Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634300-XIII nr. 6

34 300 XIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2016

Nr. 6 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 7 oktober 2015

De vaste commissie voor Economische Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden over het onderdeel Economie en Innovatie.

De vragen zijn op 23 september 2015 voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken. Bij brief van 6 oktober 2015 zijn ze door de Minister van Economische Zaken beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel, over het onderdeel Economie en Innovatie voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Vermeij

Adjunct-griffier van de commissie, Thomassen

1

Welk bedragen zijn gereserveerd voor subsidieregelingen of belastinguitgaven die het gebruik van fossiele brandstoffen subsidiëren?

Antwoord

Er zijn geen bedragen gereserveerd die het gebruik van fossiele brandstoffen subsidiëren.

2

Kunt u uiteenzetten hoeveel geld wordt geïnvesteerd in sectoren waarin wordt gewerkt met proefdieren, zoals life sciences, pharmacie en levensmiddelentechnologie?

Antwoord

De publieke bijdrage aan de Topsector Life Sciences & Health bedraagt voor 2016 € 226 mln. De bijdrage van het Ministerie van EZ bedraagt € 33 mln., waarbij circa € 20 mln. wordt ingezet via de zogenaamde TKI-toeslag op publiek private samenwerkingen bij de ontwikkeling van producten en diensten op de terreinen medische technologie, farmacie en services. Andere financiers zijn o.a. het Ministerie van VWS (€ 72 mln.) en EU/programma Horizon2020 (€ 85 mln.).

De LSH sector hecht belang aan alternatieven voor dierproeven. Zo is onlangs binnen het programma Meer Kennis met Minder Dieren van ZonMW een pilot gestart met minder proefdieren op het onderzoeksterrein van hart- en vaatziekten.

3

Kunt u uiteenzetten hoeveel geld u heeft gereserveerd ten behoeve van de uitgaven aan mestvergisting en waar het in de begroting is opgenomen?

Antwoord

Mestvergisting komt net als andere technologieën voor de opwekking van hernieuwbare energie in aanmerking voor SDE+-subsidie. Met uitzondering van wind op zee wordt in de SDE+ ex ante geen specifiek budget per categorie gereserveerd. Hierdoor is ex ante een uitsplitsing per technologie niet te geven. Er is geen specifiek budget per categorie gereserveerd, omdat de SDE+ gebaseerd is op concurrentie en technologieneutraliteit. De subsidiebedragen die de verschillende categorieën krijgen zijn afhankelijk van de ontwikkeling van de kostprijs, de ontwikkeling van de energieprijzen en het kostenverlagende effect van concurrentie tussen aanvragers van SDE+-middelen. Het niet meer vooraf toedelen van specifieke budgetten aan specifieke technologieën is een van de belangrijkste lessen van de voorganger van de SDE+, de SDE-regeling.

Over de reeds aangegane verplichtingen in het kader van de SDE+, haar voorgangers en enkele andere regelingen en de gerealiseerde productie van hernieuwbare energie wordt jaarlijks gerapporteerd middels de rapportage hernieuwbare energie van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (vindplaats http://www.rvo.nl/subsidies-regelingen/publicaties-stimulering-duurzame-energieproductie). Daarin is ook een uitsplitsing per technologie gegeven. Zoals ik in mijn reactie op het rapport van de Algemene Rekenkamer heb aangegeven, zal ik de Tweede Kamer jaarlijks een overzichtelijk totaalbeeld presenteren van de financiële en beleidsinformatie met betrekking tot de SDE+ regeling, in de bredere context van het Energieakkoord en de doelstellingen ten aanzien van hernieuwbare energieproductie.

Hierbij zal ik ingaan op de verschillende categorieën van de SDE+, waaronder mestvergisting. Ik verwacht dit totaalbeeld in november aan uw Kamer te zenden, gelijktijdig met de jaarlijkse brief waarmee u over de SDE+ in 2016 wordt geïnformeerd.

4

Welke kwantificeerbare doelstellingen voor duurzame energie hanteert u voor de begroting 2016?

Antwoord

Ik hanteer geen apart doel voor hernieuwbare energie voor 2016. Het beleid is gericht op het realiseren van 14% hernieuwbare energie in 2020 en 16% hernieuwbare energie in 2023. Daarbij zijn geen tussendoelen vastgesteld.

5

Kunt u aangeven onder op welke begrotingsartikelen en daarbinnen op welke onderdelen, vrije ruimte is in de begroting?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 17.

6

Kunt u aangeven wat uw operationele doelen zijn die worden beoogd met de begroting voor aankomend jaar, op het gebied van sluiten van kringlopen?

Antwoord

Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 85, 86 en 90.

7 en 10

Wat is het totale bedrag dat in 2016 wordt uitgetrokken voor de ontwikkeling, validatie, en implementatie van alternatieven voor dierproeven, onderverdeeld naar de verschillende posten?

Kunt u een uitsplitsing geven van de verschillende posten die betrekking hebben op dierproeven en de ontwikkeling, validatie en implementatie van alternatieven voor dierproeven en de verschillende projecten en bijbehorende doelstellingen nader toelichten?

Antwoorden 7 en 10

Ik kan u mededelen dat EZ in 2016 voor dierproeven en alternatieven voor dierproeven de volgende budgetten voor aanwending gereserveerd heeft.

Dierproeven:

  • Centrale Commissie Dierproeven (CCD): € 919.500,–;

  • Nationaal Comité advies dierproevenbeleid (Ncad): € 966.000,– (deels EZ-begroting; deels trekkingsrecht op budget dat op de VWS begroting staat).

Alternatieven voor dierproeven:

  • ZonMw-onderzoeksprogramma «Meer Kennis met Minder Dieren» (incl. Assuring Safety without Animal Testing; ASAT) € 1,880 mln.;

  • InTraVacc (voorheen het Nederlands Vaccin Instituut/NVI): € 1.675.000,– (trekkingsrecht; het geld staat op de VWS begroting);

  • € 615.124,– voor RIVM-kennisvragen (trekkingsrecht; het geld staat op VWS begroting);

  • Beleidsgelden ten behoeve van alternatieven € 677.000,–;

  • Universiteit Utrecht (onderwijstaken alternatieven voor dierproeven): € 200.000,– (trekkingsrecht op budget op VWS begroting staat).

In totaal betekent dit dat in 2016 een bedrag van € 6.932.624,– voor dierproeven en alternatieven voor dierproeven samen beschikbaar is.

8

Kunt u uiteenzetten hoeveel geld u heeft gereserveerd ten behoeve van zonne-energie en waar het in de begroting is opgenomen en hoeveel kilowattuur hiermee wordt geproduceerd?

Antwoord

Zonne-energie met een vermogen groter of gelijk aan 15 kWp en een aansluiting groter dan 3* 80 A komt net als andere technologieën voor de opwekking van hernieuwbare energie in aanmerking voor SDE+-subsidie. Met uitzondering van wind op zee wordt in de SDE+ ex ante geen specifiek budget per categorie wordt gereserveerd. Hierdoor is ex ante een uitsplitsing per technologie niet te geven. Zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 3.

9

Kunt u uiteenzetten hoeveel geld u heeft gereserveerd ten behoeve van windenergie en waar het in de begroting is opgenomen en hoeveel kilowattuur hiermee wordt geproduceerd?

Antwoord

Windenergie komt net als andere technologieën voor de opwekking van hernieuwbare energie in aanmerking voor SDE+-subsidie. Met uitzondering van wind op zee wordt in de SDE+ ex ante geen specifiek budget per categorie wordt gereserveerd. Hierdoor is ex ante een uitsplitsing per technologie niet te geven. Zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 3.

11

Kunt u uiteenzetten hoeveel geld u heeft gereserveerd ten behoeve van innovatie van alternatieve energie en waar dit in de begroting is opgenomen?

Antwoord

In 2016 is er vanuit de specifieke instrumenten ruim € 100 mln. aan kasmiddelen beschikbaar voor energie-innovaties. Dit is beschikbaar via de volgende instrumenten:

€ 55,840 mln.

Topsector Energie

EZ-innovatiemiddelen voor de TKI tenders en SDE+-innovatiemiddelen

€ 44,000 mln.

Demonstratieregeling Energie-Innovatie

Deze totaal beschikbare kasruimte (die gelijk is aan de nieuwe verplichtingenruimte in 2016) wordt voor een optimale programmering deels ingezet voor de Topsector Energie

€ 2,377 mln.

Innovatieagenda Energie

Uitfinanciering van een aantal specifieke innovatieprogramma’s binnen de Innovatie Agenda Energie

€ 102,217 mln.

Totaal

 

Deze bedragen zijn te vinden in de tabel budgettaire gevolgen van beleid op pagina 77 als ook deels op pagina 89.

De Topsector Energie richt zich op de verduurzaming van de energievoorziening en de versterking van de toegevoegde waarde van de energiesector voor de Nederlandse economie. Dit doet de Topsector door energie-innovaties te stimuleren en aan te jagen gericht op de onderwerpen windenergie op zee, zonne-energie, bioenergie, gas, maar ook energiebesparing in de industrie en de gebouwde omgeving en intelligente netten. De verdeling van het budget over de genoemde onderwerpen is aan de Topsector Energie.

Wat nog niet in deze tabel mee is gerekend, is de nieuw beoogde verplichtingenruimte vanuit de SDE+ voor innovatieprojecten, waarvoor bij Voorjaarsnota 2016 een overheveling plaats zal vinden vanuit de SDE+-middelen (zie ook het antwoord op vraag 327). Deze SDE+-innovatiemiddelen kunnen worden ingezet voor innovatieprojecten gericht op kostprijsreductie, waardoor de implementatie van de betreffende duurzame energietechnologieën kosteneffectiever plaats kan vinden.

12

Welke voorwaarden worden aan de innovatie van alternatieve energie verbonden?

Antwoord

Om in aanmerking te kunnen komen voor de innovatiemiddelen voor de Topsector Energie, moeten de projecten in lijn zijn met de in het antwoord op vraag 11 genoemde onderwerpen en passen binnen de door de TKI's geformuleerde programmalijnen. In de bijbehorende tenderregelingen zijn de exacte criteria opgenomen. De Demonstratieregeling Energie-Innovatie (DEI) is bedoeld om een «etalage» van Nederlandse energie-innovaties te creëren waardoor bedrijven gemakkelijker de sprong naar internationaal succes kunnen maken. Het gaat dan om voor Nederland nieuwe (toepassingen van) apparaten, systemen of technieken die energie besparen of die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen. Bij de beoordeling van de projecten wordt gekeken naar de potentie voor versterking van de Nederlandse economie, wat betreft omzet, werkgelegenheid en export. Tenslotte zijn de innovatiemiddelen vanuit de SDE+ bedoeld voor innovatieprojecten gericht op kostprijsreductie, waardoor de uitrol van duurzame energietechnologieën in 2020/2023 kosteneffectiever plaats kan vinden.

13

Welk budget is beschikbaar voor het in de markt zetten van innovaties?

Antwoord

Bedrijven en kennisinstellingen die innovaties in de markt zetten, kunnen van EZ ondersteuning krijgen met een pakket aan maatregelen en instrumenten. Zo biedt het Innovatiekrediet steun aan bedrijven voor de technische of klinische ontwikkeling van producten met het oog op marktintroductie. Daarvoor is sinds 2012 jaarlijks minstens € 60 mln. beschikbaar in de vorm van verplichtingen. Een ander instrument is Eurostars-2, dat zich richt op ondersteuning van het hightech mkb dat met buitenlandse bedrijven of onderzoeksinstellingen samenwerkt in marktgerichte onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten. Daarvoor is jaarlijks zo’n € 18 mln. beschikbaar, waarvan tot € 5 mln. EU-cofinanciering. Voor innovatieve starters en mkb’ers die producten gebaseerd op kennis die is ontwikkeld door de toegepaste kennisinstellingen naar de markt willen brengen, komt in 2016 via een uitbreiding van de VFF-regeling vanuit het Toekomstfonds € 10 mln. beschikbaar.

Voor opschaling is met de Seed Capital regeling jaarlijks ca. € 20 mln. beschikbaar voor cofinanciering van technostarters en creatieve startups.

Omdat de markt minimaal een zelfde bedrag moet inleggen, komt er jaarlijks € 40 mln. extra beschikbaar voor investeringen in bedrijven die vanuit een innovatief ontwikkelingstraject de markt willen betreden. Verder ondersteunt het Innovatieluik van de BMKB de kredietverlening door banken aan innovatieve bedrijven die bezig zijn met een marktintroductie. Van het jaarlijkse BMKB budget van € 765 mln. wordt er sinds 2012 gemiddeld zo’n € 30 mln. benut door het innovatief mkb.

Voor innovatie en mkb zijn ook de Europese structuurfondsprogramma's bij uitstek toegesneden. Deze programma's zijn per landsdeel (noord, oost, zuid, west) en grensoverschrijdend. Innovatie is de belangrijkste prioriteit binnen deze programma's waarvoor verschillende typen ondersteuningsmaatregelen zijn en worden uitgevoerd gericht op diverse fasen van marktintroductie. Het kabinet stelt tot en met 2020 € 140 mln. cofinanciering hiervoor beschikbaar. Bovendien heeft EZ aandelen in de regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) om te investeren in innovatieve starters en kleine bedrijven in de regio.

Daarnaast wordt de innovatieve ondernemer ook op andere wijzen ondersteund. Zo zet de overheid SBIR in, waarmee bedrijven via aanbesteding opdrachten kunnen krijgen om nieuwe producten, processen of diensten te leveren voor maatschappelijke uitdagingen. Daarvoor is € 3 mln. beschikbaar tot en met 2016. Verder worden overheidsinkopers via Innovatiegericht Inkopen gestimuleerd om innovatieve oplossingen meer kans te geven, wat uiteindelijk kan leiden tot launching customership.

Met bovenstaande instrumenten ondersteunt EZ bedrijven met het in de markt zetten van innovaties met meer dan € 160 mln. per jaar. De instrumenten maken deel uit van een breed scala aan maatregelen voor de ondersteuning van onderzoek, ontwikkeling en marktintroductie van innovaties op regionaal, nationaal en Europees niveau. Daarbij kan er niet altijd een scherpe lijn worden getrokken tussen instrumenten die ondersteuning bieden aan onderzoek en ontwikkeling dat verder van de markt af staat en instrumenten die bijdragen aan de opschaling van innovaties.

14

Op welke wijze wilt u het in de markt zetten van innovaties ondersteunen en waar is dit in de begroting opgenomen?

Antwoord

In het antwoord op vraag 13 is aangegeven hoe EZ bedrijven ondersteunt. Eurostars-2 is onderdeel van artikel 12 van de begroting. De BMKB en SBIR maken deel uit van artikel 13 van de begroting. De cofinanciering vanuit het Rijk voor Europese Structuurfondsprogramma’s gefinancierd uit EFRO maken deel uit van begrotingsartikel 18.1. Het Innovatiekrediet, VFF, de SEED Capital regeling en ROM’s zijn als onderdeel van het Toekomstfonds opgenomen in artikel 19 van de begroting.

15

Welke budgetten hebben de verschillende topsectoren nog tot hun beschikking? Kunt u in het antwoord specifiek aangeven hoeveel geld elke topsector beschikbaar heeft, welk deel daarvan vanuit publieke en welk deel uit private middelen afkomstig is, welk deel al is toegekend en hoeveel er nog te verdelen is over nieuwe projecten?

Antwoord

Er worden geen integrale budgetten per topsector ter beschikking gesteld. In de topsectorenaanpak werken ondernemers, onderzoekers, onderwijsinstellingen en overheden samen aan de ontwikkeling en uitvoering van gezamenlijke (cross-sectorale) agenda’s die bijdragen aan het versterken van het lange termijn verdienvermogen van Nederland en aan het oplossen van maatschappelijke uitdagingen.

Naast generieke instrumenten als de WBSO zijn ook specifieke instrumenten voor de topsectoren beschikbaar zoals de TKI-toeslag, de regeling mkb-innovatiestimulering topsectoren (MIT) en de bijdragen van onderzoekscapaciteit via NWO en via de TO2-instituten. Omdat het specifieke karakter van elk van de topsectoren (technologie, aard van de economische activiteit, specifieke belemmeringen) verschilt, varieert ook de inzet van specifieke beleidsinstrumenten per topsector.

Publiek-private samenwerking is de kern van de topsectorenaanpak, waarbij de betrokken partijen ook (financieel) commitment tonen. Dit commitment is leidend voor toekenning van middelen vanuit het Rijk. Dit betekent dat budgetten voor bijvoorbeeld onderzoek en innovatie en human capital niet vooraf worden toegekend aan afzonderlijke topsectoren, maar het totaal bedrag pas achteraf naar de topsectoren kan worden vastgesteld). Daarbij kan het ook zijn dat meerdere topsectoren tegelijk profiteren van een bepaald onderzoekstraject. Bij samenwerking op het gebied van medische technologie kunnen middelen bijvoorbeeld worden toegerekend aan zowel de topsector LSH als HTSM. Het nieuwe Kennis- en Innovatiecontract voor 2016 en 2017 (waarover de Kamer op 5 oktober is geïnformeerd) geeft inzicht in de intenties voor onderzoek en innovatie, waaronder het private commitment en de publiek beschikbare middelen per topsector. Daarbij geldt dat bij de TO2-instellingen en NWO voor een gedeelte wel sprake is van toedeling vooraf. Hier worden in het Kennis-en Innovatiecontract afspraken over gemaakt met de topsectoren. Voor een totaaloverzicht van de publieke middelen is in de beleidsagenda van de EZ-begroting (op pagina 21–22) de overzichtstabel Bedrijfsleven beleid en topsectoren opgenomen.

16

Waarom is het budget voor de Dienst Landelijk Gebied op nul gezet?

Antwoord

Als gevolg van het Onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur van september 2011 tussen het Rijk en de provincies voeren de provincies sinds 1 maart 2015 de provinciale taken in het landelijk gebied zelf uit. Het «provinciaal aandeel» van de medewerkers van de Dienst Landelijk Gebied (DLG) van 400 fte is op 1 maart 2015 overgegaan van DLG naar de provincies.

De rijkstaken in het landelijk gebied zijn in 2015 tot 1 maart uitgevoerd door DLG en worden sinds 1 maart uitgevoerd door de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO.NL). Vanaf 2016 zal alleen RVO.NL deze rijkstaken uitvoeren. Voor DLG zijn er vanaf 2016 geen taken meer en zijn er daarom geen budgetten meer nodig. DLG zal nog in 2015 worden opgeheven.

17

Kan een overzicht gegeven worden van waar de budgetflexibiliteit zit? Welke middelen zijn juridisch verplicht en met welke middelen is er nog een alternatieve aanwending mogelijk?

Antwoord

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de geraamde uitgaven voor 2016 verdeeld over de beleidsartikelen, het deel daarvan dat «juridisch verplicht» is, de bestuurlijk gebonden bedragen en het restant dat nog niet juridisch is verplicht of bestuurlijk gebonden. De percentages juridisch verplichte bedragen zijn in de begroting per beleidsartikel opgenomen in de tabellen «budgettaire gevolgen van beleid». Van de totale geraamde beleidsuitgaven van EZ voor 2016 (€ 4,5 mld.) is 93% juridisch verplicht (€ 4,2 mld.). Dit uitgaande van de geraamde benutting van de voor 2015 geraamde verplichtingen. Het niet-juridisch verplichte deel bedraagt € 0,3 mld. (7%). Totaal € 107,3 mln. van de geraamde beleidsuitgaven zijn bestuurlijk gebonden (bijvoorbeeld afspraken met de Europese Commissie over nationale cofinanciering of afspraken in het kader van het Energieakkoord) en beleidsmatig belegd zoals de voorgenomen openstellingen in 2016 op subsidieregelingen.

Het resterende bedrag van € 207,3 mln. betreft de nog niet specifiek gereserveerde middelen die bestemd is voor beleid dat nog niet is vastgelegd in juridische verplichtingen of bestuurlijke afspraken. In de begroting is bij elk begrotingsartikel onder de tabel «budgettaire gevolgen van beleid» een passage over de budgetflexibiliteit opgenomen met een toelichting per instrumentcategorie (leningen, subsidies, opdrachten, bijdragen aan agentschappen enz.).

Art.nr.

Omschrijving

Uitgaven 2016

Juridisch verplicht

Bestuurlijk gebonden

Niet juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden middelen

11

Goed functionerende economie en markten

184.122

176.757

96%

2.307

5.058

12

Een sterk innovatievermogen

528.564

465.136

88%

3.044

60.384

13

Een excellent ondernemingsklimaat

265.666

239.099

90%

10.300

16.267

14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

1.830.326

1.775.416

97%

11.590

43.320

16

Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

544.121

478.826

88%

58.944

6.351

17

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

796.001

796.001

100%

0

0

18

Natuur en Regio

210.728

181.226

86%

21.126

8.376

19

Toekomstfonds

164.741

97.197

59%

0

67.544

 

Totaal

4.524.269

4.209.658

93%

107.311

207.300

Bedragen x € 1.000

18

Wat worden de prioriteiten van het Nederlands EU-voorzitterschap op het gebied van economie en innovatie?

Antwoord

Versterken en verdiepen van de interne markt in brede zin (zoals de energiemarkt, digitale interne markt en de interne markt voor goederen en diensten) en betere regelgeving zijn de prioriteiten voor het Nederlands EU-Voorzitterschap op het gebied van economie en innovatie. Uw Kamer wordt dit najaar geïnformeerd over de manier waarop de prioriteiten voor het Voorzitterschap in de verschillende Raden terug zullen komen.

19

In hoeverre wordt met de drie lijnen «vernieuwen, verduurzamen en verbinden» een beleidswijziging ingezet? Of zijn dit slechts drie kapstokken waar al bestaande jassen aan worden opgehangen?

Antwoord

De beleidsagenda beschrijft de beleidsprioriteiten van het Ministerie van Economische Zaken in 2016. De kernwoorden vernieuwen, verduurzamen en verbinden geven de rode draad weer. EZ wil de ruimte geven aan vernieuwing en innovatie; zet zich in voor een duurzame economische ontwikkeling en betrekt de maatschappij actief bij de totstandkoming en uitvoering van beleid.

20

Hoe groot was het aantal faillissementen in 2014?

Antwoord

In 2014 zijn 9.669 faillissementen uitgesproken (in 2012: 11.348 en in 2013: 12.449).

21

Hoe verhoudt de noodzaak voor toename in arbeidsproductiviteit zich tot de dalende uitgaves voor onderzoek en innovatie?

Antwoord

Onderzoek en innovatie is cruciaal voor toekomstige groei van de arbeidsproductiviteit. Het is daarom van belang de bestedingen voor innovatie in Nederland op een hoger niveau te brengen. De publieke middelen voor innovatie nemen de komende jaren per saldo af. Het kabinet wil private partijen verleiden om meer te investeren in innovatie.

Dit doen we bijvoorbeeld via het bevorderen van effectieve fiscale regelingen, zoals de WBSO of de RDA, in plaats van subsidieregelingen. Ook het topsectorenbeleid draagt bij aan het creëren van een goed investeringsklimaat, waarbij bedrijven samenwerking met kennisinstellingen en overheden opzoeken en in consortia planmatig investeren in vernieuwing. Daarbij worden ook EU-middelen voor onderzoek en innovatie betrokken (uit Horizon2020 en EFRO). En via het Toekomstfonds is een extra impuls gegeven om o.a. de toegang tot financiering voor innovatieve ondernemers te vergroten.

22

Hoe valt het Nederlandse beleid rondom exportkredietverzekeringen te vergelijken met de door ons omringende landen?

Antwoord

De exportkredietverzekeringsfaciliteit valt binnen artikel 5 van de begroting van het Ministerie van Financiën. Streven is een best-of-class notering (A-rating) van deze faciliteit en zoals in het betreffende artikel van de rijksbegroting te lezen is, wordt ook aan deze doelstelling voldaan. Door de introductie van de exportkredietgarantie en de recente verbetering daarvan is de toegang tot exportfinanciering ook voor het Nederlandse mkb verbeterd. De EKV wordt binnen de OESO-consensus uitgevoerd. Nederland is voorstander van een uitgebreide set aan internationale afspraken, met een zo breed mogelijk bereik om waar mogelijk een level playing field te realiseren. In dit verband trekt Nederland ook op met de ons omringende landen. De Nederlandse strategie en het beleid rondom de exportkredietverzekering is u per Kamerbrief d.d. 28 november 2014 (Kamerstuk 33 625, nr. 145) toegelicht en uiteengezet.

23

Kunt u aangeven waarom er uitgegaan wordt van een minder sterke daling van de werkloosheid in 2016 ten opzichte van 2015?

Antwoord

De werkloosheid daalt in 2015 naar verwachting van het CPB (MEV) met 40 duizend personen en in 2016 met 15 duizend personen. De ontwikkeling van de werkloosheid wordt bepaald door twee factoren: de mutatie van de werkgelegenheid en de mutatie van het arbeidsaanbod.

De werkloosheid loopt in 2016 minder hard terug dan in 2015, doordat de groei van het arbeidsaanbod harder toeneemt dan de groei van werkgelegenheid. Daar zijn twee redenen voor aan te wijzen. Ten eerste is er in 2015 nog sprake van ontmoediging op de arbeidsmarkt, die de toename van het arbeidsaanbod afremt, waar dit volgens het CPB in 2016 niet langer het geval is. Ten tweede krijgt het arbeidsaanbod een beleidsmatige impuls door het 5-miljard-pakket dat in 2016 ingaat. De werkgelegenheid neemt in 2016 dus wel harder toe dan in 2015, maar niet voldoende om eenzelfde daling van de werkloosheid te bewerkstelligen als in 2015.

24

Kunt u aangeven welke concrete beleidsmaatregelen van u hebben bijgedragen aan de daling van de werkloosheid?

Antwoord

Ik streef ernaar ondernemers de ruimte te geven om te vernieuwen en te groeien en vakmanschap te stimuleren. Banen ontstaan namelijk wanneer ondernemers een goed idee hebben, mooie producten maken en op slimme manieren met elkaar concurreren. EZ stimuleert deze groei en vernieuwing o.a. door regelgeving zo aan te passen dat ondernemers beter kunnen ondernemen, (risicodragende) financiering beschikbaar te maken en publiek-private partnerschappen te stimuleren. Zo is er een regeldrukvermindering van € 1,3 miljard gerealiseerd (Kamerstuk 29 515, nr. 361). Met vernieuwend ondernemerschap en met nieuwe verdienmodellen kunnen kansen nu en in de toekomst worden omgezet in nieuwe inkomsten en banen. Vandaar dat EZ inzet op de toenemende digitalisering (smart industry), het stimuleren van startups (StartupDelta) en het stimuleren van innovatie en internationalisering in de topsectoren en daarbuiten (o.a. retail). Daarnaast is het Techniekpact een mooi voorbeeld waarbij EZ – samen met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Sociale Zaken en Werkgelegenheid – vakmanschap op jonge leeftijd stimuleert. De overheid werkt hier samen met bedrijven en scholen om te zorgen voor voldoende en goed opgeleid technisch personeel. Mede hierdoor is sinds 2010 het aantal instromers voor ICT-onderwijs in het HBO met 13 procent gestegen en in het WO zelfs met 40 procent. Door deze betere aansluiting van het onderwijs op de tekorten op de arbeidsmarkt wordt werkloosheid voorkomen. Daarbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheden die grensoverschrijdende samenwerking en reshoring Nederland bieden. Tot slot faciliteert EZ doorstartmogelijkheden voor bedrijven in financieel moeilijke tijden, zoals bij NedCar en onlangs Imtech. Belangrijke voorwaarde hierbij is dat marktpartijen genoeg vertrouwen hebben in de toekomst van het bedrijf om er in te investeren. Hierdoor blijkt het mogelijk een groot deel van de werkgelegenheid te behouden.

25

Kunt u aangeven wat u concreet doet om de arbeidsproductiviteit te vergroten?

Antwoord

De arbeidsproductiviteit kan worden verhoogd door investeringen in fysiek en menselijk kapitaal, maar ook door innovaties die leiden tot nieuwe producten (inclusief diensten) en productietechnieken. Verschillende vormen van overheidsbeleid grijpen in op de arbeidsproductiviteit (zie figuur 1).

De overheid geeft niet alleen financiële prikkels om materiële investeringen uit te lokken, maar zorgt er ook voor dat de randvoorwaarden op orde zijn. Het is immers van belang dat het geheel van het complexe innovatiesysteem goed functioneert. Financiering van onderwijs en onderzoek (inclusief HBO en toegepaste kennisinstellingen, Centra voor innovatief Vakmanschap en Centers of Expertise) zorgt voor een kwalitatief hoogwaardig aanbod van menselijk kapitaal en wetenschappelijke kennis en kunde. Met de topsectorenaanpak wordt publiek-private samenwerking bevorderd zodat kennisontwikkeling en -verspreiding tot stand komt op het terrein van de maatschappelijke uitdagingen bieden. Met cofinancieringsinstrumenten zorgen we voor een goede aansluiting op de Europese innovatie-instrumenten (Horizon2020). Met de financieringsinstrumenten van het Toekomstfonds wordt ervoor gezorgd dat er voldoende risicokapitaal beschikbaar komt. We zorgen verder voor een goed startupklimaat en dat ondernemingen kunnen doorgroeien. En we werken voortdurend aan de kwaliteit van wet- en regelgeving, zodat nieuwe ontwikkelingen vrij baan krijgen. Al deze elementen staan met elkaar in verbinding en dragen bij aan de verhoging van de arbeidsproductiviteit.

26

Welke nieuwe afzetmarkten zijn er gevonden na het opleggen van sancties aan Rusland?

Antwoord

Het realiseren van markttoegang voor agrarische producten is een langdurig en intensief proces van uitwisselen van technische informatie en onderhandelingen. Na het verscherpen van importrestricties door de Russische Federatie (RF), waardoor de export vanuit de EU naar de RF van onder andere groente en fruit, zuivel en vlees voor een belangrijk is weggevallen, zijn de inspanningen vergroot om de grenzen van «derde landen» te openen. In dit proces werken georganiseerd bedrijfsleven en overheid nauw samen om Nederlandse exporteurs alternatieve afzetmogelijkheden voor deze producten te bieden.

Inmiddels is de grens geopend voor de Nederlandse peer in China en Brazilië en voor de ui in Indonesië en Panama. Voorts bevinden de markttoegangsdossiers voor Nederlandse appels en/of peren met India, Mexico en Vietnam evenals voor paprika met China in een afrondende fase. Binnenkort starten de onderhandelingen met Zuid-Afrika, Colombia, Thailand en Brazilië over markttoegang voor Nederlands hardfruit.

Voor dierlijke producten wordt gewerkt aan een breed scala van onderwerpen. Onder andere het heropenen van grenzen na de uitbraken van hoog pathogene aviaire influenza (HPAI) in 2014 had hoge prioriteit. Vrijwel alle relevante landen hebben inmiddels hun handelsbeperkingen opgeheven. De VS hebben de markt geopend voor eiproducten uit Nederland, daarnaast wordt met de VS gewerkt aan markttoegang voor schelpdieren, bepaalde zuivelproducten en kalfs- en rundvlees. Voor de toegang van kalfsvlees en vetten op de Chinese markt worden op korte termijn nadere afspraken over de exportvoorwaarden verwacht. Ook onderhandelt Nederland met China onder andere over markttoegang voor varkensmagen, visserijproducten, runder- en varkenssperma.

27

Waarom daalt de werkloosheid in 2016 (-15.000) veel minder snel dan in 2015 (-40.000) terwijl de economische groei in 2016 (2,4%) hoger is dan in 2015 (2,0%)? Er is toch een rechtstreeks verband tussen groei en banen? Klopt het dat een procent economische groei ongeveer gelijk staat aan 50.000 banen?

Antwoord

Voor het eerste deel van de vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 23.

Over het tweede deel van de vraag kan ik opmerken dat het van veel factoren afhankelijk is in hoeverre economische groei tot meer banen leidt. Dit wordt bijvoorbeeld beïnvloed door de vraag of ondernemingen met de bestaande werknemers meer kunnen produceren of niet. Tevens hangt de werkgelegenheidswinst van een extra procentpunt economische groei af van de vraag waar die groei vandaan komt. De groei kan in arbeidsintensieve sectoren versnellen of in kapitaalintensieve sectoren. Er kan daarom niet geconcludeerd worden dat 1% economische groei altijd gelijk staat aan 50.000 banen. Als de gemiddelde baangroei per 1% economische groei over de periode 1995–2014 bekeken wordt, betreft dit aantal wel de juiste orde van grootte. Als korte termijnramingsinstrument, of als vuistregel, heeft een langjarig gemiddelde echter weinig waarde.

28

Zijn er ook cijfers bekend over de arbeidsproductiviteit van na 2008? Zo ja, hoe hoog was deze in de afgelopen jaren (2008–2015)?

Antwoord

Ja. Veel gebruikte bronnen zijn de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Conference Board. Dergelijke internationale bronnen maken vergelijkingen met andere landen mogelijk, zoals in de begroting van Economische Zaken is gedaan. Cijfers kunnen enigszins verschillen tussen verschillende bronnen, bijvoorbeeld omdat verschillende methoden worden gebruikt om de corrigeren voor verschillen in prijspeilen in verschillende landen of omdat bij de inflatiecorrecties een ander basisjaar gebruikt wordt.

OECD.Stat, de database van de OESO biedt realisatiecijfers tot en met 2014 voor de arbeidsproductiviteit in diverse definities. In de begroting van Economische Zaken is gebruik gemaakt van arbeidsproductiviteit in volumes, dat wil zeggen het bruto binnenlands productie waarbij het prijspeil constant is gehouden. Bovendien is gekozen voor de cijfers waarin prijspeilen tussen landen vergelijkbaar zijn gemaakt (koopkrachtpariteit). Er zijn alternatieve manieren om de arbeidsproductiviteit te bekijken. Daarom zijn twee cijfers van de OESO te zien in tabel 1. Tabel 1 laat de OESO-cijfers zien in lopende prijzend (niet gecorrigeerd voor prijspeilverschillen tussen landen en ongecorrigeerd voor inflatie) en in volumes (gecorrigeerd voor inflatie en prijspeilverschillen tussen landen).

Tabel 1: Arbeidsproductiviteit van Nederland volgens OESO

Arbeidsproductiviteit Nederland per gewerkt uur

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

In constante prijzen van 2010 (in $ koopkrachtpariteit)

59,8

58,3

59,6

60,0

59,9

60,1

60,6

In lopende prijzen (€)

50,1

49,1

50,6

51,0

51,7

52,6

53,4

In de begroting van Economische Zaken zijn voor de arbeidsproductiviteit cijfers van de Total Economy Database van de Conference Board gebruikt. Inmiddels zijn deze cijfers herzien. De nieuwe cijfers zijn weergegeven in tabel 2, waarin het cijfer voor 2015 een raming betreft. De cijfers van de Conference Board zijn gecorrigeerd voor inflatie en prijspeilverschillen tussen landen.

Tabel 2: Arbeidsproductiviteit van Nederland volgens Conference Board

Arbeidsproductiviteit Nederland per gewerkt uur

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

In constante prijzen van 2014 (in $ koopkrachtpariteit)1

64,0

62,7

63,9

64,3

63,5

64,0

64,6

65,1

X Noot
1

bruto binnenlands product per gewerkt uur, in prijsniveau 2014 geconverteerd m.b.v. 2011 koopkrachtpariteiten met de EKS-methode

De cijfers in constante prijzen van zowel de Conference Board als de OESO (in mindere mate) laten een daling zien van de arbeidsproductiviteit als gevolg van de crisis. Nu het economisch herstel gaande is en volgens de ramingen voorzet, stijgt de arbeidsproductiviteit weer.

29

Wat zijn concrete doelstellingen van het Frontrunners-initiatief op het gebied van de digitale interne markt? Welke resultaten zijn al geboekt? Welke lidstaten nemen hier naast Nederland aan deel en zijn er lidstaten die voornemens zijn om aan te sluiten bij het initiatief? Zijn er administratieve kosten aan verbonden en zo ja, hoe hoog zijn deze?

Antwoord

Nederland vindt dat lidstaten zelf ook de belangrijke verantwoordelijkheid en de mogelijkheden hebben om het functioneren van de interne markt te verbeteren. Nederland heeft daarom samen met het Verenigd Koninkrijk, Denenmarken, Zweden, Litouwen, Malta, Duitsland, Letland, Noorwegen, Estland en Tsjechië het frontrunnersinitiatief uitgewerkt. Deze landen hebben gezamenlijk barrières op de interne markt geïdentificeerd en daar oplossingen voor gezocht. Tijdens de Raad voor Concurrentievermogen van 2 en 3 maart 2015 hebben Nederland en het Verenigd Koninkrijk samen de resultaten van het initiatief gepresenteerd en andere lidstaten opgeroepen om de aanbevelingen van de frontrunnersprojecten over te nemen. De Europese Commissie heeft de aanbevelingen verwelkomd.

In het kader van het initiatief hebben de deelnemende landen onder meer informatie gedeeld over de nationale vereisten die bestaan om een web shop op te zetten en is er een toolkit ontworpen waarmee landen alternatieven voor huidige wet- en regelgeving op het gebied van gereglementeerde beroepen kunnen overwegen.

Ook is samengewerkt aan Single Market Centres en Points of Single Contact. Ondernemers kunnen zo binnen een nationale administratie op één plek terecht met al hun vragen en problemen ten aanzien van de interne markt. Nederland heeft een Single Market Centre opgezet om ondernemers te helpen en wordt het digitale ondernemersplein ook voor de buitenlandse ondernemer toegankelijk gemaakt. Uw Kamer is hier eerder over geïnformeerd (Kamerstukken 21 501-30, nr. 327, 21 501-30, nr. 328 en 21 501-30, nr. 344). Er zijn geen administratieve kosten aan verbonden.

30

Kunt u aangeven waar u de verwachting op baseert om onder Nederlands voorzitterschap structurele hervormingen door te voeren op het terrein van de digitale markt, terwijl deze de afgelopen jaren op dit gebied juist door een overgrote meerderheid binnen de EU zijn geblokkeerd (netneutraliteit, openstellen van de kabel, etc.)?

Antwoord

Onder Nederlands voorzitterschap zullen er naar verwachting geen structurele hervormingen worden doorgevoerd op het terrein van de digitale interne markt. De onderhandelingen over de meeste wetgevende voorstellen van de Europese Commissie zullen dan net gestart zijn, of nog moeten beginnen.

Onderhandelingen over de digitale interne markt hebben niet altijd geleid tot een resultaat waar Nederland tevreden over is. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de regels voor netneutraliteit, die onlangs in de Verordening interne telecommarkt zijn vastgesteld, ondanks de tegenstem van Nederland. Dit is een gevolg van de noodzaak in de EU een compromis te vinden dat acceptabel is voor een meerderheid van lidstaten en voor het Europees parlement. Evenwel is Nederland optimistisch over de kansen van nieuwe structurele hervormingen ten behoeve van de digitale interne markt in de komende jaren. De Europese Commissie, de lidstaten en het Europees parlement hebben hiertoe herhaaldelijk bereidheid getoond.

31

Wat houdt het frontrunnersinitiatief op het gebied van de digitale interne markt in?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 29.

32

Welke mogelijkheden zijn er om EU-onderzoeksbudgetten te benutten voor proefdiervrije innovatie/onderzoek naar alternatieven voor dierproeven?

Antwoord

In het Europees Kaderprogramma voor Onderzoek en Innovatie (Horizon 2020) zit totaal aan budget € 80 mld. voor de periode 2014–2020. Iedere kennisinstelling kan hiervoor projectvoorstellen aandragen in lopende calls op gebied van proefdiervrije innovaties en alternatieven voor dierproeven. Horizon2020 werkt met tweejaarlijkse werkprogramma’s waarin wordt vastgesteld hoeveel budget aan welk onderwerp besteed wordt. Nederland zet in om de werkprogramma’s zoveel mogelijk aan te laten sluiten bij Nederlandse kennisagenda’s. In het werkprogramma 2014–2015 is € 38 mln. toegekend voor 2 onderwerpen welke zich specifiek richten op het ontwikkelen van alternatieven voor dierproeven. Mogelijk wordt in toekomstige werkprogramma’s wederom dierproeven als onderwerp genoemd.

Een voorbeeld van hoe Nederlandse kennisinstellingen hiervan gebruik maken is het EUROMIX project met een omvang van € 8 mln. wat gecoördineerd wordt door het RIVM en waarin DLO één van de partners is. EUROMIX ontwikkelt alternatieve strategieën voor toxicologische testen van chemicaliën.

33

Is het uw ambitie om terug in de top 5 van de Global Competitiveness Index te komen?

Antwoord

Ja. In het Regeerakkoord is de ambitie opgenomen om de positie van Nederland in de top 5 van de meest concurrerende economieën te verankeren en versterken. Uit de op 30 september 2015 gepubliceerde ranglijst van het Global Competitiveness Report, die is opgesteld door het World Economic Forum, blijkt dat Nederland in 2015 van de achtste naar de vijfde plaats op de ranglijst van meest concurrerende economieën ter wereld is gestegen.

34

Welke nieuwe voorstellen voor wet- en regelgeving heeft u klaarliggen op het gebied van telecom, media en internet om de eerste helft van 2016 tijdens de Europese Telecomraad te presenteren? Wat verwacht u te kunnen bereiken in het half jaar dat Nederland voorzitter is, in ogenschouw nemende dat het Brusselse wetgevingsproces een proces van lange adem is?

Antwoord

Nederland zal tijdens het voorzitterschap geen voorstellen voor nieuwe Europese wet- en regelgeving presenteren. Dat initiatiefrecht ligt exclusief bij de Europese Commissie. Tijdens het voorzitterschap verwacht Nederland onder andere voorstellen voor de herziening van het regelgevend kader voor elektronische communicatie, voor een strategie voor het toekomstig gebruik van de zogenaamde UHF spectrumband (470–790 MHz) en voor de hervorming van de wholesale roaming markt. De datum waarop de Europese Commissie nieuwe voorstellen zal agenderen, staat nog niet vast. Afhankelijk van de datum van presentatie zal Nederland de beleidsdiscussie over deze onderwerpen kunnen starten. Concrete resultaten zullen niet kunnen worden geboekt vanwege de lange doorlooptijd van onderhandelingen. Wel biedt het voorzitterschap de mogelijkheid om ervoor te zorgen dat onderwerpen worden geagendeerd en besproken die voor Nederland belangrijk zijn. Een voorbeeld is de herziening van de regels voor ex-ante marktregulering, welke onderdeel zijn van het regelgevend kader voor elektronische communicatie. Die regels zullen geschikt moeten worden gemaakt voor gebieden zoals Nederland waar sprake is van twee netwerkpartijen met een gelijkwaardige positie. Nederland zal pleiten voor een robuuster en eenvoudiger kader dat een oplossing biedt voor markten met een beperkt aantal spelers.

35

Gaat u tijdens het Nederlandse voorzitterschap in de Telecomraad inzetten op netneutraliteit en concurrentie op de kabel?

Antwoord

De Europese regels voor netneutraliteit zijn al vastgelegd in de Verordening interne telecommarkt, waarmee de Raad op 1 oktober jl. formeel heeft ingestemd. Tijdens het voorzitterschap wordt Nederland geacht een bemiddelende rol te vervullen. Deze rol beperkt de ruimte om ons in te zetten voor nationale prioriteiten. Wel kan Nederland accenten leggen door onderwerpen te agenderen die voor Nederland belangrijk zijn. Een voorbeeld is de herziening van de regels voor ex-ante marktregulering, welke onderdeel zijn van het regelgevend kader voor elektronische communicatie. Die regels zullen geschikt moeten worden gemaakt voor gebieden zoals Nederland waar sprake is van twee netwerkpartijen met een gelijkwaardige positie. Nederland zal pleiten voor een robuuster en eenvoudiger kader dat een oplossing biedt voor markten met een beperkt aantal spelers.

36

Kunt u aangeven in hoeverre het blokkeren vanuit de EU van digitale ontwikkelingen bijvoorbeeld op het terrein van netneutraliteit en vergroten van de concurrentie door openstelling van de kabel de eervolle 2e plaats op de ICT ranking bedreigd?

Antwoord

De positie op het onderdeel ICT van de Global Innovation Index 2014 wordt bepaald door de score op toegang tot (mobiele) telefonie en internet, gebruik van ICT, online overheidsdienstverlening en zogenaamde e-participatie. De Nederlandse score op deze onderdelen wordt niet bedreigd door de geldende Europese regels voor markttoegang of de onlangs overeengekomen Europese regels voor netneutraliteit.

37

In hoeverre zijn de zogenaamde field labs van de smart industry-agenda te vergelijken met het organisatiemodel van Wetsus?

Antwoord

Zowel in field labs als bij Wetsus werken publieke en private partijen samen aan innovatie. Ook scholen worden hierbij betrokken voor het geven van opleidingen en het breder verspreiden van kennis.

