Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201331490 nr. 119

31 490 Vernieuwing van de rijksdienst

Nr. 119 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR WONEN EN RIJKSDIENST

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 mei 2013

Ter gelegenheid van de behandeling van de begroting van Wonen en Rijksdienst voor 2013 sprak ik de verwachting uit de Tweede Kamer de Hervormingsagenda Rijksdienst in mei 2013 aan te kunnen bieden. Deze hervormingsagenda treft u hierbij aan1. Als ondertitel heb ik de agenda «dienstverlenend, slagvaardig, kostenbewust» meegegeven. Deze drie doelstellingen geven kernachtig aan waar het bij de vormgeving van de rijksdienst voor de toekomst om draait. In deze begeleidende brief bij de Hervormingsagenda Rijksdienst licht ik enkele belangrijke onderdelen van de veranderaanpak toe.

Grote verbouwing, goed fundament

De Nederlandse rijksdienst staat de komende jaren voor de opgave om een forse taakstelling te combineren met een aanpassing aan veranderde omstandigheden. Bovenop de al eerder afgesproken besparingen bevat het regeerakkoord een aanvullende taakstelling van bijna 1,2 miljard euro, bezuinigingen op de AIVD en de posten in het buitenland meegerekend. Het kabinet wil deze besparing in beginsel laten neerslaan bij de personele en materiële uitgaven van de rijksdienst en deze realiseren met zo min mogelijk gevolgen voor de maatschappelijke dienstverlening. Inclusief eerdere taakstellingen dalen die daarmee tussen 2010 en 2018 naar schatting van ruim 17 miljard naar rond 13 miljard euro (incl. zbo’s). Dat zal onvermijdelijk leiden tot een kleinere rijksdienst met naar schatting een vermindering van 8 tot 12 procent op een totaal van zo’n 150.000 fte2, afgezien van politiek gewenste intensiveringen. Deze besparingen zullen ook gevolgen hebben voor marktpartijen door minder externe inhuur, minder inkoop en een kleinere vastgoedportefeuille. De kleinere rijksdienst stond al voor de opgave zich aan te passen aan gewijzigde omstandigheden zoals een toegenomen dynamiek in de samenleving en een andere kijk op de verdeling van verantwoordelijkheden tussen overheid en samenleving. Gelukkig is het fundament van de rijksdienst stevig. De Nederlandse rijksdienst zet goede prestaties neer en kent een hoogwaardig personeelsbestand. Dat geeft het kabinet vertrouwen dat de rijksoverheid zowel de budgettaire als maatschappelijke opgaven aan kan met de nodige aanpassingen in de organisatie en een op de nieuwe uitdagingen afgestemd personeelsbeleid. Dat laatste is noodzakelijk omdat de medewerkers van de rijksdienst zijn belangrijkste kapitaal vormen. De Hervormingsagenda bevat een afzonderlijk onderdeel gewijd aan het personeelsbeleid van de toekomst.

Continu veranderproces

Nederland is nooit af. Voor veel medewerkers is dit een reden om juist bij de rijksdienst te willen werken. Ook voor de rijksdienst geldt dat deze nooit af is. Aanpassingen aan veranderende omstandigheden en aan nieuwe maatschappelijke uitdagingen zijn aan de orde van de dag. Individuele ministeries reageren daarop. De minister voor Wonen en Rijksdienst is vooral aan zet bij de veranderingen die zich rijksbreed voordoen. Daarbij heb ik oog voor de verhouding tussen overheid en samenleving en de veranderende rol van de overheid, maar richt ik mij in deze hervormingsagenda primair op de organisatie en het personeelsbeleid van de rijksdienst. Ook hier is sprake van een continu veranderproces. Dat is gestart met het organiseren van de rijksbrede bedrijfsvoering ten tijde van het programma Vernieuwing Rijksdienst. Het uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst zette deze beweging voort en voegde daar de rijksbrede bundeling van onderdelen van de uitvoering aan toe. In de Hervormingsagenda wordt deze lijn verder doorgetrokken: naast een intensivering en uitbreiding van de rijksbrede aanpak van de bedrijfsvoering wordt ook de rijksbrede aanpak van het beleid, de uitvoering en het toezicht geïntensiveerd. Bij dit alles houdt het kabinet rekening met de grenzen van het verandervermogen van de rijksdienst door een goede spreiding in de tijd. Het bij regeerakkoord afgesproken schema voor de invulling van de aanvullende taakstelling maakt dit mogelijk.

