Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-2016nr. 81, item 3

3 Vragenuur: Vragen Marcouch

Vragen van het lid Marcouch aan de minister van Veiligheid en Justitie over onrust, angst en gesjoemel binnen de staatsdienst Bewaken en Beveiligen. 

De voorzitter:

Ik heet de minister van Veiligheid en Justitie welkom. 

De heer Marcouch (PvdA):

Voorzitter. Vorige week hadden wij een algemeen overleg met de minister van Veiligheid en Justitie die verantwoordelijk is voor de politie. In mijn inbreng stond de vraag centraal: hoe gaat het met onze agenten? Die vraag stelde ik niet voor niets, zo blijkt ook uit een artikel in De Telegraaf van afgelopen vrijdag. Ik wil de minister vragen om die vraag elke dag te stellen. We zijn bezig met een gigantische reorganisatie van de politie terwijl we tegelijkertijd te maken hebben met een urgente dreiging van terrorisme en radicalisering. Afgelopen vrijdag verscheen een artikel over een elite-eenheid van de politie in de krant. Deze eenheid is met een heel belangrijke taak belast, namelijk met het bewaken en beveiligen van de leden van het Koninklijk Huis, van personen die direct worden bedreigd en instellingen en diensten die direct worden bedreigd. Deze mensen moeten bewaakt worden opdat zij in een vrij land als Nederland ongestoord en veilig kunnen functioneren. Dat kan niet gewaarborgd worden op het moment dat er onrust is in zo'n elitedienst van de politie. In het artikel is sprake van een angstcultuur, werkdruk en dat er niet geluisterd wordt. Het is een verziekte cultuur die wij niet mogen accepteren op het moment dat dreiging urgent en direct is. 

Ik citeer een van de leden van die eenheid: "Als je een dag een lid van het Koninklijk Huis moet beveiligen vergt dat mentaal enorm veel van je. Geef je na een paar dagen aan dat het te veel wordt, dan wordt er door chefs niet geluisterd." Dat kan niet. Vervolgens voelt zo iemand zich genoodzaakt om zich ziek te melden. Chefs die niet luisteren kunnen geen chef zijn. Ik krijg hierop graag een reactie van de minister. 

Dit was overigens niet de eerste keer. We hebben eerder dezelfde soort klachten over overbelasting, werkdruk en onderbezetting gehad van de Dienst Speciale Interventie. Daarvoor ging het om leden van de Koninklijke Marechaussee op Schiphol. Daar werd op een goede manier op gereageerd. Bij de DSI zou de politiechef, Erik Akerboom, met de mensen in gesprek treden. Ik geloof oprecht dat al die betrokkenen daadwerkelijk luisteren en proberen om een oplossing te vinden. Dit duurt echter te lang. Ik hoor heel graag van de minister wat hij gaat doen om de stabiliteit en de harmonie te herstellen, zodat juist deze cruciale diensten op een professionele manier kunnen functioneren. Kortom, wat gaat de minister hieraan doen? 

Minister Van der Steur:

Voorzitter. Ik dank de heer Marcouch dat hij mij in de gelegenheid stelt om hierop te reageren. Laat ik allereerst vaststellen dat ik veel waardering en respect heb voor de medewerkers van de Dienst Bewaken en Beveiligen, die in deze moeilijk tijd — zoals terecht door de heer Marcouch is aangegeven — onder hoge druk hun werk moeten doen. Ik heb naar aanleiding van de signalen in De Telegraaf de politiechef van de Landelijke Eenheid gevraagd om in gesprek te gaan met de medewerkers van deze dienst over de cultuur en de werkdruk. Die gesprekken zijn niet alleen beperkt tot de medewerkers, maar zullen ook plaatsvinden met de dienstleiding, de centrale vertrouwenspersoon, de ondernemingsraad van de Landelijke Eenheid en de vakbond. Dat is van belang, omdat de signalen voor een deel bekend waren, maar voor een deel ook nieuw zijn. Die vragen om duiding en een stevige aanpak, zoals de heer Marcouch terecht aangeeft. Het uitgangspunt is natuurlijk dat het vertrouwen tussen de mensen onderling, maar ook tussen de mensen en de dienstleiding, gewoon goed moet zijn, omdat deze mensen op het hoogste niveau, onder de moeilijkste omstandigheden, hun zeer belangrijke werk moeten kunnen doen. Het wordt dus stevig aangepakt. 

