Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-2008nr. 31, pagina 2405-2407

Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig artikel 136 van het Reglement van Orde.

Vragen van het lid Van der Burg aan de minister voor Wonen, Wijken en Integratie en de minister van Justitie over fraude met corporatiewoningen.

Mevrouw Van der Burg (VVD):

Voorzitter. De Telegraaf van vanmorgen meldt dat huurders per jaar met ruim 220.000 socialehuurwoningen frauderen en dat dit de woningbouwcorporaties 210 mln. per jaar kost. Het gaat hierbij om één op de tien socialehuurwoningen en de schade is maar liefst twintig keer hoger dan tot nu toe werd aangenomen. Deze fraude doet zich voor in een tijd waarin mensen lang op de wachtlijst staan voor een socialehuurwoning. Wat vindt de minister van deze schokkende cijfers? Welke conclusies trekt zij? Hoe kan het dat woningbouwcorporaties niet volledig zicht hebben op de omvang van de financiële schade die woonfraude veroorzaakt? Of voelt de minister zich hier niet verantwoordelijk voor? Is er door het financieel parket, belast met bestrijding van fraude, inmiddels een plan gemaakt om zicht te krijgen op de fraude? Vinden de ministers niet dat op adres en persoonsgegevens zou moeten worden gecontroleerd door bestanden aan elkaar te koppelen?

Minister Vogelaar:

Voorzitter. De geachte afgevaardigde Van der Burg refereerde aan gegevens die in het artikel van De Telegraaf van hedenmorgen stonden. Die gegevens verontrustten mij ook. Ik was dan ook erg nieuwsgierig naar het onderzoek waarnaar verwezen werd en waarop het artikel gebaseerd zou zijn. Ik heb het rapport van dat onderzoek opgevraagd en het is mij gelukt om het op de valreep te krijgen. Terwijl ik in een sprint naar de Kamer kwam, kreeg ik het in mijn handen geduwd. Ik heb er nog onvoldoende kennis van kunnen nemen om de gegevens die in het artikel van De Telegraaf worden genoemd, te kunnen verifiëren en ik heb evenmin het onderzoek op haar betrouwbaarheid kunnen beoordelen. Ik heb er dan ook behoefte aan om het rapport eerst zorgvuldig te lezen voordat ik daarover in dit huis uitspraken doe. Als de cijfers van het artikel inderdaad kloppen, zijn die zeer verontrustend. Ik zal de Kamer schriftelijk informeren als ik kennis heb kunnen nemen van het onderzoek waarnaar verwezen wordt.

Ik wil voorts verwijzen naar een brief van mijn hand over de problematiek van onrechtmatige bewoning en huisjesmelkerij die op 24 april naar uw Kamer is gestuurd. Over die brief hebben wij nog niet van gedachten gewisseld. In die brief heb ik aangegeven dat door de VROM-inspectie dit voorjaar uitgebreid onderzoek is gedaan ten behoeve van gemeenten en corporaties. Er is voor hen ook een handleiding opgesteld. De bedoeling is dat zij actief de woonfraude bestrijden. Ook met het onderzoek van de VROM-inspectie wordt geconstateerd dat er zowel van de kant van gemeenten als van de kant van corporaties te weinig beleidsmatige aandacht is voor het bestrijden van woonfraude. Die constatering is aanleiding geweest om een handleiding op te stellen. De VROM-inspectie gaat in 2008 het inzetten op de woonfraudeproblematiek tot speerpunt van beleid voor gemeenten en corporaties maken. Zij richt zich met name op de gemeenten die op grond van de risicoanalyse specifiek aandacht verdienen. Ik heb in diezelfde brief aangekondigd dat ik voornemens ben, het in het kader van de wijziging van de Huisves­tingswet mogelijk te maken dat gemeentes een bestuurlijke boete kunnen opleggen die, voor zover ik dat nu kan overzien, maximaal € 16.000 kan zijn, om gemeentes een extra instrument te geven. Daarnaast zijn er qua bestrijding van woonfraude mogelijkheden om bestanden te koppelen, zoals GBA-bestanden en bestanden van de corporaties zelf. Een van de punten die ik met mijn collega van BZK bekijk, is of wij bestandskoppeling ook mogelijk maken voor particuliere huurders. Dat kan ook met het Kadaster, zodat je effectief kunt kijken of mensen wel rechtmatig in hun huis wonen. Verder wordt in een aantal grotere steden actief beleid gevoerd om woonfraude en huisjesmelkerij te bestrijden. Ik doel op de interventieteams, die heel gericht werken. Als blijkt dat dit klopt, zal ik hierover apart met de brancheorganisatie van de corporaties gaan spreken, om te bezien of zij actiever kunnen optreden tegen woonfraude. Ook ik vind woonfraude namelijk geen wenselijke situatie.

