Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerStaatsblad 2007, 469AMvB

Besluit van 22 november 2007, houdende regels inzake de kwaliteit van de bodem

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 juli 2007, nr. DJZ2007057947, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op richtlijn nr. 89/106/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de voor de bouw bestemde produkten (PbEG L 40), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 93/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993 (PbEG L 220);

Gelet op richtlijn nr. 06/12/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen (PbEG, L 114), ter vervanging van richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PbEG L 194), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij verordening nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschap van 29 september 2003 (PbEU L 284);

Gelet op de artikelen 1.1, zevende lid, 8.1, tweede lid, 8.5, 8.40, 8.45, 8.49, vijfde lid,10.2, tweede lid, 10.15, eerste lid, 10.17, eerste lid, 10.52, 11.1, 11.2 en 11.3 van de Wet milieubeheer, de artikelen 6, 7, 8, 12a, 12b, 15, 16a, 17, 36, 38, 39b, 70, 71, 72, 76o en 91 van de Wet bodembescherming, de artikelen 1 derde lid, 2a, eerste en tweede lid, 2b en 2c van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, artikel 12, tweede lid van de Wet belastingen op milieugrondslag en artikel 40a van de Woningwet;

De Raad van State gehoord (advies van 10 september 2007, nr. W08.07.0189/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 19 november 2007, nr. DJZ2007113029, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Achtergrondwaarden: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde gehalten aan chemische stoffen voor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen;

Accreditatie: bewijs waarmee de Raad voor Accreditatie kenbaar maakt dat gedurende een bepaalde periode een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de hierin genoemde persoon of instelling competent is voor het uitvoeren van de desbetreffende werkzaamheid;

Baggerspecie: materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter;

Bodembeheergebied: aaneengesloten, door het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 44, 45 of 46, afgebakend deel van de oppervlakte van een of meer gemeenten of het beheergebied van een of meer waterkwaliteitsbeheerders;

Bodemfuncties: gebruik van de bodem, niet zijnde de bodem onder oppervlaktewater, zoals dat is vastgesteld door de gemeenteraad, overeenkomstig een bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling;

Bodemfunctieklassen: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling van bodemfuncties in de categorieën, bedoeld in artikel 55, eerste lid;

Bouwstof: materiaal waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium tezamen meer dan 10 gewichtsprocent van dat materiaal bedragen, uitgezonderd vlakglas, metallisch aluminium, grond of baggerspecie, dat is bestemd om te worden toegepast;

Certificaat: verklaring waarmee een door Onze Minister en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat erkende certificeringsinstelling kenbaar maakt dat gedurende een bepaalde periode een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de hierin genoemde persoon voldoet aan het voor de certificering geldende normdocument;

Erkende kwaliteitsverklaring: schriftelijke verklaring die is afgegeven door een instelling die daartoe beschikt over een erkenning, waarin wordt verklaard dat de bijbehorende partij die afkomstig is van een persoon of instelling die is erkend voor het produceren op basis van een nationale Beoordelingsrichtlijn, voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit, mits toegepast op de in de verklaring aangegeven wijze;

Erkenning: beschikking van Onze Ministers waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens dit besluit geldende voorwaarden;

Fabrikant-eigenverklaring: schriftelijke verklaring, afgegeven door de producent van een bouwstof, grond of baggerspecie, waarin deze verklaart dat de bijbehorende partij voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit. Uit de verklaring blijkt op welke wijze is vastgesteld dat de partij voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen;

Grond: vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie;

IBC-bouwstof: bouwstof die vanwege de mate van emissie alleen met isolatie-, beheers-, en controlemaatregelen mag worden toegepast;

Instelling: certificeringsinstelling, inspectie-instelling, laboratorium of andere instelling met rechtspersoonlijkheid, die beoordeelt of een persoon, een stof, een product, een installatie, een voorziening of een ander object overeenstemt met een normdocument;

Interventiewaarden: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde generieke waarden die aangeven dat bij overschrijding sprake is van potentiële ernstige vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, als bedoeld in artikel 36 van de Wet bodembescherming;

Isolatie, beheers- en controlemaatregelen: maatregelen waardoor bij toepassing van een bouwstof nagenoeg geen contact optreedt van die bouwstof met hemelwater en grondwater;

Kwaliteitsklasse: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling in categorieën van de kwaliteit van de bodem, grond of baggerspecie;

Landbouwbedrijf: bedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Meststoffenwet;

Milieuhygiënische verklaring:

a. voor bouwstoffen, grond of baggerspecie: partijkeuring, fabrikant-eigenverklaring of erkende kwaliteitsverklaring, en

b. voor grond, baggerspecie of de bodem, waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast: verklaring omtrent de milieuhygiënische kwaliteit van een specifieke partij of de bodem, die is afgegeven op basis van een kaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of 57, tweede lid of een bij regeling van Onze Ministers aangewezen normdocument of onderzoeksprotocollen;

Normdocument: een voor een werkzaamheid op grond van artikel 25 aangewezen beoordelingsrichtlijn, protocol of andere richtlijn, code, aanbeveling of norm die of dat eisen bevat ter bevordering van de kwaliteit van werkzaamheden of de uitvoering daarvan;

Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Onze Ministers: Onze Minister, Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, met dien verstande dat het bepaalde in artikel 14 van toepassing is;

Parameter: chemische stof of een fysische eigenschap;

Partij: identificeerbare hoeveelheid bouwstof, grond of baggerspecie van vergelijkbare milieuhygiënische kwaliteit, die is bedoeld om als geheel te worden verhandeld of toegepast;

Partijkeuring: schriftelijke verklaring op basis van een eenmalig onderzoek, dat wordt uitgevoerd door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning, en waarin wordt vermeld of een partij onder het regime van het besluit kan worden toegepast en hoe dit is vastgesteld;

Persoon: natuurlijk persoon of rechtspersoon;

Raad voor Accreditatie: de Stichting Raad voor Accreditatie te Utrecht;

Toepassen van bouwstoffen: in een werk aanbrengen of houden van bouwstoffen, alsmede het laten verrichten daarvan. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels wordt onder «het toepassen van bouwstoffen in oppervlaktewater» mede verstaan het toepassen van bouwstoffen op of in de bodem onder oppervlaktewater;

Toepassen van grond of baggerspecie: het aanbrengen, verspreiden of tijdelijk opslaan van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, het houden van de aangebrachte of tijdelijk opgeslagen grond of baggerspecie in die toepassing, alsmede het laten verrichten daarvan. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels wordt onder het toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater mede verstaan het toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem onder oppervlaktewater;

Vestigingsplaats: adres en woonplaats van een persoon of adres en woonplaats waar een instelling zetelt;

Vormgegeven bouwstof: bouwstof met een volume per kleinste eenheid van ten minste 50 cm3, die onder normale omstandigheden een duurzame vormvastheid heeft;

Waterkwaliteitsbeheerder: bestuursorgaan dat bevoegd is tot vergunningverlening ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;

Werk: bouwwerk, weg- of waterbouwkundig werk of anderszins functionele toepassing van een bouwstof, uitgezonderd het verondiepen of het dempen van oppervlaktewater en het ophogen van de bodem ten behoeve van woonwijken en industrieterreinen.

Werkzaamheid: een bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen handeling als bedoeld in artikel 11.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, die wordt uitgevoerd met betrekking tot bodem, grond, baggerspecie of bouwstoffen.

Artikel 2

  • 1. Voor de toepassing van de artikelen 5, eerste en tweede lid, 6, 7, 8, van hoofdstuk 3 en de daarop berustende bepalingen zijn, behoudens het tweede lid, burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de bouwstoffen worden toegepast het bevoegd gezag ten opzichte van degene die een bouwstof toepast op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater.

  • 2. Indien bouwstoffen worden toegepast op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, binnen een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, en op grond van artikel 8.2 van die wet een ander orgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd is of indien de vergunningplicht niet was opgeheven, bevoegd zou zijn een vergunning voor de inrichting te verlenen, is ook in het kader van dit besluit dat andere orgaan het bevoegd gezag, tenzij er sprake is van een toepassing als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Woningwet.

  • 3. De waterkwaliteitsbeheerder is het bevoegd gezag ten opzichte van degene die een bouwstof toepast in oppervlaktewater.

  • 4. Onze Minister is het bevoegd gezag ten opzichte van degene die de handelingen, genoemd in artikel 28, eerste lid, aanhef, verricht, met uitzondering van het toepassen van bouwstoffen.

Artikel 3

  • 1. Voor de toepassing van de artikelen 5, eerste en tweede lid, 6, 7, 8, van hoofdstuk 4 en de daarop berustende bepalingen zijn, behoudens het tweede lid, burgemeester en wethouders van de gemeente waarin grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, wordt toegepast, het bevoegd gezag.

  • 2. Indien grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, wordt toegepast binnen een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen, die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, en op grond van artikel 8.2 van die wet een ander orgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd gezag is of zou zijn, is dat andere orgaan het bevoegd gezag.

  • 3. De waterkwaliteitsbeheerder is het bevoegd gezag voor degene die grond of baggerspecie toepast in oppervlaktewater.

Artikel 4

  • 1. Onze Minister treft de noodzakelijke voorzieningen voor een doelmatig toezicht op de naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde verplichtingen, na afstemming met de bestuursorganen, bedoeld in het tweede tot en met derde lid, voorzover het daar andere bestuursorganen dan Onze Minister betreft. De voorzieningen hebben betrekking op de strategische, programmatische en onderling afgestemde uitoefening van de handhavingsbevoegdheden.

  • 2. Ingeval van toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, binnen een of meer bodembeheergebieden, waarvoor meerdere bestuursorganen bevoegd gezag zijn, wordt door de desbetreffende bestuursorganen één bevoegd gezag aangewezen dat namens de betrokken bestuursorganen zorgdraagt voor een gecoördineerd toezicht op de naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde verplichtingen.

  • 3. Burgemeester en wethouders hebben tot taak zorg te dragen voor de handhaving van de bij of krachtens dit besluit gestelde verplichtingen, voorzover zij betrekking hebben op:

    a. het toepassen van bouwstoffen op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater;

    b. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, als bedoeld in artikel 35;

    c. het verstrekken van een milieuhygiënische verklaring als bedoeld in artikel 28, derde lid;

    d. het melden van een toepassing als bedoeld in de artikelen 32 en 42.

  • 4. Onze Minister heeft tot taak zorg te dragen voor de handhaving van de bij of krachtens dit besluit gestelde verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op:

    a. het in opdracht aanbrengen van bouwstoffenop of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater;

    b. het in opdracht verrichten van de handelingen, genoemd in artikel 35, op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater.

  • 5. Aan de artikelen 28, derde lid, 32, eerste en tweede lid, 42, eerste, negende en elfde lid, en 58, eerste lid, wordt geacht te zijn voldaan, indien door één van de daartoe verplichte personen aan de desbetreffende verplichting is voldaan.

Artikel 5

  • 1. Dit besluit is van toepassing op het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie, voor zover:

    a. geen grotere hoeveelheid van die bouwstoffen, grond of baggerspecie wordt toegepast dan volgens gangbare maatstaven nodig is voor het functioneren van de toepassing,

    b. de toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats waar deze plaatsvindt, of onder de omstandigheden waarin deze plaatsvindt; en

    c. ingeval van het toepassen van afvalstoffen sprake is van nuttige toepassing in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

  • 2. De verboden, bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, gelden niet voor toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie in oppervlaktewater die voldoen aan het bepaalde in het eerste lid.

  • 3. Een toepassing in de zin van hoofdstuk 3 en 4 van dit besluit waarbij wordt afgeweken van de bepalingen in dit besluit is vergunningplichtig als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.

    In afwijking van de artikelen twee en drie zijn Onze Minister respectievelijk de Minister van Verkeer en Waterstaat het bevoegd gezag.

Artikel 6

Het stellen van regels als bedoeld in de artikelen 28, eerste lid, onder b, 30, eerste en tweede lid, en 31, tweede lid, en het toetsen aan de maximale waarden, bedoeld in de artikelen 44, eerste lid, 45, eerste lid, 46, 55, tweede lid, 57, eerste lid, 60, eerste lid en 63, eerste lid, onderdeel a, onder i, geschiedt met inachtneming van de voorwaarde dat toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen.

Artikel 7

Degene die bouwstoffen, grond of baggerspecie toepast en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die zoveel mogelijk voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

Artikel 8

  • 1. Degene die ingevolge de bij of krachtens dit besluit gestelde regels onderzoek dient te verrichten op of in een gedeelte van de bodem ten aanzien waarvan hem de nodige bevoegdheid ontbreekt, kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen als bedoeld in artikel 71 van de Wet bodembescherming.

  • 2. De aanvrager, bedoeld in het eerste lid, verstrekt bij het verzoek de volgende gegevens:

    a. zijn naam en adres;

    b. de naam en het adres van de rechthebbenden;

    c. de plaats waar het onderzoek zal plaatsvinden;

    d. de aard, de omvang en het tijdstip van het voorgenomen onderzoek, en

    e. de handelingen die de rechthebbenden in het belang van het onderzoek moeten nalaten.

HOOFDSTUK 2. KWALITEIT VAN DE UITVOERING VAN EEN WERKZAAMHEID

AFDELING 1. ERKENNING VAN PERSONEN EN INSTELLINGEN

Artikel 9

  • 1. Onze Ministers kunnen op aanvraag voor een werkzaamheid een erkenning verlenen aan een persoon of een instelling.

  • 2. De beschikking vermeldt ten minste de naam van de persoon of instelling, de werkzaamheid, de vestigingsplaats en, indien van toepassing, de naam van de natuurlijk persoon die werkzaam is voor de erkende persoon of instelling en die een van de bij regeling van Onze Ministers aangewezen handelingen uitvoert.

  • 3. Een erkenning wordt voor onbepaalde tijd verleend.

  • 4. Onze Ministers stellen lijsten met erkende personen en instellingen beschikbaar via een door hen aangewezen website. Het besluit tot aanwijzing van de website wordt in de Staatscourant geplaatst.

  • 5. Een erkenning is niet overdraagbaar.

Artikel 10

  • 1. Een aanvraag voor een erkenning wordt door middel van een door Onze Ministers vastgesteld formulier, ingediend bij Onze Ministers.

  • 2. Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:

    a. de naam en het adres van de aanvrager;

    b. de werkzaamheid waarop de aanvraag betrekking heeft;

    c. het certificaat of de accreditatie voor de werkzaamheid;

    d. de vestigingsplaats van de persoon of instelling;

    e. indien van toepassing, de naam en een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is dan zes maanden, van de natuurlijk persoon als bedoeld in artikel 9, tweede lid.

  • 3. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde gegevens.

Artikel 11

  • 1. Onze Ministers beslissen binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Onze Ministers kunnen deze termijn eenmaal verlengen met ten hoogste acht weken.

  • 2. Indien de beschikking niet binnen de in het eerste lid gestelde termijn is bekendgemaakt, wordt de beschikking geacht te zijn geweigerd.

  • 3. Onze Ministers verlenen de erkenning geheel of gedeeltelijk, indien de desbetreffende persoon of instelling:

    a. niet in staat van faillissement of surseance van betaling verkeert; en

    b. heeft voldaan aan artikel 10, tweede lid.

  • 4. Bij regeling van Onze Ministers wordt aangegeven of een erkenning voor een werkzaamheid wordt gebaseerd op een certificaat of een accreditatie.

  • 5. Een erkenning kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, indien de desbetreffende persoon of instelling of een bestuurder van deze persoon of instelling, in de drie jaren voorafgaande aan de aanvraag een wettelijk voorschrift heeft overtreden dat is gesteld bij of krachtens dit besluit, bij of krachtens één van de in artikel 21 of 22 genoemde wetten of artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de overtreding verband houdt met een werkzaamheid.

Artikel 12

  • 1. Op verzoek van de erkende persoon of instelling kan de erkenning worden gewijzigd. Artikel 9, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Het verzoek wordt, door middel van een door Onze Ministers vastgesteld formulier, ingediend bij Onze Ministers. Artikel 10, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Onze Ministers beslissen binnen vier weken na de datum van ontvangst van het verzoek. Onze Ministers kunnen deze termijn verlengen met ten hoogste vier weken. Artikel 11, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13

  • 1. In afwijking van artikel 10, tweede lid, onderdeel e, verstrekt een aanvrager, wiens land van oorsprong of herkomst een andere lidstaat van de Europese Unie is dan Nederland, dan wel een andere staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte een gelijkwaardige verklaring omtrent het gedrag, die niet ouder is dan zes maanden.

  • 2. Met een certificaat of een accreditatie wordt gelijkgesteld een certificaat of een accreditatie afgegeven door een daartoe bevoegd verklaarde certificeringsinstelling, onderscheidenlijk accreditatie-instelling, in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, welk certificaat of accreditatie is afgegeven op basis van onderzoekingen of documenten die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen of normdocumenten wordt gewaarborgd.

  • 3. Met een erkenning wordt gelijkgesteld een erkenning of vergelijkbare beschikking afgegeven door een bevoegde autoriteit in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland dan wel in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, op basis van voorwaarden die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de voorwaarden van artikel 10, tweede lid, wordt gewaarborgd. Artikel 9, vierde lid en artikel 24 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14

Voor toepassing van de artikelen in Hoofdstuk 2 wordt onder «Onze Ministers» verstaan: Onze Minister en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

AFDELING 2. VERBODEN EN VERPLICHTINGEN

Artikel 15

  • 1. Het is verboden een werkzaamheid uit te voeren zonder daartoe verleende erkenning.

  • 2. De in artikel 9, tweede lid, bedoelde handelingen kunnen slechts worden uitgevoerd door een natuurlijke persoon die staat vermeld op de erkenning.

  • 3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voorzover de werkzaamheid wordt uitgevoerd voor het verkrijgen van een certificaat of een accreditatie.

Artikel 16

Het is een persoon of instelling verboden een resultaat van een werkzaamheid te gebruiken of aan een ander ter beschikking te stellen indien hij weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat dit resultaat, gelet op het doel waarvoor dit wordt gebruikt, geen betrouwbaar beeld verschaft van de eigenschappen, aard, hoedanigheid of samenstelling van de bodem, grond, baggerspecie of bouwstof.

Artikel 17

  • 1. Een bij regeling van Onze Ministers aangewezen instelling of persoon verricht niet een bij ministeriële regeling aangewezen handeling met betrekking tot bodem, grond, baggerspecie of bouwstof, waarop deze instelling of persoon een persoonlijk of zakelijk recht heeft.

  • 2. Een bij regeling van Onze Ministers aangewezen instelling of persoon verricht niet een bij ministeriële regeling aangewezen handeling ten aanzien van een persoon, een stof, een bouwstof, een product, een installatie, een voorziening of ander object, waarmee deze instelling of persoon een organisatorische, financiële of juridische binding heeft, tenzij deze binding alleen voortvloeit uit de overeenkomst tot uitvoering van de werkzaamheid.

  • 3. Het eerste lid geldt niet voor degene die door middel van organisatorische maatregelen, op aantoonbare, transparante en controleerbare wijze, ervoor zorg heeft gedragen dat de werkzaamheid uitsluitend wordt verricht door een onderdeel van de organisatie dat of een persoon die:

    a. geen financieel belang heeft bij de uitkomst van de werkzaamheid;

    b. onder een andere bestuurlijke verantwoordelijkheid valt dan degene die een persoonlijk of zakelijk recht heeft op de bodem, grond, baggerspecie of bouwstof, en

    c. onder de directe aansturing van een andere leidinggevende valt dan degene die een persoonlijk of zakelijk recht heeft op de bodem, grond, baggerspecie of bouwstof.

  • 4. Indien een normdocument eisen bevat ten aanzien van organisatorische maatregelen als bedoeld in het derde lid voldoet de persoon of instelling die voor de desbetreffende werkzaamheid is erkend aan het derde lid, indien hij aan het normdocument voldoet.

Artikel 18

  • 1. Het is verboden een werkzaamheid uit te voeren in strijd met het daarvoor geldende normdocument.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover het afwijken van het normdocument bij wettelijk voorschrift is toegestaan.

Artikel 19

De houder van een erkenning meldt onverwijld aan een door Onze Ministers aangewezen instantie zijn door de rechtbank uitgesproken faillissement of surseance van betaling. De melding geschiedt door middel van een door Onze Ministers vastgesteld formulier.

Artikel 20

Een certificeringsinstelling of de Raad voor Accreditatie meldt een schorsing of intrekking van een certificaat, onderscheidenlijk een accreditatie, voor een werkzaamheid onverwijld aan een door Onze Ministers aangewezen instantie. De melding geschiedt door middel van een door Onze Ministers vastgesteld formulier.

Artikel 21

  • 1. Een bestuursorgaan neemt een aanvraag om een beschikking, die bij of krachtens wettelijke voorschriften wordt gegeven, niet in behandeling indien daarbij gegevens zijn gevoegd die afkomstig zijn van een persoon of instelling die voor het verkrijgen van deze gegevens in strijd heeft gehandeld met artikel 15, eerste of tweede lid.

  • 2. De wettelijke voorschriften, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 8.1, 8.4 en 8.49 van de Wet milieubeheer, en de artikelen 29, eerste lid, en 39, tweede lid, 39b, 39c, tweede lid, 39d, derde lid, en 40, tweede lid, van de Wet bodembescherming.

Artikel 22

  • 1. Het is een ieder verboden om, ter voldoening aan bij of krachtens wettelijke voorschriften, gegevens te verstrekken aan een bestuursorgaan, indien hij weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat deze gegevens afkomstig zijn van een persoon of instelling die voor het verkrijgen van deze gegevens in strijd heeft gehandeld met artikel 15, eerste of tweede lid.

  • 2. De wettelijke voorschriften, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, de artikelen 2a tot en met 2d van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de artikelen 6 tot en met 12, 27, eerste lid, 39, eerste en vierde lid, 39b, tweede lid, onderdelen b en c, 70 en 72 van de Wet bodembescherming.

AFDELING 3. SANCTIES

Artikel 23

  • 1. Onze Ministers kunnen een erkenning geheel of gedeeltelijk intrekken:

    a. op verzoek van de erkende persoon of instelling;

    b. indien bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, en kennis omtrent de juiste en volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    c. indien het bewijs van certificatie of accreditatie voor de desbetreffende werkzaamheid is ingetrokken of niet meer geldig is;

    d. indien de erkende persoon of instelling in staat van faillissement verkeert of surseance van betaling heeft verkregen, of

    e. indien de erkende persoon of instelling of de natuurlijk persoon, bedoeld in artikel 9, tweede lid, een wettelijk voorschrift heeft overtreden dat is gesteld bij of krachtens dit besluit, bij of krachtens de in artikel 21 of 22 genoemde wetten of artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de overtreding verband houdt met een werkzaamheid.

  • 2. Onze Ministers kunnen een erkenning voor een periode van ten hoogste twee jaren, geheel of gedeeltelijk schorsen, indien:

    a. het bewijs van certificatie of accreditatie voor de desbetreffende werkzaamheid is geschorst, of

    b. sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onder e.

  • 3. Indien een besluit tot intrekking of schorsing betrekking heeft op een certificeringsinstelling blijven de door deze instelling afgegeven certificaten gedurende zes maanden geldig.

  • 4. Ingeval van aanwijzingen dat er sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, kunnen Onze Ministers de desbetreffende persoon of instelling verzoeken binnen een redelijke termijn een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens over te leggen, die niet ouder is dan twee maanden. Indien de desbetreffende persoon of instelling niet binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldoet of kan voldoen, kunnen Onze Ministers de erkenning voor een periode van ten hoogste twee jaren geheel of gedeeltelijk schorsen.

Artikel 24

Onze Ministers verwerken de schorsing en intrekking van de erkenning in de lijsten, bedoeld in artikel 9, vierde lid.

Artikel 25

Onze Ministers kunnen normdocumenten aanwijzen voorzover deze:

a. niet in strijd zijn met een wettelijk voorschrift;

b. zijn vastgesteld door organen waarin alle betrokken partijen zich konden laten vertegenwoordigen;

c. zowel qua inhoud als qua strekking voldoende duidelijk zijn, en

d. voldoende draagvlak hebben bij de betrokken partijen.

HOOFDSTUK 3. BOUWSTOFFEN

Artikel 26

  • 1. Onze Ministers stellen regels met betrekking tot de wijze waarop het percentage van de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium in een materiaal wordt vastgesteld.

  • 2. Onze Ministers stellen regels met betrekking tot de wijze waarop het volume per kleinste eenheid van een materiaal, alsmede de duurzame vormvastheid daarvan, wordt vastgesteld.

  • 3. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder bouwstof mede verstaan, een bouwstof die is vermengd met ten hoogste 20 gewichtsprocenten grond of baggerspecie, voor zover deze grond of baggerspecie daar geen functioneel onderdeel van uitmaakt.

Artikel 27

  • 1. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:

    a. bouwstoffen die binnen een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c. van de Woningwet worden toegepast;

    b. bouwstoffen die vallen onder een douaneregeling en bestemd zijn voor douanevervoer, plaatsing in douane-entrepot of voor tijdelijke invoer als bedoeld in artikel 4, onderdeel 16 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992, tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L 302).

  • 2. Het tijdelijk verplaatsen of uit een werk wegnemen van bouwstoffen is toegestaan zonder inachtneming van de artikelen 28 tot en met 32, indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in dat werk worden aangebracht.

Artikel 28

  • 1. Het vervaardigen, invoeren, voor toepassing in Nederland of voor handelsdoeleinden voor de Nederlandse markt voorhanden hebben, vervoeren, aan een ander ter beschikking stellen of toepassen van bouwstoffen is verboden, tenzij:

    a. de samenstellings- en emissiewaarden van de bouwstof zijn bepaald aan de hand van de parameters, die in bijlage 1 van dit besluit zijn vermeld en bij regeling van Onze Ministers zijn aangewezen, overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers gestelde methoden door of onder toezicht van een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning;

    b. een bij regeling van Onze Ministers aangewezen persoon of instelling op een bij regeling van Onze Ministers voorgeschreven wijze heeft vastgesteld dat de waarden, bedoeld onder a, de bij regeling van Onze Ministers vastgestelde maximale samenstellings- en emissiewaarden niet overschrijden;

    c. uit een milieuhygiënische verklaring, die is afgegeven onder bij regeling van Onze Ministers vastgestelde voorwaarden, blijkt dat wordt voldaan aan het bepaalde in onderdeel a en b; en

    d. een afleveringsbon bij de desbetreffende partij aanwezig is die de bij regeling van Onze Ministers vastgestelde gegevens bevat.

  • 2. Bij regeling van Onze Ministers wordt bepaald in welke gevallen een afleveringsbon als bedoeld in het eerste lid, onder d niet vereist is.

  • 3. Degene die de bouwstoffen toepast bewaart de bijbehorende milieuhygiënische verklaring en de afleveringsbon gedurende vijf jaar na het tijdstip waarop de bouwstoffen zijn toegepast en verstrekt die verklaring of afleveringsbon op verzoek van het bevoegd gezag.

  • 4. Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld met betrekking tot het samenvoegen en splitsen van partijen bouwstof.

  • 5. Het is verboden om bouwstoffen toe te passen in strijd met de artikelen 5, eerste lid en 7 van dit besluit.

Artikel 29

  • 1. In afwijking van artikel 28, eerste lid, onder a en c, worden de samenstellings- en emissiewaarden van de toe te passen bouwstof niet bepaald en is geen milieuhygiënische verklaring vereist, indien sprake is van de volgende handelingen:

    a. het toepassen van metselmortel of natuursteenproducten, met uitzondering van breuksteen en steenslag;

    b. het zonder bewerking opnieuw onder dezelfde condities toepassen van vormgegeven bouwstoffen van beton, keramiek, natuursteen en bakstenen;

    c. het zonder bewerking opnieuw onder dezelfde condities toepassen van bouwstoffen, waarvan de eigendom niet wordt overgedragen;

    d. het opnieuw toepassen van niet teerhoudend asfalt of asfaltbeton in wegverhardingen indien overeenkomstig de CROW-publicatie, 210 «Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt» wordt aangetoond dat het materiaal niet teerhoudend is;

    e. het toepassen van bouwstoffen door natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf.

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing, indien degene die de bouwstof toepast op grond van kennis of organoleptische waarneming kan aannemen of redelijkerwijs had moeten aannemen dat niet is voldaan aan artikel 28, eerste lid, onder b.

Artikel 30

  • Een bouwstof die de maximale emissiewaarden, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder b overschrijdt, kan als IBC-bouwstof worden toegepast, indien:

    a. de bouwstof voldoet aan de bij regeling van Onze Ministers gesteld maximale emissiewaarden voor IBC-bouwstoffen;

    b. de bouwstof ten minste het bij regeling van Onze Ministers bepaalde volume heeft en aaneengesloten in een werk wordt toegepast;

    c. isolatie-, beheers- en controlemaatregelen worden getroffen, die voldoen aan de daarvoor bij regeling van Onze Ministers gestelde eisen en die zijn goedgekeurd door een bij regeling van Onze Ministers aangewezen persoon of instelling.

  • 2. Het is verboden IBC-bouwstoffen in oppervlaktewater toe te passen.

Artikel 31

  • 1. Onze Minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van de eis, gesteld in artikel 30, onder c, voor zover anders dan door toepassing van die regel ten minste dezelfde mate van bescherming van de bodem wordt geboden, als is beoogd met de betrokken eis.

  • 2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent:

    a. de beoordeling van de gelijkwaardigheid; en

    b. de bij de aanvraag te verstrekken gegevens, waaruit onder meer blijkt dat sprake is van bescherming als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Een aanvraag wordt, door middel van een door Onze Minister vastgesteld formulier, ingediend bij Onze Minister.

Artikel 32

  • 1. Degene die voornemens is een bouwstof toe te passen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder c, meldt dit voornemen ten minste vijf werkdagen voor het toepassen aan Onze Minister.

  • 2. Degene die voornemens is een IBC-bouwstof toe te passen als bedoeld in artikel 30 meldt dat voornemen tenminste vier weken voor het toepassen aan Onze Minister.

  • 3. Bij een melding als bedoeld in het eerste en tweede lid, worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:

    a. de naam en het adres van de toepasser;

    b. de datum waarop de toepassing zal plaatsvinden;

    c. de toepassingslocatie ;

    d. de beoogde toepassing;

    e. het soort en de hoeveelheid toe te passen bouwstof.

    Bij een melding als bedoeld in het eerste lid wordt voorts vermeld:

    f. het werk, en

    g. de plaats van herkomst van de toe te passen bouwstof.

    Bij een melding als bedoeld in het tweede lid worden voorts verstrekt:

    h. een milieuhygiënische verklaring; en

    i. de beschrijving van de isolatie, controle- en beheersmaatregelen, alsmede de vermelding van de persoon of instelling die deze maatregelen heeft goedgekeurd.

  • 4. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in het derde lid bedoelde gegevens.

  • 5. Indien bij een voorgenomen toepassing van een IBC-bouwstof de milieuhygiënische verklaring nog niet beschikbaar is op het tijdstip waarop de melding wordt gedaan, wordt deze uiterlijk vijf werkdagen voor de toepassing van de desbetreffende IBC-bouwstof aan Onze Minister verstrekt.

  • 6. De melding wordt elektronisch of schriftelijk gedaan door middel van een formulier waarvan het model door Onze Ministers wordt vastgesteld. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de wijze waarop moet worden gemeld.

  • 7. Onze Minister zendt onverwijld de melding met de bijbehorende gegevens elektronisch door aan het bevoegd gezag.

Artikel 33

Degene die een bouwstof toepast, draagt er zorg voor dat die bouwstof:

a. niet met de bodem wordt vermengd;

b. kan worden verwijderd; en

c. wordt verwijderd in geval het werk of het deel van het werk waarvan de bouwstof deel uitmaakt niet meer als functionele toepassing kan worden beschouwd, tenzij het verwijderen leidt tot een grotere aantasting van de bodem of het oppervlaktewater dan het niet verwijderen.

HOOFDSTUK 4. GROND EN BAGGERSPECIE

AFDELING 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 34
  • 1. Bij regeling van Onze Ministers wordt de wijze bepaald waarop wordt vastgesteld of een materiaal aan te merken is als grond of baggerspecie.

  • 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder grond of baggerspecie mede verstaan, grond of baggerspecie die is vermengd met ten hoogste 20 gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal.

  • 3. Op grond van milieuhygiënische overwegingen kunnen onze Ministers voor een toepassing van grond of baggerspecie een lager gewichtspercentage bodemvreemd materiaal vaststellen dan genoemd in het derde lid en hierover en over soorten toegestaan bodemvreemd materiaal nadere regels stellen.

Artikel 35

Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende handelingen:

a. toepassing van grond of baggerspecie in bouw- en weg constructies, waaronder mede worden begrepen wegen, spoorwegen en geluidswallen;

b. toepassing van grond of baggerspecie op of in de bodem, met uitzondering van de bodem onder oppervlaktewater, in ophogingen van industrieterreinen, woningbouwlocaties en landbouw- en natuurgronden, met het oog op het verbeteren van de bodemgesteldheid;

c. toepassing van grond of baggerspecie voor het afdekken van een locatie die wordt gesaneerd als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 3 van de Wet bodembescherming, als afdeklaag voor een stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid respectievelijk derde lid, van de Wet milieubeheer, of als afdeklaag voor een voormalige stortplaats met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft als gevolg van contact met het onderliggende materiaal;

d. toepassing van grond of baggerspecie in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van oppervlaktewater met het oog op de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van artikel 4 van de Kaderrichtlijn water, de bevordering van de natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart;

e. toepassing van grond of baggerspecie in aanvullingen, waaronder mede wordt verstaan de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen, of met het oog op onderhoud en herstel van de toepassingen, bedoeld in onderdeel a tot en met d;

f. verspreiding van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang grenzende percelen;

g. verspreiding van baggerspecie in oppervlaktewater, met het oog op de duurzame vervulling van de ecologische en morfologische functies van het sediment, behoudens op of in uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden en platen, met uitzondering van de daarbinnen gelegen aangrenzende percelen van watergangen met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen;

h. tijdelijke opslag van grond of baggerspecie, bestemd voor de toepassingen, bedoeld in onderdeel a tot en met e gedurende maximaal drie jaar op of in de bodem, met uitzondering van de bodem onder oppervlaktewater, of gedurende maximaal tien jaar in oppervlaktewater;

i. tijdelijke opslag van baggerspecie, bestemd voor één van de toepassingen, bedoeld in onderdeel a tot en met f, gedurende maximaal drie jaar op percelen gelegen naast de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is.

Artikel 36
  • 1. Het is verboden grond of baggerspecie die gevaarlijke afvalstoffen zijn toe te passen.

  • 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende handelingen:

    a. het toepassen van grond of baggerspecie waarvan de samenstelling de interventiewaarde overschrijdt, tenzij artikel 44, tweede lid, of artikel 45, tweede lid van toepassing is;

    b. het op of in de bodem brengen van producten die overeenkomstig de krachtens artikel 4 van de Meststoffenwet gestelde regels als meststof mogen worden verhandeld;

    c. handelingen waarop het Besluit uniforme saneringen van toepassing is, tenzij bij of krachtens dat besluit anders is bepaald.

  • 3. Het tijdelijk verplaatsen of uit de toepassing wegnemen van grond of baggerspecie is toegestaan zonder inachtnemening van de artikelen 38 tot en met 64, indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde conditie opnieuw in die toepassing wordt aangebracht.

Artikel 37
  • 1. Het is verboden om grond of baggerspecie toe te passen in strijd met de artikelen 5, eerste lid, 7, 38, 42, 44, 45, 46, 52, 59, 60, 63 en 64 van dit besluit.

  • 2. Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop een overschrijding wordt vastgesteld van waarden, gesteld bij of krachtens de artikelen, genoemd in het eerste lid.

Paragraaf 2. Algemene voorschriften voor degene die grond of baggerspecie toepast

Artikel 38
  • 1. Degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen laat overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning de kwaliteit van de grond of baggerspecie vaststellen, met inbegrip van de emissiewaarden voor zover vereist op grond van artikel 63.

  • 2. De kwaliteit van de grond of baggerspecie en het gestelde in het eerste lid blijkt uit een milieuhygiënische verklaring, die bij de betreffende partij aanwezig is.

  • 3. Bij regeling van Onze Ministers wordt bepaald onder welke voorwaarden de milieuhygiënische verklaring, bedoeld in het tweede lid, mag worden afgegeven.

  • 4. De toe te passen grond of baggerspecie kan worden ingedeeld in de bij regeling van Onze Ministers vast te stellen kwaliteitsklassen.

  • 5. Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld met betrekking tot het samenvoegen en splitsen van partijen grond of baggerspecie.

  • 6. Het eerste tot en met het vijfde lid geldt niet voor:

    a. natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf; en

    b. degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen binnen een landbouwbedrijf, indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt toegepast.

Artikel 39

Op het toepassen van grond of baggerspecie waarvan de kwaliteit de bij regeling van Onze Ministers vastgestelde achtergrondwaarden niet overschrijdt, zijn artikel 40 en afdeling 2 van dit hoofdstuk niet van toepassing.

Artikel 40
  • 1. Het vaststellen van de kwaliteit van de bodem, waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, geschiedt overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning krachtens artikel 9, eerste lid.

  • 2. De kwaliteit van de bodem en het gestelde in het eerste lid, blijkt uit een milieuhygiënische verklaring.

Artikel 41

Bij regeling van Onze Ministers wordt bepaald welke van de in bijlage 1 van dit besluit genoemde parameters voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen worden gemeten ten behoeve van:

a. de vaststelling van de kwaliteit van grond of baggerspecie, met inbegrip van de emissiewaarden voor toepassingen voor zover vereist op grond van artikel 63, en

b. de vaststelling van de kwaliteit van de bodem, waarop of waarin grond of baggerspecie wordt toegepast.

Artikel 42
  • 1. Degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen als bedoeld in artikel 35, onderdeel a tot en met i, met uitzondering van onderdeel f, meldt dat voornemen ten minste vijf werkdagen van tevoren aan Onze Minister.

  • 2. Bij de melding van een toepassing als bedoeld in artikel 35, onder a tot en met e en g, worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:

    a. de naam en het adres van degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen;

    b. het toetsingskader waarbinnen de toepassing wordt uitgevoerd;

    c. de milieuhygiënische verklaring van de toe te passen grond of baggerspecie;

    d. de plaats van herkomst van de toe te passen grond of baggerspecie;

    e. de hoeveelheid toe te passen grond of baggerspecie;

    f. de toepassingslocatie;

    g. voor zover het een toepassing betreft krachtens afdeling 2, paragraaf 2, de bodemkwaliteitsklasse;

    h. voor zover het een toepassing op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, betreft krachtens afdeling 2, paragraaf 2, de bodemfunctieklasse.

  • 3. Op de melding van de toepassing, bedoeld in artikel 35, onder h en i, is het tweede lid, onder a, c tot en met f, van overeenkomstige toepassing en op meldingen van de toepassing, bedoeld in artikel 35, onder h, het tweede lid, onder g. Bij meldingen van de toepassing, bedoeld in artikel 35, onder h en i, wordt ook de voorziene duur van de toepassing vermeld.

  • 4. Indien de voorziene duur van de toepassing, bedoeld in artikel 35, onder h en i, langer is dan zes maanden, wordt de eindbestemming van de grond of baggerspecie binnen die termijn gemeld.

  • 5. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde gegevens.

  • 6. De melding wordt elektronisch of schriftelijk gedaan door middel van een formulier waarvan het model bij regeling van Onze Ministers wordt aangewezen. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de wijze waarop moet worden gemeld.

  • 7. Onze Minister zendt onverwijld de melding met de bijbehorende gegevens elektronisch door aan het bevoegd gezag.

  • 8. Het eerste lid geldt niet voor:

    a. natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf;

    b. degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen binnen een landbouwbedrijf, indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt toegepast;

    c. degene die voornemens is grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 39 in een omvang van minder dan 50 m3 toe te passen.

  • 9. Degene die voornemens is grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 39 in een omvang van ten minste 50 m3 toe te passen, meldt in afwijking van het tweede en derde lid eenmalig de gegevens, genoemd in het tweede lid, onder a en f.

  • 10. Het achtste lid, onder c, en het negende lid zijn niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee.

  • 11. De volgende toepassers van grond of baggerspecie bewaren de in het tweede, onder a, c tot en met f, genoemde gegevens gedurende ten minste vijf jaren:

    a. degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen als bedoeld in artikel 39, uitgezonderd degene, bedoeld in het achtste lid, onder a en b;

    b. degene die baggerspecie verspreidt uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen.

Artikel 43
  • 1. Voor het toepassen van baggerspecie, bedoeld in artikel 35, onder g, kan de waterkwaliteitsbeheerder met betrekking tot de oppervlaktewateren onder zijn beheer verspreidingsvakken aanwijzen en vaststellen hoeveel baggerspecie er maximaal kan worden verspreid.

  • 2. Het is verboden om baggerspecie toe te passen buiten een krachtens het vorige lid aangewezen verspreidingsvak en boven de daarbij aangegeven maximale hoeveelheid.

AFDELING 2. TOETSINGSKADERS VOOR HET TOEPASSEN VAN GROND EN BAGGERSPECIE

Paragraaf 1. Gebiedsspecifiek toetsingskader voor de algemene toepassing

Artikel 44
  • 1. De gemeenteraad kan voor het toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onderdeel a tot en met e en h op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, voor een door hem aangewezen bodembeheergebied lokale maximale waarden vaststellen voor de bodem, waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, alsmede een percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage, bedoeld in artikel 34, tweede en derde lid tot een maximum van 20 gewichtsprocenten.

  • 2. De lokale maximale waarden kunnen boven de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55, tweede lid, worden vastgesteld en het afwijkende percentage bodemvreemd materiaal kan worden vastgesteld, indien:

    a. de kwaliteit van de bodem wordt bepaald door stoffen die verspreid in dat bodembeheergebied voorkomen als gevolg van diffuse verontreiniging;

    b. die waarden en dat percentage overeenkomen met de kwaliteit van de bodem in het bodembeheergebied; en

    c. die waarden niet de waarden overschrijden die worden vastgesteld op grond van de beoordelingssystematiek die wordt gehanteerd voor het vaststellen van de noodzaak van een spoedige sanering als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming.

Artikel 45
  • 1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat of het algemeen bestuur van het waterschap kan met betrekking tot oppervlaktewateren, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, onderscheidelijk andere oppervlaktewateren voor het toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater als bedoeld in artikel 35, onderdeel a, c tot en met e en h voor een door hem aangewezen bodembeheergebied lokale maximale waarden vaststellen voor de bodem onder oppervlaktewater, waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, alsmede een percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage, bedoeld in artikel 34, tweede en derde lid, tot een maximum van 20 gewichtsprocenten.

  • 2. De lokale maximale waarden kunnen voor het toepassen van baggerspecie boven de interventiewaarden en voor het toepassen van grond niet boven de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie worden vastgesteld en het afwijkende percentage bodemvreemd materiaal kan worden vastgesteld, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 44, tweede lid.