De heer Marcouch (PvdA):

Het is goed om te horen dat de minister dit stevig wil aanpakken. Ik wil wel meegeven dat de context waarin deze mensen, zeker deze speciale eenheden, functioneren niet nieuw is. Het zal niemand ontgaan zijn dat er terreurdreiging op het hoogste niveau is en dat we voorzitter zijn van de Europese Unie. Er is veel te doen. Er zijn veel objecten en personen die bedreigd worden en dus ook beveiligd en bewaakt moeten worden. Dat betekent per definitie dat de werkdruk toeneemt. Ik baal er een beetje van dat we continu reactief zijn en er niet proactief voor zorgen dat deze mensen hun werk gezond kunnen doen en zich niet ziek hoeven melden omdat hun chef niet luistert. Ik wil graag meer urgentie van de minister. Ik zou ook graag willen weten wanneer de minister de Kamer laat weten welke maatregelen er zijn getroffen en hoe we ervoor gaan zorgen dat we niet elke keer via de media moeten vernemen dat er iets aan de hand is. Het feit dat deze mensen de media nodig hebben om signalen af te geven vind ik zorgelijk. Ik zou willen dat die interne cultuur zodanig verbetert dat dit niet nodig is en die mensen gewoon gezond hun werk kunnen doen. 

Minister Van der Steur:

Ik ben het geheel eens met de heer Marcouch. Dat is ook het uitgangspunt. Het zou niet zo moeten zijn dat mensen zich genoodzaakt voelen om naar de media te stappen om hun problemen aan te kaarten. Precies om die reden wil ik van de Landelijke Eenheid weten waarom dat gebeurd is en of mensen inderdaad het gevoel hadden dat ze niet bij hun eigen dienstleiding terecht konden en dus kennelijk ook niet bij een vertrouwenspersoon, de ondernemingsraad of eventueel bij de vakbond. Die signalen zijn dus niet via die lijnen uitgekomen bij de mensen die erover gaan of er is onvoldoende met die signalen gebeurd. Om die reden vind ik de vraagstelling van de heer Marcouch relevant. Ik heb de chef van de Landelijke Eenheid, die overigens recent is aangetreden en dus nieuw is, gevraagd om mij hierover te rapporteren. Onmiddellijk daarna zal ik, zoals de heer Marcouch vraagt, de Kamer informeren zoals ik dat ook bij de DSI heb gedaan. Daar was de situatie overigens wel anders dan hier, omdat er daar toch een langer lopend arbeidsconflict bleek te zijn en het om een zorg bleek te gaan die niet bij de hele dienst bestond, maar bij een deel ervan. Dat wil niet zeggen dat die zorg dan niet moet worden weggenomen. De heer Marcouch gaf dat terecht aan. 

De voorzitter:

Binnen welke termijn gaat u de Kamer informeren? 

Minister Van der Steur:

Dat hangt ervan af wanneer de gesprekken zijn afgerond. Dat weet ik natuurlijk niet op voorhand. Zodra de gesprekken zijn afgerond, informeer ik de Kamer. Ik verwacht dat dat in ieder geval voor de zomer zal zijn. 

De voorzitter:

De heer Marcouch heeft een procedurele opmerking. 

De heer Marcouch (PvdA):

Ik zou dat heel graag in ieder geval voor de behandeling van de Voorjaarsnota willen weten, want als er wordt gesproken over werkdruk, een tekort aan capaciteit et cetera, dan lijkt mij, juist bij deze specifieke diensten, dat we dat betrekken bij de behandeling van de Voorjaarsnota. 

Minister Van der Steur:

Die vraag begrijp ik. Ik zal mijn best doen om dat voor elkaar te krijgen. Ik merk wel het volgende op over dit specifieke geval. De heer Marcouch weet ook dat deze mensen op een heel hoog niveau opereren. Hun opleiding is heel hoog. Op dit moment zijn er 30 mensen in opleiding die dus zullen bijdragen aan het terugdringen van de werkdruk, maar we kunnen er natuurlijk op geen enkele manier voor zorgen dat dat er opeens 60 zijn om de simpele reden dat we die mensen heel zorgvuldig moeten opleiden. Ze krijgen ook alleen maar toegang tot de Staatsdienst Bewaking en Beveiliging als ze slagen voor de opleiding. Dat is geen automatisme. We realiseren ons allemaal dat we voor een moeilijke uitdaging staan om in deze specifieke periode de werkdruk van deze mensen snel te kunnen verlagen. 

De voorzitter:

Dank u wel.