Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1998-1999nr. 39, pagina 2822-2825

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:

Ik stel voor, te behandelen in de vergaderingen van 19, 20 en 21 januari 1999:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (25311);

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, houdende aanpassingen in het systeem van selectie voor opleidingen waarvoor een toelatingsbeperking is vastgesteld (25947);

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs inzake geneeskundige verklaringen (26224).

Ik stel voor, te behandelen in de vergaderingen van 26, 27 en 28 januari 1999:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met vervanging van de tijdelijke regeling van de vergoeding voor de exploitatiekosten door een in die wet zelf neergelegde regeling (regeling nieuw bekostigingsstelsel exploitatiekosten voortgezet onderwijs) (25878);

  • - het voorstel van rijkswet Goedkeuring van het op 18 september 1997 te Oslo tot stand gekomen Verdrag inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoneelmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens (26137, R1620);

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet milieubeheer, de Wet rampen en zware ongevallen en de Arbeidsomstandighedenwet ter uitvoering van de EG-richtlijn betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (Seveso-II) (25972).

Ik stel voor, te behandelen in de vergaderingen van 2, 3 en 4 februari 1999:

  • - het voorstel van rijkswet Goedkeuring van het op 17 mei 1994 te Parijs tot stand gekomen verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Franse Republiek inzake personencontrole op de luchthavens op Sint Maarten (Trb. 1994, 144) (24074, R1531);

  • - het wetsvoorstel Regels inzake de bescherming van persoonsgegevens (Wet bescherming persoonsgegevens) (25892).

Ik stel voor, toestemming te verlenen tot het houden van wetgevings- c.q. notaoverleg met stenografisch verslag op:

maandag 1 februari 1999:

  • - van 11.00 uur tot 17.00 uur van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de beleidsnotitie gemeentelijk herindelingsbeleid (26331).

Aangezien voor de stukken gedrukt onder de nummers 19326, nrs. 203, 205, 206 en 209, 24493 (R1557), nr. 7, 26259 (R1624), 26261, 26289, 26290 (R1625), 26291 (R1626) en 26292 de termijnen zijn verstreken, stel ik voor, dat wat deze Kamer betreft, de daarbij ter stilzwijgende goedkeuring overgelegde stukken zijn goedgekeurd.

Aangezien voor de stukken 23490, nr. 111, 26285 en 26293 de termijnen zijn verstreken, stel ik voor, deze stukken voor kennisgeving aan te nemen.

Ik stel voor, de stukken 19637, nr. 399, 21664, nr. 101, 22112, nr. 101, 23972, nr. 29, 23982, nr. 29, 24587, nr. 34, 25734, nrs. 3 en 4, 25879, nr. 43, en 26200-XI, nr. 36 voor kennisgeving aan te nemen.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Marijnissen.

De heer Marijnissen (SP):

Mevrouw de voorzitter! Afgelopen nacht is begonnen wat velen al verwacht hadden en anderen gevreesd: de luchtaanvallen van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk op Irak. Dat is bijzonder omdat vandaag is gebleken dat de meerderheid van de Veiligheidsraad die actie niet steunt. Het is ook bijzonder omdat dreigt uit te komen wat velen al vreesden, namelijk dat de Iraakse bevolking een onevenredig grote prijs gaat betalen voor deze actie. De Nederlandse regering heeft vannacht laten weten dat zij de actie steunt. Daarom vraag ik de Kamer de minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken te mogen interpelleren over het besluit tot steun aan de Amerikaanse en Britse regering.

Mevrouw De Boer (PvdA):

Voorzitter! Als voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken kan ik u zeggen dat vanmorgen een procedurevergadering heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een verwacht verzoek van de SP-fractie om een interpellatie te mogen houden. Daarbij hebben wij geconstateerd dat vanmorgen al een gedachtewisseling heeft plaatsgevonden tussen de regering en de Kamer over Irak. Ook hebben wij geconstateerd dat er sinds die tijd geen nieuwe gegevens beschikbaar zijn gekomen. Wij achten het niet zinvol om vanmiddag op basis van niet bestaande nieuwe informatie nieuw overleg te hebben. Wel achten wij het noodzakelijk dat de Kamer het verzoek aan de regering doet om ons van alle komende ontwikkelingen op de hoogte te houden. Dat betekent ook dat wij een extra algemeen overleg gedurende het kerstreces niet uitsluiten. Op dit moment hebben wij echter geen behoefte aan de gevraagde interpellatie.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Mijn fractie meent dat er zeer veel kritische vragen te stellen zijn aan de regering over de bombardementen op Irak. Wij hebben in de procedurevergadering van de commissie voor Buitenlandse Zaken het voorstel gedaan om vanmiddag een algemeen overleg met de regering te houden. Daar hadden wij die vragen graag aan de orde willen stellen. Ik heb daarvoor helaas geen steun gehad van de collega's. Ik ondersteun het verzoek van de SP tot het houden van een interpellatie. Er moet sowieso een debat met de regering plaatsvinden.

De heer Marijnissen (SP):

Mevrouw de voorzitter! Ik ben verbaasd over de reactie van mevrouw De Boer, die namens de meerderheid van de commissie sprak. Er zou thans geen reden zijn voor een debat. Ik laat in het midden of dat een algemeen overleg, een interpellatie of een plenair debat moet zijn. Het lijkt mij dat de steun die de Nederlandse regering verleent aan de – ik citeer de president van de VS – massieve actie tegen Irak aanleiding moet zijn voor een nadere gedachtewisseling met het kabinet. Ik heb vernomen dat vanmorgen in een debat dat ging over Europa en de Europese Raad zijdelings is gesproken over de acties van de VS en Engeland. Het kan echt niet dat het Nederlandse parlement geen ruimte heeft om hierover nader met de minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken te spreken. Het is vanzelfsprekend dat ik mij voeg naar de meerderheid van deze Kamer, maar ik wil gezegd hebben dat ik het erg op prijs zou stellen indien mij en GroenLinks de gelegenheid werd geboden om de minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken nader te ondervragen.

De voorzitter:

Ik heb vanmorgen dat debat voorgezeten. Iedere fractie die aan het debat heeft deelgenomen, is begonnen met aandacht te wijden aan dit onderwerp. Ook de minister-president is in zijn beantwoording begonnen met dit onderwerp. Het gaat mij als voorzitter iets te ver als wordt gezegd dat het zijdelings aan de orde is gekomen.

Voor de rest ga ik ervan uit dat de fracties die niet het woord hebben gevoerd, het eens zijn met mevrouw De Boer. Naar mij blijkt, is dat het geval. De meerderheid van de Kamer volgt de heer Marijnissen niet. Ik geef leden die dit wensen graag de kans om zich hierover uit te spreken.

Mevrouw De Boer (PvdA):

De meerderheid van de commissie heeft gezegd dat als er nieuwe gegevens zijn, de commissie onmiddellijk een algemeen overleg zal aanvragen. Het maakt dan niet uit of het kerstreces is of niet. Wij vinden het op dat ogenblik noodzakelijk om over deze buitengewoon belangrijke ontwikkeling te vergaderen. Nu vergaderen op basis van een stuk dat vanmorgen is besproken, is zinloos.

De heer Weisglas (VVD):

Ik wil nog iets toevoegen aan wat mevrouw De Boer heeft gezegd en door mij wordt ondersteund. In artikel 133 van het Reglement van orde staat dat een interpellatie kan plaatsvinden over een zaak die niet aan de orde van de dag is. Wij hebben het in dit geval letterlijk aan de orde van de dag gehad. Er is een plenair debat met de minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken over dit onderwerp gevoerd. Wanneer de fractie van de SP ervoor kiest om daar niet aan mee te doen, is dat haar keuze. In het plenaire debat van vanmorgen had iedere fractie een motie kunnen indienen.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Mevrouw de voorzitter! Mevrouw De Boer heeft ook namens mij gesproken. Ik ben niet geheel ongevoelig voor de wijze waarop de Kamer omgaat met de rechten van fracties, in het bijzonder die van de kleinere fracties. Wanneer wij die interpellatie niet honoreren, wordt dan een recht beknot of wordt de heer Marijnissen de mogelijkheid ontnomen om te discussiëren over een belangrijke zaak? Ik meen dat dit niet het geval is na datgene wat wij vanmorgen aan mogelijkheden hadden. Bovendien speelt het gebrek aan extra informatie – die zal ongetwijfeld nog komen – hierbij een rol. Dit is de verklaring voor mijn steun aan het standpunt van mevrouw De Boer.

