Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2018
Nr. 293

Gepubliceerd op 31 augustus 2018 09:00



Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving (Besluit activiteiten leefomgeving)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2017, nr. IenM/BSK-2017/168354, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op de grondwaterrichtlijn, de kaderrichtlijn afvalstoffen, de kaderrichtlijn water, het Londen-protocol, de nitraatrichtlijn, het Ospar-verdrag, het PRTR-protocol, de PRTR-verordening, de richtlijn autowrakken, de richtlijn benzinedampterugwinning, de richtlijn duurzaam gebruik, de richtlijn geologische opslag van kooldioxide, de richtlijn havenontvangstvoorzieningen, de richtlijn industriële emissies, de richtlijn offshore veiligheid, de richtlijn opslag en distributie benzine, de richtlijn stedelijk afvalwater, de richtlijn toegang tot milieu-informatie, de richtlijn winningsafval, de Seveso-richtlijn, het verdrag van Aarhus, het verdrag van Granada, het verdrag van Valletta, het werelderfgoedverdrag, het VN-Zeerechtverdrag en de artikelen 2.24, eerste lid, 4.3, eerste en tweede lid, 5.1, eerste en tweede lid, en 20.6, eerste lid, van de Omgevingswet, de artikelen 6, eerste lid, 7, eerste lid, 16 en 20 van de Arbeidsomstandighedenwet, de artikelen 31, vierde lid, 48, zesde lid, en 49, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s en artikel 19.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 december 2017, nr. W14.17.0200/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 juni 2018, nr. 2018-0000524052, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

AFDELING 1.1 ALGEMEEN

Artikel 1.1 (begripsbepalingen)

Bijlage I bij dit besluit bevat begrippen en definities voor de toepassing van dit besluit.

AFDELING 1.2 TOEPASSINGSBEREIK

Artikel 1.2 (exclusieve economische zone)

Dit besluit is van toepassing in de exclusieve economische zone.

AFDELING 1.3 INTERNATIONAALRECHTELIJKE VERPLICHTINGEN

Artikel 1.3 (wederzijdse erkenning)

Met een erkenning, certificaat, keuring of norm als bedoeld in dit besluit wordt gelijkgesteld een erkenning, certificaat, keuring of norm, afgegeven, uitgevoerd of goedgekeurd door een daartoe bevoegde onafhankelijke instelling in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat die geen lidstaat van de Europese Unie is en partij is bij een verdrag dat Nederland bindt, met een beschermingsniveau dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

HOOFDSTUK 2 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN EN LOZINGSACTIVITEITEN: ALGEMEEN

AFDELING 2.1 TOEPASSINGSBEREIK

Artikel 2.1 (activiteiten)

De hoofdstukken 2 tot en met 5 gaan over milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk die daarbij worden verricht.

Artikel 2.2 (oogmerken)
  • 1. De regels in de hoofdstukken 2 tot en met 5 over milieubelastende activiteiten zijn gesteld met het oog op:

    • a. het waarborgen van de veiligheid;

    • b. het beschermen van de gezondheid; en

    • c. het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om:

      • 1°. het beschermen tegen milieuverontreiniging;

      • 2°. het beschermen van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

      • 3°. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen;

      • 4°. een doelmatig beheer van afvalstoffen;

      • 5°. het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder;

      • 6°. het beperken van de kans op en het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;

      • 7°. het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater;

      • 8°. het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; of

      • 9°. het vervullen van de maatschappelijke functies die op grond van de wet aan watersystemen zijn toegekend.

  • 2. De regels in de hoofdstukken 2 tot en met 5 over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk zijn gesteld met het oog op:

    • a. het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

    • b. het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

    • c. het vervullen van de maatschappelijke functies die op grond van de wet aan watersystemen zijn toegekend; en

    • d. het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk.

AFDELING 2.2 BEVOEGD GEZAG

Artikel 2.3 (bevoegd gezag gemeente)

Tenzij in de artikelen 2.5 tot en met 2.9 anders is bepaald, is voor een milieubelastende activiteit het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag:

  • a. waaraan een melding wordt gedaan;

  • b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of

  • c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.

Artikel 2.4 (bevoegd gezag waterschap)

Voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk in beheer bij een waterschap is het dagelijks bestuur van het waterschap waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag:

  • a. waaraan een melding wordt gedaan;

  • b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of

  • c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.

Artikel 2.5 (bevoegd gezag provincie)

Voor het aanleggen en het gebruiken van een open bodemenergiesysteem, bedoeld in paragraaf 3.2.6, zijn gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag:

  • a. waaraan een melding wordt gedaan;

  • b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of

  • c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.

Artikel 2.6 (bevoegd gezag Minister van Infrastructuur en Waterstaat)

Voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, een milieubelastende activiteit die geheel of in hoofdzaak wordt verricht in de territoriale zee die buiten een gemeente of provincie ligt, een milieubelastende activiteit die geheel of in hoofdzaak wordt verricht in de exclusieve economische zone, het exploiteren van een buisleiding met gevaarlijke stoffen, bedoeld in paragraaf 3.4.3, of een milieubelastende activiteit op een militair terrein of een terrein met een militair object, als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag:

  • a. waaraan een melding wordt gedaan;

  • b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of

  • c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.

Artikel 2.7 (bevoegd gezag Minister van Economische Zaken en Klimaat)

Voor het aanleggen en exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in paragraaf 3.10.1, is Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat het bevoegd gezag:

  • a. waaraan een melding wordt gedaan;

  • b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of

  • c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.

Artikel 2.8 (bevoegd gezag Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)

[Gereserveerd]

Artikel 2.9 (bevoegd gezag algemene regels in combinatie met een omgevingsvergunning)

Voor een milieubelastende activiteit is het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor die milieubelastende activiteit, bedoeld in de artikelen 4.6 tot en met 4.17 van het Omgevingsbesluit, ook het bevoegd gezag:

  • a. waaraan een melding wordt gedaan;

  • b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of

  • c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.

AFDELING 2.3 NORMADRESSAAT

Artikel 2.10 (normadressaat)

Aan de afdelingen 2.6 en 2.7 en de hoofdstukken 3 tot en met 5 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

AFDELING 2.4 SPECIFIEKE ZORGPLICHT

Artikel 2.11 (specifieke zorgplicht)
  • 1. Degene die een milieubelastende activiteit of een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.2, is verplicht:

    • a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2. Voor milieubelastende activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:

    • a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;

    • c. de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;

    • f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;

    • g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;

    • h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd;

    • i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat: herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en

    • j. afvalstoffen worden afgevoerd binnen acht weken na beëindiging van een activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3.

  • 3. Voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk houdt deze plicht in ieder geval in dat:

    • a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b. de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • c. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • d. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;

    • e. lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd;

    • f. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; en

    • g. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd.

AFDELING 2.5 MAATWERK EN ANDERE DECENTRALE AFWEGINGSRUIMTE

Artikel 2.12 (maatwerkregels)
  • 1. Een maatwerkregel kan worden gesteld over artikel 2.11, afdeling 2.7 en de hoofdstukken 3 tot en met 5, met uitzondering van bepalingen waarin activiteiten worden aangewezen als milieubelastende activiteiten of lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk.

  • 2. Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van afdeling 2.7 en de hoofdstukken 3 tot en met 5, tenzij anders is bepaald.

  • 3. Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 2.2.

  • 4. Een maatwerkregel wordt voor milieubelastende activiteiten gesteld in het omgevingsplan of in de omgevingsverordening en voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk in de waterschapsverordening.

Artikel 2.13 (maatwerkvoorschriften)
  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 5.35 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in hoofdstuk 3 worden verbonden, over artikel 2.11, afdeling 2.7 en de hoofdstukken 3 tot en met 5, met uitzondering van bepalingen:

    • a. waarin activiteiten als milieubelastende activiteiten of lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk worden aangewezen; en

    • b. over meldingen.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van afdeling 2.7 en de hoofdstukken 3 tot en met 5, tenzij anders is bepaald. De artikelen van die afdeling en die hoofdstukken over maatwerkvoorschriften zijn van overeenkomstige toepassing op vergunningvoorschriften.

  • 3. Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan voor een periode van ten hoogste negen maanden ook worden afgeweken van artikel 2.11, tweede lid, onder a, b en c, en derde lid, onder a en b, voor het testen of gebruiken van een nieuwe techniek die, als zij commercieel zou worden ontwikkeld:

    • a. een hoger of ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu kan opleveren; en

    • b. grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de voor die activiteit bestaande beste beschikbare technieken.

  • 4. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in hoofdstuk 3 kan worden verbonden.

  • 5. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in de artikelen 8.9 tot en met 8.25, 8.26, tweede tot en met vierde lid, 8.27, 8.28, 8.30, 8.31 en 8.33 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 6. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in de artikelen 8.26, tweede tot en met vierde lid, 8.27, 8.28, 8.30, 8.31, 8.33, 8.84, 8.88 en 8.92 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.14 (afbakening mogelijkheid maatwerkregels over meldingen)

Een maatwerkregel waarmee wordt afgeweken van een bepaling over een melding uit hoofdstuk 4 kan alleen inhouden een aanvullend verbod om zonder voorafgaande melding aan het bevoegd gezag een activiteit te verrichten en kan worden gesteld vanwege:

  • a. het uitvoeren van taken op het gebied van het beheer van watersystemen en het waterketenbeheer, bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, van de wet, en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet;

  • b. het uitvoeren van taken op het gebied van het beheer van watersystemen en het waterketenbeheer, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, onder a, van de wet; of

  • c. het uitvoeren van taken op het gebied van het voorkomen of beperken van geluidhinder, het beschermen van de kwaliteit van het grondwater, het beheer van watersystemen en het zwemwaterbeheer, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder b, c en d, van de wet.

Artikel 2.15 (afwijken van aanwijzing vergunningplichtige gevallen: aanvullende vergunningplichten)
  • 1. In afwijking van de bepalingen in hoofdstuk 3 waarin vergunningplichtige gevallen van milieubelastende activiteiten of van lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk worden aangewezen, kan een aanvullend verbod worden gesteld om een activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.

  • 2. Het aanvullende verbod kan worden gesteld in:

    • a. de waterschapsverordening, vanwege het uitvoeren van taken op het gebied van het beheer van watersystemen en het waterketenbeheer, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, onder a, van de wet; of

    • b. in de omgevingsverordening, vanwege het uitvoeren van taken op het gebied van het voorkomen of beperken van geluidhinder, het beschermen van de kwaliteit van het grondwater, het beheer van watersystemen en het zwemwaterbeheer, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder b, c en d, van de wet.

Artikel 2.16 (afwijken van aanwijzing vergunningplichtige gevallen: vergunningvrije bodemenergiesystemen)

In afwijking van artikel 2.15, eerste lid, kan in de omgevingsverordening worden bepaald dat geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, is vereist:

  • a. met het oog op doelmatig gebruik van bodemenergie of doelmatig waterbeheer; en

  • b. als de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken niet meer is dan 10 m3/u.

AFDELING 2.6 MELDINGEN EN HET VERSTREKKEN VAN GEGEVENS EN BESCHEIDEN

Artikel 2.17 (algemene gegevens bij een melding)

Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

  • a. de aanduiding van de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 4;

  • b. de naam en het adres van degene die de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, verricht;

  • c. het adres waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht; en

  • d. de dagtekening.

Artikel 2.18 (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden)

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, worden die ondertekend en voorzien van:

  • a. de aanduiding van de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3;

  • b. als het gaat om een activiteit als bedoeld in hoofdstuk 4: de aanduiding van die activiteit;

  • c. de naam en het adres van degene die de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, verricht;

  • d. het adres waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, wordt verricht; en

  • e. de dagtekening.

Artikel 2.19 (gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat)
  • 1. Voordat de naam of het adres, bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.18, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

  • 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3, door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

Artikel 2.20 (gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag)
  • 1. Op verzoek van het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en de maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

  • 2. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

AFDELING 2.7 ONGEWONE VOORVALLEN

Artikel 2.21 (informeren over een ongewoon voorval)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Artikel 2.22 (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2:

  • a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

  • b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;

  • c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en

  • d. informatie over de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.

Artikel 2.23 (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 2.21 en 2.22 niet versoepeld.

HOOFDSTUK 3 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN EN LOZINGSACTIVITEITEN: RICHTINGAANWIJZER

AFDELING 3.1 ALGEMEEN

Artikel 3.1 (aanwijzing lozingsactiviteiten)

Het lozen van stoffen, water of warmte op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk is een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in artikel 2.1.

Artikel 3.2 (algemene regels voor lozen op een zuiveringtechnisch werk)
  • 1. Als in hoofdstuk 4 is bepaald dat het te lozen afvalwater wordt geloosd of kan worden geloosd in een vuilwaterriool, kan ook worden geloosd op een zuiveringtechnisch werk.

  • 2. De bepalingen in hoofdstuk 4 over afvalwater dat in een vuilwaterriool wordt geloosd of kan worden geloosd, zijn van overeenkomstige toepassing op het lozen op een zuiveringtechnisch werk.

Artikel 3.3 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: lozen op een zuiveringtechnisch werk)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten, geldt voor het lozen van afvalwater afkomstig van een milieubelastende activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk op een zuiveringtechnisch werk, voor zover voor die milieubelastende activiteit het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, geldt om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten.

AFDELING 3.2 ACTIVITEITEN DIE BEDRIJFSTAKKEN OVERSTIJGEN

§ 3.2.1 Stookinstallatie
Artikel 3.4 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het aanwezig hebben van een stookinstallatie met een nominale belasting op bovenwaarde van meer dan 130 kW.

Artikel 3.5 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.4.

Artikel 3.6 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.4, wordt voldaan aan de regels over een grote stookinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.3.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

§ 3.2.2 Natte koeltoren
Artikel 3.7 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een natte koeltoren.

Artikel 3.8 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.7, wordt voldaan aan de regels over het exploiteren van een natte koeltoren, bedoeld in paragraaf 4.46.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

§ 3.2.3 Zendmasten
Artikel 3.9 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie, als het elektrisch vermogen groter is dan 4 kW.

Artikel 3.10 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.9.

§ 3.2.4 Windturbine
Artikel 3.11 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m.

  • 2. Onder de aanwijzing valt niet het opwekken van elektriciteit met een windturbine die deel uitmaakt van een windpark in de Noordzee als bedoeld in paragraaf 7.2.3.

Artikel 3.12 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.11, voor zover het gaat om een windpark met 20 of meer windturbines.

Artikel 3.13 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.11, voor zover het gaat om een windpark met 3 tot 20 windturbines.

Artikel 3.14 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.11, wordt voldaan aan de regels over het opwekken van elektriciteit met een windturbine, bedoeld in paragraaf 4.30.

§ 3.2.5 Koelinstallatie met kooldioxide, koolwaterstoffen of ammoniak
Artikel 3.15 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het aanwezig hebben van een koelinstallatie met meer dan:

    • a. 10 kg kooldioxide;

    • b. 5 kg koolwaterstoffen; of

    • c. 10 kg ammoniak.

  • 2. Onder de aanwijzing valt niet het aanwezig hebben van een koelinstallatie met:

    • a. een gefluoreerd broeikasgas als bedoeld in Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 (PbEU 2014, L 150); of

    • b. een gereguleerde stof als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (PbEU 2009, L 286).

Artikel 3.16 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.15, voor zover het gaat om een koelinstallatie met meer dan:

    • a. 100 kg koolwaterstoffen; of

    • b. 1.500 kg ammoniak.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.15.

Artikel 3.17 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.15, wordt voldaan aan de regels over het aanwezig hebben van een koelinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.33, als daarin ten hoogste 100 kg koolwaterstoffen of ten hoogste 1.500 kg ammoniak als koudemiddel wordt toegepast.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

§ 3.2.6 Bodemenergiesysteem
Artikel 3.18 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  • a. het aanleggen van een bodemenergiesysteem; en

  • b. het gebruiken van een bodemenergiesysteem.

Artikel 3.19 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.18, voor zover het gaat om het aanleggen of gebruiken van:

    • a. een open bodemenergiesysteem; of

    • b. een gesloten bodemenergiesysteem met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.

Artikel 3.20 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.18, wordt voldaan aan de regels over:

  • a. een gesloten bodemenergiesysteem, bedoeld in paragraaf 4.111; en

  • b. een open bodemenergiesysteem, bedoeld in paragraaf 4.112.

§ 3.2.7 Opslagtank voor gassen
Artikel 3.21 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  • a. het opslaan van giftige, bijtende, brandbare of oxiderende gassen die tot vloeistof zijn verdicht van ADR-klasse 2 in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 l;

  • b. het opslaan van verstikkende gassen die tot vloeistof zijn verdicht van ADR-klasse 2 in een opslagtank met een inhoud van meer dan 300 l; en

  • c. het opslaan van tot vloeistof verdichte gassen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 l.

Artikel 3.22 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.21, voor zover het gaat om het opslaan van:

  • a. giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2;

  • b. gassen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening;

  • c. meer dan 13 m3 propaan of propeen in een opslagtank;

  • d. propaan of propeen, als propaan of propeen in de vloeistoffase wordt afgetapt;

  • e. brandbare gassen van ADR-klasse 2, met uitzondering van propaan of propeen;

  • f. meer dan 100 m3 oxiderende gassen van ADR-klasse 2; of

  • g. propaan of propeen in meer dan twee opslagtanks.

Artikel 3.23 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.21, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het opslaan van propaan of propeen in opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.91, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.22; en

    • b. het opslaan van oxiderende en verstikkende gassen in opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.92, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.22.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

§ 3.2.8 Opslagtank voor vloeistoffen en tankcontainer of verpakking die wordt gebruikt als opslagtank voor vloeistoffen
Artikel 3.24 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opslaan in een opslagtank met een inhoud van meer dan 250 l of een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt en een inhoud heeft van meer dan 250 l, van:

  • a. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3;

  • b. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.1;

  • c. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2;

  • d. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1;

  • e. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 8;

  • f. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 9 die het aquatisch milieu verontreinigen;

  • g. vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3; bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening;

  • h. oliën of vetten; of

  • i. pekel.

Artikel 3.25 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.24, voor zover het gaat om het opslaan:

    • a. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3;

    • b. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2;

    • c. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1;

    • d. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 8, verpakkingsgroep I;

    • e. van vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening; of

    • f. in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 m3 of een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt en een inhoud heeft van meer dan 150 m3.

  • 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor:

    • a. het opslaan in een ondergrondse opslagtank;

    • b. het opslaan van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger; of

    • c. het opslaan in een opslagtank die:

      • 1°. een inhoud heeft van 300 l of minder; en

      • 2°. niet vanuit een tankwagen wordt gevuld.

  • 3. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c tot en met f.

Artikel 3.26 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.24, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in bovengrondse opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.93, als de opslagtank een inhoud heeft van ten hoogste 150 m3;

    • b. het opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in bovengrondse opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.94, als de opslagtank een inhoud heeft van ten hoogste 150 m3;

    • c. het opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt, bedoeld in paragraaf 4.95;

    • d. het opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in ondergrondse opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.96, als de opslagtank een inhoud heeft van ten hoogste 150 m3; en

    • e. het opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in ondergrondse opslagtanks, bedoeld in paragraaf 4.97, als de opslagtank een inhoud heeft van ten hoogste 150 m3.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

  • 3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met e, is niet van toepassing op het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening.

§ 3.2.9 Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking
Artikel 3.27 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opslaan in verpakking van:

    • a. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 2, 3, 4, 5.1, 5.2, 6.1, 6.2 of 8;

    • b. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 9 die het aquatisch milieu verontreinigen; of

    • c. gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening.

  • 2. Onder de aanwijzing valt niet:

    • a. het opslaan van vloeistoffen in verpakking met een inhoud van meer dan 250 l die als opslagtank wordt gebruikt, bedoeld in paragraaf 3.2.8;

    • b. het opslaan van vaste minerale anorganische meststoffen, bedoeld in paragraaf 3.2.12; en

    • c. het opslaan van minder dan:

      • 1°. 1 kg gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2, 6.1, verpakkingsgroep I, 6.2, categorie I1 of I2, of 8, verpakkingsgroep I;

      • 2°. 25 kg vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3, verpakkingsgroep I of II;

      • 3°. 25 l giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2;

      • 4°. 125 l brandbare gassen van ADR-klasse 2 in gasflessen; en

      • 5°. 1.000 kg in totaal van de gevaarlijke stoffen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.28 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.27, voor zover het gaat om het opslaan in een opslagvoorziening, als daarin wordt opgeslagen:

  • a. meer dan 1.500 l giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2 in gasflessen;

  • b. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2, type A of B;

  • c. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2, type C tot en met F, waarvoor volgens ADR temperatuurbeheersing is vereist;

  • d. meer dan 1.000 kg gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2, type C tot en met F, waarvoor volgens ADR geen temperatuurbeheersing is vereist;

  • e. meer dan 1.000 kg gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1, verpakkingsgroep I;

  • f. meer dan 1.000 kg gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 8, verpakkingsgroep I;

  • g. meer dan 1.500 l tot vloeistof verdichte gassen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening; of

  • h. 10.000 kg of meer in totaal van de gevaarlijke stoffen, bedoeld in artikel 3.27, eerste lid.

Artikel 3.29 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.27, wordt voldaan aan de regels over:

  • a. het opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking, bedoeld in paragraaf 4.98, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.28; en

  • b. het opslaan van organische peroxiden in verpakking, bedoeld in paragraaf 4.99, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.28.

§ 3.2.10 Opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik
Artikel 3.30 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.

  • 2. Onder de aanwijzing valt niet het opslaan, herverpakken of bewerken van:

    • a. minder dan 200 kg in totaal van vuurwerk van categorie F1 en fop- en schertsvuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit;

    • b. minder dan 25 kg vuurwerk van categorie F2 en F3; of

    • c. vuurwerk dat door de krijgsmacht, de politie of de brandweer wordt gebruikt voor instructiedoeleinden.

  • 3. Onder de aanwijzing valt ook niet het voor het vervoer van goederen, bedoeld in paragraaf 3.8.6, opslaan van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger.

  • 4. Voor het bepalen van het gewicht wordt uitgegaan van het vuurwerk met omhulsel en verpakking, maar zonder de transportverpakking, bedoeld in de ADR.

Artikel 3.31 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.30, voor zover het gaat om het opslaan, herverpakken of bewerken van:

    • a. meer dan 25 kg pyrotechnische artikelen voor theatergebruik van categorie T1 of T2;

    • b. meer dan 10.000 kg vuurwerk van categorie F1, F2 of F3;

    • c. vuurwerk van categorie F4; of

    • d. ander vuurwerk dan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

  • 2. Voor het bepalen van het gewicht wordt uitgegaan van het vuurwerk of van de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met omhulsel en verpakking, maar zonder de transportverpakking, bedoeld in de ADR.

Artikel 3.32 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.30, wordt voldaan aan de regels over het opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bedoeld in paragraaf 4.102.

§ 3.2.11 Opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik
Artikel 3.33 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1.

  • 2. Onder de aanwijzing valt niet:

    • a. een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.11.4;

    • b. het opslaan van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bedoeld in paragraaf 3.2.10; en

    • c. het voor het vervoer van goederen opslaan van stoffen, bedoeld in paragraaf 3.8.6, voor zover het gaat om ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1 voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger.

Artikel 3.34 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.33, voor zover het gaat om het opslaan van:

  • a. meer dan 1 kg zwart kruit van ADR-klasse 1.1;

  • b. meer dan 50 kg rookzwak kruit van ADR-klasse 1.3;

  • c. meer dan 50 kg NEM noodsignalen van ADR-klasse 1.3 of 1.4;

  • d. meer dan 250.000 munitiepatronen of hagelpatronen voor vuurwapens van ADR-klasse 1.4;

  • e. meer dan 250.000 patronen voor schiethamers van ADR-klasse 1.4; of

  • f. andere ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1.

Artikel 3.35 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.33, wordt voldaan aan de regels over het opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik, bedoeld in paragraaf 4.103.

§ 3.2.12 Opslaan van vaste minerale anorganische meststoffen
Artikel 3.36 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opslaan van meer dan:

  • a. 250.000 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 1.2 of 1.3 van PGS 7;

  • b. 50.000 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 2 van PGS 7; of

  • c. 50 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 3 of 4 van PGS 7.

