35 210 Voorjaarsnota 2019

Nr. 2 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 25 juni 2019

De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Financiën over de brief van 29 mei 2019 inzake de Voorjaarsnota 2019 (Kamerstuk 35 210, nr. 1).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 24 juni 2019. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Anne Mulder

Adjunct-griffier van de commissie, Schukkink

Vraag 1

Hoe ontwikkelen de uitgaven aan de AOW, als percentage van het bruto binnenlands product (bbp), zich indien de huidige praktijk omtrent de AOW zich voortzet?

Vraag 2

Hoe ontwikkelen de uitgaven aan de AOW, als percentage van het bbp, zich indien het pensioenakkoord zoals nu bekend is doorgang vindt?

Vraag 3

Hoe ontwikkelen de uitgaven aan de AOW, als percentage van het bbp, zich indien de pensioengerechtigde leeftijd op 66 wordt vastgezet?

Vraag 4

Hoe ontwikkelen de uitgaven aan de AOW, als percentage van het bbp, zich indien de pensioengerechtigde leeftijd op 65 wordt vastgezet?

Antwoord op vraag 1, 2, 3 en 4

Hieronder geven we voor vier scenario’s aan wat de verwachte uitgaven aan AOW als percentage van het BBP (met als uitgangspunt 2023, omdat dit het einde van de begrotingshorizon is).

Bij huidige wetgeving wordt er 4,9 procent aan AOW uitgegeven als percentage van het BBP. Na verwerking van het pensioenakkoord wordt dit 5,0 procent. Als er voor wordt gekozen om de AOW-leeftijd 66 jaar te houden vanaf 2020 worden de uitgaven aan AOW als percentage van het BBP 5,2 procent in 2023. En als er wordt gekozen voor het houden van de AOW-leeftijd op 65 jaar, dan wordt het percentage 5,5 procent in 2023.

Het CPB heeft in de middellange-termijn verkenning 2018–2021 (CPB, 30 maart 2016) voor de huidige wetgeving ook een prognose opgenomen van de AOW-uitgaven als percentage van het bbp op de langere termijn: 6,1 procent in 2040 en 5,3 procent in 2060. Voor andere AOW-paden zijn geen ramingen van de AOW-uitgaven.

Recent heeft het CPB een notitie gepubliceerd waarin gekeken is naar de houdbaarheidseffecten van wijzigingen in de AOW-leeftijd. Zij concluderen dat het houdbaarheidssaldo met ongeveer 1%-punt bbp verslechtert als de AOW-leeftijd wordt vastgezet op 67 jaar en 4 maanden. Het vastzetten op 67 jaar kost ongeveer 1,1%-punt bbp. Hierbij gaat het om houdbaarheidseffecten. Dat wil zeggen dat er niet alleen rekening wordt gehouden met het effect AOW-uitgaven, maar ook op derving van AOW-premie en andere inkomsten, uitgaven aan overige sociale zekerheidsregelingen en het (indirecte) effect op de arbeidsparticipatie en de doorwerking daarvan op de economische groei.

Vraag 5

Kunt u in een overzicht tonen hoeveel gemeenten er de komende jaren op vooruit gaan als gevolg van de extra middelen voor jeugdzorg? Kunt u in dit overzicht ook tonen hoeveel gemeenten verliezen als gevolg van de verlaging van het accres?

Antwoord op vraag 5

In de onderstaande tabel ziet u wat gemeenten er in de komende jaren op vooruit gaan als gevolg van de extra middelen voor jeugdzorg:

(bedragen in mln. euro)

2019

2020

2021

Extra middelen jeugdhulp

420

300

300

Deze extra middelen lopen mee in de grondslag van het gemeentefonds en hebben daardoor vanaf 2020 een structureel accreseffect, bovenop de bovenstaande reeks.

In de onderstaande tabel ziet u de cumulatieve accresontwikkeling in de komende jaren. Via de normeringssystematiek volgt de ontwikkeling van het gemeentefonds de ontwikkeling van de Rijksuitgaven. Er kan daarom niet gesproken worden van een verlies van accres. Wel kan er sprake zijn van een neerwaartse bijstelling van eerdere ramingen.

(bedragen in mln. euro)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Raming Miljoenennota 2018

805

1.250

1.695

2.090

2.555

N/A

N/A

Raming Startnota

1.124

2.187

3.325

4.263

5.433

N/A

N/A

Raming Miljoenennota 2019

955

2.167

3.178

4.015

5.017

6.109

N/A

Raming Voorjaarsnota 2019

8071

2.093

2.929

3.627

4.447

5.505

6.488

X Noot
1

Op basis van realisatie, Financieel jaarverslag van het Rijk 2018.

In de eerste rij ziet u cumulatieve accresontwikkeling zoals geraamd ten tijde van de Miljoenennota 2018 (september 2017)(Kamerstuk 34 775, nrs. 1 en 2). In de rij daaronder ziet u de raming van de cumulatieve accresontwikkeling zoals geraamd ten tijde van de Startnota (november 2017)(Kamerstuk 34 775, nr. 54), als gevolg van het Regeerakkoord. In de onderste rij ziet u de meest recente raming van de cumulatieve accresontwikkeling, op basis van de Voorjaarsnota 2019. In deze rij is tevens de definitieve stand van het accres 2018 verwerkt.

Graag merk ik op dat de neerwaartse ramingsbijstelling van het extra accres 2018 ten opzichte van de raming bij Startnota het gevolg is van onderuitputting op de rijksuitgaven in 2018. De neerwaartse bijstelling in latere jaren is het gevolg is van de lagere loon- en prijsontwikkeling dan ten tijde van de Startnota werd geraamd. De lagere loon- en prijsontwikkeling is daarmee geen reële tegenvaller voor gemeenten, omdat hier ook voor gemeenten lagere lonen en prijzen tegenover staan.

Vraag 6

Gaan gemeenten er de resterende kabinetsperiode financieel op vooruit of achteruit ten opzichte van 2018?

Antwoord op vraag 6

Als gevolg van kabinetsbeleid groeit het gemeentefonds in de komende jaren in omvang, zoals blijkt uit onderstaande tabel.

Of gemeenten er de resterende kabinetsperiode financieel op vooruit of achteruitgaan ten opzichte van 2018 is niet alleen afhankelijk van ontvangsten uit het gemeentefonds maar ook van andere factoren, zoals de hoogte van lokale belastingen en de kostenontwikkeling.

(bedragen in mln. euro)

2018

2019

2020

2021

Stand slotwet 2018

29.083

     

Raming Voorjaarsnota 2019, inclusief accressen

 

31.160

31.543

32.048

Vraag 7

Waarom is ervoor gekozen om jeugdhulpmiddelen uit 2022 toe te voegen en die vervolgens naar voren te schuiven, in plaats van de extra middelen direct in het gewenste jaar toe te voegen? Waarom is de bijdrage van het Budgettair Kader Zorg (BKZ) aan jeugdhulp een plafondcorrectie en geen overboeking?

Vraag 23

Wat is de reden dat voor de extra middelen jeugdhulp ook in 2022 een bedrag van 190 miljoen euro wordt uitgetrokken terwijl gemeenten tot en met 2021 geld ontvangen? Kunt u deze hele constructie met kasschuiven en plafondcorrecties duidelijker beargumenteren?

Antwoord op vraag 7 en 23

Oorspronkelijk was er voor de jeugdhulp een andere budgettaire reeks voorzien dan hoe die uiteindelijk wordt uitgekeerd. Die oorspronkelijke reeks was reeds budgettair verwerkt in het gemeentefonds en is op een later moment, mede na overleg met gemeenten, in een ander kasritme geplaatst. Daarvoor was een kasschuif vereist.

De extra middelen zijn aan het gemeentefonds toegevoegd binnen de budgetdisciplinesector rijksbegroting. Deze middelen zijn afkomstig uit de budgetdisciplinesector zorg. Dit sluit aan bij de oorspronkelijke middelen voor de jeugdhulp, die voor een belangrijk deel ook afkomstig waren van het BKZ. Omdat middelen van de ene naar de andere budgetdisciplinesector zijn overgeheveld, is er sprake van een plafondcorrectie en geen overboeking.

Vraag 8

Kunt u een duidelijk overzicht geven van de uiteindelijke onderuitputting op de rijksbegroting in 2018 waarbij duidelijk wordt gemaakt welk deel via de eindejaarsmarge ten goede komt aan de begroting 2019, welke deel via andere afspraken naar de begroting 2019 of latere jaren is doorgeschoven en welk deel is teruggevloeid naar het algemene beeld?

Vraag 10

Zijn er ministeries die in 2018 meer geld overhielden dan de eindejaarsmarge? Zo ja, welke ministeries, welke bedragen betrof het en wat waren de voornaamste oorzaken?

Vraag 50

Hoeveel geld dat in 2018 niet is besteed vanwege onderbestedingen blijft beschikbaar voor het betreffende ministerie? Hoeveel geld vloeit naar de algemene middelen/aflossing staatsschuld?

Vraag 78

Kunt u per begrotingshoofdstuk aangeven hoe hoog de eindejaarsmarge is als percentage van het totale begrotingshoofdstuk?

Vraag 79

Kunt u per begrotingshoofdstuk aangeven hoeveel geld (in miljoenen euro's) er niet kon worden meegenomen met de eindejaarsmarge?

Vraag 80

Kan een toelichting worden gegeven op de eindejaarsmarges van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport? Hebben deze ministeries, naast die van Infrastructuur en Waterstaat en Defensie die al in de rest van de tekst zijn toegelicht, hoge eindejaarsmarges?

Antwoord op vraag 8, 10, 50, 78, 79 en 80

Conform de begrotingsregels mogen departementen in principe één procent van hun begrotingsomvang aan onderuitputting via de eindejaarsmarge meenemen naar latere jaren. Voor een aantal onderdelen op de begroting zijn aparte regels omtrent de maximale eindejaarsmarge. Vanwege het investeringskarakter van de fondsen (o.a. Gemeentefonds, Provinciefonds, Infrastructuurfonds en Deltafonds) en het investeringsartikel op de begroting van Defensie (Beleidsartikel 6 Investeringen Krijgsmacht) geldt dat deze geen maximale eindejaarsmarge hebben. Niet uitgegeven investeringsuitgaven uit het jaar t worden bij deze onderdelen dan ook volledig toegevoegd aan de begroting van latere jaren. Voor HGIS geldt een maximale eindejaarsmarge van 181,5 miljoen euro, die over drie jaar verspreid mag worden. Daarnaast gelden er aparte afspraken omtrent diverse specifieke dossiers. Het gaat hier bijvoorbeeld om de sectorplannen bij SZW en de aanschaf van het regeringsvliegtuig. Middelen voor deze dossiers worden buiten de reguliere eindejaarsmarge aanvullend meegenomen. Voor het Ministerie van OCW zijn geen aanvullende regels over de hoogte van de eindejaarsmarge.

Als departementen een grotere onderuitputting hebben dan hun maximale eindejaarsmarge, dan worden deze middelen afgeroomd voor het generale beeld. In 2018 betrof dit circa 272 miljoen euro. De departementen SZW, VWS en BZK hebben meer onderuitputting dan hun maximale eindejaarsmarge:

  • Bij SZW wordt een deel van de onderuitputting (ca. 25 miljoen euro) verklaard door het stopzetten van het Waarborgfonds Kinderopvang. Dit heeft geleid tot een incidentele terugbetaling. Verder is er bij SZW sprake van onderuitputting op verschillende subsidie- en opdrachtenbudgetten.

  • Bij VWS is de onderuitputting verspreid over de verschillende budgetten op de begroting en heeft per geval een andere oorzaak. Er zijn daardoor geen generieke uitspraken te doen over de totale onderuitputting. Naar aanleiding van onderuitputting op Regeerakkoordmiddelen, heeft VWS incidenteel een hogere eindejaarsmarge dan de standaard 1% eindejaarsmarge (8 mln. hoger).

  • De eindejaarsmarge van BZK is dit jaar hoger dan de totale onderuitputting, vanwege de onderuitputting op de huurtoeslag.

Departementen zijn vrij om de uitgekeerde eindejaarsmarge in te zetten voor incidentele uitgaven in het lopende jaar. Vaak wordt de eindejaarsmarge gebruikt om incidentele problematiek of vertraagde uitgaven in het lopende jaar op te lossen. Aanwending van de eindejaarsmarge vindt zijn beslag in de Voorjaarnota 2019 of in de Miljoenennota 2020. In de Verticale Toelichting bij de Voorjaarsnota staat beschreven hoe departementen dat hebben gedaan.

Overzicht eindejaarsmarges 2018: Bedragen in duizenden euro’s.

Begroting

Stand ontwerpbegroting 2018

Maximale eindejaarsmarge 2018

Onderuitputting in 2018

Eindejaars-marge in 2019

Eindejaars-marge in 2020

Percentage eindejaars-marge t.o.v. stand

Staten-Generaal

143.898

1.439

2.369

– 2.369

 

– 1,6%

Overige Hoge Colleges van Staat

113.363

1.134

– 3.142

1.134

 

1,0%

Algemene Zaken

63.233

632

– 2.891

632

 

1,0%

Koninkrijksrelaties

93.384

924

– 38

38

 

0,0%

Justitie en Veiligheid

12.047.630

120.476

– 24.687

24.687

 

0,2%

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

5.454.998

54.550

– 60.760

54.550

 

1,0%

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

36.863.634

368.636

– 10.279

10.279

 

0,0%

Financiën

6.345.945

32.603

11.385

– 11.385

 

– 0,2%

Defensie (excl. art. 6)

6.763.632

67.636

– 1.654

1.654

 

0,0%

Defensie

(art. 6)

2.016.286

Onbeperkt

– 1.279.852

1.279.852

 

63,5%

Infrastructuur en Waterstaat (excl. fondsen)

1.698.886

16.989

– 16.600

– 12.524

 

– 0,7%

Economische Zaken en Klimaat

3.687.552

36.876

– 17.160

19.163

 

0,5%

Landbouw, Natuur en Visserij

667.914

6.679

 

– 2.003

 

– 0,3%

Sociale Zaken en Werkgelegenheid (plafond Rijksbegroting)

557.377

5.574

– 95.006

9.906

 

1,8%

Sociale Zaken en Werkgelegenheid (plafond Sociale Zekerheid)

19.371.215

193.712

– 12.815

12.815

 

0,1%

Volksgezondheid, Welzijn en Sport (plafond Rijksbegroting)

2.695.697

26.957

– 168.586

34.996

 

1,3%

Gemeentefonds (art. 2.1)

1.711

1.000

– 1.109

1.000

 

58,4%

Gemeentefonds (overig)

18.909.165

Onbeperkt

– 309.688

309.688

 

1,6%

Provinciefonds

2.187.740

Onbeperkt

– 43

43

 

0,0%

Infrastructuurfonds

6.243.177

Onbeperkt

– 895.505

895.505

 

14,3%

Deltafonds

1.119.328

Onbeperkt

– 29.937

29.937

 

2,7%

HGIS

4.662.088

181.500

– 15.622

2.500

13.122

0,3%

Vraag 9

Kunt u aangeven wat de oorzaken zijn van de overschrijdingen bij de Staten-Generaal, het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit?

Vraag 24

Wat is de reden dat de begrotingen voor de Staten-Generaal, het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een negatieve eindejaarsmarge hebben?

Antwoord op vraag 9 en 24

Een negatieve eindejaarsmarge is het directe gevolg van een overschrijding van de gehele begroting in het vorige jaar. Dit saldo wordt 1 op 1 door vertaald. De negatieve eindejaarmarge van de begroting van de Staten-Generaal wordt deels verklaard door de oningevulde taakstellingen van de kabinetten Rutte I en II (zie voor een verdere toelichting het antwoord op vraag 83) en voor het andere deel door hogere uitgaven voor schadeloosstelling. In de Slotwet van de Staten-Generaal wordt het resultaat nader toegelicht.

Het Ministerie van Financiën heeft een negatieve eindejaarsmarge van € 11,4 mln. (ca. 0,2%) in 2019. Dit komt doordat het Ministerie van Financiën per saldo haar specifieke deel van de begroting in 2018 met dit bedrag heeft overschreden. Deze overschrijding wordt volgens de begrotingsregels in het daaropvolgende jaar gecompenseerd met een negatieve eindejaarsmarge. De overschrijding in 2018 betreft voornamelijk hogere personele en materiele uitgaven bij de Belastingdienst om de (reguliere) ICT in den brede te verbeteren.

