Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-2008nr. 64, pagina 4589-4612

Aan de orde is het debat over het verslag van de Europese Top.

De voorzitter:

Ik heb van een aantal uwer begrepen dat u dit debat graag voor de dinerpauze zou willen afronden, maar ik ben daarbij helemaal afhankelijk van uw medewerking.

De heer Pechtold (D66):

Ik heb maar vijf minuten spreektijd.

De voorzitter:

Jawel, maar ik doelde ook op uw interrupties, mijnheer Pechtold. Wij doen allen ons best. Ik begrijp uw intenties. Ik ga u daarbij helpen.

De heer Van Bommel (SP):

Voorzitter. In de Europese Raad is een aantal belangrijke onderwerpen aan de orde geweest. De besluitvorming in de raad wekt bij de SP-fractie geen verbazing. Het was in die zin een top zonder verrassingen. Die conclusie kan naar ons oordeel wel worden getrokken. Het is ook niet voor het eerst dat wij ons na een top afvragen of die wel nodig was. Ik herhaal mijn eerdere pleidooi in deze Kamer. Moeten wij er niet naar streven te komen tot een beperkter aantal Europese Toppen, waarop echt belangrijke besluiten worden genomen, die ook goed worden voorbereid, zodat wij kunnen zeggen dat een top echt een top was?

Aan de orde was om te beginnen de Lissabonstrategie. Europa moet volgens die strategie de meest concurrerende economie ter wereld worden. Dat mag echter niet ten koste van alles gaan. De conclusies op dit punt verschillen niet van de ontwerpconclusies van 7 maart. Ze laten zien dat er onder regeringsleiders sprake is van een onomstreden neoliberale agenda. Buiten die kringen is deze agenda wel omstreden. Ik citeer: "Boven sociaal Europa pakken zich donkere wolken samen." Dat zijn woorden van de Europese overkoepelende vakbondsorganisatie, de ETUC, van vorige week. Deze vroeg vooral aandacht voor de afnemende kwaliteit van de banen die in de EU worden gecreëerd: flexibel, onzeker, vaak in deeltijd, steeds meer zogenaamde zelfstandigen, maar met maar één werkgever, enzovoorts. Met het ongewijzigd laten van de Lissabonstrategie, vooral de werkgelegenheidsrichtsnoeren, gaat de EU verder met het stimuleren van deze lage kwaliteitsbanen. De Lissabonstrategie leidt misschien wel tot meer banen, maar banen van minder kwaliteit. Graag een reactie van de regering op de visie van de Europese vakbondsorganisatie.

De heer Pechtold (D66):

Excuus, voorzitter, maar ik vind dit prikkelend. Het leidt tot meer banen, maar van minder kwaliteit. De SP gaat dus van de premisse uit dat het beter is geen baan te hebben dan een baan van minder kwaliteit. Ik ben verbaasd door die protectionistische houding. Het kabinet werkt met Europa aan meer banen. Ik vind dat fantastisch. Natuurlijk wordt er ook ingezet op kwaliteit. Waar haalt de heer Van Bommel het vandaan dat het altijd banen van mindere kwaliteit zijn?

De heer Van Bommel (SP):

Voorzitter. Dat is waar de Europese koepel van vakbondsorganisaties op wijst.

De heer Pechtold (D66):

O, die!

De heer Van Bommel (SP):

Ja, die, want die vertegenwoordigt de werknemers in Europa en dat zijn er heel erg veel. De Nederlandse bonden zijn daar ook bij aangesloten. Die Europese vakbondsorganisatie stelt dat de banen van minder kwaliteit worden, flexibeler, oproepcontracten, deeltijdbanen en losse banen. Wij willen meer banen, maar wij willen niets inboeten als het om de kwaliteit gaat.

De minister-president mocht dit onderwerp, de Lissabonstrategie, mede inleiden, zo staat in het verslag, omdat Nederland vooroploopt bij de implementatie van de Lissabonagenda. Nederland mag door andere regeringsleiders worden gezien als voorbeeld, voor de werknemers zal dit worden gezien als een schrikbeeld. Onder de vorige kabinetten-Balkenende hebben wij kunnen zien wat Lissabon betekent: langer werken, de afschaffing van het prepensioen, een versobering van het recht op een uitkering; dat alles om mensen te stimuleren een baan te zoeken. Als er geen verzet tegen was geweest, was de ontslagbescherming ook nog verslechterd. De SP maakt zich niet alleen druk over wat de EU voor ons betekent, maar ook over wat de EU voor de andere landen betekent. Hiermee komt het sociale Europa dat iedereen zegt te wensen niet dichterbij.

In de conclusies kijkt de raad uit naar voorstellen voor een hernieuwde sociale agenda. Daar komt de Europese Commissie binnenkort mee, maar het is alleen sociaal in naam als in de conclusies slechts aandacht is voor arbeidsmarkttekorten en als wordt gesteld dat economi sche migratie daar een positieve bijdrage aan kan leveren.

Van onderwijs wordt steeds gezegd dat dit een primair nationale aangelegenheid is. Samenwerking is goed, maar het baart zorgen als in de conclusies met betrekking tot het vormgeven van de vijfde vrijheid, het vrij verkeer van kennis, wordt gesproken over het verder stimuleren van hogeronderwijshervormingen. Ook dat is onzes inziens primair een nationale aangelegenheid. Op het gebied van onderzoek is het een stap te ver om, voordat het Europees instituut voor Innovatie en Technologie van de grond is gekomen, plannen te maken voor, in de woorden van Barroso, "a new generation of world-class research infrastructures, which far exceed the capacity of any single Member State". De bemoeienis gaat verder als universiteiten worden opgeroepen zich meer open te stellen voor de industrie. Ook dat is primair nationaal beleid. Onderzoek en onderwijs zijn aan de Nederlandse universiteiten, aan de Vereniging van Samenwerkende Verenigde Universiteiten en aan de KNAW.

Terecht komt er aandacht voor de administratieve lasten van het midden- en kleinbedrijf. Wij zetten wel vraagtekens bij de zorgvuldigheid in het schrappen van regels – dit is voer voor lobbygroepen – en het versnellen van wetgevingsprocedures. Wij zien namelijk dat in de EU een enorme toename is van wetsvoorstellen die, nadat er een driepartijenoverleg heeft plaatsgevonden, in eerste lezing worden aangenomen. Dit wijst op een minder zorgvuldige omgang met wetgeving. Critici wijzen erop dat deze snelle besluitvormingsprocedure die in principe was bedoeld voor niet-controversiële voorstellen, ook voor minder onomstreden wetsvoorstellen wordt gebruikt.

Dan kom ik te spreken over het energie- en klimaatpakket. Met betrekking tot het rapport-Solana is de Europese Commissie gevraagd om een plan van aanpak uit te werken dat uiterlijk december 2008 gereed moet zijn. Wij zouden dit graag bespreken, zeker als het kabinet dit rapport zonder kritische noot omarmt. Dit lijkt althans het geval te zijn. De SP-fractie ziet dat de gevolgen van klimaatverandering in het rapport te veel worden aangegrepen om een gezamenlijke militair-civiele interventiepolitiek van de Europese Unie te stimuleren. Te veel aandacht gaat uit naar crisisbeheersing, te weinig naar preventie en adaptatie. Gelukkig is voor de laatstgenoemde punten wel aandacht in de conclusies over klimaatverandering en energie. De oproep van Solana om de Europese belangen veilig te stellen in het gebied rond de Noordpool, waar door klimaatverandering grondstoffen en vaarroutes vrijkomen, is tekenend. Niet voor niets stonden de Russische media bol van berichten over dit rapport met titels als "Europese Unie bereidt zich voor op gevecht met de Russische Federatie om de Noordpool". Dit rapport past in de verdere ontwikkeling van een Europese defensiesamenwerking. Zo heeft Sarkozy opgeroepen om onder Frans voorzitterschap te praten over versterkte defensiesamenwerking. Dit wordt met het Verdrag van Lissabon mogelijk gemaakt. Het verdrag biedt ook meer mogelijkheden voor humanitaire crisisbestrijding. Als dat met de visie van Solana gebeurt, waarin de zekerheid van energievoorziening ook is opgenomen, dan is de scheidslijn met een gezamenlijke defensiepolitiek uiterst dun.

Over de afspraken met betrekking tot het klimaat- en energiepakket zijn wij positief. De doelstellingen zijn ambitieus, maar noodzakelijk. Ten opzichte van de ontwerpconclusies van vorige week is er nu ook aandacht voor de noodzaak om in een toekomstig klimaatakkoord zeker te stellen dat er meer financiële middelen komen voor het tegengaan van en aanpassen aan klimaatverandering. In de conclusies over biobrandstoffen wordt het commercieel beschikbaar krijgen van tweede generatie biobrandstoffen nu expliciet als doel van de duurzaamheidscriteria genoemd. Dat is een goede zaak. Op dit punt verdient de Nederlandse regering dan ook een compliment. Nu komt het aan op het krijgen van steun in de rest van de wereld voor deze plannen. Wij zijn ook zeer benieuwd naar de bijeenkomst in Kopenhagen. Iets kritischer zijn wij over het opduiken in de conclusies van het woord "flexibiliteit", met name ten aanzien van de mogelijkheid om in het buitenland duurzaam te investeren en dit in eigen doelstellingen mee te tellen. De opgave voor het terugdringen van CO2 zal toch vooral in de Europese Unie zelf moeten worden gerealiseerd.

Ten opzichte van de ontwerpconclusies over de financiële markten die wij vorige week zagen, is een ding toegevoegd, namelijk dat er een voortgangsrapportage volgt in april 2008. Wij kunnen dit toch opvatten als teken dat in de Europese Unie ook een lichte ongerustheid bestaat? Hoe valt hiermee dan te rijmen dat nog steeds vertrouwen wordt uitgesproken in de zelforganisatie van financiële markten en geen dwingende maatregelen worden genomen? Is het mogelijk dat dit in de toekomst wél gebeurt? Wordt het niet tijd om na te denken over een eventueel ander scenario dan nu zo vrijblijvend wordt afgesproken?

Tot slot een opmerking over de Mediterrane Unie. De Europese Unie grossiert in verschillende vormen van samenwerking. Ik noem de landen van de Europese Economische Ruimte, het nabuurschapsbeleid en stabilisatie- en associatieakkoorden. De CDA-fractie voegde hier onlangs nog het partenariaat aan toe. Sarkozy heeft nu zijn Mediterrane Unie. Zoals dit zo vaak gaat met symboolpolitiek, lanceert men eerst de term om deze vervolgens te gaan invullen, zodat hij nog iets voorstelt. Zo is de Mediterrane Unie oorspronkelijk bedacht door Sarkozy als iets waar enkel de Mediterrane landen aan mee zouden doen, weliswaar betaald door de Europese Unie. Nu is deze unie een initiatief geworden om het in verval geraakte Barcelonaproces uit het slop te trekken waarin wél alle EU-landen participeren. Hebben regeringsleiders niets beters te doen dan allerlei nieuwe overlegstructuren te creëren? Welke toegevoegde waarde ziet het kabinet in dit overleg?

De heer De Roon (PVV):

Voorzitter. Ik ben dit weekend en de afgelopen dagen op zoek geweest naar interessante krantenberichten over deze top. De interessantste kop die ik tegenkwam was die in Brusselnieuws van vorige week donderdag. Die luidde: "Europese Top stuurt verkeer in de war". Dat sloeg op het wegverkeer in de stad Brussel. Een boeiender krantenkop over deze top heb ik niet kunnen ontwaren. Dat betekent niet dat wij hier helemaal niets te bespreken hebben, want dat hebben wij wel degelijk.

Ik zal uit de brief van de bewindslieden drie punten lichten die wat mij betreft bespreking behoeven. Het eerste wordt gevormd door de milieudoelstellingen, het tweede betreft de Unie voor het Middellandse Zeegebied en het derde is het feit dat de minister-president in de Europese Raad de voorgenomen film van het Kamerlid Wilders ter sprake heeft gebracht.

Ik begin met de milieudoelstellingen. De Europese Raad heeft eensgezind steun gegeven aan de hoofdlijnen van de voorstellen van de Europese Commissie, gericht op het verminderen van broeikasgassen. Door de Europese Raad is vastgelegd is dat de bindende doelstellingen voor begin 2009 moeten leiden tot uitgewerkte besluiten. Dit betreft dus besluiten om bijvoorbeeld de broeikasgasemissies tegen 2020 met ten minste 20% te verminderen, om maatregelen te nemen waarmee desondanks het concurrentievermogen van energie-intensieve Europese industrieën overeind kan worden gehouden, en om ontwikkelingslanden te ondersteunen teneinde hun aanpassing aan de klimaatverandering te bevorderen; ik noem maar wat voorbeelden.

Mijn fractie blijft zich zorgen maken over de gevolgen voor de Nederlandse economie als belangrijke gebieden en landen hieraan niet zullen meedoen. Ik doel op Noord- en Zuid-Amerika, India, China en Rusland. Wij vrezen dat er een verplaatsing van productie naar die landen zal plaatsvinden. Vervolgens zullen daar geproduceerde goederen weer naar Europa vervoerd moeten worden, met als gevolg meer belasting voor het milieu. Het keren van deze leegloop in onze Europese productiecapaciteit door al dan niet verkapte staatssteun lijkt ons geen goede weg. De belastingbetaler zal ervoor opdraaien. De voorgenomen ondersteuning van ontwikkelingslanden dient naar de mening van mijn fractie uitsluitend gestalte te krijgen door het slechten van handelsbelemmeringen voor de invoer in Europa van goederen uit die landen.

Dan kom ik op het Barcelonaproces. Van de impuls voor het Barcelonaproces onder de naam "Unie voor het Middellandse Zeegebied" heeft mijn fractie evenmin goede verwachtingen. Van het aanhalen van banden met allerlei antidemocratische islamstaten aan de overkant van de Middellandse Zee verwachten wij niet veel goeds. Waarom stemt de regering daarmee in? Nog gisteren is bijvoorbeeld gebleken dat Algerije onder druk van de islam in dat land de godsdienstvrijheid voor christenen verder aan banden legt. President Kadhafi heeft alle Afrikaanse landen opgeroepen om niets aan te nemen van Europese landen als daaraan voorwaarden voor democratisering zijn verbonden. Dat doet hij een maand nadat de Europese Commissie heeft voorgesteld om onderhandelingen met Libië te starten over een raamovereenkomst met dat land. Turkije blijft ondanks alle beloften van een jaar geleden schromen om artikel 301 van hun wetboek van strafrecht aan te passen. Dat is het artikel op grond waarvan de vermoorde journalist Rhant Dink meermalen vervolgd werd. Aanpassing werd wel beloofd, maar er gebeurt vooralsnog zichtbaar niets. Waarom wil de regering dat de EU in zee gaat met dit soort staten? Waarom stelt de regering niet de keiharde eis dat eerst de mensenrechten in die landen moeten worden nageleefd en gehandhaafd?

Ten slotte kom ik op de wijze waarop de regering – ik mag de minister-president in dat verband zeker niet onvermeld laten – is omgegaan met het voornemen van een Kamerlid om een film te maken over de islam. Ik heb het gerucht vernomen – het gerucht – dat in de aftiteling van deze film dank wordt gezegd aan de minister-president, misschien wel aan de hele regering, voor het marketing- en public relationsoffensief dat deze de afgelopen maanden wereldwijd ten behoeve van deze film heeft gevoerd.

Nadat het Kamerlid het voornemen om de film te maken vertrouwelijk had medegedeeld aan de NCTb, is dit binnen de kortste keren uitgelekt en publicitair groot gemaakt door leden van de regering. Terwijl niemand nog de inhoud van de film kent, vond de regering het nodig om groot alarm te slaan in binnen- en buitenland. Nog onlangs werd bekendgemaakt dat het terroristische dreigingsniveau voor ons land moest worden opgeschaald van beperkt naar substantieel en dat de voorgenomen film – nogmaals, niemand kent de inhoud ervan – daarbij een rol speelde. De pers heeft die rol inderdaad ook opgeblazen en de regering heeft dat vervolgens weer niet tegengesproken. Pas toen vorige week een vermoedelijke terrorist werd aangehouden in het zuiden van ons land, verklaarde een woordvoerster, niet de premier, dat de aanwezigheid van deze terrorist de hoofdreden was voor de opschaling van het dreigingsniveau en dus niet, zoals men een week lang ons land heeft laten denken, de voorgenomen film. Door de megafoonpolitiek van de regering over de film zijn er in islamitische landen demonstraties tegen Nederland geweest. Erkent de regering daarvoor de verantwoordelijkheid?

De premier heeft ons een aantal dagen in de waan gelaten dat Europese leiders de wijze waarop hij met de filmhype omspringt, steunen. Gelukkig is nu gebleken dat de regeringsleiders een stuk nuchterder zijn. Zij steunen Nederland in de verdediging van de vrijheid van meningsuiting; niet meer en niet minder. Er is dus geen steun voor de demonisering van een nog onbekende kritische film van Wilders over de islam.

Mevrouw Jonker (CDA):

Mevrouw de voorzitter. Deze top stond traditioneel in het teken van de Lissabonstrategie en het herbevestigen van al eerder gemaakte afspraken. In de Lissabonstrategie zijn er landen die beter presteren, maar er zijn ook landen die minder presteren. Kan de minister-president aangeven op welke manier de druk wordt opgevoerd op de landen die minder presteren? Helaas kan geconstateerd worden dat het landen zijn die meer lijstjes aanvoeren als het gaat om minder presteren. Wij vragen ons af welke mogelijkheden er zijn om die landen aan te sporen in meerdere opzichten hun verantwoordelijkheid te nemen.

Ook in de aanloop naar dit debat werd duidelijk dat er sprake was van hervormingsmoeheid in sommige landen. Is hierover gesproken? Zo ja, dan vernemen wij graag wat in dit opzicht is besproken of afgesproken.

De heer Pechtold (D66):

Kan het CDA mij vertellen wat de hervormingsagenda van dit kabinet is? U zei dat er landen zijn die minder presteren. Gisteren is het IMF langs geweest dat zei: Nederland, prima; resultaten uit het verleden, geen garantie voor de toekomst. U wilt landen die geen hervormingsagenda hebben, erop aanspreken. Ik vraag naar de hervormingsagenda op het gebied van arbeidsparticipatie, bijvoorbeeld werkgelegenheid, in Nederland.

Mevrouw Jonker (CDA):

Dan beantwoordt u bijna uw eigen vraag. Ik had willen zeggen: het inzetten op meer werkgelegenheid en innovatie om dit uiteindelijk tot stand te brengen. Volgens mij staat Nederland zelfs in de top drie van het lijstje, waarop ook landen staan die stukken minder presteren.

De heer Pechtold (D66):

Met resultaten uit het verleden! Gisteren is het IMF langs geweest. Dat heeft nogal wat kritiek op de opvang van vergrijzing, op arbeidsparticipatie. Dit kabinet zit er ruim een jaar, maar er is geen agenda. Er is een commissie! Voordat u zegt dat andere landen erop moeten worden aangesproken, zou ik uw eigen kabinet willen oproepen om wat te gaan doen. Tot de zomer is er helemaal niets en daarna is er nog heel korte tijd.

Mevrouw Jonker (CDA):

Volgens mij stelde u geen vraag; dat veronderstelt ook geen antwoord.

De voorzitter:

Nee, dat bepaalt u zelf. Gaat u door met uw betoog.

Mevrouw Jonker (CDA):

Voorzitter. In het verslag wordt nog eens benadrukt dat ieder land zijn eigen invulling van flexicurity heeft. De CDA-fractie is het daar helemaal mee eens. Hoe zit het met de verantwoordingsplicht op dit onderwerp? De CDA-fractie hecht enorm aan een jaarlijkse rapportage.

