Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201530136 nr. 41

30 136 Herstructurering en uitvoering Stedelijke vernieuwing

Nr. 41 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR WONEN EN RIJKSDIENST

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 februari 2015

In vervolg op de voortgangsrapportage stedelijke vernieuwing1 en mijn brief over de voortgang van de Wijkenaanpak van 19 november 20142, informeer ik u met deze brief over de betrokkenheid van het Rijk bij stedelijke vernieuwing.

De financiële betrokkenheid middels het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) is vervallen. Het Rijk vult haar rol bij stedelijke vernieuwing anders in. In deze brief ga ik aan hand van de onderwerpen op basis waarvan deze rol wordt ingevuld hierop in en wordt aandacht besteed aan de wijze waarop de voortgang van stedelijke vernieuwing zal worden gevolgd.

15 jaar ISV-beleid

Het Rijk heeft met het ISV sturing gegeven aan fysieke investeringen om de kwaliteit van wonen en leven in de steden, buurten en dorpen te verbeteren. De rijksbijdrage aan stedelijke vernieuwing wordt sinds 2000 via het ISV (de laatste jaren in de vorm van een decentralisatie-uitkering) verstrekt en is eind 2014 beëindigd. Deze bijdrage was bedoeld om de concurrentiepositie van bestaande wijken te verstevigen, middels een meer samenhangende aanpak van stedelijke gebieden, gericht op een kwaliteitsverbetering van de woon- en werkmilieus. Uitkering vond plaats aan de daarvoor aangewezen rechtstreekse gemeenten en via de provincies aan de kleinere, niet-rechtstreekse gemeenten met de insteek om als «trigger money» investeringen in stedelijke vernieuwing door gemeenten, corporaties en marktpartijen uit te lokken en kracht bij te zetten. Er is ook geld beschikbaar gesteld om knelpunten aan te pakken, innovatie te stimuleren en kennisoverdracht door Platform31 en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) te organiseren.

Mede door het destijds ingezette ISV-beleid hebben fysieke maatregelen de leefbaarheid en de kwaliteit van wonen en leven in gemeenten verbeterd. Dit valt op te maken uit diverse onderzoeken, die laten zien dat verbetering van de fysieke kwaliteit van woningen en leefomgeving, mede door sloop in combinatie met vervangende nieuwbouw in oude buurten en de verkoop van huurwoningen, een positief effect heeft gehad op de leefbaarheid. Anderzijds zijn er ook onderzoeken die geen direct verband constateren tussen verbetering van de leefbaarheid en de getroffen fysieke maatregelen ten tijde van het ISV. Los hiervan laat de Leefbaarometer een verbetering van de leefbaarheid over de afgelopen vijftien jaar zien. Deze stijging lijkt zich de afgelopen vier jaar (gedurende de crisis) te stabiliseren3.

Hiermee hebben de steden hun verslechterde positie ten opzichte van het ommeland kunnen inlopen en is de stad door de bank genomen weer een aantrekkelijke plek geworden; woningen zijn in behoorlijk goede staat, de openbare ruimte is in de regel schoon, heel en veilig en voorzieningen zijn in algemene zin in voldoende mate aanwezig.

Het toenemende besef dat gemeenten en provincies beter in staat zijn maatwerk te leveren dan de rijksoverheid heeft er bovendien toe geleid dat er op verschillende terreinen, waaronder de stedelijke vernieuwing, een overheveling en decentralisatie van taken en verantwoordelijkheden heeft plaatsgevonden ten behoeve van een doelmatige en doeltreffende overheid. Dit sluit naadloos aan bij het beleid van dit kabinet voor verdere decentralisaties van taken en bevoegdheden naar mede-overheden. Richting gemeenten zijn de ISV-gelden reeds vanaf 2011 gedecentraliseerd en is de Wet stedelijke vernieuwing in de Woningwet opgegaan. Hiermee is de primaire verantwoordelijkheid voor stedelijke vernieuwing bij gemeenten komen te liggen.