Er is niet één oorzaak aan te wijzen voor de overschrijding van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in 2018. Dit is veroorzaakt door een saldo van verschillende onderschrijdingen en overschrijdingen aan de uitgavenkant en aan de ontvangstenkant van de begroting. Een aanzienlijk nadeel aan de ontvangstenkant is ontstaan door een lagere sectorbijdrage in de uitvoeringskosten van RVO.nl voor het Fosfaatreductieplan. De geraamde ontvangsten hiervoor zijn niet volledig in 2018 gerealiseerd en schuiven door naar 2019. Dit is eerder toegelicht in de Veegbrief (Kamerstuk 35 000-XIII, nr. 76).

Vraag 10

Zijn er ministeries die in 2018 meer geld overhielden dan de eindejaarsmarge? Zo ja, welke ministeries, welke bedragen betrof het en wat waren de voornaamste oorzaken?

Antwoord op vraag 10

Zie antwoord op vraag 8.

Vraag 11

Kunt u aangeven waar de 220 miljoen euro onderuitputting waarmee de in=uit-taakstelling wordt ingevuld zich precies heeft voorgedaan? Waarom is ervoor gekozen om deze 220 miljoen euro te gebruiken ter invulling voor de in=uit-taakstelling en niet bij Voorjaarsnota te herprioriteren voor maatschappelijke doelen?

Vraag 25

Op welke manier en met welke budgetten (precies) is de in=uit-taakstelling voor 2019 voor 220 miljoen euro ingevuld (graag een opsomming van alle mutaties)?

Antwoord op vragen 11 en 25

De in=uittaakstelling is de tegenhanger van de eindejaarsmarge. Deze in=uittaakstelling wordt gevuld met onderuitputting die gedurende het jaar ontstaat. In de Voorjaarsnota wordt de in=uittaakstelling voor een bedrag van 220 miljoen euro geboekt. Dit bedrag valt vrij uit het rijksbrede beeld van meevallers onder het uitgavenplafond en is niet gekoppeld aan specifieke mutaties.

In de Voorjaarsnota maakt het kabinet geld vrij voor opgaven, knelpunten in de uitvoering van beleid en de realisatie van projecten. Met deze keuzes adresseert het kabinet belangrijke maatschappelijke opgaven, zoals Groningengas, asiel en migratie, klimaat, defensie en onderwijs. Daarnaast maakt het kabinet de keuze om het bedrag van 220 miljoen euro in te zetten voor invulling van de in=uittaakstelling, zodat het risico op een plafondoverschrijding wordt verkleind. Het geheel aan maatregelen in de Voorjaarsnota leidt tot een evenwichtig pakket waarmee zowel maatschappelijke opgaven worden geadresseerd als risico’s worden beperkt.

Vraag 12

Is er bij Voorjaarsnota al onderuitputting gesignaleerd? Zo ja, hoeveel en op welke programma's?

Antwoord op vraag 12

In de Voorjaarsnota wordt een risico op onderuitputting gemeld op het Infrastructuurfonds. De aankomende periode wordt gebruikt om dit risico verder in kaart te brengen. Ook wordt bezien welke mogelijkheden voorhanden zijn om de programmering, raming en realisatie van projecten te optimaliseren. Daar waar nodig wordt de aansluiting van de beschikbare middelen op de programmering van de projecten vertaald naar de begroting. Zo nodig wordt de begroting van Defensie hier ook bij betrokken. Het kabinet informeert het parlement over deze uitkomsten uiterlijk bij de Miljoenennota 2020.

Vraag 13

In hoeverre wordt bij de verdeling van de extra 400 miljoen euro in 2019 voor jeugdhulp aan de verschillende gemeenten rekening gehouden met de aard en omvang van de problematiek per gemeente? Ontvangen gemeenten die geen tekorten hebben op jeugdhulp ook een hogere bijdrage dankzij de extra rijksmiddelen bij Voorjaarnota?

Vraag 14

Hoe kan en gaat de regering bewerkstelligen en monitoren of de jeugdhulpmiddelen ook besteed worden aan oplossing van de geconstateerde problematiek?

Antwoord op vraag 13 en 14

De extra middelen voor jeugdhulp zijn toegevoegd aan de algemene uitkering van het gemeentefonds en worden verdeeld via de criteria van het subcluster Jeugdhulp, op dezelfde wijze als waarop de eerder overgehevelde jeugdhulpmiddelen worden verdeeld. In de verdeling wordt niet specifiek rekening gehouden met budgettaire tekorten per gemeente. Wel houdt de verdeling van de algemene uitkeringen rekening met de objectieve verschillen tussen de gemeenten onderling in het vermogen tot het voorzien in eigen inkomsten en met de verschillen in noodzakelijke uitgaven, zoals is voorgeschreven in de Financiële-verhoudingswet.

Het kabinet heeft afspraken gemaakt met de VNG om het jeugdhulpstelsel effectiever, efficiënter en beter te laten functioneren en de vernieuwing van de jeugdzorg te bespoedigen. Hierbij is afgesproken dat in het najaar van 2020 op basis van nieuwe gegevens een nieuw onderzoek naar volume- en uitgavenontwikkeling wordt afgerond met daarin de volgende elementen:

  • De volume- en uitgavenontwikkeling in de periode 2015–2019, waarbij voor de periode 2015–2017 gebruik wordt gemaakt van het recent afgeronde verdiepend onderzoek jeugd.

  • De verklarende factoren van de geconstateerde volume- en uitgavenontwikkeling. Voor dit onderdeel wordt input gebruikt van onder meer het onderzoek naar «inzicht in de patronen bij uitgavenontwikkeling» in een aantal jeugdzorgregio’s. Op dit onderzoek wordt uitgebreider ingegaan bij de bestuurlijke afspraken.

  • De aard van de volume- en uitgavenontwikkeling en de mogelijkheden, inclusief de verbreding van het aanbod, om deze te beheersen.

  • De ontwikkeling (en verklarende factoren) van de kostprijs per traject.

  • De verschillen tussen gemeenten onderling.

  • Het effect van getroffen maatregelen.

  • Mogelijke beleidsmaatregelen op lokaal en nationaal niveau.

Vraag 15

Op welke wijze kan de Kamer bij het jaarverslag nagaan in hoeverre de extra jeugdhulpmiddelen doelmatig en doeltreffend zijn ingezet?

Vraag 31

Op welke manier kan de Kamer bij het jaarverslag nagaan in hoeverre middelen voor regionale knelpunten (zoals jeugdzorg) inderdaad doelmatig en doeltreffend zijn ingezet?

Antwoord op vraag 15 en 31

De doelmatige en doeltreffende aanwending van de extra jeugdhulpmiddelen is een taak van de ontvangende gemeenten. De colleges van burgemeester en wethouders verantwoorden zich hierover richting de betreffende gemeenteraden. In algemene zin wordt de uitvoering gemonitord en geëvalueerd. De doelmatige en doeltreffende uitvoering van de jeugdhulp maakt daar onderdeel van uit.

Vraag 16

Hoe en wanneer wordt bij mutaties van de aanvullende post naar niet-beleidsartikelen gecontroleerd op adequate bestedingsplannen?

Antwoord op vraag 16

Voor alle overhevelingen van de Aanvullende Post naar departementale begrotingen geldt dat het ontvangende departement een adequaat bestedingsplan moet indienen bij het Ministerie van Financiën. Het ministerie toetst vervolgens op de doelmatigheid en doeltreffendheid van het bestedingsplan. Dit is een intern ambtelijk proces. Na akkoord worden de middelen bij de reguliere begrotingsmomenten overgeheveld naar de departementale begroting. In de toetsing wordt geen onderscheid gemaakt tussen beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen. Alle overhevelingen van de Aanvullende Post moeten voldoen aan de criteria van doelmatigheid en doeltreffendheid. Over het algemeen genomen worden middelen van de Aanvullende Post overgeheveld naar beleidsartikelen. In sommige gevallen worden de middelen tijdelijk op het niet-beleidsartikel «onverdeeld» geplaatst, zodat het departement deze middelen vervolgens kan door verdelen naar de juiste onderdelen.

Vraag 17

Kunt u alsnog ingaan op de variant die is geopperd tijdens het AO Rijksbrede Ontwikkelingen in Begroten en Verantwoorden van 14 februari 2019 (Kamerstuk 31 865, nr. 129) dat elke overheveling van de aanvullende post naar een departement vergezeld zou moeten gaan van een brief van de vakminister én de Minister van Financiën, en waarin naast de overheveling zelf ook de inpassing van artikel 3.1 Comptabiliteitswet (CW) 2016 wordt toegelicht?

Antwoord op vraag 17

Ik begrijp de wens om een toelichting te krijgen op het moment dat middelen van de aanvullende post worden overgeheveld naar een departementale begroting. Ik ben het met u eens dat de overheveling navolgbaar moet zijn en dat dit wordt toegelicht conform de vereisten in artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet.

Om de navolgbaarheid van de overheveling van middelen op de aanvullende post te vergroten heb ik de bijlage bij de budgettaire nota’s uitgebreid met een specificatie van de Aanvullende Post-middelen tot het niveau van begrotingsartikelen. Vakministers zijn zelf verantwoordelijk voor de onderbouwing en evaluatie van hun beleid en dus voor de toepassing van CW 3.1. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid monitor ik de toepassing van CW3.1 bij voorstellen met significante financiële gevolgen. Daarbij staat voor mij voorop dát de Kamer de toelichting conform CW 3.1 krijgt voor parlementaire bespreking. Dit kan in de begroting zelf, maar ook in een aparte brief. Ik zal in mijn monitorrapportage extra aandacht besteden aan de toepassing van artikel 3.1 bij overgehevelde AP-middelen. U kunt mijn tweede monitorrapportage in het najaar verwachten.

Vraag 18

Kunt u toelichten aan welke eisen de inhoud van de evaluatieparagraaf moet voldoen bij voorstellen met significante financiële gevolgen voor het Rijk en/of maatschappelijke sectoren, conform de motie-Van Weyenberg/Dijkgraaf (Kamerstuk 34 725, nr. 8) en artikel 3.1 CW?

Antwoord op vraag 18

In de evaluatieparagraaf moet conform de motie-Van Weyenberg/Dijkgraaf worden aangegeven of en hoe een voorstel geëvalueerd gaat worden. Het gaat daarom enerzijds om een onderbouwing van het wel of niet evalueren van een voorstel en anderzijds om de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de evaluatie van het voorstel. Daar zijn geen uniforme eisen gesteld, maar staan er wel handvatten in het IAK (www.naarhetiak.nl). Zo kan je de evaluatieparagraaf toelichting geven op het soort evaluatie, de gekozen indicatoren, in te zetten evaluatiemethoden, benodigde gegevens, planning en uitvoerder van de evaluatie. De specifieke inhoud van de evaluatieparagraaf vergt maatwerk en zal per voorstel verschillen. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid zie ik erop toe dat er een evaluatieparagraaf is bij voorstellen met substantiële beleidswijzigingen en ondersteun ik evaluaties die gericht zijn op het genereren van bruikbaar inzicht voor verantwoording en verbetering.

Vraag 19

Kunt u een overzichtelijk totaalbeeld geven van de kasschuiven van/naar 2019 van/naar eerdere en latere jaren?

Vraag 26

Hoe en door wie wordt bepaald en getoetst of kasschuiven worden toegestaan? Kunt u een voorbeeld geven van een kasschuif die niet werd toegestaan door uw ambtenaren?

Antwoord op vraag 19 en 26

Kasschuiven worden ingezet om het kasritme van beschikbare middelen aan te laten sluiten bij het jaar waarop de uitgaven zijn voorzien. Zoals alle plafondrelevante uitgaven moeten ook kasschuiven worden ingepast onder het uitgavenplafond. Dat betekent dat het schuiven van middelen leidt tot ontlasting van het uitgavenplafond in het jaar waar de middelen vandaan komen, en tot een belasting voor het jaar waar de middelen naartoe worden geschoven. Bij de beoordeling van kasschuiven wordt daarom altijd eerst bepaald wat het generale effect is op het uitgavenplafond. Daarnaast worden kasschuiven ook inhoudelijk getoetst op doelmatigheid en doeltreffendheid en of ze voldoen aan de begrotingsregels voordat ze worden ingepast.

In 2019 hebben er voor 229 miljoen euro kasschuiven plaatsgevonden onder het deelplafond Rijksbegroting. De onderstaande tabel laat de grootste kasschuiven (ondergrens van 15 miljoen euro) zien. De toelichtingen per departement zijn opgenomen in de Verticale Toelichtingen die als bijlagen wordt meegezonden met iedere budgettaire nota.

Kasschuiven deelplafond Rijksbegroting 2019

2019

Kasschuiven naar 2019 vanaf Najaarsnota 2018

358

Kasschuif Reservering Wederopbouw Sint Maarten

191

Eindejaarsmarge Toekomstfonds 2018

94

Wederopbouw

28

Overige kasschuiven

46

Kasschuiven van en naar 2019 bij Voorjaarsnota (excl. HGIS)

– 129

Kasschuiven: DJI frictiekosten

77

Kasschuif OV

50

Kasschuif Werkdrukmiddelen G33 PO

41

Kasschuif L107 Stimulering ombouw laagcalorisch naar hoogcalorisch

– 15

Kasschuiven begroting XV

– 17

Kasschuif RIF

– 17

Kasschuif InZicht

– 20

Kasschuif F29 Cofinanciering Fonds Warme Sanering Varkenshouderij

– 47

Kasschuiven begroting IXB

– 106

Overige kasschuiven

– 76

Saldo kasschuiven

229

NB. Door afrondingen kan het totaal afwijken.

Vraag 20

Kunt u aangeven hoe u de ambitie van de regering om «de gaswinning zo snel mogelijk naar nul te brengen» in uw begroting heeft verwerkt?

Antwoord op vraag 20

Op 29 maart 2018 heeft het kabinet besloten de gaswinning uit het Groningerveld zo snel als mogelijk af te bouwen naar nul (Kamerstuk 33 529, nr. 457). De budgettaire gevolgen van het zgn. basispad van het Kabinet zijn vervolgens verwerkt in de Miljoenennota 2019 (Kamerstuk 35 000, nrs. 1 en 2). Op 8 februari 2019 heeft MEZK een brief naar de Kamer gestuurd waarin wordt aangegeven dat de gaswinning voor het gasjaar 2019/2020 op advies van GTS met nog 1,5 miljard Nm3 extra naar beneden kan op basis van een gemiddeld temperatuurprofiel (Kamerstuk 33 529, nr. 580). De budgettaire gevolgen van deze extra verlaging zijn meerjarig verwerkt in de Voorjaarsnota 2019. Op dit moment onderzoekt het kabinet of het mogelijk is de gaswinning nog sneller af te bouwen.

Vraag 21

Herkent u zich in de aanbevelingen van de Raad van State ten aanzien van het belang van verdere hervormingen? Hoe heeft u hiermee rekening gehouden in uw begroting?

Antwoord op vraag 21

Zoals in de kabinetsreactie bij de Voorjaarsrapportage van de Raad van State werd vermeld, houdt het kabinet oog voor de aanbevelingen uit het Landenrapport van de Europese Commissie met betrekking tot concrete maatregelen die de economische structuur kunnen versterken. Het kabinet heeft de eerste stappen gezet voor het Nederland van de toekomst, maar hervormingen vergen een lange adem. Er wordt hard gewerkt aan voornemens uit het regeerakkoord

(bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34) op het gebied van woningmarkt, arbeidsmarkt, klimaat en pensioenen.

Het kabinet vindt het belangrijk om na te blijven denken over nieuw beleid. Met de invulling van de motie Sneller (Kamerstuk 32 013, nr. 207) wordt hieraan gewerkt.

Het kabinet heeft bij de aanbieding van het ontwerpklimaatakkoord en bij de eerste reactie op de doorrekening een pakket aan maatregelen aangekondigd. In de voorjaarsbesluitvorming is hiervoor geld gereserveerd. Na besluitvorming over het klimaatakkoord wordt het geld toegevoegd aan de begrotingen. Dit wordt verwerkt in de Miljoenennota 2020. Ook worden binnen de afgesproken uitgavennormering middelen beschikbaar gesteld voor belangrijke opgaven op het terrein van Groningengas, asiel en migratie, klimaat, defensie en onderwijs.

Vraag 22

Welke middelen in het Gemeentefonds zijn bedoeld voor het sociaal domein en hoe is hierbij de toerekening aan de plafonds Rijksbegroting, Zorg en Sociale Zekerheid vormgegeven?

Antwoord op vraag 22

Alle middelen die gemeenten ontvangen uit het gemeentefonds zijn vrij besteedbaar. Daarom zitten er in het gemeentefonds geen middelen die specifiek bedoeld zijn voor het sociaal domein. In de verdeling over de gemeenten van de algemene uitkering wordt wel rekening gehouden met de verschillen tussen de gemeenten onderling in noodzakelijke uitgaven. Om dat te bewerkstelligen wordt er verdeeld in uitgavenclusters. Een aantal uitgavenclusters gezamenlijk kunnen worden getypeerd als «sociaal domein». Daarnaast is er een integratie-uitkering voor de in 2015 gedecentraliseerde taken in het sociaal domein.

Binnen het gemeentefonds vallen de algemene uitkering en decentralisatie-uitkeringen volledig onder de budgetdisciplinesector rijksbegroting. Alleen de resterende integratie-uitkeringen samenhangend met de decentralisaties in het sociaal domein in 2015 zijn nog verdeeld over meerdere budgetdisciplinesectoren, zoals weergegeven in onderstaande tabel.

(bedragen in mln. euro)

Rijksbegroting

Sociale zekerheid

Zorg

Onderzoek

4

   

Algemene uitkering

25.285

   

Decentralisatie-uitkeringen

1.437

   

Integratie-uitkeringen

0

   

Integratie-uitkering sociaal domein

687

1.976

1.771

Vraag 23

Wat is de reden dat voor de extra middelen jeugdhulp ook in 2022 een bedrag van 190 miljoen euro wordt uitgetrokken terwijl gemeenten tot en met 2021 geld ontvangen? Kunt u deze hele constructie met kasschuiven en plafondcorrecties duidelijker beargumenteren?

Antwoord op vraag 23

Zie antwoord op vraag 7.

Vraag 24

Wat is de reden dat de begrotingen voor de Staten-Generaal, het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een negatieve eindejaarsmarge hebben?

Antwoord op vraag 24

Zie antwoord op vraag 9.

Vraag 25

Op welke manier en met welke budgetten (precies) is de in=uit-taakstelling voor 2019 voor 220 miljoen euro ingevuld (graag een opsomming van alle mutaties)?

Antwoord op vraag 25

Zie antwoord op vraag 11.

Vraag 26

Hoe en door wie wordt bepaald en getoetst of kasschuiven worden toegestaan? Kunt u een voorbeeld geven van een kasschuif die niet werd toegestaan door uw ambtenaren?

Antwoord op vraag 26

Zie antwoord op vraag 19.

Vraag 27

Wat is de reden dat er nog ruim 555 miljoen euro aan regeerakkoordmiddelen niet is toegedeeld aan begrotingen voor 2019? Is het denkbaar dat een deel hiervan niet meer uitgekeerd gaat worden?

Vraag 120

Hoe kan het dat er op de aanvullende post nog steeds regeerakkoordmiddelen staan, terwijl het Kabinet al halverwege de rit is? Kan per post aangegeven worden waarom de middelen nog niet tot besteding zijn gekomen dan wel nog niet ingezet zijn?

Antwoord op vraag 27 en 120

Zoals in het Regeerakkoord (bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34) is verwoord, worden intensiveringen uit het Regeerakkoord tijdelijk geparkeerd op de Aanvullende Post in afwachting van een doelmatig en doeltreffend bestedingsplan. Het grootste gedeelte van de gereserveerde middelen is inmiddels overgeheveld naar de departementale begrotingen. Voor de resterende op de Aanvullende Post gereserveerde regeerakkoordmiddelen is nog geen goedgekeurd bestedingsplan ingediend dat voldoet aan de vereiste criteria voor doelmatigheid en doeltreffendheid. Zodra het vereiste bestedingsplan goedgekeurd is, worden de desbetreffende middelen overgeheveld van de Aanvullende Post naar de departementale begroting. Departementen zijn intensief bezig om adequate bestedingsplannen op te stellen zodat de gereserveerde middelen kunnen worden overgeheveld. Verder is de intentie van het kabinet dat deze middelen beschikbaar blijven voor de beoogde doelen.

Vraag 28

Kan gesteld worden dat de Tweede Kamer praktisch gezien pas kort voor het kerstreces formeel besluit over de toedeling van 750 miljoen euro aan regeerakkoordmiddelen en overige budgettaire ruimte die nu nog geparkeerd staat buiten begrotingswetten?

Antwoord op vraag 28

Regeerakkoordgelden voor 2019 die bij de Voorjaarsnota en bijbehorende eerste suppletoire begrotingswetten nog niet zijn toebedeeld aan de begrotingen, kunnen bij de Najaarsnota en daar bijhorende tweede suppletoire begrotingswetten worden overgeboekt naar de begrotingen. In de regel vindt de stemming over deze tweede suppletoire begrotingswetten kort voor het kerstreces van uw Kamer plaats. Regeerakkoordgelden voor 2020 en latere jaren kunnen nog worden verwerkt in de Miljoenennota 2020 en bijbehorende ontwerpbegrotingen. De stemmingen daarover vinden in de regel in het najaar van 2019 plaats.

Vraag 29

Ziet u mogelijkheden om het inzicht en de transparantie in beschikbare klimaatmiddelen, uitgaven en gerealiseerde voortgang te verbeteren?

Antwoord op vraag 29

Er zijn al verschillende bronnen die inzicht en transparantie geven in de beschikbare klimaatmiddelen, uitgaven en gerealiseerde voortgang. Zo rapporteren de departementale begrotingen (waaronder de suppletoire begrotingen) over de beschikbare middelen en uitgaven. De departementale jaarverslagen weergeven de realisatie van de klimaatmiddelen. Daarnaast rapporteert het kabinet in de verplichte rapportages in EU- en VN-verband over de resultaten van het klimaatbeleid. Daarnaast wordt daar ook in de Nationale Energieverkenning (vanaf 2019 de Klimaat- en Energieverkenning) door PBL over gerapporteerd. Verder ontvangt de Tweede Kamer ook rapporten over afzonderlijke instrumenten zoals onlangs de jaarlijkse rapportages over de meerjarenafspraken energie-efficiëntie MJA3 en MEE en de beleidsdoorlichting klimaat.

Vraag 30

Kunt u aangeven welke indicatoren u hanteert om doelmatigheid en doeltreffendheid van de middelen voor regionale knelpunten te bepalen?

Antwoord op vraag 30

Alle Regio Deals bevatten afspraken over ambitie, doelen, resultaten en indicatoren om de voortgang van de afspraken te meten (monitoring). Daarbij is zowel aandacht voor doeltreffendheid als doelmatigheid. Monitoring van de uitvoering van de Regio Deal vindt in beginsel op drie niveaus plaats:

  • inhoudelijke en financiële realisatie van concrete projecten

  • beoogde resultaten en indicatoren

  • ontwikkeling cofinanciering

Op basis van deze monitoringsinformatie wordt in de betreffende stuurgroep Rijk – Regio per Regio Deal eenmaal per jaar een voortgangsrapportage geagendeerd. Dit geeft de mogelijkheid om de voortgang van de Regio Deal te bespreken en waar nodig gezamenlijk bij te sturen. De uiteindelijke controle op doelmatigheid en doeltreffendheid is gelet op de systematiek van de Regio Deals aan de betreffende decentrale overheden (in geval van bijvoorbeeld een gemeente de gemeenteraad en in geval van de provincie provinciale staten).

De gekozen indicatoren verschillen per Regio Deal, afhankelijk van de specifieke opgaven en doelen die met de deal worden aangepakt. Met de Regio Deals werken Rijk en Regio samen aan meervoudige opgaven in de regio die daar spelen en die bijdragen aan versterking van de brede welvaart. Voor wat betreft de monitoring van de individuele deals wordt nauw samengewerkt met o.a. CBS, PBL, RVO en andere relevante monitoringsinitiatieven van publieke en private partijen. De Minister van LNV rapporteert periodiek aan de Tweede Kamer over de voortgang van de Regio Deals.

Vraag 31

Op welke manier kan de Kamer bij het jaarverslag nagaan in hoeverre middelen voor regionale knelpunten (zoals jeugdzorg) inderdaad doelmatig en doeltreffend zijn ingezet?

Antwoord op vraag 31

Zie antwoord op vraag 15.

Vraag 32

Hoeveel voorstellen met significante financiële gevolgen voor het Rijk en/of de maatschappij zijn sinds december 2018 gedaan? Hoe groot wordt uw steekproef uit deze voorstellen voor de evaluatie van artikel 3.1. van de CW?

Antwoord op vraag 32

De vraag wanneer sprake is van significante financiële gevolgen is een kwestie van inschatting. Over de periode van december 2018 t/m mei 2019 heb ik ongeveer 30 voorstellen met evidente significante financiële gevolgen voor het Rijk en/of maatschappelijke sectoren geïdentificeerd. We verwachten daarnaast nog ongeveer 15 voorstellen met evidente significante financiële gevolgen in juni. Daarmee komt de populatie voor de tweede monitor op ongeveer 45 voorstellen. We zijn voornemens om ongeveer 40 voorstellen mee te nemen in de tweede monitor en bij een eventuele steekproef rekening te houden met de omvang van de begrotingen van departementen.

Vraag 33

Kan een overzicht worden gegeven van alle nog openstaande taakstellingen per ministerie en wanneer deze worden ingevuld?

Vraag 34

Kan een overzicht worden gegeven van alle in de Voorjaarsnota ingevulde taakstellingen per ministerie en hoe deze zijn ingevuld?

Antwoord op vraag 33 en 34

De onderstaande tabel geeft weer wat de openstaande taakstelling per departement voor de Voorjaarsnota was, welke dekking per departement bij de Voorjaarsnota is gevonden en wat de eventueel nog openstaande taakstelling is. Onder de tabel wordt per departement in gegaan op de exacte invulling en/of wanneer de verwachting is dat de openstaande taakstelling wordt ingevuld.

Overzicht taakstellingen: Bedragen in miljoenen euro’s.

Departement

2019

2020

2021

2022

2023

Staten-Generaal

2

2

2

2

2

Dekking Voorjaarsnota

– 2

– 2

– 2

– 2

– 2

Openstaande taakstelling

Justitie en Veiligheid

53

96

96

96

96

Dekking Voorjaarsnota

Openstaande taakstelling

53

96

96

96

96

OCW

 

114

140

156

161

Dekking Voorjaarsnota

 

– 114

– 140

– 156

– 161

Openstaande taakstelling

 

Defensie

5

5

     

Dekking Voorjaarsnota

– 5

– 5

     

Openstaande taakstelling

     

Economische Zaken en Klimaat

 

11

11

11

10

Dekking Voorjaarsnota

 

– 11

– 11

– 11

– 10

Openstaande taakstelling

 

Infrastructuur en Waterstaat

20

20

23

23

23

Dekking Voorjaarsnota

– 20

– 20

– 23

– 23

– 23

Openstaande taakstelling

Volksgezondheid, Welzijn en Sport – Zvw

 

40

75

75

75

Dekking Voorjaarsnota

 

Openstaande taakstelling

 

40

75

75

75

Volksgezondheid, Welzijn en Sport – taakstellende onderuitputting

41

41

41

41

41

Dekking Voorjaarsnota

Openstaande taakstelling

41

41

41

41

41

HGIS

15

20

20

30

30

Dekking Voorjaarsnota

– 15

– 20

– 20

– 30

– 30

Openstaande taakstelling

Toelichting per departement

Staten-Generaal

Het oningevulde deel van de taakstelling uit Rutte I en II wordt structureel met generale middelen bij de Voorjaarsnota ingevuld.

JenV

De taakstelling staat op het artikel 92 (Nog onverdeeld) en zal in 2019 worden ingevuld door middel van gerealiseerde onderuitputting en positieve exploitatieresultaten van de uitvoeringsorganisaties. Tijdens de voorjaarsbesluitvorming 2019 zijn ook afspraken gemaakt hoe het structurele deel van de taakstelling vanaf 2020 zal worden ingevuld. Deze afspraken worden verwerkt in de ontwerpbegroting 2020 en zullen dan ook aan uw Kamer worden toegelicht.

OCW

In de begroting 2019 was een taakstelling op artikel 91 (Nog onverdeeld) geparkeerd. Beginnend in 2020 met € 114,4 miljoen oplopend tot € 160,9 miljoen in 2023. Deze taakstelling was het gevolg van de tegenvaller op de leerlingen- en studentenontwikkeling en studiefinanciering in 2018. De openstaande taakstelling wordt gevuld door inzet van een deel van de loon-en prijsbijstelling op onderwijs, onderzoek en apparaatskosten (zie ook de toelichting in het algemene deel van de 1e suppletoire begroting van OCW).

Defensie

Defensie vult de incidentele taakstelling voor 2019 en 2020 in bij eerste suppletoire begroting, en wel vanuit een meevaller als gevolg van de achterblijvende personele vulling en de ontvangen prijsbijstelling.

IenW

De taakstellende onderuitputting op het artikel nominaal en onvoorzien is bij Voorjaarsnota budgettair ingevuld door inzet van de prijsbijstelling tranche 2019. De taakstellende onderuitputting wordt uiterlijk bij de Miljoenennota 2020 structureel verwerkt op de IenW beleidsbegroting.

EZK

EZK heeft structureel specifieke dekking aangedragen voor de openstaande taakstelling. De taakstelling wordt grotendeels ingevuld door het inzetten van restanten prijsbijstellingen uit afgelopen jaren.

VWS

De laatste twee tranches van de taakstelling op de Zvw uit Regeerakkoord Rutte I worden bij Miljoenennota 2020 structureel ingevuld met ramingsbijstellingen binnen de Zvw. De taakstellende onderuitputting op de VWS-begroting wordt ook bij de Miljoenennota 2020 structureel ingevuld.

HGIS

De HGIS-taakstelling is structureel verwerkt op het artikel «nominaal en onvoorzien» van de HGIS (artikel 6 op de begroting van Buitenlandse Zaken). Het budget binnen dit artikel wordt hoofdzakelijk ingezet om de jaarlijkse loon- en prijsbijstelling binnen de HGIS te kunnen financieren.

Vraag 35

Hoeveel kost het de overheid uiteindelijk aan uitgaven en lasten als we per 2020 de AOW-leeftijd terugbrengen naar 65 jaar de komende 10 jaar, en hoeveel kost het op de lange termijn?

Vraag 36

Hoeveel kost het de overheid uiteindelijk aan uitgaven en lasten als we per 2020 de AOW-leeftijd terugbrengen naar 66 jaar de komende 10 jaar, en hoeveel kost het op de lange termijn?

Antwoord op vraag 35 en 36

Bij een AOW-leeftijd van 65 jaar vanaf 2020 zouden de budgettaire effecten oplopen van circa 3,5 mld. (waarvan ruim 2 mld. hogere uitgaven en ruim 1 mld. lastenderving) in 2020 tot circa 7 mld. (waarvan circa 4,5 mld. hogere uitgaven en circa 2,5 mld. lastenderving) in 2030.

Bij een AOW-leeftijd van 66 jaar vanaf 2020 zouden de budgettaire effecten oplopen van circa 1,5 mld. (waarvan circa 1 mld. hogere uitgaven en circa 0,5 mld. lastenderving) in 2020 tot circa 5 mld. (waarvan ruim 3 mld. hogere uitgaven en ruim 1,5 mld. lastenderving) in 2030.

Dit betreft een globale inschatting van de ex-ante budgettaire effecten van een lagere AOW-leeftijd: het saldo van hogere uitgaven aan AOW, AIO, derving van AOW-premies en belastingen en lagere uitgaven aan de overige regelingen in de sociale zekerheid (WW, WIA, Participatiewet etc.). Hierbij wordt geen rekening gehouden met de effecten op de arbeidsparticipatie (en doorwerking daarvan op de economische groei en belastinginkomsten) en ook niet met een (soortgelijke) aanpassing van de pensioenrichtleeftijd.

Op de lange termijn zijn geen goede inschattingen beschikbaar van het effect op de uitgaven en lasten. Voor de totale kosten van een aanpassing van de AOW- en pensioenrichtleeftijd op de lange termijn is het effect op de houdbaarheid van belang. Het CPB heeft wel een inschatting gemaakt van de houdbaarheidseffecten (zie antwoord op vragen 1 t/m 4).

Vraag 37

Hoeveel kost het als AOW-leeftijd niet koppelen aan de levensverwachting per jaar en structureel

Antwoord op vraag 37

Het CPB heeft recent berekend dat het bevriezen van de AOW-gerechtigde leeftijd en de pensioenrichtleeftijd op 67 jaar ongeveer 1,1% bbp (circa 9 miljard euro) houdbaarheidsverslechtering oplevert.

Wanneer de AOW-leeftijd eerst wordt verhoogd naar 67 en daarna voor 2/3 wordt gekoppeld aan de resterende levensverwachting op 65 jaar, verslechtert de houdbaarheid naar inschatting van het CPB met ongeveer 0,4% bbp (ruim 3 miljard euro).

Vraag 38

Kunt u het meest recente overzicht geven van de mediane koopkrachtontwikkeling in 2018, 2019 en 2020 (uitgesplitst naar inkomensniveau, inkomensbron, huishoudtype en gezinssamenstelling)?

Antwoord op vraag 38

Onderstaande tabel toont de mediane koopkrachtontwikkeling in 2018, 2019 en 2020. Voor 2018 gaat het om de gerealiseerde mediane koopkrachtontwikkeling op basis van CEP 2018. Het CPB heeft bij meest recente kMEV-raming de koopkrachtraming allen uitgesplitst voor 2019. Om die reden is de uitsplitsing voor 2020 in onderstaande tabel weergegeven op basis van CEP 2019. Deze raming is inmiddels verouderd. Zo is de mediane koopkrachtontwikkeling van alle huishoudens (welke raming wel door het CPB naar buiten is gebracht) bij kMEV opwaarts bijgesteld ten opzichte van de CEP-raming (van 1,3% naar 1,4%).

 

Realisatie 2018 (CEP 2019)

Raming 2019

(kMEV 2020)

Raming 2020

(CEP 2019)

       

Inkomensniveau

     

< 115% wml

0,1

0,8

0,8

115 – 183% wml

0,0

1,3

1,2

183 – 266% wml

0,2

1,4

1,4

266 – 387% wml

0,5

1,4

1,6

> 500% wml

0,6

1,2

1,5

       

Inkomensbron

     

Werkenden

0,5

1,3

1,5

Uitkeringsgerechtigden

0,0

0,8

0,6

Gepensioneerden

– 0,1

1,0

0,9

       

Huishoudtype

     

Tweeverdieners

0,4

1,3

1,5

Alleenstaanden

0,2

1,1

1,0

Alleenverdieners

0,1

1,2

1,4

       

Gezinssamenstelling

     

Met kinderen

0,6

1,3

1,8

Zonder kinderen

0,3

1,3

1,3

       

Alle huishoudens

0,3

1,2

1,3

Bron: CPB.

Vraag 39

Kunt u het meest recente overzicht geven van de ontwikkeling van de arbeidsinkomensquote (AIQ) in 2018, 2019 en 2020?

Antwoord op vraag 39

De lage productiviteitsstijging heeft in 2018 geleid tot een stijging van de arbeidsinkomensquote (als de lonen sneller stijgen dan de opbrengst van arbeid, krijgt de factor arbeid een groter deel van het inkomen). De oplopende loonstijging leidt in 2019 en 2020 tot een verdere stijging van de quote.

(Bron: CEP 2019)

2018

2019

2020

Arbeidsinkomensquote (niveau in %)

74,0

75,1

75,6

Vraag 40

Kunt u het meest recente overzicht geven van de collectieve lastenontwikkeling in 2018, 2019 en 2020 (uitgesplitst naar burgers en bedrijven)?

Antwoord op vraag 40

De collectieve lastendruk wordt beïnvloed door zowel beleidsmaatregelen als door de economische groei. Bij beleidsmaatregelen kan gedacht worden aan een tariefsverhoging of -verlaging of een aanpassing van de grondslag.1 De economische groei zorgt in conjunctureel goede tijden voor een oplopende belastingdruk: de winsten van bedrijven nemen toe (meer vennootschapsbelasting), de consumptie groeit (meer indirecte belastingen zoals de btw) en de lonen en werkgelegenheid nemen toe (meer loon- en inkomensheffing). In laagconjunctuur gebeurt het omgekeerde. Het onderstaande figuur laat zien dat bijvoorbeeld in 2009 de totale belasting- en premieontvangsten minder sterk toenamen dan het BBP door de endogene ontwikkeling, in 2016 gebeurde het omgekeerde. In bijvoorbeeld 2011–2014 was sprake van een opwaartse mutatie door beleidsmaatregelen.2

In 2018 namen de inkomsten (endogeen) sterker toe dan de economische groei en was sprake van een beleidsmatig neerwaarts effect. Beleidsmaatregelen hebben in 2019 een opwaarts effect. Hogere zorgpremies spelen daarbij een grote rol. In 2020 zorgt beleid voor een daling van de belasting- en premiedruk.

Mutaties in de totale belasting- en premieontvangsten als %BBP

Mutaties in de totale belasting- en premieontvangsten als %BBP

Vraag 41

Hoe hoog is de lastendruk op kapitaal (voor bedrijven)?

Antwoord op vraag 41

Een verdeling van de belastingdruk over productiefactoren is sterk afhankelijk van het toedelen van bepaalde belastingsoorten aan een categorie. Daarnaast heeft de stand van de conjunctuur een groot effect, over het algemeen neemt het aandeel van de belasting op kapitaal af in laagconjunctuur en in hoogconjunctuur juist toe.

In de brief «bouwstenen voor een beter belastingstelsel» heb ik recent het onderstaande figuur opgenomen. In dit figuur wordt de belasting op kapitaal uitgesplitst in natuurlijke rechtspersonen, rechtspersonen en een categorie waar beide in vallen.

Opbrengst (2018) en tarieven (2019) belastingen op kapitaal(inkomen) (bron: Ministerie van Financiën)

Opbrengst (2018) en tarieven (2019) belastingen op kapitaal(inkomen) (bron: Ministerie van Financiën)

Vraag 42

Kunt u aangeven hoe u omgaat met de aanbeveling van de Raad van State om voldoende «oog te houden» voor de collectieve lastendruk?

Antwoord op vraag 42

De ontwikkeling van collectieve lasten hangt af van zowel beleidsmatige lastenontwikkeling als endogene lastenontwikkeling (de laatste hangt vooral af van economische ontwikkelingen) (zie ook het antwoord op vraag 40). Het kabinet heeft voornamelijk invloed op de beleidsmatige lastenontwikkeling.

Onderstaande figuur laat de beleidsmatige lastenontwikkeling zien voor deze kabinetsperiode zoals gepubliceerd bij de Startnota (Kamerstuk 34 775, nr. 54). Deze zouden in het basispad stijgen met € 9 miljard. Het basispad bestaat voornamelijk uit maatregelen van voorgaande kabinetten en de verwachte stijging van de zorgpremies voordat dit kabinet aantrad. De maatregelen uit het regeerakkoord geven een lastenverlichting van € 6,5 miljard ten opzichte van het basispad. Het basispad leidt, samen met de lastenverlichting van het kabinet, per saldo tot een stijging van de beleidsmatige lasten van € 3,4 miljard deze kabinetsperiode. De maatregelen van het kabinet zorgen er dus voor dat de lasten € 6,5 mld minder stijgen dan anders het geval zou zijn.

Lastenontwikkeling ten tijde van Startnota

Lastenontwikkeling ten tijde van Startnota

Bron: Startnota

Vraag 43

Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van de collectieve lastendruk sinds 2010 voor een alleenverdiener met een jaarinkomen van respectievelijk 25.000 euro, 35.000 euro en 45.000 euro? Kunt u ditzelfde ook doen voor tweeverdieners met een gezamenlijk jaarinkomen van 30.000 euro, 40.000 euro en 50.000 euro? Kunt u voor beide bovenstaande voorbeeldhuishoudens ook de ontwikkeling van het marginale tarief weergeven? Maakt het in bovenstaand voorbeeld nog uit of men geen kinderen heeft of bijvoorbeeld twee kinderen?

Antwoord op vraag 43

De onderstaande tabellen geven een overzicht van de ontwikkeling van de gemiddelde lastendruk en de marginale druk bij een drietal inkomens. Toeslagen zijn in deze berekeningen niet meegenomen. Voor een paar met één partner die inkomen verdient, heeft het hebben van kinderen geen invloed op de gemiddelde en marginale druk. Voor tweeverdieners zouden in sommige gevallen de gemiddelde en marginale druk dalen, doordat de minstverdiener recht kan hebben op de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Voor het tweeverdienershuishouden is aangenomen dat de meestverdiener twee derde van het inkomen verdient. De marginale druk wordt weergegeven voor beide partners.

Gemiddelde en marginale druk alleenverdiener, exclusief toeslagen
 

Gemiddelde druk

 

Marginale druk

 

€ 25.000

€ 35.000

€ 45.000

 

€ 25.000

€ 35.000

€ 45.000

2010

15,0%

22,7%

27,0%

 

42,0%

42,0%

43,3%

2011

14,7%

22,5%

26,8%

 

42,0%

42,0%

43,3%

2012

14,7%

22,5%

26,8%

 

42,0%

42,0%

42,0%

2013

17,8%

24,7%

29,0%

 

42,0%

42,0%

46,0%

2014

16,1%

24,0%

28,9%

 

44,0%

44,0%

48,0%

2015

15,7%

23,9%

28,4%

 

44,3%

44,3%

44,3%

2016

12,7%

22,1%

28,2%

 

45,2%

49,2%

49,2%

2017

12,8%

22,5%

28,4%

 

45,6%

49,2%

49,2%

2018

13,2%

22,6%

28,5%

 

45,5%

49,1%

49,1%

2019

11,7%

20,9%

27,2%

 

43,2%

49,2%

49,2%

Tabel XX: Gemiddelde en marginale druk tweeverdiener (inkomensverdeling: 67%-33%), exclusief toeslagen
 

Gemiddelde druk

 

Marginale druk meestverdiener

 

Marginale druk minstverdiener

 

30.000

40.000

50.000

 

20.000

26.667

33.333

 

10.000

13.333

16.667

2010

14,9%

19,9%

23,0%

 

30,1%

42,0%

42,0%

 

21,6%

21,6%

21,6%

2011

14,4%

19,3%

22,4%

 

29,8%

42,0%

42,0%

 

20,8%

20,8%

20,8%

2012

14,1%

19,0%

22,2%

 

29,6%

41,9%

41,9%

 

20,8%

20,8%

20,8%

2013

16,8%

21,4%

24,2%

 

42,0%

42,0%

42,0%

 

21,7%

21,7%

21,7%

2014

14,1%

19,4%

22,5%

 

44,0%

44,0%

44,0%

 

17,5%

17,5%

17,5%

2015

13,3%

18,7%

22,0%

 

44,3%

44,3%

44,3%

 

16,8%

16,8%

16,8%

2016

9,9%

15,7%

19,2%

 

45,2%

45,2%

45,2%

 

8,9%

8,9%

8,9%

2017

9,7%

15,5%

19,1%

 

17,3%

45,6%

49,2%

 

8,2%

8,2%

8,2%

2018

10,0%

15,4%

19,0%

 

8,5%

45,5%

49,1%

 

8,5%

8,5%

8,5%

2019

8,8%

13,8%

17,3%

 

7,9%

43,3%

43,3%

 

7,9%

7,9%

7,9%

Vraag 44

Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van de energielasten (uitgesplitst in de heffing Opslag Duurzame Energie en energiebelasting) voor een modaal gezin wonend in een rijtjeshuis?

Vraag 45

Wat zou deze rekening voor het modale gezin geweest zijn indien dit kabinet de energiebelasting zo had verhoogd dat de opbrengst 500 miljoen euro was geweest en de opbrengst van de ODE-heffing 4,5 miljard euro in 2019?

Vraag 46

Wat zou deze rekening voor het modale gezin geweest zijn indien dit kabinet de energiebelasting op gas zo had verhoogd dat de opbrengst 700 miljoen euro was geweest en de opbrengst van de ODE-heffing 0,2 miljard euro in 2019?

Antwoord op vragen 44, 45 en 46

Er wordt gevraagd om een overzicht te geven van de ontwikkeling van de energielasten voor een modaal gezin wonend in een rijtjeshuis. Er kan geen eenduidige uitspraak gedaan worden over de effecten voor dit specifieke type gezin, wel kan een uitspraak gedaan worden over de ontwikkeling van de energielasten voor een huishouden met een gemiddeld, gelijkblijvend energieverbruik3.

De belastingen op energie zijn in 2019 voor een huishouden met een gemiddeld, gelijkblijvend energieverbruik namelijk met circa € 133 (incl. btw) gestegen. Deze stijging bestaat voor circa € 20 (incl. btw) uit een stijging van de energiebelastingen, voor circa € 51 (incl. btw) uit een stijging van de Opslag Duurzame Energie (ODE) en voor € 62 (incl. btw) uit een verlaging van de belastingvermindering.

Met de in de vraag verstrekte informatie is het niet mogelijk om aan te geven hoe de energielasten van een huishouden zich ontwikkeld zouden hebben bij alternatieve totaalopbrengsten van de energiebelasting en ODE-heffing. Om dit te kunnen berekenen is het noodzakelijk om te weten hoe de totale opbrengst verdeeld is over de verschillende schijven van de energiebelasting en ODE.

Vraag 47

Voor welke jaren en welke bedragen worden de plafonds Rijksbegroting en Zorg meerjarig gecorrigeerd?

Vraag 48

Op welke begrotingsregel is deze plafondcorrectie gebaseerd?

Antwoord op vraag 47 en 48

De Voorjaarsnota geeft een update van het lopende budgettaire jaar 2019. De correcties op de deelplafonds Rijksbegroting en Zorg voor 2019 zijn opgenomen in de betreffende plafondtoetsen in de Voorjaarsnota en in tabel 1 hieronder. In de Miljoenennota 2020 wordt, gegeven de reguliere systematiek, een nieuw meerjarig budgettair beeld gecommuniceerd, waaronder de meerjarige plafondaanpassingen.

De deelplafonds worden aangepast voor de loon- en prijsontwikkeling en overboekingen. Het aanpassen van de (deel)plafonds voor de loon- en prijsontwikkeling is gebaseerd op begrotingsregel II.B (indexatie van het uitgavenplafond). Bij Voorjaarsnota zijn de deelplafonds Rijksbegroting en Zorg naar beneden bijgesteld omdat de loon- en prijsontwikkeling lager was dan bij Miljoenennota geraamd.

Overboekingen tussen deelplafonds compenseren elkaar en hebben hierdoor geen invloed op de hoogte van het totaalplafond. Deze overboekingen zijn een logisch gevolg van de (deel)plafondsystematiek. Bij Voorjaarsnota zijn de deelplafonds Rijksbegroting en Zorg respectievelijk verhoogd en verlaagd als gevolg van overboekingen van deelplafond Zorg naar deelplafond Rijksbegroting. Dit betreft onder meer middelen voor jeugdzorg (350 miljoen euro) én de overheveling van de loon- en prijsbijstelling tranche 2019 voor de al eerder overgehevelde budgetten van Wmo en Jeugd (187 miljoen euro) naar de algemene uitkering van het Gemeentefonds.

Sinds de kabinetsperiode wordt het deelplafond Rijksbegroting tevens aangepast voor de budgettaire gevolgen van besluiten over het volume van gaswinning (begrotingsregel III.E – uitzonderingen op de afbakening van het uitgavenplafond). Het deelplafond Rijksbegroting is hiervoor bij Voorjaarsnota met 30 miljoen naar beneden bijgesteld. De overige plafondcorrecties op deelplafond Rijksbegroting betreffen vooral correcties voor het gebruik van een Design, Build, Finance and Maintain-contract (DBFM) van verschillende infrastructurele projecten (– 277 miljoen euro). Als het kabinet kiest voor een DBFM-constructie, dan past het kabinet het gereserveerde budget aan het betaalritme van het DBFM-contract aan. In plaats van een hoge investering in een korte periode is de gebruiksvergoeding dan lager over een veel langere periode. Aanpassing van het uitgavenplafond voor DBFM-contracten valt onder de voorwaarden voor een statistische correctie (begrotingsregel III I – aanpassingen van het uitgavenplafond en inkomstenkader).

   

Rijksbegroting

Zorg

1

Uitgavenplafond bij Miljoenennota 2019

139.385

71.940

2

Aanpassingen uitgavenplafond vanwege loon- en prijsontwikkeling

– 287

– 80

3

Overboekingen met andere deelplafonds

606

– 579

4

Plafondcorrectie volumebesluit gas

– 30

 

5

Overige plafondcorrecties

– 245

 

6

Uitgavenplafond bij Voorjaarsnota 2019 (=1 t/m 5)

139.428

71.281

Vraag 49

Zijn er scenario's gemaakt voor de door het CPB genoemde neerwaartse risico's?

Antwoord op vraag 49

CPB heeft in 2016 een analyse gemaakt van de gevolgen voor Nederland van een eventuele Brexit. Daarnaast brengt het CPB bij elke nieuwe CEP- of MEV-raming de onzekerheden omtrent de groei en het EMU-saldo in kaart. Ook wordt er elk jaar in de Miljoenennota aandacht besteed aan risico’s. Zo is er in de afgelopen Miljoenennota (Kamerstuk 35 000, nrs. 1 en 2) weer een update gegeven van de schokproef, waarbij er bij een drietal scenario’s wordt gekeken naar het effect op de groei en de schuld. Eén van deze scenario’s bevat ook een krimp van 15% in de wereldhandel. Uit de schokproef blijkt dat een soortgelijke economische schok kan leiden tot een stijging van de staatschuld tot boven de 80% bbp, en dus al snel boven de Europese grenswaarde van 60% kan komen.

Het kabinet zorgt met trendmatig begrotingsbeleid voor buffers in de schuld om deze onvoorziene economische risico’s op te vangen. Indien economische risico’s zich materialiseren loopt dit via lagere inkomsten en hogere werkloosheidsuitgaven in het saldo en de schuld. Het lage(re) schuldniveau en het positieve saldo zorgt ervoor dat er ruimte is om dit op te vangen.

Vraag 50

Hoeveel geld dat in 2018 niet is besteed vanwege onderbestedingen blijft beschikbaar voor het betreffende ministerie? Hoeveel geld vloeit naar de algemene middelen/aflossing staatsschuld?

Antwoord op vraag 50

Zie antwoord op vraag 8.

Vraag 51

Op welke wijze is de verbetering van het houdbaarheidssaldo, welke is gebruikt ter financiering van het concept-pensioenakkoord, verwerkt in de Voorjaarsnota?

Vraag 52

Wat is de exacte omvang van de verbetering van het houdbaarheidssaldo, welke is gebruikt ter financiering van het concept-pensioenakkoord, in euro en als percentage van het bbp?

Vraag 53

Uit welke componenten bestaat de verbetering van het houdbaarheidssaldo, welke is gebruikt ter financiering van het concept pensioenakkoord? Spelen naast hogere arbeidsparticipatie ook andere elementen een rol, zoals de woningmarkt, de fiscaliteit en of de levensverwachting?

Antwoord op vraag 51, 52, 53

Zowel de pensioendeal als deze partiele doorrekening van het houdbaarheidssaldo is niet verwerkt in de Voorjaarsnota (bij publicatie was er nog geen pensioenakkoord). Het houdbaarheidssaldo is een maatstaf voor de betaalbaarheid van de publieke voorzieningen op de lange termijn, de Voorjaarsnota geeft weer hoe het gaat met de lopende begroting van het Rijk.

Het CPB heeft een notitie4 gepubliceerd over de partiele doorrekening en stelt hierin het volgende (tekst in cursief is door het Ministerie van Financiën toegevoegd):

«Het CPB heeft in de afgelopen periode een nieuw instrumentarium ontwikkeld voor de projectie van het arbeidsaanbod op lange termijn. In het nieuwe instrumentarium wordt naast leeftijd en geslacht nu ook expliciet rekening gehouden met wijzigingen in het aandeel van verschillende huishoudenstypes (onder andere het aandeel alleenstaanden), scholingsdeelname en migratieachtergrond, en worden recentere data gebruikt over de ontwikkeling van de arbeidsparticipatie. Hieruit blijkt dat de trendmatige stijging van de participatie sterker is dan in onze eerdere inschatting. De toename van de arbeidsparticipatie in de toekomst wordt daarmee wat groter. Dit extra arbeidsaanbod is niet gerelateerd aan de stijging van de AOW-leeftijd en heeft daarom geen invloed op de variant zoals beschreven in de voorafgaande paragraaf (over effecten van de verhoging van de AOW-leeftijd op de arbeidsparticipatie).

De hogere trend in het arbeidsaanbod leidt in het basispad tot een partiële houdbaarheidsverbetering van in ieder geval 0,5% bbp (dit is ongeveer 4 miljard euro). Dit houdbaarheidseffect is nadrukkelijk partieel en beschrijft enkel het effect van een hogere trend in het arbeidsaanbod. Andere actualisaties, modelwijzigingen en nieuwe inzichten kunnen leiden tot tegen- en meevallers in het houdbaarheidssaldo. Het houdbaarheidssaldo in het nieuwe basispad volgt later dit jaar in de nieuwe vergrijzingsstudie.»

Er is op dit moment geen verdere informatie beschikbaar over de nieuwe doorrekening.

Vraag 54

Kunt u de cijfers uit de Miljoenennota, waaruit blijkt dat de collectieve lastendruk in 2019 het hoogste punt zal bereiken sinds 1994, bevestigen?

Antwoord op vraag 54

Onderstaande reeks geeft de collectieve lasten als percentage van bbp sinds 1994 van het CPB bij CEP2019. Overigens kunnen de cijfers van het CPB op plaatsen afwijken van de cijfers van het kabinet.

Bron: CEP2019 (CPB)

Vraag 55

Wat is op dit moment de omvang van de belastingclaim op het vermogen van Nederlandse pensioenfondsen? Kunt u dit afzetten tegen de staatsschuld van de gehele collectieve sector?

Antwoord op vraag 55

Het vermogen van de Nederlandse pensioenfondsen bedraagt momenteel circa € 1,4 biljoen.5 Uitgaande van een gemiddeld tarief van 29%6 betekent dit een geschatte toekomstige belastingclaim van € 0,41 biljoen. Dit bedrag ligt in dezelfde orde van grootte als de EMU-schuld zoals gerapporteerd in de Voorjaarsnota, namelijk € 401,1 miljard.7

Vraag 56

Wat zijn de kosten voor de schatkist in 2021 als de minimumleeftijd voor de Inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW) zou worden verlaagd naar 55 jaar? En structureel?

Antwoord op vraag 56

Wijzigingen in de minimumleeftijd voor de IOW leiden in de regel pas na 2 jaar daadwerkelijk tot extra instroom. Dit omdat men eerst 2 jaar in de WW zit. In 2021 zijn er dus nog geen extra uitkeringslasten van een verlaging van de minimumleeftijd naar 55 jaar. Structureel zijn er ook geen extra uitkeringslasten, aangezien de IOW een tijdelijke regeling is (per 2024 geen nieuwe instroom).

Als de minimumleeftijd per 2021 op 55 jaar gesteld zou worden, dan kunnen mensen die tussen 2021 en 2023 de WW instromen en de juiste leeftijd hebben, per 2023 de IOW instromen. Per 2023 lopen dan ook de kosten voor de IOW op. De extra uitkeringslasten van deze leeftijdsverlaging zullen oplopen tot maximaal circa 200 miljoen euro per jaar bovenop de huidige uitgaven. De extra uitgaven lopen na ca. 2025 weer langzaam af totdat in 2037 de laatste IOW’er doorstroomt naar de AOW. Door de leeftijdsverlaging is dit 6 jaar later dan waarmee momenteel rekening wordt gehouden (laatste uitstroom in 2031).

Vraag 57

Welk deel van de meevaller van 1,5 miljard euro is incidenteel en welk deel is structureel? Wanneer werd voor het eerst duidelijk dat er incidentele onderuitputting zou zijn? Wanneer is voor het eerst ambtelijk geconstateerd dat een deel daarvan structureel is?

Antwoord op vraag 57

De Voorjaarsnota 2019 is de eerste rapportage van het kabinet over de uitvoering van de begroting 2019. Het kabinet geeft hierin een overzicht van de wijzigingen van de begroting voor het lopende begrotingsjaar ten opzichte van Miljoenennota 2019 (Kamerstuk 35 000, nrs. 1 en 2). Dit voorjaar zijn er meevallers onder het uitgavenplafond die optellen tot circa 1,5 miljard euro in 2019. Het gaat met name om meevallers en ramingsbijstellingen bij de zorguitgaven, lager uitvallende rentelasten, lagere EU-afdrachten en hogere dividendafdrachten van staatsdeelnemingen. Deze meevallers en ramingsbijstellingen zijn in beeld gebracht als onderdeel van de reguliere voorbereidingen op de voorjaarsbesluitvorming. Deze werkzaamheden vinden zoals gebruikelijk in de eerste maanden van het jaar plaats. Het meerjarige structurele deel van de meevallers wordt betrokken bij het opstellen van de Miljoenennota 2020 en de bijbehorende ontwerpbegrotingen voor 2020. Het kabinet informeert uw Kamer hierover op Prinsjesdag.

Vraag 58

Hoe verklaart u dat de economische groei is bijgesteld van 2,6 naar 1,5 procent?

Vraag 59

Hoe verklaart u dat de particuliere consumptie is bijgesteld van 2,3 naar 1,3 procent?

Vraag 60

Hoe verklaart u dat de in- en uitvoer zijn bijgesteld van 4,8 naar 1,5 procent en van 4,2 naar 1,1 procent?

Vraag 61

Hoe verklaart u dat de werkloosheid is bijgesteld van 3,5 naar 3,8 procent? Hoe hoog is de werkloosheid in absoluut getal?

Vraag 62

Hoe verklaart u dat het contractloon marktsector is bijgesteld van 2,9 naar 2,7 procent?

Vraag 63

Hoe verklaart u dat de inflatie in de Voorjaarsnota naar beneden wordt bijgesteld naar 2,3%, terwijl het CBS de inflatie onlangs fors naar boven bijstelde naar 2,9% als gevolg van de hogere BTW, energierekening en benzineprijs?

Antwoord op vraag 58, 59, 60, 61, 62, 63

De oorzaken van de lagere groeiverwachting zijn met name de neerwaarts bijgestelde raming van de uitvoer en de particuliere consumptie.

De uitvoer heeft last van de zwakkere wereldhandelsgroei. De lagere groei van de invoer komt ook mede hierdoor (wederuitvoer), en deels door de lagere groei van de binnenlandse consumptie.

De consumptie neemt onder andere minder snel toe door de afnemende impuls van de werkgelegenheidsgroei. De werkgelegenheid blijft stijgen, maar in een minder tempo als eerder verwacht doordat de groei vertraagt. De werkloosheid blijft hierdoor naar verwachting stabiel op 3,8 procent (ten opzichte van 2018).

De bijstelling van de groei van de contractlonen is toe te schrijven aan de neerwaartse bijgestelde arbeidsproductiviteitsgroei, gematigde realisaties en de neerwaartse groeibijstelling.

De inflatieverwachting is bijgesteld op basis van realisaties, en deels door een lagere huurprijs door het Sociaal Huurakkoord. Het door het CBS gepubliceerde cijfer betreft de realisatie van de inflatie voor april, en houdt derhalve geen verband met de voorspelling van het CPB uit het CEP 2019 (overigens betreft dit cijfer de inflatie volgens de CPI methode, in tegenstelling tot de voorjaarsnota waar de inflatie volgens de hicp methode wordt gegeven).

Vraag 64

Waarom kon er eerder geen rekening gehouden worden met de kosten van de renovatie van het Vredespaleis?

Antwoord op vraag 64

Over een renovatie van het Vredespaleis is besloten op basis van gesprekken met alle belanghebbenden, na interdepartementaal en politiek overleg en na onderzoeken. De resultaten hiervan waren begin dit jaar afgerond.

Vraag 65

Kunt u toelichten welke acties of gebeurtenissen ertoe hebben geleid dat «De loon- en prijsontwikkeling lager is dan tijdens de Miljoenennota werd geraamd?»

Antwoord op vraag 65

De loon- en prijsontwikkeling wordt conform de begrotingsregels bijgesteld naar aanleiding van de door het CPB geraamde loon- en prijsontwikkeling. De belangrijkste reden dat de loon- en prijsontwikkeling lager was dan tijdens de Miljoenennota werd geraamd, is dat de door het CPB geraamde contractloonontwikkeling in de markt in het CEP lager lag dan vorig jaar bij de MEV. Daarnaast zijn ook de door het CPB geraamde prijsindices iets lager dan vorig jaar.

Vraag 66

Kunt u bevestigen dat er geld wordt gereserveerd voor de uitvoering van het ontwerpKlimaatakkoord op de aanvullende post, dat deze gelden na besluitvorming over het Klimaatakkoord worden toegevoegd aan de begrotingen en dat eerder 500 miljoen euro is gereserveerd in een begrotingsreserve CO2? Worden de incidentele middelen daaruit gehaald? Waarom wordt er al geld opgenomen vooruitlopend op de totstandkoming van een klimaatpakket?

Antwoord op vraag 66

Er is geld gereserveerd voor de uitvoering van het klimaatbeleid op de Aanvullende Post. Na besluitvorming worden deze middelen toegevoegd aan de departementale begrotingen op basis van een bestedingsplan. Daarnaast is er 500 miljoen is gereserveerd in de begrotingsreserve CO2-reductie. De voorgenomen besteding van de begrotingsreserve zal leiden tot klimaatmaatregelen die de broeikasgasreductie versnellen. Over de voorgenomen besteding en financiële gevolgen van de begrotingsreserve CO2-reductie zult u worden geïnformeerd voor de zomer.

De klimaatenvelop uit het Regeerakkoord is bedoeld om toekomstig beleid succesvol in te richten, expertise op te bouwen en proefprojecten uit te voeren en bedraagt 300 miljoen per jaar vanaf 2018. Over de besteding van de klimaat envelop in 2018 (met incidentele suppletoire begrotingen) en 2019 (Kamerstuk 32 813 nr. 221) bent u eerder geïnformeerd. Voor de besteding van de klimaat envelop vanaf 2020 en verder, geldt dat deze is gekoppeld aan het Klimaatakkoord. Vooruitlopend op de totstandkoming van het Klimaatakkoord zijn er in 2018 en 2019 klimaatmaatregelen getroffen die gefinancierd zijn uit de beschikbare middelen uit de klimaatenvelop. De voorkeur is daarbij uit gegaan naar demonstratie- en pilotprojecten die op termijn tot substantiële kosteneffectieve reductie kunnen leiden.

Vraag 67

Betekent de opmerking «De loon- en prijsontwikkeling is lager dan tijdens de Miljoenennota geraamd» ook dat de verhoging van het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen lager is dan tijdens de Miljoenennota geraamd? Indien nee, waarom niet en indien ja, hoeveel scheelt dat?

Antwoord op vraag 67

Ja, in dit geval is er sprake van zowel een lagere loon- en prijsontwikkeling bij de sociale zekerheid dan eerder geraamd én een lagere verhoging van het minimumloon dan eerder geraamd. Er is een relatie tussen de loon- een prijsontwikkeling en het minimumloon omdat de regelingen die gekoppeld zijn aan het minimumloon meetellen in de loon- en prijsontwikkeling. Deze relatie is echter niet één-op-één, de loon- en prijsontwikkeling wordt namelijk ook beïnvloed door aanpassingen van regelingen die niet gekoppeld zijn aan het minimumloon.

Het minimumloon is gekoppeld aan de door het CPB berekende stijging van de contractlonen. Ten tijde van het opstellen van de Miljoenennota werd uitgegaan van een stijgingspercentage van het minimumloon van 1,34% per januari 2019 en 1,40% per juli 2019. Het daadwerkelijke stijgingspercentage bedroeg 1,34% in januari 2019 en het minimumloon wordt per 1 juli 2019 met 1,22% geïndexeerd. De verhoging van het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen is bij Voorjaarsnota (wanneer de daadwerkelijke indexatie per juli bekend is) dus lager dan geraamd bij Miljoenennota. De lager dan verwachte stijging van het minimumloon in de tweede jaarhelft heeft daarmee dus bijgedragen aan de lager dan verwachte loon- en prijsontwikkeling.

Vraag 68

Klopt het dat de kosten van de AOW als percentage van het bbp in 2019 wederom zullen dalen als de huidige trend doorzet? Wanneer was het hoogtepunt van de kosten van de AOW als percentage van het bbp?

Antwoord op vraag 68

Als de huidige trend doorzet is de verwachting dat de uitgaven AOW als percentage van het bbp tussen de 4,8% en 4,9% blijven tot en met 2023 (zie ook antwoord op vragen 1 t/m 4). Het CPB heeft een berekening gemaakt van de ontwikkeling van de uitgaven AOW op de lange termijn. In de Middellange-termijnverkenning 2018–20218 geeft het CPB aan dat bij ongewijzigd beleid de verwachte uitgaven aan de AOW 6,1% van het bbp zijn in 2040 en 5,3% in 2060.

Het hoogtepunt van de uitgaven aan de AOW als percentage van het bbp in het verleden lag in 2014–2016. De uitgaven AOW waren toen 5,1% van het bbp.

Vraag 69

Hoe worden de incidentele kosten voor het herstel van niet-automatisch herstarten Wet Kindgebonden Budget (WKB), die voor 2019 215 miljoen euro bedragen, door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gedekt in 2020? Gebeurt dat middels meevallers, zoals in 2019?

Vraag 74

Hoe is het herstel van het kindgebonden budget budgettair geregeld?

Antwoord op vraag 69 en 74

De incidentele kosten in 2019 van 215 mln. worden door SZW volledig gedekt met beschikbare meevallers in 2019. De incidentele kosten in 2020 (205 mln.) worden beleidsmatig gedekt door SZW. Deze dekking bestaat uit beschikbare incidentele ruimte vanwege terugdraaien van de maatregelen rond loondispensatie en 20.000 extra beschutte werkplekken (137 mln.), vrijgevallen ruimte op de Aanvullende Post (36 mln.) en doordat de RA-maatregel bij de kinderopvangtoeslag in de eerste jaren minder kostte dan eerder was voorzien (32 mln.). Omdat de dekking deels in andere jaren staat, zijn de middelen via een budgetschuif naar 2020 geschoven.

De structurele kosten van het herstel van het niet-automatisch herstarten van de WKB worden beleidsmatig gedekt door middel van het eenmalig niet-indexeren van het kindgebonden budget per 2020. Deze wijziging is meegenomen in het wetsvoorstel wijziging van de Wet op het kindgebonden budget (Kamerstuk 35 010). De Tweede Kamer heeft op 5 maart 2019 ingestemd met dit wetsvoorstel (Handelingen II 2018/19, nr. 58, item 17).

Vraag 70

Met welke bedragen zijn de uitgaven aan het kindgebonden budget opwaarts bijgesteld?

Antwoord op vraag 70

In bijlage 5, de Verticale Toelichting, staat de reeks Kindregelingen opgenomen. Deze bestaat uit de Kinderbijslag (AKW), het Kindgebonden budget (WKB) en de Kinderopvangtoeslag (KOT). Hieronder staan de reeksen uitgesplitst, voor zowel de uitgaven als de ontvangsten (in mln.)

Uitgaven

2019

Kindregelingen

– 14,1

w.v. AKW

14,7

w.v. WKB

6,0

w.v. KOT

– 34,8

Ontvangsten

2019

Kindregelingen

– 51,1

w.v. AKW

2,2

w.v. WKB

– 10,0

w.v. KOT

– 43,3

Vraag 71

Vallen de extra uitgaven voor het kindgebonden budget onder de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Financiën of onder beide? Op welke manier worden de uitgaven dan verdeeld?

Antwoord op vraag 71

De uitgaven voor het kindgebonden budget (WKB) staan op de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), en worden vanuit daar bekostigd. Er vindt geen verdeling plaats van de uitgaven. Het Ministerie van Financiën is via de Belastingdienst enkel betrokken als uitvoerder van de WKB.

Vraag 72

Waarom is ervoor gekozen de extra uitgaven voor het kindgebonden budget onder te brengen onder het kopje «diversen»?

Antwoord op vraag 72

De plafondtoets Sociale Zekerheid is extracomptabel en laat de ontwikkeling van het uitgavenplafond zien. Onderdeel hiervan is het zichtbaar maken van de grootste uitgavenontwikkelingen onder dit plafond. De extra uitgaven aan het kindgebonden budget onder de post diversen bedragen 6 mln., en zijn daarmee van een te geringe omvang om expliciete vermelden in de plafondtoets. De meeruitgaven als gevolg van de systeemfout zijn apart weergegeven.

In bijlage 5 bij de Voorjaarsnota, de Verticale Toelichting, en in de suppletoire begroting van SZW (Kamerstuk 35 210 XV, nr. 1) worden de mutaties ten opzichte van Miljoenennota 2019 (Kamerstuk 35 000, nrs. 1 en 2) in meer detail toegelicht conform Comptabiliteitswet.

Vraag 73

Is de opwaartse bijstelling van het kindgebonden budget eenmalig of structureel?

Antwoord op vraag 73

Deze is structureel. De opwaartse bijstelling van het kindgebonden budget (WKB) bij voorjaarsnota is het gevolg van de verwerking van uitvoeringsinformatie. De verwerking van deze uitvoeringsinformatie leidt dan ook tot een structurele opwaartse bijstelling van de ramingen.

De verwerking van de uitvoeringsinformatie staat los van uitgaven aan de WKB als gevolg van het herstel van het niet-automatisch herstarten van de WKB.

Vraag 74

Hoe is het herstel van het kindgebonden budget budgettair geregeld?

Antwoord op vraag 74

Zie antwoord op vraag 69.

Vraag 75

Welk deel van de 0,5% stijging van de overheidsschuld wordt veroorzaakt door het noemereffect en welke door andere oorzaken? En kan een overzicht van de andere oorzaken worden gegeven inclusief de bijdrage aan de hogere staatsschuld?

Antwoord op vraag 75

Tabel 1 geeft de verticale ontwikkeling van de overheidsschuld weer. Dit is dezelfde tabel als tabel 11 in de Voorjaarsnota. Tabel 1 laat zien dat de overheidsschuld met 0,5 procentpunt is toegenomen sinds Miljoenennota. Deze toename is de resultante van diverse (tegengestelde) ontwikkelingen. Het noemereffect zorgt voor een 0,8 procentpunt hogere schuld ten opzichte van Miljoenennota. Dit is het gevolg van een lagere groei dan verwacht bij Miljoenennota. De doorwerking van de schuld in 2018, het EMU-saldo, kastransverschillen en de aankoop van aandelen Air France-KLM leiden per saldo tot een verlaging van de schuld met 0,3 procentpunt.

Verticale ontwikkeling overheidsschuld (+ is toename schuld in procenten bbp)

EMU-schuld 2019 Miljoenennota

49,6%

Doorwerking schuld 2018

– 0,6%

Noemereffect

0,8%

EMU-saldo

0,2%

Kastransverschillen

0,0%

Aandelenaankoop Air France-KLM

0,1%

EMU-schuld 2019 Voorjaarsnota

50,1%

Vraag 76

Wat is de reden dat de omzetbelasting in de Voorjaarsnota 1,8 miljard euro tegenvalt ten opzichte van de Miljoenennota?

Antwoord op vraag 76

De raming van de omzetbelasting is neerwaarts aangepast op basis van het meest actuele economische beeld van het CPB (CEP2019) en de gerealiseerde kasontvangsten tot en met de maand april. Een iets minder gunstige ontwikkeling van de particuliere consumptie, een lager aandeel duurzame consumptie, minder overheidsinvesteringen en minder investeringen in woningen zorgen allemaal voor minder btw-ontvangsten dan eerder geraamd. Overigens is nog steeds sprake van een groei van de btw-ontvangsten ten opzichte van 2018.

Vraag 77

Wat is de reden dat de energiebelasting in de Voorjaarsnota 200 miljoen euro tegenvalt ten opzichte van de Miljoenennota?

Antwoord op vraag 77

De raming van de energiebelasting is vooral neerwaarts aangepast op basis van de gerealiseerde kasontvangsten tot en met de maand april. Daarnaast zorgen lagere gerealiseerde kasontvangsten in 2018 – dan geraamd in de Miljoenennota – voor een neerwaartse bijstelling in 2019. Dat wordt ook wel de doorwerking van de gerealiseerde ontvangsten over 2018 genoemd, met in dit geval een neerwaarts effect.

Vraag 78

Kunt u per begrotingshoofdstuk aangeven hoe hoog de eindejaarsmarge is als percentage van het totale begrotingshoofdstuk?

Vraag 79

Kunt u per begrotingshoofdstuk aangeven hoeveel geld (in miljoenen euro's) er niet kon worden meegenomen met de eindejaarsmarge?

Vraag 80

Kan een toelichting worden gegeven op de eindejaarsmarges van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport? Hebben deze ministeries, naast die van Infrastructuur en Waterstaat en Defensie die al in de rest van de tekst zijn toegelicht, hoge eindejaarsmarges?

Antwoord op vraag 78, 79 en 80

Zie antwoord op vraag 8.

Vraag 81

Kunt u per departement aangeven hoeveel er extra wordt uitgegeven aan Asiel (graag per onderdeel uitsplitsen)?

Antwoord vraag 81

Onderdeel

2019

2020

2021

2022

2023

2024

IND

74

100

89

65

66

66

COA

86

204

162

126

101

89

Nidos

– 21

– 16

– 17

– 18

– 18

– 18

RvdR

10

6

6

6

6

6

Kinderpardon

13

         

Totaal JenV

162

294

240

179

155

143

Vraag 82

Kunt u per departement aangeven hoeveel er extra wordt uitgegeven aan Klimaat (graag per onderdeel uitsplitsen)?

Antwoord op vraag 82

In het regeerakkoord is 300 miljoen per jaar vrij gemaakt vanaf 2018 t/m 2030 voor maatregelen die bijdragen aan de ambitie om de CO2-uitstoot in Nederland met 49% te verminderen in 2030 (bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34). Deze middelen (de klimaatenvelop) worden ingezet om met partijen te verkennen hoe het toekomstig beleid succesvol is in te richten, expertise is op te bouwen en proefprojecten zijn uit te voeren. Voor de besteding van de klimaatenvelop vanaf 2020 en verder, geldt dat deze is gekoppeld aan het Klimaatakkoord. Vooruitlopend op de totstandkoming van het Klimaatakkoord zijn er in 2018 en 2019 klimaatmaatregelen getroffen die gefinancierd zijn uit de beschikbare middelen uit de klimaatenvelop. De voorkeur is daarbij uitgegaan naar demonstratie- en pilotprojecten die op termijn tot substantiële kosteneffectieve reductie kunnen leiden. De verdeling van de middelen voor 2018 en 2019 over de verschillende departementen is als volgt.

Departement (bedragen x € mln)

Envelop 2018

Envelop 2019

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

95

78,9

Economische Zaken en Klimaat

113

117,8

Infrastructuur en Waterstaat

38,5

65,9

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

44,5

32,4

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

5

0

Organisatiekosten Klimaatakkoord

4

5

Totaal

300

300

Voor de nadere verdeling per onderdeel verwijs ik u naar de eerdere stukken (Klimaatenvelop 2018; incidentele suppletoire begroting 2018 (Kamerstuk 34 901, 34 902 en 34 903), Klimaatenvelop 2019; Kamerstuk 32 813, nr. 221).

Vraag 83

Waarom zijn de taakstellingen van de kabinetten Rutte I en II bij de Staten-Generaal niet gewoon ingevuld? Waarom is het niet gelukt deze taakstellingen in te vullen? Waarom wordt deze taakstelling «kwijtgescholden» en uit de algemene middelen betaald?

Antwoord op vraag 83

Volgens de beheerafspraken van de Staten-Generaal blijft de Staten-Generaal buiten de generale verdeelsleutel van een taakstelling. De Minister kan in een brief aan de Kamers een verzoek doen om mee te delen in de taakstelling. Dit is gebeurd bij de taakstellingen van de kabinetten Rutte I en II. De Eerste en Tweede Kamer hebben vervolgens gemeld welke inspanning zij konden leveren. Dit deel hebben zij verwerkt in hun meerjarenraming. Het overige deel is geplaatst op artikel 10 Nominaal en onvoorzien van het begrotingshoofdstuk IIA en wordt nu structureel met generale middelen ingevuld (2 miljoen structureel).

Vraag 84

Wat is SSO-CN? Kunnen in de toekomst afkortingen worden uitgeschreven en/of worden toegelicht, zodat het voor iedereen begrijpelijk is?

Antwoord op vraag 84

SSO-CN is de Shared Service Organisatie van de Rijksdienst Caribisch Nederland die ondersteuning biedt aan alle ministeries en diensten van de Nederlandse rijksoverheid in Caribisch Nederland.

In het vervolg zullen de afkortingen uitgeschreven en waar nodig toegelicht worden.

Vraag 85

Wanneer is er precies een reservering getroffen voor de jaarlijkse nacalculatie van de EU-afdracht van 318 miljoen euro?

Antwoord op vraag 85

De betreffende reservering heeft plaatsgevonden bij Miljoenennota 2019 (Kamerstuk 35 000, nrs. 1 en 2). Er is destijds gekozen om een reservering aan te leggen omdat het CBS in 2018 een grote bronnenrevisie heeft afgerond waardoor de aanpassingen van het BNI groter waren dan gebruikelijk. Dergelijke grote bronnenrevisies worden in de regel om de ca. 5 jaar uitgevoerd, de voorgaande was in 2014.

Vraag 86

Kunt u een inschatting maken van hoeveel Nederland de komende jaren extra zal uitgeven aan de EU in het algemeen en als gevolg van de Brexit?

Antwoord op vraag 86

Onder het terugtrekkingsakkoord blijft het VK tot het einde van dit MFK (eind 2020) afdragen aan de EU-begroting alsof het een lidstaat is. Het VK is EU-lidstaat tot 31 oktober 2019 tenzij het terugtrekkingsakkoord eerder in werking treedt. Mocht de Brexit uitkomen op een terugtrekking zonder akkoord dan komen hier mogelijke risico’s voor de afdrachten van Nederland uit voort. Hierover is de Kamer in de brief op 10 december 2018 geïnformeerd.9 Voor het begrotingsjaar 2019 is er een akkoord over een verordening die een kader biedt voor het VK om ook zonder terugtrekkingsakkoord aan de verplichtingen te voldoen en uitgaven aan begunstigden in het VK doorgang te laten vinden.10

Voor 2020 zal bij Miljoenennota een raming van de afdrachten worden gemaakt. De EU-begroting van 2020 wordt opgesteld binnen de kaders die daarvoor in 2013 bij het akkoord over het huidige MFK zijn vastgesteld. Omdat het VK met het terugtrekkingsakkoord in 2020 zal blijven bijdragen aan de Europese begroting alsof zij lid is houdt de EU-begroting voor 2020 geen rekening met het wegvallen van het VK als lidstaat. Indien het VK onverhoopt toch de EU verlaat zonder akkoord plaatsvindt zal het VK alsnog gehouden worden aan de financiële verplichtingen en zal de begroting voor 2020 mogelijk worden aangepast.

De afdrachten aan de Europese Unie voor 2021 en verder zijn op dit moment onderdeel van de onderhandelingen voor het volgende Meerjarig Financieel Kader van de EU dat van 2021–2027 gaat lopen. Het uitgangspunt daarbij is voor Nederland dat de afdrachten niet mogen toenemen als gevolg van de Brexit. De uitkomst van deze onderhandelingen en de gevolgen daarvan voor de afdrachten zijn op dit moment nog niet te voorspellen.

Vraag 87

Hier worden verschillende wijzigingen doorgevoerd in de afdracht aan de EU? Kan een totaaloverzicht worden gegeven van alle wijzingen in de EU-afdracht in 2019 tot nu toe?

Antwoord op vraag 87

De mutaties in de EU-afdrachten worden toegelicht op de begroting van Buitenlandse Zaken onder Art 3.1 en Art 3.10. Bij de eerste suppletoire begroting zijn daar de volgende bijstellingen geweest.

Artikel 3.1 EU-afdrachten

2019

2020

2021

2022

2023

2024

1. Dab 1 2019: surplus EU-begroting 2018

– 87.991

0

0

0

0

0

2. Begrotingsakkoord 2019: overige inkomsten EU begroting

– 17.249

0

0

0

0

0

Art 3.10 Ontvangsten

2019

2020

2021

2022

2023

2024

1. Nacalculatie 2018 incl. bronnenrevisie

– 318,450

0

0

0

0

0

2. DAB 6 2018: BNI effect herziening invoerrechten

– 12.921

0

0

0

0

0

Onder Art 3.1 is een negatief bedrag een verlaging van de Nederlandse afdrachten, bij Art 3.10 is een negatief bedrag een verlaging van de ontvangsten uit de EU-begroting (en daarmee dus in feite een verhoging van de afdrachten). Voor een nadere toelichting op deze posten verwijs ik u naar de 1e suppletoire begroting van Buitenlandse Zaken.

Vraag 88

Hoe kunnen meevallers in 2019 t/m 2021 uit de ramingen voor het Prognosemodel Justitiële ketens (PMJ), die in principe dus incidenteel zijn, gebruikt worden om de niet gerealiseerde van 2022 structureel te dekken?

Antwoord op vraag 88

De vrijval van middelen als gevolg van een verminderd beroep op rechtsbijstand zijn conform mijn brief van november 2018 behouden voor het dossier rechtsbijstand. Met deze vrijval van middelen zijn de ingeboekte besparingen vanaf 2022 van het wetsvoorstel duurzaam stelsel rechtsbijstand die niet worden gerealiseerd wegens het niet in procedure brengen van het voorstel gecompenseerd. Per saldo blijft als gevolg van een kasschuif over de jaren 2019 tot en met 2024 het budget voor het huidig stelsel rechtsbijstand gelijk.

In het regeerakkoord is een heldere opdracht geformuleerd voor de nieuwe inrichting van het stelsel rechtsbijstand, deze dient herzien te worden binnen de bestaande budgettaire kaders. Het structurele uitgavenkader gesubsidieerde rechtsbijstand is met ingang van 2025 € 409 mln. (o.b.v. peiljaar de Begroting 2018 van het Ministerie van Justitie en Veiligheid).

Vraag 89

Hoe worden de eventuele structurele kosten van het incidentele bedrag van 5 miljoen euro dat beschikbaar komt voor de aanschaf van toerusting voor de politie gefinancierd?

Antwoord op vraag 89

In de Voorjaarsnota staat dat 5 mln. euro is toegevoegd aan artikel 31 van de JenV-begroting voor toerusting politie. Op dit moment is er nog geen besluit genomen over invoering van het stroomstootwapen. Hierover wordt u door de Minister van JenV in het najaar nader geïnformeerd.

Vraag 90

Waarvoor was het gedeelte van de regeerakkoordmiddelen vanaf de aanvullende post dat wordt ingezet voor dekking van de problematiek op de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, oorspronkelijk bedoeld? Om welke problematiek op deze begroting gaat het? Staat hier nu dat geld van de politie is c.q. wordt ingezet om andere tekorten bij het ministerie weg te werken?

Antwoord op vraag 90

In zijn brief van 12 november jl. (Kamerstuk 29 628, nr. 820) heeft de Minister van Justitie en Veiligheid aangegeven dat er voor de jaren 2019 e.v. vanuit de reeks B5 Politie uit het regeerakoord nog structureel 28,9 mln euro beschikbaar is. Hier was nog geen bestemming voor en er werd nog overleg gevoerd met de korpschef en de gezagen. Zoals uit de verticale toelichting bij de Voorjaarsnota blijkt wordt een deel van de resterende reeks B5 Politie ingezet ter dekking van JenV brede problematiek. Dit heeft geen effect op de doelen uit het Regeerakkoord, zoals door de Minister van Justitie en Veiligheid gecommuniceerd in zijn brief van 15 juni 2018 (Kamerstuk 29 628, nr. 784).

Conform de toezegging van de Minister van JenV in het AO politie van dinsdag 4 juni jl. heeft uw Kamer 24 juni 2019 een brief ontvangen waarin o.a. wordt ingegaan op de besteding van de genoemde ca. 28,9 mln euro.

Vraag 91

Wat houdt de ramingsbijstelling Raad voor de rechtspraak Asielzaken precies in? Hoeveel middelen worden hier precies voor ingezet?

Antwoord op vraag 91

De Meerjaren Productieprognose (MPP) voorziet een groei in het aantal Vreemdelingenzaken bij de rechtspraak. Op basis hiervan is het budget van de Raad voor de rechtspraak verhoogd met € 9,6 mln. in 2019 en € 5,8 mln. in verdere jaren.

Vraag 92

Kan een nadere en uitgebreidere toelichting worden gegeven op de alinea over «huurtoeslag»?

Antwoord op vraag 92

De raming van de huurtoeslag laat in de eerste jaren tegenvallers zien die vanaf 2022 omslaan in meevallers. Een verklaring voor de tegenvallers is dat de werkloosheid minder sterk gedaald is dan eerder gedacht. Voor de hoogte van de werkloosheid wordt gebruik gemaakt van werkloosheidscijfers uit het Centraal Economisch Plan (CEP) van het Centraal Planbureau (CPB). De hoogte van de werkloosheid voor 2019 is door het CPB bijgesteld. Er is sprake van een zwakkere economische ontwikkeling, waardoor de eerder verwachte sterke daling van de werkloosheid in 2019 zich in mindere mate voordoet. Dit zorgt in 2019 en 2020 voor hogere aantallen huurtoeslagontvangers en daarmee hogere uitgaven aan huurtoeslag. Ook een lagere inkomensontwikkeling zorgt voor hogere uitgaven.

Anderzijds is er een lagere huurprijsontwikkeling door een lagere verwachte inflatie en wordt verwacht dat verhuurders minder gebruik zullen maken van de ruimte die zij hebben om de huren te verhogen. Dit zorgt voor lagere uitgaven bij de huurtoeslag in latere jaren, vanaf 2021. Bij de Begroting 2017 is opgenomen dat met ingang van 2019 de Belastingdienst één invorderingsbeleid gaat voeren voor terugvorderingen van toeslagen en belastingen, wat moet resulteren in naar voren gehaalde ontvangsten. Deze stroomlijning is echter uitgesteld van 2019 naar 2022, waardoor de naar voren gehaalde ontvangsten ook worden uitgesteld naar 2022. Dit leidt tot lagere ontvangsten in de eerste jaren en hogere ontvangsten in latere jaren maar is per saldo budgettair neutraal. Daarnaast worden in de periode 2019–2024 minder terugvorderingen verwacht door minder aanvragen en omdat de Belastingdienst eerder in het aanvraagproces controles uitvoert, waardoor meer foutieve voorschotten worden voorkomen.

Vraag 93

Waarom wordt er al geld uit de klimaatenvelop aardgasvrije wijken opgenomen vooruitlopend op de totstandkoming van een klimaatpakket? Idem voor het innovatieprogramma gebouwde omgeving en de regionale energiestrategieën?

Antwoord op vraag 93

De budgetten uit de klimaatenvelop voor 2019 zijn per nota van wijziging aan de begrotingen van de departementen (waaronder BZK) toegevoegd, zodat er voldoende tijd is om de middelen die dit jaar beschikbaar zijn doelmatig te besteden. De besteding van het geld aan aardgasvrije wijken, het innovatieprogramma en de regionale energiestrategieën is in lijn met de afspraken uit het concept-klimaatakkoord. Meerjarige toekenning van de middelen uit de klimaatenvelop voor 2020 en verder vindt plaats na het vaststellen van het klimaatakkoord.

Vraag 94

Wat is de reden van het negatief eigen vermogen in 2018 van Shared Service Center-ICT (SSC-ICT)? Wat is daarvan de oorzaak?

Antwoord op vraag 94

In 2018 heeft SSC-ICT een verlies geleden van € 25 mln. Dit verlies is – zoals toegelicht in het jaarverslag – voornamelijk veroorzaakt door gestegen apparaatskosten. Ten opzichte van de begroting 2018 zijn de personele kosten gestegen met € 11,5 mln. Dit is het gevolg van het verder invullen van de formatie, de 3% loonsverhoging als gevolg van het CAO-aanpassing en de harmonisatie van het functiehuis van SSC-ICT. De materiële kosten zijn met € 12,0 mln. gestegen ten opzichte van de begroting. Dit is veroorzaakt door een toename van licenties voor DWR Next en enkele onvoorziene kosten voor huisvestingen en facilitaire dienstverlening. Ook de afschrijvingskosten zijn, als gevolg van investeringen in software en licenties in het kader van DWR Next, licht gestegen met € 1,2 mln.

Daarnaast is in 2018 een correctie opgenomen op het resultaat van 2017 ad € 3,4 mln.

Door de verliezen in 2017 en 2016 is het eigen vermogen van SSC-ICT nihil geworden en leidt een verlies per definitie tot een negatief eigen vermogen. Het verlies in 2018 én de correctie op 2017 leidt leiden samen tot een negatief eigen vermogen van € 28,4 mln. In de regelgeving (artikel 25, tweede lid van de Regeling Agentschappen) is opgenomen dat de eigenaar dit negatieve eigen vermogen aanvult tot «nihil».

In de loop van 2018 heeft de eigenaar reeds een bedrag van € 6 mln. toegevoegd aan het eigen vermogen, waardoor het nog aan te vullen bedrag ultimo 2018 nog € 22,4 mln. bedraagt.

Vraag 95

Waar worden de middelen die aan de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de Omgevingswet worden toegevoegd, alsmede het deel van de loonprijsontwikkeling (LPO) en de eindejaarsmarge, voor ingezet?

Antwoord op vraag 95

De toegevoegde middelen voor de Omgevingswet worden ingezet voor reeds opgetreden risico’s bij de realisatie van het basisniveau (fase 1) Digitaal Stelsel Omgevingswet.

De eindejaarsmarge en LPO wordt ingezet als gedeeltelijke dekking voor deze uitgaven.

Vraag 96

Wat gebeurt er nu daadwerkelijk met de «kasschuif ov»? Kunt u bevestigen dat er vanuit middelen in 2019 kosten uit 2020 worden betaald? Is dit een gebruikelijke werkwijze? Waarom is er blijkbaar in 2019 50 miljoen euro over?

Antwoord op vraag 96

Door vervoerbedrijven (gedeeltelijk) al aan het eind van het voorafgaande jaar in plaats van aan het begin van het betreffende jaar te betalen, kan zonder af te wijken van de afspraken met de vervoerbedrijven een bijdrage worden geleverd aan de optimalisering van de kasritmes van de gehele rijksbegroting over de jaren heen. Dit betekent inderdaad dat in 2019 uitgaven zullen worden gedaan voor 2020. Deze uitgaven zullen echter middels een kasschuif vanuit de begroting voor 2020 gehaald worden. Er is geen sprake van geld dat over is. Kasschuiven zijn een meer voorkomende werkwijze om bij te dragen aan de optimalisering van de kasritmes van de rijksbegroting

Vraag 97

Wat bedoelt u precies met «De taakstelling op de begroting wordt gevuld»? Hoe wordt de taakstelling gevuld?

Antwoord op vraag 97

In de begroting 2019 was een taakstelling op artikel 91 (Nog onverdeeld) geparkeerd. Beginnend in 2020 met € 114,4 miljoen oplopend tot € 160,9 miljoen in 2023. Deze taakstelling was het gevolg van de tegenvaller op de leerlingen- en studentenontwikkeling en studiefinanciering in 2018. De openstaande taakstelling wordt gevuld door inzet van een deel van de loon-en prijsbijstelling op onderwijs, onderzoek en apparaatskosten (zie ook de toelichting in het algemene deel van de 1e suppletoire begroting van OCW).

Vraag 98

Kunt u de mutatie in rekening-courant en deposito van 1,8 miljoen euro nader toelichten?

Antwoord op vraag 98

De mutatie in rekening-courant en deposito’s zal naar verwachting € 1,8 mln. hoger uitvallen dan eerder was geraamd. De mutaties in rekening-courant en deposito’s worden veroorzaakt door de uitgaven en ontvangsten van de deelnemers van het schatkistbankieren. Het Agentschap is uitsluitend beheerder van de rekeningen-courant van het schatkistbankieren. De hogere ontvangst van € 1,8 mln. bestaat volledig uit een geraamde toename van de middelen die de sociale fondsen (die verplicht deelnemen aan schatkistbankieren) in de schatkist aanhouden.

Vraag 99

Kan een uitgebreidere toelichting gegeven worden op de passage «belasting- en invorderingsrente», waarbij onder meer wordt ingegaan op de oorzaken van de hogere en lagere ontvangsten?

Antwoord op vraag 99

Als een belastingplichtige in de afgelopen jaren te weinig belasting heeft betaald, moet belastingrente aan de Belastingdienst worden betaald. Als een belastingplichtige te veel belasting heeft betaald, moet de Belastingdienst belastingrente vergoeden. Als een belastingplichtige een belastingaanslag niet op tijd heeft betaald, moet invorderingsrente aan de Belastingdienst worden betaald. Als de Belastinginspecteur niet op tijd betaald, zal een invorderingsrente worden vergoed. De ramingen belasting- en invorderingsrente bestaat dus uit uitgaven én ontvangsten.

Sterk bepalend voor de ramingsbijstelling is de relatie tussen de inkomstenbelasting (IB) en de premies zorgverzekeringswet (PVV). De totale renteontvangsten van de IB/PVV (ca. € 240–250 mln. op jaarbasis) worden verdeeld tussen begroting IX (Financiën) en begroting XV (Sociale Zaken en Werkgelegenheid, onderdeel Sociale Fondsen). Deze verdeling hangt af van de verhouding tussen belasting en premies. Deze verhouding verschuift door onder andere de inkomens- en winstontwikkeling van zelfstandigen en renteniers, en lagere aftrekposten (met name hypotheekrente), beperking van heffingskortingen en verschuiving naar hogere belastingschijven (waarover alleen belasting en geen premies worden geheven).

In de raming werkt dat door in de ramingsbijstelling voor de belasting- en invorderingsrente op begroting IX, zoals gezien kan worden in de eerste suppletoire begroting. De uitgaven voor de belasting- en invorderingsrente zijn op begroting IX naar verwachting structureel ca. € 49 mln. hoger. De ontvangsten voor de belasting- en invorderingsrente zijn naar verwachting ca. € 84 mln. hoger in 2019 aflopend tot € 64 mln. in 2022 en verder.

Vraag 100

Kan een toelichting worden gegeven op de post «rvu (dekking problematiek)»?

Antwoord op vraag 100

In het najaar van 2018 heeft de belastinginspecteur het bezwaar tegen de RVU-heffing op de vertrekregeling van de Belastingdienst gehonoreerd. De uitspraak heeft tot gevolg dat de vertrekregeling van de Belastingdienst, zoals deze in 2016 tot stand is gekomen, niet als een RVU (regeling vervroegd uittreden) wordt aangemerkt. Dit betekent dat de betaalde middelen aan RVU heffing tussen november 2016 en september 2018, circa € 95 mln., worden terugontvangen in 2019. Voorts vallen de voor de beoogde RVU-betaling gereserveerde budgetten voor 2019 (€ 30 mln.) en 2020 (€ 43 mln.) vrij. Het Ministerie van Financiën heeft deze incidentele meevaller ingezet als onderdeel van de dekking voor de bijdrage aan Logius inzake de Generieke Digitale Infrastructuur.

Vraag 101

Hoe groot is de bijdrage «Logius (GDI)»? Waarom is dit nodig?

Antwoord op vraag 101

De Belastingdienst heeft delen van zijn processen uitbesteed aan Logius, een baten-lastenagentschap van het Ministerie van BZK. Het betreft generieke ICT-diensten waar rijksbreed synergievoordelen zijn om het centraal te organiseren. De Staatssecretaris van BZK is beleidsmatig verantwoordelijk voor de zogenaamde Generieke Digitale Infrastructuur (GDI).

In 2017 heeft het kabinet besloten dat de beheer- en exploitatiekosten van de GDI voorzieningen worden doorbelast aan de afnemers. In 2019 gaat het voor de Belastingdienst om een doorbelasting van circa € 99,4 mln.

Het gaat met name om de volgende uitbestede voorzieningen die via Logius in rekening worden gebracht bij de Belastingdienst, zoals Digipoort Logistieke Stromen (ca. € 25 mln.), MijnOverheid/Berichtenbox (ca. € 24 mln.) en Digipoort Standard Business Reporting (SBR) (ca. € 21 mln.).

Het betreft een indicatieve doorbelasting. De definitieve kostenverrekening gebeurt op basis van werkelijk gebruik en werkelijke kosten. Afwijkingen zullen bij de tweede suppletoire begroting worden toegelicht.

Vraag 102

Wat wordt bedoeld met de uitvoeringskosten van fiscale beleidswijzigingen bij de post «kasschuiven»?

Antwoord op vraag 102

Bij de eerste suppletoire begroting 2018 is cumulatief € 135 mln. van de Aanvullende Post naar de Financiënbegroting overgeheveld. Hiermee is budget vrijgemaakt ter dekking voor de uitvoeringskosten van fiscale maatregelen. Op basis van verwachte wetgeving in deze kabinetsperiode en de huidige inschatting van de kosten is de fasering in de tijd van de middelen aangepast door middel van een kasschuif.

Vraag 103

Wat wordt bedoeld met SMP/ANFA?

Antwoord op vraag 103

Dit betreffen opkoopprogramma’s van de Europese Centrale Bank (het «Securities Markets Programme», SMP) en nationale centrale banken (de «Agreement on Net Financial Assets», ANFA) waar onder meer Griekse staatsobligaties mee zijn opgekocht.

Vraag 104

Kan een totaaloverzicht gegeven worden van de hogere dividendraming per staatsdeelneming?

Antwoord op vraag 104

De dividendraming in de rijksbegroting is gebaseerd op de winstramingen van de verschillende staatsdeelnemingen. De winstraming van deelnemingen bevat bedrijfsvertrouwelijke informatie en wordt daarom niet uitgesplitst weergegeven. In het jaarverslag Deelnemingen (Kamerstuk 28 165, nr. 287) is wel achteraf een uitgesplitst overzicht van de gerealiseerde dividendontvangsten te vinden.

Vraag 105

Waarom worden de renteontvangsten van de lening aan Griekenland naar beneden bijgesteld?

Antwoord op vraag 105

De renteontvangsten van de bilaterale lening aan Griekenland kunnen fluctueren. Dat komt doordat de rente deels is gebaseerd op de Euribor-rente die periodiek wordt vastgesteld. Daardoor is de uiteindelijk ontvangen rente lager gebleken dan tijdens het opstellen van de begroting werd geraamd, zijn de renteontvangsten op de bilaterale leningen aan Griekenland lager uitgevallen en dus naar beneden bijgesteld.

Vraag 106

Hoe wordt de taakstellende onderuitputting ingevuld?

Antwoord op vraag 106

De taakstellende onderuitputting op het artikel nominaal en onvoorzien is bij Voorjaarsnota budgettair ingevuld door inzet van de prijsbijstelling tranche 2019. De taakstellende onderuitputting wordt uiterlijk bij Miljoenennota structureel verwerkt op de IenW beleidsbegroting (HXII).

Vraag 107

Waarom staat het regeringsvliegtuig op de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat? Komen de jaarlijkse onderhouds- en gebruikskosten ook voor rekening van dat ministerie?

Antwoord op vraag 107

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat is van oudsher verantwoordelijk voor het financieel beheer van het regeringsvliegtuig. De uitgaven voor onderhoud- en gebruikskosten worden daarom verantwoord op de begroting van IenW.

Vraag 108

Zijn onder de post «Diversen – beleidsmatige mutaties, uitgaven» de bedragen voor het Caribisch deel van Nederland voldoende? Welke activiteiten/werkzaamheden worden hiervoor uitgevoerd en wat is het beoogde resultaat?

Antwoord op vraag 108

De bijzondere gemeenten Sint Eustatius, Saba en Bonaire dragen zelf de zorg en de verantwoordelijkheid voor het beheer en het onderhoud van de infrastructuur. De bijdrage van 15 miljoen betreft bijzondere uitkeringen voor een incidentele impuls aan de wegen op Sint Eustatius en Bonaire. Deze impuls is bedoeld ter verbetering van de staat van de wegen.

Vraag 109

Zijn de middelen uit de envelop klimaat aan te wenden voor verduurzaming van het huidige wagenpark, de inzet van nieuwe waterstofstations of voor welke zaken zijn deze middelen bestemd? Waarom worden deze middelen beschikbaar gesteld vooruitlopend op de totstandkoming van een klimaatpakket?

Antwoord op vraag 109

Omdat het kabinet een ambitieus klimaatbeleid nastreeft, worden al middelen ingezet gericht op het verminderen van de uitstoot van CO2. Deze middelen zijn onderdeel van de envelop van 300 miljoen euro die het kabinet jaarlijks beschikbaar stelt tussen 2018 en 2030. In de bijlage van de Kamerbrief van 5 oktober 2018 (Kamerstuk 32 813, nr. 221) is uiteengezet waar de middelen aan worden besteed. Met name de middelen die middels de (co-financieringsregeling) Demonstratieregeling Klimaattechnologieën en -Innovaties (DKTI) in transport worden ingezet, worden gebruikt om techniekneutraal nul-emissieoplossingen in de markt aan te jagen. DKTI tranche 1 kent 33 projecten, waaronder 12 waterstofstations.

Vraag 110

Is er zicht op grotere en meer bijdragen van andere landen dan Canada, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken voor de Global Commission on Adaptation? Er zouden toch meer landen meedoen?

Antwoord op vraag 110

De huidige bijdragen van deze landen zijn gericht op het instellen en laten functioneren van de Global Commission on Adaption. De verwachting is dat meer landen zullen bijdragen en dat ook de private sector zal volgen. Dit nadat de VN climate summit in september 2019 is geweest en het jaar van actie van de Global Commission is gestart. Het gaat dan om aanvullende bijdragen die gericht zijn op de diverse actiesporen van de Global Commission, zoals op het terrein van voedselzekerheid, steden of infrastructuur.

Vraag 111

Wat wordt bedoeld met «interne problematiek van EZK»? Hoe wordt de taakstelling op het artikel «nominaal en onverdeeld» nu ingevuld?

Antwoord op vraag 111

De interne problematiek van EZK (38,7 mln. in 2019) bestaat uit prioritaire uitgaven voor NCG, Verduurzaming Industrie en andere klimaatuitgaven, de nog in te vullen taakstelling uit de Voorjaarsbesluitvorming 2018, diverse kleinere knelpunten op apparaat en het aanvullen van een tekort op uitvoeringsbudget voor het Agentschap Telecom (AT) van EZK. Met interne problematiek worden dus interne (EZK) knelpunten bedoeld waarvoor door EZK dekking is gevonden. Hiervoor wordt geen beroep gedaan op generale middelen.

De taakstelling op artikel 41 wordt ingevuld door dekking uit EZK-brede middelen (o.a. Eindejaarsmarge 2018, ramingsbijstellingen van ontvangsten en een restant Prijsbijstelling). Deze taakstelling bedraagt in 2019 7 miljoen, in 2020–2022 jaarlijks 11 miljoen, 10 miljoen in 2023, 5 miljoen in 2024 en vanaf 2025 10 miljoen structureel per jaar. De taakstelling is hiermee structureel gedekt.

Vraag 112

Waarom is er extra geld nodig voor de implementatie van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)?

Antwoord op vraag 112

In 2021 wordt het nieuwe Europese Meerjarig Financieel Kader van kracht. Hierbij wordt ook het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) vernieuwd. Ten opzichte van de huidige systematiek, zal het nieuwe GLB zich meer richten op de geleverde prestaties en doelmatigheid. Om van de beschikbare GLB-middelen gebruik te kunnen maken, dient de (ICT-)inrichting bij RVO hiervoor in gereedheid te worden gebracht. Het is niet toegestaan om de kosten voor de implementatie uit de EU beschikbaar gestelde middelen te bekostigen.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat de NVWA ten onrechte initiële opleidingskosten in haar retributietarieven voor vleeskeuringen had opgenomen. De NVWA wordt voor de terugbetaling van deze kosten en de structurele inkomstenderving gecompenseerd. Verder ziet de NVWA zich geconfronteerd met tegenvallers door de toegenomen bezwaar- en beroepzaken door het fosfaatrechtenstelsel en doordat uit overleggen met de vakbonden is gebleken dat de besparing door de afschaffing van de reistijd=werktijd regeling niet op de beoogde wijze kan worden behaald.

Vraag 113

Waarvoor zijn de 32,4 miljoen euro bedoeld die zijn overgeheveld naar de begroting van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit? Waarom worden deze middelen beschikbaar gesteld vooruitlopend op de totstandkoming van het klimaatpakket?

Antwoord op vraag 113

Uit nota van wijziging:

Uitboeking middelen Klimaatenveloppe bij nota van wijziging op de LNV-begroting voor het jaar 2019

Artikel

Thema

Instrumentnaam

In € mln.

11

Kas als Energiebron

Energie-efficiënte en hernieuwbare energie glastuinbouw (EHG)

5,5

11

Kas als Energiebron

Innovatieagenda energie

5,9

11

Mestopslagen & veehouderij (Methaan)

Klimaatvriendelijke veehouderij

5

11

Voedselverspilling

Voedselagenda

1

11

Slimmer landgebruik

Diverse projecten duurzame landbouw

6,5

12

Slimmer landgebruik

Veenweidegebieden

6

12

Slimmer landgebruik

Pilots bosbeheer en natuur

2,5

   

TOTAAL LNV

32,4

Het betreft hier middelen uit het Regeerakkoord voor 2019. Indien met deze middelen gewacht zou worden op het klimaatakkoord, zouden ze mogelijk geen bestemming meer kunnen hebben in 2019.

Vraag 114

Wat is de «reserve apurement»?

Antwoord op vraag 114

Dit is een reserve die dient voor het terugbetalen van financiële correcties van de Europese Commissie. Apurement heeft betrekking op correcties van de Europese Commissie (EC) vanwege een niet EU-conforme uitvoering van EU-subsidieregelingen. LNV monitort het verloop van correctievoorstellen en -besluiten en bepaalt of de omvang van deze reserve proportioneel is in relatie tot de financiële dreigingen uit lopende onderzoeken. Pas op het moment van de ontvangen uitspraak van de EC is er sprake van een juridische verplichting.

Vraag 115

Waarom komen de in het regeerakkoord gereserveerde middelen voor stimulering van medisch specialisten in loondienst/participatiemodel niet tot besteding?

Antwoord op vraag 115

In het regeerakkoord is opgenomen dat het kabinet, voor meer gelijkgerichtheid in het ziekenhuis, stimuleert dat medisch specialisten de stap maken naar het participatiemodel of loondienst (bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34). Daarnaast wordt in het bestuurlijk akkoord medisch-specialistische zorg 2019–2022 gelijkgerichtheid van belangen als katalysator gezien voor de transformatie naar de Juiste Zorg op de Juiste Plek. Om deze redenen heeft de Minister voor Medische Zorg en Sport besloten om onderzoek uit te laten voeren naar hoe gelijkgerichtheid in de medisch specialistische zorg kan worden bevorderd, mede ten behoeve van Juiste Zorg op de Juiste Plek. Daarbij wordt ook de subsidieregeling overgang integrale tarieven MSZ geëvalueerd. Deze regeling is erop gericht de financiële belemmeringen weg te nemen bij medisch specialisten die willen overstappen van vrije vestiging naar loondienst. De Minister voor Medische Zorg en Sport streeft ernaar de uitkomsten van het onderzoek en de evaluatie met een kabinetsreactie nog voor het zomerreces aan de Tweede Kamer aan te bieden. Op basis van het onderzoek en de evaluatie wordt besloten over de inzet van de middelen die middels het regeerakkoord beschikbaar zijn. Intussen is de verwachting dat de voor 2019 gereserveerde middelen niet volledig tot besteding komen.

Vraag 116

Waarom worden de resterende middelen voor 2019 voor een derde ronde projecten maatschappelijke dienststijd vrijgegeven, nu de eerste pilots nog niet eens zijn geëvalueerd?

Antwoord op vraag 116

De maatschappelijke diensttijd (MDT) wordt tijdens de uitvoering verder ontwikkeld op basis van de ervaringen met opgestarte projecten. Om deze ervaringen zo vroeg mogelijk te kunnen benutten is gekozen voor een evaluatieprogramma waarbij de projecten niet alleen achteraf, maar ook tijdens de uitvoering systematisch worden geëvalueerd (ex durante evaluatie). De Staatssecretaris van VWS heeft op 29 maart 2019 de eerste resultaten van deze tussentijdse evaluaties met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 35 034, nr. 3). De bevindingen zijn betrokken bij de opzet van de derde ronde projecten.

Vraag 117

Kunt u een uitsplitsing maken van de som van de uitgaven die gedaan worden onder het kopje «diversen»?

Antwoord op vraag 117

In de Verticale Toelichting wordt een uitsplitsing gemaakt van mee- en tegenvallers, beleidsmatige mutaties en technische mutaties. De ondergrenzen voor de VT bepalen welke mutaties worden toegelicht en welke mutaties onder de «diversen»-post belanden. De mutaties in de «diversen»-post hebben een omvang die kleiner is dan de ondergrenzen. Hieronder vallen ook verschillende zeer kleine mutaties met een omvang van enkele duizenden euro’s.

Hieronder vindt u de drie grootste mutaties (in mln.) die onder de «diversen»-post vallen, per uitgavencategorie.

Mee- en tegenvallers – «diversen»

Uitvoeringskosten UWV

5.140

Tegenvaller ANW

1.686

Meevaller IOAOW

– 1.737

Beleidsmatige mutaties – «diversen»

Kasschuiven uitgavenplafond Sociale Zekerheid artikel 11

– 12.500

Kasschuiven uitgavenplafond Sociale Zekerheid artikel 3

– 7.125

WAB Uitvoeringskosten UWV en BD

5.000

Technische mutaties – «diversen»

Nieuw pakket van maatregelen WIA en LBZ – uitboeken uitvoeringskosten UWV

– 7.000

Nieuw pakket van maatregelen WIA en LBZ – uitvoeringskosten aan het UWV voor artsen

4.000

Nieuw pakket van maatregelen WIA en LBZ – uitvoeringskosten UWV uitvoering landelijke uniforme werkwijze RIV-toets.

2.000

Vraag 118

Hoeveel geld wordt er overgeheveld naar de Belastingtelefoon en waar wordt dit aan besteed?

Antwoord op vraag 118

Bij Voorjaarsnota is € 8,9 mln. voor 2019 en € 8,9 mln. voor 2020 overgeheveld vanaf de Aanvullende Post naar artikel 1 (Belastingdienst) gericht op het verbeteren van de bereikbaarheid. Dit wordt besteed aan de inzet van extra medewerkers voor telefonie en daarnaast voor het afhandelen van klantvragen op social media.

Vraag 119

Voor hoeveel jaar is er geld gereserveerd voor de afschaffing van de doorsneesystematiek pensioenen?

Antwoord op vraag 119

Bij het Regeerakkoord zijn op de Aanvullende Post middelen gereserveerd voor de transitie voor werkgevers zorg en overheid ten gevolge van de afschaffing van de doorsneesystematiek in de pensioenen (bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34). Daarnaast is bij het Regeerakkoord afgesproken het fiscale kader tijdelijk generiek te verruimen om de transitie te faciliteren. Voor hoeveel jaar er uiteindelijk middelen beschikbaar worden gesteld, is afhankelijk van de duur van transitieperiode. Over de duur wordt nog gesproken bij de uitwerking van de pensioendeal.

Vraag 120

Hoe kan het dat er op de aanvullende post nog steeds regeerakkoordmiddelen staan, terwijl het Kabinet al halverwege de rit is? Kan per post aangegeven worden waarom de middelen nog niet tot besteding zijn gekomen dan wel nog niet ingezet zijn?

Antwoord op vraag 120

Zie antwoord op vraag 27.

Vraag 121

Waarom is de overige 16 miljoen euro van het totaal van 200 miljoen euro die het kabinet vrij maakt voor warme sanering varkenshouderij apart gezet als reserve?

Antwoord op vraag 121

Op de aanvullende post resteert nog een bedrag van € 16 mln. voor maatregelen voor de pelsdierhouderij en voor uitvoeringskosten van de innovatie en investeringsregeling. Deze zullen op een later moment naar de LNV begroting worden overgeheveld.

Vraag 122

Kan het kabinet een toelichting geven op de reserves binnen de NVWA? Waarom wordt dit bedrag apart gezet en met welk uiteindelijk doel?

Antwoord op vraag 122

Bijlage 4 van de voorjaarsnota gaat niet in op de reserves van de NVWA. In tabel 2 van «Bijlage 4: Overzicht Regeerakkoordmiddelen op de Aanvullende Post» staan de resterende middelen voor de NVWA op de aanvullende post. Het betreft enerzijds het restant van de middelen die door het vorige Kabinet in 2017 zijn uitgetrokken om de NVWA beter in staat te stellen haar rol als autoriteit uit te oefenen. Anderzijds betreft het de resterende middelen die bij het Regeerakkoord zijn afgesproken om tot een aanscherping van het toezicht te komen waardoor het dierenwelzijn en de voedselveiligheid beter geborgd en de reputatie van de Nederlandse agro-foodsector beschermd wordt. De middelen worden toegevoegd aan de conceptbegroting. De overboeking naar de opdrachtgevers van de NVWA zal in de verhouding 1/3 (VWS) en 2/3 (LNV) in de komende ontwerpbegroting worden geeffectueerd.


X Noot
1

Het betreft hier het effect van beleidsmaatregelen op EMU-basis. Dit wijkt af van de beleidsmatige lastenontwikkeling op lastenbasis, welke het kabinet ook publiceert. Het verschil tussen de definities heeft onder meer te maken met het feit dat bij de EMU-definitie het EMU-saldo het uitgangspunt vormt. Anticipatie effecten met hogere kasontvangsten zijn dan van belang, terwijl deze op lastenbasis niet relevant zijn.

X Noot
2

Het gaat hier om de totale belasting- en premieontvangsten zoals weergegeven in de begrotingsstukken, als percentage van het BBP. Door een verschil in definities wijkt dat af van de collectieve lastendruk zoals gedefinieerd door het CBS.

X Noot
3

Hierbij wordt op basis van de Nationale Energieverkenning 2017 (Kamerstuk 30 196, nr. 559) uitgegaan van een gemiddeld verbruik van huishoudens van 1.170 m3 aardgas en 2.581 kWh elektriciteit.

X Noot
4

AOW-variant en arbeidsaanbod, CPB, 5 juni 2019

X Noot
5

Statistieken DNB, tabel 8.8 Financiële positie van pensioenfondsen, geraadpleegd via www.dnb.nl.

X Noot
6

Conform raming van het budgettaire belang van belaste pensioenuitkeringen in bijlage 9 van Miljoenennota 2019, tabel 9.3.1.

X Noot
7

Zie tabel 11 van de Voorjaarsnota 2019.

X Noot
9

Kamerstuk 23 987 nr.296

X Noot
10

Kamerstuk 23 987 nr. 317, Kamerstuk 23 987 nr. 347

Naar boven