Artikel 3.37 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.36, voor zover het gaat om het opslaan van meer dan:

  • a. 100.000 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 2 van PGS 7; of

  • b. 50 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 3 of 4 van PGS 7.

Artikel 3.38 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.36, wordt voldaan aan de regels over het opslaan van vaste minerale anorganische meststoffen, bedoeld in paragraaf 4.100, als ten hoogste 100.000 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 2 of ten hoogste 50 kg vaste minerale anorganische meststoffen van meststoffengroep 3 of 4 van PGS 7 wordt opgeslagen.

§ 3.2.13 Opslaan, mengen, scheiden en verdichten van bedrijfsafval of gevaarlijk afval voorafgaand aan inzameling of afgifte
Artikel 3.39 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen de volgende activiteiten met bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als die worden verricht voorafgaand aan de inzameling of afgifte van die afvalstoffen:

    • a. het opslaan van meer dan 50 ton gevaarlijke afvalstoffen op een andere locatie dan de locatie van productie;

    • b. het opslaan van meer dan 45 m3 bedrijfsafvalstoffen op een andere locatie dan de locatie van productie;

    • c. het scheiden van de onder a of b bedoelde afvalstoffen op een andere locatie dan de locatie van productie;

    • d. het op de locatie van productie mengen van afvalstoffen met afvalstoffen die vallen onder een andere categorie van afvalstoffen als bedoeld in bijlage II, als het gescheiden houden en gescheiden afgeven gelet op de hoeveelheden en de manier van vrijkomen van deze afvalstoffen en de kosten van het gescheiden houden en gescheiden afgeven op grond van het Landelijk afvalbeheerplan kan worden gevergd;

    • e. het mengen van afvalstoffen met afvalstoffen die vallen onder een andere categorie van afvalstoffen als bedoeld in bijlage II op een andere locatie dan de locatie van productie;

    • f. het mengen van afvalstoffen met andere stoffen dan afvalstoffen; en

    • g. het verdichten van gevaarlijk afval.

  • 2. Onder de aanwijzing valt niet:

    • a. het mengen of scheiden van bouwafval en sloopafval, voor zover het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is;

    • b. een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.5.11; en

    • c. de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, met huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven.

Artikel 3.40 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.39.

  • 2. Het verbod geldt niet voor:

    • a. het opslaan van niet meer dan 10.000 m3 grond of baggerspecie dat voldoet aan de eisen van de artikelen 39, 59 of 60 van het Besluit bodemkwaliteit;

    • b. het opslaan van grond of baggerspecie waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is;

    • c. het opslaan van niet meer dan 600 m3 groenafval dat een bedrijfsafvalstof is; of

    • d. het opslaan van niet meer dan 45 m3 per stroom gescheiden gehouden bedrijfsafvalstoffen die horen bij dezelfde categorie van afvalstoffen, bedoeld in bijlage II.

  • 3. Het verbod geldt ook niet voor het scheiden van afvalstoffen als het opslaan van de afvalstoffen niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

§ 3.2.14

[Gereserveerd]

§ 3.2.15

[Gereserveerd]

§ 3.2.16

[Gereserveerd]

§ 3.2.17 Zelfstandige afvalwaterzuivering
Artikel 3.41 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  • a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van afvalwater, bedoeld in categorie 6.11 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

  • b. het exploiteren van een zelfstandige afvalwaterzuivering, anders dan een zuiveringtechnisch werk, voor het zuiveren van afvalwater dat niet afkomstig is van een vuilwaterriool; en

  • c. het anders dan in een zuiveringtechnisch werk zuiveren van afgegeven of ingezameld afvalwater dat niet afkomstig is van een vuilwaterriool.

Artikel 3.42 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.41.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.43 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.41, wordt voldaan aan de regels over:

  • a. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van industrieel afvalwater, bedoeld in categorie 6.11 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en

  • b. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3.

§ 3.2.18 Oppervlaktebehandeling met oplosmiddelen ippc
Artikel 3.44 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van stoffen, voorwerpen of producten met organische oplosmiddelen, bedoeld in categorie 6.7 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

Artikel 3.45 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.44.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.46 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.44, wordt voldaan aan de regels over een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1;

    • b. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1;

    • c. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3; en

    • d. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, als het niet gaat om een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34.

§ 3.2.19 Afvangen kooldioxide voor ondergrondse opslag
Artikel 3.47 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

  • a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het afvangen van CO2-stromen voor geologische opslag, bedoeld in categorie 6.9 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en

  • b. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het afvangen van CO2-stromen voor geologische opslag.

Artikel 3.48 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.47.

§ 3.2.20 Op of in de bodem brengen van meststoffen, het vernietigen van zode van gras en het op of in de bodem brengen hiervan

[Gereserveerd]

§ 3.2.21 Graven in bodem met een kwaliteit onder interventiewaarde bodemkwaliteit

[Gereserveerd]

§ 3.2.22 Graven in bodem met een kwaliteit boven interventiewaarde bodemkwaliteit

[Gereserveerd]

§ 3.2.23 Bodemsanering

[Gereserveerd]

§ 3.2.24 Opslaan van grond en baggerspecie

[Gereserveerd]

§ 3.2.25 Toepassen van bouwstoffen

[Gereserveerd]

§ 3.2.26 Toepassen van grond en baggerspecie

[Gereserveerd]

§ 3.2.27 Toepassen van mijnsteen en met grond en baggerspecie vermengde mijnsteen in de voormalige mijnbouwgebieden in de provincie Limburg

[Gereserveerd]

AFDELING 3.3 COMPLEXE BEDRIJVEN

Artikel 3.49 (uitsluiten algemene regels en gegevens en bescheiden voor complexe bedrijven)

De bepalingen over het aanwijzen van algemene regels en het verstrekken van gegevens en bescheiden bij milieubelastende activiteiten in de afdelingen 3.4 tot en met 3.11 zijn niet van toepassing op een activiteit die is aangewezen in deze afdeling.

§ 3.3.1 Seveso-inrichting
Artikel 3.50 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een Seveso-inrichting, als een gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn aanwezig is of mag zijn of kan ontstaan bij verlies van controle over de processen, in een hoeveelheid van ten minste de drempelwaarde, bedoeld in bijlage I, deel 1, of deel 2, bij de Seveso-richtlijn, met inachtneming van de aantekeningen bij die bijlage.

  • 2. Onder de aanwijzing vallen niet:

    • a. milieubelastende activiteiten door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht op militaire terreinen of terreinen met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • b. het voor het vervoer van goederen opslaan van gevaarlijke stoffen, bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger;

    • c. het exploiteren van een buisleiding voor gevaarlijke stoffen, bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, met de voorzieningen die daarbij horen, buiten een Seveso-inrichting;

    • d. het opsporen en winnen van delfstoffen;

    • e. het ondergronds opslaan van gas in de Noordzee; en

    • f. het storten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen op een stortplaats, met inbegrip van het ondergronds opslaan van afvalstoffen, met uitzondering van:

      • 1°. chemische en thermische verwerkingsactiviteiten en opslag die daarmee samenhangt, waarbij gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, zijn betrokken; en

      • 2°. operationele voorzieningen voor het zich ontdoen van residuen die gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, bevatten.

Artikel 3.51 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.50.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.52 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.50, wordt voldaan aan de regels over:

  • a. een Seveso-inrichting, bedoeld in paragraaf 4.2; en

  • b. het exploiteren van een benzineterminal, bedoeld in paragraaf 4.105.

Artikel 3.53 (wijziging Seveso-richtlijn)

In aanvulling op artikel 23.2 van de wet geldt een wijziging van bijlage I bij de Seveso-richtlijn voor de toepassing van deze paragraaf met ingang van de dag waarop aan die wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

§ 3.3.2 Grootschalige energieopwekking
Artikel 3.54 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een ippc-installatie voor het stoken, bedoeld in categorie 1.1 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.55 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.54.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.56 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.54, wordt voldaan aan de regels over het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1; en

    • b. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3.

§ 3.3.3 Raffinaderij
Artikel 3.57 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een ippc-installatie voor het raffineren van aardolie en gas, bedoeld in categorie 1.2 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.58 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.57.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.59 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.57, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4;

    • b. de clausinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.6; en

    • c. het exploiteren van een benzineterminal, bedoeld in paragraaf 4.105.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

    • b. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1;

    • c. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3; en

    • d. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, als het niet gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c.

§ 3.3.4 Maken van cokes
Artikel 3.60 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van cokes, bedoeld in categorie 1.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.61 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.60.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.62 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.60, wordt voldaan aan de regels over:

  • a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  • b. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1;

  • c. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3; en

  • d. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.

§ 3.3.5 Vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen
Artikel 3.63 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

    • a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen, bedoeld in categorie 1.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • b. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen;

    • c. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het briketteren of walsen van steenkool of bruinkool; en

    • d. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van steenkoolproducten of vaste rookvrije brandstof.

  • 2. De aanwijzing omvat ook milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.64 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.63.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.65 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.63, wordt voldaan aan de regels over het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

    • b. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het vergassen of vloeibaar maken van steenkool;

    • c. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3; en

    • d. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, als het niet gaat om het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4.

§ 3.3.6 Basismetaal
Artikel 3.66 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

    • a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het roosten of sinteren van ertsen, bedoeld in categorie 2.1 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • b. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van ijzer of staal, bedoeld in categorie 2.2 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • c. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van ijzer of staal;

    • d. het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwerken van ferrometalen door warmwalsen, smeden met hamers of het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal, bedoeld in categorie 2.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • e. het exploiteren van een ippc-installatie voor het smelten of gieten van ferrometalen, bedoeld in categorie 2.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • f. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het smelten of gieten van ferrometalen; en

    • g. het exploiteren van een ippc-installatie voor het winnen van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstoffen, het smelten, met inbegrip van het legeren, en het gieten van non-ferrometalen, bedoeld in categorie 2.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.67 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.66.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.68 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.66, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4; en

    • b. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

    • b. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 2.1 tot en met 2.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • c. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3; en

    • d. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, als het niet gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a en b.

§ 3.3.7 Complexe minerale industrie
Artikel 3.69 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

    • a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van cement, cementklinkers, ongebluste kalk en magnesiumoxide, bedoeld in categorie 3.1 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • b. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van cement, cementklinkers, ongebluste kalk en magnesiumoxide;

    • c. het exploiteren van een ippc-installatie voor het winnen van asbest of het maken van asbestproducten, bedoeld in categorie 3.2 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • d. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van glas, met inbegrip van het maken van glasvezels, bedoeld in categorie 3.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • e. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van glas, met inbegrip van het maken van glasvezels;

    • f. het exploiteren van een ippc-installatie voor het smelten van minerale stoffen, en het maken van mineraalvezels, glazuren of emailles, bedoeld in categorie 3.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • g. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het smelten van minerale stoffen, en het maken van mineraalvezels, glazuren of emailles; en

    • h. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van koolstof of elektrografiet door verbranding of grafitisering, bedoeld in categorie 6.8 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.70 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.69.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.71 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.69, wordt voldaan aan de regels over het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

    • b. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 3.1 tot en met 3.5 of 6.8 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • c. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3; en

    • d. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, als het niet gaat om het exploiteren van een afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4.

§ 3.3.8 Basischemie
Artikel 3.72 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

    • a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van organisch-chemische producten, bedoeld in categorie 4.1 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • b. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van anorganisch-chemische producten, bedoeld in categorie 4.2 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • c. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van fosfaathoudende, stikstofhoudende of kaliumhoudende meststoffen, bedoeld in categorie 4.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • d. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van producten voor gewasbescherming of van biociden, bedoeld in categorie 4.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • e. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van farmaceutische producten, bedoeld in categorie 4.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en

    • f. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van explosieven, bedoeld in categorie 4.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.73 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.72.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.74 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.72, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4;

    • b. het maken van titaandioxide, bedoeld in paragraaf 4.5; en

    • c. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

    • b. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 4.1 tot en met 4.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • c. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3; en

    • d. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, als het niet gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c.

§ 3.3.9 Complexe papierindustrie, houtindustrie, en textielindustrie
Artikel 3.75 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

    • a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van papierstof, papierpulp, papier, karton, of oriented strand board, spaanplaat of vezelplaat van hout, bedoeld in categorie 6.1 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en

    • b. het exploiteren van een ippc-installatie voor het voorbehandelen of het verven van textielvezels of textiel, bedoeld in categorie 6.2 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.76 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.75.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.77 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.75, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4; en

    • b. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

    • b. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 6.1 of 6.2 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • c. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3; en

    • d. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, als het niet gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a en b.

§ 3.3.10 Afvalbeheer ippc-installaties
Artikel 3.78 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

    • a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of nuttig toepassen van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.1 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • b. het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of nuttig toepassen van ongevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • c. het exploiteren van een ippc-installatie voor het tijdelijk opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en

    • d. het exploiteren van een ippc-installatie voor het ondergronds opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.79 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.78.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.80 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.78, wordt voldaan aan de regels over:

  • a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  • b. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om:

    • 1°. het nuttig toepassen of verwijderen van gevaarlijk afval als per dag 10 ton of meer gevaarlijk afval wordt ontvangen; en

    • 2°. het verwijderen van niet-gevaarlijk afval bij een capaciteit van 50 ton of meer per dag;

  • c. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3; en

  • d. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.

§ 3.3.11 Kadavers of dierlijk afval
Artikel 3.81 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een ippc-installatie voor de destructie of het verwerken van kadavers of dierlijk afval, bedoeld in categorie 6.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.82 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.81.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.83 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.81, wordt voldaan aan de regels over:

  • a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie; en

  • b. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.

§ 3.3.12 Stortplaats of winningsafvalvoorziening
Artikel 3.84 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

    • a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het storten van afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • b. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen op een stortplaats; en

    • c. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten of verzamelen van winningsafvalstoffen in een winningsafvalvoorziening.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing valt niet de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder b, met huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven.

Artikel 3.85 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.84.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen of afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.86 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.84, wordt voldaan aan de regels over:

  • a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

  • b. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om:

    • 1°. het exploiteren van een stortplaats, bedoeld in categorie 5.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • 2°. het nuttig toepassen of verwijderen van gevaarlijk afval als per dag 10 ton of meer gevaarlijk afval wordt ontvangen; en

    • 3°. het verwijderen van niet-gevaarlijk afval bij een capaciteit van 50 ton of meer per dag; en

  • c. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3.

§ 3.3.13 Verbranden van afvalstoffen in een ippc-installatie
Artikel 3.87 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of het nuttig toepassen van afvalstoffen in een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in categorie 5.2 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.88 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.87.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.89 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.87, wordt voldaan aan de regels over het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

    • b. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1;

    • c. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3; en

    • d. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, als het niet gaat om het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4.

§ 3.3.14 Grootschalige mestverwerking
Artikel 3.90 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het behandelen van meer dan 25.000 m3 dierlijke meststoffen per jaar op een andere locatie dan de locatie van productie.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.91 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.90.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.92 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.90, wordt voldaan aan de regels over:

  • a. het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4;

  • b. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in paragraaf 4.83;

  • c. het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in paragraaf 4.86;

  • d. een mestbehandelingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.87;

  • e. een mestvergistingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.88; en

  • f. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

AFDELING 3.4 NUTSSECTOR EN INDUSTRIE

§ 3.4.1 Drinkwaterbedrijf
Artikel 3.93 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het bewerken van drinkwater voor de openbare drinkwatervoorziening.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat bewerken functioneel ondersteunen.

Artikel 3.94 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.93.

Artikel 3.95 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.93, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • b. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40; en

    • c. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.96 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.93, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.4.2 Gasdrukregelstation of gasdrukmeetstation
Artikel 3.97 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het regelen van aardgasdruk en het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas in een gasdrukregelstation of gasdrukmeetstation:

    • a. met een ontwerpcapaciteit van ten minste 10 Nm3/u en een werkdruk aan de inlaatzijde van ten minste 1.600 kPa; of

    • b. met een ontwerpcapaciteit van ten minste 650 Nm3/u en een werkdruk aan de inlaatzijde van ten minste 10 kPa.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat regelen of meten functioneel ondersteunen.

Artikel 3.98 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.97, voor zover het gaat om een gasdrukregelstation en gasdrukmeetstation met:

  • a. een werkdruk aan de inlaatzijde van meer dan 10.000 kPa; of

  • b. een gastoevoerleiding met een diameter van meer dan 50,8 cm.

Artikel 3.99 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.97, wordt voldaan aan de regels over een gasdrukregelstation en gasdrukmeetstation, bedoeld in paragraaf 4.29, als de werkdruk aan de inlaatzijde niet meer is dan 10.000 kPa en de gastoevoerleiding een diameter heeft van ten hoogste 50,8 cm.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 3.100 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.97 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.4.3 Buisleiding met gevaarlijke stoffen
Artikel 3.101 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een buisleiding voor:

    • a. aardgas, met een uitwendige diameter van ten minste 50 mm en een druk van ten minste 1.600 kPa;

    • b. andere brandbare stoffen dan aardgas, met een uitwendige diameter van ten minste 70 mm of een binnendiameter van ten minste 50 mm en een druk van ten minste 1.600 kPa;

    • c. giftige stoffen; of

    • d. kooldioxide, zuurstof of stikstof, met een uitwendige diameter van ten minste 70 mm of een binnendiameter van ten minste 50 mm en een druk van ten minste 1.600 kPa.

  • 2. De aanwijzing omvat ook de voorzieningen die bij de buisleiding horen, met uitzondering van een verpompingsstation of compressorstation waarop paragraaf 3.3.1 van toepassing is.

  • 3. Onder de aanwijzing valt niet het exploiteren van een buisleiding:

    • a. in de Noordzee;

    • b. door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht in of boven een militaire zeehaven als bedoeld in artikel 3.323 of een militaire luchthaven als bedoeld in artikel 3.326; of

    • c. die een activiteit met externe veiligheidsrisico’s als bedoeld in bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving functioneel ondersteunt en ligt binnen de begrenzing van de locatie waarop die activiteit wordt verricht.

Artikel 3.102 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.101, wordt voldaan aan de regels over een buisleiding met gevaarlijke stoffen, bedoeld in paragraaf 4.108.

§ 3.4.4 Metaalproductenindustrie
Artikel 3.103 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

    • a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van metalen of kunststoffen door een elektrolytisch of chemisch procedé, bedoeld in categorie 2.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies, als het oppervlak van metalen wordt behandeld;

    • b. het verwerken van metalen door smelten, legeren, gieten, walsen, trekken, klinken of smeden met hamers;

    • c. het op metaal aanbrengen van anorganische deklagen, conversielagen of deklagen van gesmolten metaal;

    • d. het behandelen van het oppervlak van metalen door een elektrolytisch of chemisch procedé;

    • e. het harden en gloeien van metalen en het diffunderen van stoffen in het metaaloppervlak; en

    • f. het maken van producten van metaal.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met f, functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met f, als deze alleen worden verricht:

    • a. tijdens het verrichten van een bouwactiviteit of sloopactiviteit of het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een weg;

    • b. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;

    • c. voor educatieve doelen; of

    • d. tijdens het maken, onderhouden, repareren en behandelen van de scheepshuid van schepen, bedoeld in paragraaf 3.4.11.

Artikel 3.104 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van metalen of kunststoffen door een elektrolytisch of chemisch procedé, bedoeld in categorie 2.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.105 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het gaat om:

  • a. het smelten, met inbegrip van het legeren, of het gieten van non-ferrometalen, anders dan:

    • 1°. aluminium en legeringen van aluminium met lood, zink, tin, koper, nikkel, ten hoogste 19% silicium, ten hoogste 1% mangaan, ten hoogste 5,5% magnesium, ten hoogste 1,5% ijzer, ten hoogste 1% titanium of ten hoogste 1% chroom;

    • 2°. koper en legeringen van koper met lood, zink, tin, aluminium, nikkel, ten hoogste 5% silicium, ten hoogste 13% mangaan, ten hoogste 6% ijzer of ten hoogste 0,1% fosfor;

    • 3°. lood, zink, tin en legeringen van deze metalen met nikkel; of

    • 4°. goud, zilver, platina en legeringen met ten minste 30% van deze metalen tot ten hoogste 500 kg/jaar;

  • b. het smelten, met inbegrip van het legeren, of het gieten van non-ferrometalen waarbij:

    • 1°. de verloren wasmethode wordt toegepast en ten minste 500 kg was per jaar wordt verbruikt;

    • 2°. de lost foam methode wordt toegepast; of

    • 3°. vormzand thermisch wordt geregenereerd;

  • c. het harden of gloeien van metalen of het diffunderen van stoffen in het metaaloppervlak, als daarbij zouten, oliën of gassen anders dan inerte gassen of koolzuurgas worden gebruikt; of

  • d. het aanbrengen van metaallagen met een cyanidehoudend bad met een inhoud van ten minste 100 l.

Artikel 3.106 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

    • a. het verwerken van ferrometalen door warmwalsen, het smeden met hamers, of het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal;

    • b. het smelten, met inbegrip van het legeren, van non-ferrometalen, met uitzondering van edele metalen, en met inbegrip van terugwinningsproducten;

    • c. het behandelen van het oppervlak van metalen met een elektrolytisch of chemisch procedé;

    • d. het maken van auto’s of motoren van auto’s of het assembleren van auto’s;

    • e. het bouwen of repareren van luchtvaartuigen; of

    • f. het maken van spoorwegmaterieel.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het gaat om:

    • a. het met testbanken beproeven van motoren, turbines of reactoren; of

    • b. het uitstampen van metalen met springstoffen.

Artikel 3.107 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen vanwege geluidemissie)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het verwerken van metalen waarvan de niet in een gesloten gebouw ondergebrachte productieoppervlakte daarvoor ten minste 2.000 m2 is:

  • a. door warmwalsen of koudwalsen voor zover het smeltpunt van de metalen ten minste 800 K is en de dikte van het aangevoerde materiaal ten minste 1 mm is;

  • b. in een walsinstallatie of trekinstallatie voor het maken van profielmateriaal of stafmateriaal;

  • c. in een walsinstallatie, trekinstallatie of lasinstallatie voor het maken van metalen buizen;

  • d. door smeden voor het maken van ankers of kettingen;

  • e. door het maken of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers; of

  • f. door het samenvoegen van plaatmaterialen, profielmaterialen, stafmaterialen of buismaterialen door smeden, klinken, lassen of monteren.

Artikel 3.108 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: lozen van koelwater)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, voor zover het niet gaat om de activiteit, bedoeld in artikel 3.104.

Artikel 3.109 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het aanbrengen van lagen op metalen, bedoeld in paragraaf 4.11;

    • b. het smelten en gieten van metalen, bedoeld in paragraaf 4.12;

    • c. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

    • d. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;

    • e. het etsen en beitsen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.15;

    • f. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

    • g. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

    • h. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

    • i. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • j. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

    • k. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;

    • l. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;

    • m. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • n. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • o. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

    • p. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

    • q. het laden en lossen van schepen, bedoeld in paragraaf 4.107.

  • 2. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.103, wordt voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

  • 3. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

    • b. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 2.1 tot en met 2.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • c. energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk;

    • d. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk; en

    • e. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk en het niet gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met q.

Artikel 3.110 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.103 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.4.5 Minerale producten industrie
Artikel 3.111 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

    • a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van keramische producten door verhitting, bedoeld in categorie 3.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • b. het maken van producten van glas, met een oven met een individuele nominale belasting op bovenwaarde van meer dan 130 kW of een aansluitwaarde van meer dan 130 kW;

    • c. het maken van keramische producten door verhitting, met een oven met een individuele nominale belasting op bovenwaarde van meer dan 130 kW of een aansluitwaarde van meer dan 130 kW;

    • d. het maken van asfalt of asfaltproducten;

    • e. het winnen van steen, mergel, zand, grind of kalk;

    • f. het breken, malen, zeven en drogen van mergel, zand, grind, kalk, steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan;

    • g. het maken van kalkzandsteen of cellenbeton; en

    • h. het maken van betonmortel of producten van betonmortel.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met h, functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met h, als deze alleen worden verricht:

    • a. tijdens het verrichten van een bouwactiviteit of sloopactiviteit of het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een weg;

    • b. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis; of

    • c. voor educatieve doelen.