Het verschil is dat Wetsus een meer institutioneel karakter heeft, terwijl de Fieldlabs grotendeels programmatisch werken. Gemiddeld genomen voeren de Fieldlabs meer toepassingsgericht onderzoek uit. Wetsus voert daarnaast ook wetenschappelijk onderzoek uit.

38

Hoeveel startup-visa zijn er tot nu toe in totaal verstrekt?

Antwoord

Het visum is per 1 januari 2015 beschikbaar. In de periode 1 januari tot en met 23 september zijn er 2015 in totaal 19 startup visa verstrekt.

39

Kunt u aangeven in welke vorm u het NBTC (Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen) steunt bij de implementatie van de Holland Branding & Marketing Visie in de periode 2016–2019?

Antwoord

Voor het NBTC is in de periode 2016–2019 jaarlijks € 8,45 mln. beschikbaar.

40

Kunt u aangeven wat er exact wordt bedoeld met «Supporting the known, introducing the new»?

Antwoord

Met «Supporting the known, introducing the new» wordt de strategie bedoeld om het aantal internationale bezoekers de komende 5 jaar te laten stijgen van 14 mln. naar 16 mln. bezoekers per jaar. Daarvoor blijft het NBTC zich inzetten op de bekende iconen van Nederland om het huidige niveau te handhaven, maar zet het NBTC zich ook in op nieuwe, onbekendere bestemmingen om de groei te laten plaatsvinden. Zo bezoeken toeristen ook andere delen van het land en draagt het toerisme ook in andere delen van Nederland bij aan economische groei, het voorzieningenniveau en de kansen voor ondernemers.

41, 57, 189, 219

Welke innovatieve verdienmodellen wilt u stimuleren als het gaat om (de ontwikkeling van) big data, en welke nadrukkelijk niet? Hoe vertaalt zich dat in beleid?

Hoe bent u voornemens om het gebruik van big data door bedrijven te faciliteren? Doelt u hiermee op onder de aandacht brengen van de beschikbare data of wilt u verschillende instrumenten aan het bedrijfsleven aanreiken?

Wat houdt het topsectorenplan big data in?

Wie is het boegbeeld ICT die samen met de wetenschap en industrie aan de slag gaat om de economie te helpen met de inbedding van de digitalisering van economische productieprocessen?

Antwoorden 41, 57, 189 en 219

vanwege het belang van ICT-innovatie voor de economie en de maatschappij heb ik in 2014 de heer Penning de Vries aangesteld als boegbeeld ICT. Het boegbeeld ICT is voorzitter van Team ICT met daarin deskundigen op dit terrein. Team ICT heeft drie prioriteiten:

  • 1) ontwikkelen van kennis en innovatie op het gebied van ICT;

  • 2) de ontwikkeling van een Human Capital Agenda;

  • 3) branding van Nederland als een van 's werelds beste landen wat betreft ICT en ICT-toepassingen.

Op initiatief van het boegbeeld ICT is onder andere een Kennis en Innovatie Agenda ICT 2016–2019 (KIA ICT) uitgebracht. Big data speelt een belangrijke rol in de Kennis en Innovatie Agenda ICT (KIA ICT) 2016–2019 van het Team ICT en in de Human Capital Agenda ICT. De KIA ICT is onderdeel van de innovatiecontracten 2016 en 2017, die op 5 oktober zijn gepresenteerd.

Big data is een middel om nieuwe inzichten, innovaties en business modellen te ontwikkelen. Team ICT beoogt nieuwe publiek-private samenwerkingsverbanden te ontwikkelen op het gebied van big data. Het gaat daarin enerzijds om samenwerking op voor big data kansrijke thema’s: energie, zorg, veiligheid en smart industry, d.w.z. innovatie van productie- en onderhoudsprocessen. Die kennis c.q. analyses van big data, kunnen bedrijven toepassen voor het innoveren van producten, diensten en werkprocessen. Anderzijds dienen deze nieuwe samenwerkingsinitiatieven om de keten van fundamentele kennis, toegepaste kennis tot valorisatie en disseminatie te versterken. Dit is ook van belang omdat de kennisbasis verdiept en verbreed wordt, het nodige talent wordt ontwikkeld (dit past dan ook in de Human Capital Agenda ICT) en omdat de bedrijven en kennisinstellingen kunnen profiteren van opgedane kennis en toepassingen. Team ICT werkt aan de vorming van deze publiek-private samenwerking in nauwe afstemming met de Topsectoren, bedrijfsleven en kennisinstellingen

Het ontwikkelen van nieuwe business modellen is aan ondernemers zelf; big data biedt daarvoor nieuwe inzichten en mogelijkheden. Ter inspiratie geef ik u mee dat studenten al parallel aan hun studie werken in hun eigen bedrijfjes of startups, op zoek naar het gat in de markt en big data analyse toepassen op bijvoorbeeld verkeersproblematiek, het in kaart brengen van mensenstromen waardoor evenementen veiliger zijn en nog veel andere toepassingen.

Welke gevolgen dit heeft voor beleid, is op dit moment niet te zeggen. In ieder geval bezie ik deze ontwikkelingen óók in het kader van het initiatief Toekomstbestendige regelgeving.

Voor de realisatie van de KIA ICT en big data zijn topsector gerelateerde (financierings-) instrumenten beschikbaar, zoals TKI-toeslag. Verder kan gebruik gemaakt worden van instrumenten van NWO, TNO en SURF en het generieke innovatie-instrumentarium van EZ. Specifiek voor het mkb wordt informatie beschikbaar gesteld over de betekenis en toegevoegde waarde van big data, wat nodig is om de kansen te benutten en wat daarbij komt kijken.

42

Wat is de reden om de taakstelling «boetes marktwerking Nederlandse mededingingsautoriteit» (NMa, tegenwoordig de Autoriteit Consument en Markt (ACM)) terug te draaien?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 55.

43

Uit welke budget komt de 100 miljoen euro in 2016 en 115 miljoen vanaf 2017? Waar was dit geld in eerste instantie voor bedoelt?

Antwoord

Het terugdraaien van de taakstelling op innovatie wordt gefinancierd uit de «envelop lastenverlichting bedrijfsleven» die vorig jaar door het kabinet is gecreëerd met de miljoenennota 2015. Deze envelop is nu ingevuld met maatregelen.

44

Betekent de € 100 mln. in 2016 dat de geschatte extra boete-inkomsten in 2016 worden geraamd op € 25 mln.? Zo ja, waar is deze schatting op gebaseerd? Zo niet, wat zijn de geschatte extra boete-inkomsten in 2016 en 2017?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 55.

45

Wat is de achterliggende reden van de nieuwe evaluatie van de universele postdienst?

Antwoord

Ervaringen in het verleden laten zien dat ontwikkelingen op de postmarkt niet alleen snel kunnen verlopen, maar ook onvoorspelbaar kunnen zijn. Met de wetswijziging tot modernisering en flexibilisering van de Universele Postdienst (UPD), die naar verwachting per 1 januari 2016 in werking treedt, wordt daarom wettelijk verankerd dat de UPD periodiek wordt geëvalueerd. De laatste evaluatie van de UPD vond plaats in 2011 (Kamerstuk 29 502, nr. 77). In 2016 wordt gestart met een nieuwe evaluatie van de UPD om een goed inzicht te verkrijgen in de relevante marktontwikkelingen en de ontwikkelingen in de behoeften en het gedrag van gebruikers van de UPD. Er zal onder andere aandacht worden besteedt aan de verwachtingen ten aanzien van toekomstige postvolumes, de vormgeving van de UPD, de aanwijzing van de UPD-verlener en in hoeverre postdiensten bij pakketpunten kunnen worden ondergebracht.

46

Hoe gaat het keurmerk veilig internet voor het mkb eruit zien? Wat zijn de gevolgen van het keurmerk voor het mkb?

Antwoord

De inzet is om de cybersecurity van het mkb te versterken. In een eerste verkenning met de markt is gekeken naar bestaande keurmerken, hun werkwijze en het draagvlak voor een nieuw keurmerk ten behoeve van het mkb. Daarbij kwam naar voren dat de doelstelling van een keurmerk veilig internet voor het mkb niet eenduidig is en meerdere aspecten beslaat, variërend van de veiligheid van e-mail tot cloud en dataverwerking, tot patch management en tot de hackbaarheid van websites. Dit, in combinatie met de diversiteit aan bedrijven waar het mkb uit bestaat (van zzp’er tot een bedrijf met 250 werknemers), maakt dat geconcludeerd is dat een keurmerk niet het juiste middel lijkt. Het traject zal worden voortgezet onder de noemer Cybersecure mkb. Van belang hierbij is het zo veel als mogelijk ontzorgen van het (kleine) mkb. De mkb’er moet geholpen worden de juiste stappen te zetten, dan wel de juiste maatregelen te nemen. Hiertoe wordt verkend in hoeverre laagdrempelige certificeringsystemen voor (kleine) ICT-dienstverleners een rol kunnen spelen. Hierbij zal ook naar best practices in andere landen worden gekeken.

47

Op wat voor manier zullen «regels omtrent intellectueel eigendom worden gemoderniseerd»?

Antwoord

De modernisering van de intellectueel eigendom regelgeving vindt met name plaats via verdergaande harmonisering op Europees niveau. Zo wordt er hard gewerkt aan de totstandkoming van het unitair octrooi en het bijbehorende Eengemaakt octrooigerecht, waardoor het voor bedrijven goedkoper en gemakkelijker wordt hun innovatie te beschermen in Europa. Ook is er aanzienlijke vooruitgang geboekt bij de totstandkoming van een geharmoniseerde EU-regeling voor de wettelijke bescherming van bedrijfsgeheimen. Daarnaast worden stappen gezet voor een meer gestandaardiseerd merkensysteem in de EU en de Benelux.

Op nationaal niveau wordt ter oriëntatie gesproken met relevante betrokkenen over de invloed van technologische ontwikkelingen als 3d-printen op de toekomstbestendigheid van het huidige IE-systeem. Of deze ontwikkelingen belemmeringen opleveren voor het gebruik van het IE-systeem of dat de huidige IE-regelgeving belemmerend werkt voor de verdere groei van dergelijke technologieën, staat momenteel nog niet vast.

48

Kunt u 10 datasets noemen die nu nog gesloten zijn die u in 2016 openbaar wilt maken?

Antwoord

In 2015 heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een rijksbrede data-inventarisatie georganiseerd (Tweede kKamer, vergaderjaar 2014–2015, 32 802, nr. 16). Deze eerste inventarisatie heeft 550 datasets opgeleverd die direct beschikbaar zijn voor hergebruik door publiek. Daarnaast zijn er nog bijna 300 gepland of in onderzoek. Ook het Ministerie van EZ heeft daaraan een bijdrage geleverd. Voor de stand van zaken op het terrein van EZ verwijs ik u graag naar de website https://data.overheid.nl/data-inventarisatie-2015. Het vraagt per geval om een zorgvuldige afweging tussen belang van openbaarmaking en belang van bijvoorbeeld privacy of veiligheid.

49

Wanneer wordt het Kamer van Koophandel-handelsregister openbaar gemaakt?

Antwoord

De basisregistratie handelsregister is naar zijn aard openbaar en toegankelijk. Niet alle gegevens uit het handelsregister kunnen kosteloos geraadpleegd worden.

Openbaarheid: Op de Kamer van Koophandel rust de verplichting om handelsregistergegevens te verstrekken (artikel 22 Handelsregisterwet 2007). Voor beperkingen op het openbare karakter moet een gegronde reden zijn. Het kan bijvoorbeeld privacybelangen betreffen.

In rekening brengen van kosten: Op grond van het Financieel besluit handelsregister 2014 zijn in de Financiële regeling handelsregister 2014 de bedragen vastgesteld die zijn verschuldigd voor het inzien of verstrekken van een afschrift of een uittreksel van hetgeen in het handelsregister is ingeschreven of is gedeponeerd.

Het in rekening brengen van kosten blijft ook van toepassing sinds de inwerkingtreding op 18 juli 2015 van de Wet hergebruik van overheidsinformatie, waarmee de Europese richtlijn is geïmplementeerd. Op basis daarvan kan de Kamer van Koophandel en ook het Kadaster en de Rijksdienst voor het wegverkeer ter bestrijding van de kosten van de uitvoering van de publieke taak, voor het hergebruik van informatie ten hoogste de gemaakte kosten voor verzameling, productie, vermenigvuldiging en verspreiding, in rekening brengen, vermeerderd met een redelijk rendement op investeringen.

De Digicommissaris zal vanuit zijn rol als overheidsbrede regisseur van de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI) onder andere de discussie agenderen rondom (de financiering van) de basisregistraties, open data en de toegankelijkheid van gegevens (waarborgen privacy).

50

Hoe gaat het keurmerk voor veilig internet voor het mkb eruit zien? welke criteria zal het keurmerk toetsen?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 46.

51

Wat is de reden dat het plafond in de Wet Bevordering Speur- & Ontwikkelingswerk (WBSO) komt te vervallen?

Antwoord

Het maatschappelijk rendement van extra S&O-uitgaven ligt substantieel hoger dan het private rendement. Om deze reden stimuleert het kabinet bedrijven om te investeren in S&O. Doel van het kabinet is dat in Nederland in 2020 2,5% van het BBP wordt uitgegeven aan S&O (door publieke en private partijen gezamenlijk). De S&O-afdrachtvermindering en RDA dragen bij aan deze doelstelling door de S&O-uitgaven van private partijen te stimuleren. Het zijn generieke regelingen. Dat betekent dat ze niet aan sectoren of thema’s gebonden zijn en openstaan voor alle bedrijven die willen innoveren, ongeacht de omvang van de S&O van het bedrijf.

Net als bij de RDA het geval is, heeft de samengevoegde regeling geen plafond. Het kabinet is van mening dat dit de effectiviteit van de regeling verbetert. De S&O-afdrachtvermindering kende wel een plafond, waar overigens maar een klein aantal bedrijven bij in de buurt of boven kwam.

Wanneer bedrijven boven het plafond uitkwamen was er vanaf dat moment geen prikkel meer om het S&O-niveau verder te verhogen en werd de effectiviteit van de regeling beperkt in relatie tot de S&O-doelstelling.

Bij de samenvoeging van de RDA met de S&O-afdrachtvermindering is het kabinet uitgegaan van een gelijke ondersteuning van S&O-loonkosten en niet-loonkosten (overige S&O-kosten en -uitgaven) en een in grote lijnen gelijke verdeling van het budget over de grootteklassen (mkb en grootbedrijf) in vergelijking tot de huidige situatie. Deze grosso modo gelijke verdeling wordt gerealiseerd door een lager netto voordeel voor niet-loonkosten in combinatie met het niet opnemen van een plafond. Het lagere netto-effect op niet-loonkosten treedt op omdat het netto voordeel van 15% in de RDA (zonder plafond) wordt omgezet in een bruto tarief van 16%. Rekening houdende met de Vpb-afdracht leidt de nieuwe situatie tot een netto voordeel van circa 12%, lager dan de huidige 15% in de RDA. De gelijke ondersteuning van S&O-loonkosten en niet-loonkosten in de nieuwe situatie in combinatie met een lager netto voordeel voor de niet-loonkosten kan naar verwachting leiden tot een iets lager voordeel voor bedrijven die nu sterk gebruikmaken van de RDA ten opzichte van de S&O-afdrachtvermindering, maar tezamen met het vervallen van het plafond leiden tot een evenwichtiger stimulering van de private S&O-uitgaven in Nederland.

52

Bent u zich bewust van het feit dat in de evaluatie van de WBSO staat dat de dead weight loss ratio bij kleine bedrijven veel kleiner is dan bij grote bedrijven en dat het loslaten van het plafond daarmee zal leiden tot minder innovatie?

Antwoord

De dead weight loss is een maatstaf die bij de evaluatie WBSO1 weergeeft welk deel van de door S&O-afdrachtvermindering ondersteunde S&O-loonuitgaven ook zonder de S&O-afdrachtvermindering zou zijn verricht, uitgedrukt als percentage van de werkelijke door de S&O-afdrachtvermindering ondersteunde S&O-loonuitgaven. Uit de econometrische analyses komt naar voren dat deze voor de periode 2006–2010 gemiddeld 55% bedraagt, met als meest waarschijnlijke omvang voor de kleinste bedrijven 31% en voor hele grote bedrijven 65%. Het gemiddelde percentage van 55% is volgens de onderzoekers niet ongebruikelijk voor een dergelijke regeling. Naar verwachting verlaagt het vervallen van het plafond de dead weight loss bij het grootbedrijf.

Bij de kwantitatieve effectmeting stellen de onderzoekers het extra S&O-loon per euro S&O-afdrachtvermindering centraal: de zogenaamde gemiddelde Bang for the buck (BFTB). Dit gemiddelde effect van de S&O-afdrachtvermindering op de S&O-loonuitgaven bevindt zich volgens de onderzoekers tussen de € 1,55 en € 1,99. Dat betekent dat bedrijven naast iedere ontvangen euro S&O-afdrachtvermindering tussen de € 0,55 en € 0,99 extra aan S&O spenderen. De onderzoekers concluderen op basis hiervan dat regeling doet wat hij beoogt: de private S&O-uitgaven bevorderen. De BFTB is daarbij hoger voor grote bedrijven.

De onderzoekers concluderen daarom enerzijds dat de S&O-afdrachtvermindering grotere bedrijven aanzet tot meer S&O (een hogere BFTB) en anderzijds dat de S&O-afdrachtvermindering bij kleinere bedrijven er juist voor zorgt dat de drempel wordt verlaagd om aan S&O te doen (een lagere dead weight loss). Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 167.

53

Hoe rijmt u het laten vervallen van het plafond in de WBSO met de mededeling dat de verhoging van de WBSO budget is gedaan «met een focus op innovatief mkb dat wil doorgroeien»?

Antwoord

Voor de zomer heb ik uw Kamer geïnformeerd over de indicatieve parameters van de WBSO in 2016, namelijk een eerste schijf met voordeelpercentage van 30% over de R&D-kosten tot € 300.000,– (40% voor starters) en een percentage van 15% over de R&D-kosten boven de € 300.000,–2.

Het kabinet heeft in het Belastingplan 2016 3 extra middelen beschikbaar gesteld voor de WBSO en de indicatieve parameters aangepast. Het voordeelpercentage van de eerste schijf is verhoogd naar 32% en het percentage van de tweede schijf naar 16%. Het percentage van de eerste schijf is dus met 2%punt verhoogd ten opzichte van de indicatie uit de brief, wat gunstig is voor het innovatieve mkb. Bovendien is de lengte van de eerste schijft aangepast van € 300.000,– naar € 350.000,–. Dit is met name van belang om het mkb meer mogelijkheden te bieden om door te groeien.

54

Op welke wijze is het verschil in de verwachting van de hoogte van de boete-inkomsten ontstaan, waardoor het gevolg is dat € 100 mln. in 2016 en € 115 mln. vanaf 2017 moet worden toegevoegd om de gevolgen van de taakstelling «boetes marktwerking NMA» uit het regeerakkoord terug te draaien?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 55.

55

Wat is wel gerealiseerd van de taakstelling uit het regeerakkoord «Boetes marktwerking NMa»? Waar gaan de opbrengsten van de uitgedeelde boetes naar toe? Gaan de € 100 mln. en € 115 mln. feitelijk ten koste van Nederlands Innovatiegeld?

Antwoord

Maatregel 84 van het Regeerakkoord bepaalt dat de boete-inkomsten deze kabinetsperiode stapsgewijs worden verhoogd bovenop de al bestaande boeteraming (van € 75 mln. in 2014, naar € 125 mln. vanaf 2017), dat dit taakstellend wordt ingeboekt op de EZ-begroting en dat bij eventuele besparingsverliezen extra opbrengsten uit «subsidies bedrijven» binnen het EZ-domein (fiscaal en niet-fiscaal) kunnen worden gebruikt.

Op 27 augustus 2013 heb ik uw Kamer per brief (Kamerstuk 33 622, nr. 9) geïnformeerd over mijn voornemen tot vergroting van de afschrikwekkende werking van de boetes die de ACM kan opleggen. Dit voornemen vloeit mede voort uit de resultaten van een onderzoek naar de boete-inkomsten van de ACM, dat onderzoeksbureau Strategies in Regulated Markets en kantoor advocatenkantoor Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn in mijn opdracht hebben uitgevoerd en op 3 juli 2013 hebben opgeleverd. Naar aanleiding van deze onderzoeken zijn in het wetsvoorstel verhoging boetemaxima ACM, dat op 13 april jl. bij de Kamer is ingediend, de volgende vier maatregelen opgenomen:

  • het absolute boetemaximum gaat omhoog van € 450.000,– naar € 900.000,–;

  • het relatieve boetemaximum voor kartelovertredingen wordt verhoogd tot 10% van de jaaromzet per jaar dat het kartel kan worden vastgesteld, met een maximum van 4 jaar;

  • voor iedere boetecategorie komt er een relatief én een absoluut boetemaximum;

  • het boetemaximum bij recidive wordt verdubbeld.

Ik verwacht dat deze maatregelen op termijn leiden tot een verhoging van de boete ontvangsten met maximaal € 10 mln. per jaar. Dit betekent dat de boete inkomsten naar verwachting gemiddeld € 30 mln. per jaar zullen bedragen, conform de nu in de EZ-begroting opgenomen raming.

Uit bovengenoemd onderzoek is derhalve geconcludeerd dat de in het Regeerakkoord afgesproken verhoogde boeteraming, ook nadat de maatregelen zijn doorgevoerd, onrealistisch hoog is. Daarom wordt op basis van het onderzoek het besparingsverlies geraamd op € 75 mln. in 2014, oplopend tot € 115 mln. in 2017 en verder in het belastingplan 2014 (Kamerstuk 33 752, nr. 3) vooralsnog in mindering gebracht op de fiscale innovatie regelingen, waaronder de WBSO. In het Belastingplan 2016 is deze korting (€ 100 mln. 2016 en € 115 mln. in 2017 en verder) teruggedraaid. Het terugdraaien van deze korting wordt gefinancierd uit de «envelop lastenverlichting bedrijfsleven», die vorig jaar bij Miljoenennota 2015 door het kabinet is gecreëerd.

56

Welk type bedrijven ondervinden nadeel van de samenvoeging van de Aftrek speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) en Research & Development Aftrek (RDA) en hoe worden deze gecompenseerd?

Antwoord

Laat ik vooropstellen dat de samenvoeging bedoeld is om een aantal nadelen van de huidige regeling te ondervangen. Het belangrijkste is dat de verzilvering sterk verbetert: waar er op dit moment van de opgevoerde RDA (inclusief gebruik van verliesverrekening) naar schatting uiteindelijk 85% kan worden verzilverd, wordt in de nieuwe regeling naar schatting 94% van het voordeel op niet-loonkosten (overige S&O-kosten en -uitgaven) verrekenbaar. Verder blijft met de gekozen parameters de verdeling van het budget over verschillende grootteklassen (en ook de verdeling tussen mkb/grootbedrijf) in grote lijnen gelijk met de situatie voor samenvoeging.

Niettemin zijn er natuurlijk ook bedrijven die mogelijk nadeel ondervinden. Er zijn drie categorieën bedrijven die nadeel kunnen ondervinden van de samenvoeging.

  • 1) IB-ondernemers zonder personeel. De aftrek speur ontwikkelingswerk in de inkomstenbelasting wordt niet aangepast n.a.v. de samenvoeging van de RDA met de S&O-afdrachtvermindering. De mogelijkheid voor IB-ondernemers om, naast de aftrek speur en ontwikkelingswerk, ook RDA toe te passen verdwijnt. Voor IB-ondernemers met personeel wordt het voordeel op niet-loonkosten (nu RDA) voortaan verrekend via de S&O-afdrachtvermindering.

  • 2) Grote R&D-bedrijven die nu relatief zeer veel gebruik maken van de RDA t.o.v. de S&O-afdrachtvermindering. Dit omdat de RDA nu, afhankelijk van de winstpositie, een hoger effectief voordeelpercentage op niet-loonkosten voor S&O biedt dan de WBSO op de S&O-loonkosten. Het lagere netto-effect op niet-loonkosten treedt op omdat het netto voordeel van 15% in de RDA wordt omgezet in een bruto tarief van 16% in de tweede schijf van de S&O-afdrachtvermindering. Rekening houdende met de Vpb-afdracht leidt de nieuwe situatie tot een netto-voordeel van circa 12%. Dat dit effect niet bij alle grote bedrijven optreedt, is omdat het voordeel op de S&O-loonkosten voor grote R&D-bedrijven wordt verhoogd door aanpassing van de tweede schijf van de S&O-afdrachtvermindering naar 16% (nu 14%). Na de samenvoeging worden R&D-kapitaal en R&D-arbeid met dezelfde voordeelpercentages ondersteund. Dit beoog ik ook met mijn beleid. Daarbij blijft met de gekozen parameters de verdeling van het budget over verschillende grootteklassen (en ook de verdeling tussen mkb/grootbedrijf) in grote lijnen gelijk met de situatie voor samenvoeging.

  • 3) Bedrijven die hoge niet-loonkosten voor S&O (nu RDA) hebben ten opzichte van de eigen loonkosten. 4 Deze kunnen mogelijk een nadeel ondervinden omdat ze relatief weinig loonheffing betalen en daardoor een verzilveringsprobleem hebben. Door de kosten en uitgaven die nu onder de RDA vallen via de loonheffing te verrekenen wordt de verzilvering van de regeling wel sterk verbeterd. Op dit moment kan van de opgevoerde RDA (inclusief gebruik van verliesverrekening) naar schatting uiteindelijk 85% worden verzilverd. In een nieuwe regeling is naar schatting 94% van het voordeel op niet-loonkosten (nu RDA) verrekenbaar.

58

Wat is de status van de modernisering van regels omtrent intellectueel eigendom? Waar ligt hierbij de nadruk? Gaat het met name om gebruik van digitale bronnen? En in hoeverre kan Nederland hier solitair handelen? Werpt Europese regelgeving onmogelijkheden op? Bent u voornemens modernisering van intellectueel eigendom ook prioriteit te maken tijdens het Nederlands voorzitterschap? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?

Antwoord

Op verschillende terreinen wordt ingezet op de modernisering van regelgeving omtrent intellectueel eigendom. De nadruk ligt daarbij op verdergaande harmonisering op Europees niveau. Zo zijn in 2015 grote stappen gezet in de oprichting van het unitair octrooi en het bijbehorende Eengemaakt octrooigerecht. Ook is er aanzienlijke vooruitgang geboekt bij de totstandkoming van een geharmoniseerde EU-regeling voor de wettelijke bescherming van bedrijfsgeheimen. Daarnaast is in het voorjaar van 2015 in de EU een voorlopig akkoord bereikt om de nationale en Europese merkenregelgeving meer samenhangend te maken.

Ter oriëntatie wordt gesproken met relevante betrokkenen over de invloed van technologische ontwikkelingen als 3d-printen op de toekomstbestendigheid van het huidige IE-systeem. Of deze ontwikkelingen belemmeringen opleveren voor het gebruik van het IE-systeem of dat de huidige IE-regelgeving belemmerend werkt voor de verdere groei van dergelijke technologieën, staat momenteel nog niet vast.

In het kader van het Nederlands voorzitterschap zal er ook aandacht zijn voor modernisering van het auteursrecht. Omdat nieuwe technologische ontwikkelingen niet bij de grens ophouden, is de Nederlandse inzet in Brussel altijd geweest om het auteursrecht aan te passen aan de ontwikkelingen in het digitale tijdperk. Daarom is Nederland ook verheugd dat de Commissie recent in haar Digital Single Market (DSM)-strategie heeft aangekondigd eind 2015 met moderniseringsvoorstellen te komen voor het auteursrecht.

59

Welke stappen zal u het komende jaar zetten op het gebied van privacybescherming?

Antwoord

Ik heb het afgelopen jaar een onderzoek laten verrichten om de privacybeleving van burgers op het internet in kaart te brengen. Het onderzoek bevestigde het belang van de drie uitgangspunten uit de visie op ePrivacy (transparantie, controle door gebruiker en verantwoordelijkheid bedrijven). Daarnaast bleek dat transparantie cruciaal is omdat de bereidheid om informatie te geven sterk afhangt van duidelijkheid over het doel waarvoor deze informatie door de burger wordt afgegeven. Daarom ga ik burgers en mkb’ers met voorlichting en campagnes voorlichten over de onlangs gelanceerde privacy voorwaardengenerator. Hiermee kunnen bedrijven op laagdrempelige wijze een goede privacyverklaring genereren en worden zij in een aantal stappen geïnformeerd over de wettelijke eisen waaraan ze moeten voldoen. Dat geldt eveneens voor het cookieprotocol dat de vrij abstracte wettelijke regels beoogt te concretiseren en duidelijk maakt hoe aan wettelijke verplichtingen kan worden voldaan. In 2015 is er een expertgroep big data gestart. De uitkomsten van deze expertgroep zullen aan bedrijven een handreiking geven hoe effectief met privacyregels om te gaan en hoe technologie in te zetten ten behoeve van privacybescherming. Ik verwacht dat bedrijven een zorgvuldige omgang met data steeds meer als concurrentiemiddel kunnen inzetten naarmate het bewustzijn van de burger toeneemt.

60

Wat zijn de eenmalige en structurele kosten voor het keurmerk voor veilig internet voor het mkb? Wie ontwikkelt dit keurmerk? Wie houdt toezicht op juist toepassing van dit keurmerk? Is het keurmerk een privaat of publiek initiatief? En is het een nationaal of Europees initiatief?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 46.

61

Ziet u de versterking van de cybersecurity als een private of publieke taak, of is het een samenwerking tussen privaat en publiek? Ligt volgens u de verantwoordelijkheid van veilig internetgebruik bij de gebruiker, de aanbieder van de website of bij de netwerkaanbieder? In hoeverre gaat u zich op nationaal beleid richten om de cybersecurity te verbeteren en in hoeverre vergt dit een internationale aanpak?

Antwoord

Het digitale domein is verweven in alle facetten van onze samenleving. In de tweede Nationale Cyber Security Strategie (NCSS2; Kamerstuk 2013–2014, 26 643, nr. 291) geeft het kabinet aan dat cybersecurity een integrale aanpak vereist en in samenhang moet worden gezien met vrijheid en de economische kansen die het digitale domein biedt. Dit maakt dat de versterking van de cybersecurity een gezamenlijk belang is waarin overheid, bedrijfsleven en burgers, ieder vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid, moeten samenwerken. Een voorbeeld is de website veiliginternetten.nl, een initiatief van overheid en bedrijfsleven waarmee burgers en mkb’ers in staat worden gesteld veilig gebruik te maken van internet. Abuse Hub, een initiatief opgezet door Internet Service Providers en de overheid, zorgt ervoor dat PC’s van abonnees die onderdeel vormen van botnets (netwerken van geïnfecteerde PC’s) sneller ontdekt en ontsmet worden. Ook internationale samenwerking is essentieel, omdat het internet per definitie grensoverschrijdend is.

Het belang van internationale samenwerking kwam ook nadrukkelijk naar voren in april dit jaar tijdens de Global Conference on Cyberspace (GCCS) waarvan Nederland de gastheer was. Cybersecurity wordt daarom door de Nederlandse overheid actief geagendeerd tijdens het EU-voorzitterschap.

62

Verwacht u dat de overheid een blijvende taak heeft in het borgen van de Universele Postdienst?

Antwoord

Met de Universele Postdienst (UPD) wordt beoogd een kwalitatief goede, betaalbare en toegankelijke basispostvoorziening te waarborgen voor burgers en klein zakelijke gebruikers. De eisen die worden gesteld aan de UPD vloeien onder andere voort uit de (Europese) Postrichtlijn en zijn vastgelegd in nationale wet- en regelgeving. Binnen de kaders van de Postrichtlijn worden de eisen aan de UPD in sterke mate beïnvloed door de behoeften en het gedrag van gebruikers van de UPD. Afhankelijk van de ontwikkelingen in de behoeften en het gedrag van gebruikers van de UPD zal de overheid ook in de toekomst een rol blijven spelen in het borgen van de UPD.

63

Hoe worden de verwachtingen en behoeften van overheidsdienstverleners, burgers en bedrijven gemonitord bij het aanjagen van de Generieke Digitale Infrastructuur?

Antwoord

Het kabinet hecht grote waarde aan de verwachtingen van bedrijven en burgers bij het vormgeven van de digitale overheid en de Generieke Digitale Infrastructuur. Daarom houden de departementen op verschillende manieren rekening hiermee. Zo heeft het Ministerie van EZ een klankbordgroep ingericht waarin vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, koepel- en brancheorganisaties en de wetenschap met overheidsdienstverleners van gedachten wisselen over de wensen en ontwikkelingen in de digitale overheid voor bedrijven. Deze klankbordgroep wordt sinds begin 2015 voorgezeten door de Digicommissaris, de heer Bas Eenhoorn. Het Ministerie van BZK heeft een vergelijkbare klankbordgroep ingericht voor burgers en hun organisaties. Daarnaast zijn bedrijven betrokken in de publiek-private aansturing van een aantal voorzieningen voor de digitale overheid voor bedrijven. Zo worden bijvoorbeeld de afsprakenstelsels rond eHerkenning, e-factureren en Standard Business Reporting aangestuurd door publiek-private overleggen.

Met de overheidsdienstverleners is intensief contact in verschillende zogenoemde afnemersraden voor de voorzieningen van de digitale overheid, zoals het Handelsregister. Verzoeken tot wijziging of doorontwikkeling van digitale voorzieningen komen in deze overleggen aan de orde. Verder overleggen de verschillende ministeries met de uitvoeringsorganisaties van de overheid en de mede-overheden in de overleggen rond de Digicommissaris, zoals het Nationaal Beraad Digitale Overheid. Tenslotte voert mijn ministerie regulier overleg met de verschillende uitvoeringsorganisaties en ZBO’s die onder de verantwoordelijkheid van EZ vallen, zoals de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en de Kamer van Koophandel.

64

Wat is het aandeel snelle groeiers binnen het Klein Bedrijf (KB) (<50 werkzame personen) en het Midden Bedrijf (MB) (50–250 personen) voor de periode 2010 – heden?

Antwoord

Het aantal snelle groeiers binnen het klein bedrijf (kb) en het midden bedrijf (mk) voor de periode 2010-heden is niet bekend. De reden is dat voor het berekenen van cijfers over snelle groeiers wordt aangesloten bij het daarvoor opgestelde protocol door de OECD en Eurostat.

Daarbinnen worden meerdere varianten en detailleringen van het cijfer geproduceerd. Het gaat dan o.a. om uitsplitsingen naar hoofdsectoren van de economie en ook is er een apart cijfer voor gazelles (jong, snel groeiende bedrijven). Uitsplitsingen naar grootteklasse maken geen onderdeel uit van dit protocol.

65

Kunt u een overzicht verschaffen van de stroom kapitaal vanuit de VS dat is geïnvesteerd in Nederlandse mkb-bedrijven, met een onderscheid naar startups, snelle groeiers en overig, voor de periode 2010 tot heden? Kunt u daarbij aangeven, per jaar, hoeveel bedrijven zijn «weggekocht» (naar de VS)?

Antwoord

De Nederlandsche Bank publiceert jaarlijks een overzicht van de buitenlandse directe investeringen in Nederland. De VS blijkt de afgelopen twee jaar zo’n € 700 mld. in Nederland te investeren. Het betreft grotendeels investeringen (€ 632 mld.) in het bank- en verzekeringswezen. Uitsplitsingen naar type bedrijven levert DNB niet. Ook cijfers over «wegkopen» zijn niet beschikbaar.

Naast deze algemene cijfers over buitenlandse directe investeringen zijn er ook studies die specifiek kijken naar financieringsstromen voor groepen bedrijven. Zo is er de monitor «Nederlands Investeringsklimaat voor Technostarters». Daaruit blijkt dat ongeveer een derde van in Nederland actieve venture capitalists (VCs) van buitenlandse origine is. Daarvan is dan weer ongeveer een kwart afkomstig uit de VS. Cijfers over het investeringsvolume worden niet genoemd.

66

Kunt u een overzicht geven van alle financiële middelen en garanties die op Europees, nationaal en lokaal niveau beschikbaar zijn voor van het mkb? Kan dit overzicht uitgesplitst worden per sector, per provincie en per grootte van het bedrijf (Micro (<10), Klein (10–50), Midden (50–250) of Groo t(250->))? Kan dit overzicht daarnaast uitgesplitst worden naar de 10 topsectoren? Kan dit overzicht daarnaast uitgesplitst worden naar de 12 provincies? Kunt u de gevraagde tabellen invullen voor de periode 2011–2014? Kunt u de gevraagde tabellen invullen voor de periode 2015 en verder?

Antwoord

Onderstaande tabel bevat de financiële maatregelen die vanuit Economische Zaken jaarlijks beschikbaar zijn voor (onder andere) het mkb. Deze zijn in alle provincies beschikbaar, zonder onderverdeling van budgetten naar regio’s. Per regio is er een eigen regionale ontwikkelings-maatschappij (ROM) actief. Alleen voor de Noordvleugel van de Randstad is geen ROM actief.

De Europese middelen zijn bereikbaar via de «Finance and Funding» website van de EU http://europa.eu/youreurope/business/funding-grants/eu-programmes/index_en.htm. En veel van de lokale middelen zijn toegankelijk via de eigen ROM.

Naam1

Faciliteit

Budget per jaar

Sector

Bedrijfsomvang

Qredits

Leningen tot € 250.000,–

ca. € 40 mln. voor nieuwe leningen

Alle

Micro- en kleinbedrijf

BMKB

Borgstelling voor mkb-kredieten tot € 1 mln.

€ 765 mln.; daarvan € 25 mln. voor niet-bancaire aanbieders

Alle m.u.v. agrarische sectoren en gezondheidszorg

Alleen mkb

GO

Garantie op (bancaire) leningen tot € 25 mln.

€ 400 mln.

Alle

Open voor alle bedrijven, gebruik ongeveer driekwart door mkb

Vroege Fase Financiering

Financiering voor innovatieve starters en kleine bedrijven tot € 350.000,–

€ 11,9 mln.

Alle

Gebruik 100% mkb

Business Angels co-investeringsfonds

Co-investering met de portefeuille van business angels i.s.m. EIF

Eenmalig € 45 mln., uit te zetten in ca. 5 jaar

Alle

Gebruik 100% mkb

Seed capital

Lening voor technostarters en creatieve industrie fondsen tot € 6 mln.

Ca. € 20 mln.

Technologische en creatieve sectoren

Gebruik 100% mkb

Innovatie-krediet

Cofinanciering /lening tot 50% van R&D-ontwikkelkosten voor bedrijf tot € 10 mln.

Ca. € 60 mln.

Alle

– Open voor alle bedrijven, gebruik voornamelijk mkb

Dutch Venture Initiative (DVI)

Deelname in venture capital fondsen gericht op snel groeiend innovatief mkb i.s.m. EIF

Totaal € 150 mln. voor periode 2013–2015; € 200 mln. voor na 2015

Alle

– Gebruik 100% mkb

ROMs

Participaties in kleine, vooral innovatieve bedrijven

Totaal ca. € 300 mln.

Alle

– Gebruik 100% mkb

Groei-faciliteit

Garantie van 50% op aandelen (max. € 12,5 mln. garantie) of achtergestelde leningen (max. € 2,5 mln. garantie).

€ 84 mln.

Alle

– Open voor alle bedrijven, gebruik ongeveer driekwart door mkb

MIT-Innovatiestimulering-topsectoren

Gezamenlijke instrumentenkoffer tussen Rijk en Regio om aansluiting mkb op Topsectoren te bevorderen. O.a. kennisvouchers en R&D samenwerkingsprojecten.

€ 35,5 mln., via de samenwerking met de Regio is in 2015 ruim € 50 mln. beschikbaar.

Alle topsectoren

– Gebruik 100% mkb

Eurostars

Ondersteuning van het hightech-mkb dat wil samenwerken met partners uit andere landen via een subsidie ondersteunt.

€ 13 mln., plus een EU top-up van ca. 33%.

Alle

– Gebruik mkb 65%

– Onder voorwaarden komen ook kennisinstellingen en grotere bedrijven in aanmerking voor Eurostars.

Internationaal Innoveren (Eureka/JTI’s)

Deze instrumenten dragen bij aan de totstandkoming van strategische netwerken van industrie en kennisinfrastructuur over geheel Europa.

€ 40 mln., plus EU top-up voor de JTI’s van € 50 mln.

Nederland is actief in het JTI ECSEL en de Eureka-clusters CATRENE en ITEA3 gericht op de topsector Hightech Systemen en Materialen (HTSM).

– Respectievelijk 33% (JTI’s) en 39% (Eureka-clusters) mkb-gebruik.

WBSO

Fiscale regeling ter bevordering van de private R&D-uitgaven, waarmee loonkosten en andere kosten en uitgaven voor R&D kunnen worden verrekend via de loonheffing.

€ 1.143 mln.

Alle

– 97% van de gebruikers is mkb.

X Noot
1

Op het beleidsterrein energie zijn diverse generiek regelingen waarvan het mkb ook gebruik kan maken mits ze voldoen aan de gestelde voorwaarden. Het betreft de Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+), Demonstratie Energie Innovatie (DEI), en de (fiscale) Energie Investerings Aftrek (EIA). Omdat deze niet specifiek op het bedrijfsleven gericht zijn, zijn ze niet in dit overzicht opgenomen. Ook de sectorspecifieke garantieregelingen voor de agrarische sectoren en scheepsbouw zijn niet opgenomen.

67

Er wordt € 100 mln. in 2016 en € 115 mln. vanaf 2017 aan de geïntegreerde subsidieregeling Wet Bevordering Speur en Ontwikkelingswerk (WBSO) en Research & Development Aftrek (RDA) toegevoegd. Waarom is niet gekozen voor een verdeling over zowel bedrijven als kennisinstellingen, gezien het feit dat Research & Development (R&D) niet alleen door bedrijven maar ook door kennisinstellingen wordt verricht?

Antwoord

Zie ook het antwoord bij vragen 42, 43, 44, 54, 55.

Doel van het kabinet is dat in Nederland in 2020 2,5% van het BBP wordt uitgegeven aan R&D (door publieke en private partijen). De fiscale innovatieregelingen WBSO en de RDA dragen bij aan deze doelstelling door de R&D-uitgaven van private partijen te stimuleren. In het Belastingplan 2014 was de taakstelling «Boetes marktwerking NMa» uit het Regeerakkoord ingevuld door een korting op het budget voor de WBSO en de RDA, die dus ten laste kwam van de stimulering van R&D door de private sector. Bij de besluitvorming over het Belastingplan 2016 is budgettaire ruimte gevonden voor lastenverlichting voor het bedrijfsleven. Een deel van deze ruimte is ingezet om de resterende taakstelling van € 100 mln. in 2016 en € 115 mln. vanaf 2017 op WBSO en RDA terug te draaien en binnen de samengevoegde regeling in te zetten voor het stimuleren van de R&D-uitgaven van private bedrijven. R&D door publieke kennisinstellingen wordt in belangrijke mate rechtstreeks door de overheid gefinancierd. Zie voor het meest recente overzicht van de directe investeringen van de rijksoverheid in R&D het TWIN-overzicht zoals dit is opgesteld door het Rathenau Instituut, waarin ook is aangegeven dat het grootste deel naar universitair en overig niet-toepassingsgericht onderzoek gaat en in de periode 2013–2019 toeneemt van 69 naar 76%.5

68

Kunt u enkele voorbeelden geven van onderzoeksfaciliteiten die gefinancierd zijn vanuit het toekomstfonds?

Antwoord

De regeling is 1 juli 2015 gepubliceerd. De openstelling loopt vanaf 1 september tot 30 november van dit jaar. In die periode kunnen onderzoeksorganisaties of consortia van kennisinstellingen en bedrijven voorstellen indienen. Na de sluitingsdatum worden de voorstellen beoordeeld. Ik kan u daarom nog geen voorbeelden geven van onderzoeksfaciliteiten die gefinancierd zijn met de middelen uit het Toekomstfonds.

Onderzoeksfaciliteiten waaraan gedacht kan worden zijn: wetenschappelijke uitrusting of sets wetenschappelijke instrumenten, kennis gebaseerde hulpbronnen, ict-gebaseerde enabling infrastructuur, zoals gridnetwerken, computers, software.

Aanvragers bepalen overigens zelf voor welke onderzoeksfaciliteiten een lening wordt aangevraagd.

Afhankelijk van de marktperspectieven en de mogelijkheid om de lening terug te betalen, de omvang van de faciliteit, het gebruik (fundamenteel/toegepast), liquiditeit van betrokken partijen en de maatschappelijke, economische en wetenschappelijke meerwaarde zullen de meest kansrijke projecten doorgang vinden.

69 en 72

Kunt u een actueel overzicht geven van de stand van zaken om de regeldruk met € 2,5 mld. te verminderen, met daarin uitgesplitst welke zaken zijn gerealiseerd tegen hoeveel regeldrukvermindering?

Kunt u een tussenstand geven van de regeldrukvermindering in de periode 2012 tot op heden?

Antwoorden 69 en 72

In het Regeerakkoord is afgesproken dat het kabinet de regeldruk bij burgers en bedrijven met € 2,5 mld. zal verminderen. Het kabinet rapporteert daarom tweemaal per jaar aan de Tweede Kamer over de voortgang van het rijksbrede regeldrukprogramma. Onderdeel van de voortgangsrapportage is een bijlage met een overzicht van maatregelen die een effect hebben op de regeldruk. In de voortgangsrapportage die in juni aan de Kamer is gestuurd is gemeld dat er voor € 2,3 miljard aan maatregelen in kaart is gebracht en voor € 1,3 miljard aan maatregelen is gerealiseerd (Kamerstuk 29 515, nr. 361). Momenteel vindt een actualisatie van deze cijfers plaats. Hierover zal ik rapporteren in de najaarsrapportage die eind november naar de Kamer zal worden gestuurd.

70

Op welke onderdelen of van welke instrumenten wordt volgens u te weinig gebruik gemaakt inzake de toegang tot financieringsmogelijkheden? En welke consequenties heeft dat voor de doelstellingen om 2,5% van het BBP aan R&D-uitgaven te realiseren?

Antwoord

Halfjaarlijks rapporteer ik de Tweede Kamer over het gebruik van het EZ-financierings-instrumentarium. De meest recente brief «Overheidsondersteuning voor Ondernemersfinanciering» is van 21 september jl. (Kamerstuk 32 637, nr. 198).

Het gebruik van de instrumenten gericht op de toegang tot financieringsmogelijkheden is afgelopen jaar licht gestegen. Dit is echter geen doel op zich. Deze instrumenten moeten de financiering stimuleren aan in de kern gezonde ondernemingen die zelfstandig onvoldoende financiering aan kunnen trekken, maar het heeft natuurlijk mijn voorkeur als de markt hier zelf voor kan zorgen zonder de inzet van overheidsmiddelen.

Zoals u ook gemeld in de knelpuntenanalyse bij de brief over «Overheidsondersteuning voor Ondernemersfinanciering» van 21 september jl. wijzen beleidsevaluaties uit dat de instrumenten er allen goed in slagen om hun eigen doelgroep in de markt te bereiken. Om ondernemers verder te ondersteunen bij het vinden van geschikte publieke en private financieringsmogelijkheden heb ik met MKB-NL en NVB initiatief genomen voor de 21 september jl. gelanceerde Nationale Financieringswijzer (http://www.nationalefinancieringswijzer.nl/).

Een deel van het financieringsinstrumentarium, met name het Innovatiekrediet, ondersteunt bedrijven bij het uitvoeren van R&D. Het financieringsinstrumentarium heeft daardoor effect op de kabinetsdoelstelling om in 2020 2,5% van het BBP te investeren in R&D.

71

Wanneer kan de Kamer concrete wetsvoorstellen tegemoet zien die innovatie, launching customerschap en ondernemen in Nederland aantrekkelijk maken? Is er al een lijst met concrete generieke maatregelen die tot vermindering regeldruk hebben geleid?

Antwoord

Er wordt momenteel – samen met het Ministerie van Financiën – gewerkt aan een samenvoeging van de WBSO en RDA. Deze nieuwe fiscale regeling leidt tot een reductie van administratieve lasten (AL) van ongeveer € 1 mln. voor bedrijven. Deze lastenreductie is reeds ingeboekt.

Op het terrein van ondernemen en launching customer zijn geen wetten in voorbereiding. De Nieuwe Aanbestedingswet, de invoering van Unitaire Octrooibescherming en de afschaffing van de jaarlijkse heffingen voor alle ingeschrevenen in het Handelsregister van de Kamers van Koophandel zijn slechts enkele voorbeelden van maatregelen die de afgelopen jaren hebben geleid tot regeldrukvermindering.

In het Regeerakkoord van 2012 is aangegeven dat de aanpak van regeldruk een belangrijke voorwaarde is om ondernemers meer ruimte te geven om te groeien. In de programmabrief «Goed Geregeld, een verantwoorde vermindering van regeldruk 2012–2017» heeft het kabinet vervolgens aangegeven welke acties nodig zijn voor een merkbare vermindering van de regeldruk. Aan de hand van een meersporenbeleid werkt het kabinet aan regeldrukvermindering voor bedrijven, burgers en professionals. Naast een kwantitatieve doelstelling om de regeldruk in de periode 2012–2017 met € 2,5 mld. te reduceren, zet het kabinet ook in op bijvoorbeeld merkbare regeldrukvermindering met de maatwerkaanpak, het slimmer inrichten van toezicht en een betere (digitale) dienstverlening.

Het kabinet rapporteert tweemaal per jaar aan de Tweede Kamer over de voortgang van het rijksbrede regeldrukprogramma. Onderdeel van de voortgangsrapportage is een bijlage met een overzicht van maatregelen die een effect hebben op de regeldruk. Er is in de voorjaarsrapportage van 2015 voor € 2,3 mld. aan concrete maatregelen in kaart gebracht.

73

Kunt u aangeven middels welke wet en regelgeving het kabinet er voor gaat zorgen dat minder Nederlandse huizen op het gasnetwerk worden aangesloten?

Antwoord

Het ontberen van een aansluiting op het gasnetwerk betekent in de praktijk dat er aansluiting op een warmtenet moet zijn, of dat verwarming in de winter elektrisch moet plaatsvinden. Het wetsvoorstel STROOM (elektriciteits- en gaswet) regelt dat er op gemeenteniveau uitzonderingen gemaakt kunnen worden voor de aansluitplicht voor systeembeheerders voor gas. Hierdoor kunnen er warmtenetten in plaats van gasnetten komen, of kan gekozen worden voor een all electric wijk. Hiernaast wordt de warmtewet geëvalueerd en in 2016 in lijn met de warmtevisie (Kamerstuk 30 196, nr. 305) herzien.

74

Hoeveel geld is er in 2016 beschikbaar voor het stimuleren dat Nederlandse huizen en bedrijven minder door gas en meer door duurzame warmte en restwarmte worden verwarmd?

Antwoord

Er zijn geen specifieke middelen gereserveerd voor het stimuleren van verwarming van huizen en gebouwen door duurzame warmte en restwarmte. De genoemde opties zijn onderdeel van de bestaande stimuleringsinstrumenten. Nu gaat bijvoorbeeld ongeveer de helft van het SDE+-budget naar hernieuwbare warmte, maar niet alle hernieuwbare warmte wordt voor verwarming van huizen en gebouwen gebruikt. Zie http://www.rvo.nl/subsidies-regelingen/sde/behandeling-aanvragen/stand-van-zaken-sde-2015. In de Warmtevisie (Kamerstuk 30 196, nr. 305) is ook aangegeven dat verduurzaming van de warmtevraag begint bij energiebesparing. Regelingen voor energiebesparing in de gebouwde omgeving staan op de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zoals de STEP regeling voor energiebesparing in de huursector beneden de liberalisatiegrens. Budget van deze regeling is € 400 mln. Duurzame warmte en restwarmte maken onderdeel uit van de energieprestatie bepalingsmethodiek en kunnen derhalve ook binnen de STEP regeling gesubsidieerd worden.

75

De NAM moet voor 1 juli 2016 een winningsplan indienen voor de jaren 2017 en verder, wat gebeurt er als deze datum door de NAM niet gehaald wordt?

Antwoord

Middels het instemmingsbesluit van januari 2015 betreffende de periode 2014 tot en met 2016 wordt NAM verplicht tot het indienen van een winningsplan voor 1 juli 2016. Ik zie vooralsnog geen aanleiding om te veronderstellen dat de NAM dit niet zal halen.

76, 81 en 83

Mochten onderzoeksboringen naar schaliegas mogelijk worden indien het kabinet hiertoe eind 2015 besluit, zal dan voor elke boorlocatie voor schaliegas ook naar de mogelijkheden van geothermie gekeken worden?

Kunt u aangeven wat een realistische termijn is om tot de daadwerkelijke commerciële opsporing en winning van schaliegas over te gaan indien daartoe door de Kamer besloten zou worden?

Als u besluit proefboringen naar schaliegas te doen ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek, legt u dit besluit dan eerst voor aan de Kamer?

Antwoorden 76, 81 en 83

Commerciële opsporing en winning van schaliegas is de komende vijf jaar niet aan de orde.

In het Energierapport 2015 zal het kabinet een integrale visie op een duurzame energievoorziening geven. Indien daaruit blijkt dat het wenselijk is om de winning van schaliegas in Nederland als optie niet uit te sluiten, zal het kabinet participeren in breed, langjarig wetenschappelijk onderzoek in Europees verband met alleen ruimte voor boringen met een wetenschappelijk doel. De keuze die in het Energierapport over schaliegas wordt gemaakt, zal begin 2016 worden verankerd en ruimtelijk worden uitgewerkt in de structuurvisie Ondergrond. De structuurvisie is onder meer bedoeld om voor specifieke locaties in beeld te brengen welke gebruiksfuncties mogelijk interfereren, goed samengaan of zelfs elkaar versterken.

77

Wordt de Kamer betrokken bij het winningsbesluit dat in het najaar van 2016 zal worden genomen? Zo ja, op welke wijze?

In december 2015 neemt het kabinet op basis van de nu lopende onderzoeken en adviesaanvragen een besluit over de gaswinning uit het Groningenveld. Conform de kabinetsreactie op het OVV-rapport «Aardbevingsrisico’s in Groningen» zal het kabinet de decentrale overheden betrekken bij de besluitvorming. De Kamer wordt uiteraard direct na de besluitvorming in de ministerraad geïnformeerd en ontvangt dan ook alle onderliggende rapporten en adviezen. Ik zal uw Kamer separaat nader informeren over het besluitvormingsproces.

78

Voor hoeveel opeenvolgende jaren denkt u een winningsbesluit te nemen in het najaar van 2016?

Antwoord

Dat is nu nog niet bekend. De uitkomsten van de diverse onderzoeken en adviezen – waaronder die van provincie en gemeenten zullen hier, conform de kabinetsreactie op het OVV-rapport «Aardbevingsrisico’s in Groningen (Kamerstuk II 2014/2015, 33 529, nr. 143) – mede bepalend voor zijn. Uw Kamer wordt separaat over het besluitvormingsproces geïnformeerd.

79

Klopt het dat de invulling van winningsplannen en de wijze waarop decentrale overheden hierbij betrokken worden bij winningen gelegen zijn in de wijze waarop hieraan invulling wordt gegeven in de Mijnbouwwet- en regelgeving?

Antwoord

Ja, dit klopt. In de kabinetsreactie op het OVV-rapport «Aardbevingsrisico’s in Groningen» (Kamerstuk 33 529, nr. 143) heb ik een herziening van de mijnbouwwet- en regelgeving aangekondigd. Het veiligheidsbelang zal meer expliciet in de Mijnbouwwet worden opgenomen, met name in de bepalingen rondom het winningsplan. Provincies, gemeenten en waterschappen krijgen een adviesrecht bij instemmingsbesluiten op (wijzigingen van) winningsplannen. Verder bestaat het voornemen om de openbare voorbereidingsprocedure ook bij (inhoudelijke) wijzigingen van een winningsplan toe te passen. Het wetsvoorstel ligt nu voor spoedadvies bij de Raad van State. Na ontvangst van het advies van de Raad van State hoop ik het wetsvoorstel snel aan uw Kamer te kunnen sturen. Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op het OVV-rapport zal ik vooruitlopend op dit wetsvoorstel provincies, gemeenten en waterschappen betrekken in de advisering over winningsplannen en wijzigingen daarvan.

Daarnaast werk ik aan een omgevingsvisie waarbij gekeken wordt hoe de omgeving beter betrokken kan worden bij de besluitvorming. Uiteraard treed ik hierover ook in overleg met de decentrale overheden.

80

Op welke wijze wordt de bodemdaling in de Waddenzee gemeten?

Antwoord

De verschillende technieken waarmee de bodemdaling in de Waddenzee wordt gemeten, zijn vastgelegd in het meet- en regelprotocol. De jaarlijks bijgewerkte versie van het meetplan is te vinden op http://www.nlog.nl/resources/Meetregisters/Waddenzee/WADDENZEE_MEETPLAN_2015.pdf.

82

Is het waar dat door alle vergunningen, procedures en benodigde onderzoeken commerciële winning van schaliegas binnen 5 jaar überhaupt niet mogelijk is?

Antwoord

Commerciële winning van schaliegas is de komende 5 jaar niet aan de orde. Zie ook mijn antwoord op vraag 81.

84

Kunt u enkele pakkende voorbeelden geven van groene groei die door zijn inspanningen tot stand zijn gekomen?

Antwoord

In de beleidsbrief Groene Groei van maart 2013 heeft het kabinet een aantal acties toegezegd. Deze hebben wij samen met de maatschappelijke partijen gerealiseerd. U bent daarover recent geïnformeerd via de aanbiedingsbrief en de Tussenbalans Groene Groei 2015 (Kamerstuk 33 043, nr. 42). Het kabinet zet in 2016 daartoe zijn programma Ruimte in Regels voor Groene Groei en de Green Deal-aanpak voort.

Voorbeelden vanuit het programma Ruimte in Regels voor Groene Groei:

  • De batterijen van de eerste generatie elektrische auto’s komen nu al bij de afvalverwerking en recycling terecht. Deze batterijen functioneren vaak nog prima, maar zijn niet meer geschikt om opnieuw een auto aan te drijven. De overheid steunt een project waarin ondernemers die batterijen gebruiken als stationaire opslag voor windenergie. Dit vraagt om een andere regeling voor de productaansprakelijkheid.

  • Verschillende bedrijven werken aan nieuwe verdienmodellen waarin zij geen producten verkopen, maar de diensten van die producten verhuren. Philips ontwerpt bijvoorbeeld zuinige verlichtingssystemen speciaal voor een bepaald gebouw en verkoopt niet het systeem, maar het verbruik van een bepaalde hoeveelheid licht. Belangrijke hobbel voor dit model is dat de wet verlichtingssystemen vaak als integraal onderdeel van een gebouw ziet (het principe van «aard en nagelvast»).

  • Insecten zijn een interessante alternatieve bron van dierlijke eiwitten. De eiwitten uit gekweekte insecten mogen aan vissen of huisdieren gevoerd worden. De wet gaat echter uit varkens en pluimvee en stelt als voorwaarde dat de verwerking plaatsvindt in een geregistreerd slachthuis. EZ probeert dat soort regels nationaal en in Brussel te wijzigen zodat ze beter aansluiten op nieuwe ontwikkelingen.

  • De technologie van 3D-printen ontwikkelt zich in zeer rap tempo. Die printers hebben grondstoffen nodig. We zoeken naar manieren om daarvoor niet alleen fossiele kunststoffen, maar ook biobased materialen te gebruiken als grondstof. Binnen de afvalregels wordt dit echter gezien als een vorm van afvalverwerking.

  • Einde afvalstatus: een efficiënt grondstofgebruik vergt dat het ene bedrijf gebruik kan maken van de productieresiduen van een ander, zonder belemmeringen in wet- en regelgeving. Met de vorig jaar aangekondigde Regeling criteria bijproducten zoeken we samen met bedrijfsleven en EU naar meer ruimte voor de toepassing van residuen zoals ruwe glycerine.

  • Voor nieuwe business cases in de circulaire en biobased economie is het van belang dat er een solide markt ontstaat binnen de Europese Unie voor stoffen en materialen die zijn herwonnen uit rest- en afvalstromen. Het programma zet zich in om daarvoor de wettelijke randvoorwaarden te creëren via de Europese strategie voor circulaire economie.

Voorbeelden van Green Deals:

De Green Deals zijn opgedeeld in de groene groei domeinen: energie, klimaat, water, grondstoffen, mobiliteit, biobased economy, bouw, voedsel en biodiversiteit. Ze kunnen daarbij in meer dan één thema ingedeeld worden omdat er bij Green Deals sprake is van een geïntegreerde aanpak van duurzaamheid en economie over domeinen en sectoren heen. De meeste deals zijn gesloten binnen de thema’s energie, biobased economy en grondstoffen.

Maatschappelijke opgaven worden immers vaak domein overstijgend opgepakt.

  • Energie: 105 Energiedeals met 688 partijen. De deals leveren een bijdrage aan de uitvoering van de doelen van het Energieakkoord met name als het gaat om energiebesparing, stimuleren van decentrale duurzame energie, mobiliteit en transport.

  • Biobased economy: 62 Biobased economy deals met 297 partijen waarin nieuwe business cases worden ontwikkeld waarbij biomassa en reststromen zo optimaal mogelijk worden benut.

  • Klimaat: 13 Klimaatdeals met 129 partijen, onder andere gericht op het bevorderen van regionale samenwerking in het kader van de Lokale Klimaatagenda, duurzame mobiliteit en deltatechnologie.

  • Van afval naar grondstof en circulaire economie: 54 Grondstoffendeals met 364 partijen gericht op preventie, de inzet van hernieuwbare, biobased grondstoffen, verminderen van grondstoffen en bevorderen van recycling.

  • Bouw: 43 Bouwdeals met 289 partijen gericht op energiebesparing, biobased bouwmaterialen en verduurzaming van (een deel van) de keten.

  • Voedsel: 32 Voedseldeals met 138 partijen gericht op duurzamer produceren, nieuwe teelten en nieuwe verdienmodellen, met name bij landbouw en natuurbeheer.

  • Mobiliteit: 31 Mobiliteitdeals met 187 deelnemende partijen. In de deals wordt met name gewerkt aan elektrisch vervoer, meer duurzame brandstoffen en efficiëntere voertuigen.

  • Water: 12 Waterdeals met 106 partijen gericht op nieuwe verdienmodellen in het waterbeheer, het terugwinnen van grondstoffen uit afvalwater, efficiënt gebruik van water in landbouw en industrie, en het verminderen van emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater.

  • Biodiversiteit/Natuurlijk Kapitaal: 26 Biodiversiteitdeals met 167 partijen. De deals leveren een bijdrage aan het creëren van een gezonde gastvrijheidseconomie, natuur inclusief opdrachtgeverschap van de overheid bij infrastructuurprojecten, het vergroenen van de stedelijke buitenruimte en gezondheidszorg, en transparantie van natuurlijk kapitaal.

85

Op welke wijze gaat – om efficiënter om te gaan met CO2, energie, grondstoffen, water en bodem – sterker worden ingezet op onderzoek en innovatie voor schaarse grondstoffen, energieopwekking en recyclingtechnologieën?

Antwoord

In de Kennis- en Innovatieagenda’s 2016–2017 heeft het kabinet meer aandacht gevraagd voor de wijze waarop de topsectoren inzetten op maatschappelijke uitdagingen zoals vergroening. Zo wordt in 2016 onderzoek gedaan naar het gebruik van schaarse grondstoffen in Nederland.

Het duurzaamheidsaandeel van het innovatie-instrumentarium wordt steeds meer zichtbaar. Uitgaande van de definitie van maatschappelijke uitdagingen, zoals benoemd in het Europese programma Horizon2020, bedraagt dit aandeel 62 tot 72% op basis van het aantal projecten en 68 tot 78% op basis van het budget.

In 2016 is er ruim € 155 mln. aan kasmiddelen beschikbaar voor energie-innovaties. Een bedrag van € 55,84 mln. hiervan loopt via de Topsector Energie. Deze richt zich op de verduurzaming van de energievoorziening en de versterking van de toegevoegde waarde van de energiesector voor de Nederlandse economie. Dit doet de Topsector Energie door energie-innovaties (op het terrein van windenergie op zee, zonne-energie, bioenergie, gas, energiebesparing in de industrie en de gebouwde omgeving en intelligente netten) te stimuleren en aan te jagen. De verdeling van het budget over de genoemde onderwerpen is aan de Topsector Energie. Daarnaast is er via de Demonstratieregeling Energie-Innovatie in 2016 € 48 mln. beschikbaar en vanuit de SDE+ € 50 mln. voor innovatieprojecten gericht op kostprijsreductie waardoor de implementatie van deze duurzame energietechnologieën kosteneffectiever plaats kan vinden. En tot slot vindt er nog uitfinanciering plaats van een aantal specifieke innovatieprogramma's binnen de Innovatie Agenda Energie.

Deze bedragen zijn te vinden in de tabel budgettaire gevolgen van beleid op pagina 77.

86

Aan welke twintigtal ketens wordt gedacht, hoe ligt de verantwoordelijkheidsverdeling hierover wanneer het zich op het terrein van een ander ministerie bevindt en hoe wordt de Kamer hierbij betrokken?

Antwoord

In mijn beantwoording betrek ik ook vraag 6. Binnen het programma VANG is voor 8 productieketens (beton, voedsel, verpakkingen, fosfaat, hout, textiel, kunststof en biotische ketens) de aanpak ingang gezet, o.a. via ketenakkoorden of Green Deals. Dit jaar gaat in het programma Nederland Circulair de RACE coalitie aan de slag met 3 nieuwe ketens: 1) machines en installaties in gebouwen 2) Kunststof en rubbergebruik in ondergrondse infrastructuur en 3) organisch afval en wegwerpartikelen in de zorg. Voor de elektronicaketen wordt bekeken of een internationale aanpak mogelijk is om de problemen rond conflictmineralen te verbinden aan circulaire oplossingsrichtingen. Het programma VANG Huishoudelijk Afval bevat een ketenaanpak die binnenkort aan de Kamer wordt gestuurd, daar worden (naast de 20 ketens) nog 5–7 extra ketens opgepakt. Daarmee is er ruimte voor nieuwe ambities rond ketens. Zo zijn in de context van de biobased economy de sectoren Energie, Chemie en Agrifood samen met de landbouw bezig om, deels in green deals, business cases te ontwikkelen (mest/vergisting, papier, suikerchemie, houtraffinage, bouw, biobased plastics). Verder zullen de uitkomsten van het vervolgonderzoek «Materialen in de Nederlandse economie» en het nieuwe Circulaire Economie Pakket van de Europese Commissie uitwijzen waar nieuwe ketenambities gewenst zijn.

87

Waarom wordt in het kader van dit efficiënter werken eerst ingezet op lineaire Europese regelgeving en daarna pas op onze eigen regelgeving en de wijze waarop onze inspecties en medeoverheden hiermee omgaan?

Antwoord

Het kabinet wil innovatie en investeringen in groene groei de ruimte geven binnen een stimulerend en dynamiek bevorderend wettelijk kader. Belemmeringen die ondernemers ervaren van wet- en regelgeving, vragen soms een andere wijze van uitvoering door inspecties en medeoverheden en soms een wijziging van de regelgeving. Ligt de oorzaak van een belemmering in de Europese wetgeving, dan zoekt het kabinet de oplossing op Europees niveau. De omstandigheden van het specifiek geval zijn bepalend voor de keuze van aanpak. Indien operationeel niveau een snellere, effectieve oplossing kan worden bereikt, dan heeft dat uiteraard de voorkeur.

88

Aan welke voorwaarden moet het begrip «groene groei» voldoen?

Antwoord

Het begrip groene groei moet aan de volgende voorwaarden voldoen:

Groene groei is het bevorderen van economische groei, terwijl de vervuiling afneemt, grondstoffen efficiënter worden gebruikt en de beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen op niveau blijft.

89

Hoe verhoudt zich de betekenis van «circulaire economie» tot een begrip als «groene groei»?

Antwoord

Op 28 maart 2013 stuurde het kabinet de brief met als naam Groene Economische Groei in Nederland (Tweede Kamer 33 043, nr. 14). In deze brief zet het kabinet haar ambitie voor deze «groene groei» uiteen. Het kabinet wil het concurrentievermogen van Nederland versterken en tegelijkertijd de belasting van het milieu en de afhankelijkheid van fossiele energie terugdringen.

Op 18 juni 2015 heeft het kabinet de Tussenbalans Groene Groei aan de Tweede Kamer gestuurd. Het daarin genoemde groenegroeibeleid kent een achttal domeinen: Dit zijn energie, biobased economy, klimaat, van afval naar grondstof en circulaire economie, gebouwde omgeving en stad, voedsel, mobiliteit en water. Een circulaire economie is een economisch systeem dat de herbruikbaarheid van producten en materialen en het behoud van natuurlijke hulpbronnen als uitgangspunten neemt en waardecreatie in iedere schakel van het systeem nastreeft. In een circulaire economie zijn kringlopen gesloten en ketens optimaal ingericht. Afval en emissies bestaan niet meer, afwenteling op mens en milieu wordt voorkomen en van het opraken van grondstoffen of het uitputten van de aarde is geen sprake meer. Dit is volledig in lijn met de doelstellingen van het Groene Groei beleid.

90

Hoe komt de doelstelling van EZ om in 2016 sterker in te zetten op onderzoek en innovatie voor duurzame alternatieven voor schaarse grondstoffen, energieopwekking en recyclingtechnologieën terug in de begroting?

Antwoord

In mijn beantwoording betrek ik ook vraag 6 en sluit aan op vraag 85. Het kabinet heeft informatie over de inzet van (financiële) instrumenten op deze beleidsterreinen in de context van de Tussenbalans Groene Groei in juni aan de Tweede Kamer gestuurd. Het accent ligt daarbij op slimme marktprikkels, stimulerende wet en regelgeving, innovatie, vergroening via hulp, handel en investering en samenwerking en partnerschappen (de zogenaamde pijlers van het groene groei beleid). Hierbij gaat het in beperkte mate om financiële instrumenten die specifiek voor groene groei worden ingezet.

Het Ministerie van Economische Zaken heeft op verzoek van uw Kamer (motie Van Tongeren 34 000-XIII-40) onderzocht wat het duurzaamheidsaandeel in de innovatie-instrumenten is. Deze berekening is opgenomen als bijlage bij de aanbiedingsbrief bij de tussenbalans. De afgelopen jaren heeft, gemeten naar budget, een groot deel (circa 70%) van de innovatie-subsidies bijgedragen aan facetten van duurzaamheid.

Het budget van de Topsector Energie richt zich vrijwel volledig op onderzoek naar vergroening van energie en energiebesparing. Bij energieopwekking wordt ingezet op ondersteuning van nieuwe technologie door de DEI) regeling (Demonstratie energie-innovatie) Ook bij de andere topsectoren is duurzaamheid een belangrijk thema.

91

Kunt u aangeven wat er verbindend is aan de Rijkscoördinatieregeling?

Antwoord

De Rijkscoördinatieregeling (RCR) is in 2009 in het leven geroepen om tijdig voldoende energie-infrastructuur en productiecapaciteit te realiseren op een zorgvuldige manier met aandacht voor maatschappelijk draagvlak.

Bij energie-infrastructuurprojecten van nationaal belang is vaak sprake van een grote impact op de omgeving. Daarom zijn provincies, meerdere gemeenten en vele andere stakeholders bij de besluitvorming betrokken. Daarbij coördineert het Rijk de vaststelling van het Rijksinpassingsplan en de benodigde publiekrechtelijke en privaatrechtelijke vergunningen. Met de RCR worden procedures gestroomlijnd en realisatie van projecten versneld. Het Rijk neemt met de RCR in beginsel geen bevoegdheden van andere overheden over.

Door het toepassen van de RCR wordt integraal naar de besluitvorming gekeken en worden alle belangen gewogen.

Dit is zowel voor het bevoegd gezag, de initiatiefnemer als de andere belanghebbenden een voordeel: snelle besluitvorming, zonder in te boeten op de zorgvuldigheid.

92

Klopt het dat aan de mkb innovatiestimulering topsectoren-regeling (MIT) nu ook internationale samenwerking wordt toegevoegd? Hoe verhoudt zich dat tot de Eurostars-regeling?

Antwoord

Nee, internationale samenwerking is niet als afzonderlijke subsidiabele activiteit toegevoegd aan de mkb innovatiestimulering topsectoren-regeling (MIT), en er is momenteel geen voornemen om dat te gaan doen.

93

Hoeveel publiek geld gaat er in totaal om in de topsectoren en via welke regelingen lopen die geldstromen?

Antwoord

Voor een totaaloverzicht van de publieke middelen is in de beleidsagenda van de EZ-begroting de overzichtstabel Bedrijfslevenbeleid en topsectoren opgenomen (pagina 21–22). Deze tabel bestaat uit twee onderdelen. Een generiek deel met de generieke instrumenten voor fiscale innovatiestimulering, financiering en internationaal ondernemen waarvan alle bedrijven (ook buiten de topsectoren) kunnen gebruik maken en een specifiek deel met specifieke instrumenten voor de topsectoren. In de tabel is aangegeven om welke regelingen het gaat en ook in welk artikel van de begroting van het betreffende departement de regeling is terug te vinden.

94

Hoe wordt de € 275 mln. van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voor de topsectoren besteed?

Antwoord

Het Kennis- en Innovatiecontract 2016–2017 wordt op 5 oktober 2015 ondertekend. Daarin is vastgelegd hoe de € 275 mln. per jaar van NWO wordt ingezet op de topsectoren. Grosso modo gaat er jaarlijks zo'n 120 miljoen euro naar privaat publieke samenwerking (PPS) en zo'n € 100 à 110 mln. naar privaat publieke programmering (PPP). De rest van de bijdrage van € 275 mln. wordt ingezet voor vrij onderzoek gericht op de topsectoren en voor uitvoeringskosten van NWO (5%).

95

Waarom fluctueert het begrote bedrag voor het Innovatiefonds MKB+ per jaar zo sterk?

Antwoord

Bij het totstandkoming van het Innovatiefonds MKB+ is een zo realistisch mogelijke raming gemaakt van de kasuitputting van het innovatiefonds MKB+, dat met ingang van de begroting 2015 met de nota van wijziging onderdeel is van het Toekomstfonds.

De meerjarige raming van de leningen die vanuit het Toekomstfonds (artikel 19) worden verstrekt wordt mede bepaald door aannames ten aanzien van het ritme van terugontvangsten, die per instrument kunnen verschillen. Daardoor heeft de meerjarige raming een grillig patroon.

Aangezien sprake is van een fondsconstructie blijven in enig jaar niet benutte middelen beschikbaar binnen het Toekomstfonds.

96

Welk type bedrijven profiteert van de instrumenten ter bevordering van de internationale innovatiesamenwerking (Europese cofinanciering, innovatie-attachés, technologiemissies) en voor welk type bedrijven zijn deze instrumenten minder geschikt?

Antwoord

De instrumenten staan met name open voor high-tech mkb bedrijven met innovaties die op korte termijn (binnen 3 jaar) een marktintroductie zullen hebben. Daarin werken zij overigens vaak samen met kennisinstellingen. De instrumenten zijn met name geschikt voor projectvoorstellen waar de marktimpact en het Europees/internationale samenwerkingskarakter het beste naar voren komt. Niet alleen via financiële instrumenten wordt innovatie samenwerking bevorderd, maar ook door gerichte technologiemissies naar opkomende en geïndustrialiseerde markten. Hierbij worden overheidscontacten gelegd en samenwerkingsverbanden tussen bedrijven en kennisinstellingen gesmeed. Hierbij spelen onze Innovatie Attachés op de 20 buitenlandse posten in de 14 landen waar zij zijn gevestigd een belangrijke rol.

Het Innovatie Attaché Netwerk ondersteunt de Nederlandse kenniseconomie: het kennisintensieve bedrijfsleven (zowel high-tech mkb als grote bedrijven), kennisinstellingen (universiteiten en de toegepaste onderzoeksorganisaties) en overheden (nationaal en regionaal). Daarbij staat de vraag van de klant centraal en wordt maatwerk geleverd. Het high-tech mkb en de kennisinstellingen zijn qua volume de grootste klanten van het IA Netwerk, maar ook het grootbedrijf doet regelmatig een beroep op het IA Netwerk om op een juist niveau binnen te komen bij de overheden in de verschillende landen waarin het IA Netwerk een presentie heeft.

97

Wat is de reden dat het budget voor het innovatiefonds MKB+ terugloopt van € 182 mln. naar € 109 mln.?

Antwoord

Het Innovatiefonds MKB+ is onderdeel van het Toekomstfonds (artikel 19) en omvat leningen die ten behoeve van MKB financiering worden verstrekt. De daling in het budget van 2015 op 2016 wordt met name veroorzaakt door een afname van het budget voor de Innovatiekredieten en de eenmalige raming in 2015 van een ontvangst en uitgave aan de ROM’s.

De daling van het budget voor Innovatiekredieten hangt samen met een kasschuif die ten tijde van de vorming van het Innovatiefonds MKB+ in de EZ begroting is verwerkt en waarbij middelen naar voren in de tijd zijn gehaald om een snelle start te maken met het fonds. Daarnaast is in 2015 voor de ROM’s eenmalig een budget van € 42 mln. begroot omdat er in 2015 een eenmalige ontvangst van € 42 mln. is geraamd in het kader van de voorgenomen verkoop van aandelen LIOF (€ 32 mln.) en te ontvangen dividend van de NOM (€ 10 mln.).

98

Hoe wordt de besteding van het NWO-geld bepaald?

Antwoord

Voor de inzet van de NWO-middelen is de basis gelegd met de spelregels (Kamerstuk vergaderjaar 2012–2013, 28 753/32 637, nr. 30 d.d. 25 juni 2013).

Daarin is onder andere afgesproken op welke NWO-bijdrage ieder van de topsectoren minimaal kan rekenen voor PPS, maar ook hoe de middelen van NWO worden verdeeld over PPS, PPP en het vrije onderzoek gericht op de topsectoren. De exacte verdeling is een zaak van onderhandeling tussen NWO en de topsectoren, waarbij op voorhand duidelijk is dat de vraag van de topsectoren de beschikbare middelen van NWO ruimschoots overstijgt. Er zullen dus keuzes moeten worden gemaakt, waarbij NWO en de topsectoren gezamenlijk aan een voor alle partijen bevredigende oplossing werken, die uiteindelijk wordt vastgelegd in het kennis- en innovatiecontract (IC). Het IC 2016–2017 is op 5 oktober 2015 door alle betrokken partijen ondertekend.

99

Wat is de reden dat het budget voor Toegepast onderzoek (TO2: TNO,

DLO, Marin, ECN, NLR, Deltares) afloopt?

Antwoord

De bezuinigingen bij de TO2 instituten volgen uit taakstellingen die al zijn vastgelegd in de regeerakkoorden van de kabinetten Rutte-I en Rutte-II en waarmee meer focus wordt gelegd op een programmatische onderzoeksaanpak.

100

Wat is de reden dat de gelden voor het Regionaal investeringsfonds MBO vanaf 2018 ophouden?

Antwoord

Met het regionaal investeringsfonds MBO stelt het Ministerie van OCW tussen 2014 tot en met 2017 jaarlijks € 25 mln. subsidie beschikbaar voor duurzame publiek-private samenwerking in het beroepsonderwijs. Gedurende de looptijd van de regeling is er dus in totaal € 100 mln. beschikbaar voor deze vorm van samenwerking. De subsidiebijdrage dient daarnaast aangevuld te worden met een financiële bijdrage vanuit de regio (bedrijfsleven en regionale overheid). Projecten kennen een totale looptijd van 4 jaar, waardoor de regeling loopt tot en met 2021. In 2016 zal de regeling tussentijds geëvalueerd worden. Mede op basis van deze evaluatie zal bezien worden hoe na 2017 het beleid voor publiek-private samenwerking in het mbo wordt vormgegeven. De voor de regeling beschikbare middelen zijn structureel van aard en er zal dan ook op een later tijdstip besloten worden of deze ook na 2017 ten goede komen aan (de voortzetting van) de regeling.

101

Wat gebeurt er met het Dutch Good Growth Fund na 2017?

Antwoord

Het Dutch Good Growth Fund, een revolverend fonds, zal in de periode 2014 t/m 2017 worden gevoed vanuit de begroting van Buitenlandse Handel & Ontwikkelingssamenwerking (BHOS). Na de periode van portefeuilleopbouw zal het op peil blijven worden gehouden met terugbetalingen door Nederlandse mkb’ers en mkb’ers in lage- en middeninkomenslanden. Op 14 oktober a.s. zal een Algemeen Overleg van de commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking plaatsvinden over de mid-term review van het DGGF.

102

Waarom wordt voor de toeslag Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag) € 75 mln. begroot voor 2016, terwijl de begroting van vorig jaar voor datzelfde jaar 2016 nog € 26 mln. meer uittrok; er was toen namelijk € 101 mln. begroot?

En op basis van welke informatie wordt de begroting van de TKI-toeslag voor het jaar 2016 € 24 mln. hoger geraamd dan het bedrag dat voor 2015 in de boeken staat? Waarom telkens die grote mutaties?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 177.

103

Wat was de inhoudelijke achtergrond van de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie?

Antwoord

In het arrest van het Hof van Justitie van de EU is aangegeven dat een belastingplichtige die naast economische activiteiten ook niet-economische activiteiten verricht, geen aftrek heeft van btw die is toe te rekenen aan die niet-economische activiteiten. Aan de hand van dit arrest heeft de Belastingdienst bepaald dat de kennisinstellingen STW en TNO een beperking hebben van het recht op aftrek van btw op inkoopkosten, waardoor deze kennisinstellingen geconfronteerd worden met hogere netto inkoopkosten. Voor dit effect wordt gecompenseerd via het budget.

104

Uit welke budget komt de € 3,5 mln. voor de verhoging van het ICT-beleid?

Antwoord

Deze € 3,5 mln. komt uit de Aanvullende post van de Rijksbegroting. Hierop zijn bij Voorjaarsnota 2015 (Kamerstuk 34 210, nr. 1) middelen gereserveerd voor de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI). Vanuit de Aanvullende post worden de middelen beschikbaar gesteld aan de opdrachtgevers voor de verschillende voorzieningen op basis van daartoe ingediende bestedingsplannen. De € 3,5 mln. betreft de bijdrage die EZ ontvangt voor beheer en toezicht op het eID-stelsel in 2016.

105

Is de doelstelling van het Dutch Venture Initiative (DVI) gehaald, om naast € 150 mln. van de Nederlandse overheid, het fonds met € 300 mln. via andere private investeerders aan te vullen? Is aan de extra € 100 mln. ook een voorwaarde verbonden om het fonds verder met privaat geld aan te vullen?

Antwoord

Vanuit de overheid is in totaal € 100 mln. toegewezen aan het eerste DVI fonds. Daar is door het Europees Investerings Fonds/EIF € 52,5 mln., en door de Brabant Ontwikkelings Maatschappij € 5 mln. aan toegevoegd. Het eerste DVI-fonds heeft daarmee een investeringscapaciteit van € 157,5 mln.

De indicator die aangeeft hoeveel risicokapitaal via acht DVI-fondsen in totaal (private en overheidsbijdrage) beschikbaar is voor innovatieve ondernemingen bedraagt per 30 juni 2015 ruim € 800 mln.

Met de extra € 100 mln. vanuit de overheid voor het tweede DVI-fonds wordt geprobeerd om ook weer (privaat) geld aan te trekken. Dit zal bij voorbaat een grotere omvang hebben dan bij het eerste DVI fonds, omdat het EIF voor het tweede DVI-fonds met € 100 mln. meer middelen beschikbaar heeft gesteld dan de € 52,5 mln. voor het eerste fonds. Daarnaast wordt nog gesproken met institutionele beleggers over deelname in het tweede DVI-fonds.

106

Kunt u aangeven welke bezuinigingen genomen zijn ter dekking van de lagere aardgasbaten?

Antwoord

De begrotingsregels van het kabinet gaan gedurende de kabinetsperiode uit van een scheiding tussen de inkomsten en uitgaven (begrotingsregel 1). De aardgasbaten («delfstofbaten») zijn niet-belastingontvangsten die als negatieve uitgaven worden beschouwd. Op basis van begrotingsregel 13 worden de aardgasbaten als niet relevant voor het uitgavenkader beschouwd (maar wel relevant voor het EMU-saldo). De lagere aardgasbaten worden dus niet direct gecompenseerd door lagere uitgaven of hogere belastingen. Meevallers in de gasbaten komen ten gunste van het EMU-saldo, tegenvallers belasten het EMU-saldo. In de Miljoenennota 2016 is dit ook zichtbaar gemaakt.

107

Op blz. 25 staat dat de gasbaten in 2016 € 6,783 mld. zullen bedragen. Hoe verhoudt dit zich tot blz. 3 en 7 van het wetsvoorstel, waar bij artikel 14 een bedrag van € 6,386 mld. staat? Hoe kan dit verschil verklaard worden?

Antwoord

Op pagina 25 wordt de totaalstand (€ 6,783 mld.) weergegeven van alle ontvangsten die binnenkomen op de EZ-begroting en worden de belangrijkste mutaties toegelicht. Het grootste gedeelte van die ontvangsten (€ 6,386 mld.) komt binnen op artikel 14 «een doelmatige en duurzame energievoorziening». Veruit het grootste gedeelte daarvan bestaat uit de aardgasbaten, deze zijn in 2016 op € 5,7 mld. geraamd. De overige inkomsten op artikel 14 betreffen onder andere de Opslag Duurzame Energie (ODE, € 494 mln.) en de COVA heffing (€ 111 mln.).

108

Waarom wordt nog uitgegaan van een gaswinning van 33 kubieke meter in 2016 en niet 30 zoals in 2015? Betekent dit dat de gasbaten niet € 6,8 mld. zullen bedragen, maar € 6,2 mld.?

Antwoord

Het huidige niveau van gaswinning uit het Groningenveld is gebaseerd op de minimaal benodigde hoeveelheid om de leveringszekerheid in een koud jaar te kunnen garanderen. Netbeheerder Gasunie Transport Services (GTS) heeft in haar onderzoek uit 2013 aangegeven dat uit oogpunt van leveringszekerheid in een koud jaar een volume van 33 miljard m3 gaswinning uit het Groningenveld noodzakelijk is. Dankzij de eenmalige beschikbaarheid van 3 miljard m3 uit de gasopslag Norg kon het plafond voor 2015 lager vastgesteld worden, namelijk op een niveau van 30 miljard m3. In lijn met het besluit over 2015 is het kabinet voor het gasjaar 2015/2016 voorlopig uitgegaan van het niveau dat noodzakelijk is voor de leveringszekerheid, waarbij echter wordt bezien of een lager niveau van gaswinning mogelijk is. Het kabinet doet daartoe onderzoek langs twee sporen. Het eerste spoor doet onderzoek naar een verantwoord niveau van gaswinning en het tweede spoor richt zich op de mogelijkheid van omkering van het gassysteem. Indien uit de onderzoekssporen en de aangekondigde actualisatie van het leveringszekerheidonderzoek van GTS aan het eind van dit jaar blijkt dat de gaswinning lager kan worden vastgesteld, dan zal het kabinet daartoe overgaan en de begroting daarop aanpassen. Ik zal uw Kamer separaat nader informeren over het besluitvormingsproces.

109

Hoe verklaart u de verhoging van de gaswinning in Groningen naar 33 miljard m3 in 2016?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 108.

110

Hoe schat u de risico’s van de verhoging van de gaswinning in Groningen in 2016 in, gezien adviezen die er liggen over de kans op aardbevingen?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 108.

111

Kunt u verklaren waarom de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) niet meebetaalt aan de organisatie van de overheidsdienst Groningen? Waarom niet?

Antwoord

De Nationaal Coördinator Groningen werkt aan de formulering en uitvoering van het Meerjarenprogramma Aardbevingsbestendig en Kansrijk Groningen. Hij voert publieke regie op de aanpak van de aardbevingsproblematiek. Deze regierol vereist dat de onafhankelijkheid van de NCG ten opzichte van de specifieke belanghebbenden is geborgd. Bij de bijzondere rol van de NCG als overheidsorganisatie past geen private bekostiging door NAM van de organisatiekosten. Dit geldt ook voor de overheidsdienst Groningen die de Nationaal Coördinator Groningen ondersteunt in zijn taak.

112

Kunt u verzekeren dat NAM de kosten voor versterkingen en schade vergoed en niet de overheidsdienst Groningen?

Antwoord

De NAM heeft vanuit wettelijke kaders verantwoordelijkheden rond schadeherstel en versterken. Met de instelling van de NCG zijn de bestaande verantwoordelijkheden niet gewijzigd.

113

Kunt u toelichten wat er gebeurt met de 12 miljoen voor de organisatie voor de overheidsdienst Groningen? Om hoeveel fte gaat het dan, of zijn er ook andere kosten? Kunt u hier een overzicht van geven?

Antwoord

Het begrote bedrag voor de organisatie, € 12 mln. in 2016, is bestemd voor apparaatskosten, met name personeel en huisvesting. In de begroting is uitgegaan van circa 100 fte. Zie hierover ook de beantwoording van de het verzoek om een schriftelijke toelichting op de financiering van de Rijksdienst Groningen (Kamerstuk 2015Z16360/2015D34990).

114

Kunt u toelichten hoe de versterking van de energiedirecties zich verhoudt met de huidige bezuinigingen bij het departement?

Antwoord

De apparaatstaakstelling bij EZ heeft geleid tot een reductie van de apparaatsuitgaven die de komende jaren verder oploopt. Om de uitdagingen op het gebied van het energiebeleid, zoals de energietransitie, goed op te pakken, acht ik de versterking van de energiedirecties echter noodzakelijk.

115

Wat voor vergoeding krijgt de nationaal coördinator Groningen voor zijn werkzaamheden?

Antwoord

Bij het vaststellen van het salaris van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) is rekening gehouden met de WNT-norm die per januari 2015 is bijgesteld naar het niveau van een Minister, zijnde een bedrag van € 178.000. De vergoeding voor de NCG bestaat uit een bezoldiging overeenkomstig schaal 18, trede 10 (€ 7.807,05 bruto per maand op basis van 36uur per week) van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA 1984) op basis van 32 uur per week. Daarnaast ontvangt de NCG een aan de functie verbonden representatie-vergoeding van € 403,60 bruto per maand. Verder heeft de NCG een dienstauto met chauffeur tot zijn beschikking.

116

Kunt u inzichtelijk maken hoeveel nevenfuncties de nationaal coördinator Groningen heeft naast zijn werkzaamheden als coördinator en hoe zich die verhouden tot deze werkzaamheden?

Antwoord

Naast zijn functie als Nationaal Coördinator Groningen heeft dhr. Alders de volgende nevenfuncties:

  • Directeur Hans Alders Procesregie & Advies BV

  • Voorzitterschap Alderstafel Lelystad

  • Voorzitter Omgevingsraad Schiphol

  • Voorzitter Bestuurlijk Overleg Mosseltransitie

  • President Commissaris Prorail

  • President Pensioensfonds PFSZ

  • Voorzitter Raad van Commissarissen AOG

Deze functies houden geen verband met zijn werkzaamheden als Nationaal Coördinator Groningen en vormen daarom geen belemmering voor de uitvoering van zijn functie.

117

Kunt u inzichtelijk maken hoeveel tijd de nationaal coördinator Groningen per week besteedt aan zijn werkzaamheden als coördinator en waarom is dat voldoende om zijn rol als coördinator goed uit te kunnen oefenen?

Antwoord

De functie van Nationaal Coördinator Groningen betreft een aanstelling voor 32 uur in de week. Deze aanstelling heb ik voldoende geacht voor een gedegen uitvoering van zijn taken en verantwoordelijkheden.

118

Wat is de meerjarige prognose van het fonds ondernemingsklimaat Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) bij een verder aantrekkende economie en in hoeverre zijn die effecten verwerkt in de meerjarenprognose? Wat betekent dit voor het risicoprofiel (€ 8,6 mln.) en prognose? En wanneer is het BMKB niet langer noodzakelijk?

Antwoord

Voor de regeling Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) is meerjarig voor garantieverplichtingen jaarlijks € 765 mln. begroot. Voor bruto schade uitgaven is in 2016 € 42,6 mln. begroot, daarna structureel jaarlijks € 37,6 mln. De kosten nemen de komende jaren naar verwachting af, omdat er minder verliesdeclaraties worden ingediend in een groeiende economie. In de meerjarenprognose is rekening gehouden met het aantrekken van de economie. Er blijft jaarlijks € 8,6 mln. beschikbaar voor schades die de inkomsten overtreffen. Het verloop van zowel verleende als ingeroepen borgstellingskredieten fluctueert sterk met de ontwikkeling van de economie. Voor de begrotingsbehandeling Dit najaar zal ik u naar aanleiding van de meest recente evaluatie verder informeren.

119

Hoe kan het dat de uitstaande garanties voor de Borgstelling MKB-kredieten in 2015 lager zijn dan in 2014?

Antwoord

In 2010 en 2011 is het aantal verleende borgstellingskredieten fors hoger geweest dan het langjarig gemiddelde. Aangezien er de jaren daarna gemiddeld minder borgstellingskredieten zijn verstrekt, en de borgstellingskredieten gedurende de looptijd van maximaal 12 jaar worden afgebouwd, is het totaal aan uitstaande garanties de afgelopen jaren afgenomen.

120

Wat is de reden van de grote toename aan uitstaande garanties van de garantie scheepsnieuwbouw?

Antwoord

De toename aan uitstaande garanties is gebaseerd op een raming van de te verlenen garanties in 2015. Deze zijn opgeteld bij de uitstaande garanties 2014.

121

Waarom is het garantieplafond van de garantie scheepsnieuwbouw vier keer zo hoog als de raming van te verlenen garanties in 2015?

Antwoord

Op basis van de beleidsdoorlichting van artikel 12 en 13 van de EZ begroting (Kamerstuk 30 991, nr. 23) kan worden vastgesteld dat van het gehele beleidsbudget voor innovatie en ondernemerschap (fiscale regelingen, leningen, garanties en subsidies) bijna 80% naar het mkb gaat. Het gaat hierbij zowel om generieke regelingen zoals de fiscale stimulering van innovatie (WBSO en RDA) als financiering (o.a. BMKB en Innovatiekrediet) en specifieke regelingen voor de topsectoren (o.a. TKI-toeslag en mkb-innovatiestimulering (MIT).

Ten aanzien van de specifieke regelingen van het topsectoren-budget wordt in de overzichtstabel «bedrijfslevenbeleid en topsectoren» op pagina 21 en 22 van de begroting van EZ een overzicht gegeven.

Binnen artikel 12 en 13 van de EZ-begroting zijn alleen de MIT en Internationaal innoveren (JTI’s /Eurekaclusters) instrumenten waarbij middelen rechtsreeks aan bedrijven in de Topsectoren beschikbaar worden gesteld. Ten aanzien van het percentage dat terecht komt bij het mkb kan worden aangegeven dat dit voor de MIT 100% is en bij Internationaal innoveren ca. 24%.

Voor de overige regelingen in de overzichtstabel die gericht zijn op de topsectorenaanpak geldt dat zij indirect (mede) aan het mkb ten gunste komen. Zo blijkt uit de Monitor Bedrijvenbeleid bijvoorbeeld dat de TKI-toeslag wordt ingezet voor publiek private projecten waarin veel bedrijven participeren. Van het aantal participaties in 2014 was 70% mkb. Zie verder het antwoord op vraag 182.

122

Waarom is het garantieplafond voor de groeifaciliteit lager dan de geraamde te verlenen garanties in 2015?

Antwoord

Het verschil komt doordat het achtergestelde leningenfonds van het NLII mogelijk gebruik zal gaan maken van de Groeifaciliteit in 2015. Er is ruimte gemaakt om dit te accommoderen als het achtergestelde leningenfonds dit jaar wordt geaccrediteerd en eventueel al van de Garantieruimte in 2015 gebruik zou willen maken.

123

Wat is de oorzaak van de wijziging van de evaluatiedatum van de Groeifaciliteit van 2016 (zoals aanvankelijk voorgenomen) naar 2019? Kan een lijst met bedrijven die in 2013–2014 en 2015 gebruik hebben gemaakt van de regeling aan de Kamer gezonden worden?

Antwoord

De oorzaak van het wijzigen van de evaluatiedatum is dat de NLII met het achtergestelde leningenfonds gebruik zal gaan maken van de Groeifaciliteit. Een evaluatie in 2016 zou midden in de periode vallen dat het achtergestelde leningenfonds gebruik maakt van de Groeifaciliteit. Om het achtergestelde leningenfonds continuïteit te bieden en het gebruik van het achtergestelde leningenfonds mee te nemen in de evaluatie is ervoor gekozen de horizon, die voor juli 2017 stond, te verschuiven en het evaluatiemoment daarop te laten aansluiten.

De Groeifaciliteit verstrekt een garantie aan financiers die risicodragend vermogen verstrekken aan bedrijven. De overeenkomst die de overheid treft voor een garantie is met de deelnemende financiers en niet met de bedrijven. De bedrijven kan de overheid dan ook niet openbaar maken, wel de deelnemende financiers aan de Groeifaciliteit. De deelnemende financiers zijn te vinden op de website van RVO.NL onder het kopje «welke financiers doen mee» bij de Groeifaciliteit.

124

Wat is de berekening van de 7% premie die gevraagd wordt bij subsidie die een deel van de gemaakte kosten uitkeert bij aardwarmteboring?

Antwoord

De premie is gericht op het tot stand brengen van een revolverend fonds. De 7% premie wordt in het fonds gestort en kan eventueel worden benut voor de uitkering. Projecten worden verzekerd voor de waarde (temperatuur, druk en volume) die met 90% zekerheid wordt aangetroffen. Concreet betekent dit dat in 90% van de gevallen het gerealiseerde thermische vermogen (warmte) gelijk of groter zal zijn dan vooraf is berekend. Daaruit volgt dat in principe de overige 10% van de projecten een claim legt op de garantieregeling. Dat zal echter niet altijd voor het volle bedrag zijn. Een premie van 7% voldoet op de lange termijn om aan deze claims tegemoet te komen. In de voorbereiding van de regeling is zeker gesteld dat de premie door initiatiefnemers van aardwarmteprojecten als redelijk wordt gezien.

125

Wat wordt bedoelt met de zin dat aardwarmte «binnen de SDE+ een van de gunstigste opties» is, terwijl daarnaast gesteld wordt dat «aardwarmte tevens een belangrijke optie is voor het halen van de energie- en klimaatdoelen van EZ en de glastuinbouw»?

Antwoord

Aardwarmte projecten hebben een relatief lage onrendabele top en kunnen dus met minder subsidie toe. Binnen de SDE+ komen zij in de laagste categorie uit. Mede om die reden kunnen aardwarmte projecten, bijvoorbeeld in de glastuinbouw, bijdragen aan het behalen van de duurzaamheidsdoelen.

126

Hoeveel succesvolle aardwarmteprojecten zijn er op dit moment en hoeveel worden er verwacht?

Antwoord

Er zijn op dit moment 12 aardwarmteprojecten operationeel, allemaal in de glastuinbouw. Ongeveer eenzelfde aantal projecten is in voorbereiding. Deze hebben bijvoorbeeld al een SDE+ beschikking en beschikken over de garantieregeling voor geothermieprojecten. Om deze projecten snel operationeel te krijgen, wordt met betrokken actoren gewerkt aan het wegnemen van belemmeringen voor deze projecten in het kader van het Actieplan aardwarmte (2011) en het Versnellingsplan aardwarmte glastuinbouw (2014).

127

Wat is het verwachte aandeel van energielevering door aardwarmte?

Antwoord

De schattingen lopen uiteen. De doelstelling is 11 PJ in 2020 conform het Actieplan aardwarmte.

128

Welke risico's zijn er van een steeds in omvang toenemende exit van beleggers in fossiele industrie?

Antwoord

Ik voorzie voor de korte en middellange termijn geen risico’s op dit punt. Wel zie ik een ontwikkeling waarin beleggers meer dan vroeger geneigd zijn om beleggingen in fossiele energie achter te stellen bij beleggingen in hernieuwbare energie. Dat is een logische wijziging in beleggingsgedrag aangezien fossiele voorraden in de toekomst tegen steeds hogere kosten winbaar zullen zijn, terwijl investeringen in hernieuwbare energie nog relatief jong zijn en de kosten ervan op termijn wellicht lager zullen zijn dan bij de winning van fossiele voorraden.

Daarnaast is er een groeiend aantal beleggers dat zich vanuit klimaatoverwegingen terugtrekt uit fossiele brandstoffen. Deze groep beleggers is echter niet zo groot dat dit een risico vormt voor fossiele brandstoffenindustrie. Daarnaast blijven ook beleggers juist vanuit klimaatoverwegingen wel actief in het beleggen in de fossiele brandstoffenindustrie omdat actief aandeelhouderschap ook invloed met zich meebrengt.

Overigens betekent een toenemende exit van beleggers uit de fossiele brandstoffenindustrie niet dat aandelen of financiering verloren gaan, maar enkel dat deze in handen komen van andere beleggers.

129

Welk percentage van de inschrijvingen voor de Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+-regeling) hebben tot nu toe in 2015 betrekking op biomassa (bijstook)? Hoe was dit in 2012, 2013 en 2014? Welk percentage betreft het in 2016 t/m 2023?

Antwoord

Met ingang van 2015 kan er ook SDE+ subsidie worden aangevraagd voor de meestook van biomassa in kolencentrales. Uit de stand van zaken van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.NL) blijkt dat op 10 september 3 aanvragen voor de bij- en meestook van biomassa zijn ingediend. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3, zijn de toekomstige inschrijvingen onzeker. Wel is het maximum aan meestook bepaald op totaal 25 petajoule (PJ) per jaar.

130

Klopt het dat van de SDE+ voor 2015 nog slechts € 0,5 mld. over is? Klopt het dat overgrote deel naar biomassa en wind is gegaan?

Antwoord

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.NL) publiceert als uitvoerder van de SDE+ regeling periodiek een overzicht van de stand van de projectaanvragen. Ik verwijs naar de website van RVO.NL voor de meest recente stand van zaken (vindplaats http://www.rvo.nl/subsidies-regelingen/stimulering-duurzame-energieproductie-sde). Uit het overzicht van 10 september 2015 kan opgemaakt worden dat de beschikbare verplichtingenruimte voor 2015 van € 3,5 mld. ruim is overtekend. Momenteel is RVO.NL bezig met de beoordeling van de ingediende projectaanvragen en om deze vervolgens te beschikken. Pas na afronding van dit proces is een zinvolle uitsplitsing per technologie te maken.

131

Klopt het dat er slechts 40 zon-PV projecten zijn gehonoreerd voor SDE+? Klopt het er al 16 PV-projecten zijn afgewezen?

Antwoord

Uit informatie van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.NL) blijkt dat op 10 september 40 zon-PV projecten zijn gehonoreerd. 16 projecten zijn ingetrokken door de aanvrager of afgewezen omdat de aanvraag inhoudelijk niet voldeed.

132

Hoeveel SDE+ middelen zullen er tot 2020 respectievelijk 2023 worden uitgegeven aan biomassa (bijstook)? Hoeveel SDE+ middelen zullen er tot 2020 respectievelijk 2023 worden uitgegeven aan wind? Hoeveel SDE+ middelen zullen er tot 2020 respectievelijk 2023 worden uitgegeven aan zon-PV? Hoeveel SDE+ middelen zullen er tot 2020 respectievelijk 2023 worden uitgegeven aan warmte?

Antwoord

Met uitzondering van wind op zee wordt in de SDE+ ex ante geen specifiek budget per categorie wordt gereserveerd. Hierdoor is ex ante een uitsplitsing per technologie niet te geven. Zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 3.

133

Wordt overwogen om de middelen SDE+ die aan biomassa-bijstook wordt besteed te maximeren? Wordt overwogen om voor de middelen SDE+ die aan zon en wind worden besteed een substantieel bedrag te reserveren?

Antwoord

Nee. Het maximum aan meestook is bepaald op totaal 25 PJ per jaar. Op deze manier worden de SDE+ middelen die aan biomassa-bijstook worden besteed al indirect gemaximeerd. Indien de volledige 25 PJ (maximale productie van hernieuwbare energie per jaar door bij- en meestook) dit jaar beschikt wordt tegen de door ECN en DNV GL berekende basisbedragen is een verplichtingenruimte nodig van circa € 4,3 mld. Naar de huidige inzichten zou daarvan dan circa € 3 mld. daadwerkelijk worden uitbetaald in een periode van 8 jaar. Verder wordt niet overwogen om een substantieel deel van de SDE+ middelen voor zon en wind te reserveren. In het Energieakkoord is afgesproken om het aandeel hernieuwbare energie te laten stijgen tot 14% in 2020 en 16% in 2023. Om deze doelstelling te halen hebben we het totale potentieel aan hernieuwbare energie projecten nodig. Er zijn door middel van de Opslag Duurzame Energie voldoende middelen gereserveerd om deze uitrol mogelijk te maken. Het instellen van schotten in de SDE+ is daarom niet nodig en ook onwenselijk aangezien de systematiek van de SDE+ gericht is op concurrentie tussen technieken en projecten. Daarnaast kan het instellen van schotten er ook toe leiden dat er in een jaar budget niet kan worden beschikt omdat er geen wind of zonprojecten meer zijn. Hiermee wordt de uitrol van hernieuwbare energie onnodig vertraagd.

134

Welke bedrijven zullen onder het wetsvoorstel over vitale infrastructuur en het verwerven van overwegende zeggenschap in deze bedrijven gaan vallen?

Antwoord

De wet zal de Minister van Economische Zaken bevoegd maken ter bescherming van het publiek belang bedrijven aan te wijzen die direct of indirect feitelijke macht kunnen uitoefenen over een elektronisch communicatienetwerk of dienst waarvan misbruik of uitval kan leiden tot een bedreiging van het publiek belang. Voor de aangewezen bedrijven zal een bepaald wettelijk regime gelden op grond waarvan onder meer een verklaring van geen bezwaar van de Minister van Economische Zaken vereist zal zijn bij de benoeming van bestuurders en commissarissen. Vooralsnog bestaat alleen het voornemen om KPN aan te wijzen.

135

Kan een overzicht worden gegeven van de totale bedragen die aan PIANOo/TenderNed ter beschikking worden gesteld en waaruit duidelijk wordt welk deel voor TenderNed is en welk deel voor de overige onderdelen van PIANOo?

Antwoord

Voor TenderNed is op de begroting voor personeelskosten in 2016 een budget van € 1,090 mln. gereserveerd (artikel 40). Daarnaast is een bedrag van € 5,985 mln. beschikbaar voor materiële kosten, kosten voor gebruikersbegeleiding en communicatie, beheer, ontwikkeling en servicedesk en voor de verdere doorontwikkeling van TenderNed door DICTU (artikel 11). Het voor TenderNed beschikbaar gestelde budget is daarmee vrijwel gelijk aan het budget voor 2015.

Voor PIANOo zijn op de EZ-begroting in 2016 geen middelen beschikbaar gesteld. Reden hiervoor is dat naar aanleiding van de evaluatie van PIANOo (Kamerstuk 30 501, nr. 35) momenteel een organisatorische herpositionering van PIANOo wordt onderzocht. Hierdoor is de exacte hoogte van de kosten voor 2016 nog niet duidelijk. Dat neemt niet weg dat PIANOo haar huidige werkzaamheden volgend uit wettelijke taken ook volgend jaar zal voortzetten. Om die reden is besloten de kosten voor PIANOo mee te nemen in het kader van de voorjaarsnota 2016. Wanneer er meer duidelijkheid is over de toekomstige positionering van PIANOo zal ik uw Kamer hierover nader informeren.

136

Wanneer verwacht u dat meer dan 50% van de huishoudens over een DAB+ ontvanger beschikt en de analoge FM afgeschakeld kan worden? Heeft u al een alternatieve bestemming voor de dan vrijvallende frequentieruimte?

Antwoord

In het kader van het verlengings- en digitaliseringsbeleid voor de Nederlandse etherradio zoals dat vanaf 2011 in gang is gezet, is aangegeven dat bij een penetratiegraad van 50% DAB+ radio’s er een afschakeldatum voor de analoge FM bepaald kan worden. In mijn brief over de toekomst van de commerciële radiofrequenties van 26 juni 2015 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 24 095, nr. 384) heb ik aangegeven dat het niet waarschijnlijk is dat die 50% al in 2016 gehaald zal worden en dat het bepalen van een afschakeldatum daarom nog niet opportuun is. Wanneer die 50% wel bereikt zal worden, is op dit moment lastig te zeggen. In mijn brief over het voorgenomen besluit om de commerciële radiovergunningen te verlengen voor een periode van vijf jaar (2017–2022; Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 24 095, nr. 391) heb ik aangegeven dat er een robuust plan van de sector nodig is om de digitalisering van de radio te versnellen. Onafhankelijke experts zullen dit plan toetsen om zeker te stellen dat die versnelling bij een verlenging deugdelijk is onderbouwd. Er is op dit moment nog geen alternatieve bestemming voor de analoge FM-band.

137

Door hoeveel storingen is TenderNed in 2014 getroffen en hoe lang was de totale downtime van TenderNed op werkdagen tussen 9 uur ’s ochtends en 5 uur ’s middags? Hoe groot was dit aantal en hoe lang was deze downtime in de eerste helft van 2015?

Antwoord

In 2014 werd TenderNed getroffen door 12 storingen die tot gevolg hadden dat TenderNed in totaal 25,95 uur niet bereikbaar was op werkdagen tussen 9 uur ’s ochtends en 5 uur ’s middags. In 2015 is TenderNed tot 1 oktober getroffen door 21 storingen waardoor TenderNed op werkdagen tussen 9 uur ’s ochtends en 5 uur ’s middags in totaal 22,42 uur onbereikbaar was. Dit betrof 20,25 uur in het eerste half jaar (90,4%) en 2,17 uur in de maanden juli tot en met september (9,6%). Deze cijfers betreffen zowel storingen op de TenderNed applicatie als storingen door externe factoren, zoals een stroomstoring. Op 30 juni heb ik in antwoord op Kamervragen van het lid Gesthuizen aangegeven dat naar aanleiding van de storingen een gedeelte van de infrastructuur van TenderNed op maandag 22 juni jl. is aangepast. Dat heeft mogelijk geleid tot de oplossing van een belangrijk knelpunt. In de laatste maanden is de storingstijd significant afgenomen.

138

Hoe groot zal de veilingopbrengst van de 700 Mhz-band zijn na herbestemming, de opbrengsten van de veiling van de Duitse 700 Mhz-band in acht genomen?

Antwoord

Over de te verwachten veilingopbrengst van de 700 MHz frequenties in Nederland is nog niets te zeggen. In het algemeen geldt dat internationale vergelijkingen lastig, zo niet onmogelijk te maken zijn. Specifieke nationale factoren en het moment van veilen bepalen de veilingopbrengst. Zo heeft Duitsland de betreffende vergunningen reeds geveild en zal de veiling in Nederland nog een aantal jaar op zich laten wachten. Voorts verschillen de specifieke marktcondities (bijvoorbeeld ten aanzien van dekkingsvereisten, reeds aanwezige netwerken, rurale of urbane kenmerken).

139

Hoe verklaart u de afname van de uitgaven aan het Agentschap Telecom (AT) terwijl volgens dit Agentschap de komende jaren de werkdruk toeneemt wegens intensivering van Internet of Things, wat onder het toezicht van AT valt?

Antwoord

De afname van de uitgaven aan het Agentschap Telecom (AT) komen voort uit het feit dat AT meedeelt in de taakstelling die op het Ministerie van Economische Zaken is gelegd in het kader van de regeerakkoorden Rutte I en II. Het agentschap handelt binnen dit financiële kader, en ziet een toenemend belang voor de aandacht voor een betrouwbare telecom- en internetvoorziening, mede geïllustreerd door de opkomst van het Internet of Things.

140

Klopt het dat de drie leden van de leden van Bestuur van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) gezamenlijk € 375.000,– verdienen? Hoe is dit verdeeld tussen de drie bestuursleden?

Antwoord

De bezoldigingen worden gepubliceerd in het jaarverslag van EZ conform de Wet Normering Topinkomens (WNT). De bezoldiging van de drie bestuursleden van ACM wordt voor 2016 als volgt begroot: de heer Fonteijn € 218.290, mevrouw Vegter € 166.740, de heer Don € 151.249. Het totaal van deze bedragen is € 536.279. De bezoldigingen voldoen aan de hierin opgenomen voorwaarden. De WNT-grens van € 178.000 geldt voor werknemers die vanaf 1 januari 2015 in dienst zijn getreden. Voor werknemers die voor 2013 al in dienst waren dan wel met wie vóór 2013 afspraken zijn gemaakt, geldt overgangsrecht. Voor bestuursleden Fonteijn en Don geldt overgangsrecht; zij zijn vóór 2013 in dienst getreden. Dit duurt 7 jaar (2013 t/m 2019). Het bedrag van € 375.000 is tot stand gekomen na verwerking van het standaard taakstellingspercentage dat ZBO’s is opgelegd in het kader van de apparaatstaakstelling in het Regeerakkoord. Omdat op de begrotingspost waar deze korting op belegd werd uitsluitend de bezoldiging van de drie bestuursleden wordt geraamd, blijkt deze korting niet uitvoerbaar. Bij de eerste suppletoire begroting 2016 zal dit gecorrigeerd worden door de korting in mindering te brengen op de raming van de EZ-begroting waar de uitgaven van de organisatie ACM geraamd worden.

141

Kan aangegeven worden welk bedrag door Expertisecentrum/Ontwikkelingscentrum Rijk en Dienst ICT Uitvoering(DICTU) aan TenderNed wordt besteed?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 135.

142

Hoeveel geld is er gereserveerd voor de voorbereidingen voor het Universal Postal Union Congres?

Antwoord

De Universal Postal Union (UPU) is een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties. Het Congres, het hoogste orgaan van de Unie bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten, houdt elke vier jaar zitting. In 2016 zal het Congres bijeenkomen in Istanbul. Tijdens het Congres wordt onderhandeld over wijziging en herziening van de verdragen van de Unie, waarin onder meer internationale afspraken worden gemaakt ten aanzien van de minimumvereisten aan de internationale postdienstverlening. De voorbereidingen van het UPU Congres vinden plaats binnen de reguliere werkzaamheden, daarvoor is geen aanvullend budget beschikbaar gesteld.

143

Wat is de laatste stand van zaken hoeveel procent van het bruto binnenlands product aan onderzoek en ontwikkeling wordt uitgegeven?

Antwoord

In de begroting zijn gegevens gepresenteerd over de R&D-uitgaven als percentage van het bruto binnenlands product in 2013. Bij de absolute omvang van de R&D-uitgaven is de stand van zaken niet veranderd ten opzichte van het beeld dat in de begroting wordt gegeven. Het cijfer voor het bruto binnenlands product over 2013 is inmiddels 1,25% naar boven bijgesteld door het CBS. Indien het nieuwe cijfer voor het bruto binnenlands product wordt gehanteerd, bedragen de R&D-uitgaven in 2013 1,96% van het bruto binnenlands product, waarvan 1,09%-punt in de private sector en 0,87%-punt in de publieke sector. In november zijn voorlopige cijfers van het CBS over de R&D-uitgaven in 2014 te verwachten.

144

Hoe groot is het bedrag en het percentage uit het topsectoren-budget dat naar het mkb gaat?

Antwoord

Op basis van de beleidsdoorlichting van artikel 12 en 13 van de EZ begroting (Kamerstuk 30 991, nr. 23) kan worden vastgesteld dat van het gehele beleidsbudget voor innovatie en ondernemerschap (fiscale regelingen, leningen, garanties en subsidies) bijna 80% naar het mkb gaat. Het gaat hierbij zowel om generieke regelingen zoals de fiscale stimulering van innovatie (WBSO en RDA) als financiering (o.a. BMKB en Innovatiekrediet) en specifieke regelingen voor de topsectoren (o.a. TKI-toeslag en mkb-innovatiestimulering (MIT)).

Ten aanzien van de specifieke regelingen van het topsectoren-budget wordt in de overzichtstabel «bedrijfslevenbeleid en topsectoren» op pagina 21 en 22 van de begroting van EZ een overzicht gegeven. Binnen artikel 12 en 13 van de EZ-begroting zijn alleen de MIT en Internationaal innoveren (JTI’s /Eurekaclusters).

145

Klopt het dat de vaste rijksbijdrage voor de kennisbasis van het Maritiem Research Instituut Nederland (MARIN) onder de grens van € 3,7 mln. zakt die binnen in de gouden driehoek met de MARIN Stakeholders Association (MSA) is afgesproken? Wat is het bedrag dat voor 2016, 2017 en 2018 wordt begroot?

Antwoord

Het onderzoek van MARIN wordt door meerdere ministeries gefinancierd, bijvoorbeeld door EZ en Defensie. Die financiering kent verschillende vormen, zoals subsidies voor strategisch onderzoek en opdrachten voor programma’s of projecten.

Het Ministerie van EZ ondersteunt het onderzoek van MARIN onder meer door een rente- en aflossingsvrije lening van € 6.806.703,24, door een jaarlijkse bijdrage voor de uitvoering van het MARIN R&D Plan en door de subsidieregeling TKI-toeslag.

Het Ministerie van EZ verstrekte MARIN een subsidie van € 3.729.000,– voor de uitvoering van onderzoeksprogramma’s uit het MARIN R&D Plan 2014. Ten behoeve van het onderzoek in 2015 heb ik MARIN een bedrag van in totaal € 4.617.000,– toegezegd (inclusief een eenmalig budget van € 1.250.000,– voor de uitvoering van samenwerkingsprojecten met de andere TO2-instituten).

Voor het onderzoek door MARIN in de jaren 2016, 2017 en 2018 heb ik achtereenvolgens de volgende bedragen op mijn begroting gereserveerd: € 3.288.000,–; € 3.222.000,– en € 3.203.000,–.

Het Ministerie van Defensie maakt gebruik van het onderzoek door MARIN om te kunnen voorzien in de eigen kennisbehoefte. Het daarvoor bestemde budget verschilt per jaar. Voor 2015 is een bedrag van € 790.000,– toegekend.

Bovengenoemde bedragen van EZ zijn exclusief de bijdragen die MARIN kan ontvangen dankzij de subsidieregeling TKI-toeslag. Het bedrag dat MARIN jaarlijks kan ontvangen van een TKI is afhankelijk van privaat commitment en marktontwikkelingen en wordt voor 2015 geschat op € 3 mln.

Alles overziend ontvangt MARIN vanuit de overheid meer dan de € 3,7 mln. per jaar die in de MSA (een afspraak tussen MARIN en het bedrijfsleven) is afgesproken.

146

Deelt u de mening dat de MARIN Stakeholders Association een vorm van commitment van private partijen is? Zo ja, hoe verhoudt het korten van de bijdrage voor MARIN zich dan tot het uitgangspunt van uw brief «Visie op toegepast onderzoek uit 2013», waarin wordt gesteld dat bij «toekomstige financiering rekening wordt gehouden met privaat commitment?

Antwoord

De leden van de MSA (Marin Stakeholders Association = 12 maritieme bedrijven en de gemeente Wageningen) staan sinds 2003 garant voor een lening aan MARIN ter waarde van € 8,75 mln.

Deze garantstelling bewijst dat het bedrijfsleven grote waarde hecht aan de continuïteit van het onderzoek dat MARIN uitvoert. MARIN beschikt dus over een groot draagvlak bij het bedrijfsleven.

In mijn brief d.d. 05-07-2013 (Visie op het toegepast onderzoek) heb ik u geïnformeerd dat de toekomstige financiering van de instituten verhoudingsgewijs minder gebaseerd zal zijn op vaste rijksbijdragen vooraf. Deze vaste rijksbijdrage daalt van 2011 tot 2016 met gemiddeld zo’n 20%. In plaats daarvan volgt de financiering meer dan voorheen de maatschappelijke en bedrijfsmatige vraag, het privaat commitment en de prestaties die worden geleverd. Dat levert extra privaat geld op en extra overheidsfinanciering via de TKI-toeslag. Die kan naar verwachting voor de helft neerslaan bij programma’s waarbij TO2 instituten zijn betrokken. Daarmee worden instituten gestimuleerd om zich te richten op domeinen waar de grootste economische en maatschappelijke impact kan worden behaald.

147

Is het juist dat het MARIN in verhouding met vergelijkbare toegepast onderzoeksorganisaties voor andere sectoren al veel minder overheidsfinanciering ontvangt (minder dan 10 procent van haar omzet)? Kan u aangeven hoe groot dit percentage is bij de andere kennisinstituten (TO2)? Wat is de achtergrond van deze verschillen? Waarom is de overheidsinvestering voor de luchtvaart wel op een acceptabel niveau, maar voor de maritieme sector niet?

Antwoord

Instituten voor toegepast onderzoek, zoals MARIN, ontvangen financiering van publieke en private partijen. De verhouding tussen deze twee financieringsbronnen is sterk afhankelijk van de markt waarin het instituut opereert. In een markt met veel maatschappelijke uitdagingen (bijvoorbeeld voedselvoorziening en energie) of overheidsverplichtingen (luchtvaart) zal de overheid veel kennisvragen hebben. De bijbehorende instituten zullen dus relatief veel overheidsfinanciering ontvangen. In een markt met veel en/of grote bedrijven (zoals scheepvaart en offshore) zullen de desbetreffende instituten relatief veel commerciële opdrachten uitvoeren en naar verhouding weinig overheidsfinanciering ontvangen. Voor de maritieme sector verrichten, naast MARIN, ook andere instellingen het nodige onderzoek, bijvoorbeeld universiteiten en TNO.

Het kabinet gaat in 2017 de instituten op de kwaliteit en economische en maatschappelijke impact beoordelen via visitaties en een evaluatie. Met deze evaluatie én een afweging van de verschillende behoeften aan onderzoek voor het versterken van de concurrentiekracht, maatschappelijke thema’s en beleidsmatige en wettelijke taken, kan het kabinet in 2017 een onderbouwde keuze maken voor de inzet van de rijksbijdrage in een volgende periode.

148

Is het juist dat met de huidige bezuinigingen de kennisbasis van MARIN in het gedrang komt, terwijl scheepvaartveiligheid en schoon vervoer over het water belangrijke thema’s voor het kabinet zijn?

Antwoord

Scheepvaartveiligheid en schoon vervoer zijn belangrijke thema’s voor het kabinet, met name voor het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Waar nodig en mogelijk zal MARIN door de overheid worden ingeschakeld voor uitvoeren van specifieke projecten en onderzoeken. De kennisbehoefte van de verantwoordelijke departementen op het gebied van maatschappelijke thema’s is dus medebepalend voor de rijksbijdragen aan MARIN. In die kennisbehoefte kan overigens worden voorzien door meerdere instellingen.

149

  • Waarom zijn extra middelen van € 5 mln. nodig voor de uitvoering van de WBSO door RVO.NL? Welke extra werkzaamheden gaat RVO.NL uitvoeren voor de WBSO? Wat zijn de totale middelen die RVO.NL ontvangt om de WBSO uit te voeren?

  • Hoe verhouden de extra middelen van € 5 mln. voor RVO.NL voor de uitvoering van de WBSO zich tot de toelichting op de begroting voor het RVO.NL op pagina 159, waarin wordt gesteld dat de taakstelling van Rutte II mede wordt ingevuld door een korting op de uitvoering van de WBSO?

  • Wat is de overweging om deze extra middelen voor de uitvoering van de WBSO door RVO.NL uit het TKI-toeslag budget halen?

  • Wat is de achtergrond van het toevoegen van € 1,3 mln. in 2016 en 2017 aan de bijdrage aan het RVO.NL? Welke extra activiteiten gaat het RVO.NL hiervoor uitvoeren? Welke bijdrage ontving RVO.NL voorheen voor het uitvoeren van de Rijksoctrooiwet?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar de respectievelijke antwoorden op de vragen 360, 354 en 357, 355, 359 en 361 en tenslotte 356 en 362.

150

Hoe kan het zijn dat u als raming voor 2016 een hoger percentage Research & Development (R&D) uitgaven in de publieke sector heeft genoteerd, terwijl dat niet uit de cijfers blijkt?

Antwoord

Voor 2016 is 0,9% van het bruto binnenlands product als raming gegeven. Dat is gebaseerd op een realisatie van 0,88% van het bruto binnenlands product in 2013. De raming voor 2016 is met een lagere precisie (één decimaal) gepresenteerd dan de realisatie over 2013 (twee decimalen). De raming van 0,9 is daarmee niet op te vatten als een waarde van 0,90, maar als een waarde die afgerond op 1 decimaal op 0,9 uitkomt. Die waarde heeft een bandbreedte van 0,85 tot 0,95 rondom het getal 0,90.

151

Waarom is de raming wat betreft private sector uitgaven aan R&D vastgesteld op 1,1%?

Antwoord

De raming voor 2016 is gebaseerd op een realisatie van 1,10% van het bruto binnenlands product over 2013. Hoewel een stijging van de private R&D-uitgaven als percentage van het bruto binnenlands product wordt geambieerd ten behoeve van het realiseren van de doelstelling van 2,5% van het bruto binnenlands product in 2020, is er geen raming beschikbaar waarmee zo’n stijging reeds als verwachting in het vooruitzicht kan worden gesteld. Daarom is als raming op conservatieve wijze een getal gekozen dat de realisatie over 2013 reflecteert.

152

Waarom is er qua R&D uitgaven geen streefwaarde opgenomen als het gaat om de verhouding tussen publiek en privaat?

Antwoord

Het kabinet heeft geen aparte doelstellingen voor de R&D-uitgaven in de private en de publieke sector, maar heeft als doelstelling dat de totale uitgaven aan R&D in de publieke en private sector in 2020 2,5% van het bruto binnenlands product bedragen. De doelstelling van Nederland is gekozen in het kader van de doelstelling van 3% van het bruto binnenlands product die op EU-niveau geldt voor de totale R&D-uitgaven. Ook binnen die Europese doelstelling wordt geen onderscheid gemaakt tussen een private en een publieke component. Om de doelstelling van 2,5% van het bruto binnenlands product te realiseren, is een stijging nodig. De R&D-uitgaven in de private sector zouden, kijkend naar het internationale perspectief, het meeste dienen te stijgen. Er is echter geen precieze schets te geven van een beleidsmatig na te streven verhouding tussen R&D-uitgaven in de publieke en de private sector bij het realiseren van de 2,5%-doelstelling. De samenstelling van de sectorstructuur, bijvoorbeeld verdeling tussen industrie en diensten, het aandeel hightech sectoren in de economie, is hierbij een factor. Daarnaast speelt mee dat door bedrijven gefinancierde R&D zowel privaat als publiek uitgevoerd kan worden en dus zowel in de private als de publieke sector kan neerslaan.

153

Heeft u geen ambitie meer om de private uitgaven te verhogen?

Antwoord

De ambitie van het kabinet is onveranderd om in 2020 2,5% van het BBP te besteden aan R&D. Deze doelstelling bevat zowel de publieke als de private uitgaven, maar sinds het vaststellen hiervan is geen afzonderlijk doel voor publieke en private uitgaven opgesteld. Dat is de reden dat in de begroting in het indicatoroverzicht bij streefwaarden voor de publieke en private sector «niet van toepassing» staat.

154

Wat is uw langetermijnvisie op het topsectorenbeleid?

Antwoord

Met het bedrijvenbeleid werkt het kabinet aan het versterken van het verdienvermogen van Nederland. Nederland is een welvarend land met een krachtige economie. Dit blijkt ook uit de Top-5 positie die Nederland in 2015 heeft behaald op de ranglijst van concurrentievermogen van het World Economic Forum. Dit hebben we te danken aan onze ondernemerszin, handelsgeest en het vermogen om steeds weer met vernieuwing te komen. Echter, behoud van welvaart is niet vanzelfsprekend. Opkomende economieën met nieuwe spelers en maatschappelijke ontwikkelingen op het terrein van onder andere vergrijzing, voedselzekerheid en duurzame energie leiden tot uitdagingen voor bedrijven, kennisinstellingen en overheid. Deze uitdagingen bieden tegelijkertijd ook nieuwe groeikansen voor (vernieuwende) bedrijven. Daarom is het van belang om te blijven werken aan het concurrentievermogen van de Nederlandse economie. Concreet moet Nederland de plek zijn waar ondernemers groeien en vernieuwen, waar kennis circuleert en waar duurzame oplossingen worden ontwikkeld.

Dit vraagt om een krachtig bedrijvenbeleid, dat bestaat uit twee sporen. In het eerste spoor wordt ruimte geboden aan alle ondernemers, van startups tot snelle groeiers, van grote tot kleine bedrijven, bijvoorbeeld door fiscale lastenverlichting mogelijk te maken bij uitgaven voor onderzoek en innovatie (R&D), door wet- en regelgeving toekomstbestendig te maken, door te zorgen voor voldoende financieringsmogelijkheden en door een laagdrempelige toegang tot informatie en advies. In het tweede spoor, de topsectoraanpak, worden partnerschappen tussen ondernemers, onderzoekers, onderwijsinstellingen en de overheid gecreëerd. De aanpak is gericht om via samenwerking en gezamenlijke programmering de inzet van middelen voor onderzoek en innovatie meer en beter in te zetten, om specifieke knelpunten op te lossen, om talentontwikkeling te stimuleren om internationaal ondernemen te bevorderen en verduurzaming vorm te geven en te optimaliseren. Het gaat dan niet alleen gezamenlijke agendavorming, maar ook om gezamenlijk (financieel) commitment. Hierbij moeten de verschillende partners kunnen rekenen op een consistente dienstverlening en ondersteuning vanuit de overheid. Tegen deze achtergrond zet het kabinet de topsectorenaanpak en het bredere overkoepelende bedrijvenbeleid voort.

155

Welke provincies hebben zich na Brabant en Limburg financieel verplicht aan de MIT-regeling? Welke consequenties heeft dit voor de verdeling van gelden? In hoeverre wordt provinciaal geld gematcht met rijksgelden? Klopt het bericht dat de MIT-regeling binnen 1 dag was overtekend in mei 2015? Het MIT-budget zal in 2016 afnemen met € 11 mln., welke consequenties zal dit hebben voor de innovatieve samenwerking tussen MKB-bedrijven?

Antwoord

Alle provincies met uitzondering van Noord-Holland hebben zich in 2015 verbonden aan MIT. Als gevolg van de samenwerking met de regio’s is er in 2015 € 15 mln. meer beschikbaar voor MIT dan in 2014 (namelijk in totaal € 50,5 mln.).

Door deze samenwerking met de regio’s kunnen meer mkb’ers vanuit MIT worden ondersteund bij hun innovaties. Daarnaast draagt het bij aan het stroomlijnen van regionale en nationale innovatie-instrumenten, waardoor ondernemers minder met uiteenlopende voorwaarden te maken krijgen.

In 2015 cofinanciert EZ de regionale bijdrage van € 15 mln. met 100% tot een maximum bedrag van € 15 mln.

In vergelijking met 2013 en 2014 is er sprake van meer aanvragen in 2015. In totaal is er voor circa € 80 mln. aan aanvragen ingediend. De regionale en landelijke budgetten hiervoor waren binnen enkele dagen grotendeels overtekend. Alleen in Noord en Oost verloopt de aanvraagstroom meer geleidelijk. Het onderdeel «R&D samenwerkingsproject» uit MIT wordt via tenders toebedeeld. Deze tenders zijn 15 september jl. gesloten. Zowel landelijk als regionaal zijn meer aanvragen ingediend dan er budget beschikbaar is. De afhandeling hiervan vindt de komende weken plaats. Medio november kan naar verwachting het eindbeeld worden opgemaakt.

Voor 2016 bedraagt het beschikbare verplichtingenbudget evenals in 2015 € 35,5 mln. Inzet is om in 2016 te komen tot volledige deelname vanuit de regio’s waardoor hun bijdrage kan oplopen tot

€ 20 mln., waardoor er in 2016 in totaal € 55,5 mln. voor MIT beschikbaar kan komen.

156

Klopt het dat een aantal argumenten om de Research- en Developmentaftrek (RDA) en WBSO samen te voegen ook voor de innovatiebox gelden?

Antwoord

De WBSO en de RDA zijn gericht op het verlagen van kosten van speur- en ontwikkelingswerk. De innovatiebox richt zich niet op de kosten, maar op de behaalde positieve resultaten van speur- en ontwikkelingswerk. Onder de innovatiebox wordt het gedeelte van de winst dat samenhangt met innovatieve activiteiten, als aan de voorwaarden wordt voldaan, lager belast in de vennootschapsbelasting. De innovatiebox is daarmee een belangrijk instrument voor het bevorderen van een aantrekkelijk en concurrerend vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven. De innovatiebox is in tegenstelling tot de WBSO sterk verweven met de systematiek van de vennootschapsbelasting. Gezien deze verwevenheid is het noch wenselijk noch mogelijk deze te integreren met de WBSO.

157

Heeft u overwogen om de innovatiebox en de WBSO samen te voegen?

Antwoord

Nee, zie het antwoord op vraag 156.

158

Welke invloed zal de invoering van het unitair octrooi hebben op het totaal aantal door Nederlandse bedrijven geoctrooieerde uitvindingen?

Antwoord

Het unitair octrooi maakt het voor uitvinders, bedrijven of instellingen gemakkelijker, transparanter en goedkoper om hun vinding te beschermen in Europa. Met een unitair octrooi verkrijgt een aanvrager met één aanvraag bescherming met dezelfde reikwijdte in alle deelnemende lidstaten. Dit betekent een verlaging van administratieve kosten. De octrooihouder betaalt hiervoor één jaarlijkse instandhoudingstaks. In het geval van een geschil over het unitair octrooi hoeft de octrooihouder slechts één keer te procederen in eerste aanleg, namelijk bij het Eengemaakt octrooigerecht. Dit betekent lagere proces- en advocaatkosten.

Nederlandse bedrijven die de kosten van octrooibescherming betalen uit hun R&D budget houden meer R&D budget over voor onderzoek. Hoe dat zich vertaalt in toekomstige aantallen aanvragen kan niet op voorhand worden voorspeld.

159 Hoeveel bedrijven hebben gebruik gemaakt van de WBSO sinds 2012, uitgesplitst naar Groot-, Midden- en Klein Bedrijf?

Antwoord

Onderstaande tabel geeft weer hoeveel bedrijven in 2012 tot en met 2014 een S&O-verklaring of een RDA-beschikking hebben ontvangen uitgesplitst naar Groot-, Midden- en Klein Bedrijf.

Toekenningen

2012

2013

2014

WBSO

     

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van de WBSO1

22.220

22.640

22.970

Waarvan: klein (< 50 werkzame personen)

19.550

19.383

19.693

middelgroot (50–249 werkzame personen)

2.096

2.583

2.610

groot (≥ 250 werkzame personen)

574

674

667

RDA

     

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van de RDA2

13.860

16.160

16.620

Waarvan: klein (< 50 werkzame personen)

12.381

14.188

14.644

middelgroot (50–249 werkzame personen)

1.175

1.600

1.622

groot (≥ 250 werkzame personen)

304

372

354

Bron: RVO.nl

X Noot
1

Hier wordt bedoeld: ondernemingen, kennisinstellingen en zelfstandig ondernemers met een S&O-verklaring.

X Noot
2

Hier wordt bedoeld: ondernemingen en zelfstandig ondernemers met een RDA-beschikking.

160

Waarom is er bij de MIT gekozen om samen te werken met de provincie als regionaal schaalniveau?

Antwoord

Er is bij MIT gekozen voor samenwerking op het niveau van landsdelen (Noord, Zuid, Oost, Zuidvleugel en Noordvleugel). Hiermee wordt aangesloten op de afspraken, zoals deze zijn gemaakt in de mkb-samenwerkingsagenda, die EZ, provincies en topsectoren in december 2014 hebben ondertekend.

161

Hoe kansrijk zijn Nederlandse bedrijven bij aanvragen tot gebruik van de Eurostars-regeling? Wat was het doel en wat is daarvan gerealiseerd?

Antwoord

Het doel van EZ met Eurostars-2 is om het Nederlandse hightech mkb in staat te stellen kennis te delen met Europese bedrijven en organisaties voor de uitvoering van marktgerichte innovatieprojecten. De ambitie is dat Nederland met de deelname aan Eurostars-2 tot de Europese top behoort. In de eerste drie aanvraagrondes voor Eurostars-2 was het slagingspercentage voor Nederlandse aanvragers 32%. Daarmee heeft Nederland het hoogste slagingspercentage van alle Eurostars-landen na Zwitserland.

162

Waar wordt de post Overige subsidies aan besteed?

Antwoord

De post Overige subsidies wordt voor € 3,0 mln. besteed aan de regeling Innovatie Prestatie Contracten (n.a.v. motie Van Veen), voor € 2,2 mln. aan uitfinanciering van de voormalige subsidieregeling Innovatieve Onderzoeksprogramma’s en € 0,4 mln. aan de financiering van Nederland Maritiem Land en de stichting Toekomstbeeld der Techniek. Deze bedragen staan ook als zodanig gespecificeerd op pagina 225 van de Subsidiebijlage bij de EZ-begroting.

163

Welk deel van het budget dat aan topsectoren wordt verstrekt gaat op aan overheadkosten?

Antwoord

De budgetten die beschikbaar zijn voor het topsectorenbeleid zijn in belangrijke mate gericht op uitvoering van de topsectoragenda’s, onder meer op het vlak van kennis en innovatie, human capital en internationalisering. De omvang van de Kennis & Innovatiecontracten voor 2016 en 2017 is ruim € 4 mld., waarvan ruim € 2 mld. publieke middelen. Daarnaast ontvangen de boegbeelden en de vertegenwoordigers van het MKB in de topteams een vergoeding voor hun programmerende en coördinerende werkzaamheden zoals geregeld in het Instellingsbesluit topteams (zie Staatscourant nr. 27842, besluit van de Minister van Economische Zaken van 25 augustus 2015, nr. 15115217, houdende wijziging van het Instellingsbesluit topteams in de implementatiefase topsectorenbeleid).

164

Wat is de reden dat u in de grafiek op blz. 49 regelingen die vooral door grote bedrijven gebruikt worden, zoals de innovatiebox, «topsectoren overig» of het topsectoren budget binnen de NWO, niet toegevoegd heeft?

Antwoord

In de bewuste grafiek op pagina 49 van de EZ-begroting (Artikel 12, Een sterk innovatievermogen) figuur 2a wordt getoond welk aandeel van de middelen in artikel 12 die rechtstreeks naar bedrijven vloeien verdeeld zijn over de groepen MKB en grootbedrijf. Voor de achterliggende berekening zijn de budgetten voor WBSO/RDA, MIT/IPC, Eurostars, JTI’s en Eurekaclusters in 2016 meegenomen en de gebruiksgevens (aandeel MKB in procenten) met betrekking tot 2014 (meest recente gegevens). Gegeven dit kader geeft figuur 2a een zo goed mogelijke verdeling van de EZ-middelen voor innovatie naar MKB en grootbedrijf.

In de begroting is bij de figuur aangegeven dat bijdragen aan toegepaste kennisinstellingen uit artikel 12 evenals de TKI-toeslag niet meegenomen zijn omdat die niet rechtsreeks aan bedrijven beschikbaar gesteld worden. De innovatiebox en NWO-middelen voor (fundamenteel) onderzoek zijn niet meegenomen aangezien de middelen daarvoor niet binnen de EZ-begroting vallen, maar in die van het Ministerie van Financiën respectievelijk het Ministerie van OCW. Bovendien zijn middelen van NWO niet direct gericht op innovatie, maar op (fundamenteel) onderzoek. De post «topsectoren overig» in de budgettaire overzichtstabel bij artikel 12 bestaat in 2016 deels uit middelen voor diverse «oude» programma’s die aflopen en zijn niet in de figuur meegenomen aangezien er geen nieuwe verplichtingen op worden aangegaan.

165

Bent u het eens dat dit een vertekend beeld geeft van de werkelijke verdeling van innovatiegelden tussen het mkb en het grootbedrijf?

Antwoord

Nee, zie verder antwoord op 164.

166

Klopt het dat de werkelijke verdeling, als je de innovatiebox, het NWO topsectorenbudget en de post «topsectoren overig» meeneemt, ongeveer 55% voor het grootbedrijf en 45% voor het mkb is?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 164.

167

Wat is de verwachte verdeling van de innovatie-budgetten als het plafond van het WBSO vervalt?

Antwoord

Uit een analyse van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.NL) blijkt dat bij de gekozen voordeelpercentages in combinatie met het vervallen van het plafond de verdeling van het budget over verschillende grootteklassen bedrijven naar het aantal werkzame personen (en ook de verdeling tussen MKB/grootbedrijf) in grote lijnen gelijk blijft. Naar verwachting komt 66% van het budget ten goede aan het mkb en 34% aan het grootbedrijf; dit is in overeenstemming met de verdeling in 2014.

168

Hoeveel bedrijven hebben er in totaal een MIT-subsidie aangevraagd voor het jaar 2015 en hoe groot was de overschrijding?

Antwoord

In totaal vroegen 1.950 (mkb-)bedrijven in 2015 een MIT subsidie aan, met een subsidiebeslag van € 78,8 mln. op een beschikbaar budget van € 48,3 mln. Er wordt dus voor een bedrag van € 30,5 mln. afgewezen. Dat is niet alleen omdat het subsidieplafond is bereikt maar ook omdat een deel van de aanvragen van onvoldoende kwaliteit is.

Naast de € 48,3 mln. voor projecten die door bedrijven zijn ingediend, is er een bedrag van € 2,2 mln. beschikbaar voor aanvragen van TKI’s voor het organiseren van netwerkactiviteiten en het aanbieden van innovatiemakelaars. Ook met deze middelen komen (vrijwel geheel) ten goede aan «dienstverlening» aan het MKB.

169

Wat is de uitkomst van het overleg tussen het Ministerie van Economische Zaken, provincies en het MKB over de gewenste aanpassingen voor de MIT-regeling in 2016, waarvan de hoogte van de budgetten voor de verschillende onderdelen van MIT onderdeel van uitmaakt, zoals aangekondigd in antwoord op Kamervragen naar aanleiding van het artikel «MIT-regeling voor advies- en haalbaarheidsprojecten mkb overtekend»?

Antwoord

Op dit moment worden de ervaringen met de huidige aanpak en de cijfers over het lopende uitvoeringsjaar nader geanalyseerd. Deze zullen worden gebruikt voor het maken van een voorstel voor 2016. Het voorstel zal naar verwachting in november worden besproken in een overleg met regio’s en mkb.

170

Hoe is het verschil te verklaren tussen de bijdrage aan de MIT in het overzicht Budgettaire gevolgen van beleid (€ 34 mln.) en de twee in de toelichting genoemde bedragen (respectievelijk € 35,5 mln. en € 50,5 mln.)?

Antwoord

Het verschil is te verklaren doordat het in de toelichting de beleidsinspanning betreft – oftewel de verplichtingenbedragen (respectievelijk € 35,5 mln. en € 50,5 mln.), en bij het bedrag van € 34,022 uit de tabel «budgettaire gevolgen van beleid» gaat het over de uitgaven, ofwel het kasbedrag voor 2016.

171

Kunt u aangeven wanneer de definitieve hoogte van de MIT-regeling voor 2016 bekend is?

Antwoord

De precieze omvang van het budget voor MIT 2016 zal besproken worden in het bestuurlijk overleg met de regio, dat is gepland in november. Inzet vanuit het ministerie is om tot een totaalbedrag te komen van € 55,5 mln., waarvan € 35,5 mln. afkomstig vanuit het ministerie en € 20 mln. vanuit de regio’s. Zie ook het antwoord op vraag 169.

172

Kunt u aangeven wat de concrete doelstellingen van het MIT zijn, anders dan een zo groot mogelijk aantal deelnemers?

Antwoord

Het doel van MIT is om mkb’ers aan laten sluiten bij het Topsectorenbeleid en om de samenwerking van het innovatie mkb op onderzoek en innovatie, met elkaar en met ondersteuning vanuit kennisinstellingen te vergroten. Daarmee draagt de MIT bij aan de innovatie- en concurrentiekracht van Nederland, met name in het mkb.

173

Is het mogelijk een deel van het budget van de Topconsortium voor Kennis- en Innovatie (TKI) toeslag over te hevelen naar de mkb-innovatiestimulering Regio en Topsectoren (MIT) regeling of op andere manier de regeling te versterken?

Antwoord

In 2014 is door een enkele sector een bedrag vanuit de TKI-toeslag overgeheveld naar MIT. Dit jaar kan niet meer op die manier worden overgeheveld omdat MIT 2015 niet meer open staat, maar voor 2016 staat die mogelijkheid in principe weer open. Zoals het er nu voorstaat, zal het budget voor de TKI-toeslag in 2015 volledig worden uitgeput; ik ga ervan uit dat dat voor 2016 ook het geval zal zijn.

174

Is na de rapportage van de Algemene Rekenkamer over het aanbestedingsbeleid van de RVO.NL inmiddels meer te zeggen over verbetering van de aanbestedingen door de RVO.NL?

Antwoord

Naar aanleiding van de rapportage van de Algemene Rekenkamer is een verbeterplan opgesteld om onder andere. het aanbestedingsbeleid van RVO.NL te verbeteren. De in het verbeterplan vastgelegde maatregelen zijn opgesteld in overleg met de Auditdienst Rijk. De verbeteringen zijn inmiddels geïmplementeerd of worden geïmplementeerd.

175

Welke extra werkzaamheden gaat de RVO.NL uitvoeren in het kader van de WBSO?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 360.

176

Hoeveel octrooien zijn bij Octrooicentrum Nederland aangevraagd en verleend in 2014?

Antwoord

In 2014 zijn bij Octrooicentrum Nederland 2.582 octrooiaanvragen ingediend en 1.722 octrooien verleend.

177

Waarom is de raming voor de TKI’s voor 2016 naar beneden bijgesteld?

Antwoord

De verlaging van de raming van de TKI-toeslag voor 2016 van € 101 mln. in de begroting 2015 naar € 75 mln. In de begroting 2016 is voor ca. € 10 mln. het gevolg de budgettaire verwerking van het amendement Van Veen / Vos, dat in totaal € 20 mln. TKI-middelen heeft herbestemd voor de MIT, IPC en SBIR. Daarnaast is in het kader van de Voorjaarsbesluitvorming 2015 de kasraming van de TKI-toeslag met cumulatief € 35 mln. meerjarig neerwaarts bijgesteld, waarvan € 10 mln. in 2016. Tenslotte is nog eens € 5 mln. ingezet ter dekking van de het gat dat bestond in de dekking van de uitvoeringskosten van RVO.NL voor de WBSO (zie ook het antwoord op de vragen 355, 359 en 361).

178

Wanneer wordt de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.NL) geëvalueerd?

Antwoord

De periodieke doorlichting, zoals is vastgelegd in de Regeling agentschappen, moet tenminste eens in de vijf jaar worden verricht, dus voor RVO.NL uiterlijk eind 2018.

179

Is 17 miljoen euro een gerechtvaardigd bedrag om TNO mee te compenseren?

180

Wat zijn de precieze financiële gevolgen voor TNO door de jurisprudentie?

Antwoorden 179, 180

Zoals verwoord in het antwoord op vraag 103, is in het arrest van het Hof van Justitie van de EU aangegeven dat een belastingplichtige die naast economische activiteiten ook niet-economische activiteiten verricht, geen aftrek heeft van btw die is toe te rekenen aan die niet-economische activiteiten. Aan de hand van dit arrest heeft de Belastingdienst bepaald dat de kennisinstellingen STW en TNO een beperking hebben van het recht op aftrek van btw op inkoopkosten, waardoor deze kennisinstellingen geconfronteerd worden met hogere netto inkoopkosten. Er is een berekening gemaakt van het te verwachten netto verschil in inkoopkosten voor TNO; hieruit volgt een netto verschil van 17 miljoen euro. De belastingdienst heeft beoordeeld dat deze berekening reëel is. Derhalve is in overleg tussen de Ministers van Financiën en Economische Zaken besloten om TNO voor dit bedrag te compenseren.

181

In de begroting staat dat steeds beter ingeschat kan worden wat de verhouding tussen private en publieke middelen zijn in PPS-constructies, welke conclusie kan uit dit betere inzicht getrokken worden? Is de verhouding conform de doelstelling zoals opgenomen in het topsectorenbeleid?

Antwoord

In 2013 bedroeg de geschatte totale omvang van publiek-private samenwerkings (PPS-)projecten binnen de TKIs (alleen grondslagprojecten) € 622 mln. (Jaarverslag 2014). Daarvan was naar schatting 35% privaat gefinancierd. In 2014 was de totale omvang van PPS-projecten binnen TKIs gelijk aan € 813 mln., waarvan 44% privaat. De doelstelling bedroeg (voor 2015) € 500 mln. aan PPS projecten, waarvan 40% privaat. Beide doelstellingen zijn dus al in 2014 gehaald. In 2020 moet de totale omvang van PPS-projecten € 800 mln. bedragen, waarvan 40% privaat (begroting 2016). De ambitie is dus tenminste handhaving op het huidige niveau. Hieronder leg ik uit waarom dat reëel is.

De cijfers over 2013 en 2014 weerspiegelen voor een deel «oud beleid». De PPS projecten die in 2013 en 2014 zijn opgevoerd als grondslag voor het verkrijgen van TKI-toeslag (die ingezet kan worden op andere projecten) betreffen voor een deel projecten die bijvoorbeeld gefinancierd zijn vanuit de FES-middelen uit het verleden. Deze middelen zijn in 2016 en volgende jaren uitgeput en de betreffende projecten zijn afgerond. Om die reden verwacht ik geen sterke toename van de TKI grondslag ten opzichte van het niveau in 2014.

Ook het aandeel privaat wordt op 40% gehandhaafd als doelstelling. Gegevens over de projecten waar TKI-toeslag wordt ingezet, laten zien dat dat een reëel percentage is. Bovendien worden de TKIs geacht om een evenwichtige projectenportfolio te hebben, waarin fundamenteel, toegepast en experimenteel onderzoek een plek hebben. Het aandeel privaat in fundamenteel onderzoek ligt beduidend lager dan de beoogde 40%; het aandeel privaat in toegepast en experimenteel onderzoek ligt duidelijk hoger. 40% is daarom een goede inschatting voor het aandeel privaat in de totale portfolio.

182

Welk deel van de TKI-toeslag is in 2014 besteed aan projecten waarbij minimaal één mkb-bedrijf is betrokken?

Antwoord

Ongeveer 70% van de projecten waarop TKI-toeslag is ingezet, kent deelname van tenminste één mkb-bedrijf. Die projecten ontvangen bij elkaar eveneens ongeveer 70% van de totaal ingezette TKI-toeslag. Het mkb neemt dus zowel deel aan projecten met een grote als met een kleine omvang.

183

Kunt u aangeven wat het evaluatie en monitoringskader voor de Toegepaste Onderzoek Organisaties (TO2) instellingen precies in gaat houden en hoe dit kader gecommuniceerd wordt naar de Kamer?

Antwoord

Zoals aan de Kamer is aangekondigd (Kamerstuk 32 637, nr. 68 en 155) zal het kabinet de instituten in het voorjaar 2017 op kwaliteit en maatschappelijke impact van het onderzoek beoordelen. Op dit moment ontwikkelt het Rathenau Instituut daartoe een evaluatie- en monitoringsprotocol. Het protocol wordt afgestemd met de TO2 instituten en departementen. Hierin worden de evaluatiecriteria (kwaliteit, impact en vitaliteit), en de aanpak (verantwoordelijkheden van alle betrokkenen, aan te leveren informatie, etc.) nader uitgewerkt. Hiermee worden de evaluatie- en monitoringsactiviteiten van de TO2 verder geharmoniseerd. Dit komt de vergelijkbaarheid tussen de TO2-instituten onderling ten goede, terwijl er tegelijkertijd ook oog voor de eigenheid van elk instituut blijft. De evaluatie zal dus niet leiden tot een onderlinge ranking van de instituten. Met de evaluatie op basis van dit protocol én een afweging van de verschillende behoeften aan onderzoek voor het versterken van de concurrentiekracht, maatschappelijke thema’s en beleidsmatige en wettelijke taken, kan het kabinet in 2017 een onderbouwde keuze maken voor de inzet van de rijksbijdrage in een volgende periode.

Het vaststellen van dit protocol wordt voorzien eind 2015 en zal aan de Kamer worden gestuurd.

184

Betekent dat de € 13 mln., die vanaf 2018 gereserveerd zijn op de Aanvullende post van de Rijksbegroting voor ruimtevaart betreft de middelen die in het regeerakkoord beschikbaar zijn gesteld voor fundamenteel onderzoek, een verschuiving oplevert van geld voor fundamenteel onderzoek naar ruimtevaart? Zo ja, wat betekent dit voor het budget voor fundamenteel onderzoek?

Antwoord

In het Regeerakkoord is afgesproken dat € 150 mln. extra beschikbaar komt voor versterking van het fundamenteel onderzoek, waarvan € 50 mln. door herprioritering.

In 2014 hebben de betrokken bewindspersonen van Economische Zaken en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap besluiten genomen over de toedeling van de middelen die gereserveerd staan op de Aanvullende post van de Rijksbegroting.

Daarbij is bepaald dat van de beschikbare middelen € 13 mln. vanaf 2018 zal worden ingezet voor ruimtevaart. De Minister van Economische Zaken heeft uw Kamer hierover geïnformeerd in de beleidsvisie op het ruimtevaartbeleid 2014–2020 (Kamerstuk 24 446, nr. 55).

Met deze middelen investeert Nederland in de ontwikkeling en bouw van geavanceerde satellietinstrumenten waarmee wetenschappelijk onderzoek van de aardse atmosfeer wordt verricht (Klimaat en luchtkwaliteit). Zo heeft de Nederlandse overheid de satellietinstrumenten Sciamachy, OMI en TROPOMI gefinancierd. Deze instrumenten stellen – Nederlandse – klimaatwetenschappers in staat om fundamentele inzichten te ontwikkelen over de ontwikkelingen en interacties in de aardse atmosfeer.

185

Hoeveel Nederlandse bedrijven hebben in 2014 deelgenomen aan European Space Agency programma's (ESA) volgens andere bronnen dan ESA zelf?

Antwoord

Opdrachtcijfers aan Nederlandse bedrijven komen alleen van ESA. Bij het Netherlands Space Office (NSO) worden deze cijfers gecontroleerd en vergeleken met de gegevens van betrokken bedrijven. Deze vergelijking geeft geen aanleiding om de juistheid van de ESA-cijfers in twijfel te trekken.

186

Hoe is in de periode 2013–2015 uitvoering gegeven aan het flankerend beleid ruimtevaart? Welke projecten zijn in deze periode ondersteund met welke bedragen?

Antwoord

Zoals in de brief over Ruimtevaartbeleid (Kamerstuk 2014–2015, 24 446, nr. 57) van 1 december 2014 is beschreven bestaat het flankerend nationaal beleid ruimtevaart uit een aantal onderdelen. In onderstaande tabel is voor de periode 2013–2015 aangegeven welke bedragen door het Ministerie van Economische Zaken zijn uitgegeven aan het flankerend beleid voor de ruimtevaart. De betalingen aan ESA voor verplichte en optionele ruimtevaartprogramma’s zijn hierin niet opgenomen. In totaal is gedurende de periode 2013–2015 voor een bedrag van € 44,170 mln. geïnvesteerd in nationaal flankerend beleid.

Toelichting per onderdeel:

  • 1. Een eerste onderdeel is het door Nederland bouwen en beheren van ruimtevaartinstrumenten zoals TROPOMI, OMI en Sciamachy. Bij OMI en Sciamachy gaat het om beheer. Bij TROPOMI om de bouw. In 2016 zal TROPOMI gelanceerd worden waarna ook voor dit satellietinstrument de beheerfase ingaat.

  • 2. Vervolgens de PEP (Prekwalificatie ESA Programma's)-regeling. Dit ondersteuningsprogramma voor Nederlandse partijen voor deelname aan ESA-projecten is in 2012 gestopt. De opgenomen middelen betreffen betalingen voorvloeiend uit nog lopende projecten.

  • 3. Het Satellietdataportaal wordt sinds 2012 gefinancierd uit beleidsmiddelen buiten het ruimtevaartbudget in verband met toepassingsmogelijkheden van satellietdata in onder ander de agrosector. De satellietdata worden gratis beschikbaar gesteld aan Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen.

  • 4. Hiermee wordt mede geanticipeerd op de grote stroom aan gratis satellietdata die op gang komen met het operationeel worden van het EU-programma Copernicus voor aardobservatie.

  • 5. Naast de eerste 3 onderdelen is dit de categorie die vaak wordt samengevat als het Nationaal Flankerend Beleid. Hiervoor is in 2012 15 M€ ter beschikking gesteld. Een deel van deze middelen (7,5 M€) voor Nationaal Flankerend Beleid is via ESA aangewend voor het ESA-Business Incubation Centre (ESA-BIC), een programma voor startende ondernemers, alsmede voor de ontwikkeling van nieuwe satellietinstrumenten.

187

Wat is de gemiddelde bijdrage vanuit de RDA aan grote bedrijven? Wat is deze gemiddelde bijdrage per mkb-bedrijf?

Antwoord

Op basis van daadwerkelijk gerealiseerde kosten en uitgaven voor 2014 (vaststellingen) kunnen 14.989 mkb-bedrijven en zelfstandigen RDA opvoeren in de aangiften voor de Vpb met een gemiddeld voordeel van € 7.600 per bedrijf. Op basis van daadwerkelijk gerealiseerde kosten en uitgaven (vaststellingen) voor 2014 kunnen 311 grote bedrijven RDA opvoeren in de aangiften voor de Vpb met een gemiddeld voordeel van € 503.500 per bedrijf. Bij de berekening van het gemiddelde voordeel wordt uitgegaan van het in 2014 geldende RDA-percentage van 60%. Dit komt overeen met een netto voordeel van 15% bij een Vpb tarief van 25%.

188

Kunt u aangeven in welk stadium het besluitvormingsproces rond de mogelijke EZ-investering in een motorenonderhoudsfaciliteit voor F-35 zich bevindt? Welke afwegingen spelen daarbij voor u een rol? Kunt u een inschatting en/of bandbreedte geven van het bedrag dat het Ministerie van Economische Zaken wellicht zal investeren in de motorenonderhoudsfaciliteit voor F-35 en waar die begrotingsmiddelen vandaan zullen komen? Zijn er precedenten waarbij verschillende ministeries, provincies en private partijen gezamenlijk investeren in een (onderhouds-)faciliteit/fabriek en hoe vergelijkbaar zijn die situaties? Welke kansen en risico’s spelen daarbij een rol? Op welke wijze zal de Kamer worden betrokken en geïnformeerd over het besluitvormingsproces rond de mogelijke EZ-investering in een motorenonderhoudsfaciliteit voor F-35? Wanneer kan de Kamer op dit punt nadere informatie verwachten?

194

Wat is de achterliggende reden van het feit dat u overweegt om, naast het Ministerie van Defensie en de provincie Noord-Brabant, een deel van de investering voor de F-35 motorenonderhoudsfaciliteiten te financieren? Op welke gronden ligt hier mogelijk een rol voor u weggelegd?

195

Kunt u een inschatting en/of bandbreedte geven van het bedrag dat het Ministerie van Economische Zaken wellicht zal investeren in de motorenonderhoudsfaciliteit voor F-35 en waar die begrotingsmiddelen vandaan zullen komen?

197

Waarom overweegt u om een deel van de motorenonderhoudsfaciliteit te financieren, hoort dat niet bij het Ministerie van Defensie?

Antwoord 188, 194, 195, 197

In de brief aan de Kamer van 18 juni 2015, (Kamerstuk 26 488, nr. 390) is aangegeven welke belangen het Ministerie van Economische Zaken en ook de provincie Noord-Brabant hechten aan de opzet van de F-35 Motoronderhoudsfaciliteit op de Luchtmachtbasis Woensdrecht. Voor het ministerie en de provincie is hierbij van belang welke bredere economische effecten er op het gebied van instandhouding van de F-35 te verwachten zijn.

Een in Nederland gevestigde motoronderhoudsfaciliteit zal daarvan een belangrijke katalysator zijn. Om een goed beeld te krijgen van de economische kansen en hoe deze gerealiseerd kunnen worden hebben beiden een onderzoek laten uitvoeren door PwC.

Het PwC-rapport maakt duidelijk dat de instandhouding van de F-35 goede kansen biedt op substantiële omzet in de komende decennia. Kansen liggen met name op het terrein van motoronderhoud en componentenonderhoud waaronder die van motoren. Daarnaast zijn logistieke dienstverlening, support equipment en training kansrijk. In totaal gaat het tot 2050 om ongeveer € 13,1 mld. aan directe en indirecte omzet en indien, zoals wordt aangenomen, het programma doorloopt tot 2065 om circa € 20 mld. omzet waarmee ongeveer 1.610 voltijds arbeidsplaatsen gemoeid zijn. Het rapport benadrukt dat de Nederlandse proposities gericht en gecoördineerd moeten worden uitgedragen. Tevens kunnen substantiële spin-offs in de luchtvaart en defensie sector en spillover effecten in de automotive, energie, maritieme sector, procesindustrie en machinebouw worden gerealiseerd. De omvang is moeilijk te schatten, maar het gaat daarbij volgens PwC om meerdere miljarden euro’s.

190

Wat wordt verstaan onder een Human Capital agenda ICT?

Antwoord

ICT is van groot belang voor innovatie en economische groei. Ten opzichte van andere landen scoort Nederland goed. Nederland staat vijfde op de lijst van concurrerendste economieën ter wereld (The Global Competitiveness Report van het World Economic Forum). Ook als het gaat om het aantal hooggeschoolde werkenden tussen de 25 en 54 jaar oud doet Nederland het relatief goed (9e Human Capital Report 2015, World Economic Forum). Door snel groeiende ontwikkelingen zoals big data, cloud computing, cyber security en rapid prototyping (waaronder 3D) is er een continue behoefte aan up to date kennis en goed gekwalificeerde ICT’ers.

Als Nederland haar goede positie wil vasthouden (of zelfs wil verbeteren) dan is het noodzakelijk dat we blijven investeren in voldoende en kwalitatief goed opgeleide en vakbekwame ICT-professionals. Hiertoe ontwikkelt het Team ICT, onder leiding van boegbeeld René Penning de Vries, een Human Capital Agenda. De doelstellingen van de Human Capital Agenda van het Team ICT zijn:

  • 1. Verbetering van de aansluiting tussen vraag (bedrijfsleven) en aanbod (onderwijs) en

  • 2. Stimuleren Leven Lang Leren

Om de Human Capital Agenda tot een succes te maken is medewerking en commitment van alle partijen nodig. Samen met het bedrijfsleven en de onderwijssector worden de komende tijd concrete acties uitgewerkt die moeten leiden tot een toename van de instroom in ICT-opleidingen. Voorbeelden hiervan zijn beurzen, gastdocentschappen, stages, etc. Om Leven Lang Leren te stimuleren worden bedrijven ondersteund bij de ontwikkeling van een passend personeelsbeleid.

Het Team ICT zal hierbij nauw samenwerken met het Techniekpact, de topsectoren die ook een eigen Human Capital Agenda hebben en de onderwijswereld.

191

Waarom is de trend in het aandeel snelle groeiers sinds 2013 dalende en wat zijn de maatregelen om die trend om te buigen?

Antwoord

Er is op dit moment geen verklarend onderzoek voor de dalende trend beschikbaar. Wel zijn er voor de hand liggende factoren. De belangrijkste daarvan is dat snelle groei berekend wordt op basis van werkgelegenheidsgroei bij bedrijven over een periode van 3 jaar. De cijfers van de laatste jaren worden waarschijnlijk sterk(er) beïnvloed door het feit dat in de periode (2011–2013) de arbeidsmarkt zich negatief ontwikkelde. In een dergelijke conjunctuur zijn er relatief minder bedrijven bezig met het uitbreiden van hun personeelsbestand.

192

Is er onderzoek beschikbaar waarin het verband tussen de positie van Nederland in de Global Competitive Index en de elementen van een goed ondernemingsklimaat wordt belicht? Zo ja welk, en wat zijn de uitkomsten?

Antwoord

Ten grondslag aan de Global Competitiveness Index liggen meer dan 100 indicatoren, verdeeld over 12 thema’s. Alle thema’s zijn belang voor het concurrentievermogen en weerspiegelen feitelijk de meest belangrijke elementen van het ondernemingsklimaat zoals de kwaliteit van instituties, arbeid, infrastructuur en de werking van de financiële markten. Ook de uitkomsten van het onderzoek van de Worldbank naar het ondernemingsklimaat (Doing Business Report) in termen van regels en procedures worden in de GCI verwerkt.

Op de 12 thema’s van de GCI doet Nederland het traditiegetrouw het best op onderwijs (3e), infrastructuur (3e) en de geavanceerdheid (5e) en het innovatievermogen (8e) van de economie. Op thema’s als de macro-economische omgeving, arbeidsmarkt en financiële markten werd de afgelopen jaren minder gepresteerd, maar is er in de laatste editie sprake van een duidelijke verbetering.

193

Kunt u aangeven hoe het plan «Goed geregeld, een verantwoorde vermindering van de regeldruk 2012–2017» zich verhoudt tot de Europese plannen rondom betere regelgeving?

Antwoord

Het beleidsprogramma «Goed geregeld, een verantwoorde vermindering van de regeldruk 2012–2017» beschrijft de acties van het kabinet om te komen tot vermindering van de regeldruk.

Onderdeel van dit programma is dat het kabinet zich ook inzet voor een ambitieuze Europese agenda op het terrein van vermindering van regeldruk.

Dat doen wij onder andere door voorstellen te doen voor het aanpakken van concrete knelpunten in bepaalde onderdelen van EU-regelgeving die regeldruk veroorzaken.

Ook worden vanuit Nederland voorstellen gedaan om het EU-regeldrukbeleid te versterken. Een voorbeeld daarvan is het pleidooi van Nederland (ondersteund door vele andere lidstaten) voor de introductie van reductiedoelstellingen om EU-regeldruk te verminderen. Het kabinet is van mening dat de invoering van reductiedoelstellingen gericht op EU-regelgeving in de sectoren die het meest last hebben van regeldruk, een belangrijke bijdrage kan leveren aan merkbare vermindering van EU-regeldruk. Reductiedoelstellingen stellen ons in staat om voortgang te meten en om effectiever te sturen op resultaten.

196

Kunt u een overzicht verschaffen van het aantal werknemers en het aandeel in de totale werkgelegenheid voor de sectoren ambachtseconomie, detailhandel, gastvrijheidseconomie, in vergelijking met de topsectoren in de periode 2010 tot heden?

Antwoord

Onderstaande tabel geeft inzicht in de werkgelegenheidsontwikkeling in de gevraagde sectoren in de periode 2010–2014. Deels betreft dit nog voorlopige cijfers, met name wat betreft het jaar 2014. Het gaat hier om de werkgelegenheidscijfers in arbeidsjaren (FTE’s). Omdat de sectorindelingen onderling deels kunnen de percentages niet bij elkaar worden opgeteld. Voor de ambachtseconomie zijn alleen cijfers voor 2014 beschikbaar en alleen voor het aantal banen (geen FTE’s). Voor de ambachtseconomie kan dus geen percentage worden berekend.

Werkgelegenheid in fte x 1.000 (CBS)

Sector

2010

2011

2012

2013

2014

Topsectoren1

1.385

1.390

1.374

1.376

1.377

% t.o.v. totaal

19,6

19,6

19,5

19,7

19,7

Detailhandel2

486

486

479

472

476

% t.o.v. totaal

6,9

6,8

6,8

6,7

6,8

Gastvrijheidseconomie3

338

346

348

357

366

 

4,8

4,9

4,9

5,1

5,2

Ambachtseconomie4

(betreft aantal banen)

       

650

Totaal Nederland

7.056

7.099

7.055

6.998

6.977

X Noot
1

Bron: CBS, Monitor Topsectoren 2015

X Noot
2

Bron: CBS, Statline.

X Noot
3

Bron: CBS, Bewerking NBTC.

X Noot
4

Bron: CBS, maatwerkopdracht.

198

Wat zijn de kosten voor bedrijven die een lening afsluiten met een garantie via de BMKB-regeling?

Antwoord

Een kredietverstrekker die gebruik maakt van de BMKB betaalt over de omvang van de overheidsborgstelling een eenmalige provisie van gemiddeld 3,6% afhankelijk van de looptijd van het krediet. De kredietverstrekker zal dit doorgaans doorbelasten aan de ondernemer. De borgstelling van de overheid kan de risicokosten van de ondernemer echter verlagen. Hoe veel de ondernemer daadwerkelijk betaalt voor de BMKB is daarmee afhankelijk van zijn totale financieringskosten en eigen risicoprofiel, en verschilt daarom per individuele situatie.

199

Kunt u toelichten waarom het beschikbare budget voor het Aanvullend actieplan MKB-financiering (€ 6 mln.) nog niet juridisch is verplicht?

Antwoord

Het Aanvullend Actieplan mkb-financiering omvat 9 maatregelen waarvoor in 2014 begrotings- en garantiemiddelen zijn gereserveerd die een structuurwijziging en -versterking beogen van de hele markt voor mkb-financiering in nauwe samenwerking met marktpartijen. Het zijn daarmee maatregelen met een doorlooptijd van meerdere jaren. Een deel van de begrotingsmiddelen wordt vanaf 2016 juridisch verplicht.

200

Hoeveel geld gaat er jaarlijks naar deze adviesorganen en andere uitvoerende instanties die worden ingezet bij de Vroege fase financiering? Hoeveel budget van de Vroege fase financiering blijft er dan over voor de bedrijven?

Antwoord

Het beschikbare beleidsbudget voor Vroegefasefinanciering voor 2016 bedraagt € 11,6 mln. Voor bedrijven is € 11 mln. beschikbaar.

Ca. € 0,6 mln. wordt besteed aan uitvoeringskosten voor de uitvoerders STW en RVO.NL. Beide, STW voor de academische starters en RvO voor innovatieve starters en MKB, maken daarbij gebruik van een adviescommissie.

De uitvoeringskosten bedragen ca. 5–6% van de beleidsgelden. De VFF is een jonge regeling met aanloopkosten, mijn inzet is de uitvoeringskosten maximaal 5% te laten zijn van het beleidsbudget.

201

Hoe wordt de mate van benutting en effectiviteit van de BMKB beoordeeld, anders dan door het registeren van het aantal verstrekte garanties?

Antwoord

De benutting van de BMKB wordt door Economische Zaken en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voortdurend gemonitord, om bijvoorbeeld tijdig in te spelen als het budget in een jaar tekort schiet. De effectiviteit ligt besloten in de vormgeving van de regeling, waarin alleen borg wordt gestaan voor een zekerhedentekort en een provisie wordt gevraagd voor inzet van de regeling. Zoals alle regelingen wordt dit eens in de 5 jaar geëvalueerd. Dit najaar zult u de meest recente evaluatie ontvangen.

202

Wordt het (geringe) gebruik, dan wel lage benutting, van de BMKB onderzocht, analoog aan de manier waarop dat met de Garantieregeling Scheepsbouwfinanciering is gebeurd, en wat zijn de uitkomsten? Zo nee, gaat dit onderzoek (alsnog) plaatsvinden?

Antwoord

Recent is de BMKB opnieuw geëvalueerd op onder meer effectiviteit en aansluiting op de markt. De resultaten hiervan zal ik u dit najaar toezenden.

203

Klopt het dat de bijdrage aan de Kamer van Koophandel 100% juridisch verplicht is voor de komende jaren?

Antwoord

Het klopt dat de bijdrage voor 2016 juridisch is verplicht. Voor de jaren daarna is de bijdrage bestuurlijk gebonden.

204

In welke mate participeert de overheid in de Nederlandse Investeringsinstelling (NLII) en op welke wijze faciliteert zij de NLII via onder andere de groeifaciliteit?

Antwoord

NLII is een private instelling en heeft als doelstelling de participatie van institutionele beleggers in de financiering van de Nederlandse economie te bevorderen. De overheid participeert niet in NLII. Wel is er overleg met NLII over het leveren van een bijdrage in de opstartkosten van NLII. De overheid is daarnaast voornemens om het Achtergestelde Leningenfonds van NLII via de groeifaciliteit te faciliteren. Hiervoor is reeds een reservering gedaan op de EZ-begroting.

205

Waarop is de verwachting gebaseerd dat de Groeifaciliteit de meest effectieve manier is om achtergestelde leningen voor het MKB te stimuleren?

Antwoord

In de begroting wordt aangegeven dat op dit moment de verwachting is dat de Groeifaciliteit de meest effectieve manier is om achtergestelde leningen fondsen voor het mkb te stimuleren. Deze verwachting is gebaseerd op gesprekken met de diverse partijen die bezig zijn of waren met het oprichten van achtergestelde leningen fondsen. De grootste daarvan is NLII dat een achtergestelde leningenfonds van € 300 mln. heeft aangekondigd en daarvoor gebruik wil maken van de Groeifaciliteit en geen behoefte heeft aan andersoortige vormen van garanties.

206

Waarop is de veronderstelling gebaseerd dat banken/schadeverzekeraars slechts gebruik maken van de Garantie Ondernemersfinanciering als zij niet zelfstandig of onvoldoende in staat zijn in de kern gezonde bedrijven te financieren en hoe wordt dit gemonitord en bewaakt?

Antwoord

In de evaluatie van de Garantiefaciliteit Ondernemingsfinanciering van eind 2014 is aangegeven dat de toepassing van de GO-regeling de banken in staat stelde haar klanten te blijven voorzien van voldoende financiering in die gevallen waarin zij anders minder of geen financiering zou verstrekken. In deze situaties verkrijgt de bank meer comfort dankzij de GO-regeling waardoor wel tot kredietverlening wordt overgegaan waar dit anders niet het geval zou zijn. Omdat de Staat een marktconforme garantieprovisie berekent, die gelijk is aan de marge die banken doorberekenen aan hun klanten, krijgt de Staat een zelfde vergoeding als de banken voor hetzelfde risico.

Voor het verkrijgen van een garantie is het noodzakelijk dat banken voorafgaande goedkeuring van RVO.NL krijgen. Door dit goedkeuringsproces wordt er door RVO.NL voor gewaakt dat de GO-regeling door de banken op correcte wijze wordt benut.

207

Wat was de uitkomst van het onderzoek naar de oorzaken van het geringe gebruik van de Garantieregeling Scheepsbouwfinanciering? Zijn deze oorzaken te veralgemeniseren naar andere garantieregelingen en welke consequentie verbindt u daar vervolgens aan in het beleid?

Antwoord

Er is overleg gevoerd met de maritieme sector en de banken over het beperkte gebruik van de Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering (GSF). Daaruit komen factoren naar voren die de regeling zelf betreffen en sectorspecifieke factoren. Ik zal uw Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de vervolgstappen die we thans voorbereiden in afstemming met de sector.

208

Wat is bereikt op het gebied van verbetering van groeivaardigheden in het kleinbedrijf?

Antwoord

Voor de verbetering van groeivaardigheden in het kleinbedrijf werkt EZ samen met KvK en veldpartijen, waaronder ook NLevator. NLevator is een stichting van en voor groeiondernemers die het ecosysteem voor doorgroeiende ondernemers op nationaal niveau met elkaar verbindt. Om te achterhalen wat ondernemers uit het kleinbedrijf nodig hebben om te groeien (incl. op het gebied van groeivaardigheden) heeft EZ focusgroepen laten organiseren door de KvK. Aanvullend hierop is een vervolgonderzoek uitgezet onder een grotere groep ondernemers uit het kleinbedrijf. Daarnaast wordt aansluiting gezocht bij bestaande events om de bewustwording van ondernemers over het belang van coaching, mentoring en groeiondersteuning te vergoten en ondernemers groeivaardigheden op te laten doen (O.a. Week van de Ondernemer en Accenture Innovation Awards).

Verder richt EZ samen met KvK en veldpartijen, waaronder NLevator, een platform voor mentoring en groeiondersteuning op. De doelen van het platform zijn: (1) zorgen voor transparantie van het bestaande aanbod van coaching, mentoring en groeiondersteuning (2) stimuleren van ambitie en de bewustwording over het belang groeivaardigheden. De lancering zal naar verwachting begin 2016 plaatsvinden. Om meer aandacht voor groei in het regulier onderwijs te krijgen, heeft de Erasmus Universiteit Rotterdam in opdracht van EZ een open middag georganiseerd over de topondernemersregeling, waar kennis- en ervaringsuitwisseling centraal stonden. De topondernemersregeling heeft als doel dat studenten hun opleiding afmaken terwijl ze werken aan hun eigen bedrijf en tracht het combineren van afstuderen en ondernemen te ondersteunen.

209

Kunt u aangeven wanneer de onderhandelingen rondom de MKB-Financiering, die eind 2014 gestart zijn, resultaat op zullen leveren?

Antwoord

Afronding van dit traject is mede afhankelijk van de oordeelsvorming van de Europese Commissie. Afhankelijk van de snelheid waarmee de Europese Commissie tot een oordeel komt en van de snelheid van het uitwerken van de juridische details met de diverse betrokken partijen, bestaat de kans dat nog dit jaar een of meer garantieovereenkomsten afgesloten kunnen worden.

210

Kunt u gedetailleerd aangeven naar welke post welk bedrag is gevloeid bij «bevorderen ondernemerschap»?

Antwoord

Voor de begroting 2016 is in totaal € 10,7 mln. aan kas begroot voor Bevorderen Ondernemerschap.

Op dit moment is de inschatting, op basis van eerdere realisaties, dat dit budget onder andere besteed zal worden aan de onderstaande posten.

Onderwerp

Budget (x € 1 mln.)

Aanvullend Actieplan

6,0

Topsectoren

1,6

Techniekpact

0,5

Transparantie benchmark en corporate governance

0,5

Innovatiegericht inkopen

0,2

Ondernemerschapsonderwijs en valorisatie

0,5

Stimuleren Startups

0,5

Caribisch Nederland (Kamer van Koophandel)

0,1

Overig

0,8

211

Hoeveel miljoen aan garanties zijn er in 2015 tot nu toe verstrekt bij de Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering? Indien dit bedrag laag ligt, waarom wordt het plafond voor de Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering niet nogmaals verlaagd?

Antwoord

Tot nu toe is in 2015 voor een bedrag aan € 42 miljoen aan garanties onder de Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering (GSF) gefiatteerd. Dat is een forse toename ten opzichte van 2014 (€ 0) en het startjaar 2013 (€ 11 mln.). Per 2015 is het plafond van de GSF al met 60% verlaagd van € 1 mld. naar € 400 mln. Het garantieplafond van regelingen als de GSF wordt ruim van te voren vastgesteld zodat banken en ondernemers weten waar ze aan toe zijn.

212

Kunt u uitgebreid toelichten wat de actuele stand van zaken is rondom innovatiegericht inkopen en het beleid om dit te bevorderen?