Interessant vinden wij de introductie van de vijfde vrijheid. Het ontwikkelen van vrijheden voor hoogwaardige kenniswerkers juicht het CDA toe. Kan de regering aangeven welke concrete stappen Nederland gaat nemen om hier invulling aan te geven? Gaat dit per lidstaat of kunnen kenniswerkers zich straks vrij in de EU vestigen? En hoe valt dit samen met het voorgestelde blue-cardsysteem?

Vorige week heeft mijn collega Ormel nadrukkelijk aandacht gevraagd voor het terugdringen van de administratieve lasten van EU-instellingen. De conclusies blijven wat vaag. Er moet meer worden gewerkt aan de effectbeoordelingscapaciteit van de EU-instellingen. Kan de minister-president aangeven wat daar precies mee wordt bedoeld? Welke concrete stappen worden op dit moment ondernomen? In 2012 moeten de administratieve lasten als gevolg van EU-wetgeving met 25% zijn verminderd. Hoe ziet het concrete traject eruit? Wij gaan ervan uit dat het in maart 2007 overeengekomen traject vanaf dat moment geldt. Is er een nulmeting gedaan? Zullen wij voortgangsrapportages ontvangen? Op welke wijze kan concreet inhoud worden gegeven aan ontheffingen van administratieve voorschriften uit EU-wetgeving voor het mkb? Dit laatste betreft conclusie 11.

Ik kom op klimaat en energie. Er lijkt brede steun te bestaan als het gaat om de doelstellingen. Nu moet echter gewerkt worden aan de resultaten. Eind 2008 moet er in de Raad overeenstemming zijn bereikt, zodat het pakket in 2009 in werking kan treden. Wij roepen de lidstaten opnieuw op hun rug recht te houden en de daad bij het woord te voegen.

Het is goed dat er aandacht is voor voedsel en de dreiging van een voedseltekort. Wordt het geen tijd om de innovatieve kracht van de agrarische sector in de hernieuwde Lissabonstrategie voor 2010 de plaats te geven die hij verdient? Naast aandacht voor acceptatie van de wijze waarop voedsel wordt geproduceerd, moet daarvoor een plaats worden ingeruimd. Kan de regering en zeker de nationale Lissaboncoördinator zich naar aanleiding van conclusie 6 inzetten voor Europese aandacht voor voedselzekerheid in combinatie met de Europese waarden van deze productie?

Wat de stabiliteit van financiële markten betreft spreekt de minister-president in zijn brief over de komst van een vrijwillige gedragscode. Is er al iets te zeggen over het moment waarop wij deze gedragscode kunnen verwachten? Is er niet het gevaar dat individuele landen zelfstandig maatregelen gaan nemen tegen staatsinvesteringsfondsen, waardoor een ongelijkwaardig speelveld wordt gecreëerd? Is een vrijwillige gedragscode wel een afdoende instrument?

De CDA-fractie is van mening dat het Europese nabuurschapsprogramma een uitstekend model is voor hechte samenwerking met de buurlanden van de EU. Frankrijk heeft het initiatief genomen tot een Barcelona-plustraject, dat tijdens de EU-top in juni aan de orde zal komen. Wat wordt met dit initiatief beoogd? Zal de minister-president hierbij aanwezig zijn en, zo ja, wat zal op dat moment de inzet van Nederland zijn? Welke landen zullen nog meer worden uitgenodigd voor deze top?

Wij zijn er zeer over te spreken dat Afghanistan aan de orde is gesteld. Verschillende ministers waren kritisch over de vermindering van de Commissiebijdrage. Wat gaat de Commissie daarmee doen? Wat is concreet toegezegd door welke lidstaten ten aanzien van het leveren van meer menskracht door EUPOL en meer fondsen? Of is het slechts bij zorgelijke constateringen, fronsende wenkbrauwen en vage beloftes gebleven? De CDA-fractie prijst onze minister van Buitenlandse Zaken voor zijn bijdrage aan de discussie over de EU-NAVO-samenwerking. De brede steun doet vermoeden dat de toon nog wat kritischer had gekund. Wat was de reactie van Griekenland en Cyprus?

Ik kom op de te verwachten film over de Koran. Wij ondersteunen de lijn en de wijze waarop de minister-president dit onderwerp aan de orde heeft gesteld.

De heer Ten Broeke (VVD):

Voorzitter. Ik begin met de Lissabondoelstellingen en de update die de Kamer daarvan heeft gekregen. Nederland neemt hierin volgens de Commissie een gunstige positie in en krijgt het slechts de aanbeveling om de arbeidsmarkttoegang voor kwetsbare groepen, ouderen, vrouwen en jongeren, te verbeteren. Voor de rest kan van de EU worden gezegd dat redelijk wordt voldaan aan de sterk gereduceerde doelstellingen die twee jaar geleden de oorspronkelijke – en volstrekt belachelijke – doelstelling hebben vervangen. Volgens die doelstelling moest de EU in 2010 de meest kennisintensieve en dynamische regio in de wereld zijn. De doelstellingen zijn weliswaar aangepast aan de werkelijkheid, maar het is een illusie om te denken dat Nederland nu een voorbeeld is geworden. Wij hebben te maken met een achteroverleunend kabinet, dat alleen maar afspraken maakt over zaken waarover het geen afspraken wenst te maken. Het ontslagrecht hoef ik eigenlijk niet eens te noemen; dat deed de OESO recentelijk al voor mij. Gisteren – de heer Pechtold wees er al op – waarschuwde het IMF voor hervormingsmoeheid. Daarvoor was de REA aan de beurt. Zelfs de scorecard van het Centre for European Reform, die volgens mij vorige week nog door de minister-president is aangehaald, heeft Nederland een plekje lager gezet.

Dat was opvallend, want vorig jaar refereerde ik zelf aan die Lissabonscorecard en Nederland stond toen nog verdienstelijk derde. Hoewel wij in Europees verband nog steeds tot de "heroes" worden gerekend, zijn wij dus gezakt en van het erepodium verdwenen. Dit kabinet kan nog even teren op de prestaties van het vorige kabinet. In 2007 was Nederland het land met de laagste inflatie en de hoogste economische groei, maar met 10 mld. uitgavenverhogingen en 7 mld. lastenverzwaring en geen enkele hervorming van betekenis, moeten wij niet op de schijnwereld van de Lissabondoelstellingen afgaan, maar op echte aanwijzingen. Ik noem er een paar. Het aantal Wajong-jongeren neemt ongelooflijk toe. De VVD-fractie heeft op dit punt een voorstel gedaan; op minister Donner is het nog wachten. Op het punt van de kinderopvang zorgt de motie-Bos/Van Aertsen voor verbetering, maar zij stelt dit kabinet vooral voor een financieringsprobleem. Aan re-integratie wordt 2 mld. uitgegeven, maar zij helpt geen noemenswaardig aantal mensen aan de slag. Het effect wordt zelfs "verwaarloosbaar" genoemd. Dat is dus weggegooid geld dat beter besteed had kunnen worden.

Ik voeg daaraan toe de weigering van het kabinet om een sollicitatieplicht voor bijstandsmoeders en herkeuringen voor WAO'ers in te voeren. Zelfs de regeldruk waarmee dit kabinet denkt goede sier te maken, leidt in deze Kamer alleen tot mooie verhalen voor de bühne en van de premier voor de Raad, want als zelfs een motie van de fracties van de PvdA en het CDA – de motie-Blanksma/Smeets – om het Actal ook inhoudelijk te laten toetsen op nalevingskosten, niet door dit kabinet hoeft te worden uitgevoerd, dan weten wij dat ook van dit verhaal niet veel terecht zal komen.

In de conclusies wordt gezegd dat de minister-president wel aandacht vroeg voor de regeldruk, maar niet voor het punt van de handhavingskosten, die ik nu juist herhaaldelijk heb opgeworpen. Waarom heeft hij dat niet gedaan? Gaat hij dat nog doen?

Voor mijn fractie is dit een inert kabinet. De hervormingsmoeheid die andere landen wordt aangewreven, geldt ook wel degelijk voor Nederland, omdat niets wordt gedaan aan de flexibilisering van de arbeidsmarkt en ook niet wordt opgekomen voor kwetsbare groepen die feitelijk achter de geraniums worden gezet.

Dan is er het punt van het toenemende protectionisme; ook daar wees de heer Pechtold al op. Ook de Zweedse minister van Handel luidde daarover vorige week de noodklok. Zij zocht en kreeg de steun van tien gelijkgestemde EU-lidstaten, maar niet van Nederland. Ik hoop dat dat een foutje is, zeker ook gelet op het gloedvolle betoog van de heer Timmermans twee weken geleden. Hij heeft vorige week mevrouw Malmström ontmoet en misschien kan hij daar dus iets over zeggen.

Met betrekking tot het klimaat- en energiepakket zal de Top in navolging van de maart-Top in 2007, toen een beginselakkoord werd gesloten over -20% CO2 in 2020 en al die andere subdoelstellingen, nu ook de 27 individuele landenprogramma's bevestigen die uitvoering moeten geven aan de overall-doelstellingen.

Er is ook gesproken over het ETS, het emissiehandelsysteem. De wijze waarop CO2-rechten moeten worden geveild, is uitgebreid aan de orde geweest. Op zich steunen wij die veiling, maar wij hebben grote twijfels over hoe dit uitpakt voor met name de zware industrie, die energie-intensief produceert. Dit punt is bekend, maar ik vind daar in de conclusies buitengewoon weinig van terug. De VVD-fractie had al kritiek op de gedetailleerdheid van de individuele landenprogramma's en de subdoelstellingen. Ik wil overigens in de richting van de CDA-fractie nog wel herhalen dat vorige week in het klimaatbedrag ten onrechte werd gezegd dat de VVD de 30%-doelstelling zou steunen. Dat is hier nu, misschien ten overvloede, gecorrigeerd. Wij vinden 20% al meer dan genoeg. Het zou mooi zijn als wij dat kunnen halen. Zolang de regering geen idee heeft van de kosten voor onze economie en met name van hoe de elektriciteitsrekening van de burger eruit komt te zien, moeten er sowieso geen bindende afspraken worden gemaakt. Waarom zit Nederland, met bedrijven als Corus of Hoogovens, eigenlijk niet in de coalitie van tien EU-lidstaten en Eurocommissaris Verheugen die zich terecht verzet tegen de perverse prikkels die uitgaan van het Europese veilingsysteem voor met name de zware industrie? De VVD-fractie pleit voor een benchmarksysteem, voor verschillende industrietakken, waarvan wel de juiste stimulans uitgaat; een CO2-doelstelling zonder verplaatsing met het daarmee gepaard gaande concurrentienadeel. Ik overweeg om op dit punt in tweede termijn een motie in te dienen.

Hetzelfde geldt voor de biobrandstoffenbijmenging. Waarom volgt Nederland niet Frankrijk met de terechte kritiek op de biobrandstoffendoelstelling vanwege de voedselschaarste die de eerste generatie gewassen zal veroorzaken? Dit moet dus alleen gedaan worden bij voldoende duidelijkheid omtrent de tweede generatie.

De VVD-fractie meent ten aanzien van de energieliberalisering dat Nederland enorme kansen laat liggen. Juist nu moet Nederland gas geven. Mijn fractie pleit ervoor om in Noordwest-Europa een voorhoede te vormen op het gebied van interconnectie en leverzekerheid, zeker nu het Duitse E.ON en de RWE door commissaris Kroes op de knieën zijn gedwongen en kiezen voor splitsing. Dit is het moment om toe te slaan. Is het kabinet bereid om te onderzoeken of met soortgelijke landen, met name in Noordwest-Europa, vaart kan worden gemaakt met de liberalisering?

Ik kom op de vorming van de mediterrane unie, het zoveelste Sarkozy-idee dat in afgezwakte vorm en vanwege het opgeven van het verzet van bondskanselier Merkel is overgenomen. Begrijp ik goed dat dit, anders dan Sarkozy wilde, geen nieuwe organisatie wordt die ook nog eens door de EU wordt betaald? Klopt het dat vooral de intensivering van afspraken tussen Europa en Noord-Afrika over handel, economie, migratie en vluchtelingen de agenda van dit "nieuwe Barcelonaproces" zal bepalen? Als het een voortzetting van het Barcelonaproces betreft, hoe krijgt dan de dialoog met het Midden-Oosten daarin een plek? De VVD-fractie blijft kritisch over deze ideeën van een mediterrane unie. Indien het slechts om een versnelling van afspraken gaat, bijvoorbeeld in het kader van het terugnemen van illegalen, de aanpak van illegale migratie en de regionale opvang van migranten, ziet zij echter voordelen. Klopt die zienswijze? Gaat het om een organisatie die niet nieuw is en niet door de EU wordt betaald? Dat moet in elk geval helder zijn.

Wij zijn weer eens opgeschrikt door een uitspraak van de heer Barroso over het uitbreidingsproces. Dit keer betreft het Kroatië. Mijn stellige indruk was dat het onderhandelingsproces nog gaande was, maar de heer Barroso sprak over het sluiten van het onderhandelingsproces aan het einde van de commissieperiode in 2009. Het is onduidelijk of de heer Barroso een toetredingsdatum heeft genoemd. Misschien kan de premier of de staatssecretaris daarover helderheid scheppen. Een brief daarover, waar ik afgelopen donderdag om heb gevraagd, heb ik in elk geval nog niet ontvangen.

Het geweld in Noord-Kosovo neemt hand over hand toe, bovenop het geweld dat al in Servië heeft plaatsgevonden. Mijn fractie vraagt zich werkelijk af of het EU-aanbod aan de Serviërs van een politieke dialoog, dat gedaan is voordat de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo een feit was, niet van tafel moet.

Ik kom te spreken over de film van de heer Wilders. De premier zou zijn best doen om de regeringsleiders om solidariteit te vragen inzake de mogelijke gevolgen van de film van de heer Wilders. Die solidariteit ontbrak na de eerste Deense cartooncrisis toen de Europese Unie niet verder kwam dan een verklaring over "have en goed". Ditmaal is de film van de heer Wilders aan de orde, als lakmoesproef voor de vrijheid van meningsuiting als kernwaarde van de Europese Unie. Wij zullen zien. De VVD-fractie is hier duidelijk over: geen relativerende verklaringen maar heldere en eensluidende statements dat de vrijheid van meningsuiting een hoeksteen is van de Europese beschaving. Opvallend was de bijdrage, en marge van de top, van de Deense aanvoerder van de Europese socialisten Rasmussen – dus niet de premier – die stelde dat de film van Wilders een Nederlands probleem is. Solidariteit is bij Europese socialisten kennelijk meer een kwestie van "das Fressen" dan van "die Moral". Staatssecretaris Timmermans nam hiervan terecht afstand.

De heer Blom (PvdA):

Het lijkt mij goed dat u er ook afstand van neemt. Het heeft mij achteraf erg verbaasd dat u, toen wij de Europese Top voorbereidden, nogal grote verhalen had over hoe geweldig die Denen wel niet waren. Toen ik de uitspraken van die Denen had gehoord, bleef daar niet zo gek veel van over.

De heer Ten Broeke (VVD):

Voorzitter. De heer Blom verwacht nu kennelijk van mij dat ik iedereen die uit Denemarken komt of een Deens paspoort heeft, over een kam scheer, maar ik maak zelfs onderscheid tussen Europese socialisten van het kaliber Timmermans en van het kaliber Rasmussen. Dan bedoel ik dus de socialist Rasmussen en niet de liberale Rasmussen. Die laatste is uit het juiste hout gesneden.

Samenvattend: dit kabinet verzuimt om Nederland op een structureel hogere groeivoet te zetten. Dat is een gemiste kans. Het klimaatpakket is mogelijk een schot in eigen doel zolang niet duidelijk is hoeveel de burger hiervoor gaat betalen en de zware industrie geen uitzonderingspositie kent. Dit kabinet toont geen aanvallend spel op de arbeidsmarkt, de dienstenmarkt en de gasmarkt. Bovendien beheersen het kabinet en de Europese Commissie vooralsnog niet de buitenspelval voor landen die kandidaat-lidstaat zijn of dat willen worden. De defensie is eigenlijk zo lek als een mandje! Ondanks dit on-Nederlandse spel blijven wij geloven in hand in hand kameraden – misschien spreekt u dit aan, mijnheer Blom – als de film van de heer Wilders daar aanleiding toe geeft.

De heer Pechtold (D66):

Voorzitter. De regering heeft in Lissabon een presentatie mogen geven over de Nederlandse economie. Daar zijn veel goede verhalen over te vertellen, want het kabinet-Balkenende II heeft flink hervormd om de zorg betaalbaar te houden, de WAO duurzaam beschikbaar te maken voor diegenen die het nodig hebben, de administratieve lasten te verlichten en te werken aan een goed ondernemingsklimaat. Wat heeft de regering of de minister-president over zijn huidige kabinet verteld? Nu is de tijd gekomen om zaken aan te pakken waar Nederland nog niet zo goed in is.

Over welke plannen heeft de regering haar Europese collega's verteld? Ik zou ze graag leren kennen. Gingen zij over de arbeidsmarkt die geflexibiliseerd moet worden? Gingen zij over het inlopen van de achterstand in onderzoek en innovatie? Gingen zij over het opvangen van de effecten van de vergrijzing? Zoals ik in interruptie al zei, had het IMF gisteren een lelijke noot met Nederland te kraken. Vandaag heeft D66 een commissie-Bakker ingesteld, de commissie-Bert Bakker. Zij zal uw kabinet en mijn partij over de arbeidsmarkt adviseren. Ik hoop dat het kabinet daarnaar wil luisteren, want het is twee voor twaalf.

De ontwikkeling van duurzame energie leent zich goed voor innovatieve projecten waar in de Lissabonstrategie om wordt gevraagd. Mijn partij heeft de regering en Europa gevraagd om gezamenlijk in te zetten op een tastbaar grootschalig project. Is dat besproken bij de top? Wat is daar uitgekomen?

De ontwikkeling van CO2-opslag vergt nog veel investeringen. Wordt daar gezamenlijk aan gewerkt of gaat iedere lidstaat dit zelfstandig doen?

Afghanistan is ook ter sprake gekomen. Daar ben ik verheugd over. Is er gesproken over het plan van minister Verhagen om NAVO-troepen flexibel over heel Afghanistan in te zetten? Hoe is daarop gereageerd, met name door landen die zich nu tot het veilige noorden beperken, waaronder EU-lidstaten?

Ik heb begrepen dat de inzet van de premier ten aanzien van de film van Wilders beperkt is gebleven tot het informeren van de Raad over de opstelling van het kabinet in dezen. Misschien heb ik het verkeerd begrepen, dus ik krijg hierover graag uitleg. Waarom het thema niet breder getrokken en gepleit voor een EU-lijn voor soortgelijke gevallen? Die is vorige week naar mijn mening Kamerbreed bepleit. Ik mis nog steeds het proactieve element. Hierover is vorige week ook gesproken. Ik zeg de heer Ten Broeke na: vrijheid van meningsuiting moet geen dogma of mantra zijn, maar moet overtuigend verdedigd worden. Ik hoop hier zo meteen een helder verhaal over te horen, maar ik verwacht nog meer van een helder Europees geluid wanneer het zo ver is. Ik ben het eens met de VVD-fractie dat het eerste voorbeeld van de Deense cartoons slecht is.

Ook over de bilaterale overdracht van persoonsgegevens aan de Verenigde Staten is gesproken. Wat is de Nederlandse reactie op de drie gesloten overeenkom sten geweest? Is Nederland ook zelf benaderd? De afspraken betekenen een aanscherping van het PNR-akkoord met de VS, terwijl dit nog niet geratificeerd is. Heeft de minister-president al een kandidaat in gedachten voor het EU-presidentschap? Wil hij ons daarin laten meedenken?

De heer Blom (PvdA):

Voorzitter. Het doet mij genoegen om in de stukken te lezen dat de doelstelling van 20% CO2-reductie een opmaat is naar een reductie van 30%. Er moet nog wel een klimaatakkoord worden gesloten. Ik begrijp dat het de bedoeling is om dat in 2009 in Kopenhagen te ondertekenen. Hoe groot acht het kabinet de kans op die ondertekening? Wij spreken hier wel over en wij zijn in Nederland van goede wil, maar het is de vraag of dat in de rest van Europa ook zo is.

Ik las een interessant stuk waarin staat dat de EU in internationaal overleg afspraken wil maken om te voorkomen dat de energie-intensieve industrie in Europa het slachtoffer wordt van concurrentie uit landen die geen maatregelen tegen klimaatverandering nemen. Mocht dat niet lukken, dan stelt de EU passende maatregelen in het vooruitzicht om de Europese industrie te beschermen.

Ik kan mij herinneren dat wij twee jaar geleden, toen ik nog industriewoordvoerder was, een hele discussie hebben gevoerd over de positie van de energie-intensieve industrie in Nederland. Dat kwam niet doordat een aantal landen niet meedoet aan de klimaatdoelstellingen, maar het lag meer aan de energiemix waar onze bedrijven last van hebben. Ik spreek uit ondervinding, want in mijn wonderschone provincie Zeeland zitten zulke industrieën, zoals Alcan – het vroegere Pechiney – waar de problemen groot zijn. De EU kan natuurlijk wel maatregelen nemen om de Europese industrie te beschermen, maar hoe doen wij dat nu in EU-verband zelf? Ik heb wel eens de indruk dat de energiedoelstellingen die wij in Nederland formuleren scherper zijn dan in andere EU-landen.

Ik zou graag zien dat de regering hierin een opstelling kiest zodat wij de energie-intensieve industrie in Nederland beschermen tegen een uittocht naar mede-EU-landen. Dit gebeurt niet alleen op mondiaal niveau, maar ook binnen Europa zelf.

Wij weten allemaal dat wij ook voor onze industrie graag een level playing field willen, ook wat de energieprijzen betreft. Dit lijkt mij nu een uitgelezen moment om de koe bij de horens te vatten.

De heer Ten Broeke (VVD):

Het betoog van de heer Blom is mij werkelijk uit het hart gegrepen. Volgens mij is bij de PvdA het licht aangegaan als het gaat om duurzame energie. Bij de heer Blom was dat al enige tijd het geval. Ik hoop dat wij nu ook de rest van de PvdA-fractie zo ver kunnen krijgen. Het zou mooi zijn als de heer Blom zijn woorden ook kracht wil bijzetten – deze conclusies leveren helemaal niets op voor de zware industrie, aangezien alles weer wordt vooruitgeschoven – door met mij dit kabinet op te roepen om nu geen afspraken te maken totdat in ieder geval voor deze industrie die helderheid wordt gegeven. Kan ik op hem rekenen?

De heer Blom (PvdA):

Ik zeg niet dat er geen afspraken moeten worden gemaakt. Ik wil weten wat de consequenties zijn van de opstelling van het kabinet als ook in EU-verband de positie van de energie-intensieve industrie in Nederland tot problemen leidt, juist doordat er verschillen in aanpak van het klimaatprobleem zijn. Dit is meer een vraag dan een opmerking. De heer Ten Broeke weet dat ook de PvdA bij monde van mijn partijleider, de heer Bos, hierover anderhalf tot twee jaar geleden een aantal stevige uitspraken heeft gedaan. Dat geldt nog steeds voor de PvdA. De heer Ten Broeke moet niet beginnen over allerlei milieubelastingen, want daar gaat het nu niet om.

Het doet mij genoegen dat zo ambitieus wordt gekeken naar de vertaling van de Lissabonstrategie in het kader van werkgelegenheid en groei. Dat zijn twee zaken die heel belangrijk zijn. Wij moeten ervoor oppassen dat Lissabonagenda's en -strategieën niet in de lucht blijven hangen, waardoor wij niet precies weten wat het nu eigenlijk betekent. Ik heb ook al gezegd dat het bij de Lissabonstrategie in mijn optiek gaat om het creëren van banen. Dat is belangrijk en het staat dicht bij de mensen, waardoor wij ook Europa dichter bij de mensen kunnen brengen.

Wij moeten ook proberen om het begrip "globalisering" niet altijd op een negatieve manier te benaderen. In mijn optiek is dat helemaal geen vies woord wanneer wij bezien hoe dit kan leiden tot een goede sociale agenda – dus niet alleen maar werkgelegenheid – die door Europa zou moeten worden geformuleerd. Ik heb mij verbaasd over de berichten die ik in diverse kranten heb gelezen dat Kroatië in 2010 lid zal worden van de Europese Unie. Ik wil daarover graag opheldering krijgen. Wij hadden toch afgesproken dat wij geen datum zouden noemen voordat een land volledig zou voldoen aan de Kopenhagencriteria? Naar mijn mening voldoet Kroatië daar nog niet aan. Het lijkt mij op z'n minst voorbarig om te zeggen dat Kroatië in 2010 onderdeel zal gaan uitmaken van de EU.

De heer Ten Broeke (VVD):

Het begint eentonig te worden, maar ik wil de heer Blom wederom bijvallen. Ik meen dat de commissievoorzitter in ieder geval in de formele speaking notes 2010 niet heeft genoemd. Dat lijkt mij dus een canard van de kranten. Maar ook 2009 als sluitingsdatum van alle hoofdstukken lijkt mij te vroeg. Als ik deze aanvulling mag maken op de vraag van de heer Blom, zal in ieder geval duidelijk zijn dat het kabinet niet met een heel makkelijk antwoord zal kunnen volstaan.

De heer Blom (PvdA):

In dit soort debatten is het niet alleen van belang om te kijken wat de officiële beantwoording van de regering in haar brief is geweest, maar voornamelijk ook de beeldvorming in ogenschouw te nemen die naar aanleiding van een Europese Top in de pers naar voren komt. Als ik de dagbladen opensla, lees ik de kop dat Kroatië in 2010 lid wordt van de EU. Dan denk ik dat mij dit op dit moment wat te hard gaat.

Mijn complimenten voor de opstelling van onze minister-president ten aanzien van de inmiddels beroemde of beruchte, niet bestaande film van de heer Wilders. Het verhaal dat, eveneens via de pers, tot mij is gekomen, acht ik bijzonder evenwichtig. Dat doet mij genoegen.

In het verslag van het kabinet zie ik helemaal niets terug over het rapport van de heer Solana. Wij hebben daarover vorige week uitgebreid gesproken. Wij hebben in de Kamer gezegd dat het naar onze mening een zeer belangwekkend rapport is. Mijn korte edoch simpele vraag aan de minister-president luidt: is erover gesproken?

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Voorzitter. Naar aanleiding van deze Europese Top wil ik graag zeven vragen over zeven onderwerpen opwerpen. Ik hoop dat ik dat haal in de mij toegewezen tijd. De algemene indruk is dat dit een weinig opzienbarende top is geweest. Van het enthousiasme voor een ambitieus klimaatbeleid dat de regeringsleiders een jaar geleden nog tentoonspreidden, lijkt ondanks de verontrustende scenario's van Solana en Ferrero-Waldner die hen bij de les zouden moeten houden, weinig meer over. Wat het klimaat betreft, worden geen echte stappen vooruit gezet.

Mijn eerste vraag zoomt in op het klimaat en de btw. Op initiatief van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk is afgesproken dat de Europese Commissie zal nagaan op welke gebieden btw-tarieven kunnen worden ingezet om het gebruik van energie-efficiënte goederen en energiebesparende materialen te verhogen. De fractie van GroenLinks is ingenomen met deze afspraak. Zij biedt de kans op vergroening van de btw. Wij merken op dat de gekozen formulering niet alleen een lager btw-tarief voor energie-efficiënte producten kan impliceren, maar ook een hoger btw-tarief voor energieverspillende producten. Wij krijgen daarvan graag een bevestiging van de regering. Wij hebben begrepen dat de Commissie in samenwerking met de lidstaten voorstellen zal ontwikkelen. Dat moet al snel gebeuren, te weten voor de zomer van dit jaar. Mijn vraag aan de regering luidt daarom of zij bereid is om binnen afzienbare tijd een notitie over de Nederlandse inzet in deze btw-discussie aan de Kamer te zenden. Welke producten komen in aanmerking voor een verlaagd tarief? Welke producten voor een hoger tarief? Kunnen wij in dit verband bijvoorbeeld ook denken aan een hoger btw-tarief op vlees? Nu geldt voor vlees in Europees verband nog het lage minimumtarief. Wij weten allemaal dat de productie en consumptie van vlees verantwoordelijk is voor 18% van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen.

Mijn tweede vraag betreft klimaatadaptatie. Wij zijn blij dat een conclusie is opgenomen waarin de EU erkent dat veel geld nodig is om de directe gevolgen van klimaatverandering te bestrijden en dat mechanismen ontwikkeld moeten worden om dit geld op tafel te krijgen. Als de inbreng van de minister-president daaraan heeft bijgedragen, dank ik hem daarvoor. GroenLinks zou graag zien dat de regering hier bovenop blijft zitten en dat het ook werkelijk gebeurt. Mijn vraag luidt daarom: hoe gaat de Europese Unie hiermee voort? Langs wel tijdpad gebeurt dit?

Mijn derde vraag gaat over de 30%-doelstellingen. Wij constateren dat de regering er niet in is geslaagd om de andere lidstaten ervan te overtuigen om nu al een pakket te ontwikkelen om in 2020 niet 20% maar 30% minder broeikasgassen uit te stoten. De omfloerste passage in de conclusies stemt weinig hoopvol. Daarin wordt eigenlijk gesteld dat de rest van de wereld eerst moet afspreken dat ook te willen doen. Zo ver is het nog lang niet. Urgenter dan ooit is dan ook de vraag wat het kabinet zal doen om zijn ambitie van 30% reductie daadwerkelijk te behalen, nu de EU voorlopig afhaakt.

Mijn vierde vraag heeft betrekking op de biobrandstoffen. De GroenLinks-fractie blijft onverminderd bezorgd over de dubbele houding die zowel de EU als de Nederlandse regering tentoonspreidt ten aanzien van de biobrandstoffen. Hoewel netjes wordt geconstateerd dat er doeltreffende duurzaamheidscriteria gesteld moeten worden, blijft de bijmengverplichting van 10% overeind. Wanneer is de deadline voor de Nederlandse regering om een definitieve positie in te nemen over de opportuniteit van de bijmengverplichting van 10%? Dat dient te gebeuren voordat het klimaatpakket naar het Europese parlement gaat en het definitief wordt aangenomen.

Mijn vijfde vraag heeft betrekking op de energie-intensieve industrieën. Ik begrijp dat daarover geen definitief besluit is genomen dankzij de succesvolle lobby van Duitsland. De Nederlandse regering heeft echter tegelijkertijd aangegeven dat zij weinig heil ziet in de suggestie van de Franse president Sarkozy om een klimaatheffing in te voeren voor producten uit landen die het Kyotoverdrag niet hebben ondertekend. Het doel van die suggestie is, een level playing field te creëren voor energie-intensieve producten. Waarom is er op voorhand sprake van terughoudendheid? Een dergelijke heffing zou een goede bescherming kunnen bieden voor energie-intensieve ondernemingen in Europa. Die zouden anders kunnen vluchten voor gedwongen deelname aan de emissiehandel. Wij zouden een dergelijke heffing graag juridisch geanalyseerd zien voordat er een politieke stellingname wordt genomen. Is de regering bereid om de Kamer een brief te sturen over de WTO en andere juridische implicaties van de invoering van een dergelijke importheffing die ook wel Kyototaks of klimaattaks wordt genoemd?

Mijn zesde vraag heeft betrekking op de unie voor het Middellandse Zeegebied. De reikwijdte van het plan van president Sarkozy lijkt enigszins teruggeschroefd en er blijft een poging tot revitalisering van het Barcelonaproces over. Zal het dit keer wel werken? Conflicten en wantrouwen tussen de mediterrane buren van de EU lijken de grootste obstakels te vormen voor een echt integratieproces. Er zitten allerlei halve en hele dictaturen in, alsmede het gehele Palestijns-Israëlische conflict. Dat neemt niet weg dat een aantal genoemde speerpunten voor die unie wel degelijk van belang is. Intensievere samenwerking met de zuiderburen op het terrein van energie wordt genoemd. Is de regering bereid om op dat punt te bevorderen dat die euromediterrane energiesamenwerking zich concentreert op hernieuwbare energie? Ik doel bijvoorbeeld op de plannen van de Club van Rome voor zonthermische krachtcentrales: de concentrating solarpowerinstallaties bij de zuiderburen van Europa. De Kamer heeft zich daarover vorige week nog uitgesproken in de motie-Van der Ham/Duyvendak. Daarmee werd de regering opgeroepen om in overleg te treden met landen in het Middellandse Zeegebied met de intentie initiatieven te ontwikkelen voor die zoninstallaties.

Mijn zevende vraag heeft betrekking op Afghanistan. Als ik het goed heb begrepen, is tijdens het overleg daarover gezegd dat de Europese Commissie minder fondsen voor ontwikkelingshulp in Afghanistan ter beschikking heeft, terwijl de Joint Coordination and Monitoring Body juist met urgentie meer ontwikkelingsfondsen voor met name juridische hervormingen vraagt. Waarom reduceert de Europese Commissie haar ontwikkelingsfondsen voor Afghanistan en hoe wordt de behoefte aan meer fondsen dan ondervangen?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Mevrouw de voorzitter. Ik spreek mijn waardering uit voor de resultaten op het klimaatdossier die tot nu toe zijn bereikt. Het is goed dat de Europese Commissie klip en klaar heeft uitgesproken dat zij het internationaal leiderschap ten aanzien van dit dossier wil behouden. Het verheugt mij dat 30% reductie het streven blijft zodra er een adequaat internationaal klimaatakkoord tot stand is gekomen. Graag verneem ik of er nu al door de lidstaten rekening wordt gehouden met een opschaling, of dat het nadenken daarover pas op gang komt als er een internationaal klimaatakkoord ligt.

Nadrukkelijke koppeling van duurzaamheidscriteria aan de 10%-doelstelling van bijmengen van biobrandstoffen kan uiteraard ook op onze instemming rekenen. Hetzelfde geldt voor nadere behandeling en concretisering van het rapport van Solana over klimaat en veiligheid.

Dan het omvangrijkste onderwerp van de Voorjaarsraad, de Lissabonstrategie. Ik pleitte vorige week voor het meer inzetten op kwalitatieve doelstellingen in plaats van op alleen kwantitatieve doelstellingen. Ten dele is daaraan tegemoetgekomen door milieu en klimaat te koppelen aan de Lissabonstrategie. Ik zie echter dat de nadruk nog steeds en vooral op de versterking van de groei en werkgelegenheid blijft liggen. In navolging van de Verklaring van Tilburg "Een comfortabele waarheid", waarvan ik medeondertekenaar ben, wil ik pleiten voor een andere benadering van groei. Ik heb hier ook een exemplaar voor het kabinet en voor u, voorzitter.

De voorzitter:

Wij zullen ervoor zorgen dat de regering en de Kamer dit stuk ook krijgen.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Niet de groei op zichzelf moet centraal staan, maar zoals in de verklaring wordt gesteld, groei in termen van meer duurzaamheid, meer solidariteit, kwaliteit van leven en menselijk geluk in noord en zuid. Aan de onafgebroken sinterklaasavond komt een eind. Wij kunnen niet eindeloos blijven groeien zoals tot nu toe. Er is een omslag nodig. Wij verkeren in de comfortabele positie dat koerswijziging nu nog mogelijk is. Dat lijkt mij de juiste insteek voor een bezinning op de toekomst van de Lissabonstrategie na 2010. Ik hoor de ideeën van dit kabinet daarover heel graag.

Wat aansluit op een meer kwalitatieve benadering van de Lissabonstrategie is de aandacht voor de sociale dimensie, maar de EU moet vooral coördineren en niet commanderen op dit terrein. Dat heb ik vorige week ook aangegeven. Sociaal beleid is nu juist een terrein waarop lidstaten vrij moeten zijn om te komen tot een eigen nationale invulling.

Dan een punt over de financiële markten. Het is goed dat er is gesproken over de stabiliteit op de financiële markten. Dat is in deze tijd geen onnodige discussie, zoals ook is gebleken uit het bericht dat de VS nu officieel te maken heeft met economische problemen. Wij hebben daarom waardering voor het voornemen om in april een grote evaluatie uit te voeren en de problematiek in de gaten te houden. Misschien kan het kabinet nu al iets meer concreet aangeven wat er precies gaat gebeuren en welke afspraken er zijn gemaakt.

Van een iets andere orde is de discussie over de staatsfondsen. Ik vraag mij af of met een vrijwillige gedragscode wordt bereikt wat wij willen. Hierover wordt binnenkort ook nader van gedachten worden gewisseld in de vaste commissie voor Financiën.

Vooraf was duidelijk dat de minister-president met zijn collega's zou spreken over de mogelijke film van onze collega Wilders. Dat staat ook in het verslag, maar ik hoor daar graag iets meer over. Hoe reageerden de diverse lidstaten? Was er overeenstemming over de lijn van het kabinet, namelijk het zoeken naar een balans tussen vrijheid en verantwoordelijkheid? Is er iets concreets afgesproken?

Ik hoor ook graag of er concreet over de situatie in Kosovo is gesproken. Ik kan mij goed voorstellen dat dit een onderwerp is dat aan de orde komt op het niveau van de regeringsleiders. Het onderwerp is te meer van belang, gelet op de escalatie van gisteren.

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter. Economie, energie en klimaat vormden de belangrijkste onderdelen op de laatste top. Heel schokkende dingen zijn hieruit niet naar voren gekomen. Duidelijk is wel dat Nederland het op economisch gebied, de Lissabondoelstellingen, relatief heel behoorlijk doet. Wat betreft het klimaat- en energiebeleid is het signaal naar voren gekomen dat ernst moet worden gemaakt met datgene wat al eerder is afgesproken. Wat ons betreft hoeft niet elke top opzienbarend te zijn. Als wordt geconcludeerd dat hoog op de agenda moet blijven wat al eerder is afgesproken, vinden wij dat belangrijk genoeg om te noteren en te onderstrepen. Dat is wat ons betreft meer vertrouwenwekkend dan wanneer elke keer weer nieuwe vergezichten worden gepresenteerd.

De concurrentiekracht van de EU ten opzichte van de rest van de wereld blijft een aandachtspunt. De ambities op dit punt zijn hoog. Het viel mij opnieuw op dat deze ambities niet expliciet in relatie worden gebracht met de hoge sociale ambities en de zogenoemde sociale agenda van de EU, die zelfs nog verder versterkt zou moeten worden, terwijl een belangrijk deel van de wereld minder hoge eisen stelt aan de sociale component van werknemers en bedrijven. Dat raakt de concurrentiepositie van de EU wel. Ik veronderstel dat dit ongetwijfeld aan de orde is gekomen, maar mij is niet duidelijk hoe met dit spanningsveld en de verdere uitvoering ervan wordt omgegaan in de totale strategie van minister Bos.

De Franse president heeft voorstellen gedaan omtrent een zogenaamde "Mediterrane Unie". Feitelijk betekent dit een versterkte vorm van samenwerking tussen de EU en de landen rondom de Middellandse Zee. Op zich is hier niets mis mee. Het is wel verbazingwekkend – deze indruk wordt althans gewekt – dat weer een nieuw gremium in het leven moet worden geroepen. De EU heeft toch al de instrumenten en kanalen voor een adequaat Europees nabuurschapsbeleid? Ontstaan er nu geen doublures? Waarom moet er een aparte unie komen voor het Middellandse Zeegebied? Het zal toch niet zo zijn dat dit slechts op initiatief van Sarkozy wordt opgetuigd om bepaalde nationale ambities een nieuwe impuls te geven? Ik vraag mij ook af wat precies de steun is voor deze ideeën vanuit de betrokken landen zelf. Is het een initiatief dat vanuit de betreffende landen zelf is gekomen of wordt gedragen?

Er is ook gesproken over Afghanistan. Ik sluit mij aan bij vragen die hierover zijn gesteld. Zo heeft collega Peters gevraagd hoe het nu precies zit met de vermindering van de fondsen vanuit Europa. Klopt het dat verschillende ministers hebben gesteld dat zij zelf financieel eigenlijk meer zouden moeten bijdragen aan de ontwikkelingen in Afghanistan? En, zo ja, krijgt dit dan een vervolg of blijft het bij wat obligate uitspraken?

De afgelopen tijd is de Europese betrokkenheid bij de politiemacht in Irak in het nieuws gekomen, mede naar aanleiding van de moord op de aartsbisschop van de Chaldeeuwse kerk. Met name voor bepaalde minderheidsgroeperingen, in het bijzonder de Assyrische bevolkingsgroep, is en blijft de veiligheidssituatie bijzonder precair. Dit roept de vraag op of Europa niet meer zou kunnen doen om ook voor deze minderheid de veiligheidssituatie te doen verbeteren. Zo zijn er ideeën geopperd voor een eigen Assyrische politiemacht ter bescherming van de steden en de dorpen. Wat kan de EU op dit punt concreet betekenen; welke mogelijkheden ziet het kabinet?

Tot slot een opmerking over wat in het verslag van de top staat onder het kopje "de mogelijke internetfilm van het Kamerlid Wilders". Inderdaad is de film inmiddels ook op Europees niveau doorgedrongen. Van welke EU-solidariteit is Nederland nu precies verzekerd ten aanzien van de uitzending van de betreffende film? Ik begreep dat door verschillende regeringsleiders instemmend geknikt zou zijn toen de minister-president zijn verhaal deed, maar dat geen echte steunbetuigingen naar voren zijn gekomen. Is gewaarborgd – hierom ging het volgens mij – dat de Europese Unie snel en eensluidend zal reageren als bepaalde negatieve gevolgen van deze film aan de orde zijn en dat zij in de richting van bepaalde Arabische landen als één man zal optreden en iedere mogelijke vorm van geweld of dreiging van geweld unaniem zal veroordelen?

De voorzitter:

Ik heb begrepen dat de regering direct kan antwoorden in eerste termijn. Om 19.00 uur zal ik besluiten of wij het debat inderdaad voor 19.30 uur kunnen afronden, want er kan tot uiterlijk 19.30 uur zonder pauze worden doorvergaderd.

Minister Balkenende:

Voorzitter. Ik dank de leden van de Kamer voor hun inbreng in eerste termijn. Er zijn veel zaken aan de orde gesteld, mede in vervolg op de discussie die wij in Brussel hadden. Ik zal een aantal algemene punten behandelen met betrekking tot de Lissabonagenda, te beginnen bij het thema klimaat en energie. Vervolgens zal ik kort stilstaan bij de financiële markten, bij de unie van het Middellandse Zeegebied en tot slot bij de mogelijke film van een collega van de aanwezigen. De staatssecretaris zal nader ingaan op de gestelde vragen.

Op verzoek van het voorzitterschap heb ik een inleiding over de Lissabonstrategie en het Nederlandse hervormingsprogramma gehouden. Premier Jansa heeft Nederland gevraagd, omdat wij er collectief in zijn geslaagd een van de beste "track records" op dit gebied te realiseren. Er is veel waardering voor het gegeven dat Nederland een lage werkloosheid weet te koppelen aan hoge arbeidsproductiviteit en een steeds hogere arbeidsparticipatie. Ook de lage inflatie, de goede staat van de openbare financiën en het gunstige ondernemingsklimaat vallen internationaal op. De Europese Raad heeft nadrukkelijk afgesproken verder te gaan op het pad van hervormingen. De Lissabonstrategie werkt en dat moeten wij zo houden, ook na 2010. Wij moeten vooral niet achterover gaan leunen.

Laat ik eerst een opmerking maken naar aanleiding van wat de heer Van Bommel zei, een opmerking vanuit de hoek van de Europese vakbeweging. Hij gebruikte de terminologie dat wij achter een onomstreden neoliberale agenda zouden staan en woorden van die strekking. Het zijn grote woorden. Wat mij geweldig aansprak, is dat dynamiek, innovatie en ondernemerschap worden gekoppeld met zaken als zorg voor de klimaatverandering, inspelen op energie en nieuwe opvattingen daarover en sociale cohesie. Dit is nadrukkelijk in de gesprekken aan de orde geweest. Dat lijkt mij een veel beter beeld. Het is geen neoliberale agenda als zodanig. Het gaat om de vrijheid in de markt, om sociale motieven en om oog hebben voor de ecologische kant. Ik vind dat dit op een goede manier gebeurt.

Ook de typering door de heer Van Bommel van de Nederlandse economie vond ik weer erg somber, zoals gebruikelijk. Vergelijk nu eens de situatie van de Nederlandse economie met andere landen. Wij hebben ongeveer het laagste werkloosheidspercentage in Europa. Het inkomensniveau in Nederland is mondiaal gezien ongeveer het hoogst. De maat van inkomensgelijkheid is veel groter dan in andere landen. Als ik ook nog zie hoe wij presteren op het gebied van de Lissabonagenda, is de heer Van Bommel wel negatief. Natuurlijk kunnen er zaken altijd beter en zijn er altijd problemen – ik doe daar niets aan af – maar de heer Van Bommel schetst wel een somber beeld. Het is goed om de zaken in een beter perspectief te plaatsen.

De heer Van Bommel (SP):

Ik heb het vooral gehad over de klacht van de vakbondskoepel over de kwaliteit van de banen. Vaste banen worden omgezet in tijdelijke banen, er zijn allerlei andere verslechteringen die maken dat mensen wel werk hebben, maar dat de kwaliteit van de werkgelegenheid achteruit gaat. Dat is een centrale klacht. Daarbij komt dat er voor werkende mensen ook steeds minder te verdienen valt in sommige delen van Europa; 17 miljoen Europeanen met werk, maar feitelijk in armoede levend. Dat is de klacht van de Europese vakbondskoepel en daarop heb ik uw reactie gevraagd.

Minister Balkenende:

Dan kijk ik op mijn beurt naar wat de afgelopen jaren is gebeurd. Er zijn miljoenen banen bij gekomen in Europa. Ook dat is een gegeven. Wij staan met elkaar voor de opdracht om ook zekerheden in de 21ste eeuw anders te definiëren. Dat zal waarschijnlijk meer een zaak zijn van investeren in talenten van mensen. Het zit hem meer in re-integratietrajecten of integratietrajecten van mensen om juist tot de arbeidsmarkt te kunnen behoren. Het heeft ook te maken met zeggenschap. De situatie in Europa is dat de dynamiek duidelijk wordt gestimuleerd en dat Europa beter presteert dan een aantal jaren geleden. Die elementen moeten ook onder ogen worden gezien. Dat is de weg die wij moeten gaan. Wat Europa presteert, is ook goed en mag ook mondiaal worden gezien. Is het werk af? Nee, het werk is niet af.

Laat ik daar nog iets aan toevoegen naar aanleiding van wat de heer Van Bommel zojuist zei over de kwaliteitsbanen. Het viel mij in het debat op dat de Lissabonstrategie wel degelijk die sociale dimensie heeft. De werkgelegenheidsrichtsnoeren zijn niet veranderd. De toelichting zelf verandert wat de sociale dimensie betreft. Ik verwijs graag naar de conclusies van de Europese Raad, paragraaf 14, waarin een verwijzing wordt opgenomen naar de hernieuwde sociale agenda waarmee de Commissie komt, en de sleutelrol die wij spelen bij het versterken van de sociale dimensie van de Lissabonstrategie. Het versterken van de sociale dimensie in de Lissabonstrategie is positief. Er bestaat immers een wisselwerking tussen groei in werkgelegenheid enerzijds en sociaal beleid anderzijds. Een baan is de beste manier voor sociale integratie en sociale cohesie. Dat blijkt ook wel. De afgelopen twee jaar zijn er 6,5 miljoen banen bij gekomen. Dat is de beste manier voor sociale insluiting. Mevrouw Wiegman maakte nog een interessante opmerking daarover, namelijk hoe je aankijkt tegen sociaal beleid. Zij heeft ook de term "coördineren en niet commanderen" gebruikt. Ik vond dat een goede typering.

De heer Ten Broeke en mevrouw Jonker hebben gesproken over de administratieve lasten en gevraagd hoe het verminderingstraject eruit ziet en hoe het zit met handhavingskosten.

De heer Pechtold (D66):

Ik begrijp dat u een presentatie hebt gehouden over het hervormingsbeleid. Daar vroeg ik naar.

Minister Balkenende:

Ik heb uiteraard aangegeven wat in Nederland is gebeurd. U sprak over Balkenende II. Eerlijkheidshalve moet u dan ook Balkenende I, toen een begin is gemaakt, en Balkenende III noemen.

De heer Pechtold (D66):

In die 87 dagen, bedoelt u?

Minister Balkenende:

Ja, toch zijn er belangrijke signalen gegeven op dat moment. Dat zullen ook uw collega's van de VVD nog eens onderlijnen.

De heer Pechtold (D66):

Het was nogal veel gerollebol, dus ik heb het niet zo gevolgd.

Minister Balkenende:

Dat snap ik best, maar goed, u moet niet alles zelf willen claimen. Dat is ook zo egoïstisch.

De heer Pechtold (D66):

Balkenende II, alle eer aan u!

Minister Balkenende:

Ik doe ook recht aan de collega's in mijn eerste en derde kabinet. Je moet eerlijk zijn jegens alle partners.

Ik heb gezegd wat er in de afgelopen jaren is gebeurd. Ik heb er ook op gewezen dat het werk niet af is. Ik noemde de kwetsbare groepen, de participatie, de administratieve lasten, alles wat ons voor ogen staat. Het was een korte presentatie, want het was een gezamenlijk project met drie landen. Het feit dat wij zijn gevraagd, hangt samen met het feit dat Nederland goed heeft gepresteerd. De heer Pechtold weet dat zelfs de term "hero" is gebruikt. Ik heb aangegeven wat er gebeurd is en wat ons de komende jaren te doen staat.

De heer Pechtold (D66):

Dat laatste vind ik nou net interessant. U noemde de administratieve lasten. In uw verschillende kabinetten, vooral in het tweede, was er een doelstelling. In het tweede was de doelstelling 25% vermindering van de administratieve lasten. Het kabinet is iets eerder gevallen, maar er was al 20% gehaald. In het eerste jaar van Balkenende IV zijn de administratieve lasten echter weer omhooggegaan. Ik ben dus vooral geïnteresseerd in de presentatie van de premier in relatie tot IMF-doelstellingen als langer doorwerken, opvang van vergrijzing, insiders/outsiders en ontslagrecht.

Minister Balkenende:

Wanneer je een presentatie geeft, ga je niet het hele sociaaleconomische beleid aan de orde stellen. Ik heb de doelstellingen genoemd die ons voor ogen staan. Nu voeren wij een nationaal debat. Ik heb geluisterd naar de typeringen van de heer Pechtold. Hij mag het kabinet aanspreken op het doel van 200.000 banen erbij. Hij mag het kabinet aanspreken op de vermindering van de administratieve lasten. Hij zegt: het staat stil. Dan zeg ik: bent u dan vergeten dat wij maatregelen nemen in de sfeer van de WW, dat er brugbanen komen, dat wij met loonkostensubsidies werken, dat wij het ondernemerschap stimuleren, dat wij investeren in innovatie en onderwijs? Het zijn allemaal zaken die relevant zijn voor het functioneren van de economie. Ik verzet mij tegen het beeld dat er niets zou gebeuren. Wij hebben van Europa twee specifieke aanbevelingen gekregen: het versterken van de participatie van bepaalde kwetsbare groepen en het stimuleren van de private investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Het eerste punt heeft de volle aandacht van het kabinet. Wij zullen daarvoor ook met maatregelen komen. Het tweede punt hebben wij niet in de hand, maar er is natuurlijk wel het werk van het Innovatieplatform. Er zijn contacten met het bedrijfsleven. Er is een kennisinvesteringsagenda waaronder ook handtekeningen uit de private sector staan. Het valt mij op dat in het buitenland zeer goed wordt gezien hoe Nederland scoort, hoe wij ervoor staan. Wij staan er beter voor dan een jaar of vijf, zes geleden. Dat wordt herkend. Er is waardering voor wat Nederland doet. Is het werk af? Nee, het werk is niet af. Ik kies niet zo'n somber beeld als de heer Pechtold.

De heer Pechtold (D66):

REA, OESO en IMF hebben duidelijke signalen afgegeven. De minister-president noemt de Innovatieagenda, maar de SER-voorzitter zegt dat er 700 mln. te weinig wordt geïnvesteerd. De minister-president noemt de brugbanen, maar dat zijn subsidiebanen, dat is apartheid op de arbeidsmarkt als je daar niets tegenover zet. De minister-president zegt dat de werkgelegenheid wordt gestimuleerd door de economie, maar de werkgevers willen niet eens met hem om de tafel zitten omdat hij de andere kant van de Participatietop na anderhalf jaar nog steeds niet heeft geregeld. Ik vind het raar dat de premier hier dingen uit het verleden noemt. Ik wil een agenda voor de toekomst. De minister-president zegt dat hij in Europa voorop wil lopen. Zijn partijgenoot alhier zegt dat hij anderen erop wil aanspreken. Dan moet er een ambitieuze agenda zijn, en die hoor ik graag.

Minister Balkenende:

Moeten wij nu elke keer hier hetzelfde zeggen? De heer Pechtold moet de stukken gewoon lezen. Wij hebben een coalitieakkoord, wij hebben een beleidsprogramma, wij hebben algemene beschouwingen. Wij hebben hier toch niet voor niets debatten? Ik wijs op het debat onlangs met minister Donner. In het buitenland wordt dat zeer wel begrepen. Men begrijpt zeer wel waar wij mee bezig zijn. Het werk is niet af, maar er is geen enkele reden om te kiezen voor de somberheid van de heer Pechtold. Daar schieten wij helemaal niets mee op.

De heer Ten Broeke (VVD):

De premier kwam vorige week zelf met het lijstje van de "heroes". Ik ben daar vorig jaar ook mee gekomen. Ik heb een heel simpele vraag: bent u op dat lijstje vooruit of achteruit gegaan?

Minister Balkenende:

Op het ene lijstje staan Oostenrijk, Estland en Nederland. Op het andere lijstje zijn wij geloof ik één plaats gezakt. Ik heb deze discussies eerder meegemaakt. Ik herinner mij een internationale index. Toen werd er ook gezegd dat Nederland een plaats was gezakt. Ja, de definities waren veranderd. Met een nieuwe definitie stegen wij weer. Wij zitten op het ogenblik gewoon in de top van Europa. De heer Ten Broeke heeft gelijk dat wij altijd actief moeten zijn, want de omgeving om ons heen verandert. Ik beschouw de aanbeveling die wij kregen over de flexibilisering van de arbeidsmarkt, het inschakelen van kwetsbare groepen en het omgaan met R&D, dus ook als een aansporing. Daar zijn wij druk mee bezig.

De heer Ten Broeke (VVD):

Ik constateer dat Nederland een plekje achteruit is gegaan. Ik durf zelfs te stellen dat dat volgend jaar niet anders zal zijn. Wij zullen het zien. Ik constateer ook dat het kabinet-Balkenende I in 87 dagen in staat was om in ieder geval hervormingsbeleid te voeren, terwijl dit kabinet in de 100 dagen dat het naar de campings en weet ik veel waar is geweest, tot niets in staat is geweest. Op het gebied van de aanbeveling komt dit kabinet juist niet met beleid. De heer Pechtold wijst daar terecht op. Ik heb de hele lijst genoemd en ik zou het aardig vinden als u daarop ingaat.

Minister Balkenende:

Dit is een beetje een herhaling van zetten. Ik heb aangegeven wat de inzet is van het kabinet ten aanzien van het inschakelen van kwetsbare groepen. Ik heb gezegd dat het kabinet extra investeert in innovatie en onderwijs en de administratieve lasten wil terugdringen. Ik heb gesproken over het aanpakken van kwetsbare problemen in de sfeer van de economie. Dan heb je het over innovatie, het profiel in bepaalde sectoren en wat er bij het Innovatieplatform gebeurt. Al die zaken zijn aan de orde. Natuurlijk kunnen wij spreken over de verschillende instrumenten, maar ik neem afstand van het beeld dat u schetst. U kunt kritiek hebben op het kabinet, maar het beeld dat er niets gebeurt, is onjuist. Ik noem niet voor niets al deze lijstjes op; er gebeurt geweldig veel. U mag die typeringen geven. Ik zie het gewoon heel anders.

De heer Ten Broeke en mevrouw Jonker hebben een vraag gesteld over de administratieve lasten. Zij willen weten hoe het verminderingstraject eruit ziet en hoe het zit met de handhavingskosten. Op dit moment is er een nulmeting gaande. Wanneer die gereed is, komt de Europese Commissie met voorstellen. Zij zal ook door de commissie-Stoiber worden bekeken. De rapportage hierover wordt met de Kamer gedeeld. De handhavingskosten worden meegenomen in de bespreking van de voorstellen voor reductie. Dat gebeurt nadat de resultaten van de nulmeting bekend zijn.

Mevrouw Jonker vraagt hoe de druk kan worden opgevoerd op landen die minder goed presteren in het kader van de Lissabonstrategie en of er is gesproken over hervormingsmoeheid. De Lissabonstrategie is juist uitermate geschikt om landen aan te spreken op hun prestaties. Sinds 2006, en dat is het grote verschil met het eerste deel van de tienjarenstrategie van de Lissabonagenda, formuleert de Commissie landenspecifieke aanbevelingen en aandachtspunten voor terreinen waar de voortgang van de implementatie of de versterking van het hervormingsbeleid onvoldoende is geweest. Landen krijgen een jaarlijkse rapportageverplichting – zie ons Nationale Hervormingsprogramma – en het parlement en de sociale partners zijn daarbij betrokken. Nederland is hier een voorstander van en de aanbevelingen kunnen een krachtige stimulans zijn voor nationale hervormingen. Deze methodiek van landenspecifieke aanbevelingen en een rapportageverplichting werkt. Wij zien ook de resultaten in Europa. Het is nu echt anders dan een paar jaar geleden.

Mevrouw Jonker heeft gevraagd of de voedselzekerheid moet worden meegenomen in de Lissabonstrategie na 2010. In Conclusie nr. 6 verzoekt de Europese Raad de Commissie, de Raad en de nationale Lissaboncoördinatoren, zich te beraden op de toekomst van de Lissabonstrategie na 2010. Ook Nederland doet daarvoor voorstellen. Er moet nog worden bezien of de voedselzekerheid in combinatie met Europese waarden over de productie van voedsel daarin meegenomen wordt. Voorkomen moet worden dat focus op groei en werkgelegenheid te veel verwatert.

