Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634300-XVIII nr. 2

34 300 XVIII Vaststelling van de begrotingsstaten van Wonen en Rijksdienst (XVIII) voor het jaar 2016

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

     

blz.

A.

Artikelsgewijze toelichting bij het begrotingswetsvoorstel

3

       

B.

Begrotingstoelichting

4

       

1.

Leeswijzer

4

       

2.

De beleidsagenda

6

 

Tabel belangrijkste mutaties

13

 

Tabel beleidsdoorlichtingen

15

 

Tabel garanties en achterborgstellingen

17

 

Tabel belastinguitgaven per departement

17

       

3.

De beleidsartikelen

18

 

Artikel 1. Woningmarkt

18

 

Artikel 2. Woonomgeving en bouw

29

 

Artikel 3. Kwaliteit Rijksdienst

38

 

Artikel 6. Uitvoering rijksvastgoedbeleid

42

     

4.

Begroting agentschappen

48

 

4.1

Logius

48

 

4.2

P-Direkt

54

 

4.3

Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR)

61

 

4.4

FMHaaglanden (FMH)

66

 

4.5

Shared Service Centrum-ICT Haaglanden (SSC-ICT Haaglanden)

71

 

4.6

Rijksgebouwendienst (RGD)

75

 

4.7

Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB)

84

 

4.8

Dienst Vastgoed Defensie (DVD)

90

 

4.9

Dienst van de Huurcommissie (DHC)

93

       

5.

Bijlagen

100

 

5.1

ZBO’s en RWT’s

100

 

5.2

Verdiepingsbijlage

102

 

5.3

Moties en toezeggingen

106

 

5.4

Subsidiebijlage

136

 

5.5

Evaluatie- en overig onderzoek

139

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. Begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten, en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

Mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

Algemeen

Inleiding

Voor u ligt de begroting 2016 voor Wonen en Rijksdienst (XVIII).

Groeiparagraaf

In de begroting 2016 zijn ten opzichte van de begroting 2015 geen nadere wijzigingen doorgevoerd.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Europese Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma’s een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen.

De beleidsagenda

De beleidsagenda is een kernachtig overzicht van de hoofdlijnen van het beleid.

De beleidsagenda wordt afgesloten met vier tabellen:

Tabel belangrijkste mutaties

In de beleidsagenda is een overzichtstabel opgenomen met de belangrijkste beleidsmatige mutaties.

Meerjarenplanning Beleidsdoorlichtingen

In de tabel de meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen is per artikel voor de periode 2014–2021 opgenomen wanneer een beleidsdoorlichting is gerealiseerd of gepland. De aanvullende informatie wordt opgenomen in bijlage 5.5 «Evaluatie- en overig onderzoek».

Overzicht garanties en achterborgstellingen

In de beleidsagenda is een tabel «Garanties en Achterborgstellingen» opgenomen. Het betreft de hypotheekgarantie het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) en het Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW).

Belastinguitgaven per departement

In de beleidsagenda is een tabel «Belastinguitgaven» opgenomen.

De Beleidsartikelen

De begroting Wonen en Rijksdienst (XVIII) is opgebouwd uit de volgende artikelen:

Woningmarkt, Woonomgeving en bouw, Kwaliteit Rijksdienst en Uitvoering Rijksvastgoedbeleid.

Dit begrotingshoofdstuk is een programma-begroting en heeft geen apart centraal apparaatsartikel. De apparaatsuitgaven zijn opgenomen bij de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII).

Juridisch verplichte uitgaven/budgetflexibiliteit

Op grond van CW artikel 5, derde lid, onder c, moet in de begroting per beleidsartikel informatie worden opgenomen over de budgetflexibiliteit.

In de tabel budgettaire gevolgen van beleid wordt voor de programma-uitgaven vermeld welk deel daarvan juridisch is verplicht.

De peildatum van de gepresenteerde budgetflexibiliteit (juridisch verplicht) is 1 januari 2016.

Begroting agentschappen

De begroting voor Wonen en Rijksdienst kent negen baten-lastenagentschappen, te weten:

Logius, P-Direkt, Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR), FMHaaglanden (FMH), Shared Service Centrum-ICT Haaglanden (SSC-ICT), Rijksgebouwendienst (RGD), Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB), Dienst Vastgoed Defensie (DVD) en de Dienst van de Huurcommissie (DHC).

2. BELEIDSAGENDA

Implementatie hervormingen woningmarkt en Rijksdienst

Sinds enige tijd is er duidelijk sprake van herstel op de woningmarkt. De woningverkopen trekken aan en het vertrouwen van huiseigenaren en kopers groeit. Ook op de huurmarkt is de beweging ingezet naar een beter werkende markt, door een betere rolverdeling tussen corporaties en marktpartijen, modernisering van de huurprijsregulering en betere woningtoewijzing. Het is van belang dat de ingezette hervormingen op de woningmarkt consequent worden geïmplementeerd, en het vertrouwen van huishoudens, investeerders en bouwers verder aan kracht kan winnen.

Toegankelijkheid en keuzevrijheid van woonconsumenten vragen, mede vanwege ontwikkelingen in vraag en aanbod op de woningmarkt specifieke aandacht. De vraag naar vrije sector huurwoningen neemt toe. Tegelijkertijd vraagt ook de beschikbaarheid van betaalbare huurwoningen voor de doelgroep in met name schaarstegebieden aandacht. Het kabinet wil de juiste voorwaarden scheppen voor gemeenten, corporaties, particuliere investeerders en bouwers om hun rol te vervullen in het beantwoorden van de vraag.

Ook de bouwsector komt geleidelijk op gang. Dit is van groot belang om te voorkomen dat het herstel op de woningmarkt wordt afgeremd door een gebrek aan geschikt aanbod. Door ondermeer transformatie, vraaggericht bouwen, innovatie en energiebesparing wordt de bestaande gebouwde omgeving vitaler en duurzamer. Herstel in de bouw levert bovendien een bijdrage aan de werkgelegenheid en het bredere economisch herstel.

Doelstellingen van de Rijksdienst zijn een goede dienstverlening voor burgers, bedrijven en instellingen, een grotere slagvaardigheid en vermindering van kosten voor personeel en materieel van de overheid. Volgend jaar worden daartoe onder andere de maatregelen in reactie op het rapport van de Tijdelijke Commissie ICT uitgevoerd. Ook worden maatregelen genomen om de uitgaven voor het apparaat van de Rijksdienst beter te beheersen.

Op het terrein van strategisch personeelsbeleid, worden in 2016 voorbereidingen getroffen om te zorgen dat bij het aannemen door het parlement van de initiatiefwet normalisatie rechtspositie ambtenaren de implementatie bij de sector Rijk snel opgepakt kan worden. Verder zal worden geïnvesteerd in een duurzaam arbeidsperspectief voor mensen met een arbeidsbeperking. Het Management Development wordt versterkt en werknemers worden gestimuleerd om zich continue te ontwikkelen en duurzaam inzetbaar te zijn. Ook de personele mobiliteit bij de Rijksdienst wordt verder gestimuleerd.

Het Rijksvastgoedbedrijf, dat 13 miljoen vierkante meters aan gebouwen en 81.000 hectare aan grond beheert, werkt aan een toekomstbestendige vastgoedportefeuille van het Rijk. Het legt zich erop toe het vastgoed van het Rijk effectief en efficiënt in te zetten, het financiële en maatschappelijk rendement te optimaliseren en de kosten voor het Rijk te verlagen. Vastgoed dat niet in de efficiënte, functionele portefeuille past, wordt verkocht. Daarnaast is het voornemen eind 2015 monumenten over te dragen aan de Nationale Monumentenorganisatie (NMO).

Wonen

Implementeren hervormingen woningmarkt

Het doel is een vrij toegankelijke woningmarkt met steun voor degenen die dat nodig hebben. De in de afgelopen jaren ingezette maatregelen scheppen de voorwaarden voor het op orde brengen van de woningmarkt. Deze hervormingen zijn in lijn met de landenspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees Semester1. Het kabinet kiest hierbij voor een evenwichtige balans tussen enerzijds het tempo van de hervormingsmaatregelen en anderzijds de stabiliteit op de woningmarkt en de inkomenspositie van huishoudens.

Op de koopmarkt staat herstel van het vertrouwen centraal. Het aantal huishoudens dat «onder water» staat neemt voor het eerst in jaren weer af. In 2016 wordt, in lijn met de eerder aangekondigde hervormingen, de maximale loan-to-value van woninghypotheken met een procentpunt teruggebracht tot 102%. Het maximale marginale tarief van de hypotheekrenteaftrek wordt met een half procentpunt verder beperkt tot 50,5%. Huishoudens met restschulden of tijdelijke dubbele woonlasten worden ontzien. Restschulden kunnen onder voorwaarden worden meegefinancierd onder de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) en de rente over de financiering van restschulden is tot maximaal 15 jaar aftrekbaar. De hypotheekrente over de financiering van de voormalige of toekomstige eigen woning is tot 3 jaar lang fiscaal aftrekbaar. De kostengrens van de Nationale Hypotheek Garantie wordt per 1 juli 2016 teruggebracht van € 245.000 tot € 225.000. Dit is de laatste stap van de stapsgewijze afbouw van de tijdelijk verhoogde kostengrens. Vanaf 2017 wordt de kostengrens gekoppeld aan de gemiddelde woningwaarde.

Het huurbeleid wordt verder gemoderniseerd. Door aanpassing van het Woningwaarderingstelsel komt de aantrekkelijkheid van de woning beter in de huurprijs tot uitdrukking. Door de nieuwe Woningwet, die in 2015 in werking is getreden, gaan woningcorporaties zich weer meer richten op hun kerntaak. In 2016 wordt de ondersteuning van lokale partners bij de implementatie van de wet voortgezet. In dit kader heeft het kabinet in overleg met gemeenten, huurdersorganisaties en sociale verhuurders vier prioriteiten benoemd die in elke gemeente spelen en van nationaal belang zijn: betaalbaarheid en beschikbaarheid, een energiezuinige sociale huurwoningvoorraad, de huisvesting van urgente doelgroepen en het realiseren van wonen met zorg en ouderenhuisvesting.

Borgen van betaalbaarheid, toegankelijkheid en flexibiliteit in de toekomst

Het kabinet wil de woningmarkt niet alleen op orde brengen, maar ook op orde houden. De komende jaren wordt een toenemende woningbehoefte verwacht als gevolg van de voorziene groei van het aantal huishoudens. Een betaalbare en toegankelijke woningmarkt, met voldoende keuzemogelijkheden voor verschillende woonconsumenten nu en in de toekomst, is het doel.

Sociale huurwoningen moeten voldoende beschikbaar zijn voor de lagere inkomens. Woningcorporaties moeten bij de toewijzing meer rekening houden met wat huishoudens daadwerkelijk kunnen betalen. In de Woningwet is opgenomen dat ten minste 95% van de woningen die worden toegewezen aan huishoudens met recht op huurtoeslag een huur moet hebben onder de zogenaamde aftoppingsgrens. In 2016 rapporteren de woningcorporaties over de toewijzing.

In juni 2015 sloten Aedes en de Woonbond een «Sociaal Huurakkoord». In lijn met dit akkoord wordt per 1 juli 2016 een huursombenadering ingevoerd, ter vervanging van het inkomensafhankelijke huurbeleid. Hierbij mag de totale huurstijging van de huurvoorraad per corporatie niet hoger zijn dan 1% boven inflatie. Binnen de huurvoorraad mag de huurstijging per individuele woning maximaal 2,5% boven inflatie bedragen. Corporaties, gemeenten en huurdersorganisaties krijgen de ruimte om binnen deze grenzen afspraken te maken over een zogenaamde staffel (waarbij de toegestane huurverhoging afhankelijk is van de afstand tussen feitelijke huur en maximale huur). Daarnaast wordt een voorstel voor een vijfjaarlijkse inkomenstoets voor huurders voorbereid. Voor huishoudens met een inkomen boven de toewijzingsgrens blijft een maximale huurverhoging van inflatie plus 4% van kracht. Deze stappen dragen bij aan een betere vertaling van de woningkwaliteit in de huurprijzen en de borging van betaalbare huren, tegelijk blijven er prikkels om doorstroming te bevorderen. Tevens wordt een Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) uitgevoerd naar algehele werking van de sociale huurmarkt, waarin ook de werking en de uitvoering van de Huurtoeslag worden onderzocht.

Meer keuzevrijheid voor huishoudens en meer mogelijkheden voor woonconsumenten om zelf invulling te geven aan hun woonsituatie is gewenst. De nieuwe Woningwet maakt daartoe ondermeer het oprichten van wooncoöperaties mogelijk. Ook krijgen verhuurders in 2016 wettelijke mogelijkheden om onder andere jongeren en grote gezinnen een tijdelijk huurcontract aan te bieden.

Door een toenemende vraag naar tijdelijke huisvesting in het goedkope huursegment ontstaat er een toenemende kans op verdringing op stedelijke woningmarkten. Starters, studenten, herstructureringsurgenten, woningzoekenden met een zorgbehoefte, EU-arbeidsmigranten en statushouders doen in toenemende mate een beroep op dit deel van de stedelijke woningmarkt. Met de modernisering en flexibilisering van het huurbeleid moet op deze ontwikkeling worden ingespeeld.

De vraag naar huurwoningen in de vrije sector neemt toe, mede door de toenemende flexibilisering van de arbeidsmarkt. Door de heroriëntatie van woningcorporaties op hun kerntaak, het voorzien in de woningbehoefte van de lagere inkomens, komt er meer ruimte voor marktpartijen voor particuliere investeringen in de vrije huur. Met ingang van 2016 wordt de grens waarboven een huurwoning mag worden geliberaliseerd voor drie jaar bevroren. Deze maatregel kan de ruimte voor de vrije huursector vergroten en bijdragen aan verbetering van de betaalbaarheid in de sociale huursector.

Met het herstel op de woningmarkt worden verschillen tussen regio’s en groepen sterker zichtbaar. Het herstel is niet overal in dezelfde mate voelbaar, en de economische verschillen leggen mogelijke knelpunten in specifieke gebieden en voor specifieke groepen bloot.

De leefbaarheid in kwetsbare gebieden in steden en krimpregio’s wordt geborgd met een gerichte aanpak in het fysieke en sociale domein. In deze gebieden staan de leefbaarheid en woonveiligheid onder druk door complexe vraagstukken, zoals schuldenproblematiek en criminaliteit die dreigt het lokale gezag te ondermijnen. In 2016 zal de inzet zijn meer investerende partijen aan deze gebieden te verbinden en de investeringskracht van partijen te vergroten.

Bij de aanpak van krimp werken gemeenten, provincies, maatschappelijke organisaties, bewoners en bedrijven samen aan regionaal beleid voor wonen, voorzieningen en economische vitaliteit. In 2015 wordt met de provincies en krimp- en anticipeerregio’s een nieuw Interbestuurlijk Actieplan Bevolkingsdaling opgesteld2.

Vraaggericht (her)ontwikkelen, (ver)bouwen en transformeren van het woningaanbod

Voor verder herstel van de woningmarkt zijn voldoende investeringen in het woningaanbod en een goede kwaliteit van de woningvoorraad nodig. Naar verwachting zijn tot 2040 circa 1 miljoen nieuwe woningen nodig, naast toenemende aandacht voor de bestaande voorraad3. Een gezond investeringsniveau in de bouw is tevens noodzakelijk om de energiedoelstellingen te halen. Om dat mogelijk te maken, is vraaggerichte ontwikkeling, herontwikkeling en transformatie van huizen, gebouwen en gebieden nodig, moet er ruimte zijn voor bouw en verbouw van nieuwe en bestaande woningen en moeten huizen en gebouwen energiezuiniger worden gemaakt. Hiertoe worden kaders gesteld, impulsen geboden, innovaties ondersteund en ontwikkelingen in vraag en aanbod verkend en gemonitord. Ook de «City Deals»4 bij Agenda Stad dragen er aan bij.

Op de juiste plekken in het land moet voldoende locatiecapaciteit beschikbaar zijn. In wet- en regelgeving is ruimte nodig voor de ontwikkeling van het woningaanbod. Dit is in 2016 inzet bij het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). Speciale aandacht krijgen de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad. De wettelijke kaders voor ruimtelijke plannen worden vereenvoudigd door onder andere het Bouwbesluit in de Omgevingswet te integreren. Een expertteam werkt aan de versnelling van lokale en regionale ontwikkelprocedures.

In de bouw moet de regeldruk omlaag, terwijl de kwaliteit geborgd blijft. Daartoe wordt vanaf 2016 stapsgewijs een nieuw kwaliteitsborgingsstelsel ingevoerd. In het Wetsvoorstel kwaliteitsborging voor het bouwen krijgen private kwaliteitsborgingsinstrumenten een grotere rol en vervalt de gemeentelijke bouwplantoets. Ook de kwaliteit van de bestaande particuliere voorraad, vooral waar het complexen aangaat, vraagt aandacht. Met aanpassingen in wet- en regelgeving wordt de positie van Verenigingen van Eigenaren (VvE’s) versterkt, zodat zij meer kunnen investeren in onderhoud en renovatie.

De transformatie van bestaande leegstaande gebouwen biedt vele mogelijkheden om beter in te spelen op de veranderende woningvraag. De afgelopen jaren zijn door transformatie al enkele duizenden woongelegenheden gecreëerd. Het Expertteam Transformatie adviseert gemeenten, corporaties en andere betrokkenen hierbij. Als eigenaar van een omvangrijke vastgoedportefeuille, heeft de (rijks)overheid zelf een voorbeeldfunctie bij de transformatie van (rijks)vastgoed.

Verduurzamen van de gebouwde voorraad

In het Energieakkoord voor Duurzame Groei5 zijn afspraken gemaakt over energiebesparing en duurzame energieopwekking. Het akkoord bevat onder andere maatregelen om eigenaren van huizen en gebouwen te stimuleren te investeren in energiebesparende maatregelen. In 2016 wordt het Energieakkoord tussentijds geëvalueerd. Gekeken wordt of de uitvoering op schema ligt zodat de afgesproken doelen kunnen worden gehaald.

Het energielabel, het programma van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) voor verduurzaming en voorlichtingscampagnes zetten eigenaar-bewoners aan hun woningen te verduurzamen. Het Nationaal Energiebespaarfonds biedt individuele huiseigenaren en VvE’s hiertoe laagrentende financiering aan. In de huursector wordt een versnelling van energiebesparing nagestreefd met de STEP-regeling, het Fonds Energiebesparing Huursector en een groter aantal Nul-Op-De-Meter-renovaties.

Rijksdienst

Hervormingen Rijksdienst

De doelstellingen voor de Rijksdienst zijn een goede dienstverlening voor burgers, bedrijven en instellingen, een grotere slagvaardigheid en een vermindering van de kosten voor personeel en materieel van de Rijksdienst6. Lopende programma’s en projecten, onder meer gericht op digitalisering en rijksbrede aansturing en financiering van de bedrijfsvoering worden in 2016 voortgezet.

In 2016 worden de maatregelen uit de kabinetsreactie op het eindrapport van de Tijdelijke commissie ICT-projecten7 verder uitgevoerd8. Zo is onder andere het Bureau ICT-toetsing (BIT) in 2016 volledig operationeel en wordt het kenniscentrum dat informatie verzamelt en deelt over ICT-projecten van het Rijk ingericht. Vanaf 2016 worden, vooralsnog tot en met 2019, jaarlijks 30 ICT-trainees aangetrokken. In de periode tot en met 2017 wordt I-interim stapsgewijs uitgebreid met in totaal 100 professionals.

De aansturing en bekostiging van de shared service organisaties (SSO’s) voor de bedrijfsvoering van de Rijksdienst wordt verder vereenvoudigd en de dienstverlening wordt verder gestandaardiseerd. De vereenvoudiging van de aansturing en bekostiging en de verdere standaardisatie van diensten maken de afbouw van regietaken bij departementen mogelijk.

De generieke dienstverlening van FMHaaglanden9 wordt, in navolging van P-Direkt, voortaan centraal bekostigd. Centrale bekostiging vergroot de efficiency door vermindering van bestuurlijke drukte. Het opdrachtgeverschap voor FMHaaglanden voor de generieke dienstverlening komt daarbij, net als bij P-Direkt, bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te liggen in plaats van bij negen ministeries afzonderlijk.

Om de uitgaven voor het apparaat van de Rijksdienst beter te beheersen, wordt binnen de rijksbegroting een «apparaatskader» ontwikkeld. Hiervan kan enkel worden afgeweken na expliciete besluitvorming door het kabinet. Er wordt een onafhankelijke toets ontwikkeld die wordt uitgevoerd indien een ministerie de apparaatsuitgaven, samenhangend met een intensivering, niet binnen het eigen apparaatsbudget meent te kunnen dragen.

Strategisch personeelsbeleid Rijk

Naast tal van andere rollen is het Rijk ook werkgever. De rijksoverheid is een van de grootste werkgevers in Nederland. Er worden in 2016 voorbereidingen getroffen voor de implementatie van de Wet normalisatie rechtspositie ambtenaren bij de sector Rijk.

De rijksoverheid wil een sociale werkgever zijn en biedt kansen aan mensen die moeilijk een baan vinden. Het Rijk investeert in een duurzaam arbeidsperspectief voor mensen met een arbeidsbeperking. De doelstelling is om eind 2017 in totaal 1.336 extra banen ten opzichte van begin 2014 te realiseren voor deze groep werknemers.

De kwaliteit van (top)managers is een belangrijke factor voor het goed functioneren van de Rijksdienst. Het Bureau Algemene Bestuursdienst bevordert en waarborgt de kwaliteit van de ambtelijke leiding op de departementen en de top van de Nationale Politie. Ook vindt structureel uitwisseling plaats met het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In 2017 zijn vrouwen voor ten minste 30% vertegenwoordigd in (top)functies bij de rijksoverheid. Het management development (MD) wordt versterkt en gemoderniseerd, mede door een nauwere samenwerking tussen de verschillende ministeries.

Het Rijk stimuleert zijn werknemers om zich continue te ontwikkelen en duurzaam en flexibel inzetbaar te zijn. Voor de aantrekkelijkheid als werkgever, de baantevredenheid van de medewerkers en de kwaliteit van de dienstverlening moet de mobiliteit bij de Rijksdienst omhoog. In het najaar van 2015 ontvangt de Tweede Kamer hierover een brief. Het ziekteverzuim bij de Rijksdienst moet verder worden teruggedrongen. In 2016 is er extra aandacht voor langdurig verzuim10. De rijksbrede gesprekscyclus tussen leidinggevenden en medewerkers wordt verbeterd. De digitale ondersteuning van medewerkers en leidinggevenden bij het voorbereiden, voeren en vastleggen van deze gesprekken wordt verder gemoderniseerd.

