling is gestopt. Hierbij moet wel worden bedacht dat de situatie voor verschillende soorten en habitats zeer verschillend is.

Uit deze voortgangsrapporten is vast te stellen dat reeds veel bereikt is met de VHR. Er blijft echter een voortdurende inspanningsverplichting vereist. Daarom is een volgende stap nodig voor een effectieve invulling van de natuurdoelen. In het Natuurpact «Ontwikkeling en beheer van natuur in Nederland» hebben het Rijk en de provincies hierover afspraken gemaakt (Kamerstuk 33 576, nr. 6). Het gaat daarbij om, uitgaande van de bestaande Europese natuurdoelen, het optimaliseren van de uitvoering. Bij deze optimalisatie zijn verschillende aandachtspunten genoemd, die mijn inzet tijdens de Fitness Check vormen:

  • 1. De uitvoering van de VHR zal een beweging van «behoud» en soortenbescherming naar de ontwikkeling van robuuste natuurgebieden mogelijk moeten maken, waarbij een zwaarder accent kan worden gelegd op natuurlijke processen met een natuurlijke dynamiek.

    In dit kader wijs ik op de volgende gebieden waar deze beweging nog niet (goed) mogelijk lijkt te zijn: het Grevelingenmeer, IJsselmeer, in het rivierengebied en bij de vismigratierivier Afsluitdijk. In deze gebieden leidt de overgang naar een meer robuust natuurlijk systeem tot de situatie dat sommige aanwezige plantensoorten en/of habitattypen (deels) plaats moeten maken. Dit stuit op bezwaar vanwege verplichtingen die voortkomen uit de VHR.

  • 2. Een tweede gewenste beweging is om de uitvoering van de VHR, voor zover nodig, zo aan te passen dat koppeling van natuurontwikkeling aan andere maatschappelijke vraagstukken als waterveiligheid en -beheer, recreatiemogelijkheden en infrastructuur beter mogelijk wordt. Dit biedt Rijk, provincies en gemeenten meer ruimte voor gebiedsgericht maatwerk.

    Zo is bij de aanleg van de A2 rond ’s-Hertogenbosch en van de Hondsbossche zeewering gebleken dat de VHR hoge drempels kan opwerpen met betrekking tot bijvoorbeeld de procedures en doorlooptijden, ook daar waar natuurontwikkeling integraal wordt meegenomen. Hierdoor kunnen onzekerheden ontstaan over natuurinclusieve projecten, waardoor de voortgang en het maatschappelijke en/of economische draagvlak kunnen worden aangetast. Zo werpt deze strikte toepassing ook zijn schaduw op de toekomstige aanpak «Stroomlijn» waar hoogwaterveiligheid en Natura 2000 worden gecombineerd.

  • 3. Ten slotte wil ik kijken of, uitgaande van de bestaande Europese biodiversiteitsdoelen, een dynamische en meer integrale toepassing van de VHR in Nederland en Europa mogelijk is. Een onderdeel hiervan is in mijn ogen de samenwerking op het niveau van het Europese natuurnetwerk. Zo wil ik er voor pleiten dat, bijvoorbeeld als het gaat om de ontwikkeling van hoogveen (zoals in Engbertsdijksvenen) en bij het behoud van sommige soorten (bijvoorbeeld de korhoen), we niet alleen kijken naar de nationale verantwoordelijkheid maar ook op Europees niveau voor de realisatie van de doelen, met name in dezelfde biogeografische regio.

Deze elementen lijken mij van belang voor alle lidstaten en zullen wat mij betreft dus een belangrijke rol spelen in de Europese discussie over een toekomstbestendig natuurbeleid. Het heeft mijn voorkeur als de gewenste elementen via aanpassing van de uitvoering, dus binnen de bestaande Richtlijnen, vorm kunnen krijgen.

Tot slot wil ik aangeven dat, zoals genoemd in de Rijksnatuurvisie en het Natuurpact, de betrokkenheid van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties nodig is om natuur te beschermen en duurzaam te gebruiken. In dat kader stel ik de nauwe betrokkenheid bij de Fitness Check van deze partijen op prijs en zal ik hen ook bij het vervolg blijven betrekken.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma