Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-2008nr. 31, pagina 2427-2430

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 13 november 2007 over de OV-chipkaart.

De heer Roemer (SP):

Voorzitter. Ik dien vier moties in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat de ov-chipkaart grote kansen biedt voor het gehele openbaar vervoer;

van mening dat voor een breed maatschappelijk draagvlak voor de OV-chipkaart de drempel voor gebruik zo laag mogelijk dient te zijn;

overwegende dat reizigers momenteel hun eerste OV-chipkaart moeten aanschaffen;

verzoekt de regering, iedere inwoner van Nederland die een persoonsgebonden OV-chipkaart wenst te ontvangen, te voorzien van een eerste gratis OV-chipkaart,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Roemer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 174(23645).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat de OV-chipkaart grote kansen biedt voor het gehele openbaar vervoer;

van mening dat reizigersgroei in het openbaar vervoer wenselijk is en een duurdere reis hier een negatieve bijdrage aan levert;

overwegende dat door betaling naar afgelegde afstand de reiziger voor de prijs van de reis afhankelijk is van de door de vervoerder gekozen route;

verzoekt de regering, de mogelijkheid te onderzoeken om bij tarifering in het openbaar vervoer niet langer uit te gaan van het aantal gereisde kilometers, maar van hemelsbrede afstanden tussen vertrek en aankomst,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Roemer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 175(23645).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat de OV-chipkaart grote kansen biedt voor het gehele openbaar vervoer;

van mening dat reizigersgroei in het openbaar vervoer wenselijk is en een tariefstijging hier een negatieve bijdrage aan levert;

overwegende dat opbrengstneutraliteit, zoals Roemernu gehanteerd wordt, in het geval van reizigersdaling zal leiden tot een stijging van de tarieven;

overwegende dat een eventuele tariefstijging het maatschappelijk draagvlak voor de OV-chipkaart niet ten goede komt;

overwegende dat een tariefstijging de kabinetsambitie voor groei in het regionaal openbaar vervoer en over spoor ondermijnt;

verzoekt de regering, niet langer uit te gaan van opbrengstneutraliteit voor de vervoersbedrijven, maar van kostenneutraliteit voor de reiziger bij de invoering van de OV-chipkaart,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Roemer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 176(23645).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat reizigersgroei in het regionaal openbaar vervoer een essentiële voorwaarde is voor een duurzame aanpak van de mobiliteitsproblematiek;

overwegende dat zowel verschillende politieke partijen als de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat zich uitgesproken hebben voor de ambitie van een jaarlijkse reizigersgroei van 5%, ook in het regionaal openbaar vervoer;

verzoekt de regering, de ambitie van 5% reizigersgroei in het openbaar vervoer – ook in het regionaal openbaar vervoer – te onderschrijven en de beleidsagenda hierop aan te passen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Roemer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 177(23645).

De heer Duyvendak (GroenLinks):

Voorzitter. De GroenLinksfractie maakt zich veel zorgen over de introductie van de OV-chipkaart en vooral over de manier waarop het gaat. Mede daarom hebben wij een klachtensite geopend. Daarom dien ik ook deze motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering voornemens is, de strippenkaart als betaalmiddel voor het ov te schrappen;

overwegende dat hiermee het risico bestaat dat de reizigers afgeschrikt worden en minder gebruik zullen maken van het ov;

overwegende dat reizigers niet moeten worden gedwongen om met de OV-chipkaart te reizen;

verzoekt de regering, de strippenkaart voorlopig te handhaven als betaalmiddel voor het openbaar vervoer in die gebieden waar de OV-chipkaart wordt ingevoerd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Duyvendak. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 178(23645).

De heer Mastwijk (CDA):

Voorzitter. Ik heb een motie die handelt over de bescherming van persoonsgegevens bij de OV-chipkaart.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het CBP (College bescherming persoonsgegevens) de wetgeving bewaakt die ziet op de bescherming van privacy van onder meer gebruikers van de OV-chipkaart;

overwegende dat het daarnaast aanbeveling verdient, te zorgen dat persoonsgegevens van reizigers niet worden gebruikt ten behoeve van ongewenste reclame-uitingen en aanbiedingen van vervoerders;

verzoekt de regering, in overleg met vervoerders vast te leggen dat vervoerders alleen in het geval dat reizigers vooraf hebben aangegeven (opt-in) in aanmerking te willen komen voor reclame-uitingen en/of aanbiedingen, gebruik kan worden gemaakt van persoonsgegevens,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Mastwijk en Roefs. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 179(23645).

De heer De Krom (VVD):

Gaat die motie ook over de huidige situatie of is de motie verbonden aan de invoering van de OV-chipkaart?

De heer Mastwijk (CDA):

Wij spreken over de toekomst. De OV-chipkaart op naam biedt veel mogelijkheden tot gebruik van gegevens. In theorie biedt dit – ik druk mij voorzichtig uit – ook veel mogelijkheden tot ongewenst gebruik van die gegevens. De motie ziet dus op de toekomst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa:

Voorzitter. Ik reageer op de moties op volgorde van indiening.