Artikel 3.112 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.111, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van keramische producten door verhitting, bedoeld in categorie 3.5 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.113 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.111, voor zover het gaat om:

  • a. het maken van asfalt of asfaltproducten; of

  • b. het maken van kalkzandsteen of cellenbeton.

Artikel 3.114 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.111, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van keramische producten door verhitting.

Artikel 3.115 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen vanwege geluidemissie)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.111, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

  • a. het breken, malen, zeven of drogen van mergel, zand, grind, kalk, steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan, bij een capaciteit van 100.000.000 kg/jaar of meer;

  • b. het winnen van steen, mergel, zand, grind of kalk; of

  • c. het maken van betonmortel of producten van betonmortel.

Artikel 3.116 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.111, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. een asfaltcentrale, bedoeld in paragraaf 4.7;

    • b. een betoncentrale, bedoeld in paragraaf 4.8;

    • c. het vormgeven van betonproducten, bedoeld in paragraaf 4.9;

    • d. het mechanisch bewerken van steen, bedoeld in paragraaf 4.19;

    • e. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • f. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • g. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • h. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • i. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

    • j. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

    • k. het laden en lossen van schepen, bedoeld in paragraaf 4.107.

  • 2. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.111, wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

  • 3. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

    • b. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 3.1 tot en met 3.5 of 6.8 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • c. energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk;

    • d. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk; en

    • e. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk en het niet gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met k.

Artikel 3.117 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.111 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.4.6 Chemische producten industrie
Artikel 3.118 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

    • a. het maken van elastomeren, verf, lak, drukinkt, lijm, waspoeder of enzymen;

    • b. het vullen van spuitbussen met drijfgassen;

    • c. het maken van vloeibare biobrandstof;

    • d. het maken van vloeibare gassen uit de buitenlucht; en

    • e. het maken van schoonmaakmiddelen of cosmetica.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met e, functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze alleen worden verricht:

    • a. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;

    • b. voor educatieve doelen; of

    • c. bij een laboratorium.

Artikel 3.119 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.118, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

    • a. het maken van elastomeren, verf, lak, drukinkt, lijm, waspoeder of enzymen;

    • b. het vullen van spuitbussen met drijfgassen;

    • c. het maken van vloeibare biobrandstof; of

    • d. het maken van vloeibare gassen uit de buitenlucht.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.120 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.118, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;

    • b. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • c. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40; en

    • d. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

  • 2. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.118, wordt voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

  • 3. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk;

    • b. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk; en

    • c. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk en het niet gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met d.

Artikel 3.121 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.118 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.4.7 Papierindustrie, houtindustrie, textielindustrie en leerindustrie
Artikel 3.122 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

    • a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het looien van huiden, bedoeld in categorie 6.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • b. het exploiteren van een ippc-installatie voor het conserveren van hout en houtproducten met chemische stoffen, bedoeld in categorie 6.10 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • c. het maken van papierstof, papierpulp, papier of karton;

    • d. het ontharen en looien van huiden;

    • e. het conserveren van hout of houtproducten met chemische stoffen;

    • f. het coaten van planten of delen van planten; en

    • g. het maken van producten van papier, karton, hout, textiel of leer.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met g, functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder c tot en met g, als deze alleen worden verricht:

    • a. tijdens het verrichten van een bouwactiviteit of sloopactiviteit of het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een weg;

    • b. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;

    • c. voor educatieve doelen;

    • d. als onderdeel van bosbouw of natuurbeheer; of

    • e. tijdens het maken, onderhouden, repareren en behandelen van de scheepshuid van schepen, bedoeld in paragraaf 3.4.11.

Artikel 3.123 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.122, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor:

    • a. het looien van huiden, bedoeld in categorie 6.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; of

    • b. het conserveren van hout en houtproducten met chemische stoffen, bedoeld in categorie 6.10 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.124 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.122, voor zover het gaat om het conserveren van hout of houtproducten met behulp van chemische stoffen.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.125 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.122, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

    • a. het maken van papierstof, papier of karton;

    • b. het looien van huiden; of

    • c. het voorbehandelen of verven van vezels of textiel.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.126 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.122, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • b. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • c. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;

    • d. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • e. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • f. het chemisch reinigen van textiel, bedoeld in paragraaf 4.57;

    • g. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

    • h. het laden en lossen van schepen, bedoeld in paragraaf 4.107.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

    • b. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 6.1, 6.2, 6.3, 6.7 of 6.10 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • c. energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk;

    • d. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk; en

    • e. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk en het niet gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met h.

Artikel 3.127 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.122 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.4.8 Voedingsmiddelenindustrie
Artikel 3.128 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

    • a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het slachten, bewerken of verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen of voeder of het bewerken en verwerken van alleen melk, bedoeld in categorie 6.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • b. het slachten van meer dan 10.000 kg levend gewicht aan dieren per week;

    • c. het maken en bewerken van dierlijke of plantaardige oliën of vetten;

    • d. het maken en bewerken van voedingsmiddelen voor landbouwhuisdieren; en

    • e. het met een stookinstallatie met een individuele nominale belasting op bovenwaarde van meer dan 130 kW of een aansluitwaarde van meer dan 130 kW maken van:

      • 1°. zetmeel of suiker;

      • 2°. vismeel of visolie; of

      • 3°. levensmiddelen of voeder.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met e, functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met e, als deze alleen worden verricht:

    • a. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;

    • b. voor educatieve doelen; of

    • c. voor eigen landbouwhuisdieren bij een veehouderij.

Artikel 3.129 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.128, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het slachten, bewerken of verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen of voeder of het bewerken en verwerken van alleen melk, bedoeld in categorie 6.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.130 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.128, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

  • a. het maken van dierlijke of plantaardige oliën en vetten;

  • b. het maken van conserven van dierlijke en plantaardige producten;

  • c. het maken van zuivel;

  • d. het brouwen van bier of het mouten;

  • e. het maken van siroop of suikerwaren;

  • f. het slachten van dieren;

  • g. het maken van zetmeel;

  • h. het maken van vismeel of visolie; of

  • i. het maken van suiker.

Artikel 3.131 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.128, voor zover het gaat om het maken of bewerken van voedingsmiddelen voor landbouwhuisdieren.

Artikel 3.132 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.128, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • b. de voedingsmiddelenindustrie, bedoeld in paragraaf 4.28;

    • c. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;

    • d. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • e. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • f. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

    • g. het laden en lossen van schepen, bedoeld in paragraaf 4.107.

  • 2. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.128, wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

  • 3. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

    • b. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 6.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • c. energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk;

    • d. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk; en

    • e. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk en het niet gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met g.

Artikel 3.133 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.4.9 Rubberindustrie en kunststofindustrie
Artikel 3.134 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

    • a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van metalen of kunststoffen door een elektrolytisch of chemisch procedé, bedoeld in categorie 2.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies, als het oppervlak van kunststoffen wordt behandeld;

    • b. het blazen, expanderen en schuimen van kunststof met een blaasmiddel anders dan lucht, kooldioxide of stikstof;

    • c. het verwerken van elastomeren;

    • d. het verwerken van polyesterhars, waarbij meer dan 1 kg organisch peroxide aanwezig is; en

    • e. het maken van producten van kunststof.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met e, functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met e, als deze alleen worden verricht:

    • a. tijdens het verrichten van een bouwactiviteit of sloopactiviteit of het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een weg;

    • b. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;

    • c. voor educatieve doelen; of

    • d. tijdens het maken, onderhouden, repareren en behandelen van de scheepshuid van schepen, bedoeld in paragraaf 3.4.11.

Artikel 3.135 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.134, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van metalen of kunststoffen door een elektrolytisch of chemisch procedé, bedoeld in categorie 2.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.136 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.134, voor zover het gaat om het blazen, expanderen of schuimen van kunststof met een blaasmiddel anders dan lucht, kooldioxide of stikstof.

Artikel 3.137 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.134, voor zover het gaat om:

  • a. het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het behandelen van het oppervlak van kunststof met een elektrolytisch of chemisch procedé; of

  • b. het maken of behandelen van producten op basis van elastomeren.

Artikel 3.138 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.134, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;

    • b. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • c. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • d. het verwerken van rubbercompounds, bedoeld in paragraaf 4.25;

    • e. het verwerken van thermoplastisch kunststof, bedoeld in paragraaf 4.26;

    • f. het verwerken van polyesterhars, bedoeld in paragraaf 4.27;

    • g. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;

    • h. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • i. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • j. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

    • k. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

    • l. het laden en lossen van schepen, bedoeld in paragraaf 4.107.

  • 2. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.134, wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

  • 3. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

    • b. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor een activiteit als bedoeld in categorie 2.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;

    • c. energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk;

    • d. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk; en

    • e. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk en het niet gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met l.

Artikel 3.139 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.134 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.4.10 Grafische industrie
Artikel 3.140 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het bedrukken van materialen met zeefdruk, vellenoffset, rotatieoffset, illustratiediepdruk of flexografie.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat bedrukken functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing valt niet het bedrukken van materialen met zeefdruk, vellenoffset, rotatieoffset, illustratiediepdruk of flexografie alleen:

    • a. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis; of

    • b. voor educatieve doelen.

Artikel 3.141 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.140.

Artikel 3.142 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.140, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. grafische processen, bedoeld in paragraaf 4.10;

    • b. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • c. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • d. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;

    • e. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • f. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • g. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

    • h. het laden en lossen van schepen, bedoeld in paragraaf 4.107.

  • 2. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.140, wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

  • 3. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk; en

    • b. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 3.143 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.140, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.4.11 Scheepswerven
Artikel 3.144 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

    • a. het maken van schepen;

    • b. het onderhouden, repareren en schoonmaken van schepen als dat geheel of gedeeltelijk op de wal gebeurt; en

    • c. het behandelen van de scheepshuid van schepen om te voorkomen dat organismen zich onder het wateroppervlak daaraan vasthechten.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat maken, onderhouden, repareren, schoonmaken of behandelen functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c, als deze alleen worden verricht bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis.

Artikel 3.145 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.144, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor:

    • a. het maken van metalen pleziervaartuigen met een langs de waterlijn te meten lengte van ten minste 25 m; of

    • b. het maken, onderhouden, repareren, schoonmaken of behandelen van de scheepshuid van schepen, anders dan pleziervaartuigen.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.146 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.144, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

    • b. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;

    • c. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

    • d. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

    • e. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

    • f. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • g. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • h. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

    • i. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;

    • j. het schoonmaken van pleziervaartuigen, bedoeld in paragraaf 4.24;

    • k. het verwerken van thermoplastisch kunststof, bedoeld in paragraaf 4.26;

    • l. het verwerken van polyesterhars, bedoeld in paragraaf 4.27;

    • m. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;

    • n. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • o. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • p. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

    • q. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

    • r. het laden en lossen van schepen, bedoeld in paragraaf 4.107.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

    • b. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het maken, of het verven of het verwijderen van verf van schepen van ten minste 100 m lang;

    • c. energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk;

    • d. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk; en

    • e. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk en het niet gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met r.

Artikel 3.147 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.144 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.4.12 Andere industrie
Artikel 3.148 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het maken van materialen, eindproducten of halffabrikaten met:

    • a. een stookinstallatie met een nominaal vermogen van meer dan 400 kW;

    • b. een koelinstallatie met meer dan 300 kg koudemiddel; of

    • c. een oplosmiddeleninstallatie.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat maken functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing valt niet een activiteit die is aangewezen in paragraaf 3.4.4 tot en met 3.4.11.

Artikel 3.149 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.148.

Artikel 3.150 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.148, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

    • b. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

    • c. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

    • d. het mechanisch bewerken van steen, bedoeld in paragraaf 4.19;

    • e. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • f. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • g. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;

    • h. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • i. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • j. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

    • k. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

    • l. het laden en lossen van schepen, bedoeld in paragraaf 4.107.

  • 2. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.148, wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

  • 3. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 3.151 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.148, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

AFDELING 3.5 AFVALBEHEER

§ 3.5.1 Autodemontagebedrijf en tweewielerdemontagebedrijf
Artikel 3.152 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het demonteren van ingezamelde of afgegeven autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat demonteren functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing vallen niet:

    • a. het demonteren van accessoires van een autowrak of wrak van een tweewielig motorvoertuig bij een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.8.4; en

    • b. het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij een instelling voor oefendoeleinden en opleidingsdoeleinden.

Artikel 3.153 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.152, voor zover het gaat om het opslaan van metaalschroot of autowrakken.

Artikel 3.154 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

    • b. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

    • c. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

    • d. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • e. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • f. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;

    • g. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • h. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • i. autodemontage en tweewielerdemontage, bedoeld in paragraaf 4.47;

    • j. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

    • k. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

    • l. het laden en lossen van schepen, bedoeld in paragraaf 4.107.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.155 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.5.2 Kringloopbedrijf en bedrijf voor reparatie van gebruikte producten
Artikel 3.156 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het voorbereiden voor hergebruik van ingezamelde of afgegeven afvalstoffen.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat voorbereiden functioneel ondersteunen.

Artikel 3.157 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.156, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

    • b. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;

    • c. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

    • d. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

    • e. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

    • f. het mechanisch bewerken van steen, bedoeld in paragraaf 4.19;

    • g. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • h. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • i. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

    • j. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • k. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • l. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en

    • m. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.158 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.156, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.5.3 Rubberrecyclingbedrijf en kunststofrecyclingbedrijf
Artikel 3.159 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het voorbehandelen van ingezameld of afgegeven rubberafval of kunststofafval voor verdere recycling.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat voorbehandelen functioneel ondersteunen.

Artikel 3.160 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.159.

Artikel 3.161 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.159, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;

    • b. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • c. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • d. het verwerken van thermoplastisch kunststof, bedoeld in paragraaf 4.26;

    • e. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • f. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • g. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

    • h. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

    • i. het laden en lossen van schepen, bedoeld in paragraaf 4.107.

  • 2. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.159, wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

  • 3. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1; en

    • b. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3.

Artikel 3.162 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.159, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.5.4 Metaalrecyclingbedrijf
Artikel 3.163 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het voorbehandelen van ingezameld of afgegeven metaalafval voor verdere recycling.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat voorbehandelen functioneel ondersteunen.

Artikel 3.164 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.163, voor zover het gaat om het opslaan van metaalschroot of autowrakken.

Artikel 3.165 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.163, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

    • b. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;

    • c. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

    • d. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

    • e. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

    • f. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • g. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • h. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • i. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • j. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

    • k. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

    • l. het laden en lossen van schepen, bedoeld in paragraaf 4.107.

  • 2. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.163, wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

  • 3. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1; en

    • b. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3.

Artikel 3.166 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.163, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.5.5 Recyclingbedrijven voor papier, karton, textiel, glas, hout of puin
Artikel 3.167 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het voorbehandelen van ingezameld of afgegeven papierafval, kartonafval, textielafval, glasafval, puinafval of houtafval, voor verdere recycling.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat voorbehandelen functioneel ondersteunen.

Artikel 3.168 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.167, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het mechanisch bewerken van steen, bedoeld in paragraaf 4.19;

    • b. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • c. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • d. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • e. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • f. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

    • g. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

    • h. het laden en lossen van schepen, bedoeld in paragraaf 4.107.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1; en

    • b. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3.

Artikel 3.169 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.167, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.5.6 Milieustraat
Artikel 3.170 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het bieden van gelegenheid aan particuliere huishoudens om grove huishoudelijke afvalstoffen af te geven op een daarvoor ingerichte locatie.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat bieden van gelegenheid functioneel ondersteunen.

Artikel 3.171 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.170, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

    • b. het mechanisch bewerken van steen, bedoeld in paragraaf 4.19;

    • c. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • d. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • e. een milieustraat, bedoeld in paragraaf 4.51;

    • f. het opslaan van verwijderd asbest, bedoeld in paragraaf 4.52; en

    • g. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.172 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.170, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.5.7 Zuiveringtechnisch werk
Artikel 3.173 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.174 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.173, voor zover het gaat om het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk met een capaciteit van meer dan 150.000 inwonerequivalenten.

Artikel 3.175 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.173, voor zover het gaat om het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk met een capaciteit tot en met 150.000 inwonerequivalenten.

Artikel 3.176 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.173, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in paragraaf 4.49; en

    • b. het ontvangen van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.50, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het behandelen van stedelijk afvalwater bij een capaciteit van ten minste 100.000 inwonerequivalenten; en

    • b. energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.177 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.173, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.5.8 Verbranden van afvalstoffen anders dan in een ippc-installatie
Artikel 3.178 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het verbranden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat verbranden functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing vallen niet:

    • a. het verbranden van afvalstoffen in een ippc-installatie, bedoeld in paragraaf 3.3.13; en

    • b. het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven.

Artikel 3.179 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.178, voor zover het gaat om het verbranden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

  • 2. Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat verbranden.

  • 3. Het verbod geldt niet als het verbranden van afvalstoffen alleen bestaat uit het verbranden van rie-biomassa in een stookinstallatie met een thermisch vermogen van niet meer dan 15 MW, voor zover het recyclen van rie-biomassa niet de voorkeur heeft op verbranden en de vrijkomende warmte nuttig wordt gebruikt.

  • 4. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, behalve als die activiteiten alleen bestaan uit de activiteit, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3.180 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.178, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4; en

    • b. het ontvangen van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.50, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk;

    • b. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk; en

    • c. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk en het niet gaat om de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a en b.

Artikel 3.181 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.178, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.5.9 Op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen buiten stortplaatsen
Artikel 3.182 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

  • 2. Onder de aanwijzing vallen niet:

    • a. een stortplaats of winningsafvalvoorziening als bedoeld in paragraaf 3.3.12;

    • b. het lozen van afvalwater op of in de bodem;

    • c. het op of in de bodem brengen van meststoffen voor zover geregeld in het Besluit gebruik meststoffen; en

    • d. het op of in de bodem brengen van huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven.

Artikel 3.183 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.182.

  • 2. Het verbod geldt niet voor het op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen als dat alleen bestaat uit:

    • a. het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is, met uitzondering van avi-bodemas, waarbij het bij bouwafval en sloopafval alleen gaat om afval dat is verwerkt tot granulaat of alleen bestaat uit natuursteen of beton;

    • b. het op of in de bodem brengen volgens het Besluit bodemkwaliteit in een werk als bedoeld in artikel 1 van dat besluit, waarin avi-bodemas wordt gebruikt als bouwstof, als de avi-bodemas:

      • 1°. niet meer dan 5,5% onverbrand materiaal bevat;

      • 2°. niet is vermengd met avi-vliegas; en

      • 3°. ten minste zes weken opgeslagen is voor het gebruik in een werk tenzij de avi-bodemas eerder is gebruikt in een werk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming zoals dat gold voor 1 juli 2008, of in een werk als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

    • c. afvalstoffen die plantenresten zijn die op grond van artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen zijn aangewezen, in de daarbij aangegeven gevallen; of

    • d. een afvalstof die stro en ander natuurlijk, niet-gevaarlijk landbouwmateriaal of niet-gevaarlijk bosbouwmateriaal is dat wordt gebruikt in de landbouw of de bosbouw, met uitzondering van afvalstoffen die plantenresten zijn die op grond van artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen zijn aangewezen.

  • 3. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen of afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.182.

§ 3.5.10 Grondbank en grondreinigingsbedrijf

[Gereserveerd]

§ 3.5.11 Verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen
Artikel 3.184 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat verwerken functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing vallen niet:

    • a. het vervoeren van afvalstoffen en het inzamelen van afvalstoffen;

    • b. het op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen en het verzamelen van winningsafvalstoffen in een winningsafvalvoorziening;

    • c. het verbranden van afvalstoffen;

    • d. het in de atmosfeer uitstoten van gasvormige effluenten;

    • e. het afvangen van kooldioxide in verband met geologische opslag, bedoeld in paragraaf 3.2.19;

    • f. het geologisch opslaan van kooldioxide;

    • g. het verwerken van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal, bedoeld in de paragrafen 3.3.14 en 3.6.8;

    • h. het verwerken van dierlijke bijproducten, anders dan het verwerken door composteren of vergisten en de aan dat composteren of vergisten voorafgaande activiteiten;

    • i. het zuiveren van afvalwater;

    • j. het opslaan, mengen en opbulken van ingenomen huishoudelijke afvalstoffen als het innemen bijkomstig is aan geleverde diensten en de afvalstoffen die worden gemengd behoren tot dezelfde categorie van afvalstoffen, bedoeld in bijlage II; en

    • k. het opslaan, mengen en opbulken van ingenomen huishoudelijke afvalstoffen op een door de gemeente beschikbaar gestelde locatie in de openbare ruimte.

  • 4. Onder de aanwijzing valt niet het verwerken van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen als dat alleen bestaat uit:

    • a. het mengen, opbulken, opslaan, scheiden, herverpakken of verdichten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen voorafgaand aan inzameling of afgifte;

    • b. het mobiel breken van bouwafval en sloopafval, bedoeld in afdeling 7.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; of

    • c. het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam.

  • 5. Onder de aanwijzing valt ook niet het verwerken van huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven.

Artikel 3.185 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: opslaan, herverpakken en opbulken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het opslaan, herverpakken of opbulken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

  • 2. Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat opslaan, herverpakken of opbulken.

  • 3. Het verbod geldt niet voor het opslaan van:

    • a. afval van gezondheidszorg bij mens of dier en gebruikte hygiënische producten, met uitzondering van infectieuze afvalstoffen, lichaamsdelen of organen, en afvalstoffen van cytotoxische of cytostatische geneesmiddelen;

    • b. niet meer dan 10.000 ton banden van voertuigen;

    • c. metaal voor zover de opslagcapaciteit ten hoogste 50.000 ton is en het niet gaat om gevaarlijke afvalstoffen;

    • d. niet meer dan 100 m3 afgedankte elektrische of elektronische apparatuur die afkomstig is van particuliere huishoudens, of die naar aard en hoeveelheid met die van particuliere huishoudens vergelijkbaar is;

    • e. niet meer dan 5 m3 draagbare batterijen of accu’s;

    • f. niet meer dan 5 m3 spaarlampen of gasontladingslampen;

    • g. niet meer dan 5 m3 inktcassettes of tonercassettes;

    • h. siervoorwerpen of gebruiksvoorwerpen op een locatie waarop het hergebruik van deze voorwerpen wordt voorbereid als de opslagoppervlakte ten hoogste 1.000 m2 is en sprake is van gevaarlijke afvalstoffen;

    • i. siervoorwerpen, gebruiksvoorwerpen of tweedehands bouwmaterialen als de opslagoppervlakte ten hoogste 6.000 m2 is en sprake is van bedrijfsafvalstoffen;

    • j. lege ongereinigde verpakkingen die gevaarlijke afvalstoffen zijn of niet meer dan 45 m3 lege ongereinigde verpakkingen die bedrijfsafvalstoffen zijn, op een locatie waarop olie, vet, verf, lijm, kit, hars, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, in verpakking worden opgeslagen om te worden verkocht of geleverd aan afnemers en voor zover de lege ongereinigde verpakkingen zijn ingenomen van die afnemers;

    • k. ingenomen afvalstoffen van reparatiewerkzaamheden of onderhoudswerkzaamheden aan pleziervaartuigen of bilgewater bij een jachthaven;

    • l. afgescheiden oliefractie of waterfractie van ingenomen bilgewater bij een jachthaven;

    • m. afgewerkte olie, smeervet, oliehoudend of vethoudend afval, ontstaan als gevolg van onderhoud aan vaartuigen bij een bunkerstation, als deze afvalstoffen zijn ingenomen van personen die brandstof, smeerolie of smeervet bij het bunkerstation aanschaffen;

    • n. ontplofbare stoffen of voorwerpen door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht;

    • o. metalen met aanhangende olie of emulsie van olie, afgescheiden oliefracties of emulsiefracties;

    • p. niet meer dan 30 ton autobatterijen, autoaccu’s, industriële batterijen of accu’s;

    • q. niet meer dan 10.000 ton van elk van de volgende bedrijfsafvalstoffen:

      • 1°. bouwstoffen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit die op grond van dat besluit mogen worden toegepast als bouwstof;

      • 2°. textiel;

      • 3°. verpakkingsglas;

      • 4°. vlakglas;

      • 5°. voedingsmiddelen afkomstig van detailhandel of groothandel;

      • 6°. niet-geïmpregneerd hout;

      • 7°. papier of karton;

      • 8°. kunststof;

    • r. niet meer dan 10.000 m3 grond of baggerspecie die voldoen aan de artikelen 39, 59 of 60 van het Besluit bodemkwaliteit;

    • s. het opslaan van grond of baggerspecie waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is;

    • t. niet meer dan 600 m3 groenafval dat een bedrijfsafvalstof is;

    • u. niet meer dan 1 m3 gebruikte frituurvetten of frituuroliën die bedrijfsafvalstoffen zijn;

    • v. niet meer dan 1.000 m3 plantaardige restproducten uit de landbouw, tuinbouw, voedselbereiding of voedselverwerking voor het maken van diervoeder voor de dieren van degene die de activiteit verricht;

    • w. wrakken van motorvoertuigen bij een activiteit waarop paragraaf 4.22 van toepassing is;

    • x. niet meer dan vier wrakken van tweewielige motorvoertuigen of niet meer dan vier autowrakken of andere voertuigwrakken na demontage, bij een instelling voor oefendoeleinden of opleidingsdoeleinden;

    • y. autowrakken, wrakken van tweewielige motorvoertuigen of andere voertuigwrakken in verband met hulpverlening aan kentekenhouders door een daarvoor aangewezen instantie of in het kader van onderzoek door politie of justitie;

    • z. autowrakken na demontage op een andere locatie dan de locatie waarop demontage heeft plaatsgevonden, behalve als wordt opgeslagen op een instelling voor oefendoeleinden of opleidingsdoeleinden; of

    • aa. autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen of de bij het demonteren van deze wrakken vrijkomende afvalstoffen, bij een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.5.1.