Mevrouw Jonker vraagt of Nederland concrete stappen neemt om invulling te geven aan de ontwikkeling van vrijheden voor kenniswerkers. Nederland streeft ten aanzien van kennismigranten een open beleid na. De plannen voor de blue card zien wij als een mogelijkheid om in Europa de toegang voor kenniswerkers te verbeteren. Op 15 april vindt over dit onderwerp een algemeen overleg plaats met staatssecretaris Albayrak.

De heer Ten Broeke (VVD):

Dat is een prachtige tekst van de premier en het was een prima voorzet van mevrouw Jonker. Ik ben in het verleden al eens ingegaan op deze vijfde vrijheid, de vrijheid van kennis. Ik heb een simpele vraag: zou Nederland zich niet eens kunnen inzetten voor een Europees octrooi?

Minister Balkenende:

Het octrooi is een buitengewoon belangrijk onderwerp en wij hebben het er vaak over gehad. Ik zie ook de problemen; u weet hoe die zaken in het verleden aan de orde zijn geweest. Het lijkt mij het beste dat de staatssecretaris ingaat op de recente stand van zaken, maar het octrooi is ontzettend belangrijk. Wij weten ook welke problemen er in het verleden zijn geweest over hoe je dat met elkaar kunt realiseren.

Mevrouw Jonker heeft gevraagd hoe het zit met de verantwoordingsplicht op het punt van flexicurity en heeft namens de CDA-fractie gevraagd om een jaarlijkse rapportage. De Europese Raad heeft in december 2007 gemeenschappelijke principes opgesteld op het punt van flexicurity. Lidstaten hebben de ruimte om eigen beleidsstrategieën te ontwikkelen. In die zin is dit een onderdeel van de Lissabonstrategie en is het rapporteren van landen in jaarlijkse voortgangsrapportages over de nationale hervormingsplannen een lijn die nu is ingezet. Die lijn spreekt ons zeer aan. Het is juist op dit terrein nodig om verantwoording te kunnen afleggen en om ook over de voortgang te rapporteren. Verder is een missie voor flexicurity aangekondigd; deze zal op vrijwillige basis een aantal lidstaten aandoen om te kijken op welke manier invulling wordt gegeven aan het implementeren van een geïntegreerde flexicurity-aanpak. Eind 2008 presenteert deze missie een rapport met bevindingen. Dit waren mijn opmerkingen over de Lissabonagenda.

Ik kom te spreken over het onderwerp klimaat. De Europese Raad heeft steun gegeven aan de hoofdlijnen van het klimaat- en energiepakket zoals de commissie dat eerder in het jaar presenteerde. Het gaat hierbij om de hoofdboodschap van de Raad. Europa zet wonen om in daden en maakt de ambitie om internationaal een voortrekkersrol te spelen waar. Uiterlijk begin volgend jaar moet over de details overeenstemming zijn bereikt. Op die manier is de Unie op tijd gereed voor de wereldwijde klimaattop van december 2009 in Kopenhagen. De ambitie hoog houden en tegelijkertijd zorgvuldig te werk gaan; dat waren de elementen die de inbreng in deze Raad kenmerkten. Ongewenste neveneffecten van de maatregelen, zoals het benadelen van de eigen industrie en het in gang zetten van tendensen die uiteindelijk niet duurzaam zijn, moeten worden voorkomen. Belangrijk aandachtspunt was het risico van carbon leakage; het gevaar dat Europese bedrijven wegtrekken als zij de mondiale concurrentie niet meer aan kunnen door het EU-klimaatbeleid. Verschillende leden hebben daarover gesproken. De industrie moet snel duidelijk worden gemaakt dat de EU dat wil voorkomen en op welke manier de EU dat wil doen. Dat is van belang voor de investeringsbeslissingen van de industrie. Het probleem moet dus bij voorrang goed in kaart worden gebracht. De inzet is uiteraard het tot stand brengen van een mondiaal akkoord zodat er internationaal een gelijk speelveld ontstaat. Wij moeten echter ook voorbereid zijn op de situatie dat een dergelijk breed akkoord uitblijft.

Op het gebied van de biobrandstoffen hebben wij benadrukt dat zeker moet zijn dat het gebruik ervan echt bijdraagt aan bestrijding van het klimaatprobleem. Ik heb benadrukt dat realisatie van die doelstelling afhankelijk is van de vraag of wordt voldaan aan duurzaamheidscriteria en/of biobrandstof van de tweede generatie commercieel beschikbaar is. Dat is overgenomen in de conclusies. Nederland heeft zich voorts sterk gemaakt voor de technologie van CO2-afvang en -opslag die op relatief korte termijn een belangrijke bijdrage kan leveren aan het verminderen van de uitstoot. Ook heeft Nederland bepleit dat Europa het voortouw neemt bij het tot stand brengen van een degelijke financiële architectuur ter ondersteuning van het internationale klimaatakkoord. Ook tijdens het algemeen overleg van vorige week is hierover gesproken.

De heer Ten Broeke (VVD):

De premier gaat nu heel snel door de beantwoording heen. Ik meende te beluisteren dat hij het punt van de energie-intensieve industrie heeft aangeroerd?

Minister Balkenende:

Nee, ik heb een paar vragen over energie gehoord. Die wilde ik eerst beantwoorden. Is het goed als ik die eerst beantwoord?

De voorzitter:

Laten wij dat blokje even afmaken. De minister-president geeft dan aan wanneer daar vragen over gesteld kunnen worden.

Minister Balkenende:

Voorzitter. De heer Ten Broeke heeft gevraagd of het kabinet wel bindende doelstellingen moet accepteren zolang het niet weet wat die gaan betekenen voor bedrijven en burgers. De commissie heeft een impact assessment gemaakt die inzicht biedt in de last van het pakket voor het bnp van de lidstaten. Voor Nederland komt dat uit op 0,3% van het bnp, een van de laagste van alle lidstaten. Het hoogste percentage is 0,7. Tegenover deze kosten staan echter ook lasten. Bovendien blijft de prikkel zonder bindende doelstellingen te gering om echt wat te gaan doen. Dat blijkt wel uit de achterblijvende prestatie met betrekking tot duurzame energie en CO2-prestaties van auto's en dergelijke.

De heer Ten Broeke (VVD):

Juist op dit punt stel ik graag een vraag. Die bnp-berekening is bekend. Ik hoor graag wat een en ander betekent voor Nederlandse huishoudens. In het klimaatdebat van een week geleden zou met minister Cramer zijn afgesproken dat het CPB een doorrekening maakt, op basis van de eigen modellen, zodat duidelijk wordt wat een en ander betekent voor de Nederlandse huishoudens. Wat gaan de Nederlandse burgers in hun portemonnee merken van de stijgende energielasten als gevolg van het klimaat- en energiepakket? Kunnen wij dat tegemoet zien?

Minister Balkenende:

Ik zal hier navraag naar doen en kom daar mogelijk in tweede termijn specifieker op terug.

De heer Pechtold heeft gevraagd of gesproken is over een grootschalig project met betrekking tot duurzame energie. Er is gesproken over de uitgangspunten en principes van de nieuwe regelgeving maar niet over een specifiek project. Ook is gevraagd wat wij gaan doen met carbon, capture and storage. Doen wij dat zelfstandig of gezamenlijk als EU? Bij dit onderwerp zijn drie partijen betrokken: bedrijven, lidstaten en de EU. Als tussen die partijen niet wordt samengewerkt, zullen de pilots niet van de grond komen.

Mevrouw Peters heeft een vraag gesteld over de energie-intensieve industrie. Zij zou blij moeten zijn met conclusie nr. 19. In plaats van nu al enigszins voorbarig vast te leggen dat deze sectoren uitgezonderd worden van het veilen, is het volgende besluit genomen. Er komt een oplossing, want het probleem is onderkend. Het wordt met voorrang in kaart gebracht. Daarna zal het instrumentarium worden gekozen. Uiteraard wordt de Kamer betrokken bij de nadere invulling van het standpunt. Dit punt heeft de nodige aandacht gekregen, want het heeft behoorlijke consequenties. Ik geloof echter dat met conclusie 19 een verantwoorde marsroute is aangegeven.

Mevrouw Peters heeft verder gevraagd of de regering een brief kan toezeggen over een differentiatie in btw-tarieven. De regering is positief over de inzet van fiscale instrumenten voor een vergroening van de economie. Wij zijn bijvoorbeeld zelf bezig met een differentiatie in de bpm. De regering is positief over het Britse voorstel voor gedifferentieerde btw-tarieven ten behoeve van het klimaatbeleid. Ik stel voor, de voorstellen van de Commissie af te wachten en daarover dan met de Kamer te discussiëren.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

De minister-president heeft gezegd dat er voor wat betreft het klimaatbeleid begin volgend jaar duidelijkheid moet zijn voor de industrie. Hij noemt daarbij de Kopenhagenconferentie. Maar wordt er door de lidstaten al voldoende geanticipeerd op de doelstelling van 30%? Of fixeert men zich op 20% en wordt het percentage van 30 gezien als iets voor de langere termijn?

Minister Balkenende:

U weet dat de doelstelling van 30% een lastig onderwerp is. Ik was ingenomen met het feit dat een verwijzing naar dat percentage is opgenomen in de conclusies. Het Verenigd Koninkrijk en Nederland hebben daar ook steeds op aangedrongen. In het coalitieakkoord wordt daarover ook het nodige gezegd. Wij kunnen niet voorbij gaan aan de internationale context, maar ik vind het al winst dat ernaar wordt verwezen. De staatssecretaris zal straks iets meer zeggen over de precieze procedure. Belangrijk daarbij is de relatie tussen hetgeen de EU zelf gaat doen en de Kopenhagenconferentie in 2009.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Ik had begrepen dat de Commissie in overleg met de lidstaten voorstellen over de groene tarieven zou formuleren. Wanneer gaat het kabinet de Kamer informeren over zijn inzet tijdens dat overleg? Komt er voor het einde van het jaar een EU-plan voor adaptatie? Wat betreft de biobrandstoffen moeten eerst duurzaamheidscriteria worden opgesteld. De beschikbaarheid van tweede generatie biobrandstoffen moet kunnen worden vastgesteld voordat je definitief iets kunt zeggen over de 10% bijmengverplichting. Wanneer kan op dit punt de knoop worden doorgehakt? Deelt u ten slotte mijn mening dat door deze EU-conclusies Nederland met zijn 30%-inzet iets meer alleen komt te staan? Zo ja, hoe gaat u daarmee om?

Minister Balkenende:

In het regeerakkoord staat ook het nodige over het percentage van 30. Dat percentage heeft te maken met internationale perspectieven. Wij dringen erop aan om in internationaal verband daarnaar te streven. Nederland houdt dus de druk op de ketel. Dat is niet gemakkelijk. De vraag dringt zich op wat haalbaar is. Andere lidstaten vragen bijvoorbeeld wat een percentage van 30 betekent voor hun bedrijfsleven als andere delen van de wereld niet meedoen. Dat is de weerbarstige werkelijkheid. Daarom moeten wij alles in het werk stellen om in Europa en mondiaal goede afspraken te maken. Dat is onze inzet. De inzet binnen Nederland is ambitieus. Daar gaan wij mee door.

De heer Ten Broeke (VVD):

Voorzitter. Ik spreek de premier juist aan op het geval dat er geen mondiale, maar wel Europese afspraken zijn. Vorig jaar zijn er in maart Europese afspraken gemaakt. Dit jaar worden die weer in maart bevestigd. Dat is onverantwoord, omdat niet bekend is wat de consequenties daarvan voor de energie-intensieve industrie zijn. Die kan zich gaan verplaatsen. De premier kent het probleem van de carbon leakage. Zolang niet bekend is welke uitzonderingen er zijn, moet de premier geen akkoord over dit klimaat- en energiepakket sluiten. In de conclusie staat heel duidelijk dat dit tot oktober of misschien zelfs wel november wordt uitgesteld. Het is onverantwoord. Ik spreek de premier ook aan op het pleidooi dat hij indertijd heeft gehouden voor de VOC-mentaliteit. Juist deze bedrijven opereren heel duurzaam. Wij gaven invulling aan de VOC-mentaliteit. Wij zeiden: vrijheid, ondernemerschap en concurrentie. Deze bedrijven hebben niet de vrijheid om weg te gaan. Hiermee wordt geen duurzaam ondernemerschap gestimuleerd. De concurrentiepositie zal hier ook nadeel van ondervinden. Ik spreek de premier dus aan op zijn eigen pleidooi en op het feit dat er een groot gat zit, zolang Europa niet in staat blijkt te zijn om mondiale afspraken te maken. Wacht tot Kopenhagen, mijnheer Balkenende!

Minister Balkenende:

Voorzitter. De heer Ten Broeke kijkt mij zo bestraffend aan! Wij zijn ons bewust van wat hij naar voren brengt. Dat is ook aan de orde gekomen. Wij spraken tijdens de Europese Raad over wat een en ander voor de energie-intensieve industrie betekende en over het moment waarop helderheid moest worden geboden. De koppeling met Kopenhagen is gelegd, zoals blijkt uit de conclusies. Natuurlijk huldigt niet iedereen dezelfde standpunten, maar nu gaat het over richtlijnen en de relatie met internationale afspraken. Dat slaat op Kopenhagen en daarmee is het antwoord dus gevonden. Ik geef graag toe dat er tempo moet worden gemaakt. Er moet gewoon helderheid zijn. Ik dacht dat ik zelf ook al had gezegd dat wij te maken hebben met ondernemingen die moeten investeren en dat zij daarvoor behoefte aan helderheid hebben. Ik geloof dus dat de heer Ten Broeke en ik dezelfde gedachten over deze zaken koesteren. Het gaat om snelheid, om duidelijkheid over hoe het met deze sectoren zit en om het vinden van oplossingen voor wat er in Europees verband kan worden gedaan en wat het verband met Kopenhagen is. Ik geloof dat er geen licht zit tussen de heer Ten Broeke en mij.

De heer Ten Broeke (VVD):

Ik vrees dat dit toch wel het geval is. Met de VVD in de regering had u dit akkoord op dit moment niet gesloten. Dat kan ik u garanderen. De VVD neemt de zorgen namelijk serieus. Daarom is het onverantwoord om dusdanig ingewikkelde en gedetailleerde landenprogramma's te onderschrijven voordat alle perverse gevolgen voor deze industrie, die wij kennen en hebben besproken, zijn behandeld. Wij moeten uitzonderingen voor die industrie bedingen. Ik neem het u kwalijk dat u niet bij de coalitie van tien landen zat en commissaris Verheugen, die daar wel voor opkwam, niet steunde. Ik vind dat u dat alsnog moet doen.

Minister Balkenende:

Dit zijn grote woorden van de heer Ten Broeke. Laten wij even niet over de inzet van Nederland praten, maar over iemand zoals mevrouw Merkel. Voor de Europese Raad heeft zij dit punt nadrukkelijk opgebracht. Ik heb er bilateraal met haar over gesproken. Samen met een aantal spelers hebben wij ons afgevraagd wat de best begaanbare weg was. De conclusie is ook nadrukkelijk met haar tot stand gekomen. De heer Ten Broeke is buitengewoon negatief, maar daar is geen aanleiding voor. Mevrouw Merkel, de Duitse bondskanselier, heeft heel duidelijk gesteld dat dit een belangrijk thema is en dat wij snel helderheid moeten verschaffen, precies om de argumenten die de heer Ten Broeke aanvoert. Ik begrijp de toonzetting van de heer Ten Broeke dus niet helemaal.

De heer Ten Broeke (VVD):

Mevrouw Merkel is ook omgegaan toen het ging om de Mediterrane Unie, dus wat zij doet, zegt mij eerlijk gezegd helemaal niets. Mevrouw Merkel moest gelukkig ook om toen het ging om de splitsing van de gas- en elektriciteitsmarkt. Mij gaat het erom dat wij de zorgen van de industrie serieus nemen en dat wij dit soort deals niet sluiten, zolang wij op die zorgen geen antwoord hebben gevonden. Bij deze top zijn die niet gevonden.

Minister Balkenende:

Ik houd staande dat er heel duidelijk zorg en aandacht aan deze sectoren wordt besteed. Wij weten wat het belang van helderheid en tempo is. Dit is in het debat duidelijk naar voren gekomen en neergelegd in de conclusie. Wij zullen daar uiteraard verder over spreken met de Kamer. Wij hebben goed naar de heer Ten Broeke geluisterd. Ik vind ook dat hij een punt heeft als hij de noodzaak van helderheid onderstreept. De toon waarop hij zijn kritiek uit, begrijp ik echter niet.

Ook de financiële markten zijn aan de orde geweest. De verantwoordelijkheid om de turbulentie op te vangen, ligt primair bij de private sector. Overheden moeten echter wel het juiste kader scheppen om dat mogelijk te maken. De Europese Raad heeft verder geconcludeerd dat de gedragscode op internationaal niveau moet worden nagestreefd. De heer Ormel heeft hierover trouwens vorige week reeds gesproken. Het spijt mij uiteraard zeer dat hij vandaag niet aanwezig kan zijn. Mevrouw Jonker heeft vervolgens de vraag gesteld of al iets kan worden gezegd over de vaststelling van de gedragscode ten aanzien van de staatsinvesteringsfondsen. Nederland ondersteunt de totstandkoming van een vrijwillige gedragscode op mondiaal niveau. Binnen IMF-verband zitten hiertoe ook China en de Arabische landen aan tafel. Op 1 april vindt hierover een speciaal algemeen overleg plaats met de bewindslieden van Economische Zaken en Financiën. Daaraan werd al eerder gerefereerd.

Ik wil vervolgens enkele woorden wijden aan de Unie voor het Middellandse Zeegebied. De heer Timmermans zal daarop dadelijk nader ingaan. De heer Van Bommel vroeg naar de toegevoegde waarde. Terecht vroeg hij wat dit naast het Barcelonaproces betekent. Nederland acht de dialoog met het Middellandse Zeegebied belangrijk vanwege economische banden, vanwege de energievoorziening, vanwege de regionale stabiliteit, vanwege legale en illegale migratie en vanwege mensenrechten en goed bestuur. Het Barcelonaproces schiet nog wel eens tekort. Daarom is een impuls welkom. Wij moeten een aantal randvoorwaarden scherp in het oog houden. Iedereen moet meedoen. Er mag geen sprake zijn van duplicatie van bestaande initiatieven. Het mag niet te zwaar worden opgetuigd. Deze zaken zullen de komende tijd worden uitgewerkt. De Commissie zal een voorstel doen. Er vindt een discussie plaats in het kader van de Raad. De komende tijd zal een en ander worden uitgewerkt. In juni zullen wij er opnieuw over spreken. Het Franse voorzitterschap gaat ermee aan de slag. Ik meen dat het onomstreden is dat een impuls kan worden gegeven aan het Barcelonaproces. Er moeten belangrijke onderwerpen worden besproken. Dan moeten wij niet kiezen voor een zwaar opgetuigde structuur. Dat is aan de orde geweest. Wij kunnen ons daarin wel vinden.