Artikel 46
  • 1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat of het algemeen bestuur van het waterschap kan met betrekking tot oppervlaktewateren, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, onderscheidelijk andere oppervlaktewateren voor toepassingen als bedoeld in artikel 35, onderdeel g, voor een door hem aangewezen bodembeheergebied, maximale waarden vaststellen voor de kwaliteit van de toe te passen baggerspecie die afwijken van de waarden, die krachtens artikel 60, eerste lid, voor die toepassing zijn vastgesteld, alsmede een percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage, bedoeld in artikel 34, tweede en derde lid, tot een maximum van 20 gewichtsprocenten.

  • 2. Bij regeling van Onze Ministers kan worden bepaald dat het bestuursorgaan, bedoeld in het eerste lid, voor daarbij aan te geven parameters geen hogere maximale waarden kan vaststellen dan de krachtens artikel 60, eerste lid vastgestelde waarden.

  • 3. Voor toepassingen als bedoeld in het eerste lid in de Nederlandse territoriale zee kan het bestuursorgaan, bedoeld in het eerste lid, geen hogere maximale waarden vaststellen dan de krachtens artikel 60, eerste lid, vastgestelde waarden.

Artikel 47

Een besluit op grond van de artikelen 44, eerste lid en 45, eerste lid, bevat:

a. een of meer kaarten, opgesteld overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers gestelde protocollen, waarop zijn aangegeven de begrenzing van het bodembeheergebied, de kwaliteit van de bodem en, bij toepassingen op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, de bodemfuncties;

b. de lokale maximale waarden, bedoeld in de artikelen 44, eerste lid, en 45, eerste lid;

c. voor zover van toepassing, het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal, bedoeld in artikel 34, derde en vierde lid;

d. een motivering van het besluit aan de hand van de lokale maximale waarden en, voor zover van toepassing, het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal in relatie tot de kwaliteit van de bodem, de maatschappelijke noodzaak van die waarden en het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal en een beschrijving van de overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers gestelde methoden bepaalde gevolgen van de uitvoering van het besluit voor de kwaliteit van de bodem in het bodembeheergebied.

Artikel 48

Een besluit op grond van artikel 46, eerste lid, bevat:

a. een of meerdere kaarten waarop de begrenzing van dat bodembeheergebied is aangegeven;

b. de maximale waarden en het percentage bodemvreemd materiaal, bedoeld in artikel 46, eerste lid;

c. een motivering van het besluit aan de hand van de maximale waarden en het percentage bodemvreemd materiaal in relatie tot de gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en de maatschappelijke noodzaak van die waarden.

Artikel 49

Bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de artikelen 44, 45 en 46 wordt toepassing gegeven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 50

Tegen een besluit als bedoeld in de artikelen 44, 45 en 46 kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Artikel 51

Op een besluit tot wijziging van een besluit als bedoeld in de artikelen 44, 45 en 46, zijn de artikelen 47 tot en met 50 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 52
  • 1. Bij toepassing in een bodembeheergebied overschrijdt de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie niet de lokale maximale waarden, bedoeld in de artikelen 44 en 45, en de maximale waarden, bedoeld in artikel 46.

  • 2. Grond of baggerspecie die voldoet aan de lokale maximale waarden, bedoeld in de artikelen 44, tweede lid, en 45, tweede lid, kan uitsluitend worden toegepast in het bodembeheergebied waarvan deze afkomstig is.

  • 3. Indien de grond of baggerspecie, bedoeld in het vorige lid, de kwaliteit van de bodem, waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, overschrijdt, kan deze grond of baggerspecie alleen worden toegepast in het bodembeheergebied waarvan deze afkomstig is.

  • 4. Het eerste tot en met derde lid geldt niet voor:

    a. het toepassen van grond of baggerspecie door natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf;

    b. het toepassen van grond of baggerspecie binnen een landbouwbedrijf, indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt toegepast.

Artikel 53

Het bestuursorgaan, bedoeld in de artikelen 44 tot en met 46, overweegt ten minste eenmaal in de tien jaar in hoeverre een aldaar bedoeld besluit herziening behoeft.

Paragraaf 2. Generiek toetsingskader voor de algemene toepassing

Artikel 54

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing, indien geen besluit als bedoeld in de artikelen 44, 45 of 46 is genomen.

Artikel 55
  • 1. Burgemeester en wethouders leggen uiterlijk een half jaar na inwerkingtreding van dit besluit op een kaart de bodemfunctieklassen, zijnde industrie of wonen, van het gebied binnen hun gemeente, waarop of waarin de grond of baggerspecie zal worden toegepast, vast.

  • 2. Bij regeling van Onze Ministers worden voor de bodemfunctieklassen, bedoeld in het eerste lid, maximale waarden vastgesteld.

  • 3. Bij regeling van Onze Ministers worden de eisen vastgesteld waaraan de kaart, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen.

  • 4. Indien geen kaart is vastgesteld als bedoeld in het eerste lid, kan alleen grond of baggerspecie worden toegepast, die de achtergrondwaarden niet overschrijdt.

  • 5. Dit artikel is niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater.

Artikel 56
  • 1. Indien de kwaliteit van de bodem waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, voldoet aan de achtergrondwaarden, dan wel voor deze bodem niet de bodemfunctieklasse wonen of industrie geldt, is uitsluitend het toepassen van grond of baggerspecie toegestaan, waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarden niet overschrijdt.

  • 2. Het eerste lid geldt niet voor:

    a. het toepassen van grond of baggerspecie door natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf;

    b. het toepassen van grond of baggerspecie binnen een landbouwbedrijf, indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt toegepast;

    c. het toepassen van baggerspecie, als bedoeld in artikel 35, onder f en i;

    d. het toepassen van baggerspecie in oppervlaktewater, als bedoeld in artikel 35, onder g.

Artikel 57
  • 1. Bij regeling van Onze Ministers wordt de bodem ingedeeld in bodemkwaliteitsklassen en worden voor de bodemkwaliteitsklassen maximale waarden vastgesteld.

  • 2. Het bevoegd gezag kan de bodemkwaliteitsklassen, bedoeld in het eerste lid, vastleggen op een kaart.

Artikel 58
  • 1. Indien het bevoegd gezag de bodemkwaliteitsklasse niet heeft vastgelegd op een kaart, stelt degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen de bodemkwaliteitsklasse vast op de bij regeling van Onze Ministers bepaalde wijze. Hierbij worden gegevens gebruikt die afkomstig zijn van een persoon of een instelling die beschikt over een erkenning.

  • 2. Het eerste lid geldt niet voor:

    a. natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf;

    b. degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen binnen een landbouwbedrijf, indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt toegepast;

    c. degene die voornemens is baggerspecie toe te passen, als bedoeld in artikel 35, onder f, g en i.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder h, met een duur van korter dan 6 maanden.

Artikel 59
  • 1. Voor het toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 35, onder a tot en met e, op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, overschrijdt de kwaliteit van de grond of baggerspecie niet:

    a. de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse wonen of industrie; en

    b. de maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklassen.

  • 2. Voor het op of in de bodem onder oppervlaktewater toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder a en c tot en met e, en het op of in de bodem toepassen van grond en baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder h, overschrijdt de kwaliteit van de grond of baggerspecie niet de waarden, bedoeld in het eerste lid, onder b.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, overschrijdt bij toepassing in oppervlaktewater de kwaliteit van de grond niet de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie.

Artikel 60
  • 1. Bij het toepassen van baggerspecie, bedoeld in artikel 35, onder f, g en i, overschrijdt de kwaliteit van de baggerspecie de daarvoor bij regeling van Onze Ministers vastgestelde maximale waarden niet.

  • 2. Voor toepassing van het eerste lid worden erven en gronden die door een weg, voetpad of andere constructie of door een te smalle grondstrook om de baggerspecie te ontvangen van de watergang gescheiden zijn, als aan de watergang grenzend perceel aangemerkt.

Artikel 61

Onze Ministers overwegen ten minste eenmaal in de tien jaar in hoeverre de waarden, bedoeld in de artikelen 55, eerste lid, en 57, derde lid, herziening behoeven en stellen de Staten-Generaal in kennis van hun bevindingen daaromtrent.

Paragraaf 3. Toetsingskader voor grootschalige toepassingen

Artikel 62

Deze paragraaf is niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee.

Artikel 63
  • 1. Een toepassing van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder a, c tot en met e, in een laagdikte van minimaal twee meter en een minimale omvang van 5000 m3 hoeft niet te voldoen aan de eisen die daaraan in afdeling 2, paragraaf 1 en 2, worden gesteld, mits

    a. de kwaliteit van de grond of baggerspecie voldoet aan:

    i. de bij regeling van Onze Ministers vast te stellen maximale emissiewaarden, en

    ii. bij toepassing op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55, tweede lid;

    iii. bij toepassing in oppervlaktewater, de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55, tweede lid, onderscheidelijk de interventiewaarden, en

    b. op de desbetreffende grond of baggerspecie een leeflaag of een laag bouwstoffen wordt aangebracht.

  • 2. De kwaliteit van de grond of baggerspecie wordt, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, onder i, niet getoetst aan de maximale emissiewaarden in de bij regeling van Onze Ministers te bepalen gevallen.

  • 3. De leeflaag, bedoeld in het eerste lid, onder b, heeft een minimale dikte van een halve meter. Bij regeling van Onze Ministers kunnen op grond van milieuhygiënische overwegingen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de dikte van de leeflaag of de laag bouwstoffen.

  • 4. Op het aanbrengen van een leeflaag zijn de eisen die in afdeling 2, paragraaf 1 en 2, aan het toepassen van grond of baggerspecie worden gesteld van overeenkomstige toepassing.

  • 5. In afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt voor de toepassingen, bedoeld in artikel 35, onder a, een laagdikte van minimaal een halve meter, indien:

    a. het de aanleg of het wijzigen van Rijkswegen, provinciale en gemeentelijke wegen en spoorwegen betreft; en

    b. op de desbetreffende grond of baggerspecie in afwijking van het eerste lid, onder b, een aaneengesloten laag bouwstoffen wordt aangebracht, met uitzondering van de bijbehorende bermen en taluds.

  • 6. In het geval, bedoeld in het vijfde lid, voldoet de kwaliteit van de grond of baggerspecie in de bermen of taluds van Rijkswegen, provinciale wegen of spoorwegen tot aan een fysieke afscheiding met een maximum van 10 meter vanaf de rand van de verharding of het ballastbed, aan de maximale waarden van de bodemfunctieklasse industrie.

Artikel 64
  • 1. Bij regeling van Onze Ministers kunnen aan de toepassing van grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 63, eerste en vijfde lid, nadere regels worden gesteld ter bescherming van de kwaliteit van de omliggende bodem en het grond- of oppervlaktewater.

  • 2. Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld met betrekking tot beheersmaatregelen met het oog op de instandhouding van de toepassing, bedoeld in artikel 63, eerste en vijfde lid.

HOOFDSTUK 5. SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 65

  • 1. Het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming wordt ingetrokken, met dien verstande dat de intrekking voor gedeelten van dat besluit op verschillende tijdstippen kan geschieden welke tijstippen nader worden bepaald in het besluit tot inwerkingtreding van het besluit bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 83, eerste lid.

  • 2. Het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming blijft van toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Tijdelijke Stimuleringsregeling verwerking baggerspecie.

Artikel 66

  • 1. Het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer wordt ingetrokken, met uitzondering van artikel 21, met dien verstande dat in dat artikel in plaats van Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer, wordt gelezen: Besluit bodemkwaliteit.

  • 2. Hoofdstuk 2 van dit besluit is niet van toepassing op:

    a. een werkzaamheid die voor inwerkingtreding van het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer is aangevangen;

    b. een werkzaamheid die wordt verricht ter uitvoering van een wettelijke taak door of in opdracht van een bestuursorgaan, of

    c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten.

Artikel 67

Het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf 1.2.5, onderdeel e, van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning komt te luiden:

e. Een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid dat is gebaseerd op onderzoek uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe op grond van het Besluit bodemkwaliteit is erkend.

B

Paragraaf 3.2.6, onderdeel e, van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning komt te luiden:

e. Artikel 8, tweede lid, onderdeel c, van de Woningwet verplicht gemeenten in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften hebben op grond van artikel 8, vierde lid, van de Woningwet onder meer betrekking op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. Op hoofdlijnen weergegeven is deze verplichting door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten als volgt uitgewerkt in de artikelen 2.1.5 en 2.4.1 van de Modelbouwverordening (Mbv). Het onderzoek dient te bestaan uit de resultaten van een verkennend onderzoek, verricht volgens NEN 5740, bijlage B (uitgave 1999), waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het onderzoeksrapport daarnaast nog dient te bestaan uit de resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde protocol Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober 1993). Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het verkennend onderzoek eerst een vooronderzoek volgens NVN 5725 dient te worden uitgevoerd (ook wel historisch onderzoek genoemd) ten behoeve van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. De aanwezigheid van asbest in de bodem kan daarbij worden onderzocht door aan het vooronderzoek volgens NEN 5740 een onderzoek volgens NEN 5707 (indien de bodem en grond minder dan 20% puin bevat) respectievelijk NEN 5897 (indien de bodem en grond 20% of meer puin bevat) te koppelen. Indien het vooronderzoek uitwijst dat de locatie onverdacht is, kunnen burgemeester en wethouders besluiten ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Indien de resultaten van het verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst van de verontreiniging een nader onderzoek onontkoombaar is, dient nader onderzoek volgens het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek (SDU, uitgave 1995) te worden verricht.

De bouwvergunningaanvrager hoeft niet altijd een bodemonderzoeksrapport aan te leveren. Op grond van artikel 8, derde lid, van de Woningwet is een bodemonderzoeksrapport alleen voorgeschreven voor bouwwerken voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning nodig is, met uitzondering van bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van artikel 43 van de Woningwet geen bouwvergunning is vereist of een geval als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van die wet, en waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen aanwezig zijn, mits dat bouwwerk de grond raakt of sprake is van een verandering van het niet-wederrechtelijke gebruik. Maar ook dan is een bodemonderzoeksrapport niet altijd vereist: burgemeester en wethouders kunnen hiervan, op grond van artikel 2.1.5 van de Mbv, namelijk nog ontheffing verlenen.

Wanneer een bodemonderzoeksrapport is vereist, dient dat rapport op grond van paragraaf 1.2.5, onderdeel e, van deze bijlage te zijn gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Laatstgenoemd besluit bevat eisen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden in het bodembeheer. Personen en instellingen die bij ministeriële regeling aangewezen werkzaamheden, waaronder het uitvoeren van bodemonderzoek, uitvoeren, dienen daartoe te zijn erkend door de Ministers van VROM en Verkeer en Waterstaat. Een voorwaarde voor erkenning is het bezit van een certificaat of een accreditatie. Bovendien dienen deze personen en instellingen bij de uitvoering te voldoen aan eisen die onder meer zijn neergelegd in beoordelingsrichtlijnen en protocollen.

Voor het geval een bodemonderzoeksrapport dient te worden aangeleverd maar het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, bevat artikel 2.1.5 Mbv het voorschrift dat het bodemonderzoek dient plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Dit brengt met zich dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom behoort dit onderzoeksrapport tot de bescheiden die op grond van onderdeel 3 van paragraaf 1.5 van deze bijlage eerst na indiening van de aanvraag om bouwvergunning doch uiterlijk drie weken voor de aanvang van de desbetreffende bouwwerkzaamheden mogen worden aangeleverd. Voorwaarde voor latere indiening van het onderzoeksrapport is dat burgemeester en wethouders met die latere indiening instemmen. Op basis van het bepaalde in artikel 56 van de Woningwet kan het tijdstip van latere indiening door hen zo nodig in een voorwaarde bij de bouwvergunning worden vastgelegd.

Artikel 68

A

Categorie 28.3, onderdeel c van bijlage I behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer komt te luiden:

c. inrichtingen voor zover het betreft toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is en waarin wordt gehandeld in overeenstemming met de bepalingen van dat besluit;

Onderdeel g vervalt onder vernummering van onderdeel g tot f.

B

Categorie 28.4 van bijlage I van het Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer, onderdeel a, onder 3°, komt te luiden:

3°. van buiten de inrichting afkomstige verontreinigde grond, waaronder begrepen verontreinigde baggerspecie, met een capaciteit ten aanzien daarvan van 10.10 m3 of meer.

Artikel 69

Het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 vervallen de aanduidingen van:

nationale beoordelingsrichtlijn;

onderhoudsspecie klasse 0;

onderhoudsspecie klasse 1;

onderhoudsspecie klasse 2;

verspreiden en de daarbijbehorende begripsomschrijvingen.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid komt onderdeel b te luiden:

b. sprake is van het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit;

2. De onderdelen c, d en e vervallen.

3. Onderdeel f komt te luiden:

f. dit geschiedt overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit in een werk waarin avi-bodemas wordt gebruikt als bouwstof, indien deze:

1. niet meer dan 5,5% onverbrand vliegas bevat,

2. niet is vermengd met avi-vliegas, en

3. ten minste zes weken opgeslagen is voor het gebruik in een werk tenzij de avi-bodemas eerder is gebruikt in een werk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming, of in een werk als bedoeld in artikel 1, eerste lid van het Besluit bodemkwaliteit;

4. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing met betrekking tot de in dat lid aangegeven handelingen met gevaarlijke afvalstoffen.

5. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Het eerste lid, onder a, is evenmin van toepassing met betrekking tot de in dat lid bedoelde handelingen met afvalstoffen, behorende tot een categorie waarvoor het in artikel 1 van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen gestelde verbod geldt.

6. Het vierde lid vervalt.

7. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing met betrekking tot de in dat lid bedoelde handelingen met afvalstoffen, behorende tot een categorie waarvoor het in artikel 1 van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen gestelde verbod geldt, met uitzondering van:

    a. categorie 19, voorzover het betreft granulaat en de categorieën 20, 21 en 24;

    b. de categorieën 19 en 22, voor zover deze onderdeel uitmaken van grond of baggerspecie.

C

Artikel 3 vervalt.

D

Artikel 4a vervalt.

Artikel 70

Het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3, tweede lid, komt te luiden;

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op afvalstoffen, voorzover deze worden toegepast als bouwstof, grond of baggerspecie overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit, behorende tot:

    a. categorie 19, voor zover het betreft granulaat, de categorieën 20, 21 en 24;

    b. de categorieën 19 en 22, voor zover deze onderdeel uitmaken van grond of baggerspecie.

B

Aan artikel 11e wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, aan een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor een inrichting voor de opslag in oppervlaktewater van baggerspecie niet zijnde een gevaarlijke afvalstof als bedoeld in de Wet milieubeheer het voorschrift verbinden dat de opslag is toegestaan voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

Artikel 71

Het Besluit financiële bepalingen bodemsanering wordt als volgt gewijzigd:

Na artikel 7 wordt in Hoofdstuk 2 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7a

  • 1. Het bedrag, bedoeld in artikel 76o, eerste lid, onder a, van de wet, bedraagt € 0,45.

  • 2. Als maximum, bedoeld in artikel 76o, tweede lid, van de wet, geldt een bedrag van € 226 890,11.

  • 3. Het eerste en tweede lid werken terug tot en met 1 januari 2006.

Artikel 72

Het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 5, onderdeel l, wordt vervangen door:

l. bouwstoffen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit, die voorzien zijn van een overeenkomstig bij of krachtens dat besluit gestelde regels afgegeven erkende kwaliteitsverklaring, partijkeuring of fabrikant-eigenverklaring waaruit blijkt dat zij voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 28, eerste lid, of artikel 30, eerste lid, van dat besluit en die worden toegepast in een voorziening, die op grond van de voor de inrichting verleende vergunning, bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, binnen de inrichting is aangebracht;

m. grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit, die voorzien is van een overeenkomstig bij of krachtens dat besluit gestelde regels afgegeven erkende kwaliteitsverklaring, partijkeuring of fabrikant-eigenverklaring waaruit blijkt dat de kwaliteit van de grond de maximale waarde voor de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55, tweede lid, van dat besluit, niet overschrijdt en die wordt toegepast in een voorziening, die op grond van de voor de inrichting verleende vergunning, bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, binnen de inrichting is aangebracht.

Artikel 73

Het Besluit overige niet-meldingsplichtige gevallen bodemsanering wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 vervalt.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

In het eerste lid komt onderdeel b te luiden:

b. Indien het bevoegde gezag naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 42 van het Besluit bodemkwaliteit heeft vastgesteld dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging.

Artikel 74

Onderdeel c van de Bijlage behorende bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 wordt als volgt gewijzigd:

A

In Kolom 2 van activiteit 18.3 komt onderdeel 1°. te luiden:

1°. baggerspecie van klasse B als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, en

B

Onderdeel d in k van de Bijlage behorende bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 wordt als volgt gewijzigd:

In Kolom 2 van activiteit 18.3 komt onderdeel 1°. te luiden:

1°. Het storten of opslaan van baggerspecie van klasse B als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit in een hoeveelheid van 250.000 m3 of meer,

Artikel 75

Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65 blijft van toepassing op het houden van bouwstoffen, waaronder grond en baggerspecie, in een werk, indien de bouwstoffen voor dat tijdstip in het betreffende werk waren toegepast.

Artikel 76

De Vrijstellingsregeling grondverzet blijft van toepassing indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit voor het gebied waarop of waarin de grond wordt gebruikt een bodemkwaliteitskaart is vastgesteld krachtens die regeling, voor de duur waarvoor de bodemkwaliteitskaart geldt met een maximum van vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 77

Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65 blijft voor partijkeuringen, erkende kwaliteitsverklaringen en andere bewijsmiddelen, die krachtens het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming, zoals dat gold op het tijdstip van inwerkingtreding, zijn afgegeven, van toepassing voor de duur van de desbetreffende verklaring, maar ten hoogste voor drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 78

Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65 blijft voor maximaal drie jaar na dat tijdstip van toepassing, indien voor dat tijdstip een melding krachtens artikel 11, eerste lid, 18, tweede lid, of 21, tweede lid, van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming is gedaan en binnen een half jaar na dat tijdstip is begonnen met de toepassing.

Artikel 79

  • 1. Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65 blijft geldig, indien voor dat tijdstip, dan wel uiterlijk een half jaar na dat tijdstip een vergunning is verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer of artikel 1, eerste of derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, voor de duur van de vergunning maar ten hoogste voor drie jaar na dat tijdstip.

  • 2. Voorzover een vergunning op grond van artikel 1, eerste of derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren betrekking heeft op een handeling als bedoeld in artikel 35, onder g, vervalt het desbetreffende deel van de vergunning.

  • 3. In afwijking van het tweede lid vervallen de voorschriften van een vergunning waarbij verspreidingsvakken worden aangewezen een half jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 80

Op het toepassen van tarragrond blijft de Vrijstellingsregeling plantenresten en tarragrond gedurende twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit van toepassing.

Artikel 81

Indien het bij koninklijke boodschap van 21 mei 2007 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet verontreiniging zeewater en enige andere wetten, kamerstukken II, 2006/07, 31 049, nr. 1 nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, treedt dit besluit voor het toepassen van grond en baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee, op hetzelfde tijdstip in werking.

Artikel 82

Onze Minister zendt in overeenstemming met de Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Verkeer en Waterstaat binnen drie jaar na inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk.

Artikel 83

  • 1. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan of het toepassen of toepassingen, als bedoeld in artikel 35, verschillend kan worden vastgesteld.

  • 2. Artikel 36 van de Wet bodembescherming treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 1 in werking treedt.

Artikel 84

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bodemkwaliteit.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 22 november 2007

Beatrix

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

J. C. Huizinga-Heringa

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg

Uitgegeven de derde december 2007

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Bijlage 1, behorende bij artikel 28, eerste en tweede lid en 41

Parameterlijst voor bouwstoffen, grond en baggerspecie

1. Metalen

CAS-nummers

Antimoon (Sb)

7440-36-0

Arseen (As)

7440-38-2

Barium (Ba)

7440-39-3

Beryllium (Be)

7440-41-7

Cadmium (Cd)

7440-43-9

Chroom (Cr)

7440-47-3

Kobalt (Co)

7440-48-2

Koper (Cu)

7440-50-8

Kwik (Hg)

7439-97-6

Lood (Pb)

7439-92-1

Molybdeen (Mo)

7439-98-7

Nikkel (Ni)

7440-02-0

Seleen (Se)

7782-49-2

Tellurium (Te)

13494-80-9

Thallium (Tl)

7440-28-0

Tin (Sn)

7440-31-5

Vanadium (V)

7440-62-2

Zilver (Ag)

7440-22-4

Zink (Zn)

7440-66-5

 

2. Overige anorganische stoffen

Bromide

n.v.t

Chloride

n.v.t

Cyanide (vrij)

n.v.t

Cyanide-complex (ph < 5)

n.v.t

Cyanide-complex (ph ≥ 5)

n.v.t

Fluoride

n.v.t

Thiocyanaten (som)

n.v.t

Sulfaat

n.v.t

  

3. Aromatische stoffen

Benzeen

71-43-2

Ethylbenzeen

100-41-4

Tolueen

108-88-3

Ortho-xyleen

95-47-6

Meta-xyleen

108-38-3

Para-xyleen

106-42-3

Styreen

100-42-5

Fenol

108-95-2

Catechol

120-80-9

Resorcinol

108-46-3

Hydrochinon

123-31-9

Ortho-Cresol

95-48-7

Meta-cresol

108-39-4

Para-Cresol

106-44-5

Dodecylbenzeen

123-01-3

1,2,3-trimethylbenzeen

526-73-8

1,2,4-trimethylbenzeen

95-63-6

1,3,5-trimethylbenzeen

108-67-8

2-ethyltolueen

611-14-3

3-ethyltolueen

620-14-4

4-ethyltolueen

622-96-8

Isopropylbenzeen

98-82-8

Propylbenzeen

103-65-1

  

4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's)

Naftaleen

91-20-3

Fenantreen

85-01-8

Antraceen

120-12-7

Fluorantheen

206-44-0

Chryseen

218-01-9

Benzo(a)antraceen

56-55-3

Benzo(a)pyreen

50-32-8

Benzo(k)fluorantheen

207-08-9

Indeno(1,2,3cd)pyreen

193-39-5

Benzo(ghi)peryleen

191-24-2

Pyrene

129-00-0

Acenaphthene

83-32-9

Benzo(b)fluoranthene

205-99-2

Benzo(j)fluoranthene

205-82-3

Dibenz(a,h)anthracene

53-70-3

9H-Fluorene

86-73-7

Acenaphthylene

208-96-8

  

5. Gechloreerde koolwaterstoffen

 

A. (vluchtige) chloorkoolwaterstoffen

Monochlooretheen

75-01-4

Dichloormethaan

75-09-2

1,1-dichloorethaan

75-34-3

1,2-dichloorethaan

107-06-2

1,1-dichlooretheen

75-35-4

Cis-1,2-dichlooretheen

156-59-2

Trans-1,2-dichlooretheen

156-60-5

1,1-dichloorpropaan

78-99-9

1,2-dichloorpropaan

78-87-5

1,3-dichloorpropaan

142-28-9

Trichloormethaan

67-66-3

1,1,1-trichloorethaan

71-55-6

1,1,2-trichloorethaan

79-00-5

Trichlooretheen

79-01-6

Tetrachloormethaan

56-23-5

Tetrachlooretheen

127-18-4

  

B. Chloorbenzenen

Monochloorbenzeen

108-90-7

1,2-dichloorbenzeen

95-50-1

1,3-dichloorbenzeen

541-73-1

1,4-dichloorbenzeen

106-46-7

1,2,3-trichloorbenzeen

87-61-6

1,2,4-trichloorbenzeen

120-82-1

1,3,5-trichloorbenzeen

108-70-3

1,2,3,4-tetrachloorbenzeen

634-66-2

1,2,3,5-tetrachloorbenzeen

634-90-2

1,2,4,5-tetrachloorbenzeen

95-94-3

Pentachloorbenzeen

608-93-5

Hexachloorbenzeen

118-74-1

  

C. Chloorfenolen

2-chloorfenol

95-57-8

3-chloorfenol

108-43-0

4-chloorfenol

106-48-9

2,3-dichloorfenol

576-24-9

2,4-dichloorfenol

120-83-2

2,5-dichloorfenol

583-78-8

2,6-dichloorfenol

87-65-0

3,4-dichloorfenol

95-77-2

3,5-dichloorfenol

591-35-5

2,3,4-trichloorfenol

15950-66-0

2,3,5-trichloorfenol

933-78-8

2,3,6-trichloorfenol

933-75-5

2,4,5-trichloorfenol

95-95-4

2,4,6-trichloorfenol

88-06-2

3,4,5-trichloorfenol

609-19-8

2,3,4,5-tetrachloorfenol

4901-51-3

2,3,4,6-tetrachloorfenol

58-90-2

2,3,5,6-tetrachloorfenol

935-95-5

Pentachloorfenol

87-86-5

  

D. Polychloorbifenylen (PCB's)

PCB 28

7012-37-5

PCB 52

35693-99-3

PCB 101

37680-73-2

PCB 118

31508-00-6

PCB 138

35065-28-2

PCB 153

35065-27-1

PCB 180

35065-29-3

  

E. Overige gechloreerde koolwaterstoffen

2-chlooraniline

95-51-2

3-chlooraniline

108-42-9

4-chlooraniline

106-47-8

2,3-dichlooraniline

608-27-5

2,4-dichlooraniline

554-00-7

2,5-dichlooraniline

95-82-9

2,6-dichlooraniline

608-31-1

3,4-dichlooraniline

95-76-1

3,5-dichlooraniline

626-43-7

2,3,4-trichlooraniline

634-67-3

2,3,5-trichlooraniline

18487-39-3

2,4,5-trichlooraniline

636-30-6

2,4,6-trichlooraniline

634-93-5

3,4,5-trichlooraniline

634-91-3

2,3,4,5-tetrachlooraniline

634-83-3

2,3,5,6-tetrachlooraniline

3481-20-7

Pentachlooraniline

527-20-8

EOX

n.v.t.

2,3,7,8-TCDD

1746-01-6

1,2,3,7,8-PeCDD

40321-76-4

1,2,3,6,7,8-HxCDD

57653-85-7

1,2,3,7,8,9-HxCDD

19408-74-3

1,2,3,4,7,8-HxCDD

39227-28-6

1,2,3,4,6,7,8-HpCDD

35822-46-9

1,2,3,4,6,7,8,9-OCDD

3268-87-9

2,3,7,8-TCDF

51207-31-9

1,2,3,7,8-PeCDF

57117-41-6

2,3,4,7,8-PeCDF

57117-31-4

1,2,3,6,7,8-HxCDF

57117-44-9

1,2,3,7,8,9-HxCDF

72918-21-9

1,2,3,4,7,8-HxCDF

70648-26-9

2,3,4,6,7,8-HxCDF

60851-34-5

1,2,3,4,6,7,8-HpCDF

67562-39-4

1,2,3,4,7,8,9-HpCDF

55673-89-7

1,2,3,4,6,7,8,9-OCDF

39001-02-0

α-Chloornaftaleen

90-13-1

β-Chloornaftaleen

91-58-7

C10-13-chlooralkanen

85535-84-8

  

6. Bestrijdingsmiddelen

 

A. Organochloorbestrijdingsmiddelen

Aldrin

390-00-2

Dieldrin

60-57-1

Endrin

72-20-8

Isodrin

465-73-6

Telodrin

297-78-9

Cis-chloordaan

5103-71-9

Trans-chloordaan

5103-74-2

2,4-DDT

789-02-6

4,4-DDT

50-29-3

2,4-DDE

3424-82-6

4,4-DDE

72-55-9

2,4-DDD

53-19-0

4,4-DDD

72-54-8

α-Endosulfan

959-98-8

Endosulfansulfaat

1031-07-8

Endosulfan

115-29-7

α-HCH

319-84-6

β-HCH

319-85-7

γ-HCH

58-89-9

δ-HCH

319-86-8

ε-HCH

6108-10-7

Heptachloor

76-44-8

Cis-Heptachloorepoxide

280044-83-9

Trans-Heptachloorepoxide

1024-5703

Hexachloorbutadieen

87-68-3

  

B. Organofosforpesticiden

Azinfos-methyl

86-50-0

  

C. Organotin bestrijdingsmiddelen

Tributyltin

688-73-3

Trifenyltin

892-20-6

Tributyltin-kation

36643-28-4

  

D. Chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden

MCPA

94-74-6

  

E. Overige bestrijdingsmiddelen

Atrazine

1912-24-9

Carbaryl

63-25-2

Carbofuran

1563-66-2

Maneb

1247-38-2

4-chloor-3-methylfenol

59-50-7

4-chloor-2-methylfenol

1570-64-5

Propazine

139-40-2

Simazine

122-34-9

Terbutryn

886-50-0

Bromofos-ethyl

4824-78-6

Bromofos-methyl

2104-96-3

Chloorpyrifos-ethyl

2921-88-2

Dichloorvos

62-73-7

Disulfoton

298-04-4

Fenthion

55-38-9

Malathion

121-75-5

Parathion-ethyl

56-38-2

Parathion-methyl

298-00-0

Alachloor

15972-60-8

Chloorfenvinfos

470-90-6

Diuron

330-54-1

Isoproturon

34123-59-6

Trifluraline

1582-09-8

  

7. Overige parameters

Acrylonitril

107-13-1

Asbest

n.v.t.

Butanol

71-36-3

Butylacetaat

123-86-4

Cyclohexanon

108-94-1

Diethyleenglycol

111-46-6

Ethylacetaat

141-78-6

Ethyleenglycol

107-21-1

Formaldehyde

50-00-0

Dimethylftalaat

131-11-3

Diethylftalaat

84-66-2

Di-isobutylftalaat

84-69-5

Dibutylftalaat

84-74-2

Butylbenzylftalaat

85-68-7

Dihexylftalaat

84-75-3

Di(2-ethylhexyl)ftalaat

117-81-7

Di-n-octylftalaat

117-84-0

Isopropanol

67-63-0

Methanol

67-56-1

Methylethylketon

78-93-3

MTBE

1634-04-4

Minerale olie

n.v.t.

Vertakte en onvertakte alkanen bestaande uit minimaal 5 en maximaal 40 koolstofatomen(1)

n.v.t.

Nutriënten

n.v.t.

pH

n.v.t.

Pyridine

110-86-1

Reducerend vermogen

n.v.t.

Tetrahydrofuran

109-99-9

Tetrahydrothiofeen

110-01-0

Tribroommethaan

75-25-2

Zwevende stof

n.v.t.

Nonylfenolen

25154-52-3

4-para-nonylfenol

104-40-5

Octylfenolen

1806-26-4

Para-tert-octylfenol

140-66-9

(1) De vertakte en onvertakte alkanen kunnen zowel als individuele stof als in verschillende deelverzamelingen in somparameters worden genormeerd.

NOTA VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

Blz.

   

I. Algemeen

37

   

Hoofdstuk 1. Achtergronden en inhoud van het besluit

37

1.1

Achtergronden

37

1.2

Inhoud van het besluit

38

1.3

Doelstellingen van het bodembeleid

38

1.4

Veranderingen in het bodembeleid

40

1.4.1

Bouwstoffen

40

1.4.2

Grond en baggerspecie

41

1.4.3

Samenvatting consequenties veranderingen in het bodembeleid

43

1.5

Beoordelingssystematiek

44

1.6

Toepassingen in oppervlaktewater

45

1.6.1

Reikwijdte

45

1.6.2

Begrip baggerspecie

47

1.6.3

Ten slotte

48

   

Hoofdstuk 2. Kwaliteit van uitvoering

48

   

Hoofdstuk 3. Bouwstoffen

48

3.1

Doelstelling bouwstoffen

48

3.1.1

Doelstelling

48

3.1.2

Uitgangspunten

49

3.2

Werkingssfeer bouwstoffen

49

3.2.1

Reikwijdte

49

3.2.2

Toepassing van bouwstoffen in een werk

49

3.2.3

Overig

50

3.3

Normstelling bouwstoffen

50

3.3.1

Eisen en parameters

50

3.3.2

Emissie-eisen

51

3.3.3

Samenstellingseisen

52

3.4

Milieu-effecten

53

3.4.1

Effect van emissies naar bodem en grondwater

53

3.4.2

Effect van samenstelling op bodem en grondwater

55

3.4.3

Effecten op het oppervlaktewater

55

3.4.4

Overige milieu-effecten

55

3.5

IBC-bouwstoffen

56

3.5.1

Isoleren, beheersen en controleren

56

3.5.2

Melden van IBC-bouwstoffen

56

3.5.3

Gelijkwaardigheid bij isolerende voorzieningen

57

3.5.4

Geen IBC in oppervlaktewater

57

3.6

Bedrijfseconomische gevolgen

57

3.6.1

Bedrijfseffectentoets

57

3.6.2

Doelgroepen

58

3.6.3

Administratieve lasten

58

3.6.4

Toetsing door Actal

59

3.6.5

Inhoudelijke nalevingskosten

60

3.6.6

Markteffecten en andere effecten

60

3.6.7

Bestuurlijke lasten

61

   

Hoofdstuk 4. Grond en baggerspecie

61

4.1

Hoofdlijnen

61

4.1.1

Systeem grond en baggerspecie

61

4.1.2

Melding

63

4.1.3

Actoren, bevoegdheden en verplichtingen

63

4.1.4

De lokale bodembeheerder

63

4.1.5

De toepasser

64

4.2

Doelstellingen

64

4.3

Werkingssfeer

65

4.3.1

Reikwijdte

65

4.3.2

Particulieren en landbouwbedrijven

65

4.3.3

Nuttige toepassing van grond en baggerspecie

65

4.3.4

Tijdelijke opslag van grond en baggerspecie

66

4.4

Voorschriften voor toepassing van grond en baggerspecie

72

4.4.1

Algemeen

72

4.4.2

Vaststellen van kwaliteitseisen en milieuhygiënische verklaring

72

4.4.3

Melden

73

4.5

Normstelling en toetsingskaders voor grond en baggerspecie

74

4.5.1

Gehanteerde waarden

74

4.5.2

Toetsingskaders

75

4.6

Gebiedsspecifieke toetsingskader voor de algemene toepassing

75

4.6.1

Gebiedsspecifieke toetsingskader

75

4.6.2

Procedure vaststellen lokale maximale waarden

76

4.6.3

Nota bodembeheer

77

4.6.4

Standstill-beginsel op gebiedsniveau

78

4.6.5

Ernstig verontreinigde grond

78

4.7

Generieke toetsingskader voor algemene toepassingen

79

4.7.1

Bodemfuncties en bodemfunctieklassen

79

4.7.2

Bodemkwaliteitsklassen

80

4.7.3

Toetsing van toepassingen op of in de bodem

81

4.7.4

Toepassingen in oppervlaktewater: achtergronden en toetsing

82

4.7.5

Bodemfunctiekaart en bodemkwaliteitskaart

83

4.8

Verspreiden baggerspecie

84

4.8.1

Verspreiden van baggerspecie over het aangrenzend perceel

84

4.8.2

Verspreiden van baggerspecie in oppervlaktewater

85

4.9

Toetsingskader grootschalige toepassingen

86

4.9.1

Algemeen

86

4.9.2

Criteria

86

4.9.3

Baggerspecie in watersysteem

88

4.10

Milieu-effecten grond en baggerspecie

88

4.10.1

Algemeen

88

4.10.2

Bodem

89

4.10.3

Oppervlaktewater

90

4.10.4

Grondstoffen en afvalstoffen

90

4.10.5

Beschikbare fysieke ruimte

91

4.10.6

Energiegebruik, mobiliteit en lucht

91

4.11

Bedrijfseconomische gevolgen voor grond en baggerspecie

91

4.11.1

Bedrijfseffectentoets

91

4.11.2

Administratieve lasten

94

4.11.3

Marktwerking en andere effecten

96

4.11.4

Bestuurlijke lasten

98

   

Hoofdstuk 5. Algemene onderdelen

99

5.1

Milieuhygiënische verklaringen

99

5.1.1

Algemeen

99

5.1.2

Partijkeuringen

100

5.1.3

Fabrikant-eigenverklaringen

100

5.1.4

Erkende kwaliteitsverklaringen

101

5.1.5

CE-markering

101

5.1.6

Verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart

101

5.1.7

Verklaring op grond van bodemonderzoek

102

5.2

Handhaving en toezicht

102

5.2.1

Inleiding

102

5.2.2

Verdeling verantwoordelijkheden bevoegde bestuursorganen

102

5.2.3

Bevoegdheden en verplichtingen voor het lokale bevoegde gezag

105

5.2.4

Bevoegdheden en verplichtingen voor de VI en de IVW

105

5.2.5

Invulling ketenhandhaving

106

5.2.6

Resultaten uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets

107

5.3

Verhouding tot nationale regelgeving

111

5.3.1

Wet bodembescherming, Wet verontreiniging oppervlaktewateren en Wet milieugevaarlijke stoffen

111

5.3.2

Bodemsanering

112

5.3.3

Afvalstoffenregelgeving

113

5.3.4

Natuurbeschermingsrecht

114

5.3.5

Meststoffenwet

116

5.3.6

Stortbesluit bodembescherming

116

5.3.7

Bouwbesluit

116

5.3.8

Ruimtelijke ordening

116

5.3.9

Mijnwetgeving

117

5.3.10

London Protocol

117

5.3.11

Wet verontreiniging zeewater

118

5.4

Verhouding tot Europese regelgeving

118

5.4.1

Richtlijn bouwproducten

118

5.4.2

Europese bodemstrategie

119

5.4.3

Kaderrichtlijn water

119

5.4.4

Grondwaterrichtlijn

120

5.4.5

Richtlijn storten

121

5.4.6

Vogel- en Habitatrichtlijn

121

5.4.7

Milieu-effectrapportage en strategische milieubeoordeling

121

5.4.8

Kaderrichtlijn afvalstoffen voor grond en baggerspecie

122

5.4.9

Kaderrichtlijn afvalstoffen voor bouwstoffen

125

   

Hoofdstuk 6. Voorbereiding van het besluit

126

6.1

Advies Technische Commissie Bodembescherming

126

6.1.1

Bouwstoffen

126

6.1.2

Grond en baggerspecie

128

6.2

Reacties op de voorpublicatie

130

6.2.1

Aantal en algemene duiding

130

6.2.2

Reikwijdte

131

6.2.3

Bevoegd gezag bij slootdempingen

131

6.2.4

Normstelling

131

6.2.5

Onderscheid tussen bouwstoffen en grond en baggerspecie

132

6.2.6

Aansluiting bij de ruimtelijke ordening

132

6.2.7

Decentralisatie

132

6.2.8

Opnieuw gebruiken van bouwstoffen

133

6.2.9

Afstemming met de RAW-systematiek

133

6.2.10

Bestuurlijke lasten

133

6.3

Advies Raad van State

133

6.4

Notificatie

133

   

II. Artikelsgewijs

134

I. ALGEMEEN

Hoofdstuk 1. Achtergronden en inhoud van het besluit

1.1 Achtergronden

Begin jaren tachtig werd geconstateerd dat het ontbreken van milieuhygiënische randvoorwaarden een belemmering vormde voor het hergebruik van secundaire grondstoffen op of in de bodem. Het ging dan vooral om steenachtige bouwstoffen en grond en baggerspecie als bouwstof, waarbij het onduidelijk was wat het effect was van deze bouwstoffen op de bodem en het oppervlaktewater, inclusief de bodem onder het oppervlaktewater. Uiteindelijk resulteerde dit in het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming (het Bouwstoffenbesluit) dat met ingang van 1 januari 1996 gedeeltelijk en met ingang van 1 januari 1999 volledig in werking trad. Het Bouwstoffenbesluit had tot doel milieuhygiënische randvoorwaarden te geven voor het gebruik van primaire en secundaire bouwstoffen op of in de bodem of in oppervlaktewater.

Daarnaast trad met ingang van 1 oktober 1999 (met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 1999) de Vrijstellingsregeling grondverzet in werking om het hergebruik van licht verontreinigde grond als bodem mogelijk te maken. Deze regeling was nodig omdat op grond van het Bouwstoffenbesluit bouwstoffen niet met de bodem mochten worden vermengd en de bouwstoffen veelal verwijderd moesten kunnen worden. De toen in ontwikkeling zijnde praktijk van actief bodembeheer in gemeenten en provincies, dat zich richtte op een verantwoord en duurzaam gebruik van de bodem door het instandhouden en zo mogelijk verbeteren van de gebruikswaarde van de bodem, zou met de inwerkingtreding van het Bouwstoffenbesluit worden doorkruist. De Vrijstellingregeling grondverzet stelde het hergebruik van licht verontreinigde grond als bodem met name vrij van de genoemde verplichtingen van het Bouwstoffenbesluit. Nadat met de Vrijstellingsregeling grondverzet de nodige ervaring zou zijn opgedaan en het beleid met betrekking tot actief bodembeheer verder zou zijn ontwikkeld zouden deze ervaring en kennis in een algemene maatregel van bestuur worden opgenomen.

In 2001 is het Bouwstoffenbesluit geëvalueerd, waaruit bleek dat het besluit een goed kader biedt dat stimulerend werkt op het hergebruik van materialen, maar dat er ook forse knelpunten bestonden in de uitvoeringspraktijk. Het besluit werd onder meer als te complex, te star en slecht handhaafbaar ervaren. Bovendien werden de administratieve lasten als te hoog ervaren. Ook de normstelling stond onder druk, omdat deze onvoldoende rekening hield met milieurisico’s. Gepleit werd voor een aansluiting bij de daadwerkelijke risico’s van de toepassing van bouwstoffen. Daarnaast bleek het beleid voor grond en baggerspecie te versnipperd geregeld in het Bouwstoffenbesluit en de Vrijstellingsregeling grondverzet. Het bleek wenselijk om een aparte, brede aanpak van grond en baggerspecie uit te werken, waarin meer rekening kan worden gehouden met de specifieke aspecten van deze materialen.

Op basis van deze evaluatie heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM), mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (VenW), in een brief aan de Tweede Kamer aangegeven, dat hij het Bouwstoffenbesluit wilde herzien en hierbij wilde onderzoeken of en op welke wijze voor grond en baggerspecie een nieuw, samenhangend beleidskader kan worden gemaakt.

In de brief over de herijking van de VROM-regelgeving1 is herhaald dat het Bouwstoffenbesluit fundamenteel zal worden herzien om het eenvoudiger, beter uitvoerbaar en beter handhaafbaar te maken en dat als onderdeel van deze herziening grond en baggerspecie in een apart kader zullen worden ondergebracht.

De kaders voor bouwstoffen en voor grond en baggerspecie zijn verder uitgewerkt in de brief van 24 december 20032 aan de Tweede Kamer (hierna te noemen: Beleidsbrief bodem) en in het onderhavige besluit juridisch verankerd. Hierbij zijn beide kaders inhoudelijk zoveel mogelijk op elkaar afgestemd, maar blijven zij verder wel nadrukkelijk gescheiden. Het kader voor de toepassing van grond en baggerspecie in dit besluit vormt met bodemsanering een samenhangend en consistent systeem voor bodembeheer, zoals aangekondigd in de brief van 19 juli 20053 aan de Tweede Kamer.

1.2 Inhoud van het besluit

Het onderhavige besluit is gebaseerd op de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet milieugevaarlijke stoffen en de Woningwet (zie paragraaf 5.3.1 en de artikelsgewijze toelichting onder «Grondslagen van het besluit»).

In hoofdlijnen heeft het onderhavige besluit ten doel milieuhygiënische voorwaarden te stellen aan de toepassing van bouwstoffen, grond en baggerspecie ter bescherming van de bodem en het oppervlaktewater. De regels verschaffen tevens duidelijkheid over de mogelijkheden van het hergebruik van afvalstoffen als bouwstof of als bodem.

Dit besluit richt zich primair tot degenen die bouwstoffen, grond of baggerspecie toepassen. Hier vallen ook particulieren (natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf) onder (zie paragraaf 4.3.2).

Dit besluit is als volgt vormgegeven.

In hoofdstuk 1 zijn onder meer definities, bepalingen over het bevoegd gezag en de zorgplicht opgenomen (zie de toelichting bij de desbetreffende bepalingen).

Hoofdstuk 2 bevat bepalingen die betrekking hebben op de kwaliteit van de uitvoering.

Hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 bevatten voorschriften ten aanzien van het toepassen van bouwstoffen respectievelijk grond en baggerspecie.

Hoofdstuk 5 bevat onder meer overgangsbepalingen, de inwerkingtredingsbepaling, de intrekking en wijziging van enkele wettelijke regelingen in verband met de inwerkingtreding van het onderhavige besluit.

Bijlage 1 bij dit besluit bevat de parameterlijst voor bouwstoffen, grond en baggerspecie.

In de hoofdstukken 3, 4 en 5 van de nota van toelichting bij dit besluit wordt de werkingssfeer van de desbetreffende hoofdstukken afzonderlijk toegelicht. Voor de toelichting bij hoofdstuk 2 wordt verwezen naar de nota van toelichting bij het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer (zie ook de toelichting bij artikel 66).

1.3 Doelstellingen van het bodembeleid

In het onderhavige besluit worden de doelstellingen van het bodembeleid ten aanzien van bouwstoffen, grond en baggerspecie juridisch vormgegeven door het vastleggen van het beleidskader voor bouwstoffen, grond en baggerspecie. Onderstaand wordt op deze doelstellingen ingegaan.

Het doel van het Nederlandse bodembeleid is een balans te vinden tussen de maatschappelijke opgave die voortvloeit uit de Wet bodembescherming en de maatschappelijke opgave die voortvloeit uit het sociaal-economische gebruik van de bodem, dat wil zeggen een balans tussen enerzijds de bescherming van de gezondheid van de mens en het behoud van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant en dier, en anderzijds het geven van ruimte aan maatschappelijke activiteiten op de bodem.

Dit betekent dat eventuele negatieve effecten van maatschappelijke activiteiten op de kwaliteit van de bodem moeten worden tegengegaan zonder deze activiteiten onmogelijk te maken. Het gaat hierbij om het bouwen van huizen, het aanleggen van wegen, het uitbaggeren van vaarwegen en diverse andere activiteiten die invloed kunnen uitoefenen op de kwaliteit van de bodem. De uitdaging voor het beleid is de balans tussen deze maatschappelijke opgaven te vinden en te behouden. Zodra een evenwichtige situatie is bereikt, is sprake van duurzaam bodembeheer.

De Nederlandse bodem is voor het overgrote deel niet of nauwelijks verontreinigd. Het grootste deel van de bodem wordt gebruikt als landbouwgrond (60% van de landbodem) en natuurgebied (10% van de landbodem). De kwaliteit van deze gebieden mag niet achteruit gaan. Het bodembeleid is er daarom voor een belangrijk deel op gericht de aanwezige balans te behouden. Dit betekent het voorkómen of beperken van verontreiniging door het aanpakken van mogelijke bronnen van bodembelasting, zoals bedrijfsmatige activiteiten, lozingen in de bodem, het storten van afval, bouwactiviteiten, enzovoort. Ook het bebouwde deel van de bodem (15% van de landbodem) voldoet aan de achtergrondwaarden, hoewel de druk van menselijke activiteiten hier groter is. Dit heeft in het verleden onder andere geresulteerd in een diffuse verontreiniging van het binnenstedelijk gebied voor een beperkt aantal specifieke stoffen en puntverontreinigingen op plekken van oude industriële bedrijvigheid. Aandacht is vooral nodig voor grondstromen afkomstig uit licht tot ernstig verontreinigde gebieden. De resterende 15% van de bodem betreft waterbodems.

Voor baggerspecie geldt de volgende analyse. Het overgrote deel van de Nederlandse bodem is gevormd door de afzet van (overwegend schoon) rivier- en zeesediment. Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw groeide het besef dat door de sterk toegenomen naoorlogse milieudruk niet alleen het oppervlaktewater maar ook het waterbodemsediment op grote schaal was verontreinigd. Inmiddels is vanwege de aanpak van de daarvoor verantwoordelijke bronnen van verontreiniging de kwaliteit van oppervlaktewater en waterbodemsediment significant verbeterd. Locaties waar periodiek baggerwerk plaatsvindt (havengebieden, scheepvaartgeulen, regionale watergangen vanwege de aan- en afvoerfunctie) en dus recent afgezet sediment wordt opgebaggerd, profiteren het meest van deze kwaliteitsverbetering. Op een groot aantal locaties wordt echter geen periodiek (onderhouds)baggerwerk uitgevoerd en worden we geconfronteerd met verontreinigde waterbodems als erfenis uit het verleden. Voor zover deze verontreiniging leidt tot onaanvaardbare risico’s voor mens, plant of dier, vindt sanering plaats. Dit is meestal het geval als ter plaatse sprake is geweest van (extra) verontreiniging van de waterbodem door locale activiteiten of lozingen (puntverontreiniging).

Het merendeel van de waterbodemverontreiniging betreft echter diffuse verontreiniging die vanuit risico-oogpunt niet gesaneerd hoeft te worden. Dit gegeven, in samenhang met de omstandigheid dat zich in watersystemen voortdurend natuurlijke processen afspelen van sedimentatie en erosie en de hiermee gepaard gaande (her)verontreiniging, vormt een belangrijk element van het waterbodembeleid. Dit beleid kenmerkt zich verder door de sterke nadruk op het voorkómen of beperken van verontreiniging door effectief bronbeleid omdat alleen langs deze weg structurele en duurzame verbetering van de kwaliteit van de waterbodem kan worden gerealiseerd. Momenteel worden hiertoe op grond van de Kaderrichtlijn Water (inter)nationale afspraken gemaakt.

Het onderhavige besluit ziet op deze doelstellingen door het juridisch vastleggen van het beleidskader voor bouwstoffen, grond en baggerspecie.

1.4 Veranderingen in het bodembeleid

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de veranderingen in het bodembeleid ten aanzien van bouwstoffen, grond en baggerspecie en de wijze waarop deze zijn geëffectueerd in het onderhavige besluit.

In zijn algemeenheid geldt dat de regelgeving voor de toepassing van bouwstoffen, grond en baggerspecie is vereenvoudigd en meer flexibiliteit geeft om af te stemmen op de locale omstandigheden.

Voor het toepassen van grond en baggerspecie is het normenkader consistenter geworden, waardoor een betere afstemming ontstaat tussen de regelgeving voor toepassen van grond en baggerspecie en de regels voor bodemsanering.

De voorschriften in dit besluit sluiten beter aan bij de mate van risico die de diverse toepassingen met zich meebrengen.

Ook zijn de administratieve lasten teruggebracht door de ontwikkeling van een vereenvoudigde kwaliteitsborging. Door borging van de kwaliteit en integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten wordt de kwaliteit van de uitvoering verbeterd.

Verder is in dit besluit de mogelijkheid opgenomen om gericht toezicht te houden op de gehele keten van bouwstoffen, grond of baggerspecie, dat wil zeggen vanaf de productie van bouwstoffen of de ontgraving van grond of baggerspecie tot en met de toepassing van bouwstoffen, grond of baggerspecie op of in de bodem of in oppervlaktewater.

Het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie op of in de bodem of in oppervlaktewater betreft een beïnvloeding van de bodem die voor een groot aantal maatschappelijke activiteiten wenselijk wordt geacht. In het onderhavige besluit zijn voorschriften opgenomen die voor deze toepassingen milieuhygiënische randvoorwaarden stellen ter bescherming van bodem, grond- en oppervlaktewater.

Deze voorschriften zijn gebaseerd op de kennis, de ervaring en de inzichten die de afgelopen jaren zijn opgedaan.

1.4.1 Bouwstoffen

Voor de toepassing van bouwstoffen stelt dit besluit grenzen aan de emissie en de samenstelling op basis van een risicobenadering. Deze benadering gaat uit van een maximaal toelaatbare toevoeging van stoffen aan bodem en grondwater. Hierbij wordt in tegenstelling tot het Bouwstoffenbesluit gekeken naar het daadwerkelijke effect van de gebruikte bouwstof op het leven in de bodem en het grondwater. De nieuwe normstelling richt zich primair op het product zonder te differentiëren naar de verschillende situaties bij de toepassing. Bouwstoffen die aan het generieke beschermingsniveau voldoen, mogen worden toegepast zonder nadere eisen aan de toepassing. Bouwstoffen die niet aan dit beschermingsniveau voldoen, mogen tot bepaalde grenzen aan emissie en samenstelling worden toegepast met isolerende voorzieningen. Deze generieke benadering betekent een sterke vereenvoudiging van de uitvoering en handhaving.

1.4.2 Grond en baggerspecie

Hieronder zijn puntsgewijs de hoofdlijnen van dit besluit met betrekking tot het toepassen van grond en baggerspecie weergegeven:

– Dit besluit neemt de versnippering in regelgeving weg ten aanzien van het toepassen van grond en baggerspecie op of in de bodem en in oppervlaktewater, door in één kader te voorzien voor wat betreft de navolgende tot op heden gebruikelijke «toepassingsvormen»:

– het gebruik van grond en baggerspecie conform het Bouwstoffenbesluit;

– actief bodem beheer conform de Vrijstellingsregeling grondverzet en de beleidsnotities Actief bodembeheer Maas en Actief bodembeheer Rijntakken;

– het verspreiden van baggerspecie over de aan de watergang grenzende percelen;

– het verspreiden van baggerspecie in zoet of zout oppervlaktewater;

– het toepassen van grond of baggerspecie in een afdeklaag in het kader van een sanering op grond van de Wet bodembescherming (Wbb);

– het toepassen van grond of baggerspecie in een afdichtingslaag op een (voormalige) stortplaats op grond van de Wet milieubeheer (Wm);

– de tijdelijke opslag van grond of baggerspecie over de aan de watergang grenzende percelen (zgn. weilanddepots);

– de tijdelijke opslag van grond of baggerspecie voorafgaand aan een nuttige toepassing.

De nieuwe regelgeving is gebaseerd op een vernieuwd beleidskader. De toepassingen van grond en baggerspecie op of in de bodem en in watersystemen worden vergelijkbaar getoetst. Onderdelen uit de regelgeving waarmee de afgelopen jaren bij deze toepassingen positieve ervaringen zijn opgedaan, zijn meegenomen in de nieuwe regelgeving.

– Het beleid voor grond en baggerspecie is niet langer centraal gedicteerd, maar gaat uit van een eigen verantwoordelijkheid voor het bevoegd gezag om gebiedsgericht maatwerk te kunnen verrichten. Hierdoor wordt de ruimte binnen beleid en regelgeving voor toepassing van gebiedseigen grond en baggerspecie beter benut. Vernieuwend is hierbij ook dat de toetsing aan het standstill-beginsel op gebiedsniveau mag plaatsvinden in plaats van per vierkante meter. Voor overheden die gebiedsgericht maatwerk niet noodzakelijk vinden, zijn generieke regels opgesteld. Ook deze regels gaan uit van een betere benutting van de beleidsruimte voor het toepassen van grond en baggerspecie.

– De basis voor het vernieuwde beleidskader voor de toepassing van grond en baggerspecie op of in de bodem en in watersystemen wordt gevormd door het gedachtegoed uit de Vrijstellingregeling grondverzet. Dit gedachtegoed betreft een vorm van actief bodembeheer waarmee bij de landbodems de afgelopen jaren veel ervaring is opgedaan en waarmee grond daadwerkelijk als bodem kon worden toegepast. Vernieuwend aan de nieuwe regelgeving is dat er nu een wettelijke basis is voor actief bodembeheer in watersystemen.

– Vernieuwend bij de toetsing van de toepassingen van grond en baggerspecie op of in de landbodem is de introductie van bodemfuncties. De hierboven bedoelde maatschappelijke activiteiten op de bodem zijn gebundeld in zeven bodemfuncties die in de uitvoeringsregeling zijn vastgelegd. Voor deze bodemfuncties zijn toetsingscriteria ontwikkeld die zijn gebaseerd op de risicobenadering. Bij gebiedsspecifieke toetsing van de toepassingen van grond en baggerspecie legt het bevoegd gezag lokale maximale waarden vast waarbij rekening is gehouden met de gewenste kwaliteit van de bodem voor de bodemfunctie ter plaatse. Voor de generieke toetsing van toepassingen van grond en baggerspecie zijn deze functies gebundeld in bodemfunctieklassen om voor overheden die gebiedsgericht maatwerk niet noodzakelijk vinden, de toetsing te vereenvoudigen.

– Ook wordt bij de generieke toetsing van toepassingen van grond en baggerspecie op of in de landbodem voor het eerst gebruik gemaakt van de indeling van de bodemkwaliteit in bodemkwaliteitsklassen, die meer recht doen aan de heterogeniteit van de bodem en in het waterbeheer al vele jaren gemeengoed zijn. Een indeling in bodemkwaliteitsklassen maakt ook het grondverzet in Nederland eenvoudiger. Bij deze toetsing gaan bodemkwaliteitskaarten een belangrijke rol vervullen.

– Er wordt bij de toepassing van grond en baggerspecie geen onderscheid meer gemaakt tussen toepassing in werken en toepassing als bodem. Op grond van dit besluit worden alle toepassingen van grond en baggerspecie als bodemtoepassing getoetst. Ook wordt bij de toetsing geen onderscheid meer gemaakt in de locatie, diepte of hoogte waarop grond en baggerspecie wordt toegepast. De toepassingen van grond of baggerspecie in bijvoorbeeld wegen, parken, terpen, putten en woonwijken kunnen op dezelfde wijze worden getoetst.

– Een belangrijke verbetering van de nieuwe regelgeving is dat grondverzet en bodemsanering goed op elkaar zijn afgestemd. Ernstig verontreinigde grond en baggerspecie mogen slechts in een beperkt aantal gevallen worden toegepast binnen een door het bevoegd gezag aangewezen gebied. Er mag hierbij geen sprake zijn van een onaanvaardbaar risico voor mens, plant en dier en geen urgentie van sanering aanwezig zijn. De saneringsdoelstellingen zijn afgestemd op de normen die voor het grondverzet worden gehanteerd.

– Voor de verspreiding van baggerspecie over de aan de watergang grenzende percelen (baggerspecie op de kant) heeft dit besluit een aantal belangrijke knelpunten weggenomen. De «20 meter»-grens is verruimd, of beter gezegd teruggedraaid, naar de perceelsgrens die reeds in de Waterstaatswet van 1900 is gedefinieerd. Verder is de mogelijkheid opgenomen tot het opwerpen van weilanddepots naast de gebaggerde watergang zonder dat hiervoor een Wm-vergunning noodzakelijk is. Het wegnemen van de diverse knelpunten kent grote voordelen voor het beheer van de regionale watersystemen.

– De voorwaarden voor het verspreiden van baggerspecie in oppervlaktewater zijn over het algemeen niet veel veranderd, los van het feit dat het gebiedsgericht mogelijk is om generieke verspreidingsgrenzen te optimaliseren.

– Voor de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie bij of krachtens dit besluit zijn flexibelere voorschriften opgenomen, zodanig dat een Wm-vergunning niet noodzakelijk is.

Hierboven zijn de veranderingen geschetst die betrekking hebben op de toetsing van de algemene toepassing van grond en baggerspecie op grond van het onderhavige besluit.

Dit besluit kent echter ook een toetsingskader voor grootschalige toepassingen van grond en baggerspecie, dat duidelijke overeenkomsten vertoont met het toetsingskader dat is gehanteerd vóór de inwerkingtreding van dit besluit.

Bij grootschalige toepassingen gaat het om toepassingen op of in de bodem die voldoen aan minimumvoorwaarden voor hoogte en omvang. De toetsing van deze toepassingen vertoont grote gelijkenis met de toetsing van de toepassing van bouwstoffen in werken. De basis voor de toetsing wordt gevormd door het beoordelen van verspreidingsrisico’s als gevolg van optredende emissies. De toetsing aan de ontvangende bodem is hierbij niet noodzakelijk. De ervaringen met de werken in het Bouwstoffenbesluit hebben geleid tot betere criteria voor het beheren van grootschalige toepassingen. Een voorbeeld hiervan is een vergroting van de minimale omvang van de toepassing en een registratieplicht. De toetsing van grootschalige toepassingen van grond en baggerspecie kent dan ook vergelijkbare voordelen als de toetsing van bouwstoffen in werken in het kader van het Bouwstoffenbesluit, bijvoorbeeld bij de aanleg van grote infrastructurele projecten. Vernieuwend is echter dat bij de afwerking van de grootschalige toepassing via een leeflaag nadrukkelijk rekening is gehouden met de kwaliteit van de omliggende bodem en de (neven)functies die de toepassing vervult.

1.4.3 Samenvatting consequenties veranderingen in het bodembeleid

In het voorgaande van deze paragraaf zijn de belangrijkste veranderingen in het bodembeleid beschreven, waarbij verband is gelegd met de doelstellingen zoals beschreven in paragraaf 1.3. Bij het ontwikkelen van de nieuwe regelgeving is tevens gekeken naar de consequenties, middels de uitvoering van diverse toetsen. Deze dienen primair voor het in beeld brengen van mogelijk (ongewenste) neveneffecten van de nieuwe regelgeving. Secundair geven ze tevens inzicht in de mate waarin bepaalde doelstellingen worden gerealiseerd, zoals duurzaamheid, vereenvoudiging regelgeving en vermindering van administratieve en bestuurlijke lasten. Een samenvatting van de resultaten van de toetsen wordt hieronder weergegeven, met verwijzing naar de uitgebreidere beschrijving in deze nota van toelichting.

Milieuhygiënische effecten

Voor het toepassen van bouwstoffen geldt het preventieve spoor, gericht op het beperken van effecten op bodem, grondwater en oppervlaktewater door het toepassen van bouwstoffen. Voor veel bouwstoffen kon de normstelling worden vastgesteld op het beoogde beschermingsdoel of zelfs scherper. Voor enkele bouwstoffen ligt de norm iets boven het beoogde beschermingsdoel, maar wel onder of gelijk aan de normering van het Bouwstoffenbesluit (op één uitzondering na). Het Besluit bodemkwaliteit biedt daarmee in een aantal gevallen een gelijkwaardige en in de meeste gevallen een hogere bescherming dan onder het Bouwstoffenbesluit het geval was. (nadere toelichting in paragraaf 3.4)

Voor het toepassen van grond en baggerspecie geldt het beheersspoor. Het gaat hierbij om het verantwoord omgaan met reeds aanwezige (historische, diffuse) verontreiniging in de (water)bodem. Door de nieuwe regelgeving zullen verontreinigingen van de bodem niet toenemen, maar kunnen deze wel worden verplaatst. Hiervan worden positieve milieu-effecten verwacht, omdat de aanwezige bodemkwaliteit beter in overeenstemming kan worden gebracht met het beoogde gebruik van de bodem, hetgeen is verankerd in de normstelling. Bovendien worden de mogelijkheden voor hergebruik van grond en baggerspecie verbeterd, zodat de hoeveelheid te storten grond en baggerspecie afneemt en inzet van primaire grondstoffen wordt beperkt. (nadere toelichting in paragraaf 4.10)

Bedrijfseffecten

Met betrekking tot bouwstoffen krijgt ook de tussenhandel te maken met het besluit, hetgeen onder het Bouwstoffenbesluit niet het geval was. De economische gevolgen zijn echter beperkt, omdat de milieuhygiënische kwaliteit van de bouwstoffen die worden verhandeld reeds eerder in de keten is bepaald. De nieuwe normstelling leidt niet tot grote markteffecten, de kans op afkeur blijft gelijk of neemt zelfs af. Door vereenvoudiging van de regelgeving (onder meer vervallen toepassingshoogte) worden positieve bedrijfseffecten verwacht. (nadere toelichting in paragraaf 3.6)

De bedrijfseffecten van het onderdeel grond en baggerspecie verschillen per sector. Voor de zandwinbedrijven worden geen effecten verwacht. Voor de GWW-sector, loonwerkers, aardappel- en bietenverwerkende industrie (afzet tarragrond) en baggerbedrijven worden positieve effecten verwacht. Zowel positieve als negatieve effecten worden verwacht voor de grondbanken, adviesbureau’s en laboratoria. Per saldo negatief bedrijfseffect wordt verwacht voor de grondreinigers en stortplaatsen als gevolg van verminderd aanbod van te reinigen of te storten grond en baggerspecie. (nadere toelichting in paragraaf 4.11)

Administratieve lasten

De administratieve lasten zijn de kosten voor het bedrijfsleven om te voldoen aan informatieverplichtingen voortvloeiend uit wet- en regelgeving van de overheid. In dit besluit gaat het om keuringskosten, afgifte van milieuhygiënische verklaringen en het doen van meldingen.

Voor bouwstoffen leidt het besluit tot een aantal forse besparingen. Rond partijkeuringen wordt een lastenverlichting verwacht, mede door vereenvoudigde regelgeving voor hergebruik van bouwstoffen. Verder leidt de introductie van de fabrikant-eigenverklaring tot een halvering van de kosten voor circa 500 tot 600 producenten. Door de gewijzigde normering wordt een lichte daling verwacht van de keuringskosten. In totaal wordt voor bouwstoffen een besparing verwacht van circa 5,9 miljoen euro per jaar. (nadere toelichting in paragraaf 3.6.3)

Ook voor het onderdeel grond en baggerspecie worden de administratieve lasten verminderd. De besparing vloeit voor uit de introductie van bodemkwaliteitskaarten en fabrikant-eigenverklaringen als bewijsmiddel. Door het centrale, digitale systeem voor het doen van meldingen kan de minimale inspanningsverplichting voor het toepassen van schone grond budgetneutraal worden ingevoerd. De totale meldingskosten voor grond en baggerspecie blijven dus ongewijzigd. De besparing op de administratieve lasten voor grond en baggerspecie bedragen 9,3 miljoen euro per jaar. (nadere toelichting in paragraaf 4.11.2)

De totale besparing voor het hele besluit bedraagt 15,2 miljoen euro per jaar (= 47%).

Bestuurlijke lasten

Door het centrale, digitale meldsysteem zullen de bestuurlijke lasten als gevolg van de afhandeling van meldingen dalen, ook al neemt het aantal meldingen toe. Daarnaast zal selectiever toezicht mogelijk zijn als gevolg van ketenhandhaving. Naar verwachting wordt een besparing van 2,9 miljoen euro per jaar (= 22%) gerealiseerd. De kosten voor de ontwikkeling van gebiedsgericht beleid zijn niet meegenomen, omdat het geen verplichting is voor de uitvoering van het nieuwe besluit. (nadere toelichting in paragraaf 4.11.4)

1.5 Beoordelingssystematiek

In de Beleidsbrief bodem is aangekondigd dat de omvang van de risico’s voor mens, plant en dier tengevolge van de toepassing van bouwstoffen, grond en baggerspecie als volgt bij de uitwerking van het beleid zullen worden betrokken.

– In situaties met een gering risico kunnen beperkte regels gelden: minder omvangrijke bodembeschermende voorzieningen, weinig regels voor het omgaan met licht verontreinigde grond en baggerspecie en een beperkte plicht tot informatieverschaffing voor weinig risicovolle bouwstoffen.

– In situaties die meer risico’s met zich meebrengen bestaat de plicht nauwkeuriger informatie te verstrekken aan de bevoegde overheid over de mogelijke risico's die een activiteit of situatie met zich meebrengt. Ook gelden toegespitste (rijks)regels en kunnen beperkingen worden opgelegd aan het gebruik van de bodem en het toepassen van grond en baggerspecie. Voor bouwstoffen gelden zwaardere eisen voor de informatiekwaliteit als ze een grote spreiding in kwaliteit vertonen en geldt de plicht tot het treffen van voorzieningen indien ze meer uitlogen.

– Tenslotte kunnen zich zodanige risico’s voor mens, plant of dier voordoen dat op korte termijn maatregelen moeten worden genomen en bouwstoffen, grond of baggerspecie niet op of in de bodem of in oppervlaktewater mogen worden gebracht.

Uitgaande van deze risicoverschillen is in het onderhavige besluit één samenhangende beoordelingssystematiek opgenomen voor de toepassing van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Met de koppeling aan risico’s wordt beoogd betere handvatten te verkrijgen voor het vinden van de eerder genoemde balans tussen enerzijds de bescherming van de gezondheid van de mens en het behoud van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant en dier, en anderzijds het geven van flexibiliteit aan decentrale overheden voor zowel de ontwikkeling van maatschappelijke activiteiten als het realiseren van lokale en gebiedsgerichte kwaliteitsambities.

Onveranderd is het beleid gericht op het voorkómen, het beperken, en het ongedaan maken van verslechteringen en bedreigingen van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier, bijvoorbeeld door sanering van ernstig verontreinigde grond en het milieuhygiënisch verantwoord toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Bij lagere risico’s kan sprake zijn van een meer ruimhartige toepassing, omdat hergebruik van secundaire grondstoffen als bouwstof als onderdeel van de natuurlijke kringloop duurzamer is dan het storten van deze secundaire grondstoffen en ook duurzamer is dan de vervanging van deze secundaire grondstoffen door primaire grondstoffen uit de zand-, klei- en grindwinning.

Op grond van de normstelling, die bij ministeriële regeling wordt geregeld, zal het overgrote deel van de bouwstoffen, grond en baggerspecie vrij kunnen worden toegepast, dat wil zeggen het toepassen van bouwstoffen zonder isolatie-, beheers- en controlemaatregelen. Indien op grond van de normstelling geen sprake kan zijn van vrije toepassing, dan zijn bij de toepassing van bouwstoffen isolatie- beheers- en controlemaatregelen vereist (IBC-bouwstoffen) en geldt voor de toepassing van grond en baggerspecie een gebiedsspecifieke toetsing die een transparante gebiedsgerichte kwaliteitsverbetering waarborgt of een generieke toetsing op basis van een indeling van de ontvangende bodem in twee bodemfunctieklassen en twee bodemkwaliteitsklassen (wonen en industrie). De generieke toetsing is beperkt tot licht verontreinigde grond en baggerspecie, terwijl gebiedsspecifiek in een beperkt aantal gevallen toepassing van ernstig verontreinigde grond en baggerspecie mogelijk is.

1.6 Toepassingen in oppervlaktewater

1.6.1 Reikwijdte

Dit besluit heeft onder meer tot doel milieuhygiënische voorwaarden te stellen aan het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie in het oppervlaktewater. Dit besluit is daartoe gebaseerd op de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) die ziet op bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewater. Wat precies onder «oppervlaktewater» moet worden verstaan, geeft de wet niet aan. De invulling van dit begrip is bewust aan de rechter overgelaten om een te restrictieve uitleg daarvan te voorkomen. Dit heeft inmiddels tot vele uitspraken van diverse gerechtelijke instanties geleid. Hieruit is af te leiden dat het begrip «oppervlaktewater» ruim moet worden uitgelegd en dat daaronder onder meer ook vallen:

– wateren die met andere oppervlaktewateren in open verbinding staan;

– wateren die van tijd tot tijd droog staan;

– particuliere wateren, tenzij het bijvoorbeeld tuinvijvers van geringe omvang betreft.

Uit de jurisprudentie blijkt tevens dat de reikwijdte van het begrip «oppervlaktewater» niet beperkt is tot het water, maar ook de bodem omvat waarop dit water zich al dan niet bij voortduring bevindt. Oppervlaktewater wordt dus als één geheel gezien met de zich daaronder bevindende bodem. Die bodem wordt de waterbodem genoemd en is integraal onderdeel van het watersysteem. Hierdoor valt ook de bescherming van de waterbodem tegen verontreiniging onder de reikwijdte van de Wvo. Dit besluit sluit aan bij de lijn die uit de jurisprudentie is af te leiden lijn t.a.v. de reikwijdte van het begrip oppervlaktewater. Voor wat betreft de bescherming van de waterbodem is dit besluit dan ook niet gebaseerd op de Wet bodembescherming (Wbb), maar op de Wvo, hetgeen op wetsniveau tot uitdrukking komt in artikel 99 van de Wbb. Hierin staat dat de artikelen 6 tot met 11 van deze wet niet van toepassing zijn op gedragingen, voor zover daaromtrent regels gelden die zijn gesteld bij af krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

Voor de praktijk is van belang om te weten waar geografisch gezien de scheidingslijn met de landbodem ligt. Enerzijds voor de vraag met welk bevoegd gezag men in het geval van voorgenomen toepassingen van bouwstoffen, grond en baggerspecie te maken heeft en anderzijds voor de vraag of ontgraven bodem al dan niet baggerspecie betreft. In geval van oppervlaktewateren met een bepaalde technische infrastructuur zoals kades en dijken zal de scheidingslijn gemakkelijker kunnen worden getrokken dan bij sloten met oevers of onbedijkte delen van rivieren. Daarbij zal voor wat betreft de regionale oppervlaktewateren veelal de begrenzing uit de door de waterschappen vastgestelde leggers zijn af te leiden. Dit laat echter onverlet dat niet altijd even duidelijk zal zijn waar horizontaal bezien de begrenzing tussen de landbodem en de waterbodem nu precies ligt en dit op grond van de omstandigheden van het geval moet worden bepaald. Dit gaat in grotere mate op voor rijkswateren waarvoor geen verplichting tot het vaststellen van een legger bestaat.

Duidelijk is dat oevers, alsmede het winterbed deel uit kunnen maken van de waterbodem. Dit kan worden afgeleid uit artikel 4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wvo. Hierin wordt ter uitwerking van artikel 1, derde lid, van de Wvo bepaald voor welke «lozingen» zonder een werk een relatief verbod geldt. In onderdeel c van dat lid wordt onder meer het nederleggen of laten liggen van o.a. afvalstoffen op oevers of in het winterbed van enig oppervlaktewater als voorbeelden genoemd waarvoor de vergunningplicht geldt. Uit de toelichting op dat artikel blijkt dat deze bepaling zich behalve op rechtstreekse lozingen in het water, richt op handelingen met o.a. afvalstoffen, die plaatsvinden op een zodanige wijze en op zodanige plaatsen dat zij naar ervaringsregels in het (oppervlakte)water geraken (zie NvT bij KB van 28 november 1974, Stb. 709, p. 160/161). De oever en het winterbed kunnen daarmee in beginsel als onderdeel van het oppervlaktewater worden gezien en worden aangemerkt als waterbodem. Voor delen daarvan waar in geval van een lozing het belang van het bestrijden en voorkomen van verontreiniging van het oppervlaktewater niet of zeer zelden in het geding is, gaat dit evenwel niet op.

Dat het begrip waterbodem mede de oevers (inclusief winterbed) van een oppervlaktewater kan omvatten valt ook af te leiden uit de Wbb. In paragraaf 5 van deze wet, getiteld «Bijzondere regels inzake sanering van de waterbodem», is bepaald voor welke delen van de bodem – kort gezegd – de waterkwaliteitsbeheerder bevoegd gezag is. Dit geldt in de eerste plaats voor de bodem onder oppervlaktewater, maar in beginsel eveneens voor de kust of de oever van oppervlaktewater, als sprake is van verontreiniging of aantasting daarvan. In de toelichting is te lezen dat onder oevers onder meer het winterbed van een rivier wordt verstaan (Kmst. II, 1989–1990, 21.556, nr. 3, p. 45). De bevoegdheid ten aanzien van de kust en oevers ligt niet bij de waterkwaliteitsbeheerder, indien de zich daarin bevindende verontreiniging geen gevolgen heeft voor de bodem onder dat water. Zoals eveneens uit de toelichting is op te maken wordt hiermee voor wat betreft de reikwijdte van het begrip waterbodem beoogd aan te sluiten bij de reikwijdte van de Wvo.

Waar nu precies de grens van de oever of het winterbed ligt valt als zodanig niet af te leiden uit de Wvo, dan wel de Wbb, aangezien daarin de begrippen «oever» en «winterbed» niet nader worden geconcretiseerd. Ook de jurisprudentie biedt hieromtrent geen duidelijkheid. Een wet op grond waarvan wel tot een begrenzing kan worden gekomen betreft de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. In deze wet worden in artikel 1a de rivieren, behorende tot de wateren in beheer bij het Rijk, begrensd door de buitenkruinlijn van de primaire waterkering in de zin van de Wet op de Waterkering, dan wel, waar zodanige waterkering ontbreekt, door de bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen lijn van de hoogwaterkerende gronden. Mede gezien het streven naar integraal waterbeheer, zoals dit ook in het bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel (Kamerstuk 30 818) tot uitdrukking wordt gebracht, lijkt het logisch om deze begrenzing als uitgangspunt te nemen. Doorslaggevend zal echter steeds zijn in hoeverre het belang van het bestrijden en voorkomen van verontreiniging van het desbetreffende oppervlaktewater in het geding is. Dit met het oog op de verschillende functies die deze wateren in onze samenleving vervullen. Dit belang lijkt in ieder geval niet in het geding te zijn bij kunstmatig opgehoogde terreinen in uiterwaarden die geschikt zijn gemaakt voor bewoning of bedrijvigheid en een eigen hoogwaterbescherming kennen.

1.6.2. Begrip baggerspecie

De begrenzing van de waterbodem is, zoals gezegd, mede van belang voor de vraag of al dan niet sprake is van baggerspecie. In artikel 1 van dit besluit is namelijk bepaald dat hieronder materiaal valt dat afkomstig is uit de bodem en via het oppervlaktewater of de voor dat water beschikbare ruimte is vrijgekomen. Deze elementen van de definitie voor baggerspecie zijn ontleend aan de definitie die voor baggerspecie is opgenomen in de Wet belasting op milieugrondslag. Deze definitie werd voorheen al gehanteerd door N.V. Service Centrum Grond (thans Senternovem, Bodem+) bij de beoordeling of baggerspecie al dan niet reinigbaar is. Daarbij wordt onder «voor dat water bestemde ruimte» de bodem in het krachtens de Wvo geldende beheersgebied verstaan (MvT, 29 758, nr. p. 31 en Stcrt 27 december 2001, nr. 249, p.52). Ook bij de definitie van baggerspecie wordt dus aangesloten bij de reikwijdte van de Wvo en Wbb, zoals hierboven beschreven. In lijn met de definitie van bodem in artikel 1 van de Wbb wordt hierbij niet van een verticale begrenzing uitgegaan. Beslissend is of de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water beschikbare ruimte is vrijgekomen. De plaats waar het materiaal vrijkomt is derhalve bepalend voor de beantwoording van de vraag of sprake is van baggerspecie. Dit blijft het geval indien aan het toepassen een bepaalde behandeling, bewerking of tijdelijke opslag voorafgaat. Pas indien de baggerspecie vervolgens op grond van dit besluit (definitief) wordt toegepast op de landbodem is nadien niet langer sprake van baggerspecie. Deze hierboven beschreven wijze van omgaan met het begrip baggerspecie komt ook overeen met die in het kader van de Regeling voor stortplaatsen op land (Stcrt 13 juli 2001, nr. 133, p. 12). Door bij deze bestaande invullingen van het begrip aan te sluiten wordt beoogd tot een uniformering daarvan te komen.

1.6.3 Ten slotte

Ten slotte verdient opmerking dat zich uiteraard situaties zullen voordoen waarbij discussie ontstaat over de precieze afbakening tussen enerzijds «waterbodem» en «landbodem» en anderzijds «baggerspecie» en «grond». Daarnaast kunnen zich situaties voordoen waarbij de landbodem tot waterbodem verwoord en omgekeerd. In al deze situaties moet nadrukkelijk ook oog zijn voor een meer praktische invulling ten behoeve van de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van dit besluit, zodat tot een duidelijke en ook voor derden kenbare begrenzing wordt gekomen. Daarbij dient in het bijzonder te worden gewezen op de mogelijkheid om als bevoegd gezag voor (delen) van het beheersgebied in een zogenaamd bodembeheerplan op grond van artikelen 44 en 45 van dit besluit maximale waarden op te nemen die zijn afgestemd op de toekomstige situatie (landbodem wordt waterbodem of omgekeerd).

Hoofdstuk 2. Kwaliteit van uitvoering

Voor een toelichting op dit hoofdstuk wordt gewezen op de toelichting bij het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer.

Hoofdstuk 3. Bouwstoffen

3.1 Doelstellingen en uitgangspunten

3.1.1 Doelstellingen

Dit hoofdstuk van dit besluit heeft ten doel milieuhygiënische randvoorwaarden te stellen aan bouwstoffen ter bescherming van de bodem (inclusief het grondwater) en het oppervlaktewater. Hiermee wordt de verspreiding naar en in het milieu van zware metalen en andere veelvoorkomende parameters met een negatief milieu-effect zoveel mogelijk voorkomen.

De milieuhygiënische randvoorwaarden worden concreet vertaald naar samenstellings- en emissie-eisen die generiek voor alle bouwstoffen in alle toepassingen gelden. Er vindt dus geen locatiespecifieke beoordeling plaats (i.e. er wordt geen rekening gehouden met de lokale bodemkwaliteit en eigenschappen) en slechts in een enkel geval een toepassingsspecifieke beoordeling in relatie tot het gebruik van isolerende voorzieningen.

Naast de bescherming van het milieu geven de regels in het onderhavige besluit ook duidelijkheid over de mogelijkheden van het hergebruik van afvalstoffen als bouwstof. In het verleden is gebleken dat zonder een duidelijk kader veel materialen die als afvalstof vrijkomen en die op milieuhygiënische gronden toelaatbaar zijn, toch niet als bouwstof worden toegepast. Het hergebruik van dit soort materialen is echter gewenst, omdat hiermee het storten van materiaal wordt verminderd en de inzet van eindige primair gewonnen materialen wordt teruggedrongen. Daarnaast geven duidelijke grenzen een belangrijk houvast bij het verbeteren van de kwaliteit van reststoffen die wel de potentie hebben om te worden hergebruikt, maar die momenteel nog een te negatief milieu-effect vertonen.

Om een gelijk speelveld te creëren wordt in dit besluit geen onderscheid gemaakt tussen primaire bouwstoffen en afvalstoffen. Wat betreft de samenstelling en emissies valt in veel gevallen ook geen onderscheid te maken. In beide gevallen gaat het om materialen die al dan niet door bewerking geschikt zijn gemaakt voor het toepassen als bouwstof.

3.1.2 Uitgangspunten

Vanuit de evaluatie van het Bouwstoffenbesluit in 2001 en de herijking van de VROM-regelgeving zijn een aantal uitgangspunten opgesteld voor het nieuwe bouwstoffenbeleid. Dit zijn:

– een simpel regime voor bouwstoffen met een acceptabel risico voor het ecosysteem;

– een belangrijke vereenvoudiging van de bewijslast waar dit mogelijk is;

– een heroverwogen, uitlegbaar normenstelsel;

– een betere controleerbaarheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de regelgeving;

– een zo goed mogelijke aansluiting bij de ontwikkelingen in het kader van de Europese Richtlijn Bouwproducten;

– Een sterke vermindering van de administratieve lasten met zo’n 50%.

3.2 Werkingssfeer bouwstoffen

3.2.1 Reikwijdte

Dit hoofdstuk van dit besluit stelt alleen eisen aan steenachtige bouwstoffen. In dit opzicht behoudt het dezelfde reikwijdte als het Bouwstoffenbesluit. In de toekomst zal dit mogelijk worden uitgebreid naar bepaalde groepen niet-steenachtige bouwstoffen.

Dit besluit stelt producteisen aan de samenstellings- en emissiewaarden van bouwstoffen, waaraan deze in de gehele bouwstofketen moeten voldoen. Het gaat om het vervaardigen, invoeren, voorhanden hebben, vervoeren, aan een ander ter beschikking stellen en toepassen van bouwstoffen in Nederland. Dit betekent feitelijk dat alle schakels in de gehele bouwstofketen zelf verantwoordelijk worden de milieuhygiënische kwaliteit van de bouwstof. Dit is een verruiming van de werkingssfeer ten opzichte van het Bouwstoffenbesluit, dat alleen was gericht op de toepassingsfase.

Dit besluit ziet niet op bouwstoffen die bedoeld zijn om buiten Nederland te worden toegepast. Op zo’n moment gelden de regels van dat andere land. Dit besluit is ook niet van toepassing op bouwstoffen die in een gebouw worden toegepast als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Woningwet. Een gebouw is op grond van die wet elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijk overdekt geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. In zulke gevallen komen bouwstoffen niet in contact met oppervlakte-, grond- of regenwater en kan ook geen emissie optreden, zodat de bodem en het oppervlaktewater niet worden belast.

3.2.2 Toepassing van bouwstoffen in een werk

Op grond van het onderhavige besluit moeten bouwstoffen per definitie altijd worden toegepast in een werk. Dat kan een bouwwerk zijn, zoals een flatgebouw of een fabriek (en daarvan alleen de buitenkant die in aanraking kan komen van grond-, oppervlakte- of regenwater), of een weg- en waterbouwkundig werk, zoals een dijk, een viaduct, een spoorlijn, een geluidswal of een snelweg. Daarnaast kan ook sprake zijn van een anderszins functionele toepassingen van bouwstoffen op of in de bodem of in oppervlaktewater. Dit geeft ruimte om ook minder gebruikelijke werken uit te voeren met bouwstoffen, zoals kunstwerken. Uitgangspunt daarbij is dat een werk altijd een functioneel karakter moet hebben. Anders zou geen sprake zijn van een nuttige toepassing van bouwstoffen als bedoeld in de Kaderrichtlijn Afvalstoffen (zie 5.3.3 en de toelichting bij artikel 5). Het bevoegd gezag kan hierover zelf een knoop doorhakken bij twijfelgevallen.

3.2.3 Overig

Dit besluit beperkt zich tot zogenaamde nuttige toepassingen als bedoeld in de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Zie hieromtrent nader paragraaf 4.3.3 en meer specifiek paragraaf 5.4.9. Verder is dit besluit niet van toepassing op het toepassen in oppervlaktewater van zogenaamde IBC-bouwstoffen. Hiertoe is een expliciet verbod opgenomen. Ten slotte gelden een aantal verplichtingen van hoofdstuk 3 niet voor de zogenoemde tijdelijke uitname van bouwstoffen en een aantal specifieke categorieën van bouwstoffen. Zie hieromtrent nader de artikelsgewijze toelichting bij artikel 27, tweede lid en artikel 29.

3.3 Normstelling bouwstoffen

3.3.1 Eisen en parameters

Dit hoofdstuk van dit besluit stelt milieuhygiënische randvoorwaarden aan bouwstoffen door eisen te stellen aan de emissies van veelvoorkomende metalen en anionen (anorganische stoffen) uit bouwstoffen en aan de gehalten (samenstellingswaarden) van een aantal relevante organische stoffen in bouwstoffen. Dit sluit aan bij de systematiek van de Europese Richtlijn Bouwproducten en volgt in grote lijnen de insteek van het voormalige Bouwstoffenbesluit. De basis van deze eisen is echter fundamenteel vernieuwd.

In het onderhavige besluit worden in bijlage 1 alle parameters genoemd waarvoor milieu-eisen kunnen worden gesteld voor bouwstoffen, grond of baggerspecie. Het gaat om een groslijst van bekende potentiële probleemparameters voor de bodem. De daadwerkelijke samenstellings- en emissie-eisen voor bouwstoffen zijn vastgesteld in de ministeriële regeling. Hier zijn alleen die parameters opgenomen die frequent in bouwstoffen voorkomen en die onder invloed van oppervlaktewater, grondwater of regenwater uit de bouwstof kunnen uitlogen. In de toekomst kunnen ook andere stoffen van de groslijst worden toegevoegd, indien dat nodig blijkt.

De lijst met eisen in de ministeriële regeling maakt onderscheid tussen vormgegeven bouwstoffen, zoals beton en bakstenen, en niet-vormgegeven bouwstoffen, zoals assen en granulaten. Dit onderscheid wordt gemaakt, omdat de wijze van uitloging tussen deze twee typen materialen verschillend is en daarom ook verschillend moet worden gemeten. In de ministeriële regeling is opgenomen hoe kan worden vastgesteld wanneer een bouwstof vormgegeven is of niet. Naast de eis voor het minimale volume, gaat het dan om duurzame vormvastheid en een diffusiegecontroleerde uitloging.

De niet-vormgegeven bouwstoffen zijn nader onderverdeeld in bouwstoffen die zonder isolatie-, beheers- en controlemaatregelen kunnen worden toegepast en bouwstoffen die alleen met voorzieningen mogen worden toegepast (zogenaamde IBC-bouwstoffen), omdat deze anders leiden tot teveel emissies naar het milieu.

3.3.2 Emissie-eisen

Bij ministeriële regeling zijn emissie-eisen opgenomen voor negentien anorganische parameters (metalen en anionen). Het concept voor de vaststelling van deze eisen is fundamenteel gewijzigd ten opzichte van het Bouwstoffenbesluit. De gedachte achter het Bouwstoffenbesluit was om de belasting van bodem, waaronder het grondwater en het oppervlaktewater zoveel mogelijk beperken, waarbij werd uitgegaan van de stand der techniek. Omdat uitloging uit bouwstoffen niet geheel te vermijden is, was een grens aan de uitloging geformuleerd die enige ruimte gaf voor geringe niveaus van uitloging. Deze grens was vastgesteld op basis van het concept «marginale bodembelasting», waarmee een grens werd gesteld aan de vracht verontreinigende stoffen die in de bodem mocht worden gebracht. De vracht aan verontreinigende stoffen kwam overeen met een toegevoegd gehalte in één meter bodem op het niveau van één procent van de streefwaarde, als een invulling van het stand-still beginsel. Er werd van uitgegaan dat met deze grens in het algemeen voldoende bescherming werd geboden aan het grondwater en aan het vaste deel van de bodem. Het effect van deze normstelling was echter moeilijk inzichtelijk te krijgen en kon niet meer goed worden afgewogen tegen het effect van beperkingen van het (her)gebruik van bouwstoffen.

In het onderhavige besluit is veel directer aan te geven welke bovengrens de uitloging mag hebben. Dat gebeurt aan de hand van een ecotoxicologische risicobeoordeling, waarbij wordt gekeken naar het daadwerkelijke effect van de gebruikte bouwstof op het leven in de bodem en het grondwater. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de maximaal toelaatbare toevoeging (MTT) aan de bodem. Dit is de toename van een milieubelastende stof in de bodem (inclusief grondwater), waardoor een deel van de daarin levende organismen een aanwijsbaar effect gaan vertonen.

Bij de bepaling van de gewenste maximale emissie-eisen is gerekend met een MTT die hoort bij een hoog ecologisch beschermingsniveau, de HC 5 (hazardous concentration), zoals vastgelegd in het Nationaal Milieubeleidsplan 3. Bij dit beschermingsniveau vertoont 95% van het ecosysteem geen aanwijsbare negatieve effecten van de emissies. Vanuit dit beschermingsniveau kan modelmatig worden teruggerekend naar wat de belasting van de bodem zou mogen bedragen.

De berekeningen zijn uitgevoerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN). Daarbij is gebruik gemaakt van de nieuwste inzichten op het gebied van het gedrag van stoffen in de bodem en van de nieuwste mogelijkheden van modellering van dat gedrag. Hiermee kan goed inzicht worden gegeven in de wisselwerking tussen de hechting van stoffen aan de vaste bodemdeeltjes en het oplossen van stoffen in het grondwater, en de daarmee verbonden humane en ecotoxicologische risico’s. Vooral de risico’s van opgeloste stoffen in het grondwater blijken op de lange termijn veelal bepalend te zijn voor de milieu-eisen.

Beleidsmatig wordt uitgegaan van één vaste emissie-eis voor alle toepassingen. Dit wijkt af van het Bouwstoffenbesluit, waar de concrete toepassingshoogte bepalend was voor de hoogte van de eis, waardoor voor ieder werk extra berekeningen noodzakelijk waren. Generieke emissie-eisen versimpelen de uitvoering en de handhaving van dit besluit aanzienlijk. Om tot één generieke eis te komen, is uitgegaan van een standaard laagdikte van een halve meter. Dit komt in de praktijk overeen met de dikte van een funderingslaag.

De milieu-effecten zijn in het rekenmodel getoetst in de bovenste meter van de droge bodem (de onverzadigde zone) en in de bovenste meter van het grondwater. De berekening waarin de bouwstof is beschouwd is beperkt tot honderd jaar. Voor de bepaling van de eisen is voor elke parameter het hoogste jaargemiddelde genomen dat optreedt in de bodem binnen deze tijdshorizon (zie ook RIVM rapport 711701043/2006 Kritische emissiewaarden voor bouwstoffen; Milieuhygiënische onderbouwing en consequenties voor bouwmaterialen).

Na de berekening van de gewenste maximale emissie-eisen voor het milieu, is het effect van deze eisen op de toepasbaarheid van bouwstoffen bepaald. Hiertoe zijn over 2004 en 2005 een grote hoeveelheid marktgegevens verzameld over de kwaliteit van bouwstoffen. Hieruit blijkt dat voor een aantal parameters ruimere milieu-eisen mogelijk zijn, dan gezien de stand der techniek nodig is. In deze gevallen is gekozen om geen onnodige extra ruimte te bieden in de eis, omdat dit tot normopvulling en tot verslechtering van de productkwaliteit en het milieu zou kunnen leiden. Dit komt erop neer dat de huidige eisen van het Bouwstoffenbesluit of de Wijziging Bouwstoffenbesluit 2005 zijn gehandhaafd. Voor deze parameters worden de eisen derhalve niet strenger dan voorheen.

Tegelijkertijd bleek uit de marktgegevens en nadere contacten met diverse branches dat een aantal eisen tot een aanzienlijke stijging in het aantal afgekeurde partijen zou leiden. Dit botst met de hergebruiksdoelstelling van het ministerie van VROM. In een aantal gevallen zijn de emissie-eisen dan ook ruimer gemaakt dan de berekende eisen. Hierbij zijn twee criteria gehanteerd:

– de verruiming is zo beperkt mogelijk;

– de verruiming is maximaal gelijk aan het niveau van de Wijziging Bouwstoffenbesluit 2005.

Voor IBC-bouwstoffen geldt dat de emissie-eisen van de Richtlijn storten in een aantal gevallen scherper zijn dan wat milieuhygiënisch nodig is. Waar nodig is gekozen om de eisen niet ruimer te maken dan deze richtlijn voorschrijft voor stortplaatsen.

De effecten op het oppervlaktewater zijn apart berekend door RIVM en door het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA) voor verschillende soorten watergangen, van grote rivieren tot kleine poldersloten. Hierbij is getoetst met behulp van de in de praktijk gangbare CIW-methode (voormalige Commissie Integraal Waterbeheer) en met een toelaatbare belasting tot een tiende van het Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR). Uit deze berekeningen blijkt dat oppervlaktewatertoepassingen minder gevoelig zijn voor milieu-effecten dan de bodem en het grondwater, door het effect van verdunning dat in stromend water optreedt. Ook bij verruimingen van de eis blijft dit het geval. Dit betekent dat de gestelde emissie-eisen genoeg bescherming bieden voor het oppervlaktewater.

De Technische Commissie Bodembescherming (TCB) heeft in haar advies van 13 juni 2006 een aantal kanttekeningen geplaatst bij uitgangspunten van de berekeningen (zie ook paragraaf 3.4.1 en 6.1.1). Dit zal naar verwachting op termijn leiden tot aanscherping van de emissie-eisen, met als doel om volledig aan de milieudoelstellingen te gaan voldoen. Hiervoor zal innovatie benodigd zijn, zoals ook is aangegeven in de Toekomstagenda Milieu (VROM, 2006). Met de desbetreffende branches zullen nadere, meerjarige afspraken worden gemaakt over de termijn en de wijze waarop aan de milieu-eisen wordt voldaan.

3.3.3 Samenstellingseisen

Voor de organische stoffen, zoals benzeen, PAK’s en minerale olie gelden alleen eisen voor de samenstellingswaarde in de bouwstof. Idealiter zouden ook de organische stoffen worden genormeerd op basis van hun uitloging. Het ontbreekt echter voor een aantal organische stoffen aan uitloogproeven. Daar waar inmiddels wel geschikte proeven zijn ontwikkeld, zijn nog onvoldoende gegevens over de uitloging van bouwstoffen, ervaring en andere middelen beschikbaar om hierop normstelling te kunnen baseren.

Omdat de emissie niet te bepalen is, is ook het directe milieurisico niet eenduidig te berekenen. De samenstellingseisen zijn daarom vastgesteld op basis van de stand der techniek. Hierbij is gekeken naar welke waarden haalbaar zijn voor de huidige bouwstoffen op basis van de verzamelde marktgegevens uit 2004 en 2005. Daarbij blijkt dat voor de samenstellingseisen voor bouwstoffen in belangrijke mate kan worden aangesloten op de achtergrondwaarden die gelden voor grond en baggerspecie (hoofdstuk 4). Dit betekent voor enkele individuele PAK’s, de som PAK en benzeen een aanscherping ten opzichte van de eisen uit het Bouwstoffenbesluit.

Voor de eis voor minerale olie geldt dat de mogelijkheid wordt onderzocht van opsplitsing in fracties, waardoor er gedifferentieerde eisen kunnen ontstaan. Dit zou een beter beeld geven van de milieu-effecten.

Verder is het aantal organische parameters waarop hoeft te worden getoetst, ingeperkt. Bouwstoffen hoeven bijvoorbeeld niet meer te worden getoetst op de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen, omdat redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze middelen hierin niet aanwezig zullen zijn. Mocht dit in een heel enkel geval toch tot problemen leiden, dan valt dit onder artikel 13 van de Wet bodembescherming: de zorgplicht. Ook de eis voor EOX is komen te vervallen, omdat die geen toegevoegde waarde meer biedt als triggerwaarde voor bouwstoffen.

Een nieuwe genormeerde stof voor bouwstoffen is asbest. Voor deze meeste bouwstoffen geldt dat deze geen asbest zullen bevatten. Voor deze bouwstoffen geldt een nul-eis voor de samenstellingswaarde conform het Productenbesluit asbest. In dit besluit staat dat een nul-eis geldt, behalve voor producten «waaraan geen asbest opzettelijk is toegevoegd en waarvan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tienmaal de concentratie amfiboolasbest ... niet hoger is dan honderd milligram per kilogram droge stof». Voor dergelijke producten zou een absolute nul-eis het hergebruik onmogelijk maken. Bij een aantal bouwstoffen kan het voorkomen dat ze onopzettelijk een geringe concentratie asbest bevatten. Het gaat dan met name om bouwstoffen als AVI-bodemas, BSA-granulaten, geïmmobiliseerde grond en vormgegeven producten die BSA-granulaat of grond als grondstof gebruiken.

Voor nutriënten, zwevend stof, pH en reducerend vermogen zullen zo mogelijk eisen worden opgesteld, met name voor de verdere bescherming van het oppervlaktewater.

3.4 Milieu-effecten

3.4.1 Effect van emissies naar bodem en grondwater

Het doel van dit hoofdstuk van dit besluit is om de bodem (inclusief het grondwater) en het oppervlaktewater te beschermen tegen eventuele effecten van de toepassing van bouwstoffen. Hiertoe worden samenstellings- en emissie-eisen gesteld, die zijn afgeleid zoals aangegeven in paragraaf 3.3.

De basis voor de emissie-eisen is een hoog ecologisch beschermingsniveau, zoals neergelegd in het NMP 3. Hierbij ondervindt 95% van de organismen in de bodem geen aanwijsbaar effect van de emissies uit bouwstoffen. Voor negentien stoffen worden emissie-eisen gesteld, met verschillende eisen voor vormgegeven, niet-vormgegeven en IBC-bouwstoffen. In totaal levert dit 57 afzonderlijke emissie-eisen op. Hiervan voldoen 47 emissie-eisen aan het gestelde beschermingsniveau voor het milieu, of konden zelfs worden aangescherpt door de goede huidige stand der techniek (zie tabel).

De overige tien eisen vallen iets hoger uit dan de berekende milieu-eisen. Hierbij moet worden opgemerkt dat de gestelde eisen slechts in één geval uitgaan boven de eisen van de laatste versie van het Bouwstoffenbesluit (2005). Dit besluit biedt daarmee in een aantal gevallen een gelijkwaardige en in de meeste gevallen een hogere mate van bescherming dan onder het Bouwstoffenbesluit het geval was. Bovendien zijn de verhoogde eisen slechts voor een beperkt aantal bouwstoffen nodig. De meeste bouwstoffen produceren normaal binnen de berekende milieu-eisen. Daarmee blijft het effect op het milieu beperkt.

Voor deze tien parameters kan niet precies vastgesteld worden welk ecotoxicologisch beschermingsniveau wordt bereikt (i.e. welke HC-waarde), omdat hiervoor de beschikbare data niet toereikend zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval voor antimoon, vanadium, chloride en sulfaat. Duidelijk is wel dat de interventiewaarden niet worden overschreden, zodat geen nieuwe saneringsgevallen worden gecreëerd.

Bouwstoffen

eis zoals berekend

strengere eis door stand der techniek

ruimere eis nodig voor (her)gebruik

Vormgegeven

6

13

Niet-vormgegeven

5

8

6

IBC

3

12

4

    

Totaal

14

33

10

Bij de berekening van de emissie-eisen zijn een aantal aannames gemaakt die relevant zijn voor de inschatting van de milieu-effecten. Het hanteren van een vaste toepassingshoogte voor van een halve meter voor niet-vormgegeven en twee meter voor IBC-bouwstoffen versimpeld de werkelijkheid. In de praktijk kan de toepassing hoger of lager zijn. Dit betekent dat bij een grotere laagdikte een grotere belasting kan optreden dan berekend en vice versa bij een dunnere laag. Gezien het generieke karakter van dit besluit en het gebruik van bouwstoffen in de praktijk wordt de gekozen standaard laagdikte verantwoord geacht.

Omdat het merendeel van de vormgegeven materialen op de droge bodem wordt toegepast is de aparte categorie van het Bouwstoffenbesluit voor 100% natte toepassingen komen te vervallen. Dit betekent dat in een zeer beperkt aantal gevallen de kans bestaat dat een groter milieu-effect optreedt dan berekend. In welke mate dit precies het geval zal zijn, is niet aan te geven.

Bij de berekening is niet gekeken naar het gelijktijdige gebruik van verschillende bouwstoffen in een werk of het cumulatieve toxiciteitseffect van de parameters. Eventueel hieruit voortkomende extra risico’s worden aanvaardbaar geacht, omdat zij niet opwegen tegen de transparantie in beheer, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid die hiermee wordt geboden.

In het rekenmodel is alleen gekeken naar de milieu-effecten in de bovenste meter van de droge bodem (de onverzadigde zone) en in de bovenste meter van het grondwater. Dit betekent dat verdunning van verontreiniging in het diepere grondwater niet is meegenomen in de beoordeling. De Technische Commissie Bodembescherming (TCB) plaatst hier in haar advies van 13 juni 2006 een kanttekening bij. De TCB vindt het meer voor de hand liggend om hiervoor de dikte van de bouw voor (0,30m) aan te houden. Dit is met name voor belang voor immobiele parameters als lood.

De berekening waarin de bouwstof is beschouwd is beperkt tot honderd jaar. Er is derhalve niet in detail gekeken naar de gehalten die op langere termijn in de bodem kunnen komen. De HC 5-waarde zou voldoende bescherming moeten bieden om geen onwenselijke situaties te krijgen. De TCB heeft hierop in haar advies kanttekeningen geplaatst, omdat het daadwerkelijke milieu-effect voor een aantal parameters (na 100 jaar) nog steeds toeneemt.

Beide kantekeningen van de TCB zouden in de berekeningen leiden tot strengere emissie-eisen. Om zicht te krijgen op deze kanttekeningen zullen aanvullende berekeningen worden uitgevoerd door RIVM en ECN, die te zijnder tijd zullen worden verwerkt in de regelgeving (zie verder paragraaf 6.1.1).

3.4.2 Effect van samenstellingswaarden op bodem en grondwater

Voor organische stoffen zouden bij voorkeur ook emissie-eisen moeten gelden. De mate van beïnvloeding van het milieu door bouwstoffen wordt immers bepaald door de emissies van stoffen naar bodem en oppervlaktewater. Omdat dit nu nog niet mogelijk is (zie ook paragraaf 3.3.3), gelden samenstellingseisen voor deze stoffen, net als in het Bouwstoffenbesluit. Deze eisen zijn in grote lijnen gelijk aan die van het Bouwstoffenbesluit, met een aantal lichte aanscherpingen. Dit betekent dat hoewel het milieu-effect moeilijk te kwantificeren is, deze in ieder geval positief is ten opzichte van de bestaande situatie onder het Bouwstoffenbesluit.

3.4.3 Effecten op het oppervlaktewater

Uit onderzoek van RIVM blijkt dat de toegestane belasting vanuit bouwstoffen naar de bodem (inclusief grondwater) maatgevend is en dat organismen in het oppervlaktewater met de gestelde emissie-eisen voldoende worden beschermd.

3.4.4 Overige milieu-effecten

De nieuwe regelgeving voor bouwstoffen leidt naar verwachting niet tot een toename in het energiegebruik of in het aantal verreden kilometers. Omdat het hergebruik vrijwel op hetzelfde niveau blijft, wordt ook geen extra transport van primaire bouwstoffen en afgekeurde afvalstoffen verwacht. Ook effecten op de beschikbare fysieke ruimte worden niet verwacht. Deze zaken hangen uitsluitend samen met de bouwinspanning zelf.

Door de inzet van afvalstoffen als bouwstof wordt het gebruik van eindige primaire grondstoffen beperkt. Met de voorgestelde normstelling wordt een afweging gemaakt tussen enerzijds bescherming van bodem en water en anderzijds het (her)gebruik van afvalstoffen als bouwstof. De herziene normstelling levert ten opzichte van het Bsb 1999 positieve effecten op voor het hergebruik. Ten opzichte van de Tijdelijke Vrijstellingsregeling Bouwstoffen 2004 (TVR) wordt het hergebruik van sommige afvalstoffen mogelijk iets lager, maar voor anderen weer hoger.

Het hergebruik van bouwstoffen die zonder bewerking direct weer worden toegepast, is verruimd. Dit bespaart onnodige kosten en voorkomt dat in het verleden toegepaste bouwstoffen alsnog als afvalstoffen zouden moeten worden gestort door de aangepaste normstelling. Hiervoor is onder meer een toetsingsregel opgesteld, waarbij voor maximaal twee parameters de voorgestelde emissie-eisen met een factor twee mogen worden verhoogd. Deze toetsingsregel vermindert hiermee de potentiële hoeveelheid afvalstoffen. Er is geen netto milieu-effect op de kwaliteit van bodem en oppervlaktewater, omdat deze bouwstoffen nu ook al in het milieu aanwezig zijn in een vergelijkbare toepassing.

Wat betreft de luchtkwaliteit geldt dat vluchtige (organische) stoffen niet of slechts in verwaarloosbare hoeveelheden voorkomen in bouwstoffen. Andere stoffen hebben geen invloed op de luchtkwaliteit.

3.5 IBC-bouwstoffen

3.5.1 Isoleren, beheersen en controleren

Voor alle puntbronactiviteiten geldt volgens de Wet bodembescherming het brede milieubeginsel van isoleren, beheren en controleren. Dit betekent dat activiteiten waarbij verontreinigende stoffen in het geding zijn, alleen op of in de bodem mogen plaatsvinden als de verspreiding van de desbetreffende stoffen wordt beperkt en de toepassing beheersbaar is. Voor de meeste bouwstoffen betekent dit dat voldaan moet worden aan de emissie-eisen, dat ze terugneembaar moeten worden toegepast en niet vermengd mogen raken met de bodem (beheren). Voor niet-vormgegeven IBC-bouwstoffen geldt dat deze alleen op of in de bodem mogen worden toegepast met isolatiemaatregelen. Zonder dergelijke maatregelen zou de toepassing van dit type bouwstoffen leiden tot een te grote belasting van de bodem.

Isolatie betekent dat een bovenafdichting wordt aangebracht, die contact met hemelwater sterk vermindert en dat een bepaalde minimale afstand tussen de toegepaste bouwstof en het grondwater wordt aangehouden. Deze isolerende voorzieningen moeten worden beheerd. Er moeten dus controles en onderhoud plaatsvinden om de kwaliteit van de isolatie op peil te houden.

Uit het oogpunt van beheersbaarheid van dit type bouwstoffen op landelijke schaal is ervoor gekozen om alleen toepassing toe te staan van grotere hoeveelheden IBC-bouwstof aaneengesloten in een werk. De hoeveelheidsgrens wordt bij ministeriële regeling vastgelegd.

Bij de normstelling voor IBC-bouwstoffen is rekening gehouden met 6 mm per jaar aan neerslagoverschot.

3.5.2 Melden van IBC-bouwstoffen

De invloed van IBC-bouwstoffen op het milieu hangt onder meer sterk af van de correcte uitvoering van de isolatiemaatregelen bij de toepassing. Het is van belang dat het bevoegd gezag hierop voldoende toezicht kan houden. Om deze reden moet degene die voornemens is IBC-bouwstoffen toe te passen dit altijd van tevoren melden, net als in het voormalige Bouwstoffenbesluit. De melding moet minimaal één maand voor de voorgenomen toepassing zijn gedaan. Dit zal in de praktijk niet tot vertragingen hoeven te leiden, omdat bij het ontwerp al rekening moet worden gehouden met de toepassing van IBC-bouwstoffen.

De milieuhygiënische verklaring die hoort bij de desbetreffende partijen bouwstof moet uiterlijk vijf werkdagen voor aanvang van de toepassing beschikbaar te zijn voor het bevoegd gezag. Reden is dat, hoewel vaak al in een eerder stadium voor IBC-bouwstoffen wordt gekozen, de daadwerkelijk toe te passen partij (met bijbehorende milieuhygiënische verklaring) soms pas korter van tevoren bekend is.

Ten behoeve van het ketentoezicht en het stroomlijnen van de meldingen worden deze centraal gedaan bij de Minister van VROM, die vervolgens de meldingen direct doorgeeft aan het lokale bevoegd gezag. Het bevoegd gezag is zo tijdig op de hoogte van dat voornemen, zodat een goede beoordeling kan worden gemaakt van het benodigde toezicht. In artikel 32 is aangegeven welke gegevens bij de melding moeten worden verstrekt. De melding wordt om redenen van efficiëntie zoveel mogelijk elektronisch gedaan.

3.5.3 Gelijkwaardigheid bij isolerende voorzieningen

Om innovatie bij isolerende voorzieningen mogelijk te blijven maken, is het mogelijk gemaakt om alternatieve voorzieningen toe te passen, die dezelfde mate van bescherming van de bodem en het oppervlaktewater bieden, mits de Minister van VROM hiermee instemt. Hierbij geldt dat als een alternatieve voorziening eenmaal is goedgekeurd, deze breder beschikbaar wordt gesteld voor de markt als bruikbare methode.

De aanvraag voor een gelijkwaardige alternatieve voorziening wordt in de praktijk gedaan bij het agentschap SenterNovem (Bodem+). De gegevens die moeten worden verstrekt en wijze waarop de beoordeling zal plaatsvinden, worden nader geregeld in de ministeriële regeling. De beslissing op de aanvraag is een beschikking die vatbaar is voor bezwaar en beroep.

Een gelijkwaardigheidsverklaring wordt bij de melding gevoegd van het voornemen IBC-bouwstoffen toe te passen.

3.5.4 Geen IBC in oppervlaktewater

Het is verboden om IBC-bouwstoffen in oppervlaktewater toe te passen. Onder de vigeur van het Bouwstoffenbesluit was dit wel toegestaan, maar in de praktijk bleek dat het materiaal vrijwel nooit beheersbaar en controleerbaar kan worden geïsoleerd in oppervlaktewater. Dit had als gevolg dat dergelijke toepassingen niet of nauwelijks voorkomen. Uit oogpunt van helderheid en om eventuele ongewenste situaties uit te sluiten, is gekozen deze toepassingen volledig te verbieden.

3.6. Bedrijfseconomische gevolgen

3.6.1 Bedrijfseffectentoets

De regelgeving voor bouwstoffen is fundamenteel gewijzigd ten opzichte van het voormalige Bouwstoffenbesluit. Om de economische effecten van deze wijzigingen in kaart te brengen is door externe bureaus een bedrijfseffectentoets (BET) uitgevoerd. Hierbij is eerst een BET uitgevoerd op basis van dit besluit en de concept-normstelling. Vervolgens is de ministeriële regeling verder ingevuld en zijn de samenstellings- en emissie-eisen uitgebreid met het betrokken bedrijfsleven besproken. Ten slotte is een aanvullende BET uitgevoerd over het totaal, waarbij het bedrijfsleven de gelegenheid heeft gekregen haar eigen detail-effecten per type bouwstof aan te geven. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een definitieve normstelling, waarbij een goede balans bestaat tussen de bedrijfseffecten en de milieu-effecten.

Bij bedrijfseffecten gaat het om administratieve lasten, inhoudelijke nalevingskosten en markteffecten. Om kosten te kunnen bepalen is een nulpunt nodig. In de BET is uitgegaan van het Bouwstoffenbesluit uit 1999 als nulsituatie. De Tijdelijke vrijstellingsregeling Bouwstoffenbesluit 2004 (TVR 2004), die bedoeld was voor de overgangssituatie naar het onderhavige besluit, is niet als nulsituatie gebruikt. Het gaat hierbij nadrukkelijk om een tijdelijke regeling, bedoeld om het effect van uitschieters tijdelijk en grofstoffelijk te verlichten, niet om het neerleggen van nieuw beleid. Hierbij is met het bedrijfsleven afgesproken dat de kwaliteit van bouwstoffen op basis van de tijdelijke regeling niet zou verslechteren. De effecten (ten opzichte) van deze TVR 2004 zijn bij de bedrijfseffectentoets overigens wel in beeld gebracht. Deze effecten zijn groter, omdat in de TVR 2004 een aantal eisen tijdelijk verder is verruimd dan op langere termijn milieuhygiënisch gewenst is.

In de volgende paragrafen wordt op de doelgroepen van dit besluit, de administratieve lasten, de inhoudelijke nalevingskosten en de markteffecten nader ingegaan.

3.6.2 Doelgroepen

Zoals uit de BET blijkt heeft het onderhavige besluit invloed op de producenten van bouwstoffen, de tussenhandel en de toepassers. De kosten die voortvloeien uit dit besluit liggen met name bij de ongeveer 900 bedrijven die bouwstoffen produceren. Kosten in het kader van dit besluit zijn met name de kosten om te produceren aan de hand van een goed kwaliteitssysteem met regelmatige keuringen (in het geval van een certificaat: met extern toezicht), om over hun product een milieuhygiënische verklaring te mogen afgegeven.

Anders dan in het Bouwstoffenbesluit krijgt ook de tussenhandel met dit besluit te maken. Het gaat dan om marktpartijen en vervoerders van bouwstofen. De tussenhandel draagt zelf de wettelijke verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de bouwstof, zolang deze in hun handen is en voor zover de kwaliteit afhankelijk is van hun handelen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij het samenvoegen en splitsen van partijen. Ook moeten tussenhandelaren een milieuhygiënische verklaring kunnen tonen die bij een partij behoort. Door de bank genomen zijn de bedrijfseconomische gevolgen voor de tussenhandel echter zeer beperkt, omdat de milieuhygiënische kwaliteit van de bouwstoffen die worden verhandeld reeds eerder in de keten is bepaald.

Voor de toepasser geldt dat deze alleen bouwstoffen mag toepassen in een werk, die voldoen aan de eisen van dit besluit. Dit zijn bouwstoffen die voorzien zijn van een partijkeuring, fabrikant-eigenverklaring of erkende kwaliteitsverklaring. Bij de toepassing van IBC-bouwstoffen geldt bovendien de eis dat de toepassing van deze bouwstoffen van tevoren moet worden gemeld en dat de toepassing moet worden voorzien van de gepaste IBC-maatregelen (isoleren, beheersen, controleren). Deze zaken zijn niet anders dan in het Bouwstoffenbesluit, zodat er qua kosten niets verandert. De vereenvoudiging van de regelgeving, zoals het vervallen van de toepassingshoogte, maakt de toepassing wel gemakkelijker en zal mogelijk positieve bedrijfseffecten kunnen hebben.

Dit besluit leidt niet tot (administratieve) lasten voor burgers. Deze hoeven geen milieuhygiënische verklaring te kunnen tonen bij het toepassen van bouwstoffen. Ook ligt het niet in de rede om te verwachten dat burgers IBC-bouwstoffen zullen toepassen, met de daaraan gekoppelde meldingsplicht. Wel blijft de eis van kracht dat ook burgers bouwstoffen moeten gebruiken die voldoen aan de gestelde samenstellings- en emissie-eisen. Zo blijft het voor het bevoegd gezag toch mogelijk om in te grijpen als de (naar verwachting zeldzame) situatie hierom vraagt.

3.6.3 Administratieve lasten

Administratieve lasten zijn de kosten voor het bedrijfsleven om te voldoen aan informatieverplichtingen voortvloeiend uit wet- en regelgeving van de overheid. In dit besluit gaat het om alle kosten rond de keuring van bouwstoffen, het afgeven van milieuhygiënische verklaringen, het doen van meldingen en het onderzoek rond IBC-maatregelen. De administratieve lasten van het Bouwstoffenbesluit zijn in 2002 met een nulmeting vastgesteld op € 52,8 miljoen per jaar, waarvan € 34,6 miljoen voor bouwstoffen en de rest voor grond en baggerspecie. Hierbij zijn de gegeven van de BET uit 1998 gebruikt. Bij de herijking van de VROM-regelgeving is gesteld dat «verondersteld mag worden dat een veel eenvoudiger besluit de administratieve lasten met de helft zal doen dalen.» Deze doelstelling is meegenomen bij het maken van het nieuwe besluit.

Bij het bepalen van de lasten van het nieuwe besluit bleek de nulmeting uit 2002 niet te kloppen. Met name de kosten rond IBC-maatregelen, meldingen en «overige bouwstoffen» waren veel te hoog ingeschat. De nulmeting is daarom inhoudelijk gecorrigeerd, waarmee de lasten voor bouwstoffen feitelijk uitkomen op € 21,7 miljoen per jaar.

Een aanzienlijk deel van de kosten in het kader van het Bouwstoffenbesluit is eenmalig gemaakt. Het gaat om kosten rondom het opstellen van de beoordelingsrichtlijnen en het doen van de toelatingskeuring. Deze kosten zijn berekend op een afschrijvingstermijn van vijf jaar en zijn inmiddels vervallen. Ook deze vervallen kosten moeten van de nulsituatie worden afgetrokken om het effect van het nieuwe besluit in beeld te kunnen brengen. Hiermee komen de huidige lasten uit op € 14,8 miljoen per jaar.

Het nieuwe besluit leidt tot een aantal forse besparingen. Rond partijkeuringen wordt een lastenverlichting verwacht, mede door de vereenvoudigde regelgeving voor het hergebruik van bouwstoffen. De invoering van de fabrikant-eigenverklaring zal naar schatting voor ongeveer 500 tot 600 producenten van met name vormgegeven materialen kunnen leiden tot een halvering van hun administratieve lasten. Dit komt omdat de kosten die samenhangen met de controles door certificeringsinstellingen vervallen.

Door de gewijzigde normstelling zullen de keuringskosten voor gecertificeerde bouwstoffen naar verwachting licht dalen. Deze kosten hangen vooral samen met de keuringsfrequentie, die direct afhankelijk is van de hoogte van de normen. De precieze verandering in administratieve lasten ten gevolge van de gewijzigde normstelling per producent of per bouwstof is niet van tevoren in detail te schatten.

Alles bij elkaar dalen de administratieve lasten van bouwstoffen naar verwachting van € 14,8 miljoen naar € 8,9 miljoen per jaar. Dat is een besparing van € 5.9 miljoen per jaar, ofwel 40% ten opzichte van de herziene nulmeting. Om een goede vergelijking met de oude situatie mogelijk te maken, wordt bij de berekening van de lasten aangenomen dat het aantal bedrijven gelijk blijft. In de praktijk is het aantal bedrijven netto gegroeid. Hierdoor zullen de administratieve lasten in de praktijk zo’n vier ton hoger liggen.

De tabel met alle administratieve lasten van het Besluit bodemkwaliteit kunt u vinden in paragraaf 4.11.2.

3.6.4 Toetsing door Actal

Op 26 januari 2006 heeft het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal) advies uitgebracht aangaande de vermindering van administratieve lasten. Het College adviseert positief en ziet dit besluit als een goede aanzet om de administratieve lasten te verminderen. Daarbij wordt een aantal aanbevelingen gegeven. Deze zijn meegenomen bij de uitwerking van de ministeriële regeling:

– Ten aanzien van de ministeriële regeling constateert Actal dat deze sterk bepalend is voor de uiteindelijke realisatie van de vermindering van de administratieve lasten. Actal adviseert om de uitwerking hiervan goed af te stemmen met de betrokken partijen en gaat er vanuit dat ook deze regelingen aan Actal worden voorgelegd. Dit advies is overgenomen en de desbetreffende regelingen zijn aan Actal voorgelegd, met positief resultaat.

– Ten aanzien van de melding hecht Actal in het bijzonder aan een minimale gegevensvraag bij meldingen en aansluiting op bestaande informatiebronnen. Actal adviseert verder om de invoering van een elektronische melding niet alleen voor grond en baggerspecie, maar ook voor bouwstoffen mogelijk te maken. Dit advies is overgenomen (zie artikel 42)

– Actal wijst op het belang om alert te blijven op (toekomstige) mogelijkheden om meer bouwstoffen onder de fabrikant-eigenverklaring te laten vallen. Hiervoor zijn heldere criteria in de bijbehorende ministeriële regeling opgesteld, waaraan alle bouwstoffen zich kunnen meten.

– Actal stelt vast dat vier inspecties zijn betrokken bij de handhaving en wijst erop dat een goede afstemming van groot belang is om ook de toezichtslasten te beperken. Aan de de praktische invulling van deze afstemming wordt gewerkt. Ook is in het besluit bepaald dat de Minister van VROM deze afstemming nader in vult (zie artikel 4).

– Actal adviseert de administratieve lasten door kennisname te minimaliseren door goede, gerichte communicatie. Dit advies wordt overgenomen.

3.6.5 Inhoudelijke nalevingskosten

De wijziging in de inhoudelijke nalevingskosten betreft met name het effect van de nieuwe normstelling op de toepasbaarheid van bouwstoffen. Uit de BET blijkt dat de meerkosten voor extra afkeur op basis van het nieuwe besluit verwaarloosbaar zijn. Bij zo’n zestien bouwstoffen leiden de voorgestelde eisen tot minder afkeur. Voor vormgegeven bouwstoffen vervalt de aparte normering voor een 100% natte toepassing, waardoor de afzet wordt vergemakkelijkt. Voor AVI-bodemas en E-vliegas leidt het wegvallen van de bijzondere categorie en het instellen van één categorie IBC-bouwstoffen zelfs tot een toename in afzetmogelijkheden.

Ook ten opzichte van de Tijdelijke vrijstellingsregeling Bouwstoffenbesluit 2004 pakken de inhoudelijke nalevingskosten gunstig uit door verminderde afkeur.

3.6.6 Marktwerking en andere effecten

De in dit besluit gestelde Nederlandse eisen zijn in een aantal gevallen strenger dan in het buitenland, waar al dan niet aparte normen worden gesteld aan de uitloging uit bouwstoffen. Dit kan leiden tot export van met name de IBC-bouwstoffen, indien hiervoor onvoldoende toepassingen worden gerealiseerd. Het ligt in de lijn van de rol van de overheid als opdrachtgever voor werken om voldoende mogelijkheden te blijven creëren voor deze bouwstoffen. Opgemerkt moet worden dat de meeste normen zijn verruimd ten opzichte van het Bouwstoffenbesluit en dat het aandeel IBC-bouwstoffen hiermee zal afnemen.

Verdringingseffecten tussen bouwstoffen en grond en baggerspecie kunnen optreden bij bouwstoffen met ongeveer dezelfde materiaaleigenschappen in de ophogingsmarkt. Het gaat dan om bouwstoffen als AVI-bodemas, E-bodemas, E-vliegas, zeefzanden, BSA-granulaat, reinigingsslib en asfaltgranulaat, die nu worden ingezet als vervanging voor ophoogzand. Verdringingseffecten kunnen over en weer optreden door verschillen in de normstelling en doordat bij grond en baggerspecie geen IBC-condities gelden, maar andere specifieke eisen. Het is niet goed mogelijk om deze effecten van tevoren te voorspellen. Hiervoor spelen teveel verschillende marktfactoren een rol.

In de BET is een verkenning uitgevoerd naar de historische voorraad bouwstoffen in GWW-werken (grond-, weg- en waterbouw). Hieruit blijkt dat momenteel zo’n miljard ton bouwstoffen in Nederland is toegepast in GWW-werken. Op basis van de gemiddelde levensduur zal jaarlijks een hoeveelheid vrijkomen die toeneemt van 10 miljoen ton per jaar in 2010 tot 20 miljoen ton per jaar in 2040. De kwaliteit van deze bouwstoffen varieert en is met name voor bouw- en sloopafval en AVI-bodemas van voor 1995 minder goed. Door de toetsingsregel voor hergebruik, die in de ministeriële regeling is opgenomen, zal naar verwachting een groot deel van de bouwstoffen kunnen worden hergebruikt, met uitzondering van de slechtere kwaliteit bouwstoffen.

Wat betreft de sociaal-economische effecten kan de invoering van de fabrikant-eigenverklaring en de daaruit volgende vermindering van het aantal erkende kwaliteitsverklaringen mogelijk leiden tot een beperkte personele afname bij laboratoria en certificeringsinstellingen.

3.6.7 Bestuurlijke lasten

Uit dit besluit vloeien alleen aparte bestuurlijke lasten voort voor gemeenten. Voor andere bestuursorganen geldt dat toezicht op naleving van dit besluit deels samenvalt met toezicht op de bouw en op inrichtingen, voortvloeiend uit de Woningwet respectievelijk de Wet milieubeheer. De kosten voor provincies vallen onder de afhandeling van de vergunning. De kosten voor waterkwaliteitsbeheerders komen voort uit de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De inzet van de VROM-Inspectie valt samen met de inzet in het kader van de Europese Richtlijn Bouwproducten.

De lasten voor gemeenten komen met name voort uit:

– Toetsing van IBC-meldingen;

– Toezicht en controle op de aanleg, onderhoud én waar nodig handhaving;

– Opleidingen, overleg en rapportage.

De lasten zijn bepaald in samenhang met de bestuurlijke lasten voor het nieuwe beleid voor grond en baggerspecie (zie paragraaf 4.11.4. voor een verdere specificatie).

Hoofdstuk 4. Grond en baggerspecie

4.1 Hoofdlijnen

4.1.1 Systeem grond en baggerspecie

Dit besluit beschrijft een systeem voor het beheer van in de bodem en in oppervlaktewater aanwezige grond en baggerspecie die voldoen aan de achtergrondwaarden of verontreinigd zijn. Het doet dit vanuit de eisen die gesteld worden aan grond en baggerspecie die op een bepaalde locatie worden toegepast. Die eisen zijn erop gericht om de kwaliteit van bodem en oppervlaktewater tenminste te behouden en te verbeteren waar dat, gelet op het gebruik van de bodem ter plaatse, wenselijk is. Hiertoe krijgt de lokale bodembeheerder (gemeenteraad of waterkwaliteitsbeheerder) de mogelijkheid om, gelet op de lokale situatie, normen vast te stellen waaraan toe te passen grond en baggerspecie moet voldoen. Het is niet doenlijk voor al deze situaties apart normen af te leiden, reden waarom deze bevoegdheid bij het bevoegd gezag is gelegd.

Deze normen worden gerelateerd aan de bestaande bodemkwaliteit, het bodemgebruik ter plaatse, en de maatschappelijke belangen die verbonden zijn aan de toepassing van grond en baggerspecie (bijvoorbeeld de waterbodemopgave). De vrijheid tot het vaststellen van normen bevindt zich wel binnen grenzen. Het staat de gemeenteraad en de waterkwaliteitsbeheerder vrij om tussen de achtergrondwaarden en de grens van een onaanvaardbaar risico voor mens, plant of dier (het zogenaamde saneringscriterium) lokale maximale waarden vast te stellen binnen de voorwaarden zoals opgenomen in het onderhavige besluit. Grond en baggerspecie die voldoen aan de achtergrondwaarden mogen namelijk altijd worden toegepast en grond en baggerspecie boven de grens van het onaanvaardbaar risico mogen nooit worden toegepast. Dit geldt ook voor grond en baggerspecie die boven de interventiewaarden zijn verontreinigd als gevolg van lokale puntbronnen.

Aan de vaststelling van lokale normen is bovendien een aantal procesmatige voorwaarden verbonden. Zij moeten worden vastgelegd in een besluit van het bevoegd gezag. Dit besluit staat open voor bezwaar en beroep. De normen moeten worden onderbouwd in een nota bodembeheer. Deze wordt vastgesteld door het democratisch controlerende orgaan, en wordt ter advies aan de betrokken bestuursorganen voorgelegd. Deel van de onderbouwing wordt gevormd door het gebruik van een gestandaardiseerde risico-berekening. Het gebruik van de mogelijkheden voor dit lokale bodembeheer wordt het «gebiedsspecifieke kader» genoemd.

Voor die bodembeheerders die geen lokale normstelling wensen geldt een ander kader: het «generieke kader». Binnen het generieke kader wordt het gebruik van de landbodem geografisch vastgelegd in bodemfunctieklassen, en wordt zowel de landbodem als de waterbodem ingedeeld in bodemkwaliteitsklassen.

De bodemfunctieklasse beschrijft het gebruik van de bodem. Er zijn twee bodemfunctieklassen; «wonen» en «industrie». Alle locaties die niet worden ingedeeld vallen automatisch onder de achtergrondwaarden, bijvoorbeeld landbouwgronden en natuurgebieden. Aan de bodemfunctieklassen worden door dit besluit normen gekoppeld voor chemische parameters (maximale waarden). Deze normen geven de maat voor de gewenste (duurzame) bodemkwaliteit voor de desbetreffende bodemfunctieklasse.

De bodemkwaliteitsklasse is een maat voor de kwaliteit van de bodem en van een partij grond of baggerspecie. Hiertoe wordt een set aan normen voor chemische parameters gegeven door dit besluit. De bodemkwaliteitsklassen voor de toepassing op of in de landbodem worden zodanig ingedeeld dat de bovengrens van een bodemkwaliteitsklasse op hetzelfde niveau ligt als de bovengrens van de corresponderende bodemfunctieklasse. De normen voor de bodemfunctieklasse «wonen» liggen op een lager niveau dan die voor «bedrijven».

De toepassingseisen die op een bepaalde locatie gelden worden gevormd door de combinatie van de eis die op grond van de bodemfunctieklasse geldt, en de eis die op grond van de ter plekke aanwezige bodemkwaliteitsklasse geldt. De strengste van de twee geeft de uiteindelijke eis. Bijvoorbeeld, op een industrieterrein met een bodem die overeenkomt met de achtergrondwaarden mag alleen maar grond en baggerspecie die voldoen aan de achtergrondwaarden worden toegepast. Op een woonwijk met een op het niveau van de bodemfunctieklasse «bedrijven» verontreinigde bodem mag alleen maar grond en baggerspecie worden toegepast die aan de klasse «wonen» voldoet (dus ook schonere grond & baggerspecie). Op een industrieterrein dat een verontreiniging kent tot op het niveau van de bodemfunctieklasse «bedrijven» mag grond worden toegepast die aan de bodemfunctieklasse «bedrijven» voldoet (dus ook alle schonere grond).

Voor de waterbodem worden geen bodemfunctieklassen vastgesteld. Dit vanwege het feit dat een waterbodem vaak vele functies kent, maar vooral omdat de kwaliteit van de waterbodem wordt bepaald door het herverontreinigingsniveau. Het heeft geen zin de eis te stellen dat er vanwege een natuurfunctie schone grond of baggerspecie moet worden toegepast, terwijl er vanzelf «vieze» baggerspecie neerslaat. Om die reden wordt voor de waterbodem alleen met bodemkwaliteitsklassen gewerkt.

Er zijn op deze algemene systematiek twee uitzonderingen.

1. Bij het op de kant brengen van baggerspecie op het direct aan de watergang gelegen perceel hoeft de kwaliteit van die baggerspecie alleen aan door dit Besluit gegeven kwaliteitseisen te voldoen.

2. Toepassingen die dikker zijn dan 2 meter en in een omvang van meer dan 5000 m3, de zogenaamde grootschalige toepassingen van grond en baggerspecie. Deze kunnen worden uitgevoerd wanneer wordt voldaan aan door dit Besluit gegeven standaardnormen. In dat geval hoeft alleen te worden voldaan aan een aantal randvoorwaarden.

4.1.2 Melding

Dit besluit kent in beginsel een meldingsplicht voor alle toepassingen, ongeacht of de grond of baggerspecie voldoet aan de achtergrondwaarden of verontreinigd is. Op deze meldingsplicht is een aantal uitzonderingen gemaakt, onder meer kleinschalige toepassingen van schone grond en baggerspecie. Er wordt gemeld via de Minister van VROM bij het bevoegd gezag. In de praktijk betekent dit dat de melding zal geschieden via een centraal meldpunt. Zie 4.4.3.

4.1.3 Actoren, bevoegdheden en verplichtingen

Het systeem kent voor de toepassing van grond en baggerspecie twee primaire actoren: de lokale bodembeheerder in zijn rol als bevoegd gezag en de toepasser. Het bevoegd gezag bepaalt welke eisen op een bepaalde locatie moeten worden gesteld. De toepasser moet bepalen of een bepaalde partij grond of baggerspecie op een locatie mag worden toegepast. Hieronder wordt beschreven welke handelingen de lokale bodembeheerder respectievelijk de toepasser moet uitvoeren ter uitvoering van dit besluit.

4.1.4 De lokale bodembeheerder

De eerste vraag die de lokale bodembeheerder zich moet stellen is of er redenen zijn om lokale normen vast te stellen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn omdat de generieke normstelling die nu eenmaal gebaseerd is op algemene aannames, onvoldoende is toegesneden op de lokale situatie. Als voorbeeld is de generieke normstelling voor de bodemfunctieklasse «wonen» gebaseerd op een relatief intensief gebruik van de tuin bij de woning. In het binnenstedelijk gebied is dit gebruik heel anders, met dientengevolge andere bijpassende normen.

Wanneer deze vraag met «nee» wordt beantwoord dient de gemeente de bodemfunctieklasse op een bodemfunctiekaart vast te leggen, en desgewenst de bodemkwaliteitsklassen vast te leggen, en te controleren of de toepassers zich aan de regels van het generieke kader houden. Dat wil zeggen controleren of de toepassing van partijen grond of baggerspecie wordt gemeld, of de juiste partij wordt toegepast (gelet op het gebruik van de bodem en de aanwezige bodemkwaliteit), en of sprake is van een nuttige toepassing (als verwoord in artikel 35). Wanneer het om de waterkwaliteitsbeheerder gaat hoeft geen functiekaart te worden vastgesteld en is verder het bovenstaande van toepassing.

Wanneer de vraag met «ja» wordt beantwoord dan dient een proces van beleidsvorming te worden doorlopen. Hiertoe moet bepaald worden welke ruimtelijke situatie er is, en welke ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien. Op basis hiervan wordt in een afweging tussen de bestaande bodemkwaliteit, de landelijke normen die voor de betreffende bodemfunctieklasse zijn vastgesteld en diverse maatschappelijke ontwikkelingen (voorziene handelingen met grond, noodzakelijke baggerwerkzaamheden) een gewenste bodemkwaliteit vastgesteld. Op basis daarvan worden de lokale maximale waarden vastgesteld. Wanneer dit is gebeurd rest het de lokale bodembeheerder om te controleren of de toepassing van partijen grond & baggerspecie wordt gemeld, of de juiste partij wordt toegepast (gelet op de lokale maximale waarden), en of sprake is van een nuttige toepassing (als verwoord in artikel 35).

4.1.5 De toepasser

Degene die een partij grond of baggerspecie wil toepassen dient zich eerst af te vragen of de beoogde toepassing de instemming van de eigenaar van de locatie heeft, en of sprake is van een nuttige toepassing als omschreven in artikel 35. Wanneer één van beide vragen met «nee» wordt beantwoord dan kan de toepassing niet plaatsvinden. Wanneer beide vragen met «ja» worden beantwoord dan moet de kwaliteit van de partij grond of baggerspecie worden bepaald. Er zijn dan drie mogelijkheden:

1. de partij voldoet aan de achtergrondwaarden. Het volstaat dan een melding te doen met uitzondering van de situaties genoemd in paragraaf 4.4.3 en de partij toe te grond of baggerspecie;

2. de partij is zodanig verontreinigd dat toepassing tot een onaanvaardbaar risico zou leiden. In dat geval kan de partij niet worden toegepast en dient hij te worden afgevoerd om te reinigen of te storten;.

3. de partij is licht verontreinigd en kan onder voorwaarden worden toegepast.

Wanneer de partij onder voorwaarden toepasbaar is (zoals verwoord in voorbeeld 3 hierboven) dan dient de toepasser zich af te vragen welke eisen gelden op de plaats waar hij de partij wil toepassen.

Toepassing in oppervlaktewater kan plaatsvinden indien de partij gelijk of minder verontreinigd is dan de ter plaatse aanwezige bodemkwaliteit of door de waterkwaliteitsbeheerder vastgestelde lokale normen voor toepassing of verspreiding van de partij. Voor toepassing op of in de bodem geldt het volgende. Het kan zijn dat de lokale bodembeheerder lokale normen heeft vastgesteld. Voldoet de partij aan de lokale normen, dan kan de toepassing na te zijn gemeld worden uitgevoerd. Heeft de lokale bodembeheerder geen lokale normen vastgesteld, dan geldt het generieke kader en wordt bepaald of de kwaliteit van de partij gelijk aan of schoner is dan de ter plekke aanwezige kwaliteit en wordt bepaald of de kwaliteit voldoet aan de eisen van de ter plekke geldende bodemfunctieklasse. Is dat het geval dan kan de toepassing na te zijn gemeld worden uitgevoerd.

4.2 Doelstellingen

Hoofdstuk 4 van dit besluit heeft ten doel milieuhygiënische randvoorwaarden te stellen aan de toepassing van grond en baggerspecie op of in de bodem en in oppervlaktewater. Hiervoor is een integraal en consistent beleidskader ontwikkeld.

Dit besluit beoogt een sterke vereenvoudiging van het bestaande stelsel van regels voor de toepassing van grond en baggerspecie dat als ingewikkeld en weinig samenhangend is ervaren. Bovendien beoogt dit besluit beter aan te sluiten op de praktijk en de maatschappelijke beleving van milieu- en gezondheidsrisico’s. Hiertoe wordt bij de uitvoering van de regelgeving meer verantwoordelijkheid neergelegd bij de decentrale overheden, waardoor ruimere mogelijkheden ontstaan voor maatwerk op lokaal niveau.

4.3 Werkingssfeer

4.3.1 Reikwijdte

Hoofdstuk 4 van dit besluit regelt de toepassing van grond en baggerspecie op of in de bodem en in oppervlaktewater.

Op grond van de kwaliteit van de grond en baggerspecie is de toepassing van grond en baggerspecie met een kwaliteit boven het zogenaamde saneringscriterium ingevolge dit besluit niet mogelijk («nooit»-grens; zie 4.7.3) en is het toegestaan grond en baggerspecie die voldoen aan de achtergrondwaarden zonder toetsingsregels toe te passen («altijd»-grens). Voor de toepassing van grond en baggerspecie tussen de «altijd»- en «nooit»-grens, voornamelijk licht verontreinigde grond en baggerspecie, is een drietal toetsingskaders ontworpen ( in afdeling 2 van hoofdstuk 4 van het onderhavige besluit). In de paragrafen 4.6 en 4.7. zijn deze toetsingskaders beschreven. Een aantal toepassingen van grond en baggerspecie valt niet onder de werkingssfeer van dit besluit (zie de toelichting bij artikel 36).

4.3.2 Particulieren en landbouwbedrijven

Natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf (particulieren) vallen onder het onderhavige besluit. In de praktijk gaat het veelal om particulieren die grond toepassen in hun tuin. Particulieren hoeven niet aan een aantal verplichtingen te voldoen. Het gaat om de volgende verplichtingen:

– het bepalen van de samenstellings- en emissiewaarden van bouwstoffen;

– het laten vaststellen van de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie;

– het melden van de toe te passen grond of baggerspecie;

– het vaststellen van de bodemkwaliteitsklasse.

Voor het toepassen van grond of baggerspecie binnen een landbouwbedrijf gelden bovenstaande verplichtingen eveneens niet, indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel grond waar de grond of baggerspecie wordt toegepast.

Ten overvloede zij opgemerkt dat de zorgplichtbepalingen onverkort gelden voor bovenstaande toepassingen van grond of baggerspecie.

4.3.3 Nuttige toepassing van grond en baggerspecie

De voorschriften voor de toepassing van grond of baggerspecie zijn zodanig vormgegeven dat wordt voldaan aan de eisen die gelden voor het omgaan met afvalstoffen. De reden hiervoor is dat grond en baggerspecie in het licht van de Kaderrichtlijn afvalstoffen en de jurisprudentie inzake afvalstoffen meestal als afvalstof kunnen worden beschouwd (zie 5.4.8). Door in dit besluit reeds rekening te houden met de eisen die voor afvalstoffen gelden, hoeft degene die grond of baggerspecie toepast zich zo min mogelijk af te vragen of de afvalstoffenregelgeving van toepassing is.

Op grond van de Kaderrichtlijn afvalstoffen is voor handelingen met afvalstoffen een vergunning vereist, tenzij lidstaten toepassing hebben gegeven aan artikel 11 van die richtlijn. Dat artikel schept de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van de vergunningplicht binnen de in dat artikel genoemde voorwaarden. Zie de uiteenzetting in 5.4.8 over deze voorwaarden.

Dit besluit beoogt gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 11 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen biedt. Artikel 35 strekt hiertoe.

Als een lidstaat een beroep doet op dat artikel 11 (en dus, althans voor wat betreft dit besluit, stelt dat sprake is van nuttige toepassing) heeft de lidstaat de volledige bewijslast. Van sommige handelingen die in dit besluit zijn gereguleerd, is niet op het eerste gezicht duidelijk of het verwijdering of nuttige toepassing is, omdat de betreffende handeling zowel op een handeling in bijlage IIA (verwijdering) als bijlage IIB (nuttige toepassing) van de Kaderrichtlijn afvalstoffen lijkt. Als een lidstaat een handeling als nuttige toepassing interpreteert, die niet in bijlage IIB staat, ligt de bewijslast volledig bij de lidstaat. Daarom is voor elke in dit besluit gereguleerde activiteit die in artikel 35 is opgenomen, gemotiveerd beoordeeld dat die activiteit kan worden gekwalificeerd als nuttige toepassing. Daarbij is tevens aangegeven waarom een toepassing die schijnt te lijken op een verwijderingshandeling in bijlage IIA desondanks niet als verwijderingshandeling, maar toch als nuttige toepassing moet worden gekwalificeerd.

Er zij op gewezen dat de Europese Commissie en het Europese Hof van Justitie gelet op hun rol in het toezicht op de naleving van het gemeenschapsrecht met hun interpretatie de doorslag geven in de beoordeling.

4.3.4 Tijdelijke opslag van grond en baggerspecie

Voor de inwerkingtreding van dit besluit was de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie vergunningplichtig op grond van de Wm en de Wvo, met uitzondering van de tijdelijke opslag korter dan zes maanden. De tijdelijke opslag korter dan zes maanden hoefde bovendien niet gemeld te worden en ook de kwaliteit hoefde niet te worden getoetst. Dit gaf echter problemen bij de handhaving, omdat op diverse plaatsen van het land illegale gronddepots werden opgeworpen. Bij de uitvoering van projecten leidde de vergunningplicht bovendien regelmatig tot problemen indien door onvoorziene omstandigheden de tijdelijke opslag langer plaatsvond dan zes maanden.

Dit besluit komt tegemoet aan de wens tot deregulering door de vergunningverlening te beperken en bedoelde problemen bij de handhaving wordt ondervangen door de verplichting tot het melden van een dergelijke handeling. Voor de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie in afwachting van toepassing op een geplande en gemelde eindbestemming, gelden voortaan de voorschriften voor de algemene toepassingen van grond of baggerspecie, te weten afdeling 2, paragraaf 1 en 2, van hoofdstuk 4 van dit besluit, met dien verstande dat vanwege de aard van de handeling – tijdelijke opslag – niet behoeft te worden getoetst aan de bodemfunctie. Voorwaarde is dat de opslag op de bodem maximaal drie jaar duurt en de opslag in oppervlaktewater 10 jaar, dat de opgeslagen grond of baggerspecie nuttig wordt toegepast in de eindbestemming en dat bij met het melden van het voornemen tot tijdelijke opslag de eindbestemming en de voorziene periode van opslag uiterlijk binnen 6 maanden is aangegeven. De eindbestemming, de locatie en de voorgenomen handeling, dienen te vallen binnen de reikwijdte van artikel 35. Zie ook de toelichting bij artikel 35, onder h en i,68, onderdeel B, 70, onderdeel B en 74 over tijdelijke opslag.

Ten overvloede wordt opgemerkt dat indien er niet kan worden voldaan aan de voorwaarden die volgen uit dit besluit, op grond van het verbod van artikel 37 voor bedoelde handeling een vergunning op grond van de Wm of de Wvo is vereist.

De volgende vormen van tijdelijke opslag van grond en baggerspecie zijn in dit besluit geregeld:

a. de kortdurende opslag (minder dan zes maanden) ;

b. de tijdelijke opslag van grond of baggerspecie op of in de bodem gedurende maximaal drie jaar of in oppervlaktewater gedurende maximaal tien jaar;

c. de tijdelijke opslag van baggerspecie op percelen gelegen naast de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is gedurende maximaal drie jaar (de zogenaamde weilanddepots);

d. de tijdelijke opslag met het oog op herstel van de oorspronkelijke situatie bij graafwerkzaamheden ten behoeve van aanleg en onderhoud (tijdelijk verplaatsen of tijdelijk wegnemen van grond of baggerspecie conform artikel 36, tweede lid).

Ad a. Kortdurende opslag

De toetsingskaders in afdeling 2 van hoofdstuk 4 van dit besluit zijn niet van toepassing op een tijdelijke opslag van grond en baggerspecie korter dan zes maanden. Deze situatie is vergelijkbaar met de situatie voor de inwerkingtreding van dit besluit. Nieuw is dat voor kortdurende opslag een meldingsplicht geldt. Hierbij is het melden van de eindbestemming echter niet noodzakelijk. Hierdoor kan in afwachting van de afvoer van grond of baggerspecie op basis van deze bepaling maximaal zes maanden gezocht worden naar een passende eindbestemming. De mogelijkheid van kortdurende opslag kan ook worden benut vooruitlopend op andere vormen van tijdelijke opslag. De totale duur van de tijdelijke opslag (inclusief de 6 maanden) mag echter de periode van 3 jaar (op landbodem) of 10 jaar (in oppervlaktewater) niet overschrijden.

Ad b. Tijdelijke opslag op of in de bodem of in oppervlaktewater

Zie de toelichtingbij artikel 35, onder h.

Ad c. Tijdelijke opslag van baggerspecie op percelen gelegen naast de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is.

Zie de toelichting bij artikel 35, onder i

Ad d. Tijdelijke opslag bij tijdelijk verplaatsen of wegnemen

Deze vorm van opslag maakt onderdeel uit van het tijdelijk verplaatsen of uit de toepassing wegnemen van grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 36, tweede lid, en kenmerkt zich door het feit dat de opslag van grond of baggerspecie op de locatie van ontgraven niet langer duurt dan de looptijd van de onderhouds- of aanlegwerkzaamheden waarop het tijdelijk verplaatsen of wegnemen als bedoeld is gericht. Op grond van dit besluit hoeft deze vorm van tijdelijke opslag niet te worden gemeld, onderzocht of getoetst (onderzoeksverplichtingen die voortvloeien uit andere wet- en regelgeving gelden uiteraard onverkort). Zie hieromtrent nader de toelichting bij artikel 36, derde lid. Overtollig materiaal dat na afronding van de werkzaamheden op de locatie in opslag blijft, in afwachting van een nieuwe bestemming, valt niet onder deze uitzonderingsbepaling.

4.3.5 Definities grond en baggerspecie

De definities van grond en baggerspecie hebben betrekking op het fijne bodemmateriaal (maximale korrelgrootte van 2 millimeter) alsmede op van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind (2–63 mm). Ook natuurlijke mengsels van fijn bodemmateriaal en schelpen en grind vallen onder de noemer grond en baggerspecie. Het fijne bodemmateriaal bestaat doorgaans uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof. In uitzonderingsgevallen komt ook grond voor met vrijwel geen organische stof (bijvoorbeeld dekzanden) of vrijwel geen minerale delen (bijvoorbeeld mineraalarm veen). Schelpen en grind zijn in de definities opgenomen omdat zij regelmatig in de bodem voorkomen, en toepassing ervan als bodem geen bezwaren uit milieuoogpunt kent. Uitsluiting van deze materialen zou het toepassen van grond en baggerspecie nodeloos beperken. Natuurlijke bodemmaterialen groter dan 63 mm worden in de bodemkunde beschouwd als stenen en worden niet gerekend tot de grondmatrix. Overigens komen stenen van nature slechts sporadisch voor in de Nederlandse bodem. Stenen worden gekwalificeerd als een bouwstof van natuurlijke oorsprong. Voor situaties waarin stenen voorkomen in grond of baggerspecie wordt verwezen naar de passage hierna over vermenging van grond en baggerspecie met ander materiaal.

De definities hebben een lange voorgeschiedenis. Tijdens een Algemeen Overleg met de Tweede Kamer op 27 juni 2002 heeft de toenmalige minister van VROM aangekondigd dat opnieuw zou worden gekeken naar de definitie van «grond». Hij doelde daarbij op het begrip «grond» zoals dat voorkomt in een aantal milieuregelingen, waaronder – toentertijd – het Bouwstoffenbesluit. Ter uitvoering hiervan zijn in de ambtelijke notitie «Naar een uniforme definitie van grond in de bodem- en afvalstoffenregelgeving» van mei 2004 voorstellen gedaan voor een nieuwe definitie. Nader overleg, onder meer in het kader van de Stuurgroep Bodem, heeft geleid tot aanpassing van de voorgestelde definitie. In hetzelfde kader is tevens een definitie van «baggerspecie» ontwikkeld. De aldus totstandgekomen definities zijn thans opgenomen in het onderhavige besluit. Eerder is de nieuwe definitie van «grond» reeds opgenomen in de «Beleidsregels verontreinigde grond Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen».

De nieuwe definities hebben betrekking op grond en baggerspecie die niet is vermengd met ander materiaal. Zij worden daarom ook aangeduid als de «basisdefinities» van grond en baggerspecie. In grond en baggerspecie wordt doorgaans ook ander materiaal aangetroffen, zoals minerale bestanddelen (puin, vliegas, slakken), en niet-minerale, niet-natuurlijke bestanddelen (glas, plastic, behandeld en onbehandeld hout). Daarom moet ook worden geregeld in hoeverre dergelijk gemengd materiaal wordt aangemerkt als grond of baggerspecie. Hiertoe wordt een maximaal gewichtspercentage ander materiaal gehanteerd. Dit percentage kan per regeling verschillen, aangezien het afhankelijk is van de strekking van de regeling4. Het percentage maakt daarom geen deel uit van de basisdefinitie. In dit besluit is het percentage gesteld op 20%. Dit percentage heeft betrekking op het gewicht. Indien grond is vermengd met meer dan 20% ander materiaal kan deze voor de toepassing van dit besluit niet worden aangemerkt als grond. Evenmin kan het materiaal worden gekwalificeerd als een bouwstof (zie artikel 26, vierde lid van dit besluit). Door middel van zeven of scheiden kan voor dergelijke partijen het percentage ander materiaal in de grond worden teruggebracht tot onder de 20 gewichtsprocenten, zodat de partij kan worden aangemerkt als grond in het kader van dit besluit.

Voor bouwstoffen geldt een aanvullende eis dat deze maximaal uit 20 gewichtsprocenten grond en baggerspecie mogen bestaan (zie artikel 26, vierde lid), tenzij deze grond een functioneel onderdeel uitmaakt van de bouwstof (zie artikelsgewijze toelichting bij artikel 26). Dit betekent dat er producten zijn die geen grond en tevens geen bouwstof betreffen. Deze producten dienen bewerkt te worden met als doel een hoogwaardig gebruik als grond of bouwstof mogelijk te maken.

Het begrip baggerspecie is nevengeschikt aan het begrip grond. Baggerspecie is dus niet opgevat als een categorie grond maar als een zelfstandige categorie. Baggerspecie is bodemmateriaal dat vrijkomt uit het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte. Zie hieromtrent nader paragraaf 1.6.

Een gevolg van het feit dat er een koppeling wordt gelegd tussen oppervlaktewater en het begrip baggerspecie is dat het zand dat wordt gewonnen uit zandwinputten die zijn gelegen in het oppervlaktewater in juridische zin wordt beschouwd als baggerspecie. Dit laat onverlet dat de producenten van dit zand het materiaal onveranderd als zand op de markt kunnen brengen. De juridische benaming van dit zand als baggerspecie doet verder ook niets af of bij aan de status van het materiaal als primaire grondstof of afvalstof. Dat wordt bepaald door de feitelijke handelingen met het materiaal.

De basisdefinities zijn gebaseerd op de samenstelling van het materiaal. De directe herkomst van het materiaal is daarmee niet bepalend voor de vraag of er sprake is van grond of baggerspecie. Ook materiaal dat aan de samenstellingskenmerken voldoet, maar dat niet rechtstreeks vrijkomt uit de bodem, bijvoorbeeld omdat het eerder is toegepast, kan derhalve onder de definities vallen. Wel zal het steeds gaan om materiaal dat oorspronkelijk afkomstig is uit de bodem. Het moet immers gaan om materiaal «in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen». Met «van nature worden aangetroffen» wordt niet zozeer gedoeld op de directe herkomst van de gronddeeltjes, maar op de samenstelling van het materiaal. Het gaat erom dat het toe te passen product gronddeeltjes bevat (een samenstelling heeft) welke overeenkomt met gronddeeltjes die van nature in de bodem voorkomen en daarmee dat het toe te passen product dus ook geschikt is om als bodem te kunnen worden toegepast. Het materiaal hoeft dus niet rechtstreeks uit de bodem te komen, maar moet wel vergelijkbaar zijn met materiaal dat rechtsreeks uit de bodem komt.

De nieuwe definities sluiten goed aan bij de nieuwe regels voor het toepassen van grond en baggerspecie. Onder de nieuwe regels geldt dat het toe te passen materiaal duurzaam een bodemfunctie moet kunnen vervullen. Bij dit criterium is de herkomst irrelevant. Het gaat er om dat de toe te passen partij een samenstelling en structuur heeft zoals die ook elders in de bodem worden aangetroffen. Verder kan ook materiaal met een zeker aandeel ander fysisch materiaal duurzaam een bodemfunctie vervullen.

De nieuwe definities wijken af van de definitie van «grond» zoals deze was opgenomen in het Bouwstoffenbesluit. De definitie in het Bouwstoffenbesluit luidde als volgt: «niet-vormgegeven bouwstof met een vaste structuur, die van natuurlijke oorsprong is, niet door de mens is geproduceerd en onderdeel van de Nederlandse bodem kan uitmaken». Het Bouwstoffenbesluit kende geen afzonderlijke definitie van baggerspecie. Baggerspecie werd voor de toepassing van het Bouwstoffenbesluit beschouwd als grond. De voornaamste verschillen met de definitie uit het Bouwstoffenbesluit zijn als volgt.

In de eerste plaats is de relatie met het begrip «bouwstof» verbroken. In de tweede plaats heeft het begrip «baggerspecie» een afzonderlijke definitie gekregen. Daarmee wordt ingespeeld op het feit dat bepaalde toepassingen specifiek betrekking hebben op baggerspecie. In de derde plaats kende de definitie uit het Bouwstoffenbesluit herkomstelementen. Met name was bepaald dat het materiaal niet door de mens mocht zijn geproduceerd. Bovendien gold dat het materiaal onderdeel van de Nederlandse bodem moest kunnen uitmaken. De nieuwe definities kennen deze elementen niet meer. In de vierde plaats is nu een regeling opgenomen voor de aanwezigheid van ander fysisch materiaal in grond.

Diverse materialen die onder het Bouwstoffenbesluit geen grond waren, zijn dat onder deze regeling wel. Vanzelfsprekend moet ook bij deze materialen worden gekeken naar het gewichtspercentage ander materiaal. Voorts blijft altijd gelden dat het moet gaan om materiaal «in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen». In de inspraakreacties is voor onderstaande materiaalstromen gevraagd duidelijkheid te scheppen over de status van het materiaal in relatie tot de definitie van grond.

Voor de onderstaande materiaalstromen geldt dat deze in ieder geval voldoen aan het eerste gedeelte van de definitie van grond, het betreft namelijk vast materiaal dat bestaat uit minerale delen en organische stof. Het gaat bij de beoordeling van de status van onderstaande materiaalstromen om de vraag of voldaan wordt aan de zinsnede «in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen».

De volgende stromen zijn genoemd in de inspraakreacties:

– Rioolkolken en gemalenslib, veegzand (RKGV)

– Zand uit de reiniging van RKGV

– Zeefzand

– Zand uit de reiniging van zeefzand

– Teerhoudend Asfaltgranulaat (TAG)

– Zand uit de reiniging van TAG

– Boorgruis

– Bentoniet

– Gereinigde grond

– Tarragrond

– Immobilisaten en stabilisaten

RKGV

RKGV betreft het materiaal dat via verwaaiing en oppervlakkige afspoeling in onze riolen terecht komt. Het betreft bodemmateriaal dat afhankelijk van de seizoensinvloeden in meer of mindere mate is vermengd met bijvoorbeeld bladeren en ander straatafval. Het materiaal is te beschouwen als grond, voorzover de 20% grens qua bijmengingen niet wordt overschreden. Evenzeer geldt dit voor het gereinigde zand uit RKGV waarbij uiteraard geldt dat daarbij vanwege de toegepaste scheidingstechnieken geen sprake is van bijmengingen.

(Sorteer- en breker) Zeefzand

Zeefzand is een verzamelnaam voor een product dat vrijkomt bij het proces van sorteren, breken en afzeven van met name bouw en sloopafval en heeft als zodanig geen relatie met bodemmateriaal.

Het kan afkomstig zijn van bouw- en sloopafval maar ook van overig afval. Vanuit de oorsprong kan het materiaal belast zijn met allerhande niet-bodem gerelateerde bestanddelen zoals o.a. gips, piepschuim, glas, keramiek en metaaldeeltjes, etc. Zeefzand is derhalve in het algemeen een volledig bodemvreemd product.

De enige overeenkomst tussen grond en zeefzand is gelegen in de korrelgrootteverdeling, dit komt omdat het hoofdaandeel van bouw en sloopafval afkomstig is van steenachtig materiaal welke direct (natuursteen) of indirect (klei voor bakstenen, zand voor beton) afkomstig is uit de bodem.

Op basis van het bovenstaande kan gesteld worden dat zeefzand geen grond betreft. Zeefzand zal in de regel een niet-vormgegeven bouwstof betreffen, tenzij het aandeel grond in die niet vormgegeven bouwstof groter is dan 20%.

Een uitzondering op het bovenstaande wordt gevormd door de situatie dat met het afzeven is beoogd om bodemdeeltjes af te zeven, bijvoorbeeld bij het uitzeven van een bodemlaag waarin veel puin aanwezig is. In dergelijke gevallen heeft het zeefzand wel een relatie met bodemmateriaal en dient het als grond te worden beschouwd.

Zand uit zeefzand

De situatie is anders bij de beoordeling van het zand dat vrijkomt bij de afscheiding in een zandscheidings- of reinigingsinstallatie. Dit zand voldoet aan de definitie van grond, het zand is immers gebruikt om beton en bakstenen te maken, waarbij het zand dus in een product is opgesloten en het zand komt na een bewerkingsproces weer vrij. Dit zand kan normaliter gewoon een bodemfunctie vervullen. Aandacht daarbij is wel noodzakelijk voor de voorgeschiedenis van het zand afkomstig uit de reiniging van zeefzand. Vanwege de vermenging met allerhande soorten materialen is het noodzakelijk meer parameters te onderzoeken dan de parameters die regulier worden onderzocht, met name de uitloging van sulfaat is vaak een probleem bij gereinigd zand uit zeefzand. Dergelijke elementen moeten onderdeel zijn van een beoordelingsrichtlijn of de procedure bij partijkeuringen, waarbij de voorgeschiedenis van de partij ook aanleiding kan zijn voor het aanpassen van het analysepakket en voor het zonodig apart bewerken van de stroom zeefzand ten opzichte van andere materiaalstromen (ook grond en RKGV worden in dergelijke installaties gereinigd). Het apart reinigen van deze stroom kan noodzakelijk zijn indien de kwaliteit van het gereinigde zeefzand anders is dan de kwaliteit van de overige gereinigde materialen.

TAG

TAG is een verzamelnaam voor een product dat is ontstaan door opbreken of affrezen van asfalt en heeft als zodanig geen relatie met bodemmateriaal. TAG is daarom een bodemvreemd materiaal. De enige overeenkomst tussen grond en TAG is gelegen in de korrelgrootteverdeling. Dit komt doordat een onderdeel van TAG afkomstig is van steenachtig materiaal dat direct of indirect afkomstig is uit de bodem. Op basis van het bovenstaande wordt gesteld dat TAG geen grond betreft.

Zand uit TAG

Het zand dat bij de reiniging van TAG vrijkomt is hetzelfde zand dat is gebruikt voor het maken van het asfalt. Dit zand voldoet aan de definitie van grond. Het zand is immers gebruikt om het zand te vervaardigen en komt na een bewerkingsproces weer vrij. Dit zand kan normaliter gewoon een bodemfunctie vervullen. Daarbij is wel aandacht noodzakelijk voor de voorgeschiedenis van het zand afkomstig uit de reiniging van TAG. Daarom is het noodzakelijk om meer parameters te onderzoeken dan de parameters die regulier worden onderzocht. Dergelijke elementen moeten onderdeel uitmaken van een beoordelingsrichtlijn of de procedure bij partijkeuringen, waarbij de voorgeschiedenis van de partij ook aanleiding kan zijn voor aanpassing van het analysepakket en voor het zonodig apart bewerken van TAG ten opzichte van andere materiaalstromen. In de praktijk worden namelijk ook grond en RKGV in dergelijke installaties gereinigd. Het apart reinigen van deze stroom kan noodzakelijk zijn indien de kwaliteit van het gereinigde zand uit TAG anders is dan de kwaliteit van de overige gereinigde materialen.

Boorgruis & Bentoniet

Boorgruis is niets anders dan grond die is ontgraven door middel van een boortechniek. Ter voorkoming van het instorten van het boorgat wordt boorspoeling gebruikt. Voor de ondiepe boringen is dat vaak bentoniet (natuurproduct) en voor de diepere boringen wordt vaak een oliehoudende boorspoeling gebruikt. De olie in het oliehoudende boorgruis wordt na het vrijkomen gedestilleerd waarna dus feitelijk de oorspronkelijk ontgraven bodem resteert. Daar is de conclusie dus dat het materiaal grond betreft. Het Bentoniethoudende boorgruis, dat tevens grootschalig vrijkomt bij het horizontaal boren van tunnels en leidingen wordt veelal teruggewonnen en opnieuw als bentoniet ingezet en de resterende bentoniet/grondmengsels worden ontwaterd en bevatten dus gronddelen en bentoniet. Aangezien bentoniet een natuurproduct is afkomstig uit de bodem, betreft deze materiaalstroom ook grond.

Gereinigde grond

Gereinigde grond betreft grond die wordt ontdaan van zijn verontreinigingen en is na die behandeling uiteraard gewoon nog grond.

Tarragrond

Tarragrond is de aanhangende grond die vrijkomt bij het behandelen van gewassen na de oogst. Tarragrond kent ook andere benamingen, zoals spoelgrond en zeefgrond, en verschillende verschijningsvormen; afhankelijk van de oogstomstandigheden en de gehanteerde scheidingtechnieken komt tarragrond vrij als droge of natte stromen. Voor de toepassing van tarragrond, en de beoordeling daarvan onder dit besluit, maakt dit geen verschil: natte en droge tarragrond zijn beide grond in de zin van artikel 1 van dit besluit.

Immobilisaten en stabilisaten

Immobilisaten en stabilisaten betreffen producten waarin grond is vermengd met onder andere cement om enerzijds de uitloging te beperken en anderzijds de constructieve eigenschappen van het materiaal te verbeteren. Immobilisaten en stabilisaten betreffen geen producten met een samenstelling in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen en zijn dus vormgegeven of niet-vormgegeven bouwstoffen.

Ten slotte wordt opgemerkt dat het residu van de reiniging van grond en baggerspecie zelfstandig zal worden getoetst aan de definitie van grond respectievelijk baggerspecie. Afhankelijk van de samenstelling is het residu dus al dan niet grond of baggerspecie.

4.4 Voorschriften voor toepassing van grond en baggerspecie

4.4.1 Algemeen

Degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen dient aan te tonen dat de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie geschikt is voor de voorgenomen toepassing en dient dat voornemen te melden, met uitzondering van de situaties genoemd in 4.4.3.

4.4.2 Vaststellen van kwaliteitseisen en milieuhygiënische verklaring

De kwaliteit van de grond en baggerspecie of voorzover van toepassing de kwaliteit van de ontvangende bodem dient te worden vastgesteld door een laboratorium dat daartoe is erkend door de Ministers van VROM en VenW. Milieuhygiënische verklaringen waaruit in elk geval blijkt dat de desbetreffende grond of baggerspecie voldoet aan de kwaliteitseisen, zijn een partijkeuring, een fabrikanteigenverklaring, een verklaring op grond van een door het bevoegd gezag vastgestelde bodemkwaliteitskaart, een (water)bodemonderzoek of een erkende kwaliteitsverklaring. De methoden en protocollen die worden gehanteerd voor de vaststelling van de kwaliteit van grond of baggerspecie en de voorwaarden waaronder de genoemde milieuhygiënische verklaringen mogen worden afgegeven worden bij ministeriële regeling bepaald.

4.4.3 Melden

Degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen als bedoeld in het onderhavige besluit dient in beginsel dat voornemen tenminste vijf werkdagen van te voren te melden via de Minister van VROM bij het bevoegd gezag.

In de praktijk zal een dergelijke melding geschieden aan het agentschap SenterNovem dat daartoe is gemandateerd door de Minister van VROM. De melding vindt zoveel mogelijk elektronisch plaats door middel van een daartoe vastgesteld formulier via www.senternovem.nl. Een afschrift van deze melding wordt direct (elektronisch) doorgezonden aan het bevoegd gezag (college van burgemeester en wethouders en waterkwaliteitsbeheerder) en aan degenen die belast zijn met het toezicht op de naleving.

Het digitale meldsysteem zal worden gebruikt om meldingsgegevens te administreren. Het meldsysteem kan door het bevoegd gezag worden geraadpleegd. Het bevoegd gezag kan bovendien de gegevens actualiseren.

Het meldsysteem is zodanig ingericht dat degene die de melding doet direct wordt geattendeerd op onjuiste of ontbrekende informatie die voor de desbetreffende melding nodig is.

Dit meldsysteem sluit aan op het digitale meldsysteem in het kader van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen. Op het moment dat de partij aan een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer wordt overgedragen, valt deze binnen het regime van dat besluit. Het meldsysteem op grond van het onderhavige besluit wordt hier zodanig op toegesneden dat slechts één keer hoeft te worden gemeld.

Bij de melding worden tenminste de gegevens verstrekt, genoemd in artikel 42, van het onderhavige besluit.

De meldingsplicht geldt niet voor de volgende toepassingen:

1. de toepassing van grond of baggerspecie door particulieren;

2. het toepassen van grond of baggerspecie binnen een landbouwbedrijf indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel grond waar de grond of baggerspecie wordt toegepast. Grondbewerking en grondverzet is in de landbouw een basisactiviteit die geen risico’s voor de bodemkwaliteit met zich brengt. De verplichting om elke toepassing van grond binnen van een landbedrijf te moeten melden, zal voor de agrariër naar verhouding onevenredige administratieve lasten met zich brengen;

3. het toepassen van grond of baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen met het oog op het herstellen of verbeteren van het profiel van de watergang of de aan de watergang grenzende percelen;

4. het toepassen van schone grond en baggerspecie in hoeveelheden kleiner dan 50 m3.

