35 300 IX Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Financiën (IXB) en de begrotingsstaat van Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2020

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

3

     

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

4

       
 

1.

LEESWIJZER

4

       
 

2.

BELEIDSAGENDA

9

   

2.1 Beleidsprioriteiten

9

   

2.2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties

22

   

2.3 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

28

   

2.4 Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

29

   

2.5 Overzicht risicoregelingen

31

       
 

3.

BELEIDSARTIKELEN (FINANCIËN)

49

   

Artikel 1 Belastingen

49

   

Artikel 2 Financiële markten

69

   

Artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector

77

   

Artikel 4 Internationale financiële betrekkingen

85

   

Artikel 5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

91

   

Artikel 6 Btw-compensatiefonds

96

   

Artikel 9 Douane

100

       
 

4.

NIET-BELEIDSARTIKELEN

109

   

Artikel 8 Apparaat kerndepartement

109

   

Artikel 10 Nog onverdeeld

111

       
 

5.

BELEIDSARTIKELEN (NATIONALE SCHULD)

112

   

Artikel 11 Financiering staatsschuld

112

   

Artikel 12 Kasbeheer

118

       
 

6.

BIJLAGEN

122

   

Bijlage 1: Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak

122

   

Bijlage 2: Verdiepingsbijlage

127

   

Bijlage 3: Moties en toezeggingen

141

   

Bijlage 4: Subsidieoverzicht

194

   

Bijlage 5: Evaluatie- en overig onderzoek

195

   

Bijlage 6: Lijst van afkortingen

200

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

Het werkterrein van het Ministerie van Financiën

Voor u ligt de begroting 2020 van het Ministerie van Financiën, begrotingshoofdstuk IX (Financiën en Nationale Schuld) van de Rijksbegroting. In de begroting staan de belangrijkste beleidsdoelen voor 2020 en de financiële gevolgen hiervan. Simpel gezegd: wat wil de Minister van Financiën bereiken in 2020, hoe wil de Minister dit doen en met welke middelen?

De Minister van Financiën is onder meer verantwoordelijk voor de voorbereiding en uitvoering van:

  • a. het algemeen financieel-economische en internationale financiële beleid;

  • b. het begrotingsbeleid en een doelmatig beheer van de rijksfinanciën;

  • c. het financieringsbeleid;

  • d. het fiscale beleid;

  • e. het staatsschuldbeleid;

  • f. het beleid omtrent financiële markten;

  • g. het heffen, controleren en innen van de belastingen.

Het algemeen financieel-economische beleid en het begrotingsbeleid worden primair toegelicht in de Miljoenennota. Daarin worden ook de belastingontvangsten toegelicht. Het fiscale beleid komt op hoofdlijnen aan bod in deze begroting; in het Belastingplan wordt gedetailleerd ingegaan op de veranderingen in het fiscale beleid. De financiën van de decentrale overheden, waarvoor de Minister van Financiën medeverantwoordelijk is, komen aan de orde in de Miljoenennota en in de begrotingen van het Gemeente- en Provinciefonds.

Waar relevant wordt in de begroting verwezen naar Kamerstukken of andere beschikbare begrotingsinformatie. De Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV) en de Comptabiliteitswet (CW) vormen het regelgevend kader voor de begroting.

Vanwege tussentijdse afrondingen op duizenden, miljoenen of miljarden euro’s kan de som der delen afwijken van het totaal in de tabellen.

Opbouw van de begroting

De begroting IX is opgebouwd uit negen beleidsartikelen en twee niet-beleidsartikelen. De beleidsartikelen weerspiegelen het gehele werkterrein van het Ministerie van Financiën inclusief het beheer van de staatsschuld en het kasbeleid van het Rijk.

De beleidsartikelen voor Financiën (IXB) zijn:

  • artikel 1 Belastingen;

  • artikel 2 Financiële markten;

  • artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector;

  • artikel 4 Internationale financiële betrekkingen;

  • artikel 5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen;

  • artikel 6 Btw-compensatiefonds;

  • artikel 9 Douane.

De niet-beleidsartikelen zijn:

  • artikel 8 Apparaat kerndepartement;

  • artikel 10 Nog onverdeeld.

De beleidsartikelen voor Nationale Schuld (IXA) zijn:

  • artikel 11 Financiering staatsschuld;

  • artikel 12 Kasbeheer.

De begrotingstoelichting is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 geeft allereerst de beleidsprioriteiten weer. Dit zijn de belangrijkste beleidsdoelen van het Ministerie van Financiën. Ook bevat dit hoofdstuk een overzicht van de belangrijkste beleidsmatige mutaties, van de niet-juridisch verplichte uitgaven, van de beleidsdoorlichtingen en van de risicoregelingen.

In hoofdstuk 3 komen de beleidsartikelen Financiën aan bod, in hoofdstuk 4 de niet-beleidsartikelen en in hoofdstuk 5 de beleidsartikelen Nationale Schuld. Waar relevant en beschikbaar worden indicatoren of kengetallen opgenomen om te laten zien wat de doelstellingen zijn (zie ook de Groeiparagraaf onder). Elk beleidsartikel bevat onder andere een onderdeel Beleidswijzigingen waarin wordt aangegeven wat de belangrijkste wijzigingen in het beleid zijn en de gevolgen hiervan. Zowel de beleidsartikelen als de niet-beleidsartikelen bevatten een tabel Budgettaire gevolgen van beleid met een financiële toelichting van de belangrijkste posten.

Tot slot zijn zes bijlagen opgenomen. Bijlage 1 geeft een overzicht van Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO’s) en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT’s). Bijlage 2 is een verdiepingsbijlage met de belangrijkste budgettaire mutaties per artikel, bijlage 3 geeft het overzicht met moties en toezeggingen, bijlage 4 is het subsidieoverzicht, bijlage 5 het overzicht met evaluatie- en overig onderzoek en als laatste volgt de lijst van afkortingen (bijlage 6).

Financiering staatsschuld en kasbeheer (Nationale Schuld)

Sinds 2013 behandelt begroting IX tevens de schuld van de Nederlandse rijksoverheid. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de schuld die extern wordt gefinancierd, door bijvoorbeeld banken, beleggers en pensioenfondsen, en de schulden of tegoeden die verschillende aan de schatkist gelieerde instellingen – via het geïntegreerd middelenbeheer – hebben bij het Ministerie van Financiën. De extern gefinancierde schuld wordt in artikel 11 Financiering staatsschuld behandeld. Het geïntegreerd middelenbeheer wordt behandeld in artikel 12 Kasbeheer. De artikelen worden middels een aparte begrotingsstaat vastgesteld.

De begroting van de Nationale Schuld heeft twee specifieke eigenschappen. De eerste eigenschap is dat de rente-uitgaven en renteontvangsten op transactiebasis worden verantwoord, in plaats van op kasbasis zoals bij alle andere onderdelen van de Rijksbegroting. Dit is vastgelegd in de CW 2016, artikel 2.19. Met de registratie van rente op transactiebasis voor de Nationale Schuld wordt aangesloten bij de Europese voorschriften van het Europees Stelsel van Rekeningen (ESR) 2010. De tweede eigenschap is dat voor beide artikelen wordt uitgegaan dat de aangegane financiële verplichtingen gelijk zijn aan de uitgaven (kas = verplichtingen). Beide artikelen kennen geen verplichting om afzonderlijke ramingen op te nemen van de verwachte kasuitgaven en de verwachte juridisch vastgelegde financiële verplichtingen. Dit is het gevolg van de inherente onvoorspelbaarheid van de leenbehoefte van de Staat (artikel 11) en de fluctuerende geldstromen in het geïntegreerd middelenbeheer (artikel 12).

Financiële instrumenten

Bij het indelen van de uitgaven naar financieel instrument wordt aansluiting gezocht bij de rol en verantwoordelijkheid van de Minister. Hierdoor wordt de wijze waarop de uitgaven het ministerie verlaten leidend voor de indeling naar financiële instrumenten. Het Ministerie van Financiën maakt daarom, naast de standaard financiële instrumenten zoals opdrachten en garanties, ook gebruik van drie eigen instrumenten: financiering (vermogensverschaffing/-onttrekking), rente, en rekening-courant en deposito’s.

Het instrument financiering (vermogensverschaffing/-onttrekking) wordt gebruikt op artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector bij onder meer kapitaalinjecties in staatsdeelnemingen en dividendontvangsten. De definitie van financiering is als volgt: «van een financiering wordt gesproken, indien een financiële bijdrage aan een wederpartij wordt verstrekt als kapitaalverschaffing voor een investeringsgoed of als algemene vermogensverschaffing voor die wederpartij (een instelling, bedrijf of onderneming). Als een financiële bijdrage wordt verstrekt in de exploitatiesfeer, wordt gesproken van bekostiging. Bij een financiering voert de organisatie die de financiering ontvangt, de kapitaalverstrekking als kapitaalontvangst op de balans op». Van een staatsdeelneming is sprake als de Staat aandelen bezit in een privaat bedrijf.

Het instrument rente komt onder meer terug op artikel 11 en 12 over de financiering van de staatsschuld en het kasbeheer. Op artikel 11 en 12 wordt daarnaast gebruik gemaakt van het instrument leningen. In tegenstelling tot de meeste leningen op de Rijksbegroting gaat het op artikel 11 om leningen die aan de Staat verstrekt worden voor de financiering van de staatsschuld. Op artikel 12 is ook het instrument rekening-courant en deposito’s opgenomen. Het gaat hier om de bankrekeningen waarop geldstromen van decentrale overheden, de sociale fondsen en andere aan de rijksoverheid gelieerde instellingen in- en uitvloeien.

Groeiparagraaf

Het Ministerie van Financiën werkt doorlopend aan stapsgewijze verbeteringen in de informatievoorziening aan de Kamer en de burger. Dit is een samenspel van eigen ambities en inzichten, en wensen vanuit de Kamer. Ten opzichte van de begroting Financiën en Nationale Schuld 2019 zijn meerdere verbeteringen doorgevoerd. Dit mede naar aanleiding van de focusonderwerpen verantwoording 2017 («Toetsbare beleidsplannen» en «Verplichtingen: pijler van het budgetrecht»), het daaropvolgende wetgevingsoverleg1 en de brief van de vaste commissie van Financiën in reactie op de begroting 20192. De volgende verbeteringen zijn zichtbaar in deze begroting.

Prestatie-indicatoren in de begroting

Het Ministerie van Financiën vindt meetbaarheid van beleid en prestaties van groot belang. Dit onderwerp kwam tevens terug tijdens het wetgevingsoverleg verantwoording 2017 (focusonderwerp «Toetsbare beleidsplannen») en in de vragenbrief van de vaste commissie van Financiën over de begroting 2019. Het onderwerp leeft dus zowel bij het ministerie als de Kamer.

In de groeiparagraaf van de begroting 2019 hebben we aangegeven in 2019 te onderzoeken voor welke artikelen het mogelijk en zinvol is om nieuwe, meer of minder prestatie-indicatoren op te nemen. Dit heeft in deze begroting 2020 geleid tot één aanvulling: in artikel 9 Douane is een additionele indicator opgenomen. Daarnaast zal in het jaarverslag 2019 in artikel 2 Financiële markten en in artikel 5 Exportkredietverzekeringen nieuwe kengetallen met realisatiecijfers worden opgenomen. Het evalueren van prestatie-indicatoren betreft een doorlopend, meerjarig en intensief traject, waarbij elk jaar verbeteringen worden doorgevoerd waar nodig en mogelijk.

Voor de Belastingdienst (artikel 1 Belastingen) worden in 2020 de prestatie-indicatoren voor de begroting vanaf begrotingsjaar 2021 vernieuwd. In het jaarplan 2019 Belastingdienst3 zijn de doelstellingen op dit gebied beschreven. De Belastingdienst is in 2019 gestart met het vertalen van de strategische doelstelling van de Belastingdienst (naleving) naar meetbare prestaties. Het streven is gericht op minder indicatoren met meer zeggingskracht. Gekoppeld aan de uitvoerings- en toezichtstrategie wordt de samenhang tussen doelen en indicatoren op verschillende niveaus vastgesteld. Het eindproduct is een gebalanceerde set aan indicatoren die zicht biedt op het bereiken van de strategische doelstelling van de Belastingdienst. Deze set wordt in 2019 opgeleverd en in 2020 getest zodat hierover vanaf de begroting 2021 kan worden gerapporteerd.

Inzicht in verplichtingen

Het budgetrecht van de Kamer begint bij de autorisatie voor het aangaan van verplichtingen. Daarom was tijdens de verantwoording over 2017 het thema «Verplichtingen: pijler van het budgetrecht» een focusonderwerp. Ook in deze begroting besteedt het Ministerie van Financiën aandacht aan verplichtingen. Net zoals in het jaarverslag 2018, geeft het departement vanaf deze begroting in de budgettaire tabellen per beleidsartikel naast het totaalbedrag aan garantieverplichtingen, ook het totaalbedrag aan betalingsverplichtingen weer (hoofdstuk 3, voor elk beleidsartikel onderdeel D). Daarnaast worden in de budgettaire tabellen meer individuele betalingsverplichtingen inzichtelijk gemaakt, zoals ook in het jaarverslag 2018 het geval is. Hiermee zijn de majeure betalingsverplichtingen beter te volgen. Tijdens het wetgevingsoverleg over de verantwoording 2017 en opnieuw in de vragenbrief van de vaste commissie van Financiën in reactie op de begroting 2019, bleek dat er inderdaad veel interesse is in de verplichtingen. Middels bovenstaande verbeteringen geven we de Kamer gedegen inzicht in de meerjarige garantie- en betalingsverplichtingen.

Voortgang artikel 9 Douane

De Tweede Kamer is op 21 juni 2018 door de Minister van Financiën geïnformeerd over het voornemen van een separaat begrotingsartikel Douane op begrotingshoofdstuk IX4. Met dit voornemen wordt invulling gegeven aan aanbeveling 4 uit het rapport van de Commissie Onderzoek Belastingdienst (COB)5 naar de besluitvormingsprocedure binnen de Belastingdienst. Met ingang van de begroting IX 2019 is een apart artikel 9 voor Douane opgenomen, waarbij gekozen is voor een ingroeimodel om te komen tot een toekomstbestendig begrotingsartikel. Budgettair gezien bevatte artikel 9 Douane in de begroting 2019 alleen de directe verplichtingen, uitgaven en ontvangsten van de Douane, zoals de personele en materiële uitgaven en de apparaatsontvangsten. Dit zijn de budgetten die direct aan het dienstonderdeel Douane kunnen worden toegerekend. De afgelopen periode zijn stappen gezet bij het in kaart brengen van de indirecte uitgaven die betrekking hebben op de Douane, bijvoorbeeld voor huisvesting en ICT, die worden gedaan door andere dienstonderdelen binnen de Belastingdienst. Het vergt echter nog nader onderzoek en uitwerking voordat deze indirecte uitgaven kunnen worden toegerekend aan het aparte begrotingsartikel Douane. Het gaat hierbij zowel om het in kaart brengen van de producten en diensten die andere Belastingdienstonderdelen aan de Douane leveren, met de bijbehorende kosten, als hoe deze kosten achteraf verantwoord kunnen worden. Derhalve richt de begroting IX 2020 zich, eveneens als begroting IX 2019, alleen op de directe verplichtingen, uitgaven en ontvangsten van de Douane. Een volgende stap is het opnemen van uitgaven van de andere dienstonderdelen die samenhangen met de Douane. In de begroting IX 2021 zal dit gebeuren voor de meeste dienstonderdelen binnen de Belastingdienst die kosten maken voor de Douane. Nog te bezien is of het ook al haalbaar is de IV-uitgaven hierbij mee te laten lopen.

2. BELEIDSAGENDA

2.1 Beleidsprioriteiten

Inleiding

Bij het Ministerie van Financiën gaan we over het geld. Niet als doel, maar in dienst van een financieel gezond Nederland. Wij bewaken de balans tussen inkomsten en uitgaven en zien toe op het goede functioneren van het financiële stelsel. Nederland staat er financieel goed voor: de economie groeit, de belastinginkomsten stijgen en de overheidsschuld daalt richting het niveau van vóór de crisis. Als ministerie dragen we daaraan elke dag een belangrijk steentje bij. Tegelijkertijd is waakzaamheid geboden. Nationale en internationale ontwikkelingen en onzekerheden zijn van invloed op de overheidsfinanciën en vragen om aandacht. Hiermee zorgen we ervoor dat we bekend blijven staan om degelijk en betrouwbaar financieel beleid.

Wij richten ons op het belang van de samenleving als geheel, op korte én lange termijn en zijn ons daarbij bewust van de impact van wat wij doen op alle burgers en bedrijven. Wij heffen en innen belastingen, doen dat eerlijk en zorgvuldig en zien erop toe dat de besteding van overheidsgeld en de vormgeving van ons fiscale stelsel zo goed mogelijk aansluiten bij de publieke belangen.

Om op evenwichtige besluitvorming, efficiënte uitvoering en effectiviteit te kunnen sturen, stellen we jaarlijks beleidsprioriteiten op. De beleidsprioriteiten van het ministerie voor 2020 zijn onderverdeeld in vier thema’s. Deze vier thema’s weerspiegelen het gehele werkterrein van het Ministerie van Financiën; zowel binnen de landgrenzen als in Europese en internationale context.

Het ministerie zet zich allereerst in voor een financieel gezond Nederland (thema 1). Naast gezonde en duurzame overheidsfinanciën op de lange termijn, werkt het ministerie aan het behoud van brede welvaart voor burgers. Met de operaties Inzicht in Kwaliteit en de Brede Maatschappelijke Heroverwegingen vergroten we onze kennis over het effect van beleid en waarborgen we een doelmatige inzet van publieke middelen nu en in de toekomst. Verder blijft het ministerie zich inzetten voor een stabiele, integere en innovatieve financiële sector, en is er oog voor de financiële weerbaarheid van huishoudens. Dit om iedereen in Nederland een zo welvarend mogelijke toekomst te kunnen bieden.

De Belastingdienst staat voor een goede uitvoering en toezicht op fiscale wetgeving (thema 2). Om uitvoering en toezicht door de Belastingdienst op peil te houden en zijn inzet nog effectiever en doelmatiger in te richten, vraagt de ingezette veranderopgave van de Belastingdienst ook de komende jaren aandacht en capaciteit. In 2020 gaan we verder met het beheerst vernieuwen van de dienst. Naast het structureel verbeteren van de uitvoering en het toezicht, wordt er onder meer extra ingezet op het bestrijden van ondermijning en witwassen.

Stabiliteit in de EU en in de wereld zijn voor ons land vanwege onze intensieve internationale samenwerking, erg belangrijk. Het Ministerie van Financiën opereert in toenemende mate in een internationaal speelveld (thema 3). Dat geldt zowel voor instanties als het IMF, de Wereldbank, de G20 als de Europese Unie. De Brexit en de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader (MFK) van de EU kunnen flinke invloed hebben op de overheidsfinanciën. Andere prioriteiten zijn onder andere het aanpakken van belastingontwijking en -ontduiking op Europees niveau en het verdiepen van de kapitaalmarkten- en bankenunie. Voor deze en andere thema’s geldt, dat er kansen en mogelijkheden liggen, maar ook risico’s te benoemen zijn.

Tot slot zet het ministerie in op het versterken, verduurzamen en vergroenen van de Nederlandse economie (thema 4). Zo is het ministerie van plan om in 2020 de groene obligatie ten minste een keer te heropenen. Ook is er aandacht voor het vergroenen van het fiscale stelsel.

Mede door middel van het stellen van deze beleidsprioriteiten, houden we als ministerie de Nederlandse overheidsfinanciën structureel op orde en schetsen we de financiële speelruimte voor het maken van politieke keuzes. Daarmee ondersteunt het Ministerie van Financiën een financieel gezond Nederland; nu en in de toekomst.

Thema 1. Nederland financieel gezond

Gezonde overheidsfinanciën en duurzame groei

Gezonde overheidsfinanciën zijn een noodzakelijke voorwaarde voor de welvaart in Nederland. Het kabinet voert daarom een trendmatig begrotingsbeleid. Dergelijk begrotingsbeleid draagt bij aan een goede beheersing van de overheidsfinanciën, een versterking van de economische groei en doelmatige allocatie van middelen. Voor een goede beheersing van de overheidsfinanciën wordt gewerkt met uitgavenplafonds die aan het begin van de kabinetsperiode zijn afgesproken. Voor de inkomstenkant van de begroting en bij de werkloosheidsuitgaven, geldt het principe van automatische stabilisatie: conjuncturele meevallers komen ten gunste van het saldo, conjuncturele tegenvallers belasten het saldo. Dit voorkomt dat meevallers leiden tot intensiveringen en tegenvallers tot bezuinigingen, en vermijdt daarmee procyclisch beleid. Om doelmatige toewijzing van middelen te bevorderen, wordt over de begroting op één moment een integrale afweging gemaakt: het «hoofdbesluitvormingsmoment» in het voorjaar.

Het kabinet houdt zich voor 2020 aan de uitgavenplafonds. Voor 2020 wordt het EMU-saldo geraamd op 0,2% van het bbp en de EMU-schuld komt uit op 47,7% van het bbp. Nederland voldoet hiermee aan de Europese begrotingsnormen. Het positieve saldo en de schuldreductie dragen bovendien bij aan een buffer voor als het economisch slechter gaat. Zo kan het trendmatig begrotingsbeleid blijven functioneren in economisch mindere tijden waardoor niet direct hoeft te worden bezuinigd.

Om de overheidsfinanciën ook op de lange termijn gezond te houden, is het belangrijk te streven naar duurzame groei, waarbij de overheidsmiddelen op zo doelmatig mogelijke wijze worden besteed. Het kabinet is daarom in 2018 gestart met de Operatie Inzicht in Kwaliteit, waarmee het kabinet de maatschappelijke toegevoegde waarde van overheidsbeleid en bijbehorende publieke middelen wil vergroten. In 2020 zal dit werk worden voortgezet. Ook laat het kabinet het komende jaar verschillende beleids- en uitvoeringsopties in beeld brengen, de zogeheten Brede Maatschappelijke Heroverwegingen. Aanleiding is een breed aangenomen motie Sneller c.s. De opties zijn nadrukkelijk divers: ze omvatten zowel investeringen en intensiveringen, hervormingen en besparingen, als ook het stoppen van beleid. Ook bieden ze verschillende beleids- en uitvoeringsvarianten. De onderzoeksrapporten worden begin 2020 gepubliceerd. De uitkomsten helpen om doelmatige en doeltreffende keuzes te maken en voorbereid te zijn op een volgende neergaande conjunctuur. Op deze manier zorgt het kabinet ook structureel voor gezonde overheidsfinanciën. Hiernaast onderzoekt het kabinet de mogelijkheden om het verdienvermogen van Nederland op de lange termijn te versterken en hoe een investeringsfonds kan worden opgericht. Het kabinet zal de Kamer hier begin 2020 over informeren6.

Versterken van (toekomstige) brede welvaart

Voor het welzijn van mensen is – naast financiële welvaart – ook de welvaart in brede zin van belang. Hierbij valt te denken aan gezondheid, scholing, milieu en leefomgeving en vertrouwen in de maatschappij. De afgelopen jaren is er steeds meer aandacht voor het meten van brede welvaart; in Nederland vooral als navolging van de tijdelijke Commissie Breed welvaartsbegrip uit 2016. Maar het meten van welvaart blijft lastig. Al kan brede welvaart niet helemaal zonder bbp-groei – economische krimp zal namelijk zorgen voor minder werkgelegenheid en dat is weer negatief voor het welzijn van mensen – kwaliteit van leven is immers zoveel meer dan alleen bbp en koopkracht. Om de toekomstige welvaart te borgen en versterken, onderneemt het kabinet actie. Dat zit in de maatregelen en investeringen die het kabinet nu neemt of al heeft genomen. Voorbeelden hiervan zijn investeringen in publieke sectoren, het Klimaat- en Pensioenakkoord en diverse belastingmaatregelen.

Zo wil het kabinet de lasten voor burgers verlichten, vooral door de lasten op arbeid te verlagen. Het grootste deel van het inkomstenbelastingpakket uit het regeerakkoord is al omgezet in wetgeving en vanaf 2019 profiteren werkenden hiervan. In 2020 profiteren burgers met name van een hogere algemene heffingskorting en de invoering van een extra opbouwtraject in de arbeidskorting. In de augustusbesluitvorming 2019 heeft het kabinet besloten tot enkele aanvullende maatregelen die de lasten van burgers verlagen. Het kabinet stelt voor om de invoering van het tweeschijvenstelsel te versnellen. Het tarief in de huidige tweede en derde schijf daalt in 2020 van 38,1% naar 37,35%, terwijl het tarief in de huidige eerste schijf stijgt van 36,65% naar 37,35%. Het toptarief daalt van 51,75% in 2019 naar 49,5% in 2020. Daarnaast wordt de arbeidskorting met € 106 extra verhoogd voor werkenden met een inkomen tussen grofweg € 10.000 en € 98.000. Het nieuwe maximum van de arbeidskorting komt daarmee in 2020 op ruim € 3.800 uit. De algemene heffingskorting wordt in 2020 verhoogd met € 194 en met € 60 in 2021. Daarnaast verlaagt het kabinet de zelfstandigenaftrek met € 250 per jaar in de periode tot en met 2028 om zo het verschil tussen werkenden en zelfstandigen te verkleinen. Door de verhoging van de arbeidskorting gaan de meeste zelfstandigen er in 2020 niet op achteruit.

Een stabiele, integere en innovatieve financiële sector

De financiële sector speelt een belangrijke rol in het borgen en bevorderen van een financieel gezond Nederland. Sinds de financiële crisis zijn er veel nationale, Europese en internationale maatregelen genomen om de financiële sector weerbaarder te maken. Ondanks dat de financiële sector er inmiddels beter voor staat, is het maatschappelijk vertrouwen in de sector nog altijd laag, ten aanzien van de bankensector in het bijzonder. De ophef in 2018 en 2019 over beloningen en de nalatigheid bij het voorkomen van witwassen, hebben niet bijgedragen aan het herstel van vertrouwen in de sector. Het is primair aan de sector zelf om dit vertrouwen te herstellen; die moet zelf laten zien dat het de maatschappelijke rol en verantwoordelijkheden serieus neemt.

Het Ministerie van Financiën heeft eind 2018 de Agenda voor de financiële sector (hierna: de Agenda) gepubliceerd7. In de Agenda staan drie elementen centraal: stabiliteit, integriteit en innovatie. In 2020 geeft het ministerie uitvoering aan de aangekondigde maatregelen uit de Agenda. Om de stabiliteit van het financiële systeem verder te verbeteren moeten financiële instellingen en huishoudens weerbaarder worden. Zo zet het ministerie zich in voor hogere buffers voor financiële instellingen en het voorkomen van hoge hypotheekschulden onder huishoudens. Daarnaast blijft het ministerie zich, samen met de partners van Wijzer in geldzaken, inzetten voor het vergroten van de financiële weerbaarheid van huishoudens. Hierbij is in 2020 en verder meer aandacht voor kwetsbare groepen. Ten aanzien van integriteit wordt ingezet op het tegengaan van witwassen, onderliggende basisdelicten en terrorismefinanciering. Zo wordt uitvoering gegeven aan het Plan van aanpak witwassen, onder andere door belemmeringen voor banken weg te nemen zodat zij beter kunnen samenwerken bij het voorkomen van witwassen en terrorismefinanciering. Ook gaat het zogeheten UBO-register, een openbaar register voor uiteindelijk belanghebbenden (Ultimate Beneficial Owners, UBO’s) van juridische entiteiten van start. Verder werkt het ministerie aan maatregelen om het gedrag en de cultuur van de sector meer op de maatschappij gericht te krijgen, door bijvoorbeeld de beloningsregels aan te scherpen. Zo is er aandacht voor de uitkomsten van het onderzoek naar de mogelijke barrières waar fintech tegenaan loopt, maar ook voor de rol van financiële instellingen bij de verduurzaming van de economie.

Nieuw financieringskader staatsschuld

De randvoorwaarden van de uitvoering van de schuldfinanciering zijn vastgelegd in een beleidskader dat steeds voor een aantal jaren wordt vastgelegd. Dit beleidskader bestaat uit het financieringsbeleid en het renterisicokader. Het huidige beleidskader is opgesteld voor de periode 2016–20198. In 2019 wordt een beleidsevaluatie uitgevoerd. Op basis van de bevindingen en aanbevelingen uit de beleidsevaluatie, zal in het najaar van 2019 het beleidskader voor de komende jaren worden vastgesteld. Het geheel zal eind 2019, voor aanvang van het begrotingsjaar 2020, aan de Tweede Kamer worden verstuurd.

Thema 2. Belastingdienst: goede uitvoering en toezicht

De Belastingdienst streeft er in zijn uitvoerings- en toezichtstrategie naar, het gedrag van burgers en bedrijven zodanig te beïnvloeden dat zij uit zichzelf (fiscale) regels naleven. Daarbij wil de Belastingdienst in plaats van meer reactief, juist zoveel mogelijk preventief en in de actualiteit optreden. De concrete uitwerking van de uitvoerings- en toezichtstrategie voor 2020 wordt opgenomen in het Jaarplan 2020 Belastingdienst. Dat wordt in november naar de Tweede Kamer gestuurd. De Belastingdienst staat voor de opgave de huidige continuïteit te borgen en tegelijk beheerst te vernieuwen. Door beheerst te vernieuwen, wil de Belastingdienst zijn uitvoering en toezicht structureel verbeteren.

Investeringen in interactie (dienstverlening)

Een van de ambities van de Belastingdienst is het doorontwikkelen van de zogeheten interactiestrategie, waardoor het voor burgers en bedrijven steeds gemakkelijker en eenvoudiger wordt om zaken te doen met de Belastingdienst. Voor 2020 uit zich dit onder meer in de volgende activiteiten en resultaten:

  • Het creëren van de mogelijkheid voor ondernemers om gemakkelijk en veilig in te loggen via DigiD-machtigen en eHerkenning.

  • Het ontwikkelen van een app voor de ontvangers van kinderopvangtoeslag, waarin zij over het doen van wijzigingen genotificeerd worden en gemakkelijk en snel wijzigingen kunnen doorgeven.

  • Het realiseren van nog betere bereikbaarheid en kwaliteit van de Belastingtelefoon.

  • De Belastingdienst werkt ook in 2020 onverminderd door aan het verder verbeteren van brieven, formulieren en andere berichten.

Investeringen in bestrijden van ondermijning en witwassen en extra toezicht

Het kabinet heeft besloten om middelen toe te voegen aan de begroting van Financiën voor het aanpakken van witwassen en ondermijningsactiviteiten en de intensivering van de toezichtscapaciteit. Voor het ministerie is dit onderwerp een duidelijke prioriteit, getuige ook het plan van aanpak witwassen dat op 30 juni 2019 naar de Tweede Kamer is gestuurd9. Voor het bestrijden van ondermijning wordt geïnvesteerd in aanvullende controlecapaciteit binnen de EOS-teams voor het uitvoeren van complexe financieel-fiscale onderzoeken. Daarnaast zullen extra controles door Douane gaan plaatsvinden op binnenkomende en uitgaande verdovende middelen. Voor de aanpak van witwassen wordt extra geïnvesteerd in publiek-private samenwerking en het in onderzoek nemen van witwassignalen. De middelen voor het intensiveren van het toezicht zullen worden gebruikt voor het verstevigen van het toezicht op arbeidsrelaties in 2020 en voor het toezicht op zeer vermogende particulieren in latere jaren, het uitvoeren van meer boekenonderzoeken in het midden- en kleinbedrijf (MKB) en het verrichten van meer controles van aangiften inkomensheffing van particulieren en aangiften vennootschapsbelasting van het MKB.

Daarnaast zijn er andere thema’s die inspanningen van de Belastingdienst vragen. Een van de belangrijkste thema’s is de Brexit, welke grote gevolgen kan hebben voor de Belastingdienst en met name voor de Douane. De voorbereidingen worden waar nodig bijgesteld op basis van de uitkomsten van de onderhandelingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk (zie thema 3 Nederland in Europa en de wereld).

Beheerst vernieuwen (personeel, ICT, sturing en cultuur)

In de brief van 26 april 2018 aan de Tweede Kamer is uiteen gezet op welke wijze de verbeteringen worden aangepakt10. Deze vernieuwingsoperatie is nodig én randvoorwaardelijk om de uitvoerings- en toezichtstrategie optimaal te kunnen uitvoeren en essentieel om de Belastingdienst structureel te verbeteren. De aanpak berust op drie pijlers: een kwantitatief en kwalitatief voldoende personeelsbestand, de ICT op orde en adequate sturing en beheersing. Aan de Tweede Kamer is bij brief van 2 juli 2019 voorgesteld om de cultuur tot vierde pijler van de aanpak Beheerst vernieuwen te maken11. Met Beheerst vernieuwen worden de grootste uitdagingen van de Belastingdienst aangepakt. Deze aanpak moet er uiteindelijk ook aan bijdragen dat de door de Algemene Rekenkamer in haar jaarlijkse Verantwoordingsonderzoek geconstateerde onvolkomenheden worden weggenomen.

Personeel

De uitdaging waar de Belastingdienst voor staat, is een beheerste modernisering te bewerkstelligen en tegelijkertijd te borgen dat de medewerkers toegerust zijn voor de moderne manieren van toezicht op en interactie met burgers en bedrijven; de verhouding hoger versus lager opgeleid personeel verschuift naar meer hoger gekwalificeerde medewerkers. Voor de kortere termijn moeten de gevolgen van de uitstroom voor de continuïteit van de bedrijfsprocessen worden opgevangen. Net als in 2018 en 2019, moet er in 2020 en in de jaren erna, een grote wervingsinspanning worden geleverd om de benodigde fiscalisten, registeraccountants, data-analisten en ICT’ers te laten instromen. Het werving- en selectieproces wordt zo ingericht, dat de jaarlijks benodigde kwalitatieve en kwantitatieve instroom van medewerkers mogelijk is.

ICT

De Belastingdienst staat voor de opgave om zijn primaire werkprocessen te moderniseren, nieuwe wetgeving uit de Kamer te verwerken en tegelijkertijd de continuïteit te borgen. Zoals beschreven in de brief «Beheerst vernieuwen» van 26 april 2018 wordt in beheerste stappen gewerkt aan deze verbetering, door het aanpakken van verouderde ICT-voorzieningen in de primaire processen van belastingen. Daarnaast wordt gewerkt aan het robuuster en wendbaarder maken van de huidige systemen door middel van het programma Modernisering IV-landschap. Technisch verouderde applicaties worden zoveel mogelijk gesaneerd. De Belastingdienst hanteert een methode om zijn applicaties periodiek te beoordelen op zowel technische kwaliteit als bedrijfswaarde.

In 2019 heeft de Belastingdienst beter inzicht gecreëerd in de opgave voor onderhoud, vernieuwing en implementatie nieuwe wetgeving. De Tweede Kamer heeft hierover op 28 mei 2019 de Kamerbrief «Uitkomsten ICT-portfolioproces Belastingdienst» ontvangen12. Voor drie probleemketens (omzetbelasting, loonheffing, gegevens) wordt in 2019 een samenhangend plan gemaakt. Het vaststellen van het portfolio voor 2020 en volgende jaren is een dynamisch proces waarbij steeds een afweging moet worden gemaakt tussen de verschillende belangen van onderhoud, vernieuwing en wetgeving. In de tweede helft van 2019 wordt door een extern bureau aanvullend onderzoek gedaan naar het portfolioproces. De uitkomsten hiervan worden meegenomen in de verdere ontwikkeling en verbetering van dit proces in 2020. Daarnaast wordt in 2019 de IV-organisatie doorgelicht op de mogelijkheden tot vergroting van het ICT-aanbod door efficiencyverbetering. In 2020 gaat de Belastingdienst met de aanbevelingen uit deze doorlichting aan de slag.

Sturing en beheersing

Om adequaat te kunnen sturen op eerder genoemde maatregelen en acties rond uitvoering en toezicht, is gedegen managementinformatie een belangrijke basis. De kritieke prestatie-indicatoren (kpi’s) worden vernieuwd voor de begroting van 2021. Binnen het programma «Managementinformatie en Risicomanagement» wordt op Belastingdienstbreed-niveau tot aan (werk)procesniveau voorzien in inrichting van de benodigde managementinformatie en implementatie van risicomanagement. Daarmee zullen beide vaste onderdelen worden binnen de manier van werken van zowel management als medewerkers. Het programma loopt tot eind 2022.

Cultuur

In het voorjaar 2019 is het programma «Leiderschap en Cultuur» gestart. Dit programma wordt de komende jaren stap voor stap doorlopen. Het programma stuurt op gewenste gedragsveranderingen die in diverse stukken en onderzoeken terugkomen, waaronder het rapport van de Commissie Onderzoek Belastingdienst. De gedragsveranderingen zijn inhoudelijk omschreven in de visie op leiderschap en cultuur; de bijbehorende concrete acties zijn omschreven in het plan van aanpak. In de visie worden de sterke punten van de Belastingdienst beschreven (gedreven professionals, die zich sterk betrokken voelen bij hun werk, deskundig en loyaal), maar ook de punten die verbetering behoeven (resultaatsturing, samenwerken, fouten eerder signaleren en het creëren van een open en veilige cultuur). Laatstgenoemde elementen kregen door de ontwikkelingen rond het stopzetten van de kinderopvangtoeslag extra nadruk.

In de zomer van 2019 zijn twee toezeggingen aan de Tweede Kamer gedaan, namelijk het benoemen van Cultuur als vierde pijler van de aanpak «beheerst vernieuwen» en een Belastingdienstbreed onderzoek naar de cultuur van de Belastingdienst door een extern bureau. Dit onderzoek, samen met het eerdere rapport van de Auditdienst Rijk «Ongeschreven regels» en het komende advies van de adviescommissie Uitvoering toeslagen, levert aanvullende informatie op over kenmerken en mogelijke knelpunten in de cultuur bij de Belastingdienst en de samenwerking met het kerndepartement. Die informatie zal leiden tot aanscherping of aanvulling van het programma «Leiderschap en Cultuur», in samenwerking met het kerndepartement.

Fiscaal beleid en uitvoering

Het kabinet zal inzetten op een betere uitvoerbaarheid van het belastingstelsel en een beter uitvoerings- en toezichtsbeleid door de Belastingdienst. Goede uitvoerbaarheid is het kompas bij iedere aanpassing van de belastingwetgeving. Voor de Belastingdienst betekent dit het maken van grondige uitvoeringstoetsen die inzicht geven in de uitvoerbaarheid en de gevolgen voor de uitvoering en de uitvoeringskosten. Op Prinsjesdag worden als onderdeel van het pakket Belastingplan enkele maatregelen opgenomen die op korte termijn te realiseren zijn en – hoewel beperkt – bijdragen aan vereenvoudiging. Bijvoorbeeld het afschaffen van de fiscale aftrek scholingsuitgaven, het uitbreiden van vrijstellingen voor overheidsondernemingen van de vennootschapsbelasting en het verduidelijken van de bevoegdheden van de inspecteur in het geval van spontane aangiften.

Thema 3. Nederland in Europa en de wereld

Meerjarig Financieel Kader EU

Lidstaten van de EU bepalen elke zeven jaar hoeveel geld er beschikbaar komt en waarvoor de EU het gebruikt. Dit wordt vastgelegd in het Meerjarig Financieel Kader (MFK). Op dit moment wordt onderhandeld over het volgende MFK, dat in 2021 van kracht moet worden. De Europese Commissie streeft naar een akkoord voor het einde van 2019. Voor Nederland geldt het uitgangspunt dat de kwaliteit van een akkoord bóven de snelheid van de onderhandelingen gaat. De onderhandelingen vergen nauwe samenwerking met het beleidsverantwoordelijke Ministerie van Buitenlandse Zaken, de andere betrokken ministeries, de Permanente Vertegenwoordiging in Brussel en gelijkgestemde lidstaten.

Nederland zet zich bij de onderhandelingen in voor een modern en financieel houdbaar MFK, dat nieuwe prioriteiten zoals innovatie en onderzoek, veiligheid, migratie en klimaat weerspiegelt. Vanwege het aangekondigde vertrek van het Verenigd Koninkrijk (VK) uit de EU en om ruimte te creëren voor nieuwe prioriteiten, zijn bezuinigingen op bestaand beleid noodzakelijk. Doelstelling van het kabinet is om een stijging van de afdrachten als gevolg van de Brexit te voorkomen en een nettobetalingspositie voor Nederland te realiseren die in lijn is met de nettopositie van lidstaten met een vergelijkbaar welvaartsniveau. Het kabinet streeft naar substantiële bezuinigingen binnen traditionele beleidsterreinen zoals het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het cohesiebeleid, waarmee een aanvullende Nederlandse bijdrage als gevolg van de Brexit vermeden kan worden en waarmee ruimte kan worden geboden voor de financiering van nieuwe beleidsprioriteiten. Ook zal Nederland inzetten op versterkte voorwaarden op het gebied van rechtsstatelijkheid, structurele hervormingen en migratie.

Brexit

De Brexit brengt mogelijk flinke risico’s voor de Nederlandse overheidsfinanciën met zich mee. De Europese regeringsleiders en het Verenigd Koninkrijk (VK) hebben besloten tot een verlenging van de terugtrekkingstermijn van het VK uit de EU tot en met 31 oktober (de zogeheten Artikel 50 termijn). Een ordelijk vertrek van het VK uit de EU is en blijft prioriteit voor het kabinet en de EU. Een no deal scenario is echter een reële optie. Het kabinet bereidt zich zo goed als mogelijk voor op dit scenario. Indien het VK de EU met een terugtrekkingsakkoord verlaat, gaat de overgangsperiode in die in principe tot en met 31 december 2020 duurt. Tijdens die overgangsperiode moet het overeengekomen raamwerk voor de toekomstige relatie verder worden uitgewerkt. De Nederlandse inzet is erop gericht om tot een zo breed en diep mogelijke toekomstige relatie met het VK te komen, binnen de voorwaarden van de EU.

De komende tijd zal het ministerie blijven toezien op het nakomen van de financiële verplichtingen over 2019 door het VK aan de EU zoals opgenomen in het terugtrekkingsakkoord en op de nog te maken afspraken hierover voor 2020. Ook zal het ministerie voor de financiële onderwerpen nauw blijven samenwerken met de betrokken stakeholders bij de vormgeving van de zogenoemde contingency planning: de planning die Nederland voorbereidt op de mogelijkheid dat het VK zonder akkoord de EU verlaat.

Door de Brexit ontstaat er een nieuwe buitengrens voor Nederland en de EU. Direct gevolg is dat er voor het goederenverkeer van en naar het VK, douaneformaliteiten nodig zijn en dat de Douane hierop toezicht uitoefent. Dit heeft impact op de gehele Douaneorganisatie. De Brexit betekent een structurele groei van onder andere het aangiftevolume, inclusief het noodzakelijke toezicht hierop. De Brexit betekent ook meer nieuwe klanten en toezicht en controles op nieuwe locaties zoals de ferryterminals. De Douane bereidt zich zoals beschreven in het Kabinetsbesluit ook voor op een eventuele no deal Brexit. Het personeelsbestand wordt daarom uitgebreid met 928 fte. Dat vraagt veel van de staande organisatie. De Brexit heeft een grote impact op het werk, het personeel en de systemen van de Douane. De Douane is inmiddels zo goed mogelijk voorbereid. Ook andere overheidspartijen, havenautoriteiten, luchthavens en het bedrijfsleven bereiden zich voor. De samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven bepaalt uiteindelijk het succes in het voorkomen van verstoringen. Om bij onvoorziene verstoringen de overgang van voor naar na de Brexit zo soepel mogelijk te maken, is een crisisorganisatie binnen de Douane beschikbaar voor een integrale aanpak.

Verdiepen kapitaalmarktenunie en bankenunie

Zoals aangegeven in de Agenda financiële sector, zet het kabinet zich in voor de verdere verdieping van de kapitaalmarktenunie en de voltooiing van de bankenunie. Beide dragen bij aan de vergroten van de stabiliteit van de financiële sector, zowel nationaal als internationaal.

De voltooiing van de Europese kapitaalmarktunie is van groot belang voor Nederland. Goed functionerende grensoverschrijdende kapitaalmarkten dragen bij aan het vermogen om schokken op te vangen binnen de muntunie. Een Europese kapitaalmarktunie beoogt de financieringsmogelijkheden in de EU te vergroten. Om deze redenen heeft de Minister van Financiën, samen met zijn Duitse en Franse ambtsgenoten, initiatief genomen om experts uit de financiële sector te vragen om aanbevelingen te doen voor de toekomst van de kapitaalmarktunie. De werkgroep brengt eind september 2019 een rapport uit. Het rapport van de werkgroep heeft mede tot doel om de discussie te voeden om in 2020 tot nieuwe commissievoorstellen te komen, waarvoor de Minister van Financiën zich zal inzetten.

Zoals ook is genoemd in de Agenda financiële sector, zet de Minister van Financiën zich in 2020 verder in om de bankenunie te voltooien. Hierbij zijn de aanpak van niet-presterende leningen en het gebruik maken van asset quality reviews belangrijke onderwerpen, net zoals het opstellen van Europese regels voor de prudentiële behandeling van blootstellingen van banken aan overheden (waaronder staatsobligaties). Tenslotte zet de Minister zich in om een Europees Depositogarantiestelsel (EDIS) tot stand te laten komen. Voordat gesproken kan worden over een EDIS, dienen bankensectoren gezond te zijn en moeten staatsobligaties goed gewogen op bankbalansen worden verantwoord.

Vestigingsklimaat

Ook treft het kabinet maatregelen om het Nederlandse vestigingsklimaat voor bedrijven met reële activiteiten in Nederland aantrekkelijk te houden. Het kabinet wil dat Nederland een land is waar bedrijven met reële economische activiteiten zich willen vestigen en investeringen doen. Het vestigingsklimaat in Nederland wordt bepaald door tal van factoren, zoals onze infrastructuur, geografische ligging, opleidingsniveau van de beroepsbevolking, de betrouwbaarheid van de overheidsinstellingen en ons innovatie-ecosysteem. Ook het fiscale stelsel kan een grote rol spelen. Met name de vennootschapsbelasting kan een belangrijke factor zijn voor een bedrijf om zich ergens (blijvend) te vestigen en investeringen te doen. De tarieven in de vennootschapsbelasting worden stapsgewijs verlaagd. In 2020 wordt het tarief in de 1e schijf verlaagd van 19% naar 16,5%. In 2021 gaat het tarief in de eerste schijf verder omlaag naar 15%. Het tarief in de tweede schijf wordt dan verlaagd van 25% naar 21,7%. Hiertegenover staan grondslagverbredende maatregelen zoals de invoering van een minimumkapitaalregel voor de financiële sector. Dit heeft ook tot doel om een meer gelijkwaardige fiscale behandeling van eigen en vreemd vermogen te bewerkstelligen.

Belastingontwijking en -ontduiking

Het kabinet wil de strijd tegen belastingontwijking en belastingontduiking voortvarend voortzetten. Een belangrijke aankomende maatregel om de belastinggrondslag te beschermen, is de implementatie van de tweede Europese richtlijn ter bestrijding van belastingontwijking (Anti Tax Avoidance Directive 2, kortweg ATAD2). ATAD2 beoogt te voorkomen dat belastingplichtigen gebruik kunnen maken van structuren, waarbij door kwalificatieverschillen tussen belastingstelsels (zogenoemde hybridemismatches) de belasting in Nederland of in een ander land wordt ontweken. Daarnaast wil dit kabinet een eind maken aan het gebruik van het Nederlands belastingstelsel voor doorstroomactiviteiten naar laagbelastende landen. Daarom dient het kabinet een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer in ter invoering van een conditionele bronbelasting op rente en royalty’s. Toch zal wetgeving alleen niet de oplossing zijn. Het bedrijfsleven en belastingadviseurs vervullen vanuit hun maatschappelijke verantwoordelijkheid hierin ook een essentiële rol. De ontwikkeling van een «tax governance code» kan verder invulling geven aan die maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Thema 4. Versterking, verduurzaming en vergroening van de Nederlandse economie

Vergroening van het belastingstelsel

Uitvoering fiscale maatregelen Regeerakkoord

In het regeerakkoord zijn onder meer afspraken gemaakt over het invoeren van een minimum CO2-prijs voor CO2 die in Nederland wordt uitgestoten met elektriciteitsproductie en over het invoeren van een vliegbelasting. Wat betreft de minimumprijs heeft het kabinet daartoe op 4 juni 2019 een wetsvoorstel ingediend. Invoering is voorzien per 1 januari 2020. Wat betreft de vliegbelasting heeft het kabinet een voorkeur voor een Europese belasting op de luchtvaart. Voor het geval deze te lang op zich laat wachten heeft het kabinet op 14 mei 2019 een wetvoorstel ingediend voor een nationale vliegbelasting van € 7 per vertrekkende passagier. Transferpassagiers zijn uitgezonderd.

Klimaatakkoord: op weg naar Parijs

Op 28 juni heeft het kabinet het voorstel voor het Klimaatakkoord naar de Tweede Kamer gestuurd13. Dit akkoord bevat voor de sectoren industrie, elektriciteit, landbouw, mobiliteit en gebouwde omgeving uitgewerkte plannen om broeikasgasemissies tegen te gaan. Dit met als zichtjaar 2030.

Voor het kabinet staat voorop dat de reductieopgave van 49% wordt gehaald op een manier die voor iedereen haalbaar en betaalbaar is. Dat betekent dat de huishoudportemonnee zoveel mogelijk wordt ontzien en dat wordt gezorgd voor een eerlijke verdeling van lasten tussen huishoudens en bedrijven. Bij het realiseren van de doelen en het waarborgen van de uitgangspunten, speelt de fiscaliteit vooral een belangrijke rol binnen de sectoren mobiliteit, gebouwde omgeving en industrie. De fiscale onderdelen van het Klimaatakkoord worden geïmplementeerd in het wetsvoorstel fiscale maatregelen Klimaatakkoord, als onderdeel van het pakket Belastingplan 2020. Een uitzondering wordt gevormd door de CO2-heffing voor de industrie. Deze vergt meer uitwerkingstijd. Het betreffende wetsvoorstel zal naar de huidige taxatie worden geïmplementeerd als onderdeel van het Belastingplan 2021.

In de mobiliteitssector worden voorstellen gedaan voor het versnellen van de transitie naar emissievrij rijden. Op basis van de Wet uitwerking Autobrief II zou de stimulering van elektrische auto’s in 2021 worden beëindigd. Met het huidige klimaatakkoord wordt de Wet uitwerking Autobrief II met betrekking tot 2020 aangepast en zet het kabinet de stimulering met stapsgewijze aanpassingen door t/m 2025. Het kabinet zal tot slot, ten behoeve van de volgende kabinetsformatie, ten minste drie varianten van betalen naar gebruik bij autorijden onderzoeken, voorbereidingen schetsen en waar mogelijk of nodig deze voorbereidingen treffen. De invoering van het nieuwe stelsel wordt betrokken bij de reeds voorgenomen belastingherziening in 2025.Daarbij zal ook het in het regeerakkoord opgenomen streven dat in 2030 alle nieuw te verkopen auto’s emissievrij zijn, worden meegenomen.

In de sector gebouwde omgeving wordt gestart met het verduurzamen van de woningvoorraad. De fiscaliteit speelt onder andere een rol via een aanpassing van de energiebelasting. De belasting op aardgas wordt in de eerste schijf stapsgewijs verhoogd. Alle extra middelen die op deze manier worden opgehaald, worden teruggegeven via de belastingvermindering en een lager energiebelastingtarief van de eerste schijf voor elektriciteit. Ook stelt het kabinet middelen beschikbaar om het belastingdeel van de energierekening voor een huishouden met gemiddeld verbruik in 2020 met € 100 te verlagen, in 2021 niet te laten stijgen en de stijging na 2021 te beperken. De precieze effecten op de totale energierekening zijn afhankelijk van het specifieke verbruik in het betreffende huishouden en de ontwikkeling van de energieprijzen in de markt.

Een financiële sector die bijdraagt aan de vergroening van de Nederlandse economie

De financiële sector (banken, pensioenfondsen, verzekeraars en vermogensbeheerders) heeft met haar zogenoemde «klimaatcomittment» het initiatief genomen om een bijdrage te leveren aan de uitvoering van het Akkoord van Parijs en het Klimaatakkoord. Om te zorgen dat de voornemens en afspraken uit dit klimaatcommitment daadwerkelijk worden uitgevoerd, werkt de sector samen met het Ministerie van Financiën een borgingsstructuur uit. Het doel daarvan is dat jaarlijks wordt geïnventariseerd waar de partijen staan met de uitwerking en uitvoering van het commitment.

In 2020 zal de Minister van Financiën zich ook inzetten om op Europees niveau verdere acties te ondernemen om de financiële sector te betrekken bij de Europese klimaatopgave. Hierbij zal de Minister van Financiën tevens aandacht houden voor de zogenaamde Environmental, Social and Governance (ESG)-criteria, die naast duurzaamheid ook oog hebben voor sociale en governance-aangelegenheden. Binnen de convenanten voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO) met de financiële sector (pensioensector, verzekeringssector en bankensector), zal in 2020 samen met de sector, ngo’s en vakbonden verder worden ingezet op het voldoen aan deze ESG-criteria. Dit zal onder andere worden gedaan door het bieden van handvatten hoe de financiële sector kan voldoen aan OESO-richtlijnen en UN Guiding Principles. Bovendien zal worden gemonitord hoe ver de financiële sector is op dit gebied. Tenslotte wordt samengewerkt met toezichthouders AFM en DNB, die al leidend zijn op dit gebied, om in hun toezicht nog meer aandacht te geven aan klimaatgerelateerde risico’s, en dit op Europees niveau ook te bewerkstelligen.

Invest-NL: de nieuwe Nederlandse investeringsbank

In 2017 heeft het kabinet aangekondigd een Nederlandse investeringsbank op te richten met zowel nationale als internationale activiteiten: Invest-NL14. In 2019 is ervoor gekozen om de nog op te richten investeringsbank te splitsen in twee separate instellingen: Invest-NL N.V. (die de nationale activiteiten op zich zal nemen) en een internationale instelling.

Voor Invest-NL N.V. zijn de voorbereidende werkzaamheden ver gevorderd. In januari 2019 is de Machtigingswet oprichting Invest-NL aan de Tweede Kamer aangeboden. Na parlementaire goedkeuring kan Invest-NL N.V. naar verwachting eind 2019 worden opgericht als 100%-deelneming van de Staat15. Het jaar 2020 is vervolgens het eerste volledige jaar waarin Invest-NL N.V. als private onderneming actief zal zijn. Door Invest-NL N.V. wordt gewerkt aan verdere opbouw van de organisatie en de ontwikkelings- en investeringsportefeuille binnen de uitgewerkte strategie. Hierop ziet de Staat als aandeelhouder toe. Een voortvarende start van Invest-NL N.V. is in 2020 mogelijk, omdat zowel in 2018 als in 2019 investeringsprojecten zijn voorbereid.

Invest-NL zal onder andere een rol spelen in het ondersteunen van ondernemingen en projecten in het domein van de energietransitie. Hiertoe worden zowel ontwikkelingsactiviteiten als financiering (inclusief risicokapitaal) ingezet. Voor alle activiteiten van de instelling geldt dat zij aanvullend aan de markt werken: er moet sprake zijn van marktfalen. Voorwaarden voor de activiteiten zijn, dat deze zijn gestoeld op bedrijfseconomische principes en een rendement op het eigen vermogen, waarmee de kapitaalstortingen kwalificeren als financiële transacties en voldoen aan de staatssteuneisen. Het Ministerie van Financiën voert het aandeelhouderschap uit zoals in het deelnemingenbeleid16 beschreven. Dit gebeurt in overleg met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

Vergroening van de ekv-portefeuille

Een belangrijke uitdaging voor het beleid van de exportkredietverzekeringen (ekv) is het vergroenen van de verzekeringsportefeuille. Van oudsher worden met de ekv veel transacties verzekerd met afnemers in de olie- en gasindustrie. Dit komt omdat dit een belangrijk werkterrein is van een aantal grote exporteurs die veel gebruik maakt van de ekv. Nederlandse bedrijven zijn sterk in offshore-activiteiten; zowel de scheepsbouwers als de grote (maritieme) aannemers. De Nederlandse Staat wil voor groene projecten een goede ondersteuning bieden aan deze exporteurs of aan nieuwe bedrijven die nu nog geen gebruik maken van de ekv. Daarom is in 2019 als eerste stap van start gegaan met het inventariseren van transacties met een positief effect op het klimaat, zodat deze net als olie- en gasgerelateerde transacties in beeld zijn.

Alle transacties die nu onder de ekv lopen, zullen worden gekwalificeerd om daarmee aan te geven hoe groen de projecten zijn. Daarnaast worden projecten ook gescoord op Sustainable Development Goals (SDG’s). Ook heeft Atradius Dutch State Business (ADSB, namens de Staat uitvoerder van de ekv-faciliteit) in opdracht van de Staat meer capaciteit voor de ondersteuning van exporteurs bij projecten met een positief effect op klimaat. Het Ministerie van Financiën en ADSB benaderen samen actief partijen om te kijken of hun groene initiatieven in aanmerking zouden komen voor een verzekering of garantie onder de ekv-faciliteit. Een resultaat hiervan is het Climate Investor One (CIO) fonds. Er vinden gesprekken plaats met verschillende ministeries, banken, exporteurs en netwerkorganisaties. De behoefte aan financiële oplossingen voor klimaatrelevante transacties in binnen- en buitenland is groot en het afdekken van risico door middel van ekv-instrumenten lijkt hierbij een rol te kunnen spelen.

Green bonds voor de groei van een groene kapitaalmarkt

In 2019 heeft het Agentschap voor de eerste keer een groene obligatie (Dutch State Loan, kortweg DSL) uitgegeven, waarmee € 5,98 mld. is opgehaald. In 2020 zullen één of meer heropeningen van deze lening plaatsvinden, mogelijk gevolgd door heropeningen in 2021. Het uitstaande volume van deze obligatie, zal hiermee verder worden aangevuld tot ongeveer € 10 mld. De Nederlandse Staat wil met de groene DSL het goede voorbeeld geven en de totstandkoming en groei van een groene kapitaalmarkt in Nederland ondersteunen.

De opgehaalde middelen van de groene obligatie worden toegerekend aan groene ofwel klimaat-gerelateerde uitgaven en investeringen van het Rijk. Het gaat om duurzame energie (SDE-regeling), energie-efficiëntie (STEP-regeling), duurzaam vervoer (uitgaven en investeringen in spoorinfrastructuur) en het deltaprogramma (Deltafonds). Ten minste 50% van de uitgaven zal het lopende begrotingsjaar of toekomstige begrotingsjaren betreffen. Het Agentschap heeft zich aan beleggers gecommitteerd om te rapporteren over de allocatie van de middelen en de bereikte impact. In 2020 zullen deze rapportages voor het eerst worden gepubliceerd.

2.2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties

In deze paragraaf wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in de samenstelling en ontwikkeling van de uitgaven en de niet-belastingontvangsten. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de artikelen van Financiën en die van Nationale Schuld. In de verdiepingsbijlage wordt in meer detail ingegaan op de mutaties per artikel. Deze paragraaf bevat ook een overzicht van de begrotingsreserves.

Artikelen 1 tot en met 10 (Financiën)

Overzicht belangrijkste mutaties uitgaven (bedragen x € 1.000)
 

Art. nr.

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Stand ontwerpbegroting 2019

 

7.534.228

7.045.815

6.697.579

6.833.508

6.815.166

 

Mutatie incidentele suppletoire begroting 2019

 

744.396

         

Mutatie 1e suppletoire begroting 2019

 

374.281

174.555

400.621

346.057

296.236

 
               

Belangrijkste mutaties

             

Kapitaalinjectie Invest-NL

3

50.000

330.000

330.000

330.000

330.000

 

Aanpassing BCF

6

194.794

200.960

200.960

201.026

201.026

 

Individueel keuzebudget

10

 

91.624

       

Vertrekregeling

1

 

79.800

       

Distributie loon- en prijsbijstelling

1 t/m 11

92.284

87.239

83.299

83.192

82.092

 

Distributie loon- en prijsbijstelling

10

– 92.284

– 87.239

– 83.299

– 83.192

– 82.092

 

Intensiveren witwassen, fraudebestrijding en ondermijning

1,9

600

12.400

26.225

26.225

26.225

 

IBRD

4

 

25.871

2.101

1.948

1.516

 

Beheerst vernieuwen

1

 

20.500

20.500

20.500

20.500

 

Overig & extrapolatie

 

– 15.306

– 78.164

– 5.055

2.707

11.060

7.673.488

               

Stand ontwerpbegroting 2020

 

8.882.993

7.903.361

7.672.931

7.761.971

7.701.729

7.673.488

Toelichting

Kapitaalinjectie Invest-NL

Naar verwachting zal eind 2019 Invest-NL N.V. worden opgericht. Verspreid over enkele jaren ontvangt Invest-NL N.V. een kapitaalinjectie van € 1,7 mld. van de Staat.

Aanpassing BCF

Deze mutatie betreft een bijstelling van de raming van het Btw-compensatiefonds (BCF) op basis van de beschikking van het afgelopen jaar, aangevuld met het voorschot van het vierde kwartaal van het afgelopen jaar en driemaal het voorschot van het eerste kwartaal uit het lopende jaar.

Individueel keuzebudget

De introductie van het, in de cao rijk 2018–2020 afgesproken, individueel keuzebudget per 2020 leidt tot eenmalig hogere personele uitgaven. Het kabinet heeft besloten departementen te compenseren voor deze extra uitgaven.

Vertrekregeling

Er zijn voor de vertrekregeling Switch en bijbehorende premies, middelen overgeheveld van artikel 10 (Nog onverdeeld) naar artikel 1 (Belastingen).

Distributie loon- en prijsbijstelling

De jaarlijkse loon- en prijsbijstelling is verdeeld binnen de begroting.

Intensiveren witwassen, fraudebestrijding en ondermijning

De in de Voorjaarsnota 2019 aangekondigde middelen voor de aanpak van witwassen, fraudebestrijding en ondermijning worden beschikbaar gesteld aan artikel 1 (Belastingen) en artikel 9 (Douane).

IBRD

De geraamde betalingsverplichting en het daarbij behorende uitgavenpatroon zijn bijgesteld n.a.v. de meest recente wisselkoersraming van het CPB. Daarnaast worden de betalingsverplichting en de uitgaven een jaar vervroegd doordat de aandeelhouders van de Wereldbank al in 2018 het besluit hebben genomen over de inleg van aanvullend kapitaal voor IBRD.

Beheerst vernieuwen

Naar aanleiding van het ingediende bestedingsplan personeel zijn in de begroting 2020 middelen overgeboekt vanuit de Aanvullende Post naar de begroting van het Ministerie van Financiën. Dit betreft budget om structureel de wervingsinspanning binnen de Belastingdienst te vergroten.

Overzicht belangrijkste mutaties niet-belastingontvangsten (bedragen x € 1.000)
 

Art. nr.

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Stand ontwerpbegroting 2019

 

2.389.062

2.409.558

2.216.864

2.256.481

2.623.181

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2019

 

971.499

623.612

964.289

919.941

522.753

 
               

Belangrijkste mutaties

             

Dividenden staatsdeelnemingen

3

20.000

         

DNB Winstafdracht

3

790

63.000

– 83.000

96.000

69.000

 

Overig & extrapolatie

 

8.036

4.916

4.657

4.657

3.102

3.179.215

               

Stand ontwerpbegroting 2020

 

3.389.387

3.101.086

3.102.810

3.277.079

3.218.036

3.179.215

Toelichting

Dividenden staatsdeelnemingen

Naar aanleiding van definitieve winstcijfers van staatsdeelnemingen over 2018 wordt de raming voor het daarover in 2019 ontvangen dividend naar boven bijgesteld.

Winstafdracht DNB

Naar aanleiding van de meest recente winstraming van DNB wordt de raming voor de winstafdracht bijgesteld.

Onderstaande grafiek geeft een overzicht van de uitgaven en ontvangsten op de departementale begroting van het Ministerie van Financiën (dus exclusief Nationale Schuld). De ontvangsten zijn uitgesplitst naar belastingontvangsten en niet-belastingontvangsten.

Meerjarig overzicht uitgaven en ontvangsten (bedragen x € 1 mld.)

Meerjarig overzicht uitgaven en ontvangsten (bedragen x € 1 mld.)

Begrotingsreserves

Een begrotingsreserve is bestemd voor een concreet doel en kan in principe alleen voor dat doel worden gebruikt. Onderstaand overzicht geeft (het geraamd verloop van) de begrotingsreserves van het Ministerie van Financiën weer. In de betreffende artikelen worden de begrotingsreserves toegelicht.

Overzicht geraamd verloop begrotingsreserves Ministerie van Financiën (bedragen x € 1 mln.)

Begrotingsreserve

Artikel

Stand per 1/1/2019

Onttrekkingen 2019

Toevoegingen 2019

Stand per 1/1/2020

Onttrekkingen 2020

Toevoegingen 2020

Stand per 31/12/2020

Depositogarantiestelsel (DGS) BES-eilanden

2

2

0

1

3

0

1

4

NHT-garantie1

2

0

0

0,875

0,875

0

0,875

1,75

TenneT

3

40

0

4,8

44,8

0

3,2

48

Ekv

5

389,7

0

0

389,7

0

0

389,7

Totaal

 

431,7

0

6,675

438,375

0

5,075

443,45

X Noot
1

Deze begrotingsreserve is per 2019 opgericht.

Artikelen 11 en 12 (Nationale Schuld)

In onderstaande tabel wordt de verwachte EMU-schuld en staatsschuld aan het einde van 2019 en 2020 weergegeven, alsmede de daarbij behorende rentelasten. De cijfers van 2018 betreffen realisatiecijfers.

Kerncijfers ontwerpbegroting en realisaties (bedragen x € 1 mld.)1
 

2018

2019

2020

Omvang schuld aan het einde van het jaar

     

EMU-schuld

405,5

397,3

397,3

Staatsschuld (art. 11)

330,5

321,7

320,3

Interne schuldverhouding (art. 12)

– 0,3

– 0,4

5,8

Uitgaven en ontvangsten (+ = uitgave)

     

Relevant voor het EMU-saldo

     

Rentelasten vaste en vlottende schuld (art. 11)

6,0

5,4

4,8

Rentelasten interne schuldverhouding (art. 12)

– 0,1

– 0,1

– 0,1

Totaal rentelasten (art. 11 en 12)

5,9

5,3

4,7

Niet relevant voor het EMU-saldo2

     

Rentelasten derivaten

– 1,2

– 1,1

– 1,1

Voortijdige beëindiging derivaten

– 3,3

– 

– 

Voortijdige beëindiging schuld

0,1

– 

– 

X Noot
1

Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

X Noot
2

De ontvangsten of uitgaven als gevolg van voortijdige beëindiging derivaten en schuld worden niet geraamd.

De EMU-schuld is de overheidsschuld. Preciezer gezegd: de bruto, dus uitstaande, schuld van de gehele collectieve sector. De staatsschuld is daar een onderdeel van en omvat alleen de schuld van de rijksoverheid. De staatsschuld wordt gefinancierd door het Agentschap van de Generale Thesaurie, onderdeel van het Ministerie van Financiën. De interne schuldverhouding geeft de schuldverhouding weer tussen de Staat en de instellingen die meedoen met het schatkistbankieren, zoals decentrale overheden, RWT’s, sociale fondsen en agentschappen.

Volgens de Europese boekhoudregels (ESA-2010) worden bij de berekening van het EMU-saldo alleen de rentelasten op schuldpapier meegenomen. Rentelasten op derivaten worden niet meegenomen in het EMU-saldo en worden daarom apart weergegeven.

Binnen het renterisicobeleid heeft het Agentschap de mogelijkheid om rentederivaten af te sluiten of voortijdig te beëindigen. Bij het beëindigen van een rentederivaat wordt de actuele marktwaarde van het derivaat verrekend tussen beide partijen. Doordat deze marktwaarde in de praktijk positief is voor de Staat, leiden deze voortijdige beëindigingen tot eenmalige ontvangsten die een verlagend effect hebben op de staatsschuld. Tegenover deze eenmalige baten, staan lagere verwachte rentebaten in toekomstige jaren.

Naar verwachting zullen in 2019 en 2020 zowel de staatsschuld als de bijbehorende rentelasten verder dalen.

Belangrijkste mutaties rentekosten

In onderstaande tabel worden de belangrijkste mutaties in de rentelasten vanaf de ontwerpbegroting 2019 weergegeven.

Overzicht belangrijkste mutaties rentelasten en rentebaten naar oorzaak (bedragen x € 1 mln.)1 2
 

Art.

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Stand ontwerpbegroting 2019

 

5.491

5.596

5.678

5.945

5.286

 
               

Mutaties

             

Bijstelling kassaldo

11

2

22

40

92

158

 

Bijstelling rekenrente

11

– 77

– 650

– 685

– 776

– 749

 

Effect nieuwe schulduitgifte en vervroegde aflossingen

11

– 119

– 151

– 163

– 173

– 150

 

Bijstelling rentelasten interne schuldverhouding

12

– 2

– 71

– 157

– 178

– 77

 

Extrapolatie

11 & 12

         

4.593

               

Stand ontwerpbegroting 2020

 

5.295

4.746

4.713

4.910

4.468

4.593

X Noot
1

Het betreft in deze tabel alleen rentelasten vaste en vlottende schuld; rentelasten derivaten zijn niet meegenomen.

X Noot
2

Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

De rentelasten op de staatsschuld (artikel 11) liggen bij het opstellen van de begroting al voor een groot deel vast. Immers, de meeste rente wordt betaald op leningen die in het verleden zijn afgesloten. Hoe verder vooruit, hoe groter de onzekerheid in de ramingen. De hoogte van de rentelasten die al vastliggen volgt uit de toenmalige rentestanden en schuldopbouw, en uit de keuzes die in het verleden werden gemaakt ten aanzien van financieringsbeleid en risicomanagement.

De rentelasten op nieuw uit te geven schuld worden geraamd op basis van de meest recente rentetarieven van het Centraal Planbureau (CPB) en op basis van de raming van het kassaldo van het Rijk. Bijstelling van deze twee variabelen is de belangrijkste oorzaak van de aanpassing van de rentelasten. Daarnaast is tussen het moment van opstellen van de begrotingen van 2019 en 2020 een deel van de schuld opnieuw gefinancierd tegen nieuwe voorwaarden. Ook dit heeft een effect op de geraamde rentelasten.

Ook voor het bijstellen van de geraamde rentelasten op de interne schuldverhouding geldt dat dit vooral het gevolg is van gewijzigde rentetarieven en omvang van de schuldverhouding.

In onderstaande grafiek wordt de (verwachte) staatsschuld aan het einde van ieder jaar weergegeven, alsmede de daarbij behorende rentekosten. De jaren 2016–2018 zijn realisaties, 2019 en 2020 zijn ramingen.

Overzicht staatsschuld en rentelasten (bedragen x € 1 mld.)

Overzicht staatsschuld en rentelasten (bedragen x € 1 mld.)

De omvang van de staatsschuld bedraagt ultimo 2020 naar verwachting circa € 320 mld. De raming voor de rentelasten van de staatsschuld, exclusief rentederivaten, bedraagt voor 2020 € 4,7 mld. Wanneer deze derivaten ook worden meegeteld bedragen de geraamde rentelasten € 3,7 mld. Op rentederivaten wordt per saldo rente ontvangen.

2.3 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven en bestemming (bedragen x € 1 mln.)

Artikel

Naam artikel

(€ tot. uitg. art.)

Juridisch verplichte uitgaven

Niet-juridisch verplichte uitgaven

Bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven

1

Belastingen

(€ 495,6 mln.)

€ 341,1 mln.

(68,8%)

€ 154,5 mln.

(31,2%)

Met name (verlenging van) licenties en onderhoudscontracten voor software en hardware, en uitgaven voor papieren dienstverlening (brieven aan burgers en bedrijven)

2

Financiële markten

(€ 26,6 mln.)

€ 21,9 mln.

(82,3%)

€ 4,7 mln.

(17,7%)

Hoofdzakelijk kosten voor muntcirculatie, met name aankoop van rondellen (blanco muntplaatjes) die benodigd zijn voor de productie van nieuwe munten

3

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

(€ 442,2 mln.)

€ 435,5 mln.

(98,5%)

€ 6,7 mln.

(1,5%)

Onder andere uitvoeringskosten staatsdeelnemingen (inhuur adviseurs)

4

Internationale financiële betrekkingen

(€ 103,7 mln.)

€ 103,5 mln.

(99,8%)

€ 0,2 mln.

(0,2%)

Technische assistentie kiesgroeplanden

5

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

(€ 77,2 mln.)

€ 77,2 mln.

(100%)

€ 0

(0%)

Niet van toepassing

6

Btw-compensatiefonds

(€ 3.426,7 mln.)

€ 3.426,7 mln.

(100%)

€ 0

(0%)

Niet van toepassing

9

Douane

(€ 30,0 mln.)

€ 16,0 mln.

(53,5%)

€ 13,9 mln.

(46,5%)

Een gedeelte van de uitgaven aan Douane specifieke middelen, zoals werktuigen en laboratoria

11

Financiering staatsschuld

(€ 35.170,5 mln.)

€ 35.154,0 mln.

(99,95%)

€ 16,5 mln.

(0,05%)

Met name advieskosten aan banken bij de uitgiftes van obligaties

12

Kasbeheer

(€ 1.531,4 mln.)

€ 1.531,4 mln.

(100%)

€ 0

(0%)

Niet van toepassing

Totaal aan niet-juridisch verplichte uitgaven

€ 196,5 mln.

 

2.4 Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

Planning beleidsdoorlichtingen
   

Realisatie

Planning

Artikel

Naam artikel

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Geheel artikel?

1

Belastingen

               

Dienstverlening

   

       

Nee

Toeslagen

     

     

Nee

Toezicht en opsporing en massale processen

       

   

Nee

2

Financiële markten

           

Ja

3

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

               

Publiek-private investeringen

         

 

Nee

Staatsdeelnemingen

   

       

Nee

4

Internationale financiële betrekkingen

     

     

Ja

5

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

       

   

Ja

6

Btw-compensatiefonds

     

     

Ja

9

Douane

   

       

Ja

11

Financiering staatsschuld

 

         

Ja

12

Kasbeheer

 

1

         

Ja

n.v.t.

Begrotingsbeleid

   

       

n.v.t.

X Noot
1

De beleidsdoorlichting Kasbeheer stond gepland voor 2018, maar is in 2019 afgerond en aan de Kamer verzonden (Kamerstukken II 2018–2019, 31 935, nr. 53).

Toelichting

Algemeen

In de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) is vastgelegd dat al het beleid met een zekere regelmaat – ten minste eens in de zeven jaar – dient te worden geëvalueerd in een beleidsdoorlichting. Er moet volgens de RPE sprake zijn van een dekkende programmering van beleidsdoorlichtingen17. De bovenstaande meerjarige planning van de beleidsdoorlichtingen voor het Ministerie van Financiën is dekkend en voldoet aan de RPE-voorschriften.

Voor een verdere onderbouwing van de meerjarenplanning zie bijlage 5 «Evaluatie- en overig onderzoek».

In 2020 staat vier beleidsdoorlichtingen gepland en de in 2020 geplande beleidsdoorlichting voor artikel 4 Internationale financiële betrekkingen schuift door naar 2021.

Artikel 1 Belastingen – Dienstverlening

In 2020 zal een beleidsdoorlichting van artikel 1 plaatsvinden. Deze beleidsdoorlichting richt zich op belastingen en specifiek daarbinnen op dienstverlening. Het plan van aanpak van deze beleidsdoorlichting is in september 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector – Staatsdeelnemingen

In 2020 zal de evaluatie van de Nota Deelnemingenbeleid uit 2013 worden verricht. Het plan van aanpak voor deze evaluatie is in september 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden. De resultaten van de evaluatie zullen uiterlijk ultimo 2020 naar de Tweede Kamer worden verzonden.

Artikel 4 Internationale financiële betrekkingen

De in 2020 geplande beleidsdoorlichting voor artikel 4 schuift door naar 2021, aangezien de laatste doorlichting later dan gepland naar de Kamer is verstuurd (voorjaar 2016 i.p.v. eind 2015) en er nog niet voldoende nieuwe informatie is voor een nieuwe doorlichting. In 2021 zijn de onderhandelingen over het nieuwe MFK afgerond en zijn de voorbereidingen op de Brexit in een verder stadium. Deze ontwikkelingen kunnen worden meegenomen in de beleidsdoorlichting in 2021.

Artikel 9 Douane

In 2020 zal een beleidsdoorlichting worden verricht van de doelen, instrumenten en prestaties van de Douane zoals opgenomen in artikel 9 Douane. Het plan van aanpak van deze beleidsdoorlichting is in september 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Begrotingsbeleid

Het begrotingsbeleid van de overheid zal worden geëvalueerd middels een doorlichting18. De beleidsdoorlichting wordt, net als in 2016, samengenomen met de Studiegroep Begrotingsruimte en zal op hetzelfde moment aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Vanwege deze samenhang wordt op een aantal punten afgeweken van de gebruikelijke opzet.

2.5 Overzicht risicoregelingen

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Nr.

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2018

Geraamd te verlenen 2019

Geraamd te vervallen 2019

Uitstaande garanties 2019

Geraamd te verlenen 2020

Geraamd te vervallen 2020

Uitstaande garanties 2020

Garantieplafond

Totaal plafond

1

1

Garantie procesrisico’s

371

400

400

371

400

400

371

400

2

2

Terrorismeschades (NHT)

50.000

50.000

50.000

50.000

3

2

WAKO (kernongevallen)

9.768.901

9.768.901

9.768.901

9.768.901

4

2

Garantie Stichting Waarborgfonds Motorverkeer

175

175

175

175

5

2

NBM

2.500

2.500

2.500

2.500

6

2

Waarborgfonds motorverkeer

2.500

2.500

2.500

2.500

7

2

Single Resolution Fund

4.163.500

4.163.500

4.163.500

4.163.500

8

2

DGS BES-eilanden

70.000

4.000

66.000

66.000

70.000

9

3

DNB winstafdracht

10

3

Garantie en vrijwaring inzake verkoop en financiering van staatsdeelnemingen

309.165

309.165

300.000

9.165

309.165

11

3

FMO

5.507.000

5.507.000

5.507.000

n.v.t.

12

4

EFSF

34.154.159

34.154.159

34.154.159

34.154.159

13

4

EFSM

2.880.000

60.000

2.940.000

2.940.000

2.940.000

14

4

ESM

35.445.400

35.445.400

35.445.400

35.445.400

15

4

EIB-kredietverlening in ACP en OCT

53.049

53.049

53.049

53.049

16

4

Kredieten EU-betalingsbalanssteun

2.400.000

50.000

2.450.000

2.450.000

2.450.000

17

4

MIGA

29.218

127

29.345

29.345

29.345

18

4

Wereldbank

4.525.159

774.871

5.300.030

5.300.030

5.300.030

19

4

EBRD

589.100

589.100

589.100

589.100

20

4

EIB

9.895.547

1.900.425

11.795.972

11.795.972

11.795.972

21

4

DNB – IMF

43.303.725

264.493

43.568.218

43.568.218

43.568.218

22

4

AIIB

719.456

3.125

722.581

722.581

722.581

23

5

Exportkredietverzekering

16.338.885

10.000.000

10.000.000

16.338.885

10.000.000

10.000.000

16.338.885

10.000.000

 

Totaal

170.207.810

13.053.441

10.004.400

173.256.851

10.000.400

10.300.400

172.956.851

10.000.400

151.414.595

Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Nr.

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2018

Ontvangsten 2018

Stand risicovoorziening 2018

Saldo 2018

Uitgaven 2019

Ontvangsten 2019

Stand risicovoorziening 2019

Saldo 2019

Uitgaven 2020

Ontvangsten 2020

Stand risicovoorziening 2020

Saldo 2020

1

1

Garantie procesrisico’s

173

– 173

245

– 245

245

– 245

2

2

Terrorismeschades (NHT)

875

875

875

875

875

875

1.750

875

3

2

WAKO (kernongevallen)

614

614

614

614

614

614

4

2

Garantie Stichting Waarborgfonds Motorverkeer

5

2

NBM

6

2

Waarborgfonds motorverkeer

7

2

Single Resolution Fund

8

2

DGS BES-eilanden

2.000

3.000

4.000

9

3

DNB winstafdracht

10

3

Garantie en vrijwaring inzake verkoop en financiering van staatsdeelnemingen

130

4.846

40.044

4.716

4.800

44.844

4.800

3.156

48.000

3.156

11

3

FMO

12

4

EFSF

13

4

EFSM

14

4

ESM

15

4

EIB-kredietverlening in ACP en OCT

16

4

Kredieten EU-betalingsbalanssteun

17

4

MIGA

18

4

Wereldbank

19

4

EBRD

20

4

EIB

21

4

DNB – IMF

22

4

AIIB

23

5

Exportkredietverzekering

26.530

244.629

389.726

218.099

190.000

218.297

389.726

28.297

62.000

235.954

389.726

173.954

 

Totaal

26.833

250.964

431.770

224.131

190.245

224.586

438.445

34.341

62.245

240.599

443.476

178.354

Algemeen

Garantieregelingen groter dan € 5 mln. worden toegelicht. Ten opzichte van de begroting 2019 zijn geen nieuwe garanties afgegeven.

Alle reguliere risicoregelingen worden in de periodieke beleidsdoorlichtingen getoetst op nut en noodzaak. Voor de planning van deze periodieke evaluatie wordt verwezen naar overzicht 2.4 «Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen» en bijlage 5 «Evaluatie- en overig onderzoek».

2. Terrorismeschades (NHT)

Doel en werking garantieregeling

De Nederlandse Herverzekeringsmaatschappij voor Terrorismeschaden (NHT) is in 2003 opgericht, nadat verzekeraars en herverzekeraars terrorismerisico’s uitsloten op hun polissen. Binnen de NHT leveren verzekeraars, herverzekeraars en de Staat gezamenlijk een dekkingscapaciteit van € 1 mld. per jaar. De Staat geeft een garantie voor de laatste € 50 mln. van deze dekkingscapaciteit.

Kans, impact en beheersing risico’s

Terrorismebestrijding vergt vanwege de hoge dreiging onverminderde politieke aandacht van de Staat. De financiële risico’s voor de Staat zijn in eerste instantie beperkt doordat de verzekeraars en herverzekeraars de eerste € 950 mln. van de dekkingscapaciteit garanderen en pas daarna de garantie van de Staat kan worden aangesproken.

Premiestelling en kostendekkendheid

De Staat heft een premie over het afgegeven garantiebedrag van € 50 mln. Deze middelen worden vanaf 2019 gestort in een begrotingsreserve. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling.

3. WAKO (kernongevallen)

Doel en werking garantieregeling

De Wet aansprakelijkheid kernongevallen (WAKO) regelt de aansprakelijkheid van exploitanten van nucleaire installaties voor kernongevallen. De exploitant is aansprakelijk voor schade bij kernongevallen, maar de Staat der Nederlanden staat voor zes installaties garant: voor vijf installaties tot maximaal € 1,5 mld. per ongeval en voor de kerncentrale Borssele maximaal € 2,3 mld. per ongeval. Het totale risico voor deze installaties bedraagt dus € 9,8 mld. Het bedrag van € 1,5 mld. is gebaseerd op de Verdragen van Parijs en Brussel, die verdragsstaten verplichten tot een garantstelling. Aangezien een kernongeval bij Borssele hogere schades kan veroorzaken is er nationaal door het kabinet voor gekozen hiervoor een hogere garantie af te geven. Voor de staatsgarantie betaalt de exploitant van kerncentrale Borssele jaarlijks een vergoeding aan de Nederlandse Staat.

Voorts hebben alle kerninstallaties een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten bij commerciële verzekeraars en voor bepaalde risico’s bij de Nederlandse Staat. Hiertoe zijn zij op grond van de WAKO verplicht. De verzekerde som is afhankelijk van de risico’s bij de betreffende installatie, maar is in geen geval hoger dan € 1,2 mld. De Staat ontvangt hiervoor van alle kerninstallaties premies. Voor schades die door verzekeraars worden vergoed hoeft geen beroep te worden gedaan op de staatsgarantie.

Het doel van deze garantie is tweeledig: enerzijds schadeloosstelling van slachtoffers indien zich een ernstig kernongeval in Nederland voordoet en anderzijds het internaliseren van kosten die met het gebruik van kernenergie samenhangen.

Kans, impact en beheersing risico’s

Kerncentrales moeten voldoen aan strenge veiligheidseisen. De kerncentrale in Borssele is ook bestand tegen externe omstandigheden, zoals een aardbeving of overstroming. Uit onder andere de Europese stresstest blijkt dat Borssele voldoet aan de bestaande veiligheidseisen. Voor de overige installaties zijn nationale stresstests uitgevoerd, die ook positief waren19.

Kerncentrales staan onder streng nationaal en internationaal toezicht. Dit ligt vast in de Nederlandse wet en in internationale verdragen. Daarnaast staan in de vergunningen talrijke eisen aan een kerncentrale. Dit zijn bijvoorbeeld eisen om internationale contacten tussen kerncentrales te onderhouden om kennis en ervaringen uit te wisselen. Wettelijk toezicht in Nederland valt onder de verantwoordelijkheid van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS), die het toezicht ook uitvoert. De ANVS ziet erop toe dat alle nucleaire installaties in Nederland de relevante veiligheidseisen naleven. Ook zorgt de ANVS dat veiligheids- en beveiligingsmaatregelen worden getroffen. Er zijn regelmatig contacten tussen de kerncentrale en de ANVS. Inspecteurs houden vaak ter plekke toezicht en controles. Zij kijken of de vergunningen worden nageleefd, of technische specificaties en de werkwijzen kloppen en of voorgenomen wijzigingen aan installaties mogen worden uitgevoerd.

Premiestelling en kostendekkendheid

De doelstelling is dat een premie wordt geïnd die een reële weergave vormt van het risico voor de Staat. Voor de berekeningssystematiek wordt aangesloten bij de premieberekening die de markt hanteert voor kernongeval schadeverzekeringen. De premies worden niet afgestort in een begrotingsreserve. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling.

7. Single Resolution Fund

Doel en werking garantieregeling

In de verklaring van de Ministers van de Eurogroep en Economic and Financial Affairs Council (Ecofinraad) van 18 december 2013 is opgenomen dat er voor de overgangsperiode (2016–2023) van het gemeenschappelijke afwikkelingsfonds (Single Resolution Fund, SRF) voorzien zal worden in een systeem waarbij voor de afwikkeling van een bank(engroep) in laatste instantie brugfinanciering aan de Single Resolution Board (SRB) verstrekt kan worden. Brugfinanciering is noodzakelijk aangezien zich situaties kunnen voordoen waarbij de aanwezige middelen in het SRF ontoereikend zijn om de kosten voortkomend uit een afwikkelingscasus mee te financieren en het vervolgens niet (voldoende) mogelijk is om onmiddellijk ex-post bijdragen bij banken in de betreffende lidstaat te innen. Voor de geloofwaardigheid van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (Single Resolution Mechanism, SRM) is het van cruciaal belang dat het SRF effectief en voldoende gefinancierd is.

Voor de vormgeving van brugfinanciering is gewerkt aan een systeem van individuele kredietlijnen van lidstaten. De totale omvang van alle individuele kredietlijnen van de lidstaten van de eurozone is gelijk aan het afgesproken streefbedrag van het SRF. Op dit moment is de omvang van het SRF bepaald op € 55 mld. De omvang van de individuele kredietlijnen is gelijk aan de omvang van het nationale compartiment in het SRF. Het Nederlandse compartiment is vastgesteld op circa € 4,16 mld., ofwel 7,57% van de totale omvang van de verwachte ex-ante contributies aan het SRF in de periode 2016–2023.

Kans, impact en beheersing risico’s

Er kan geen direct beroep worden gedaan op het SRF om de verliezen van een instelling te absorberen of om de instelling te herkapitaliseren. Uitgangspunt bij afwikkeling is immers dat eventuele kosten of verliezen worden gedragen door aandeelhouders en crediteuren van een falende bank en niet de belastingbetaler. Ten aanzien van het opvangen van verliezen en herkapitalisatie geldt daarom dat ten minste 8% bail-in van de totale passiva inclusief eigen vermogen moet plaatsvinden. Hierna mag een bedrag van maximaal 5% van de totale passiva inclusief het eigen vermogen van de bank in afwikkeling worden aangewend uit het SRF. Alleen indien alle niet-preferente passiva, met uitzondering van in aanmerking komende deposito’s, volledig zijn afgeschreven kan, indien nodig, een groter beroep worden gedaan op het fonds.

Als een beroep wordt gedaan op het SRF tijdens de overgangsperiode worden de middelen aangewend volgens een getrapt systeem. Daarbij zijn de nationale compartimenten van de lidstaten en de mate waarin zij zijn gemutualiseerd van belang. Deze compartimenten worden gevuld met vooraf te betalen (ex-ante) bijdragen door de banken in de aan de bankenunie deelnemende lidstaten. Het getrapte systeem tijdens de overgangsfase bestaat uit vijf treden. Pas als alle treden uit het getrapte systeem volledig zijn afgelopen kan de SRB gebruikmaken van de individuele kredietlijn van de lidstaat waar de afwikkelingscasus plaatsvindt.

De kans dat er op de garantie (de kredietlijn) getrokken wordt, is op zichzelf laag doordat een beroep op de garantie alleen kan worden gedaan in laatste instantie en na het doorlopen van het getrapte systeem van het SRF. Bij afwikkeling van een enkele instelling zal het risico tevens kleiner zijn dan bij de afwikkeling van meerdere instellingen tegelijkertijd of kort na elkaar. Doordat het fonds de komende jaren wordt gevuld door de banken zelf, neemt het risico dat een beroep moet worden gedaan op de garantie ook af.

Premiestelling en kostendekkendheid

Lidstaten die hebben gekozen voor een kredietlijn zonder parlementaire goedkeuring voorafgaand aan iedere uitbetaling of tranchering, zoals Nederland, krijgen een bereidstellingsprovisie van 0,1%. De bereidstellingsprovisie wordt berekend over het bedrag onder de kredietlijn waar de SRB daadwerkelijk een beroep op kan doen. De provisie is zodoende afhankelijk van de totale middelen die aangewend kunnen worden uit het SRF, de uitstaande leningen en de externe financieringsmogelijkheden van de SRB. De inkomsten uit de bereidstellingsprovisie zijn behoedzaam geraamd. Daarbij is uitgegaan van het uitblijven van een resolutiecasus waardoor de middelen die aangewend kunnen worden uit het SRF toenemen en zodoende het beschikbare bedrag onder de kredietlijn en daarmee ook de bereidstellingsprovisie afnemen. Als het beschikbare bedrag onder de kredietlijn nul is, ontvangt de lidstaat geen bereidstellingsprovisie, omdat er dan überhaupt niet op de kredietlijn getrokken kan worden. De bereidstellingsprovisie wordt aan het einde van het jaar door de SRB vastgesteld en potentieel uiterlijk 20 dagen na het einde van ieder kalenderjaar aan de lidstaat betaald. Om bovenstaande reden is de bereidstellingsprovisie geraamd op nul.

In de situatie dat de SRB een beroep doet op de kredietlijn en (een deel van) de garantie wordt ingeroepen, ontvangt de Nederlandse Staat rente, welke gelijk is aan de financieringskosten vastgesteld op de dag dat de SRB het verzoek heeft ingediend om gebruik te maken van de kredietlijn (of in het geval dat de lening verlengd wordt, op de dag dat de SRB vraagt om de verlenging van de lening).

8. DGS BES-eilanden

Doel en werking garantieregeling

Het depositogarantiestelsel (DGS) voor de BES-eilanden (Bonaire, Sint-Eustatius en Saba) is in 2017 ingesteld om de depositohouders op die eilanden te beschermen en de stabiliteit van het financiële stelsel te vergroten. In de Wet financiële markten BES staat dat de aan het DGS deelnemende kredietinstellingen de kosten van het DGS dragen. Gezien de situatie van de kredietinstellingen op de BES-eilanden is gekozen voor een model waarbij de sector achteraf indien mogelijk het DGS financiert maar de Staat de uitkering zo nodig voorfinanciert. De onmiddellijke uitkering uit het DGS komt ten laste van de schatkist. Vervolgens wordt de uitkering, in door DNB vast te stellen termijnen, door de sector terugbetaald.

Kans, impact en beheersing risico’s

Het DGS garandeert deposito’s van ingezetenen van de BES-eilanden bij op de BES-eilanden actieve banken tot een bedrag van USD 10.000. Het DGS keert enkel uit in de situatie dat een bank door faillissement tegoeden van spaarders niet kan terugbetalen. Alleen in de uitzonderlijke situatie van een faillissement van een bank kan een beroep worden gedaan op de regeling. De schade voor depositohouders wordt berekend op basis van de administratie van de failliete bank: DNB heeft op grond van de Wet financiële markten BES de bevoegdheid de administratie op te vragen. Het is een tijdelijke garantie: zodra meer structurele oplossingen gerealiseerd zijn, kan de regeling geheel of gedeeltelijk worden beëindigd. Aangezien het DGS deposito’s in USD garandeert, is het totaal uitstaand risico in euro gevoelig voor wisselkoersontwikkelingen. In 2019 wordt de inschatting van de hoogte van de garantie vanwege deze wisselkoersontwikkelingen met € 4 mln. naar beneden bijgesteld tot € 66 mln. In 2020 zal de hoogte van de garantie opnieuw berekend worden.

Premiestelling en kostendekkendheid

De premie bedraagt € 1 mln. per jaar en wordt in een begrotingsreserve gestort. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze regeling.

9. DNB winstafdracht

De garantie aan DNB is per 1 maart 2018 komen te vervallen (Kamerstukken II 2017–2018, 32 013 nr. 165).

10. Garantie en vrijwaring inzake verkoop en financiering van staatsdeelnemingen

Doel en werking garantieregeling

De Staat heeft garanties en vrijwaringen afgegeven aan verschillende instellingen die het gevolg zijn van de verkoop van staatsdeelnemingen. Aan de koper van Fortis Corporate Insurance (Amlin PLC, € 5,5 mln.) en de koper van de Koninklijke Nederlandse Munt (KNM; Group Heylen, € 2,5 mln.) zijn garanties en vrijwaringen verstrekt. Deze garanties en vrijwaringen zijn gebruikelijk bij dit soort transacties en zien bijvoorbeeld toe op navorderingen van de Belastingdienst. Hiermee wordt voorkomen dat de koper dit soort zaken verdisconteert in een lager bod op de aandelen.

Daarnaast heeft de Staat specifieke garanties en vrijwaringen verstrekt om de financiering van staatsdeelnemingen NWB Bank (€ 1,1 mln.) en TenneT (€ 300 mln.) mogelijk te maken. In januari 2020 vervalt de garantie aan TenneT. Deze garantie is in 2010 afgegeven om de overname van Transpower (het huidige TenneT Duitsland) te financieren. De garantieovereenkomst geeft aan dat de garantie uiterlijk na 10 jaar komt te vervallen.

Kans, impact en beheersing risico’s

De kans dat de garantie aan TenneT wordt ingeroepen is klein. TenneT is een solide bedrijf met een A-rating, en de Staat let als aandeelhouder goed op de financiële stabiliteit. Vanwege het bedrag zou de impact echter relatief groot zijn. Dit risico wordt echter beheerst doordat TenneT jaarlijks een premie betaalt, en de garantie in 2020 afloopt.

Premiestelling en kostendekkendheid

TenneT betaalt jaarlijks € 4,8 mln. aan garantiepremie. Deze premie wordt in een begrotingsreserve gestort. Tot op heden heeft geen uitkering plaatsgevonden onder de garantie. Voor de garanties aan Fortis, Groep Heylen en NWB ontvangt de Staat geen premie.

11. FMO

Doel en werking garantieregeling

De Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) is in 1970 opgericht om duurzame economische groei in ontwikkelingslanden te bevorderen, door het verschaffen van eigen vermogen of leningen voor projecten die impact creëren en voldoen aan FMO’s standaarden op het gebied van sociale omstandigheden, milieu en «good governance». Hierbij gaat het alleen om projecten die niet door marktpartijen gefinancierd kunnen worden, voornamelijk vanwege het hoge risico dat zij associëren met onder meer het investeren in ontwikkelingslanden. FMO verschaft het eigen vermogen en de leningen aan private partijen in die landen. Door de private sector in ontwikkelingslanden te versterken wil de Staat een bijdrage leveren aan het terugdringen van armoede.

In de overeenkomst uit 1998 tussen de Staat en FMO is een garantie van de Staat richting FMO opgenomen. De garantie bestaat uit twee onderdelen:

  • 1. De Staat zal de verliezen uit de bedrijfsvoering dekken, die volgen uit activiteiten van FMO, voor zover deze verliezen niet zijn of worden gedekt door waardecorrecties en/of schadevergoedingen en/of uitkeringen uit hoofde van verzekeringen. Voorts geldt als voorwaarde voor de garantie dat een dergelijk verlies de reserve voor algemene risico’s overstijgt en dat de verliezen het resultaat zijn van niet-normale bedrijfsrisico’s.

  • 2. Daarnaast heeft de Staat zich verplicht om situaties te voorkomen waarin FMO niet in staat is om bepaalde verplichtingen te voldoen, namelijk de verplichtingen die op FMO rusten uit hoofde van:

    • a. op de kapitaalmarkt opgenomen leningen;

    • b. op de geldmarkt opgenomen korte financieringsmiddelen met een looptijd gelijk aan of minder dan twee jaar;

    • c. swap-overeenkomsten met uitwisseling van hoofdsom en rentebetaling;

    • d. swap-overeenkomsten zonder uitwisseling van hoofdsom met rentebetaling;

    • e. valuta-termijncontracten en Future Rate Agreements;

    • f. optie- en future-contracten;

    • g. combinaties van de hiervoor bedoelde producten (a t/m f);

    • h. garanties door de FMO aan derden verstrekt ten behoeve van de financiering van private ondernemingen in ontwikkelingslanden;

    • i. die voortvloeien uit het onderhouden van een adequaat apparaat.

Omdat het gaat om een instandhoudingsverplichting is de omvang van de garantie in theorie onbeperkt. In bovenstaand overzicht is, omwille van transparantie, de garantie gekwantificeerd. Het vreemd vermogen van FMO ultimo 2018 is gebruikt als inschatting van het uitstaande risico. De letterlijke tekst van de overeenkomst is leidend voor de interpretatie.

Kans, impact en beheersing risico’s

Aangezien het gegarandeerde bedrag meer dan € 5 mld. is, zou de financiële impact van het inroepen van (een deel van) de garantie zeer groot zijn. De kans hierop is echter zeer klein, aangezien er op verschillende niveaus aan actief risicomanagement wordt gedaan. Dit is nodig, aangezien FMO actief risico’s neemt die voortvloeien uit het verschaffen van leningen en eigen vermogen aan ontwikkelingslanden om daarmee haar doelstelling te bereiken: het bevorderen van de private sector in ontwikkelingslanden. Hiervoor is het van essentieel belang dat FMO een adequaat risicomanagementsysteem heeft om financiële risico’s te identificeren, te meten, te volgen en te beperken. Ten grondslag hieraan ligt de risicobereidheid van FMO. Dit is het risico dat FMO bereid is om te aanvaarden in het nastreven van toegevoegde waarde. De risicobereidheid van FMO wordt minstens een keer per jaar herzien.

De beheersing van de risico’s wordt verder ondersteund door behoedzame kapitaal- en liquiditeitsposities en sterke diversificatie van de leningen en eigenvermogenportefeuille over regio’s en sectoren. Ongeveer 80% van het economisch kapitaal van FMO wordt ingezet voor kredietrisico. Hoewel andere financiële risico’s niet altijd voorkomen kunnen worden, vermindert FMO deze zoveel mogelijk. FMO heeft geen handelsposities en is in het algemeen niet geïnteresseerd in valutarisico en renterisico.

Binnen FMO is de afdeling Risicomanagement verantwoordelijk voor het beheren van de risico’s in de eigenvermogenportefeuille («emerging market portfolio»), de eigen vermogensportefeuille («treasury portfolio») en alle daarmee samenhangende marktrisico’s. Daarnaast heeft FMO een Investeringscommissie bestaande uit senior medewerkers van verschillende afdelingen. Deze commissie analyseert financieringsvoorstellen voor nieuwe transacties. Elk financieringsvoorstel wordt beoordeeld in termen van tegenpartijrisico, productrisico en landrisico. De financieringsvoorstellen worden vergezeld van het advies van de kredietafdeling. Deze afdeling is verantwoordelijk voor de beoordeling van de kredietrisico’s van zowel nieuwe transacties als de bestaande portefeuille.

FMO heeft een bankvergunning en staat onder toezicht van DNB. De Staat als aandeelhouder is conform de Nota Deelnemingenbeleid rijksoverheid 2013 actief betrokken bij staatsdeelnemingen zoals FMO. Relevante (financiële) ontwikkelingen worden onder andere besproken in kwartaaloverleggen, het halfjaarlijkse beleidsoverleg en in bijvoorbeeld de aandeelhoudersvergadering.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen, waardoor ook geen middelen worden gestort in een begrotingsreserve. Het grootste deel van de winst van FMO wordt jaarlijks conform de afspraken in de overeenkomst tussen de Staat en FMO toegevoegd aan de reserves van FMO. Een klein deel wordt uitgekeerd aan de aandeelhouders van FMO. De Staat heeft 51% van de aandelen. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze garantieregeling.

12 t/m 14. EFSF, EFSM en ESM

Doel en werking garantieregeling

In 2010 is besloten tot de oprichting van de Europese noodmechanismen European Financial Stability Facility (EFSF), European Financial Stabilisation Mechanism (EFSM) en tot de oprichting van een permanent noodmechanisme, het European Stability Mechanism (ESM). Deze noodmechanismen verstrekken steun aan landen in nood onder strikte voorwaarden. Op dit moment staat Nederland voor maximaal € 34,2 mld. garant voor het EFSF, € 2,9 mld. voor het EFSM en € 35,4 mld. voor het ESM. De noodfondsen ontvangen rentevergoedingen voor de verstrekte leningen.

Kans, impact en beheersing risico’s

De regeling betreft financiële steun aan landen middels een leningenprogramma met strikte voorwaarden die door het EFSF, EFSM en ESM in tranches wordt uitgekeerd. Het leningenprogramma is erop gericht dat het land dat steun ontvangt zo spoedig mogelijk weer een houdbare financieel-economische positie heeft en weer toegang krijgt tot de financiële markten.

Op het moment dat een lidstaat, die steun uit het EFSF ontvangt, niet aan de betalingsverplichtingen aan het EFSF kan voldoen en als gevolg daarvan het EFSF haar schuldeisers niet meer kan betalen, zal Nederland naar rato haar aandeel in de garantie moeten bijdragen aan het EFSF. Als andere landen die garanties hebben verleend op dat moment niet in staat zijn hun bijdrage aan het EFSF te voldoen, dan zal Nederland (samen met andere lidstaten) hier ook (naar rato) voor moeten betalen. Nederland krijgt hierdoor een vordering op de in gebreke blijvende garanderende lidstaat. Zodra het EFSF garanties inroept heeft dit effect op het Nederlandse EMU-saldo en de EMU-schuld.

Om de financiële ondersteuning vanuit het EFSM te kunnen financieren is de Europese Commissie gemachtigd om namens de EU geld aan te trekken op de kapitaalmarkten. Deze leningen worden via de EU-begroting gegarandeerd door de EU-lidstaten. Zodra het EFSM garanties inroept, betekent dit een effect op het Nederlandse EMU-saldo en de EMU-schuld.

Het ESM kent een andere structuur, waardoor de risico’s voor landen die garanties verstrekken zijn ingeperkt. Indien lidstaten die steun hebben ontvangen uit het ESM niet in staat zijn om aan de betalingsverplichtingen van het ESM te voldoen en als gevolg daarvan het ESM haar schuldeisers niet meer kan betalen, dan zal het ESM deze verliezen moeten opvangen. Het ESM zal dan eerst putten uit het reservefonds, daarna uit het volgestort kapitaal en als laatste optie pas het oproepbaar kapitaal (garanties) oproepen. Als andere garanderende landen op dat moment niet in staat zijn hun bijdrage aan het ESM te voldoen, dan zal Nederland (samen met andere lidstaten) hier ook (naar rato) voor moeten betalen. Nederland krijgt hierdoor een vordering op de in gebreke blijvende garanderende lidstaat. Naast de andere structuur, worden de risico’s beheerst doordat het ESM een preferente schuldeiserstatus (Preferred Creditor Status) kan claimen over andere crediteuren (behalve die van het IMF). Zodra het ESM garanties inroept, betekent dit een effect op het Nederlandse EMU-saldo en de EMU-schuld.

De genoemde instellingen hebben leningen uitstaan bij Griekenland (EFSF, ESM), Ierland (EFSF, EFSM), Portugal (EFSF, EFSM), Spanje (ESM) en Cyprus (ESM). Na de beëindiging van de programma’s in deze landen is de financieel-economische situatie verbeterd. Op dit moment zijn daarom de risico’s dat één van de landen niet aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen afgenomen. Indien dit scenario zich toch voltrekt brengt dit verdere politieke en financiële risico’s met zich mee, dit gezien het land hoogstwaarschijnlijk ook de markttoegang zal verliezen en een nieuw programma in de lijn der verwachting zou liggen.

Premiestelling en kostendekkendheid

EFSF/ESM

De rente die de verschillende programmalanden momenteel betalen aan het ESM en het EFSF is afhankelijk van de rente waarvoor het EFSF/ESM op de geld- en kapitaalmarkt leent (zogenaamde cost of funding). Het verschuldigde rentepercentage is voor het grootste deel van de leningen een samenstelling van de rente die het EFSF/ESM betaalt voor obligatie-uitgiftes met verschillende looptijden (in de zogenaamde funding pool). Op basis van de op de markt aangetrokken middelen berekent het EFSF/ESM op dagbasis de gemiddelde financieringskosten, welke worden doorberekend aan de programmalanden. Daarnaast betalen lidstaten die steun ontvangen van het EFSF/ESM aan het EFSF/ESM bij ontvangst van een lening een service fee van 50 basispunten, jaarlijks een service fee van 0,5 basispunten en een commitment fee. Lidstaten betalen aan het ESM ook nog een renteopslag, waarbij de hoogte afhangt van het gekozen instrument. De exacte opslagen zijn vastgelegd in de beprijzingsrichtsnoer van het ESM. De renteopslag van het EFSF is vastgesteld op nul basispunten.

EFSM

De prijsstelling van het EFSM kent als uitgangspunt dat deze direct wordt doorgegeven aan de specifieke programmalanden tegen dezelfde rente als waarvoor de Europese Commissie inleent. Dit zijn de financieringskosten. De renteopslag op de EFSM-leningen is vastgesteld op nul. Naar aanleiding van een verandering in het Nederlandse aandeel in de EU-begroting, op basis van het bruto nationaal inkomen (BNI), kan de garantieverplichting voor het EFSM jaarlijks worden bijgesteld. Het Nederlandse aandeel in de garantie voor het EFSM, dat maximaal € 60 mld. uit mag lenen, wordt voor 2020 geraamd op circa € 2,9 mld.

15. EIB-kredietverlening in ACP en OCT

Doel en werking garantieregeling

De European Investment Bank (Europese Investeringsbank, EIB) verricht activiteiten in de landen in Sub-Sahara-Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (ook wel de Afrikaanse, Caribische en Pacifische landen genoemd, ofwel de ACP-landen), alsmede in Europese Overzeese Gebieden (Overseas Countries and Territories, ofwel OCT-landen). De projecten in deze regio’s richten zich op economische ontwikkeling via de ontwikkeling van de private sector en de financiële sector, investeringen in infrastructuur en het verbeteren van het ondernemingsklimaat. Een deel van deze activiteiten wordt bekostigd uit het Investment Facility, een «revolverend fonds» dat gefinancierd is uit het European Development Fund (EDF). De EIB financiert daarnaast ook activiteiten uit eigen middelen. Op deze eigen middelen hebben de lidstaten een garantie afgegeven om het politieke risico dat op deze activiteiten wordt gelopen af te dekken. In 2020 bedraagt deze garantie voor Nederland € 53,0 mln.

Kans, impact en beheersing risico’s

De kans dat de garantie wordt ingeroepen is laag. Om inspraak van de lidstaten in financieringsbesluiten, gefinancierd uit zowel EDF als eigen middelen, te waarborgen is er een comité opgericht waarin alle lidstaten vertegenwoordigd zijn. Dit comité beoordeelt alle investeringsvoorstellen inhoudelijk en brengt advies uit aan de Raad van bewind van de EIB inzake eventuele goedkeuring. Tevens heeft het beheer van de portefeuille dezelfde waarborgen als de EIB-portefeuille binnen de EU.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen en er worden geen middelen gestort in een begrotingsreserve. Door de aandeelhouders wordt geen dividend of vergoeding gevraagd, aangezien zij de garantie zonder winstbejag ten dienste van de gemeenschappelijke doelstellingen van de EIB/EU-lidstaten in de ACP- en OCT-landen hebben gesteld.

16. Kredieten EU-betalingsbalanssteun

Doel en werking garantieregeling

De Europese Betalingsbalansfaciliteit is bedoeld voor niet-eurolanden met feitelijke of ernstig dreigende moeilijkheden op de lopende rekening van de betalingsbalans of het kapitaalverkeer. De EU draagt bij aan de stabiliteit door het onder voorwaarden verstrekken van leningen via de Betalingsbalansfaciliteit. Alleen lidstaten die de euro (nog) niet hebben ingevoerd kunnen aanspraak maken op de Betalingsbalansfaciliteit. Om de financiële ondersteuning te kunnen financieren is de Europese Commissie gemachtigd om namens de EU kapitaal aan te trekken op de kapitaalmarkten. Deze leningen worden gegarandeerd door de EU-lidstaten via de EU-begroting, met een maximum van € 50 mld. Het Nederlandse aandeel in deze garantie wordt voor 2020 geraamd op circa € 2,5 mld.

Kans, impact en beheersing risico’s

Het doel van de Betalingsbalansfaciliteit is om de financiële stabiliteit van de gehele EU te waarborgen opdat risico’s voor de Nederlandse economie, financiële sector en begroting niet escaleren. Doordat de Europese Commissie op grond van een impliciete garantie van de EU-begroting leningen kan verstrekken hoeven de EU-lidstaten geen kosten te maken voor het verstrekken van deze leningen. Het uitstaande risico komt als pro memorie in de EU-begroting. De kans op het trekken op deze garanties is laag.

Premiestelling en kostendekkendheid

De rente die steunontvangende landen betalen voor financiële steun van de Betalingsbalansfaciliteit is gelijk aan de financieringskosten van de Europese Commissie.

17. en 18. Wereldbank Groep

Doel en werking garantieregeling

Onder de Wereldbank Groep vallen twee garantieregelingen. De International Bank for Reconstruction and Development (IBRD, oftewel de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling) is het Wereldbankonderdeel dat leningen verstrekt aan middeninkomenslanden. IBRD functioneert als een coöperatieve bank, waarvan lidstaten aandeelhouder zijn. Op basis van ingelegd aandeelkapitaal en garanties verstrekt door aandeelhouders, kan de IBRD financiering aantrekken op de kapitaalmarkt en deze financiering als leningen verstrekken aan klantlanden. Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA) is een ander onderdeel van de Wereldbank Groep. Deze organisatie ondersteunt de private sector bij het verzekeren van buitenlandse investeringen. De activiteiten van MIGA kunnen eveneens gefinancierd worden doordat aandeelhouders aandelenkapitaal en garanties hebben verstrekt.

Kans, impact en beheersing risico’s

De garanties kunnen alleen worden ingeroepen door de IBRD op het moment dat de IBRD niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen en failliet dreigt te gaan. De kans dat dit gebeurt, wordt als zeer klein aangemerkt. De optie om garantiekapitaal in te roepen is bij de internationale financiële instellingen nog nooit ter sprake geweest, zelfs niet in tijden van crises (bijvoorbeeld de Azië-crisis of de afgelopen financiële crisis). De IBRD voert namelijk een prudent beleid met als expliciet doel het risico op een «call on capital» te minimaliseren en het liquiditeiten-risicobeleid van de IBRD is conservatief. De leenportfolio van de IBRD functioneert goed. Dit komt mede doordat de Wereldbank Groep mondiaal opereert waardoor de portefeuille goed gediversifieerd is. De externe kredietbeoordelingbureaus (Moody’s, S&P en Fitch) geven de IBRD allen een AAA/Aaa-rating (stabiel). IBRD heeft geen winstmotief en hecht veel waarde aan de AAA-status die de instelling in staat stelt voordelig te lenen op de kapitaalmarkt. Tevens heeft de IBRD een zogenoemde «Preferred Creditor Status». Dit houdt in dat lenende landen de IBRD voorrang verschaffen bij betaling indien zij moeite hebben om aan hun verplichtingen te voldoen. MIGA voert eveneens prudent risicobeleid. De kans dat de garantie wordt ingeroepen door MIGA is laag. Sinds de oprichting van MIGA in 1988 is er in slechts enkele gevallen overgegaan tot uitkering van schade. De overige gevallen van (potentiële) claims zijn opgelost door middel van settlement. Leverage die de Wereldbank Groep heeft op overheden speelt hierbij een belangrijke rol. Voor 2020 bedraagt de hoogte van de IBRD garantieverplichting € 5.3 mld. na de kapitaalverhoging in 2019 en een wisselkoerscorrectie in 2019. Voor MIGA gaat het om € 29,3 mln. na een wisselkoerscorrectie in 2019.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garanties worden geen premies ontvangen, waardoor er ook geen middelen gestort worden in een begrotingsreserve. De financiële voordelen van de garantie aan IBRD worden door de IBRD middels betere leenvoorwaarden doorberekend aan de klantlanden, waarmee het bijdraagt aan de realisatie van de door IBRD opgelegde beleidsdoelstellingen. Hetzelfde is ook het geval voor de verzekeringsproducten van MIGA. Het instellen van een premie zou de bijdrage van de IBRD aan het maatschappelijke doel verminderen. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden aan IBRD en MIGA onder deze garantieregelingen.

19. EBRD

Doel en werking garantieregeling

De European Bank for Reconstruction and Development (EBRD, oftewel de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling) is opgericht om de landen in Midden- en Oost-Europa en de voormalige Sovjet Unie bij te staan in hun transitie naar een democratie en naar een markteconomie. Inmiddels is het operatiegebied uitgebreid met een aantal Centraal-Aziatische landen en enkele landen in de Zuidoostelijk Mediterrane regio. Het mandaat van de EBRD is specifiek gericht op de transitie van (aanvankelijk ex-communistische) economieën naar markteconomieën met een robuuste private sector en integratie daarvan in de wereldeconomie. De EBRD wordt gefinancierd door aandelenkapitaal, waarvan zo’n 20% is ingelegd door de lidstaten (paid-in) en de rest wordt verstrekt in de vorm van garanties (callable capital20). In 2020 bedraagt deze garantie voor Nederland € 589,1 mln.

Kans, impact en beheersing risico’s

De garantie kan alleen worden ingeroepen door de EBRD wanneer de EBRD niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen en de bank dus failliet dreigt te gaan. De kans dat dit gebeurt wordt als zeer klein aangemerkt. De optie om garantiekapitaal in te roepen is bij de internationale financiële instellingen nog nooit ter sprake geweest, zelfs niet in tijden van crises (bijvoorbeeld de Azië-crisis of de afgelopen financiële crisis). De EBRD voert een prudent beleid. Het liquiditeit- en risicobeleid zijn conservatief. De leenportfolio van de EBRD doet het historisch gezien goed en de EBRD maakt winst. Mede daardoor heeft de EBRD een sterke kapitaalpositie met een gezonde verhouding tussen de portfolio en de capaciteit om het risico in de portfolio te dragen. Het beleid is erop gericht dat kapitaalgaranties nooit ingeroepen hoeven te worden. De externe kredietbeoordelingbureaus (Moody’s, S&P en Fitch) geven de EBRD allen een AAA/Aaa-rating. De EBRD heeft een zogenoemde Preferred Creditor Status. Tevens heeft het dagelijks bestuur van de EBRD een Audit comité dat de risico’s van de EBRD nauwgezet in de gaten houdt. Er is daarnaast een intern Audit comité dat toeziet op de kwaliteit van procedures en processen (deze rapporteert aan de president van de EBRD).

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen, waardoor er ook geen middelen worden gestort in een begrotingsreserve. Noch voor het ingelegde noch voor het oproepbare kapitaal wordt door de aandeelhouders een dividend of vergoeding gevraagd, aangezien zij het zonder winstbejag ten dienste van de gemeenschappelijke doelstellingen van de EBRD hebben gesteld. Rendementen op investeringen komen wel ten goede aan het eigen vermogen van de EBRD, welke de aandeelhouders, waaronder Nederland, toebehoort. Uit het eigen vermogen worden regelmatig (beperkt) middelen onttrokken met goedkeuring van de Raad van Gouverneurs, bijvoorbeeld voor het EBRD-fonds waaruit onder andere technische assistentie-activiteiten worden betaald of het door de EBRD beheerde Chernobyl Shelter Fund. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze garantieregeling.

20. EIB

Doel en werking garantieregeling

De EIB heeft tot taak, met een beroep op de kapitaalmarkten en op haar eigen middelen, bij te dragen aan een evenwichtige en ongestoorde ontwikkeling van de interne markt in het belang van de EU. Op basis van kapitaal en garanties van de lidstaten leent de EIB op de kapitaalmarkt, waarmee het middelen genereert voor investeringen in zowel de publieke als de private sector. In 2018 heeft de EIB haar aandeelhouders een garantieverhoging voorgelegd ter vervanging van het kapitaal van het VK in de EIB bij een Brexit. Deze garantieverhoging gaat in op het moment van de Brexit. In het voorstel neemt de Nederlandse garantstelling aan de EIB dan toe met € 1,9 mld. tot € 11,8 mld.

Kans, impact en beheersing risico’s

Garanties kunnen alleen worden ingeroepen door de EIB op het moment dat de EIB niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen. De kans dat dit gebeurt wordt echter als zeer klein aangemerkt, omdat de EIB een zeer prudent risicobeleid voert dat als doel heeft kapitaalgaranties nooit te hoeven inroepen. De optie om garantiekapitaal in te roepen is bij de internationale financiële instellingen nog nooit ter sprake geweest, zelfs niet in tijden van crises (bijvoorbeeld de Azië-crisis of de afgelopen financiële crisis). De leenportfolio van de EIB functioneert historisch gezien goed en de bank maakt winst. De externe kredietbeoordelingbureaus (Moody’s, S&P en Fitch) geven de EIB allen een AAA/Aaa-rating. Deze sterke rating is een reflectie van de kwalitatief hoogwaardige portefeuille van de EIB en de sterke steun van een aantal kredietwaardige aandeelhouders (met name Duitsland en Nederland). De EIB heeft geen winstmotief en hecht veel waarde aan de AAA-status die de instelling in staat stelt voordelig in te lenen op de kapitaalmarkt. De EIB heeft een zogenoemde Preferred Creditor Status. Tevens heeft de Raad van bewind van de EIB een risicocomité dat de risico’s van de bank in de gaten houdt. Bij afwezigheid van dit externe toezicht heeft de EIB in de Best Banking Practice (BBP) Guiding Principles de uitgangspunten vastgelegd waaraan de EIB moet voldoen ten aanzien van governance, prudentieel beheer en interne en externe rapportage. Daarnaast leggen de BBP Guiding Principles vast dat de EIB zich aan alle voor commerciële banken relevante regelgeving moet houden, of moet uitleggen wanneer deze regelgeving voor de EIB niet relevant is. Eén van de hoofdtaken van de Audit Comité is om op deze BBP toe te zien.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen, waardoor er ook geen middelen worden gestort in een begrotingsreserve. Noch voor het ingelegde noch voor het oproepbare kapitaal wordt door de aandeelhouders/lidstaten een dividend of vergoeding gevraagd, aangezien zij het zonder winstbejag ten dienste van de gemeenschappelijke doelstellingen van de EIB/EU-lidstaten hebben gesteld. Rendementen op investeringen komen wel ten goede aan het eigen vermogen van de EIB. Zou de EIB ooit worden opgeheven dan zou dit eigen vermogen terugstromen naar de aandeelhouders. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze garantieregeling.

21. DNB – IMF

Doel en werking garantieregeling

De Nederlandse Staat verleent aan DNB een garantie om het risico te dekken indien het International Monetary Fund (IMF) in gebreke blijft. Deze garantie wordt alleen ingeroepen in het geval dat het IMF niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en een beroep doet op middelen van DNB. Een deel van de garantie is tijdelijk. Dat betreft de garantie voor het verstrekken van de New Arrangements to Borrow (NAB) en de Bilateral Borrowing Agreements aan het IMF, die respectievelijk in 2022 en 2020 aflopen. Wanneer wordt besloten om de bijdragen van Nederland aan de NAB en Bilateral Borrowing Agreements na het aflopen niet meer te verlengen, kan de garantie daardoor dalen. Voldoende financiële slagkracht voor het IMF is belangrijk om toekomstige crises en financiële schokken het hoofd te bieden. Nederland vindt het daarom van belang dat de middelen van het IMF op voldoende niveau blijven en rekent het ook tot haar verantwoordelijk om, samen met een brede groep andere landen, ervoor te zorgen dat het IMF van voldoende middelen blijft voorzien. In 2017 is een nieuwe bilaterale lening tot en met 2020 met het IMF afgesloten voor hetzelfde bedrag als de voorgaande lening (€ 13,61 mld.). De bilaterale leningen die individuele landen met het IMF afsluiten kunnen pas ingezet worden na de reguliere quota- en NAB-middelen en vormen zodoende een laatste verdedigingslinie. Begin 2016 zijn de quota- en governance-hervormingen van het IMF in werking getreden en is de Nederlandse NAB-garantie als gevolg daarvan automatisch verlaagd. Tegelijkertijd is de garantie voor het Poverty Reduction and Growth Trust (PRGT), de speciale faciliteit die het IMF beheert die ter beschikking staat aan lage-inkomenslanden, opgehoogd met SDR 500 mln. (SDR = Special Drawing Rights, de fictieve munteenheid die het IMF hanteert). In totaal bedraagt deze garantie voor Nederland in 2020 € 43,6 mld. na een wisselkoerscorrectie.

Kans, impact en beheersing risico’s

De kans dat DNB de garantie moet inroepen is zeer klein. De optie om garantiekapitaal in te roepen is bij de internationale financiële instellingen nog nooit ter sprake geweest, zelfs niet in tijden van crises (bijvoorbeeld de Azië-crisis of de afgelopen financiële crisis). Het IMF kent verschillende beleidsmaatregelen om te voorkomen dat betalingsachterstanden op IMF-programma’s ontstaan. Belangrijke elementen hierin zijn het IMF-beleid voor programmalanden, de Preferred Creditor Status die het IMF heeft en de reserves die het IMF hanteert. De kredietverlening van het IMF is revolverend, wat betekent dat landen na een bepaalde periode het IMF weer terug moeten betalen. Het komt nauwelijks voor dat landen achterstanden hebben bij het IMF, mede dankzij het prudente beleid dat het IMF voert. Een belangrijk element hierin vormt het toegangsbeleid: voordat het IMF een programma verstrekt wordt vastgesteld of een land voldoende capaciteit heeft om het IMF terug te betalen. Daarnaast zijn er richtlijnen voor limieten van leningen zodat het IMF grenzen kan stellen aan de beschikbare financiering voor een programma. Ook zijn de vormgeving van het programma en de gestelde conditionaliteiten belangrijke waarborgen voor terugbetaling. Hiermee dwingt het IMF economische aanpassingen af die lidstaten in staat stellen hun betalingsbalansproblemen op orde te krijgen en tijdig de lening terug te betalen. Het IMF heeft een zogenoemde Preferred Creditor Status. Bovendien zijn betalingsachterstanden van debiteuren bij het IMF slecht voor hun reputatie op financiële markten en bij andere internationale instellingen. In het geval van achterstallige betalingen kan het IMF terugvallen op de reservebuffer, de zogenaamde «precautionary balances».

Overigens is het zo dat er geen directe koppeling kan worden gemaakt tussen individuele IMF-programma’s en de Nederlandse bijdrage aan het IMF. De IMF-middelen aan programmalanden worden ter beschikking gesteld uit de algemene middelen van het IMF. De garantie van de Nederlandse Staat aan DNB dekt de middelen die Nederland beschikbaar stelt aan het IMF, voor de theoretische situatie dat DNB door het IMF niet meer wordt terugbetaald.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor afgegeven garanties aan DNB wordt geen premie ontvangen en er worden geen middelen gestort in een begrotingsreserve. Het IMF zelf ontvangt geen garantie van de Nederlandse Staat en betaalt dus ook geen premie voor deze garantie aan de Nederlandse Staat. Het IMF vraagt wel premie aan landen die financiële steun krijgen en betaalt een premie aan landen die middelen verstrekken. Dit laatste geldt ook voor Nederland. Op het moment dat het IMF gebruik wenst te maken van een verstrekt leenarrangement, dan moet DNB de dekking financieren op de kapitaalmarkt. Hiervoor ontvangt DNB een vergoeding van het IMF: de SDR-rente. De premie die landen moeten betalen aan het IMF is gebonden aan de IMF-marktgerelateerde rente, die weer gerelateerd is aan de SDR-rente. Het IMF rekent een extra opslag (vergoeding voor gelopen risico’s) voor programma’s die groot van omvang zijn (boven de 187,5% quotum van een land uitkomen). Als het bedrag aan financiële steun na een aantal jaar nog steeds boven de 187,5% quotum uitkomt, wordt daar bovenop een extra opslag gevraagd om groot en langdurig gebruik van IMF-middelen te ontmoedigen. Een uitzondering wordt gemaakt voor lage-inkomenslanden: zij betalen een lagere premie. Daarnaast rekent het IMF een zogeheten «commitment fee» voor een aantal faciliteiten, die wordt teruggestort wanneer een land daadwerkelijk geld trekt onder die faciliteit. Ook rekent het IMF een vergoeding om de uitvoeringskosten van een programma te dekken. Tot op heden heeft er geen uitkering plaatsgevonden onder deze garantieregeling.

22. AIIB

Doel en werking garantieregeling

In 2015 is besloten om toe te treden tot de nieuw op te richten Asian Infrastructure Investment Bank (AIIB), welke sinds januari 2016 operationeel is. Op basis van een door de oprichtende aandeelhouders bepaalde verdeelsleutel heeft Nederland een aandeel toegewezen gekregen en zich hierop ingeschreven. Dit aandeel bestaat uit een gedeelte ingelegd (paid-in) kapitaal (20%) en een gedeelte garantiekapitaal (80%). Deze verplichting betreft het garantiekapitaal. Het Nederlandse aandeel in het garantiekapitaal bedraagt in 2020 na wisselkoerscorrectie € 722,6 mln.

De doelstelling van de AIIB is tweeledig:

  • het bevorderen van duurzame economische ontwikkeling, het creëren van welvaart en het verbeteren van het infrastructuurnetwerk in Azië door te investeren in infrastructuur en andere productieve sectoren;

  • het bevorderen van regionale samenwerking en partnerschappen door samen te werken met andere multilaterale en bilaterale ontwikkelingsinstellingen bij het adresseren van ontwikkelingsuitdagingen.

Kans, impact en beheersing risico’s

De garantie kan worden afgeroepen door de AIIB op het moment dat de AIIB niet meer aan haar financiële verplichtingen kan voldoen. De kans dat dit gebeurt, wordt echter als zeer klein aangemerkt. De optie om garantiekapitaal in te roepen is bij de internationale financiële instellingen nog nooit ter sprake geweest. De AIIB heeft een zogenoemde Preferred Creditor Status. Het risico wordt ook geadresseerd door het prudent risicobeleid van de bank. De externe kredietbeoordelingsbureaus (Moody’s, S&P en Fitch) geven de AIIB allen een AAA/Aaa-rating, wat een reflectie is van onder meer de governance-raamwerken van de AIIB, waaronder het risicomanagement- en liquiditeitbeleid van de AIIB, de sterke kapitaaltoereikendheid en de steun van de brede aandeelhoudersbasis.

Premiestelling en kostendekkendheid

Voor deze garantie wordt geen premie ontvangen en er worden ook geen middelen gestort in een begrotingsreserve. Noch voor het ingelegde noch voor het oproepbare kapitaal wordt door de aandeelhouders/lidstaten een dividend of vergoeding gevraagd, aangezien zij het zonder winstbejag ten dienste van de gemeenschappelijke doelstellingen van de AIIB hebben gesteld. Rendementen op investeringen komen wel ten goede aan het eigen vermogen van de AIIB, welke de aandeelhouders, waaronder Nederland, toebehoort.

23. Exportkredietverzekering

Doel en werking garantieregeling

De Nederlandse Staat biedt de mogelijkheid voor het verzekeren van betalingsrisico’s verbonden aan het handels- en dienstenverkeer met het buitenland. Het productenassortiment van de exportkredietverzekeringsfaciliteit (ekv-faciliteit) omvat momenteel onder andere de kapitaalgoederenverzekering, financieringsverzekering, koersrisicoverzekering en verzekering van garanties. In de tabel «Overzicht verstrekte garanties» wordt naast het verplichtingenplafond van € 10 mld. een verwachte afloop van € 10 mld. structureel opgenomen. De exacte omvang van de aangegane en vervallen verplichtingen is na afloop van een begrotingsjaar bekend en wordt verantwoord in het jaarverslag van het Ministerie van Financiën.

Kans, impact en beheersing risico’s

De randvoorwaarden voor de afgifte van verzekeringen worden voortdurend gemonitord en indien nodig aangepast, opdat alleen aanvaardbare risico’s worden geaccepteerd. Het risicoprofiel van de bestaande ekv-portefeuille en van nieuwe aanvragen wordt daarom nauwlettend gevolgd door het Ministerie van Financiën met behulp van een uitgebreid risicokader.

Voor de ekv is in de begroting een bedrag van € 10 mld. opgenomen als plafond, wat het bedrag inhoudt waarvoor de Staat jaarlijks nieuwe verplichtingen kan aangaan (brutoplafond). De afgelopen jaren is dit plafond niet knellend geweest, zodat er naar verwachting voldoende ruimte zal zijn voor het aangaan van de door Nederlandse exporteurs gevraagde verzekeringen.

Premiestelling en kostendekkendheid

Internationaal is om concurrentieverstoring te voorkomen afgesproken dat ekv-faciliteiten over een middellange periode kostendekkend moeten zijn. Dat betekent dat op de middellange termijn de premie-inkomsten voldoende moeten zijn om de uitvoeringskosten en de netto schade-uitkeringen (inclusief de recuperaties) te dekken. De participanten van de Arrangement – de internationale afspraken ten aanzien van exportkredietverzekeringen – stellen hiertoe minimumpremies op, die in Europese regelgeving zijn verankerd. Nederland monitort de kostendekkendheid met een intern ontwikkeld model: bedrijfseconomische resultaatbepaling (berb). Voor het geheel aan exportkredietverzekeringen is een begrotingsreserve beschikbaar van € 389,7 mln. Deze voorziening is statistisch gezien, gegeven de huidige ekv-portefeuille, in een gegeven jaar met een kans van 3 op 4 toereikend.

Zowel uitgaven als inkomsten van de ekv zijn lastig te ramen en in de loop van een jaar niet of nauwelijks met beleidsmaatregelen te beïnvloeden. De schades kunnen in een jaar hoog oplopen, gegeven het uitstaande risico van circa € 16,3 mld. ultimo 2018.

3. BELEIDSARTIKELEN (FINANCIËN)

Artikel 1 Belastingen

A. Algemene doelstelling

Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving dragen bij aan de bereidheid van burgers en bedrijven om hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

Onder «compliance» verstaat de Belastingdienst dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke fiscale verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen. De term «bereidheid» geeft aan dat de Belastingdienst ernaar streeft dat belastingplichtigen uit zichzelf fiscale regels naleven, zonder (dwingende en kostbare) acties van de kant van de Belastingdienst. Als burgers en bedrijven hun wettelijke verplichtingen nakomen, dan komt belastinggeld de staatskas binnen zoals de wetgever beoogt en worden overheidsgelden niet onterecht uitbetaald.

Meetbare gegevens

De algemene doelstelling komt voor de fiscale verplichtingen tot uiting in de volgende meetbare gegevens.

Prestatie-indicatoren Algemene doelstelling (meetbare gegevens)

Prestatie-indicator

Waarde 2017

Waarde 2018

Streefwaarde 2019

Streefwaarde 2020

Bedrijven

       

Percentage aangiften omzetbelasting tijdig ontvangen

95,3%

95,6%

>95%

>95%

Percentage aangiften loonheffingen tijdig ontvangen

99,3%

99,1%

>99%

>99%

Juist en volledig doen van aangifte: structureel terugdringen van het nalevingstekort MKB1

n.v.t.2

5,7%

<6%

<6%

Burgers

       

Juist en volledig doen van aangifte: structureel terugdringen van het nalevingstekort Particulieren

0,9%

0,7%

<0,9%

<0,7%

Bedrijven en burgers

       

Percentage aangiften inkomensheffingen en vennootschapsbelasting tijdig ontvangen

n.v.t.

94,7%

>94%

>94%

Tijdige betaling van belastingen en premies

98,4%

98,5%

>98%

>98%

Oninbare belastingen en premies

0,3%

0,3%

<0,6%

<0,6%

X Noot
1

Het nalevingstekort MKB en Particulieren betreft uitsluitend de positieve correcties (correcties ten nadele van de belastingplichtige).

X Noot
2

N.v.t. betekent dat in het gegeven jaar de (streefwaarde van de) prestatie-indicator niet gemeten en gerapporteerd is in de begroting en het jaarverslag, waardoor vergelijking over de jaren niet mogelijk is.

Percentage aangiften omzetbelasting (OB), loonheffingen (LH), inkomensheffingen (IH) en vennootschapsbelasting (Vpb) tijdig ontvangen

Deze indicatoren weerspiegelen of het beleid van de Belastingdienst succesvol is om belastingplichtigen, meer aan de voorkant van het proces, te bewegen tijdig een juiste en volledige aangifte in te dienen. Deze beweging wordt voor de IH ondersteund door de doorontwikkeling van vooringevulde aangiften. Het aantal ambtshalve opgelegde aanslagen en verzuimboetes wordt hierdoor verminderd, evenals het aantal bezwaarschriften daartegen21.

Juist en volledig doen van aangifte: structureel terugdringen van het nalevingtekort

Voor het structureel terugdringen van het nalevingtekort22 wordt ingezet op het zoveel mogelijk vooraf borgen van de volledigheid en juistheid van de aangiften door maatregelen als de vooringevulde aangifte (VIA) en het afsluiten van convenanten met fiscale dienstverleners waarmee de kwaliteit van aangiften van MKB-ondernemers wordt geborgd. Daarnaast blijft de Belastingdienst na het indienen van de aangifte risicogericht toezicht uitvoeren. Daarnaast wordt met steekproefsgewijze controles periodiek het niveau van naleving vastgesteld voor de segmenten Particulieren en MKB. De steekproefsgewijze controles verschaffen inzichten in de houding en het fiscaal relevante gedrag van belastingplichtigen en in bestaande nalevingstekorten.

Tijdige betaling van belastingen en premies

Deze indicator meet het deel van de geïnde belastingen en premies dat de belastingplichtigen tijdig, voor de vervaldatum, volledig betalen aan de Belastingdienst. Hiertoe wordt ook het voldoen van een vordering na een betalingsherinnering of als onderdeel van een betalingsregeling gerekend. Deze indicator geeft aan voor welk deel van de ontvangsten de Belastingdienst geen intensieve invorderingsmaatregelen hoeft toe te passen. Voor 2020 is de doelstelling om boven de 98% uit te komen.

Oninbare belastingen en premies

Niet alle vorderingen worden geheel geïnd. Dit kan verschillende oorzaken hebben: faillissementen, wettelijke schuldsanering, overlijden of omdat de vordering niet te verhalen is. Daarnaast leert de ervaring dat fraudeposten en aanslagen voor criminele posten zeer lastig zijn te innen. Het nog opeisbare deel van de vorderingen wordt actief gevolgd voor het geval zich alsnog inkomstenbronnen aandienen (dynamisch monitoren). De realisatie van oninbare belastingen en premies zal zich naar verwachting weer richting de streefwaarde gaan bewegen omdat oude vorderingen ook bij dynamisch monitoren op een bepaald moment oninbaar zijn.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën is verantwoordelijk en heeft een regisserende rol op het terrein van de fiscaliteit. Daarbij gaat het om:

  • het te voeren fiscale beleid;

  • het opstellen van fiscale wet- en regelgeving;

  • het internationaal behartigen van de Nederlandse fiscale belangen.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk en heeft een uitvoerende rol op het terrein van:

  • de heffing en inning van de premies werknemers- en volksverzekeringen;

  • de heffing en inning van de inkomensafhankelijke bijdragen Zorgverzekeringswet;

  • de heffing en inning voor derden van een aantal belastingen, heffingen en overige vorderingen;

  • de vaststelling en de uitbetaling van toeslagen;

  • handhavingstaken op het gebied van de economische ordening en financiële integriteit.

Op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) ) en de Invorderingswet 1990 voert de Belastingdienst de heffing en inning van de rijksbelastingen uit. Op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) voert de Belastingdienst/Toeslagen de toeslagregelingen uit voor de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Op grond van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten voert de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) de handhavingstaken uit op het gebied van de economische ordening en financiële integriteit.

De Minister bevordert, door inzet van de Belastingdienst, naleving van wet- en regelgeving door passende dienstverlening te leveren, massale processen juist en tijdig uit te voeren, adequaat toezicht uit te oefenen en waar nodig naleving bestuurs- of strafrechtelijk af te dwingen.

C. Beleidswijzigingen

Verbeteringen uitvoering kinderopvangtoeslag

Het kabinet heeft aangegeven binnen het huidige stelsel verbeteringen in de kinderopvangtoeslag te willen realiseren. Dit biedt tevens de mogelijkheid om binnen de kinderopvangtoeslag ervaring op te doen met verbeteringen die mogelijk ook toegepast kunnen worden op de andere toeslagen. De Belastingdienst en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zullen in 2020 verder gaan met de invoering van in 2019 ingezette verbeteringen. Voor 2020 is onder meer beoogd de maandelijkse levering van gegevens over het gebruik en de kosten van kinderopvang door kinderopvangorganisaties substantieel uit te breiden voor zover dat binnen het wettelijke kader mogelijk is. Afhankelijk van de volledigheid en de kwaliteit van deze leveringen kunnen de gegevens gebruikt worden voor het attenderen van burgers op mogelijk noodzakelijke aanpassing van hun aanvraag of voor aanpassing van het voorschot door de Belastingdienst.

Belastingplanpakket/wetgeving 2020

Zie paragraaf F1 voor een nadere toelichting op de wijzigingen in het fiscale beleid.

D. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid – artikel 1 Belastingen (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

3.347.387

2.926.792

2.864.839

2.706.994

2.667.936

2.615.639

2.608.723

   

waarvan betalingsverplichtingen

3.347.080

2.926.392

2.864.439

2.706.594

2.667.536

2.615.239

2.608.323

                     
   

waarvan garantieverplichtingen

307

400

400

400

400

400

400

     

Procesrisico's

307

400

400

400

400

400

400

                     

Uitgaven (1) + (2)

3.182.409

2.986.706

2.944.639

2.712.152

2.671.587

2.615.639

2.608.723

                     
 

(1) Programma-uitgaven

217.078

497.862

495.609

453.483

443.612

435.620

427.618

 

waarvan juridisch verplicht

 

68,8%

       
                     
   

Bekostiging

6.104

6.178

6.178

6.178

6.178

6.178

6.178

     

Vergoeding proceskosten

6.104

6.178

6.178

6.178

6.178

6.178

6.178

                     
   

Garanties

0

245

245

245

245

245

245

     

Proces risico's

0

245

245

245

245

245

245

                     
   

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

0

14.908

14.908

14.908

14.908

14.908

14.908

     

Waarderingskamer

0

1.953

1.953

1.953

1.953

1.953

1.953

     

Kadaster

0

1.971

1.971

1.971

1.971

1.971

1.971

     

Kamer van Koophandel

0

4.270

4.270

4.270

4.270

4.270

4.270

     

Overige bijdrage ZBO's/RWT's

0

6.714

6.714

6.714

6.714

6.714

6.714

                     
   

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

0

437

437

437

437

437

437

     

Internationale Douaneraad

0

175

175

175

175

175

175

     

Overige internationale organisaties

0

262

262

262

262

262

262

                     
   

Opdrachten

0

265.980

258.961

236.632

238.599

238.966

238.964

     

ICT opdrachten

0

203.160

209.043

183.265

183.637

183.837

183.835

     

Overige opdrachten

0

62.820

49.918

53.367

54.962

55.129

55.129

                     
   

Bijdrage agentschappen

64.593

100.114

104.880

85.083

73.245

64.886

56.886

     

Logius

64.593

99.924

104.690

84.893

73.055

64.696

56.696

     

CIBG

0

190

190

190

190

190

190

     

Overig

0

0

0

0

0

0

0

                     
   

Rente

146.381

110.000

110.000

110.000

110.000

110.000

110.000

     

Belasting- en invorderingsrente

146.381

110.000

110.000

110.000

110.000

110.000

110.000

                     
 

(2) Apparaatsuitgaven

2.965.330

2.488.844

2.449.030

2.258.669

2.227.975

2.180.019

2.181.105

     

waarvan: Uitvoering fiscale wet- en regelgeving en douanetaken Caribisch Nederland

13.312

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

                     
   

Personele uitgaven

2.302.651

2.143.569

2.109.698

1.921.827

1.895.513

1.856.964

1.860.644

     

waarvan: Eigen personeel

2.098.935

1.906.304

1.868.318

1.764.915

1.756.305

1.729.214

1.732.894

     

waarvan: Inhuur externen

203.716

229.549

233.664

149.196

131.492

120.034

120.034

     

waarvan: Overig Personeel

0

7.716

7.716

7.716

7.716

7.716

7.716

                     
   

Materiële uitgaven

662.679

345.275

339.332

336.842

332.462

323.055

320.461

     

waarvan: ICT

267.080

20.261

22.188

30.266

27.420

27.559

27.559

     

waarvan: Bijdrage SSO's

166.004

195.850

199.745

200.126

199.238

199.747

199.646

     

waarvan: Overige

229.595

129.164

117.399

106.450

105.804

95.749

93.256

                     

Ontvangsten (3) + (4)

144.168.867

155.599.908

156.444.315

156.099.799

165.718.196

170.084.672

174.523.966

                     
 

(3) Programma-ontvangsten

144.130.146

155.460.821

156.401.221

156.058.283

165.675.642

170.044.708

174.484.137

     

waarvan: Belastingontvangsten

143.236.163

154.540.307

155.510.240

155.169.302

164.789.728

169.158.794

173.598.223

                     
   

Rente

452.990

503.110

474.377

474.377

471.310

471.310

471.310

     

Belasting- en invorderingsrente

452.990

503.110

474.377

474.377

471.310

471.310

471.310

                     
   

Boetes en schikkingen

200.135

204.577

203.777

201.777

201.777

201.777

201.777

     

Ontvangsten boetes en schikkingen

200.135

204.577

203.777

201.777

201.777

201.777

201.777

                     
   

Bekostiging

240.859

212.827

212.827

212.827

212.827

212.827

212.827

     

Kosten vervolging

240.859

212.827

212.827

212.827

212.827

212.827

212.827

                     
 

(4) Apparaatsontvangsten

38.720

139.087

43.094

41.516

42.554

39.964

39.829

Budgetflexibiliteit

Voor de programma-uitgaven die vallen onder de rubrieken «Bekostiging» en «Rente» geldt dat deze voor 100% juridisch verplicht zijn; ze vloeien voort uit de Awr en de Invorderingswet 1990 (rente-uitgaven) en vanuit de Algemene wet bestuursrecht (uitgaven bekostiging). Verder is de bijdrage aan de Waarderingskamer voor 100% juridisch verplicht op basis van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Voor het Kadaster en de Kamer van Koophandel heeft de Belastingdienst samenwerkingsovereenkomsten voor gegevensuitwisseling die worden gebruikt bij de uitvoering van taken van de Belastingdienst. De uitgaven zijn 100% juridisch verplicht.

Voor de overige programma-uitgaven geldt dat deze niet allemaal als 100% juridisch verplicht zijn aan te merken. Deels zijn er wel contracten etc. gesloten, bijvoorbeeld ten behoeve van ICT en/of andere benodigde diensten voor de uitvoering van de primaire processen van de Belastingdienst. Naar inschatting zal het niet-juridisch verplichte bedrag per 1 januari 2020 € 154,5 mln. bedragen. Voorbeelden hiervan zijn (verlenging van) licenties en onderhoudscontracten voor software en hardware. Een ander voorbeeld zijn de uitgaven voor papieren dienstverlening (brieven aan burgers en bedrijven). Over het algemeen geldt wel dat de niet-juridische verplichte uitgaven noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van de primaire processen, bijvoorbeeld uitgaven ten behoeve van het berichtenverkeer met burgers en bedrijven of het jaarlijks verlengen van licenties.

E. Toelichting op de instrumenten

Uitgaven

Programma-uitgaven

Bekostiging

De uitgaven onder bekostiging betreffen onder andere de proceskostenvergoeding aan belastingplichtigen indien hun bezwaar of beroep wordt gehonoreerd. De regeling ligt vast in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er is geen einddatum voor deze regeling vastgesteld.

Garanties

Dit betreft uitgaven als gevolg van garanties die de Belastingdienst afgeeft aan faillissementscuratoren in verband met procesrisico’s.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

De uitgaven aan de Waarderingskamer betreft de eigenaarsbijdrage van het Ministerie van Financiën voor de begroting 2020 die reeds is vastgesteld en verplicht is op basis van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Voor het Kadaster en de Kamer van Koophandel heeft de Belastingdienst samenwerkingsovereenkomsten voor gegevensuitwisseling die wordt gebruikt bij de uitvoering van taken van de Belastingdienst. Onder de bijdrage aan overige ZBO’s/RWT’s vallen onder andere de bijdrage aan de RDW en de Nationale Politie.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Het ministerie levert jaarlijks een bijdrage aan de internationale douaneraad. Conform internationale samenwerkingsovereenkomsten levert ieder land een bijdrage.

Opdrachten

In de Wet elektronisch berichtenverkeer (Wet EBV) staan verplichtingen rond het berichtenverkeer van de Belastingdienst met burgers en bedrijven. Onder «Overige opdrachten» vallen met name de uitgaven die geraamd zijn voor de papieren dienstverlening. Bij «ICT opdrachten» gaat het met name over ICT-uitgaven die te maken hebben met de digitale dienstverlening (licenties, software applicaties en hardware).

Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft met name de bijdrage aan Logius waar de Belastingdienst ICT-voorzieningen afneemt die samenhangen met de primaire taakuitvoering van de Belastingdienst. Het gaat om voorzieningen als Digipoort en DigiD. Interdepartementaal zijn er bestuurlijke afspraken gemaakt over de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI). De stelselafspraken zullen wettelijk vastgelegd worden door het Ministerie van Binnenlandse Zaken in de Wet Digitale Overheid. Daarnaast betreft deze post een kleine bijdrage aan het CIBG (Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg). Met het CIBG heeft de Belastingdienst een samenwerkingsovereenkomst om winstaangiftes van zelfstandigen in de zorg te controleren. Het CIBG is verantwoordelijk voor het BIG-register (Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg).

Rente

Dit budget betreft de belasting- en invorderingsrente die wordt vergoed aan belastingplichtigen. De rente-uitgaven komen voort uit de Awr en de Invorderingswet 1990 en zijn voor 100% juridisch verplicht. Er is geen einddatum voor deze regeling vastgesteld.

Apparaatsuitgaven

Personele uitgaven

Dit betreft alle personele uitgaven inclusief externe inhuur voor de dienstonderdelen van de Belastingdienst (exclusief Douane).

Materiële uitgaven

Dit betreft de materiële uitgaven van de dienstonderdelen van de Belastingdienst (exclusief Douane specifieke materiële uitgaven) en omvat facilitaire diensten, middelen en communicatie. ICT bevat voornamelijk uitgaven die horen bij de toerusting van de ambtenaren van de Belastingdienst (telefoon, laptop, werkplek, iPad, etc.). De bijdrage aan Shared Service Organisaties (SSO’s) betreft met name de huisvesting (Rijksvastgoedbedrijf).

Ontvangsten

Programma-ontvangsten

Belastingontvangsten

De in de bovenstaande tabel opgenomen belastingontvangsten zijn netto-ontvangsten. De netto-ontvangsten zijn gelijk aan de totale belastingontvangsten minus de afdrachten aan het Gemeentefonds en het Provinciefonds op grond van de Financiële verhoudingswet, en minus de afdrachten aan het Btw-compensatiefonds en het BES-fonds.

In onderstaande tabel staat de aansluiting van de Miljoenennota 2020 met begrotingshoofdstuk IX. De Miljoenennota bevat een toelichting op de belastingontvangsten.

Aansluiting belastingontvangsten Miljoenennota 2020 met begroting IX (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Totale belastingontvangsten

178.098.991

191.686.573

193.285.600

192.666.128

201.766.324

205.943.457

210.182.747

Afdracht Gemeentefonds1

29.082.911

31.212.999

31.826.405

31.669.798

31.183.031

31.001.097

30.810.958

Afdracht Provinciefonds

2.454.311

2.462.615

2.480.413

2.366.627

2.333.187

2.323.187

2.313.187

Afdracht Btw-compensatiefonds (artikel 6)

3.286.561

3.427.847

3.426.667

3.426.171

3.426.036

3.426.036

3.426.036

Afdracht BES-fonds

39.046

42.805

41.875

34.230

34.342

34.343

34.343

Belastingontvangsten (artikel 1)

143.236.163

154.540.307

155.510.240

155.169.302

164.789.728

169.158.794

173.598.223

X Noot
1

Dit betreft de begrotingstotalen van het Gemeentefonds en Provinciefonds, stand Miljoenennota 2020. Volgens de vaste systematiek zijn de accrestranches voor t+1 tot en met t+4 nog niet toegevoegd aan deze begrotingen. Deze accrestranches t+1 tot en met t+4 maken daarom onderdeel uit van de Belastingontvangsten (artikel 1).

Rente

Dit budget betreft de belasting- en invorderingsrente die wordt ontvangen van belastingplichtigen.

Boetes en schikkingen

Deze ontvangstenpost betreft de opbrengsten van bestuurlijke boetes en van fiscale strafbeschikkingen.

Bekostiging

De ontvangsten hebben betrekking op kosten die worden doorberekend aan belastingschuldigen van invorderingsmaatregelen (aanmaning, dwangbevel, beslaglegging, etc.). Dit gebeurt op grond van de Kostenwet invordering rijksbelastingen.

Apparaatsontvangsten

Deze post betreft onder andere ontvangsten van facilitaire diensten die de Belastingdienst levert aan andere overheidsdiensten en op basis van factuurbasis worden afgerekend.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. De fiscale regelingen die niet in onderstaande tabel zijn opgenomen, maar wel op dit beleidsartikel betrekking hebben, zijn:

  • BTW Vrijstelling vakbonden, werkgeversorganisaties, politieke partijen, kerken

  • BTW Vrijstelling fondswerving

  • BTW Vrijstelling lijkbezorging

  • BTW Vrijstelling overig

  • Accijnzen overige regelingen

Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Fiscale regelingen 2018–2020, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x € 1 mln.)1
 

2018

2019

2020

Giftenaftrek inkomstenbelasting

388

384

377

Onderhoudsverplichtingen aftrek

319

312

280

Belaste ontvangen alimentatie

– 200

– 192

– 189

Middelingsregeling

113

113

100

Vrijstelling rechten op bepaalde kapitaalsuitkeringen, waaronder KEW, box 3

916

930

871

Vrijstelling rechten op kapitaalsuitkering bij overlijden box 3

20

20

20

Heffingvrij vermogen box 3

913

892

864

Doorschuifregelingen inkomen uit aanmerkelijk belang box 2

104

106

108

Schenk- en erfbelasting Faciliteiten ANBI’s

215

219

223

Giftenaftrek vennootschapsbelasting

8

9

9

30%-regeling

1.056

1.143

1.186

Vrijstelling uitkering wegens 25- of 40-jarig dienstverband

122

122

123

Algemene heffingskorting

19.940

21.816

23.789

Alleenstaande ouderenkorting

481

452

456

Ouderenkorting

3.243

3.698

3.749

EB Teruggaaf kerkgebouwen en non-profit2

29

30

31

EB Belastingvermindering per aansluiting

2.443

2.039

3.450

BTW Verlaagd tarief voedingsmiddelen en water

8.378

6.964

7.235

BTW Verlaagd tarief overig

2.182

1.841

1.942

BPM Teruggaaf diverse voertuigen3

15

14

13

MRB Vrijstelling diverse voertuigen4

27

27

28

MRB Vrijstelling motorrijtuigen ouder dan 40 jaar

64

70

76

MRB Overgangsregeling motorrijtuigen vanaf bouwjaar 1988

17

15

13

MRB Kwarttarieven

152

161

170

X Noot
1

[–] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

X Noot
2

EB = Energiebelasting.

X Noot
3

BPM = Belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

X Noot
4

MRB = Motorrijtuigenbelasting.

F1. Fiscaal beleid en wetgeving

Genereren van inkomsten – fiscale wet- en regelgeving

Het genereren van inkomsten ten behoeve van uitgaven voor de rijksbelastingen, de sociale fondsen en de zorgverzekeringen door middel van het ontwikkelen van solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving die ook in internationale context werkbaar is.

Belastingplanpakket

In het Belastingplanpakket is een veelheid aan maatregelen opgenomen. Het pakket bestaat uit zes wetsvoorstellen. Het grootste deel van de voorgestelde maatregelen wordt per 1 januari 2020 van kracht en in een enkel geval per 1 januari 2021.

Met het Belastingplan 2020 wordt onder meer voorgesteld om een bronbelasting in te voeren op rente en royalty’s. De bronbelasting is verschuldigd over iedere directe rente- of royaltybetaling die binnen concernverband wordt gedaan door – kort gezegd – een Nederlands bedrijf aan een bedrijf in een land dat is opgenomen op de Nederlandse lijst van laagbelastende landen. Hiermee wil het kabinet een eind maken aan het gebruik van het Nederlands belastingstelsel voor doorstroomactiviteiten naar laagbelastende landen.

Per 1 januari 2020 is ook het voornemen om een minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars in te voeren. Het betreft een grondslagverbreding en daarnaast heeft de maatregel tot doel om een meer gelijkwaardige fiscale behandeling van eigen en vreemd vermogen te bewerkstelligen.

Het klimaatakkoord wordt geïmplementeerd met het wetsvoorstel fiscale maatregelen Klimaatakkoord. Het wetsvoorstel leidt tot voorgestelde fiscale wijzigingen onder andere met betrekking tot mobiliteit, zoals het voortzetten van de korting op de bijtelling voor elektrische voertuigen, waarbij deze korting geleidelijk wordt afgebouwd richting 2026. Ook de vrijstellingskorting bij de motorrijtuigenbelasting (MRB) en belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) voor elektrische voertuigen wordt tot 2025 voortgezet. De accijns op diesel wordt stapsgewijs verhoogd. Bij de energiebelasting zal een schuif plaatsvinden van elektriciteit naar gas en wordt de belastingvermindering per aansluiting verhoogd. De overdrachtsbelasting voor niet-woningen wordt verhoogd van 6% naar 7%.

Voor het MKB wordt voorgesteld om in de werkkostenregeling de vrije ruimte te verhogen voor de eerste € 400.000 van de loonsom en om de vergoedingen aan werknemers voor het aanvragen van een Verklaring Omtrent Gedrag vrij te stellen.

Met de voorgestelde afschaffing van de aftrek scholingsuitgaven die onderdeel uitmaakt van het Belastingplanpakket wordt een vereenvoudiging van de inkomstenbelasting gerealiseerd.

ATAD 2

Een belangrijke aankomende maatregel om de belastinggrondslag te beschermen is de implementatie van de tweede Europese richtlijn ter bestrijding van belastingontwijking (Anti Tax Avoidance Directive 2, ATAD2). ATAD2 beoogt te voorkomen dat belastingplichtigen gebruik kunnen maken van structuren, waarbij door kwalificatieverschillen tussen belastingstelsels («hybridemismatches») de belasting in Nederland of in een ander land wordt ontweken.

F2. Belastingdienst

Strategie Belastingdienst

De Belastingdienst beoogt met zijn strategie het gedrag van burgers en bedrijven zodanig te beïnvloeden dat zij structureel uit zichzelf (fiscale) regels naleven (compliance); dat wil zeggen zonder (dwingende en kostbare) acties van de kant van de Belastingdienst. Dit moet zorgen voor de borging van de continuïteit van belastingopbrengsten en de rechtmatige betaling van toeslagen. De Belastingdienst handelt conform de beginselen van behoorlijk bestuur en probeert waar mogelijk proactief en in de actualiteit te handelen in plaats van reactief te zijn.

Dit betekent dat de Belastingdienst, waar mogelijk in samenwerking met publieke en private partijen:

  • 1. een omgeving creëert waarin het maken van fouten zoveel mogelijk wordt voorkomen en waarin de Belastingdienst barrières opwerpt om fraude zoveel mogelijk tegen te gaan;

  • 2. het burgers en bedrijven gemakkelijk maakt om verschuldigde belasting(en) af te dragen, bijvoorbeeld door middel van de vooraf ingevulde aangifte en voorlichting, en om een juiste toeslagaanvraag te doen;

  • 3. de mate en intensiteit van zijn handelen baseert op de relevante informatie over (oorzaken van) het gedrag van burgers en bedrijven. Daar waar de kwaliteit van de belastingaangifte of toeslagaanvraag vooraf is geborgd, kan de Belastingdienst volstaan met minder toezicht achteraf. Daar waar burgers en bedrijven regels bewust niet willen naleven of frauderen, dwingt de Belastingdienst naleving af.

De Belastingdienst heeft hierbij te maken met verschillende groepen burgers en bedrijven, met verschillende behoeften en verschillend gedrag bij het naleven van (fiscale) regels. De Belastingdienst deelt daarom het totale bestand van burgers en bedrijven op in groepen met samenhangende objectieve en subjectieve kenmerken (doelgroepen). Daarbinnen kan de Belastingdienst voor de handhaving tot een nader onderscheid komen indien kenmerken van bepaalde groepen burgers of bedrijven een andere wijze van behandeling rechtvaardigen.

Jaarlijks vertaalt de Belastingdienst zijn strategie in een beleid per doelgroep, waarbij de uitvoerings- en toezichtstrategie wordt vertaald naar de concrete inzet van de capaciteit van de Belastingdienst per doelgroep. In het Jaarplan Belastingdienst 2020 dat de Tweede Kamer in het najaar ontvangt, wordt opgenomen welke activiteiten de Belastingdienst uitvoert met welke middelen (budget en formatie) om naleving te bevorderen en niet-naleving tegen te gaan. Daarnaast zullen in het Jaarplan de ontwikkelstappen worden benoemd die de Belastingdienst gaat zetten ten aanzien van ICT en procesverbeteringen, verbetering van de sturingsinformatie, personeel en cultuur.

Onderdelen van de strategie zijn fraudebestrijding en externe overheidssamenwerking in Landelijke Stuurgroep Interventieteams (LSI)-verband en Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC)-verband. Belangrijk hierbij is de samenwerking, bijvoorbeeld door het verstrekken van informatie, met gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie ten behoeve van de integrale aanpak van ondermijnende criminaliteit in RIEC-verband.

Burgers

De grote omvang en de mate van zelfredzaamheid zijn kenmerkend voor de behandeling van de groep burgers. De Belastingdienst richt zich op het (massaal) voorkomen van fouten en het verbeteren van de kwaliteit van de belastingaangifte en toeslagaanvraag door een passende dienstverlening en door zoveel mogelijk (massaal) vooraf invullen van gegevens bij belastingaangifte en toeslagaanvragen. Ook corrigeert de Belastingdienst belastingaangiften en toeslagaanvragen van burgers door gebruik te maken van gegevens van derde partijen. De uitkomsten van de periodieke steekproeven, nadere analyse van de aangiften en toeslagaanvragen, het ontwikkelen en uitvoeren van evaluaties en effectmetingen, vormen de basis voor het bepalen of er zaken moeten worden verbeterd in de dienstverlening of formulieren, dan wel welke groepen of individuele burgers specifieke aandacht nodig hebben en welke behandeling daar bij past.

Bedrijven

De Belastingdienst onderscheidt groepen bedrijven met samenhangende objectieve en subjectieve kenmerken. Dit betreffen zowel profit als non-profit organisaties. Voorbeelden van objectieve kenmerken zijn: omvang (af te dragen belasting, kasstroom), complexiteit (eigendomsverhoudingen, rechtsvorm en besturing, relaties tussen bedrijven) en activiteiten (branchekenmerken, internationale gerichtheid). Voorbeelden van subjectieve kenmerken zijn: de mate van zelfredzaamheid en transparantie, de houding ten opzichte van belasting betalen (fiscale strategie) en de kwaliteit van de fiscale administratie.

Met het uitvoeren van zijn beleid streeft de Belastingdienst ernaar dat het «nalevingstekort», en daarmee het bedrag aan verschuldigde belasting dat niet binnenkomt («tax gap»23) en ten onrechte toegekende toeslagen, zo klein mogelijk is.

Doelen en prestatie-indicatoren

In 2020 worden de kritieke prestatie indicatoren (kpi’s) voor de begroting vanaf begrotingsjaar 2021 vernieuwd. In het jaarplan 2019 Belastingdienst zijn de doelstellingen op dit gebied beschreven. De Belastingdienst is in 2019 gestart met het vertalen van de strategische doelstelling van de Belastingdienst (naleving) naar meetbare prestaties. Het streven is gericht op minder indicatoren met meer zeggingskracht. Gekoppeld aan de uitvoerings- en toezichtstrategie wordt de samenhang tussen doelen en indicatoren op verschillende niveaus vastgesteld. Het eindproduct is een gebalanceerde set aan indicatoren die zicht bieden op het bereiken van de strategische doelstelling van de Belastingdienst. Deze set wordt in 2019 opgeleverd en in 2020 getest zodat hierop vanaf de begroting 2021 kan worden gerapporteerd.

Dienstverlening

De Belastingdienst maakt het burgers en bedrijven zo gemakkelijk mogelijk om hun verplichtingen na te komen en hun rechten geldend te maken door passende dienstverlening te leveren.

Met passende dienstverlening zorgt de Belastingdienst ervoor dat belastingplichtigen en toeslaggerechtigden hun verplichtingen kunnen nakomen en hun rechten kunnen verwezenlijken. De door de Belastingdienst geboden dienstverlening is ingericht op diversiteit in de zelfredzaamheid van de burger. De Belastingdienst stimuleert en ondersteunt organisaties en burgers die burgers helpen met het (digitaal) zaken doen met de Belastingdienst. Dit kan zowel zien op hulp bij het doen van aangifte of het aanvragen van een toeslag tot aan hulp rondom budgetbeheer of schulden. De Belastingdienst streeft ernaar te voldoen aan de verwachtingen van burgers en bedrijven ten aanzien van snelle en klantgerichte dienstverlening. Het effect hiervan wordt meetbaar gemaakt met de volgende prestatie-indicatoren.

Prestatie-indicatoren Dienstverlening (meetbare gegevens)

Prestatie-indicator1

Waarde 2017

Waarde 2018

Streefwaarde 2019

Streefwaarde 2020

Afgehandelde bezwaren binnen Awb-termijn

88%

78%

90–95%

90–95%

Afgehandelde klachten binnen Awb-termijn

98%

98%

90–95%

90–95%

Klanttevredenheid

   

Minimaal 70% van de bellers, website- en baliebezoekers scoort een 3 of hoger op de gehanteerde 5-puntsschaal (neutraal tot zeer tevreden)

Minimaal 70% van de bellers, website- en baliebezoekers scoort een 3 of hoger op de gehanteerde 5-puntsschaal (neutraal tot zeer tevreden)

– telefonie

77%

73%

– websites

82%

79%

– balie

80%

82%

Klantontevredenheid

   

Maximaal 10% van de bellers, website- en baliebezoekers scoort een 1,5 of lager

Maximaal 10% van de bellers, website- en baliebezoekers scoort een 1,5 of lager

– telefonie

7%

10%

– websites

5%

5%

– balie

7%

6%

Zorgvuldig handelen van de Belastingdienst (aantal ontvangen klachten)

11.145

12.393

Minder klachten over het handelen van de Belastingdienst dan vorig jaar

Minder klachten over het handelen van de Belastingdienst dan vorig jaar

X Noot
1

Enkele streefwaarden van de Belastingdienst worden weergegeven in bandbreedtes. Hiermee geeft de Belastingdienst bij betreffende prestatie-indicator aan wat de onder- en de bovengrens is.

Afgehandelde bezwaren en klachten binnen Awb-termijn24

Burgers en bedrijven die het niet eens zijn met een beslissing, kunnen daartegen bezwaar maken door een bezwaarschrift in te dienen bij de Belastingdienst. De streefwaarde van 90–95% Awb-tijdigheid van behandeling van bezwaarschriften is de afgelopen jaren niet gerealiseerd. Er lopen diverse projecten waarmee het bezwaarproces verbeterd wordt. In maart 2018 is voor de inkomstenbelasting een nieuw logistiek systeem en een systeem voor het digitaal indienen van bezwaar in gebruik genomen. De andere grotere belastingmiddelen (OB, LH en Vpb) volgen later. Verder is in 2018 gestart met de deformalisering IH en is tevens een nieuwe risicotool voor aanvullingen IH geïntroduceerd, die in 2019 geïmplementeerd wordt, waarmee per aanvulling de fiscale risico’s voor bezwaar in beeld worden gebracht. Deze ontwikkelingen moeten de doorlooptijden van de aanvullingen verbeteren. Hierdoor komt meer capaciteit beschikbaar voor de bezwaren die niet via het aanvullingenproces worden afgedaan. Het deformaliseren van bezwaar IH betekent dat de aanvullingen voor bezwaar, die relatief een korte doorlooptijd hebben en een gunstig effect op het Awb-percentage, niet meer als bezwaar worden gezien, maar als een verzoek. Dit heeft in eerste instantie een negatief effect op het Awb-percentage omdat de «echte» bezwaarschriften, waarin de belastingplichtige het inhoudelijk niet eens is met de Belastingdienst, overblijven. In 2019 is een plan van aanpak bezwaar opgesteld met als doel eind 2019 weer op een normaal voorraadniveau te zitten. Per saldo blijft de streefwaarde voor 2020 daarom onveranderd op 90–95%.

Klanttevredenheid en het aantal gesprekken

De indicator klanttevredenheid meet direct na de dienstverlening hoe de persoonlijke insteek van de Belastingdienst ten aanzien van telefoon, website en balie is beleefd door burgers en bedrijven. Deze meting vindt plaats door burgers en bedrijven te bevragen op zowel aspecten die bijdragen aan de klanttevredenheid als op de ervaren klanttevredenheid zelf. Hiermee krijgt de Belastingdienst goed zicht op de variabelen die klanttevredenheid bepalen, waardoor betere sturing op en verantwoording over prestaties mogelijk is.

De Belastingtelefoon verwacht in 2020 tussen 10 en 11 mln. binnenkomende (inbound) gesprekken te beantwoorden (2019 planning 10,5 mln.). Naast de inbound gesprekken wordt in 2020 ingezet op het ondersteunen van burgers en bedrijven in het uitoefenen van hun rechten en het naleven van hun plichten op het gebied van toeslagen en belastingen door het actief signaleren in de vorm van proactief bellen (outbound gesprekken). Het aantal uitgaande (outbound) gesprekken voor 2020 zal naar verwachting 300.000 tot 400.000 bedragen.

Zorgvuldig handelen van de Belastingdienst

In contacten met burgers en bedrijven gaat de Belastingdienst uit van het vertrouwen dat zij hun verplichtingen na willen komen. Om compliance te bereiken is het cruciaal dat er vertrouwen is in de Belastingdienst. Dit is onder andere afhankelijk van de rechtvaardigheid die burgers en bedrijven ervaren in het optreden van de Belastingdienst. In zijn optreden streeft de Belastingdienst ernaar het aantal klachten jaar op jaar te verminderen.

Toezicht

De Belastingdienst voert adequaat toezicht uit en dwingt waar nodig naleving bestuurs- of strafrechtelijk af om er voor te zorgen dat de verschuldigde belastingen bestendig de staatskas binnenkomen en de toeslagen rechtmatig worden uitbetaald.

Belastingen

De strategie van de Belastingdienst leidt tot een gedifferentieerde aanpak van bedrijven waarin de Belastingdienst een mix aan activiteiten uitvoert. Onderstaande prestatie-indicatoren hebben betrekking op verschillende aspecten van die aanpak.

Prestatie-indicatoren Toezicht Belastingen (meetbare gegevens)

Prestatie-indicator

Waarde 2017

Waarde 2018

Streefwaarde 2019

Streefwaarde 2020

Percentage grote ondernemingen waarvan de mogelijkheid tot klantbehandeling in de actualiteit beoordeeld is

86,5%

87,5%

88%

89%

Percentage kasontvangsten van MKB-ondernemingen onder een fiscaal dienstverleners convenant

5,8%

5,9%

6–8%

6–8%

Bruto correctie opbrengsten aangiftenbehandeling IH (betreft Particulieren en MKB)1

€ 2,3 mld.

€ 1,7 mld.

€ 1,2 mld.

€ 1,45 mld.

Bruto correctie opbrengsten aangiftenbehandeling Vpb MKB

€ 1,5 mld.

€ 1,7 mld.

€ 1,35 mld.

€ 1,5 mld.

Bruto correctie opbrengsten boekenonderzoeken MKB

€ 877 mln.

€ 834 mln.

€ 735 mln.

€ 735 mln.

Bezwaren ingediend na een correctie door de Belastingdienst (betreft IH)

10,2%

8,2%

<8%

<8%

X Noot
1

Betreft correcties op het verzamelinkomen.

Percentage grote ondernemingen waarvan de mogelijkheid tot klantbehandeling in de actualiteit beoordeeld is25

Binnen het segment Grote ondernemingen is er voor de grootste bedrijven sprake van individuele klantbehandeling. Daarmee wordt passende behandeling beoogd ter afdekking van de risico’s, gegeven de beschikbare capaciteit. Voor elke grote onderneming wordt beoordeeld of de onderneming in aanmerking komt voor klantbehandeling in de actualiteit. De analyse leidt tot een behandelstrategie en de vaststelling of een onderneming al dan niet voor klantbehandeling in de actualiteit in aanmerking komt. Het streven is om deze toets in 2020 voor 89% van alle grote ondernemingen te hebben uitgevoerd.

Percentage kasontvangsten van MKB-ondernemingen onder een fiscaal dienstverleners convenant

Deze indicator betreft belastingontvangsten afkomstig uit aangiften die onder een convenant met een fiscaal dienstverlener (FD) vallen. De indicator weerspiegelt in welke mate de Belastingdienst erin slaagt een hogere mate van zekerheid over de juistheid, tijdigheid en volledigheid van de belastingontvangsten te verkrijgen door de uitoefening van toezicht mede te verschuiven naar de voorkant binnen de keten.

Bruto correctie opbrengsten aangiftenbehandeling IH, Vpb en boekenonderzoeken

Deze indicatoren betreffen de bruto correctiebedragen. Dit is het door de Belastingdienst gecorrigeerde bedrag op aangiften van belastingplichtigen, vóór toepassing van het effectieve belastingtarief, en zonder rekening te houden met het verlies op correcties door bezwaar en invordering. De indicatoren richten zich op de resultaten van de ingezette repressieve instrumenten. De keuze voor deze instrumenten en de daaruit voortkomende opbrengsten volgt uit de toepassing van het beleid gericht op het bevorderen van compliance. Dit betekent dat steeds situationeel bepaald wordt wat het meest effectieve en goedkoopste preventieve of repressieve instrument is dat ingezet wordt. De duurste instrumenten, zoals boekenonderzoeken, zullen dan met name ingezet worden bij belastingplichtigen die zich kenmerken door een hoog fiscaal belang en risico. Goedkopere instrumenten, zoals communicatie en telefonisch contact, kunnen volstaan bij belastingplichtigen die zich kenmerken door een laag fiscaal belang en risico. De verbetering van de streefwaarde ten opzichte van vorig jaar voor IH en Vpb houdt verband met de instroom van nieuw personeel.

Met de verkregen extra middelen uit de Voorjaarsnota 2019 (zie verdiepingsbijlage) investeert de Belastingdienst in het verstevigen van het toezicht, onder meer door het uitvoeren van meer boekenonderzoeken in het MKB en het verrichten van meer controles op aangiften inkomensheffing van particulieren en aangiften vennootschapsbelasting van het MKB. Voor 2020 zijn, gegeven de oploop van de investeringen, nog geen verbeteringen zichtbaar op de prestatie-indicatoren voor de bruto correctie opbrengsten van de aangiftebehandeling en boekenonderzoeken.

Bezwaren ingediend na een correctie door de Belastingdienst (betreft IH)

Burgers en bedrijven die het niet eens zijn met een beslissing, kunnen een bezwaarschrift indienen. De hiervoor behandelde prestatie-indicator «Afgehandelde bezwaren binnen Awb-termijn» is gericht op een snelle afhandeling. De onderhavige indicator «Bezwaren ingediend na een correctie door de Belastingdienst» ziet op het voorkomen van bezwaarschriften door te zorgen voor juiste aanslagen bij de IH. Dit zijn de «echte» bezwaarschriften, waarin de belastingplichtige het inhoudelijk niet eens is met de Belastingdienst. De grote massa bezwaarschriften, waarin de belastingplichtige alleen een aanvulling of wijziging van de eerdere ingediende aangifte meldt, blijft bij deze indicator buiten beschouwing.

Toeslagen

Het toezicht bij Toeslagen is gericht op het rechtmatig, dat wil zeggen op basis van de wettelijke grondslagen, uitbetalen van de juiste toeslag. Het toezichtbeleid komt tot stand in afstemming met de departementen die beleidsinhoudelijk verantwoordelijk zijn voor de inkomensafhankelijke regelingen. Het streven is om het voor burgers gemakkelijk te maken om het goed te doen. De inzet op vormen van actief signaleren, waar nodig voorafgaand aan de toekenning, draagt bij aan klanttevredenheid en toekenningszekerheid. Inzet van data-analyses draagt bij aan het steeds beter kunnen differentiëren in toezichtactiviteiten op grond van het gedrag van toeslagaanvragers en het voorspellen van afwijkingen tussen de voorlopige en de definitieve toekenning. De scheidslijn tussen dienstverlening en toezicht vervaagt, doordat de Belastingdienst proactief handelt op basis van actuele signalen. De Belastingdienst wil zoveel mogelijk voorkomen dat burgers fouten maken bij het aanvragen van toeslagen en het doorgeven van mutaties. Het doel is maatregelen en voorzieningen in het massale proces te treffen, die door burgers als gepersonaliseerde ondersteuning worden ervaren.

Prestatie-indicatoren Toezicht Toeslagen (meetbare gegevens)

Prestatie-indicator

Waarde 2017

Waarde 2018

Streefwaarde 2019

Streefwaarde 2020

Rechtmatige toekenning van toeslagen

Gerealiseerd

Gerealiseerd

De score van fouten en onzekerheden ligt onder de rapporteringsgrens op artikelniveau

De score van fouten en onzekerheden ligt onder de rapporteringsgrens op artikelniveau1

Het percentage definitief toegekende toeslagen dat niet leidt tot een terug te betalen bedrag > € 500

92,2%

93,3%

91%

>91%

X Noot
1

Dit betreft het artikel van het desbetreffende beleidsdepartement.

Rechtmatige toekenning van toeslagen

De Belastingdienst streeft naar een rechtmatige toekenning van toeslagen. Voor het rapporteren van fouten en onzekerheden gelden kwantitatieve rapportagegrenzen op artikelniveau die jaarlijks in de Rijksbegrotingvoorschriften worden vastgelegd. Door een snelle rechtmatige toekenning wordt de toekenningszekerheid vergroot en neemt het vertrouwen in de Belastingdienst toe en zullen burgers meer geneigd zijn hun verplichtingen na te komen. Om de rechtmatigheid van toeslagen te bevorderen wordt onder andere aandacht besteed aan de kwaliteit van bestanden van derden die worden gebruikt. Bij toeslagen die worden vastgesteld na handmatige behandeling door medewerkers wordt de kwaliteit van de behandeling getoetst.

Terug te betalen bedragen zoveel mogelijk beperken

De Belastingdienst streeft ernaar het ontstaan van door de burger terug te betalen bedragen bij het definitief toekennen van toeslagen zoveel mogelijk te beperken. Als kwantitatieve indicator wordt gebruikt: het percentage van het totale aantal definitief toegekende toeslagen, waarbij niet terugbetaald hoeft te worden of het terug te betalen bedrag onder € 500 blijft. Voor kinderopvangtoeslag wordt een grens van € 1.000 aangehouden, omdat het bij de toekenningen veelal gaat om hogere bedragen dan bij andere toeslagen. De verstrekking van toeslagen gebeurt aan de hand van voorschotten, hetgeen ertoe kan leiden dat bij de eindberekening na afloop van het jaar nog een aanvullend bedrag moet worden uitgekeerd of dat een deel van het uitgekeerde bedrag moet worden teruggevraagd. De intentie is het aantal terug te betalen bedragen groter dan het normbedrag terug te dringen. De score op deze indicator wordt hoger naarmate aanvragers tijdig mutaties en juiste schattingen doorgeven. De Belastingdienst ondersteunt burgers hierbij. Waar mogelijk worden burgers actief erop geattendeerd dat inkomens of andere grondslagen (gaan) afwijken van die welke tot dan zijn gebruikt. Hierdoor verbetert de compliance. Als het mogelijk is wordt aanpassing van gegevens door de Belastingdienst zelf verzorgd.

De norm voor de doelstelling om grote terugvorderingen te beperken is aangepast van 91% naar >91% omdat de realisatie de afgelopen jaren percentages vertoont van 92% tot 93%.

De resultaten in het begrotingsjaar kunnen worden beïnvloed gedurende de periode van voorlopige toekenningen, dat wil zeggen door toezichtacties of signaleringen naar burgers in het daaraan voorafgaande jaar.

Inning

Prestatie-indicatoren Inning (meetbare gegevens)

Prestatie-indicator

Waarde 2017

Waarde 2018

Streefwaarde 2019

Streefwaarde 2020

Achterstand invordering

2,7%

2,9%

3–3,5%

3–3,5%

Inning invorderingsposten binnen een jaar

54,5%

58,3%

55–65%

55–65%

Achterstand invordering

De indicator «Achterstand invordering» meet het bedrag aan openstaande vorderingen waarvan de betalingstermijn is verstreken en waartegen geen bezwaar is ingediend. De indicator is uitgedrukt in een percentage van de totale belasting- en premieontvangsten en gaat over de belastingmiddelen inkomensheffing/Zorgverzekeringswet, loonheffingen, motorrijtuigenbelasting, omzetbelasting en vennootschapsbelasting. Het is een indicatie voor de (relatieve) omvang van de debiteurenpositie van de Belastingdienst en het geeft een momentopname van de omvang van de voorraad nog in te vorderen posten.

De Belastingdienst volgt openstaande schulden en gaat in geval van gedetecteerde verhaalsmogelijkheden alsnog over tot het innen van de schuld. Dankzij dynamisch monitoren kan de Belastingdienst aan de hand van gegevens controleren of de situatie van een debiteur is veranderd, waardoor er toch kan worden geïncasseerd. Deze beweging leidt tot een structurele stijging van het achterstandspercentage omdat schulden langere tijd worden gevolgd. Hierdoor vallen de streefwaarden voor 2019 en 2020 hoger uit dan de realisaties in 2017 en 2018.

Inning invorderingsposten binnen een jaar

Deze indicator toont het percentage van de vorderingen die niet op tijd betaald worden26, maar die binnen een jaar toch worden geïnd, als resultaat van de door de Belastingdienst ingezette invorderingsmaatregelen.

Massaal proces

De Belastingdienst maakt het burgers en bedrijven zo gemakkelijk mogelijk om hun verplichtingen na te komen en hun rechten geldend te maken door massale processen juist, tijdig en efficiënt uit te voeren.

Prestatie-indicatoren Massaal proces (meetbare gegevens)

Prestatie-indicator

Waarde 2017

Waarde 2018

Streefwaarde 2019

Streefwaarde 2020

Voorinvulling van gegevens IH (VIA)

n.v.t.

n.v.t.

65%

65%

Garantieregeling IH 2019: in maart aangifte gedaan, vóór 1 juli bericht

99,5%

100%

100%

100%

Definitief vaststellen toeslagen

85,5%

89,2%

85%

85%

Percentage toeslagen dat tijdig wordt uitbetaald

99,96%

99,95%

99,9%

99,9%

Afname van het aantal ernstige productieverstoringen (damages)1

70

69

Minder verstoringen dan vorig jaar

Minder verstoringen dan vorig jaar

X Noot
1

De gerapporteerde cijfers betreffen het aantal ernstige productieverstoringen (aantal damages).

Voorinvulling van gegevens IH (VIA)

Het streven is om jaarlijks 65% van de ingediende aangiften door particulieren (IH niet-winst) volledig vooraf in te vullen vanuit de VIA voor zover het voor de Belastingdienst kenbare rubrieken betreft. De realisatie van de indicator wordt beïnvloed door diverse factoren zoals de beschikbaarheid van betrouwbare gegevens, (fiscale) wet- en regelgeving en handelingen van belastingplichtigen. Op basis van het realisatiecijfer 2019 wordt bezien of de streefwaarde van deze relatief nieuwe indicator op termijn kan worden verhoogd.

Garantieregeling IH 2019: in maart aangifte gedaan, vóór 1 juli bericht

Deze indicator meet het percentage belastingplichtigen dat tijdig binnen de garantieregeling aangifte IH 2019 heeft gedaan en dat vóór 1 juli bericht heeft ontvangen in de vorm van een voorlopige of definitieve aanslag 2019. Een beperkt deel belastingplichtigen zal in plaats van een aanslag een ander bericht ontvangen. Daar staat in dat voor de afhandeling van de aangifte nader fiscaal onderzoek nodig is.

Definitief vaststellen toeslagen

Doel van de prestatie-indicator is dat 85% van de toeslaggerechtigden vóór 31 december van het jaar t+1 de definitieve toekenning krijgt van het toeslagjaar t. De reden waarom de resterende 15% niet volledig definitief toegekend kan worden in t+1 ligt in het feit dat veel inkomens- of onderliggende gegevens nog niet bekend zijn vanaf het moment dat het definitief toekennen van toeslagen begint.

Percentage toeslagen dat tijdig wordt uitbetaald

Deze indicator heeft betrekking op het laatste deel van de toeslagenketen: de uitbetaling op een reeds afgegeven beschikking. Van tijdige uitbetaling is sprake als het voorschot voor de komende maand op de 20e van de voorafgaande maand op de rekening van de toeslaggerechtigde is bijgeschreven27.

Afname van het aantal ernstige productieverstoringen (damages)

Deze indicator meet in welke mate er sprake is van ernstige productieverstoringen binnen de Belastingdienst welke leiden tot overlast, benadeling of onjuiste informatievoorziening aan burgers en/of bedrijven. Van een productieverstoring is ook sprake wanneer er schade optreedt in de kasstroom van het Rijk of als er afbreuk wordt gedaan aan de compliance. De doelstelling is om het aantal «damages» in 2020 te verminderen t.o.v. 2019. Bij de realisatie van de indicator wordt de impact (aantal geraakte burgers en/of bedrijven) en de ernst van de overlast in ogenschouw genomen.

FIOD

De FIOD werkt aan de rechtshandhaving door bijdragen te leveren aan het tegengaan van fiscale, financiële en economische fraude (inclusief fraude met premies, subsidies, toeslagen en in- en export), aan witwasbestrijding, aan het waarborgen van de integriteit van het financiële stelsel en aan de bestrijding van de financiële georganiseerde criminaliteit.

Prestatie-indicatoren FIOD (meetbare gegevens)

Prestatie-indicator

Waarde 2017

Waarde 2018

Streefwaarde 2019

Streefwaarde 2020

Percentage processen-verbaal dat leidt tot veroordeling/transactie

84%

87%

82–85%

82–85%

Gerealiseerde incasso-opbrengsten (mln. €)

€ 169 mln.

€ 101,6 mln.

€ 126 mln.

€ 128,3 mln.

Omgevingsgerichte strafonderzoeken (% opsporingsuren)

31%

36%

>40%

>40%

Percentage processen-verbaal dat leidt tot veroordeling/transactie

De FIOD geeft bij het selecteren van aanmeldingen voor strafrechtelijk onderzoek prioriteit aan zaken met impact en effect. De doelstelling voor het percentage processen-verbaal dat leidt tot een veroordeling of een transactie is een resultaat van het overleg tussen het Openbaar Ministerie, de toezichthouders en de FIOD, en is een indicator voor de kwaliteit van de door de FIOD aangeleverde zaken.

Gerealiseerde incasso-opbrengsten

Op basis van afgeronde onderzoeken stelt de FIOD processen-verbaal op en gaat het Openbaar Ministerie over tot vervolging en/of een transactie. Vervolging kan leiden tot veroordeling, waarbij incasso-opbrengsten voor de Staat gerealiseerd kunnen worden. Transacties leiden ook tot incasso-opbrengsten voor de Staat. De daadwerkelijke ontvangsten worden ontvangen op de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI). De stijging van de streefwaarde 2020 t.o.v. 2019 is het gevolg van het gefaseerd oplopen van de incassoverplichtingen vanuit de intensivering bestrijden witwassen en niet-ambtelijke-corruptie. De uiteindelijke resultaten kunnen overigens sterk beïnvloed worden door een (individuele) grote zaak, zoals de gerealiseerde opbrengsten in 2017 en 2018 laten zien.

Omgevingsgerichte strafonderzoeken

Bij de aanpak van fraude wil de FIOD een duidelijk signaal afgeven en kiest het voor aanpak van strafonderzoeken met maatschappelijk effect: van incident naar impact. De monitoring hierop vindt plaats met deze prestatie-indicator door te rapporteren hoeveel procent van de zaken omgevingsgericht is. Met omgevingsgericht wordt gedoeld op zaken waarover vooraf instemming is bereikt tussen partners in de keten van toezicht, opsporing en vervolging. Met de verkregen extra middelen uit de Voorjaarsnota 2019 (zie verdiepingsbijlage) investeert de FIOD in aanvullende capaciteit voor opsporingsonderzoeken op het vlak van ondermijning, witwassen en corruptie. Voor 2020 zijn, gegeven de duur van een gemiddeld opsporingsonderzoek, de verwachte verbeteringen op de prestatie-indicatoren nog niet zichtbaar.

Artikel 2 Financiële markten

A. Algemene doelstelling

Beleid en regelgeving maken voor een stabiele en integere werking van financiële markten, met betrouwbare dienstverlening van financiële instellingen aan burgers en bedrijven.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën bevordert het goede functioneren van het financiële stelsel en heeft een regisserende rol. Hij is politiek verantwoordelijk voor de goede werking van het betalingsverkeer. De Minister is verder verantwoordelijk voor goed functionerende en integere financiële markten en voor de Nederlandse wetten en regels ten aanzien van de financiële markten en de institutionele structuur van het toezicht. Verder is de Minister verantwoordelijk voor wet- en regelgeving om het gebruik van het financieel stelsel voor het witwassen van geld en het financieren van terrorisme te voorkomen. Ook is de Minister verantwoordelijk voor de regelgeving van bepaalde bijzondere financiële beroepsgroepen, zoals accountants. DNB en de AFM voeren het daadwerkelijke toezicht op de financiële markten uit. Dat wil zeggen dat de Minister verantwoordelijk is voor het functioneren van het toezichtsysteem als geheel en verantwoordelijk is voor de uitvoering van het toezicht door DNB en de AFM. Echter, om de onafhankelijke positie van de toezichthouders te bevorderen is de Minister noch verantwoordelijk noch bevoegd ten aanzien van individuele besluiten van de toezichthouders, en beschikt de Minister niet over toezichtvertrouwelijke informatie. Daarnaast worden steeds meer toezichttaken op Europees niveau belegd. Zo voert de Europese Centrale Bank (ECB) ook in belangrijke mate het toezicht op grote en grensoverschrijdende Europese banken uit.

De randvoorwaarden die de Minister stelt voor een integer en stabiel systeem hebben hun basis in de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft). Het gaat hierbij om (het toezicht op nakoming van) regelgeving die financiële instellingen stimuleert en verplicht om op integere en transparante wijze te werk te gaan. Deze regelgeving en dit toezicht dragen eraan bij dat consumenten en bedrijven met voldoende informatie en vertrouwen financiële producten kunnen afnemen.

Tot slot bevordert de Minister het verantwoord financieel gedrag door de burger en is hij verantwoordelijk voor de ongestoorde voorziening van voldoende munten in circulatie.

Verantwoordelijkheden Minister van Financiën op de BES-eilanden

Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (BES-eilanden) maken deel uit van Nederland. De eilanden zijn openbare lichamen in de zin van de Grondwet. De verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën ten aanzien van de toezichttaken is dezelfde voor de BES-eilanden als voor Europees Nederland, omdat de verhouding tussen de Minister en de toezichthouders dezelfde is. Het toezicht op de BES-eilanden is net als in Nederland op afstand geplaatst bij DNB en de AFM; de Minister van Financiën is systeemverantwoordelijk.

C. Beleidswijzigingen

Het beleid ten aanzien van de financiële sector staat grotendeels beschreven in de Agenda financiële sector28 die eind 2018 is gepresenteerd. De Agenda richt zich op drie domeinen: stabiliteit, integriteit en innovatie. In 2020 geeft het ministerie uitvoering aan de aangekondigde maatregelen uit de Agenda (zie onderdeel 2.1 Beleidsprioriteiten). Daarnaast is van belang dat in 2020 het register van uiteindelijk belanghebbenden (UBO’s) van vennootschappen en andere juridische entiteiten van start gaat (het zogenaamde UBO-register artikel 30)29. De verplichting tot het bouwen van dit register komt voort uit artikel 30 van de vierde anti-witwasrichtlijn30. In 2020 moet het register gevuld en beheerd worden en worden extra functionaliteiten bijgebouwd. Ook wordt voorzien dat in 2020 gestart wordt met de ontwikkeling en bouw van een apart UBO-register voor trusts en soortgelijke constructies (het zogenaamde UBO-register artikel 31), waarvan de verplichting tot het bouwen ervan uit artikel 31 van de vierde anti-witwasrichtlijn komt31.

Tot eind 2019 heeft de Koninklijke Nederlandse Munt (KNM) het exclusieve recht gehad om munten voor de Nederlandse Staat te slaan. De productie van de nadien benodigde munten is in 2019 door DNB aanbesteed. De aanbesteding ziet zowel op de productie van circulatiemunten, als op de productie en distributie van munten die speciaal voor verzamelaars worden geslagen. Van de verzamelaarsmunten zullen vanaf 2020 in beginsel twee in plaats van vier exemplaren geslagen worden. De aanbesteding en het feit dat DNB vanaf 2020 rechtstreeks zal samenwerken met het producerende munthuis kan zorgen voor een verandering in de kosten voor de munttaak.

D. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid – artikel 2 Financiële markten (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

– 50.454

26.760

26.608

24.258

24.248

22.897

22.897

 

waarvan betalingsverplichtingen

16.547

27.760

26.608

24.258

24.248

22.897

22.897

   

Muntcirculatie

2.076

7.500

9.300

9.300

9.300

9.300

9.300

   

Vakbekwaamheid

3.762

4.500

4.500

4.600

4.600

4.600

4.600

   

Bijdrage DNB BES-toezicht en FEC

4.472

5.315

4.270

4.070

4.063

4.080

4.080

   

Overige betalingsverplichtingen

6.238

10.445

8.538

6.288

6.285

4.917

4.917

                   
 

waarvan garantieverplichtingen

– 67.000

– 1.000

0

0

0

0

0

   

Garantie verhoging plafond kredietfaciliteit AFM

– 2.000

3.000

0

0

0

0

0

   

Garantie BES

– 65.000

– 4.000

0

0

0

0

0

   

Overige garantieverplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

                   

Uitgaven

21.916

27.760

26.608

24.258

24.248

22.897

22.897

waarvan juridisch verplicht

 

82,3%

       
                   
 

Subsidies

436

0

0

0

0

0

0

   

Vakbekwaamheid

436

0

0

0

0

0

0

                   
 

Bekostiging

10.013

9.346

10.700

10.700

10.707

10.680

10.680

   

Accountantskamer

1.295

1.450

1.400

1.350

1.350

1.350

1.350

   

Muntcirculatie

6.836

7.500

9.300

9.300

9.300

9.300

9.300

   

Afname munten in circulatie

1.702

0

0

0

0

0

0

   

IMVO Convenanten

0

0

0

50

57

30

30

   

Overig

180

396

0

0

0

0

0

                   
 

Garanties

1.000

1.875

1.875

1.875

1.875

1.875

1.875

   

Dotatie begrotingsreserve DGS BES

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

   

Dotatie begrotingsreserve NHT

0

875

875

875

875

875

875

                   
 

Opdrachten

4.964

8.154

7.613

6.213

6.213

4.872

4.872

   

Wijzer in geldzaken

1.638

1.554

1.613

1.613

1.613

272

272

   

Vakbekwaamheid

3.326

4.500

4.500

4.600

4.600

4.600

4.600

   

Overig

0

2.100

1.500

0

0

0

0

                   
 

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

5.124

7.945

5.980

5.030

5.023

5.040

5.040

   

Bijdrage AFM BES-toezicht

361

605

505

505

505

505

505

   

Bijdrage DNB toezicht & DGS BES

4.472

2.100

1.300

1.310

1.303

1.320

1.320

   

Bijdrage FEC

0

3.215

2.970

2.760

2.760

2.760

2.760

   

Bijdrage Toezicht en Handhaving MIF

0

0

260

260

260

260

260

   

Bijdrage PSD II

291

525

195

195

195

195

195

   

Overig

0

1.500

750

0

0

0

0

                   
 

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

380

440

440

440

430

430

430

   

Caribean Financial Action Taskforce

0

20

20

20

10

10

10

   

IASB

380

420

420

420

420

420

420

                   

Ontvangsten

13.426

9.774

9.155

10.255

9.955

7.700

7.700

                   
 

Bekostiging

2.036

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

   

Ontvangsten muntwezen

2.036

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

   

Toename munten in circulatie

0

0

0

0

0

0

0

                   
 

Opdrachten

1.111

1.111

1.455

1.455

1.455

0

0

   

Wijzer in geldzaken

1.111

1.111

1.455

1.455

1.455

0

0

                   
 

Overig

10.279

6.663

5.700

6.800

6.500

5.700

5.700

Budgetflexibiliteit

Van de uitgaven op artikel 2 is in 2020 82,3% juridisch verplicht. Deze verplichte uitgaven (€ 21,9 mln.) bestaan voor het grootste deel uit uitgaven voor vakbekwaamheid (€ 4,5 mln.), muntcirculatie (€ 5,0 mln.) en de bijdrage aan DNB voor het toezicht op de BES-eilanden en het Financieel Expertise Centrum (FEC) (€ 2,9 mln.).

De juridisch verplichte uitgaven aan vakbekwaamheid betreffen de kosten van de centrale Wft-examinering. Het inhoudelijk beheer van de Wft-examinering is opgedragen aan het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening (CDFD), terwijl het functionele en technische beheer is ondergebracht bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Uitgangspunt is dat de uitgaven worden gefinancierd uit de examengelden (leges) die worden afgedragen aan het ministerie (zie ontvangsten overig). De daaromtrent gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst met het CDFD en een overeenkomst met de DUO.

De juridisch verplichte uitgaven vanwege de muntcirculatie komen voort uit de Muntwet en afspraken die met de KNM en met DNB zijn gemaakt. Deze afspraken betreffen onder meer de te verstrekken vergoedingen vanwege:

  • de productie van circulatiemunten (hieronder vallen niet de aanschafkosten van blanco muntplaatjes);

  • de productie en distributie van munten die speciaal voor verzamelaars worden geslagen;

  • het verzorgen van de geldsomloop voor zover deze uit munten bestaat;

  • het fungeren als Nationaal Analysecentrum voor Munten.

De niet-juridisch verplichte uitgaven hebben in hoofdzaak betrekking op de aankoop van rondellen (blanco muntplaatjes) die benodigd zijn voor de productie van nieuwe munten. Vanaf 2020 zal het nieuwe muntcontract in werking treden. De niet-juridisch verplichte uitgaven voor 2020 en later kunnen daardoor veranderen.

E. Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen en uitgaven

Subsidies

Vakbekwaamheid

De subsidie voor het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening (CDFD) inzake vakbekwaamheid is per 01-04-2019 opgeheven.

Bekostiging

Accountantskamer

De Accountantskamer beoordeelt klachten over gedragingen van accountants bij hun beroepsmatig handelen. Het gaat daarbij vooral om gedragingen die mogelijk in strijd zijn met de wet of met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. In een tuchtprocedure staat het belang van een goede beroepsuitoefening voorop. Aldus wordt bijgedragen aan het (herstel van) vertrouwen van het publiek in de beroepsuitoefening van accountants.

Eind 2019 en begin 2020 vindt een evaluatie plaats van de financiering van de Accountantskamer. Tijdens de evaluatie zal er worden bekeken of financiering door het ministerie nog in de rede ligt of dat er moet worden overgegaan tot gedeeltelijke of gehele overheveling van de kosten naar de sector. Of de sector de kosten zal gaan dragen, is derhalve nu nog niet bekend.

Muntcirculatie

De kosten van muntcirculatie bestaan uit: uitgaven die betrekking hebben op de door de KNM te verzorgen muntproductie, de door de KNM te verzorgen distributie van bijzondere munten en de door DNB te verzorgen munttaken. De aanbesteding van het nieuwe muntcontract loopt nog. Hierdoor kunnen de kosten van muntcirculatie in 2020 en later veranderen.

Afname munten in circulatie

Het in circulatie brengen van euromunten leidt tot ontvangsten voor de Staat en leidt tegelijkertijd tot een schuld aan het publiek. Zodra munten uit circulatie terugkeren, dient de Staat de nominale waarde van deze munten via DNB terug te geven. Op voorhand is niet te voorspellen of de nominale waarde van de in circulatie zijnde munten in enig jaar zal toe- of afnemen. Vandaar dat in de begroting een stelpost van nul is opgenomen.

Garanties

Dotatie begrotingsreserve DGS BES

Als garantie voor een DGS voor de BES-eilanden is bij eerste suppletoire wet 2017 een begrotingsreserve ingesteld. Jaarlijks wordt € 1 mln. toegevoegd aan de begrotingsreserve. Met het DGS BES wordt de financiële stabiliteit op de BES-eilanden geborgd.

Overzicht geraamd verloop begrotingsreserve DGS BES-eilanden (bedragen x € 1 mln.)

Stand per 1/1/2019

Onttrekkingen 2019

Toevoegingen 2019

Stand per 1/1/2020

Onttrekkingen 2020

Toevoegingen 2020

Stand per 31/12/2020

2

0

1

3

0

1

4

Dotatie begrotingsreserve NHT-garantie

De Staat heft een jaarlijkse premie (€ 875.000) over het afgegeven garantiebedrag van € 50 mln. Deze middelen worden sinds 2019 gestort in een begrotingsreserve.

Overzicht geraamd verloop begrotingsreserve NHT-garantie (bedragen x € 1 mln.)

Stand per 1/1/2019

Onttrekkingen 2019

Toevoegingen 2019

Stand per 1/1/2020

Onttrekkingen 2020

Toevoegingen 2020

Stand per 31/12/2020

0

0

0,875

0,875

0

0,875

1,75

Opdrachten

Wijzer in geldzaken

Het platform Wijzer in geldzaken zet zich in voor het bevorderen van financieel verantwoord gedrag door de burger in Nederland. Het Ministerie van Financiën financiert het platform samen met een aantal partijen uit de sector. Het platform ontwikkelt verschillende typen interventies om verantwoord financieel gedrag te bevorderen en om invulling aan de strategische doelstellingen te geven. Enkele voorbeelden zijn de website www.wijzeringeldzaken.nl, de Week van het geld, de website www.financieelgezondewerknemers.nl en de Pensioen3daagse.

Vakbekwaamheid

Het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening (CDFD) adviseert en ondersteunt het Ministerie van Financiën inzake de beroepskwalificatie van financieel adviseurs, oftewel de vakbekwaamheid. Het CDFD is verantwoordelijk voor inhoudelijk beheer van de Centrale Examenbank, het adviseren over en vaststellen van eind- en toetstermen, en het erkennen van en toezicht houden op Wft-exameninstituten. Voor het uitvoeren van haar taken ontvangt het CDFD jaarlijks een overheidsbijdrage.

Overig

De hogere uitgaven in 2019 en 2020 ten opzichte van latere jaren wordt onder meer veroorzaakt doordat de kosten voor rechtszaken met betrekking tot SNS Reaal Holding in 2019 en 2020 worden gemaakt (€ 1,8 mln. respectievelijk € 1,5 mln.).

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Bijdrage AFM BES-toezicht

Voor het gedragstoezicht op de financiële markten op de BES-eilanden ontvangt de AFM jaarlijks een overheidsbijdrage.

Bijdrage DNB toezicht en DGS BES

Voor het toezicht op de BES-eilanden ontvangt DNB jaarlijks een overheidsbijdrage. In de afgelopen jaren is door DNB meer capaciteit ingezet op de BES-eilanden, met name als gevolg van interventie, handhaving en toetsingen.

Bijdrage FEC

Het ministerie draagt bij aan de financiering van het Financieel Expertise Centrum (FEC). Het FEC is een samenwerkingsverband tussen verschillende autoriteiten binnen de financiële sector op het gebied van toezicht, controle, opsporing en vervolging. Vanaf 2018 wordt structureel € 1,4 mln. extra besteed aan de uitvoering van het Terrorisme Financieringsbeleid door het FEC. Deze gelden zijn afkomstig uit de versterkingsgelden, die eind 2017 door het kabinet zijn toegekend ten behoeve van het Contra Terrorismebeleid.

Bijdrage toezicht en handhaving Multilateral Interchange Fee (MIF)

De Autoriteit Consument en Markt (ACM) is de toezichthouder op de uitvoering van de MIF-verordening. Vergoed worden de kosten voor het houden van toezicht op de naleving en de handhaving van een aantal bepalingen uit de MIF-verordening. Hieronder vallen onder meer de kosten voor het controleren van de hoogte van de afwikkelingsvergoedingen bij betalingsdienstaanbieders, het behandelen van klachten en de rechtshandhavingskosten.

Bijdrage toezicht en naleving PSD II

In de aangepaste versie van het wetsvoorstel ter implementatie van de PSD II richtlijn (Payment Services Directive) wordt voorgesteld om vier toezichthouders te belasten met het toezicht op de naleving van PSD II, te weten DNB, de AFM, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de ACM. De kosten zijn de geschatte jaarlijkse kosten van de ACM voor de uitvoering van het toezicht door de ACM op de naleving door marktpartijen van PSD II. De kosten van het toezicht van DNB en de AFM op de naleving van PSD II zullen worden doorberekend aan de sector en komen derhalve niet ten laste van de Rijksbegroting. Dit geldt mogelijk ook voor de kosten van het toezicht door de AP aangezien samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de AP zal worden onderzocht in hoeverre deze en andere toezichtkosten kunnen worden doorberekend aan de sector.

Overig

In 2020 gaat het register van uiteindelijk belanghebbenden (UBO’s) van vennootschappen en andere juridische entiteiten van start (het zogenaamde UBO-register artikel 30)32. Aan de opstart en bouw van dit register zijn kosten verbonden, die deels zijn, en worden, gedekt door het Ministerie van Financiën. In 2019 draagt het ministerie € 0,75 mln. bij aan de verdere ontwikkeling van dit UBO-register. Ook wordt voorzien dat in 2020 gestart wordt met de ontwikkeling en bouw van een apart UBO-register voor trusts en soortgelijke constructies (het zogenaamde UBO-register artikel 31)33. Het ministerie voorziet zowel in 2019 als in 2020 € 0,75 mln. bij te dragen aan deze kosten.

Ontvangsten

Bekostiging

Ontvangsten muntwezen

De ontvangsten muntwezen hebben betrekking op de door de KNM af te dragen nominale waarde van de munten die de KNM in opdracht van de Staat speciaal voor verzamelaars heeft geslagen. In een voorkomend geval hebben de ontvangsten muntwezen tevens betrekking op ontwaarde munten en/of rondellen waarvan het residu als metaalschroot is verkocht. De aanbesteding van het nieuwe muntcontract loopt nog. Hierdoor kunnen de ontvangsten muntwezen in 2020 en later veranderen.

Toename munten in circulatie

Zie «Afname munten in circulatie» bij uitgaven.

Opdrachten

Wijzer in Geldzaken

Het programma Wijzer in Geldzaken worden medegefinancierd uit bijdragen vanuit de sector en DNB. Daarnaast draagt het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ook bij aan het programma. Deze bijdragen zijn voor de periode 2020–2023 afgesproken.

Overig

De overige ontvangsten betreffen met name: de ontvangen leges voor de examens inzake het onderdeel vakbekwaamheid, de bijdragen van marktpartijen aan het programma Wijzer in geldzaken, premies voor de NHT- en WAKO-garantie, de door de ACM aan de sector doorberekende kosten in het kader van het toezicht op de naleving van de MIF-verordening en eventuele ontvangen boetegelden van DNB, de AFM en de Accountantskamer.

Artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector

A. Algemene doelstelling

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen; in het bijzonder bij het investeren in en verwerven, beheren en afstoten van de financiële en materiële activa van de Staat.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën stimuleert en regisseert een verantwoorde en doelmatige besteding van overheidsmiddelen. Bedrijfseconomische expertise wordt ingezet bij staatsdeelnemingen, investeringsprojecten en transacties van de rijksoverheid.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor:

  • een optimaal financieel resultaat bij het beheren, aangaan en afstoten van staatsdeelnemingen met inachtneming van de betrokken publieke belangen;

  • het toetsen en adviseren op bedrijfseconomische doelmatigheid bij het realiseren van grote publieke investeringsprojecten, zodat vakdepartementen hun projecten binnen budget, op tijd en met de gewenste kwaliteit kunnen realiseren. Voorbeelden van deze projecten zijn DBFM(O)34-projecten, bedrijfsvoerings- en duurzaamheidsprojecten, en veilingen waarbij exclusieve rechten in de markt worden gezet;

  • het overkoepelende DBFM(O)-beleid en de regie van het systeem dat ervoor moet zorgen dat DBFM(O) in Nederland structureel goed verankerd is en toegepast wordt;

  • het beheren en afwikkelen van de tijdelijke overheidsinvesteringen in de gesteunde financiële instellingen. In dit kader is de Minister van Financiën verantwoordelijk voor zwaarwegende en/of principiële beslissingen (onder andere de exitstrategie en het beloningsbeleid van de financiële instellingen) van NL Financial Investments (NLFI). Voorts houdt de Minister van Financiën toezicht op NLFI;

  • het toetsen van door vergunninghouders gestelde financiële zekerheid ter dekking van de kosten die voortvloeien uit het buiten gebruik stellen en de ontmanteling van instellingen vallend onder de Kernenergiewet.

De Minister van Financiën heeft een aantal instrumenten tot zijn beschikking, die ingezet kunnen worden voor de invulling van zijn verantwoordelijkheid:

  • bevoegdheden die de Minister van Financiën heeft op basis van de Comptabiliteitswet;

  • het besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996, in het bijzonder artikel 6: huur-, huurkoop- en leaseovereenkomsten, zoals DBFM(O) en andere langjarige complexe projecten, mogen pas worden gesloten na overeenstemming met de Minister van Financiën;

  • bevoegdheden die de Minister van Financiën heeft op basis van de Kernenergiewet;

  • bevoegdheden die de Minister van Financiën heeft op basis van de Telecommunicatiewet;

  • de Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen (NLFI);

  • bevoegdheden die de Minister van Financiën heeft als aandeelhouder op basis van Boek 2 Burgerlijk Wetboek en de statuten van de ondernemingen;

  • de gedragsregels uit de Corporate Governance Code voor zijn rol als aandeelhouder in staatsdeelnemingen;

  • het kader voor het gebruik van businesscases binnen het Rijk (handleiding publieke businesscase);

  • PPS-code (publiek-private samenwerking): de beheercode voor goede bedrijfsvoering binnen de rijksoverheid gericht op een doelmatige en rechtmatige inzet van het instrument van publiek-private samenwerking bij de realisatie en de exploitatie van (met name meerjarige) investeringsprojecten. Deze beheercode is nader uitgewerkt in een aantal specifieke toezichtsafspraken op het gebied van huisvesting en infrastructuur;

  • structureel en incidenteel overleg met bestuurders en commissarissen van de staatsdeelnemingen.

Bovenstaande instrumenten zijn verschillend van aard. De bevoegdheden die voortvloeien uit het Burgerlijk Wetboek, Comptabiliteitswet, Wet stichting administratiekantoorbeheer financiële instellingen en de Kernenergiewet vormen de basis van de (formele) zeggenschap. De overige instrumenten hebben een meer informeel karakter, zijn richtinggevend (zoals de Corporate Governance Code) of dienen als randvoorwaarde om invulling te kunnen geven aan de beleidsdoelstelling (zoals de beschikbaarheid over en/of toegang tot de benodigde kennis).

Beleidsinformatie

In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de staatsdeelnemingen waarvan het beheer van het aandeelhouderschap ligt bij het Ministerie van Financiën. Hierbij staat aangegeven hoeveel procent van de aandelen in handen is van de Staat en op welke wijze deze aandelen worden gehouden. Daarnaast wordt aangegeven of het aandeelhouderschap permanent is, bij voorbaat tijdelijk (bij financiële instellingen), of dat de deelneming op termijn voor vervreemding in aanmerking zou kunnen komen (niet-permanent aandeelhouderschap). Tot slot is in deze tabel te zien wanneer de volgende evaluatie van het aandeelhouderschap zal plaatsvinden.

Aandeelhouderschap Ministerie van Financiën

Staatsdeelneming

Percentage aandelen (per 15/8/2019)

Wijze van aandeelhouderschap

Categorie aandeelhouderschap

Volgende evaluatie

ABN AMRO

56,3%

Indirect (via NLFI)

Bij voorbaat tijdelijk

n.v.t.

Air France-KLM

14%

Direct

Permanent

2026

BNG Bank

50%

Direct

Permanent

2019

COVRA

100%

Direct

Permanent

2023

FMO

51%

Direct

Permanent

2024

Gasunie

100%

Direct

Permanent

2019

Havenbedrijf Rotterdam

29,2%

Direct

Permanent

2020

Holland Casino

100%

Direct

Niet-permanent

n.v.t.

KLM

5,9%

Direct

Permanent

2020

Nederlandse Loterij

99%

Direct

Niet-permanent

n.v.t.

Nederlandse Spoorwegen

100%

Direct

Permanent

2023

NIO

100%

Direct

Permanent

n.v.t.

NWB Bank

17,2%

Direct

Permanent

2019

RFS

1,25%

Indirect (via NLFI)

Bij voorbaat tijdelijk

n.v.t.

SABB

3,7%

Indirect (via NLFI)

Bij voorbaat tijdelijk

n.v.t.

Schiphol

69,8%

Direct

Permanent

2024

SRH

100%

Direct

Bij voorbaat tijdelijk

n.v.t.

TenneT

100%

Direct

Permanent

2025

Thales Nederland

1%

Direct

Permanent

2022

UCN

100%

Direct

Niet-permanent

n.v.t.

De Volksbank

100%

Indirect (via NLFI)

Bij voorbaat tijdelijk

n.v.t.

Op 17 mei 2019 is besloten om het wetsvoorstel modernisering speelcasinoregime – waaronder de privatisering van Holland Casino – voor dit moment in te trekken. De regering gaat opnieuw naar de tekentafel met het oog op het treffen van voorbereidingen voor een mogelijk nieuw privatiseringstraject. Holland Casino blijft daarmee voorlopig een niet-permanente deelneming.

Kengetallen

Onderstaande kengetallen zien op de implementatie en uitvoering van het staatsdeelnemingenbeleid. Hierbij wordt alleen gekeken naar deelnemingen met volwaardige bedrijfsactiviteiten, waar de Staat >15% van de aandelen heeft, en deze met direct aandeelhouderschap beheert.

Kengetallen deelnemingenbeleid
 

Realisatie 2018

Streefwaarde 20191

Streefwaarde 2020

Aantal deelnemingen met >30% vrouwen in de raad van bestuur

60% (n=10)2

80%

80%

Aantal deelnemingen met >30% vrouwen in de raad van commissarissen

67% (n=12)3

80%

100%

Percentage van de deelnemingen waar een meerjarig dividendbeleid is herijkt

45% (n=11)4

73%

100%

Aantal deelnemingen waarvan het aandeelhouderschap is geëvalueerd in het betreffende begrotingsjaar

2

3

2

X Noot
1

De huidige streefwaardes voor 2019 kunnen afwijken van de streefwaardes uit de begroting 2019.

X Noot
2

Gecorrigeerd voor staatsdeelnemingen met één bestuurder. De volgende tien vennootschappen zijn meegenomen: BNG Bank, FMO, Gasunie, Havenbedrijf Rotterdam, Holland Casino, NS, NWB, Schiphol, NLO en TenneT.

X Noot
3

De volgende twaalf vennootschappen zijn meegenomen: BNG Bank, COVRA, FMO, Gasunie, Havenbedrijf Rotterdam, Holland Casino, NS, NWB, Schiphol, NLO, TenneT en UCN.

X Noot
4

De volgende elf vennootschappen zijn meegenomen: BNG Bank, COVRA, FMO, Gasunie, Havenbedrijf Rotterdam, Holland Casino, NS, NWB, Schiphol, TenneT en UCN.

Meer kengetallen over het deelnemingenbeleid (zoals de omvang van het balanstotaal van alle staatsdeelnemingen, de vermogenspositie van staatsdeelnemingen en het door staatsdeelnemingen gerealiseerde rendement) zijn te vinden in het meest recente Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen35.

Daarnaast wordt over de voortgang binnen het DBFM(O)-beleid middels kengetallen door de daarvoor verantwoordelijke ministers gerapporteerd in de DBFM(O)-voortgangsrapportages.

C. Beleidswijzigingen

De Nota Deelnemingenbeleid36 uit 2013 vormt de basis van het beleid rondom staatsdeelnemingen. In de afgelopen jaren is dit beleid geïmplementeerd. Dit vormt ook in 2020 de basis van het staatsdeelnemingenbeleid. In 2020 zal een beleidsdoorlichting van het deelnemingenbeleid worden uitgevoerd. Indien hier wijzigingen uit voortkomen, zal de Kamer hierover worden geïnformeerd.

Naast het reguliere deelnemingenbeleid zal er in 2020 hard worden gewerkt aan de oprichting van de internationale tak van Invest-NL. De nationale tak van Invest-NL zal naar verwachting in 2019 worden opgericht, maar zal ook in 2020 nog de nodige aandacht vergen (zie 2.1 Beleidsprioriteiten).

Ook als het gaat om projecten en vraagstukken op het publiek-private snijvlak zal Financiën blijven inzetten op het bevorderen van doelmatige overheidsbestedingen. Voor 2020 en verder is in het kader daarvan in 2019 een strategie vastgesteld met daarin als belangrijkste focusgebied de energietransitie. In 2020 zal in samenwerking met andere partijen, waaronder het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, een verdere vertaling worden gemaakt van de energietransitie naar een optimale balans tussen publieke en private inzet van middelen, en naar de juiste investeringen en projecten om de energietransitie te bewerkstelligen. Naast de energietransitie zal in 2020 ook bijzondere aandacht uitgaan naar de 5G-telecomveiling. In samenwerking met de ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Justitie en Veiligheid zal de veiling nader worden ingericht en voorbereid.

D. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid – artikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

– 5.612.568

1.004.515

143.836

440.520

440.520

439.020

406.020

 

waarvan betalingsverplichtingen

117.571

1.004.515

443.836

440.520

440.520

439.020

406.020

   

Verwerving vermogenstitels

0

744.396

0

0

0

0

0

   

Kapitaalinjectie Invest-NL

0

50.000

330.000

330.000

330.000

330.000

297.000

   

Afdrachten Staatsloterij

101.927

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

   

Schikking Alawwal Bank

0

94.000

0

0

0

0

0

   

Lening SRH

1.656

1.658

1.660

0

0

0

0

   

Overige betalingsverplichtingen

13.988

14.461

12.176

10.520

10.520

9.020

9.020

                   
 

waarvan garantieverplichtingen

– 5.730.139

0

– 300.000

0

0

0

0

   

Garantie DNB Winstafdracht

– 5.700.000

0

0

0

0

0

0

   

Garanties en vrijwaringen staatsdeelnemingen

– 30.139

0

– 300.000

0

0

0

0

                   

Uitgaven

466.499

1.189.332

442.176

440.520

440.520

439.020

406.020

waarvan juridisch verplicht

   

98,5%

       
                   
 

Vermogensverschaffing

350.000

1.074.396

330.000

330.000

330.000

330.000

297.000

   

Kapitaalinjectie TenneT

350.000

280.000

0

0

0

0

0

   

Kapitaalinjectie Invest-NL

0

50.000

330.000

330.000

330.000

330.000

297.000

   

Verwerving vermogenstitels

0

744.396

0

0

0

0

0

                   
 

Vermogensonttrekking

101.927

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

   

Afdrachten Staatsloterij

101.927

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

                   
 

Bijdragen aan ZBO’s en RWT’s

5.000

4.770

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

   

NLFI

5.000

4.770

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

                   
 

Garanties

4.806

4.820

3.176

20

20

20

20

   

Regeling BF

6

20

20

20

20

20

20

   

Dotatie begrotingsreserve TenneT

4.800

4.800

3.156

0

0

0

0

                   
 

Opdrachten

4.766

5.346

4.000

5.500

5.500

4.000

4.000

   

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

3.674

2.000

4.000

4.500

4.500

4.000

4.000

   

Opstart Invest-NL

1.092

3.346

0

1.000

1.000

0

0

                   

Ontvangsten

2.096.992

2.035.602

1.816.656

1.875.500

2.015.500

1.953.500

1.918.500

                   
 

Vermogensonttrekking

2.087.316

2.022.790

1.809.000

1.871.000

2.011.000

1.949.000

1.914.000

   

Opbrengst verkoop vermogenstitels

0

0

0

0

0

0

0

   

Dividenden en afdrachten staatsdeelnemingen

1.869.999

1.745.000

1.455.000

1.490.000

1.515.000

1.520.000

1.560.000

   

Afdrachten Staatsloterij

101.927

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

   

Winstafdracht DNB

115.391

177.790

254.000

281.000

396.000

329.000

254.000

   

waarvan: Griekse inkomsten ANFA

48.450

0

0

0

0

0

0

   

waarvan: Griekse inkomsten SMP

51.300

34.250

6.250

3.400

4.000

4.000

3.000

                   
 

Bijdragen aan ZBO’s en RWT’s

4.403

6.864

4.500

4.500

4.500

4.500

4.500

   

NLFI

4.403

6.864

4.500

4.500

4.500

4.500

4.500

                   
 

Garanties

4.846

4.800

3.156

0

0

0

0

   

Premieontvangsten garantie TenneT

4.800

4.800

3.156

0

0

0

0

   

Overig

46

0

0

0

0

0

0

                   
 

Opdrachten

427

1.148

0

0

0

0

0

   

Terug te vorderen kosten staatsdeelnemingen

427

1.148

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Van de uitgaven op artikel 3 is 98,5% juridisch verplicht.

Kapitaalinjectie Invest-NL

De kapitaalinjectie Invest-NL is voor 100% juridisch verplicht.

Afdrachten staatsloterij

De reeks aan de uitgaven- en ontvangstenzijde van de begroting van artikel 3 is 100% juridisch verplicht op basis van de Wet op de Kansspelen (WOK).

NLFI

De bijdrage aan NLFI is voor 100% juridisch verplicht op basis van de door de Minister van Financiën goedgekeurde begroting van NLFI en artikel 7 Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen. De begroting van NLFI van het aankomende jaar wordt telkens voor het einde van het lopende jaar vastgesteld en ter goedkeuring aan de Minister voorgelegd. De verplichting loopt zolang NLFI kosten maakt bij de uitvoering van haar wettelijke taak.

Dotatie begrotingsreserve TenneT

De dotatie aan de begrotingsreserve TenneT is niet juridisch verplicht.

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

Dit budget is bestemd voor de inhuur van adviseurs omtrent het beheer van de staatsdeelnemingen. Deze advieskosten worden ieder jaar geraamd op basis van de verwachte inhuur. Een deel van de contracten loopt over het begrotingsjaar heen, welk deel is op voorhand niet exact te kwantificeren, maar naar beste inschatting is € 3,5 mln. op het totaal te kwalificeren als budgetflexibel.

E. Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen en uitgaven

Garanties en vrijwaringen staatsdeelnemingen

De Staat heeft in 2010 een garantie verstrekt van maximaal € 300 mln. ten behoeve van de Stichting Beheer Doelgelden Landelijk Hoogspanningsnet. Hierdoor kon de stichting de overname financieren van Transpower door TenneT Holding. In 2020 loopt de garantie af.

Vermogensverschaffing

Naar verwachting zal eind 2019 Invest-NL N.V. worden opgericht. Verspreid over enkele jaren ontvangt Invest-NL N.V. een kapitaalinjectie van € 1,7 mld. van de Staat. Hiervan valt € 330 mln. in 2020.

Vermogensonttrekking

Om te voldoen aan de wettelijke bepalingen in de Wet op de Kansspelen (WOK) dat alle afdrachten van de Staatsloterij aan de Staat toekomen, is structureel zowel bij uitgaven als ontvangsten een reeks opgenomen voor afdrachten Staatsloterij.

Bijdragen aan ZBO’s en RWT’s

NLFI is een rechtspersoon met een wettelijke taak. NLFI voert het staatsaandeelhouderschap uit voor de financiële instellingen die tijdelijk in beheer zijn. De kosten van NLFI worden grotendeels doorbelast aan de in beheer zijnde financiële instellingen. De netto-uitgaven aan NLFI om uitvoering te geven aan haar wettelijke taak zijn naar verwachting € 0,5 mln. over 2020 (€ 5,0 mln. uitgaven minus € 4,5 mln. ontvangsten).

Regeling Bijzondere Financiering (BF)

Het budget Regeling Bijzondere Financiering (BF) betreft een vergoeding voor het beheer door NIBC Bank van enkele resterende BF-dossiers.

Dotatie begrotingsreserve TenneT

De Staat heeft in 2010 een garantie verstrekt van maximaal € 300 mln. ten behoeve van de Stichting Beheer Doelgelden Landelijk Hoogspanningsnet. De jaarlijkse, marktconforme premie die de Staat ontvangt, wordt afgestort in een begrotingsreserve.

Overzicht geraamd verloop begrotingsreserve TenneT (bedragen x € 1 mln.)

Stand per 1/1/2019

Onttrekkingen 2019

Toevoegingen 2019

Stand per 1/1/2020

Onttrekkingen 2020

Toevoegingen 2020

Stand per 31/12/2020

40

0

4,8

44,8

0

3,2

48

Opdrachten

Dit budget is bestemd voor de inhuur van adviseurs ter ondersteuning in de diverse expertises die benodigd zijn voor het professioneel beheer van de staatsdeelnemingen.

Ontvangsten

Vermogensonttrekking

Deze post bestaat uit alle dividenden, winstafdrachten en verkoopopbrengsten die zien op zowel de reguliere staatsdeelnemingen zoals bijvoorbeeld de Nederlandse Spoorwegen, Schiphol, Gasunie en DNB als de tijdelijke financiële deelnemingen (ABN AMRO, RFS, de Volksbank en SABB). Daarnaast staat op deze post een boekhoudkundige reeks voor de Afdrachten Staatsloterij (zie Uitgaven – Vermogensonttrekking).

Bijdragen aan ZBO’s en RWT’s

Zie: Uitgaven – Bijdragen aan ZBO’s en RWT’s.

Premieontvangsten garantie TenneT

Zie: Uitgaven – Dotatie begrotingsreserve TenneT.

Artikel 4 Internationale financiële betrekkingen

A. Algemene doelstelling

Een bijdrage leveren aan een financieel gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Nederlandse economie wordt door zijn openheid en relatief beperkte grootte sterk beïnvloed door internationale financieel-economische ontwikkelingen. Dit betreft voor een belangrijk deel ontwikkelingen in de lidstaten van de EU. Verreweg het grootste deel van de Nederlandse export en import gaat naar of komt uit andere Europese landen. Een sterke Europese economie heeft daarmee een direct effect op de Nederlandse economie. Mede om die reden is Nederland gebaat bij een gezonde financieel-economische ontwikkeling en een stabiele budgettaire en monetaire ontwikkeling in de EU en haar lidstaten, waarbij ook de financiële stabiliteit binnen de eurozone gewaarborgd is.

De Minister van Financiën speelt in Nederland op dit gebied een regisserende rol en maakt daarbij gebruik van een aantal instrumenten. Ten behoeve van de bevordering van de financiële stabiliteit neemt de Minister actief deel aan internationale overleggen (onder andere de Ecofinraad en de Eurogroep) ter versterking van de begrotingsdiscipline van lidstaten van de EU en een stabiele macro-economische omgeving in de eurozone. Hieronder valt ook de economische beleidscoördinatie in de EU en de EMU in het kader van het Europees Semester.

Verder neemt de Minister van Financiën besluiten over het Nederlandse standpunt met betrekking tot toetreding van landen tot het Exchange Rate Mechanism (ERM-II) en invoering van de euro. Tevens draagt de Minister van Financiën het Nederlandse standpunt over de EU-begroting uit. De Minister ziet erop toe dat deze EU-begroting volgens de afspraken van het MFK (het huidige MFK loopt van 2014 tot 2020) wordt vormgegeven.

In internationaal verband zijn maatregelen getroffen om de wereldeconomie minder gevoelig te maken voor financieel-economische crises en te zorgen dat de gevolgen, mocht een dergelijke crisis toch plaatsvinden, zo beperkt mogelijk blijven. De Minister van Financiën draagt bij aan het beheer van stabilisatiemechanismen, zoals het EFSF en het ESM ten behoeve van het bewaken van de financiële stabiliteit in de eurozone.

Internationale financiële instellingen (IFI’s), waaronder het IMF, de Wereldbank, de EBRD, de EIB en de AIIB, dragen in belangrijke mate bij aan een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling. Tevens vervullen de IFI’s een belangrijke rol bij het financieel-economisch beleidstoezicht, bevorderen zij de ontwikkeling van lage- en middeninkomenslanden en vormen zij een financieel vangnet in het geval van een crisis. De Minister houdt als aandeelhouder toezicht op deze IFI’s en hun financiële soliditeit en bestuur, met als doel deze instellingen gezond en sterk te houden. Hierbij bewaakt de Minister ook de financiële belangen van de Nederlandse overheid en de Nederlandse burger. Ook ziet de Minister toe op de effectiviteit van de internationale financiële architectuur, waarbij het cruciaal is dat IFI’s hun eigen rol hierbinnen uitvoeren en hun middelen effectief en efficiënt inzetten. In de tabel in onderdeel E wordt ter verduidelijking een overzicht gegeven van het Nederlandse aandeel in deze financiële instellingen.

Daarnaast levert de Minister een bijdrage aan de internationale beleidsdiscussies en beleidsresponses bij internationale fora zoals de Ecofinraad, de Eurogroep, de G20, verschillende OESO-werkgroepen en commissies en discussies bij het IMF, de Wereldbank en andere IFI’s.

C. Beleidswijzigingen

EU/Eurozone

Op dit moment wordt onderhandeld over het volgende MFK (zie ook onderdeel 2.1 Beleidsprioriteiten). Het MFK legt de maximale uitgaven van de EU vast en is daarmee maatgevend voor de omvang van de EU-afdrachten van lidstaten. Het huidige MFK loopt door tot en met 2020. Het nieuwe MFK loopt van 2021 tot en met 2027. Naar verwachting zullen de onderhandelingen in het najaar van 2019 hoog op de EU-agenda staan. Nederland zet bij de onderhandelingen in op een modern en financieel houdbaar MFK.

De Brexit brengt mogelijk flinke risico’s voor de Nederlandse overheidsfinanciën met zich mee. De Europese regeringsleiders en het Verenigd Koninkrijk (VK) hebben besloten tot een verlenging van de terugtrekkingstermijn van het VK uit de EU tot en met 31 oktober (de zogeheten Artikel 50 termijn). Een ordelijk vertrek van het VK uit de EU is en blijft prioriteit voor het kabinet en de EU. Een no deal scenario is echter een reële optie. Het kabinet bereidt zich zo goed als mogelijk voor op dit scenario. Zie ook onderdeel 2.1 Beleidsprioriteiten.

Internationale Financiële Instellingen

15e quotaherziening IMF

De 15e quotaherziening van het IMF zal naar verwachting in het najaar van 2019 worden afgerond tijdens de IMF/Wereldbank jaarvergadering. De centrale vraag is wat de gewenste omvang van het IMF is. Het kabinet beschouwt het IMF als een belangrijke instelling in het centrum van het mondiale financiële systeem en is daarom van mening dat de huidige omvang van het IMF behouden moet blijven. Aan de ene kant is sprake van toegenomen mondiale financiële en economische risico’s, waaronder toegenomen verwevenheid van het mondiale financiële systeem en toegenomen volatiliteit van kapitaalstromen. Aan de andere kant is een aantal belangrijke mitigerende maatregelen genomen sinds de financiële crisis: financiële regelgeving is verscherpt, er vindt betere monitoring plaats door het IMF over de ontwikkeling van mondiale financiële systeemrisico’s en er is een Europees vangnet (ESM) opgericht.

D. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid – artikel 4 Internationale financiële betrekkingen (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

1.106.696

3.277.032

912.681

35.114

29.692

925.163

1.771

 

waarvan betalingsverplichtingen

107.144

223.991

912.681

35.114

29.692

925.163

1.771

   

Wereldbank

0

219.908

877.856

0

0

923.392

0

   

AIIB

1.296

2.352

0

0

0

0

0

   

Technische assistentie kiesgroeplanden

2.548

1.731

1.731

1.731

1.731

1.731

1.731

   

SMP/ANFA

103.300

0

33.010

33.300

27.920

0

0

   

Overige betalingsverplichtingen

0

0

84

83

41

40

40

                   
 

waarvan garantieverplichtingen

999.551

3.053.041

0

0

0

0

0

   

Wereldbank

199.750

774.998

0

0

0

0

0

   

Garantie aan DNB inzake IMF en BIS

654.645

264.493

0

0

0

0

0

   

Kredieten EU-betalingsbalanssteun

50.000

50.000

0

0

0

0

0

   

EFSM

60.000

60.000

0

0

0

0

0

   

AIIB

31.555

3.125

0

0

0

0

0

   

EIB

3.601

1.900.425

0

0

0

0

0

                   

Uitgaven

502.045

363.150

103.694

208.067

311.099

332.260

355.439

waarvan juridisch verplicht

   

99,8%

       
                   
 

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

397.312

361.419

68.869

172.953

281.407

330.489

353.668

   

Wereldbank

361.037

325.280

68.869

172.953

281.407

330.489

353.668

   

AIIB

36.276

36.139

0

0

0

0

0

                   
 

Leningen

103.300

0

33.010

33.300

27.920

0

0

   

Teruggave winsten SMP/ANFA

103.300

0

33.010

33.300

27.920

0

0

                   
 

Opdrachten

1.432

1.731

1.815

1.814

1.772

1.771

1.771

   

Technische assistentie kiesgroeplanden

1.432

1.731

1.731

1.731

1.731

1.731

1.731

   

Bijdrage kiesgroepkantoor IMF

0

0

84

83

41

40

40

                   

Ontvangsten

5.415

12.040

52.804

142.246

185.595

193.298

191.424

                   
 

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

3.059

4.655

3.279

2.900

2.900

2.800

2.700

   

Ontvangsten IFI's

3.059

4.655

3.279

2.900

2.900

2.800

2.700

                   
 

Leningen

2.356

5.385

49.525

139.346

182.695

190.498

188.724

   

Renteontvangsten lening Griekenland

2.356

5.385

7.569

14.650

22.776

30.579

28.805

   

Terugbetaling lening Griekenland

0

0

41.956

124.696

159.919

159.919

159.919

                   
 

Garanties

0

2.000

0

0

0

0

0

   

Garantie ESM

0

2.000

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Dit budget betreft de bijdragen aan de middelenaanvulling van de International Development Association (IDA, het financieringsloket van de Wereldbank voor de armste landen), IBRD (het bankonderdeel voor middeninkomenslanden), International Finance Corporation (IFC, de private sectortak van de Wereldbank) en aan de AIIB. Al deze bijdragen zijn volledig juridisch verplicht.

Leningen

In de Eurogroep van juni 2018 is besloten om de teruggave van de inkomsten uit het Single Market Programme/Agreement on Net Financial Assets (SMP/ANFA) aan Griekenland te hervatten. De teruggave van de SMP/ANFA-gelden is onder de voorwaarde dat Griekenland afgesproken hervormingen implementeert en geen hervormingen terugdraait. De betalingen zijn daarmee juridisch verplicht, maar kunnen worden stopgezet als Griekenland zich niet aan de afspraken voor het post-programmaraamwerk houdt.

Opdrachten

Technische assistentie aan kiesgroep landen is in beginsel niet juridisch verplicht. Voor 2020 is voor € 1,5 mln. van de in totaal € 1,7 mln. aan technische assistentie reeds in verplichtingen vastgelegd. Het totaal aan niet-juridisch verplichte uitgaven bedraagt 99,8% van het totaal aan uitgaven.

E. Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen

Wereldbank

Nederland draagt via algemene bijdragen aan multilaterale ontwikkelingsbanken en ontwikkelingsfondsen bij aan ontwikkelingssamenwerking. Het grootste deel dat hiervan op de Financiën begroting staat betreft de IDA.

SMP/ANFA

Zie Leningen onder budgetflexibiliteit.

Uitgaven

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Nederland draagt via algemene bijdragen aan de Wereldbank bij aan ontwikkelingssamenwerking. Het grootste deel dat hiervan op de begroting van het Ministerie van Financiën staat betreft IDA, het onderdeel van de Wereldbankgroep dat concessionele leningen – en in beperkte mate schenkingen – verstrekt aan de armste landen in de wereld. Elke drie jaar worden de middelen voor dit onderdeel van de Wereldbank aangevuld door donoren. Nederland zal naar verwachting eind 2019 voor de 19e middelenaanvulling van IDA, een nieuwe financiële toezegging aangaan. Om het kasritme van de Staat te optimaliseren is besloten om € 179,9 mln. van de Nederlandse kernbijdragebetalingen aan IDA voor de 17e en de 18e middelenaanvullingsrondes, die gepland stonden voor 2020, al in 2019 te betalen. De rest van de uitgaven aan de Wereldbank bestaan uit een aanvullende kapitaalinleg voor de bankonderdelen IBRD en IFC.

Leningen

Zie Leningen onder budgetflexibiliteit.

Opdrachten

Voor de komende jaren zijn middelen gereserveerd voor technische assistentie aan landen in de Nederlandse IMF/Wereldbank/EBRD-kiesgroepen. De technische assistentie is er vooral op gericht om deze kiesgroeplanden te ondersteunen in hun financieel-economische beleid. Daarbij wordt gebruik gemaakt van Nederlandse expertise. Door nieuwe inzichten is technische assistentie sinds 2017 vormgegeven door middel van een arrangement in plaats van een subsidie.

Ontvangsten

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Er wordt een structurele reeks verwacht aan ontvangsten van IFI’s. Het gaat hierbij om terugbetalingen van leningen door de EIB en de Wereldbank.

Leningen

Onder het eerste leningenprogramma aan Griekenland, uit 2010, heeft Nederland bilaterale leningen verstrekt. In totaal heeft Nederland voor € 3,2 mld. aan leningen verstrekt. Griekenland betaalt hier per kwartaal rente over. De rente die Griekenland betaalt is de 3-maands Euribor-rente plus een opslag van 50 basispunten. Vanaf 2020 zal Griekenland deze bilaterale leningen gaan aflossen.

Meetbare gegevens

Overzicht internationale financiële instellingen en fondsen (bedragen x € 1 mld.)
 

IFC1

MIGA2

IBRD3

EIB4

AIIB5

EBRD6

IMF7

ESM8

EFSF9

EFSM

BoP

Garantie/oproepbaar bedrag

n.v.t.

0,03

4,8

9,9

0,7

0,6

43,6

35,4

34,2

2,9

2,5

Deelneming in kapitaal

0,05

0,01

0,3

1,0

0,2

0,2

n.v.t.

4,6

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Deelneming in %

2,2

2,2

2,0

4,5

1,1

2,5

1,8

5,7

6,1

4,9

4,9

Financieel profiel instelling of fonds

Uitstaande bedragen

37,0

18,6

162,5

430,5

1,2

30,2

78,0

89,9

174,6

46,8

1,7

Toegezegd-niet uitgekeerd

9,8

n.v.t.

59,9

105,6

2,9

13,1

110,7

0

0

0

0

Totaal toegezegde bedragen

46,8

18,6

222,5

536,0

4,1

43,3

188,7

89,9

174,6

46,8

1,7

Totale uitleencapaciteit10

n.v.t.

24,9

265,5

719,4

84,4

40,5

877,1

500

240

60

50

X Noot
1

Cijfers per 30-6-2018, wisselkoers per 1-3-2019. Bron: IFC Financial Statements Fiscal Year 2018.

X Noot
2

Cijfers per 30-6-2018, wisselkoers per 1-3-2019. Bron: MIGA Financial Statements Fiscal Year 2018.

X Noot
3

Cijfers per 30-6-2018, wisselkoers per 1-3-2019. Bron: IBRD Financial Statements Fiscal Year 2018.

X Noot
4

Cijfers per 31-12-2018. Bron: EIB Financial Statements 2018.

X Noot
5

Cijfers per 31-12-2018. Bron: AIIB Financial Statements 2018.

X Noot
6

Cijfers per 31-12-2018. Bron: EBRD Financial Report 2018.

X Noot
7

Cijfers per 30-4-2019, wisselkoers per 1-3-2019. Bron: IMF Financial Statements, Quarter Ended 30 april 2019.

X Noot
8

Cijfers per 11-7-2019. Bron: ESM.

X Noot
9

Cijfers EFSF, EFSM en BoP per 11-7-2019. Bron: website Europese Commissie, EFSM en EFSF.

X Noot
10

Bedragen zijn indicatief en de exacte bedragen, rekenwijze en wat wordt meegenomen verschilt per IFI of fonds.

De bovenstaande tabel geeft een aantal kengetallen van internationale financiële fondsen en instellingen waarin Nederland deelneemt. Per fonds of instelling is de financiële binding weergeven. Hierbij wordt de omvang van de garantie en het gestorte kapitaal weergeven. Verder wordt door middel van verstrekte bedragen en de maximale capaciteit een financieel profiel gemaakt van het fonds of de instelling.

Artikel 5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

A. Algemene doelstelling

Het verzekeren van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan Nederlandse export en buitenlandse investeringen die zonder deze verzekering niet tot stand zouden zijn gekomen, en het creëren en handhaven van een internationaal gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op het terrein van de exportkredietverzekeringsfaciliteit (ekv-faciliteit).

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën heeft de rol van regisseur bij de uitvoering van de exportkredietverzekeringsfaciliteit (ekv-faciliteit). De Nederlandse Staat treedt op als verzekeraar en Atradius Dutch State Business N.V. (ADSB) voert de ekv-faciliteit uit, in naam van en voor rekening en risico van de Staat. De Minister stelt de randvoorwaarden vast waaronder ADSB verzekeringen mag afgeven. De Minister van Financiën is budgetverantwoordelijk, maar is samen met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking beleidsverantwoordelijk voor het verstrekken van de verzekeringen. Beide ministers stimuleren een gelijkwaardig speelveld op het gebied van de exportondersteunende maatregelen.

Op basis van de «Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën» biedt de Nederlandse Staat, in aanvulling op de private markt, faciliteiten aan waarmee Nederlandse ondernemers en hun financiers betalingsrisico’s kunnen afdekken bij de Staat. Met de verschillende producten binnen de exportkrediet- en investeringsverzekeringen kunnen Nederlandse bedrijven meer exportorders binnenhalen die in het bijzonder op (middel)lange termijn gefinancierd worden37.

De ekv-faciliteit van de Nederlandse Staat is aanvullend aan de markt. Dit betekent dat exporteurs aanspraak kunnen maken op de ekv-faciliteit als exportorders niet commercieel verzekerd kunnen worden. Zo kan de export, ook naar politiek en economisch ingewikkelde landen, toch doorgaan. Er is duidelijk vastgelegd welke risico’s (looptijd, omvang en landen) verzekerd kunnen worden op de private markt en dus voor welke risico’s de Nederlandse Staat aanvullende zekerheid kan bieden. Daarnaast stelt de Minister van Financiën voor alle verzekeringsproducten een risicokader vast. Hierin staan de randvoorwaarden voor het afgeven van een verzekering, waarmee de Staat vaststelt welke risico’s als verantwoord worden beschouwd.

Net als Nederland hebben veel landen in de wereld een eigen ekv-faciliteit. Nederland zet zich internationaal in om afspraken te maken over exportondersteuning en om Nederlandse exporteurs en hun financiers onder gelijke voorwaarden te kunnen laten concurreren. Deze afspraken zijn vastgelegd in de «Arrangement» en waarborgen een internationaal gelijk speelveld38. Zo worden er afspraken gemaakt over de voorwaarden waaronder exportkredietverzekeringen mogen worden verstrekt, zoals kostendekkendheid, minimumpremies, maximale looptijden, het gebruik van ontwikkelingshulpgelden en verantwoord leenbeleid.

Maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) heeft internationaal, maar ook nationaal de aandacht. De Nederlandse Staat vervult bij het uitvoeren van de ekv een voorbeeldfunctie voor niet ekv-gedekte exporttransacties, er is continu aandacht voor een gedegen uitvoering van het beleid voor mvo binnen de ekv-aanvragen. Het Nederlandse beleid voor de toetsing van ekv-aanvragen op de milieu- en sociale-effecten, dat in een aantal opzichten strenger is dan de internationale richtlijnen op dit gebied, is vastgelegd in het zogeheten Beleidsdocument mvo39. In het jaarverslag van ADSB worden de inspanningen en resultaten beschreven.

C. Beleidswijzigingen

Zoals in de beleidsagenda (onderdeel 2.1 Beleidsprioriteiten) is aangekondigd zal de ekv in 2020 aandacht besteden aan het vergroenen van de verzekeringsportefeuille. Vanaf 2019 worden nieuwe transacties geclassificeerd om het aantal groene polissen in de portefeuille te kunnen meten. Daarnaast zullen internationale projecten ook worden gescoord op Sustainable Development Goals (SDGs). Zo zijn er infrastructuurprojecten die scoren op de Sustainable Development Goals 8 (economische groei) en 9 (industrie, innovatie en infrastructuur). Wanneer projecten meer met water te maken hebben, zoals een zuiveringsinstallatie, scoren deze op Sustainable Development Goals 6 (schoon water en sanitair) en 14 (leven in het water). De Nederlandse ekv is met het in kaart brengen van groene transacties en SDG-relevantie internationaal een van de voorlopers.

De ekv is er nadrukkelijk niet alleen voor het grootbedrijf maar ook voor het mkb. Mkb’ers hebben echter vaak andere behoeften dan het grootbedrijf. In 2019 is een pilot ingesteld voor een product waar naar verwachting vooral mkb-bedrijven van zullen gebruikmaken, namelijk het verzekeren van kortlopende betalingsrisico’s – bijvoorbeeld op de levering van consumentenproducten – op klanten uit «non-investment-grade»-landen. Dit product heet Omzetpolis Opkomende Markten (OOM). Het verzekeren van dergelijke risico’s is op de markt vrijwel onmogelijk. Omdat dit een nieuw werkterrein is met een nieuw type risico is er gekozen voor een pilot van anderhalf jaar, waarna een evaluatie uit zal wijzen of dit product aangeboden zal blijven. Het totaal aan afgegeven limieten zal bovendien gemeten worden. Tijdens de pilot zal de blootstelling echter niet boven de € 100 mln. uitstijgen.

De budgettaire verwerking van de financiële stromen van artikel 5 is in 2019 aangepast. Naar aanleiding van een gewijzigde manier van boeken door het CBS van schades en recuperaties,