Ten slotte de mogelijke internetfilm van het lid van deze Kamer Wilders. De afgelopen weken is daarover in binnen- en buitenland, dus ook in Europa, uitgebreid gesproken. De film en de mogelijke reactie erop houden de gemoederen bezig. Het was dus goed om de collegae bij te praten, ook al is de inhoud van de film nog niet bekend en is een EU-reactie dus niet aan de orde. Ik heb benadrukt dat vrijheid van meningsuiting een kernwaarde is maar dat deze ook onlosmakelijk is verbonden met verantwoordelijkheid. Ik heb er tevens op gewezen dat een film nooit een rechtvaardiging kan zijn voor gewelddadige acties. Ik heb daarnaast benadrukt dat het standpunt van een parlementariër niet hetzelfde is als het standpunt van de regering. Het is belangrijk dat de EU één lijn trekt wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Ik kan daarop niet vooruitlopen zolang de film nog niet is verschenen. Het is daarom van groot belang om onze Europese partners goed op de hoogte te houden.

In de bespreking heb ik geschetst welke de positie van de Nederlandse regering is en wat de publiciteit die op dit moment aan de orde is, betekent. Ik heb duidelijk gemaakt dat deze zaak niet alleen op nationaal niveau speelt. De naam van de heer Rasmussen, niet de premier, is genoemd. Hij heeft opmerkingen gemaakt waarvan de heer Timmermans direct krachtig afstand heeft genomen. Die heeft gezegd dat het merkwaardig is dat erover wordt gesproken. Ik heb gesteld dat een film behoorlijke consequenties kan hebben die ook andere landen kunnen raken en dat het daarom een goede zaak is om die te informeren. De woordvoering was vooraf afgesproken. Daarin was bepaald dat het enige wat erover gezegd hoefde te worden, was dat de Nederlandse premier de Europese Raad heeft bijgepraat. Ik heb toegezegd dat wij in het bijzonder de voorzitter van de Europese Raad, de Hoge Vertegenwoordiger en de voorzitter van de Europese Commissie op de hoogte zullen houden van de ontwikkelingen. Uiteraard zullen wij ook de andere landen op de hoogte houden. Ik meen dat dit verstandig is geweest. Het onderwerp raakt zeer velen. Het houdt ook zeer velen bezig. Ik heb er niet alleen tijdens de Europese Raad over gesproken. Ook in Beneluxverband en bij de Europese Volkspartij heb ik erover gesproken. Op basis van alle publiciteit meen ik dat het een goede zaak is dat er aandacht voor bestaat. Wij zullen de partners van een en ander op de hoogte houden. Vervolgens zal blijken welke reactie opportuun is. Dat is afhankelijk van ontwikkelingen die wij nu nog niet kennen.

De heer Pechtold (D66):

Naar mijn gevoel is dit niet in lijn met wat wij vorige week hebben besproken. De minister-president heeft het over "bijpraten", "aandacht voor" en "kijken naar". Het gaat ons om de vrijheid van meningsuiting.

Minister Balkenende:

Ja.

De heer Pechtold (D66):

Daarover hebben wij het de vorige keer uitgebreid gehad. Bij de heer Ten Broeke was het de toon. Dit zal ook wel weer niet goed zijn. Op dat gevaar af, merk ik op dat de minister-president een tekstje voorleest. Heeft hij het daar ook zo gedaan? Dit gaat om een van onze elementaire begrippen. Een premier van Nederland vertelt toch uit het hart wat de vrijheid van meningsuiting in relatie tot de vrijheid van godsdienst betekent? Hij roept 26 collega's toch op om, na de farce die wij hebben meegemaakt rond de cartoons, één lijn te trekken. Het gaat om have en goed. Met andere woorden: blijf van onze ambassades op. De minister-president heeft het over een crisis gehad. De minister-president moet toch duidelijk maken dat wij daarvoor staan. Wij verwachten van de 26 dat, op het moment dat dit nodig is, eenheid wordt uitgestraald. Dan spreek ik niet over "op de hoogte houden" en "bijpraten". Dan verwacht ik dat u een conceptreactie klaarstoomt. Mogen wij een krachtige reactie verwachten namens Europa, voor mijn part binnen een uur?

Minister Balkenende:

Ik heb tijdens het algemeen overleg in alle duidelijkheid naar voren gebracht dat de vrijheid van meningsuiting een kernwaarde is. Ik heb ook tegen de heer Ten Broeke gezegd dat dit niet een absoluut recht is, aangezien wij in Nederland ook nog zoiets kennen als ieders verantwoordelijkheid voor de wet en aangezien je er ook rekening mee moet houden wat je woorden voor anderen kunnen betekenen. Ik heb ook dat in Europees verband naar voren gebracht, nadat ik was begonnen over de vrijheid van meningsuiting.

Het tweede element in mijn betoog was uiteraard dat het feit dat men het fundamenteel oneens is met elkaar nooit een rechtvaardiging mag zijn om over te gaan tot criminele handelingen, aanslagen enzovoort. Daarin hebben wij elkaar ook nodig.

Het derde element in mijn redenering was of er sprake kan zijn van een gezamenlijke oppositie. Ook daarover hebben wij natuurlijk gesproken. Die steun was aanwezig bij de partners. Ik merkte dat eerder in het kleinere verband van Benelux en EVP en vervolgens ook in de Europese Raad. Het gaat om een combinatie van vrijheid van meningsuiting, weten waar bepaalde grenzen liggen en de noodzaak om elkaar te ondersteunen wanneer er iets gebeurt wat niet kan en niet mag. Als voorbeeld noem ik het feit dat bepaalde groeperingen misbruik maken van de vrijheid van meningsuiting in dit deel van de wereld.

Het was nodig om dit te bespreken. Ik kon en wilde niet verder gaan dan dit. Men kan moeilijk een verklaring houden over iets wat men niet weet. De essentie van de bijeenkomst was dat ik daar kon aangeven hoe het debat in Nederland wordt gevoerd, dat dit niet louter een Nederlandse discussie hoeft te zijn maar internationale dimensies kan hebben en dat het van belang is dat men elkaar op de hoogte houdt. Dat is wat er aan de orde is geweest. Ik ben blij dat ik dit heb uitgesproken, want er was alle aanleiding toe.

De heer Pechtold (D66):

Dit klinkt al stukken beter, dus ik roep u op om voortaan de ambtelijke teksten achterwege te laten en die zelf te formuleren. Er is gezegd dat een gezamenlijke verklaring er binnen 24 uur kan zijn. Bent u ervan verzekerd dat Europa één verklaring zal afgeven, met de componenten die u noemt van verantwoordelijkheid en vrijheid? Het is belangrijk tegenover de Arabische wereld dat wij niet zeggen "blijf van onze spullen af", maar "blijf van onze waarden af". U roept zelf altijd dat wij in een waardengemeenschap leven. Bent u ervan verzekerd dat er zo'n verklaring komt binnen 24 uur?

Minister Balkenende:

Ik doe geen uitspraken over de tijd. Wel was het tijdens de afgelopen Europese Raad duidelijk dat het gaat om de inhoud van de film – die kennen wij nog niet – en om de reacties die die teweeg kan brengen. Die twee elementen zijn van invloed op de reactie van de Europese Unie. Dat zullen wij moeten bepalen aan de hand van wat er komt. Het wezen van mijn interventie, juist in de Europese Raad, was om nu alvast aan te geven dat er alle reden kan zijn voor de Europese Unie om straks met één mond te spreken. Dat is ook precies de reden dat ik heb gesproken met de voorzitter van de Europese Raad en dat ik dit punt heb opgebracht. Dat is ook de reden dat ik hier vertel dat wij iedereen op de hoogte houden, zodat er straks een gemeenschappelijke uiting kan zijn. Die uiting zal een combinatie moeten zijn van de vrijheid van meningsuiting, de eigen verantwoordelijkheid en het respect voor deze vrijheid, waarbij men ervoor moet zorgen dat daarvan in andere delen van de wereld geen misbruik wordt gemaakt. Dat zijn de elementen. Ik meen dat het goed is dat wij deze opmaat hebben gegeven. Verder dan dit konden wij niet gaan. Ik heb hierover ook met mijn Deense collega Rasmussen gesproken, die terecht zei dat wij niet nu met een verklaring kunnen komen wanneer er nog geen film is.

De heer Ten Broeke (VVD):

Terecht zegt u dat wij niet nu al met een verklaring kunnen komen. Daarin hebben wij u vorige week ook gesteund. Dat zou natuurlijk te bizar voor woorden zijn. Maar tegelijk moeten wij nu al constateren dat Nederlandse vlaggen zijn verbrand in Afghanistan. Daarvan heeft de regering afstand genomen. Dit betekent dat wij ongeveer kunnen voorspellen wat er gaat gebeuren. Wij hebben het eerder gezien. Er zijn nu twee cartooncrises geweest. Ik val de heer Pechtold bij dat het essentieel is dat Nederland veel verder gaat dan de vorige keer bij de verklaring voor de Denen, verder gaat dan "have en goed". De cruciale vraag hier is welke kernwaarden van de Unie wij delen. De vrijheid van meningsuiting heb ik daarstraks "de hoeksteen van de Europese samenwerking" genoemd. Dat is het wat ons betreft. Dan is het ook van groot belang dat de elementen die u noemt in de juiste volgorde staan en op de juiste manier worden gewogen. Daar horen geen relativerende verklaringen bij en wat ons betreft dat verantwoordelijkheidspunt ook niet, want dat stellen wij pas achteraf vast.

Minister Balkenende:

De heer Ten Broeke heeft het over relativerende opmerkingen, maar het hangt er helemaal van af wat er gebeurt. Stel dat de film nodeloos een werkelijk kwetsbaar karakter heeft. Dan kan dat van invloed zijn op de verklaring. Stel dat er een heel ander type film komt. Dat levert dan misschien een heel andere klankkleur op. Dat weten wij gewoonweg nog niet, maar ik heb de elementen genoemd. Ik geloof dat er niet eens zo'n groot verschil is tussen ons beide.

De voorzitter:

Ik denk dat wij moeten proberen het debat van de vorige keer niet over te doen. Dat zeg ik niet zozeer tegen de minister-president.

Mevrouw Jonker (CDA):

Voorzitter. Er staat nog een vraag van mij open over de administratieve voorschriften vanuit de EU-wetgeving over het MKB. Op welke wijze krijgen deze concreet inhoud en vorm? Dan nog iets over de regio van de Middellandse Zee. De minister-president stelt dat op basis van economische mogelijkheden of de regionale stabiliteit inhoud kan worden gegeven aan het nieuwe initiatief van Frankrijk, maar dat betreft toch onderdelen die ook nu al binnen het nabuurschap vorm en inhoud kunnen worden gegeven? De minister-president wenst geen doublures, maar het is ons nog steeds onvoldoende duidelijk wat de toegevoegde waarde is van het initiatief van Frankrijk en wat daarin de specifieke inzet van Nederland zal zijn, ook bij de bespreking in de toekomst.

Minister Balkenende:

Voorzitter. Ik heb zojuist aangegeven dat de onderwerpen die in het kader van de unie aan de orde zijn ook voor ons van belang zijn. Neem de migratiepatronen, de ontwikkeling van de democratie of goed bestuur. Die zaken raken iedereen. Die onderwerpen kunnen worden besproken. Een en ander is van belang, omdat het ook te maken heeft met de intensivering van het Barcelonaproces. Daar is ook aanleiding voor, maar wij willen geen al te zware structuur. Er is nu voor gekozen de versterking van het Barcelonaproces op de aangegeven manier in te gaan. Dit wordt nader uitgewerkt. In juni komt het in de Europese Raad terug. Dan gaat het om de exacte invulling. Ik verwacht dat vervolgens vrij snel een eerste bijeenkomst wordt georganiseerd door het Franse voorzitterschap, maar dat moet nog blijken.

Mevrouw Jonker (CDA):

Ik heb ook nog gevraagd welke landen dan aanwezig zijn. Is Noord-Cyprus straks aanwezig en wellicht president Abbas als vertegenwoordiger van de Gaza-strook, die tenslotte ook aan de Middellandse Zee ligt?

Minister Balkenende:

Dat moet allemaal nog blijken. Wij zijn nu bezig met het Barcelonaproces. Mevrouw Jonker kent die bijeenkomst en weet ook wat de partners zijn, maar je kunt je afvragen of een land als Jordanië aanwezig moet zijn. Dat grenst niet aan de kust, maar het is wel een land dat hierbij is betrokken. Die kwestie wordt nog bekeken. Ik heb overigens steeds aangegeven dat dit een zaak is voor alle Europese landen en niet alleen voor de landen die aan het gebied van de Middellandse Zee grenzen. Een en ander heeft ook te maken met de belangen van de EU, gelet op de onderwerpen die ik zojuist heb genoemd. In juni wordt alles gecomplementeerd. Dan kennen wij de inhoud en mogelijk weten wij ook wanneer de eerste bijeenkomst plaatsvindt.

De heer De Roon (PVV):

Voorzitter. Ik wil nog even terug naar de vrijheid van meningsuiting, want dat blijft een belangrijk punt. De premier stelde dat vrijheid van meningsuiting een kernwaarde is. Dat is mooi, maar het gaat erom hoe dat in de praktijk werkt. De premier zei ook: "behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet". Akkoord, want dat hebben wij in dit land afgesproken. De premier plaatste ook nog een andere kanttekening. Hij zei ook dat je rekening mag houden met wat jouw woorden voor anderen betekenen. Waarom verveelt hij ons met wat mag? Heeft hij de Europese Raad ook verveeld met een betoog over dat je rekening mag houden met dit en dat je rekening mag houden met dat? Of bedoelde hij eigenlijk te zeggen dat je rekening moet houden met wat je woorden voor anderen betekenen? Als het laatste het geval is, bedoelt de premier dan te zeggen dat hij verwacht dat politici zelfcensuur toepassen, uit vrees voor wat hun woorden voor anderen kunnen betekenen?

Minister Balkenende:

Voorzitter. Ik heb datgene gezegd wat ik vorige week heb aangegeven tijdens het algemeen overleg, maar de heer De Roon was daar niet bij aanwezig. Ik heb toen twee zaken aangegeven. De eerste betrof de juridische kant van het verhaal. Dat is de vrijheid van meningsuiting, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet. Daarnaast is er de combinatie van vrijheid en verantwoordelijkheid, maar dat is een zaak die mensen zelf moeten invullen. De verklaring die ik namens het kabinet heb gegeven, komt erop neer dat wij de heer Wilders bepaalde zaken voorhouden, maar dat het aan hem is om daar rekening mee te houden. In die zin heb ik erover gesproken. Het is goed dat wij het in het kader van de Europese context ook hebben over de combinatie van vrijheid en verantwoordelijkheid. Ik herinner aan het feit dat wij tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie hebben gesproken over de waarden in Europa. Ook deze zaken mogen worden gearticuleerd. Dat is niet een kwestie van vervelen, maar van de wijze waarop wij met elkaar omgaan, zowel in Europa als mondiaal.

De heer De Roon (PVV):

De vrijheid van een politicus is toch evident? Waarom heeft de minister-president er behoefte aan om te benadrukken dat iedere politicus uiteindelijk verantwoordelijk is voor zijn eigen woorden? Dat weten wij allemaal toch al?

Minister Balkenende:

Er zijn momenten dat het geen kwaad kan om dit nog maar eens stevig te onderstrepen. Ik geloof dat wij momenteel in een tijd leven waarin dit heel duidelijk naar voren komt.

Staatssecretaris Timmermans:

Voorzitter. Ik zal de vragen op het gebied van buitenlandse politiek beantwoorden. Met name Afghanistan is door een aantal leden aan de orde gesteld. Dit onderwerp is besproken tijdens het diner van de ministers van Buitenlandse Zaken. Namens Nederland was minister Verhagen aanwezig. Over een drietal kernelementen is overeenstemming bereikt, allereerst over de noodzaak om versneld te werken aan wat de "Afghanisering" heet, dat wil zeggen de ontwikkeling van meer en duurzamere capaciteit inzake zowel de veiligheidsstructuren, als de ontwikkelingsinstrumenten.

In de tweede plaats is overeenstemming bereikt over de noodzaak om de civiele inspanning van de internationale gemeenschap steviger profiel te geven. De ministers hebben de benoeming van de Noor Kai Eide tot speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties in Afghanistan verwelkomd. De VN moeten een grote rol krijgen bij de coördinatie van de wederopbouw van Afghanistan en de EU wil graag met deze nieuwe speciale vertegenwoordiger samenwerken.

Ten derde is overeenstemming bereikt over mensenrechten en goed bestuur. Het vergroten van de bestuurscapaciteit in Afghanistan moet gepaard gaan met respect voor mensenrechten. In dit kader heeft minister Verhagen aandacht gevraagd voor de vrijheid van meningsuiting en voor godsdienstvrijheid en verzocht om een moratorium op de uitvoering van de doodstraf. De minister heeft aandacht gevraagd voor de zaak Kambash en hiervoor steun gekregen van zijn collega's. Deze punten zullen door de Europese Unie worden ingebracht bij de voorbereiding van de NAVO-top in Boekarest.

Het breder inzetten van troepen in Afghanistan, zoals voorgesteld door minister Verhagen, is bij deze gelegenheid niet besproken. Dit is een zaak van de NAVO en zal verder in NAVO-verband worden besproken. De Kamer weet hoe gevoelig dit onderwerp ligt. Het is mijns inziens echter een belangwekkende gedachte om dit binnen de NAVO te bespreken.

Ook over Kroatië is een aantal vragen gesteld. Terecht is opgemerkt dat wij ten aanzien van toetreding niet meer moeten spreken over data. Deze les hebben wij in de Europese Unie zo langzamerhand wel geleerd.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Ik heb ten aanzien van Afghanistan gevraagd waarom de Europese Commissie haar middelen heeft verminderd, terwijl juist voor juridische hervormingen die betrekking hebben op mensenrechtenbescherming en een goed bestuur – zaken die Nederland zo belangrijk vindt – extra geld is gevraagd door de Joint Coordination and Monitoring Board die door Nederland tijdens dezelfde bijeenkomst is besproken?

Staatssecretaris Timmermans:

Is het goed als ik op deze specifieke vraag in tweede termijn terugkom? Op dit moment beschik ik niet over de benodigde informatie.

Mevrouw Jonker (CDA):

Ik heb gevraagd wat de Commissie gaat doen met kritiek die vanuit verschillende landen is gekomen en wat de lidstaten zelf hebben toegezegd ten aanzien van menskracht en middelen met betrekking tot Afghanistan.

Staatssecretaris Timmermans:

Het is duidelijk dat de EU-politiemissie behoorlijke opstartproblemen had. Het is helder dat je voor politiemensen hetzelfde veiligheidsniveau moet garanderen dat ook voor andere groepen geldt. Het zou toch gek zijn om voor militairen wel een bepaald veiligheidsniveau te garanderen waarbinnen zij moeten werken en niet voor politiemensen? De opstartproblemen zijn inmiddels overwonnen. EUPOL, zoals de missie heet, wordt nu op provinciaal niveau uitgerold. De Duitsers hebben steun gekregen voor hun voorstel om het huidige plafond van ruim 200 man te verdubbelen. Nu er steun is verleend, zullen op korte termijn de nodige bijdragen moeten volgen vanuit de lidstaten. Wij zullen dit ook stimuleren en hiertoe in overleg blijven met Brussel. De opstartproblemen waarnaar mevrouw Jonker verwijst zijn nu echter overwonnen. De ministers hebben dit samen tijdens het diner vastgesteld. Wij kunnen nu aan de implementatie van EUPOL beginnen.

Mevrouw Jonker (CDA):

Ik had het niet enkel over opstartproblemen. Uit de woorden van de staatssecretaris concludeer ik dat de lidstaten nog geen concrete toezeggingen hebben gedaan, ondanks hun kritiek op de Commissie dat deze fondsen verminderd heeft.