In de eerste motie van het lid Roemer wordt de regering verzocht om iedere inwoner van Nederland die een persoonsgebonden OV-chipkaart wenst te ontvangen, te voorzien van gratis eerste OV-chipkaart. Ik ben blij dat er niet wordt gevraagd om elke OV-chipkaart gratis te verstrekken. Een anonieme gratis OV-chipkaart is buitengewoon fraudegevoelig, zoals ik al heb gezegd. Alleen al om die reden moeten wij dat niet doen.

Ik vraag mij af of ik dit verzoek moet steunen. Er zijn al veel gratis persoonsgebonden OV-chipkaarten in omloop. Ik kan mij voorstellen dat wordt besloten om bepaalde doelgroepen die wij graag kennis willen laten maken met het openbaar vervoer een gratis eerste OV-chipkaart verstrekken. Het gaat mij te ver om nu uit te spreken dat wij iedereen die dat wil een gratis persoonsgebonden OV-chipkaart zullen geven. Ik ontraad het aannemen van deze motie. Zij is wat ongericht en ik zou mij liever tot bepaalde doelgroepen beperken.

In de tweede motie van het lid Roemer wordt de regering verzocht om de mogelijkheid te onderzoeken om bij tarifering in het openbaar vervoer niet langer uit te gaan bij het aantal gereisde kilometers, maar van hemelsbrede afstanden tussen het vertrek- en aankomstpunt. Er wordt met de OV-chipkaart niet gerekend met gereisde kilometers, maar met reizigerskilometers. In sommige gevallen is een heenreis korter dan een terugreis. Om dat op te heffen, wordt gerekend met reizigerskilometers. Dat is een soort gemiddelde. Ik zie geen toegevoegde waarde van het rekenen met hemelsbrede afstanden. Dat zal het alleen maar lastiger maken. Daarom ontraad ik het aannemen van deze motie.

In de derde motie van de heer Roemer wordt de regering verzocht om niet langer uit te gaan van opbrengstneutraliteit voor de vervoersbedrijven, maar van kostenneutraliteit voor de reiziger bij invoering van de OV-chipkaart. In de brief bij het go-besluit uit juni 2006 is aangegeven dat het uitgangspunt blijft dat het reizen met het openbaar vervoer met de OV-chipkaart tijdens de overgang naar het nieuwe systeem niet duurder wordt. De opbrengsten van de overheid mogen door deze overgang bij gelijkblijvende reizigersvolumes niet toenemen. Gemiddeld genomen mogen de tarieven voor de reizigers dus niet toenemen, maar voor de individuele reiziger kan er wel een verschil zijn. Tegenover een reiziger die duurder uit is, staat iemand die goedkoper uit is doordat nu niet meer met zones wordt gerekend, maar met reizigerskilometers. Uitgaan van opbrengstneutraliteit leidt er in zijn algemeenheid toe dat de prijzen voor reizigers ongeveer gelijk blijven. Voor een individuele reiziger hoeft de prijs echter niet gelijk te blijven. Ik wil vasthouden aan het principe van opbrengstneutraliteit.

Ik vind het wel fijn dat de eerste drie moties van de heer Roemer beginnen met een overweging die ik van harte onderschrijf, namelijk dat de OV-chipkaart grote kansen biedt voor het gehele openbaar vervoer. Helaas ben ik het niet eens met het dictum.

Met de tweede overweging van zijn laatste motie zegt de heer Roemer dat zowel verschillende politieke partijen als de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat zich uitgesproken hebben voor de ambitie van een jaarlijkse reizigersgroei van 5%, ook in het regionaal openbaar vervoer. Tegen deze overweging maak ik bezwaar. Hierover hebben wij in het algemeen overleg gesproken.

Met het dictum van de motie wordt de regering verzocht om de ambitie van 5% reizigersgroei in het openbaar vervoer ook in het regionale openbaar vervoer te onderschrijven en om de beleidsagenda hierop aan te passen. Ik weet niet of dit verzoek nog wel past bij de behandeling van de OV-chipkaart. Ik kan mij voorstellen dat deze motie zou worden ingediend bij de behandeling van de begroting die op dit agendapunt volgt. In het wetgevingsoverleg heb ik gezegd dat wij buitengewoon blij zijn met de uitkomsten van de netwerkanalyse van het regionaal openbaar vervoer. Het blijkt dat er bij de stedelijke netwerken veel mogelijkheden zijn voor uitbreiding van het openbaar vervoer. Ik heb met de steden afgesproken dat zij daarvoor plannen maken. Wij zullen aan de realisering van ons beleid werken en dan zal blijken hoeveel hoger dan 2,1% de groei in de stedelijke netwerken kan zijn. Mijn ambitie is om de groei meer dan die 2,1% te laten zijn, maar zonder verdere onderbouwing wil ik het percentage van 5 niet noemen.