Minister Hirsch Ballin:

Voorzitter. Ik verwijs naar wat over financieeleconomische criminaliteit in algemene zin is gezegd en aan maatregelen is aangekondigd in het beleidsprogramma, en in het bijzonder naar de uitwerking die daaraan is gegeven in het kader van het project Veiligheid begint bij voorkomen. Tot financieeleconomische criminaliteit behoort ook de fraude waar wij het hier over hebben. Er is een vergelijkbaar soort expertise voor nodig om dat te bestrijden. Op het moment dat de inzichten waarop mijn collega doelde zijn binnengekomen, zullen wij ook dit graag betrekken bij de bestrijding van de fraude die zich afspeelt in de vastgoedsector. Daarbij is tot nu toe de aandacht vooral gericht op fraude gerelateerd aan eigendomsverhoudin­gen, maar hier gaat het om fraude gerelateerd aan de huurverhoudingen. Beide soorten hebben gemeenschappelijke kenmerken, waarbij ik verwijs naar mijn brief van precies twee weken geleden, geschreven naar aanleiding van vragen van mevrouw Van Gent. Verder verwijs ik naar het vorige week aangeboden rapport, geschreven in opdracht van de gemeente Rotterdam, waaraan is meegewerkt door deskundigen uit de makelaardij, het notariaat en de financiële wereld, om fraude in de vastgoedsector in het vizier te krijgen. Wij zullen dit alles in samenhang bezien. Voor zover er beletselen zijn in de sfeer van de gegevensuitwisseling merk ik op dat, hoezeer wij ook aan bescherming van persoonsgegevens hechten, dit geen beletsel mag zijn als fundamentele belangen in de samenleving in het gedrang komen. Voor mijn collega van BZK en mij is dit aanleiding geweest om een voorstel te doen om dat grondig te bezien. Het voorstel dat ik samen met mijn collega heb gedaan voor een commissie die daarnaar gaat kijken, wordt aanstaande vrijdag in de ministerraad behandeld.

Mevrouw Van der Burg (VVD):

Voorzitter. Ik zie graag de reactie van minister Vogelaar tegemoet op het rapport. Er stond in het artikel dat het rapport vertrouwelijk is. Mag ik ervan uitgaan dat, al zijn er mogelijk van overheidswege beletselen, de Kamer het rapport eveneens ontvangt? Ik neem de toezeggingen mee om over dit onderwerp verder te spreken in het kader van de aanpak van fraude, alsmede om eventueel met Aedes erover te spreken.

Minister Vogelaar:

Voorzitter. Ik moet de vertrouwelijkheid van het rapport even nagaan, maar ik geloof dat het in dat geval altijd mogelijk is dat de Kamer op een vertrouwelijke manier inzage krijgt. Ik zie de griffier knikken.

De heer Jansen (SP):

Voorzitter. Ik was destijds evenals minister Vogelaar aanwezig bij dat congres over de bestrijding van woonfraude. Volgens mij was dat haar eerste officiële daad na de beëdiging als minister. Bij die gelegenheid waren de gegevens die nu in de krant staan, al in grote lijnen bekend. Ik vraag mij af hoe hoog de minister de lat legt voor de corporaties? Een groot aantal corporaties blijkt eigenlijk geen beleid op dit punt te hebben. De Kamer ontvangt straks de brief van de minister. Is zij bereid om op dat moment aan te geven hoe naar haar oordeel corporaties dit probleem op een structurele manier moeten aanpakken?