  • 4. Het verbod geldt ook niet voor het opbulken of herverpakken van afvalstoffen als het opslaan van de afvalstoffen niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

  • 5. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, behalve als die activiteiten bestaan uit de activiteiten, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3.186 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: demonteren bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het demonteren van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

  • 2. Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat demonteren.

  • 3. Het verbod geldt niet als het demonteren alleen bestaat uit:

    • a. het demonteren van autowrakken of het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.5.1;

    • b. het demonteren van accessoires van een autowrak of wrak van een tweewielig motorvoertuig bij een activiteit waarop paragraaf 4.22 van toepassing is;

    • c. activiteiten met een autowrak, wrak van een tweewielig motorvoertuig of ander voertuigwrak na demontage, bij een instelling voor oefendoeleinden of opleidingsdoeleinden, als de identiteit of de inhoud van de autowrakken herkenbaar blijft en de activiteit samenhangt met het oefendoel of opleidingsdoel;

    • d. het voor recycling demonteren van siervoorwerpen of gebruiksvoorwerpen die bedrijfsafvalstoffen zijn en alleen bestaan uit metaal, hout, kunststof, textiel, papier, karton of verbindingsmaterialen; of

    • e. het demonteren van siervoorwerpen of gebruiksvoorwerpen voor hergebruik als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer.

  • 4. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, behalve als die activiteiten alleen bestaan uit de activiteiten, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3.187 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: ontwateren en drogen bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, met uitzondering van afvalwater)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het ontwateren of drogen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, die geen afvalwater zijn.

  • 2. Het verbod geldt niet als dat ontwateren alleen bestaat uit het mechanisch ontwateren van zuiveringsslib dat een bedrijfsafvalstof is, het passief ontwateren of drogen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

  • 3. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid, behalve als die activiteiten alleen bestaan uit de activiteiten, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3.188 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: verkleinen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het verkleinen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

  • 2. Het verbod geldt niet als dat verkleinen alleen bestaat uit:

    • a. het verkleinen van metaal, niet-geïmpregneerd hout, kunststof, papier of karton die bedrijfsafvalstoffen zijn, met uitzondering van autowrakken;

    • b. het verkleinen van groenafval dat een bedrijfsafvalstof is, ontstaan bij werkzaamheden die zijn uitgevoerd door degene die de activiteit verricht;

    • c. het voor recycling verkleinen van siervoorwerpen of gebruiksvoorwerpen die geen elektronica bevatten, bedrijfsafvalstoffen zijn en alleen bestaan uit metaal, hout, kunststof, textiel, papier, karton of verbindingsmaterialen; of

    • d. het demonteren van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 3.186.

Artikel 3.189 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: reinigen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het reinigen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

  • 2. Het verbod geldt niet als het reinigen alleen bestaat uit:

    • a. het schoonmaken als voorbereiden voor hergebruik als bedoeld in artikel 3.190;

    • b. het reinigen van kunststof dat een bedrijfsafvalstof is; of

    • c. het schoonbranden van een spoel uit een elektromotor.

Artikel 3.190 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: voorbereiden voor hergebruik van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het voorbereiden voor hergebruik van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, met uitzondering van het voorbereiden voor hergebruik van onderdelen van voertuigwrakken, siervoorwerpen, gebruiksvoorwerpen of tweedehands bouwmaterialen.

Artikel 3.191 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: composteren en vergisten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het composteren of vergisten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

  • 2. Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat composteren of vergisten.

  • 3. Het verbod geldt niet voor het composteren van ten hoogste 600 m3 groenafval dat een bedrijfsafvalstof is, ontstaan bij werkzaamheden die zijn verricht door degene die de activiteit verricht.

  • 4. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, behalve als die activiteiten bestaan uit de activiteit, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3.192 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: recyclen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, vervaardigen van brandstoffen of opvulmateriaal uit bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen en voorbehandelen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen voor nuttige toepassing)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het recyclen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, het vervaardigen van brandstoffen of opvulmateriaal uit bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen of het voorbehandelen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen voor nuttige toepassing, anders dan de activiteiten met afvalstoffen, bedoeld in de artikelen 3.185 tot en met 3.191 en 3.193 tot en met 3.196.

  • 2. Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat recyclen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, vervaardigen van brandstoffen of opvulmateriaal uit bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen of het voorbehandelen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen voor nuttige toepassing.

  • 3. Het verbod geldt niet als de activiteit alleen bestaat uit:

    • a. het vernieuwen van het loopvlak van banden van voertuigen;

    • b. het extruderen of spuitgieten van kunststof dat een bedrijfsafvalstof is;

    • c. het als grondstof inzetten van rubber, kunststof, metalen, steen, steenachtig materiaal, papier, karton, textiel, bont, leer, gips, kurk, hout of houtachtig materiaal in een productieproces of reparatieproces, als de afvalstoffen bedrijfsafvalstoffen zijn;

    • d. het maken van diervoeder voor eigen dieren van plantaardig materiaal uit de landbouw, tuinbouw, voedselbereiding of voedselverwerking, als de capaciteit voor het maken van diervoeder van deze afvalstoffen niet meer is dan 4.000 ton/jaar; of

    • e. het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie, waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is.

  • 4. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, behalve als die activiteiten alleen bestaan uit de activiteiten, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3.193 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: verdichten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het verdichten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

  • 2. Het verbod geldt niet voor het verdichten van bedrijfsafvalstoffen dat geen belemmering vormt voor de nascheiding of recycling als het opslaan van de afvalstoffen die worden verdicht, niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.185.

Artikel 3.194 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: scheiden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het scheiden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

  • 2. Het verbod geldt niet als dat scheiden alleen bestaat uit:

    • a. het scheiden van afvalstoffen, waarvan het opslaan niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.185;

    • b. het demonteren bedoeld in artikel 3.186;

    • c. het ontwateren of drogen, bedoeld in artikel 3.187;

    • d. het verkleinen, bedoeld in artikel 3.188;

    • e. het reinigen, bedoeld in artikel 3.189; of

    • f. het voorbereiden voor hergebruik, bedoeld in artikel 3.190.

Artikel 3.195 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: mengen van bedrijfsafvalstoffen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het mengen van bedrijfsafvalstoffen.

  • 2. Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat mengen.

  • 3. Het verbod geldt niet als het mengen alleen bestaat uit:

    • a. het mengen van bedrijfsafvalstoffen met stoffen of materialen die geen afvalstoffen zijn, als het opslaan van de afvalstoffen niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.185 en er wordt gemengd tijdens een productieproces of reparatieproces;

    • b. het mengen van rie-biomassa met stoffen of materialen die geen afvalstoffen zijn, als het opslaan van de rie-biomassa niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.185;

    • c. het bij het verbranden van rie-biomassa mengen van partijen rie-biomassa die behoren tot verschillende categorieën van afvalstoffen, bedoeld in bijlage II, als het opslaan van de afvalstoffen of het verbranden van de rie-biomassa niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.179 of 3.185; of

    • d. het mengen van bedrijfsafvalstoffen die behoren tot dezelfde categorie van afvalstoffen, bedoeld in bijlage II, als het opslaan van de afvalstoffen niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.185.

Artikel 3.196 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: mengen van gevaarlijke afvalstoffen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het mengen van gevaarlijke afvalstoffen.

  • 2. Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat mengen.

  • 3. Het verbod geldt niet als dat mengen alleen bestaat uit het mengen van gevaarlijke afvalstoffen die behoren tot dezelfde categorie van afvalstoffen, bedoeld in bijlage II, als het opslaan van de afvalstoffen niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.185.

Artikel 3.197 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: verwijderen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.184, voor zover het gaat om het verwijderen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, met uitzondering van het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam.

  • 2. Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met deze afvalstoffen die worden verricht op dezelfde locatie als dat verwijderen.

  • 3. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van stoffen of afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 3.198 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.184, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

    • b. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;

    • c. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

    • d. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

    • e. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

    • f. het mechanisch bewerken van steen, bedoeld in paragraaf 4.19;

    • g. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • h. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • i. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

    • j. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • k. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • l. het ontvangen van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.50, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk;

    • m. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

    • n. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

    • o. het laden en lossen van schepen, bedoeld in paragraaf 4.107.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om:

      • 1°. het nuttig toepassen of verwijderen van gevaarlijk afval als per dag 10 ton of meer gevaarlijk afval wordt ontvangen; en

      • 2°. het verwijderen van niet-gevaarlijk afval bij een capaciteit van 50 ton of meer per dag;

    • b. energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk;

    • c. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk; en

    • d. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 3.199 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.184, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

AFDELING 3.6 AGRARISCHE SECTOR

§ 3.6.1 Veehouderij
Artikel 3.200 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

    • a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in categorie 6.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; en

    • b. het houden van landbouwhuisdieren.

  • 2. Onder de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, onder b, valt niet het houden van ten hoogste:

    • a. 10 stuks rundvee die als landbouwhuisdieren worden gehouden;

    • b. 15 varkens die als landbouwhuisdieren worden gehouden;

    • c. 350 kippen die als landbouwhuisdieren worden gehouden; en

    • d. 25 overige landbouwhuisdieren, met uitzondering van pelsdieren.

  • 3. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, functioneel ondersteunen.

  • 4. Onder de aanwijzing valt niet het houden van landbouwhuisdieren alleen:

    • a. voor natuurbeheer of beheer van de openbare ruimte;

    • b. voor educatieve doeleinden; of

    • c. bij onderzoeksinstellingen.

Artikel 3.201 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.200, voor zover het gaat om:

  • a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in categorie 6.6 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies; of

  • b. het houden van pelsdieren.

Artikel 3.202 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.200, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het houden van:

  • a. meer dan 200 melkkoeien van 2 jaar en ouder, kalfkoeien van 2 jaar en ouder of zoogkoeien van 2 jaar en ouder;

  • b. meer dan 340 stuks vrouwelijk jongvee jonger dan 2 jaar, fokstieren jonger dan 2 jaar en melkkoeien van 2 jaar en ouder, kalfkoeien van 2 jaar en ouder of zoogkoeien van 2 jaar en ouder;

  • c. meer dan 50 paarden van 3 jaar en ouder of pony’s van 3 jaar en ouder;

  • d. meer dan 50 schapen van 1 jaar en ouder of geiten;

  • e. meer dan 2.500 kippen, kalkoenen, eenden of parelhoenders;

  • f. meer dan 50 vleesvarkens van 25 kg en meer, opfokberen van 25 kg en meer en jonger dan 7 maanden of opfokzeugen van 25 kg en meer;

  • g. meer dan 50 kraamzeugen, guste zeugen, dragende zeugen en opfokzeugen van 25 kg en meer;

  • h. meer dan 500 gespeende biggen van minder dan 25 kg;

  • i. meer dan 50 vleeskalveren jonger dan 1 jaar, overig vleesvee vanaf spenen en jonger dan 2 jaar of overig rundvee van 2 jaar en ouder; of

  • j. meer dan 50 overige landbouwhuisdieren.

Artikel 3.203 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.200, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • b. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • c. het bereiden van drinkwater voor landbouwhuisdieren, bedoeld in paragraaf 4.81;

    • d. dierenverblijven, bedoeld in paragraaf 4.82;

    • e. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in paragraaf 4.83;

    • f. het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in paragraaf 4.84;

    • g. het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in paragraaf 4.86;

    • h. het composteren en opslaan van groenafval, bedoeld in paragraaf 4.89;

    • i. het reinigen van werktuigen, voertuigen of apparatuur voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90; en

    • j. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie;

    • b. het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een PRTR-installatie voor het houden van pluimvee of varkens als bedoeld in categorie 7, onder a, van bijlage I bij de PRTR-verordening; en

    • c. energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 3.204 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.200 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing op gronden die worden gebruikt voor de teelt van gewassen in de openlucht.

  • 3. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.6.2 Glastuinbouwbedrijf
Artikel 3.205 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het telen van gewassen in kassen.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat telen functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing valt niet het telen van gewassen in kassen alleen:

    • a. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;

    • b. voor educatieve doeleinden;

    • c. bij onderzoeksinstellingen; of

    • d. bij volkstuinen.

Artikel 3.206 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.205, wordt voldaan aan de regels over:

  • a. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  • b. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  • c. het aanmaken en transporteren via vaste leidingen van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen, bedoeld in paragraaf 4.62;

  • d. het behandelen van geoogste gewassen met gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in paragraaf 4.65;

  • e. het reinigen van verpakkingen voor biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.66;

  • f. het reinigen van verpakkingen voor niet-biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.67;

  • g. het spoelen van gewassen, bedoeld in paragraaf 4.68;

  • h. het spoelen van niet-biologisch geteelde bloembollen of bloemknollen, bedoeld in paragraaf 4.69;

  • i. het spoelen van biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.70;

  • j. het sorteren van niet-biologisch geteeld fruit, bedoeld in paragraaf 4.71;

  • k. het sorteren van biologisch geteeld fruit, bedoeld in paragraaf 4.72;

  • l. assimilatiebelichting, bedoeld in paragraaf 4.75;

  • m. drainwater bij substraatteelt in een kas, bedoeld in paragraaf 4.76;

  • n. drainagewater bij grondgebonden teelt in een kas, bedoeld in paragraaf 4.77;

  • o. overig afvalwater van kassen, bedoeld in paragraaf 4.78;

  • p. het bereiden van gietwater, bedoeld in paragraaf 4.80;

  • q. het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, bedoeld in paragraaf 4.85;

  • r. het composteren en opslaan van groenafval, bedoeld in paragraaf 4.89;

  • s. het reinigen van werktuigen, voertuigen of apparatuur voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90; en

  • t. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101.

Artikel 3.207 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.205, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.6.3 Telen van gewassen in de openlucht
Artikel 3.208 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

    • a. het telen van gewassen in de openlucht; en

    • b. het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat telen of behandelen functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, als die alleen worden verricht:

    • a. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;

    • b. voor educatieve doeleinden;

    • c. bij onderzoeksinstellingen; of

    • d. bij volkstuinen.

Artikel 3.209 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.208, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • b. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • c. het aanmaken en transporteren via vaste leidingen van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen, bedoeld in paragraaf 4.62;

    • d. het aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op landbouwgronden, bedoeld in paragraaf 4.63;

    • e. het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op braakliggende landbouwgronden en bij teelt van gewassen in de openlucht, bedoeld in paragraaf 4.64;

    • f. het behandelen van geoogste gewassen met gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in paragraaf 4.65;

    • g. het reinigen van verpakkingen voor biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.66;

    • h. het reinigen van verpakkingen voor niet-biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.67;

    • i. het spoelen van gewassen, bedoeld in paragraaf 4.68;

    • j. het spoelen van niet-biologisch geteelde bloembollen of bloemknollen, bedoeld in paragraaf 4.69;

    • k. het spoelen van biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.70;

    • l. het sorteren van niet-biologisch geteeld fruit, bedoeld in paragraaf 4.71;

    • m. het sorteren van biologisch geteeld fruit, bedoeld in paragraaf 4.72;

    • n. substraatteelt van gewassen in de openlucht, bedoeld in paragraaf 4.73;

    • o. substraatteelt van gewassen op stellingen of in een gotensysteem in de openlucht, bedoeld in paragraaf 4.74;

    • p. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in paragraaf 4.83;

    • q. het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, bedoeld in paragraaf 4.85;

    • r. het composteren en opslaan van groenafval, bedoeld in paragraaf 4.89;

    • s. het reinigen van werktuigen, voertuigen of apparatuur voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90; en

    • t. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.210 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.208 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, met uitzondering van de delen van de locatie die als landbouwgronden worden gebruikt; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.6.4 Telen van gewassen in een gebouw
Artikel 3.211 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat telen functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing valt niet het telen van gewassen in een gebouw alleen:

    • a. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;

    • b. voor educatieve doelen; of

    • c. bij onderzoeksinstellingen.

Artikel 3.212 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.211, voor zover het gaat om het pasteuriseren van compost voor de champignonteelt.

Artikel 3.213 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.211, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • b. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • c. het aanmaken en transporteren via vaste leidingen van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen, bedoeld in paragraaf 4.62;

    • d. het behandelen van geoogste gewassen met gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in paragraaf 4.65;

    • e. het reinigen van verpakkingen voor biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.66;

    • f. het reinigen van verpakkingen voor niet-biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.67;

    • g. het lozen van afvalwater bij telen van gewassen in een gebouw, bedoeld in paragraaf 4.79;

    • h. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in paragraaf 4.83;

    • i. het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, bedoeld in paragraaf 4.85;

    • j. het composteren en opslaan van groenafval, bedoeld in paragraaf 4.89;

    • k. het reinigen van werktuigen, voertuigen of apparatuur voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90; en

    • l. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.214 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.211, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.6.5 Agrarisch loonwerkbedrijf
Artikel 3.215 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het voor agrarisch loonwerk:

    • a. opslaan van stoffen op een andere locatie dan de locatie van dat loonwerk; en

    • b. onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen op een andere locatie dan de locatie van dat loonwerk.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan, onderhouden, repareren of schoonmaken functioneel ondersteunen.

Artikel 3.216 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.215, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

    • b. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • c. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • d. het aanmaken en transporteren via vaste leidingen van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen, bedoeld in paragraaf 4.62;

    • e. het behandelen van geoogste gewassen met gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in paragraaf 4.65;

    • f. het reinigen van verpakkingen voor biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.66;

    • g. het reinigen van verpakkingen voor niet-biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.67;

    • h. het spoelen van gewassen, bedoeld in paragraaf 4.68;

    • i. het spoelen van niet-biologisch geteelde bloembollen of bloemknollen, bedoeld in paragraaf 4.69;

    • j. het spoelen van biologisch geteelde gewassen, bedoeld in paragraaf 4.70;

    • k. het sorteren van niet-biologisch geteeld fruit, bedoeld in paragraaf 4.71;

    • l. het sorteren van biologisch geteeld fruit, bedoeld in paragraaf 4.72;

    • m. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in paragraaf 4.83;

    • n. het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in paragraaf 4.84;

    • o. het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, bedoeld in paragraaf 4.85;

    • p. het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in paragraaf 4.86;

    • q. het composteren en opslaan van groenafval, bedoeld in paragraaf 4.89;

    • r. het reinigen van werktuigen, voertuigen of apparatuur voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90;

    • s. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en

    • t. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.217 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.215 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.6.6 Landbouwmechanisatiebedrijf
Artikel 3.218 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het voor derden of voor verhuur onderhouden en repareren van werktuigen of apparatuur voor agrarische activiteiten.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie dat onderhouden of repareren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.219 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.218, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

    • b. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;

    • c. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

    • d. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

    • e. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

    • f. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • g. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • h. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

    • i. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;

    • j. het verwerken van thermoplastisch kunststof, bedoeld in paragraaf 4.26;

    • k. het verwerken van polyesterhars, bedoeld in paragraaf 4.27;

    • l. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • m. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • n. het reinigen van werktuigen, voertuigen of apparatuur voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90;

    • o. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en

    • p. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.220 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.218 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.6.7 Bedrijf voor telen en kweken van waterplanten of waterdieren
Artikel 3.221 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

    • a. het kweken van consumptievis;

    • b. het kweken van ongewervelde waterdieren; en

    • c. het telen van waterplanten.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat kweken of telen functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c, als die alleen worden verricht:

    • a. in een oppervlaktewaterlichaam;

    • b. voor educatieve doelen;

    • c. bij onderzoeksinstellingen;

    • d. voor sportdoeleinden of recreatiedoeleinden; of

    • e. bij detailhandel.

Artikel 3.222 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.221, voor zover het gaat om:

    • a. het kweken van consumptievis;

    • b. het kweken van ongewervelde waterdieren; of

    • c. het telen van waterplanten.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.223 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.221, wordt voldaan aan de regels over het PRTR-verslag, bedoeld in paragraaf 5.3.1, voor zover het gaat om het exploiteren van een PRTR-installatie voor intensieve aquacultuur, bedoeld in bijlage I, categorie 7, onder b, bij de PRTR-verordening.

Artikel 3.224 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.221, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.6.8 Bedrijf voor mestbehandeling
Artikel 3.225 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat behandelen of vergisten functioneel ondersteunen.

Artikel 3.226 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.225, voor zover het gaat om:

    • a. het drogen of indampen van dierlijke meststoffen, uitgezonderd het drogen van pluimveemest dat deel uitmaakt van een huisvestingssysteem waarvoor een emissiefactor voor ammoniak is vastgesteld;

    • b. het vergisten van dierlijke meststoffen; of

    • c. het vergisten van plantaardig materiaal.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.227 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.225, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in paragraaf 4.83;

    • b. het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in paragraaf 4.86;

    • c. een mestbehandelingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.87;

    • d. een mestvergistingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.88; en

    • e. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.228 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.225, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

AFDELING 3.7 DIENSTVERLENING, ONDERWIJS EN ZORG

§ 3.7.1 Bouwbedrijf, installatiebedrijf, grondbouwbedrijf, wegbouwbedrijf, waterbouwbedrijf en schildersbedrijf
Artikel 3.229 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het voor bouwwerkzaamheden, onderhoudswerkzaamheden, reparatiewerkzaamheden of installatiewerkzaamheden:

    • a. opslaan van stoffen op een andere locatie dan de locatie van die werkzaamheden; en

    • b. onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen op een andere locatie dan de locatie van die werkzaamheden.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan, onderhouden, repareren of schoonmaken functioneel ondersteunen.

Artikel 3.230 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.229, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

    • b. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

    • c. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

    • d. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

    • e. het mechanisch bewerken van steen, bedoeld in paragraaf 4.19;

    • f. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • g. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • h. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

    • i. het verwerken van polyesterhars, bedoeld in paragraaf 4.27;

    • j. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • k. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • l. het opslaan van verwijderd asbest, bedoeld in paragraaf 4.52;

    • m. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

    • n. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

    • o. het laden en lossen van schepen, bedoeld in paragraaf 4.107.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.231 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.229 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.7.2 Chemische wasserij
Artikel 3.232 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het chemisch reinigen van textiel.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat chemisch reinigen functioneel ondersteunen.

Artikel 3.233 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.232, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34; en

    • b. het chemisch reinigen van textiel, bedoeld in paragraaf 4.57.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.234 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.232, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.7.3 Datacentrum
Artikel 3.235 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een rekencentrum of datacentrum waar ondersteuning wordt gegeven voor dataverkeer of dataopslag.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.236 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW, afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.235.