4.5 Normstelling en toetsingskaders voor grond en baggerspecie

4.5.1 Gehanteerde waarden

Voor het toetsen van de toepassing van grond en baggerspecie op of in de bodem of in oppervlaktewater worden de volgende aanduidingen gebruikt voor het weergeven van de kwaliteit van de toe te passen grond en baggerspecie en de kwaliteit van de bodem waarop de grond en baggerspecie wordt toegepast.

1. Achtergrondwaarden: landelijk geldende waarden voor een multifunctionele bodemkwaliteit die de grens vormen aan wat in het dagelijks gebruik «schone grond en bagger» wordt genoemd. Bodems in relatief onbelaste gebieden in Nederland voldoen in overgrote meerderheid aan de achtergrondwaarden. De achtergrondwaarden zijn ontleend aan de waarden die zijn vastgesteld in het project «Achtergrondwaarden 2000 (AW 2000) en zijn gepubliceerd in het TNO-rapport 2007-U-R1052/A, Beleidsmatig vervolg AW 2000, Voorstellen voor normwaarden op achtergrondniveau en bijbehorende «toetsingsregel». Deze achtergrondwaarden zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden. De keuze voor deze gronden is gebaseerd op de verwachting dat daarin een niet meer dan normale diffuse achtergrondbelasting uit antropogene en natuurlijke bronnen aanwezig is. Locaties waar een vermoeden bestaat van bodembelasting door lokale bronnen zijn bij de bepaling van de achtergrondwaarden niet meegenomen.

2. Maximale waarden voor de bodemfunctieklassen: landelijk vastgestelde generieke waarden voor de bodemkwaliteit die voor een groep van bodemfuncties in algemene zin de bovengrens aangeeft van wat als een duurzaam geschikte toestand wordt beschouwd. Voor de generieke toetsing van op de landbodem toe te passen grond en baggerspecie worden twee bodemfunctieklassen onderscheiden: wonen en industrie.

3. Maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklassen: landelijk vastgestelde generieke waarden voor klassen waarin de actuele bodemkwaliteit kan worden ingedeeld. Voor de generieke toetsing van op de landbodem toe te passen grond en baggerspecie worden twee bodemkwaliteitsklassen onderscheiden: wonen en industrie. De bovengrens van deze klassen die de actuele bodemkwaliteit weergeven, komt overeen met de overeenkomstige bodemfunctieklassen die de gewenste kwaliteit weergeven. Bij toepassing op de waterbodem worden eveneens twee bodemkwaliteitsklassen onderscheiden: klasse A en klasse B.

4. Interventiewaarden: landelijk geldende waarden die aangeven dat bij overschrijding sprake is van potentiële ernstige vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier, als bedoeld in de Wet bodembescherming. Bij overschrijding van deze waarden moet nader worden onderzocht welke maatregelen nodig zijn om de risico’s voor mens, plant of dier te beperken of ongedaan te maken en of spoedige sanering op grond van artikel 37 van de Wet bodembescherming (zie onder 6) nodig is. Overschrijding van de interventiewaarden betekent niet automatisch dat de verontreinigde grond moet worden afgegraven of het verontreinigd grondwater moet worden opgepompt. Er kunnen bijvoorbeeld ook beperkingen aan het gebruik van de bodem worden opgelegd.

5. Lokale maximale waarden: lokaal vastgestelde waarden voor de bodemkwaliteit waaraan de toe te passen grond en baggerspecie moet voldoen. Bij het vaststellen van deze waarden is door het bevoegd gezag rekening gehouden met de actuele bodemkwaliteit en de risico’s voor de bodemfunctie ter plaatse.

6. Met spoed saneren op grond van artikel 37 van de Wet bodembescherming. Om vast te kunnen stellen wanneer het noodzakelijk is om in een bepaald geval met spoed te saneren is een methodiek ontwikkeld waarmee het bevoegd gezag bodemsanering (gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders van de zogenaamde grote gemeenten) per locatie waarden kan vaststellen die aangeven wanneer er sprake is van een onaanvaardbaar risico voor mens, plant of dier in welk geval spoedige sanering is geboden (het zogenaamde saneringscriterium). Grond en baggerspecie met stoffen in concentraties boven een dergelijke waarde mogen niet worden toegepast (zie artikel 44, tweede lid).

4.5.2 Toetsingskaders

In dit besluit zijn de volgende toetsingskaders voor het toepassen van licht verontreinigde grond en baggerspecie en in specifieke gevallen ook ernstig verontreinigde grond en baggerspecie opgenomen:

– Het gebiedsspecifieke en generieke toetsingskader voor de algemene toepassing van grond en baggerspecie (zie paragraaf 4.6 en 4.7);

– het toetsingskader voor verspreiden van baggerspecie (zie 4.8);

– het toetsingskader voor grootschalige toepassingen (zie 4.9).

In dit besluit maakt het verspreiden van baggerspecie onderdeel uit van de toetsingskaders voor de algemene toepassing. Voor de duidelijkheid is het onderdeel verspreiden in een aparte paragraaf toegelicht.

Voor de algemene toepassingen en het verspreiden in oppervlaktewater is de gebiedsspecifieke toetsing ontwikkeld om invulling te geven aan een van de belangrijkste uitgangspunten van het nieuwe beleidskader, namelijk decentrale bestuursorganen meer ruimte te geven om lokaal beleid te voeren. Voor zover het decentraal bestuursorgaan daar geen uitvoering aan wenst te geven is het generieke toetsingskader van toepassing dat landelijk geldt. Het toetsingskader voor het verspreiden van baggerspecie over het aan de watergang grenzend perceel en voor grootschalige toepassingen (met uitzondering van de leeflaag), is niet gerelateerd aan vormgegeven lokaal beleid en hiervoor is ook geen lokaal beleid te voeren.

4.6 Gebiedsspecifieke toetsingskader voor de algemene toepassing

4.6.1 Gebiedsspecifieke toetsingskader

Het algemene toetsingskader gaat bij gebiedsspecifieke toetsing uit van de verantwoordelijkheid van zowel het bevoegd gezag als de toepasser voor een verantwoorde toepassing van grond en baggerspecie binnen een door het bevoegd gezag aangewezen gebied.

Toepassing van grond en baggerspecie op of in de bodem of in oppervlaktewater is verantwoord als deze toepassing past binnen het beleid dat het bevoegd gezag heeft ontwikkeld voor de bodem in zijn gebied. In dit beleid zijn de ruimtelijke situatie en de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen afgestemd op de ambities voor de kwaliteit van de bodem. Hierbij kan het gaan om:

– een algemene verbetering van de bodemkwaliteit;

– toepassing van licht verontreinigde grond en baggerspecie op een schonere bodem op basis van een integrale afweging van risico’s en maatschappelijke belangen binnen het door het bevoegd gezag aangewezen gebied en onder de voorwaarde dat door kwaliteitsverbetering elders binnen het aangewezen gebied tenminste een standstill-situatie op gebiedsniveau wordt bereikt.

– toepassing van ernstig verontreinigde grond of baggerspecie in diffuus belaste gebieden.

Voor landbodems geldt dat de toekenning van bodemfuncties centraal staat in de handelwijze van het bevoegd gezag bij het toepassen van grond en baggerspecie op of in de bodem binnen zijn grondgebied. Voor zowel de landbodem als het oppervlaktewater legt het betreffende bevoegd gezag legt in een nota bodembeheer de maximale waarden vast waaraan de kwaliteit van de toe te passen grond en baggerspecie moet voldoen. Deze waarden zijn lokale waarden en vormen het gebiedsspecifieke toetsingskader. De kwaliteit van de toe te passen grond en baggerspecie moet tenminste voldoen aan deze lokale maximale waarden. Bij de vaststelling van lokale waarden voor landbodems dient rekening gehouden te worden met de bodemfunctie ter plaatse. Hiervoor worden als richtlijn per stof op landelijk niveau maximale waarden aangereikt. In bijzondere situaties kunnen de lokale waarden voor één of meerdere stoffen boven de interventiewaarden liggen. Toepassing van grond en baggerspecie boven deze interventiewaarden is onder stringente voorwaarden mogelijk (zie paragraaf 4.6.5). De lokale waarden mogen niet worden vastgesteld boven het saneringscriterium (zie 4.5.1).

In situaties dat het bevoegd gezag toestaat licht verontreinigde grond of baggerspecie op of in de landbodem toe te passen die voldoet aan de bodemfunctie maar die slechter is dan de actuele kwaliteit van de ontvangende bodem, is toepassing beperkt tot grond en baggerspecie uit hetzelfde gebied. Het bevoegd gezag kan bijvoorbeeld ertoe besluiten de aanwezige verontreiniging binnen een klein deelgebied te concentreren en daarmee de kwaliteit van het gehele gebied te verbeteren of besluiten ruimte te bieden aan baggerspecie die bij het onderhoud van aangrenzende watergangen vrijkomt. Door de herkomst van de grond en baggerspecie in deze gevallen te beperken tot het gebied zelf wordt geborgd dat de totale kwaliteit van het gehele gebied waartoe een nota bodembeheer strekt, kan worden verbeterd met als consequentie dat op een klein deelgebied een verantwoorde vermindering van kwaliteit optreedt. Door het aanzuigen van grond van buiten het aangewezen gebied te voorkómen en door te zorgen dat er navenante verbeteringen in andere gedeelten van het gebied plaatsvinden wordt standstill op gebiedsniveau gewaarborgd.

4.6.2 Procedure vaststellen lokale maximale waarden

De lokale maximale waarden worden door de gemeenteraad, Rijkswaterstaat of het algemeen bestuur van het waterschap bij besluit vastgesteld of de waterkwaliteitsbeheerder bij besluit vastgesteld. Hiermee wordt het vaststellen van lokale maximale waarden democratisch gelegitimeerd. Op de vaststelling van het besluit is de openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit besluit is vatbaar is voor bezwaar en beroep.

In de praktijk zullen de maximale waarden onderdeel uitmaken van een nota bodembeheer bij het besluit van de gemeenteraad, Rijkswaterstaat of het algemeen bestuur van het waterschap. Voor watersystemen zal de vaststelling van de waarden in een nota bodembeheer plaatsvinden door de waterkwaliteitsbeheerder als onderdeel van het watergebiedsplan.

De nota bodembeheer wordt voor een periode van maximaal tien jaar vastgesteld. Aan het eind van deze periode wordt de nota geëvalueerd en worden de lokale maximale waarden eventueel bijgesteld.

In de nota bodembeheer vindt vanuit de verschillende belangen, vooral milieu, ruimtelijke ordening en economische ontwikkeling, een optimalisatie plaats van de mogelijkheden om grond en baggerspecie af te zetten op basis van een beoordeling van risico’s. Ook moet rekening worden gehouden met kwetsbare gebieden, zoals natuurgebieden, drinkwaterwingebieden en beschermde gebieden die zijn aangewezen in een provinciale milieuverordening. Het betreft hier in ieder geval de gebieden die op grond van artikel 10 van de Natuurbeschermingswet 1998 zijn aangewezen als beschermde natuurmonumenten en de op grond van artikel 10a van dezelfde wet aangewezen gebieden ter uitvoering van Richtlijn (EEG) nr. 79/409 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103, hierna: Vogelrichtlijn) en Richtlijn (EEG) nr. 92/43 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206, hierna: Habitatrichtlijn), alsmede de kerngebieden van de Ecologische Hoofdstructuur als bedoeld in het Natuurbeleidsplan (Kamerstukken II, 1989/90, 21 149, nrs. 2–3) en de gebieden waarin particulier of agrarisch natuurbeheer plaatsvindt.

De nota bodembeheer wordt afgestemd met de overige betrokken bevoegde bestuursorganen (bevoegd gezag bodemsanering, provincies en waterkwaliteitsbeheerders) Waar lokale maximale waarden boven de interventiewaarden worden vastgesteld, is instemming van het bevoegd gezag bodemsanering noodzakelijk in verband met de vaststelling van het saneringsplan voor het gebied waarop het grondverzet betrekking heeft. Bovendien is kennis van de lokale maximale waarden belangrijk voor het bevoegd gezag bodemsanering vanwege de vaststelling van saneringsdoelstellingen voor een saneringslocatie die is gelegen in een gebied waarvoor de lokale maximale waarden gelden.

De bevoegde bestuursorganen hebben de keuze of ze hun gehele grondgebied opnemen als gebied voor gebiedsspecifieke toetsing, of slechts een deel. Ook kunnen ze ervoor kiezen om hun gebied met aangrenzende gebieden van anderen samen te voegen tot één gebied waarop de nota bodembeheer betrekking heeft. Dit kan schaalvoordelen opleveren die de toepassing van grond en baggerspecie vereenvoudigen.

4.6.3 Nota bodembeheer

De nota bodembeheer voldoet aan de richtlijnen die zijn vastgesteld bij ministeriële regeling.

In ieder geval beschrijven de bevoegde bestuursorganen de volgende onderwerpen in de nota bodembeheer:

A. de bodemkwaliteit en de bodemfuncties in het aangewezen gebied. Op een kaart wordt de (chemische) kwaliteit van de bodem geregistreerd en voor de landbodem de bodemfuncties;

B. de maatschappelijke opgave. De omvang en de locatie van de baggeropgave en het grondverzet binnen een gebied worden weergegeven, inclusief verwachte ruimtelijke ontwikkelingen in de toekomst.

C. de lokale maximale waarden en de motivering daarvan. Lokale maximale waarden kunnen voor diverse parameters lager of hoger uitvallen dan de maximale waarden die in het generieke toetsingskader voor bodemfunctieklassen (zie hoofdstuk 4.7) worden gehanteerd. Voor het percentage bodemvreemd materiaal kan eveneens een lager percentage worden vastgesteld, dan op grond van artikel 34, derde of vierde lid generiek is toegestaan. De bevoegde bestuursorganen dienen deze andere waarden afdoende te onderbouwen en – indien op grond van dit besluit toegestaan – bij hogere waarden aan te geven waarom deze noodzakelijk en milieuhygiënisch acceptabel worden geacht. Er dient een integrale afweging van risico’s plaats te vinden waarbij in de situaties zoals opgenomen in de ministeriele regeling bij dit besluit verplicht gebruik wordt gemaakt van een landelijk uniforme rekenmethodiek, de zogenaamde risicotoolbox. Deze berekent de risico’s voor mens, plant en dier bij verschillende bodemfuncties en het risico op verhoogde gehalten in bodem, grond- of oppervlaktewater door verspreiding van stoffen. De methodiek geeft ook inzicht in de gevolgen voor de kwaliteit van geteelde producten. Hierbij is de mogelijkheid opgenomen bij ministeriële regeling maximale waarden te bepalen tot aan het zogenaamde saneringscriterium. Ook voor de toepassing in oppervlaktewater kunnen lokale maximale waarden boven de interventiewaarden worden vastgesteld. De methodiek geeft ook inzicht in de gevolgen voor de kwaliteit van geteelde producten. Tevens wordt aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het uitgangspunt van standstill op gebiedsniveau.

D. Een beschrijving van de uitvoering, het toezicht, de handhaving en de evaluatie van het bodembeleid.

4.6.4 Standstill-beginsel op gebiedsniveau

De nota bodembeheer bevat als voorwaarde voor het vaststellen van de lokale maximale waarden een beschrijving van de wijze waarop binnen het door het bevoegde bestuursorgaan aangewezen gebied invulling is gegeven aan het uitgangspunt dat de bodemkwaliteit niet verslechtert in een gebied (standstill op gebiedsniveau) en waar mogelijk dient te worden verbeterd. Met het oog hierop geven de bevoegde bestuursorganen in de nota bodembeheer aan op welke wijze de volgende zaken zijn geborgd:

– bij een plaatselijke vermindering van de bodemkwaliteit tengevolge van de toepassing van licht verontreinigde grond of baggerspecie moet elders in het gebied ten minste een navenante verbetering van de bodemkwaliteit worden gerealiseerd, zodat in het hele gebied minimaal aan standstill wordt voldaan. De vermindering van de bodemkwaliteit mag alleen plaatsvinden tengevolge van het toepassen van grond en baggerspecie uit het aangewezen gebied en

– de lokale maximale waarden mogen uiteraard niet leiden tot nadelige gevolgen voor mens en ecosystemen.

Het toepassen van standstill op gebiedsniveau, zoals bovenstaand beschreven, geldt alleen bij het toepassen van licht verontreinigde grond of baggerspecie. Voor ernstig verontreinigde grond of baggerspecie geldt uitsluitend een standstill op lokaal niveau (zie volgende paragraaf).

4.6.5 Ernstig verontreinigde grond en baggerspecie

In een gebied waarvan de bodem als gevolg van diffuse verontreiniging stoffen bevat in concentraties boven de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie (landbodem) of interventiewaarden (waterbodem) , kan onder de volgende voorwaarden grond of baggerspecie worden toegepast:

– het bevoegd gezag dient in een besluit lokale maximale waarden vast te stellen voor die parameters die de diffuse ernstige verontreiniging hebben veroorzaakt; deze lokale maximale waarden dienen overeen te komen met de kwaliteit van de bodem waarvoor deze lokale maximale waarden gelden;

– de lokale maximale waarden worden niet vastgesteld boven het saneringscriterium (zie 4.5.1);

– vanwege de samenhang met het bodemsaneringsbeleid wordt bij overschrijding van de interventiewaarden een dergelijk besluit van tevoren afgestemd met het bevoegd gezag bodemsanering (zie 4.6.2);

– de kwaliteit van de grond of baggerspecie die in het desbetreffende gebied wordt toegepast voldoet ten minste aan de lokale maximale waarden, en is bij overschrijding van de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie (grond) of interventiewaarden (baggerspecie) uitsluitend afkomstig uit het desbetreffende gebied.

Voorkomen moet worden dat dergelijke gebieden gaan fungeren als stortplaats voor ernstig verontreinigde grond en baggerspecie afkomstig van saneringslocaties met een direct aanwijsbare bron. Het toepassen van dergelijke grond en baggerspecie is in die gebieden daarom niet toegestaan en dient te worden gereinigd of te worden gestort op een daartoe bestemde stortplaats.

4.7 Generieke toetsingskader voor algemene toepassingen

4.7.1 Bodemfuncties en bodemfunctieklassen

In die gebieden waarvoor de bevoegde bestuursorganen geen lokale maximale waarden in een besluit hebben vastgelegd, wordt de toepassing van grond en baggerspecie generiek getoetst. Voor deze generieke toetsing zijn bij ministeriële regeling zowel maximale waarden voor bodemfunctieklassen (landbodem) als maximale waarden voor bodemkwaliteitsklassen vastgelegd.

In de beleidsontwikkeling is men tot de volgende indeling van bodemfuncties gekomen:

1. wonen met tuin;

2. plaatsen waar kinderen spelen;

3. moestuinen/volkstuinen;

4. landbouw;

5. natuur;

6. groen met natuurwaarden;

7. ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie.

Deze bodemfuncties worden gebruikt in het gebiedsspecifieke kader. Bij ministeriële regeling worden deze functies nader ingevuld.

Met het oog op het generiek toetsen van de toepassing van grond en baggerspecie op of in de bodem zijn de functies 1, 2 en 6 samengevoegd tot de bodemfunctieklasse wonen en komt functie 7 overeen met de bodemfunctieklasse industrie. De bodemfunctieklasse industrie staat iets meer verontreinigingen toe dan de bodemfunctieklasse wonen. Indien voor de bodem waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast geen van deze beide bodemfunctieklassen geldt, en dus schoner is, dan wel deze bodem voldoet aan de achtergrondwaarden, mag uitsluitend grond en baggerspecie worden toegepast die voldoet aan de achtergrondwaarden. Dit betekent onder meer dat op of in een bodem waaraan de functie landbouw of natuur is toegekend, alleen grond en baggerspecie mag worden toegepast die voldoet aan de achtergrondwaarden. Hiermee wordt bereikt dat enerzijds natuurgebieden zo schoon mogelijk blijven en anderzijds de voedselkwaliteit niet wordt bedreigd. Bovendien wordt rekening gehouden met het feit dat in het landelijk gebied veelal een combinatie van landbouw en natuur aanwezig is en hierbij veelvuldig sprake is van functiewisseling tussen beide. Voor de natuurgebieden die nu niet aan de achtergrondwaarden voldoen en derhalve wat minder schoon zijn, moet het gebiedsspecifieke spoor worden bewandeld om de afzetruimte voor grond en baggerspecie met gelijke kwaliteit in het gebied te benutten. Hetzelfde geldt voor een aantal teelten op bodems waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarden overschrijdt. Voor het vaststellen van lokale maximale waarden voor deze teelten wordt een handreiking opgesteld.

Omwille van de eenheid in normen is voor moestuin/volkstuin gekozen voor aansluiting bij de functie landbouw. Voor moestuin/volkstuin liggen de door het RIVM berekende referenties boven de achtergrondwaarden met uitzondering van lood. De impact van deze keuze op de mogelijkheden voor de afzet van grond en baggerspecie is uitermate beperkt; er vindt nauwelijks grondverzet voor moestuinen en volkstuinen plaats in Nederland.

Voor de functies wonen met tuin en kinderspeelplaats is voor de parameters lood, cadmium en kwik aangesloten bij de lagere referenties zoals die zijn berekend voor groen. Zonder deze keuze was een extra bodemkwaliteitsklasse noodzakelijk, welke slechts afzetruimte zou bieden voor ca. 2% van de vrijkomende licht verontreinigde grond. Overigens voldoet deze 2% wel aan de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie, waardoor er nog steeds mogelijkheden zijn voor afzet van deze grond.

4.7.2 Bodemkwaliteitsklassen

De bodemkwaliteitsklassen worden alleen gehanteerd in het generieke toetsingskader. In het gebiedsspecifieke kader kan het bevoegd gezag gebruik maken van een klassenindeling, maar is hiertoe niet verplicht. Voor toepassing op of in de bodem geldt een andere indeling in bodemkwaliteitsklassen dan voor toepassing op of in de bodem onder oppervlaktewater.

Het gebruik van (bodem)kwaliteitsklassen is voor waterbodems niet nieuw. De voor inwerking van dit besluit gehanteerde waterbodemkwaliteitsklassen zijn beschreven in de Vierde Nota Waterhuishouding en wordt al vele jaren gebruikt door waterkwaliteitsbeheerders. In de Vierde Nota Waterhuishouding is echter een herziening van de indeling aangekondigd. Dit besluit geeft hier invulling aan door een nieuwe indeling in waterbodemkwaliteitsklassen vast te stellen die de oude indeling moet vervangen. De uitwerking van de nieuwe indeling is bij ministeriële regeling vastgelegd. De nieuwe indeling kent minder klassen en houdt bijvoorbeeld meer rekening met sedimentatieprocessen die voortdurend de waterbodemkwaliteit beïnvloeden. De kwaliteitsklassen gelden voor alle algemene toepassingen, exclusief verspreiden, die met grond en baggerspecie op of in de bodem onder oppervlaktewater plaatsvinden. Aangezien de uiterwaarden, stranden, slikken en platen onderdeel uitmaken van het oppervlaktewater (zie par. 5.3.) geldt deze indeling ook voor toepassing op deze delen. Bij toepassing kan sprake zijn van verschillende milieuomstandigheden (drogere delen overwegend aeroob, natte delen overwegend anaeroob) en dus ook van verschillende milieurisico's, waaronder de mobiliteit van metalen. Bij de herziening van de klassenindeling is met deze verschillen rekening gehouden. De oude indeling in klassen (0 t/m 4) conform de Vierde Nota Waterhuishouding is door het jarenlange gebruik zeer diep geworteld in diverse wetgevingen, vergunningen en beleidsnota’s. Middels dit besluit wordt de wetgeving waarin deze indeling is gebruikt aangepast. Dit besluit heeft niet de mogelijkheden om bestaande vergunningen en beleidsnota’s aan te passen. De wens bestaat wel dat het bevoegd gezag gaat bezien of het gewenst is dat bestaande vergunningen en beleidsnota’s op grond van de nieuwe indeling worden aangepast. Zeker voor bestaande vergunningen omtrent het storten van baggerspecie wordt de wenselijkheid groot geacht om een betere aansluiting te krijgen met het toepassingskader zoals door dit besluit geboden.

Voor de landbodem is het indelen van de bodemkwaliteit in bodemkwaliteitsklassen, zoals dat voor waterbodems al bestond, wel een nieuw element. De bodemkwaliteitsklassen voor de landbodem zijn ontstaan als sterke vereenvoudiging van het systeem van bodemgebruikswaarden. Door het RIVM zijn voor diverse bodemfuncties referenties berekend, dat wil zeggen de chemische bodemkwaliteit voor deze bodemfuncties die minimaal nodig is op basis van risico’s voor mens, ecosysteem en landbouw en het risico op doorvergiftiging. De verspreidingsrisico’s voor grond-, drink- en oppervlaktewater heeft het RIVM niet meegenomen in de berekening. Hiervoor ontbreekt namelijk een afdoende wetenschappelijke basis. Indien voldoende kennis over de verspreidingsrisico’s is verkregen, kunnen de bodemkwaliteitsklassen hierop in de toekomst worden aangepast, ook in het licht van de implementatie van de Kaderrichtlijn Water en de nieuwe Richtlijn Grondwater.

Op basis van de informatie van het RIVM is voor licht verontreinigde landbodems en hierop toe te passen grond en baggerspecie een bodemkwaliteitsklasse industrie en een bodemkwaliteitsklasse wonen onderscheiden.

De bovengrens van de bodemkwaliteitsklassen is bepaald op basis van de geschiktheid van de bodem voor de hierboven genoemde bodemfuncties en betreft maximale waarden voor een selectie van de stoffen die in bijlage 1 bij dit besluit zijn opgenomen. Deze maximale waarden zijn bij ministeriële regeling vastgelegd. De basis voor de kwaliteitsklassen voor toepassing op of in de bodem en toepassing in oppervlaktewater wordt gevormd door de achtergrondwaarde (AW2000), waardoor de grens voor schone grond en schone baggerspecie identiek is.

4.7.3 Toetsing van toepassingen op of in de bodem

Bij toepassing van licht verontreinigde grond en baggerspecie op of in de bodem kunnen vijf situaties worden onderscheiden:

1. Voor de bodem waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast geldt een bodemfunctieklasse wonen en is een actuele kwaliteit vastgesteld die voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse wonen.

2. Voor de bodem waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast geldt een bodemfunctieklasse industrie en is een actuele kwaliteit vastgesteld die voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse industrie.

3. Voor de bodem waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast geldt een bodemfunctieklasse wonen en is een actuele kwaliteit vastgesteld die voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse industrie.

4. Voor de bodem waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast geldt een bodemfunctieklasse wonen en is een actuele kwaliteit vastgesteld die voldoet aan de achtergrondwaarden.

5. Voor de bodem waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast geldt een bodemfunctieklasse industrie en is een actuele kwaliteit vastgesteld die voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse wonen of aan de achtergrondwaarden.

Voor de eerste twee situaties moet de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie voldoen aan de maximale waarden die gelden voor de genoemde bodemfunctieklassen en bodemkwaliteitsklassen. Deze maximale waarden zijn voor wonen respectievelijk industrie aan elkaar gelijk. In de laatste drie situaties gelden de strengste maximale waarden: die van de bodemfunctieklasse wonen in situatie 3, die van de achtergrondwaarden in situatie 4 en die van de bodemkwaliteitsklasse wonen of de achtergrondwaarden in situatie 5.

Er kunnen gevallen voorkomen waarbij de overschrijding van één parameter zou betekenen dat het gehele gebied in een bodemkwaliteitsklasse ingedeeld zou moeten worden die voor de overige parameters als gevolg zou hebben dat minder strenge eisen zouden gelden. De grens om te kunnen voldoen aan de maximale waarden voor de desbetreffende parameters wordt immers ruimer. Dit zou kunnen betekenen dat de kwaliteit van het hele gebied verslechtert. Om dergelijke grensgevallen goed te regelen, worden bij ministeriële regeling regels gesteld aan de indeling in bodemkwaliteitsklassen.

De keuze voor de bodemkwaliteitsklasse zal afhankelijk zijn van de volgende situaties:

– de overschrijding van meer dan een bij de ministeriële regeling bij dit besluit nader aangegeven parameters;

– de mate van overschrijding van de bovengrens van de bodemkwaliteitsklasse; de gevallen waarin de desbetreffende overschrijding bepalend is, zal bij ministeriële regeling worden aangegeven.

4.7.4 Toepassingen in oppervlaktewater: achtergronden en toetsing

Achtergronden

In de Nederlandse wateren wordt op grote schaal baggerwerk verricht. Dit baggerwerk is onder meer nodig met het oog op de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart, de waterhuishouding, de bescherming van het achterland tegen hoogwater en de natuur- en milieudoelstellingen. Een aantal van deze werkzaamheden heeft een wederkerig karakter: steeds opnieuw bezinkt op deze locaties sediment dat vanwege onderhoud of beheer aan het watersysteem gebaggerd dient te worden.

De bulk van dit sediment is niet dermate verontreinigd dat deze een bedreiging vormt voor mens, natuur of milieu. Op een aantal locaties daarentegen is sprake van een erfenis uit het verleden. Hier is het sediment ten gevolge van allerhande lokale activiteiten dermate verontreinigd geraakt dat wel sprake is van ontoelaatbare risico’s voor mens, natuur en milieu, ook met het oog op de chemische en ecologische doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water. Voor zover op dergelijke locaties baggerwerkzaamheden worden uitgevoerd, worden deze aangemerkt als saneringshandelingen. De hierbij vrijkomende baggerspecie met onaanvaardbare risico’s wordt afgevoerd naar daartoe ingerichte depots zoals Slufter en IJsseloog, dan wel verwerkt.

Voor de overige baggerspecie, de zogenaamde diffuus verontreinigde baggerspecie (i.t.t. de hot-spot-verontreiniging) zijn er binnen de milieuhygiënische en ecologische kaders van de Kaderrichtlijn Water wel toepassingsmogelijkheden. Een belangrijk deel van deze baggerspecie wordt binnen het oppervlaktewater verspreid. Het betreft hier in hoofdzaak baggerspecie die afkomstig is uit de havens en vaarwegen in de kustgebieden: de Noordzeekust, de Zeeuwse Delta en de Waddenzee. Dit sediment bezinkt hier omdat vanwege de economische noodzaak tot instandhouding van (diepe) havens en vaarwegen de morfologische ontwikkeling van het natuurlijk systeem wordt verstoord: havens en vaarwegen fungeren hier als bezinkbassin. Voor zover dit sediment bij elke baggerhandeling aan het watersysteem zou worden onttrokken zou dit funeste gevolgen hebben voor met name de ecologische en morfologische functies van sediment. Om dit te voorkomen is door het Kabinet verspreidingsbeleid voor baggerspecie ontwikkeld. Door baggerspecie weer te verspreiden in het oppervlaktewater worden de nadelige gevolgen van het ontrekken van sediment teniet gedaan. Door het stellen van stringente kwaliteitscriteria die aansluiten bij de achtergrondkwaliteit van het sediment, wordt voorkomen dat sediment wordt verspreid dat risico’s geeft voor mens, natuur of milieu. Dit wordt bevestigd door diverse studies die tot heden geen schadelijke effecten van het verspreiden van baggerspecie in oppervlaktewater hebben aangetoond. Hieruit komt juist naar voren dat het niet-verspreiden van baggerspecie schadelijker is voor het watersysteem dan het wel verspreiden van baggerspecie, gelet op de ecologische functie van het sediment zoals de kraamkamerfunctie in rivierdelta’s en Waddenzee. Het toetsingskader voor deze handelingen wordt in paragraaf 4.8.2 beschreven.

Daarnaast wordt in toenemende mate baggerspecie toegepast op of in de bodem van het watersteem, met als voordeel dat in die gevallen met systeemeigen materiaal wordt gewerkt. De meeste van deze toepassingen, zoals bij grootschalige dempingen en verondiepingen, kenmerken zich doordat dat grote hoeveelheden baggerspecie op een relatief beperkte oppervlakte worden geconcentreerd. Uit tot dusver uitgevoerde studies blijkt dat hiermee eventuele risico’s voor mens, milieu of natuur significant kunnen worden gereduceerd. Hiermee kan derhalve een extra bijdrage worden geleverd aan de realisering van de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water. Behalve ten gevolge van de toepassingshandeling, in casu het concentreren van de baggerspecie, leveren de toepassingen zelf ook een functionele bijdrage aan de verbetering van de veiligheid (bescherming tegen hoogwater), natuur, milieu, landschap en recreatie (de ruimtelijke kwaliteit) en anderszins de ruimtelijke (her)inrichting. Dergelijke grootschalige toepassingen bieden dus bij uitstek de kans om het omliggende watermilieu, waaronder de bodemkwaliteit significant te verbeteren. Daarbij is het gedrag van verontreinigingen in een dergelijke toepassing zodanig dat eventueel in de baggerspecie aanwezige verontreinigingen nagenoeg niet ter beschikking komen van het milieu. Hier is op de toepassingslocaties geen sprake van verspreidings- of blootstellingsrisico's voor mens, natuur of milieu. De hier beschreven handelingen worden getoetst volgens het hiervoor beschreven algemene toetsingskader of het toetsingskader voor grootschalige toepassingen.

Toetsing

Het hierboven in paragraaf 4.7.3 geschetste generieke toetsingskader is ook van toepassing op waterbodems met uitzondering van de toetsing aan de maximale waarden voor de bodemfunctieklassen. In het waterbeheer worden functies gekoppeld aan oppervlaktewaterlichamen en niet aan de waterbodem. Bovendien moet in dynamische watersystemen nadrukkelijk rekening worden gehouden met erosie- en sedimentatieprocessen die voortdurend de waterbodemkwaliteit beïnvloeden. Hierdoor is alleen toetsing aan de actuele bodemkwaliteit zinvol, op basis van de klassenindeling, zoals reeds toegelicht in paragraaf 4.7.2. Grond en baggerspecie die op of in de bodem onder oppervlaktewater wordt toegepast dient ingedeeld te zijn in dezelfde of betere kwaliteitsklasse dan (ai) de ontvangende bodem. Net als bij de bodemkwaliteitsklassen voor toepassing op de landbodem worden bij ministeriële regeling regels gesteld aan de indeling in bodemkwaliteitsklassen. De klassenindeling voor watersystemen is reeds toegelicht in paragraaf 4.7.2.

4.7.5 Bodemfunctiekaart en bodemkwaliteitskaart

Ten behoeve van het toepassen van grond en baggerspecie in het generieke toetsingskader zal door het bevoegd gezag (college van burgemeester en wethouders), binnen een half jaar na publicatie van dit besluit een kaart worden vastgesteld waarop de bodemfunctieklassen wonen en industrie zijn vastgelegd voor die gebieden waarin de toepassing van grond en baggerspecie generiek zal worden getoetst.

De kaart dekt alleen functies op de landbodem. Voor de waterbodem (inclusief uiterwaarden) gelden wel functies voor het watersysteem (zwemwater, drinkwater, etc), maar niet voor de waterbodem zelf. Hier wordt alleen de bodemkwaliteitsklasse vastgesteld op basis van de daadwerkelijke kwaliteit van de waterbodem.

Het voornemen is een bodemkwaliteitskaart te maken, waarin de bodemkwaliteit landelijk uniform is vastgelegd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de gegevens die het bevoegd gezag over de bodemkwaliteit heeft verzameld. Bij een gebiedsspecifieke toetsing van de toepassing van grond of baggerspecie dienen deze gegevens door het bevoegd gezag op kaart te worden vastgelegd. Bij een generieke toetsing is het bevoegd gezag hiertoe niet verplicht. In het project BIELLS (bodeminformatie voor effectieve landelijke en lokale sturing) is reeds het initiatief genomen voor het voorbereiden van een digitaal systeem van gegevensuitwisseling waarmee een landelijke bodemkwaliteitskaart kan worden opgebouwd.

In die gebieden op de kaart waar sprake is van generieke toetsing voor zover daar grond of baggerspecie wordt toegepast, zal de bodemkwaliteit als bodemkwaliteitsklasse worden weergegeven.

Degene die grond of baggerspecie wil toepassen in die gebieden waar de bodemkwaliteit nog niet bekend is, is verplicht deze bodemkwaliteit te meten en aan het bevoegd gezag te melden. De met de gemeten kwaliteit corresponderende bodemkwaliteitsklasse zal op de landelijke bodemkwaliteitskaart worden vastgelegd. Op deze wijze wordt op de landelijke bodemkwaliteitskaart geleidelijk een landsdekkend beeld opgebouwd.

De bodemfunctiekaart en de bodemkwaliteitskaart zullen op een geschikt moment tot één digitaal kaartsysteem worden samengevoegd. Dit moment zal afhankelijk zijn van de ontwikkeling van de landelijke bodemkwaliteitskaart. Het verzamelen en verwerken van de bodemkwaliteitsgegevens die over een groot aantal bestanden zijn verspreid betekent een aanzienlijke opgave. De in het gebiedsspecifieke toetsingskader verzamelde bodemkwaliteitsgegevens zullen te zijner tijd eveneens in het landelijke digitale kaartsysteem worden opgenomen.

Ook voor waterbodems wordt via onderzoek informatie verkregen van de kwaliteit in een stroomgebied. De vastlegging in bodemkwaliteitskaarten zal in een globalere zin worden gedaan dan bij landbodems, vanwege een grotere dynamiek in de actuele kwaliteit van de waterbodem vanwege de erosie- en de sedimentatieprocessen die hierbij een rol spelen.

4.8 Verspreiden baggerspecie

4.8.1 Verspreiden van baggerspecie over het aangrenzend perceel

Het beleidskader stelt de regels voor de toepassing van grond gelijk aan die voor de toepassing van baggerspecie. Hiermee worden de nu vaak complexe eisen sterk versimpeld en zal de baggerspecie eenvoudiger en veelvuldiger nuttig als bodem kunnen worden toegepast. Voor de regionale onderhoudsbaggerspecie wordt de huidige praktijk zo veel mogelijk gecontinueerd. Enkele randvoorwaarden hieromtrent worden aangepast, maar op een zodanige wijze dat tenminste dezelfde afzetcapaciteit in stand blijft, maar in veel gevallen een grotere afzetcapaciteit wordt voorzien. Deze nieuwe randvoorwaarden worden gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

– De feitelijke risico’s voor het gebruik van de bodem die verbonden zijn aan de toepassing van baggerspecie als landbodem (in dit kader is de huidige normstelling aangepast).

– Verruiming voor vrijwillige acceptatie van 20-meter naar de perceelsgrens, op voorwaarde dat de kwaliteit per saldo niet verslechtert en zelfs kan verbeteren. De 20-meter grens die voor vaststelling van dit besluit geldig was, vervalt. Er wordt teruggegrepen naar de oorspronkelijke begrenzing zoals gesteld in de Waterstaatswet uit 1900.

– Gezamenlijk opereren van betrokken overheden in een gebied. Om de afzet van baggerspecie te garanderen is het gezamenlijk optrekken van gemeenten, waterschappen en grondeigenaren een voorwaarde.

– Goed overleg tussen betrokken overheden en grondeigenaren.

Met de beschreven systematiek wordt een zekere verruiming van de afzetcapaciteit voor baggerspecie gerealiseerd. Immers, de huidige praktijk voor de regionale onderhoudsbaggerspecie wordt gecontinueerd, en door de gelijkschakeling van de regels voor de toepassing van grond en baggerspecie kan de baggerspecie nu ook als bodem worden gebruikt in situaties waar dit in het vigerende verspreidingsbeleid niet mogelijk is. Anderzijds waarborgen de in de ministeriële regeling vast te stellen maximale waarden dat het verspreiden van baggerspecie, mede gelet op de landbouwpraktijk op de belendende percelen milieuhygiënisch toelaatbaar is. Overigens is verspreiding over het aangrenzend perceel mogelijk na een tijdelijke opslag op de percelen. Voor de opslag is geen vergunning vereist, mits wordt voldaan aan het gestelde in paragraaf 4.3.4. Bij het vaststellen van de maximale waarden waaraan de te verspreiden grond en baggerspecie moeten voldoen, wordt, met het oog op de bescherming van de kwaliteit van onder meer de bodem, het grondwater en de voedselkwaliteit, naast de aanvoer van eventuele lichte verontreinigingen ook rekening gehouden met de afvoer hiervan middels biologische afbraak, uitspoeling en opname in gewassen.

De bestaande acceptatieplicht voor aangelanden (zoals geregeld in de Keur) blijft onveranderd van toepassing.

Het verspreiden van de baggerspecie over het aangrenzende perceel is niet meldingsplichtig.

Het vaststellen van lokale waarden voor verspreiden van baggerspecie op het aangrenzend perceel is uitgesloten. Het bevoegd gezag heeft echter wel de mogelijkheid om via het vaststellen van lokale normen voor andere toepassingen ruimte te bieden voor het realiseren van de water(bodem)opgave in een gebied. De acceptatieplicht voor aangrenzende percelen is dan niet aan de orde, waardoor de desbetreffende andere toepassing (dan verspreiden), in principe enkel met instemming van de eigenaar van het desbetreffende perceel kan worden toegepast. Een verbod tot het vaststellen van lokale waarden is dan derhalve niet noodzakelijk en wenselijk.

4.8.2 Verspreiden van baggerspecie in oppervlaktewater

Verspreiding van baggerspecie in oppervlaktewater vindt voornamelijk plaats in de Noordzee, de Zeeuwse Delta en de Waddenzee en op kleinschaliger niveau in rivieren en meren. Voor verspreiding in ander oppervlaktewater dan de Noordzee werden op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren vergunningen verleend. Dit besluit is mede bedoeld om de administratieve lasten tengevolge van de vergunningverlening te reduceren. Dit besluit biedt daarbij in de vorm van algemene regels in milieuhygiënisch opzicht tenminste dezelfde waarborgen voor het milieu.

Voor de toepassing van grond en baggerspecie, waaronder het verspreiden van baggerspecie, in de Nederlandse territoriale zee is tot de wijziging van de Wet verontreiniging zeewater (Wvz) in werking treedt (zie hiervoor paragraaf 5.3.11), op grond van deze wet een ontheffing vereist. Na de inwerkingtreding van de wetswijziging zijn ook op deze toepassingen de regels van dit besluit van toepassing.

Voor de toetsing van de toelaatbaarheid van deze toepassingen van baggerspecie in een zout milieu is een zoute-baggertoets ontworpen. Bij ministeriële regeling is deze toets in de normstelling voor het toepassen van grond en baggerspecie verwerkt. Bij ministeriële regeling is tevens voorzien in een generieke kwaliteitsgrens voor het verspreiden van baggerspecie in zoet oppervlaktewater.

Het bevoegd gezag kan bij besluit voor een aangewezen gebied andere maximale waarden vaststellen dan de generieke kwaliteitsgrens, met als maximale grens de interventiewaarden. Voor het verspreiden van baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee kan het bevoegd gezag alleen lagere waarden vaststellen dan de waarden die in het generieke kader gelden voor de toepassing van baggerspecie in een zout milieu. Voor het verspreiden van baggerspecie in oppervlaktewater geldt een meldingsplicht, behalve voor hoeveelheden schone baggerspecie kleiner dan 50 m3. De laatstgenoemde uitzondering geldt echter niet voor verspreiding van baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee.

Voor het verspreiden van baggerspecie kan de waterkwaliteitsbeheerder voor het oppervlaktewater onder zijn beheer, verspreidingsvakken aanwijzen met bijbehorende maximaal te verspreiden hoeveelheden. Indien een dergelijke aanwijzing heeft plaatsgevonden, is het verspreiden van baggerspecie buiten het daarbij aangewezen verspreidingsvak en boven de maximaal aangewezen hoeveelheden, verboden.

4.9 Toetsingskader grootschalige toepassingen

4.9.1 Algemeen

Naast de toetsingskaders voor de algemene toepassingen is een apart toetsingskader opgesteld voor grootschalige toepassingen van licht verontreinigde grond en baggerspecie. De toepassing van grond of baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee is hiervan uitgezonderd.

Bij gestelde volumes en laagdikten kan een initiatiefnemer hiervan gebruik maken, het is geen verplichting. Voor het toepassen van grote volumes en laagdiktes kan natuurlijk ook gebruik gemaakt worden van de algemene regels uit afdeling 2, paragraaf 1 en 2 (respectievelijk gebiedsspecifiek en generiek kader).

Bij grootschalige toepassingen gaat het bijvoorbeeld om de aanleg van wegen, spoorwegen, terpen, dijken, geluidswallen, de demping van putten en groeven in het kader van landschappelijke aanpassingen, enzovoort. Dergelijke toepassingen vielen voorheen onder het generieke regime van het Bouwstoffenbesluit, maar zijn binnen de toetsingskaders voor de algemene toepassingen moeilijk realiseerbaar. Immers, dit betreft voorwaarden die de aanleg van een dijk met licht verontreinigde grond op een schone bodem onmogelijk maken, tenzij voor het hele deelgebied minder strenge lokale maximale waarden zouden gelden. Dit laatste is vaak echter niet wenselijk. Daarom is gekozen om voor deze gevallen een apart toetsingskader op te stellen, die voldoende bescherming voor het milieu biedt.

4.9.2 Criteria

Voor grootschalige bodemtoepassingen mag op landbodems gebruik worden gemaakt van grond en baggerspecie tot en met bodemkwaliteitsklasse industrie en is bij toepassing in oppervlaktewater begrensd tot de interventiewaarden. Toetsing aan de kwaliteit en functie van de onderliggende bodem vindt niet plaats. De toepassing is gekoppeld aan een aantal criteria:

– de toepassing is herkenbaar en beheersbaar. Dit heeft zich vertaald in criteria voor voldoende schaalgrootte. Daarom komen alleen toepassingen van tenminste 5000 m3 en met een toepassingshoogte van tenminste twee meter in aanmerking. Voor wegen en spoorwegen, zijnde herkenbare objecten, waarop een laag bouwstoffen is toegepast , geldt een minimale toepassingshoogte van 0,5 meter. Bij de aanleg van grootschalige toepassingen en beoordeling door het bevoegd gezag dient pragmatisch met deze hoogten te worden omgegaan, mede gezien het feit dat toepassingen van grond en baggerspecie door de consistentie van het materiaal geen verticale taluds kunnen hebben. Taluds die onderdeel vormen van deze toepassingen en daardoor lagere toepassingshoogten kennen, mogen met dezelfde kwaliteit worden toegepast als de kern van het lichaam waar de grootste hoeveelheid grond in dient te worden toegepast, mits op de taluds eveneens een leeflaag wordt aangebracht;

– er gelden emissie-eisen voor de grond of baggerspecie in de grootschalige bodemtoepassing, om te voorkomen dat ontoelaatbare uitloging naar de bodem en het grondwater plaatsvindt. In de Regeling bodemkwaliteit zijn deze eisen nader ingevuld. In een goot aantal gevallen, zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit is emissie-onderzoek echter niet noodzakelijk. In deze gevallen is na onderzoek al reeds voldoende vastgesteld dat aan de emissie-eisen wordt voldaan;

– de functie die op en rond de grootschalige bodemtoepassing wordt uitgeoefend mag niet lijden onder deze toepassing. Dat betekent dat op de toepassing een leeflaag moet worden aangebracht van tenminste 0,5 meter dik, van de in het gebied vereiste bodem- en functiekwaliteit. De leeflaag fungeert als gebruikslaag en zal vanwege de verplichting tot instandhouden van de grootschalige toepassing in alle gevallen zijn aangebracht met erosiebestendig materiaal, om het beheer minimaal vorm te geven. De leeflaag moet geschikt zijn voor de functie en passen bij de daadwerkelijke kwaliteit van de omliggende bodem. Voor de leeflaag gelden dezelfde toetsingsregels als gehanteerd in het generieke of indien van toepassing gebiedsspecifieke kader. De leeflaag mag op plaatsen ook vervangen zijn door een laag bouwstoffen (zoals klinkers of asfalt), wanneer er bijvoorbeeld een weg op de grootschalige bodemtoepassing is aangebracht. Voor deze bouwstoffen gelden dan de voorwaarden uit hoofdstuk 3 van dit besluit;

– de toepassing dient in stand gehouden te worden en dient blijvend te voldoen aan de volumecriteria die zijn gesteld. Dit vraagt om beheer van de toepassing. Dit betekent dat er een aanwijsbare beheerder moet zijn, die de toepassing in stand houdt in de vorm en hoeveelheid, waarin deze is toegepast en geregistreerd staat bij het bevoegd gezag.

– Voor bermen en taluds voor Rijkswegen, provinciale wegen en spoorwegen zijn specifieke voorwaarden opgenomen rondom de kwaliteit van de toe te passen grond en baggerspecie, die meer recht doen aan de milieuhygiënische situatie rondom deze wegen. Deze uitzondering geldt niet voor gemeentelijke wegen.

Een toepassing die conform de regels voor grootschalige toepassingen is aangebracht, mag worden uitgebreid. Voorbeeld hiervan is een wegverbreding. Uitbreidingen die qua volume op zich zelf niet voldoen aan de volumecriteria van een grootschalige toepassing, kunnen onderdeel gaan uitmaken van de reeds bestaande grootschalige toepassing, met bijbehorende criteria, mits dit plaatsvindt met grond en baggerspecie van vergelijkbare kwaliteit, zoals destijds gemeld en toegepast. Via een melding aan het bevoegd gezag wordt aangegeven dat de bestaande grootschalige toepassing wordt uitgebreid. Voor dit soort uitbreidingen hoeft dan niet te worden teruggegrepen op de algemene regels (generiek dan wel gebiedsspecifiek). Uitbreidingen die op zich zelf ook al voldoen aan de criteria voor grootschalige toepassingen, mogen ook als aparte (nieuwe) grootschalige toepassingen worden aangemerkt. Bij afgraven van grond of baggerspecie uit de grootschalige toepassing moet worden gecontroleerd of deze na afgraven nog voldoet aan de volume-eisen en toepassingshoogte. Als dit niet het geval is, vervalt daarmee ook de «status» van grootschalige toepassing en moet de aanwezige grond of baggerspecie alsnog voldoen aan de eisen van het algemene toetsingskader. Dit kan betekenen dat de aanwezige grond of baggerspecie moet worden herkeurd, of zelfs verwijderd.

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 63 en 64.

4.9.3 Baggerspecie in watersysteem

Naar verwachting zal de toepassing van baggerspecie op of in de bodem van het watersysteem steeds meer als grootschalige toepassing worden getoetst. Het voordeel bij deze toepassing is dat met systeemeigen materiaal wordt gewerkt. De meeste van deze toepassingen, zoals bij grootschalige dempingen en verondiepingen, kenmerken zich doordat grote hoeveelheden baggerspecie op een relatief beperkt oppervlakte worden geconcentreerd. Uit tot dusver uitgevoerde studies blijkt dat hiermee eventuele risico’s voor mens, milieu of natuur significant kunnen worden gereduceerd. Hiermee kan een extra bijdrage worden geleverd aan de realisering van de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water. Behalve tengevolge van de toepassingshandeling, in casu het concentreren van de baggerspecie, leveren de toepassingen zelf ook een functionele bijdrage aan de verbetering van de veiligheid (bescherming tegen hoogwater), natuur, milieu, landschap en recreatie (de ruimtelijke kwaliteit) en anderszins de ruimtelijke (her)inrichting. Dergelijke toepassingen bieden bij uitstek de kans om het omliggende watermilieu, waaronder de bodemkwaliteit, significant te verbeteren. Daarbij is het gedrag van verontreinigingen in een dergelijke toepassing zodanig dat eventueel in de baggerspecie aanwezige verontreinigingen nagenoeg niet ter beschikking komen van het milieu. Er is op de toepassingslocaties geen sprake van verspreidings- of blootstellingsrisico’s voor mens, natuur of milieu.

4.10 Milieu-effecten grond en baggerspecie

4.10.1 Algemeen

Dit hoofdstuk geeft een kader om lichtverontreinigde grond en baggerspecie duurzaam te kunnen beheren en gebruiken. Het beleidskader is een afweging tussen het gebruik van grond en baggerspecie, de eenvoud en consistentie van de regelgeving en de bescherming van bodem en oppervlaktewater. Uitgangspunt is dat de verontreinigingen in de grond en de baggerspecie al aanwezig zijn in het milieu en bij grondverzet en baggerwerkzaamheden slechts worden verplaatst. Verontreinigingen worden in principe niet verwijderd, tenzij onaanvaardbare risico’s optreden voor het huidige of toekomstige gebruik. In dat geval geldt het bodemsaneringsbeleid.

Het beleidskader geeft ruimte voor lokaal maatwerk waar dat nodig is. Deze ruimte wordt alleen gegeven bij een goede milieuhygiënische onderbouwing door de lokale overheden. Daartoe wordt een landelijk risicobeoordelingssysteem ontwikkeld (risicotoolbox), waarmee lokale overheden kunnen aantonen dat bij de specifieke omstandigheden in het beheersgebied geen onaanvaardbare risico’s optreden en dat de bodem voldoende wordt beschermd. Daarnaast kunnen er op rijksniveau grenzen worden gesteld ten aanzien van bepaalde parameters, als blijkt dat deze humane en ecologische risico’s met zich meebrengen.

De gevolgen van de nieuwe regelgeving voor de toepassing van grond en baggerspecie in of op de bodem zijn in een milieueffectentoets in beeld gebracht. De resultaten van deze toets zijn hieronder weergegeven. In het algemeen worden op grond van dit beleid geen negatieve gevolgen verwacht voor de bodem, het grondwater of het oppervlaktewater

4.10.2 Bodem

Door de nieuwe regelgeving zal de verontreiniging van de bodem niet toenemen. Reeds aanwezige verontreinigingen kunnen wel worden verplaatst, omdat de nieuwe regelgeving het toepassen van lichtverontreinigde grond en baggerspecie mogelijk maakt. Dit was ook al mogelijk op grond van de Vrijstellingsregeling grondverzet. Overigens biedt verschuiven van bestaande verontreinigingen ook nieuwe kansen om gewenste verbeteringen van de (water)bodemkwaliteit te realiseren.

Als uitgangspunt voor het beleid geldt het behoud van bestaande bodemkwaliteit (standstill) binnen een beheersgebied (zie paragraaf 4.6.4). Dit wordt gewaarborgd door het systeem van bodemkwaliteitsklassen. De grenzen van deze klassen zijn gebaseerd op humane en ecologische risico’s. De Maximale Waarden voor de klassen Wonen en Industrie zijn gebaseerd op voorstellen van RIVM en vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit. De schoonste klasse, die geldt voor landbouw en natuur, is gebaseerd op de kwaliteit die het onverdachte deel van de Nederlandse bodem nu heeft, inclusief door de mens veroorzaakte diffuse belasting. De Maximale Waarden voor deze klasse, de zogenaamde Achtergrondwaarden, zijn eveneens vastgelegd in de Regeling.

In paragraaf 4.7 wordt uitgelegd hoe deze Maximale Waarden worden gehanteerd bij het toetsen van de toepassingen. Door het kiezen van de strengste waarden wordt een verbetering van de bodemkwaliteit bereikt. Gebiedsspecifiek mogen decentrale overheden afwijken van deze Maximale Waarden (zie paragraaf 4.6). Dit kan leiden tot strengere of minder strenge grenzen. Minder strenge grenzen kunnen alleen worden vastgesteld als de risico’s inzichtelijk zijn gemaakt met behulp van het landelijke risicobeoordelingssysteem. Daarbij dient de gebiedsbeheerder eventuele plaatselijke kwaliteitsverslechteringen te compenseren met een verbeterde bodemkwaliteit elders in het gebied, zodat in ieder geval standstill wordt gewaarborgd. Lokale aanpassingen van het beleid mogen nooit leiden tot onaanvaardbare humane en ecologische risico’s.

Het beleid maakt toepassing van ernstig verontreinigde grond en baggerspecie boven de interventiewaarden mogelijk, maar alleen in uitzonderingssituaties en onder strikte voorwaarden (zie 4.6.5). Ook hier geldt dat met behulp van het landelijke risicobeoordelingssysteem moet worden aangetoond dat geen onaanvaardbare risicogrenzen worden overschreden en dat de toepassing niet leidt tot belasting van grondwater en oppervlaktewater. De werking van dit risicobeoordelingssysteem is beschreven in de Toelichting bij de Regeling.

Grootschalige bodemtoepassingen zijn een bijzondere categorie in het generieke beleidskader. Deze categorie maakt het mogelijk om grotere hoeveelheden grond en baggerspecie nuttig toe te passen in bijvoorbeeld terpen, putten, wegen en geluidswallen. De milieuhygiënische onderbouwing hiervan past niet goed in het algemene toetsingskader voor bodembeheer. In plaats daarvan gelden beheersmatige randvoorwaarden en emissie-eisen. Hiermee wordt gewaarborgd dat de onderliggende bodem, het grondwater en het oppervlaktewater niet worden belast. Ook wordt rechtstreeks contact met de verontreinigde grond voorkómen. Daarom is toetsing aan de functie bij deze toepassingen niet nodig. De beschreven toetsing is vergelijkbaar met de oorspronkelijke toetsing in het Bouwstoffenbesluit, waarbij de emissie-eisen zijn gebaseerd op voorstellen van ECN of ongewijzigd zijn gebleven ten opzichte van het Bouwstoffenbesluit.

4.10.3 Oppervlaktewater

De kwaliteit van het oppervlaktewater wordt op dezelfde wijze beschermd als die van de bodem, namelijk door alleen grond of baggerspecie toe te passen van gelijke of hogere kwaliteit. Daarnaast wordt een verspreidingsgrens gehanteerd, die recht doet aan de kwaliteit van het deelstroomgebied en die waar nodig vergelijkbaar is met het herverontreinigingsniveau.

De waterkwaliteit wordt beïnvloed door de kwaliteit van de waterbodem via processen van erosie, sedimentatie en diffusie. Het herschikken van grond of baggerspecie binnen een systeem van dezelfde (of betere) kwaliteit leidt nauwelijks tot een merkbare verandering van de waterkwaliteit. De waterkwaliteit kan wel verslechteren bij de aanleg van grootschalige toepassingen, met name wanneer de aanlegfase geruime tijd in beslag neemt en de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie slechter is dan de omgevingskwaliteit. In alle gevallen geldt de zorgplicht, zoals toegelicht in de toelichting bij artikel 7. Verder kunnen in de ministeriële regeling worden regels gesteld voor de bescherming van de waterkwaliteit.

Onder de nieuwe regelgeving zullen meer baggerwerkzaamheden worden uitgevoerd. Dit is nodig om de opgelopen baggerachterstand uit het verleden weg te werken en wordt ook mogelijk doordat minder baggerspecie hoeft te worden gestort. Deze extra baggerwerkzaamheden hebben een positief milieueffect op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Eventuele verontreinigingen in de waterbodem worden versneld verwijderd of geconcentreerd, waardoor ook de kwaliteit van het oppervlaktewater zal verbeteren. Overigens worden baggerwerkzaamheden doorgaans om andere redenen uitgevoerd, dan bescherming van het aquatisch ecosysteem.

4.10.4 Grondstoffen en afvalstoffen

De nieuwe regelgeving vereenvoudigt de toepassing van hergebruiksgrond en baggerspecie. Hiermee kan dit hergebruik toenemen en kan het gebruik van (niet-vernieuwbare) primaire grondstoffen worden beperkt, zoals zand en ophoogzand. Dit geeft een positief milieueffect. Dit milieueffect is evenwel beperkt, omdat de toename van hergebruik van grond en baggerspecie (0,35 miljoen ton) klein is ten opzichte van de totale hoeveelheid toegepaste primaire grondstoffen (65 miljoen ton).

De toepassing van grond en baggerspecie als alternatief voor primaire grondstoffen wordt in de praktijk vaak beperkt door civieltechnische en logistieke eisen waaraan moet worden voldaan. De nieuwe regelgeving voor toepassen van grond en baggerspecie brengt hierin geen verandering.

De toename van het hergebruik van verontreinigde grond en baggerspecie heeft een tweede positief effect. Hierdoor hoeft namelijk minder te worden gereinigd en gestort. De bedrijfseffectentoets laat zien dat tot 0,11 miljoen ton verontreinigde grond minder hoeft te worden gestort, een afname van 23%. Voor zoete baggerspecie wordt verwacht dat tenminste 4% (0,05 miljoen ton droge stof) minder hoeft te worden gestort. Bovendien leidt de afname van de hoeveelheid grond en baggerspecie die wordt gereinigd ook tot minder residu dat moet worden gestort. De nieuwe regelgeving heeft aldus een positief milieueffect met betrekking tot afvalstoffen.

4.10.5 Beschikbare fysieke ruimte

Het beleid zelf legt geen beslag op de beschikbare fysieke ruimte. Wel leidt de werking van het beleid ertoe dat de kwaliteit van de bodem steeds beter zal aansluiten bij het gebruik van de bodem, als gevolg van de koppeling aan de bodemfunctie. Vooral het gebiedsspecifieke kader biedt de mogelijkheid om bodem van te slechte kwaliteit voor het gewenste bodemgebruik te verplaatsen naar een plek waar deze past bij de functie. Denk aan het verplaatsen van historisch verontreinigde grond uit de binnenstad met woonfunctie naar een industrieterrein aan de rand van de stad. Zo heeft de nieuwe regeling een positief milieueffect op duurzaam gebruik van bodem en fysieke ruimte.

4.10.6 Energiegebruik, mobiliteit en lucht

De toepassing van grond en baggerspecie kost energie. Voorheen leidde de regelgeving tot vertraging, uitstel en zelfs afstel van de uitvoering van projecten, omdat onvoldoende afzetmogelijkheden beschikbaar waren voor vrijkomende verontreinigde grond en baggerspecie. Het onderhavige beleid zorgt voor vereenvoudiging en stroomlijning. De afzetmogelijkheden nemen toe, waardoor ook het aantal uitgevoerde projecten zal toenemen. Door het landelijk uniforme systeem van bodemkwaliteitskaarten zal het daarbij eenvoudiger worden om afzetmogelijkheden te vinden in de nabije omgeving (vaak zelf in het eigen beheersgebied). Hierdoor kunnen transportafstanden afnemen en daarmee ook het energiegebruik.

Doordat zo’n 10% minder verontreinigde grond hoeft te worden gereinigd neemt het energiegebruik van reinigingsinstallaties en het vervoer van en naar reinigingsinstallaties af. Ook het vervoer naar stortplaatsen, die in de regel buiten het eigen beheersgebied liggen, neemt af. Dit besluit heeft geen effect op het aantal verreden kilometers door personenauto’s.

Op basis van al deze overwegingen wordt met betrekking tot energiegebruik en mobiliteit een positief milieueffect verwacht.

Ten opzichte van de huidige situatie wordt geen verandering verwacht voor emissies naar lucht door de nieuwe regelgeving. Verandering van emissies naar lucht zijn verbonden met verandering in energiegebruik en mobiliteit, zoals hierboven beschreven.

4.11 Bedrijfseconomische gevolgen voor grond en baggerspecie

4.11.1 Bedrijfseffectentoets

De effecten voor het bedrijfsleven van het nieuwe beleid voor grond en baggerspecie zijn getoetst in een bedrijfseffectentoets. Bij het bepalen van de kosteneffecten is uitgegaan van het Bouwstoffenbesluit (1999) als nulsituatie. Hieronder worden per bedrijfstak de conclusies uit de bedrijfseffectentoets weergegeven. De marktontwikkelingen als gevolg van het nieuwe beleidskader hebben voor de verschillende bedrijfstakken de volgende effecten.

Voor de zandwinbedrijven heeft het nieuwe beleid geen significante invloed. Vanwege de goede milieuhygiënische kwaliteit zal primair zand (evenals nu het geval is) in alle gevallen voldoen aan de eisen voor toepassing als bodem. Wel zal als gevolg van de normstelling de keuringsfrequentie toenemen. Omdat echter een besparing wordt gerealiseerd door de introductie van de fabrikant-eigenverklaring zullen per saldo de keuringskosten voor de zandwinbedrijven gelijk blijven.

Voor loonwerkers en gww-aannemers (grond-, weg- en waterbouw) worden licht positieve effecten verwacht door toename van de mogelijkheden om grond af te zetten als bodem. De effecten zijn echter moeilijk te kwantificeren. In de periode dat er nog geen bodemkwaliteitskaarten zijn, zullen bodemonderzoekskosten moeten worden gemaakt als lichtverontreinigde grond op de bodem wordt toegepast. Dit wordt niet gezien als negatief bedrijfseffect, maar als kosten die worden gemaakt voor het benutten van nieuwe mogelijkheden voor de afzet van lichtverontreinigde grond.

Over het melden van schone grond was tijdens de uitvoering van de bedrijfseffectentoets nog geen overeenstemming bereikt met het bedrijfsleven. Daarom zijn voor de effecten van het melden van schone grond twee scenario’s gevolgd, volledige meldingsplicht voor schone grond en volledige vrijstelling van melden van schone grond. Voor de loonwerkers en gww-aannemers veroorzaakt het melden van schone grond € 2 miljoen per jaar aan administratieve lasten. Bij het vrijstellen van het melden van schone grond wordt een besparing gerealiseerd van circa 50% op de meldingskosten op grond van het Bouwstoffenbesluit (€ 0,1 miljoen per jaar).

Voor baggeraars heeft het nieuwe beleid een positieve doorwerking. Verwacht wordt dat jaarlijks circa 65.000 ton droge stof extra kan worden gebaggerd, wat een omzetstijging van € 0,7 miljoen per jaar oplevert (een omzetstijging van 0,2%). Tevens zal er zo’n 47.000 ton droge stof minder baggerspecie hoeven te worden gestort. Dit levert de overheid een besparing op van zo’n € 3,1 miljoen per jaar. Omdat baggerstortplaatsen in beheer zijn van de overheid, wordt de omzetdaling niet gezien als een negatief bedrijfseffect, maar als besparing voor de overheid. Door de stijging van de gebaggerde volumes zullen ook de verwerkers meer baggerspecie verwerken. Het gaat om 22.500 ton droge stof. Dit levert een omzetstijging op van € 0,1 miljoen per jaar.

Voor de afzet van tarragrond worden de problemen sterk verminderd. Het percentage tarragrond dat wordt aangemerkt als schone grond stijgt van 36% naar 85%. Door de betere afzetmogelijkheden voor tarragrond kunnen transportkosten worden gereduceerd. Een vermindering van het aantal kilometers met 10% komt reeds overeen met een besparing van € 0,45 miljoen per jaar. Door de sector worden de conclusies van de toets niet onderschreven wegens onvoldoende gegevens over de effecten van de nieuwe normstelling en het stoffenpakket. Aanvullend onderzoek naar de samenstelling van tarragrond is toegezegd en wordt op korte termijn uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek konden niet meer worden meegenomen in deze bedrijfseffectentoets.

Voor onderzoek- en adviesbureaus en laboratoria worden verschillende positieve en negatieve effecten voorzien. Op korte termijn wordt een toename van de omzet verwacht op gebied van bodemonderzoek voor het bepalen van de kwaliteit van de ontvangende bodem, en voor het opstellen van bodemkwaliteitskaarten. Dit zal ook leiden tot een toename van de hoeveelheid laboratoriumwerk. Als gevolg van de ontwikkeling van gebiedsspecifiek beleid wordt bovendien voor de onderzoek- en adviesbureaus een omzetstijging verwacht voor het opstellen van bodembeheernota’s. Op de langere termijn kan zowel voor de adviesbureau’s als voor de laboratoria sprake zijn van een omzetdaling, wanneer de bodemkwaliteitskaarten eenmaal gemaakt zijn en dus steeds vaker geen aparte keuring hoeft te worden uitgevoerd.

De omzetdaling wordt voor de laboratoria enigzins gecompenseerd als gevolg van verandering van het stoffenpakket voor routinematig onderzoek van grond, bagger en bodem. De pakketprijs zal op termijn circa 20% hoger liggen dan het huidige prijsniveau.

Voor de grondreinigers wordt een negatief bedrijfseffect verwacht, door de toenemende mogelijkheden voor hergebruik van verontreinigde grond en baggerspecie. Hierdoor zal het aanbod van grond en baggerspecie om te worden gereinigd naar verwachting afnemen met circa 10%. Als gevolg van de nieuwe normering worden aan de afzetzijde geen significante effecten verwacht.

Voor grondbanken zullen er verschuivingen plaatsvinden in de wijze waarop deze in de markt opereren. De dienstverlening zal zich minder richten op specialistisch advies, keuringen en opslag, tenminste als het gebiedsspecifieke beleid zich in de komende jaren ontwikkelt. Tegelijkertijd zal (hergebruiks)grond een minder negatieve (positievere) waarde krijgen, wat de negatieve tendens ten dele compenseert. Netto zal er voor grondbanken daarom naar verwachting weinig veranderen, behalve mogelijk voor een aantal kleinere bedrijven die een minder breed dienstenpakket hebben.

Door de digitalisering van de meldingen zullen de meldingskosten voor de grondbanken afnemen, ook als schone grond moet worden gemeld. De verandering van het stoffenpakket leidt echter tot een stijging van de analysekosten. Deze kunnen op termijn worden gecompenseerd door het gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel.

Een volledige meldingsplicht voor schone grond zou ook gevolgen hebben voor bestratingsbedrijven en hoveniers. Deze bedrijven passen doorgaans een groot aantal kleine partijen schone grond toe. Het grote aantal meldingen zou leiden tot een administratieve lastenpost van circa € 18 miljoen per jaar. Beperking van de meldingsplicht voor schone grond tot éénmalige melding van de toepassingslocatie voor hoeveelheden van meer dan 50 m3 brengt deze lastenpost met 99% terug.

Voor stortplaatsbeheerders wordt een negatief bedrijfseffect verwacht, omdat de hoeveelheid te storten grond en baggerspecie afneemt van 610 kton naar zo’n 498 kton, een afname van 18%. Tevens wordt een negatief bedrijfseffect verwacht voor de bouwstoffen (grond en baggerspecie) die worden ingezet om een stabiel en bereidbaar stortlichaam te bouwen.

Voor het bedrijfsleven als geheel worden door het Besluit bodemkwaliteit positieve markteffecten verwacht. Daarnaast wordt een aanzienlijke besparing verwacht op de keuringskosten door de introductie van de BKK en FEV als bewijsmiddel, waarmee de prijsstijging van het stoffenpakket ruimschoots wordt gecompenseerd. Ten behoeve van de evaluatie van het nieuwe beleid wordt monitoring uitgevoerd, waarin onder andere de effecten van gebiedsspecifiek beleid worden gevolgd. De monitoring zal in gezamenlijkheid met de stakeholders worden uitgevoerd.

Over de uitvoering en de resultaten van de bedrijfseffectentoets heeft veel overleg plaatsgevonden met het bedrijfsleven. In het overleg zijn de meeste discussiepunten opgelost. Het is echter niet gelukt om volledige overeenstemming te bereiken over de inschatting van de bedrijfseffecten. Perceptieverschillen zijn blijven bestaan als gevolg van:

– niet kwantificeren van de effecten van het gebiedsspecifieke kader,

– niet zichtbaar maken van de effecten voor de opdrachtgevende en uitvoerende overheden,

– onvolledig beeld van de consequenties voor gerijpte baggerspecie,

– onzekerheid over de kwalificatie van grond en baggerspecie door de verandering van het stoffenpakket,

– onvoldoende onderbouwing van het effect van de criteria voor bodemvreemd materiaal.

Geconstateerd is dat deze effecten pas goed zichtbaar kunnen worden gemaakt bij uitvoering van het besluit. Zolang onzekerheid over deze effecten blijft bestaan onderschrijft het bedrijfsleven niet de positieve effecten, die het Rijk verwacht bij de uitvoering van het besluit.

De uitkomst van de bedrijfseffectentoets, dat de meldingskosten zouden oplopen tot € 20 miljoen per jaar, was beleidsmatig niet acceptabel. Naar aanleiding hiervan is besloten de meldingsinspanning voor het toepassen van schone grond te minimaliseren. De resterende meldingskosten worden geraamd op € 0,25 miljoen per jaar, hetgeen vergelijkbaar is met de meldingskosten onder de oude regelgeving.

4.11.2 Administratieve lasten

Bij administratieve lasten gaat het om de kosten rond de informatievoorziening. De berekening van de administratieve lasten wordt getoetst door het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal). Voor de beoordeling van administratieve lasten heeft SIRA Consulting in 2002 een nulmeting uitgevoerd van de administratieve lasten van het Bouwstoffenbesluit. Voor grond en baggerspecie (inclusief de Vrijstellingsregeling grondverzet) bedroeg deze nulmeting € 18,3 miljoen per jaar. Bij de herijking van de VROM-regelgeving is vervolgens gesteld, dat in de nieuwe regelgeving voor bouwstoffen (inclusief grond en baggerspecie) de administratieve lasten zouden moeten halveren.

Onderstaande tabel geeft de totale verandering weer van de administratieve lasten door de invoering van het Besluit bodemkwaliteit en bijbehorende regeling.

Tabel Inschatting administratieve lasten Besluit bodemkwaliteit

Bsb

bouwstoffen

grond

grondverzet

totaal

verschil

%

Nulmeting 31-12-2002

€ 34.575.400

€ 18.234.700

€ 93.000

€ 52.903.100

  

Gecorrigeerde nulmeting, met aftrek eenmalige lasten

€ 14.798.500

€ 17.243.000

€ 93.000

€ 32.134.500

€ 20.768.600

39%

Besluit bodemkwaliteit

€ 8.886.400

€ 11.168.400

€ 0

€ 20.054.800

€ 12.079.700

38%

Voor het onderdeel grond en bagger laat de tabel zien, dat de administratieve lasten afnemen van € 17,3 miljoen naar € 11,2 miljoen per jaar. Dit is een daling van € 6,1 miljoen per jaar, ofwel een besparing van 36% vergeleken met de gecorrigeerde nulmeting. De meest substantiële besparing vloeit voort uit het toenemend gebruik van bodemkwaliteitskaarten, waarmee aparte partijkeuringen achterwege kunnen blijven. Verder wordt besparing gerealiseerd door de introductie van de fabrikant-eigenverklaring. Met deze eenvoudige verklaring kunnen enkele verplichtingen rond de certificering vervallen.

Op 3 mei 2007 heeft Actal advies uitgebracht op het Besluit bodemkwaliteit en de bijbehorende regeling. Alles overwegende adviseert Actal het besluit en de regeling vast te stellen nadat rekening is gehouden met onderstaande aspecten:

– meldingsplicht schone grond;

– bodemkwaliteitskaarten;

– handhaving en toezicht;

– decentrale uitvoering;

– evaluatie.

Actal adviseert de meldingsplicht voor schone grond te heroverwegen in relatie tot de handhaving.

Deze heroverweging heeft plaatsgevonden, maar heeft op grond van verplichtingen in de Europese afvalstoffenrichtlijn en het belang voor de kwaliteit van de handhaving niet geleid tot afschaffen van de meldingsplicht van schone grond. Wel heeft de heroverweging geleid tot minimalisatie van de meldingsinspanning voor toepassen van schone grond. Voor schone grond hoeft alleen de locatie van toepassing te worden gemeld. Ten opzichte van de adviesaanvraag aan Actal levert dit een besparing op van € 2,7 miljoen per jaar.

Actal maakt zich zorgen over het vertrouwen, dat bedrijven zullen stellen in de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor grondverzet. Voorts zou de overgangsperiode voor bestaande bodemkwaliteitskaarten voor onduidelijkheid zorgen. Actal adviseert de mogelijkheden voor het gebruik van bodemkwaliteitskaarten te benutten.

«Het gebruik van bodemkwaliteitskaarten zal zeker worden gestimuleerd. Overigens zijn wel beperkingen gesteld aan het gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel. Dit is noodzakelijk om risicovolle situaties te voorkomen. Verder is de keuze aan de bedrijven zelf, of men in bepaalde situaties de voorkeur geeft aan het uitvoeren van een partijkeuring.

De overgangsperiode voor bodemkwaliteitskaarten zal niet veel onduidelijkheid veroorzaken. Het meeste grondverzet op basis van bodemkwaliteitkaarten zal plaatsvinden binnen het gebied van de kaart zelf. In dat geval maakt het dus geen verschil, of sprake is van een kaart volgens de oude of nieuwe regelgeving. Indien een partij grond of baggerspecie afkomstig is van buiten het gebied van de bodemkwaliteitskaart, dan zijn er twee situaties mogelijk, namelijk de kaart is opgesteld volgens de oude of de nieuwe regelgeving. Daarmee is direct inzichtelijk welke informatie nodig is in de milieuhygiënische verklaring voor de toe te passen partij grond of baggerspecie.

Het vroegtijdig ongeldig verklaren van bestaande bodemkwaliteitskaarten leidt tot ernstige kapitaalvernietiging en daarmee onacceptabele maatschappelijke kosten. Voorts is het Rijk voornemens enige miljoenen euro’s te investeren in de ontwikkeling van nieuwe bodemkwaliteitskaarten.

Actal meent dat de handhaving en toezicht effectief lijkt te worden georganiseerd door de introductie van ketenhandhaving en een centraal toezichtloket. Actal is benieuwd naar de resultaten van deze aanpak.

Het Rijk is reeds voornemens de nieuwe regelgeving binnen drie jaar te evalueren. In deze evaluatie zullen de resultaten van de handhavingsaanpak worden meegenomen.

Actal merkt op dat de administratieve lasten van de decentrale uitvoering van het beleid niet in beeld zijn gebracht. Voorts wordt geadviseerd voor lokale overheden een meer uniform kader te creëren waarbinnen gemeenten hun lokale beleid kunnen inzetten.

Het lokaal beleid veroorzaakt geen administratieve lasten. Schone grond mag namelijk altijd worden toegepast, ongeacht de aanwezigheid van lokaal beleid. Informatie over lokaal beleid is alleen nodig bij het toepassen van niet-schone grond op de bodem. Dit was onder de oude regelgeving niet toegestaan. Het gebiedsspecifieke beleid geeft dus nieuwe mogelijkheden voor toepassing van (licht) verontreinigde grond en baggerspecie. Kennisname van het gebiedsspecifiek beleid wordt daarom gezien als investering in het benutten van nieuwe toepassingen en niet beschouwd als administratieve last.

Voor het ontwikkelen van lokaal beleid worden in de nieuwe regelgeving duidelijke richtlijnen en randvoorwaarden gesteld, maar wordt natuurlijk ook decentrale beleidsvrijheid gelaten. Overigens zal het lokaal beleid altijd uitmonden in een toepassingseis per locatie, die op een bodemkwaliteitskaart wordt weergegeven. De bodemkwaliteitskaarten worden via het project BIELLS digitaal ontsloten, zodat de kennisname van lokaal beleid geen tijdrovende zaak hoeft te zijn.

Actal constateert een bijzondere mate van detaillering in de nieuwe regelgeving en gebrek aan kennis bij de lokale overheden. Actal adviseert deze aspecten nadrukkelijk mee te nemen in de evaluatie.

Aan de ontwikkeling van de monitoring ten behoeve van de evaluatie van de nieuwe regelgeving is reeds begonnen. Hierbij wordt ondermeer gekeken naar de wijze waarop decentrale overheden de bodem beschermen. De evaluatie zal in gezamenlijkheid met de stakeholders worden uitgevoerd.

Sinds de adviesaanvraag aan Actal is nog een kleine aanpassing doorgevoerd in de normstelling, waardoor de keuringsfrequentie voor primair gewonnen zand minder sterkt toeneemt, en dus de keuringskosten minder zullen stijgen. De administratieve lasten zijn daarom nogmaals doorgerekend, waarin ook de beperkte meldingsplicht voor schone grond is meegenomen. Het resultaat is weergegeven in onderstaande tabel.

Tabel Definitieve inschatting administratieve lasten Besluit bodemkwaliteit

Bsb

bouwstoffen

grond

grondverzet

totaal

verschil

%

Nulmeting 31-12-2002

€ 34.575.400

€ 18.234.700

€ 93.000

€ 52.903.100

  

Gecorrigeerde nulmeting, met aftrek eenmalige lasten

€ 14.798.500

€ 17.243.000

€ 93.000

€ 32.134.500

€ 20.768.600

39%

Besluit bodemkwaliteit

€ 8.886.400

€ 8.055.800

€ 0

€ 16.942.200

€ 15.192.300

47%

Voor het onderdeel grond en bagger laat de tabel zien, dat de administratieve lasten afnemen met € 9,3 miljoen per jaar, ofwel een besparing van 54% vergeleken met de gecorrigeerde nulmeting. Voor het besluit als geheel wordt een besparing van 47% gerealiseerd.

4.11.3 Marktwerking en andere effecten

De grondmarkt is sinds de nulsituatie in 2002 zeer sterk veranderd. Het aantal bedrijven in de verschillende sectoren is de laatste jaren sterk veranderd en hiermee verandert ook de administratieve lasten voor het Nederlandse bedrijfsleven. Sommige sectoren kenden een sterke afname van het aantal bedrijven, terwijl andere sectoren een sterke toename kenden. In navolging van de methode voor het uitvoeren van administratieve lasten-berekeningen zijn deze veranderingen buiten beschouwing gelaten. In de BET wordt wel rekening gehouden met deze effecten en zal de lastenreductie hoger zijn.

Jaarlijks komt zo’n 12,8 miljoen ton grond vrij uit grond-, weg- en waterbouwprojecten, uit de industrie en uit bodemsaneringen. De kwaliteit van deze grond varieert van grond die voldoet aan de achtergrondwaarden tot ernstig verontreinigde grond. Van deze grond wordt onder het bestaande beleid ongeveer 2,1 miljoen ton gereinigd en 1,2 miljoen ton gestort. De resterende 9,5 miljoen ton wordt toegepast, met name via grondbanken. Omdat de lokale bodembeheerder binnen het nieuwe beleid voor grond en baggerspecie een grotere beleidsvrijheid krijgt, is niet met zekerheid te berekenen welke hoeveelheden grond en baggerspecie in de toekomst op welke plekken zullen worden toegepast. In de bedrijfseffectentoets zijn inschattingen gemaakt van marktverschuivingen als gevolg van het nieuwe beleidskader. Naar verwachting zal bijna 0,3 miljoen ton ernstig verontreinigde grond, die eerder werd gereinigd of gestort, binnen het gebiedsspecifieke kader worden hergebruikt.

De bedrijfseffectentoets verwacht geen effecten op het volume van te verspreiden zoute baggerspecie, zodat sprake is van een neutraal milieueffect. Wel worden veranderingen verwacht in de toepassing van zoete baggerspecie, met name een toename voor klasse 3 en 4. In 2003 kwam circa 8,8 miljoen m3 zoete baggerspecie vrij, waarvan 7,6 miljoen m3 klasse 0, 1 en 2 en 1,2 miljoen m3 klasse 3 en 4. De bestemmingen van de zoete baggerspecie is weergegeven in tabel 1.

Los van grootschalige rivierverruimingswerken wordt er vanuit de bedrijfseffectentoets voor de toepassing van klasse 0, 1 en 2 baggerspecie weinig veranderingen ten opzichte van de huidige situatie. Op dit punt wordt daarom het milieueffect neutraal verondersteld. Volgens de bedrijfseffectentoets zal circa 10% van klasse 3 en 4, die nu worden gestort, op grond van het nieuwe beleidskader toegepast kunnen worden, dus circa 0,14 miljoen m3 (= 0,1 miljoen ton droge stof). Verder wordt naar aanleiding van de bedrijfseffectentoets een toename verwacht van de hoeveelheid baggerspecie met 0,09 miljoen m3, waarvan 0,04 miljoen m3 kan worden toegepast.

Tabel 1 Bestemmingen zoete baggerspecie in 2004

Bestemmingen

2004 (in situ m3)

Verspreiden

3.608.282

Verwerken

376.949

Direct toepassen

1.035.391

Storten

1.077.297

Tijdelijke opslag

1.749.915

Zandmarkt

902.600

Totaal

8.750.434

Als gevolg van het beleid rond grond en baggerspecie kan de onderlinge concurrentiepositie ten opzichte van andere bouwstoffen gaan veranderen, met name in de markt voor ophoogmaterialen. Dit is een markt van in totaal zo’n 10 miljoen ton bouwstoffen per jaar (exclusief grond en baggerspecie). De extra concurrentie van grond en baggerspecie op bepaalde bouwstoffen kan leiden tot minder negatieve of zelfs positieve prijsvorming voor bepaalde grond en baggerspecieproducten. Met name zandige grondsoorten springen er gunstig uit.

Het hanteren van een indeling in bodemkwaliteitsklassen leidt tot enige mate van normopvulling, namelijk tot aan de bovengrens van de klasse. Hierop wordt een rem gezet doordat de ontvangende bodem pas op basis van twee of drie verhoogde stofgehaltes in een volgende klasse wordt ingedeeld, terwijl de toe te passen partij grond of baggerspecie op basis van de stof met het «hoogste gehalte» wordt ingedeeld. De potentiële verslechtering door opvulling tot de bovengrens van de klasse speelt alleen op de plaats van toepassing, want het betreft geen nieuwe verontreiniging. Op plaats van herkomst is de verontreiniging dus verminderd. Feitelijk is sprake van een neutraal milieueffect op de bodem.

Bij toepassing van grond of baggerspecie op of in de waterbodem (inclusief uiterwaarden en oevers) vindt toetsing plaats op basis van de actuele bodemkwaliteit. Hiertoe is een nieuwe beoordelingssystematiek ontwikkeld. Deze houdt onder meer rekening met de verschillen in milieuomstandigheden tussen de drogere (b.v. uiterwaarden) en nattere delen van het watersysteem en hiermee de hiermee samenhangende verschillen in milieurisico’s.

In dit kader is tevens relevant dat door het RIZA voor beheerders van natuurgebieden in de uiterwaarden vuistregels zijn opgesteld voor het omgaan met verontreinigde grond en bagger in relatie tot de inrichting en het beheer van deze gebieden (Natuurontwikkeling op verontreinigde grond in het rivierengebied, RIZA 2004). De beheerders van deze gebieden bepalen in hoeverre deze vuistregels aanvullend op de regels van dit besluit worden toegepast.