De heer Marijnissen (SP):

Mevrouw de voorzitter! Ik begin met het debat dat vanmorgen heeft plaatsgevonden. Ik ben daarover geïnformeerd. Als u zegt dat over dit onderwerp wel degelijk meer dan alleen in de marge van de Europese Raad is gesproken, Voorzitterneem ik dit onmiddellijk van u aan. Ik vind echter niet dat wij zo'n belangrijke kwestie niet moeten agenderen. Dat is het punt. Op de agenda stond geen brief van het kabinet inzake de steun aan Amerika en Engeland. Op de agenda stond een verslag van de Europese Raad. In het debat daarover is vervolgens over Irak gesproken. Dat mag zo zijn, zeg ik tegen de heer Weisglas, maar dat is iets anders dan dat zo'n onderwerp expliciet wordt geagendeerd, zodat iedereen tevoren weet dat het debat eraan komt, iedereen het kan volgen en alle fracties eraan kunnen deelnemen. Men kan zeggen: dit had u kunnen voorzien. Dat had ik in zoverre kunnen voorzien dat het iets met Europa te maken heeft. Wij hebben het hier over het besluit van de Nederlandse regering, steun te verlenen aan de Verenigde Staten en Engeland voor de luchtaanvallen op Irak. Ik vind dat punt als zodanig meer dan voldoende waard om het te agenderen.

Mevrouw de voorzitter! Ik wil ook nog een opmerking maken aan het adres van mevrouw De Boer. Zij heeft gezegd: er zijn geen nieuwe gegevens. Dank je de koekoek. Er zijn gegevens genoeg, lijkt mij, over wat sinds gisteravond elf uur gaande is en wat de Nederlandse positie is. Dat lijkt mij alles bijeen meer dan genoeg reden voor de Kamer om expliciet, één punt geagendeerd hebbend, te spreken over wat zich in het Midden-Oosten voordoet. Ik kan hier alleen maar mijn standpunt vertolken. Als de Kamer, tegen de ongeschreven regel in, het verzoek van Kamerleden om in de gelegenheid te worden gesteld de regering te interpelleren niet wenst toe te wijzen, heb ik mij vanzelfsprekend daarnaar te schikken.

De heer Weisglas (VVD):

Mijn excuses aan de heer Marijnissen en anderen dat ik met handgebaren in een gedachtewisseling met de heer Marijnissen trad. Dat is niet zo efficiënt. Wat ik wilde aangeven, is dat in het verslag over de Europese Raad dat vanochtend aan de orde was, punt 22 expliciet Irak betrof. Irak was dus in dat verslag wel degelijk geagendeerd.

Mevrouw De Boer (PvdA):

Afgezien van het feit dat die oorlog niet geagendeerd was, was het natuurlijk buitengewoon adequaat dat vanmorgen meteen een gesprek kon plaatsvinden met de minister-president over dit bijzonder belangrijke onderwerp. Vrijwel alle fracties namen aan de beraadslaging deel. De SP-fractie kon er kennelijk niet bij zijn en dat is jammer, maar dit betekent niet dat de Kamer geen gebruik heeft gemaakt van haar recht om over de ontstane situatie te praten. Nu zegt de Kamer: wij willen op de hoogte gehouden blijven. Dit betekent wat mij betreft dat de regering zo snel mogelijk met nadere gegevens (een brief) komt en dit ook gedurende de komende dagen zal blijven doen. Als de ontwikkelingen niet stoppen met een dag of drie, vier moeten wij geïnformeerd blijven worden. Wij moeten er dan van uitgaan dat wij in het kerstreces opgeroepen worden om een algemeen overleg met elkaar te hebben. Nogmaals, het gaat er de meerderheid van de commissie niet om geen reden te zien om te discussiëren. Wij willen wel discussiëren, maar dan op basis van feiten. Die hebben wij nodig.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Voorzitter! Mijn fractie heeft vanmorgen wel meegedaan aan het debat en daarin duidelijk gemaakt dat GroenLinks kritische vragen heeft bij deze acties van de Amerikanen. Wij vinden dat er in dat debat niet echt ruimte was om van gedachten te wisselen met de regering.

De voorzitter:

Ik heb niet één keer tegen welke fractie dan ook gezegd dat zij over haar tijd heen was of dat er geen ruimte was om iets te bespreken. Er was vanochtend ontzettend veel ruimte op de agenda. Iedere fractie heeft daarvan volop gebruik kunnen maken. Als uw fractie niet die ruimte heeft genomen omdat zij niet vond dat zij over dat onderwerp langer moest spreken, is dat een zaak van uw fractie en niet van de agenda van de Kamer.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Op zichzelf heeft u daar een punt. Het blijft echter een feit dat dit één onderwerp was van de vele die geagendeerd waren. Wij doen recht aan het onderwerp door een uitgebreide discussie apart daarover te voeren met de regering. Wij vinden dat de zaak daarvoor dringend genoeg is. Daarom steunen wij het verzoek van de heer Marijnissen.

De voorzitter:

Ik respecteer dat u zegt dat u er een apart debat over wilt voeren. Dan is dat uw redengeving, niet het feit dat er vanochtend geen ruimte voor was.

De heer Marijnissen (SP):

Mevrouw de voorzitter! Ik blijf het bezwaarlijk vinden dat wanneer op het groentje met de agenda van de Kamer wordt vermeld dat het verslag van de Europese Raad wordt besproken, vervolgens gesproken wordt over een oorlog die de nacht tevoren is uitgebroken en gezegd wordt: daarmee heeft de Kamer dit onderwerp behandeld. Als dit aan de orde was, dan was het wel zo charmant geweest als alle leden en fracties daarvan van tevoren op de hoogte waren gesteld. Dan was het uiteraard een andere zaak geworden. Dan had GroenLinks minder terughoudend aan dat debat deelgenomen en andere fracties, die in de veronderstelling leefden dat vandaag nog een specifiek podium voor dit onderwerp zou worden geboden, wellicht ook. Dit zeg ik op uw verweer en op het verweer van mevrouw De Boer.

Ik wil nog reageren op een andere opmerking van mevrouw De Boer. Zij zegt dat zij graag wil discussiëren op basis van feiten. Wat zijn feiten? Het lijkt mij dat er de afgelopen nacht nogal wat feiten zijn geschapen. Er is genoeg te bespreken over het besluit van de Nederlandse regering om onvoorwaardelijke steun te verlenen aan deze actie van de VS en Engeland. Hoelang gaat het allemaal duren? Welke middelen zullen worden ingezet? Welk politiek doel is hier gediend? Een diepgaand en inhoudelijk debat, dat extra wordt geagendeerd, lijkt mij meer dan op zijn plaats. Of dit nu een interpellatie moet zijn, een plenair debat of een algemeen overleg, wil ik in het midden laten.

Mevrouw De Boer (PvdA):

Omdat CNN ons gegevens heeft verschaft over hetgeen vannacht heeft plaatsgevonden, is de eerste gedachtewisseling met de minister-president van vanochtend zinvol geweest. Alle partijen wisten dat ook Irak vanmorgen op de agenda stond. Op het moment dat de agenda werd gemaakt, stond uiteraard geen oorlog geagendeerd, maar het viel absoluut te verwachten dat alle partijen die vanmorgen aan het overleg deelnamen, in de discussie over Irak verder zouden gaan dan hetgeen geagendeerd was. Alle partijen hebben van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Tussen de afronding van het debat en nu hebben ons geen nieuwe gegevens bereikt. Het is noodzakelijk dat de Kamer erbovenop blijft zitten, want dit is een heel ernstig onderwerp. Juist daarom is het nodig dat de regering ons blijft informeren; op basis daarvan besluiten wij wanneer het nodig is om hierover met de regering van gedachten te wisselen. Nu zou dat een herhaling van zetten zijn en daarvoor is het onderwerp te belangrijk. Wij willen het onderwerp serieus nemen.

De heer Marijnissen (SP):

Voorzitter! Als u het mij toestaat, wil ik er nog graag op reageren. Wat mevrouw De Boer op het laatst zei, trof mij wel erg. Ze zei dat ze het onderwerp serieus wilde nemen. Laten wij ervan uitgaan dat iedereen hier vindt dat het om zo'n ernstige zaak gaat dat die serieus moet worden genomen. Laten wij ervan uitgaan dat wij allemaal willen dat er voor de Kamer genoeg ruimte bestaat om een politiek oordeel uit te spreken over de vraag of de regering correct heeft gehandeld en dat de Kamer, voordat Nederland zich in een wespennest steekt, zich kan afvragen of dit wel gewenst is.

Ik blijf twee zaken merkwaardig vinden. Ten eerste dat het interpellatieverzoek niet wordt toegewezen; ik geloof dat dit de eerste of tweede keer is in vijf jaar dat ik dit meemaak. Ten tweede dat de Kamer niet expliciet een onderwerp agendeert dat rechtstreeks met oorlog en vrede te maken heeft, zodat álle Kamerleden goed voorbereid aan zo'n debat kunnen deelnemen, niet alleen de Europawoordvoerders van bepaalde fracties, maar de woordvoerders die zich normaal over dit soort zaken buigen.

De voorzitter:

Een deel van de Kamer verschilt met u van mening over de vraag of het onderwerp al behandeld is. Een deel vindt namelijk dat het onderwerp voor dit moment, zolang er nog geen sprake is van nieuwe feiten, wél behandeld is. Ik moet rekening houden met het feit dat de overgrote meerderheid van de Kamer zegt dat een interpellatie daarom vandaag niet nodig is. Ik kan niet veel anders doen dat dit constateren.

De heer Marijnissen (SP):

Voorzitter! Ik deel die constatering met u en ben er buitengewoon teleurgesteld over.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Halsema.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Bij dezen wil ik u verzoeken om het verslag van het algemeen overleg over het asielbeleid van gisteren op de plenaire agenda te plaatsen.

De voorzitter:

Ik neem aan dat de Kamer dit verzoek onderschrijft. Ik stel voor, dit VAO te plaatsen na de twee VAO's die nu op de agenda staan. Wij zullen dit VAO dus behandelen na die over de lokalelastendruk en de wapenexport.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Verbugt.

Mevrouw Verbugt (VVD):

Voorzitter! Afgelopen maandag heeft de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat een notaoverleg gevoerd met minister Netelenbos over het Meerjarenprogramma infrastructuur en transport. Mede namens de fracties van de PvdA en D66 wil ik u vragen om op de agenda van heden ruimte te reserveren voor een korte plenaire afronding. Wij zouden daar dan ook nog een resterend puntje van het Infrastructuurfonds bij kunnen betrekken.

De heer Leers (CDA):

Voorzitter! Het CDA wil zich graag aansluiten bij dit verzoek. Wij zijn zeer geïnteresseerd in de uiteindelijke ferme opstelling van de VVD en ook geïnteresseerd in de vraag wie of wat nu uiteindelijk in de grond wordt geboord. Wij sluiten ons dus graag aan.

De voorzitter:

Het moet toeval geweest zijn dat die voorlaatste zin bijna niet te horen was!

Ik stel voor, na de behandeling van het verslag van het AO over het asielbeleid een korte heropening te hebben en dat de fracties niet meer dan de twee minuten spreektijd nemen die ook voor de behandeling van een VAO staan, anders komen wij vandaag niet goed uit met onze planning.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Terpstra.

Mevrouw Terpstra (VVD):

Voorzitter! Gisteren heb ik al bij de regeling van werkzaamheden aangekondigd dat de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid vanmorgen een apart algemeen overleg zou houden. Inderdaad is toen gebeurd wat ik al verwachtte: de leden van de vaste commissie vragen u om als afronding van dit AO een kort plenair debatje te hebben over bovenregionaal vervoer voor gehandicapten.

De voorzitter:

Ik stel voor, na de heropening over het MIT hierover een tweeminutendebat te houden.

Daartoe wordt besloten.