Artikel 3.237 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.235, wordt voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 3.238 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.235, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.7.4 Crematorium
Artikel 3.239 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een crematorium.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.240 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.239, wordt voldaan aan de regels over een crematorium, bedoeld in paragraaf 4.54.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.241 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.239, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.7.5 Laboratorium
Artikel 3.242 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het verrichten in een of meer laboratoria van:

    • a. wetenschappelijk onderzoek;

    • b. praktica voor middelbaar en hoger onderwijs;

    • c. medisch onderzoek;

    • d. productontwikkeling; of

    • e. fysische, chemische of biologische analyses.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat verrichten functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a tot en met e, als deze worden verricht in een laboratorium alleen voor huisartsen, dierenartsen, apothekers, tandartsen of tandtechnici.

Artikel 3.243 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.242, voor zover het gaat om het gericht werken met biologische agentia, met uitzondering van biologische agentia die ingedeeld zijn of worden in groep 1 of groep 2 als gevolg van de indeling van risicogroepen van de richtlijn biologische agentia.

Artikel 3.244 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.242, wordt voldaan aan de regels over het exploiteren van een laboratorium of een praktijkruimte, bedoeld in paragraaf 4.55.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 3.245 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.242, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.7.6 Ingeperkt gebruik genetisch gemodificeerde organismen
Artikel 3.246 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat ingeperkt gebruik functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing vallen niet:

    • a. ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013; en

    • b. ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 2.2 of artikel 2.8 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 zijn ingeschaald in de categorie van fysische inperking S-I.

Artikel 3.247 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.246, voor zover het gaat om ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013.

Artikel 3.248 (algemene regels)

[Gereserveerd]

Artikel 3.249 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.246, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.7.7 Onderhoud van de openbare ruimte
Artikel 3.250 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het voor onderhoud van de openbare ruimte:

    • a. opslaan van stoffen op een andere locatie dan die openbare ruimte; en

    • b. onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen op een andere locatie dan die openbare ruimte.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan, onderhouden, repareren of schoonmaken functioneel ondersteunen.

Artikel 3.251 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.250, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

    • b. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • c. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • d. het aanmaken en transporteren via vaste leidingen van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen, bedoeld in paragraaf 4.62;

    • e. het composteren en opslaan van groenafval, bedoeld in paragraaf 4.89;

    • f. het reinigen van werktuigen, voertuigen of apparatuur voor agrarische activiteiten, bedoeld in paragraaf 4.90;

    • g. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en

    • h. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.252 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.250, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.7.8 Repareren en verhuren van gemotoriseerde werktuigen
Artikel 3.253 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het voor derden of voor verhuur onderhouden en repareren van werktuigen met een verbrandingsmotor.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat onderhouden of repareren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.254 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.253, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

    • b. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

    • c. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

    • d. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • e. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • f. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

    • g. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • h. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40; en

    • i. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.255 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.253 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.7.9 Ziekenhuis
Artikel 3.256 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een instelling voor het verlenen van medisch specialistische zorg.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing vallen niet instellingen alleen gericht op het verlenen van geestelijke gezondheidszorg.

Artikel 3.257 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.256, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. traumahelikopters, bedoeld in paragraaf 4.56; en

    • b. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.258 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.257, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.7.10 Voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken
Artikel 3.259 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het oefenen van brandbestrijdingstechnieken.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat oefenen functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing vallen niet:

    • a. het testen van geïnstalleerde brandbestrijdingssystemen;

    • b. het opleiden van bedrijfshulpverleners of eigen personeel; en

    • c. het demonstreren van brandbestrijdingstechnieken op een evenement.

Artikel 3.260 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.259, voor zover het gaat om het oefenen van brandbestrijdingstechnieken.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.261 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.259, wordt voldaan aan de regels over het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 3.262 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.259, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.7.11 Tandartspraktijk
Artikel 3.263 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een tandartspraktijk.

Artikel 3.264 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.263, wordt voldaan aan de regels over een tandartspraktijk, bedoeld in paragraaf 4.53.

AFDELING 3.8 TRANSPORT, LOGISTIEK EN ONDERSTEUNING DAARVAN

§ 3.8.1 Autobergingsbedrijf en pechhulp
Artikel 3.265 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het voor hulpverlening aan gestrande automobilisten:

    • a. opslaan van stoffen; en

    • b. onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan, onderhouden, repareren of schoonmaken functioneel ondersteunen.

Artikel 3.266 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.265, wordt voldaan aan de regels over:

  • a. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  • b. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  • c. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40; en

  • d. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

Artikel 3.267 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.265 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.8.2 Brandstoffenhandel en tankopslagbedrijf
Artikel 3.268 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het voor handelsdoeleinden of voor vervoer opslaan van chemicaliën of brandstoffen in opslagtanks.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing valt niet een parkeerterrein dat deel uitmaakt van een openbare weg of weggedeelte of een parkeerterrein dat openstaat voor openbaar verkeer.

Artikel 3.269 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.268, voor zover het gaat om:

    • a. het voor meer dan 24 uur parkeren van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c; of

    • b. het parkeren van meer dan drie voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c.

  • 2. Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, die worden verricht op dezelfde locatie als de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a en b.

  • 3. Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, die worden verricht op dezelfde locatie als de activiteiten, bedoeld in de artikelen 3.22, 3.25, 3.28, 3.31, 3.34 of 3.37.

Artikel 3.270 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.268, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • b. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • c. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

    • d. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104;

    • e. het exploiteren van een benzineterminal, bedoeld in paragraaf 4.105;

    • f. het opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen, bedoeld in paragraaf 4.106; en

    • g. het laden en lossen van schepen, bedoeld in paragraaf 4.107.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk; en

    • b. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 3.271 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.268, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.8.3 Bunkerstations en andere tankplaatsen voor schepen
Artikel 3.272 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het bieden van gelegenheid voor het tanken van vaartuigen.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat bieden van gelegenheid functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing valt niet het tanken van vaartuigen tijdens het varen.

Artikel 3.273 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.272, voor zover het gaat om:

  • a. het opslaan van meer dan 25 m3 gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in een bunkerstation als de inhoud niet geheel bestaat uit gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger;

  • b. het tanken van vaartuigen met LPG;

  • c. het tanken van vaartuigen met LNG; of

  • d. het tanken van vaartuigen met waterstof.

Artikel 3.274 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.272, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het opslaan van brandstoffen in bunkerstations, bedoeld in paragraaf 4.41;

    • b. het kleinschalig tanken van brandstoffen aan vaartuigen, bedoeld in paragraaf 4.42;

    • c. het grootschalig tanken van brandstoffen aan vaartuigen, bedoeld in paragraaf 4.43;

    • d. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104; en

    • e. het laden en lossen van schepen, bedoeld in paragraaf 4.107.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 3.275 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.272, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.8.4 Garage, autoschadeherstelbedrijf, autowasstraat, carrosseriebouw
Artikel 3.276 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

    • a. het voor derden onderhouden, repareren, schoonmaken en ombouwen van motorvoertuigen; en

    • b. het bieden van gelegenheid voor het schoonmaken van motorvoertuigen.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat onderhouden, repareren, schoonmaken, ombouwen of bieden van gelegenheid functioneel ondersteunen.

Artikel 3.277 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.276, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van auto’s of motoren van auto’s of het assembleren van auto’s.

Artikel 3.278 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.276, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

    • b. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

    • c. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

    • d. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

    • e. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • f. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • g. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

    • h. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;

    • i. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • j. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • k. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;

    • l. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en

    • m. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104;

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk;

    • b. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk; en

    • c. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk en het niet gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met m.

Artikel 3.279 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.276 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.8.5 Motorrevisiebedrijf
Artikel 3.280 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het reviseren van verbrandingsmotoren of gasturbines.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat reviseren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.281 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.280, voor zover het gaat om het proefdraaien van straalmotoren of straalturbines.

Artikel 3.282 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.280, voor zover het gaat om het proefdraaien met testbanken van motoren, turbines of reactoren.

Artikel 3.283 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.280, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

    • b. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;

    • c. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

    • d. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

    • e. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

    • f. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • g. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • h. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

    • i. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;

    • j. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • k. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • l. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en

    • m. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk; en

    • b. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 3.284 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.280, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.8.6 Opslag- en transportbedrijf, groothandel en containerterminal
Artikel 3.285 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het voor het vervoer van stoffen of goederen:

    • a. opslaan van stoffen of goederen; en

    • b. onderhouden, repareren en schoonmaken van motorvoertuigen.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat opslaan, onderhouden, repareren of schoonmaken functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing vallen niet:

    • a. een parkeerterrein dat deel uitmaakt van een openbare weg of weggedeelte of een parkeerterrein dat openstaat voor openbaar verkeer; en

    • b. de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder a, als deze alleen bestaat uit het voor handelsdoeleinden of voor vervoer opslaan van chemicaliën of brandstoffen in opslagtanks, bedoeld in paragraaf 3.8.2.

Artikel 3.286 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.285, voor zover het gaat om:

    • a. het opslaan van steenkool, ertsen of derivaten van ertsen;

    • b. het voor meer dan 24 uur parkeren van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c;

    • c. het parkeren van meer dan drie voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c;

    • d. het begassen of ontgassen van containers;

    • e. het tanken van voertuigen met LPG;

    • f. het tanken van voertuigen met LNG;

    • g. het tanken van voertuigen met waterstof;

    • h. het onverpakt in bulk opslaan van meer dan 1 kg vaste gevaarlijke stoffen van:

      • 1°. ADR-klasse 4;

      • 2°. ADR-klasse 5.1;

      • 3°. ADR-klasse 6.1;

      • 4°. ADR-klasse 6.2;

      • 5°. ADR-klasse 8; of

      • 6°. ADR-klasse 9, die het aquatisch milieu verontreinigen;

    • i. het opslaan van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, in container;

    • j. het opslaan van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger;

    • k. het opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1 door een ander dan de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger; of

    • l. het opslaan van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, in een hoeveelheid van ten minste de drempelwaarde, bedoeld in bijlage I, deel 1 of deel 2, bij de Seveso-richtlijn, met inachtneming van de aantekeningen bij die bijlage, voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger.

  • 2. Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, die worden verricht op dezelfde locatie als de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met l.

  • 3. Het verbod geldt ook voor andere milieubelastende activiteiten met gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, die worden verricht op dezelfde locatie als de activiteiten, bedoeld in de artikelen 3.22, 3.25, 3.28, 3.31, 3.34 of 3.37.

  • 4. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste tot en met derde lid.

Artikel 3.287 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.285, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

    • b. het tanken en opslaan van LPG, bedoeld in paragraaf 4.35;

    • c. het tanken en opslaan van LNG, bedoeld in paragraaf 4.36;

    • d. het tanken van CNG, bedoeld in paragraaf 4.37;

    • e. het tanken en opslaan van waterstof, bedoeld in paragraaf 4.38;

    • f. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • g. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • h. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;

    • i. het opslaan van autowrakken, bedoeld in paragraaf 4.48;

    • j. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104;

    • k. het opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen, bedoeld in paragraaf 4.106; en

    • l. het laden en lossen van schepen, bedoeld in paragraaf 4.107.

  • 2. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.285, wordt ook voldaan aan de regels over het lozen van koelwater, bedoeld in paragraaf 4.110, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

  • 3. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 3.288 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.285 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.8.7 Onderhoudswerkplaats voor bus, trein, tram of metro
Artikel 3.289 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

    • a. het onderhouden, repareren en schoonmaken van bussen of spoorvoertuigen; en

    • b. het bieden van gelegenheid voor het tanken van spoorvoertuigen.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat repareren, schoonmaken of bieden van gelegenheid functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing valt niet het onderhouden, repareren en schoonmaken van bussen of spoorvoertuigen in noodgevallen langs de weg of het spoor.

Artikel 3.290 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.28, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

    • b. het schoonbranden van metalen, bedoeld in paragraaf 4.14;

    • c. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

    • d. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

    • e. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

    • f. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • g. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • h. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

    • i. het verwerken van polyesterhars, bedoeld in paragraaf 4.27;

    • j. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • k. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • l. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;

    • m. het verwijderen van graffiti, bedoeld in paragraaf 4.45;

    • n. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en

    • o. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.291 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.289 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.8.8 Onderhoudswerkplaats voor vliegtuigen
Artikel 3.292 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

    • a. het onderhouden, repareren en schoonmaken van vliegtuigen; en

    • b. het bieden van gelegenheid voor het tanken van vliegtuigen.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat onderhouden, repareren of bieden van gelegenheid functioneel ondersteunen.

Artikel 3.293 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.292, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het repareren van vliegtuigen.

Artikel 3.294 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.292, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

    • b. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

    • c. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

    • d. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • e. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • f. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

    • g. het verwerken van polyesterhars, bedoeld in paragraaf 4.27;

    • h. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • i. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • j. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en

    • k. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over:

    • a. energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk; en

    • b. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk en het niet gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met k.

Artikel 3.295 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.292 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.8.9 Spoorwegemplacementen

[Gereserveerd]

§ 3.8.10 Tankstation
Artikel 3.296 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het bieden van gelegenheid voor het tanken van voertuigen.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat bieden van gelegenheid functioneel ondersteunen.

Artikel 3.297 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.296, voor zover het gaat om het tanken van voertuigen met:

  • a. LPG;

  • b. LNG; of

  • c. waterstof.

Artikel 3.298 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.296, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het tanken en opslaan van LPG, bedoeld in paragraaf 4.35;

    • b. het tanken en opslaan van LNG, bedoeld in paragraaf 4.36;

    • c. het tanken van CNG, bedoeld in paragraaf 4.37;

    • d. het tanken en opslaan van waterstof, bedoeld in paragraaf 4.38;

    • e. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • f. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40; en

    • g. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 3.299 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.296, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.8.11 Reinigen van opslagtanks, verpakkingen, voertuigen of containers voor gevaarlijke stoffen
Artikel 3.300 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:

    • a. het inwendig reinigen van opslagtanks of verpakkingen waarin gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, zijn opgeslagen op een andere locatie dan de locatie waarop de opslagtanks stonden, of de verpakkingen zijn gebruikt; en

    • b. het inwendig reinigen van voertuigen, opleggers, aanhangers, tankcontainers of bulkcontainers waarin gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, zijn vervoerd.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat inwendig reinigen functioneel ondersteunen.

Artikel 3.301 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.300, voor zover het gaat om het inwendig reinigen van:

    • a. opslagtanks of verpakkingen waarin gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, zijn opgeslagen op een andere locatie dan de locatie waarop de opslagtanks stonden, of de verpakkingen zijn gebruikt; of

    • b. voertuigen, opleggers, aanhangers, tankcontainers of bulkcontainers waarin gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, zijn vervoerd.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.302 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.300, wordt voldaan aan de regels over:

  • a. het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk; en

  • b. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 3.303 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 3.300 worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

AFDELING 3.9 SPORT EN RECREATIE

§ 3.9.1 Autosport en motorsport, zoals crossterrein, racebaan of kartbaan
Artikel 3.304 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een terrein of gebouw voor het sporten of recreëren met voertuigen met een verbrandingsmotor.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.305 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen vanwege geluidemissie)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.304, voor zover het gaat om het sporten of recreëren met voertuigen met een verbrandingsmotor in de buitenlucht.

Artikel 3.306 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.304, wordt voldaan aan de regels over:

  • a. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  • b. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39; en

  • c. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40.

Artikel 3.307 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.304, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.9.2 Jachthaven
Artikel 3.308 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een jachthaven waar pleziervaartuigen afmeren.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing valt niet het exploiteren van een jachthaven met:

    • a. minder dan 10 ligplaatsen, als de haven wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen; of

    • b. minder dan 50 ligplaatsen, als de haven niet wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen.

Artikel 3.309 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.308, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

    • b. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

    • c. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

    • d. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • e. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • f. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

    • g. het schoonmaken van pleziervaartuigen, bedoeld in paragraaf 4.24;

    • h. een jachthaven, bedoeld in paragraaf 4.58;

    • i. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en

    • j. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

Artikel 3.310 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.308, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.9.3 Schietbaan
Artikel 3.311 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

  • 3. Onder de aanwijzing vallen niet:

    • a. een activiteit als bedoeld in paragraaf 3.11.5; en

    • b. het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.

Artikel 3.312 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.311, wordt voldaan aan de regels over:

  • a. een binnenschietbaan, bedoeld in paragraaf 4.59;

  • b. een buitenschietbaan, bedoeld in paragraaf 4.60; en

  • c. een kleiduivenbaan, bedoeld in paragraaf 4.61.

Artikel 3.313 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.311, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.9.4 Sneeuwbaan en ijsbaan
Artikel 3.314 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een sneeuwbaan of ijsbaan, als daarbij een koelinstallatie wordt gebruikt.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.315 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.314, wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.316 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.314, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

§ 3.9.5 Zwembad
Artikel 3.317 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een openbaar zwembad.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.318 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.317, wordt voldaan aan de regels over energiebesparing, bedoeld in paragraaf 5.4.1.

Artikel 3.319 (gegevens en bescheiden)
  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.317, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voor de begrenzing wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

AFDELING 3.10 MIJNBOUW

§ 3.10.1 Mijnbouw
Artikel 3.320 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
  • 1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het aanleggen en exploiteren van een mijnbouwwerk voor:

    • a. het opsporen of winnen van delfstoffen;

    • b. het opsporen of winnen van aardwarmte; of

    • c. het opslaan van stoffen.

  • 2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.

Artikel 3.321 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.320.

  • 2. Het verbod geldt niet voor:

    • a. het alleen testen, onderhouden, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk; of

    • b. het plaatsen van een mijnbouwinstallatie.

Artikel 3.322 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.320, wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden met een verplaatsbaar mijnbouwwerk, bedoeld in paragraaf 4.109, voor zover het gaat om het aanleggen, testen, aanpassen, onderhouden, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.

AFDELING 3.11 DEFENSIE

§ 3.11.1 Militaire zeehaven
Artikel 3.323 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een militaire zeehaven, met inbegrip van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 3.324 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.323.

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteit, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.325 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.323, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

    • b. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

    • c. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

    • d. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

    • e. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • f. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • g. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

    • h. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;

    • i. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • j. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • k. het exploiteren van een grootschalig bunkerstation, bedoeld in paragraaf 4.41;

    • l. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;

    • m. het exploiteren van een tandartspraktijk, bedoeld in paragraaf 4.53;

    • n. het exploiteren van een laboratorium, bedoeld in paragraaf 4.55;

    • o. het exploiteren van een jachthaven, bedoeld in paragraaf 4.58;

    • p. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101;

    • q. het opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen, bedoeld in paragraaf 4.106; en

    • r. het laden en lossen van schepen, bedoeld in paragraaf 4.107.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3.

§ 3.11.2 Militaire luchthaven
Artikel 3.326 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een militaire luchthaven, met inbegrip van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 3.327 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.326, als het gaat om het exploiteren van een militaire luchthaven waarvoor een luchthavenbesluit is vereist.

Artikel 3.328 (algemene regels)
  • 1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.326, wordt voldaan aan de regels over:

    • a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

    • b. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

    • c. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

    • d. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

    • e. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

    • f. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

    • g. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

    • h. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;

    • i. een oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in paragraaf 4.34;

    • j. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

    • k. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

    • l. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44;

    • m. het exploiteren van een tandartspraktijk, bedoeld in paragraaf 4.53;

    • n. het in gebruik hebben van een laboratorium, bedoeld in paragraaf 4.55;

    • o. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101; en

    • p. het opstellen van voertuigen, opleggers en aanhangers met gevaarlijke stoffen, bedoeld in paragraaf 4.106.

  • 2. Ook wordt voldaan aan de regels over het emitteren van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3.

§ 3.11.3 Militaire kazerne
Artikel 3.329 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een militaire kazerne, met inbegrip van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 3.330 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.329, wordt voldaan aan de regels over:

  • a. het stralen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.13;

  • b. het lassen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.16;

  • c. het solderen van metalen, bedoeld in paragraaf 4.17;

  • d. het mechanisch en thermisch bewerken van metalen, bedoeld in paragraaf 4.18;

  • e. het mechanisch bewerken van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.20;

  • f. het reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen, bedoeld in paragraaf 4.21;

  • g. het onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 4.22;

  • h. het proefdraaien van verbrandingsmotoren, bedoeld in paragraaf 4.23;

  • i. het kleinschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.39;

  • j. het grootschalig tanken, bedoeld in paragraaf 4.40;

  • k. een wasstraat of wasplaats, bedoeld in paragraaf 4.44; en

  • l. het vullen van gasflessen met propaan of butaan, bedoeld in paragraaf 4.101.

§ 3.11.4 Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen op militaire objecten
Artikel 3.331 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1, met inbegrip van het exploiteren van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar die stoffen en voorwerpen worden opgeslagen of bewerkt, door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 3.332 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.331, als het gaat om het opslaan en bewerken van:

  • a. stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1.1 of 1.2; of

  • b. meer dan 50 kg NEM in stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1.3.

Artikel 3.333 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.331, wordt voldaan aan de regels over het opslaan of bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen, bedoeld in paragraaf 4.114.

§ 3.11.5 Het gebruik van ontplofbare stoffen of voorwerpen op militaire objecten
Artikel 3.334 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het gebruik van ontplofbare stoffen of voorwerpen, die behoren tot ADR-klasse 1, met inbegrip van het exploiteren van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar die stoffen of voorwerpen worden gebruikt, door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 3.335 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.334, als het gaat om het gebruik van ontplofbare stoffen en voorwerpen op:

  • a. een schietbaan of combinatie van schietbanen waar meer dan 3 miljoen schoten per jaar worden afgevuurd;

  • b. een permanente voorziening waarop ontplofbare voorwerpen uit militaire luchtvaartuigen worden geworpen; of

  • c. springterreinen.

Artikel 3.336 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.334, wordt voldaan aan de regels over het exploiteren van een militaire schietbaan, bedoeld in paragraaf 4.115.

§ 3.11.6 Militaire oefeningen op militaire objecten en terreinen
Artikel 3.337 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het houden van militaire oefeningen, met inbegrip van het exploiteren van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar die oefeningen worden gehouden door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 3.338 (algemene regels)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.337, wordt voldaan aan de regels over het houden van militaire oefeningen, bedoeld in paragraaf 4.113.

HOOFDSTUK 4 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN EN LOZINGSACTIVITEITEN: INHOUDELIJKE REGELS

§ 4.1 Toepassingsbereik

Artikel 4.1 (toepassingsbereik: activiteiten)

Een paragraaf in dit hoofdstuk is alleen van toepassing voor zover dat in hoofdstuk 3 is bepaald.

§ 4.2 Seveso-inrichting

Artikel 4.2 (toepassingsbereik)
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een Seveso-inrichting.

  • 2. In deze paragraaf wordt onder gevaarlijke stof verstaan: een gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn.

Artikel 4.3 (wijziging Seveso-richtlijn)

In aanvulling op artikel 23.2 van de wet geldt een wijziging van bijlagen I tot en met IV bij de Seveso-richtlijn voor de toepassing van deze paragraaf met ingang van de dag waarop aan die wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

Artikel 4.4 (uitbreiding normadressaat)
  • 1. Aan de regels van deze paragraaf wordt, naast degene die de Seveso-inrichting exploiteert, ook voldaan door:

    • a. de werkgever, als die regels gaan over de bescherming van zijn veiligheid en gezondheid of de bescherming van de veiligheid en gezondheid van zijn werknemers; en

    • b. de in de Seveso-inrichting werkzame zelfstandige, als die regels gaan over de bescherming van zijn veiligheid en gezondheid.

  • 2. Degene die de Seveso-inrichting exploiteert geeft samen en in overleg met de werkgever en de zelfstandige uitvoering aan de regels van deze paragraaf, als die regels gaan over de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, de zelfstandige en de werkgever.