(I)SV in transitie

De omstandigheden waaronder de stedelijke vernieuwing kan plaatsvinden zijn de afgelopen jaren veranderd. Niet langer wordt de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Nederland in belangrijke mate gefinancierd door opbrengsten uit de grondexploitatie gebaseerd op stijgende vastgoedprijzen4. Het «groeidenken» in het algemeen en de daarmee gepaard gaande grootschalige herstructurering heeft plaatsgemaakt voor een nieuwe realiteit. Deze staat meer in het teken van maatwerk, redenerend vanuit de eindgebruikers (vraaggericht) en de reeds aanwezige waarden in een gebied. Initiatieven waarbij hergebruik van leegstaand vastgoed en de aanpak van de bestaande voorraad op initiatief en/of in samenwerking met lokale maatschappelijke partners en bedrijfsleven, een belangrijke rol spelen. Fysieke doelen komen daarbij samen met onder andere sociaal-maatschappelijke, economische en duurzaamheidsdoelen. Een mooi voorbeeld hiervan is de aanpak in de wijk Bilgaard in Leeuwarden5, waarbij een alliantie van publieke en private partijen een wijkbedrijf heeft opgezet dat zich richt op het opknappen van woningen, het verbeteren van de omgeving en de sociale binding in de wijk. Dit met als meerledig doel om energie te besparen, comfort te verhogen en kosten te reduceren.

De nieuwe realiteit hangt ook samen met het veranderend speelveld waarbinnen stedelijke vernieuwing zich afspeelt. De gemeente, corporatie en ontwikkelaar als de traditioneel investerende partijen hebben minder financiële slagkracht dan voorheen. En voor corporaties geldt bovendien (conform de eind 2014 in de Tweede Kamer aangenomen Herzieningswet Toegelaten Instellingen Volkshuisvesting) dat zij zich dienen te concentreren op hun kerntaak; het bouwen, verhuren, beheren en verbeteren van sociale huurwoningen. Voor de ontwikkelaar is het steeds belangrijker om op de individuele woonwensen van potentiële kopers en huurders in te spelen en open te staan voor nieuwe woonconcepten op het gebied van bijvoorbeeld wonen en zorg en het bieden van meer mogelijkheden van eigenbouw zoals bij klushuisconcepten. Voor de noodzakelijke investeringen in de woon- en leefomgeving in steden en dorpen zijn ook andere, nieuwe investeerders nodig, zoals pensioenfondsen, andere institutionele beleggers, vastgoedeigenaren, zorginstellingen, energiebedrijven, (zorg)verzekeraars en niet te vergeten de burgers zelf.

Gemeenten staan, samen met lokale partners, voor de uitdaging om kwaliteit van de fysieke leefomgeving na te streven, passend bij de voortdurend veranderende eisen die bewoners en andere gebruikers hieraan stellen. Dat gemeenten zich aanpassen aan de nieuwe realiteit blijkt ondermeer uit een analyse van collegeakkoorden van grote en middelgrote steden waar veel aandacht is voor samenwerking met en zeggenschap voor bewoners, kleine marktpartijen en particuliere investeerders bij de aanpak van de woon- en leefomgeving. Met bijzondere aandacht voor kleinschalige fysieke ingrepen zoals renovatie en eigenbouw6.

Betrokkenheid Rijk bij (fysieke) stedelijke vernieuwing

Waar het Rijk voorheen met een rijksbeleidskader en subsidies sterk sturend optrad bij stedelijke vernieuwing, is in de laatste ISV-periode (2010–2014) al ruimte geboden voor een opstelling van het Rijk meer op afstand, maar met een duidelijke betrokkenheid als netwerkpartner. Daarnaast worden de mogelijkheden voor fysieke stedelijke vernieuwing beïnvloed door aanpalend rijksbeleid, onder andere met betrekking tot het functioneren van de woningmarkt en met het oog op de verduurzamingsopgave in de gebouwde omgeving.

Rijk als netwerkpartner

De rol van het Rijk als netwerkpartner bij fysieke stedelijke vernieuwingsopgaven is gericht op het geven van (beleids)ruimte aan lokale en regionale partijen en het bieden van (praktische) ondersteuning. Het gaat hierbij om kennisverspreiding, het beter en slimmer benutten van regelgeving en de gerichte inzet van expertteams bij eigenbouw, transformatie van kantoren naar woningen en langer zelfstandig wonen.