Rijksvastgoed

Het Rijksvastgoedbedrijf is ontstaan uit een samenvoeging van vier vastgoedorganisaties11 binnen de Rijksdienst. De vastgoedportefeuille die daarmee is ontstaan, is de grootste en meest diverse vastgoedportefeuille van Nederland en bestaat uit (landbouw)gronden, (militaire) terreinen en gebouwen, zoals gevangenissen, rechtbanken, kazernes, vliegvelden, defensieterreinen, ministeries, havens, belastingkantoren, monumenten, musea en paleizen. In totaal gaat het om ruim 13 miljoen vierkante meters aan gebouwen en 81.000 hectare aan grond.

Het Rijksvastgoedbedrijf zet dit vastgoed in voor de realisatie van rijksoverheidsdoelen, in samenwerking met, en met oog voor de omgeving. De opdracht is het effectief en efficiënt inzetten van het rijksvastgoed, het financieel en maatschappelijk rendement uit vastgoed optimaliseren en het verlagen van de kosten voor het Rijk.

Het Rijksvastgoedbedrijf zorgt daarbij op verschillende manieren voor een toekomstbestendige vastgoedportefeuille van het Rijk.

  • Het doel is een compacte, effectief belegde vastgoedportefeuille die in omvang en samenstelling robuust is, en waarmee flexibel op ontwikkelingen kan worden ingespeeld (aanpasbaar en met evenwichtig percentage huur). De gebouwen zijn afgestemd op bedrijfsvoering van de gebruikers en zijn inzetbaar bij de realisatie van beleidsdoelen van de organisaties die er gebruik van maken.

  • Het niveau van onderhoud (de technische kwaliteit) is afgestemd op het type vastgoed en wordt geborgd in een onderhoudsstrategie. De architectonische kwaliteit en de culturele (erfgoed-) waarde van het vastgoed zijn goed geborgd.

  • Er moet ook sprake zijn van een duurzame vastgoedportefeuille die qua energieverbruik, energieopwekking, materiaalgebruik etc. aan wet- en regelgeving voldoet. Dit draagt bij aan het behalen van de rijksdoelstellingen op het gebied van duurzaamheid. Bij de realisatie en beheer van de vastgoedportefeuille is een Life Cycle Costs-benadering vanzelfsprekend.

  • Een veilige (gezonde) vastgoedportefeuille voldoet aan wet- en regelgeving en biedt een veilige en gezonde werk en leefomgeving aan zijn gebruikers. Het betreft hier brandveiligheid, externe veiligheid (explosieven, brandstof-/gasleidingen, luchtvaart, geluid, etc.) en het binnenklimaat (legionella, luchtkwaliteit, asbest, etc.).

  • De vastgoedportefeuille is indien mogelijk ook (deels) inzetbaar voor maatschappelijke doelen en is afgestemd op de context (omgeving) en het tijdsgewricht. Eind 2014 is het Rijksvastgoedbedrijf gestart om – samen met alle provincies – rijksvastgoedplannen en -beleid in de provincies in kaart te brengen. In 2016 wordt dat afgerond en is de rijksvastgoedportefeuillestrategie compleet.

  • Het vastgoed dat niet past binnen de efficiënte, functionele portefeuille wordt vlot en professioneel verkocht. Dit gebeurt marktconform, openbaar en transparant, met oog voor de trends in de markt en de bestuurlijk-maatschappelijke context. De meeste verkopen gaan gepaard met een herbestemmingsopgave en in sommige gevallen transformeert het Rijksvastgoedbedrijf het vastgoed voordat het verkocht wordt. Dit gaat in nauw overleg met gemeenten waarbij regelmatig gebruik wordt gemaakt van een samenwerkingsovereenkomst met een gemeente om tot afspraken te komen. Voor ieder object binnen de zeer diverse verkoopportefeuille heeft het Rijksvastgoedbedrijf een passende verkoopmethode.

Belangrijkste beleidsmatige mutaties t.o.v. vorig jaar (ontvangsten, uitgaven)

Opbouw uitgaven (x € 1.000)
 

art. nr.

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

 

3.603.059

3.705.232

3.872.583

4.227.377

4.393.386

0

               

Mutaties 1e suppletoire begroting

 

282.491

74.066

– 7.087

17.130

47.676

63.571

               

Nieuwe mutaties:

 

2.615

– 18.916

– 235.190

– 234.799

– 232.413

4.138.057

a. Dekking huurtoeslag

1.1

 

– 229.466

– 229.466

– 229.466

– 229.466

– 229.466

b. Compensatie tekort huurtoeslag

1.1

 

214.466

       

c. Zichtbare Schakel

2.3

 

– 9.882

– 9.882

– 10.000

– 10.000

– 10.000

d. Reservering renovatie Binnenhof

6.1

 

2.000

4.000

6.000

8.000

10.000

               

Overige mutaties

 

2.615

3.966

158

– 1.333

– 947

4.367.523

Stand ontwerpbegroting 2016

 

3.888.165

3.760.382

3.630.306

4.009.708

4.208.649

4.201.628

Opbouw ontvangsten (x € 1.000)
 

art. nr.

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

 

621.448

626.632

648.332

648.832

649.032

0

               

Mutaties 1e suppletoire begroting

 

– 19.094

– 52.824

– 80.234

– 90.993

– 95.197

– 99.185

               

Nieuwe mutaties:

 

596

55.280

16.094

5.262

1.339

649.032

e. Restitutie Rijkshuisvestingsstelsel

6

 

52.880

16.094

5.262

1.339

 
               

Overige mutaties

 

596

2.400

0

0

0

649.032

Stand ontwerpbegroting 2016

 

602.950

629.088

584.192

563.101

555.174

549.847

Toelichting

a. Dekking huurtoeslag

De dekking van de tekorten wordt binnen de huurtoeslag gezocht. Dit resulteert vanaf 2016 in een aanpassing van de huurtoeslag van € 229,47 mln. per jaar.

b. Compensatie tekort huurtoeslag

Om koopkrachtreparatie in 2016 voor uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden te bewerkstelligen wordt onder ander de bezuiniging op de Huurtoeslag uitgesteld. Ter dekking van de tekorten was bij Voorjaarsnota het budget voor de Huurtoeslag met ingang van 2016 met € 229,466 mln. per jaar verlaagd. Het invoeren van de huursombenadering leidt in 2016 tot lagere uitgaven bij de Huurtoeslag met € 15 mln. Derhalve wordt het budget nu met € 214,466 mln. verhoogd.

c. Zichtbare Schakel

Het betreft een overboeking naar begroting Volksgezondheid, Welzijn en Sport in verband met bundeling van financiële middelen gelden voor het programma Zichtbare Schakel en het stimuleringsprogramma Gezond in de Stad. De reeks is inclusief het bedrag voor Caribisch Nederland.

d. Reservering renovatie Binnenhof

In 2013 zijn de tarieven voor huisvesting bevroren. Eveneens is besloten om de afschrijvingstermijnen voor kantoren te verlengen. Hierdoor ontstaat ruimte bij de departementen. Een deel van deze ruimte wordt overgeheveld naar de begroting van WenR voor de renovatie van het Binnenhof.

e. Restitutie Rijkshuisvestingsstelsel

Het betreft een technische mutatie om de rijksbrede vereenvoudiging van de beprijzing voor huisvesting budgetneutraal te houden. De eenheidsprijs die vanaf 2016 wordt gehanteerd is gebaseerd op het voorraadniveau van het RVB van 2020. De tarieven die in rekening worden gebracht bij de departementen zijn daarmee te hoog. Met deze mutatie wordt dit effect gecorrigeerd zodat de budgettaire gevolgen voor de totale Rijksbegroting neutraal zijn.

Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen
   

(realisatie)

 

(planning)

           

Artikel

Naam artikel

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Geheel artikelonderdeel?

1

Woningmarkt

                 

1.1

Betaalbaarheid

 

           

nee1

1.2

Onderzoek en kennisoverdracht

               

nee2

2

Woonomgeving

                 

2.1

Energie en bouwkwaliteit

         

ja3

2.2

Woningbouwproductie

   

         

ja4

2.3

Kwaliteit woonomgeving

         

 

ja5

2.4

Revolverend fonds energiebesparing verhuurders

           

 

ja

3

Kwaliteit Rijksdienst

         

 

nee6

6

Uitvoering Rijksvastgoedbeleid

                 

6.1

Een doelmatige uitvoeringspraktijk van de rijkshuisvesting

               

nee7

6.2

Beheer materiële activa

         

   

nee7

X Noot
1

De beleidsdoorlichting in 2015 richt zich grotendeels op de huurtoeslag (zie ook Kamerstukken II, 2014–2015, 34 120, nr. 3). Daarnaast is er aandacht voor de doorwerking van onder andere het huurbeleid en de huurprijsregelgeving op de huurlasten en de hypotheekrenteaftrek op de kooplasten. De aflopende BEW+ regeling is in 2011 reeds uitputtend geëvalueerd. De verhuurderheffing wordt in 2016 afzonderlijk geëvalueerd. De beleidsdoorlichting kan dienen als input voor het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) «Sociale Huur», waarvan de uitkomsten in 2016 bekend zullen worden.

X Noot
2

De uitgaven voor onderzoek en kennisoverdracht op artikelonderdeel 1.2 zijn niet specifiek gericht op een bepaald beleidsdossier. Waar van toepassing worden de uitkomsten van de onderzoeken bekostigd via dit artikelonderdeel, betrokken bij de evaluaties en beleidsdoorlichtingen op een specifiek dossier. De subsidie aan Platform 31 zal in 2016 onderwerp zijn van de reguliere vijfjaarlijkse evaluatie.

X Noot
3

Het instrument «Bijdrage aan BLA» behelst de uitgaven aan RVO.nl, met name bedoeld voor het uitvoeren van diverse subsidieregelingen op het gebied van Wonen en Bouwen. Deze uitgaven worden indien van toepassing betrokken bij de evaluaties en beleidsdoorlichtingen van een specifiek beleidsdossier. Waar relevant zullen de uitkomsten van de subsidie-evaluaties worden betrokken bij de beleidsdoorlichting.

De volgende beleidsdoorlichting van Bouwkwaliteit is voorzien in 2020, zodat de Invoering wet Kwaliteitsborging (voorzien in 2017) en de invoering van het nieuwe Bouwbesluit (voorzien in 2018) hierin kunnen worden meegenomen. De beleidsdoorlichting van Energiebesparing is gepland in 2021, na het Energieakkoord (doelen 2020) en de EED-richtlijn (uitvoering gereed 2020). Er is sprake van een integrale beleidsdoorlichting door de evaluaties van 2020 en 2021 als totaal te bezien.

X Noot
4

Uitgaven op het instrument «Bijdrage aan BLA» worden indien van toepassing betrokken bij de evaluaties en beleidsdoorlichtingen van een specifiek beleidsdossier.

X Noot
5

Waar relevant zullen de uitkomsten van de subsidie-evaluaties worden betrokken bij de beleidsdoorlichting.

X Noot
6

Voor het onderdeel bedrijfsvoering Rijk wordt in 2020 een beleidsdoorlichting uitgevoerd naar het Bureau ICT Toetsing (BIT). Bij het beleidsartikel is toegelicht welke onderdelen van dit beleidsartikel kunnen worden toegelicht.

X Noot
7

De instrumenten op dit artikel hebben betrekking op de ondersteuning voor rijkshuisvesting en het onroerend goed van en voor het Rijk. Op artikel 6 wordt dan ook het beheer van de monumenten, de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat, het Ministerie van AZ en de Koning begroot en verantwoord, maar ook worden vanuit dit artikel de zakelijke lasten bekostigd en wordt de financiële relatie tussen het ministerie en het RVB geregeld.

Voor de zakelijke lasten en de «moederbijdrage» geldt dat zij geen beleidsmatige doelstellingen kennen en zich daarom niet lenen voor een doorlichting in de zin van doelmatigheid en doeltreffendheid. Daarbij komt dat op dit artikel momenteel 2 bewegingen spelen die van invloed zijn op het plannen van de evaluaties. Vanwege de voorgenomen oprichting van het agentschap Rijksvastgoedbedrijf en de vervreemding van een groot deel van de portefeuille van monumenten zonder huisvestingsfunctie naar de Nationale Monumentenorganisatie is het eerst gelegen moment voor het plannen van evaluaties vanaf 2020. Het Kader Overname Rijksvastgoed (KORV) bij verkoop is geïntroduceerd in (medio) 2014 en zal daarom in 2019 worden doorgelicht.

Voor een overzicht van de gerealiseerde beleidsdoorlichtingen en evaluaties wordt verwezen naar de meest recente jaarverslagen en/of de site van het Ministerie van Financiën: http://www.rijksbegroting.nl/beleidsevaluaties. Voor de meerjaren planning van de beleidsdoorlichtingen en evaluaties wordt verwezen naar de bijlage bij deze begroting: Bijlage «Evaluatie- en overig onderzoek». Voor de gerealiseerde beleidsdoorlichtingen en overige evaluaties zijn hyperlinks opgenomen die meteen verwijzen naar de betreffende documenten.

Overzicht garanties (x € 1.000)

Artikel 3

Omschrijving

Uitstaande garanties

Geraamd te verlenen

Geraamd te vervallen

Uitstaande garanties

Geraamd te verlenen

Geraamd te vervallen

Uitstaande garanties

Garantieplafond

   

2014

2015

2015

2015

2016

2016

2016

 

Kwaliteit Rijksdienst

Hypotheekgaranties

111

0

63

48

0

6

42

48

Toelichting

Hypotheekgaranties. Het betreft de aflopende regeling Rijkshypotheekgaranties. Bij beschikking van 23 augustus 1974, nr. AB74/U1271, van de Minister van Binnenlandse Zaken, is de mogelijkheid geschapen om onder bepaalde voorwaarden een hypotheekgarantie te verlenen voor tijdige betaling van rente en aflossing op een hypothecaire geldlening, die in verband met de aankoop van een woning is afgesloten. Er zijn in 2016 nog 2 lopende hypotheekgaranties. De verwachting is dat de laatste garantie in 2020 vervalt.

Overzicht achterborgstellingen

Achterborgstelling: Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW)

Kengetallen (x € 1 mln)

Ultimo 2014

Ultimo 2015

Ultimo 2016

Achterborgstelling

85.100

85.300

85.000

Bufferkapitaal

485

498,5

511,5

Obligo deelnemers

3.200

3.229

3.216

Stand begrotingsreserve

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Bron: Jaarverslag 2014 en Liquiditeitsprognose 2015–2019 WSW

Toelichting

Versterking risicobeheersing

Het WSW staat borg voor de leningen die woningcorporaties aantrekken voor de bouw van sociale huurwoningen. Ingeval WSW daarbij niet aan de verplichtingen kan voldoen, dan verstrekken het Rijk en de gemeenten – als achterborg – renteloze leningen aan het WSW (ieder voor 50%). Deze situatie heeft zich nog nooit voorgedaan en wordt op basis van de huidige prognose ook niet verwacht.

Per 1 juli 2015 is de nieuwe Woningwet in werking getreden waardoor corporaties minder financiële risico’s (kunnen) lopen in hun werkzaamheden en ook het toezicht hierop is versterkt. De Tweede Kamer is voorts bij brief van 1 juni 2015 (Kamerstukken II, 2014–2015, 29 453, nr. 389) geïnformeerd over maatregelen om te komen tot een verdere versterking van de risicobeheersing en de prikkels in het borgingsstelsel. Kortheidshalve wordt verder naar deze brief verwezen.

Achterborgstelling: Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW): Nationale Hypotheekgarantie

Kengetallen (x € 1 mln)

Ultimo 2014

Ultimo 2015

Ultimo 2016

Achterborgstelling

175.561

182.101

184.728

Bufferkapitaal

808

806

759

Obligo deelnemers

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Stand begrotingsreserve

50

50

50

Bron: Stichting WEW

Toelichting

Op basis van de liquiditeitsprognoses van het WEW is de verwachting dat het fondsvermogen van het WEW de komende jaren zal afnemen. Dit is het gevolg van de krediet- en woningmarktcrisis in de afgelopen jaren. Het fondsvermogen is bedoeld voor het onder ongunstige conjuncturele omstandigheden opvangen van toenemende verliezen. Op basis van de huidige inzichten en bij ongewijzigd beleid zal het waarborgfonds zich naar verwachting na 2019 herstellen richting het huidige niveau. Op basis van de voorliggende liquiditeitsprognose wordt verwacht dat er voor de periode van 2015 tot en met 2020 geen aanspraken worden gedaan op de achterborgstelling.

Belastinguitgaven per departement

Belastinguitgaven

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

               

Verlaging lastendruk op inkomsten uit vermogen

             

Gedeeltelijke vrijstelling van inkomsten uit kamerverhuur

45

46

48

50

52

55

57

               

Overdrachtsbelasting

             

Vrijstelling overdrachtsbelasting stedelijke herstructurering

2

3

3

3

3

3

3

3. DE BELEIDSARTIKELEN

Artikel 1. Woningmarkt

A Algemene doelstelling

Een vrij toegankelijke, vraaggerichte woningmarkt met steun voor degenen die dat nodig hebben.

B Rol en verantwoordelijkheid

De Minister voert de regie over een heldere verdeling van rollen en verantwoordelijkheden van de verschillende partijen op het terrein van wonen.

De Minister voert via regelgeving de regie ten aanzien van het bevorderen van een evenwichtige verdeling van de woningvoorraad op grond van de Huisvestingswet.

De Minister is verantwoordelijk voor regelgeving met betrekking tot de betaalbaarheid van het wonen, onder meer via de Wet op de huurtoeslag, de huurprijsregulering en maatregelen ten aanzien van de koopwoningmarkt.

De Minister is verantwoordelijk voor regelgeving met betrekking tot de fiscale behandeling van de eigen woning en de hypothecaire leennormen. Tevens draagt de Minister zorg voor het kapitaalmarktbeleid betreffende investeringen in de woningmarkt. Dit betreft onder meer het beleid ten aanzien van de Nationale Hypotheekgarantie (NHG) en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW).

De Minister is verantwoordelijk voor regelgeving met betrekking tot het instrument huurtoeslag en het budgettair beheer hiervan op grond van de Wet op de huurtoeslag. De uitvoering van de huurtoeslag is, op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR), onder verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën, belegd bij de Belastingdienst/Toeslagen. Deze dienst is ook verantwoordelijk voor de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de toeslag.

De Minister is verantwoordelijk voor regelgeving met betrekking tot de verhuurderheffing. De uitvoering van de verhuurderheffing is, onder verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën, belegd bij de Belastingdienst. Deze dienst is verantwoordelijk voor de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van deze heffing.

De Minister is verantwoordelijk voor de regelgeving ten aanzien van woningcorporaties en het toezicht hierop. Voor de huisvesting van diegenen die moeilijkheden ondervinden bij het vinden van adequate huisvesting op de woningmarkt, spelen woningcorporaties een belangrijke rol, waarbij het huisvesten van huishoudens met een inkomen tot € 34.911 (inkomensgrens 2015) tot hun kerntaak behoort.

De Minister draagt zorg voor een adequate uitvoering van een laagdrempelige beslechting van huurgeschillen. In het Burgerlijk Wetboek (art. 7:249 t/m 7:261) is vastgelegd dat huurders en verhuurders een beroep kunnen doen op de Huurcommissie. De organisatie en werkwijze van de Huurcommissie, evenals de administratieve ondersteuning door de Dienst van de Huurcommissie (DHC), is vastgelegd in de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (Uhw).

C Beleidswijzigingen

In 2016 zal de implementatie van de Woningwet een belangrijke plaats innemen. De wet voorziet in verplichtingen voor de corporatiesector waar in 2015 ten dele al aan voldaan dient te worden, maar er zijn ook verplichtingen die in 2016, 2017 en 2018 gaan gelden (bv scheiding DAEB -niet DAEB).

In het beleidsverslag is aangegeven, dat in 2016 de ondersteuning van lokale partners bij de implementatie van de Woningwet wordt voortgezet. Hiertoe zullen in overleg met gemeenten, huurdersorganisaties en verhuurders prioriteiten worden benoemd.

Het rijk zal in de Staat van de Volkshuisvesting monitoren of de landelijk geformuleerde prioriteiten gerealiseerd worden.

Het toezicht op woningcorporaties is versterkt met de komst van de Autoriteit woningcorporaties per 1 juli 2015. In 2016 zal de organisatie van de nieuwe Autoriteit, waarin zowel het vroegere volkshuisvestelijke als het financiële toezicht zijn ondergebracht, verder gestalte krijgen.

Per 1 juli 2015 is, met de inwerkingtreding van de herziene Woningwet, de saneringstaak en de reguliere projectsteun van het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV) overgegaan naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De saneringstaak is op hetzelfde moment gemandateerd aan het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW). De middelen verbonden aan de saneringstaak en de projectsteun worden via de begroting WenR ondergebracht in een begrotingsreserve. De initiële storting in de reserve zal circa € 294 mln. bedragen. Bij tweede suppletoire begroting 2015 zullen de mutaties zichtbaar worden gemaakt in de begrotingsstaten.

Daarnaast zal het publiekrechtelijk toezicht op het WSW in 2016 worden ingericht op basis van een in de tweede helft van 2015 bij het parlement voor te hangen Amvb. Hierin zullen regels worden gesteld aan de wijze waarop het WSW in borging voorziet en de governance van het WSW zelf. De Autoriteit woningcorporaties zal het toezicht op het WSW gaan uitoefenen.

Met de inwerkingtreding van de nieuwe Woningwet zijn woningcorporaties zoals in de beleidsagenda aangegeven verplicht om ten minste 95 procent van de huishoudens met recht op huurtoeslag een woning toe te wijzen met een huur onder de aftoppingsgrens. Voor woningcorporaties betekent dit in de praktijk, dat zij met ingang van 1 januari 2016 woningen moeten toewijzen volgens de nieuwe regels. Met deze maatregel wordt de betaalbaarheid van het wonen voor de doelgroep van de huurtoeslag verzekerd.

In 2016 zal de evaluatie verschijnen van de verhuurderheffing. Deze evaluatie is aan het parlement toegezegd bij de behandeling van de Wet Maatregelen Woningmarkt II. In de evaluatie wordt ingegaan op de effecten van de heffing voor verhuurders (woningcorporaties en particuliere verhuurders) en de betaalbaarheid en beschikbaarheid van gereguleerde huurwoningen.

In lijn met het Sociaal Huurakkoord dat Aedes en Woonbond in juli 2015 overeengekomen zijn, streeft het kabinet naar invoering van een huursombenadering met ingang van 1 juli 2016. Het gaat dan om de volgende maatregelen:

  • De gemiddelde huurstijging per woningcorporatie mag niet hoger zijn dan de inflatie plus 1 procent (inclusief harmonisatie);

  • Binnen deze huursom zijn op individueel niveau huurstijgingen mogelijk tot maximaal 2,5 procent bovenop de inflatie;

  • Het kabinet biedt op lokaal niveau ruimte aan woningcorporaties, gemeenten en huurdersorganisaties om binnen deze grenzen afspraken te maken over een zogenaamde staffel (waarbij de toegestane huurverhoging afhankelijk is van de afstand tussen feitelijke huur en maximale huur). Voor zittende huurders van corporatiewoningen heeft dit op jaarbasis vanaf 1 juli 2016 een positief inkomenseffect van gemiddeld 0,1% voor huurtoeslagontvangers, oplopend tot 0,4% voor huishoudens zonder huurtoeslag met een inkomen onder de € 38.950. Voor ouderenhuishoudens is ook bij een hoger inkomen sprake van een positief inkomenseffect.