De heer Roemer (SP):

Voorzitter. Ik kan mij voorstellen dat de staatssecretaris niet blij is met wat er in het goedgekeurde verslag staat. Het is een goed gebruik van deze Kamer dat van een algemeen overleg een verslag wordt gemaakt. Dat verslag wordt ter controle aan de Kamer en het kabinet voorgelegd. Vervolgens wordt dat verslag goedgekeurd en dan mag je aannemen dat wat in het verslag staat, is gezegd. Ik heb er dan ook moeite mee dat de staatssecretaris zegt het groeipercentage van 5 niet te hebben genoemd, maar dat staat wel in het goedkeurde verslag van het algemeen overleg. Als zij spijt heeft van haar uitspraak moet zij voortaan eerder goed opletten of ervoor zorgen dat haar woorden goed gecontroleerd worden. Zij heeft dit percentage namelijk wel genoemd.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa:

Over dit percentage is in het AO van gedachten gewisseld. Op de desbetreffende opmerking van de heer Roemer heb ik geantwoord. Ik voel er niet zo veel voor om het overleg hier opnieuw te voeren. Ik blijf bij mijn opmerkingen over het dictum en over de overweging. Het lijkt mij weinig zinvol om gevoerde overleggen over te doen.

De heer Duyvendak verzoekt met zijn motie de regering om de strippenkaart voorlopig te handhaven als betaalmiddel voor het openbaar vervoer in die gebieden waar de OV-chipkaart wordt ingevoerd. De heer Duyvendak heeft in het algemeen overleg al aangegeven dat hij handhaving van de strippenkaart een goed idee zou vinden. Ik heb met betrokken partijen afgesproken dat in Rotterdam het gebruik van de strippenkaart wordt afgeschaft als duidelijk is dat de kinderziektes zijn verholpen en de kwesties waarover nu veel klachten komen, zijn opgelost. Het handhaven van zowel de OV-chipkaart als de strippenkaart levert veel problemen op. Door beide kaarten te handhaven kunnen de voordelen van de OV-chipkaart niet ten volle benut worden. Hierbij denk ik met name aan het tegengaan van het zwartrijden. Wij willen ervoor zorgen dat alleen mensen met een geldig vervoerbewijs in de metro kunnen plaatsnemen. In de overgangsperiode en ook daarna zouden wij met het voorstel van de heer Duyvendak met twee zeer verschillende betaalsystemen te maken hebben. Met het ene systeem zou betaald worden op de plek waar de reis gemaakt wordt en met het andere, bij het gebruik van de strippenkaart, niet. Dan zou een ingewikkelde verdeelsleutel nodig zijn om het geld daar terecht te laten komen waar van het openbaar vervoer gebruik is gemaakt. Die twee systemen zijn dus buitengewoon lastig naast elkaar in stand te houden. Dat maakt dat ik aanneming van deze motie moet ontraden. Zij zal namelijk de voordelen van de OV-chipkaart voor een belangrijk deel tenietdoen.

Met de motie van de heer Mastwijk en mevrouw Roefs wordt de regering gevraagd om in overleg met vervoerders vast te leggen dat vervoerders alleen in het geval waarin reizigers vooraf hebben aangegeven in aanmerking te willen komen voor reclame-uitingen en/of aanbiedingen, gebruik kan worden gemaakt van persoonsgegevens. Het gaat hierbij dus om een opt-inregeling. Ik heb de Kamer reeds toegezegd dat ik in het overleg waarin ik mediate tussen NS en CBP zal aandringen op opt-in. Het overleg tussen NS en CBP is nog steeds gaande. De NS is inmiddels gevraagd aan te geven waarom zij van mening is middels de opt-outregeling te voldoen aan de wet en in het bijzonder de bepaling inzake het gerechtvaardigd belang. De NS heeft daarvoor tot februari de tijd. Daarna gaat het overleg tussen NS en CBP verder. Het is lastig om vast te leggen dat alleen maar de opt-inregeling acceptabel is, omdat het er uiteindelijk om gaat wat de wet mogelijk maakt. Zolang de NS aangeeft met de opt-outregeling te handelen binnen de wettelijke kaders, is het heel erg moeilijk haar dat te verbieden. Persoonlijk zal ik in alle gevallen de mogelijkheid van opt-in zo veel mogelijk steunen, maar deze opleggen aan de NS kan ik niet.

De heer Mastwijk (CDA):

De staatssecretaris zegt dat het CBP de wet bewaakt en dat zij nog in overleg is met de NS en het CBP over hoe het precies werkt. Ik heb zo-even overleg gehad met mevrouw Roefs. Ik zou mij kunnen voorstellen dat wij de motie aanhouden in afwachting van de uitkomsten van het overleg tussen de staatssecretaris, het CBP en de NS. Ik begrijp in ieder geval dat de staatssecretaris de strekking van de motie deelt.

Staatssecretaris Huizinga-Heringa:

Ik deel het dat opt-in de beste oplossing is, maar ik kan de NS deze mogelijkheid niet opleggen. In februari zal het overleg worden voortgezet. Wij hebben ook nog wel even tijd, want de zaak wordt pas in 2010 actueel. Inzet blijft in ieder geval opt-in.

De beraadslaging wordt gesloten.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.