Antwoord

In 2012 is het programma «Inkoop Innovatie Urgent» (IIU) gestart. Met dit programma worden concrete projecten ondersteund die:

  • (1), het instrumentarium innovatiegericht inkopen verbetert door te leren van ervaringen in de praktijk;

  • (2) overheden gestimuleerd om innovaties daadwerkelijk een kans te geven door innovatiegericht inkopen een structurele plek in de organisatie te geven

Er zijn 27 concrete projecten op landelijke en regionaal met succes ondersteund via een bijdrage in voorbereidend onderzoek, het organiseren van marktsessies en het geven van zichtbaarheid aan de resultaten van een project.

Een mooi voorbeeldproject is «Blue energy Katwijk. Daarin gaat het om de ontwikkeling en bouw van een nieuwe, innovatieve elektriciteitscentrale. In deze centrale zal stroom opgewekt worden doordat zoet en zout water samenkomen. Een ander project is lab op straat in Rotterdam.

Lab op Straat is een test- en showstraat waar bedrijfsleven, overheid en kennisinstituten heel concreet samenwerken aan het verduurzamen van Rotterdam.

Naast ondersteuning van concrete projecten zijn hulpmiddelen ontwikkeld die de praktijk van innovatiegericht inkopen helpen opschalen. Er is een vernieuwde website, met verschillende tools voor inkopende partijen. Deze site omvat nu ook een innovatiemarkt voor vraag en aanbod van innovaties, bevat een kaart met best practices en een digitale koffer met instrumenten om innovatiegericht inkopen in de praktijk te realiseren. In november wordt de innovatiekoffer met instrumenten gelanceerd. De verschillende instrumenten kunnen worden gebruikt door projectmanagers, inkopers, beleidsmedewerkers en managers. Naast digitale ondersteuning worden inkopende overheden ondersteund via 3 netwerkbijeenkomsten per jaar en evenementen innovatiegericht inkopen waar ook marktsessies plaatsvinden.

Steeds meer overheden hebben innovatiegericht inkopen een structurele plek in de organisatie gegeven. Op rijksniveau hebben het Ministerie van BZK en RWS een innovatie agenda opgesteld.

Alle grote steden hebben innovatiegericht inkopen een structurele plek gegeven en een innovatie agenda opgesteld. Daaruit voortvloeiend is een aantal nieuwe initiatieven op het gebied van innovatiegericht inkopen gestart. Zo geeft Amsterdam in samenwerking met StartUpDelta starters de kans om een innovatie te ontwikkelen die later wordt toegepast. Om lokale ambities nog meer te structureren en tussen steden onderling te verbinden heeft innovatiegericht inkopen een plek gekregen in Agenda Stad, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid (The Hague Security Delta).

PIANOo zal een belangrijke rol krijgen in de uitvoering van het programma inkoop innovatie urgent. Dat zal een belangrijke versteviging voor het programma zijn, waarbij ook relaties met verwante inkoopdomeinen gerealiseerd worden. Zo heeft PIANOo ook een rol bij maatschappelijk verantwoord inkopen, dat zich specifiek richt op innovatie in het aanbestedingstraject en veel minder dan innovatiegericht inkopen op het ontwikkel- en samenwerkingstraject voorafgaand aan de aanbesteding. PIANOo zal wel ingezet worden op het realiseren van zo veel mogelijk synergie tussen de programma’s voor respectievelijk Maatschappelijke Verantwoord en Innovatiegericht Inkopen.

213

Wat zijn de concrete resultaten van de vier speerpunten om innovatiegericht inkopen te bevorderen, zoals aangekondigd in de Voortgangsrapportage Innovatiegericht Inkopen (bijlage bij de Voortgangsrapportage Bedrijfslevenbeleid 2013), toegespitst per speerpunt?

Antwoord

Hieronder worden per speerpunt concrete resultaten benoemd.

Speerpunt «Vergroten impact»:

Het bereiken van impact gebeurt door andere overheden aan te zetten tot en bij te staan bij het ontwikkelen van eigen innovatieagenda’s met eigen programma’s en projecten. Vanuit het programma zijn gemeenten, waterschappen en departementen ondersteund, die meer met innovatiegericht inkopen aan de slag willen. Zo gaat bijvoorbeeld waterschap Rijnland een speciaal programma voor Innovatiegericht Inkopen ontwikkelen. Ten behoeve van het uitvoeringsprogramma Agenda Stad zijn verbindingen gelegd vanuit het programma inkoop innovatie urgent.

Een zelfsturingsmodel is gerealiseerd waarmee overheden aan de hand van een set vragen eigen succes en potentie kunnen volgen.

Speerpunt «betere kansen aan innovaties»:

SBIR, een aanbestedingsmethodiek die ingezet kan worden bij innovatiegericht inkopen, wordt ingezet om bedrijven innovaties te laten ontwikkelen voor het oplossen van maatschappelijke vragen van de overheid. Deze oplossingen kunnen te zijner tijd worden ingekocht door de overheid en private partijen. In samenwerking met topsectoren is gekozen voor de thema’s openbare ruimte, mobiliteit en veiligheid en zorg

Het kost tijd om te concrete SBIR uitdagingen om te zetten in financieel commitment van de diverse overheden. Naar verwachting kan eind 2015 de eerste gezamenlijke SBIR oproep gepubliceerd worden.

De uitdagingen die op dit moment concreet vorm hebben zijn:

  • geluidwerende maatregelen tussen weg en gevel (Noord-Holland + mogelijk enkele andere provincies)

  • begroeide afscheidingen bij bouwwerkzaamheden (Amsterdam en Rotterdam) slim gebruik van beschikbare data voor diverse gemeentelijke taken (Den Haag)

Daarnaast zijn er o.a. ideeën ingediend voor internet in rurale gebieden (Stadskanaal), elektrisch groepsvervoer (Twente), biobased bouwen (Zeeland).

Alle geïnteresseerden hebben al proeflocaties beschikbaar, wat het proces van innovatie-ontwikkeling tot daadwerkelijk inkoop zal versnellen.

Speerpunt «benutten kansen innovatiegericht inkopen in Horizon 2020 en Europese structuurfondsen»:

Er zijn netwerkbijeenkomsten georganiseerd, bijvoorbeeld in Twente, waarin actief steden zijn gewezen op de mogelijkheden die specifieke calls bieden. Een Europees relatienetwerk van steden die voorop lopen met innovatieve Public Procurement is ontwikkeld en beschikbaar voor Nederlandse indieners van voorstellen. De Europese Commissie EC vindt PCP (SBIR) en PPI (Inkoop van Innovaties) zo belangrijk dat overwogen wordt om de cofinanciering in Horizon 2020 te verhogen van respectievelijk 70 naar 90% en 20 naar 35%. Vanuit o.a. Eindhoven en Rotterdam wordt deelgenomen aan Europese projecten. Zo neemt Rotterdam deel aan projecten op het gebied van mobiliteit.

Speerpunt «bevorderen kansen innovatieve mkb»

Ieder jaar vinden netwerkbijeenkomsten met marktsessies plaats bij concrete projecten. Bijvoorbeeld Rijnhaven, duurzaam transport, blue Energy Katwijk en duurzame verlichting in historische gebouwen. Hiermee worden uiteenlopende innovaties in de aanpak betrokken. Netwerkbijeenkomsten hebben tussen 80 en 140 bezoekers, iedere keer in andere regio. Hierdoor is sprake van doorwerking via netwerkvorming en olievlekwerking.

Daarnaast is vanuit het programma concrete advisering geleverd, bijvoorbeeld ten behoeve van Amsterdam over hoe Startups kansen gegeven kunnen worden.

214

Wat is het in het bijzonder het concrete resultaat van het onderzoek naar een fonds ter bevordering van het opschalen en implementeren van innovaties die van belang zijn voor de overheid, zoals aangekondigd in de Voortgangsrapportage Innovatiegericht Inkopen (bijlage bij de Voortgangsrapportage Bedrijfslevenbeleid)?

Antwoord

Berenschot heeft een verkennend onderzoek gedaan naar nut en noodzaak van ondersteuning van innovatieve projecten. Daaruit is gebleken dat er inderdaad vrijwel geen fondsen zijn die zorgen voor opschaling en implementatie van innovaties die van belang zijn voor de overheid. In Finland bestaat wel zo’n fonds, dat echter vooral benut wordt voor ontwikkeling en samenwerking voorafgaand aan implementatie. Vervolgens is in de bouw onderzocht wat het nut zou kunnen zijn van zo’n fonds in Nederland. Daaruit blijkt dat opdrachtnemers weliswaar de behoefte hebben aan aanvullende gelden voor de implementatie van innovaties, maar dat ze er de voorkeur aan geven om per project geld te reserveren voor implementatie van innovaties. Er is geen duidelijke behoefte gevonden voor inrichting van een fonds.

215

In welke mate participeert of financiert de Europese Investeringsbank in Qredits?

Antwoord

Zoals aangegeven in het aanvullend actieplan MKB financiering is voor de uitbreiding van de activiteiten van Qredits extra funding nodig. Het kabinet heeft daarvoor € 100 mln. garantieruimte ter beschikking gesteld. In het actieplan is aangegeven dat EZ met o.a. Europese Investeringsbank in gesprek was over onder welke voorwaarden zij Qredits aanvullend willen financieren. Het is de verwachting dat voor het einde van het jaar deze financiering gerealiseerd is.

216

Waarom zal het aantal door Qredits te verstrekken kredieten niet worden gehaald en welke consequenties heeft dit?

Antwoord

Bij de start van het Microfinancieringsbeleid en Qredits is een inschatting gemaakt van de omvang van de doelgroep, te weten 2.500. Het aantal kredieten wat Qredits volgend jaar verwacht te verstrekken ligt 10% lager. Dit heeft geen consequenties.

Dit jaar wordt het microfinancieringsbeleid geëvalueerd en er zal wederom gepoogd worden te onderzoeken of Qredits de volledige doelgroep bereikt. De evaluatie zal in december of januari aan de Tweede Kamer worden gestuurd.

217

Kunt u aangeven van welke factoren het afhangt of er € 100 mln. euro extra wordt geïnvesteerd in Qredits?

Antwoord

Er zijn op dit moment vergaande gesprekken met Europese Investeringsbank (EIB) over de voorwaarden waaronder zij aanvullende funding aan Qredits zullen verstrekken. Het is de verwachting dat voor het einde van het jaar deze financiering gerealiseerd is.

218

Waarom heeft u niets meer inbegroot voor microkredieten?

Antwoord

De € 100 mln. aan garantieruimte voor de nieuwe financier (EIB) is in 2014 reeds vrijgemaakt. Deze ruimte is nog steeds beschikbaar op de EZ-begroting. Daarnaast heeft EZ in voorgaande jaren een lening verstrekt aan Qredits. In 2016 is het niet de verwachting dat er extra kasmiddelen naar Qredits gaan. Met de bestaande lening van het Rijk, de lening van banken en verzekeraars en de lening die momenteel aangegaan wordt met een nieuwe financier (EIB) heeft Qredits voldoende funding voor de komende jaren.

220

Wat is de stand van zaken wat betreft de financiering van de tien Smart Industry-fieldlabs?

Antwoord

Hierover wordt de Tweede Kamer op korte termijn per brief geïnformeerd.

221

Kunt u aangeven welke cijfers u heeft over het gebruik door ondernemers van de Berichtenbox?

Antwoord

Er zijn op dit moment 4.439 ondernemers die een Berichtenbox voor bedrijven hebben. Er worden gemiddeld totaal ca. 900 berichten per maand via de berichtenbox verzonden en ontvangen. Bij de beantwoording van de vragen bij het EZ jaarverslag over 2014 (vraag nr. 46) is per abuis aangegeven dat er 4.848 ondernemers zijn die een Berichtenbox hebben. Dit getal betrof het totaal aantal Berichtenboxen, dus van ondernemers en overheidsinstanties samen.

222

Kunt u aangeven welke overheidsinstanties er zijn aangesloten op de Berichtenbox?

Antwoord

Er zijn in totaal 571 overheidsinstanties aangesloten op de Berichtenbox voor bedrijven. Dit is een daling van 7 berichtenboxen als gevolg van gemeentelijke fusies (er is één berichtenbox per overheidsorganisatie). Alle bevoegde instanties die procedures afhandelen die onder de reikwijdte van de Dienstenwet vallen zijn aangesloten op de Berichtenbox. Het betreft alle gemeenten, provincies en waterschappen en een aantal Rijksorganisaties. Een ondernemer die aangesloten is op de berichtenbox kan daar zien welke instanties hij een bericht kan sturen. Op www.Ondernemersplein.nl staat een overzicht van alle diensten waarvoor een ondernemer het recht heeft om de berichtenbox te gebruiken.

223

Kunt u aangeven hoeveel ondernemers en hoeveel overheidsinstanties er inmiddels gebruik maken van het Ondernemingsdossier?

Antwoord

Op dit moment kent het ondernemingsdossier ca. 8.000 gebruikers, dat is 1.000 meer dan eind 2014. Tien branches werken met het Ondernemingsdossier: Koninklijke Horeca Nederland (KHN), Vereniging van Recreatieondernemers Nederland (RECRON), Federatie Nederlandse Rubber- en Kunststofindustrie (NRK), Stip en ARN (Voertuigdemontagebranche) en sinds kort ook Bouwend Nederland, NOC*NSF (sportbonden), LTO Glaskracht (glastuinbouw), Brood- en Banketbakkersbakkers Ondernemersvereniging (NBOV), Nederlandse Verf- en Drukinktindustrie (VVVF) en de Bond van Fabrikanten van Betonproducten (BFBN).

Er werken 54 overheden met het Ondernemingsdossier, waarvan 53 die samenwerking ook hebben vastgelegd in een overeenkomst. Daarnaast werken acht omgevingsdiensten (Regionale Uitvoeringsdiensten) samen met ondernemers via het Ondernemingsdossier. Het aantal gebruikers van het OD groeit minder hard dan verwacht. Het OD heeft als beleidsdoelstelling om eind 2016 80.000 gebruikers te hebben.

De aangesloten branches zijn wel tevreden over de branche specifieke functionaliteiten in het OD. Dit proces vereist echter maatwerk per branche en levert niet heel snel een groot aantal gebruikers op. Het heeft wel veel potentie op de lange termijn.

Gebleken is dat het ondernemingsdossier als aparte toepassing onvoldoende zichtbaar is voor ondernemers. Ondernemers hebben behoefte aan meer samenhang tussen alle digitale voorzieningen van de overheid voor ondernemers. Daarom richt ik mij bij de doorontwikkeling van het OD op het creëren van één digitale landingsplaats die bedrijven helpt zaken te doen met de overheid, naar analogie van « mijn overheid voor burgers». Dat wordt «mijn overheid voor bedrijf».

224, 227

Kunt u aangeven wat uw actuele doelstellingen zijn voor het gebruik van het Ondernemingsdossier door ondernemers en overheidsinstanties?

Wat is uw ambitie waar het gaat om het aantal aan te sluiten branches bij het Ondernemingsdossier en hoe gaat u die ambitie waar maken?

Antwoord 224, 227

Mijn voornemen is om het ondernemingsdossier door te ontwikkelen naar een digitale landingsplaats die bedrijven helpt zaken te doen met de overheid, naar analogie van « mijn overheid voor burgers». Dat wordt «mijn overheid voor bedrijf», gericht op alle ondernemers. Laagdrempelige toegang wordt bij voorkeur geregeld via het digitale ondernemersplein, dat nu al 500.000 bezoekers per maand heeft. Dit speelt in op de behoefte aan meer samenhang tussen alle digitale voorzieningen van de overheid voor ondernemers en zal ook leiden tot een aanzienlijke verhoging van het aantal gebruikers. Bij de eerstvolgende voortgangsrapportage regeldruk zal ik u over de concrete uitwerking informeren.

Daarnaast richt ik mij op het continueren van de samenwerking met branches, die aangesloten zijn op het OD. Daarbij gaat het vooral om ondersteuning van naleving van regels door de overheid. Daarvoor worden regelhulpen ontwikkeld. Dat is maatwerk, dat op korte termijn niet leidt tot een groot aantal nieuwe gebruikers.

Voor branches is continuïteit van het Ondernemingsdossier groot belang. Die continuïteit zal ik met de doorontwikkeling van het Ondernemingsdossier naar «mijn overheid voor bedrijf» bereiken.

225

Kunt u aangeven hoe vaak de website www.ondernemersplein.nl per maand wordt bezocht?

Antwoord

Per maand zijn er zo’n 500.000 bezoeken aan de website www.ondernemersplein.nl

226

Hoe verhoudt zich de extra aandacht voor het ontwikkelen van digitale vaardigheden bij de beroepsbevolking met de trend van meer ondernemers, incl. zzp’ers, waar ondernemersvaardigheden (ook) van belang zijn?

Antwoord

Zowel digitale vaardigheden als ondernemers vaardigheden zijn hard nodig om in te kunnen spelen snelgroeiende technologische ontwikkelingen. Ontwikkelingen als big data, cloud computing en cyber security vragen om andere vaardigheden van (toekomstige) ondernemers. ICT kan niet alleen een belangrijke bijdrage leveren aan de groei en het verbeteren van de concurrentiepositie van bedrijven, het zorgt ook voor een veelheid aan nieuwe commerciële kansen voor start ups en bestaande bedrijven. Met initiatieven als Booking.com en Uber ontstaan nieuwe markten en nieuwe marktkansen. Om die kansen te kunnen benutten moeten ondernemers wel beschikken over voldoende ICT-kennis. Zo maken veel mkb’ers nog onvoldoende gebruik van de mogelijkheden die ICT biedt voor (product)innovatie.

Binnen het programma Digivaardig, waarvan EZ mede-initiatiefnemer is, de online cursus www.slimmerondernemenin1minuut.nl ontwikkeld om ondernemers digitaal vaardiger te maken. Ook de «ondernemers van de toekomst» moeten al voorbereid zijn op de razendsnelle technologische ontwikkelingen. Daarom wordt binnen vier jaar op alle basisscholen structureel Wetenschap & Technologie, waartoe ook ICT behoort, ingevoerd, een van de acties uit het Techniekpact. Daarnaast zet EZ zich samen met KvK en veldpartijen in het programma Ambitie en Groeivaardigheden in om de groeivaardigheden van ondernemers (breder dan alleen digitale vaardigheden) in het kleinbedrijf te verbeteren.

228

Kunt u aangeven op welke herkomstmarkten en doelgroepen het NBTC-budget exact wordt ingezet?

Antwoord

Bij de invulling van de marketingstrategie voor de bestemming Holland worden er keuzes gemaakt op het gebied van herkomstlanden en doelgroepen. De keuzes zijn gebaseerd op economische waarde, groeipotentie en de mogelijkheden om de betreffende markt/doelgroep te beïnvloeden. Ook de mogelijkheid om bezoekers te spreiden in tijd en ruimte is daarbij belangrijk. Momenteel is NBTC actief in de volgende herkomstmarkten: Duitsland, Scandinavië, Verenigd Koninkrijk, België, Frankrijk, Spanje, Italië, Noord-Amerika, Japan, China, Rusland, Brazilië en Zuidoost-Azië.

Binnen die markten richten de activiteiten zich zowel op de toeristisch bezoeker (ca. 70% van het totaal aantal) als de zakelijke bezoeker. Bij de consumentenbewerking deelt NBTC doelgroepen in op basis van het lifestyle-segmentatiemodel, dat voor de internationale marketing ontwikkeld is in samenwerking met Motivaction. In tegenstelling tot een klassieke doelgroepindeling op basis van demografische kenmerken, spelen bij dit model behoeftes en lifestyle van de consument een leidende rol. In de toeristische marktbewerking richt NBTC zich op de volgende doelgroepen: Mainstream, Traditional, Upper-class, Postmodern en Achiever.

229

Welk deel van de bijdrage aan het NBTC zal effectief kunnen worden besteed aan spreiding van toerisme?

Antwoord

De strategie van NBTC is «Supporting the known, introducing the new». Dat betekent dat naast het reguliere aanbod ook nieuwe bestemmingen worden geïntroduceerd. De internationale concurrentie van overige Europese bestemmingen is groot. Daarom wordt het grootste deel van de bijdrage aan NBTC ingezet op activiteiten ten behoeve van het behoud van het bestaande bezoekersvolume en daarbij behoud van het marktaandeel. Zo’n 10% van de huidige bijdrage zal effectief kunnen worden besteed aan spreiding van toerisme. Daarnaast wordt binnen bestaande initiatieven (gericht op behoud van het bestaande bezoekersvolume), waar mogelijk en relevant, aandacht besteed aan activiteiten gericht op spreiding van toerisme.

230

Wat zijn de doelstellingen bij de aanpassing van wet- en regelgeving aan de veranderende maatschappelijke dynamiek, en welke concrete maatregelen vloeien daaruit voort?

Antwoord

Het tempo van technologische en maatschappelijke vernieuwing ligt steeds hoger. Nieuwe digitale platforms en de deeleconomie zijn hier voorbeelden van. Het kabinet wil dat ondernemers optimaal kunnen profiteren van deze ontwikkelingen. Hiertoe wil het kabinet onnodige belemmeringen in regelgeving weg nemen zodat innovatieve ondernemers de kans krijgen om steeds betere producten en diensten te ontwikkelen. Dit komt zowel ten goede aan onze welvaart maar ook draagt ook bij aan oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen zoals de verduurzaming en vergrijzing.

Het kabinet is diverse acties gestart om in bestaande wetgeving meer ruimte voor innovatie te creëren en op structurele basis meer aandacht te geven aan flexibiliteit en toekomstbestendigheid van nieuwe wet- en regelgeving. Zie bijvoorbeeld de Kamerbrieven «Ruimte voor innovatie door toekomstbestendige wetgeving» (Kamerstuk 33 009, nr. 10) en «Ruimte in regels voor groene groei» Kamerstuk 33 043, nr. 42). In concrete gevallen kijken we waar wetgeving belemmert, zoals bij AirBnB, digitale platformen, elektrisch vervoer, het gebruik van afval als grondstof of de toepassing van biobased economy en nemen we belemmeringen weg. Ook passen we instrumenten, zoals experimenteerruimte en Right to Challenge meer toe.

231

Kunt u aangeven welke bijdragen er vanuit de verschillende ministeries in 2016 en 2017 begroot zijn voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) Nederland?

Antwoord

De ministeries van Economische Zaken, Buitenlandse Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben projectsubsidies voor Stichting MVO Nederland begroot van totaal € 2.775.944,– in 2016 en € 1.184.586,– in 2017. Dit is bestemd voor de uitvoering van beleid voor het Internationaal MVO-programma, de IMVO Vouchers, kennis en voorlichting en De Normaalste Zaak (werk geven aan mensen met een arbeidsbeperking). Stichting MVO Nederland voert ook specifieke projecten uit voor diverse ambassades, maar ik heb geen overzicht van de plannen van de ambassades voor de aankomende jaren.

Daarnaast zullen de ministeries van Infrastructuur en Milieu, EZ, OCW en BZ projectopdrachten op het gebied van MVO aanbesteden, waarbij meerdere organisaties geschikt zijn voor de uitvoering. Stichting MVO Nederland is één van de partijen die hiervoor offertes kan uitbrengen. Ik kan daarbij geen budget noemen, omdat het budget is begroot voor de betreffende projecten en niet voor een mogelijke uitvoerder.

232

Wat is de verhouding tussen de rijksbijdrage aan de Kamer van Koophandel en de door haarzelf gegenereerde inkomsten?

Antwoord

De verhouding tussen de rijksbijdrage en de door de Kamer van Koophandel zelf gegenereerde inkomsten ten opzichte van de totale middelen bedraagt ongeveer 60% van het Rijk versus 40% zelf gegenereerde inkomsten.

233, 236

Kunt u aangeven in welk stadium het besluitvormingsproces rond de mogelijke EZ-investering in een motorenonderhoudsfaciliteit voor F-35 zich bevindt?

Op welke wijze zal de Kamer worden betrokken en geïnformeerd over het besluitvormingsproces rond de mogelijke EZ-investering in een motorenonderhoudsfaciliteit voor F-35? Wanneer kan de Kamer op dit punt nadere informatie verwachten?

Antwoord 233 en 236

Zoals in de brief van 18 juni 2015 (Kamerstuk 26 488, nr. 390) vermeld, nemen de drie investerende partijen, de ministeries van Defensie en Economische Zaken en de provincie Noord Brabant, dit najaar een definitief besluit over de financiering van de investering. Gesprekken over de financiering zijn nu in een vergevorderd stadium. Naar verwachting zal de Minister van Defensie in oktober, de Kamer in het kader van het Defensie Materieel Proces informeren.

234

Zijn er precedenten waarbij verschillende ministeries, provincies en private partijen gezamenlijk investeren in een (onderhouds-)faciliteit/fabriek en hoe vergelijkbaar zijn die situaties? Welke kansen en risico’s spelen daarbij een rol?

Antwoord

Het F-35 Joint Program Office hecht eraan dat de motorenonderhoudsfaciliteit eigendom is van de overheid. Daarnaast heeft de Nederlandse overheid een ambitie en belang zoals beschreven in het antwoord op vraag 194 en 197. Binnen de overheid is het concept van publiek-private samenwerking niet uniek, maar elke casus is uiteraard anders. In Nederland is de deelname aan de ontwikkeling van de F-35 een voorbeeld. Daarin heeft de overheid geïnvesteerd terwijl het bedrijfsleven via de Mede Financieringsovereenkomst een deel terugbetaalt. Internationaal kan Italië als voorbeeld dienen, dat land heeft geïnvesteerd in een kostbare fabriek waarin F-35»s worden samengebouwd en de afleveringsbeproevingen plaatsvinden.

Voor zover bekend zijn er geen recente precedenten bekend waarbij in Nederland diverse overheden en private partijen samen in een onderhoudsfaciliteit/fabriek investeren.

235

Hoe groot zal het bedrag zijn dat EZ eventueel gaat investeren in de motorenonderhoudsfaciliteit voor F-35 en waar zullen die begrotingsmiddelen vandaan komen?

Antwoord

Dit betreft een jaarlijkse storting (t/m 2020) in het Groenfonds ten gunste van de provincie Zuid-Holland in het kader van Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR).

De middelen zijn bestemd voor de realisatie van het PMR deelproject 750 ha natuur- en recreatieterrein.

De basis hiervoor vormt het bestuursakkoord PMR d.d. 24 juni 2004 tussen het Rijk, de provincie Zuid-Holland, stadsregio Rotterdam, gemeente Rotterdam en het Havenbedrijf Rotterdam.

237

Hoe groot zal de interne begrotingreserve BMKB zijn aan het eind van 2016 bij de verwachte extra aanspraak die op de Borgstelling zal worden gedaan en is het mogelijk deze reserve tussentijds aan te vullen indien nodig?

Antwoord

Conform de begrotingsraming zal de begrotingsreserve van de BMKB eind 2016 een omvang hebben van € 36,2 mln. (zie onderstaande tabel). Telkens zal aan het einde van het jaar de balans opgemaakt worden of de voorgenomen onttrekking aan de reserve in 2015 en 2016 noodzakelijk is, gelet op het saldo van daadwerkelijk gerealiseerde schades en ontvangsten. Indien nodig is het mogelijk deze reserve bij (suppletoire) begrotingswetten aan te vullen.

(x € 1 mln.)

Stand ultimo 2014

Voorgenomen onttrekking 2015

Voorgenomen onttrekking 2016

Stand ultimo 2016

BMKB reserve

€ 66,6

€ 25,4

€ 5,0

€ 36,2

238

Waar staan de kengetallen rond CO2-uitstoot?

Antwoord

In de begroting van EZ zijn geen kengetallen opgenomen rond CO2-uitstoot, omdat dit onder het klimaatbeleid valt. Kengetallen rond CO2-uitstoot zijn om die reden opgenomen in de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu onder beleidsartikel 19.

239

Waarom is er nog steeds geen definitief investeringsbesluit genomen door de initiatiefnemers van het project ROAD? (p. 80–81)? Welke aanwijzingen heeft u dat er begin 2016 wel een definitief investeringsbesluit voor het project ROAD wordt genomen? Onder welke voorwaarden heeft u in 2010 het voorschot van € 15,3 mln. aan het project ROAD verleend? Is bijvoorbeeld een uiterste datum voor het definitieve investeringsbesluit afgesproken? Is de toezegging van de rijksoverheid om € 150 mln. bij te dragen aan het project ROAD ook al juridisch verplicht? Zo niet, wanneer verwacht u een juridische verplichting aan te zullen gaan? Hoeveel middelen, van de in totaal ruim € 8 mln. geraamd voor opvang en afslag CO2 (CCS), verwacht u in 2016 aan ROAD te zullen besteden?

Antwoord

Er is nog steeds geen definitief financieringsbesluit over ROAD genomen omdat er sprake is van een aanzienlijk financieringstekort.

Samen met de Europese Commissie is er de afgelopen periode gezocht naar een oplossing voor het financieringstekort bij ROAD. Inmiddels hebben zowel Duitsland als Noorwegen in principe toegezegd aan ROAD te willen bijdragen. Ook Frankrijk overweegt een bijdrage. De Europese Commissie onderzoekt of een bijdrage vanuit HORIZON 2020 aan de exploitatie fase van ROAD mogelijk is. De betrokken bedrijven (E.ON en Engie) hebben ook aangegeven door te willen gaan met ROAD. De planning is dat eind 2015 alle partijen hun toegezegde bijdrage bevestigen. In de eerste helft van 2016 volgt dan het definitieve investeringsbesluit.

Het voorschot aan ROAD is verleend onder de voorwaarde dat er daadwerkelijk gemaakte kosten tegenover staan. De toegezegde bijdrage van € 150 mln. van het Rijk is vastgelegd in een subsidiebeschikking en daarmee verplicht. In de beschikking is geen uiterste datum voor de definitieve investeringsbesluit opgenomen.

De genoemde € 8 mln. zijn middelen voor CCS in het algemeen. De toegezegde € 150 mln. aan cofinanciering voor het ROAD project was gereserveerd op de EZ begroting in de jaren 2010–2015. Door de vertraging die het project heeft opgelopen is alleen het eerste voorschot in 2010 van € 15,3 mln. uitbetaald. De vrijvallende middelen zijn ingezet voor het opvangen van tegenvallers binnen de EZ begroting. Als er in 2016 een positief investeringsbesluit wordt genomen zal de resterende € 134,7 mln. (verspreid over een aantal jaar) binnen de EZ begroting gevonden moeten worden en zal uw Kamer hierover worden geïnformeerd. Hierbij zal ook de budget reeks voor CCS van ca. € 8 mln. worden betrokken.

240

Wat zijn de bedragen die – per onderdeel – geïnvesteerd (gaan) worden in de Overheidsdienst Groningen, de onderzoeksgroep Energie en de versterking van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)?

Antwoord

De bedragen zoals begroot voor de Overheidsdienst Groningen, de onderzoeksgroep Energie en de versterking van het Staatstoezicht op de Mijnen, zijn weergegeven in de tabel bovenaan pagina 26 van de begroting van het Ministerie van Economische Zaken.

(x € mln.)

Artikel

2015

2016

2017

2018

2019

Overheidsdienst Groningen

40

7

19

19

19

19

waarvan organisatie

 

4

12

12

12

12

waarvan onderzoek

 

3

7

7

7

7

Onderzoek

14

6

10

10

8

6

Versterking energiedirecties

40

2

4

4

4

4

Uitbreiding SodM

40

1

2

1,2

1,2

1,2

Totaal

 

16

35

34,2

32,2

30,2

241

Wat gaat de onderzoeksgroep energie doen?

Antwoord

Om de regie op de kennisontwikkeling rond de effecten van mijnbouw vorm te geven ontwikkelt het Ministerie van Economische Zaken een onderzoekprogramma langs de volgende lijnen:

  • Focus op nationale en regionale vraagstukken, maar met internationale betrokkenheid (om lacunes in de nationale kennisbasis aan te vullen en onafhankelijke toetsing mogelijk te maken);

  • Lange termijn kennisopbouw, om de verbinding tussen fundamentele en toegepaste kennis structureel te bevorderen en een solide, wetenschappelijk gezaghebbende kennisbasis te leggen onder de maatschappelijke besluitvorming omtrent mijnbouw;

  • Onafhankelijk qua positionering, financiering en sturing;

  • Integrale aanpak, waarin maatschappelijke vraagstukken leidend zijn, beschikbare en nieuw te ontwikkelen kennis worden samengebracht en er veel aandacht is voor brede beschikbaarstelling van de kennis;

  • Focus op de ondergrondse aspecten van de effecten tot en met de duiding van veiligheidsrisico’s.

Op dit moment worden de inhoudelijke contouren en mogelijke organisatievormen van het programma in kaart gebracht. Eind 2015 zal de concrete opzet van het programma duidelijk zijn, waarna in 2016 de implementatie kan plaatsvinden.

242

Op welke wijze worden bodembewegingen/bodemverschuivingen gemeten en met welke meetmethoden? Kan er een overzicht komen van alle meetpunten met methoden?

Antwoord

Voor alle gaswinningen op land moet op basis van de mijnbouwwet een meetplan ingediend worden, waarin beschreven staat op welke wijze de bodembewegingen gemeten worden. Dit plan behoeft de goedkeuring van Staatstoezicht op de Mijnen. Alle meetplannen en data zijn openbaar en terug te vinden op http://www.nlog.nl/nl/hazards/registers/registers.html.

243

Wat is de doelstelling van CO2 reductie voor 2016?

Antwoord

Het kabinet hanteert geen doelstelling voor CO2-reductie in 2016. Conform de afspraken in het Europese klimaatbeleid richt het kabinet zich op 16% CO2-reductie in de non-ETS sectoren in 2020.

244

Kunt u aangeven waarom de samenleving oplossingen moet aandragen voor problemen die door de met beleid gestuurde energietransitie zijn gecreëerd?

245

Kunt u aangeven waarom u pas in 2016 de dialoog met de samenleving aangaat over de complexiteit van het energievraagstuk, terwijl dan belangrijke wetgeving reeds is geïmplementeerd en ontwikkelingen in gang zijn gezet bijvoorbeeld met betrekking tot windmolens die niet meer herroepen kunnen worden?

246

Kunt u aangeven op welke punten in het energievraagstuk er nog ruimte is voor burgers om met hun inbreng zaken te veranderen?

247

Kunt u aangeven wat u er van zou vinden als u achteraf gevraagd wordt om input te leveren over beslissingen die al genomen zijn en niet meer teruggedraaid kunnen worden?

Antwoord 244, 245, 246, 247

Met het Energieakkoord, dat zich richt op de periode tot en met 2023, is een eerste onomkeerbare stap gezet in de energietransitie die nodig is om in internationaal verband een volledig duurzame energievoorziening te bereiken in 2050. Het Energieakkoord is gesloten tussen bijna 50 partijen en de uitvoering vindt plaats in nauw overleg tussen deze partijen. De Borgingscommissie van het Energieakkoord, onder leiding van de heer Nijpels en met de deelnemende partijen als leden, houdt de voortgang van de uitvoering van het Energieakkoord in het oog.

Nederland heeft zich in Europees verband gecommitteerd aan de ambitie om in 2050 de uitstoot van broeikasgassen met 80–95% te verminderen ten opzichte van 1990. In het Energierapport 2015 brengt het kabinet in beeld wat nog verder benodigd is voor een volledig duurzame energievoorziening in 2050. Zeker is dat dit een enorme inspanning zal vragen van de hele maatschappij. Daarom hecht het kabinet sterk aan inbreng van burgers, bedrijven, andere overheden en maatschappelijke organisaties. Zij zullen worden uitgenodigd deel te nemen aan de dialoog over de in het Energierapport genoemde thema’s en hun kennis en kunde in te brengen voor de verdere energietransitie. Het einddoel staat vast, maar het verloop van de overgang naar een CO2-arme energievoorziening in 2050 is onderwerp van de dialoog. De uitkomsten van de dialoog vormen een belangrijke inbreng voor de Beleidsagenda die ik in het najaar van 2016 zal uitbrengen. Samen met de evaluatie van het Energieakkoord ontstaat daarmee goed inzicht in de volgende stappen die gezet moeten worden in de energietransitie in Nederland, waarbij maatregelen op de kortere termijn verbonden worden met de visie voor de lange termijn.

248

Zullen de uitgaven in 2015 voor de Topsector Energie uitkomen op de begrote € 68 mln., aangezien er bij de Voorjaarsnota 2015 geen mutaties werden voorzien? Hoe verhoudt deze stijging zich tot de uitgaven in 2014 van € 35 mln.? Vanwaar deze stijging? Voor 2016 wordt € 56 mln. begroot; vanwaar deze verlaging? Welke invloed heeft deze verlaging op de innovatieve doelstellingen uit het Energie-akkoord?

Antwoord

Op dit moment is er geen aanleiding om de begrote € 68 mln. te herzien.

De tabel is gebaseerd op kasuitgaven voor projecten behorend bij de programma’s van de Topsector Energie die vanaf 2012 zijn opgestart. Doorgaans worden deze projecten in vier jaar uitgefinancierd. Het relatief lage bedrag in 2014 t.o.v. latere jaren heeft te maken met de aanloopfase waarin de programma’s van de topsector zich toen nog bevonden. De daling van 2016 t.o.v. 2015 heeft te maken met het feit dat de beschikbare budgetten voor het aangaan van nieuwe verplichtingen in de jaren na 2012 op een lager niveau lagen.

Het voorgaande heeft geen gevolgen voor de innovatieve doelstellingen uit het Energieakkoord.

249

Waarom is er geen reservering voor de interne begrotingsreserve duurzame energie na 2014?

Antwoord

De wijziging in de interne begrotingsreserve duurzame energie kan pas na afloop van een begrotingsjaar worden bepaald en vastgesteld. Om die reden zijn er nog geen reserveringen voor jaren na 2014.

250

Waarom is er geen reservering voor aardwarmte na 2015, terwijl op pagina 33 de zin staat «dat aardwarmte binnen de SDE+ en van de gunstigste opties is, en daarnaast gesteld wordt dat «aardwarmte tevens een belangrijke optie is voor het halen van de energie- en klimaatdoelen van EZ en de glastuinbouw» anders suggereert?

Antwoord

De Garantieregeling Aardwarmte wordt telkens voor een periode van twee jaar vastgesteld. De huidige openstelling loopt tot 31 maart 2016.

De garantieregeling wordt dit jaar geëvalueerd en vervolgens zullen er opnieuw afspraken worden gemaakt met het Ministerie van Financiën over een nieuwe openstelling vanaf 2016. Aardwarmte (geothermie) komt tevens net als andere technologieën voor de opwekking van hernieuwbare energie in aanmerking voor SDE+ subsidie. Met uitzondering van wind op zee wordt in de SDE+ ex ante geen specifiek budget per categorie wordt gereserveerd. Hierdoor is ex ante een uitsplitsing per technologie niet te geven. Zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 3.

251

Kunt u per categorie (windenergie, biomassa etc.) onder de SDE+ een overzicht geven van de verwachte uitgaven en van de maximale uitgaven per jaar?

Antwoord

Met uitzondering van wind op zee wordt in de SDE+ ex ante geen specifiek budget per categorie wordt gereserveerd. Hierdoor is ex ante een uitsplitsing per technologie niet te geven. Zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 3.

252

De uitgaven aan de SDE+ zijn door de jaren heen veel hoger dan de ontvangsten van de SDE+, waar wordt het verschil uit betaald?

Antwoord

In de tabel «Budgettaire gevolgen van beleid» zijn de beschikbare middelen voor uitgaven aan de oude SDE en de SDE+ samengenomen. De kasuitgaven uit hoofde van de oude SDE worden gedekt uit de algemene middelen. Dit gegeven verklaart het verschil met de inkomsten SDE+.

253

Waarom krijgen energie-intensieve bedrijven een compensatie voor de ETS en hoe verhoudt dit zich tot de gratis emissierechten die al aan bedrijven met weglekeffecten worden gegeven, als ook tot de structureel lage energiebelasting die energie-intensieve bedrijven betalen?

Antwoord

Bedrijven die risico lopen op koolstoflekkage, oftewel het verplaatsen van investeringen en bedrijven buiten de EU als gevolg van het ETS, en die op de zogenaamde «carbon leakage-lijst» staan, komen in aanmerking voor gratis emissierechten.

Bedrijven die voldoen aan bepaalde voorwaarden komen daarnaast in aanmerking voor compensatie op grond van de subsidieregeling voor indirecte emissiekosten ETS. Sinds de start van de derde handelsperiode in 2013, krijgen elektriciteitsproducenten binnen het Europese systeem van CO2 emissiehandel (ETS) geen kosteloze toewijzing van emissierechten meer. Als gevolg daarvan zullen CO2 kosten tot uitdrukking komen in de marktprijs voor stroom. Deze kostenstijging raakt in het bijzonder de elektriciteits-intensieve industrie, die daardoor in haar concurrentiepositie wordt benadeeld ten opzichte van niet-Europese concurrenten. Om deze lasten te verminderen en zodoende de internationale concurrentiepositie van de betrokken ondernemingen te behouden, hebben Europese lidstaten de mogelijkheid om voor bepaalde energie-intensieve bedrijven financiële steun te verlenen.

De tarieven voor de energiebelasting voor energie-intensieve bedrijven betreffen een deel van de totale energiekosten.

254

Hoeveel beslaat het speciaal voor innovatie afgezonderde deel van de SDE+ middelen?

Antwoord

In de jaren 2012 tot en met 2015 was hier jaarlijks € 50 mln. voor beschikbaar. Naar aanleiding van het Energieakkoord is besloten dat ook na 2015 SDE+ middelen mogen worden ingezet voor innovatie, eventueel zelfs meer dan € 50 mln. per jaar, zolang aannemelijk kan worden gemaakt dat deze innovaties voldoende bijdragen aan kostenreductie en daardoor meer aan besparingen voor de reguliere SDE+-uitgaven opleveren.

255

Op welke wijze worden de green deals vanuit de samenleving gemonitord en hoe wordt de Kamer hierover geïnformeerd?

Antwoord

Jaarlijks wordt een monitoring op het Green Deal portfolio uitgevoerd door RVO.NL. De resultaten uit deze monitoring vormen de basis voor de voortgangsrapportage. In april 2015 is de Tweede Kamer in de Voortgangsrapportage Green Deals 2011–2014 geïnformeerd over de voortgang van de Green Deal aanpak (Kamerstuk 33 043, nr.40).

256

Op welke basis wordt bepaald wanneer, aan wie, en onder welke voorwaarden de compensatie voor ETS wordt uitgekeerd?

Antwoord

De subsidieregeling Indirecte emissiekosten ETS wordt uitgevoerd volgens de EU-richtsnoeren betreffende staatssteunmaatregelen in het kader van de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten na 2012. In deze richtsnoeren zijn de 15 (deel)bedrijfstakken vastgelegd die in aanmerking komen voor compensatie.

Daarnaast is in de regeling de aanvullende voorwaarde opgenomen dat ondernemingen die in aanmerking willen komen hun energie-efficiëntie dienen te verbeteren door een energie-efficiency plan (EEP) op te stellen, uit te voeren en daarover te rapporteren.

In de toelichting op de regeling is opgenomen dat ondernemingen de subsidie ontvangen in het jaar volgend op het jaar waarin de kosten zijn gemaakt.

257

Wat behelst de Demonstratieregeling Energie-Innovatie (DEI) en waarom is dit gericht op de export?

Antwoord

De DEI is conform de afspraken in het Energieakkoord bedoeld om een «etalage» van Nederlandse energie-innovaties te creëren waardoor bedrijven gemakkelijker de sprong naar internationaal succes kunnen maken. Het gaat dan om voor Nederland nieuwe (toepassingen van) apparaten, systemen of technieken die energie besparen of die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen. Bij de beoordeling van de projecten wordt gekeken naar de potentie voor versterking van de Nederlandse economie, wat betreft omzet, werkgelegenheid en export. De DEI draagt bij aan de ambitie om de economische waarde van de schone energie-technologieketen in 2020 te verviervoudigen ten opzichte van 2010.

258

Waaruit bestaan de twee in de tekst genoemde uitgevoerde tenders van 2015?

Antwoord

In 2015 is er voor gekozen om de DEI-regeling open te stellen in twee aparte tenders die zich alleen onderscheiden in het beschikbare budget (in de eerste tender € 14 mln. en in de tweede € 20 mln.). Dit geeft ondernemers meer ruimte om hun projectvoorstellen op verschillende momenten in te kunnen dienen.

259

Hoe worden de twee tenders vanuit DEI (Demonstratieregeling Energie-Innovatie) van 2015 geëvalueerd?

Antwoord

Er vindt geen officiële evaluatie plaats van de twee DEI tenders in 2015. Uiteraard wordt de ervaring van dit jaar wel meegenomen om te kijken hoe we de regeling voor 2016 weer zo optimaal mogelijk vorm kunnen geven, indachtig de doelen uit het Energieakkoord.

260

Hoe groot is het CO2 weglek risico en waaruit bestaan de indirecte kosten in het kader van ETS?

Antwoord

Het risico op koolstoflekkage verschilt per product en sector en is een combinatie van de koolstofintensiteit van het productieproces en de mate waarin het product over de grenzen van de EU verhandeld wordt. Bij een stijging van de prijs van een emissierecht neemt het weglekrisico toe. Voor een beschrijving van de indirecte kosten verwijs ik kortheidshalve naar het antwoord op vraag 253.