Om te voorkomen dat de doorstroming in de gereguleerde huur stilvalt als gevolg van het vervallen van de inkomensafhankelijke huurverhogingen, bereidt het kabinet wetgeving voor een vijfjaarlijkse inkomenstoets voor.

Daarnaast worden de mogelijkheden voor tijdelijke huurcontracten verruimd. Zo komen er, analoog aan de campuscontracten, meer mogelijkheden om doorstroming te bevorderen bij woningen voor bepaalde doelgroepen. Daarnaast komt er een huurovereenkomst voor korte tijd, waarmee het makkelijker wordt om woningen voor korte tijd te verhuren.

Voor de NHG-hypotheken die worden afgesloten vanaf 1 januari 2015 ontvangt het Rijk een jaarlijkse vergoeding van het WEW (0,15%-punt van de premie) voor de achtervangpositie. De vergoeding over 2015 komt begin 2016 in zijn geheel binnen. Pas dan zal meer duidelijkheid zijn over de omvang van de vergoeding. Het verwerken in de begroting hiervan loopt mee in de eerste suppletoire begroting 2016. De middelen komen ten goede aan de begrotingsreserve NHG.

Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)
   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen:

3.382.465

3.515.318

3.569.919

3.449.077

3.630.143

3.826.025

4.017.655

                 

Uitgaven:

3.404.536

3.473.326

3.569.919

3.449.077

3.630.143

3.826.025

4.017.655

 

Waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
                 

1.1

Betaalbaarheid

3.396.259

3.465.227

3.562.537

3.441.415

3.624.481

3.820.345

4.011.668

 

Subsidies

22.124

14.415

9.788

8.488

7.710

7.710

7.710

 

Beleidsprogramma betaalbaarheid

1.045

508

508

508

500

500

500

 

Bevordering eigen woningbezit

19.923

12.699

8.122

6.922

6.239

6.239

6.239

 

Woonconsumentenorganisaties

1.156

1.208

1.158

1.058

971

971

971

 

Opdrachten

445

1.392

987

711

618

635

643

 

Beleidsprogramma betaalbaarheid

421

1.362

987

711

618

635

643

 

Onderzoek en kennisoverdracht

24

30

0

0

0

0

0

 

Inkomensoverdracht

3.360.001

3.436.011

3.536.049

3.419.610

3.603.928

3.799.774

3.991.089

 

Huurtoeslag

3.360.001

3.436.011

3.536.049

3.419.610

3.603.928

3.799.774

3.991.089

 

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

0

0

2.890

2.890

2.890

2.890

2.890

 

Beleidsprogramma betaalbaarheid (Agentschap (RvO)

0

0

2.890

2.890

2.890

2.890

2.890

 

Bijdragen aan ZBO's / RWT's

13.689

11.909

12.417

9.310

8.929

8.930

8.930

 

Huurcommissie

13.558

11.594

12.102

8.995

8.614

8.615

8.615

 

Overige uitvoeringsinstanties

131

315

315

315

315

315

315

 

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

0

1.500

406

406

406

406

406

 

Overige uitvoeringsinstanties

0

1.500

406

406

406

406

406

                 

1.2

Onderzoek en kennisoverdracht

8.277

8.099

7.382

7.662

5.662

5.680

5.987

 

Subsidies

3.296

1.801

1.801

1.801

1.801

1.801

1.801

 

Samenwerkende kennisinstellingen e.a.

3.296

1.801

1.801

1.801

1.801

1.801

1.801

 

Opdrachten

4.981

6.298

5.581

5.861

3.861

3.879

4.186

 

Basisonderzoek en verkenningen

4.981

6.298

5.581

5.861

3.861

3.879

4.186

                 

Ontvangsten:

496.935

446.254

442.429

426.966

417.007

413.003

409.015

D2 Budgetflexibiliteit

Het uitgavenbudget van artikel 1 is 100% juridisch verplicht door de grote omvang van het huurtoeslagbudget.

Subsidies

De subsidies zijn voor het begrotingsjaar voor 100% juridisch verplicht. Het betreft vooral in het verleden aangegane verplichtingen op basis van de Wet bevordering eigenwoningbezit (BEW).

Opdrachten

De opdrachten zijn voor het begrotingsjaar gedeeltelijk juridisch verplicht. Uitgaven betreffen (onderzoeks-)opdrachten die inspelen op de beleidsactualiteit. Deze middelen worden aangewend voor de uitfinanciering van tot en met 2015 aangegane verplichtingen en bestuurlijke verplichtingen voor de periodiek terugkerende basisonderzoeken.

Inkomensoverdracht

Het huurtoeslagbudget 2016 is 100% juridisch verplicht. Jaarlijks wordt een verplichting aangegaan voor het gehele huurtoeslagbudget voor het begrotingsjaar.

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

De bijdragen aan baten-lastenagentschappen zijn voor 100% juridisch verplicht. Het betreft verplichtingen die aangegaan zijn voor het uitvoeren van de BEW en Eigenwoningen-regelingen.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

De bijdrage aan ZBO’s/RWT’s is 100% juridisch verplicht. Dit betreft de jaarlijkse opdracht aan de Dienst van de Huurcommissie (DHC).

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

De bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken is voor 100% juridisch verplicht.

E Toelichting op de instrumenten

1.1 Betaalbaarheid

Subsidies

Beleidsprogramma betaalbaarheid

Het programma betaalbaarheid omvat een veelheid van activiteiten op het gebied van de woningmarkt onderverdeeld naar huur(toeslag)/koop/corporaties.

Voor werkzaamheden op dit gebied verstrekt het Ministerie samen met huurders, verhuurorganisaties en andere partijen voor woningmarktontwikkeling subsidies en opdrachten aan diverse partijen.

Zo wordt bijgedragen aan experimenten in het kader van flexibel en tijdelijk huren en worden Woningwaarderingstelsel (WWS) aanpassingen/varianten doorgerekend. Daarnaast wordt het Nibud ondersteund ten behoeve van het maken van berekeningen ten aanzien van de hypotheek(verstrekkings)normen: (-de loan to value (LTV) en de loan to income (LTI)).

In 2016 wordt verdergaand de implementatie van de herziene Woningwet ondersteund.

Gemonitord en gerapporteerd wordt onder andere ook over de beschikbaarheid (waaronder betaalbaarheid) van woningen en er wordt jaarlijks verslag gedaan over de huurtoeslag.

Bevordering eigen woningbezit (BEW)

Zoals gemeld aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 32 123 XVIII, nr. 74), is voor nieuwe toekenningen op grond van de Wet Bevordering eigen woningbezit geen budget meer beschikbaar. De meerjarig beschikbare middelen dienen uitsluitend tot betaling van in het verleden aangegane verplichtingen.

Om de financierbaarheid van het eigen woningbezit te borgen is het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties achtervang voor het Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) die de uitvoering verzorgt van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG).

Woonconsumentenorganisaties

De Woonbond en de Stichting VACpunt Wonen ontvangen financiële bijdragen voor de uitvoering van een met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties overeengekomen programma van activiteiten op het gebied van kennisoverdracht, voorlichting en scholing. Doel is de positie van de woonconsument te versterken om recht te doen aan zijn positie op de woningmarkt.

Opdrachten

Beleidsprogramma betaalbaarheid

Het beleidsprogramma betaalbaarheid wordt onder het instrument subsidies toegelicht.

Inkomensoverdracht

Huurtoeslag

Bij de huurtoeslag is er sprake van een tekort van € 258,3 mln. voortkomend uit de realisatie in 2014. Voor 2015 en later worden meerjarig tekorten geraamd van gemiddeld € 148,2 mln. per jaar. De tekorten worden veroorzaakt door enerzijds hogere uitgaven en anderzijds lagere inkomsten dan verwacht. De hogere uitgaven worden voor het grootste deel veroorzaakt door een hoger aantal aanvragers dan geraamd. De tekorten kunnen vanwege de gehanteerde systematiek vanaf begrotingsjaar 2016 worden ingepast. Inclusief het tekort over 2014 is er sprake van een gemiddeld tekort van € 229 mln. per jaar in de periode 2016–2020.

Het vervangen van de huidige inkomensafhankelijke huurverhogingen door het invoeren van de huursombenadering leidt tot een verlaging van de problematiek in 2016 met € 15 mln. De besparing loopt in latere jaren op. In de augustusbesluitvorming is dekking buiten de huurtoeslag gevonden voor de resterende problematiek in 2016. Over dekking van de resterende tekorten in latere jaren wordt komend voorjaar besloten, waar mogelijk worden daarbij de resultaten van het IBO sociale huur betrokken.

Om inzicht te geven in de uitwerking van de huurtoeslag op de huurlasten voor huurtoeslagontvangers tonen onderstaande grafieken het aandeel van de bruto huur dat per saldo (na aftrek van de huurtoeslag) nog netto door huurtoeslagontvangers is verschuldigd. Dit cijfer is berekend voor voorbeeldhuishoudens met een huur rond de diverse huurtoeslaggrenzen en met een minimuminkomen.

Uit de grafieken blijkt, dat het aandeel van de bruto huur dat door de huurtoeslagontvanger zelf netto nog betaald moet worden in 2016 voor de voorbeeldhuishoudens met een huurprijs rond de kwaliteitskortingsgrens licht daalt.

De daling die zich vanaf 2013 heeft ingezet heeft ermee te maken dat de jaarlijkse indexering van de eigen bijdrage in de huurtoeslag lager is dan de gemiddelde bruto-huurontwikkeling.

De reden hiervoor is dat de indexering van de eigen bijdrage in de huurtoeslag geen rekening houdt met het harmonisatie-effect (het feit dat huren bij verhuizing sterker kunnen worden verhoogd) en dat de eigen bijdrage in de huurtoeslag moet worden geïndexeerd met de netto-bijstandsontwikkeling als deze lager is dan de huurontwikkeling exclusief harmonisatie.

Verhouding bruto en netto huur Eenpersoonshuishouden

Verhouding bruto en netto huur Eenpersoonshuishouden

Verhouding bruto en netto huur Meerpersoonshuishouden

Verhouding bruto en netto huur Meerpersoonshuishouden

Verhouding bruto en netto huur Eenpersoonshuishouden-ouderen

Verhouding bruto en netto huur Eenpersoonshuishouden-ouderen

Verhouding bruto en netto huur Meerpersoonshuishouden-ouderen

Verhouding bruto en netto huur Meerpersoonshuishouden-ouderen

Verhuurderheffing

In 2016 zal de verhuurderheffing gecontinueerd worden conform de afspraken in het Woonakkoord. Hierin is de verhuurderheffing 2017 verlaagd ten opzichte van het Regeerakkoord. Verder is vastgelegd, dat de verhuurderheffing op termijn dezelfde bijdrage levert aan het op orde brengen van de overheidsfinanciën als in het Regeerakkoord is opgenomen. Het kabinet gaat er van uit, dat de heffing ook in de toekomst blijft bestaan en verder oploopt. Vanaf 2018 volgt de raming van de verhuurderheffing de reeks die in het Regeerakkoord is afgesproken. Hierin is afgesproken, dat de verhuurderheffing op termijn evenredig wordt verhoogd met het gebruik van de huurtoeslag als gevolg van de maatregelen op de huurmarkt. Hierdoor loopt het beroep op de huurtoeslag vanaf 2018 op. In 2016 zal een evaluatie van de verhuurderheffing aan de Kamer worden gestuurd.

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

Beleidsprogramma betaalbaarheid

De bijdrage dient ter bekostiging van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voor de uitvoering van de Wet Bevordering Eigenwoningbezit en de Regeling Vermindering Verhuurderheffing.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Huurcommissie

Het werkterrein van de Huurcommissie wordt gevormd door het gereguleerde deel van de markt voor huurwoonruimte. Als huurders en verhuurders een geschil hebben over de hoogte van de huurprijs of van de servicekosten en er onderling niet uitkomen, doet de Huurcommissie op verzoek uitspraak in dergelijke geschillen. Sinds 2012 beslecht de Huurcommissie ook geschillen in het kader van de Wet op het overleg huurders verhuurder (WOHV).

De Huurcommissie werkt als opdrachtnemer van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Voor 2016 worden de onderstaande productieaantallen geraamd.

Kengetallen

Procedure

Aantallen 2016

Behandeltermijnen

Beslechting huurprijsgeschillen

4.800

90% afgerond binnen 4 maanden

Beslechting servicekostengeschillen

1.900

90% afgerond binnen 5 maanden

Beslechting van huurverhogingsgeschillen op basis van punten

2.300

90% afgerond binnen 4 maanden

Beslechting van huurverhogingsgeschillen op basis van inkomen1

300

90% afgerond binnen 4 maanden

Beslechting van WOHV-geschillen

20

90% afgerond binnen 4 maanden

Verklaringen over de redelijkheid van de huurprijs in het kader van behandeling van huurtoeslagaanvragen door de Belastingdienst

280

 

Totaal

9.600

 

Bron: Huurcommissie

X Noot
1

betreft de afwikkeling van aanvragen die in 2015 zijn ontvangen

Voor de doorlooptijden van huurgeschilbeslechting staat in de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte een termijn van maximaal vier maanden. Omdat de Huurcommissie voor het halen van de doorlooptijd ook afhankelijk is van de medewerking van huurder en verhuurder (het verstrekken van de benodigde informatie, het meewerken aan onderzoek in de woning, aanwezigheid op de hoorzitting), kan de termijn van vier maanden niet in alle gevallen gerealiseerd worden. De wet kent de mogelijkheid om in die gevallen gemotiveerd een langere doorlooptijd te hanteren.

Voor de geschilbeslechting op basis van de Wet op het overleg huurders verhuurder (WOHV) geldt een wettelijke termijn van acht weken met eveneens de mogelijkheid om gemotiveerd een langere doorlooptijd te hanteren. De ervaringen met de WOHV-geschillen leren, dat partijen hechten aan goed overleg onder auspiciën van de Huurcommissie, als gevolg waarvan de termijn van acht weken doorgaans niet gehaald wordt, zonder dat dit op bezwaren van betrokkenen stuit. Voor nadere informatie over de Huurcommissie wordt verwezen naar de agentschapparagraaf 4.9.

Overige uitvoeringsinstanties

De bijdragen dienen ter bekostiging van een aantal uitvoeringsorganisaties, waaronder de Autoriteit woningcorporaties.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Overige uitvoeringsinstanties

De bijdragen dienen ter bekostiging van een aantal uitvoeringsorganisaties waaronder de belastingdienst voor verstrekking van inkomensgegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de inkomensafhankelijke huurstijging.

1.2 Onderzoek en kennisoverdracht

Subsidies

Samenwerkende kennisinstellingen (Nationaal kennisinstituut voor stedelijke en regionale ontwikkelingen) en overig onderzoek

In afstemming met de eigen activiteiten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt een gedeelte van het beschikbare budget ingezet voor activiteiten van het Nationaal kennisinstituut voor stedelijke en regionale ontwikkeling, Platform 31.

Overig onderzoek is noodzakelijk voor het onderbouwen van beleid, het verrichten van strategische verkenningen en het bieden van instrumenten aan andere partijen om hun rol en verantwoordelijkheden waar te maken.

In 2016 zal subsidie verstrekt worden binnen het programma Agenda Stad en EU 2016 Urban Agenda.

Opdrachten

Basisonderzoek en verkenningen

De activiteiten voor (basis)onderzoek en kennisoverdracht hebben betrekking op het terrein van Wonen en Bouwen. De ontwikkelingen op de woningmarkt vragen om actuele gegevens over de woningmarkt voor de basisonderzoeken, benchmarks en ondersteuning, alsmede doorrekening van beleid. Het budget wordt besteed aan onder meer verkenningen, monitoring en onderbouwen van beleid, dataverzamelingen en ramingsmodellen.

In 2016 zal een deel van de opdrachten verstrekt worden binnen het programma Agenda Stad en de Europese Urban Agenda. De activiteiten in het kader van Agenda Stad dragen bij aan een concurrerend stedennetwerk, door het in samenhang versterken van groei, leefbaarheid en innovatie. Het budget wordt onder meer besteed aan ontwikkeling en uitvoering van beleid, het organiseren van kennisoverdracht en het ondersteunen van coalities voor stedelijke innovatie (City deals).

De activiteiten in het kader van de Europese Urban Agenda dragen bij aan het terugdringen en verbeteren van Europese regelgeving die stedelijke ontwikkeling onnodig beperkt (Better Regulation), betere toegankelijkheid en benutting van Europese fondsen en het delen van kennis en best practices over innovatieve oplossingen voor Europese stedelijke uitdagingen. Het budget wordt besteed aan de ondersteuning van activiteiten gericht op de ontwikkeling van een Urban Agenda.

Ontvangsten

Zie de toelichting bij inkomensoverdracht.

Artikel 2. Woonomgeving en bouw

A Algemene doelstelling

Een goede woon- en leefomgeving in steden en dorpen alsmede de vraaggerichte (her)ontwikkeling en (ver)bouw van veilige, gezonde, betaalbare, energiezuinige huizen en gebouwen.

B Rol en verantwoordelijkheid

Op basis van de Woningwet (hoofdstuk V) is de Minister verantwoordelijk voor woningbouw. Deze verantwoordelijkheid omvat de zorg voor voldoende omvang, kwaliteit en differentiatie van de woningvoorraad. De Minister geeft invulling aan deze verantwoordelijkheid door innovatie te bevorderen, belemmeringen weg te nemen en mededinging te versterken, waardoor onder andere meer ruimte ontstaat voor kleinschalige, natuurlijke groei, het voorzien in eigen woningbehoefte, (collectief) particulier opdrachtgeverschap (CPO) en meegroei-, mantel- en meergeneratiewoningen.

Op basis van de Woningwet (artikel 2) is de Minister verantwoordelijk voor de bouwregelgeving (beheer en vernieuwing/aanpassing). De Minister geeft invulling aan de stelselverantwoordelijkheid door kaderstelling, door het stellen van minimumeisen aan de staat, het bouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken in wet- en regelgeving, ondersteuning van innovatie en monitoring.

Op basis van de Woningwet (artikel 120), de Wet milieubeheer (hoofdstuk 4) en de Kadasterwet is de Minister verantwoordelijk voor het stimuleren van energiebesparing en reductie van CO2– uitstoot in de gebouwde omgeving. De Minister geeft invulling aan deze verantwoordelijkheid door kaderstelling (wet- en regelgeving), het uitvoeren van de acties van het Energieakkoord voor duurzame groei waar het Rijk verantwoordelijk voor is, ondersteuning van innovatie (onder andere door middel van subsidies en zachte leningen) en monitoring.

Op basis van de Woningwet (artikel 80a) draagt de Minister zorg voor de bevordering en ondersteuning van stedelijke vernieuwing. De primaire verantwoordelijkheid ligt bij de gemeenten en vervolgens bij de provincie, in samenwerking met maatschappelijke organisaties, bedrijven en bewoners. De zorg van de Minister geldt met name voor het ondersteunen van regionale partijen bij de versterking van de leefbaarheid in de stedelijke gebieden en krimp- en anticipeergebieden door onder meer verbetering van de woonomgeving en voorzieningen, veiligheid en economisch draagvlak. Belangrijke instrumenten van de Minister hiertoe zijn: het aanpassen van belemmerende wet- en regelgeving, advisering, kennisoverdracht, monitoring van resultaten en het aanspreken van medeverantwoordelijke departementen, met het oog op een integrale (gebiedsgerichte) aanpak.

Op basis van de Huisvestingswet stimuleert de Minister in beleidsmatige zin de huisvesting van bijzondere aandachtsgroepen.

Op basis van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (artikel 5) kan de Minister op aanvraag van de gemeenteraad, gebieden aanwijzen waarin aan woningzoekende huurders eisen kunnen worden gesteld. Het gaat hierbij om kwetsbare gebieden waar de leefbaarheid zwaar onder druk staat en waar sprake is van een opeenstapeling van problemen op sociaal, fysiek en economisch terrein. Dreigende polarisatie of jihadisme kan ook een reden zijn voor gebiedsaanwijzing.

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (Kamerstukken II, 32 660, nr. 17) staat dat de nieuwbouwprogrammering grotendeels wordt overgelaten aan provincies en gemeenten. In de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad worden de bestaande verstedelijkingsafspraken onderdeel van de integrale aanpak voor deze gebieden.

C Beleidswijzigingen

Met als doel een betere en duurzame leer- en werkomgeving voor leerlingen en docenten hebben de ministeries van BZK, EZ, IenM en OCW, het Klimaatverbond, Ruimte-OK, de VNG, de PO-Raad en de VO-raad besloten een « Green Deal Verduurzaming Scholen» op te stellen. Het potentieel aan schoolgebouwen is groot: in Nederland staat voor 18 miljoen vierkante meter aan schoolgebouwen. Verduurzaming van schoolgebouwen leidt tot veel energiebesparing en dus lagere energiekosten voor scholen. Verbetering van het binnenmilieu leidt tot betere leerprestaties van leerlingen en betere arbeidsomstandigheden voor docenten. Met de Green Deal wordt een belangrijke stap gezet richting uitvoering van de afspraak uit het Energieakkoord met betrekking tot scholen.

Met het Wetsvoorstel kwaliteitsborging voor het bouwen wordt een stelsel geïntroduceerd waarmee private instrumenten voor kwaliteitsborging tijdens de bouw en bij oplevering een rol krijgen. De gemeentelijke preventieve toets van een bouwplan vervalt hiermee. De private instrumenten worden beoordeeld door een toelatingsorganisatie (een ZBO), die in 2016 verder moet worden opgezet en ingericht, zodat de organisatie in de loop van 2016 instrumenten kan beoordelen en toelaten.

Ook wordt in 2016 gewerkt aan de verdere uitwerking van de onderliggende regelgeving bij het Wetsvoorstel kwaliteitsborging voor het bouwen, zodat het nieuwe stelsel vanaf 2017 stapsgewijs kan worden ingevoerd.

De ondersteuning van de krimp- en anticipeerregio’s door het rijk bij het begeleiden van regionale krimpopgaven verschuift van bewustwording en visievorming naar regionale uitvoering van aanpakken en acties. Met alle krimp- en anticipeerregio’s en de desbetreffende provincies worden daartoe samenwerkingsagenda’s opgesteld met een looptijd tot uiterlijk 2019. Daarna worden de regio’s geacht de met krimp samenhangende problematiek zelfstandig op te kunnen pakken. Dit zal onderdeel zijn van een evaluatie in 2020.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)
   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen:

118.601

308.085

105.530

67.209

22.535

18.886

18.111

                 

Uitgaven:

90.136

175.585

26.530

20.219

217.535

218.886

18.111

 

Waarvan juridisch verplicht

   

77%

       
                 

2.1

Energie en bouwkwaliteit

67.505

81.111

15.588

9.999

207.999

209.550

9.175

 

Subsidies

64.830

69.474

9.182

4.016

202.336

204.187

3.814

 

Beleidsprogramma Energiebesparing

4.825

6.564

8.222

3.216

3.216

3.217

3.214

 

Beleidsprogramma bouwregelgeving

1.306

1.850

600

600

600

600

600

 

Energiebesparing verhuurders

0

400

300

200

198.520

200.370

0

 

FES IAGO

0

360

0

0

0

0

0

 

Innovatieregelingen gebouwde omgeving

1.709

0

0

0

0

0

0

 

Revolverend fonds EGO

50.000

60.000

0

0

0

0

0

 

Tijdelijke regeling blok voor blok

80

300

60

0

0

0

0

 

Tijdelijke stimuleringsregeling energiebesparing

6.910

0

0

0

0

0

0

 

Opdrachten

2.675

11.637

6.406

5.983

5.663

5.363

5.361

 

Beleidsprogramma Energiebesparing

1.634

9.295

4.313

3.853

3.533

3.233

3.231

 

Beleidsprogramma bouwregelgeving

998

2.342

2.093

2.130

2.130

2.130

2.130

 

Innovatieregelingen gebouwde omgeving

43

0

0

0

0

0

0

                 

2.2

Woningbouwproductie

18.880

19.384

8.583

8.023

7.289

7.089

7.089

 

Subsidies

340

200

200

200

200

0

0

 

Beleidsprogramma woningbouwproductie

340

200

200

200

200

0

0

 

Opdrachten

377

1.723

1.573

1.573

1.573

1.573

1.573

 

Beleidsprogramma woningbouwproductie

377

1.723

1.573

1.573

1.573

1.573

1.573

 

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

18.163

17.461

6.810

6.250

5.516

5.516

5.516

 

Beleidsprogramma woningbouwproductie (Agentschap RvO)

18.163

17.461

6.810

6.250

5.516

5.516

5.516

                 

2.3

Kwaliteit woonomgeving

3.551

1.890

1.959

1.797

1.847

1.847

1.847

 

Subsidies

2.650

749

749

749

799

799

799

 

Beleidsprogramma woonomgeving e.a.

2.650

749

749

749

799

799

799

 

Opdrachten

776

1.141

1.210

1.048

1.048

1.048

1.048

 

Beleidsprogramma woonomgeving e.a.

758

1.141

1.210

1.048

1.048

1.048

1.048

 

Wijkverpleegkundigen

18

0

0

0

0

0

0

 

Bijdragen aan andere overheden

125

0

0

0

0

0

0

 

Beleidsprogramma woonomgeving e.a.

125

0

0

0

0

0

0

                 

2.4

Revolverend Fonds Energiebesparing Verhuurders

200

73.200

400

400

400

400

0

 

Leningen

0

72.800

0

0

0

0

0

 

Revolverend Fonds Energiebesparing Verhuurders

0

72.800

0

0

0

0

0

 

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

200

400

400

400

400

400

0

 

Uitvoeringskosten Revolverend Fonds Energiebesparing Verhuurders

200

400

400

400

400

400

0

                 

Ontvangsten:

305

91

91

91

91

91

91

D2 Budgetflexibiliteit

Het uitgavenbudget 2016 van artikel 2 is voor 77% juridisch verplicht.

Subsidies

De subsidies op het gebied van energiebesparing en bouwkwaliteit, woningbouwproductie en kwaliteit woonomgeving zijn voor het begrotingsjaar volledig juridisch verplicht. Dit betreft ondermeer de subsidies aan de VNG en het LSA.

Opdrachten

De budgetten (opdrachten) voor de beleidsprogramma’s Energiebesparing Gebouwde Omgeving, Bouwregelgeving en Woningproductie zijn voor het begrotingsjaar gedeeltelijk juridisch verplicht. Hetzelfde geldt voor de opdrachten voor het beleidsprogramma Woonomgeving.

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

De bijdragen aan baten-lastenagentschappen zijn voor het begrotingsjaar voor 100% juridisch verplicht. Het betreft verplichtingen die aangegaan zijn voor de uitvoeringsprogramma’s die de Rijksdienst voor Ondernemend NL uitvoert in opdracht van het ministerie.

E Toelichting op de instrumenten

Ter uitvoering van de motie Leegte (Kamerstukken II, 2014–2015, 30 196 nr. 278) is in de begroting van het Ministerie van Economische Zaken een totaaloverzicht opgenomen van alle maatregelen, voortvloeiende uit het energieakkoord. In bovenstaande budgettaire tabel zijn de budgetten voor de maatregelen op het gebied van energiebesparing in de gebouwde omgeving inzichtelijk gemaakt.

2.1 Energie en bouwkwaliteit

Subsidies

Beleidsprogramma Energiebesparing

In 2016 worden de activiteiten voortgezet ter uitvoering van de afspraken voor energiebesparing in de gebouwde omgeving uit het in 2013 gesloten Energieakkoord voor duurzame groei.

Conform de afspraak uit het Energieakkoord voor duurzame groei stelt het kabinet in 2016 € 5 mln. beschikbaar aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten ter stimulering van de energiebesparing door eigenaren-bewoners.

Voorts wordt de in 2015 begonnen voorlichtingscampagne in samenwerking tussen een aantal van de partijen van het Energieakkoord in 2016 voortgezet.

Beleidsprogramma bouwregelgeving

Zie toelichting bij opdrachten.

Energiebesparing verhuurders

In 2016 zet de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland de uitvoering voort van de stimuleringsregeling energieprestatie huursector van € 400 mln. voor investeringen van sociale verhuurders in energiebesparende maatregelen. De subsidies worden uitgekeerd in 2018–2019.

Opdrachten

Beleidsprogramma Energiebesparing

In 2016 worden de activiteiten voortgezet ter uitvoering van de afspraken voor energiebesparing in de gebouwde omgeving uit het Energieakkoord voor duurzame groei van 2013.

Begin 2015 heeft het Rijk alle woningeigenaren die nog geen energielabel hadden een voorlopig energielabel verstrekt dat via een webtool omgezet kan worden in een definitief energielabel op basis van de Europese herziene EPBD-richtlijn. In 2016 wordt het hiertoe ingevoerde systeem inclusief helpdesk en monitoring doorontwikkeld.

In 2016 worden de acties voortgezet uit de Routekaart bijna-energieneutrale nieuwbouw vanaf 2020, die in 2015 is opgesteld in nauw overleg met marktpartijen conform de motie Monasch-Koolmees (Kamerstukken II, 2013–2014, 33 194, nr.15). Bij de uitvoering wordt ook gebruik gemaakt van de evaluatie van het programma Excellente Gebieden voor extra energiezuinige nieuwbouw.

In 2016 wordt tevens bijgedragen aan de in 2015 gestarte acties uit het Energieakkoord voor duurzame groei op het gebied van de utiliteitsbouw, te weten naleving en handhaving Wet milieubeheer, pilots Energieprestatiekeur en Expertisecentrum. Trekkers zijn de ministeries van Infrastructuur en Milieu en van Economische Zaken. In 2016 wordt ook bijgedragen aan de afspraken uit de Green Deal Verduurzaming Scholen van 2014, waarin onder meer ook de ministeries van Economische Zaken, van Infrastructuur en Milieu en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten participeren.

Beleidsprogramma bouwregelgeving

De Minister is verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel van bouwregelgeving op grond van de Woningwet, in afstemming met de Europese regelgeving en normen. Dit stelsel wordt onder andere ondersteund met een aantal vaste jaarlijkse bijdragen aan NEN (Nederlands Normalisatie Instituut), Helpdesk bouwregelgeving en de Adviescommissie toepassing en gelijkwaardigheid bouwvoorschriften. De laatste commissie zal de adviescommissie praktijktoepassing brandveiligheidsvoorschriften vervangen.

In 2016 zal de uitvoering van de kerntaak «het wettelijk waarborgen van een maatschappelijk noodzakelijk minimum kwaliteitsniveau van bouwwerken» worden voortgezet en worden eventuele wijzigingen in het Bouwbesluit 2012 aangebracht. In 2016 wordt ook verder gewerkt aan het integreren van de bouwparagraaf van de Woningwet inclusief het Bouwbesluit in de Omgevingswet.

In samenhang met het Wetsvoorstel kwaliteitsborging voor het bouwen zal de bijdrage aan Stichting Bouwkwaliteit (SBK) worden afgebouwd. In plaats daarvan zal een substantieel deel van de gelden worden ingezet voor het opzetten van de nieuwe toelatingsorganisatie en het voorbereiden van de markt op het nieuwe stelsel.

Naast de verdere uitwerking van de onderliggende regelgeving bij het wetsvoorstel wordt in overleg met verschillende consumentenpartijen gewerkt aan het versterken van de vraaggerichtheid in de bouwsector en van de positie van de bouwconsument, naast de wijzigingen die in het privaatrecht plaatsvinden in het kader van het Wetsvoorstel kwaliteitsborging voor het bouwen. Hierbij kan gedacht worden aan het opzetten van een benchmarkingsysteem.

2.2. Woningbouwproductie

Subsidies

Beleidsprogramma woningbouwproductie

In 2016 wordt aan een aantal partijen een beperkte subsidie verstrekt ten behoeve van de uitvoering van het beleid. Het gaat hier met name om communicatie en voorlichting aan de burger over aangepaste wet- en regelgeving en het verspreiden van goede voorbeelden en innovatieve werkwijzen.

Opdrachten

Beleidsprogramma woningbouwproductie

Ook in 2016 wordt de woningproductie gestimuleerd door kennisoverdracht en andere vormen van ondersteuning, bijvoorbeeld door directe betrokkenheid van het Rijk bij verstedelijkingskeuzes en de programmering van nieuwbouwwoningen in de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad. Vernieuwing in de bouwsector zal gestimuleerd blijven worden en waar mogelijk zullen knelpunten in de relevante wet- en regelgeving worden weggenomen.

Per 1 januari 2015 is het Expertteam Versnellen van start gegaan. Dit expertteam richt zich tot 2018, op het verminderen van (lokale) regeldruk en het bieden van hulp bij een nieuwe aanpak van gebiedsontwikkeling en het vlottrekken van vastzittende (woning)bouwprojecten. In de brief van 9 april 2015 (Kamerstukken II, 32 757, 2014–2015 nr. 113) is de stand van zaken weergegeven.

Het Expertteam Eigenbouw zal ook in 2016 vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gemeenten hulp en advies bieden bij het starten van projecten voor particulier opdrachtgeverschap in de woningbouw. Doelstelling daarbij is om particulier opdrachtgeverschap een structureel onderdeel van de bouwstroom te doen zijn.

Het Expertteam (kantoor) Transformatie ondersteunt ook in 2016 gemeenten, corporaties en overige betrokkenen bij het concreet in gang zetten van de transformatie van leegstaand vastgoed. Hier wordt nu ook overig leegstaand maatschappelijk vastgoed bij betrokken Daarbij wordt ook gebruik gemaakt van de inmiddels met IenM opgerichte Expertpool Planschade. Deze expertpool adviseert gemeenten en andere betrokkenen over het vermijden van planschade bij voorgenomen bestemmingswijzigingen. Daarnaast wordt samengewerkt met het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) om vrijkomende rijkskantoren te herbestemmen tot woonruimte.

In het kader van stedelijke vernieuwing gaat in 2016 specifieke aandacht uit naar de (goedkopere) particuliere woningvoorraad en in het bijzonder het functioneren van de Vereniging van Eigenaren (VvE’s). In een op 12 juni 2014 verzonden brief (Kamerstukken II, 27 926, 2013–2014, nr. 226) is aangegeven welke acties door het Rijk en de verantwoordelijke partijen zullen worden ondernomen om het functioneren van VvE’s te verbeteren. Planning is dat de daarvoor noodzakelijke aanpassingen in de wet- en regelgeving medio 2016 in werking treden.

In 2016 wordt samen met het Ministerie van IenM verder gewerkt aan een wettelijke regeling voor Stedelijke herverkaveling in het kader van de Omgevingswet. Stedelijke herverkaveling betreft het slim ruilen van grondbezit tussen private partijen om woningbouw in stedelijk gebied mogelijk te maken. Daarnaast is aan de Tweede Kamer als uitvloeisel van de Tijdelijke Commissie Huizenprijzen (Kamerstukken II, 33 192, 2012–1013, nr. 12) een brief gezonden over de effecten van zelfrealisatie.

Overeenkomstig de aanbeveling van de Tijdelijke Commissie Huizenprijzen (Kamerstukken II, 33 194, 2012–2013) en de reactie van het kabinet daarop (Kamerstukken II, 33 194, 2013–2014), wordt in 2016 met de Tweede Kamer gedebatteerd over de situatie op de woningmarkt en de ontwikkeling van de huizenprijzen en de daarop van invloed zijnde factoren. Daartoe ontvangt de Tweede Kamer jaarlijks voorafgaand aan de begrotingsbehandeling een overzicht van de voor de ontwikkelingen op de woningmarkt relevante indicatoren.

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

Beleidsprogramma woningbouw productie (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland/RVO)

De op dit instrument opgenomen middelen zijn bestemd voor de activiteiten die de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) in opdracht van het Ministerie van BZK uitvoert op het gebied van energiebesparing in de gebouwde omgeving, woningbouw en kwaliteit van de woon- en leefomgeving. RVO voert in opdracht van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een programma uit gericht op kennisverspreiding, beleidsonderbouwing en uitvoering van subsidieregeling over de hele breedte van het woon- en bouwbeleid en speelt een belangrijke rol bij het invoeren van het energielabel.

2.3 Kwaliteit woonomgeving

Subsidies

Beleidsprogramma woonomgeving

Het Landelijke Samenwerkingsverband Actieve bewoners (LSA) ontvangt in 2016 een subsidie voor het bevorderen van bewonersparticipatie. Er wordt gewerkt aan een vermindering van de subsidie over de komende jaren. De Kamer heeft hier in 2014 per brief een toelichting over ontvangen (Kamerstukken II, 34 000 XVIII, 2014–2015, nr. 21). Ook de Landelijke Vereniging van Kleine Kernen (LVKK) ontvangt in 2016 subsidie (Kamerstukken II, 33 000 2011–2012, nr.104). Hieruit wordt het Plattelandsparlement bekostigd. Het Plattelands Parlement is een 2-jaarlijkse activiteit waarbij actieve burgers en ondernemers op het platteland hun stem laten horen aan de landelijke beleidsmakers en politici, om burgerparticipatie te bevorderen. Ook andere projecten gericht op het betrekken van burgers bij hun directe leefomgeving worden met de subsidie bekostigd.

Opdrachten

Beleidsprogramma woonomgeving

Aanpak overlast

Voor de toepassing van het handhavingsinstrumentarium in de Woningwet wordt het tweejarig kennis- en leertraject met een zestal gemeenten in 2016 voortgezet. Daarnaast zal in het najaar 2015 de wijziging van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek aan de Tweede Kamer worden aangeboden (Wbmgp), waardoor gemeenten de mogelijkheid wordt geboden om woningzoekenden te screenen. Dit ter beperking van overlastgevend en crimineel (waaronder radicaal, extremistisch of terroristisch) gedrag in bepaalde wooncomplexen, straten of gebieden waar de leefbaarheid ernstig onder druk staat. Daar wordt ook een kennis- en leertraject aan gekoppeld. Ook ondersteunt het Ministerie van BZK i.s.m. SZW en NCTV gemeenten via een leerkring «integrale (preventieve) aanpak radicalisering», ondermeer gericht op jongeren in lokale risicogebieden, versterking van sociale wijkteams en het bevorderen van sociale stabiliteit in buurten en wijken. Bovendien ondersteunt het Rijk gemeenten in hun aanpak tegen ondermijnende criminaliteit.

Verder is het Ministerie van BZK partner in het Nationaal Programma Rotterdam Zuid (NPRZ) dat zich richt op wonen, werk en onderwijs.

Op het terrein van de huisvesting van studenten wordt de monitoring van studentenhuisvesting doorgezet.

Het Rijk ondersteunt met de uitvoering van de Transitieagenda «Langer zelfstandig wonen» (juni 2014) de beweging dat ouderen langer zelfstandig willen wonen, met regie over eigen leven. De regionale en lokale opgave vragen om maatwerk, gezien de grote verschillen tussen de regio’s. Daarnaast is het Ministerie van BZK samen met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) verantwoordelijk voor het kennis- en experimentenprogramma Wonen en Zorg. Dit wordt uitgevoerd door Platform 31, Movisie en Kenniscentrum Wonen en Zorg van Aedes/Actiz.

Vanuit het programma Flexwonen en de Nationale Verklaring ondersteunt het Ministerie van BZK gemeenten, werkgevers en huisvesters bij de totstandkoming van meer en betere huisvesting voor EU-arbeidsmigranten in negen regio’s. De Minister voor WenR voert de regie hierover en BZK ondersteunt de uitvoering. Doordat er voor arbeidsmigranten een groot tekort is aan tijdelijke huisvesting, leven zij vaak onder omstandigheden die niet aan wet- en regelgeving voldoen. Eind 2015 wordt de uitvoeringagenda 2016/2017 opgesteld.

Leefbaarheid in de woonomgeving

In 2016 worden experimenten die de positie van de burgers versterken voortgezet. Het doel is ruimte te bieden aan maatschappelijke initiatieven die de leefbaarheid vergroten en meer maatschappelijk rendement op leefbaarheid te bereiken. Hierbij worden gemeenten, maatschappelijke organisaties en initiatiefnemers ondersteund en knellende wet- en regelgeving wordt aangepakt en opgelost. Ook wordt er geëxperimenteerd met de Buurtwet, die burgers juridisch een positie geeft. Het Convenant met de filantropische sector wordt voortgezet en er wordt gezocht naar nieuwe financieringswijzen zoals Social Impact Bonds.

Programma Bevolkingsdaling

Gemeenten, provincies, maatschappelijke organisaties, bedrijven en burgers zijn primair verantwoordelijk voor het oplossen van knelpunten als gevolg van bevolkingsdaling, vergrijzing en ontgroening. In 2016 ondersteunt het Ministerie van BZK de krimp- en anticipeerregio’s bij het begeleiden van regionale krimpopgaven. Deze ondersteuning verschuift van bewustwording en visievorming naar regionale uitvoering van aanpakken en acties. Met alle krimp- en anticipeerregio’s en de desbetreffende provincies worden daartoe samenwerkingsagenda’s opgesteld met een looptijd tot uiterlijk 2019. Het Rijk draagt daarvoor diverse instrumenten aan, zoals de transitieatlas. Ook ondersteunt het Rijk regionale experimenten en levert het kennis en expertise. Waar mogelijk worden knelpunten in wet- en regelgeving weggenomen.

De samenwerkingsagenda’s zijn onderdeel van een in 2016 op te stellen nieuw Interbestuurlijk Actieprogramma Bevolkingsdaling. In dit actieprogramma wordt de ondersteuning van de VNG en het IPO bij de krimpaanpak benoemd.

2.4 Revolverend Fonds Energiebesparing Verhuurders

Leningen

Revolverend Fonds Energiebesparing verhuurders

In 2016 wordt de uitvoering door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voortgezet van het Fonds energiebesparing huursector dat laagrentende leningen verstrekt voor het uitvoeren van renovaties aan woningen in de huursector (onder en boven de liberalisatiegrens) met een zeer hoge energiebesparingsambitie, zoals «nul op de meter»-woningen. In totaal is inclusief uitvoeringskosten, € 75 mln. beschikbaar voor het fonds. Deze middelen kennen een revolverend karakter. De terugontvangsten (aflossingen en rente) worden niet geraamd, maar vloeien jaarlijks na realisatie terug in het fonds. Hierdoor blijft komt budget beschikbaar voor het uitzetten van nieuwe leningen.

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

Uitvoeringskosten Revolverend Fonds Energiebesparing verhuurders

Betreft de uitvoeringskosten voor het revolverende Fonds energiebesparing huursector. De uitvoering is in handen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). De uitvoeringskosten worden doorberekend in de renteopslag bij de te verstrekken leningen. Daarmee worden de uitvoeringskosten, afhankelijk van het verloop van het fonds, op termijn «terugverdiend» binnen de beleidsmiddelen.

Artikel 3. Kwaliteit Rijksdienst

A Algemene doelstelling

Een goed presterende rijksoverheid op het gebied van bedrijfsvoering en het bevorderen van de kwaliteit van het management van de Rijksdienst.

B Rol en verantwoordelijkheid

Voor een optimale beleidsvoorbereiding en -uitvoering moet de interne beheersing en sturing van de bedrijfsprocessen in rijksbreed verband op orde zijn. Deze bedrijfsprocessen moeten naast dienstbaar aan het beleid, ook effectief en doelmatig zijn. Daarvoor zijn heldere kaders nodig. De Minister voor Wonen en Rijksdienst regisseert, in samenwerking met de andere ministeries, de totstandkoming van deze kaders en brengt daarin meer samenhang, met als doel een beter bestuurbare en meer efficiënte bedrijfsvoering binnen de Rijksdienst.

Bij de Begrotingsbehandeling 2015 heeft de Tweede Kamer gevraagd duidelijker te omschrijven welke activiteiten de Minister voor Wonen en Rijksdienst financiert vanuit dit artikel. De uitgaven voor de bedrijfsvoering worden verantwoord door de individuele ministers, tenzij de taak gecentraliseerd is inclusief de budgetoverheveling. Op het artikel kwaliteit Rijksdienst zijn middelen beschikbaar die de Minister voor Wonen en Rijksdienst inzet voor het invullen van zijn systeemverantwoordelijkheid ten aanzien van de bedrijfsvoering van het Rijk. Deze verantwoordelijkheid krijgt in de praktijk vorm door één of meerdere van de volgende componenten:

  • Kaderstelling door het vastleggen van normen en standaarden;

  • Monitoring door het volgen van de uitvoering in de praktijk;

  • Het zo nodig plegen van interventies door het aanspreken van betrokkenen op de naleving van normen en standaarden of het aanpassen van de kaders aan de geconstateerde tekortkomingen.

De Minister voor Wonen en Rijksdienst is verantwoordelijk voor de primaire arbeidsvoorwaarden van het Rijk. Daarnaast is de Minister eerstverantwoordelijke voor het rijksbrede beleid van de rijksbrede kaders op de terreinen: personeel, ICT, organisatie, huisvesting, inkoop, facilitaire dienstverlening en beveiliging. Binnen die kaders zijn de afzonderlijke ministeries zelf verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering.

De Minister voor Wonen en Rijksdienst maakt werk van een kostenbewuste, dienstverlenende en slagvaardige overheid. Om invulling te geven aan het kostenbewustzijn hebben de ministeries een taakstelling op hun uitgaven voor materieel en personeel gekregen. De Minister toetst de intensiveringen op deze uitgaven om zo invulling te geven aan zijn verantwoordelijkheid voor beheersing hiervan.

Bureau Algemene Bestuursdienst (ABD) ondersteunt de departementen bij de kabinetsopdracht om in 2017 tenminste 30% vrouwen vertegenwoordigd te hebben binnen de ABD. Daarnaast verleent het bureau diensten aan nieuwe doelgroepen, zoals publiekrechtelijke ZBO’s en gemeenten (G4) en wordt verder vormgegeven aan de structurele uitwisseling met het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Ook verzorgt Bureau ABD enkele HR-diensten aan de kabinetsleden, waaronder de salarisadministratie.

Bovendien is de Minister voor Wonen en Rijksdienst werkgever voor de circa 70 managers op het hoogste niveau, daar waar het gaat om benoeming, arbeidsvoorwaarden en ontslag.

C Beleidswijzigingen

Op het gebied van ICT wordt in 2016 uitvoering gegeven aan de maatregelen zoals opgenomen in de kabinetsreactie (Kamerstukken II, 33 326, nr. 13) op het eindrapport van de Tijdelijke commissie ICT-projecten bij de overheid. Hierover is in de beleidsagenda meer opgenomen.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)
   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen:

32.104

25.929

19.187

17.241

16.999

16.999

16.999

                 

Uitgaven:

30.006

25.929

19.187

17.241

16.999

16.999

16.999

 

Waarvan juridisch verplicht

   

59%

       
                 

3.1

Kwaliteit Rijksdienst

30.006

25.929

19.187

17.241

16.999

16.999

16.999

 

Subsidies

3.641

3.680

3.600

3.600

3.600

3.600

3.400

 

Fysieke Werkomgeving Rijk

241

180

200

200

200

200

0

 

Subsidie A&O-fonds

3.400

3.400

3.400

3.400

3.400

3.400

3.400

 

Subsidie Qiy

0

100

0

0

0

0

0

 

Opdrachten

8.015

9.489

8.172

8.236

8.123

8.123

8.323

 

Bedrijfsvoering Rijk

8.015

9.489

8.172

8.236

8.123

8.123

8.323

 

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

18.350

12.760

7.415

5.405

5.276

5.276

5.276

 

Arbeidsmarkt Communicatie

6.293

6.013

5.755

5.405

5.276

5.276

5.276

 

Bedrijfsvoering Rijk

0

150

0

0

0

0

0

 

Bijdrage

5.257

1.750

1.660

0

0

0

0

 

Eigenaarsbijdrage

6.800

4.847

0

0

0

0

0

                 

Ontvangsten:

8.207

711

0

0

0

0

0

D2 Budgetflexibiliteit

Het uitgavenbudget van artikel 3 is voor 59% juridisch verplicht.

Dit betreft de subsidie aan het A&O fonds en de bijdrage voor Arbeidsmarkt Communicatie.

E Toelichting op de instrumenten

3.1 Kwaliteit Rijksdienst

Subsidies

Fysieke werkomgeving Rijk

De Minister voor Wonen en Rijksdienst verstrekt in 2016 een subsidie aan het kennisinstituut Center voor People and Buildings voor Fysieke werkomgeving Rijk. De Fysieke Werkomgeving Rijk (FWR) is een concept voor een werkomgeving voor rijksambtenaren dat flexibel, tijd- en plaatsonafhankelijk (samen-)werken mogelijk maakt. De subsidie heeft tot doel de generieke ontwikkeling van toepasbare kennis in het domein van de kantoorhuisvesting. Daarbij gaat het om het opbouwen van kennis over kwalitatieve en financiële aspecten van de normering Fysieke Werkomgeving Rijk voor kantoorgebouwen van het Rijk.

Subsidie A&O-fonds

De Minister voor Wonen en Rijksdienst verstrekt in 2016 een subsidie aan het Arbeidsmarkt- en opleidingsfonds Rijk. Deze subsidie is onderdeel van de CAO-afspraken. Het fonds zet de subsidie in voor arbeidsmarktprojecten (zoals het project duurzame plaatsing arbeidsbeperkten, mobiliteit in kader van duurzame inzetbaarheid) binnen het Rijk die het bestuur van het A&O-fonds goedkeurt. Jaarlijks wordt hiervoor een beleidsplan gemaakt.

Opdrachten

Bedrijfsvoering Rijk

Om de kwaliteit van de Rijksdienst te verbeteren wordt in 2016 op het terrein van organisatie en personeel verder gewerkt aan het realiseren van in-, door- en uitstroom van rijksambtenaren. Het Van Werk Naar Werk (VWNW) beleid, vastgelegd in het akkoord afgesloten door de Minister voor Wonen en Rijksdienst en vakbonden van rijksambtenaren, vormt hierbij een belangrijke factor. Dit akkoord geldt tot 1 januari 2016. In 2016 zal, op basis van een evaluatie, met de bonden overlegd worden over eventuele bijstelling van dit akkoord. Bij de instroom van ambtenaren gaat specifiek aandacht uit naar het aantrekken en behoud van medewerkers met een arbeidsbeperking. Daarnaast wordt gewerkt aan de verdere flexibilisering van de rijksdienst om tijdig in te kunnen spelen op wijzigingen in het takenpakket. Een eenduidige toepassing van de gesprekscyclus met daarin een jaarlijks oordeel over het functioneren van de medewerker door de leidinggevende, zal rijksbreed worden geïmplementeerd. Ook wordt het ziekteverzuim systematisch aangepakt waarbij voorzien is in een opschoonactie van verzuimdossiers van medewerkers die al langer dan twee jaar met ziekteverlof zijn. Daarnaast blijft mobiliteit als onderdeel van duurzame inzetbaarheid een speerpunt. Hierbij is het bespreekbaar maken van demotie aandachtspunt. Voorts zal worden geïnvesteerd in een samenhangende aanpak gericht op het integriteitbewustzijn van medewerkers als onderdeel van hun ambtelijk vakmanschap.

In het kader van de consolidatie van de datacenters van het Rijk wordt in 2016 verder gewerkt aan de sluiting van de oude datacenters en de migratie naar de nieuwe (Rijks)Overheidsdatacenters.

Op het gebied van inkoop streeft het Rijk met een compacte inkooporganisatie naar professioneel en verantwoord inkopen. Voor 34 inkoopcategorieën wordt rijksbreed categoriemanagement gevoerd. Randvoorwaarde voor een efficiënt inkoop- en aanbestedingsproces is verdergaande digitalisering. Het Rijk wil voor al zijn leveranciers een goede opdrachtgever zijn en wil daarbij bedrijven uitdagen het beste uit zichzelf te halen en te innoveren. Daarnaast maken milieucriteria, sociale voorwaarden en social return integraal onderdeel uit van de rijksbrede inkooppraktijk. Integriteit in relatie tot inkoop staat volop in de aandacht. Met een pakket van maatregelen streeft het Rijk een nog betere bewustwording hiervan na. Op het gebied van de rijkshuisvesting en faciliteiten staan de komende vijf jaar de realisatie van de masterplannen centraal. In 2016 wordt ook het stelsel voor de specialties geïmplementeerd. In het rijkshuisvestingstelsel worden de rijkspanden zo efficiënt en effectief mogelijk ingericht. Naast het vastgoedperspectief wegen daarin ook het primaire proces van de huidige en toekomstige bewoners, het facilitaire, de ict en de beveiliging mee. In alle gevallen zal daarbij een integrale concernafweging worden gemaakt. ZBO’s zullen waar mogelijk aansluiten op de rijksbrede bedrijfsvoeringinfrastructuur. Voor een effectieve besluitvorming, sturing en verantwoording op de rijksbrede bedrijfsvoering worden de informatiestromen verbeterd en verder geautomatiseerd.

De rijksbrede kengetallen over de bedrijfsvoering staan vermeld in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2014 (Kamerstukken II, 31 490, 2013, nr. 174).

Bijdragen aan agentschappen

Arbeidsmarkt Communicatie

Het Expertisecentrum Organisatie & Personeel (EC O&P) van Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk voert de rijksbrede arbeidsmarktcommunicatie uit. Daarnaast doen ze het functioneel beheer van de carrièresites overheid (CSO platform) en de regie over het technisch- en applicatiebeheer.

Artikel 6. Uitvoering rijksvastgoedbeleid

Met de oprichting van het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) in 2014 is de aansturing van de uitvoering van het rijksvastgoedbeleid geconcentreerd binnen één directoraat generaal RVB. Tot het moment van agentschapsvorming van het RVB blijven de verantwoordelijkheden en mandaten formeel belegd bij de bestaande baten-lastenagentschappen Rgd, DVD en RVOB.

A Algemene doelstelling

Uitvoering geven aan rijksvastgoedbeleid door:

  • het verzorgen van de rijkshuisvesting van Hoge Colleges van Staat, het Ministerie van Algemene Zaken en het Koninklijk Huis, het beheren van monumenten die, naar hun aard, niet geschikt zijn voor rijkshuisvesting en het uitvoeren van het rijkshuisvestingsbeleid;

  • het realiseren van een optimaal financieel resultaat bij het verwerven, beheren, ontwikkelen en vervreemden van materiële activa van/voor het Rijk voor de realisatie van rijksdoelstellingen.

B Rol en verantwoordelijkheid

De Minister voor Wonen en Rijksdienst is, als opdrachtgever en uitvoerder verantwoordelijk voor:

  • de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van Algemene Zaken;

  • de huisvesting van het Koninklijk Huis, voor zover vallend onder de verantwoordelijkheid van de Staat;

  • het beheer en onderhoud van de monumenten die aan de Rijksgebouwendienst zijn toevertrouwd en die naar hun aard niet geschikt zijn voor de huisvesting van rijksdiensten;

  • de doelmatige uitvoeringspraktijk van de rijkshuisvesting binnen de wettelijke en afgesproken kaders.

Daarnaast is de Minister voor Wonen en Rijksdienst als uitvoerder op het terrein van rijksvastgoed verantwoordelijk voor:

  • het (privaatrechtelijk) beheer van onroerende zaken die aan de Staat toebehoren dan wel zijn toevertrouwd, een en ander voor zover de verantwoordelijkheid voor dat beheer niet bij of krachtens de wet bij een of meer andere Ministers is gelegd;

  • de coördinatie van de samenwerking en afstemming tussen de diensten die onderdeel vormen van het rijksvastgoedstelsel, zowel in de regio als landelijk (regiefunctie). Ter bevordering van de samenwerking en afstemming tussen de diensten fungeert de Raad voor Vastgoed Rijksoverheid (RVR). Ter bevordering van de samenwerking en afstemming tussen de departementen ten aanzien van rijksvastgoed fungeert de Interdepartementale Commissie Rijksvastgoed (ICRV). De Minister draagt zorg voor de ondersteuning van de RVR en de ICRV en is verantwoordelijk voor de totstandkoming van de rijks(brede) vastgoedportefeuillestrategie, die de ministerraad jaarlijks vaststelt. De Minister wordt in deze taak ondersteund door het RVB;

  • de vertegenwoordiging namens het Rijk bij gebiedsontwikkelingsprojecten waarbij meervoudige rijksdoelstellingen aanwezig zijn. Ook hierbij wordt gestreefd naar een optimale inzet van (overtollige) rijksactiva en/of financiële bijdragen van het Rijk.

Verantwoordelijkheden overtollig vastgoed

De Minister voor Wonen en Rijksdienst verzorgt de ingebruikgeving en vervreemding van (overtollige) onroerende zaken van andere Ministeries. Voor zover er op basis van de huidige begrotingsregels van het kabinet sprake is van een generieke middelenafspraak met een Minister, wordt de opbrengst uit ingebruikgeving en/of vervreemding door de betreffende Minister begroot en verantwoord op de eigen begroting.

Met ingang van 1 juli 2014 neemt het Rijksvastgoedbedrijf overtollig vastgoed van andere departementen over tegen betaling vooraf. De (netto-)opbrengst uit verkoop van dit vastgoed aan derden wordt begroot en verantwoord in de agentschapsbegroting en agentschapsjaarrekening. Vastgoed dat voor 1 juli 2014 overtollig is gesteld, wordt nog volledig begroot en verantwoord door de betreffende Minister.

C Beleidswijzigingen

In 2016 zijn geen beleidswijzigingen gepland.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)
   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen:

163.108

213.325

144.746

143.769

145.031

146.739

148.863

                 

Uitgaven:

162.415

213.325

144.746

143.769

145.031

146.739

148.863

 

Waarvan juridisch verplicht

   

72%

       
                 

6.1

Een doelmatige uitvoeringspraktijk van de Rijkshuisvesting

59.416

119.912

54.394

54.761

56.631

58.495

60.797

 

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

59.416

119.912

54.394

54.761

56.631

58.495

60.797

 

Bijdrage aan Rgd voor huisv Koninklijk Huis, HoCoSta's en AZ

38.798

37.919

39.452

42.851

44.721

47.020

49.322

 

waarvan paleizen

 

16.515

15.104

16.416

16.253

16.238

16.225

 

Bijdrage aan Rgd voor monumenten

11.328

73.339

5.576

5.576

5.576

5.576

5.576

 

Bijdrage aan Rgd voor rijkshuisvesting

9.290

8.654

9.366

6.334

6.334

5.899

5.899

                 

6.2

Beheer materiele activa

102.999

93.413

90.352

89.008

88.400

88.244

88.066

 

Opdrachten

14.682

12.679

11.179

11.179

11.179

10.979

10.979

 

Beheer en plankosten

14.682

12.679

11.179

11.179

11.179

10.979

10.979

 

Bekostiging

64.233

59.465

58.949

58.917

58.864

58.908

58.910

 

Zakelijke lasten

64.233

59.465

58.949

58.917

58.864

58.908

58.910

 

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

24.084

21.269

20.224

18.912

18.357

18.357

18.177

 

Bijdrage RVOB

24.084

21.269

20.224

18.912

18.357

18.357

18.177

                 

Ontvangsten:

148.547

155.894

186.568

157.135

146.003

142.080

140.741

D2 Budgetflexibiliteit

Het uitgavenbudget van artikel 6 is voor 72% juridische verplicht.

Bijdragen aan baten lastenagentschappen

De middelen voor het huisvesten van het Koninklijk huis, de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van Algemene Zaken zijn grotendeels belegd met vergoedingen voor lopende projecten waarover met de gebruikers afspraken zijn gemaakt. Het restant wordt als beleidsmatig gebonden beschouwd, omdat hiermee kleinere investeringen in de huisvesting worden gerealiseerd.

De middelen voor monumenten worden, voor zover ze niet juridisch zijn verplicht als beleidsmatig gebonden beschouwd, gezien de zorg die het RVB heeft voor deze monumenten. De middelen voor rijkshuisvesting worden, voor zover ze niet juridisch zijn verplicht, als beleidsmatig gebonden beschouwd. Dit is met name van belang voor de middelen voor de uitvoering van het programma FCIB (Functioneel Controleren, Inregelen en Beproeven), die door de betrokken departementen zijn overgeboekt naar dit artikel.

Beheer Materieel activa

De middelen voor Beheer Materieel Activa Opdrachten in 2016 bedragen € 90,3 mln. Het gaat om betaling van zakelijke lasten aan lagere overheden. De juridische verplichting tot betaling van deze lasten berust op lokale belastingwetgeving.

Het niet-juridische verplichte deel van de totale uitgaven bedraagt in 2016 € 31,4 mln. Hiervan is € 11,2 mln. noodzakelijk voor de onderhoud en instandhouding van onroerende zaken van de Staat. Het restant ad € 20,2 mln. behelst de bijdrage van het moederdepartement aan het baten-lastenagentschap RVB.

E Toelichting op de instrumenten

6.1 Een doelmatige uitvoeringspraktijk van de Rijkshuisvesting

Bijdrage aan baten-lastenagentschappen

Bijdrage aan Rgd voor huisvesting Koninklijk Huis, HoCoSta’s en AZ

Deze bijdragen zijn bedoeld voor betalingen aan de Rgd om de kosten te dekken van huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van Algemene Zaken. Voor het Koninklijk Huis betreft het de drie staatspaleizen: paleis Huis ten Bosch, paleis Noordeinde en het Koninklijk Paleis te Amsterdam.

In mei heeft het kabinet naar aanleiding van de evaluatie van de begroting van de Koning besloten om de uitgaven die worden gedaan voor de Koning uitgebreider toe te lichten. Op de begroting van Wonen en Rijksdienst staan de huisvestingsbudgetten voor de paleizen.

Hieronder volgt een nadere toelichting. Bij de begroting van de Koning(I) is een extracomptabele bijlage opgenomen waarin deze uitgaven ook worden gepresenteerd.

Specifieke toelichting huisvesting Koninklijk Huis

Krachtens de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis (artikel 4) worden drie paleizen ter beschikking gesteld aan de Koning. Dit zijn paleis Huis ten Bosch, paleis Noordeinde en het Koninklijk Paleis te Amsterdam. De uitvoering hiervan vindt plaats via de begroting van Wonen en Rijksdienst.

Als bijdrage aan het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) voor huisvesting van het Koninklijk Huis, Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van Algemene Zaken is in de begroting € 39,5 mln. opgenomen, waarvan € 15,1 mln. voor de paleizen.

De € 15,1 mln. voor de paleizen is opgebouwd uit een aantal componenten.

  • Ten eerste de zogenaamde «1-opslag» van circa € 50/m2 BVO (bruto vloer oppervlak). Deze opslag wordt ook in rekening gebracht bij alle gebruikers van het huidige rijkshuisvestingsstelsel. Deze opslag is een vergoeding voor belastingen, onderhoud en apparaatskosten RVB. De 1-opslag bedraagt € 4 mln.

  • Ten tweede rente en afschrijving. Dit betreft de investeringen die vanaf 2010 via de leenfaciliteit zijn gefinancierd en zijn geactiveerd op de balans van het RVB. Hiervan is € 4 mln. rente en € 5 mln. afschrijvingen.

  • Het restant (€ 2 mln.) zijn betalingen van WenR aan het RVB voor investeringen op basis van in wet- en regelgeving (o.a. brandveiligheid) en kosten voor kleinere aanpassingen.

Ook voor latere jaren zijn deze middelen nodig, omdat gebouwen structureel onderhouden moeten worden, er langdurig wordt afgeschreven en er rente wordt betaald op de leningen.

Door de investeringen voor paleis Huis ten Bosch (zie hierna) loopt dit op met circa € 1,5 mln. per jaar vanaf 2017.

Paleis Huis ten Bosch

De totale uitgaven voor de renovatie zijn begroot op € 59 mln. Via de begroting van Wonen en Rijksdienst wordt € 15 mln. bijgedragen aan de renovatie. De overige € 44 mln. komt ten laste van de batenlasten-begroting van het agentschap Rijksgebouwendienst. Daarvan is reeds € 20 mln. ten laste van het resultaat 2014 gebracht ten bate van een voorziening en € 24 mln. wordt ten laste gebracht van het resultaat 2015.

Paleis Noordeinde

In 2016 worden geen verbouwingen of renovaties uitgevoerd.

Koninklijk Paleis Amsterdam

Voor 2016 staan geen verbouwingen of renovaties op het programma, behoudens het maken van een tweetal hellingbanen aan de Damzijde om het paleis beter toegankelijk te kunnen laten zijn voor mindervaliden. Begin 2016 start voor de Burgerzaal een bouwhistorisch onderzoek. Dit is nodig om een bouwkundig plan te kunnen maken voor de renovatie van de zaal.

Bijdrage aan Rgd voor monumenten

Er wordt bijgedragen aan de Rgd voor het beheer en onderhoud van monumenten die resteren na de overdracht van 31 monumenten in 2015 aan de Nationale Monumentenorganisatie. Ook de bij het Rijk achterblijvende monumenten betreffen objecten die naar hun aard niet geschikt zijn voor huisvesting van rijksdiensten. Het RVB zet zich in voor het bevorderen van de gebruiksmogelijkheden en verhuurbaarheid van de monumenten.

Beoogde prestaties voor 2016 zijn:

 

Basiswaarde

Peildatum

Streefwaarde

Periode

Gebruiksgraad monumenten zonder huisvestingsfunctie per jaar ultimo

95%

2009

95%

2016

Bron: WenR/RVB administraties: monumentencatalogus en contractadministratie.

Toelichting

Een deel van de monumenten zonder huisvestingsfunctie is naar hun aard niet geschikt voor gebruik, zoals gedenknaalden of grafmonumenten. Deze objecten zijn buiten de berekening van de gebruiksgraad gehouden.

Bijdrage aan de Rgd voor rijkshuisvesting

De Rgd draagt bij aan de realisatie van rijksdoelstellingen door te werken aan energiebesparing in de rijkshuisvesting, de duurzaamheid van de gebouwenvoorraad van het Rijk te verbeteren; de doelmatige werking van het rijkshuisvestingstelsel te bevorderen. En ook door bij te dragen aan de totstandkoming van de rijkswerkplek en uitvoering te geven aan professioneel publiek opdrachtgeverschap in de bouw. Dit gebeurt door middel van zorgvuldig en transparant aanbesteden, de coördinatie van publieke aanbestedende diensten en afstemming met de markt. En ook door werkzaamheden van de Rijksbouwmeester voor de bevordering en bewaking van de kwaliteit van de architectuur, voor de stedenbouwkundige inpassing en van de beeldende kunst. Dit komt tot uiting bij het tot stand brengen, het wijzigen en het beheren van gebouwen, werken en terreinen waarover de zorg van het Rijksvastgoedbedrijf zich uitstrekt.

Afgelopen jaren is FCIB (het Functioneel Controleren, Inregelen en Beproeven van klimaatinstallaties), als een innovatief principe in de rijkshuisvesting geïmplementeerd en is een belangrijk fundament gelegd voor een energiezuinigere rijkshuisvesting. In vervolg daarop wordt vanaf 2016 de focus gelegd op het stimuleren en introduceren van innovaties in het vastgoed van het Rijksvastgoedbedrijf, die het mogelijk moeten maken om vanaf 2019 bijna energieneutraal te bouwen en op de langere termijn de portefeuille naar geheel energieneutraal te ontwikkelen. Jaarlijks zal de Rgd rapporteren om de kennis over innovaties te delen met andere actoren in de utiliteitssector die twee jaar later dan het rijk bijna energieneutraal moeten bouwen.

6.2 Beheer materiële activa

Opdrachten

Beheer en plankosten (niet-rijkshuisvesting)

Het gaat hierbij om uitgaven voor onderhoud en beheer van de onroerende zaken. Beheerkosten zijn (externe) kosten in verband met ingebruikgeving en vervreemding, bijvoorbeeld energie-, beveiligings- en taxatiekosten.

Bekostiging

Zakelijke lasten

Het gaat hier om de betaling van door gemeenten en waterschappen opgelegde belastingen en heffingen op onroerende zaken in eigendom bij de Staat. Gedacht moet worden aan de onroerendzaakbelasting, waterschapsheffingen en rioolheffingen bij de onroerende zaken van de Staat. De uitgaven bestaan voor 80% uit gemeentelasten en voor 20% uit waterschapslasten.

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

Bijdrage RVOB

Het betreft de bijdrage aan het RVOB voor de uitvoering van het (privaatrechtelijk) beheer van onroerende zaken die de Staat toebehoren en het vertegenwoordigen van het Rijk bij bepaalde gebiedsontwikkelingsprojecten. De uitvoering van het (privaatrechtelijk) beheer houdt hoofdzakelijk in: het verwerven, beheren, ontwikkelen en vervreemden van onroerende zaken. De diverse taakstellingen van de kabinetten Rutte I en Rutte II zijn in de bijdragen verwerkt.

Ontvangsten

Zakelijke lasten

Het merendeel van de ontvangsten betreft de vergoeding die het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf ontvangt vanuit de gebruiksvergoeding in het rijkshuisvestingsstelsel voor het betaalde eigenarendeel van de onroerendezaakbelasting. Daarnaast gaat het om terugbetalingen door de huurders van door het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf betaalde gebruikerslasten.

Ingebruikgevingen

Het gaat hierbij om de ingebruikgeving (verhuring) van de onroerende zaken van de Staat voor zover er voor de opbrengst uit ingebruikgeving geen middelenafspraak bestaat.

Het gaat hierbij om inkomsten uit verpachting, huur en verhuur jachtgenot.

Verkoop bodemmaterialen

Hieronder vallen de ontvangsten uit de verkoop van bodemmaterialen zoals zand.

Vervreemding

Het gaat hierbij om de vervreemding van de onroerende zaken van de Staat, voor zover voor de opbrengst uit vervreemding geen middelenafspraak bestaat.

Het betreft de inkomsten uit met name vervreemding van agrarische onroerende zaken en om vervreemding van overige onroerende zaken.

Veiling huurrechten benzinestations

Het betreft de ontvangsten uit de veiling van huurrechten van benzinestations langs rijkswegen.

Restitutie RVB huisstelsel

Het betreft de rijksbrede vereenvoudiging van de tarieven voor huisvesting.

4. DE BATEN-LASTENAGENTSCHAPPEN

4.1 Logius

Inleiding

De missie van Logius luidt: Logius biedt publieke dienstverleners een samenhangende digitale infrastructuur die hen in staat stelt met burgers en bedrijven en onderling, 7x24, betrouwbaar, snel, groen en gemakkelijk elektronisch zaken te doen. Logius is de regieorganisatie die samen met klanten, partners en leveranciers de e-overheid vormgeeft door te zorgen voor overheidsbrede, samenhangende ICT-producten. Logius stimuleert organisaties met een publieke taak de producten breed toe te passen en is verantwoordelijk voor het beheer en de verbetering van die producten en diensten. Zo is Logius de drijvende kracht achter de digitale overheid.

Logius heeft 4 kerntaken:

  • 1) Het beheer en de exploatie van bestaande producten;

  • 2) De inbeheername van nieuwe producten;

  • 3) De doorontwikkeling van reeds in beheer genomen producten;

  • 4) Het stimuleren van veilig gebruik.

1) Beheer en exploitatie van bestaande producten

Logius verzorgt het beheer en de exploitatie van overheidsbrede ICT-producten en -standaarden. Beheer en exploitatie hebben betrekking op het stabiel draaiend houden van een product en het (daadwerkelijk) beschikbaar stellen daarvan aan klanten. Vooraf vastgestelde dienstverleningsafspraken geven klanten inzicht in wat zij kunnen verwachten van de producten die Logius in beheer heeft.

2) Inbeheername van nieuwe producten

Bij de inbeheername van een nieuw product toetst Logius in hoeverre dit product voldoet aan de eisen om in beheer te worden genomen. Uitgangspunt is dat nieuwe producten passen in de missie van Logius en derhalve betrekking hebben op infrastructurele producten met een generiek karakter.

3) Doorontwikkeling

Logius is een beheerorganisatie; doorontwikkeling vindt daarom zo veel mogelijk buiten Logius plaats. Om in een vroeg stadium te kunnen sturen op gewenste functionaliteiten die nodig zijn voor optimaal beheer, verzorgt Logius veelal de tactische aansturing van doorontwikkelactiviteiten. Indien klanten een nieuwe functionaliteit op een bestaand product wensen en er is een beleidsopdrachtgever bereid zorg te dragen voor de financiering ervan, dan is er sprake van doorontwikkeling.

4) Stimuleren van veilig gebruik

Het profijt van een gemeenschappelijke beheerorganisatie als Logius komt pas echt van de grond als steeds meer overheidorganisaties gebruik maken van de producten van Logius. Logius onderhoudt daartoe contacten met (potentiële) klanten, inventariseert klantwensen, geeft voorlichting over (nieuwe) producten en zorgt voor de uitwisseling van best practices. Logius ondersteunt klanten in het stimuleren van het veilig gebruik door eindgebruikers (burgers en bedrijven). Een goede elektronische dienstverlening aan burgers en bedrijven is gebaat bij een brede inzet van de producten van Logius, niet alleen in aantal aansluitingen, maar ook in aantal processen en in het daadwerkelijk gebruik door klanten.

Speerpunten 2016

De doelstelling van dit kabinet blijft onverkort dat bedrijven en burgers in 2017 al hun zaken met de overheid digitaal kunnen afhandelen. Dit veroorzaakt komende jaren een forse toename van het gebruik van de producten en diensten die Logius levert.

Voor Logius is verdere standaardisatie één van de belangrijkste sleutels voor de voortgezette structurele verbetering van het functioneren van de publieke sector. Zeker waar het daarbij om inzet van ICT gaat, zit Logius in het hart van die ontwikkeling. In 2016 wordt Managed Services, de generieke en gemeenschappelijke infrastructuur voor een groeiend aantal producten/diensten van Logius, opnieuw aanbesteed en gerealiseerd. Niet de louter operationele kant van beheer, doorontwikkeling en verdergaand gebruik van overheidsbreed gestandaardiseerde ICT-oplossingen, maar het tot stand brengen en vervolgens in stand houden van overheidsbrede ICT standaarden en afsprakenstelsels staan daarbij voor Logius uiteindelijk centraal. Logius verwacht dat dit laatste meer en meer de kerntaak van Logius wordt in de toekomst. Dat impliceert voortgaande innovatie en bewaking van de steeds inniger samenhang tussen Logius en haar klanten, partners, medewerkers, middelen en processen. Belangrijke mijlpaal hierin is het akkoord van de ministerraad in maart 2015 met het Digiprogramma en het voorstel voor structurele aanvullende financiering. Ook heeft de ministerraad ingestemd met het voorstel de sturing hierop via de governance van de Digicommissaris te laten verlopen. Hiermee zijn de eerste stappen gezet om de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI) structureel op orde te brengen.

Logius heeft in toenemende mate een leidende rol in het 7x24 operationeel houden van een steeds grotere verscheidenheid van samenwerkingsketens waarin ongestoorde en veilige massale elektronische informatie-uitwisseling vitaal is.

Informatiebeveiliging blijft een zeer actueel en groeiend vraagstuk. Aanvallen en inbreuken op het ongestoord digitaal functioneren van Nederland, worden steeds complexer en ingenieuzer. Logius neemt maatregelen die erop zijn gericht om de kwaliteit van informatiebeveiliging verder te verbeteren. Het gaat daarbij onder andere om maatregelen tegen operationele dreigingen van buiten. Een groot deel van de producten van Logius maakt immers een integraal onderdeel uit van het primaire proces van de klanten.

Staat van baten en lasten

Begroting van baten-lastenagentschap Logius voor het jaar 2016
(Bedragen x € 1.000)
 

2014

Stand Slotwet

2015

Vastgestelde begroting

2016

2017

2018

2019

2020

Baten

             

Omzet moederdepartement

58.071

32.291

75.924

69.191

68.241

66.876

67.526

Omzet overige departementen

51.829

64.069

76.934

77.069

76.725

73.632

73.632

Omzet derden

5.039

7.772

4.308

4.440

4.645

4.816

4.816

Rentebaten

             

Vrijval voorzieningen

             

Bijzondere baten

828

           

Totaal baten

115.767

104.132

157.166

150.700

149.611

145.324

145.974

               

Lasten

             

Apparaatskosten

115.654

101.057

154.512

146.166

144.781

138.894

138.094

– personele kosten

40.997

34.359

54.079

51.158

50.673

48.613

48.333

– waarvan eigen personeel

16.202

19.684

19.771

20.042

20.316

20.595

20.877

– waarvan externe inhuur

24.795

14.675

33.441

30.249

29.490

27.151

26.589

– waarvan overige personele kosten

0

 

867

867

867

867

867

– materiële kosten

74.657

66.698

100.433

95.008

94.108

90.281

89.761

– waarvan apparaat ICT

44.018

3.000

200

200

200

200

200

– waarvan bijdrage aan SSO's

3.009

 

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

– waarvan overige materiële kosten

   

97.233

91.808

90.908

87.081

86.561

Rentelasten

5

75

100

120

30

30

20

Afschrijvingskosten

1.251

3.000

2.554

4.414

4.800

6.400

7.860

– materieel

1.251

3.000

2.554

4.414

4.800

6.400

7.860

– waarvan apparaat ICT

1.251

           

– immaterieel

             

Overige kosten

             

– dotaties voorzieningen

             

– bijzondere lasten

             

Totaal lasten

116.910

104.132

157.166

150.700

149.611

145.324

145.974

               

Saldo van baten en lasten

– 1.143

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Uitgangspunt voor de begroting van baten en lasten van Logius is een kostendekkende exploitatie.

Omzet

De begrote omzet is hoger dan in 2015. Dit komt doordat de omzet in voorgaande jaren is beperkt door ontoereikende budgetten bij opdrachtgevers. Door het toekennen van de aanvullende GDI middelen wordt er nu begroot op de benodigde gelden. Bij de begrotingen van de GDI-voorzieningen is de lijn aangehouden van de bestedingsplannen, zoals ze zijn aangeleverd aan de Digicommissaris. Voor een aantal voorzieningen wordt gekeken of het opdrachtgeverschap kan worden overgedragen. Bij het bepalen van de omzet naar categorieën is de huidige situatie aangehouden. De omzet moederdepartement bevat onder andere de voorzieningen DigiD en DigiD Machtigen inclusief Fraudebestrijding en Beveiligingsassessments ad € 35,4 mln., de Stelselvoorzieningen ad € 15,1 mln., Digipoort OTP ad € 6,5 mln. en MijnOverheid ad € 0,5 mln. Omzet overige departementen bevat onder andere MijnOverheid ad € 18,3 mln., Standard Business Reporting (SBR) ad € 16,85 mln. en de gemigreerde Digipoort ad € 25,9 mln. Omzet derden bestaat onder andere uit MijnOverheid ad € 1,2 mln. en SBR ad € 2,3 mln.

De totale omzet van € 157 mln. bestaat uit € 133 mln. voor beheer en exploitatie en € 24 mln. doorontwikkeling.

Personele kosten

Ongeveer 35% van de apparaatskosten zijn personele kosten. De kosten voor eigen personeel zijn vast en gebaseerd op de formatie van 209 fte. Voor het overige deel personele inzet wordt extern ingehuurd. Meer werk in combinatie met beperkte interne capaciteit leidt in 2016 tot een hoog aandeel externe inhuur.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan voornamelijk uit contractkosten voor de producten. Deze vallen onder overig materieel en bestaan uit kosten voor leveranciers die zorgen voor o.a. applicatiebeheer, infrastructuurbeheer en hosting van de producten. Daarnaast vallen hieronder de contractkosten voor bedrijfsvoering. Een klein deel van de materiële kosten, de kantoorautomatisering en huisvesting, valt onder apparaat ICT en bijdrage SSO’s.

Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht van baten-lastenagentschap Logius voor het jaar 2016
(Bedragen x € 1.000)
   

2014 Stand Slotwet

2015 Vastgestelde begroting

2016

2017

2018

2019

2020

1.

Rekening courant RHB 1 januari 2016 + depositorekeningen

59.020

50.000

50.000

48.800

46.000

41.600

35.600

2.

Totaal operationele kasstroom

– 9.144

3.000

1.354

1.614

400

400

260

 

– /– totaal investeringen

– 655

– 6.000

– 8.000

– 8.000

– 8.000

– 8.000

– 8.000

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

65

           

3.

Totaal investeringskasstroom

– 590

– 6.000

– 8.000

– 8.000

– 8.000

– 8.000

– 8.000

 

– /– eenmalige uitkering aan moederdepartement

– 4.857

           
 

+/+ eenmalige storting door het moederdepartement

0

           
 

– /– aflossingen op leningen

– 1.287

– 3.000

– 2.554

– 4.414

– 4.800

– 6.400

– 7.860

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

699

6.000

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

4.

Totaal financieringskasstroom

– 5.445

3.000

5.446

3.586

3.200

1.600

140

5.

Rekening courant RHB 31 december 2016 + stand depositorekeningen (=1+2+3+4)

(noot: maximale roodstand 0,5 miljoen euro)

43.841

50.000

48.800

46.000

41.600

35.600

28.000

Toelichting

Operationele kasstroom

Het operationele kasstroomoverzicht toont de meerjarige ontwikkeling van de rekening courant. De kasstroom wordt bepaald door het jaarlijkse bedrijfsresultaat, de investeringen, aflossingen op leningen en overige financiële transacties.

Investeringskasstroom

De investeringen waarvoor een beroep op de leenfaciliteit wordt gedaan, vinden plaats in het kader van doorontwikkelingen van de voorzieningen.

Aflossingen op leningen

Deze bedragen betreffen de aflossingen van reeds aangegane en nieuwe leningen om investeringen te financieren.

Beroep op leenfaciliteit

Het beroep op de leenfaciliteit omvat de door Logius bij het Ministerie van Financiën geleende bedragen. Dit beroep wordt gedaan ter financiering van investeringen.

Doelmatigheid

Begroting van baten-lastenagentschap Logius voor het jaar 2016
(Bedragen x € 1.000)
 

2014 Slotwet

2015 Vastgestelde begroting

2016

2017

2018

2019

2020

Omschrijving Generiek Deel

             

Verloop kostprijs (basisjaar 2011 = 100

64

61

116

110

104

100

97

Verloop tarieven (basisjaar 2011 = 100)

95

96,2

95

95

95

95

95

Totale omzet per product(groep) of dienst

152

138

209

200

198

193

194

% FTE primair proces

78

78

78

78

78

78

78

% FTE Overhead

22

22

22

22

22

22

22

FTE-totaal, excl. externe inhuur

194

194

209

209

209

209

209

Saldo van baten en lasten (%)

– 1

0

0

0

0

0

0

Klanttevredenheid (KTO)

7

7

7

7

7

7

7

Medewerkerstevredenheid (MTO)

7

7

7

7

7

7

7

Betrouwbaarheid/TPM

ja

ja

ja

ja

ja

ja

ja

Periodieke Benchmark producten Logius

uitgevoerd

uitgevoerd

uitgevoerd

uitgevoerd

uitgevoerd

uitgevoerd

uitgevoerd

Omschrijving Specifiek Deel

             

Omzet per productgroep (in %)

             

. Beheer & exploitatie

76%

79%

85%

88%

88%

88%

88%

. Inbeheername projecten

3%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

. Doorontwikkeling

18%

21%

15%

12%

12%

12%

12%

. Stimulering gebruik

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

. Projecten

3%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

Kostprijs DigiD

45

36

28

21

14

11

10

Kostprijs OTP

84

86

205

199

194

189

184

DigiD

             

. Aantal nieuw aangesloten overheidsorganisaties

111

15

22

22

22

22

22

. Aantal burgers met DigiD

11,8 mln.

12,0 mln.

12,6 mln.

13 mln.

13 mln.

13 mln.

13 mln.

. Aantal DigiD authenticaties

158 mln.

350 mln.

360 mln.

540 mln.

800 mln.

1.000 mln.

1.100 mln.

PKI-Overheid

             

. Aantal nieuwe certificaatverstrekkers

0

0

         

Digipoort

             

. Aantal aangesloten bedrijven

1.343

1.400

1.480

1.560

1.640

1.720

1.800

. Aantal berichten via Digipoort

81,1 mln.

83 mln.

70 mln.

72 mln.

74 mln.

76 mln.

78 mln.

Vragen/klachten

             

. Aantal vragen/klachten

2

2

2

2

2

2

2

. Snelheid van afhandeling

14 dagen

15 dagen

15 dagen

15 dagen

15 dagen

15 dagen

15 dagen

Tijd tussen verzoek klant en realisatie

             

. Doorlooptijd

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Contract- en leveranciersmanagement

             

. Prijsbenchmark

gestart

n.v.t.

uitgevoerd

n.v.t.

uitgevoerd

n.v.t.

uitgevoerd

Toelichting

  • Indexcijfer kostprijs per product (groep) is gebaseerd op het gemiddelde verloop van de volwassen producten, te weten DigiD en Digipoort. Door een stijging van het gebruik van DigiD neemt het aantal authenticaties fors toe. Dit heeft als gevolg dat de kostprijs per eenheid daalt. Het platform van Digipoort wordt vernieuwd en toekomstbestendig gemaakt. Hiermee wordt de functie van het systeem uitgebreid. De vernieuwing leidt niet direct tot meer berichten, waardoor de kostprijs een stijging laat zien.

  • De tarieven per uur zijn de tarieven eigen personeel en gebaseerd op de handleiding overheidstarieven. Het streven is structurele functies zoveel mogelijk te verambtelijken. De doelstelling hierbij is het sturingspercentage externe inhuur terug te brengen naar 40%.

  • Door toekenning van de aanvullende GDI-gelden stijgt de omzet van Logius in 2016.

  • Klanttevredenheid: jaarlijks organiseert Logius een onderzoek naar klanttevredenheid met betrekking tot de dienstverleningsprestaties. De doelstelling is jaarlijks een score van 7 te halen. Dit is hoger dan de klanttevredenheid zoals deze in de markt is.

  • Benchmark: het algemeen beleid van Logius is om elke twee jaar een benchmark uit te laten voeren over de volwassen voorzieningen die bij Logius in beheer zijn. Benchmarking is voor Logius een methode om op een objectieve wijze inzicht te verkrijgen in de marktconformiteit van haar dienstverlening, die van haar externe leveranciers en transparantie van de dienstverlening.

  • De stijging van het aantal DigiD authenticaties is het gevolg van een toename in het gebruik DigiD. Hierbij is ook rekening gehouden met de verdere stijging door gebruik via MijnOverheid.

  • Het aantal berichten via Digipoort daalt vanwege het stopzetten van de berichtenstroom Supd@x. De applicatie wordt vernieuwd en de berichtenstroom komt geleidelijk weer op gang.

4.2 P-Direkt

Inleiding

P-Direkt is de shared service centre (SSC) van de Rijksdienst voor HR-services. P-Direkt levert bedrijfsvoeringsservices gericht op personeel voor de 120.000 medewerkers en managers werkzaam bij de Rijksdienst van Nederland.

P-Direkt hanteert het concept van zelfbediening dat is gebaseerd op de principes toegankelijkheid, vertrouwen en uniformiteit.

Waar dat toegevoegde waarde heeft voor de klant wordt de service van P-Direkt gekoppeld aan het primaire proces en andere bedrijfsvoeringdiensten van en voor de medewerkers van het Rijk.

P-Direkt is de bron met gegevens van alle medewerkers van het Rijk en heeft kennis en ervaring op het gebied van HR.

De diensten worden via het Rijksportaal Personeel en het P-Direktportaal aangeboden. De medewerker en manager kan als hij dat wil, daarbij hulp krijgen van het contactcenter. De salarisbetaling en de personele informatievoorziening zijn belangrijke eindproducten.

De doelstellingen voor 2016 zijn:

  • 1. De basisdoelstelling van P-Direkt is het leveren van de dienstverlening volgens de Servicelevels.

    P-Direkt verbetert de kwaliteit en efficiency verder binnen de huidige dienstverlening vanuit gebruikersperspectief. Voor 2016 staan centraal de ontwikkelingen en verbeteringen in de techniek. Daarnaast wordt er ten behoeve van de georganiseerde dienstverlening in het Contactcenter ook continu gewerkt aan kwaliteitsverbetering (service in nabijheid, opvolging gebruikersonderzoeken) en hogere efficiency.

  • 2. Het jaar 2016 is het eerste jaar dat alle departementen zijn aangesloten op de dienstverlening Optimaal Verbinden (HRO) en zal er verdere optimalisering plaatsvinden.

    De dienstverleningsketen wordt geoptimaliseerd door samenvoeging van de schakels HR ondersteuner (departementale rol) en HR verwerker (rol bij P-Direkt) tot HR Servicemedewerker (HRS). Op deze manier zijn minder overdrachtsmomenten nodig en snellere doorlooptijden mogelijk, daalt het risico op fouten (in één keer goed) en reduceert de samenvoeging de kans op verwijzingen van kastje naar de muur. Dit betekent het onderbrengen van de gehele HR-administratie en gebruikersondersteuning bij P-Direkt waarbij het gebruiksgemak en de managementondersteuning hiermee wordt verbeterd. Het programma draagt bij aan het realiseren van de nog onbenutte mogelijkheden om tot een grotere efficiency in de HR-keten te komen.

    Met ingang van 2016 worden de investeringen in de ontwikkeling van het programma afgeschreven ten laste van de exploitatie.

  • 3. Vernieuwen en ontwikkelen van de dienstverlening.

    P-Direkt blijft voortdurend de mogelijkheden onderzoeken naar nieuwe diensten voor haar klanten. Dit kan zowel individueel als door aansluiting bij andere rijksbrede ontwikkelingen. In de jaren 2016 en 2017 zullen de projecten Gesprekscyclus Rijk, Interdepartementaal detacheren, Tijdschrijven en Roosterplanning verdere doorgang vinden en zal dienstverlening gefaseerd worden ingevoerd. Zo is het doel fase I van de Gesprekscyclus Rijk medio 2016 te implementeren bij de departementen.

  • 4. Programma Rijksbreed Identiteitsmanagement (RIdM)

    Rijksbreed Identiteitsmanagement (RIdM) is een essentiële voorwaarde voor realisatie van de ambities van Compacte Rijksdienst, I-strategie en Hervormingsagenda. Toegang richt zich op het realiseren van een rijksbrede voorziening voor identiteitenbeheer («wie ben je») en autorisatiebeheer («wat mag je»). Daarmee wordt een veilige fysieke en logische toegang gewaarborgd voor de juiste mensen tot de juiste generieke fysieke en digitale omgevingen. De ICBR stemde in maart 2014 in met het eindbeeld RIdM en het realiseren daarvan. In april 2015 werd besloten om scenario 2 te realiseren. Op basis van de gateway van mei 2015 is een project realisatie RIS binnen het programma RIDM gestart. Dit programma zorgt ondermeer voor een eenduidig register van alle identiteiten binnen de rijksoverheid en borgt daarmee een uniforme toegang tot generieke voorzieningen.

    De jaren 2015 en 2016 zijn de bouwjaren met het doel per 2017 te starten met de dienstverlening aan de departementen. Opdrachtnemer voor het Rijksbreed Identiteitsmanagement (RIdM) is P-Direkt.

  • 5. De bezuinigingstaakstelling Rutte I en II

    De bezuinigingstaakstelling Rutte I is door het Ministerie van BZK doorvertaald naar P-Direkt voor een bedrag van € 2,071 mln. structureel in 2016. Deze bezuiniging heeft P-Direkt in haar tarieven verwerkt met behoud van de afgesproken basisdienstverlening.

    De bezuinigingstaakstelling Rutte II die ingaat per 2016 is door P-Direkt vertaald in een efficiencytaakstelling tot 2019 met jaarlijks 1,5% en is ook zodanig in het tarief basisdienstverlening verwerkt.

Bekostiging

De structurele budgettaire reeksen van de ministeries voor P-Direkt zijn overgeheveld naar BZK. De ministeries ontvangen geen factuur meer voor de basisdienstverlening. Met het overhevelen van deze budgetten voor P-Direkt naar BZK, is de opdrachtgeversrol van de ministeries centraal neergelegd bij de centrale opdrachtgever BZK. De taken van de opdrachtgever staan beschreven in de Regeling agentschappen. De departementale budgetten voor de nieuwe dienstverlening archiefservice en Optimaal Verbinden zullen op het moment dat deze zijn geoptimaliseerd worden overgeheveld naar BZK.

Baten-lastenagentschap P-Direkt
Begroting van baten-lastenagentschap voor het jaar 2016 (Bedragen x € 1.000)
 

2014 Stand Slotwet

2015

1e suppletoire begroting

2016

2017

2018

2019

2020

Baten

             

Omzet moederdepartement

5.283

68.520

67.418

68.136

66.536

65.223

65.203

Omzet overige departementen

64.980

8.648

18.672

18.102

17.573

16.921

16.721

Omzet derden

0

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

22

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

42

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

70.327

77.168

86.090

86.238

84.109

82.144

81.924

               

Lasten

             

Apparaatskosten

58.703

64.552

70.670

69.338

67.586

65.998

65.778

– personele kosten

35.149

39.723

45.680

44.883

43.627

42.533

42.508

– waarvan eigen personeel

25.968

29.248

35.958

34.985

34.042

33.129

33.114

– waarvan externe inhuur

9.181

9.413

8.497

8.706

8.425

8.276

8.266

– waarvan overige personele kosten

   

1.225

1.192

1.160

1.129

1.128

– materiële kosten

23.554

24.829

24.990

24.455

23.960

23.466

23.270

– waarvan apparaat ICT

15.957

12.755

14.954

14.547

14.177

13.804

13.448

– waarvan bijdrage SSO's

8.703

9.682

10.444

10.301

10.162

10.027

9.897

– waarvan overige mat.kosten

   

2.295

2.236

2.179

2.124

2.071

Rentelasten

2.027

1.696

1.452

1.170

793

416

416

Afschrijvingskosten

12.128

12.220

13.968

15.730

15.730

15.730

15.730

– materieel

46

54

75

75

75

75

75

– waarvan apparaat ICT

46

21

75

75

75

75

75

– immaterieel

12.082

12.166

13.893

15.655

15.655

15.655

15.655

Overige kosten

1.018

0

0

0

0

0

0

– dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

– bijzondere lasten

1.018

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

73.876

78.468

86.090

86.238

84.109

82.144

81.924

               

Saldo van baten en lasten

– 3.549

– 1.300

0

0

0

0

0

cijfers exclusief loon- en prijsbijstelling 2016 (LPO).

Toelichting

Saldo van baten en lasten

Uitgangspunt voor de begroting van baten en lasten van P-Direkt is een kostendekkende exploitatie en een vermogensbuffer van maximaal 5% van de gemiddelde omzet over de laatste drie jaar. P-Direkt blijft eind 2015 binnen de grenzen van het toegestane eigen vermogen.

Baten

De baten stijgen vanaf 2016 door de dienstverlening van de centrale archiefvoorzieing en de dienstverlening Optimaal Verbinden. De kosten stijgen hierdoor simultaan.

Lasten

Apparaatskosten

Met de start van de nieuwe dienstverlening is de formatie van P-Direkt uitgebreid en komt ambtelijk personeel over van de departementen naar P-Direkt. Hierdoor stijgen de personele kosten. De ICT kosten stijgen doordat de kosten voor de BZK-kantoorautomatisering voor het eerst aan deze categorie worden toegevoegd. De overige materiële kosten betreffen forensenkosten en personele vergoedingen die onder de Werkkostenregeling (WKR)-uitgaven vallen.

Rentelasten

De rentelasten hebben betrekking op de financieringslasten voor de bij het Ministerie van Financiën aangegane leningen ten behoeve van de investeringen in de aanschaf van de licenties en de bouw van de dienstverlening.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten bestaan uit afschrijvingen van de investeringen in de immateriële en materiële vaste activa. De afschrijvingskosten stijgen in 2016 doordat de investeringen in de dienstverlening Optimaal Verbinden (HRO) worden geactiveerd waarbij wordt gestart met afschrijven.

Kasstroomoverzicht

Baten-lastenagentschap P-Direkt
Kasstroomoverzicht over het jaar 2016 (Bedragen x € 1.000)
   

2014 Stand Slotwet

2015 1e suppletoire begroting

2016

2017

2018

2019

2020

1.

Rekening courant RHB 1 januari 2015 + depositorekeningen

20.017

3.142

6.992

4.342

2.192

2.042

1.892

2.

Totaal operationele kasstroom

– 1.258

17.500

6.000

13.500

15.500

15.500

15.500

 

– /– totaal investeringen

– 4.374

– 10.000

– 5.000

0

0

0

0

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

0

0

0

       

3.

Totaal investeringskasstroom

– 4.374

– 10.000

– 5.000

0

0

0

0

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (–/–)

0

– 297

0

       
 

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

0

297

0

       
 

Aflossingen op leningen (–/–)

– 11.243

– 13.650

– 13.650

– 15.650

– 15.650

– 15.650

– 15.650

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

0

10.000

10.000

       

4.

Totaal financieringskasstroom

– 11.243

– 3.650

– 3.650

– 15.650

– 15.650

– 15.650

– 15.650

5.

Rekening courant RHB 1 januari 2015 + stand depositorekeningen (=1+2+3+4) (noot: maximale roodstand 0,5 miljoen euro)

3.142

6.992

4.342

2.192

2.042

1.892

1.742

Toelichting

Voor 2016 wordt een beroep gedaan op de leenfaciliteit voor de te verwachten systeembouw voor onder andere het programma Roosterplanning en Tijdschrijven. Deze lening wordt bij aanvang van de dienstverlening in vijf jaar afgelost.

In 2016 en verder is sprake van een sluitende liquiditeitsbegroting waarin kasbetalingen worden gematched door de kasinkomsten.

Doelmatigheid

Baten-lastenagentschap P-Direkt
Overzicht doelmatigheidsindicatoren
 

2014

Stand Slotwet

2015

1e suppletoire begroting

2016

2017

2018

2019

2020

Omschrijving Generiek Deel

             

Kostprijzen per product (groep)

544

551,76

702,65

702,65

702,65

702,65

702,65

Verloop tarieven/uur (basisjaar 2011=100)

94,5

96,0

122,2

122,2

122,2

122,2

122,2

Aantal individuele arbeidsrelaties (IAR)

122.885

119.501

116.295

113.550

111.060

108.761

108.761

Totale omzet basisdienstverlening (x1.000)

65.377

65.936

81.857

82.181

80.245

78.606

78.586

Totale omzet overige + projecten (x1.000)

4.886

11.232

4.033

3.963

3.892

3.823

3.823

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

409

496

601

584

569

553

539

Saldo van baten en lasten (%)

– 5,07%

– 1,70%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

Medewerkerstevredenheid

6,6

7

nvt

7

nvt

7

nvt

Door de start met de nieuwe diensten Centrale Archivering Personeelsdossiers en Optimaal Verbinden HR-Ondersteuner/HR-Verwerker stijgen de tarieven en omzetten. Tevens stijgt door deze nieuwe dienstverlening de formatie door overkomst van ambtelijk personeel vanuit de departementen.

Baten-lastenagentschap P-Direkt
Overzicht doelmatigheidsindicatoren
 

2014

Stand Slotwet

2015

1e suppletoire begroting

2016

2017

2018

2019

2020

Omschrijving Specifiek Deel ICT diensten

             

Gebruikerstevredenheid

De mate waarin de gebruiker tevreden is over de dienstverlening

6,8

7

7

7

7

7

7

Tijdige afhandeling wijzigingen:

             

– P-Direkt heeft de opdracht verwerkt voor afgesproken salarisbetaling

99,0%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

– P-Direkt handelt de aangeboden «kritische mutatieopdrachten binnen 5 werkdagen af (aanstelling, overplaatsing, ontslag)

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

Vraagafhandeling contactcenter:

             

– P-Direkt handelt de vragen die per telefoon, email of post binnenkomen binnen 5 werkdagen af

90,00%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

– P-Direkt handelt de vragen die per email binnenkomen in 1 keer goed af

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

Klachtbehandeling: P-Direkt handelt de klachten volgens de klachtenprocedure binnen 5 dagen inhoudelijk af

100,0%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

Responsetijden Contactcenter: de responstijd om de telefoon op te nemen is gemiddeld minder dan 30 seconden (na keuzemenu)

66 sec

30 sec

30 sec

30 sec

30 sec

30 sec

30 sec

Beschikbaarheid systeem: De P-Direktsystemen (P-Direktportaal, Rijksportaal Personeel en het personeelsdossier) zijn 7 dagen per week en 24 uur per dag beschikbaar. De servicewindow voor de systemen is van 8.00 uur tot 17.00 uur. Tijdens deze tijden geldt de beschikbaarheidsnorm

99,7%

98,0%

98,0%

98,0%

98,0%

98,0%

98,0%

Wet en regelgeving up to date. Men kan wijzigingen in de wet- en regelgeving binnen 2 weken na publicatie in de Staatscourant op het Rijksportaal Personeel raadplegen

100,0%

98,0%

98,0%

98,0%

98,0%

98,0%

98,0%

Betrouwbaarheid:

             

– P-Direkt zorgt ervoor dat gegevens op tijd en juist worden opgeleverd (interfaces, rapportages)

99,3%

98%

98%

98%

98%

98%

98%

– P-Direkt verwerkt een deel van de aangeboden wijzigingen handmatig in het geautomatiseerde systeem. Deze worden op de juiste manier verwerkt volgens de opdracht

99,5%

98%

98%

98%

98%

98%

98%

Toelichting

Doelmatigheid en Kwaliteit

P-Direkt streeft naar operational excellence gecombineerd met customer intimacy (maximale afstemming op behoefte gebruiker). Hierbij zet P-Direkt onder de noemer P-Lien (de P-Direkt- variant van Lean) de Leanfilosofie en methodiek in als basis voor continu verbeteren. In 2016 geeft deze Leanfilosofie op alle lagen in de organisatie en over de keten invulling aan waar P-Direkt P-Direkt voor staat: het (blijvend) optimaliseren van klantgerichte, betrouwbare, efficiënte en innovatieve bedrijfsvoeringservices gericht op personeel voor de medewerkers werkzaam bij de Rijksdienst van Nederland.

P-Direkt werkt met een Producten- en dienstengids (PDG) inclusief servicelevels.

In de Producten- en dienstengids zijn de verschillende diensten en activiteiten, leveringsvoorwaarden en de kwaliteitsborging vastgelegd die de ministeries van P-Direkt kunnen verwachten.

P-Direkt stelt de servicelevels jaarlijks vast in overleg met de stakeholders en de eigenaar van P-Direkt. In 2013 is de set aan servicelevels vernieuwd. Deze set sluit nog steeds aan op de behoefte van de stakeholders. Op advies van de Auditdienst Rijk en in overleg met de stakeholders zijn er twee servicelevels toegevoegd. Deze levels geven betekenis aan de betrouwbaarheid van de dienstverlening.

Servicelevels

Onze servicelevels gelden voor het hele jaar en zijn voor alle klanten hetzelfde. De servicelevels zijn geen doel op zich, maar minimale normen. P-Direkt streeft naar een binnen de financiële kaders zo hoog mogelijke score in dienstverlening. P-Direkt informeert de stakeholders periodiek over de servicelevels via nieuwsbrieven. De behaalde servicelevels worden vier keer per jaar in het bestuurlijk overleg besproken. Gezamenlijk wordt vastgesteld of eventuele tekortkomingen hierin hebben geleid tot onoverkomelijke problemen. Op basis hiervan worden afspraken gemaakt voor de servicelevels in de volgende maand(en). Indien noodzakelijk zal P-Direkt de werkzaamheden (her)prioriteren en aanvullende verbetermaatregelen nemen. De invulling van de taakstellingen hebben vooralsnog geen invloed gehad op de het niveau van de servicelevels.

De score op de servicelevels wordt uitgedrukt in percentages of op een schaal van 1 – 10.

4.3 Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR)

Inleiding

De Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR) heeft een breed aanbod aan producten en diensten en biedt hiermee integrale oplossingen. UBR bundelt haar kennis van onder andere interim-management, HRM, IT, inkoop en financiën en verbindt die met de andere rijksbrede SSO’s.

De Hervormingsagenda Rijk is mede aanleiding geweest om meer eenheid te brengen in de organisatieonderdelen van UBR en daarmee de organisatie van pionier naar professionele dienstverlener te brengen. UBR staat voor:

  • Integrale dienstverlening;

  • Hoge kwaliteit tegen zo laag mogelijke kosten;

  • Delen en ontwikkelen van kennis en kunde binnen de overheid.

Naast de reguliere dienstverlening voert UBR complexe transities en implementaties op het gebied van rijksbrede bedrijfsvoering uit. Dit doet het ontwikkelbedrijf van UBR in opdracht van de Interdepartementale Commissie Bedrijfsvoering Rijk (ICBR), het SG-Overleg of de ministerraad. Daarmee draagt UBR bij aan het verder ontwikkelen van een effectieve en efficiënte overheid.

Ontwikkelingen

De activiteiten van UBR worden bekostigd uit de omzet gebaseerd op aan afnemers geleverde producten en diensten tegen jaarlijks vastgestelde tarieven (p x q). Het onderdeel, Expertise Centrum Organisatie & Personeel van UBR (UBR/EC O&P) heeft en belangrijk deel van haar dienstverlening budget-gefinancierd op basis van het doorberekenen van de jaarlijkse kosten naar rato van het aantal individuele arbeidsrelaties (IAR) bij de betreffende departementen.

Staat van baten en lasten

Begroting van baten-lastenagentschap UBR voor het jaar 2016
(Bedragen x € 1.000)
 

2014

Stand Slotwet

2015

1e suppletoire begroting

2016

2017

2018

2019

2020

Baten

             

Omzet moederdepartement

36.598

34.854

63.291

67.573

67.573

67.573

67.573

Omzet overige departementen

85.718

60.694

98.278

98.278

98.278

98.278

98.278

Omzet derden

5.633

3.873

5.395

5.606

5.606

5.606

5.606

Rentebaten

4

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

184

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

1.722

2.356

1.416

1.416

1.416

1.416

1.416

Totaal baten

129.859

101.777

168.381

172.874

172.874

172.874

172.874

               

Lasten

             

Apparaatskosten

126.364

97.915

165.790

170.287

170.287

170.287

170.287

– personele kosten

90.067

80.870

114.012

117.973

117.973

117.973

117.973

– waarvan eigen personeel

65.005

68.511

92.721

96.682

96.682

96.682

96.682

– waarvan externe inhuur

18.905

12.359

16.065

16.065

16.065

16.065

16.065

– waarvan overige personele kosten

6.157

0

5.226

5.226

5.226

5.226

5.226

– materiële kosten

36.297

17.045

51.778

52.315

52.315

52.315

52.315

– waarvan apparaat ICT

3.701

4.239

6.472

6.539

6.539

6.539

6.539

– waarvan bijdrage aan SSO's

10.962

9.032

11.725

12.082

12.082

12.082

12.082

– waarvan overige materiële kosten

21.634

3.774

33.581

33.693

33.693

33.693

33.693

Rentelasten

3

180

53

49

49

49

49

Afschrijvingskosten

853

1.126

1.122

1.122

1.122

1.122

1.122

– materieel

353

573

1.084

1.084

1.084

1.084

1.084

– waarvan apparaat ICT

 

0

0

0

0

0

0

– immaterieel

500

553

38

38

38

38

38

Overige kosten

13.040

2.356

1.416

1.416

1.416

1.416

1.416

– dotaties voorzieningen

7.940

0

0

0

0

0

0

– bijzondere lasten

5.100

2.356

1.416

1.416

1.416

1.416

1.416

Totaal lasten

140.260

101.577

168.381

172.874

172.874

172.874

172.874

               

Saldo van baten en lasten

– 10.401

200

0

0

0

0

0

Toelichting

Uitgangspunt voor de begroting van baten en lasten van UBR is een kostendekkende exploitatie.

Bij het opstellen van de begroting 2016 is uitgegaan van de 2015 tarieven, geïndexeerd met een gewogen loon- en prijsbijstelling.

De financiële gevolgen van het Rijksbreed harmoniseren van de huisvestingstarieven vanaf 2016 zijn voor UBR nog niet bekend en zijn derhalve in de begroting 2016 niet meegenomen.

Ingeval van grote structurele stijgingen van toeleveranciers zal UBR dit doorberekenen in de betreffende tarieven.

Baten

De organisatieonderdelen die de grootste bijdrage in 2016 leveren aan de omzet en kosten zijn UBR|EC O&P voor ca. € 57 mln., UBR|RBO voor ca € 45 mln., UBR|IIRk voor ca. € 27 mln. en organisatieonderdeel Haagse Inkoop Samenwerking (UBR|HIS) voor ca. € 10 mln.

De uitbreiding van de dienstverlening bij de Interdepartementale Post- en Koeriersdienst (UBR|IPKD) met de bezorging van gerechtelijke brieven, de uitbreiding van de dienstverlening bij de Rijksbeveiligingsorganisatie (UBR|RBO) en geleidelijke uitbreiding van I-Interim Rijk (UBR|IIR) als gevolg van het kabinetbesluit naar aanleiding van de commissie Elias leiden tot de toename van de omzet bij UBR in 2016 en 2017. Bij UBR|EC O&P is sprake van een belangrijk hogere omzet uit Workflow en Bedrijfszorg ten opzichte van 2015.

De meerjarenontwikkeling van de omzet is een resultante van de verwachte toename van de reguliere productieafzet bij meerdere organisatieonderdelen als gevolg van uitbreiding van de interdepartementale klantenkring en/of aanpassing van het producten en dienstenaanbod op de vraag.

Lasten

De ontwikkeling van de lasten is gerelateerd aan de omzetontwikkelingen bij de organisatieonderdelen van UBR.

De externe inhuur voor UBR komt naar verwachting uit op € 16,1 mln. in 2016. Om de flexibiliteit in de vraag te kunnen opvangen huurt UBR|EC O&P arbeidsjuristen in en het UBR|HIS inkoopdeskundigen. De overige externe inhuur bij UBR|EC O&P hangt samen met het business model bij de onderdelen Workflow en Bedrijfsgeneeskundige dienst, waarbij gewerkt wordt met een kleine vaste bezetting en aangevuld met een grote flexibele schil van ZZP-ers conform afspraken in het Interdepartementale Commissie Organisatie en Personeel. Het van werk naar werk beleid leidt tot grote vraag naar onderzoeken door Workflow.

De stijging van de externe inhuur ten opzichte van 2015 is een gevolg van de uitbreiding van de dienstverlening van UBR.

Bijzondere baten en lasten

De bijzondere lasten betreffen een deel van de doorbelastingen voor de dienstverlening vanuit het moederdepartement en vanuit andere SSO’s. Het stelsel van doorbelastingen wordt in 2016 herzien.

Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht van baten-lastenagentschap UBR voor het jaar 2016
(Bedragen x € 1.000)
   

2014 Stand Slotwet

2015 1e suppletoire begroting

2016

2017

2018

2019

2020

1.

Rekening courant RHB 1 januari 2016 + depositorekeningen

16.308

16.814

18.481

17.930

17.380

16.830

16.280

2.

Totaal operationele kasstroom

– 5.927

1.213

1.121

1.122

1.122

1.122

1.122

 

– /– totaal investeringen

– 3.555

– 2.600

– 1.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

491

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

– 3.064

– 2.600

– 1.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

 

– /– eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door het moederdepartement

5.900

4.489

0

0

0

0

0

 

– /– aflossingen op leningen

– 98

– 1.100

– 672

– 672

– 672

– 672

– 520

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

760

2.600

0

0

0

0

0

4.

Totaal financieringskasstroom

6.562

5.989

– 672

– 672

– 672

– 672

– 520

5.

Rekening courant RHB 31 december 2016 + stand depositorekeningen (=1+2+3+4) (noot: maximale roodstand 0,5 miljoen euro)

13.879

21.416

17.930

17.380

16.830

16.280

15.882

Toelichting

De investering in 2016 betreft voor € 1 mln. overige materiële vaste activa bij de organisatieonderdelen van UBR.

Het hoge Rekening-courantsaldo ultimo 2016 wordt verklaard door omvangrijk geldverkeer bij enkele bedrijfseenheden. De ontwikkeling in het saldo van de rekening courant is een resultante van de ontwikkeling van de operationele kasstroom en de verwachte investeringen. In 2015 zal door UBR nog een beroep worden gedaan op de leenfaciliteit ter grootte van € 2,6 mln. Dit verklaart het bedrag aan aflossing op leningen.

UBR streeft ernaar bij een omvangrijke rekening-courantstand een beperkt beroep te doen op de leenfaciliteit. De opgenomen lening betreft dan ook alleen investeringen boven € 0,5 mln. Vanaf 2016 wordt er geen beroep gedaan op de leenfaciliteit. De investering van € 1 mln. zal worden gefinancierd uit het Rekening-courantsaldo in de jaren 2016 t/m 2020.

Doelmatigheid

UBR levert als Shared Service Organisatie vele producten en diensten. Door de diversiteit van producten en diensten en de tarieven is gekozen voor een tweetal overall indicatoren voor de integrale kostprijzen en de verkooptarieven. Beide zijn door indexcijfers weergegeven (2011 = 100).