Een verdergaande invulling ligt voor de hand daar waar het belang regio-overstijgend is of dusdanig complex dat van lokale partners niet kan worden verwacht dat ze de opgave geheel zelfstandig op te pakken. Of waar sprake is van gemaakte afspraken met decentrale partijen, zoals bij de wijkaanpak. Hier is sprake van een 10 jarig programma gericht op wijkvernieuwing van de aandachtswijken, wat loopt tot en met 2017. Met mijn brief van 19 november 2014 heb ik u een kwalitatief beeld gegeven van de voortgang van dit programma als onderdeel van al mijn inspanningen voor de leefbaarheid in wijken en buurten.

Invulling rijksrol bij stedelijke vernieuwing

De invulling van de rijksbetrokkenheid zal worden geschetst aan de hand van de volgende onderwerpen die bij stedelijke vernieuwing anno 2015 een belangrijke rol spelen:

  • Nieuw initiatief

  • Kwaliteit en verduurzaming van de woningvoorraad

  • Transformatie van leegstaand vastgoed naar wonen

  • Ruimte in regels

Nieuw initiatief

Nieuwe initiatieven en bijbehorende investeringen zijn nodig om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving vast te houden en waar mogelijk te versterken. Zo maakt het Rijk het interessanter voor marktpartijen om te investeren in het middensegment van de huurmarkt. Daarnaast telt met name het eigen initiatief van bewoners. Het kan hier gaan om diverse vormen van eigenbouw, collectief of individueel, en het opknappen van verouderde woningen. In Rotterdam en Den Haag beter bekend als de kluswoningen. Maar ook andere vormen van georganiseerd initiatief, zoals de vele energiecoöperaties, zorgcoöperaties en wijkondernemingen die overal in Nederland worden opgericht, onder andere voor verduurzaming, onderhoud en beheer van de woningvoorraad en de openbare ruimte zoals buurtgroen. Hiermee dragen bewoners met eigen initiatieven bij aan de verbetering en het behoud van de kwaliteit van wonen en leven in de buurt.

De gemeenten spelen hier uiteraard een belangrijke rol bij. Zij kunnen de voorwaarden creëren die maken dat mensen en bedrijven gaan investeren in de eigen buurt en woningvoorraad. Daarbij geldt dat gemeenten op dit vlak in beginsel veel van elkaar kunnen leren. Dit gebeurt niet automatisch. Daarom ondersteun ik gemeenten concreet met het expertteam Eigenbouw, waarmee (gemeentelijke) experts als externe kracht worden ingezet om andere gemeenten te helpen met het opzetten van stimuleringsprogramma’s voor (collectieve) eigenbouw, ondermeer op binnenstedelijke locaties. En worden eigenbouwers in steden en dorpen geholpen door een vereenvoudiging van de eisen in het Bouwbesluit.

Kwaliteit en verduurzaming van de bestaande woningvoorraad

Bij het op peil houden van de kwaliteit van de woningvoorraad is verduurzaming steeds belangrijker geworden. Daarbij is de beperking van de woonlasten een veel prominentere rol gaan spelen.

Het nemen van energiebesparende maatregelen leidt er toe dat de energierekening ook op de langere termijn betaalbaar blijft en de woonlasten beheersbaar. Het kabinet werkt hierbij aan de uitvoering van afspraken uit het Energieakkoord van 2013. In dat kader zijn er voor zowel de particuliere huizenbezitters als verhuurders financiële instrumenten opgezet om tegen aantrekkelijke voorwaarden energiebesparende maatregelen te nemen. In 2014 is voor eigenaar-bewoners het Nationaal Energiebespaarfonds (NEF) in werking getreden. Voor verhuurders biedt het Fonds Energiebesparing Huursector de mogelijkheid om laagrentende leningen aan te gaan voor projecten met een zeer hoge energiebesparingsambitie. Daarnaast is in 2014 de STEP-subsidieregeling voor verhuurders in werking getreden om de energieprestatie van huurwoningen onder de liberalisatiegrens te verbeteren.

Tevens zijn er veel andere activiteiten voor de gebouwde omgeving zoals afgesproken in het Energieakkoord. Belangrijk is de ondersteuningsstructuur voor gemeenten voor verduurzaming van de particuliere woningvoorraad. Het Rijk heeft hiervoor 15 miljoen euro beschikbaar voor lokale en regionale ondersteuning via de VNG. Dit is een goed voorbeeld waarbij het Rijk de kaders aangeeft (zoals afgesproken in het Energieakkoord) en de uitvoering op regionaal en lokaal niveau wordt aangestuurd.