Staatssecretaris Timmermans:

Als de lidstaten vaststellen dat zij het aantal aanwezige politiemensen, dat eerst op 200 stond, willen verdubbelen, mag je verwachten dat zij daar gevolg aan geven. Op dit moment hebben zij dit nog niet gedaan. Wij zullen ons er hard voor maken dat zij dit op korte termijn zullen doen. Mevrouw Jonker stelt terecht dat als je hierbij succes wilt boeken, je ook met geld en mensen over de brug moet komen. Wij zullen ons er hard voor maken dat dit op korte termijn gebeurt.

Commissievoorzitter Barroso heeft aangekondigd dat de Commissie Kroatië in het najaar mogelijk een indicatief tijdpad voor de afronding van de technische onderhandelingen zal geven. De Commissie zou najaar 2009 als streefdatum hanteren voor het afronden van deze technische onderhandelingen. Dit is de verantwoordelijkheid van de Commissie. Zij gaat over alle hoofdstukken en over hoe deze kunnen worden afgerond. Natuurlijk is dit tijdpad afhankelijk van de vervulling van een aantal harde criteria, waaronder de uitvoering van het huidige samenwerkingsakkoord. Ook is het tijdpad afhankelijk van de vervulling van alle opgelegde openingsijkpunten voor juli 2008, over een paar maanden.

Het tijdpad is bedoeld als hulpmiddel van Barroso om de Kroaten aan te sporen om de voorbereidingen voor de verdere onderhandelingen te treffen. Het bindt de Raad op geen enkele manier. De Raad gaat over het besluit wanneer en onder welke condities Kroatië kan toetreden. De Raad heeft inmiddels geleerd, je mag wel zeggen door schade en schande, dat het noemen van data alleen maar tot problemen leidt. De Raad heeft dus geen data genoemd. Als de Commissie kan vaststellen en van oordeel is dat Kroatië alle onderhandelingen kan afsluiten en voldoet aan de criteria, zal de Raad bepalen of dit zo is en of naar een datum kan worden toegewerkt. Barroso kan de Raad op dat punt dus op geen enkele manier binden. Dit was trouwens ook niet zijn bedoeling. Hierover is een misverstand ontstaan. Ik hoop dat dit hiermee uit de wereld is.

De heer Ten Broeke (VVD):

Dit is maar zeer de vraag. Ik snap de redenering van de heer Timmermans. Ik heb vorige week donderdag de speaking notes van de heer Barroso gelezen, nog voordat ik een brief vroeg, in de hoop dat daarvan een signaal zou uitgaan. In de slotwoorden van de speaking notes stelt Barroso dat hij er alle vertrouwen in heeft dat nog voor het einde van volgend jaar de technische onderhandelingen kunnen worden afgerond. Dit is in strijd met het rapport dat dezelfde Commissie heeft overlegd in november. Wij hebben over dit rapport tijdens een AO over de uitbreiding nog gesproken. Volgens mij kan de Raad hier niet heel blij mee zijn. Mensen maken niet zo makkelijk het onderscheid tussen datgene wat Barroso als voorzitter van de Commissie zegt en datgene wat de Raad daar vervolgens over zegt.

Voor Nederland is het essentieel dat wij de uitbreiding serieus en stringent behandelen. Ik heb geen zin om hier elke week weer te staan om over de volgende uitspraak van Barroso, of van welke vertegenwoordiger van de Europese Unie dan ook, vragen te stellen. Zou een kleine demarche naar de Europese Commissie geen goed idee zijn? De staatssecretaris moet niet alleen aan Barroso, maar ook aan de collega's Kouchner en Bildt, die zich in het kader van Servië alweer hebben uitgelaten over een toetreding, helder maken dat dit essentieel is voor Nederland en dat wij hier niet meer aan moeten meedoen.

De voorzitter:

Dit was haast een tweede termijn, als ik zo vrij mag zijn.

De heer Ten Broeke (VVD):

Ik denk dat de heer Timmermans begrijpt wat ik bedoel.

Staatssecretaris Timmermans:

De heer Ten Broeke is vandaag wel het zonnetje in huis, zeg. Ik moet eerlijk zeggen dat ik helemaal niet van plan ben om een demarche naar Barroso te ondernemen. Dit zou impliceren dat ik ook nog verantwoordelijkheid draag voor wat hij gezegd heeft. Hij heeft het gehad over zijn verantwoordelijkheid, de technische onderhandelingen. Dit bindt de Nederlandse regering en de Raad op geen enkele manier. Ik wil dit graag zo houden. Dat de woorden van de heer Barroso bepaalde effecten hebben, is voor zijn rekening. Dit bindt op geen enkele manier de Nederlandse regering. Ik zeg in alle helderheid dat wij geen datum noemen. Wij zijn hier nog lang niet aan toe. Op het moment dat de onderhandelingen zijn afgerond, zullen wij wegen wanneer en onder welke voorwaarden Kroatië lid kan worden. Dat de heer Barroso meent te kunnen zeggen dat hij tegen die tijd met zijn werk klaar kan zijn, is helemaal voor zijn rekening. Dat bindt ons op geen enkele manier. Ik voel er helemaal niets voor om deze dingen te vermengen. Dat sommige mensen in de buitenwereld dit niet uit elkaar kunnen houden, snap ik, maar van de heer Ten Broeke mag ik toch verwachten dat hij precies weet wat de onderscheiden verantwoordelijkheden op dit punt zijn.

De heer Ten Broeke (VVD):

Het is precies om die reden dat ik mijn vragen vorige week heb geformuleerd zoals ik ze heb geformuleerd. Ik heb daar overigens geen antwoord op gekregen. Het gaat mij erom dat de heer Timmermans een half jaar geleden in alle staten was, toen de heer Barroso zich over de nationale parlementen en alles wat daarover werd gezegd, wel allerlei opmerkingen veroorloofde, terwijl hij daar ook niet over ging. De heer Timmermans was in alle staten toen ik hem daarnaar vroeg. Nu vindt hij het niet zijn taak om een keer duidelijk te maken aan de Commissie dat het niet is om dit soort opmerkingen te maken en dat zij er goed aan zou doen om in het licht van het nieuwe verdrag dat wij hebben gesloten, dat te respecteren. Overigens geldt dat ook voor de collega's in de Raad, de heren Bildt en Kouchner, die over Servië...

Staatssecretaris Timmermans:

Mij wordt iedere keer dezelfde vraag gesteld. Dat mag, maar dan krijgt u nog een keer hetzelfde antwoord. Wat de heer Barroso heeft gedaan, behoort in dit geval natuurlijk wel tot zijn verantwoordelijkheid. Hij gaat over de technische onderhandelingen, hij geeft aan welke hoofdstukken aan de orde zijn en hoe er onderhandeld wordt. Hij geeft aan wanneer hij denkt met zijn werk klaar te kunnen zijn. Of het verstandig is om daarbij data te noemen... Ik vind van niet, maar het is zijn eigen verantwoordelijkheid. De Nederlandse regering noemt geen data over het afsluiten van het onderhandelingsproces of over toetreding. Zij zal dat strikt zo handhaven en uitdragen naar collega's die menen sneller te moeten lopen.

De heer Ten Broeke heeft gevraagd of het aanbod van de politieke dialoog van Servië niet eens van tafel moet. Ik had eerlijk gezegd verwacht dat de heer Ten Broeke zou zeggen dat de benadering van de Nederlandse regering eigenlijk nog niet zo gek was. Er zijn veel lidstaten die op dit moment Servië gunstig willen stemmen door harder te gaan lopen bij de ondertekening van het samenwerkingsakkoord. Nederland is daartegen omdat wij vinden dat voor ondertekening van het akkoord nog steeds onverkort de voorwaarde geldt van volledige medewerking met het ICTY, het Joegoslaviëtribunaal, en omdat het gewoon niet werkt. Wij hebben gezien dat het aanbieden van allerlei leuke dingen geen enkel effect heeft op wat daar gebeurt. Daarom vind ik dat de wijze waarop de Nederlandse regering hierin heeft geopereerd, een verstandige is. Op dit punt had ik op z'n minst een wat zonniger beschouwing van de heer Ten Broeke verwacht.

De heer Ten Broeke heeft nog een vraag gesteld over het Europees octrooi. Uiteraard blijft het Europees octrooi een topprioriteit voor de Nederlandse regering. Er is nu met heel kleine stappen – het is bijna een processie van Echternach – wat vooruitgang. Het probleem van het talenregime is nog steeds niet opgelost, maar u kunt ervan verzekerd zijn dat de Nederlandse regering ervan doordrongen is hoe belangrijk dit is voor het internationaal opererende Nederlandse bedrijfsleven. Zeker waar men wil inzetten op meer innovatie en meer hi-tech, is een goed Europees octrooi zeker nodig.

De heer Blom heeft nog over Kopenhagen gevraagd of wij daar een akkoord willen, hoe realistisch het is dat het er komt en wat wij daarvoor moeten doen. Het is ongelooflijk belangrijk dat Kopenhagen een succes wordt om ervoor te zorgen dat wij inderdaad de temperatuurstijging in de wereld kunnen afremmen. Zelfs een heel ambitieus akkoord in Kopenhagen kan niet die temperatuurstijging stoppen. Het enige wat wij kunnen bereiken, met maximale inspanning, is afremmen. Om dat voor elkaar te krijgen zal de Europese Unie leiderschap in de wereld moeten tonen. Om dat voor elkaar te krijgen, zal het klimaatpakket waarover overeenstemming is bereikt bij de top, ook geïmplementeerd moeten worden door de Europese Unie. Dat is de volgorde der dingen, dat is de enige manier waarop je de Verenigde Staten en andere grote spelers in de wereld kunt overtuigen om samen dit pad uit te zetten. Europa kan die leiderschapsrol spelen, ook omdat Europa met 500 miljoen van de meest koopkrachtige consumenten ter wereld een markt vormt waar andere markten zich graag op oriënteren. Bovendien zijn er ook vanwege redenen die te maken hebben met de interne situatie in die andere landen, allerlei stimulansen om een akkoord te bereiken.

Dat brengt mij bij het punt van de heer Ten Broeke over de energie-intensieve industrie. Uiteraard moeten wij toewerken naar een level playing field, naar een situatie dat iedereen onder gelijke voorwaarden kan concurreren. Het heeft geen enkele zin om hier een heel streng beleid te voeren, waardoor vervuilende bedrijven ergens anders nog vervuilender worden in plaats van hier schoon te worden. Het gaat erom de CO2-uitstoot mondiaal te reduceren. Dat betekent dat de industrie moet worden gestimuleerd om schoon te worden en dat je tegelijkertijd moet zorgen dat dit gebeurt in omstandigheden die een gelijk speelveld veroorzaken. Maar het is niet de manier om nu al te zeggen dat wij de doelstellingen niet handhaven, tenzij eerst verzekerd is dat de industrie niet geraakt zal worden. Je moet het precies andersom doen en dat is precies wat de Europese Unie doet. Zij zegt: de doelstellingen staan niet ter discussie, daar gaan wij keihard mee door, maar wij hebben tegelijkertijd oog voor carbon leakage. Die opzet is gekozen tijdens de Europese Raad. Daarover is lang gesproken tussen de regeringsleiders; daarvoor is een formule gevonden die op zeer breed draagvlak kon rekenen. Ik denk dat dit een verstandige benadering is. Daar was de heer Verheugen niet bij nodig; daar waren die tien landen niet bij nodig. Dat hebben de Europese leiders prima, met een zeer actieve bijdrage van de Nederlandse regeringsleider, tot stand gebracht en ik ben daar best trots op.

De voorzitter:

Bent u daarmee klaar met het blok milieu en duurzaamheid?

Staatssecretaris Timmermans:

Ik ben mevrouw Peters nog een antwoord schuldig over de bijmengverplichting. Nee, daar is de minister-president al op ingegaan, dus ik kan het antwoord op dit punt afronden.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Mijn vraag gaat over de energie-intensieve industrieën. Terecht merkt de staatssecretaris op dat het allemaal ontzettend urgent is. Je hebt erover na te denken hoe je het level playing field voor de energie-intensieve industrieën kunt blijven handhaven, terwijl je toch aan je verhoogde milieueisen voldoet. Daarom begrijp ik niet dat de staatssecretaris op voorhand zo terughoudend deed over het plan van Frankrijk om, als een van de oplossingen om de energie-intensieve industrie tegemoet te komen en aan de milieueisen te voldoen, te denken aan een klimaattaks, een importtaks voor goederen uit landen die niet aan de hoge klimaatafspraken meedoen. Wat is de reden daarvoor? Ik heb gevraagd of u bereid bent om, voordat de politieke wenselijkheid van zo'n maatregel wordt uitgesproken, eerst te analyseren wat de juridische implicaties van zo'n klimaattaks zouden zijn. Kan het juridisch, kan het WTO-technisch?

Staatssecretaris Timmermans:

De Nederlandse regering is voorstander van vergroening van het belastingstelsel. Dat staat voorop. Alle voorstellen die in die richting gaan, zullen wij altijd met een open oog aanschouwen. Maar wij kennen onze pappenheimers. Als er uit Frankrijk een voorstel komt voor hogere belasting, gaat er bij mij altijd voor alle zekerheid even een belletje rinkelen of dit niet ook protectionistische effecten zou kunnen hebben. Op dit moment is een protectionistische reflex het meest bedreigend voor de wereldeconomie. Als vergroening van het belastingstelsel bedoeld is als alternatief om niet te moeten voldoen aan datgene wat wij al hebben afgesproken, is dat ook een gevaarlijke benadering. Dus ja, wij hebben een open oog hiervoor, maar met enige voorzichtigheid en ook met enige terughoudendheid, omdat wij de motieven van degenen die dit voorstellen ook goed onder de loep moeten houden. Wij zijn bereid om ernaar te kijken en willen ook de Commissie in stelling brengen om dat te onderzoeken, maar onder twee duidelijke voorwaarden: in de eerste plaats dat het niet bedoeld is als een verkapte protectionistische maatregel – het kan heel gauw zo uitpakken – en in de tweede plaats dat het ook niet bedoeld is als alternatief voor datgene wat reeds is afgesproken, want dan zijn wij verder van huis dan bij het begin van de discussie. Maar ik wil voor alle duidelijkheid herhalen: wanneer wij het belastingstelsel kunnen vergroenen, zullen wij dat zeker niet laten.

De voorzitter:

Ik ga u allen verzoeken om niets meer te herhalen. Dat bedoel ik niet onaardig, maar ik wil heel graag dat wij uiterlijk om half acht kunnen afronden. Anders heb ik een cao-probleem.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Ik ben toch blij dat dit puntje aan de orde is gekomen, want anders had ik de uitlatingen van de staatssecretaris niet begrepen in de persberichten die ik daarover las. Nederland staat dus open voor het idee van een klimaattaks. Ik overzie ook niet wat alle juridische implicaties zijn: is het protectionistisch of is het juist duurzaam level playing field? Kunt u dat analyseren en ons daarover een brief sturen?

Staatssecretaris Timmermans:

Zullen wij niet gewoon de verantwoordelijkheid laten waar die hoort, namelijk bij de Europese Commissie? Zullen wij niet gewoon afwachten waar de Europese Commissie mee komt? Weet u waarom ik dat zeg? Omdat de Nederlandse regering zich graag hoedster maakt van datgene wat is afgesproken. Dat is het pakket dat in de vorige voorjaarsraad is afgesproken en dat nu wordt bevestigd en versterkt in deze voorjaarstop. Laten wij er werk van maken dat het wordt ingevoerd voordat wij weer allerlei andere dingen doen waarvan je maar moet afwachten of ze wel versterkend werken voor dat pakket. Degene die daarvoor in eerste instantie verantwoordelijkheid draagt, is de Europese Commissie. Ik ga ervan uit dat, als er interessante ideeën komen uit lidstaten, de Europese Commissie met voorstellen zal komen of initiatieven zal ontwikkelen. Ik wil die verantwoordelijkheid graag daar laten en niet naar onszelf toe trekken.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

De staatssecretaris zei Timmermansnet dat het hier om een urgent probleem gaat. Waarom dan deze afwachtende houding? Verschillende lidstaten komen met suggesties en ideeën, waaraan allerlei implicaties vastzitten. Een Commissievoorstel komt nooit uit de lucht vallen, daar is inbreng van lidstaten voor nodig.

De voorzitter:

Uw punt is duidelijk. Wat is uw vraag?

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Waarom kan de staatssecretaris niet zelf proactief een analyse op dit probleem loslaten en die analyse met de Kamer delen? Kan het juridisch?

Staatssecretaris Timmermans:

Als wij iets willen bereiken bij de bestrijding van het klimaatprobleem, dan moeten wij doen wat is afgesproken, en daar niet van gaan afwijken door extra dingen te doen. Laten wij eerst gewoon zeker stellen dat de doelen die wij met elkaar hebben afgesproken ook volwaardig in het pakket komen te zitten van maatregelen die worden genomen.

De voorzitter:

Dank u wel.

Staatssecretaris Timmermans:

Het is prima als wij daar nog extra maatregelen bij kunnen krijgen. Die verantwoordelijkheid moet echter gelaten worden bij degene die verantwoordelijk is voor het doen van die voorstellen. Dat is niet de Nederlandse regering, dat is de Europese Commissie.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Mij is nog steeds niet duidelijk welke rol de 30% precies gaat spelen. Ik kwam dit getal gelukkig tegen in de conclusies. Op welke manier wordt het ook meegenomen in het traject dat nu verder wordt gelopen? Ik vraag dit juist met het oog op die duidelijkheid richting industrie. Moet die industrie alvast rekening gaan houden met de 30%, waarbij de 20% een soort basis is? Of is 20% het uitgangspunt, en komt de 30% pas aan de orde in Kopenhagen bij een internationaal akkoord?

Staatssecretaris Timmermans:

Mevrouw Wiegman weet toch dat 20% is afgesproken en 30% als er een internationaal akkoord wordt bereikt? De 30% is altijd gekoppeld aan het bestaan van een internationaal akkoord. Als wij erin slagen om in Kopenhagen tot overeenstemming te komen met de andere landen over de ambities die wij hebben, dan gaat die 30% werken. Tegelijkertijd moeten de effecten van die 30% nu alvast in kaart worden gebracht. De Kamer heeft dit ook afgesproken met minister Cramer. Het is ook de inzet van de Nederlandse regering. Wij hebben de Commissie gevraagd alvast de gevolgen van die 30% in kaart te brengen. Het uitgangspunt is echter altijd geweest dat ons doel 30% is. Wij beginnen met 20% en als er een internationaal akkoord komt, dan gaan wij naar 30%.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Nederland anticipeert dus op die 30%. Zijn andere lidstaten daar ook mee bezig of is Nederland hierin een eenling?

Staatssecretaris Timmermans:

Nee, wij zijn bepaald geen eenling. Ik merk dat er steeds meer steun komt voor het idee van 30% op nationaal niveau. De Britten volgen het, de Spanjaarden vragen er met belangstelling naar en de Scandinavische landen hebben er ook belangstelling voor. Wij staan dus bepaald niet in ons eentje.

Mevrouw Jonker (CDA):

Mijn fractie heeft het kabinet geprezen voor de deelname aan de discussie over de EU-NAVO-samenwerking. Wij zouden het nog meer prijzen als wij te horen krijgen wat er uit die samenwerking is gekomen. Ik heb verder de concrete vraag wat de reactie is van Griekenland en Cyprus, die partners zijn in dit dilemma.