261

Hoe reëel is het dat in 2016 inderdaad een definitief investeringsbesluit over ROAD genomen gaat worden?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 239.

262

Wat zijn de kosten per miljard m3 wanneer wordt uitgegaan van € 1,1 mld. derving gasbaten in 2015?

Antwoord

Bij een gasprijs van € 0,20 per m3 bedraagt de derving aan aardgasbaten ongeveer € 175 mln. per miljard m3 Groningengas (transactiebasis, incl. Vpb).

263

Kunt u aangeven waar de extra SDE+ inkomsten van € 180 mln. en € 208 mln. in respectievelijk 2019 en 2020 vandaan komen ten opzichte van de geüpdatete tabel geraamde kasuitgaven en gevolgen voor de lastenontwikkeling 2013–2031 zoals die bij de beantwoording van de feitelijke vragen begroting EZ 2014 aan de Kamer zijn toegezonden (vraag 254)?

Antwoord

In de geactualiseerde tabel over de lastenontwikkeling als gevolg van de Opslag Duurzame Energie (ODE) die in 2013 aan de Kamer is gezonden is – afgezien van afrondingen – sprake van het abusievelijk buiten beschouwing laten van een maatregel uit het Energieakkoord die ook ten laste komt van de ODE. Het betreft een in het Energieakkoord genoemde reserve van € 375 mln. om te borgen dat het doel 2020 wordt bereikt. Dit heeft gevolgen voor de hoogte van de ODE uitsluitend voor de jaren 2019 en 2020. Voor een gecorrigeerde versie van de tabel wordt hier volstaan met een verwijzing naar het antwoord op vraag 265.

264

Hoe staat dit in verhouding tot de kosten per miljard m3 die het CPB bij de tegenbegrotingen van diverse partijen heeft gegeven?

Er is geen relatie tussen de inkomsten uit de Opslag voor Duurzame Energie en de aardgasbaten. Er zijn twee tegenbegrotingen door de ChristenUnie en door Groen Links ingediend met een verdere verlaging van het plafond voor de gaswinning uit het Groningerveld. Het CPB meldt daarover het volgende. «De ChristenUnie verlaagt het plafond voor de gaswinning in Groningen tot 27 mld m3 in 2016. Dit is een intensivering van 0,9 mld euro. GroenLinks streeft naar verlaging van de gaswinning in Groningen tot 21 mld m3. In geval van koude winters is er nog 2 mld m3 extra beschikbaar. De verlaging van het plafond van gaswinning in Groningen tot 23 mld m3 is een intensivering van 1,7 mld euro.» Bij een gasprijs van 20 eurocent per m3 bedraagt de derving aan aardgasbaten ongeveer € 160 mln. per miljard m3 Groningengas (transactiebasis, excl. Vpb).

265

Kunt u de tabel geraamde kasuitgaven en gevolgen voor de lastenontwikkeling 2013–2031 zoals die bij de beantwoording van de feitelijke vragen begroting EZ 2014 aan de Kamer zijn toegezonden (vraag 254) van een update voorzien?

Antwoord

Hieronder is een update opgenomen van de tabel over de lastenontwikkeling als gevolg van de Opslag Duurzame Energie (ODE) na verwerking van de afspraken uit het Energieakkoord. Ten opzichte van de eerdere tabel zijn uitsluitend de cijfers 2019 en 2020 gewijzigd.

266

Wat is de verwachting van het kabinet omtrent het plafond gaswinning de komende jaren tot 2020?

Antwoord

Er worden momenteel diverse onderzoeken uitgevoerd inzake de gaswinning uit het Groningenveld. Derhalve kan ik nu geen uitspraken doen over de te verwachten gaswinning tot 2020. Voor een nadere toelichting verwijs ik naar het antwoord op vraag 108.

267

Hoe correspondeert de verwachting omrent het plafond gaswinning met de budgettaire gevolgen van het beleid op pagina 77? Waarom lopen de budgettaire opbrengsten terug de komende jaren?

Antwoord

In de raming in de begroting is meerjarig uitgegaan van een gaswinning van 33 miljard m3 uit het Groningenveld. Naast Groningengas wordt ook gas uit kleine velden gewonnen. De budgettaire opbrengsten lopen de komende jaren terug omdat de gasproductie in zijn totaliteit afneemt.

268

Waarom zijn de bedragen voor TNO AGE (bodembeheer) afgenomen ten opzichte van 2014?

Antwoord

De bedragen voor TNO Bodembeheer (TNO AGE) nemen niet af in de komende jaren. De begroting laat weliswaar een afname zien, maar dat wordt veroorzaakt doordat alle gelden, die gerelateerd zijn aan onderzoek met betrekking tot bodembeweging, gebundeld en ondergebracht worden onder O&O bodembeheer. Dat geldt dus ook voor de werkzaamheden van TNO-AGE, die gerelateerd zijn aan bodembeweging.

269

Kunt u een raming geven van de ontwikkeling van de begrotingsreserve duurzame energie in de komende jaren (dit ontbreekt in de tabel)?

Antwoord

Naar de huidige inzichten zal de interne begrotingsreserve dit jaar toenemen met een bedrag van circa € 500 mln. tot circa € 1,1 mld., vooral als gevolg van vertraagde projecten in de oude SDE-regeling. Naar verwachting zal de begrotingsreserve in de jaren 2016 en verder niet of in geringe mate toenemen.

270

Hoe is de opslag op de energierekening ter financiering van de SDE+ opgebouwd? Welke opslag wordt betaald door de kleingebruikers en welk gedeelte door de grootverbruikers?

Antwoord

Het uitgangspunt bij de verdeling van lasten van de Opslag Duurzame Energie tussen burgers en bedrijven is een 50:50 verdeling.

271

Via welke begroting lopen de brandstofsubsidies voor tuinbouwers, gebouwen voor religieuze diensten of filosofische reflectie en de subsidie van stookkosten voor non-profitorganisaties en voor welke bedragen?

Antwoord

Het betreft allereerst het verlaagde tarief voor de glastuinbouwsector in de energiebelasting op aardgas en de teruggaafregeling voor non-profit instellingen in de energiebelasting. Dit zijn zogenoemde belastinguitgaven die in bijlage 5 van de Miljoenennota 2016 worden toegelicht. Tabel 5.3.3 van de Miljoenennota 2016 bevat de meerjarige overzichten van de belastinguitgaven in de energiebelasting voor de periode 2014–2020. Voor 2016 betreft het onderstaande bedragen.

 

2016

Verlaagd tarief glastuinbouw

81

Teruggaaf kerkgebouwen

10

Teruggaaf non-profit instellingen

25

Teruggaaf grootverbruik

2

Lokaal opgewekte duurzame energie

1

Totaal belastinguitgaven in de energiebelasting1

119

X Noot
1

Budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen).

272

Hoe verhoudt de Compensatie Energie-intensieve bedrijven zich met de doestelling tot een meer duurzame energieproductie te komen?

Antwoord

De compensatie van de indirecte ETS-kosten voor de energie-intensieve bedrijven wordt gegeven omdat deze bedrijven geconfronteerd worden met een hogere elektriciteitsprijs en daardoor een mogelijk concurrentienadeel als gevolg van het ETS. Zie ook mijn antwoord op vraag 253. Het geven van compensatie staat los van het doel om het aandeel duurzame energieproductie te laten stijgen. Daarvoor zet ik onder andere de SDE+ in.

273

Hoeveel geld van de inkomsten van SDE+ gaat er naar de verschillende soorten energie in het komende jaar en de jaren daarna, kunt u dat specificeren?

Antwoord

Met uitzondering van f-35 wordt in de SDE+ ex ante geen specifiek budget per categorie wordt gereserveerd. Hierdoor is ex ante een uitsplitsing per technologie niet te geven. Zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 3.

274

Hoeveel geld is van de inkomsten van SDE+ beschikbaar voor biogas, windenergie, zonenergie etc.?

Antwoord

Met uitzondering van wind op zee wordt in de SDE+ ex ante geen specifiek budget per categorie wordt gereserveerd. Hierdoor is ex ante een uitsplitsing per technologie niet te geven. Zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 3.

275

Hoeveel groot is het aandeel van duurzame energie in de in 2015 geaccordeerde innovatiecontracten?

Antwoord

De innovatiecontracten voor 2016 en 2017 zijn 5 oktober jl. getekend. Voor de Topsector Energie is er ruim € 320 mln. beschikbaar aan publieke (kas)middelen voor die twee jaren. Dit betreft middelen vanuit EZ, NWO, maar ook middelen die TNO en ECN beschikbaar krijgen. Naar schatting zal dit met een bedrag van totaal € 270 mln. aangevuld gaan worden vanuit het bedrijfsleven. Maar ook regionale fondsen zullen zo mogelijk aanvullend worden benut.

Het genoemde publieke bedrag van ruim € 320 mln. is beschikbaar voor alle onderwerpen die binnen de Topsector Energie worden opgepakt, dus ook bijvoorbeeld energiebesparing en smart grids. De exacte verdeling van de middelen over de verschillende onderwerpen vindt jaarlijks plaats op voordragen van de Topsector Energie. Ik kan dus op voorhand niet aangeven hoe groot het aandeel duurzame energie hierin zal zijn. Daarnaast is er mogelijk nog sprake van indirecte bijdragen in de innovatiecontracten van andere topsectoren via diverse cross-overs op het gebied van duurzame energie.

276

Waarom staat er ieder jaar circa € 7 à 8 mln. aan subsidie ingeboekt voor carbon capture and storage (CCS), indien de investeringsbeslissing daarover in 2016 nog gemaakt moet worden?

Antwoord

Deze ingeboekte bedragen zijn voor CCS in het algemeen; bijvoorbeeld voor onderzoek. Deze staan dus in principe los van ROAD.

277

Indien CCS inderdaad doorgaat, waar wordt dan de toegezegde € 150 mln. aan cofinanciering uit betaald en waar kan dit op de begroting worden terug gevonden?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 239.

278

Kunt u aangeven wat het verplichtingenbedrag is voor de tender wind op zee voor de jaren 2017, 2018 en 2019?

Antwoord

Het verplichtingenbedrag (de maximale subsidie) voor de gekozen uitrol kan pas na afronding van alle tenders (eind 2019) worden berekend. In de tenders wordt flexibiliteit geboden voor het aantal MW en het aantal vollasturen dat wordt gerealiseerd. Pas als bekend is hoeveel MW en hoeveel vollasturen de winnaar van de tenders gaan realiseren kan het maximaal subsidiebedrag worden berekend. Daarnaast zijn de uiteindelijk winnende tenderbedragen en de basiselektriciteitsprijs van invloed op het (maximale) bedrag van de beschikking.

279

Is het waar dat de € 5 mld. voor de tender wind op zee in 2016 is bedoeld voor 700MW aan wind op zee?

Antwoord

Het budgetplafond voor de tender wind op zee 2015 is gelijk aan € 5 mld. Het budgetplafond voor de tender wind op zee 2016 is nog niet bekend.

Het budgetplafond ligt zeer waarschijnlijk hoger dan de uiteindelijke maximale subsidie (het verplichtingenbedrag). Dit komt doordat bij het budgetplafond rekening wordt gehouden met het maximaal mogelijk aantal MW (760 MW) en vollasturen en dat de winnaar van de tender een bod heeft gedaan met de maximaal toegestane vergoeding per kilowattuur. Het verschil tussen budgetplafond en uiteindelijk maximaal subsidiebudget kan daardoor aanzienlijk zijn.

Ten slotte is de verwachte subsidie nog aanzienlijk lager dan het maximaal subsidiebudget, omdat de uiteindelijk uit te keren subsidie afhankelijk is van de werkelijke toekomstige elektriciteitsprijs. Deze toekomstige elektriciteitsprijs zal naar verwachting hoger liggen dan de basiselektriciteitsprijs waarmee het maximale subsidiebudget is berekend.

280

Waarop baseert u dat de CO2 prijs en daarmee de ETS-compensatie zal dalen?

Antwoord

Voor het vaststellen van de compensatie van de indirecte kosten wordt gebruik gemaakt van een zogenaamde «forward prijs» van een emissierecht.

Bij de compensatieregeling voor 2016 wordt gebruik gemaakt van het gemiddelde van de dagwaardes in 2014 van de december 2014 forward prijs. Doordat de afgelopen jaren de prijs van emissierechten laag was, wat ook tot uiting kwam in de forward prijs van december 2014, zal naar verwachting het beschikbare budget voor 2016 niet worden uitgeput.

281

Betekent dat dan automatisch ook dat bij een stijgende CO2 prijs de emissions trading system (ETS)-compensatie stijgt?

Antwoord

De compensatie zal inderdaad toenemen naarmate de prijs van emissierechten stijgt. Het budget voor de compensatieregeling dat overblijft in enig jaar blijft beschikbaar voor latere jaren, waardoor een eventuele stijging van de compensatie gedekt kan worden uit onderbestedingen in voorgaande jaren. In het Energieakkoord is afgesproken dat er voor de periode 2013 tot en met 2020 budget voor de benodigde compensatie beschikbaar zal zijn.

282

Hoe verhouden de circa € 7 à 8 mln. subsidie aan CCS per jaar zich tot de toegezegde € 150 mln. cofinanciering?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 276.

283

Kunt u aangeven hoeveel bedrijven vanuit Nederland verplaatst zijn naar landen waar geen CO2 prijs is?

Antwoord

Er is mij geen bedrijf bekend dat om deze reden uit Nederland vertrokken is. Het is ook niet waarschijnlijk dat dit heeft plaatsgevonden. De extra kosten als gevolg van het ETS zijn de afgelopen jaren beperkt geweest doordat de prijs van emissierechten laag was. Daarnaast worden bedrijven die het risico lopen op koolstoflekkage en op de carbon leakagelijst staan voor deze kosten gecompenseerd in de vorm van gratis emissierechten en door middel van compensatie van indirecte kosten wat ervoor heeft gezorgd dat de concurrentiepositie niet te leiden heeft onder het ETS. Daarnaast zijn emissiekosten slechts een klein deel van de totale productiekosten en liggen aan de beslissing om een bedrijf te verplaatsen naar een andere land altijd meerdere redenen ten grondslag, waaronder loonkosten en fiscaal vestigingsklimaat.

284

Kunt u aangeven wat de geschatte economische schade is van dit CO2 weglek risico in Nederland tot op heden en wat de verwachting hiervan is?

Antwoord

Verwijzende naar mijn antwoord op vraag 283 is de geschatte economische schade gering. Voor de toekomst zal dit afhangen van de ontwikkeling van de prijs van emissierechten, de vormgeving van de bescherming tegen koolstoflekkage bij de herziening van de ETS-richtlijn en van de mate waarin economieën buiten de EU vergelijkbaar koolstofbeleid voeren.

285

Wat is de toekomst van het Rotterdam Opslag en Afvang Demonstratieproject (ROAD)?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 239.

286

Wat is de status van de toezegging dat het Rijk in totaal € 150 mln. aan het project ROAD zou bijdragen?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 239.

287

Onder welke voorwaarden is het voorschot van € 15,3 mln. aan het project ROAD verleend?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 239.

288

Als het ROAD niet doorgaat, kunt u het verleende voorschot dan terugvorderen?

Antwoord

Het voorschot kan alleen worden teruggevorderd als er geen daadwerkelijk gemaakte kosten tegenover staan.

289

Kunt u aangeven op welke wijze gemeentes gecompenseerd worden voor de misgelopen huren, WOZ inkomsten en overige gemeentelijke belastingen indien uitgekochte woningen niet meer als woonfunctie gebruikt mogen worden en al dan niet tijdelijk leeg komen te staan?

Antwoord

Eventuele hogere WOZ-inkomsten bij gemeenten door verkabeling worden niet afgeroomd en mogelijke misgelopen kosten door de uitkoopregeling worden niet gecompenseerd.

290

Klopt het dat gemeentes de uitkoopregeling voor mensen die onder hoogspanningsmasten wonen kunnen blokkeren?

Antwoord

De regeling treedt in werking per 1 januari 2017 en wordt momenteel nader uitgewerkt. Er worden bestuursakkoorden gesloten tussen gemeenten en het Rijk waarin afspraken worden opgenomen onder meer over de procesgang, exacte taakverdeling tussen de verschillende actoren, de toedeling van de kosten en bestemming van de woningen.

291

Kunt u aangeven hoe u gemeentes zo ver wil krijgen om de woonfunctie te verwijderen en mee te werken aan de uitkoopregeling?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 290.

292

Bent u bereid om mee te denken over het relatief gelijker verdelen van kosten van verkabeling voor kleine gemeentes?

Antwoord

De kosten per gemeente worden met name bepaald door de specifieke kosten en keuzes voor de lokale verkabelingsopgave en niet door de grootte van de gemeente. Daarom is alleen de grootte van een gemeente geen goede maatstaf. De kosten zijn onder meer afhankelijk van de lokale keuze voor het tracé in route en lengte, de inrichting van het woongebied en lokale landschapskenmerken. Deze situaties zijn bovendien niet door toedoen van één partij ontstaan. Bewoners, gemeenten, het Rijk en de systeembeheerders hebben hierover in het verleden keuzes gemaakt. Dit heeft ertoe geleid dat in de loop van de tijd situaties zijn ontstaan waar woningen en hoogspanningsverbindingen dicht bij elkaar staan. Daarom zoeken de bovengenoemde partijen samen naar een oplossing en is het redelijk dat zij samen de kosten dragen. Momenteel wordt verkabeling van bestaande hoogspanningsverbindingen voor 100% betaald door de indiener (vaak gemeenten). Deze bijdrage wordt teruggebracht naar 25%. De resterende 75% van de kosten worden door de systeembeheerder in de transporttarieven voor elektriciteit opgenomen, wat neerkomt op het collectief dragen van de lasten door de verbruikers van elektriciteit.

293

Kunt u toelichten hoe het gaswinningsbeleid bij Gasterra is gewijzigd sinds de liberalisatie in 2000?

Antwoord

De doelstelling van GasTerra is de waardemaximalisatie van het Nederlands aardgas zover dat aan haar aangeboden wordt. Als gevolg van de aardbevingen zijn op grond van de Mijnbouwwet jaarlijkse beperkingen opgelegd aan de productie uit het Groningenveld van respectievelijk 42,5 miljard m3 in 2014 en 30 miljard m3 in 2015. Dit gas wordt geproduceerd door NAM en verkocht door GasTerra. Bij de verkopen van Groningengas dient GasTerra zich te houden aan de genoemde getallen.

294

Kunt u aangeven of en op welke wijze bij Gasterra rekening wordt gehouden met lange termijn doelen, als gasreserves en lange termijn opbrengsten?

Antwoord

De doelstelling van GasTerra is de waardemaximalisatie van het Nederlands aardgas zover dat aan haar aangeboden wordt. De producenten van het kleine veldengas bepalen zelf – binnen de geldende vergunningsvereisten – hoeveel gas zij willen produceren en wie zij dat willen aanbieden. Het meeste Nederlandse kleine veldengas wordt via GasTerra verkocht. Wat betreft de productie van Groningengas is NAM gehouden aan de voorwaarden die door Minister van Economische Zaken op grond van besluiten worden opgelegd.

NAM mag het Groningengas uitsluitend aan GasTerra leveren en die verkoopt het op de markt. Dus GasTerra kan niet meer Groningengas verkopen dan op de grond van de besluiten is toegestaan.

295

Is het volgens u waar dat vanwege de relatieve milde winter in 2015 er een lagere behoefte was aan Groningergas dan het extreem koude scenario van 33 miljard kuub dat u voor 2015 en ook voor volgende jaren inboekt op zijn begroting?

Antwoord

Van te voren valt niet te voorspellen hoe de winter qua temperatuur zal verlopen. Om de leveringszekerheid te kunnen garanderen wordt daarom uitgegaan van een niveau dat nodig is in een koude winter (bijlage 2, Kamerstuk 33 529, nr. 96).

296

Gezien de kans dat in Nederland de winter van 2015–2016 streng zal zijn klein is en dat SodM adviseert de winning zoveel als mogelijk naar beneden te schroeven, waarom brengt u de winning en de begroting van de aardgasbaten dan niet verder terug als de 33 miljard kuub?

Antwoord

Er valt nu niet te voorspellen hoe het weer de zich de komende winter zal ontwikkelen. Om de leveringszekerheid ook de komende winter te garanderen wordt daarom uitgegaan van een koude winter en daarvoor is een productie van 33 miljard m3 noodzakelijk. Dit is het niveau waarvan GTS aangeeft dat dit nodig is voor de leveringszekerheid in een koud jaar (bijlage 2, Kamerstuk 33 529, nr. 96). Als voorbereiding op de besluitvorming over de gaswinning voor 2016 worden verschillende onderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken worden dit jaar afgerond en op basis hiervan zal ik een winningsbesluit nemen voor 2016. Als hierbij het niveau van de productie uit het Groningenveld wijzigt dan zal de begroting hierop worden aangepast.

297

Kunt u een overzicht geven van het overschakelen van buitenlandse afnemers van laagcalorisch naar hoogcalorisch gas in de afgelopen jaren en de planning in de komende jaren? Ligt dit op schema?

Antwoord

In Duitsland, Frankrijk en België wordt laagcalorisch gas verbruikt. In Duitsland zal de ombouw plaatsvinden tussen 2020 en 2030 en in België en Frankrijk naar verwachting tussen 2024 en 2030. Voor een uitgebreide toelichting op de ombouw in deze landen verwijs ik naar mijn brief 13 juli 2015, waarin ik inga op moties en toezeggingen rond het energie-, mededingings-, aanbestedings- en postmarktbeleid (Kamerstuk 34 000-XIII, nr. 153).

298

Kunt u toelichten hoe de afweging wordt gemaakt tussen de grote investeringen die gepaard gaan met het uitbreiden van conversie door Gasunie en het afbouwen van het gebruik van laagcalorisch gas en de aansluitingen op gas?

Antwoord

Voor het doen van investeringen worden marktanalyses uitgevoerd. Van groot belang hierbij is het inschatten van de vraag naar laagcalorisch gas en hierbij wordt rekening gehouden met vermindering van de vraag door zowel ombouw als besparing.

Vervolgens wordt bezien of er voldoende laagcalorisch gas beschikbaar kan komen om aan deze vraag te kunnen voldoen, zowel in termen van volume als in termen van capaciteit. Als blijkt dat er niet in de vraag kan worden voorzien dan is er een extra stikstofinstallatie nodig om hoogcalorisch gas te converteren naar laagcalorisch gas.

299

Waarom is tot 2020 uitgegaan van 33 miljard kuub winning voor het Groningenveld?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 108.

300

Hoe verhoudt zich Nm3 tot Sm3?

Antwoord

In de eenheid Sm3 is het aantal kubieke meters 5,5% meer dan in de eenheid Nm3. Dus 1 miljard Nm3 is dan gelijk aan 1,055 miljard Sm3. Aan de Kamer is naar aanleiding van het debat over het jaarverslag «Delfstoffen en Aardwarmte in Nederland» toegezegd, dat vanaf dat moment in Kamerstukken alleen nog Nm3 worden gehanteerd.

301

Kunt u een overzicht geven van de wijzen waarop u het kleine velden beleid ondersteund?

Antwoord

Om mijnbouwondernemingen te stimuleren zoveel mogelijk van de resterende kleine, marginale gasvoorkomens op het Nederlands deel van het continentaal plat op te sporen en in productie te nemen zolang de daarvoor essentiële infrastructuur offshore nog aanwezig is, is op 16 september 2010 een in de Mijnbouwwet opgenomen financiële maatregel in werking getreden. Op basis daarvan kunnen mijnbouwondernemingen 25% van het bedrag van hun investeringen in bedrijfsmiddelen – putten, platforms, pijpleidingen – voor de opsporing en productie van nieuwe marginale gasvoorkomens offshore die zonder de maatregel bedrijfseconomisch niet rendabel zijn extra ten laste brengen van het bedrijfsresultaat waarover zij winstaandeel aan de Staat moeten betalen. Tegelijkertijd en met dezelfde doelstelling is een convenant tussen de Minister van Economische Zaken en de op het continentaal plat werkzame mijnbouwondernemingen van kracht geworden. Dit convenant bevat een vrijwillige procedure die ertoe leidt dat houders van winningsvergunningen offshore delen van hun vergunningsgebied waar zij – ook na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld – geen activiteiten verrichten of concrete voornemens daartoe aannemelijk kunnen maken, zullen overdragen aan derden. Een op 1 januari 2010 in werking getreden bevoegdheid in de Mijnbouwwet voor de Minister van Economische Zaken tot gebiedsverkleining voorziet in een stok achter de deur voor gevallen waarin vergunningsgebieden niet worden benut en is ook van toepassing op het Nederlands territoir. Verder is van belang dat GasTerra B.V. op grond van de Gaswet gehouden is het door houders van winningsvergunningen aan haar aangeboden gas af te nemen onder redelijke voorwaarden en tegen betaling van een op marktconforme grondslag betaalde vergoeding. Voor een toelichting op het toekomstige stimuleringsbeleid verwijs ik naar het antwoord op vraag 311.

302

Op welke wijze is de Kamer geïnformeerd over de afwijkende waarde voor het aantal boringen dat is opgenomen in de Rijksbegroting van 2014?

Antwoord

Elk jaar wordt het jaarverslag «Delfstoffen en Aardwarmte in Nederland», waarin het aantal boringen in Nederland wordt gerapporteerd, aan de Tweede Kamer toegestuurd (zie bijvoorbeeld Kamerstuk 34 000-XIII, nr. 145). Het aantal boringen in het voorliggend jaar, zoals in de begroting is opgenomen, is gebaseerd op basis van informatie uit de werkplannen van de oliemaatschappijen. De werkelijke realisatie is afhankelijk van de economische omstandigheden en de interne besluitvorming van de oliemaatschappijen.

303

Zijn tijdens de Groninger winningsdiscussie van 2014–2015 de waarden met de aangepaste TNO-rapportage van 2014 gebruikt?

Antwoord

Het is niet duidelijk aan welke waarden uit de TNO rapportage van 2014 wordt gerefereerd. In mijn besluiten m.b.t. de gaswinning in Groningen maak ik steeds gebruik van de meest recente onafhankelijke geverifieerde onderzoeksgegevens.

304

Wat wordt bedoelt met onder voetnoot 3 genoemde «correctie van 10»?

Antwoord

In eerdere begrotingen is voor 2012 bij het aantal productieboringen in dat jaar de categorie «overige» boringen (o.a. boringen voor gasopslag) opgeteld. Dit is later gecorrigeerd door de 10 «overige» boringen van het totaal af te trekken. Een gedetailleerd overzicht van alle boringen en categorieën is terug te vinden in het jaarverslag «Delfstoffen en Aardwarmte in Nederland» (Kamerstuk 34 000-XIII, nr. 145).

305

Hoe kan de waarde van de euro/dollarkoers (onder voetnoot 4) anders zijn dan die in de Rijksbegroting 2012? Werd er toen niet gewerkt met raming door CBS/CPB?

Antwoord

De raming van de euro/dollar koers die gehanteerd wordt in de EZ begroting 2016 is gebaseerd op het meest recente scenario van het CPB uit de Macro Economische Verkenning (MEV). In de EZ-begroting 2016 zijn cijfers uit het de MEV van september 2015 gehanteerd, terwijl in de Rijksbegroting 2012 cijfers zijn gehanteerd uit de MEV van september 2012.

306

Kan er meer uitleg komen over de afwijkende waarden onder 5; in hoeverre is de correctiefactor afwijkend gebleken?

Antwoord

De beursprijs van TTF-gas is het rekenkundig gemiddelde van de referentieprijzen van op de ICE Endex verhandelde month-ahead contracten die gedurende een jaar in de laatste maand voor aanvang van de maand van levering tot stand zijn gekomen.

De beursprijs van TTF-gas in 2012 is dus het rekenkundige gemiddelde van alle referentieprijzen voor month-ahead contracten in de periode die loopt van 30 november 2011 tot en met 29 november 2012. Deze prijs wordt uitgedrukt in Euro/MWh. Om deze prijs om te rekenen naar Eurocent per m³ dient een correctiefactor te worden toegepast. Bij het berekenen van de beursprijs van TTF-gas voor 2011 en 2012 in de EZ begroting 2014 is een onjuiste correctiefactor toegepast waardoor de gepresenteerde waarden circa 3% te hoog waren.

307

Waarom is het pas in de begroting van 2016 duidelijk geworden dat er over 2011 en 2012 een onjuiste correctiefactor is gebruikt? En wat zijn hier de effecten van?

Antwoord

De gemiddelde beursprijs van TTF-gas wordt als een kengetal gebruikt in de begroting en is een vereenvoudiging van prijsgegevens op de beurs. Omdat de afwijking beperkt is (<3%), is deze niet eerder opgemerkt. Behalve dat de waarden in deze tabel in eerdere begrotingen niet geheel juist zijn gepresenteerd zijn er geen andere effecten. Voor de raming van de gasbaten wordt met meerdere prijsgegevens gewerkt.

308

Kan er een lijstje komen van de beursprijs van TTF-gas van 2000 tot en met 2011?

Antwoord

Van oudsher was de gasprijs gekoppeld aan de olieprijs. Pas in 2003 is de TTF tot stand gekomen, waarbij de prijsvorming plaatsvond op basis van vraag en aanbod van gas. In de eerste jaren van de TTF was er nog weinig handel en bleef de koppeling aan olie het leidende prijsprincipe voor gas. Langzaam maar zeker nam prijsvorming via beurzen toe ten koste van de oliekoppeling en vooral na 2010 nam de handel toe, nadat de kwaliteitsconversie gesocialiseerd was en handel in gas op de TTF kwaliteitsloos werd. Dat wil zeggen in de handel van gas geen onderscheid meer is tussen laag-en hoogcalorisch gas. Aangezien er in de eerste jaren nauwelijks handel was is er alleen een prijsoverzicht vanaf 2007 opgenomen.

eurocent/ m3

2007

2008

2009

2010

2011

Beursprijs van TTF-gas

15

27

13

16

23

Bron: APX Endex

309

Hoeveel boringen naar nieuwe kleine gasvelden in de Noordzee gaat u in 2016 doen?

Antwoord

In 2014 zijn er 10 exploratieboringen op het Nederlands deel van het continentaal plat door mijnbouwbedrijven uitgevoerd. In 4 gevallen werd er aardgas aangetroffen; in 1 geval zowel aardgas als aardolie. Voor 2015 wordt verwacht dat het aantal exploratieboringen in dezelfde orde van grootte zal liggen. Met de huidige lage olie- (en ook gas-)prijzen staan echter de budgetten van mijnbouwbedrijven onder druk en zijn verwachtingen omtrent het aantal boringen op het continentaal plat in 2016 met veel onzekerheden omgeven.

Aangezien de budgetten van de operators voor 2016 nog niet bekend en beschikbaar zijn, kunnen verwachtingen omtrent de exploratieactiviteiten in 2016 enkel worden gebaseerd op de beschikbare boorschema’s. Op basis daarvan worden er voor 2016 circa 6 exploratieboringen naar gas verwacht op het Nederlands deel van het continentaal plat. Er is echter geen garantie dat mogelijke en geplande boringen ook daadwerkelijk gerealiseerd zullen worden.

310

Hoeveel geld is er in 2016 beschikbaar voor de exploratie van nieuwe kleine gasvelden in de Noordzee?

Antwoord

Mijnbouwbedrijven zijn primair verantwoordelijk voor de exploratie van nieuwe gasvelden in de Noordzee. Zoals vermeld in het antwoord op vraag 311 worden er in 2016 circa 6 exploratieboringen verwacht. Hieruit blijkt dat naar verwachting de exploratieactiviteit in 2016 sterk zal afnemen ten opzichte van 2014 en 2015. Er rekening mee houdend dat de kosten voor een exploratieput in de praktijk sterk variëren, komen naar eerste inzicht de begrote exploratiekosten in 2016 uit op een bedrag van € 150 – 180 mln. aan private middelen. Omdat voldoende exploratie een voorwaarde is voor het verkrijgen van additioneel productievolume dat de levensduur van de offshore infrastructuur kan verlengen, vraagt het stimuleren van exploratieactiviteiten en de ontwikkeling van exploratieputten bijzondere aandacht.

311

Hoeveel subsidie stelt u beschikbaar voor bedrijven en organisaties om het boren naar nieuwe kleine gasvelden in de Noordzee te stimuleren?

Antwoord

Omdat aardgas de komende jaren een belangrijke rol speelt in de transitie naar een volledig duurzame energievoorziening en omdat het nog winbare Noordzeegas kan bijdragen aan onze energieonafhankelijkheid onderzoek ik de mogelijkheden om gaswinning uit de kleine velden op het continentaal plat de komende jaren in stand te houden.

Sinds september 2010 kunnen mijnbouwondernemingen 25% van het bedrag dat zij investeren in bedrijfsmiddelen – putten, platforms, pijpleidingen – voor de opsporing en winning van nieuwe marginale gasvoorkomens en vermoede gasvoorkomens (prospects) offshore extra ten laste brengen van het bedrijfsresultaat waarover zij winstaandeel aan de Staat moeten betalen. Dit winstaandeel is naast de vennootschapsbelasting een extra afdracht die mijnbouwondernemingen op grond van de Mijnbouwwet moeten afdragen aan de Staat. Zonder deze financiële stimulering zullen deze marginale gasvoorkomens waarschijnlijk niet worden aangeboord en dus onbenut in de ondergrond achterblijven en geen bijdrage leveren aan de gasproductie en -baten voor de (Nederlandse) samenleving. Verder is het voor dergelijke marginale gasvoorkomens cruciaal dat ze nog kunnen worden aangesloten op de bestaande infrastructuur (platforms en pijpleidingen) op het continentaal plat. Met het uitgeput raken van de in productie zijnde grote(re) gasvoorkomens zonder dat er nieuwe volumes uit andere velden worden toegevoegd, dreigt echter ook de bijbehorende infrastructuur te verdwijnen. Ook dat draagt ertoe bij dat de dan nog resterende gasvoorkomens in de ondergrond zullen achterblijven.

Omdat de huidige stimuleringsmaatregel een looptijd heeft van zes jaar en dus eind 2016 afloopt, onderzoek ik momenteel of deze moet worden verlengd, aangevuld of vervangen.

Het doel is om mijnbouwondernemingen te bewegen tot het doen van investeringen in kleine, marginale gasvoorkomens die anders – zonder een dergelijke maatregel – niet tot ontwikkeling en productie kunnen en zullen worden gebracht, om daarmee de bestaande infrastructuur op het continentaal plat zo veel en zo lang mogelijk in stand te houden en om zodoende de waarde van de resterende gasreserves voor de staat te kunnen maximaliseren. Daarnaast kijk ik ook naar de instandhouding of verbetering van de maatregelen die een actief en effectief gebruik van verleende winningsvergunningen offshore bevorderen.

Over eventuele voorstellen voor een financiële stimuleringsmaatregel en het effect daarvan op het niveau van extra opsporings- en winningsactiviteiten, de investeringen, het daardoor te produceren extra volume en de resulterende financiële voordelen voor zowel operators als de staat zal ik de Kamer nader informeren zodra mijn onderzoek is afgerond.

312

Hoeveel gas verwacht u in 2016 te winnen uit kleine gasvelden in de Noordzee? Hoeveel extra gas is dit ten opzicht van 2015?

Naar verwachting zal er in 2015 van de gasreserves in de kleine gasvelden op de Noordzee 22,0 miljard Nm3 worden gewonnen. Dit betreft de reeds ontdekte reserves die commercieel winbaar worden geacht en zijn goedgekeurd voor productie. Voor 2016 is deze verwachting 21,9 Nm3. Daarbij dient te worden aangetekend dat er voor 2016 een aantal nieuwe projecten op stapel staat, die potentieel winbaar zijn, maar momenteel in afwachting zijn van goedkeuring voor productie. Naar verwachting zullen deze per 2016 zijn goedgekeurd. In dat geval zou er in 2016 nog 0,7 miljard Nm3 bij kunnen komen en zou er dus sprake zijn van een kleine stijging ten opzichte van de verwachte productie in 2015. Hierbij dient wel te worden aangetekend dat realisaties onder meer afhankelijk zijn van wijziging in de economische omstandigheden. Tot slot merk ik op dat de stimuleringsmaatregel als bedoeld in het antwoord op vraag 311 zowel in 2015 als in 2016 nog van kracht is.

313

Kan er stapsgewijs per gewijzigde voetnoot aangegeven worden wat de oorspronkelijke waarde in de Rijksbegroting van 2012 was, afgezet tegen de tabel zoals nu opgenomen in de begroting over 2016? Kan vervolgens de hele tabel met kengetallen in de begroting van 2016 ook gegeven worden met Sm3 waarden?

Antwoord

Er staan vijf voetnoten in de begroting. De eerste voetnoot heeft betrekking op het volume. Dit werd eerst weergegeven in Sm3 en met ingang van dit jaar in Nm3. Hier is voor gekozen omdat de besluitvorming voor Groningengas ook genomen wordt in Nm3 en dus rapportage in Nm3 beter aansluit bij de besluitvorming. In de eenheid Sm3 is het aantal kubieke meters 5,5% meer dan in de eenheid Nm3. Dus 1 miljard Nm3 is dan gelijk aan 1,055 miljard Sm3.

De overige voetnoten hebben betrekking op het aantal boringen, de euro/dollarkoers en de TTF prijs in 2012 en 2011. In het verleden is abusievelijk de verkeerde realisatie weergegeven. In de huidige tabel staan de goede getallen opgenomen.

314

Hoeveel geld heeft u in de begroting van 2016 gereserveerd om de schade als gevolg van gasboringen in Groningen op te vangen?

Antwoord

De kosten voor het schadeherstel betreffen ramingen. NAM draagt de kosten van schadeherstel. Daardoor dalen de inkomsten voor de Staat uit de gaswinning. De omvang van de inkomstendaling is afhankelijk van de daadwerkelijke uitbetalingen van vergoeding voor schadeherstel. In het bestuursakkoord «Herstel van vertrouwen, Vertrouwen op herstel» zijn kosten geraamd voor schadeherstel door de NAM. Met deze kosten is rekening gehouden bij het opstellen van de raming van de gasbaten zoals opgenomen in de begroting. Voor 2016 gaat het om een bedrag van € 144 mln. In totaal is in de jaren 2014–2019 € 762 mln. in mindering op de verwachte aardgasbasten gebracht in het kader van het bestuursakkoord. Dit bedrag van € 762 mln. is voor alle sporen uit het Bestuursakkoord.

315

Hoe zijn de mogelijke financiële implicaties van schade als gevolg van gasboringen in Groningen in de begroting terug te vinden?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 314.

316

Kunt u een toelichting geven op uw uitspraak in het WGO van 25 juni jl. dat de bedragen, bij elkaar bijna € 400 mln., die uit de begrotingsreserve duurzame energie gehaald worden al toegezegd zijn, terwijl er nu in de begroting voor 2016 staat dat het hier ook gaat om projecten die niet tot uitvoering komen en die vervangen moeten worden met het oog op het bereiken van de doelstelling?

Antwoord

Met het afgeven van de subsidiebeschikkingen in het kader van SDE+ heeft de overheid zich gecommitteerd aan de uitbetaling van een subsidiebedrag per eenheid energie tot aan de maximale subsidiabele productie gedurende de looptijd van een project. Dit betekent dat het deel van de begrotingsreserve dat het gevolg is van vertraagde projecten of lagere productie juridisch verplicht is. Daarvan is verreweg het grootste gedeelte het gevolg van vertragingen. Deze middelen zullen pas op de langere termijn alsnog tot uitbetaling komen. Eventuele lagere productie mag in latere jaren worden ingehaald en zal in de regel op korte(re) termijn alsnog tot uitbetaling komen. Het deel van de reserve dat het gevolg is van de uitval van projecten – hetgeen een zeer beperkt deel van de begrotingsreserve vormt – is weliswaar niet meer juridisch verplicht, maar wel politiek en bestuurlijk verplicht in de zin dat de inzet voor andere doeleinden ten koste zou gaan van het realiseren van het doelbereik 2020 en 2023.

Kasmiddelen die beschikbaar zijn voor duurzame energieproductie en die in het uitvoeringsjaar niet tot uitbetaling zijn gekomen, worden in de interne begrotingsreserve duurzame energie gestort. Op die manier blijven deze middelen beschikbaar voor uitgaven aan duurzame energie in latere jaren. Voor een belangrijk deel zijn dit middelen voor het honoreren van lopende verplichtingen, die later tot uitbetaling komen dan geraamd. Deze middelen kunnen dus niet worden ingezet als dekking voor nieuwe verplichtingen. Dit betreft voor het grootste deel projecten waarbij vertraging is opgetreden, waardoor de subsidieperiode later aanvangt. Voorbeelden van omvangrijke projecten die later in productie komen dat eerder geraamd, zijn de wind op zee projecten op basis van de «Regeling windenergie op zee 2009» en het windpark in de Noordoostpolder. Voor deze projecten wordt de uitbetaling van de middelen op de begrotingsreserve voorzien in de periode 2028–2035.

De in de periode 2015–2020 aangebrachte verlaging van de bestaande uitgavenraming en doorgevoerde onttrekking aan de interne begrotingsreserve wordt in de jaren 2021–2026 gecompenseerd met een spiegelbeeldige verhoging van de uitgavenraming en een storting in de interne begrotingsreserve van een gelijke omvang. Daarom blijven over de gehele periode 2015–2026 bezien, de middelen in de uitgavenraming en in de interne begrotingsreserve Duurzame Energie volledig beschikbaar voor duurzame energie.

317

Als projecten van duurzame energieprojecten uit de Stimuleringsregeling duurzame energieproductie (SDE) en het latere SDE+ alsmede de Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP) niet doorgaan of vertraging oplopen worden deze bedragen gestort in de begrotingsreserve duurzame energie, maar waarom stort u het geld in deze begrotingsreserve van projecten die niet doorgaan en zoals u stelt vervanging voor gevonden moet worden niet meteen terug in de SDE+ zodat dit onmiddellijk kan bijdragen aan het behalen van de doelstelling van 14% duurzame energie in 2020?

Antwoord

Het is niet mogelijk om de middelen die vrijvallen direct in hetzelfde jaar uit te geven aan nieuwe hernieuwbare energieprojecten. Deze projecten moeten immers nog opstarten voordat zij subsidie kunnen ontvangen. De SDE+ subsidie wordt pas versterkt als de feitelijke productie van duurzame energie is gestart. Jaarlijks wordt bepaald hoe groot het bedrag is dat wordt opengesteld voor de SDE+. Dit wordt gedaan langs de lijnen van de ramingen uit het Energieakkoord. Hierbij wordt actuele informatie zoals de Nationale Energie Verkenning en informatie van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.NL) over de verwachtingen (beschikbaarheid en kosten) van potentiële projecten meegenomen. Uit deze verplichtingen vloeien gedurende de looptijd van een project (8–15 jaar) uitgaven voort. Indien in een jaar de uitgaven lager zijn dan de verwachte uitgaven wordt deze middelen opgevangen in de begrotingsreserve. Indien in een jaar de uitgaven hoger zijn dan verwacht, doordat de subsidiabele productie hoger is uitgevallen dan eerst werd verwacht, wordt hiervoor de begrotingsreserve aangewend.

318

Kunt u aangeven welke bedragen uit de SDE+, SDE en MEP van vertraagde of geannuleerde projecten zitten?

Antwoord

De stand van de begrotingsreserve bedraagt tot en met 2014 € 594 mln. Daarvan is € 39 mln. afkomstig uit de MEP, € 363 mln. afkomstig uit de SDE en ruim € 192 mln. uit de SDE+. Hoewel niet helemaal eenduidig kan worden bepaald welk deel betrekking heeft op vertraagde projecten en welk deel op geannuleerde projecten, kan wel worden vastgesteld dat verreweg het grootste gedeelte van de begrotingsreserve afkomstig is van vertraagde projecten (in de SDE).

319

Als vervanging moet worden gezocht voor projecten uit de begrotingsreserve duurzame energie, betekent dit dan dat de bijna € 400 mln. die wordt onttrokken aan deze begrotingsreserve niet juridisch verplicht is? Zo ja, hoe garandeert u dan dat dit bedrag na 2020 weer beschikbaar komt voor duurzame energie?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 316.

320

Kunt u uitleggen hoe uw uitspraak bij het WGO van 25 juni jl. dat het bedrag van € 400 mln. verplicht is omdat met de MEP en de SDE verplichtingen zijn aangegaan, zich verhoudt met de toelichting dat naar vervangende projecten moet worden gezocht?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 316.

321

Bent u bereid om in de begrotingsreserve duurzame energie het bedrag dat opgebracht is met de Opslag Duurzame Energie te benoemen en te merken?