Artikel 4.5 (gegevens en bescheiden: als deze paragraaf van toepassing wordt)
  • 1. Binnen een jaar nadat deze paragraaf van toepassing is geworden op een Seveso-inrichting, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2:

    • a. de naam en functie van de bestuurder van de Seveso-inrichting, als dat een ander is dan degene die de Seveso-inrichting exploiteert;

    • b. de gegevens die nodig zijn om de gevaarlijke stoffen en de categorie van gevaarlijke stoffen te identificeren die in de Seveso-inrichting aanwezig zijn of kunnen zijn;

    • c. een lijst met de hoeveelheden, aard en fysische vormen van de gevaarlijke stoffen die aanwezig zijn of kunnen zijn in de Seveso-inrichting;

    • d. de activiteiten die in de Seveso-inrichting worden verricht;

    • e. informatie over de directe omgeving van de Seveso-inrichting en de factoren die een zwaar ongeval kunnen veroorzaken of de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken, met gegevens over inrichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Seveso-richtlijn, milieubelastende activiteiten waarop deze paragraaf niet van toepassing is en gebieden en ontwikkelingen die de bron kunnen zijn van of het risico of de gevolgen van een zwaar ongeval kunnen vergroten; en

    • f. de gegevens, bedoeld in artikel 4.16, onder a en b, als de Seveso-inrichting een hogedrempelinrichting is.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al zijn verstrekt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en niet zijn gewijzigd.

  • 3. De lijst, bedoeld in het eerste lid, onder e, kan door een ieder worden geraadpleegd.

  • 4. Voor de aard en fysische vormen van de gevaarlijke stoffen op de lijst, bedoeld in het eerste lid, onder e, kan de gevaarscategorie respectievelijk de chemische naam en het CAS-nummer worden vermeld als:

    • a. uit die gegevens de fysisch-chemische eigenschappen en gevaareigenschappen kenbaar zijn; en

    • b. kan worden bepaald om welke gevaarlijke stof of categorie, bedoeld in bijlage I bij de Seveso-richtlijn, het gaat.

Artikel 4.6 (gegevens en bescheiden: voor wijziging)
  • 1. Ruim voor een wijziging als bedoeld onder a tot en met f, worden aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. een significante wijziging van de hoeveelheid, aard of fysische vorm van een gevaarlijke stof die in de Seveso-inrichting aanwezig is of kan zijn;

    • b. een significante wijziging van een proces waarbij een gevaarlijke stof als bedoeld onder a wordt gebruikt;

    • c. de sluiting of de ontmanteling van de Seveso-inrichting;

    • d. een wijziging die significante gevolgen kan hebben voor de gevaren van zware ongevallen;

    • e. een wijziging van de naam, handelsnaam of adres van degene die de Seveso-inrichting exploiteert; of

    • f. een wijziging van de naam of functie van de bestuurder van de Seveso-inrichting, als dat een ander is dan degene die de Seveso-inrichting exploiteert.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al zijn verstrekt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en niet zijn gewijzigd.

Artikel 4.7 (gegevens en bescheiden: na een zwaar ongeval)
  • 1. Als een zwaar ongeval heeft plaatsgevonden worden zo spoedig mogelijk aan de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Arbeidsomstandighedenwet, gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a. datum, tijd, plaats en omstandigheden van het zware ongeval;

    • b. de gevaarlijke stoffen die het betreft en de hoeveelheid;

    • c. de gevolgen voor de werknemers, die zich op korte en lange termijn kunnen voordoen;

    • d. het aantal gewonde werknemers, dat voor ten minste 24 uur in een ziekenhuis is opgenomen, en het aantal overleden werknemers;

    • e. de maatregelen ter bescherming van de werknemers, die zijn getroffen of worden getroffen om herhaling te voorkomen; en

    • f. de materiële schade in de Seveso-inrichting.

  • 2. Gegevens en bescheiden uit nader onderzoek die afwijken van eerder verstrekte gegevens en bescheiden, worden verstrekt aan de toezichthouder, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4.8 (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift over deze paragraaf kan alleen aanvullende maatregelen bevatten.

Artikel 4.9 (algemene verplichtingen)
  • 1. Alle maatregelen worden getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de gezondheid en het milieu te beperken.

  • 2. Op ieder moment kan worden aangetoond dat aan het eerste lid wordt voldaan.

  • 3. Het is verboden een Seveso-inrichting of een gedeelte daarvan te exploiteren of in werking te hebben als de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, niet zijn getroffen of duidelijk onvoldoende zijn uitgevoerd.

Artikel 4.10 (preventiebeleid)
  • 1. Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan is preventiebeleid opgesteld dat borg staat voor een hoog beschermingsniveau van de gezondheid en het milieu en evenredig is aan de gevaren van zware ongevallen.

  • 2. Het preventiebeleid bevat:

    • a. de algemene doelen van en beginselen voor het handelen van degene die de Seveso-inrichting exploiteert;

    • b. de rol en de verantwoordelijkheid van het management van de Seveso-inrichting; en

    • c. de verplichting om de beheersing van gevaren van zware ongevallen continu te verbeteren en hoge beschermingsniveaus te waarborgen.

  • 3. Het tweede lid, onder a, houdt in ieder geval in dat is beschreven:

    • a. in hoofdlijnen de aard en de omvang van de risico’s van zware ongevallen;

    • b. de beginselen die ten grondslag liggen aan het veiligheidsbeheerssysteem en de samenhang daarmee;

    • c. de criteria die worden toegepast bij de vaststelling van de risico’s van zware ongevallen; en

    • d. de beginselen die ten grondslag liggen aan de maatregelen die zijn getroffen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken en de samenhang tussen die maatregelen en de risico’s van zware ongevallen.

Artikel 4.11 (veiligheidsbeheerssysteem)
  • 1. Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan wordt het preventiebeleid uitgevoerd met passende middelen, structuren en een veiligheidsbeheerssysteem dat voldoet aan alle punten van bijlage III bij de Seveso-richtlijn.

  • 2. De passende middelen, structuren en het veiligheidsbeheerssysteem zijn evenredig aan de gevaren van zware ongevallen, de complexiteit van de organisatie en de activiteiten die in de Seveso-inrichting worden verricht.

  • 3. De procedures voor de systematische identificatie van de gevaren van zware ongevallen, bedoeld in bijlage III, onder b, onder ii, bij de Seveso-richtlijn, gaan in ieder geval over:

    • a. het verrichten van systematisch onderzoek naar de risico’s van zware ongevallen van een Seveso-installatie tijdens het ontwerpen, het bouwen, het gebruiken, het onderhouden en het wijzigen van die installatie;

    • b. de criteria voor het bepalen van de methode van het systematisch onderzoek die is afgestemd op de fases, bedoeld onder a; en

    • c. de methode voor de beoordeling van de risico’s van zware ongevallen die geschikt is om de maatregelen te bepalen die getroffen worden om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken.

Artikel 4.12 (bijwerken preventiebeleid en veiligheidsbeheerssysteem)
  • 1. Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan worden het preventiebeleid en het veiligheidsbeheerssysteem in ieder geval bijgewerkt bij een wijziging als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c of d.

  • 2. Het preventiebeleid wordt ten minste elke vijf jaar beoordeeld en zo nodig bijgewerkt.

Artikel 4.13 (domino-effecten)
  • 1. Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan worden voor Seveso-inrichtingen die op grond van artikel 8.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de omgevingsvergunning of door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn aangewezen als inrichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Seveso-richtlijn, gegevens uitgewisseld die nodig zijn om in het preventiebeleid, veiligheidsbeheerssysteem, veiligheidsrapport en intern noodplan rekening te houden met de aard en omvang van het risico van een zwaar ongeval.

  • 2. Degenen die de Seveso-inrichtingen, bedoeld in het eerste lid, exploiteren werken samen bij het geven van:

    • a. voorlichting aan het publiek en de nabijgelegen bedrijven die niet onder het toepassingsbereik vallen van deze paragraaf; en

    • b. gegevens en bescheiden voor het opstellen van het rampbestrijdingsplan, bedoeld in artikel 6.1.1 van het Besluit veiligheidsregio’s.

Artikel 4.14 (veiligheidsrapport: algemeen)
  • 1. Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan is voor een hogedrempelinrichting een veiligheidsrapport opgesteld met actuele gegevens over de veiligheid.

  • 2. Het veiligheidsrapport bevat de namen van de organisaties die betrokken zijn geweest bij het opstellen van het veiligheidsrapport en bevat ten minste de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage II bij de Seveso-richtlijn, waarmee wordt aangetoond dat:

    • a. preventiebeleid als bedoeld in artikel 4.10 en een veiligheidsbeheersysteem als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, zijn ingevoerd;

    • b. de gevaren van zware ongevallen en scenario’s voor mogelijke zware ongevallen zijn geïdentificeerd en de maatregelen zijn getroffen die nodig zijn om die zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de gezondheid en het milieu te beperken; en

    • c. het ontwerp, de constructie, de exploitatie en het onderhoud van de Seveso-installaties die in verband staan met de gevaren van een zwaar ongeval binnen de Seveso-inrichting, voldoende veilig en betrouwbaar zijn.

  • 3. Bij de beschrijving van de installatie, bedoeld in bijlage II, onder 3, bij de Seveso-richtlijn wordt een beschrijving gegeven van de processen die in de Seveso-inrichting plaatsvinden, het verloop daarvan en de hoeveelheden, eigenschappen en gedragingen van de gevaarlijke stoffen die in de Seveso-inrichting aanwezig zijn onder de omstandigheden die in de Seveso-inrichting gelden en bij een voorzienbaar ongeval.

Artikel 4.15 (veiligheidsrapport: scenario’s voor mogelijke zware ongevallen)
  • 1. De beschrijving van de scenario’s voor mogelijke zware ongevallen, bedoeld in bijlage II, onder 4, onder a, bij de Seveso-richtlijn, gaat ten minste over de onderdelen van de Seveso-installaties die de grootste risico’s op een zwaar ongeval opleveren en de selectie van deze Seveso-installaties vindt plaats volgens een methode die in het veiligheidsrapport is beschreven.

  • 2. Bij de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, komen de voorvallen terug die deze scenario’s op gang kunnen brengen, waaronder corrosie, erosie, externe belasting, impact, overdruk of onderdruk, lage of hoge temperatuur, trillingen en menselijke fouten, wijziging en onderhoud.

  • 3. Voor elk scenario wordt kwalitatief of met risicoberekeningen aangegeven wat de waarschijnlijkheid en het effect is en welke maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat het scenario zich voordoet en wordt voor elk scenario een samenhangend inzicht geboden in:

    • a. de resterende kans dat een zwaar ongeval plaatsvindt;

    • b. de ernst van de gevolgen van een zwaar ongeval; en

    • c. de maatregelen die technisch mogelijk zijn om het risico op een zwaar ongeval te verkleinen tot een daarbij aangegeven niveau.

  • 4. Uit de scenario’s blijkt dat de risico’s van zware ongevallen worden beheerst met de technische en organisatorische maatregelen die zijn getroffen.

Artikel 4.16 (veiligheidsrapport: risico’s voor omgeving en externe oorzaken)
  • 1. Het veiligheidsrapport bevat:

    • a. de afstanden vanaf de Seveso-inrichting tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste een op de miljoen en een op de honderdduizend per jaar is;

    • b. het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • c. een schatting van de kans en de omvang van de gevolgen van een zwaar ongeval dat door een Seveso-inrichting als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, wordt veroorzaakt;

    • d. een schatting van de kans en de omvang van de gevolgen van een aardbeving, overstroming of andere natuurlijke oorzaak als bedoeld in bijlage II, onder 4, onder iii, bij de Seveso-richtlijn;

    • e. een schatting van de kans dat een zwaar ongeval belangrijke ongewenste gevolgen heeft voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam of vuilwaterriool en een schatting van de omvang van die gevolgen;

    • f. een beschrijving van de maatregelen die zijn getroffen om de gevolgen, bedoeld onder c, d en e, te beperken;

    • g. een beschrijving van de zones die door een zwaar ongeval kunnen worden getroffen, als zij van belang zijn voor de veiligheid voor de omgeving; en

    • h. het aantal personen buiten de Seveso-inrichting dat ten hoogste wordt blootgesteld aan het risico van een zwaar ongeval.

  • 2. Op het berekenen van de afstanden en het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 4.17 (veiligheidsrapport: rampenbestrijding en bedrijfsbrandweer)

Het veiligheidsrapport bevat een beschrijving van:

  • a. de scenario’s voor een mogelijk zwaar ongeval die bepalend zijn voor:

    • 1°. het rampbestrijdingsplan, bedoeld in artikel 6.1.1 van het Besluit veiligheidsregio’s; en

    • 2°. de omvang en de uitrusting van de bedrijfsbrandweer, bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder d, van het Besluit veiligheidsregio’s;

  • b. de organisatie van de bedrijfsbrandweer die nodig is, waaronder de omvang van het personeel en materieel;

  • c. de zones die door een zwaar ongeval kunnen worden getroffen, als zij van belang zijn voor de voorbereiding van de rampenbestrijding; en

  • d. overige gegevens die nodig zijn met het oog op de voorbereiding van de rampenbestrijding, het opstellen van een rampbestrijdingsplan als bedoeld in artikel 6.1.1 van het Besluit veiligheidsregio’s en het aanwijzen van een inrichting als bedrijfsbrandweerplichtig, bedoeld in artikel 31 van de Wet veiligheidsregio’s.

Artikel 4.18 (veiligheidsrapport: veiligheid werknemers)

Het veiligheidsrapport bevat een beschrijving van:

  • a. het aantal personen dat ten hoogste in de Seveso-inrichting aanwezig is, het aantal personen dat binnen de Seveso-inrichting wordt blootgesteld aan het risico van een zwaar ongeval en een indicatie van de verdeling van het aantal personen over die Seveso-inrichting;

  • b. zones die door een zwaar ongeval kunnen worden getroffen, als zij van belang zijn voor de veiligheid van de werknemers;

  • c. de scenario’s per Seveso-installatie voor een mogelijk zwaar ongeval die bepalend zijn voor het intern noodplan; en

  • d. de gevolgen die de beschrijving van de beschermingsmiddelen en interventiemiddelen heeft voor het intern noodplan.

Artikel 4.19 (bijwerken veiligheidsrapport)

Het veiligheidsrapport wordt bezien en zo nodig bijgewerkt:

  • a. ten minste elke vijf jaar;

  • b. na een zwaar ongeval in de Seveso-inrichting;

  • c. om rekening te houden met nieuwe feiten of nieuwe technische kennis over veiligheid; of

  • d. bij een wijziging als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c of d.

Artikel 4.20 (gegevens en bescheiden: veiligheidsrapport)

Een opgesteld of bijgewerkt veiligheidsrapport of deel daarvan wordt onverwijld verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2.

Artikel 4.21 (samenvoegen documenten)

Het preventiebeleid, het veiligheidsrapport en het veiligheidsdocument en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 2.42, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, kunnen worden samengevoegd in één document.

Artikel 4.22 (intern noodplan)
  • 1. Met het oog op het beperken van de gevolgen van zware ongevallen is voor een hogedrempelinrichting een intern noodplan opgesteld en ingevoerd om:

    • a. zware ongevallen in te dammen en te beheersen en de gevolgen ervan zoveel mogelijk te beperken;

    • b. de maatregelen die nodig zijn uit te voeren tegen de gevolgen van zware ongevallen; en

    • c. aan een ieder relevante gegevens en bescheiden te verstrekken.

  • 2. Het intern noodplan bevat de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage IV bij de Seveso-richtlijn.

  • 3. Het intern noodplan wordt ten minste elke drie jaar beoordeeld en beproefd en zo nodig bijgewerkt.

  • 4. Als het intern noodplan wordt bijgewerkt wordt rekening gehouden met de werkmethoden en productiemethoden die in de Seveso-inrichting worden toegepast, de veranderingen van technische en organisatorische aard bij de hulpverleningsorganisaties van de overheid, en veranderingen in het veiligheidsinzicht die voor de risico’s van een zwaar ongeval belangrijke gevolgen kunnen hebben.

Artikel 4.23 (raadpleging werknemers en inzage)
  • 1. Als een ondernemingsraad of een personeelsvertegenwoordiging ontbreekt, worden belanghebbende werknemers die werkzaam zijn in de Seveso-inrichting geraadpleegd:

    • a. voordat het veiligheidsrapport of een gewijzigd deel daarvan aan het bevoegd gezag wordt verstrekt; en

    • b. bij het opstellen van het intern noodplan of een gewijzigd deel daarvan.

  • 2. Over het intern noodplan of een gewijzigd deel daarvan worden ook geraadpleegd de werknemers van andere werkgevers die op basis van een langlopende overeenkomst tot aanneming van werk in de Seveso-inrichting werkzaam zijn.

  • 3. Op verzoek wordt inzage gegeven in het veiligheidsrapport en het intern noodplan aan:

    • a. de werknemers;

    • b. de bedrijfshulpverleners, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;

    • c. de externe hulpverleningsorganisaties, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e, van de Arbeidsomstandighedenwet;

    • d. de deskundige werknemers en andere deskundige personen, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;

    • e. de deskundige personen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet of een arbodienst als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van die wet; en

    • f. de werkzame zelfstandige en de werkgever die zelf arbeid verricht binnen de Seveso-inrichting.

  • 4. Het eerste lid, aanhef en onder a, en het derde lid, zijn alleen van toepassing voor de onderdelen 1, 2, onder b en d, 3, 4, en 5 van bijlage II bij de Seveso-richtlijn, die verband houden met de bescherming van de veiligheid en gezondheid van de in de Seveso-inrichting werkzame werknemers.

Artikel 4.24 (actuele lijst van de gevaarlijke stoffen)
  • 1. Met het oog op het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan wordt voor een hogedrempelinrichting een actuele lijst bijgehouden van de aanwezige gevaarlijke stoffen en stoffen die op basis van aard of hoeveelheid een risico vormen.

  • 2. De lijst bevat gegevens over de aard, fysische vorm en hoeveelheid van de stoffen, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Voor de hulpverleningsdiensten van de overheid zijn per stof, bedoeld in het eerste lid, onverwijld toegankelijk de volgende gegevens:

    • a. de chemische stofnaam of handelsnaam;

    • b. de hoeveelheid die ten hoogste aanwezig is;

    • c. het CAS-nummer of het veiligheidsinformatieblad;

    • d. het VN-nummer; en

    • e. het gevaarsidentificatienummer.

  • 4. Als de gegevens, bedoeld in het derde lid, onder c, d of e, niet bestaan, zijn, naast de gegevens, bedoeld in het derde lid, onder a en b, gegevens beschikbaar over het gevaar voor een explosie, een brand en een toxische wolk.

Artikel 4.25 (openbaarmaking van gegevens)
  • 1. Als gegevens als bedoeld in artikel 19.3, eerste lid, laatste zin, van de Wet milieubeheer worden aangewezen:

    • a. de lijst, bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, onder c;

    • b. de lijst, bedoeld in artikel 4.24, eerste lid; en

    • c. het veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 4.14, eerste lid.

  • 2. Als ten aanzien van het veiligheidsrapport toepassing is gegeven aan artikel 19.3, eerste lid, eerste zin, van de Wet milieubeheer, wordt een aangepast veiligheidsrapport verstrekt, dat ten minste algemene gegevens en bescheiden over risico’s van zware ongevallen en de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en het milieu bij een zwaar ongeval bevat.

  • 3. Wanneer een aangepast veiligheidsrapport is verstrekt waaruit de beschrijving van bepaalde stoffen is weggelaten, worden die stoffen niet vermeld op de lijst, bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, onder c.

Artikel 4.26 (overgangsrecht: preventiebeleid)

Het preventiebeleid, bedoeld in artikel 4.10, is opgesteld binnen een jaar nadat artikel 4.10 van toepassing is geworden op de Seveso-inrichting, tenzij:

  • a. dit artikel van toepassing is geworden omdat de Seveso-inrichting in werking wordt gesteld; of

  • b. de Seveso-inrichting op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit, een inrichting was als bedoeld in het Besluit risico’s zware ongevallen 2015.

Artikel 4.27 (overgangsrecht: veiligheidsrapport)

Het veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 4.14, eerste lid, is opgesteld binnen twee jaar nadat artikel 4.14 van toepassing is geworden op de Seveso-inrichting, tenzij:

  • a. dit artikel van toepassing is geworden omdat de Seveso-inrichting in werking wordt gesteld; of

  • b. de Seveso-inrichting op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit, een hogedrempelinrichting was als bedoeld in het Besluit risico’s zware ongevallen 2015.

Artikel 4.28 (overgangsrecht: intern noodplan)

Het intern noodplan, bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, is opgesteld en ingevoerd binnen twee jaar nadat artikel 4.22 van toepassing is geworden op de Seveso-inrichting, tenzij:

  • a. dit artikel van toepassing is geworden omdat de Seveso-inrichting in werking wordt gesteld; of

  • b. de Seveso-inrichting op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit, een hogedrempelinrichting was als bedoeld in het Besluit risico’s zware ongevallen 2015.

§ 4.3 Grote stookinstallatie

Artikel 4.29 (toepassingsbereik)
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een stookinstallatie, die een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer heeft, met uitzondering van:

    • a. een stookinstallatie voor het drogen of behandelen van voorwerpen of materialen door direct contact met verbrandingsgas;

    • b. technische voorzieningen voor de zuivering van afgassen door verbranding die niet als autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd;

    • c. het regenereren van katalysatoren voor het katalytisch kraakproces;

    • d. het omzetten van zwavelwaterstof in zwavel;

    • e. reactoren die in de chemische industrie worden gebruikt;

    • f. cokesovens;

    • g. windverhitters van hoogovens;

    • h. technische voorzieningen die bij de voortstuwing van een voertuig, schip of vliegtuig worden gebruikt;

    • i. gasturbines en gasmotoren die op offshoreplatforms worden gebruikt; en

    • j. afvalverbrandingsinstallaties of afvalmeeverbrandingsinstallaties als bedoeld in paragraaf 4.4.

  • 2. Voor de toepassing van deze paragraaf worden twee of meer stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 15 MW als één stookinstallatie aangemerkt en worden de nominale thermische ingangsvermogens opgeteld als:

    • a. de afgassen van die stookinstallaties via een schoorsteen worden afgevoerd; of

    • b. de afgassen op technisch en economisch aanvaardbare wijze via een schoorsteen kunnen worden afgevoerd.

  • 3. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    a. grote stookinstallatie:

    een stookinstallatie als bedoeld in het eerste lid, ongeacht het type brandstof dat is toegepast; en

    b. bestaande grote stookinstallatie:

    grote stookinstallatie die op 30 oktober 1999, volgens de regelgeving die toen gold, in bedrijf was, of waarvoor een vergunning was verleend en die uiterlijk op 30 oktober 2000 in gebruik is genomen.

Artikel 4.30 (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.29, wordt voldaan aan de regels over:

  • a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  • b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.31 (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de regels in deze paragraaf niet versoepeld, met uitzondering van de artikelen 4.34, 4.36, 4.45, 4.55 en 4.57.

Artikel 4.32 (lucht: toepassing emissiegrenswaarden)
  • 1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht zijn de emissiegrenswaarden in de artikelen 4.34, 4.36, 4.38 en 4.39 van toepassing op de emissies in de lucht afkomstig van alle gemeenschappelijke schoorstenen in relatie tot het totale nominale thermische ingangsvermogen van de gehele grote stookinstallatie.

  • 2. Bij een uitbreiding van een bestaande grote stookinstallatie zijn de emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties van toepassing op de emissies afkomstig van het uitgebreide gedeelte van de bestaande grote stookinstallatie waarop de wijziging betrekking heeft. De emissiegrenswaarden worden vastgesteld op grond van het totale nominale thermische ingangsvermogen van de gehele grote stookinstallatie.

  • 3. Bij een wijziging van een bestaande grote stookinstallatie die gevolgen kan hebben voor het milieu en die betrekking heeft op een gedeelte van een bestaande grote stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer, zijn de emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties van toepassing op de emissies afkomstig van het gedeelte van de bestaande grote stookinstallatie dat is gewijzigd in verhouding tot het totale nominale thermische ingangsvermogen van de gehele grote stookinstallatie.

  • 4. Alle emissiegrenswaarden zijn betrokken op een volumegehalte aan zuurstof van:

    • a. 6% in afgas, als het gaat om een grote stookinstallatie voor vaste brandstoffen;

    • b. 15% in afgas, als het gaat om een gasturbine of een gasmotor; en

    • c. 3% in afgas, als het gaat om een andere grote stookinstallatie.

Artikel 4.33 (lucht: afgassen afvoeren)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu worden afgassen op een gecontroleerde wijze door de schoorsteen afgevoerd waarvan de hoogte op berekeningen is gebaseerd.

Artikel 4.34 (lucht: emissie zwaveldioxide)

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide, de waarden, bedoeld in tabel 4.34, gemeten in een continue of periodieke meting.