Het op peil houden van de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad blijft om meerdere redenen van belang. In gebieden die te maken hebben met krimp, is sloop van de slechtste delen van de bestaande woningvoorraad een optie om de kwaliteit van een gebied intact te houden en leegstand en verpaupering te voorkomen. Het Rijk is hier nauw bij betrokken door middel van het Interbestuurlijk Programma Bevolkingsdaling. Ook wordt de noodzakelijke sloop van woningen ondersteund door een heffingsvermindering op de Verhuurderheffing.

Het Rijk geeft extra aandacht aan het stimuleren van woningonderhoud en energiebesparing door VvE’s. Met name de woningeigenaren van gestapeld particulier bezit (zoals portiekflats) met beperkte financiële armslag en een niet-actieve VvE, vormen een kwetsbare groep. In mijn brief aan uw Kamer van 12 juni 2014 «verbetering functioneren VvE’s»7 heb ik een aantal (deels juridische) verbeteringen aangekondigd. Dit met het doel om sparen te stimuleren en lenen, voor bijvoorbeeld onvoorzien onderhoud en verduurzaming, makkelijker te maken. In het Algemeen Overleg «Koopsector en energiebesparing» op 15 januari 2015 heb ik betreffende maatregelen met uw Kamer besproken. Binnenkort zal de internetconsultatie van start gaan, waarna het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State zal worden voorgelegd. Bedoeling is om een en ander in de loop van 2016 in werking te laten treden. Daarnaast ondersteunt het Rijk de energetische verduurzaming bij VvE’s met de instelling van een specifiek revolverend fonds voor VvE’s, waarmee laagrentende leningen kunnen worden verkregen en wordt het bezien of het NEF (wat zich nu alleen richt op individuele woningeigenaren) ook opengesteld kan worden voor VvE’s.

Meer in algemene zin wil ik nog wijzen op het versterkte handhavinginstrumentarium dat de Woningwet per 1 januari 2015 biedt aan gemeenten om overlast en verloedering aan te pakken in wijken en buurten.

Een ander thema waaraan ik bijzondere aandacht blijf geven, betreft de funderingsproblematiek. Dit omdat naast de eigen verantwoordelijkheid van de eigenaar om te komen tot noodzakelijk funderingsherstel hier ook collectieve aspecten aan zitten. Het herstel dient immers bij voorkeur per bouwkundige eenheid plaats te vinden. De betrokkenheid van het Rijk uit zich onder meer in de financiële bijdrage die is verleend aan het kenniscentrum aanpak funderingsherstel (KCAF). En doordat met andere belanghebbende partijen, zoals de banken, gemeenten en het WEW wordt bezien onder welke condities het mogelijk is om huiseigenaren, die nu het benodigde funderingsherstel niet gefinancierd krijgen (vanwege een te lage LTV of LTI), toch een passende financiering te kunnen bieden. Daarbij zal ook, zoals eerder aangegeven in het Algemeen Overleg van 15 januari jongstleden, aandacht zijn voor wat het NEF hierin kan betekenen. Ik verwacht in juni het resultaat van deze gesprekken met boven genoemde partijen met u te kunnen delen.

Tot slot noem ik hier het Nationaal Programma Rotterdam Zuid (NPRZ). In mijn brief van 19 november 2014 over de wijkaanpak is aangegeven welke activiteiten er plaatsvinden om het woon- en leefklimaat van Rotterdam-Zuid te verbeteren. Onderdeel hiervan vormt de verbetering van de kwaliteit van woningbezit, wat onder andere wordt ondersteund via een heffingsvermindering op de Verhuurderheffing.

Investeren in transformatie

Er is in toenemende mate aandacht voor de mogelijkheden van transformeren en hergebruik van bestaand (leegstaand of leegkomend) vastgoed zoals kantoren, bedrijfsgebouwen en maatschappelijk vastgoed voor permanente en tijdelijke woonruimte.

Nieuwe functies voor leegstaand vastgoed kunnen de aantrekkelijkheid van het vastgoed voor kopers en financiers vergroten, leveren nieuwe werkgelegenheid op voor de bouw en dragen bij aan een kwaliteitsimpuls van de fysieke omgeving in een wijk of een buurt. Hoewel primair de eigenaar verantwoordelijk is voor zijn leegstaande vastgoed, ligt de transformatie van bestaand vastgoed, zoals de omzetting van kantoorruimte naar woningen, niet bij één partij en vraagt het om lokaal maatwerk waar coalities van ondernemers, overheid en financiers en bewoners gezamenlijk aan werken.

Deze opgave wordt mede ondersteund door de ruimte in regels om tijdelijke danwel definitieve herbestemming van leegstaand vastgoed -met name in woonruimte- makkelijker mogelijk te maken. Dit gebeurt door het oprekken van de ontheffingsperiode voor een bestemmingsplanwijziging bij tijdelijke herbestemming van 5 naar 10 jaar en het inkorten van de procedure voor het afwijken van een bestemmingsplan. Ook wordt de transformatie van vastgoed naar huurwoningen met een financiële tegemoetkoming ondersteund via de heffingsvermindering op de Verhuurderheffing. Het, samen met de VNG, ingestelde expertteam (kantoor)transformatie geeft advies om lastige of innoverende projecten van de grond te tillen.

De motie Van der Linde/Monasch8 vraagt onder meer te bezien of het mogelijk is om transformatie van (leegstaand) kantoren en zorgvastgoed naar regelvrije huurwoningen te stimuleren, door deze woningen gedurende 30 jaar uit te sluiten van woningwaarderingsstelsel, huurtoeslag en verhuurdersheffing. In de loop van dit voorjaar zal ik uw Kamer hierover informeren.

Daarnaast bevorder ik kennisdeling, onder andere via een leerkring kantoren- en winkelleegstand van Platform31, waar veel animo voor is bij gemeenten. Verder hebben overheden en marktpartijen het kantorenoverleg/convenant aanpak leegstand kantoren opgesteld, waarin overheden en marktpartijen afspraken hebben gemaakt om de kantorenmarkt weer gezond te maken.

Ruimte in regels

Er zijn tal van gevallen waarin regels het moeilijk maken om fysieke ontwikkelingen van de grond te krijgen. In de praktijk is een veelheid aan regels ontstaan die soms conflicteren of averechts blijken uit te werken.

In verschillende programma’s wordt er door overheden en partnerorganisaties aan gewerkt om de samenwerking tussen overheden en marktpartijen/initiatiefnemers makkelijker te maken. Dit gebeurt door uit te gaan van minder regels en in te zetten op meer ruimte voor eigen initiatief en innovatie. In deze programma’s vinden pilots plaats, worden andere aanpakken ontwikkeld en resultaten geboekt. Deze programma’s komen samen onder de noemer «Houd het eenvoudig, maak het beter» en diverse initiatieven.

De Omgevingswet, en hierop vooruitlopend de Crisis- en herstelwet (Chw), biedt meer mogelijkheden om de herontwikkeling van binnenstedelijke gebieden op te pakken. Zo geeft de Chw gemeenten, met het aanwijzen van projecten als ontwikkelingsgebied, nieuwe manoeuvreerruimte daar waar binnenstedelijk bouwen wordt bemoeilijkt door bestaande milieucontouren. In het kader van eigenbouw (zie ook onder kopje «nieuw initiatief») worden in verschillende gemeenten (Almere, Castricum en Den Haag) met behulp van de Chw geen eisen uit het Bouwbesluit meer gesteld die beperkingen opleggen voor de inrichting en afwerking van de woning.

Verder worden mede-overheden en bedrijfsleven gefaciliteerd met de inzet van het nieuwe expertteam «Versnellen» voor het terugdringen van regeldruk voortkomend uit onder andere gemeentelijke regels, plannen en beleidsnotities. Hiermee kunnen bouwprojecten en de gebiedsontwikkeling worden versneld.

Naast bovengenoemde initiatieven uit «Houd het eenvoudig, maak het beter» is recent het experimenteerprogramma «Ruim op die Regels» gestart. «Samen met tien duo's van initiatiefnemers en gemeenten – waaronder Albrandswaard, Emmen en Dordrecht – wordt regelgeving die maatschappelijke initiatieven in de weg zit waar mogelijk opgerekt. Het experiment focust op vier thema's: maatschappelijk aanbesteden, fiscaliteit, regelluwe zones en aansprakelijkheid. Doel is dat burgers zich door meer ruimte gemakkelijker kunnen inzetten voor de publieke zaak zoals bijvoorbeeld voor (tijdelijke) gebiedsontwikkeling.

Verdere samenwerking

In 2012 is het ondersteuningstraject «andersdenkenandersdoen9» ingezet als onderdeel van de gezamenlijk acties van het Rijk, gemeenten en provincies10, met het doel om betrokken partijen voor te bereiden op de eerder beschreven nieuwe realiteit bij stedelijke vernieuwing. De acties zijn inmiddels grotendeels afgerond. Platform31 zal hierover binnenkort een afrondend essay en een praktijkboek met voorbeelden uit de stedelijke vernieuwingspraktijk anno 2015 uitbrengen.

Gemeenten werken nu aan hun eigen kennisagenda’s voor stedelijke vernieuwing na 2014, onder andere via de G32 en de VNG. De komende weken wordt door hen besloten hoe dit verder wordt opgepakt en uitgedragen. Allereerst wordt gedacht aan een congres dat in het teken staat van nieuwe handelingsperspectieven voor de lokale stedelijke vernieuwingsopgave. Ik zal hier desgewenst graag aan deelnemen.

In eerdere brieven aan uw Kamer heb ik aangegeven de voortgang van de stedelijke vernieuwing te blijven volgen. Met de intrekking van de Wet stedelijke vernieuwing is de meer specifieke sv-monitor, waarvoor onder andere in 2010 een nul-meting en in 2012 een midterm-review is uitgevoerd, komen te vervallen. Om de voortgang van stedelijke vernieuwing in meer generieke zin te blijven volgen, wordt gebruik gemaakt van bestaand monitoringsinstrumentarium zoals het Woon Onderzoek Nederland (WoON), de Leefbaarometer en de armoedemonitor. Regionaal en lokaal is meer specifiek monitoringsinstrumentarium voorhanden waarmee de steden hun verantwoordelijkheid voor stedelijke vernieuwing mede vormgeven. Ik heb er vertrouwen in dat de gemeenten de aan hen overgehevelde taken en verantwoordelijkheden ten aanzien van stedelijke vernieuwing goed zullen vervullen.

Fysieke investeringen blijven nodig om de kwaliteit van wonen en leven in Nederland hoog te houden. Maar zoals eerder gezegd zijn gemeenten hier niet alleen toe in staat. Binnenstedelijke locatieontwikkeling vraagt om nieuwe investeerders en creativiteit, bijvoorbeeld door het inzetten van energiebesparing als kostendrager voor locatieontwikkeling. Ook gaat het om kostenreductie waar mogelijk door hergebruik van bestaand vastgoed, het realiseren van minder dure voorzieningen en het maken van keuzes bij de inrichting van de openbare ruimte. Daarbij is het belangrijk dat de bouwsector innoveert, onder andere door toepassing van de integrale ketenbenadering, en meer vraaggericht gaat bouwen.

Dit tezamen stelt gemeenten in staat om samen met lokale partners, de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en leefbaarheid vast te houden en waar nodig verder te verbeteren. Het Rijk denkt actief mee met specifieke opgaven daar waar dit door betrokkenen zinvol en gewenst wordt geacht. Verder werkt het kabinet, zoals aangekondigd in de Miljoenennota 2015, onder coördinatie van de Minister van BZK aan de Agenda Stad met het oog op de verdere versterking van Nederlandse steden. De wijze van samenwerking met betrokken partijen bij de stedelijke vernieuwing en de opgedane kennis en ervaringen, zullen onderdeel zijn van mijn inbreng in de Agenda Stad.

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok


X Noot
1

Kamerstuk 32 847 nr. 29, 13 juli 2012.

X Noot
2

Kamerstuk 32 847 nr. 131, 19 november 2014.

X Noot
3

Onderscheid in Leefbaarheid, Ontwikkeling van de leefbaarheid 2010–2012, Atlas voor gemeenten en Rigo Research en advies, juni 2013.

X Noot
4

Adviezen «Toekomst van de stad» en «Leefomgeving zonder groei», RLI, april 2014.

X Noot
5

Winnaar van de Herman Wijffels Innovatieprijs 2014.

X Noot
6

Samen! vormgeven aan de verzorgingsstad, Platform31, mei 2014.

X Noot
7

Kamerstuk 27 926, nr. 224

X Noot
8

Kamerstuk 34 000 XVIII, nr. 19

X Noot
10

Kamerstuk 32 847 nr. 29, 13 juli 2012