Antwoord

De huidige stand van de interne begrotingsreserve duurzame energieproductie bedraagt € 594 mln. Daarvan is € 192 mln. afkomstig uit de SDE+ en opgebracht met de Opslag Duurzame Energie (ODE). De overige middelen (niet opgebracht uit de ODE, maar uit de algemene middelen) dienen ook beschikbaar te blijven voor uitgaven aan duurzame energieproductie, omdat deze grotendeels al juridisch verplicht zijn.

322

Waarom staat het bedrag voor de lokaal opgewekte energie in 2014 en 2015 op nul?

Antwoord

Het budgettair belang van het verlaagd tarief energiebelasting voor lokaal opgewekte duurzame energie staat in 2014 en 2015 op nul omdat in deze jaren het budgettair belang kleiner is dan een half miljoen. Dit belang groeit naar verwachting naar € 5 mln. in 2020.

323

Hoe komt u erbij dat er na afsluiting van het energieakkoord geen fiscale maatregelen zijn genomen?

324

Vindt u de verlaging van de energiebelasting voor zonnepanelen geen fiscale maatregel?

325

Vindt u de jaarlijks wijzigende tarieven en voorwaarden voor de bijtelling van hybride auto’s geen fiscale maatregel?

326

Kunt u alsnog uitvoering geven aan de motie (Kamerstuk 30 196, nr. 278) en een volledig overzicht geven van alle maatregelen van alle ministeries ten behoeve van het Energieakkoord inclusief de fiscale maatregelen van het Ministerie van Financiën?

Antwoord 323, 324, 325, 326

In de begroting wordt niet gesteld dat er sinds de afsluiting van het Energieakkoord geen fiscale maatregelen zijn genomen.

Er wordt gesteld dat de budgettaire gevolgen van de fiscale maatregelen genomen binnen het Energieakkoord niet zijn gewijzigd ten opzichte van de gevolgen zoals geschetst op het moment van sluiten van het Energieakkoord. Voor de volledigheid geef ik onderstaand het overzicht van de budgettaire gevolgen van de fiscale maatregelen uit het Energieakkoord zoals ook opgenomen in de bijlage bij de aanbiedingsbrief van het Energieakkoord (Kamerstuk 30 196, nr. 202) waarnaar in de begroting wordt verwezen. De bedragen in deze tabel zijn nog steeds actueel. In de Miljoenennota en in de begroting is de inkomstenderving als gevolg van de fiscale regeling «lokaal duurzaam opgewekte energie» bijgesteld op basis van realisaties.

Lasten x € 1.000

(+ betekent tekort verhogend)

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

EIA (naar EZ)

– 25.000

– 35.000

– 45.000

– 50.000

– 50.000

– 50.000

– 50.000

EIA (naar BZK)

– 15.000

– 10.000

– 5.000

Verhoging energiebelasting i.v.m. energiebesparing verhuurders

– 200.000

– 200.000

Verlaagd tarief lokale energie, gedekt uit hogere energiebelasting

0

0

0

0

0

0

0

Verhoging energiebelasting i.v.m. herinvoeren vrijstelling kolenbelasting voor elektriciteitsopwekking

– 189.000

– 189.000

– 189.000

– 189.000

– 189.000

herinvoeren vrijstelling kolenbelasting voor elektriciteitsopwekking

   

+189.000

+189.000

+189.000

+189.000

+189.000

327

Waarom nemen de uitgaven aan innovatiemiddelen SDE+ vanaf 2017 af?

Antwoord

Destijds is besloten voor de periode 2012–2015 jaarlijks € 50 mln. aan verplichtingenruimte uit de SDE+ ter beschikking te stellen voor energie-innovaties.

Het gaat om innovaties waarvan aannemelijk kan worden gemaakt dat deze bijdragen aan kostenreductie en daarmee tot besparingen leiden voor de reguliere SDE+-uitgaven met het oog op het realiseren van de duurzame energiedoelstellingen in 2020. Voor na 2015 zijn vooralsnog geen middelen gereserveerd, aangezien deze afspraak dateert van voor de totstandkoming van het Energieakkoord waarin concrete duurzame energiedoelstellingen zijn opgenomen voor 2023. Voor het kasverloop in de betrokken tabel betekent dit dat dit in de jaren na 2015 afloopt. Ook na 2015 kunnen SDE+ middelen worden ingezet voor innovatie, zolang aannemelijk kan worden gemaakt dat deze innovaties voldoende bijdragen aan kostenreductie en daardoor besparingen voor de reguliere SDE+-uitgaven met het oog op het realiseren van de doelstellingen in 2023. Hiervoor zal bij Voorjaarsnota 2016 een overheveling vanuit de SDE+-middelen plaatsvinden.

328

Heeft de afname van de uitgaven aan innovatiemiddelen SDE+ een relatie met de toename aan uitgaven aan de topsector energie?

Antwoord

Er is geen verband tussen deze toe- en afname.

329

Waarom was de compensatie voor het Emissions Trading System (ETS) aan energie-intensieve bedrijven geen onderdeel van de «budgettaire gevolgen Energieakkoord» indien het behoort tot de afspraken uit het Energieakkoord?

Antwoord

De dekking van de subsidieregeling indirecte kosten emissiekosten (ETS) heeft geen relatie met Energieakkoord. Het Regeerakkoord bevat een compensatie van € 375 mln., bedoeld om de oplopende lasten voor bedrijven veroorzaakt door de Opslag Duurzame Energie (ODE) ten dele te compenseren. Hieruit zijn onder andere de kosten voor de ETS regeling gedekt.

330

Kunt u toelichten waarom er geen bedragen begroot zijn voor het energiebespaarfonds en het revolverend fonds voor Verengingen Van Eigenaren (VVE) en verhuurders in 2016 en later?

Antwoord

Het Nationaal Energiebespaarfonds, het revolverend fonds voor Verenigingen van Eigenaren (VvE) en het fonds voor verhuurders betreffen instrumenten die worden uitgevoerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Op de begroting voor Wonen en Rijksdienst van dit ministerie zijn deze fondsen opgenomen.

331

Kunt u toelichten in welke mate gebruik gemaakt is van het energiebespaarfonds en de revolverende fondsen voor VVE's en verhuurders in 2015?

Antwoord

De Minister voor Wonen en Rijksdienst beantwoordt in het kader van de behandeling van de begroting voor Wonen en Rijksdienst de vraag in welke mate gebruik is gemaakt van het Nationaal Energiebespaarfonds en het Fonds Energiebesparing Huursector. Dat is vraag 133 bij die begroting. Ik verwijs graag naar zijn antwoord.

Over het fonds voor verenigingen van eigenaren (VvE’s) heeft de Minister voor Wonen en Rijksdienst uw Kamer geïnformeerd in zijn brief van 2 juli 2015 (Kamerstuk 30 196, nr. 352). Hij heeft daarin aangegeven dat sinds 8 juni 2015 VvE’s een lening kunnen aanvragen bij het Nationaal Energiebespaarfonds voor energiebesparende maatregelen. De vraag is, mede in het licht van deze ontwikkeling, of een separaat fonds voor VvE’s nog toegevoegde waarde heeft. De Minister voor Wonen en Rijksdienst zal uw Kamer in het najaar van 2015 hierover informeren

332

Kunt u aangeven waarom het advies over de rendementseisen kolencentrales (Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 21 augustus 2015 over het ontwerpbesluit tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer (rendementseisen kolencentrales), W14.15.0173/IV) nog niet openbaar is gemaakt? Bent u bereid om ervoor te zorgen dat deze zo snel mogelijk openbaar wordt met uw reactie?

Antwoord

Zoals gebruikelijk zal het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State openbaar gemaakt worden samen met de reactie van het kabinet hierop. Samen met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu werk ik op dit moment aan de reactie op dit advies. Wij zullen deze reactie en het advies zo spoedig mogelijk openbaar maken.

333

Waarom zit er «een dip» in de uitgaven voor de topsector energie over 2016?

Antwoord

De hier gepresenteerde meerjarencijfers representeren de ten tijde van het Energieakkoord geraamde kasbedragen voor topsector Energie en de DEI. Om technische redenen lieten die cijfers in 2016 een «dip» zien bij de middelen voor de topsector. In de praktijk wordt de totale beschikbare kasruimte voor een optimale programmering van de programma’s van topsector en DEI ingezet, waardoor de «dip» geen belemmeringen oplevert voor de voortgang van de programma’s.

334

Waarom lopen de investeringen in de innovatiemiddelen SDE+ (EZ artikel 14) na 2016 naar beneden af?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 327.

335

Waar wordt de subsidie van ruim 7 miljoen euro voor het Project Mainport Rotterdam precies aan uitgegeven?

Antwoord

Dit betreft een jaarlijkse storting (t/m 2020) in het Groenfonds ten gunste van de provincie Zuid-Holland in het kader van Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR).

De middelen zijn bestemd voor de realisatie van het PMR deelproject 750 ha natuur- en recreatieterrein.

De basis hiervoor vormt het bestuursakkoord PMR d.d. 24 juni 2004 tussen het Rijk, de provincie Zuid-Holland, stadsregio Rotterdam, gemeente Rotterdam en het Havenbedrijf Rotterdam.

336

Hoe groot wordt de mogelijkheid ingeschat dat er in 2016 meevallers in de aardgasbaten zullen zijn?

Antwoord

Voor de aardgasbatenraming in enig jaar wordt uitgegaan van de te verwachten hoeveelheid gasproductie welke wordt verkocht tegen een geraamde gasprijs.

Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 108, neemt het kabinet in december 2015 een beslissing over het winningsplafond 2016 voor het Groningenveld. In de begroting is voor de raming van de gasbaten in 2016 uitgegaan een winningsplafond van 33 mld. m3. Een lager winningsplafond zal leiden tot lagere gasbaten. Als de gerealiseerde gasprijs uiteindelijk hoger blijkt te zijn dan de geraamde prijs resulteert, ceteris paribus, dit in een meevaller op de aardgasbaten.

337

Waarom stelt u minder Rijkscofinanciering beschikbaar voor projecten uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO)?

Antwoord

De Europese middelen die voor de EFRO-programma’s in Nederland voor de periode 2014–2020 ter beschikking zijn gekomen, vloeien voort uit de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader 2014–2020, die eind 2013 werden afgerond. Op basis van de EFRO-Verordening 2014–2020 is minimaal 50% nationale cofinanciering vereist. Dit betekent dat door de lidstaat een bedrag aan cofinanciering moet worden opgebracht dat minimaal even hoog is als de Europese gelden. Deze nationale cofinanciering kan worden opgebracht door de rijksoverheid, decentrale overheden en private partijen. Vanuit het Rijk is voor de periode 2014–2020 voor de EFRO-programma’s, inclusief de INTERREG A-programma’s, een totaalbudget van 140 miljoen euro aan cofinanciering beschikbaar. Dit bedrag is mede gebaseerd op het relatieve aandeel Rijkscofinanciering in de totale EFRO-investeringen in de voorgaande periode (2007–2013). Uitgangspunt is dat Rijkscofinanciering wordt ingezet voor EFRO- en INTERREG-projecten die bijdragen aan het bereiken van nationale beleidsdoelen op het gebied van innovatie, zoals de Actieagenda Smart Industry (Fieldlabs), energie en het MKB. De daling in het budget tussen 2015 en 2016 in de begroting wordt veroorzaakt door een aflopende budgetreeks voor uitfinanciering van Rijkscofinanciering in de EFRO programmaperiode 2007–2013.

338

Kunnen de middelen uit het Toekomstfonds, waar vanaf 2018 een buffer wordt opgebouwd van € 50 mln. voor de niet renderende investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek, ex ante worden ingezet voor het formuleren van onderzoeksprojecten voor de oplossing van maatschappelijke vraagstukken?

Antwoord

Zoals aangegeven in mijn brief van 16 september 2014 over het Toekomstfonds (Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 34 000-XIII, nr. 5) is onderzoek in de regel niet volledig revolverend. Om het niet-revolverende deel af te dekken heeft het kabinet de buffer hiervoor bestemd. Deze buffer is bedoeld om tekorten van het fonds af te dekken.

Aanvragen voor een lening op grond van de regeling voor onderzoeksfaciliteiten worden onder meer beoordeeld op hun bijdrage aan oplossingen van maatschappelijke vraagstukken, zoals de verwachte bijdrage aan duurzaamheid, veiligheid, lichamelijke of geestelijke gezondheid.

339

Wat is de verhouding van het rendement van de overheidsinvestering ten opzichte van het rendement van private investeerders bij de verschillende instrumenten voor MKB-financiering?

Antwoord

Dit verschilt per instrument. Aan de ene kant van het spectrum vinden we DVI, waar de overheid onder de zelfde voorwaarden deelneemt als private partijen. Ook bij de GO deelt de overheid gelijk mee in het resultaat dat op de gegarandeerde lening wordt behaald. Dat is het geval omdat deze instrumenten zich richten op een late fase van de marktontwikkeling. Bij instrumenten die zich op de start- of innovatieve fasen van de bedrijfsontwikkeling richten is dit niet mogelijk, daar is de beloning voor de private investeerder groter dan die voor de overheid, omdat die private investeerders anders niet dit soort bedrijven financiert.

340

Wanneer verwacht het kabinet mogelijk meevallers uit de gasbaten voor het Toekomstfonds?

Antwoord

Het valt niet te voorspellen hoe de gasprijs zich zal ontwikkelen. Het is daarom op voorhand niet te zeggen of zich meevallers zullen voordoen.

341

Hoe groot zullen de personele uitgaven aan de overheidsdienst Groningen zijn en hoe groot zijn de kosten gemoeid met de intensivering van de Energiedirectie?

Antwoord

De personele uitgaven aan de overheidsdienst Groningen zijn in 2016 € 10 mln. (zie ook het antwoord op vraag 342). De kosten voor de uitbreiding van de energiedirecties bedragen € 4 mln. in 2016. Zie ook het antwoord op vraag 240.

342

Hoe groot zal de materiële component voor de overheidsdienst Groningen zijn?

Antwoord

De begroting 2016 gaat uit van een budget van € 12 mln. voor personeel en huisvesting, waar van € 2 mln. voor de materiële component.

343

Waardoor wordt de verwachte verdubbeling van de taakstelling van RVO.NL tussen 2016 en 2018 veroorzaakt?

Antwoord

De totale EZ-taakstelling loopt op van € 45,3 mln. in 2016 en € 79,1 mln. in 2017 tot structureel € 102,7 mln. vanaf 2018. Deze taakstelling is in de EZ-begroting 2015 definitief verdeeld over de verschillende EZ-onderdelen, in de EZ-begroting 2016 is ten opzichte van 2015 niets veranderd. Voor het toedelen van de EZ-taakstelling zijn keuzes gemaakt waarop bespaard kon worden.

Langs drie lijnen is de toedeling ingevuld: (1) gerichte maatregelen die te maken hebben met de inrichting van de organisatie en processen, de werkwijze en versobering, (2) nagenoeg elk dienstonderdeel heeft een efficiencytaakstelling van structureel 4,5% (vanaf 2018) opgelegd gekregen en (3) ZBO’s en RWT’s zijn aangeslagen op basis van de taakstellingspercentages uit het regeer akkoord (8,9% vanaf 2018 structureel). De taakstelling van RVO.NL (als onderdeel van de totale EZ-taakstelling) loopt op van € 9,8 mln. in 2016 en € 15,7 mln. in 2017 tot € 19,6 mln. structureel vanaf 2018.

344

Op welke wijze wordt het tekort van Agentschap Telecom gedekt dat ontstaat voor de jaren 2016 en 2017 doordat de kosten hoger liggen dan de baten?

Antwoord

Het tekort wordt gedekt door de post «te verrekenen met vergunninghouders» aan te spreken. Deze post is ontstaan door overdekking in de tarieven van het Agentschap Telecom. De overdekking wordt aangepakt met de ontwikkeling van een nieuw kostprijsmodel waardoor de tarieven zullen dalen.

345

Hoeveel geld is specifiek begroot voor het ICT-programma GAMMA en is de verwachting dat dit project binnen het begrote bedrag blijft?

Antwoord

Het projectbudget van het ICT-programma GAMMA bedraagt € 10,3 mln. voor de hele looptijd met einddatum 2018. De verwachting is dat het project binnen het begrote bedrag blijft.

346

Waardoor wordt de forse stijging van personeelslasten ten opzichte van de 1e suppletoire begroting 2015 bij DICTU veroorzaakt?

Antwoord

Er vindt een verambtelijking plaats van 80 fte per jaar voor 2016 en 2017. Belangrijke overwegingen daarbij zijn het borgen van ICT-kennis in de eigen organisatie en de personele kosten. Dit leidt vanaf 2016 tot een stijging van de kosten van eigen personeel. DICTU verwacht ook in 2016 een uitbreiding van de opdrachtenportefeuille, waarvoor extra capaciteit benodigd is.

347

Hoe kan de gemiddelde prijs per fte externe inhuur bij DICTU € 138.310 zijn, terwijl het om 355 fte gaat en het totale budget voor externe inhuur € 2.6 mln. is?

348

Wat zijn de overige personele kosten bij DICTU en waarom zijn deze zo hoog?

Antwoord 347, 348

Werkzaamheden die door externe partijen worden verricht, worden bij DICTU verantwoord op de posten «externe inhuur» en «overige personele kosten». Werkzaamheden die DICTU uitbesteedt in het kader van het uitvoeren van ICT-projecten vallen onder de post «overige personele kosten». Op de post «externe inhuur» komen uitgaven ten behoeve van advisering van opdrachtgevers over automatiseringsvraagstukken en advisering van het management bij aankoop en ontwikkeling van automatisering, software, en dergelijke. De totale begroting op genoemde posten is € 49,1 mln. (€ 138.310 per fte bij 355 fte).

349

Wat veroorzaakt het verschil tussen de gemiddelde kosten van externe inhuur per fte tussen de RVO.NL en DICTU?

Antwoord

DICTU huurt specifieke ICT-expertise in die vanuit doelmatigheidsoverwegingen niet standaard aanwezig is bij DICTU, deze expertise is in de markt schaars. RVO.NL maakt vooral gebruik van uitzendkrachten, waarvan de gemiddelde kosten lager zijn.

350

Wat is het totaalbedrag aan subsidies of leningen die de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.NL) verstrekt?

Antwoord

Naar schatting zal RVO.NL in 2016 (voor EZ, andere departementen en andere overheden) € 5 mld. – € 7 mld. aan nationale subsidies verstrekken, € 1 mld. aan EU-subsidies en € 75 mln. – € 100 mln. aan leningen (exclusief Dutch Good Growth Fund en Fonds Energiebesparing Huursector).

351

Hoe verhouden de lasten van de RVO.NL zich tot het totaalbedrag aan verstrekte subsidies en leningen?

Antwoord

Naast alle beheerstaken voor subsidies en leningen, evenals fiscale regelingen (WBSO/RDA) en garanties (beoordelen van aanvragen, opstellen van beschikkingen, monitoren en betalen), verricht RVO.NL ook allerlei andere werkzaamheden, waar geen uitstroom van gelden mee gemoeid is, zoals het afgeven van vergunningen, handhaving, registratie van dieren en het bijeenbrengen van partijen ten behoeve van (inter)nationale samenwerking. Vanwege deze niet-financiële activiteiten is de vraag, hoe de lasten (voor 2016 geraamd op € 445 mln.) van de RVO.NL zich verhouden tot het totaalbedrag aan verstrekte subsidies en leningen, niet goed te beantwoorden.

352

Welke materiële kosten vallen onder de post «overige materiële kosten»?

Antwoord

Onder de post «overige materiële kosten» worden kosten van RVO.NL opgenomen die specifiek worden gemaakt ter uitvoering van opdrachten. Voorbeelden zijn: kosten van personeel in het buitenland (zoals landbouwattachés, economische attachés), kosten van digitalisering van aanvragen, kosten voor specifiek uitbesteed onderzoek (zoals satellietfoto’s, onderzoek door Europees Octrooibureau), kosten voor beurzen en tentoonstellingen in zowel Nederland als in het buitenland, en kosten van specifieke expertise (zoals taxateurs, bancaire expertise ten behoeve van het verstrekken van leningen en garanties).

353

Waarom zijn extra middelen van € 5 mln. nodig voor de uitvoering van de WBSO door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.NL)? Welke extra werkzaamheden gaat RVO.NL uitvoeren voor de WBSO? Wat zijn de totale middelen die RVO.NL ontvangt om de WBSO uit te voeren?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 360.

354

Hoe verhouden de extra middelen van € 5 mln. voor RVO.NL voor de uitvoering van de WBSO zich tot de toelichting op de begroting voor het RVO.NL op pagina 159, waarin wordt gesteld dat de taakstelling van het kabinet Rutte II mede wordt ingevuld door een korting op de uitvoering van de WBSO?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 357.

355

Wat is de overweging om deze extra middelen voor de uitvoering van de WBSO door RVO.NL uit het TKI-toeslag budget halen?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 361.

356

Wat is de achtergrond van het toevoegen van € 1,3 mln. in 2016 en 2017 aan de bijdrage aan het RVO.NL? Welke extra activiteiten gaat het RVO.NL hiervoor uitvoeren? Welke bijdrage ontving RVO.NL voorheen voor het uitvoeren van de Rijksoctrooiwet?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 362.

357

Hoe verhouden de extra middelen van € 5 miljoen voor RVO.NL voor de uitvoering van de WBSO zich tot de toelichting op de begroting, waarin wordt gesteld dat de taakstelling van het kabinet mede wordt ingevuld door een korting op de uitvoering van de WBSO?

Antwoord

Voor de beantwoording van deze vraag dient onderscheid gemaakt te worden tussen het incidentele tekort dat in de jaren 2016 en 2017 bestond op de uitvoeringskosten WBSO en RDA en de wijze waarop de taakstelling Rutte II in structurele zin wordt ingevuld.

De diverse intensiveringen in de budgetten voor de WBSO en RDA leiden tot hogere uitvoeringskosten. Daarvoor was in de meerjarencijfers vanaf het jaar 2018 reeds structureel een verhoging van de raming voor uitvoeringskosten verwerkt. Dit gebeurt nu ook voor het jaar 2016 en 2017.

De structurele bezuiniging, die uit hoofde van Rutte II wordt ingeboekt op de WBSO, betreft een efficiencykorting op de uitvoering van deze regelingen.

358

Wat wordt bedoeld met invaringen en waardoor veroorzaken die een minder harde daling van het aantal ambtenaren?

Antwoord

In 2015 is het werkpakket van RVO.NL uitgebreid met taken van de Productschappen, van het Centrum tot Bevordering van Import uit Ontwikkelingslanden (CBI) en van de Rijkstaken van voormalig DLG. Met het overnemen van deze activiteiten heeft RVO.NL eveneens de betreffende ambtenaren overgenomen. Dit overnemen van taken en werknemers worden «invaringen» genoemd. Door het overnemen van de betreffende medewerkers is het aantal ambtenaren minder hard gedaald dan eerder werd verwacht in het scenario dat RVO.NL geen nieuwe taken zou overnemen.

359

Wat is de overweging om extra middelen van € 5 mln. voor de uitvoering van de WBSO door Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) uit het TKI-toeslag budget halen?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 361.

360

Waarom zijn extra middelen van € 5 mln. nodig voor de uitvoering van de WBSO door RVO?

Antwoord

Als gevolg van de intensiveringen van de recente kabinetten in de vanaf 2016 met de RDA samengevoegde WBSO zijn de uitvoeringskosten van RVO.NL voor deze regelingen toegenomen. Doordat besluitvorming over deze intensiveringen pas in augustus plaatsvindt, en niet in het voorjaar zoals over de rest van de begroting, kon dit vaak niet meer worden ingepast in het budgettaire beeld. Tekorten op de opdracht dienden daardoor in het begrotingsjaar te worden opgevangen binnen de EZ-begroting.

De meerjarenraming was vanaf 2018 reeds structureel aangepast (+ € 5 mln.), maar voor de jaren daarvoor kon de benodigde correctie niet worden ingepast. Deze is daarom dit voorjaar binnen de EZ-begroting gedekt. Het beschikbare bedrag om de € 1,15 mld. WBSO/RDA in 2016 uit te voeren bedraagt € 19 mln.

361

Welke rechtvaardiging is er om de kosten voor uitvoering van de WBSO uit de TKI-toeslag te halen?

Antwoord

In 2016 en 2017 wordt € 5 mln. vanuit de TKI-toeslag overgeboekt naar Bijdrage RVO.NL voor de uitvoeringkosten van de WBSO. De uitvoeringskosten voor de WBSO waren in deze twee jaren nog niet gedekt (zie ook het antwoord op de vragen 357 en 360). Dekking van deze uitvoeringskosten voor de WBSO uit de TKI-toeslag is mogelijk gebleken bij het actualiseren van de meerjarige kasraming van de TKI-toeslag bij de Voorjaarsbesluitvorming 2015.

Hierbij is gebleken dat de beschikbare middelen in een lager tempo zullen worden uitbetaald dan eerder verwacht. Dit is ook de reden geweest dat bij Voorjaarsnota 2015 de kasraming is bijgesteld met cumulatief € 35 mln. in de jaren 2015–2019 (zie ook antwoord op vraag 177).

362

Welke extra activiteiten gaat het RVO.NL uitvoeren met de extra bijdrage van € 1.3 mln. in 2016 en 2017? Welke bijdrage ontving RVO.NL voorheen voor het uitvoeren van de Rijksoctrooiwet?

Antwoord

Het budget voor het uitvoeren van de Rijksoctrooiwet bedroeg in 2015 € 13,742 mln. Met de toevoeging van € 1,3 mln. aan de bijdrage voor 2016 en 2017 wordt voor die jaren de uitvoering van de reguliere taken zeker gesteld. Dat was in een eerder budget niet in evenwicht met de voorgenomen krimp in de organisatie. Het budget voor deze jaren bedraagt na deze aanpassingen € 13,06 mln. resp. € 12,027 mln.

Octrooicentrum Nederland, onderdeel van RVO, is belast met het uitvoeren van taken die bij of op grond van wetten (waaronder de Rijksoctrooiwet) of verdragen zijn opgedragen. Voor het stimuleren van het gebruik van het octrooisysteem en van de kennis die in de octrooidatabanken is opgeslagen verzorgt Octrooicentrum Nederland voorlichting en kennisverspreidingsactiviteiten aan bedrijven, kennisinstellingen, overheden en uitvinders.

363

Kunt u toelichten waarom de lagere uitgaven MEP geen consequenties voor het doelbereik duurzame energie van 14% in 2020 heeft? Is er bij de geplande investeringen in duurzame energie dan geen rekening gehouden met de investeringen uit de MEP of is bij de strategie naar 2020 rekening gehouden met een uitval van MEP projecten?

364

Hoe kan het dat de lagere uitgaven aan de Milieukwaliteit en Elektriciteitssubsidie (MEP) geen impact hebben op de duurzame energiedoelstellingen?

Antwoord 363, 364

De uitgaven van de inmiddels beëindigde subsidie Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP) vallen lager uit vanwege een lagere subsidiabele productie van duurzame energie. Deze lagere productie heeft geen consequenties voor het bereiken van de doelstelling voor duurzame energie in 2020, omdat de productie van duurzame energie die met de MEP gesubsidieerd wordt vrijwel volledig vóór 2020 zal plaatsvinden. Het aflopen van projecten, die aan het einde van hun levensduur zijn gekomen, wordt opgevangen door verplichtingen in de SDE+ in de komende jaren.

365

Welke «knelpunten in de begroting» (Miljoenennota) worden door de lagere uitgaven aan de MEP gedekt?

Antwoord

De lagere uitgaven voor de MEP maken onderdeel uit van het geheel aan mee- en tegenvallers op de EZ-begroting. Er bestaat geen inhoudelijk relatie tussen verschillende mee- en tegenvallers en evenmin is er een één op één relatie te leggen tussen specifieke tegenvallers enerzijds en specifieke tegenvallers anderzijds.

In 2015 zijn lagere uitgaven op de MEP meerjarig ingezet als dekking voor budgettaire problematiek binnen het beleidsartikel 14 (Een doelmatige en duurzame energievoorziening). Deze problematiek betreft onder meer een aanvullende bijdrage voor Duurzame Energie in Caribisch Nederland (€ 3,7 mln. in 2015 en € 4,7 mln. in 2016) als gevolg van hogere uitgaven door de lagere euro/dollarkoers en onvoorziene kosten. Daarnaast betreft dit een aanvulling op de eerdere overboeking bij de Voorjaarsnota 2015 aan het Ministerie van Infrastructuur & Milieu vanwege de vorming van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (€ 6,3 mln. in 2015, € 7,4 mln. in 2016 en € 7,9 mln. vanaf 2017).

366

Waarom worden de ETS middelen doorgeschoven naar 2017 en niet naar 2016, of behouden in 2015?

Antwoord

Voor 2015 was er een onderuitputting van het beschikbare budget. Voor 2016 verwacht ik dat ook. Daarom schuif ik de middelen door naar 2017. Zie ook mijn antwoord op vragen 280 en 281.

367

Wat zijn de gevolgen voor de begroting indien in de jaren 2016–2020 de gaswinning in Groningen wordt terug gebracht naar 30 bcm, naar 25 bcm, of naar 20 bcm per jaar?

Antwoord

Verdere beperking Groningenproductie (in mrd. euro's)

budgettaire effect (vpb+nbm) op transactiebasis

2016

2017

2018

2019

2020

30 miljard m3

– 0,5

– 0,5

– 0,5

– 0,5

– 0,5

25 miljard m3

– 1,40

– 1,40

– 1,40

– 1,40

– 1,40

20 miljard m3

– 2,25

– 2,25

– 2,25

– 2,25

– 2,25

368

De motie van de leden Leegte/Ozturk (Kamerstuk 32 849, nr. 31) zou een vergelijkend onderzoek moeten opleveren tussen Nederlandse en Duitse rechtsregel bij mijnbouwactiviteiten, wanneer verwacht u het onderzoek te kunnen delen met de Kamer?

Antwoord

Voor het doen van een rechtsvergelijkend onderzoek naar de vergoeding van schade als gevolg van mijnbouwactiviteiten, in het bijzonder de steenkolenwinning in Limburg, zijn offertes gevraagd aan daarvoor in aanmerking komende instellingen. Op grond daarvan is recentelijk de opdracht verleend aan het Utrecht Centre for Accountability Law (UCALL) van het Departement Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Utrecht. Deze onderzoeksinstelling verwacht het onderzoek begin volgend jaar te kunnen afronden en mij de resultaten medio februari te presenteren. Daarna zal ik de resultaten van het onderzoek delen met de Kamer.

369

Kunt u uiteenzetten hoe motie 34 000, nr. 16 over het in Europees verband streven naar een substantiële vermindering van energieafhankelijkheid binnen tien jaar in de begroting is uitgewerkt?

Antwoord

In mijn brief van 13 juli 2015 (Kamerstuk 34 000-XIII, nr. 153) heb ik uiteengezet hoe het kabinet invulling geeft aan de motie Pechtold c.s. (Kamerstuk 34 000, nr. 16) en in Europees verband actief streeft naar een substantiële vermindering van de energieafhankelijkheid. Het kabinet acht een goed werkende Europese interne markt voor energie het belangrijkste middel om de transitie naar een CO2-arme economie te faciliteren en tegelijkertijd de leveringszekerheid te borgen. Nederland ziet de Energie Unie als belangrijke Europese strategie om deze doelen te realiseren. Voor de inzet van het kabinet voor de Energie Unie verwijs ik naar de brief van 8 april jl. van de Minister van Buitenlandse Zaken (Kamerstuk 22 112, nr. 1952). Vooralsnog heeft de Energie Unie niet geleid tot specifieke kostenposten op de EZ-begroting.

370

Waarom geeft u geen invulling aan de motie Van Veldhoven en Jan Vos door de kolenbelasting pas in te trekken op het moment dat de twee kolencentrales dichtgaan per 1 juli 2017?

Antwoord

In het Energieakkoord is afgesproken dat de vrijstelling van de kolenbelasting voor elektriciteitsproductie opnieuw zou worden ingevoerd per 1 januari 2016. Ook de motie Jan Vos en Van Veldhoven (Kamerstuk 30 196, nr. 281) gaat uit van invoering van de vrijstelling op die datum. Ik geef verder uitvoering aan de motie door de vrijstelling pas in te voeren vanaf het moment dat de rendementseisen voor kolencentrales die het kabinet in wil voeren van kracht zijn. Indien niet alle kolencentrales per 1 juli 2017 zouden voldoen aan de aangescherpte rendementseisen zal het kabinet de vrijstelling van de kolenbelasting voor elektriciteitsproductie intrekken.

371

Wanneer verwacht u het overzicht te kunnen delen met de Kamer, dat wordt verzocht in de motie (Kamerstuk 34 058-3), ruim voor de behandeling van de wet STROOM?

Antwoord

Het stuk waar de vraag naar verwijst betreft de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel windenergie op zee. Voor de beantwoording van de vraag ga ik ervan uit dat de motie Van Tongeren c.s. bedoeld wordt (Kamerstuk 34 058, nr. 33) waarin wordt gevraagd om een overzicht van de totale kosten van het net op zee en de kosten van het net voor de eerste kavels in Borsele. Dit overzicht heb ik uw Kamer op 22 juli 2015 toegestuurd (Kamerstuk 33 561, nr. 21).

372

Kunt u tabelsgewijs een overzicht geven van alle subsidies en financieringsregelingen op het gebied van landbouw, zoals de garantstelling landbouw, de graasdierpremie, groen en doen, intelligente netten, etc., inclusief het budget, het gebruik, de kosten en de doelmatigheid van de regeling?

Antwoord

In het subsidieoverzicht (pagina 224 van Ontwerpbegroting 2016) zijn alle subsidies opgenomen die EZ verstrekt. De subsidietotalen in dit overzicht sluiten per artikel aan bij de standen in de budgettaire tabellen. Indien de regeling is geëvalueerd, is een verwijzing/hyperlink naar desbetreffende evaluatie opgenomen. De doelmatigheid komt aan de orde bij een evaluatie van een subsidieregeling.

De garantstellingen zijn in het overzicht van risicoregelingen (pagina 28 van Ontwerpbegroting 2016) opgenomen. Voor de volledigheid zijn deze garantstellingen ook in het onderstaande overzicht opgenomen.

De Groen en Doen subsidie is voor 2016 niet gebudgetteerd maar er is in 2015 wel een subsidie verstrekt. Voor de volledigheid is deze subsidie ook in het onderstaande overzicht opgenomen.

De Graasdierpremie valt onder GLB pijler 1: het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF). De Graasdierpremie bedraagt € 3,5 mln. per jaar. Het is Europees geld dat niet op mijn begroting staat, maar ik heb voor de besteding van Europese middelen wel een bijlage aan de EZ begroting toegevoegd. De bijlage Europese geldstromen staat op bladzijde 217 van de EZ begroting. In dit overzicht worden de belangrijkste maatregelen genoemd en er wordt verwezen naar relevante Tweede Kamer brieven. Zoals Kamerstukbrief 28 625, nr. 194 over de implementatie in Nederland van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid voor de periode 2014–2020. Hierin staat ook een toelichting op de Graasdierpremie. Onder de Topsector Energie vallen de intelligente netten (pagina 78 van de EZ-begroting). Het betreft hier geen subsidieregeling.

Regeling

Budget 2016

Benutting 2014 (verplichtingen)

Uitvoeringskosten 2015

Schadeprognose 2015 (garanties)

Hyperlink laatste evaluatie

Verliesdeclaraties Borgstellingsfaciliteit (GL)

€ 14.039.000,–

€ 28.537.000,–

€ 400.000,–

€ 27.000.000,–

http://edepot.wur.nl/4787 voor eerdere evaluatie uit 2009, voor 2018 staat een nieuwe evaluatie gepland.

Garantstelling Marktintroductie Innovaties (GMI)

€ 2.507.000,–

0

€ 250.000,–

0

Regeling is nieuw, derhalve heeft nog geen evaluatie plaatsgevonden. voor 2018 staat de evaluatie gepland.

Groen en Doen

0

0

€ 139.000,–.

 

http://www.greenwish.nl/download/CAwdEAwUUkNBWkg=&type=pdf

373

Kunt u tabelsgewijs een overzicht geven van alle subsidies en financieringsregelingen op het gebied van energie, zoals de Stimulering Duurzame Energieproductie, de Energie Investeringsaftrek, Subsidieregeling emissiearme taxi's en bestelauto's, etc. inclusief het budget, het gebruik, de kosten en de doelmatigheid van de regeling?

Antwoord

In het subsidieoverzicht (pagina 224 van de EZ begroting 2016) zijn alle subsidies opgenomen die EZ verstrekt. De subsidietotalen in dit overzicht sluiten per artikel aan bij de standen in de budgettaire tabellen. Indien de regeling is geëvalueerd, is een verwijzing/hyperlink naar desbetreffende evaluatie opgenomen. De doelmatigheid komt aan de orde bij een evaluatie van een subsidieregeling. Op pagina 228 van de EZ-begroting 2016 zijn alle subsidies op het gebied van energie opgenomen.

De Stimulering Duurzame Energieproductie is opgenomen in het subsidieoverzicht, de Energie Investeringsaftrek (EIA) is een fiscale regeling en daarom niet opgenomen in het subsidieoverzicht.

Het beschikbare budget voor de EIA is weergegeven in artikel 14 van de EZ-begroting (pagina 87).

Regeling

Budget 2016

Benutting 2014 (fiscale voordeel)

Uitvoeringskosten 2015

Schadeprognose 2015 (garanties)

Hyperlink laatste evaluatie

EIA

€ 101.000.000

€ 124.000.000

€ 4.980.000

nvt

Evaluatie EIA

De subsidieregeling emissiearme taxi’s en bestelauto’s is een regeling van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en daarom niet opgenomen in het subsidieoverzicht in de EZ-begroting.

374

Kunt u tabelsgewijs een overzicht geven van het budget, het gebruik, de kosten en de doelmatigheid van de verschillende bedrijfsfinancierings- en innovatiestimuleringsregelingen, inclusief Qredits, de Vroegefasefinanciering (VFF), SEED-capitalregeling, het Co-investeringsfonds voor Business Angels, het Dutch Venture Initiative (DVI), de groeifaciliteit, Garantie Ondernemingsfinanciering (GO), BMKB, Garantie Scheepsnieuwbouw Financiering (GSF), etc.?

Antwoord

In onderstaande tabel is per regeling inzicht gegeven in het budget 2016, de benutting 2014, de prognose voor de uitvoeringskosten en is een hyperlink naar de laatst gehouden evaluatie opgenomen. De bron voor het budget 2016 is de begroting 2016. De benutting 2014 is gerapporteerd in het jaarverslag 2014. De benutting van Qredits is opgenomen in de benuttingsbrief (Kamerstuk 32 637, nr. 165). Overigens wordt de benutting van het financieringsinstrumentarium elk half jaar gerapporteerd aan de Tweede Kamer via de zogenoemde benuttingsbrieven. De prognose voor de uitvoeringskosten zijn de verwachte uitvoeringskosten voor heel 2015 op basis van de realisatie door RVO.NL en Qredits tot nu toe. In de laatste kolom is een hyperlink opgenomen naar de laatst gehouden beleidsevaluatie. Voor sommige regelingen heeft nog geen evaluatie plaatsgevonden. In die gevallen is opgenomen wanneer volgens de evaluatieplanning de eerstvolgende evaluatie zal plaatsvinden. Ten algemene kan voor de gepresenteerde regelingen ook verwezen worden naar de recent afgeronde beleidsdoorlichting van artikel 12 Een sterk innovatievermogen en artikel 13 Een excellent ondernemingsklimaat (Kamerstuk 30 991, nr. 23). Bij deze beleidsdoorlichting maakten de instrumenten die nu onder artikel 19 Toekomstfonds vallen, nog onderdeel uit van artikel 12.

Artikel

Regeling

Budget 2016 (verplichtingen x € 1 mln.)

Benutting 2014 (verplichtingen x € 1 mln.)

Prognose uitvoeringskosten 2015 (x € 1 mln.)

Hyperlink evaluatie laatste evaluatie

19

Vroege fase financiering

11,6

1 1,3

0,4

Vroegefasefinanciering wordt in 2017/2018 voor het eerst geëvalueerd

19

SEED-capitalregeling

23,9

22,0

2 5,5

Eindevaluatie TechnoPartner

19

Innovatiekrediet

97,0

49,8

2

Evaluatie Innovatiekrediet

19

Dutch Venture Initiative/Business Angels

100,0

30,0

0,1

DVI wordt in 2016/2017 voor het eerst geëvalueerd.

13

Qredits

3 n.v.t.

27,7

4

Evaluatie Microkredietpilots Microfinanciering wordt in 2015 geëvalueerd

13

Groeifaciliteit

85,0

35,5

0,8

Evaluatie Groeifaciliteit

13

Garantie Ondernemingsfinanciering

400,0

108,8

0,7

Evaluatie GarantieOndernemingsfinanciering

13

Borgstelling MKB

765,0

372,4

2,1

Evaluatie BMKB5

13

Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering

400,0

0

0,1

De GSF wordt in 2016/2017 voor geëvalueerd.

12

MKB innovatiestimulering topsectoren

35,6

28,8

2,3

De MIT-regeling wordt in 2016/2017 voor het eerst geëvalueerd

12

TKI-toeslag

119,0

100,5

1,0

In 2016 vindt een tussenevaluatie TKI plaats

12

Eurostars

18,4

4,3

6

Evaluatie Eurostars

12

Internationaal Innoveren (Joint Technology Initiatives / Eureka)

39,7

39,8

6 2,5

Evaluatie Internationaal Innoveren

X Noot
1

De regeling Vroegefasefinanciering is per juli 2014 opengesteld. De beschikkingen voor de academische starters konden vanwege de doorlooptijd van de eerste call pas in 2015 worden verstrekt. De benutting in 2014 is daardoor nog beperkt.

X Noot
2

De uitvoeringskosten van de SEED-capitalregeling en het Innovatiekrediet worden gezamenlijk geadministreerd en zijn niet separaat inzichtelijk.

X Noot
3

Qredits is een private stichting. Voor Qredits is geen jaarlijks budget op de EZ-begroting beschikbaar. Door de overheid en private partijen zoals banken en verzekeraars is funding beschikbaar gesteld voor microkrediet en MKB-krediet.

X Noot
4

De overheid heeft geen jaarlijkse kosten voor Qredits. Qredits maakt jaarlijks kosten voor de intensieve beoordeling en het beheer van de kredieten en coaching. Deze kosten worden gedekt door inkomsten (rente en afsluitprovisie).

X Noot
5

Dit jaar is eveneens onderzoek gedaan naar de additionaliteit en kostendekkendheid van de BMKB. De resultaten van het onderzoek worden voor de begrotingsbehandeling aan de Tweede Kamer toegezonden.

X Noot
6

De uitvoeringskosten van Eurostars en Internationaal Innoveren worden gezamenlijk geadministreerd en zijn niet separaat inzichtelijk.

375

Wat is het budget en het gebruik van Schoolmelk- en schoolfruitregeling?

Antwoord

De nationale enveloppe voor schoolfruit bedraagt voor Nederland € 5,4 mln. per schooljaar. Het is de inzet dit EU-budget volledig te benutten.

Voor schoolmelk is er geen sprake van een nationale enveloppe of een budgetplafond op EU-niveau. EU-steun wordt toegekend in de vorm van een vast bedrag (afhankelijk van de productsoort) per 100 kg geleverd zuivelproduct tot een maximum van 0,25 liter per kind per dag. Op jaarbasis ontvangt NL ca. € 350.000 aan EU-steun voor schoolmelk.

376, 377

In hoeverre slaagt de Schoolmelk- en schoolfruitregeling erin de gestelde doelstelling te bereiken?

Antwoord 376 en 377

De nationale enveloppe voor schoolfruit bedraagt voor Nederland € 5,4 mln. per schooljaar. Het is de inzet dit EU-budget volledig te benutten.

Voor schoolmelk is er geen sprake van een nationale enveloppe of een budgetplafond op EU-niveau. EU-steun wordt toegekend in de vorm van een vast bedrag (afhankelijk van de productsoort) per 100 kg geleverd zuivelproduct tot een maximum van 0,25 liter per kind per dag. Op jaarbasis ontvangt NL ca. € 350.000 aan EU-steun voor schoolmelk.

378

Wat is de reden dat het budget onder de naam «topsector energie» vanaf 2015 omhoog is gegaan, terwijl het budget onder de naam «energie-innovatie» omlaag is gegaan? Houden beide mutaties verband met elkaar?

Antwoord

De daling van de uitgaven onder «Energie-innovatie»» hebben betrekking op oudere innovatieprogramma’s die inmiddels beëindigd zijn, waardoor de kasbetalingen voor deze programma’s in de loop der tijd steeds verder afnemen.

De hierdoor ontstane budgetruimte wordt benut voor de financiering van programma’s die onder het beleidsinstrument «Topsector Energie» vallen.


X Noot
1

Kamerstuk 32 637, nr. 32.

X Noot
2

Kamerstuk 34 002, nr. 106

X Noot
3

Kamerstuk 34 302, nr. 3

X Noot
4

Alle loonkosten in het bedrijf, niet alleen de S&O-loonkosten.