Staatssecretaris Timmermans:

Wij zijn voortdurend aan het "tweedetermijnen" met mevrouw Jonker. Nu stelt zij weer een ander onderwerp aan de orde. Ik wil het best doen. Er is geen discussie geweest over de EU, de NAVO en het kapittelen door minister Verhagen van Griekenland en Cyprus. De boodschap is echter wel helder overgekomen. De secretaris-generaal van de Raad/Hoge Vertegenwoordiger Solana is opgeroepen om te overleggen met de secretaris-generaal van de NAVO over de manier waarop de coördinatie van de samenwerking kan worden verbeterd. Dat moet hij dus nu doen. Wij verwachten voorstellen op dit punt als beiden terugkomen voor de volgende Raad of voor de Noord-Atlantische Raad van de NAVO. Wij hebben het punt dus aan de orde gesteld. Zij moeten er nu mee aan de slag. Wij zullen vervolgens zien welke voorstellen er komen om dit probleem op te lossen.

Mevrouw Wiegman heeft een vraag over de koerswijziging na Lissabon 2010. Het is heel belangrijk is dat wij beginnen met nadenken over die strategie na 2010. Het is ook heel belangrijk dat initiatieven zoals "Een comfortabele waarheid" ons daarbij helpen. Namens de regering dank ik mevrouw Wiegman voor haar initiatief. Wij zullen dat er zeker bij betrekken. Er moet mij overigens nog wel iets van het hart. De heer Ten Broeke roept zo makkelijk dat wij de doelstelling hebben aangepast aan de werkelijkheid. Als je echter nu naar de werkelijkheid kijkt, dan lijkt die zich veel meer aan te passen aan de doelstelling. Als het nog even zo doorgaat, wordt de Europese Unie vanzelf de meest competitieve economie van de wereld in 2010. Overigens, voor alle europessimisten doe ik de mededeling dat de economie in de eurozone gisteren voor het eerst groter was dan die in de dollarzone. Dat is een mijlpaal waar wij even bij stil mogen staan. Zo slecht doen wij het nou ook weer niet als Europese Unie. En dan ook nog, zoals de minister-president al zei, onder de conditie van het beste sociale beleid van de wereld. Al te veel sombermans lijkt mij dus niet aan de orde.

De voorzitter:

Ik constateer dat er bij enkele leden behoefte is aan een tweede termijn. Ik zou die tweede termijn willen beperken tot maximaal twee minuten per fractie. Anders zou ik een dinerpauze moeten inlassen.

De heer De Roon (PVV):

Voorzitter. Van de regering heb ik geen enkel antwoord gekregen op mijn vragen over de intensivering van het Barcelonaproces. Ik heb gewezen op allerlei verschrikkelijke ontwikkelingen in islamitische landen. Ik heb Algerije, Libië en Turkije genoemd, maar ik heb er geen enkele reactie op gekregen. Ik wil die reactie wel krijgen. Bij mij ontstaat het vermoeden dat sprake is van een vorm van zelfcensuur uit vrees voor onwelgevallige reacties vanuit die landen. Laat de regering die vrees maar bij mij wegnemen.

Ik kom op de vrijheid van meningsuiting. Vorige week heeft de minister van Justitie van dit kabinet ons al verrast met het idee om de dode letter van de godslastering niet af te schaffen, maar deze juist nieuw leven in te blazen door alle beledigingen van levensovertuigingen strafbaar te stellen. Ik verwachtte dus niet veel anders dan het slappe antwoord van de minister-president als verdediging van de vrijheid van meningsuiting. Zijn betoog houdt in: je mag toch rekening houden met wat jouw woorden voor anderen betekenen. Als ik dat betrek op de kwestie van de film, wil ik hom of kuit van de minister-president. Stel dat die film honderd kilometer binnen de grenzen van de wet blijft, zoals Wilders heeft gezegd, maar wel zo pittig is dat hij tot allerhande vijandige reacties in binnen- en buitenland gaat leiden. Aan de hand van welk criterium gaat de minister-president zijn woorden – je mag toch rekening houden met de gevolgen van jouw woorden voor anderen – dan vormgeven? Hoe gaat hij Wilders de maat nemen? Als de minister-president dat vanavond niet kan zeggen, dan moet ik constateren dat hij met zijn woorden gewoon een open deur heeft ingetrapt.

De heer Ten Broeke (VVD):

Voorzitter. Ik dank de minister-president en de staatssecretaris voor de beantwoording. Het spijt mij dat ik vandaag niet het zonnetje in huis heb kunnen zijn. Volgens onze fractie is er geen reden tot grote vrolijkheid en zonnigheid, ondanks het feit dat het om een voorjaarsraad ging. Nederland is namelijk gewoon op de verkeerde weg. De Lissabonagenda doet daar heel weinig aan af. Ook rond het klimaat- en energiepakket zijn wij er niet van overtuigd dat de juiste strategie wordt gevolgd. "De doelstellingen staan niet ter discussie, maar er is oog voor carbon leakage. Er is een formule gevonden", aldus de staatssecretaris. Hij is zelfs trots op de minister-president. De werkelijkheid is dat de doelstellingen vastliggen en dat de industrie en de burger maar moeten afwachten welke rekening zij gepresenteerd krijgen. Voor de burger komt er dan wellicht een CPB-onderzoek, maar voor de industrie dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat een onderdeel van dit pakket de instelling van een Europees emissiehandelssysteem (ETS) is;

overwegende dat het ontbreken van een mondiaal veilingsysteem leidt tot een groot concurrentienadeel voor energie-intensieve bedrijfstakken en dat toepassing van het Europese emissiehandelssysteem daarom kan leiden tot het zogenaamde "carbon-leakage";

constaterende dat ons land, gegeven de hier aanwezige energie-intensieve industrie, ernstig nadeel zal ondervinden van dit systeem;

verzoekt de regering, niet eerder akkoord te gaan met het energie- en klimaatpakket dan nadat is vastgesteld op welke wijze de energie-intensieve bedrijfstakken kunnen worden uitgezonderd van het Europese emissiehandelssysteem,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ten Broeke. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 381(21501-20).

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Voorzitter. Wat het klimaat betreft wordt het gewoon een beetje afwachten. Mijn eerdere constatering dat de conclusies van de voorjaarsraad en de Nederlandse inzet iets minder ambitieus lijken dan een jaar geleden, is helaas terecht gebleken. Bij de btw-voorstellen moeten wij vooral wachten tot de Commissie met ideeën komt. Bij de doorrekening van 30% moeten wij wachten tot de Commissie met plannen komt. Bij de klimaattaks of andere maatregelen om een vlucht van energie-intensieve industrie te voorkomen moeten wij ook wachten op de Commissie.

Ik heb nog een vraag over Afghanistan. Waarom zijn er minder fondsen beschikbaar gesteld door de Commissie? Hoe kan dan tegemoet worden gekomen aan het verzoek van de JCMB om meer fondsen, met name voor juridische hervormingen?

Het is goed dat in de conclusies wordt ingegaan op adaptatie, maar wat is het tijdpad daarvoor? Hoe gaat de EU voort met adaptatieplannen?

De Kamer heeft vorige week een motie aangenomen over zonthermische krachtcentrales. Is dat niet wat voor de Mediterrane Unie?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Voorzitter. Dank voor de beantwoording. Ik ben blij met de eerste reactie van de staatssecretaris over het nadenken over de Lissabonstrategie na 2010 en dat de verklaring van Tilburg daarbij betrokken kan worden. Om dat wat te onderstrepen en wat meer body te geven dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Europese Raad benadrukt dat de EU zich na 2010 moet blijven inzetten voor structurele hervormingen, duurzame ontwikkeling en sociale cohesie en de Commissie, Raad en nationale Lissaboncoördinatoren verzoekt om zich te beraden op de toekomst van de Lissabonstrategie na 2010;

van oordeel dat de Lissabonstrategie zich meer Wiegman-van Meppelen Scheppinkzou moeten gaan richten op kwalitatieve doelstellingen in plaats van kwantitatieve doelstellingen alleen;

verzoekt de regering, met een visie te komen hoe de Lissabonstrategie na 2010 zich meer kan richten op duurzame groei, solidariteit en kwaliteit van leven binnen en buiten de EU,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Wiegman-van Meppelen Scheppink, Peters, Pechtold, Blom en Jonker.

Zij krijgt nr. 382(21501-20).

Minister Balkenende:

Voorzitter. Ik zou de heer Ten Broeke nog een antwoord geven over de effecten van het klimaatpakket voor huishoudens. In eerste termijn heb ik als meest concrete getal de kosten voor Nederland als geheel genoemd. Dat is 0,3% van het bruto nationaal product. Dan praat je over het totaal voor overheid, bedrijven en huishoudens. Tegenover deze kosten staan ook baten en kansen voor bedrijven. Daar moet je ook rekening mee houden. Er zijn nog geen doorrekeningen tot op het niveau van de huishoudens. 0,3% kosten zegt wel iets over de orde van grootte, maar ik denk dat het ook goed is om te kijken naar wat de kosten zouden zijn als je niets doet. Nicholas Stern heeft een en ander geanalyseerd voor de Britse regering. Hij becijfert de cost of inaction op termijn op 5 tot 20% van het bnp. Daarmee heb ik nog geen concreet antwoord gegeven, en dat is nu nog niet te doen, maar ik geloof wel dat er alle reden is om de zaak onder ogen te zien. Als wij dit voor ons uit schuiven, zal de prijs later alleen maar hoger zijn. Dit is wat op dit moment kan worden gemeld, maar dit debat zal ongetwijfeld verder gaan.

De heer De Roon heeft gezegd dat ik niet ben ingegaan op de Unie voor het Middellandse Zeegebied. Ik betwist dat. Ik heb goed geluisterd over de bezwaren die de heer De Roon naar voren heeft gebracht over het aantal landen. Ik heb gezegd dat het goed is om in deze landen een raamwerk te hebben om te spreken over economische banden, energievoorziening, regionale stabiliteit, legale en illegale migratie, mensenrechten en goed bestuur. Dan kun je twee kanten uit: je kunt de zaken met elkaar bespreken of elke discussie mijden. Het is beter om dat gesprek wel te voeren, want er zijn een aantal problemen die wij gezamenlijk onder ogen moeten zien.

Wij zullen het niet eens worden over het thema vrijheid van meningsuiting en verantwoordelijkheid. Ik ga ook niet in op wat er zou kunnen gebeuren als de film uitkomt. De heer De Roon weet het misschien wel, maar ik weet niet wat er in de film zit. Ik weet niet welke reacties hij zal oproepen. Ik zeg er wel dit bij: vrijheid van meningsuiting is een kernwaarde in de westerse samenleving en dat hoort ook mondiaal zo te gelden. Ik zeg dat maar eens in alle duidelijkheid. Als je echter uitlatingen doet over een godsdienst, dan beweeg je je juridisch misschien helemaal binnen de grenzen van het recht, maar dat betekent niet dat zij niet hard kunnen aankomen bij mensen. Als in een land wordt gezegd dat de islam niet deugt en dat alle moslims dan om dat geloof ook niet deugen, dan kan dat buitengewoon hard aankomen bij mensen. Het ligt dan op mijn weg als minister-president om ook daar aandacht voor te vragen. Het gaat niet alleen over de vrijheid van meningsuiting, maar ook over de wijze waarop wij met elkaar omgaan. Ik heb niets anders gezegd sinds ik minister-president ben en ik ga er gewoon ook mee door. Ik zeg niets over de inhoud van de film, want die ken ik gewoonweg niet, maar ik heb willen aangeven dat vrijheid en verantwoordelijkheid ook met elkaar in verband gebracht mogen worden. Als later bepaalde sentimenten gaan ontstaan rondom de film, dan moeten wij misschien nog eens onder ogen zien wat het precies betekent om ook verantwoordelijkheid te hebben. Het is speculatief en ik ga er verder niet op in, maar de heer De Roon weet hoe ik over dit onderwerp denk. Ik heb het een- en andermaal naar voren gebracht en ik zal het blijven doen.

Ik kom te spreken over de motie van de heer Ten Broeke. Ik begrijp de achtergrond van de motie, maar dit is natuurlijk niet datgene wat juist is afgesproken in de Europese Raad. Ik heb gezegd hoe het debat is verlopen en om die reden, en tegen de achtergrond van de afspraken die wij juist op Europees niveau hebben gemaakt, moet ik de aanneming van deze motie ontraden.

In de motie van mevrouw Wiegman wordt al gesproken over de Lissabonstrategie na 2010. Het natuurlijk altijd goed om te kijken wat er op ons afkomt, alleen zitten wij nog volop in de implementatie en zijn wij nog bezig met de agenda die wij met elkaar hebben afgesproken. Wij hebben de afgelopen tijd juist gezegd: laten wij kiezen voor de focus, omdat de zaak te breed was getrokken. Juist die focus op groei en werkgelegenheid heeft enorm veel opgeleverd. Het gaat ook beter met de strategie. Natuurlijk bestaan er tegelijkertijd verbanden met energie en het klimaat, maar ik wil de discussie over de Lissabonagenda wel graag in samenhang bekijken. De vraag is of de motie op dit moment moet worden ingediend. Ik begrijp dat mevrouw Wiegman elementen als duurzame groei, solidariteit en kwaliteit van leven aan de orde wilt stellen, maar dan halen wij er een aantal elementen uit. Wij moeten dat op een ordentelijke manier doen, waarbij wij alle aspecten onder ogen moeten zien. Ik vraag mij dus af of het opportuun is om de motie op dit moment in stemming te brengen, want ik wil graag een volwassen en volledig debat over het regime na 2010. Wij zullen hierover op meerdere momenten spreken: de algemene beschouwingen, de Staat van de Unie, de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken en de bespreking van Europese Raden, waarbij wij het ongetwijfeld zullen hebben over het verder reikend perspectief. Ik vraag mij af of wij daar nu één element uit moeten halen, namelijk datgene wat in de motie als verzoek aan de regering staat. Ik moet het oordeel aan de Kamer overlaten, maar de Kamer moet van mij weten dat ik graag bereid ben om het debat met haar aan te gaan. Dat moet echter wel een onderdeel zijn van een veel breder debat. Ik vraag mij af of dit niet gewoon te vroeg is.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Volgens mij staat de motie daar juist ten dienste aan. De motie zegt namelijk niet wat de toekomst van de Lissabonstrategie moet worden, maar roept het kabinet ertoe op om alvast te gaan werken aan een visie, zodat wij met een goed debat goede lijnen kunnen uitzetten na 2010. Waar wij op kwantitatief gebied mee bezig zijn, is goed. Wij gaan daar meer en meer kwalitatieve doelstellingen aan vastkoppelen.

Minister Balkenende:

Laten wij maar afspreken dat ik het oordeel van de Kamer afwacht. Dan zullen wij op enig moment – dat kan zijn op een volgende Europese Raad of in het kader van andere documenten – nader ingaan op de vraag hoe wij omgaan met het debat over de Lissabonstrategie. Dat is volgens mij de beste methode.

Staatssecretaris Timmermans:

Voorzitter. Ik was mevrouw Peters nog een antwoord schuldig op een vraag over Afghanistan. Zij vroeg waarom de bedragen in de meerjarenraming van het commissieprogramma omlaag gaan. Het is niet zo dat er minder geld is; er is geld genoeg. Het geld blijkt op dit moment echter onvoldoende goed te worden besteed aan goede projecten. De Commissie stelt haar ramingen voor de komende jaren bij omdat zij niet kan garanderen dat het geld wordt ingezet voor kwalitatief voldoende projecten. Dat is het probleem. Het is een ernstig probleem, want er is genoeg te doen in Afghanistan. Er zal dan ook hard moeten worden gewerkt aan het tot stand brengen van betere voorstellen. Het voorstel van mevrouw Peters moet in dat licht worden bezien. Ik zorg er graag voor dat het speciaal onder de aandacht wordt gebracht. Ik benadruk evenwel dat er geen sprake van is dat de Commissie minder geld wil uitgeven of dat er een beperking van de begroting aan de orde is. Er is sprake van onderuitputting omdat de Commissie simpelweg niet kan garanderen dat de kwaliteit voldoende is. Het is uiteraard verstandig om geld niet te besteden of te begroten als niet zeker is dat het goed besteed wordt.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Dat laatste ben ik eens met de staatssecretaris. Toch verbaast deze bevinding mij een beetje. Het voorstel dat ik specifiek noemde, betreft juridische hervormingen. Nederland doet daaraan mee. Wat zou er niet goed zijn aan dat voorstel dat de Europese Commissie er niet aan kan meedoen? Is het mogelijk dat de middelen van de Europese Commissie zijn onderbesteed omdat de procedures voor aanvraag van middelen van de Europese Commissie zo ontzettend omslachtig, langdurig en bureaucratisch zijn? Kan het daaraan liggen? Goede voorstellen, die door de Joint Coordination and Monitoring Board, waar ook Nederland deel van uitmaakt, worden gesteund, zijn er naar mijn inschatting te over.

Staatssecretaris Timmermans:

Wij steunen ook de uitkomst van de JCMB-conclusies en wij zitten dus op één lijn. Ik benadruk echter dat als het onmogelijk is, om verschillende redenen, om binnen de gestelde kaders van fatsoenlijk, financieel beheer projecten te financieren, niet de normen naar beneden moeten worden bijgesteld. Dan moet men ervoor zorgen dat men beter kan voldoen aan de criteria. Het zou toch gek zijn om de normen van financieel beheer en deugdelijkheid van projecten bij te stellen omdat er onvoldoende geld wordt uitgegeven? Daarmee helpt men Afghanistan geen stap verder en ontstaat er alleen maar risico op het slecht besteden van geld. Dat leidt vervolgens tot ondermijning van het draagvlak, maar daar weet mevrouw Peters alles van.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Is de staatssecretaris bereid om bij de Commissie na te gaan of de projectvoorstellen inderdaad zo onder de maat zijn of dat daar een mouw aan te passen valt? Ik kan mij niet voorstellen dat Nederland projecteisen stelt die onvoldoende zijn om de Europese Commissie blij mee te maken.

Staatssecretaris Timmermans:

Natuurlijk ben ik bereid om dat na te gaan. Ik willig graag het verzoek in om eens na te gaan waar Nederland behulpzaam kan zijn bij het realiseren van meer projecten. De conclusies waar mevrouw Peters haar steun voor heeft uitgesproken, moeten daar echter leidend in zijn, zodat de projecten worden gesteund die Afghanistan op dit moment nodig heeft en die passen in de nationale strategie voor de wederopbouw en de versterking van de mensenrechten en de rechtsstaat.

Een andere vraag van mevrouw Peters gaat over zonthermische krachtcentrales. Ik heb vorige week al gezegd dat deze inzet wordt gesteund. De motie daarover is dan ook door het kabinet omarmd. Er zijn heel interessante mogelijkheden voor deze prille technologie. Het gaat om de concentratie van zonnestralen, zodanig dat grote hoeveelheden thermische energie worden opgewekt. Die technologie is uiteraard makkelijker toepasbaar in het Zuiden van Europa dan in het Noorden. Het is dus goed als daarbij samenwerking met andere lidstaten wordt gezocht.

Tijdens de top is mij in de wandelgangen gebleken dat de technologische kennis die in Nederland wordt ontwikkeld op het gebied van zonne-energie ook in Zuid-Europa als interessant wordt gezien. In Zuid-Europa worden behoorlijk grote investeringen gepleegd om deze technologie verder te helpen. Die synergie moeten wij zoeken. In die zin leggen wij de motie uit als steun voor het beleid dat wij willen voeren. Wij gaan zeker verder op die weg.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

De stemmingen over de moties vinden volgende week dinsdag plaats. Ik dank de leden van de Kamer en de leden van de regering voor een vlot verlopen debat.

Sluiting 19.27 uur