Minister Vogelaar:

Voorzitter. Ik heb al gezegd eerst het rapport goed te willen bekijken. Ik ga met Aedes praten, omdat ik vind dat corporaties een actief beleid tegen woonfraude moeten voeren. Ik zal de Kamer informeren over de afspraken die ik in dat kader met Aedes zal maken. Ik stel voor dat wij naar aanleiding van die brief verder van gedachten wisselen om na te gaan of de Kamer deze afspraken al dan niet toereikend vindt.

De heer Madlener (PVV):

Voorzitter. Het artikel geeft niet in alle opzichten nieuwe inzichten. Illegale bewoning en huisjesmelkerij komen al jaren voor, zeker in de probleemwijken. Ik vind dat de plannen van minister Vogelaar dan ook op juist dat punt zeer tekortschieten. Is zij, gezien de nieuwste berichten en gezien haar onderzoek, bereid om haar 40 wijken nog eens goed tegen het licht te houden, zodat die aanpak daar echt effectief zal zijn?

Minister Vogelaar:

Voorzitter. Ik zou het bijzonder op prijs stellen om echt een keer met de Kamer van gedachten te wisselen over mijn brief. Ik heb zojuist aangegeven dat ik nog apart zal reageren op dit onderzoeksrapport. Ik stel mij echter voor dat wij dan in dat kader erover praten. Dan zullen wij zien of mijn beleid al dan niet toereikend is.

De heer Van Heugten (CDA):

Voorzitter. Het bedrag van 210 mln. per jaar aan fraude is ongeveer net zo groot als het bedrag dat wij jaarlijks in de krachtwijken investeren. Het is dus zeker de moeite waard om serieus verder te kijken naar dit onderzoek. Minister Vogelaar zegt een aantal maatregelen te hebben waarmee de opsporing van woonfraude wordt versterkt. Is de minister op de hoogte van de effectiviteit waarmee corporaties dat kunnen doen? Zullen de maatregelen als gevolg daarvan voor hen geen belemmering kunnen zijn? Daarbij doel ik op het feit dat als de woonfraude is geconstateerd en iemand uit de woning wordt gezet, die persoon vervolgens weer gehuisvest moet worden in een andere woning. Weet de minister of met name die aanpak effectief is?

Minister Vogelaar:

Voorzitter. Ik kan dat op dit moment niet beoordelen. In een nader overleg op basis van de brief die u als Kamer al heeft en de brief die u nog krijgt, zal ik daarover graag met u van gedachten wisselen.

De heer Depla (PvdA):

Voorzitter. Die brief was een reactie op een verzoek dat de Tweede Kamer een paar jaar geleden heeft gedaan om de woonfraude aan te pakken. Drie jaar geleden hebben wij geconstateerd dat op plekken waar woningcorporaties de zaak goed aanpakten, zoals in Nijmegen, Amsterdam en Rotterdam, woonfraude heel snel en gemakkelijk werd opgelost. Voordat de minister weer met Aedes gaat praten, zou ik graag vernemen hoeveel procent er de laatste jaar bij is gekomen. Ofwel, hoe effectief is onze inzet op dit punt geweest, in de zin dat woningcorporaties veel meer dan in het verleden actief fraude opsporen? Hetzelfde geldt voor de gemeenten. Ook daarbij zie je dat tot voor kort het opsporen van woonfraude niet een hoge prioriteit had. Kan de minister aangeven hoeveel dat drie jaar geleden was en hoeveel nu, zodat wij niet alleen nieuwe instrumenten kunnen bedenken, maar ook de clubs die er uiteindelijk werk van moeten maken, namelijk de gemeenten en de corporaties, achter de broek kunnen zitten?

Minister Vogelaar:

Ik kom daar graag in de genoemde brief op terug. Op dit moment weet ik niet of wij beschikken over de gegevens van drie jaar geleden waarnaar de heer Depla vraagt. Ik meen dat het onderzoek van de VROM-inspectie van dit voorjaar het eerste onderzoek is. Hebben wij die gegevens wel, dan krijgt de Kamer deze van mij.