Begroting van baten-lastenagentschap UBR voor het jaar 2016
(Bedragen x € 1.000)
 

2014 Slotwet

2015 1e suppletoire begroting

2016

2017

2018

2019

2020

Omschrijving Generiek Deel

             

Kostprijzen per product (groep) (indexcijfer)

100

100

103,1

103,1

103,1

103,1

103,1

Tarieven/uur (indexcijfer)

100

100

103,1

103,1

103,1

103,1

103,1

Omzet per FTE

146.227

116.011

136.717

137.030

137.030

137.030

137.030

               

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

875

857

1.221

1.251

1.251

1.251

1.251

               

Saldo van baten en lasten (%)

– 8,1%

0,2%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

               

Kwaliteitsindicator 1 – KTO

in 2015

7,1

7,1

7,1

7,1

7,1

7,1

Kwaliteitsindicator 2 – MTO

 

7,5

7,5

7,5

7,5

7,5

7,5

werkplezier

6,6

           

werkdruk

5,4

           

Doorlichting uitgevoerd cq. gepland in:

2015

2015

Toelichting

In 2015 zijn de UBR tarieven gemiddeld met 1,56% geïndexeerd voor loon- en prijsbijstelling. Op basis van de verwachte loon- en prijsontwikkeling voor 2016 zijn de tarieven met 1,48% geïndexeerd. Het indexcijfer kostprijs en indexcijfertarieven komt hiermee op 103,1.

De toename van het aantal FTE’s in 2016 is vooral een gevolg van de uitbreiding van de dienstverlening bij UBR|IPKD en UBR|IIR.

De toename van de omzet per FTE in 2016 is een gevolg van de toename van de omzet bij UBR|RBO, zonder dat sprake is van uitbreiding van het aantal fte’s bij UBR|RBO. Deze uitbreiding is vooral ingevuld door externe inhuur.

Groei van UBR is geen doel op zich, maar UBR zal organisch groeien als gevolg van het vollediger aansluiten van departementen. Hierdoor hoeven de departementen minder in eigen beheer uit te voeren dan wel uit te besteden in de markt.

4.4 FMHaaglanden

Inleiding

FMHaaglanden verzorgt de facilitaire dienstverlening voor de departementen Buitenlandse Zaken (BZ), Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), Infrastructuur en Milieu (IenM), Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), Veiligheid en Justitie (VenJ), Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Economische zaken (EZ) en Financiën (FIN). Tevens is voor FIN het vervoer bij FMHaaglanden ondergebracht.

FMHaaglanden levert producten en diensten op het gebied van gebouwbeheer, exploitatie, consumptieve diensten, risicobeheersing, schoonmaak, verhuizen, post en reprografie, verstrekken van inrichting, voorzieningen, vervoer, facility management en overige diensten.

FMHaaglanden wil de professionele dienstverlener zijn voor rijksorganisaties in de regio Haaglanden, die gefaciliteerde rijkswerkplekken levert waardoor klanten comfortabel kunnen werken.

FMHaaglanden heeft de volgende meerjarige doelen:

  • Voorbereid zijn op en uitvoeren van veranderingen verzorgingsgebied;

  • Vormgeven c.q. intensiveren samenwerking en partnerschap andere SSO’s;

  • Implementeren veranderingen Bedrijfsvoering Rijk;

  • Doorontwikkeling (dienstverlening van) FMHaaglanden.

Ontwikkelingen

De komende jaren staan voor FMH in het teken van nieuwe aansluitingen, het masterplan huisvesting, de samenwerking met facilitaire concerndienstverleners en de governance en sourcing van de Rijksbrede bedrijfsvoering (project SGO5).

In het regeerakkoord is vanaf 2016 een taakstelling voor de Rijksdienst opgenomen. Eén van de projecten die door het SGO is geïnitieerd om bij te dragen aan de toekomstige organisatie en sturing van de bedrijfsvoering bij het concern Rijk is het SGO-project 5 «Governance en sourcing binnen de bedrijfsvoering». Om het eindbeeld in 2016 te implementeren is in 2014 gestart met een aantal pilot departementen die samen met de SSO’s, waaronder FMHaaglanden, volgens het nieuwe governancemodel gaan werken.

Als resultaat van SGO5 worden de budgetten van de departementen voor de facilitaire dienstverlening (het generieke pakket) overgeheveld naar BZK. Hiermee verandert een groot deel van de bekostiging en wordt er niet langer jaarlijks een factuur en dienstverleningsovereenkomst (DVA) opgesteld per departement voor de generieke dienstverlening. In plaats daarvan wordt voor vijf jaar het budget voor de generieke dienstverlening bepaald en overgeheveld. Een belangrijk doel van deze centrale bekostiging is zorgen voor minder administratieve lasten. Voor de specifieke dienstverlening blijven de budgetten achter bij de departementen en wordt nog wel jaarlijks een DVA opgesteld.

Staat van baten en Lasten

Begroting van baten-lastenagentschap FMHaaglanden voor het jaar 2016
(Bedragen x € 1.000)
 

2014

Stand Slotwet

2015

1e suppletoire begroting

2016

2017

2018

2019

2020

Baten

             

Omzet moederdepartement

20.456

22.719

19.747

17.840

17.750

17.650

17.600

Omzet overige departementen

93.961

97.502

89.616

75.644

75.500

75.250

74.750

Omzet derden

170

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

11

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

27

20

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

 

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

114.625

120.241

109.363

93.484

93.250

92.900

92.350

               

Lasten

             

Apparaatskosten

109.392

114.234

101.401

89.342

86.559

85.850

85.575

– personele kosten

34.416

34.947

36.919

36.931

34.335

33.870

33.603

– waarvan eigen personeel

27.231

26.757

29.909

30.185

28.246

28.122

28.122

– waarvan externe inhuur

7.185

8.190

7.009

6.746

6.089

5.748

5.480

– waarvan overige personele kosten

0

           

– materiële kosten

74.976

79.287

64.482

52.411

52.224

51.980

51.972

– waarvan apparaat ICT

2.319

2.619

2.900

2.700

2.700

2.600

2.600

– waarvan bijdrage aan SSO's

20.723

21.506

20.800

20.500

20.500

20.500

20.500

– waarvan overige materiele kosten

0

 

40.782

29.211

29.024

28.880

28.872

Rentelasten

488

402

429

345

329

280

245

Afschrijvingskosten

6.778

6.374

7.534

6.687

6.362

6.769

6.531

– materieel

6.778

6.374

7.534

6.687

6.362

6.769

6.531

– waarvan apparaat ICT

 

0

         

– immaterieel

0

0

         

Overige kosten

0

0

0

0

0

0

0

– dotaties voorzieningen

 

0

0

0

0

0

0

– bijzondere lasten

 

0

         

Totaal lasten

116.658

121.010

109.363

96.374

93.250

92.900

92.350

               

Saldo van baten en lasten

– 2.033

– 769

0

– 2.890

0

0

0

Toelichting

Uitgangspunt voor de begroting van baten en lasten van FMHaaglanden is een kostendekkende exploitatie.

De verhuizing eind 2016, waarbij BZ en IenM zullen huisvesten in de DBFMO (Design, Build, Finance, Maintain en Operate) Rijnstraat 8 is meegenomen in de ontwerpbegroting. Hierbij is geredeneerd dat de mutatie enerzijds zorgt voor minder kosten (afstoot drie panden), maar anderzijds zorgt voor stijgende kosten voor de dienstverlening in het nieuwe pand inclusief het beheer van het DBFMO contract, dat aan het PPS pand verbonden is. De verwachting is dat de verhuisbeweging per saldo leidt tot een eenmalig negatief resultaat in 2017. In 2017 is daarom rekening gehouden met een onderdekking van een deel van de indirecte kosten, welke voor dat jaar ten laste komt van het eigen vermogen. Verder levert FMHaaglanden voor FIN de vervoersproducten. Ook dit is meegenomen in de begroting.

FMHaaglanden werkt samen met de opdrachtgevers aan een versobering van het dienstverleningspakket. Doordat BZK heeft besloten een deel van Rutte II in te vullen als efficiency taakstelling is de taakstelling Rutte I ad 1,5% per jaar doorgetrokken over de jaren. Deze efficiency is verwerkt over alle kosten met uitzondering van de inkoop-, afschrijvings- en intrestkosten. De reden om de inkoopkosten uit te zonderen is dat de inkoopcontracten veelal meerjarig aanbesteed zijn. De prijs is binnen de contractperiode dan ook beperkt of niet beïnvloedbaar.

Omzet

De omzet bestaat uit zowel de generieke als de specifieke dienstverlening. Bij de paragraaf doelmatigheid wordt nader ingegaan op de verschillende omzetgroepen. De daling van de omzet 2016 en verder wordt onder andere veroorzaakt door het verschuiven van een deel van de dienstverlening naar het Rijksvastgoedbedrijf (RVB). Een deel van het dagelijks beheer en onderhoud en het grootste deel van de nutsvoorzieningen zullen door de RVB via de vierkante meterprijs worden verhaald op de huurders. Daarnaast zal de omzet dalen door het afstoten van de panden BZ en IenM door de verhuizing naar de DBFMO Rijnstraat 8.

Personele kosten

De personele kosten omvatten alle personele uitgaven van de ambtenaren in dienst, gedetacheerde ambtenaren en kosten van uitzendkrachten en inhuur van externen. In de begroting is rekening gehouden met een externe inhuur, die over de jaren zal dalen. De stijging van de kosten eigen personeel ten opzichte van 2015 komt door een verschuiving van de kosten vanuit de materiële kosten. Dit betreft met name kosten P&O en Werkkostenregeling (WKR) die voorheen werden verantwoord onder de materiële kosten.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan voor een belangrijk deel uit de directe inkoopkosten van de dienstverlening. Deze zijn verantwoord onder de overige materiële kosten. Daarnaast vallen de kosten voor huisvesting, ICT en de servicekosten BZK onder deze post, waarbij een deel terugkomt in de bijdragen SSO. Onder deze uitsplitsing naar SSO’s hebben met name de kosten voor Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR) een groot aandeel. Dit betreft bijvoorbeeld de kosten voor de Rijksbeveiligersorganisatie in de panden waar FMHaaglanden de dienstverlening verzorgt.

Rentelasten

Onder deze post zijn alle rentelasten opgenomen die verband houden met de financiering van materiële en immateriële vaste activa vanuit het Ministerie van Financiën.

Afschrijvingskosten

De overgenomen activa van de departementen zijn geactiveerd en worden conform de betreffende regelgeving afgeschreven. Voor nieuwe investeringen is dit eveneens van toepassing. De stijging in 2016 is met name een gevolg van de vernieuwing van de Resident.

Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht van baten-lastenagentschap FMHaaglanden voor het jaar 2016
(Bedragen x € 1.000)
   

2014

Stand Slotwet

2015

1e suppletoire begroting

2016

2017

2018

2019

2020

1.

Rekening courant RHB 1 januari 2016 + depositorekeningen

7.391

18.903

12.894

12.894

12.894

12.894

12.894

2.

Totaal operationele kasstroom

19.276

– 2.285

4.754

4.332

3.788

3.560

3.147

 

– /– totaal investeringen

– 8.857

– 12.500

0

– 4.000

– 4.000

– 4.000

– 4.000

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

 

0

         

3.

Totaal investeringskasstroom

– 8.857

– 12.500

0

– 4.000

– 4.000

– 4.000

– 4.000

 

– /– eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

         
 

+/+ eenmalige storting door het moederdepartement

0

0

         
 

– /– aflossingen op leningen

– 3.918

– 3.724

– 4.754

– 4.332

– 3.788

– 3.560

– 3.147

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

5.011

12.500

0

4.000

4.000

4.000

4.000

4.

Totaal financieringskasstroom

1.093

8.776

– 4.754

– 332

212

440

853

5.

Rekening courant RHB 31 december 2016 + stand depositorekeningen (=1+2+3+4) (noot: maximale roodstand 0,5 miljoen euro)

18.903

12.894

12.894

12.894

12.894

12.894

12.894

Toelichting

Voor 2016 worden geen investeringen verwacht. Vanaf 2017 is het uitgangspunt dat er een gelijkmatig investeringsniveau is, waardoor het beroep op de leenfaciliteit gelijk blijft.

Doelmatigheid

Begroting van baten-lastenagentschap FMHaaglanden voor het jaar 2016
(Bedragen x € 1.000)
 

2014 Slotwet

2015 Vastgestelde begroting

2016

2017

2018

2019

2020

Omschrijving Generiek Deel

             

Verloop tarieven basisdienstverlening (norm 2011)

98,3%

 

100,0%

95,1%

93,5%

92,8%

91,8%

Omzet per productgroep (pxq)

             

* Basis

86.852

95.809

98.714

83.517

83.283

82.933

82.383

* Basis+

5.614

5.165

10.649

9.968

9.968

9.968

9.968

* Maatwerk

10.042

7.106

         

* Werkelijk

8.151

8.435

         

* Overig

3.928

3.706

         

Tarieven/uur

             

Saldo van baten en lasten (%)

– 1,8%

– 1,0%

0,0%

– 3,1%

0,0%

0,0%

0,0%

               

Personele kosten als % van de totale kosten

 

28,9%

36,4%

41,3%

39,7%

39,5%

39,3%

Materiële kosten als % van de totale kosten

 

71,1%

63,6%

58,7%

60,3%

60,5%

60,7%

Omschrijving Specifiek Deel

             
               

Apparaatskosten (in €)1

 

45.462

43.012

36.094

35.552

35.019

34.494

Kostenbesparing aanbestedingen (5%) 4FM (per 1 april 2012)

             

Klanttevredenheid KTO

nvt

Tevreden

nvt

Tevreden

nvt

Tevreden

nvt

Medewerkerstevredenheid

Tevreden

nvt

Tevreden

nvt

Tevreden

nvt

Tevreden

FTE-totaal (excl. Externe inhuur)

414

411

461

465

429

428

428

Doorlichting uitgevoerd cq. gepland in:

X Noot
1

de hier weergegeven bedragen zijn exclusief inkoop.

Toelichting

Vanaf 2016 kent FMHaaglanden nog twee soorten dienstverlening, generiek en specifiek. Generiek is wat voorheen Basis was, aangevuld met enkele diensten uit de overige voormalige soorten dienstverlening. Hierdoor is het bedrag ook hoger dan voorgaande jaren. Het restant is specifiek. Deze is van 2016 weergegeven onder Basis+. Per saldo daalt de totale omzet. Enerzijds door het uitvoeren/bekostigen van de dienstverlening door het RVB, anderzijds door de eerder genoemde ontwikkelingen zoals DBFMO.

Als gevolg van het nieuwe werken wordt dezelfde werkplek intensiever gebruikt. Een resultaat hiervan is dat ook de invulling van de dienstverlening wijzigt. De eenheid werkplek krijgt door het nieuwe werken een andere definitie. De aanpassing van de definitie zal invloed hebben op de index «verloop tarieven basisdienstverlening». Omdat hierdoor het verloop van de tarieven een verkeerd beeld zal geven is deze niet meegenomen in de doelmatigheidsindicatoren. In plaats daarvan is het verloop tarieven basisdienstverlening 2016 tot en met 2020 opgenomen op basis van de dossiers Centrale Bekostiging. Voor de panden/departementen die FMH zal blijven bedienen (exclusief DBFMO) is weergegeven wat het verloop is in de generieke dienstverlening.

4.5 SSC-ICT Haaglanden

Inleiding

SSC-ICT Haaglanden is de rijksbrede shared service organisatie die op een efficiënte, veilige en betrouwbare wijze ICT-diensten levert die opdrachtgevers vragen. Per 1 januari 2015 is het baten-lastenagentschap GDI, de ICT organisatie van VenJ die per 1 januari 2014 is overgekomen naar BZK, in SSC-ICT Haaglanden geïntegreerd.

SSC-ICT Haaglanden werkt voor acht ministeries en servicet 30.000 mensen die werken op vele locaties in Nederland en op 160 ambassadeposten over de gehele wereld. Het dienstverleningsgebied groeit nog steeds. SSC-ICT Haaglanden levert een zeer breed en state-of-the-art-pakket aan ICT-services en expertises zoals:

  • vaste en mobiele werkplekservice;

  • voorzieningen als Rijksportaal, Samenwerkruimte en de Rijksappstore;

  • telecommunicatie;

  • hosting en housing van een groot aantal bedrijfsspecifieke applicaties in onze datacenters;

  • ERP-services (SAP, Oracle en Exact);

  • diverse secure IT-services.

In 2016 betreft dit alle ministeries, behalve de Ministeries van Economische Zaken (EZ) en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). De ICT dienstverlening voor Buitenlandse Zaken (BZ) is ten opzichte van de begroting 2015 nieuw toegevoegd. Voor het begrotingsjaar 2015 zal dit gebeuren bij de 2e suppletoire begroting.

De bekostiging van SSC-ICT Haaglanden is volledig tarief gefinancierd. Het streven is per 1 januari 2016 te gaan werken met een vereenvoudigd, geïntegreerd kostprijsmodel voor geheel SSC-ICT Haaglanden. De financiering van de verleende services wordt verrekend met de afnemers en in sommige gevallen met een solidariteitstarief gebaseerd op aantal individuele arbeidsrelaties per ministerie. In andere gevallen wordt verrekend naar werkelijk gebruik met tarieven per hoeveelheid afgenomen product. Het maatwerk wordt in rekening gebracht op basis van vooraf geoffreerde vaste prijzen of nacalculatie.

Staat van baten en lasten

Baten-lastenagentschap SSC-ICT
Begroting van baten-lastenagentschap voor het jaar 2016 (Bedragen x € 1.000)
 

2014

Stand Slotwet

2015

Vastgestelde begroting

2016

2017

2018

2019

2020

Baten

             

Omzet moederdepartement

27.773

28.000

28.417

28.400

28.400

28.400

28.400

Omzet overige departementen

155.462

150.000

183.861

183.900

183.900

183.900

183.900

Omzet derden

Rentebaten

Vrijval voorzieningen

Bijzondere baten

2.755

Totaal baten

185.990

178.000

212.278

212.300

212.300

212.300

212.300

     

1

       

Lasten

             

Apparaatskosten

153.947

149.000

173.553

173.600

173.600

173.600

173.600

– personele kosten

84.370

85.000

94.285

94.300

94.300

94.300

94.300

– waarvan eigen personeel

42.632

51.000

52.182

52.200

52.200

52.200

52.200

– waarvan externe inhuur

41.738

34.000

42.103

42.100

42.100

42.100

42.100

– waarvan overige personele kosten

   

– materiële kosten

69.577

64.000

79.268

79.300

79.300

79.300

79.300

– waarvan apparaat ICT

61.036

53.000

65.309

65.300

65.300

65.300

65.300

– waarvan bijdrage SSO's

3.671

5.000

5.982

6.000

6.000

6.000

6.000

– waarvan overige materiële kosten

4.870

6.000

7.977

8.000

8.000

8.000

8.000

Rentelasten

176

1.000

1.058

1.000

1.000

1.000

1.000

Afschrijvingskosten

21.143

28.000

37.667

37.700

37.700

37.700

37.700

– materieel

21.143

28.000

37.667

37.700

37.700

37.700

37.700

– waarvan apparaat ICT

28.000

37.667

37.700

37.700

37.700

37.700

– immaterieel

Overige kosten

10.937

– dotaties voorzieningen

8.291

– bijzondere lasten

2.646

Totaal lasten

186.203

178.000

212.278

212.300

212.300

212.300

212.300

             

Saldo van baten en lasten

– 213

X Noot
1

Omzet stijging van 2015 naar 2016 wordt veroorzaakt door toevoeging van de dienstverlening voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken

Toelichting op baten en lasten

Baten

Uitgangspunt voor de begroting van baten en lasten van agentschap SSC-ICT Haaglanden is een kostendekkende exploitatie. Hierbij is rekening gehouden met een taakstelling op de tarieven in 2016 van –/– 1,5%. Eventuele indexering vindt plaats binnen de daartoe geldende kaders.

Personele kosten

De personele kosten omvatten de salariskosten van de ambtenaren in dienst, kosten voor gedetacheerde ambtenaren en kosten van uitzendkrachten en inhuur van externen. Er zal de komende jaren worden ingezet op verambtelijking, waardoor de kosten van eigen personeel stijgen en de externe inhuur kosten zullen dalen. De effecten hiervan zijn niet meegenomen in deze begroting, omdat deze op het moment van opstellen van deze begroting nog niet kwantificeerbaar zijn.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan voor een belangrijk deel uit de directe kosten van de dienstverlening, zoals kosten voor de (reguliere) ICT-werkplek en hostingskosten voor applicaties. Daarnaast vallen de kosten voor huisvesting, ICT en de servicekosten Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onder deze post.

Rentelasten

De rentelasten hebben betrekking op de financieringslasten van de bij het Ministerie van Financiën aangegane leningen voor de aanschaf van de voor de dienstverlening benodigde hard- en software en overige materiële vaste activa. De rente in deze begroting is bepaald met een percentage van 2%.

Afschrijvingskosten en specifieke ICT-middelen

De afschrijvingen bestaan uit afschrijvingen van de investeringen in hard- en software en overige materiële vaste activa. De voor de generieke en gemeenschappelijke basis- en basisplusdienstverlening benodigde activa zijn in eigendom bij SSC-ICT Haaglanden. Specifieke ICT-middelen zijn eigendom van de opdrachtgever.

Taakstelling

SSC-ICT Haaglanden heeft vanaf 2012 tot en met 2016 als taakstellig haar tarieven jaarlijks met tenminste 1,5% te laten dalen. SSC-ICT Haaglanden heeft de hiervoor benodigde kostenreductie gerealiseerd door bij uitbreiding van de dienstverlening efficiency slagen te maken, door het beperken van de externe inhuur en door efficiëntere inzet van materiaal. SSC-ICT Haaglanden houdt zich aan de met de eigenaar overeengekomen indexering.

Kasstroomoverzicht

Baten-lastenagentschap SSC-ICT
Kasstroomoverzicht over het jaar 2015 (Bedragen x € 1.000)
   

2014 Stand Slotwet

2015 Vastgestelde begroting

2016

2017

2018

2019

2020

1.

Rekening courant RHB 1 januari 2015 + depositorekeningen

25.829

17.673

– 2.262

17.000

17.000

17.000

17.000

2.

Totaal operationele kasstroom

31.068

8.065

49.679

29.645

28.936

23.609

24.708

 

– /– totaal investeringen

– 26.201

– 30.000

– 24.370

– 25.928

– 22.942

– 27.856

– 21.014

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

246

3.

Totaal investeringskasstroom

– 25.955

– 30.000

– 24.370

– 25.928

– 22.942

– 27.856

– 21.014

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (–/–)

– 2.962

 

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

 

Aflossingen op leningen (–/–)

– 16.369

– 28.000

– 30.417