Tabel 4.34 Emissiegrenswaarden zwaveldioxide

Type brandstof

Emissiegrenswaarde in mg/Nm3

Vaste of vloeibare brandstoffen met een totaal nominaal thermisch vermogen van 50–300 MW

200

Vaste of vloeibare brandstoffen met een totaal nominaal thermisch vermogen van meer dan 300 MW

150

Gasvormige brandstoffen: vloeibaar gemaakt gas

5

Gasvormige brandstoffen: cokesovengas

400

Gasvormige brandstoffen: hoogovengas

150

Gasvormige brandstoffen: andere gasvormige brandstoffen

35

Artikel 4.35 (lucht: afbakening mogelijkheid maatwerk zwaveldioxide)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van zwaveldioxide, bedoeld in artikel 4.34, wordt verhoogd, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 500 mg/Nm3, als:

  • a. voor de stookinstallatie voor 27 november 2002 een vergunning was verleend of een volledige aanvraag om een vergunning was ingediend;

  • b. de stookinstallatie uiterlijk op 27 november 2003, volgens de regelgeving die toen gold, in bedrijf was; en

  • c. de stookinstallatie gestookt wordt met gassen met lage calorische waarde, verkregen door vergassing van raffinaderijresiduen.

Artikel 4.36 (lucht: emissie stikstofoxiden)

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden, de waarden, bedoeld in tabel 4.36, gemeten in een continue of periodieke meting.

Tabel 4.36 Emissiegrenswaarden stikstofoxiden

Type brandstof

Emissiegrenswaarde in mg/Nm3

Vaste brandstoffen

100

Vloeibare brandstoffen: gasturbine met inbegrip van een STEG

50

Vloeibare brandstoffen: bestaande grote stookinstallatie als wordt gestookt met vloeibare productieresiduen als niet-commerciële brandstof afkomstig uit de eigen installatie

150

Vloeibare brandstoffen met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50–300 MW

120

Vloeibare brandstoffen met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 300 MW

100

Gasvormige brandstoffen: gasturbine met inbegrip van een STEG

50

Gasvormige brandstoffen: gasmotor

33

Gasvormige brandstoffen: bestaande grote stookinstallatie als het gaat om een gasturbine, met inbegrip van een STEG, die met aardgas wordt gestookt:

a. die in een systeem met warmtekrachtkoppeling wordt gebruikt met een rendement van meer dan 75%,

b. die in een warmtekrachtcentrale wordt gebruikt met een gemiddeld jaarlijks totaal elektrisch rendement van meer dan 55%, of

c. die voor mechanische aandrijving wordt gebruikt, waarin het rendement van de gasturbine wordt vastgesteld in ISO-basisbelastingsomstandigheden

75

Gasvormige brandstoffen: bestaande grote stookinstallatie als het gaat om een gasturbine, met inbegrip van een STEG, die met andere gassen wordt gestookt

75

Gasvormige brandstoffen: bestaande grote stookinstallatie, als wordt gestookt met hoogovengas, cokesovengas, gassen met lage calorische waarde verkregen door vergassing van raffinageresiduen, of andere gassen, uitgezonderd een gasturbine en gasmotor

150

Gasvormige brandstoffen: andere grote stookinstallatie, als wordt gestookt met hoogovengas, cokesovengas, gassen met lage calorische waarde verkregen door vergassing van raffinageresiduen, of andere gassen

100

Gasvormige brandstoffen: andere grote stookinstallatie, als wordt gestookt met aardgas

70

Artikel 4.37 (lucht: afbakening mogelijkheid maatwerk stikstofoxiden)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde, bedoeld in artikel 4.36, wordt verhoogd voor een bestaande grote stookinstallatie die wordt gestookt met aardgas en die niet kan voldoen aan de emissiegrenswaarde, bedoeld in artikel 4.36, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 100 mg/Nm3, tenzij het gaat om een gasturbine of gasmotor.

Artikel 4.38 (lucht: emissie koolmonoxide)

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor koolmonoxide, de waarden, bedoeld in tabel 4.38, gemeten in een continue of periodieke meting.

Tabel 4.38 Emissiegrenswaarden koolmonoxide

Type brandstof

Emissiegrenswaarde in mg/Nm3

Gasvormige brandstoffen

100

Vloeibare brandstoffen gestookt in gasturbines, met inbegrip van een STEG

100

Artikel 4.39 (lucht: emissie totaal stof)

Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden voor totaal stof, de waarden, bedoeld in tabel 4.39, gemeten in een continue of periodieke meting.

Tabel 4.39 Emissiegrenswaarden totaal stof

Type brandstof

Emissiegrenswaarde in mg/Nm3

Vaste of vloeibare brandstoffen bij een bestaande grote stookinstallatie als wordt gestookt met vloeibare productieresiduen als niet-commerciële brandstof afkomstig uit de eigen installatie

20

Vaste of vloeibare brandstoffen bij een andere grote stookinstallatie

5

Gasvormige brandstoffen: hoogovengas

10

Gasvormige brandstoffen: door de ijzer- en staalindustrie geproduceerd gas dat elders wordt gebruikt

20

Gasvormige brandstoffen: andere gasvormige brandstoffen

5

Artikel 4.40 (lucht: meetmethoden)
  • 1. Op het uitvoeren van emissiemetingen is NEN-EN 15259 van toepassing.

  • 2. Op het uitvoeren van een periodieke meting of een parallelmeting is van toepassing:

    • a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;

    • b. voor stikstofoxiden: NEN-EN 14792;

    • c. voor koolmonoxide: NEN-EN 15058;

    • d. voor kwik: NEN-EN 13211;

    • e. voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791;

    • f. voor zuurstof: NEN-EN 14789;

    • g. voor waterdamp: NEN-EN 14790; en

    • h. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.

  • 3. Op het uitvoeren van een continue meting is van toepassing:

    • a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-2;

    • b. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-2; en

    • c. voor de kwaliteitsborging: NEN-EN 14181.

Artikel 4.41 (lucht: meetplicht continu of periodiek meten)
  • 1. De emissieconcentratie van zwaveldioxide, stikstofoxiden en totaal stof van een grote stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 100 MW of meer, wordt continu gemeten.

  • 2. De emissieconcentratie van koolmonoxide van een grote stookinstallatie die met gasvormige brandstoffen wordt gestookt met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 100 MW of meer, wordt continu gemeten.

  • 3. De emissieconcentratie van zwaveldioxide, stikstofoxiden en totaal stof van een grote stookinstallatie en de emissieconcentratie van koolmonoxide van een grote stookinstallatie die met gas wordt gestookt, wordt periodiek ten minste om de zes maanden gemeten, tenzij op grond van het eerste of tweede lid een continue meting is voorgeschreven.

  • 4. Als een grote stookinstallatie met aardgas wordt gestookt, wordt de emissieconcentratie van totaal stof ten minste eenmaal per zes maanden gemeten.

  • 5. De meting van zwaveldioxide is niet verplicht en de emissieconcentratie daarvan wordt bepaald op grond van de gehalten in de brandstoffen die worden ingezet, als:

    • a. een grote stookinstallatie met aardgas wordt gestookt;

    • b. een grote stookinstallatie met olie wordt gestookt en er geen uitrusting voor de ontzwaveling van afgas is; of

    • c. een grote stookinstallatie met rie-biomassa wordt gestookt en kan worden aangetoond dat de emissie in geen geval hoger is dan de toepasselijke emissiegrenswaarde.

  • 6. Voor installaties die met steenkool of bruinkool worden gestookt, wordt de totale emissie van kwik periodiek ten minste jaarlijks gemeten.

Artikel 4.42 (lucht: continue meting)

Een continue meting als bedoeld in artikel 4.41 omvat ook de meting van:

  • a. het zuurstofgehalte;

  • b. de temperatuur;

  • c. de druk; en

  • d. het waterdampgehalte van het afgas, met uitzondering van het afgas dat als monster wordt gebruikt, als dat wordt gedroogd voordat de emissies in de lucht worden geanalyseerd.

Artikel 4.43 (lucht: bepalen zuurstofgehalte)

De resultaten van de metingen die zijn verricht, worden omgerekend tot een massaconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte als bedoeld in 4.32, vierde lid, volgens de formule:

waarbij wordt verstaan onder:

Es: de berekende emissieconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte;

Em: de gemeten emissieconcentratie;

Os: het genormaliseerde zuurstofgehalte;

Om: het gemeten zuurstofgehalte.

Artikel 4.44 (lucht: berekening voldoen emissiegrenswaarden)
  • 1. Als continu wordt gemeten wordt in ieder geval voldaan aan de emissiegrenswaarde, als in een kalenderjaar:

    • a. geen gevalideerd maandgemiddelde hoger is dan de emissiegrenswaarde;

    • b. geen gevalideerd daggemiddelde 110% hoger is dan de emissiegrenswaarde; en

    • c. 95% van alle gevalideerde uurgemiddelden over een jaar niet hoger is dan 200% van de emissiegrenswaarde.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid worden niet meegerekend:

    • a. meetuitkomsten die zijn verkregen tijdens periodes waarin een grote stookinstallatie op grond van de artikelen 4.57 en 4.60 in werking kan zijn;

    • b. meetuitkomsten die zijn verkregen tijdens storingen in de apparatuur die een emissiereductie bewerkstelligen; en

    • c. meetuitkomsten die zijn verkregen tijdens periodes van opstarten en stilleggen.

  • 3. De periodes van opstarten en stilleggen worden bepaald in overeenstemming met het uitvoeringsbesluit van de Commissie van 7 mei 2012 betreffende de vaststelling van opstart- en stilleggingsperioden voor de toepassing van de richtlijn industriële emissies (PbEU 2012, L 123).

  • 4. Als periodiek wordt gemeten wordt in ieder geval voldaan aan de emissiegrenswaarde, als geen enkele gevalideerde meetuitkomst hoger is dan de emissiegrenswaarde.

Artikel 4.45 (lucht: gebruik grote stookinstallatie bij uitvallen afgasreinigingsapparatuur)
  • 1. Met het oog op het beperken van de verontreiniging van de lucht wordt de grote stookinstallatie geheel of gedeeltelijk buiten gebruik gesteld of met een weinig vervuilende brandstof in gebruik gehouden als:

    • a. de afgasreinigingsapparatuur is uitgevallen; en

    • b. deze apparatuur niet na uiterlijk 24 uur weer normaal functioneert.

  • 2. Een grote stookinstallatie kan als gevolg van storingen als bedoeld in het eerste lid nog uiterlijk 120 uur in een jaar in bedrijf zijn zonder dat de afgasreinigingsapparatuur functioneert.

Artikel 4.46 (lucht: afbakening mogelijkheid maatwerk bij uitvallen afgasreinigingsapparatuur)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee artikel 4.45 wordt versoepeld, bevat een verlenging van de periode, bedoeld in artikel 4.45, als:

  • a. het absoluut noodzakelijk is om de energievoorziening in stand te houden; of

  • b. de grote stookinstallatie anders voor die periode zou worden vervangen door een stookinstallatie die over het geheel genomen hogere emissies zou veroorzaken.

Artikel 4.47 (informeren: uitvallen afgasreinigingsapparatuur)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt uiterlijk 48 uur na het uitvallen van de afgasreinigingsapparatuur en het niet na uiterlijk 24 uur weer normaal functioneren van deze apparatuur, waarbij de stookinstallatie geheel of gedeeltelijk buiten gebruik wordt gesteld of met een weinig vervuilende brandstof in bedrijf wordt gehouden, als bedoeld in artikel 4.46, daarover geïnformeerd.

Artikel 4.48 (lucht: continue en periodieke meting)
  • 1. Een periodieke meting bestaat uit ten minste drie deelmetingen van een half uur. Als het meettechnisch niet mogelijk is om de deelmeting in die tijd te verrichten, kan de deelmeting ten hoogste twee uur duren.

  • 2. Het resultaat van de continue meting of periodieke meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de uurgemiddelden of de deelmetingen, verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.48.

  • 3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

  • 4. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO 17025 voor de norm die volgens artikel 4.40 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

    Tabel 4.48 Meetonzekerheid

    Stof

    Percentage meetonzekerheid

    Koolmonoxide

    10

    Zwaveldioxide

    20

    Stikstofoxide

    20

    Totaal stof

    30

Artikel 4.49 (informeren: periodieke meting)
  • 1. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste twee weken voor een periodieke meting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

  • 2. Het bevoegd gezag wordt ten hoogste op de datum dat de periodieke meting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.50 (lucht: parallelmeting)
  • 1. Geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste eenmaal per jaar met parallelmetingen gecontroleerd.

  • 2. Een parallelmeting die wordt verricht voor de verificatie van de meetapparatuur voor continue metingen duurt ten minste een half uur.

  • 3. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO 17025 voor de norm die volgens artikel 4.40 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.51 (informeren: parallelmeting)
  • 1. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt geïnformeerd over de resultaten van de controle, bedoeld in artikel 4.50, eerste lid.

  • 2. Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken voor een parallelmeting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

  • 3. Het bevoegd gezag wordt ten hoogste op de datum dat de parallelmeting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.52 (lucht: ongeldige metingen)
  • 1. De metingen van een dag worden als ongeldig beschouwd als in een dag meer dan drie uurgemiddelden ongeldig zijn door storing of onderhoud van het continu werkende meetsysteem.

  • 2. Als per jaar de metingen van meer dan tien dagen ongeldig zijn, worden passende maatregelen getroffen om de betrouwbaarheid van het continu werkende meetsysteem te verbeteren.

Artikel 4.53 (lucht en water: kwaliteitsborging)
  • 1. Op de bekwaamheid van een laboratorium is NEN-EN-ISO/IEC 17025 van toepassing.

  • 2. Op richtlijnen voor Predictive Emission Monitoring Systems is NTA 7379 van toepassing.

  • 3. De Regeling brandstoffen luchtverontreiniging is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van het zwavelgehalte van een brandstof.

Artikel 4.54 (lucht: uitzondering emissiegrenswaarden)
  • 1. De emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 4.34, 4.36, 4.38 en 4.39, gelden niet voor gasturbines, gasmotoren en dieselmotoren die:

    • a. zijn bedoeld voor noodgevallen volgens de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die daarvoor geldt; en

    • b. minder dan 500 uur per jaar in werking zijn en emissies in de lucht veroorzaken, met uitzondering van de tijd die nodig is voor de inwerkingstelling en stillegging.

  • 2. Het aantal uur dat de installaties in werking zijn, wordt geregistreerd.

Artikel 4.55 (lucht: gelijktijdig gebruik verschillende soorten brandstof)
  • 1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht zijn bij gelijktijdig gebruik van verschillende soorten brandstof in een grote stookinstallatie de emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden en totaal stof de gewogen gemiddelden van de emissiegrenswaarden die voor ieder van de brandstoffen afzonderlijk van toepassing zijn.

  • 2. Een gewogen gemiddelde wordt per tijdseenheid berekend naar het aandeel van ieder van de brandstoffen in de energetische inhoud van de toegevoerde brandstoffen.

Artikel 4.56 (lucht: afbakening mogelijkheid maatwerk zwaveldioxide)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee de emissiegrenswaarde van zwaveldioxide, bedoeld in artikel 4.55, eerste lid, wordt verhoogd voor een bestaande grote stookinstallatie, bevat een emissiegrenswaarde van niet meer dan 500 mg/Nm3, als:

  • a. de stookinstallatie deel uitmaakt van een raffinaderij; en

  • b. de stookinstallatie zelf destillatieresiduen of omzettingsresiduen afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in combinatie met andere brandstoffen, verbruikt.

Artikel 4.57 (lucht: uitzondering stookinstallatie geen gebruik laagzwavelige brandstof)

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht kan een grote stookinstallatie waar normaal laagzwavelige brandstof wordt verstookt, 240 uur in werking blijven, als door een onderbreking van de voorziening met laagzwavelige brandstof als gevolg van een ernstig tekort aan die brandstoffen de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.34, niet kunnen worden nageleefd.

Artikel 4.58 (informeren: uitzondering geen gebruik laagzwavelige brandstof)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt onverwijld geïnformeerd over een onderbreking van de voorziening met laagzwavelige brandstof door een ernstig tekort aan die brandstoffen, waardoor de emissiegrenswaarden niet kunnen worden nageleefd, als bedoeld in artikel 4.57.

Artikel 4.59 (lucht: afbakening mogelijkheid maatwerk geen gebruik laagzwavelige brandstof)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee artikel 4.57 wordt versoepeld, bevat een verlenging van niet meer dan zes maanden als de omstandigheid, bedoeld in artikel 4.57, voortduurt en emissiegrenswaarden daardoor niet in acht kunnen worden genomen.

Artikel 4.60 (lucht: uitzondering stookinstallatie geen gebruik gasvormige brandstof)

Met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht bij onvoorziene omstandigheden zijn de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4.34, 4.36, 4.38 en 4.39, ten hoogste 240 uur per incident niet van toepassing, als een grote stookinstallatie die normaal met gasvormige brandstof wordt gestookt, met een andere brandstof wordt gestookt wanneer door weersomstandigheden of storingen in de gastoevoer geen gas kan worden geleverd.

Artikel 4.61 (informeren: uitzondering geen gebruik gasvormige brandstof)

Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt onverwijld geïnformeerd over het stoken met een andere brandstof dan een gasvormige brandstof, als door weersomstandigheden of storingen in de gastoevoer geen gas kan worden geleverd, als bedoeld in artikel 4.60.

Artikel 4.62 (energie: netto elektrisch rendement)
  • 1. Met het oog op het zuinig gebruik van energie en grondstoffen is het netto elektrisch rendement van een grote stookinstallatie die met steenkool of een combinatie van steenkool en een andere brandstof wordt gestookt ten minste 40%.

  • 2. Het netto elektrisch rendement wordt bepaald over de laatste vijf jaar dat de stookinstallatie in gebruik is of, als dat gebruik korter is dan vijf jaar, over de periode dat de stookinstallatie elektriciteit heeft geleverd aan het landelijk hoogspanningsnet, waarbij deze periode ten minste een jaar is.

  • 3. Het netto elektrisch rendement wordt bepaald door de aan het landelijk hoogspanningsnet, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder j, van de Elektriciteitswet 1998, geleverde elektriciteit te delen door de energie-inhoud van de ingezette brandstoffen.

  • 4. Bij levering aan een warmtenet als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Warmtewet, wordt:

    • a. de energie-inhoud van de ingezette brandstoffen gecorrigeerd voor de energie-inhoud van de brandstoffen die aanvullend worden gebruikt in verband met de warmtelevering; en

    • b. de aan het landelijk hoogspanningsnet geleverde elektriciteit verhoogd met de elektriciteitsderving door de warmtelevering.

§ 4.4 Afvalverbrandingsinstallatie en afvalmeeverbrandingsinstallatie

Artikel 4.63 (toepassingsbereik)
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie waar vaste of vloeibare afvalstoffen worden verbrand of meeverbrand.

  • 2. Een afvalverbrandingsinstallatie en afvalmeeverbrandingsinstallatie omvat:

    • a. verbrandingsstraten of meeverbrandingsstraten en voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling op de locatie van het afval;

    • b. systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht;

    • c. stoomketels;

    • d. voorzieningen voor de behandeling van afgassen;

    • e. voorzieningen voor de behandeling of opslag van afvalverbrandingsresiduen en afvalwater;

    • f. schoorstenen; en

    • g. apparatuur en systemen voor de regeling van het verbrandingsproces of meeverbrandingsproces en voor de registratie en monitoring van de omstandigheden van verbranding of meeverbranding.

  • 3. Als voor de thermische behandeling van afval andere processen dan oxidatie worden gebruikt, omvat de afvalverbrandingsinstallatie of de afvalmeeverbrandingsinstallatie het proces voor thermische behandeling en ook het daaropvolgende verbrandingsproces.

  • 4. Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    • a. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin alleen de volgende afvalstoffen thermisch worden behandeld of producten van thermische behandeling van alleen de volgende afvalstoffen worden verbrand:

      • 1°. rie-biomassa;

      • 2°. radioactieve afvalstoffen; of

      • 3°. afvalstoffen die zijn ontstaan bij de exploratie en exploitatie van oliebronnen en gasbronnen vanaf een installatie in zee en die aan boord van die installatie worden verbrand;

    • b. een experimentele afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie voor onderzoek, ontwikkeling en tests om het thermisch behandelingsproces te verbeteren, waarin per kalenderjaar minder dan 50 ton afvalstoffen wordt verwerkt; en

    • c. een vaste technische eenheid voor vergassing of pyrolyse, als de gassen die het resultaat zijn van deze thermische behandeling van afvalstoffen voordat ze worden verbrand zo worden gereinigd dat bij de verbranding ervan niet meer emissies ontstaan dan bij de verbranding van aardgas.

Artikel 4.64 (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)

Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 4.63, wordt voldaan aan de regels over:

  • a. het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1; en

  • b. bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2.

Artikel 4.65 (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de regels in deze paragraaf niet versoepeld, met uitzondering van:

  • a. de emissiegrenswaarde voor koolmonoxide, bedoeld in artikel 4.73, eerste lid; en

  • b. artikel 4.96, voor een ippc-installatie waarin alleen afvalstoffen thermisch worden behandeld die afkomstig zijn van die installatie.

Artikel 4.66 (bodem, water en lucht: voorkomen verbrandingsresiduen)

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem, een oppervlaktewaterlichaam en de lucht wordt bij het vervoer van de verbrandingsoven naar het opslagterrein en de tussentijdse opslag op dat terrein voorkomen dat verbrandingsresiduen in de bodem, een oppervlaktewaterlichaam en de lucht terechtkomen.

Artikel 4.67 (bodem en water: exploitatie afvalverbrandingsinstallatie)
  • 1. Een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie en de terreinen die daarbij horen worden zo geëxploiteerd dat het ongeoorloofd en per ongeluk vrijkomen van verontreinigende stoffen op of in de bodem en op een oppervlaktewaterlichaam wordt voorkomen.

  • 2. Er is opvangcapaciteit voor de opvang van:

    • a. wegvloeiend verontreinigd hemelwater;

    • b. verontreinigd water dat is overgelopen; en

    • c. verontreinigd water afkomstig van brandbestrijding.

  • 3. Het afvalwater kan worden behandeld voordat het wordt geloosd.

Artikel 4.68 (water: emissiegrenswaarden lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
  • 1. Voor het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden:

    • a. de waarden, bedoeld in tabel 4.68, gemeten in een steekmonster; en

    • b. voor onopgeloste stoffen 45 mg/l, en in 95% van de gevallen 30 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 2. De zuurgraad van het afvalwater is ten minste pH 6,5 en ten hoogste pH 11, gemeten in een steekmonster.

  • 3. Als meer dan twintig steekmonsters per jaar worden genomen, gelden de emissiegrenswaarden voor 95% van die steekmonsters, met uitzondering van de emissiegrenswaarden voor dioxinen en furanen.

    Tabel 4.68 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarde in mg/l of ng/l

    Kwik

    0,03 mg/l

    Cadmium

    0,05 mg/l

    Thallium

    0,05 mg/l

    Arseen

    0,15 mg/l

    Lood

    0,1 mg/l

    Chroom

    0,5 mg/l

    Koper

    0,5 mg/l

    Nikkel

    0,5 mg/l

    Zink

    1,0 mg/l

    Antimoon

    0,85 mg/l

    Kobalt

    0,05 mg/l

    Mangaan

    0,2 mg/l

    Vanadium

    0,5 mg/l

    Tin

    0,5 mg/l

    Som van dioxinen en furanen

    0,1 ng/l

Artikel 4.69 (water: meetmethoden)
  • 1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3. Op het ontsluiten van de stoffen is NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2 van toepassing.

  • 4. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    • b. voor kwik: NEN-EN-ISO 12846, NEN-EN-ISO 17294-2, of NEN-EN-ISO 17852;

    • c. voor cadmium, thallium, lood, chroom, koper, nikkel, zink, antimoon, kobalt, mangaan, vanadium en tin: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885;

    • d. voor arseen: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11969;

    • e. voor de zuurgraad: NEN-ISO 10523; en

    • f. voor dioxinen en furanen: NEN-ISO 18073.

  • 5. Voor de som van dioxinen en furanen worden:

    • a. de waterfase en de zwevende stof op dioxinen en furanen geanalyseerd;

    • b. voordat ze worden opgeteld, de massaconcentraties van de dibenzo-p-dioxinen en dibenzofuranen, bedoeld in tabel 4.69, vermenigvuldigd met de toxische equivalentiefactor, bedoeld in die tabel.

    Tabel 4.69 Vermenigvuldiging, bedoeld in het vijfde lid, onder b

    Massaconcentraties dibenzo-p-dioxinen en dibenzofuranen

    Toxische equivalentiefactor

    2,3,7,8-tetrachloordibenzodioxine

    1

    1,2,3,7,8-pentachloordibenzodioxine

    0,5

    1,2,3,4,7,8-hexachloordibenzodioxine

    0,1

    1,2,3,6,7,8-hexachloordibenzodioxine

    0,1

    1,2,3,7,8,9-hexachloordibenzodioxine

    0,1

    1,2,3,4,6,7,8-heptachloordibenzodioxine

    0,01

    Octachloordibenzodioxine

    0,001

    2,3,7,8-tetrachloordibenzofuraan

    0,1

    2,3,4,7,8-pentachloordibenzofuraan

    0,5

    1,2,3,7,8-pentachloordibenzofuraan

    0,05

    1,2,3,4,7,8-hexachloordibenzofuraan

    0,1

    1,2,3,6,7,8-hexachloordibenzofuraan

    0,1

    1,2,3,7,8,9-hexachloordibenzofuraan

    0,1

    2,3,4,6,7,8-hexachloordibenzofuraan

    0,1

    1,2,3,4,6,7,8-heptachloordibenzofuraan

    0,01

    1,2,3,4,7,8,9-heptachloordibenzofuraan

    0,01

    Octachloordibenzofuraan

    0,001

Artikel 4.70 (water: bemonsterplicht)
  • 1. Het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen wordt op de volgende manier bemonsterd:

    • a. continu, om de zuurgraad, de temperatuur en het debiet te meten;

    • b. door dagelijkse steekproeven of metingen van een met het debiet evenredige representatieve steekproef over een periode van 24 uur, om de totale hoeveelheid onopgeloste stoffen te meten;

    • c. door maandelijkse metingen van een met het debiet evenredige representatieve steekproef over een periode van 24 uur, om kwik, cadmium, thallium, arseen, lood, chroom, koper, nikkel en zink te meten; en

    • d. door driemaandelijkse metingen tijdens de eerste twaalf maanden dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in bedrijf is, en daarna door zesmaandelijkse metingen, om dioxinen en furanen te meten.

  • 2. Een monster wordt genomen op het punt waar het afvalwater wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

  • 3. Als het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen samen met ander afvalwater wordt gezuiverd, wordt bepaald welk aandeel van de stoffen, de zuurgraad en de warmte in het uiteindelijk geloosde afvalwater afkomstig is van het afvalwater afkomstig van het reinigen van afgassen, door ook te bemonsteren op de verschillende afvalwaterstromen voordat ze uitmonden op de afvalwaterzuiveringsinstallatie.

Artikel 4.71 (lucht en water: kwaliteitsborging)

Op de bekwaamheid van een laboratorium is NEN-EN-ISO/IEC 17025 van toepassing.

Artikel 4.72 (lucht: ontwerp verbrandingsinstallatie)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu worden afgassen op een gecontroleerde wijze door de schoorsteen afgevoerd waarvan de hoogte op berekeningen is gebaseerd.

Artikel 4.73 (lucht: emissies afvalverbrandingsinstallatie en afvalmeeverbrandingsinstallatie)
  • 1. Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden, afhankelijk van de periodegemiddelden in een periodieke meting of continue meting, de waarden, bedoeld in tabel 4.73, voor een:

    • a. afvalverbrandingsinstallatie; of

    • b. afvalmeeverbrandingsinstallatie als daarin:

      • 1°. meer dan 40% van de vrijkomende warmte afkomstig is van gevaarlijk afval; of

      • 2°. onbehandelde of ongesorteerde huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen worden verbrand.

  • 2. Als een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie een totaal thermisch ingangsvermogen heeft van minder dan 20 MW, is de emissiegrenswaarde in een maandgemiddelde voor stikstofoxiden niet van toepassing.

  • 3. Voor het berekenen van de emissies van de stoffen, bedoeld in tabel 4.73, wordt de massaconcentratie omgerekend naar een zuurstofgehalte van 11% in afgas, met uitzondering van de emissies van de verbranding van afgewerkte olie.

  • 4. Voor het berekenen van de emissies van de verbranding van afgewerkte olie wordt de massaconcentratie omgerekend naar een zuurstofgehalte van 3% in afgas.

    Tabel 4.73 Emissiegrenswaarden afvalverbrandingsinstallatie en afvalmeeverbrandingsinstallatie

    Stof

    Halfuur- en daggemiddelde in mg/Nm3

    Maand-gemiddelde in mg/Nm3

    Daggemiddelde in mg/Nm3

    Tienminutengemiddelde in mg/Nm3

    Emissiegrenswaarde in bemonsteringsperiode in mg/Nm3 of ng/Nm3

    Totaal stof

    5

           

    Gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof

    10

           

    Zoutzuur

    8

           

    Waterstoffluoride

    1

           

    Zwaveldioxide

    40

           

    Stikstofoxiden

    180

    70

         

    Koolmonoxide

       

    30

    150

     

    Kwik

           

    0,05 mg/Nm3

    Som van cadmium en thallium

           

    0,05 mg/Nm3

    Som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium

           

    0,5 mg/Nm3

    Som van dioxinen en furanen, gedefinieerd als de som van de afzonderlijke dioxinen en furanen, gewogen volgens de equivalentie-factoren

           

    0,1 ng/Nm3

Artikel 4.74 (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee een emissiegrenswaarde voor koolmonoxide als bedoeld in artikel 4.73, eerste lid, wordt verhoogd, bevat een emissiegrenswaarde voor koolmonoxide van niet meer dan:

  • a. 50 mg/Nm3 in een daggemiddelde, naast het tienminutengemiddelde; of

  • b. 100 mg/Nm3 in een uurgemiddelde als de wervelbedtechnologie wordt gebruikt.

Artikel 4.75 (lucht: emissies andere afvalmeeverbrandingsinstallatie)
  • 1. Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden bij een andere afvalmeeverbrandingsinstallatie dan die bedoeld in artikel 4.73, de waarden, bedoeld in tabel 4.75, gemeten in een continue of periodieke meting.

  • 2. Bij een afvalmeeverbrandingsinstallatie als bedoeld in het eerste lid waarin vaste afvalstoffen worden verstookt, geldt voor kwik niet de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.75, maar gelden de volgende jaarlijkse gemiddelde inputeisen:

    • a. bij het meeverbranden van 10 massaprocent of minder afvalstoffen van de gemiddelde jaarlijkse inzet van vaste brandstoffen of rie-biomassa: 0,4 mg kwik per kilogram afvalstof berekend als droge stof; en

    • b. bij het meeverbranden van meer dan 10 massaprocent afvalstoffen van de gemiddelde jaarlijkse inzet van vaste brandstoffen of rie-biomassa: (3,5/massaprocent + 0,05) mg kwik per kilogram afvalstof berekend als droge stof.

  • 3. Voor het berekenen van de emissies van de stoffen, bedoeld in tabel 4.75, wordt de massaconcentratie omgerekend tot een zuurstofgehalte van 6% in afgas, met uitzondering van de emissies in de lucht veroorzaakt door het stoken van vloeibare of gasvormige brandstoffen.

  • 4. Voor het berekenen van de emissies in de lucht veroorzaakt door het stoken van vloeibare of gasvormige brandstoffen wordt de massaconcentratie omgerekend tot een zuurstofgehalte van 3% in afgas.

    Tabel 4.75 Emissiegrenswaarden andere afvalmeeverbrandingsinstallatie

    Stof

    Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 of ng/Nm3

    Kwik

    0,02 mg/Nm3

    Som van cadmium en thallium

    0,015 mg/Nm3

    Som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium

    0,15 mg/Nm3

    Som van dioxinen en furanen, gedefinieerd als de som van de afzonderlijke dioxinen en furanen, gewogen volgens de equivalentiefactoren

    0,1 ng/Nm3

Artikel 4.76 (lucht: rekenmethode emissies andere afvalmeeverbrandingsinstallatie)
  • 1. De emissiegrenswaarden voor totaal stof, gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof, zwaveldioxide, stikstofoxiden, koolmonoxide, zoutzuur, waarbij de Cproces-waarde 30 mg/m3 is, en waterstoffluoride, waarbij de Cproces-waarde 10 mg/m3 is, bij een afvalmeeverbrandingsinstallatie worden berekend volgens de formule:

    waarbij wordt verstaan onder:

    Vafval: volume van het afgas als gevolg van de verbranding van alleen afvalstoffen, bepaald op basis van de afvalstof of categorie van afvalstoffen die is gespecificeerd in de omgevingsvergunning met de laagste gemiddelde netto calorische waarde en omgerekend naar de emissieconcentratie bij een genormaliseerd zuurstofgehalte volgens de formule, bedoeld in artikel 4.75. Als de warmte die vrijkomt bij de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen minder dan 10% is van de totale warmte die in de afvalmeeverbrandingsinstallatie vrijkomt, wordt Vafval berekend op basis van een hoeveelheid afvalstoffen die bij verbranding, bij de totale hoeveelheid vrijkomende warmte, 10% van de vrijkomende warmte zou opleveren.

    Cafval: emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.75, voor een stof in milligram per kubieke meter. Als in de tabel voor een stof meerdere emissiegrenswaarden zijn opgenomen, heeft Cafval betrekking op de daggemiddelde waarde. De Cafval-waarde wordt omgerekend naar het zuurstofgehalte van de afvalmeeverbrandingsinstallatie.

    Vproces: volume van het afgas als gevolg van het proces dat gebeurt in de afvalverbrandingsinstallatie van de verbranding van brandstoffen die niet zijn aan te merken als afvalstoffen, bepaald bij een zuurstofgehalte als bedoeld in artikel 4.75. Als geen regels gelden voor het volume van het afgas van de afvalmeeverbrandingsinstallatie, wordt het werkelijke zuurstofgehalte in het afgas gebruikt, zonder verdunning door toevoeging van lucht die voor het verbrandingsproces niet nodig is.

    Cproces: emissiegrenswaarde die voor deze stof zou gelden op grond van paragraaf 4.3 of paragraaf 3.2.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer als in deze stookinstallaties andere brandstoffen dan afvalstoffen zouden worden gestookt.

    C: totale emissiegrenswaarde, bepaald bij een zuurstofgehalte dat is vastgesteld volgens artikel 4.75.

  • 2. Onder gemiddelde netto calorische waarde wordt verstaan: de hoeveelheid energie die op de onderste verbrandingswaarde is betrokken die bij de verbranding van een bepaalde hoeveelheid brandstof vrijkomt.

Artikel 4.77 (lucht: emissies cementovens)
  • 1. Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden bij een cementoven, die een afvalmeeverbrandingsinstallatie is, de waarden, bedoeld in tabel 4.77, gemeten in een continue of periodieke meting.

  • 2. Voor het berekenen van de emissies van de stoffen opgenomen in tabel 4.77 wordt de massaconcentratie omgerekend tot een zuurstofgehalte van 10% in afgas.

    Tabel 4.77 Emissiegrenswaarden cementovens

    Stof

    Emissiegrenswaarde in mg/Nm3 of ng/Nm3

    Totaal stof

    15 mg/Nm3

    Gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof

    10 mg/Nm3

    Zoutzuur

    10 mg/Nm3

    Waterstoffluoride

    1 mg/Nm3

    Zwaveldioxide

    50 mg/Nm3

    Stikstofoxiden

    500 mg/Nm3

    Kwik

    0,05 mg/Nm3

    Som van cadmium en thallium

    0,05 mg/Nm3

    Som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium

    0,5 mg/Nm3

    Som van de afzonderlijke dioxinen en furanen, gewogen volgens de equivalentiefactoren

    0,1 ng/Nm3

Artikel 4.78 (lucht: meetmethoden)
  • 1. Op het uitvoeren van emissiemetingen van de stoffen, bedoeld in tabellen 4.73, 4.75 en 4.77 is NEN-EN 15259 van toepassing.

  • 2. Op het uitvoeren van een periodieke en parallelmeting is van toepassing:

    • a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-1;

    • b. voor zoutzuur: NEN-EN 1911;

    • c. voor zwaveldioxide: NEN-EN 14791;

    • d. voor stikstofoxiden: NEN-EN 14792;

    • e. voor koolmonoxide: NEN-EN 15058;

    • f. voor waterstoffluoride: NEN-ISO 15713;

    • g. voor kwik: NEN-EN 13211;

    • h. voor totaal organische koolstof: NEN-EN 12619;

    • i. voor de som van cadmium en thallium: NEN-EN 14385;

    • j. voor de som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium: NEN-EN 14385;

    • k. voor de som van dioxinen en furanen: NEN-EN 1948-1, 1948-2 en 1948-3;

    • l. voor zuurstof: NEN-EN 14789;

    • m. voor waterdamp: NEN-EN 14790; en

    • n. voor debiet: NEN-EN-ISO 16911-1.

  • 3. Op het uitvoeren van een continue meting is van toepassing:

    • a. voor totaal stof: NEN-EN 13284-2;

    • b. voor de kwaliteitsborging: NEN-EN 14181.

Artikel 4.79 (lucht: meetplicht continu meten)
  • 1. Van de volgende stoffen worden de emissies in de lucht continu gemeten:

    • a. zwaveldioxide, totaal organische koolstof, zoutzuur, koolmonoxide, totaal stof en stikstofoxiden; en

    • b. waterstoffluoride, tenzij voor zoutzuur behandelingsstappen worden gevolgd waardoor de emissiegrenswaarde voor zoutzuur niet wordt overschreden.

  • 2. Als voor zoutzuur behandelingsstappen worden gevolgd waardoor de emissiegrenswaarde voor zoutzuur niet wordt overschreden, wordt waterstoffluoride:

    • a. periodiek ten minste tweemaal per jaar gemeten; of

    • b. in het eerste jaar dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking is, periodiek ten minste om de drie maanden gemeten.

Artikel 4.80 (lucht: continue meting)
  • 1. Een continue meting als bedoeld in artikel 4.79 omvat ook de meting van:

    • a. het zuurstofgehalte;

    • b. de temperatuur van de verbrandingskamer;

    • c. de druk;

    • d. het waterdampgehalte van het afgas, tenzij het afgas dat als monster wordt gebruikt, wordt gedroogd voordat de emissies in de lucht worden geanalyseerd; en

    • e. de temperatuur van het afgas.

  • 2. De temperatuur van de verbrandingskamer wordt dicht bij de binnenwand gemeten of op een ander punt, dat is aangetoond als representatief. De overige parameters worden gemeten dicht bij de plaats waar de emissiemetingen worden verricht.

Artikel 4.81 (lucht: meetplicht periodiek meten)
  • 1. Van de volgende stoffen worden de emissies in de lucht periodiek ten minste om de zes maanden gemeten:

    • a. antimoon;

    • b. arseen;

    • c. cadmium;

    • d. chroom;

    • e. dioxinen en furanen;

    • f. kobalt;

    • g. koper;

    • h. kwik;

    • i. lood;

    • j. mangaan;

    • k. nikkel;

    • l. thallium; en

    • m. vanadium.

  • 2. In het eerste jaar dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking is, wordt, in afwijking van artikel 4.80, de emissie van de stoffen, bedoeld in het eerste lid, periodiek ten minste om de drie maanden gemeten.

  • 3. De emissie van stikstofoxide van een afvalverbrandingsinstallatie wordt, in afwijking van artikel 4.80, periodiek ten minste om de zes maanden gemeten of in het eerste jaar dat een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking is periodiek ten minste om de drie maanden gemeten, als:

    • a. de afvalverbrandingsinstallatie een totale verbrandingscapaciteit heeft van minder dan zes ton afval per uur, waarbij:

      • 1°. deze totale verbrandingscapaciteit bestaat uit de gezamenlijke verbrandingscapaciteit van de ovens waaruit een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie bestaat, met inachtneming van de verbrandingswaarde van het afval; en

      • 2°. de door de fabrikant berekende verbrandingscapaciteit wordt bevestigd;

    • b. een vergunning is verleend of een ontvankelijke aanvraag om een vergunning is ingediend voor 28 december 2002 en de afvalverbrandingsinstallatie uiterlijk op 28 december 2004 in gebruik is genomen; en

    • c. wordt aangetoond dat emissies van stikstofoxiden niet meer zijn dan de emissiegrenswaarden, bedoeld in tabel 4.75, aan de hand van informatie over de kwaliteit van het afval, de gebruikte technologieën en de resultaten van de monitoring van de emissies.

  • 4. Als wordt aangetoond dat die emissie in geen geval hoger is dan de toepasselijke emissiegrenswaarde wordt het gehalte zoutzuur, waterstoffluoride of zwaveldioxide:

    • a. periodiek gemeten ten minste om de zes maanden; of

    • b. niet gemeten.

  • 5. Het gehalte antimoon, arseen, cadmium, chroom, kobalt, koper, kwik, lood, mangaan, nikkel, thallium en vanadium wordt periodiek eenmaal in de twee jaar gemeten en het gehalte dioxinen en furanen wordt jaarlijks gemeten als wordt aangetoond dat:

    • a. de emissies in de lucht onder alle omstandigheden minder dan 50% zijn van de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn; of

    • b. het afval dat wordt verbrand of mee wordt verbrand alleen bestaat uit bepaalde gesorteerde brandbare fracties ongevaarlijk afval dat niet recyclebaar is, en daarbij aan de hand van informatie over de kwaliteit van dit afval en over monitoring van de emissies wordt aangetoond dat de emissies in de lucht van de stoffen, bedoeld in het eerste lid, onder alle omstandigheden aanmerkelijk lager liggen dan de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn.

Artikel 4.82 (lucht: moment vaststellen tijd, temperatuur en zuurstofgehalte)

De verblijftijd, de minimumtemperatuur en het zuurstofgehalte van de afgassen wordt vastgesteld:

  • a. op het moment dat de afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking wordt gesteld; en

  • b. op het moment dat de afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie onder de meest ongunstige bedrijfsomstandigheden in werking is gesteld.

Artikel 4.83 (lucht: bepalen zuurstofgehalte voor omrekenen resultaten meting)
  • 1. De resultaten van de metingen, bedoeld in artikel 4.79 en 4.81, worden omgerekend tot een massaconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte, volgens de formule:

    waarbij wordt verstaan onder:

    Es: de berekende emissieconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte;

    Em: de gemeten emissieconcentratie;

    Os: het genormaliseerde zuurstofgehalte; en

    Om: het gemeten zuurstofgehalte.

  • 2. Als afvalstoffen in een atmosfeer worden verbrand of meeverbrand die met zuurstof is verrijkt, kunnen de meetresultaten worden omgerekend tot een zuurstofgehalte als wordt aangetoond dat dit de bijzondere omstandigheden van het geval weergeeft.

  • 3. Als de emissies in de lucht van stoffen waarvoor emissiegrenswaarden zijn gesteld, worden verminderd door behandeling van het afgas in een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin gevaarlijke afvalstoffen worden behandeld, wordt alleen omgerekend naar de zuurstofgehaltes als het gemeten zuurstofgehalte hoger is dan het relevante genormaliseerde zuurstofgehalte.

Artikel 4.84 (lucht: periodieke meting)
  • 1. Een periodieke meting van zoutzuur, waterstoffluoride, zwaveldioxide of stikstofoxiden bestaat uit een serie van ten minste drie deelmetingen.

  • 2. Een deelmeting duurt een half uur. Als het meettechnisch niet mogelijk is de deelmeting in die tijd te verrichten, kan de deelmeting ten hoogste twee uur duren.

  • 3. Periodieke metingen van kwik, de som van cadmium en thallium en de som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, lood, mangaan, nikkel en vanadium bestaan uit een deelmeting over een bemonsteringsperiode van ten minste een half uur en ten hoogste acht uur hoger.

  • 4. Een periodieke meting van dioxinen en furanen bestaat uit een deelmeting over een bemonsteringsperiode van ten minste zes uur en ten hoogste acht uur.

  • 5. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO 17025 voor de norm die volgens artikel 4.78 van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.85 (informeren: periodieke meting)
  • 1. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste twee weken voor een periodieke meting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

  • 2. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten hoogste op de datum dat een periodieke meting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.86 (lucht: parallelmeting)
  • 1. Geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste jaarlijks met parallelmetingen gecontroleerd.

  • 2. Een parallelmeting die wordt verricht om de meetapparatuur voor continue metingen te verifiëren duurt ten minste een half uur.

  • 3. De meting wordt verricht door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO 17025 voor de norm die volgens het eerste lid van toepassing is op de stof die wordt gemeten.

Artikel 4.87 (informeren: parallelmeting)
  • 1. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt geïnformeerd over de resultaten van de controle, bedoeld in artikel 4.86, eerste lid.

  • 2. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten minste twee weken voor een parallelmeting wordt verricht, geïnformeerd over de datum en het tijdstip van die meting.

  • 3. Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt ten hoogste op de datum dat een parallelmeting zou worden verricht, geïnformeerd over het niet doorgaan daarvan.

Artikel 4.88 (lucht: meetonzekerheid)
  • 1. Het resultaat van de continue meting en periodieke meting zijn de gevalideerde meetresultaten. Dat zijn de meetresultaten van de uurgemiddelden of de deelmetingen verminderd met de aangetoonde meetonzekerheid, die niet meer is dan het percentage van de emissiegrenswaarde of niet meer is dan het aantal milligram per kubieke meter, bedoeld in tabel 4.88.

  • 2. De gevalideerde halfuurgemiddelden en daggemiddelden worden bij continue metingen en periodieke metingen vastgesteld op grond van de valide gemeten halfuurgemiddelden, verminderd met de waarde van het 95%-betrouwbaarheidsinterval.

  • 3. De meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele metingen.

    Tabel 4.88 Meetonzekerheid

    Stof

    Percentage meetonzekerheid

    Meetonzekerheid in mg/Nm3

    Koolmonoxide

    10

    5

    Zwaveldioxide

    20

    10

    Stikstofoxide

    20

    14

    Totaal stof

    30

    1,5

    Totaal organische koolstof

    30

    3

    Zoutzuur

    40

    4

    Waterstoffluoride

    40

    0,4

Artikel 4.89 (lucht: bepalen concentratie dioxinen en furanen)

Bij het bepalen van de totale concentratie van dioxinen en furanen worden de massaconcentraties van de dioxinen en dibenzofuranen, bedoeld in tabel 4.89, vermenigvuldigd met de toxische equivalentiefactoren, bedoeld in die tabel, voordat ze worden opgeteld.

Tabel 4.89 Toxische equivalentiefactoren

Stof

Afkorting

Toxische equivalentie factor

2,3,7,8 -tetrachloordibenzodioxine

tcdd

1

1,2,3,7,8-pentachloordibenzodioxine

pecdd

0,5

1,2,3,4,7,8-hexachloordibenzodioxine

hxcdd

0,1

1,2,3,6,7,8-hexachloordibenzodioxine

hxcdd

0,1

1,2,3,7,8,9-hexachloordibenzodioxine

hxcdd

0,1

1,2,3,4,6,7,8-heptachloordibenzodioxine

hxcdd

0,01

Octachloordibenzodioxine

ocdd

0,001

2,3,7,8-tetrachloordibenzofuraan

tcdf

0,1

2,3,4,7,8-pentachloordibenzofuraan

pecdf

0,5

1,2,3,7,8- pentachloordibenzofuraan

pecdf

0,05

1,2,3,4,7,8-hexachloordibenzofuraan

hxcdf

0,1

1,2,3,6,7,8-hexachloordibenzofuraan

hxcdf

0,1

1,2,3,7,8,9-hexachloordibenzofuraan

hxcdf

0,1

2,3,4,6,7,8-hexachloordibenzofuraan

hxcdf

0,1

1,2,3,4,6,7,8-heptachloordibenzofuraan

hpcdf

0,01

1,2,3,4,7,8,9-heptachloordibenzofuraan

hpcdf

0,01

Octachloordibenzofuraan

ocdf

0,001