Uitgangspunten organisatie-inrichting rijksdienst

Om bovenstaande beweging te versterken hanteert het kabinet enkele gemeenschappelijke uitgangspunten voor de organisatie-inrichting van de rijksdienst. Bij de organisatie-inrichting wordt geredeneerd vanuit het ene concern Rijk. Belangrijke organisatiefuncties en -voorzieningen dienen daarom binnen het rijk aanwezig te zijn, maar niet noodzakelijkerwijs binnen elk departement. Elk organisatieonderdeel van de rijksdienst is ook flexibel inzetbaar en beschikbaar om werkzaamheden te verrichten voor andere onderdelen binnen de rijksdienst. Tevens kan de maatschappelijke dienstverlening aan burgers worden verbeterd doordat samenhang en transparantie van de rijksoverheid worden vergroot. Het principe «je gaat erover of niet» geldt ook binnen de rijksdienst. Bestuurlijke en ambtelijke drukte wordt teruggedrongen evenals overmatige interne regulering, controle en verrekeningen.

Beleid, uitvoering, toezicht en bedrijfsvoering

De maatschappelijke vraagstukken en de politieke weging daarvan zijn richtinggevend voor de verschillende functies van de rijksdienst: het voorbereiden van beleid, de uitvoering, het toezicht en de ondersteunende bedrijfsvoering. Daarbij geldt als toekomstperspectief dat de bedrijfsvoering de overige functies «plug and play» kan ondersteunen, zodat het ook eenvoudiger wordt deze primaire processen flexibel te organiseren. Een belangrijk deel van de hervormingsagenda is gewijd aan een betere samenwerking in de uitvoering en bij het toezicht, waardoor ook de dienstverlening kan worden verbeterd. Bij deze initiatieven worden de zelfstandige bestuursorganen nadrukkelijk betrokken. Een aantal secretarissen-generaal treedt op als portefeuillehouder van deze rijksbrede verandertrajecten.

Departementale taakstellingen en regionale effecten

Tijdens de begrotingsbehandeling 2013 heb ik aangegeven dat het kabinet verwachtte de taakstellingen van bijna 1,2 miljard euro bij Voorjaarsnota 2013 in de begrotingen te kunnen verwerken. Dat is echter een te ambitieus tijdpad gebleken. Omdat het hier gaat om taakstellingen vanaf 2016 e.v. is besloten de ministeries meer tijd te geven. De financiële verwerking zal worden betrokken bij de besluitvorming in de zomer over de begroting. Wel zal ik de Kamer zoals toegezegd in juni informeren over de effecten op de regionale werkgelegenheid als gevolg van de krimp in de rijkshuisvesting.

Rijksdienst als aantrekkelijke werkgever

Het is voor de rijksdienst van het grootste belang een aantrekkelijke werkgever te zijn en te blijven. Op de korte termijn wordt geen algemene schaarste op de arbeidsmarkt verwacht en zal het rijk zich sterk moeten inzetten voor een begeleiding van werk naar werk en voor een grotere mobiliteit. Het recente akkoord over een nieuw sociaal flankerend beleid biedt daarvoor goede aanknopingspunten. De rijksdienst wil in de toekomst ook aandacht geven aan het vergroten van het aantal functies in de laagste loonschalen, en aan doelgroepen als arbeidsgehandicapten, vrouwen en jongeren. Het rijkstrainee-programma en enkele andere traineeprogramma’s voor specialistische functies zullen jongeren de kans blijven bieden in te stromen bij de rijksdienst en daar werkzaam te blijven. Met dit voornemen en het in het nieuwe sociaal flankerend beleid opgenomen afspiegelingsbeginsel geef ik tevens uitvoering aan de motie Schouw/Hachchi (Kamerstuk 33 000-VII, nr. 30) en de motie-Schouw c.s. (Kamerstuk 32 500-VII, nr. 31).

De minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
2

Sector Rijk + zbo’s, excl. Defensie (Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2012)