Mede hierdoor, maar ook vanwege de milieuwinst die wordt voorzien vanuit de grootschalige bodemtoepassingen in oppervlaktewater, wordt voor de waterbodem een positief milieueffect verwacht.

Bij grootschalige toepassingen van grond en baggerspecie van meer dan 5000 m3 en in een laagdikte van meer dan 2 meter wordt niet getoetst aan de maximale waarden voor de functie van de bodem en ook niet aan de kwaliteit van de ontvangende bodem.

Achterwege laten van de functie van de bodemtoets is vanuit milieuoptiek verantwoord, omdat de referenties voor de bodemfunctie van de bodemklassen zijn gericht op de bescherming van mens, ecosysteem en voedselproductie. Deze beschermingsdoelen zijn bij grootschalige toepassingen niet relevant, omdat geen blootstelling aan mens, ecosysteem en gewas of vee optreedt.

De toetsing aan de kwaliteit van de ontvangende (water)bodem is voor de grootschalige toepassingen vervangen door een emissie-eis, die luidt dat uit de grootschalige toepassing nauwelijks emissies mogen optreden naar de omliggen (water)bodem en het grondwater.

De nieuwe regelgeving kent een gebiedsspecifiek en een generiek kader. Bovenstaande werkwijze geldt in het generieke kader, waarbij de bovengrens voor toepassen van grond en baggerspecie is gesteld op de Interventiewaarde, zowel voor de grootschalige toepassingen van grond en baggerspecie als de leeflaag die bij deze toepassingen is voorgeschreven.

In het gebiedsspecifieke kader mag ook grond en baggerspecie worden toegepast, die verontreinigingen boven de Interventiewaarden bevat. Hiervoor moet het bevoegd gezag eigen beleid formuleren, dat wordt vastgelegd in een besluit en een nota bodembeheer. Dit gebiedsspecifieke kader is met name bedoeld voor het oplossen van gebiedspecifieke knelpunten. Onder bepaalde voorwaarden, die vooral zijn gebaseerd op locatiespecifieke risico’s, mag de bodem gecontroleerd verslechteren, om elders in het gebied een belangrijke verbetering te kunnen realiseren. De locale beleidsruimte heeft alleen betrekking op gebiedseigen grond en baggerspecie. Voor toepassing van grond en baggerspecie van buiten het beheergebied blijven de generieke regels gelden. Aldus is sprake van stand-still op gebiedsniveau en dus een neutraal milieueffect op de bodem in het beheergebied.

4.11.4 Bestuurlijke lasten

De bestuurlijke lasten voor grond en baggerspecie gelden met name voor gemeenten. Dit toezicht valt samen met toezicht op de Woningwet respectievelijk de Wet milieubeheer. Voor andere bestuursorganen vallen de kosten onder de afhandeling van vergunningen. De kosten voor waterkwaliteitsbeheerders komen voort uit de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De inzet van de VROM-Inspectie valt samen met de inzet in het kader van de Europese Richtlijn Bouwproducten.

Voor de handhaving van het Bouwstoffenbesluit werd in het verleden ieder jaar € 13,61 miljoen per jaar beschikbaar gesteld via het gemeentefonds. Deloitte & Touche Milieu had hiervoor de apparaatskosten bij gemeenten in 1999 in kaart gebracht. De kentallen bij deze bepaling zijn nader bijgesteld op basis van de evaluatie van het Bouwstoffenbesluit in 2001. De bijdrage aan het gemeentefonds werd door het Rijk gecompenseerd uit het budget voor bodemsanering. Het geld werd vervolgens verdeeld middels een in het fonds gehanteerde verdeelsleutel van het uitgavencluster Fysiek Milieu.

In verband met het onderhavige besluit is voor bouwstoffen en voor grond en baggerspecie gezamenlijk een nieuwe inschatting gemaakt van de bestuurlijke lasten bij gemeenten (zie ook paragraaf 3.6.7). De uiteindelijke kosten worden in samenwerking met de VNG bepaald bij de voorbereiding van de ministeriële regeling.

Voor gemeenten geldt dat deze taken overlappen met name rond invoering, overleggen en rapportage, maar ook bij het daadwerkelijke toezicht.

De bestuurlijke lasten zullen op een aantal punten kunnen dalen. Zo wordt de afhandeling van meldingen eenvoudiger en sneller door elektronisch te gaan melden. Ook wordt ervan uitgegaan dat bij toezicht bij de aanleg en uitvoering steekproefsgewijs één op de vijf werken zal worden gecontroleerd. Dit omdat ook eerder in de keten toezicht kan worden gehouden.

Met name bij grond en baggerspecie zullen ook nieuwe kosten ontstaan. Het gaat dan om de kosten rond het vaststellen en onderhouden van de bodemfunctiekaart. Daarnaast kunnen gemeenten zelf kiezen om kosten te maken rond het ontwikkelen van bodemkwaliteitskaarten en het opstellen van lokaal beleid. Deze kosten zijn vrijwillig en zijn bij de bepaling van de bestuurlijke lasten niet meegenomen.

In totaal komen de geschatte bestuurlijke lasten uit op zo’n € 10,7 miljoen per jaar (zie ook de tabel). Hierbij is uitgegaan van een uurtarief van € 55. Dit is een daling van zo’n 22% ten opzichte van de huidige vergoede kosten.

Taak

Apparaatskosten

Invoering besluit

€ 0,8 miljoen per jaar

Handhaving vaste inzet / kosten

€ 0,9 miljoen per jaar

Handhaving bouwwerken

€ 3,0 miljoen per jaar

Handhaving grondwerken

€ 5,1 miljoen per jaar

Handhaving weg- en waterbouwwerken

€ 0,9 miljoen per jaar

  

Totaal

€ 10,7 miljoen per jaar

Hoofdstuk 5. Algemene onderdelen

5.1 Milieuhygiënische verklaringen

5.1.1 Algemeen

Op grond van het onderhavige besluit kunnen in totaal vijf soorten milieuhygiënische verklaringen van bouwstoffen, grond en baggerspecie worden afgegeven: partijkeuringen, bodemonderzoeken, fabrikant-eigenverklaringen, bodemkwaliteitskaarten en erkende kwaliteitsverklaringen. De bodemonderzoeken en bodemkwaliteitskaarten zijn milieuhygiënische verklaringen die specifiek bestaan voor grond en baggerspecie. Met een milieuhygiënische verklaring wordt aangegeven of een partij, dan wel de ontvangende bodem, voldoet aan de eisen met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit.

Voor het bevoegd gezag is de milieuhygiënische verklaring een eenvoudige toets om te controleren of aan de eisen van het onderhavige besluit wordt voldaan. Wanneer het bevoegd gezag een vermoeden heeft dat de eisen van dit besluit ondanks de verklaring toch niet worden nageleefd, kan het handhavend optreden door zelf onderzoek te verrichten naar de milieuhygiënische kwaliteit van de partij bouwstof.

Onder het regiem van het Bouwstoffenbesluit hebben de meeste producenten (en grondbanken) gekozen om gebruik te maken van certificering van hun product en daarmee van de erkende kwaliteitsverklaring. Partijkeuring blijkt vaak alleen interessant voor partijen die eenmalig of kleinschalig worden geproduceerd of die incidenteel voor hergebruik vrijkomen.

In het onderhavige besluit zal naar verwachting voor een groot aantal producenten ook het gebruik van een fabrikant-eigenverklaring mogelijk worden. Verwacht wordt dat hiervan in de toekomst in toenemende mate gebruik zal worden gemaakt.

In het Bouwstoffenbesluit werd nog gesproken over «andere bewijsmiddelen», naast de in dat besluit genoemde formele milieuhygiënische verklaringen. Deze «andere bewijsmiddelen» werden echter veelvuldig onterecht gebruikt en leidden tot onduidelijkheid. Dergelijke verklaringen worden daarom in het kader van het onderhavige besluit niet meer geaccepteerd als middel om de milieuhygiënische kwaliteit van een bouwstof aan te tonen.

5.1.2. Partijkeuringen

Iedereen in de keten kan de milieuhygiënische kwaliteit van een partij vaststellen door middel van een eenmalige partijkeuring. Hierbij wordt de partij bemonsterd en gekeurd volgens de voorschriften vastgelegd in de ministeriële regeling bij het onderhavige besluit door een op grond van hoofdstuk 2 van dit besluit erkende monsternemer en een dito erkend laboratorium. Hierbij worden alle relevante parameters onderzocht. Op basis van deze keuring wordt vervolgens veelal door een adviesbureau een verklaring afgegeven dat de partij voldoet.

5.1.3 Fabrikant-eigenverklaringen

Wanneer sprake is van een beheerst productieproces en van een product dat voldoet aan de samenstellings- en emissie-eisen van het onderhavige besluit, kan een producent kiezen voor een fabrikant-eigenverklaring. Dit is een milieuhygiënische verklaring van de producent zelf dat het product aan de eisen van het onderhavige besluit voldoet. Voordat een producent een fabrikant-eigenverklaring mag afgeven, moet hij aantonen dat zijn product aan de hieraan gestelde eisen voldoet. Dit gebeurt door middel van een toelatingskeuring, die overeenkomt met een deel van de toelatingskeuring in het kader van certificering (zie 5.1.4). Na succesvolle afronding van de toelatingskeuring is de producent niet gebonden aan een nationale beoordelingsrichtlijn (NBRL) en hoeft hij geen overeenkomst af te sluiten met een certificeringsinstelling voor verdere controle. Dit betekent dat de producent nog meer dan voorheen zelf verantwoordelijk is voor het bewaken van de kwaliteit van zijn product. Hij kan hierop ook worden aangesproken.

Het gebruik van dit type milieuhygiënische verklaring als afdoende verklaring voor het bevoegd gezag, is nieuw ten opzichte van het voormalige Bouwstoffenbesluit.

Het gebruik van de fabrikant-eigenverklaring sluit aan bij de systematiek van de Europese Richtlijn Bouwproducten en dan specifiek ten aanzien van conformiteitsniveau 3. Vanuit de markt was hiertoe een sterke wens uitgesproken, mede omdat een dergelijke systematiek voor een aantal bouwstoffen ook mogelijk zal worden voor de civieltechnische eigenschappen op basis van het Bouwbesluit.

Het was bij het maken van het onderhavige besluit niet mogelijk om volledig over te stappen op de systematiek van de Europese Richtlijn Bouwproducten. De relevante technische documenten voor het bepalen van emissies (de geharmoniseerde EN-normen) en de daarop gebaseerde keuzes omtrent de borging, zullen de komende jaren pas worden gemaakt. Daarom is gekozen voor een systeem dat hierop zoveel mogelijk vooruitloopt.

5.1.4 Erkende kwaliteitsverklaringen

Wanneer sprake is van een beheerst productieproces kan een producent kiezen voor het gebruik van een erkende kwaliteitsverklaring om de milieuhygiënische kwaliteit van zijn product aan te tonen. Dit is een certificaat dat is afgegeven door een door de Ministers van VROM en van V en W erkende certificeringsinstelling. Dit certificaat is vervolgens door Onze Ministers erkend op grond van hoofdstuk 2 van dit besluit.

5.1.5 CE-markering

Op dit moment zijn de geharmoniseerde Europese normen voor bouwproducten (mogelijk inclusief grond en baggerspecie) in het kader van de Europese Richtlijn Bouwproducten nog niet voorzien van eisen en meetmethoden voor samenstelling en emissies naar bodem en oppervlaktewater. Tot die tijd stelt de richtlijn dat daarvoor in Nederland de nationale regelgeving geldt. Dat betekent dat deze bouwproducten in Nederland alleen mogen worden aangeboden en verkocht wanneer de voorgeschreven informatie over de kwaliteit van de bouwstof wordt verleend, die nodig is om te toetsen aan de Nederlandse eisen op gebied van samenstelling en emissie. Deze informatie moet zijn verkregen op de wijze en volgens de bepalingsmethoden zoals vastgelegd in het onderhavige besluit (zie ook 5.4.1). Ook moet zijn voldaan aan soortgelijke eisen die in andere nationale of internationale wetgeving zijn vastgelegd voor toepassing in Nederland.

5.1.6 Verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart

Het onderhavige besluit maakt het mogelijk om de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie en de beoordeling van de kwaliteit van de ontvangende bodem, te baseren op een milieuhygiënische verklaring van het bevoegd gezag op grond van de van bodemkwaliteitskaart. De voorwaarden verbonden aan een dergelijke verklaring worden nader uitgewerkt bij ministeriële regeling.

Op grond van de Vrijstellingsregeling grondverzet was het mogelijk licht verontreinigde grond of baggerspecie als bodem toe te passen voor zover dit gebruik plaatsvond in een gebied waarvoor het bevoegd gezag een bodemkwaliteitskaart had opgesteld. Voor het opstellen van dergelijke kaarten kon het bevoegd gezag gebruik maken van de interimrichtlijn «Opstellen en toepassen van bodemkwaliteitskaarten in het kader van de Vrijstellingsregeling grondverzet», die richtlijnen bevatte voor het opstellen en het toepassen van bodemkwaliteitskaarten bij grondverzet op de landbodem. De toepasser kon de vereiste kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie van de bodemkwaliteitskaart afleiden. Deze interimrichtlijn wordt vervangen door voorschriften in de ministeriële regeling bij het onderhavige besluit, die niet alleen zien op bodemkwaliteitskaarten voor de landbodem, maar ook voor de waterbodem.

5.1.7 Verklaring op grond van bodemonderzoek

Dit besluit maakt het mogelijk om de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie en de beoordeling van de kwaliteit van de ontvangende bodem, te baseren op een milieuhygiënische verklaring van het bevoegd gezag op grond van een bodemonderzoek. De voorwaarden verbonden aan een dergelijke verklaring, waaronder de betreffende onderzoeksprotocollen, worden nader uitgewerkt bij ministeriële regeling.

5.2 Handhaving en toezicht

5.2.1 Inleiding

In het besluit is via een uitgebreid normadressaat en de aanwijzing van bevoegde bestuursorganen voor de onderdelen van de keten, de mogelijkheid gecreëerd voor ketenhandhaving. In het Bouwstoffenbesluit bestreek het normadressaat slechts een enkel onderdeel van de keten, te weten de opdrachtgever of eigenaar van het werk. In de praktijk bleek echter vaak dat de opdrachtgever te goeder trouw was en dat een overtreding zich eerder in de keten had voorgedaan, bijv. bij de productie of kwalificatie van een bouwstof. De opdrachtgever werd handhavend aangesproken door het lokale bevoegd gezag en moest het ongedaan maken van de overtreding zelf, via private weg organiseren. Deze constructie leidde niet tot een daadkrachtige handhaving.

Met de uitbreiding van het normadressaat in het besluit, kan nu ook worden opgetreden tegen de verantwoordelijke actor in de keten. Een ander groot voordeel van deze ketenhandhaving is dat een meer samenhangende vorm van toezicht op de keten kan worden uitgeoefend door niet alleen op de actoren maar ook op de diverse overdrachtsmomenten toezicht uit te oefenen.

5.2.2 Verdeling verantwoordelijkheden bevoegde bestuursorganen

In het besluit is aangegeven wie bevoegd gezag is en wie belast is met de bestuurlijke handhaving van bepaalde onderdelen. De bevoegdhedenverdeling is schematisch als volgt:

stb-2007-469-1.gif

Deze beschrijving is omwille van de leesbaarheid vereenvoudigd en maakt daarom gebruik van de begrippen opdrachtgever en aannemer. Degene die zelf bouwstoffen, grond of baggerspecie toepast is in deze beschrijving gelijk gesteld met de opdrachtgever.

In hoofdstuk 2 van het besluit (kwaliteit van de uitvoering) is bepaald dat specifieke activiteiten uitsluitend mogen worden uitgevoerd door daartoe erkende intermediairs. Deze intermediairs zijn op diverse plaatsen in de keten actief, zodat daarmee ketenhandhaving mogelijk is gemaakt. Handhaving kan daarbij via het erkenningenstelsel, maar ook door het gebruiken van de reguliere bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhavingsinstrumenten.

In hoofdstuk 3 van het besluit (onderdeel bouwstoffen) is de keten specifiek uitgewerkt. Dit is gedaan door de verschillende onderdelen van de keten te omschrijven en daarbij te bepalen dat een bouwstof moet voldoen aan de milieuhygiënische kwaliteitseisen en dat dit op één van de omschreven wijzen moet worden aangetoond. De beschreven onderdelen van de keten, waarvoor die eisen dus gelden, zijn het produceren, verhandelen, opslaan en toepassen.

In hoofdstuk 4 van het besluit (onderdeel grond en bagger) is de keten echter niet als zodanig uitgewerkt. In dit hoofdstuk is alleen sprake van degene die de grond of bagger toepast, de aannemer of de opdrachtgever. De actoren in de keten die daaraan voorafgaan, worden gereguleerd via hoofdstuk 2 (kwaliteit van de uitvoering).

Grondverzet, transport en verwerking is in de regel slechts mogelijk als de kwaliteit bekend is. Het vaststellen van die kwaliteit en het op de juiste wijze daarvan aantonen, zijn werkzaamheden die vallen onder hoofdstuk 2. Het bevoegd gezag voor deze werkzaamheden zijn de VROM-Inspectie (VI) en de Inspectie VenW (IVW). Het schema hierboven geldt daarom praktisch voor zowel bouwstoffen als grond en bagger, ondanks het verschil in omschrijvingen van de keten tussen de hoofdstukken 3 en 4.

De scheiding tussen de rijksinspecties en het lokale bevoegd gezag is voor toepassingen op of in de bodem anders ingevuld dan voor toepassingen in oppervlaktewater. Dit heeft een juridische achtergrond. De behoefte was om een zo groot mogelijk deel van de keten landelijk te kunnen beheersen. Actoren in de keten die op meerdere plaatsen actief zijn, moeten landelijk gevolgd kunnen worden. Daarom is de VROM-Inspectie bevoegd tot bestuurlijke handhaving van de aannemer voor toepassingen op of in de bodem.

Het lokale bevoegde gezag, veelal de gemeente, is met betrekking tot een specifieke locatie binnen haar grondgebied het bevoegd gezag voor de toepassing van grond, bagger of bouwstoffen. Dit betekent dat ten aanzien van alle activiteiten en werkzaamheden toezicht kan worden uitgeoefend. De opdrachtgever is daarbij de normadressaat voor eventueel handhavend optreden. Via de opdrachtgever kan foutief handelen van de aannnemer worden gecorrigeerd. Naast dit curatieve optreden, zoals dat ook binnen het Bouwstoffenbesluit mogelijk was, is preventief optreden door de VROM-Inspectie richting de aannemer mogelijk gemaakt. Op lokaal niveau handhaaft met andere woorden het lokale bevoegde gezag de regels van het besluit, indien nodig zet de VROM-inspectie handhavingsmiddelen in om te voorkomen dat de aannemer elders dezelfde overtreding begaat. Gedacht kan worden aan het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor erkenning nodig is, of het pogen zich te ontdoen van een partij grond zonder kwaliteitsverklaring.

Voor oppervlaktewater bleek de hiervoor beschreven bevoegdhedenverdeling juridisch niet mogelijk. De Wvo regelt dat de waterkwaliteitsbeheerder bevoegd gezag is en de bevoegdheid tot bestuurlijke handhaving heeft ten opzichte van degene die de handeling verricht (het brengen van verontreinigende stoffen in oppervlaktewater). De Inspectie V&W is daarom bevoegd gezag en heeft de bevoegdheid tot bestuurlijke handhaving voor de keten tot de aannemer voor toepassingen in oppervlaktewater. De waterkwaliteitsbeheerder is bevoegd gezag en heeft de bevoegdheid tot bestuurlijke handhaving voor de aannemer en de opdrachtgever bij toepassing van grond, bagger of bouwstoffen in oppervlaktewater.

De verdeling van bevoegdheden tussen de bevoegde bestuursorganen heeft betrekking op de rol als bevoegd gezag en de mogelijkheden voor bestuurlijke handhaving, zoals geregeld in artikel 2 tot en met 4 van het besluit. Naast de rol als bevoegd gezag en de bevoegdheid om bestuurlijk te handhaven, hebben handhavende instanties ook bevoegdheden in de rol van toezichthouder. Een toezichthouder heeft bevoegdheden die verder reiken dan de reikwijdte van het bevoegd gezag of de reikwijdte van de bevoegdheden tot bestuurlijke handhaving. Zij heeft de mogelijkheid om op meer actoren in de keten toezicht uit te oefenen. Bij de constatering van overtredingen of het vermoeden daarvan kan de toezichthouder het betrokken lokale bevoegd gezag en via een centraal punt tevens de Inspecties informeren. Afhankelijk van de aard van de overtreding kan de toezichthouder tevens een proces verbaal (laten) opmaken dat vervolgens via het strafrechtelijke spoor door het OM wordt afgehandeld.

Net zoals in het Bouwstoffenbesluit het geval was, blijft het lokale bevoegd gezag de instantie die voor de toepassing bepaalt op welke wijze het besluit moet worden nageleefd. De bevoegdheden van een lokaal bevoegd gezag daarbij zijn:

– het doen van een uitspraak over de uitleg van interpretatieruimte;

– het uitoefenen van toezicht op de locatie;

– het zonodig bestuurlijk handhavend optreden richting de opdrachtgever

De scheiding in bevoegde bestuursorganen tussen aannemer en opdrachtgever voor toepassingen op of in de bodem betekent niet dat de aannemer zich bijv. voor vragen over de juiste uitleg van het besluit moet wenden tot de VROM-Inspectie. De VROM-Inspectie zal ook niet structureel op toepassingsniveau toezicht uitoefenen, maar wel gericht bijv. op basis van signalen of een interventiestrategie. Wel zal de VROM-Inspectie (zoals beschreven in par.5.2.5) op basis van signalen of strategie selectief toezicht uitoefenen, veelal in samenspraak met het lokale bevoegd gezag.

Alleen bij het derde punt in de bovengenoemde opsomming (bestuurlijk handhavend optreden) is voor het lokale bevoegd gezag sprake van een beperking tot de opdrachtgever. Het doen van uitspraken over de uitleg van interpretatieruimte en het uitoefenen van toezicht op de locatie houden in dat het lokale bevoegd gezag bepalend is voor de toepassing en dus zowel met de aannemer als de opdrachtgever te maken heeft. Het is daarom de bedoeling dat ook een aannemer zich voor vragen en uitsluitsel over interpretatieruimte wendt tot het lokale bevoegd gezag. Het zal in diverse situaties de voorkeur verdienen dat een aannemer en het lokale bevoegd gezag direct contact hebben, zonder dat tussenkomst van de opdrachtgever nodig is, bijvoorbeeld wanneer een aannemer via innovatieve contracten verantwoordelijk is voor ontwerp, materiaalkeuze en uitvoering. Dit sluit ook aan bij de gangbare praktijk.

Het lokale bevoegde gezag gaat met andere woorden primair over een specifieke toepassing, waarbij de mening van het lokale bevoegde gezag in principe doorslaggevend is binnen de geboden interpretatieruimte. De VROM-Inspectie zal optreden richting aannemer op verzoek van het lokale bevoegde gezag of als zij daar zelf aanleiding toe ziet. Dit optreden richt zich dan op de aannemer ter voorkoming van herhaling op volgende locaties en niet op het ongedaan maken van de overtreding.

5.2.3 Bevoegheden en verplichtingen voor het lokale bevoegd gezag:

Het lokale bevoegd gezag is het bevoegde gezag voor de toepassing van bouwstoffen, grond en bagger. Dit houdt in dat het lokale bevoegd gezag bestuurlijk kan handhaven op:

– de wijze van toepassing (overeenkomstig de kwaliteitsverklaring en eventueel in overeenstemming met de gebiedspecifieke voorwaarden);

– de tijdige en correcte melding;

– de te verstrekken kwaliteitsverklaringen.

Het lokale bevoegd gezag kan, zoals reeds eerder opgemerkt, haar bestuursrechtelijke maatregelen alleen inzetten tegen de opdrachtgever en in geval van oppervlaktewater tevens de aannemer. De toezichthouders van het lokale bevoegde gezag zijn, voorzover aangewezen, wel bevoegd tot het uitoefenen van toezicht op alle activiteiten en actoren.

Om bestuurlijke handhaving mogelijk te maken van actoren die buiten de reikwijdte van het lokale bevoegde gezag vallen, kan een overtreding doorgegeven worden aan de VI of IVW. Daarnaast kan strafrechtelijke handhaving worden geïnitieerd door het (laten) opmaken van een proces verbaal.

Het lokale bevoegd gezag is zoals hierboven beschreven primair bepalend voor de juiste wijze van toepassing en daartoe de eerst aangewezene om uitspraken te doen over interpretatieruimte.

Het lokale bevoegd gezag mag alleen besluiten nemen op basis van gegevens die afkomstig zijn van erkende instanties, voor zover het gaat om werkzaamheden die in dit besluit zijn aangewezen. Het nemen van besluiten heeft betrekking op het verlenen van saneringsbeschikkingen en het accepteren van meldingen.

Het lokale bevoegd gezag is tevens de beheerder van de bodem in het betreffende beheersgebied. Voor landbodems geldt als verplichting dat een besluit moet worden genomen tot functieaanwijzing, voor zover niet wordt overgegaan tot een gebiedsgerichte uitwerking. Voor zowel landbodems als waterbodems geldt dat de bodembeheerder bevoegd is voor de gebiedsgerichte uitwerking.

Het lokale bevoegd gezag geeft de geconstateerde overtredingen als signaal door aan het centrale punt dat daartoe door de Inspecties is ingericht.

5.2.4 Bevoegdheden en verplichtingen voor de VI en de IVW:

De VI is het bevoegd gezag voor:

– de hele bouwstoffenketen die voorafgaat aan de aannemer. De bouwstofketen is omschreven als «het vervaardigen, importeren, voor handelsdoeleinden voorhanden hebben, vervoeren, aan een ander ter beschikking stellen en in opdracht toepassen».

– het deel van de keten grond en bagger die voorafgaat aan de aannemer, voor zover de activiteiten vallen onder hoofdstuk 2 van het besluit (Kwalibo).

De VI is daarnaast bevoegd tot bestuurlijke handhaving van:

– de aannemer die bouwstoffen, grond of bagger toepast op of in de bodem.

De IVW is bevoegd gezag voor de ketens bouwstoffen, grond en bagger die voorafgaan aan de aannemer, voor zover de activiteiten vallen onder hoofdstuk 2 van het besluit (kwalibo).

De VI en IVW zijn bevoegd gezag voor hoofdstuk 2 van het besluit (Kwalibo), hetgeen de volgende taken inhoudt:

– adviserende rol bij het verlenen van de erkenningen;

– uitoefenen van toezicht op erkende intermediairs en certificerende Instellingen;

– het zonodig bestuurlijk handhavend optreden als de vereiste erkenning ontbreekt;

– het zonodig schorsen of intrekken van erkenningen bij geconstateerde overtredingen.

Een bijzondere taak van de VI en IVW is het treffen van voorzieningen, samen met de lokale bevoegde bestuursorganen, voor een doelmatig toezicht op de naleving van het Bbk. Daaronder wordt verstaan:

– het inrichten van een centraal punt voor het indienen van signalen dat het besluit niet wordt nageleefd en het opvolging geven aan die signalen (zie .5.2.5);

– het bevorderen van de samenwerking tussen bevoegde bestuursorganen bij grote, gemeentegrensoverschrijdende (infrastructurele) toepassingen van bouwstoffen, grond of bagger.

Net als bij andere wet- en regelgeving houden de VI en de IVW interbestuurlijk toezicht op lokale bevoegde bestuursorganen.

5.2.5 Invulling ketenhandhaving

De invulling van ketenhandhaving bestaat uit twee delen:

1. ketenhandhaving op basis van signalen

2. ketenhandhaving op basis van strategie

Ad 1. Ketenhandhaving op basis van signalen

Het faciliteren van signalen dat het besluit niet wordt nageleefd, is van groot belang vanuit de gedachte dat de juiste actor in de keten moet worden aangepakt. Daarom is een centraal punt ingericht, dat wordt beheerd door de VI en de IVW en waar deze signalen kunnen worden afgegeven. Signalen worden hier verzameld, beoordeeld en afgehandeld. Afhankelijk van het soort signaal, zal het afhandelen kunnen bestaan uit het handhavend optreden door de VI of de IVW tegen de betreffende actor, uit het informeren van andere bevoegde gezagen en/of het informeren van private toezichthoudende instanties (Certificerende instelling of de Raad voor Accreditatie). De signalen kunnen, na analyse, tevens aanleiding voor specifieke acties.

Het betrokken gezag wordt geïnformeerd, voor zover deze niet zelf het signaal heeft gegeven en voor zover bestuurlijke handhaving in haar bereik ligt. Het zal dan hoofdzakelijk gaan om een signaal dat betrekking heeft op een specifieke toepassing van grond, bagger of bouwstoffen. Het lokale bevoegd gezag kan daarop de opdrachtgever aanspreken en bij toepassingen in oppervlaktewater tevens de aannemer. Het bevoegd gezag kan ook worden geïnformeerd naar aanleiding van signalen over specifieke instanties, bouwstoffen, grond of bagger. De informatie heeft dan meer een waarschuwend karakter en moet dan gericht worden aan de bevoegde gezagen die hiermee te maken kunnen krijgen.

Als signalen binnenkomen over gecertificeerde instellingen of activiteiten, kan de certificerende instelling worden geïnformeerd. Zij heeft het certificaat verleend en ziet via audits toe op een goede naleving van de regels die nodig zijn voor het behalen en behouden van het certificaat (vastgelegd in een beoordelingsrichtlijn). Een doorgegeven signaal zal bij de certificerende instelling veelal leiden tot een extra audit of een extra aandachtspunt tijdens een reguliere audit. Sommige werkzaamheden vallen niet onder certificatie, maar onder accreditatie. Bij accreditatie is de Raad voor Accreditatie de toezichthouder. Een signaal over een geaccrediteerde instelling zal daarom worden doorgegeven aan de Raad voor Accreditatie.

Ad 2. Ketenhandhaving op basis van strategie

Ketenhandhaving op basis van strategie houdt in dat aan de hand van een analyse van de keten (welke doelgroepen, waar zitten de risico’s) wordt bepaald waar, wanneer en door wie toezicht wordt uitgeoefend. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het stappenplan van de Handreiking ketenhandhaving van het LOM (januari 2006). Een aantal interventiestrategieën is beschikbaar ten tijde van de inwerkingtreding van het besluit, namelijk voor AVI-bodemas, teerhoudend asfaltgranulaat, bodemsaneringen, bagger, bouw- en sloopafval en asbest. Het uitbreiden van de interventiestrategieën zal gebeuren aan de hand van risico-analyses. De signalen die binnenkomen bij het centrale punt kunnen onder andere worden gebruikt bij een nadere risico-analyse en prioritering.

De interventiestrategieën bieden de kans om de ketens te beheersen via toezicht op de zwakke actoren. De tactiek daarvoor wordt binnen de interventiestrategieën op maat uitgewerkt. Dit kan betekenen dat het uitoefenen van toezicht het meest effectief is bij de toepassing van een bouwstof. Het kan ook betekenen dat juist het moment van productie cruciaal is. In dat geval is toezicht bij de producent het meest effectief.

5.2.6 Resultaten uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets

Bij het opstellen van dit besluit is een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de handhaafbaarheid van het besluit op een aantal punten is verbeterd ten opzichte van het Bouwstoffenbesluit.

Voor bouwstoffen geldt dat de vereenvoudiging van de regelgeving die heeft plaatsgevonden een belangrijke verbetering is. Zo is de variabele toepassingshoogte komen te vervallen, waardoor handhaving in de praktijk eenvoudiger wordt. De nadruk verschuift van de uitvoering van het werk naar de kwaliteit van het product. Alleen bij de toepassing van IBC-bouwstoffen blijft controle van het werk een relevante factor, omdat de aanleg van isolatiemaatregelen en het beheer van de voorzieningen kritisch is. Daarnaast houdt de gemeente toezicht op het voorkomen van vermenging van bouwstoffen met de bodem en op de terugneembaarheid.

Een tweede verbetering is de verbreding van het normadressaat, waardoor het onderhavige besluit alle actoren in de bouwstofketen aanspreekt. Onder het regiem van het Bouwstoffenbesluit kon alleen de toepasser worden gehandhaafd, wat in de evaluatie van dit besluit in 2001 werd gesignaleerd als een groot manco. De verschuiving van nadruk in het onderhavige besluit van de toepassing naar het product, maakt het des te belangrijker dat ook de actoren die direct invloed hebben op de kwaliteit van het product direct kunnen worden aangesproken. Dit kan ten slotte ook leiden tot een effectievere handhaving, waarbij de mogelijkheid tot georganiseerde ketenhandhaving in beeld komt.

Voor grond en baggerspecie geldt dat een belangrijke verbetering is gelegen in het feit dat alle regels betreffende de toepassing van grond en baggerspecie binnen één besluit worden opgenomen. In de oude situatie zijn meerdere regelingen op de toepassing van grond en baggerspecie van toepassing waardoor inconsistentie is ontstaan. Daarnaast ontstaat vaak discussie over de vraag welke regels nu eigenlijk van toepassing zijn, hetgeen de handhaving lastig en inefficiënt maakt. Er hoeft nu ook niet meer worden aangetoond of er sprake is van grond of baggerspecie.

Een tweede verbetering is de verbreding van het normadressaat, aangezien alle toepassingen moeten worden gemeld (ook de tijdelijke). Dit geeft handhavers meer mogelijkheden om gericht te toetsen op de kwaliteit van grond en baggerspecie, wat weer leidt tot effectievere handhaving. Dit betekent ook dat de VROM-Inspectie een nadrukkelijker rol krijgt bij de handhaving van het besluit en dat daardoor een meer georganiseerde ketenhandhaving mogelijk wordt.

Een algemene verbetering is in de centrale meldingsystematiek. Deze (digitale) systematiek geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om op een relatief eenvoudige wijze inzicht te krijgen in de bouwstoffen-, grond- en baggerstromen en om op basis hiervan prioriteiten te stellen in haar handhavingsinspanningen. De samenhang zit in het feit dat de informatie uit meldingen én informatie uit andere controles onderling uitwisselbaar moeten zijn, zodat op basis van deze informatie prioriteiten kunnen worden gesteld in de keten en effectiever toezicht mogelijk is.

Het onderhavige besluit maakt, net als voorheen het Bouwstoffenbesluit, voor de meeste bouwstoffen en enkele stromen grond en baggerspecie gebruik van het systeem van private certificering. Hierbij vindt altijd externe controle plaats door een certificeringsinstelling. Een deel van de bouwstoffen die voorheen onder certificaat (erkende kwaliteitsverklaring) werden geleverd, zal in het onderhavige besluit worden voorzien van een fabrikant-eigenverklaring. Hierbij vervalt de externe controle grotendeels. Dit legt weliswaar een grotere druk op het belang van steekproefsgewijze handhaving, maar tegelijkertijd gaat het wel om bouwstoffen die in de toelatingskeuring bewezen hebben van een constante goede kwaliteit te zijn.

Met betrekking tot het beheer van de bodemkwaliteitskaarten en bodembeheernota kan in zekere zin hetzelfde worden gesteld. Via SIKB worden kwaliteitssystemen opgezet, die een integrale beschrijving geven van de randvoorwaarden waaronder de bodemkwaliteitskaart moet worden beheerd en op basis waarvan kan worden gecontroleerd.

Om toezicht en handhaving in de keten optimaal en zo efficiënt mogelijk te laten functioneren zijn goede afspraken nodig tussen de verschillende bevoegde gezagen. Hierdoor kan een integrale handhavingsorganisatie ontstaan, die in de gehele keten en vanuit verschillende milieuwetgeving kan opereren. In dit besluit is daarom bepaald dat de Ministers van VROM, VenW en LNV tezamen met het decentraal bevoegd gezag de noodzakelijke voorzieningen treffen voor een doelmatig toezicht op de naleving van verplichtingen tengevolge van dit besluit. De organisatie hiervan zal plaatsvinden binnen het Landelijk Overleg Milieuhandhaving. Om handhaving te ondersteunen zal in samenwerking met alle bevoegde bestuursoganen een Handhaving Uitvoerings Methodiek (HUM) worden opgesteld.

Voor grote, gemeentegrensoverschrijdende werken geldt dat optimaal toezicht uit zou moeten gaan van één bevoegd gezag dat dient als centraal coördinatiepunt. Dit vergroot de effectiviteit voor het bevoegd gezag en de duidelijkheid voor de toepassers.

5.2.7 Optimalisatie toezicht en handhaving

Uit de evaluatie van het Bouwstoffenbesluit (Bsb) in 2002 is gebleken dat het niveau van de handhaving een sterk wisselend beeld liet zien. Naast overheden die deze taak goed hadden opgepakt, bleek dat te veel overheden de regels uit het Bsb niet of niet op het gewenste niveau handhaven. Dit was onder andere te verklaren door de matige handhaafbaarheid van het Bsb en de complexiteit van dit besluit. Het spreekt vanzelf dat onvoldoende handhaving en gebrek aan uniformiteit bij de interpretatie van het Bsb uitermate ongewenst zijn vanuit het oogpunt van milieurisico’s, maar ook vanuit de rechtsongelijkheid die ontstaat doordat goedwillenden economisch worden benadeeld ten opzichte van de overtreders.

De matige handhaafbaarheid en de complexiteit van het Bsb worden aangepakt via het onderhavige besluit dat het Bsb vervangt. Naast een aantal vereenvoudigingen, wordt een sterke verbetering bewerkstelligd door het uitbreiden van het normadressaat en het verlenen van bevoegdheden aan de VROM-Inspectie en de Inspectie Verkeer en Waterstaat waardoor ketenhandhaving een wettelijke basis krijgt. De systematiek van certificering en erkenning door onze ministers, die in het besluit een nog prominentere rol speelt dan bij het Bsb, zorgt voor kwaliteitsborging waarbij de markt zelf haar verantwoordelijkheid neemt. Een centraal meldpunt waar de toepassingen van grond, baggerspecie en bouwstoffen elektronisch worden gemeld, verlaagt de drempel om te melden. Het geeft ook op landelijk niveau inzicht in de activiteiten en geeft daarmee invulling aan de informatiebehoefte van de handhaving. Bovendien beperkt de registratie van elektronisch gemelde kwaliteitsgegevens in een centraal systeem de kans op frauduleuze handelingen met keuringsrapporten. Ook de introductie van een Toezichtloket, waar signalen over overtredingen kunnen worden ingediend en waardoor op landelijk niveau intermediairs kunnen worden gevolgd, draagt in belangrijke mate bij aan het vertrouwen dat met bovengenoemde maatregelen de handhaving sterk wordt verbeterd.

De verbeteringen zoals hiervoor geschetst, geven naar verwachting ook een impuls aan de toezichtinspanningen van alle betrokken overheden. Momenteel zijn ontwikkelingen gaande die zijn gericht op de verbetering en borging van de kwaliteit van de vergunninglening en het toezicht op regelgeving, waaronder de milieuregelgeving. In het Bestuursakkoord van het kabinet en de VNG «Samen aan de slag» hebben rijk en gemeenten afspraken gemaakt om de bestuurskracht van gemeenten en de samenwerking tussen gemeenten te versterken. Met behulp van een maatlat kan worden nagegaan wat het vereiste schaalniveau is om de taken op een adequaat niveau uit te voeren, rekening houdende met de lokale omstandigheden. Opschaling van de uitvoering van het toezicht is een oplossing wanneer uit de maatlat blijkt dat de omvang van de vergunningverlenende en toezichthoudende overheidsorganisatie te klein is ten opzichte van de hoeveelheid en complexiteit van de regelgeving alsmede de complexiteit van de lokale milieuproblematiek.

Op grond van de evaluatie van het Bsb is gebleken dat samenwerking nodig is om versnippering in het toezicht en de hiervoor beschikbare middelen (13,6 miljoen euro per jaar) tegen te gaan, mede gezien het gemeentegrensoverschrijdende karakter van de bouwstoffen- en grondstromenketens. In het bijzonder het toezicht op complexe en omvangrijke werken vraagt een bundeling van capaciteit, deskundigheid en kennis. Indien dit niet gebeurt, kan een situatie ontstaan waarin het – op zichzelf voor het land toereikend geachte – bedrag teveel wordt versnipperd om het beoogde doel van een adequaat toezicht in het gehele land te bereiken.

Ook gelet op de ontwikkelingen die spelen op het totale vlak van de milieuhandhaving, is samenwerking een belangrijk middel om te komen tot een adequaat handhavingsniveau. Zoals eerder vermeld geldt dit in het bijzonder voor het onderhavige besluit om grip te krijgen op bouwstoffen- en grondstromenketens en intermediairs die regionaal of landelijk te werk gaan. Door samenwerking kan tevens de capaciteit, kennis en deskundigheid op het vereiste niveau worden gebracht. De samenwerking kan bijvoorbeeld in de vorm van het oprichten van intergemeentelijke of regionale teams, waarbij de betrokken overheden gericht samenwerken aan toezicht met behoud van de eigen bevoegdheden. Ook andere vormen van samenwerking zijn mogelijk, zoals landelijk opererende teams voor sommige ketens. Zo nodig kan een samenwerkingsvorm een tijdelijk karakter hebben, bijvoorbeeld om gedurende de realisatie van een groot project de nodige samenhang in het toezicht te bewerkstelligen. In het besluit is daar overigens in voorzien door de bepaling in artikel 4, tweede lid. Deze bepaling houdt in dat bij toepassingen waarbij meerdere bestuursorganen bevoegd gezag zijn, één bevoegd gezag wordt aangewezen dat zorgt voor een gecoördineerd toezicht. Door samenwerking kan zowel invulling worden gegeven aan een adequaat lokaal handhavingsniveau als aan een effectieve ketenhandhaving. Bovendien draagt samenwerking bij aan uniformiteit in de handhaving.

In artikel 4, eerste lid, van het besluit is een bepaling opgenomen die de minister van VROM de bevoegdheid geeft om tezamen met de gemeentebesturen de noodzakelijke voorzieningen te treffen voor een doelmatig toezicht op de naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde verplichtingen. Deze bevoegdheid zal door de minister van VROM worden ingevuld bij de overleggen met provincies en gemeenten over de kwaliteitsverbetering bij toezicht en vergunningverlening, waaronder de opschaling van de uitvoering daarvan. Daartoe zal zij ingaan op de wenselijkheid van het organiseren van de samenwerking ten behoeve van het onderhavige besluit en de reeds geboekte voortgang hierin. Zij zal de gemeenten uitnodigen concrete voorstellen te doen om door middel van samenwerking te waarborgen dat er bij de uitvoering van werken telkens de voor een adequaat toezicht benodigde capaciteit, kennis en deskundigheid beschikbaar zullen zijn. Dit zonder dat er wijziging komt in de bestuurlijke bevoegdheden tot handhaving. Ook in het DUIV-overleg, waarin VROM, Unie van Waterschappen, IPO en VNG participeren, zal dit aan de orde worden gesteld waarbij tevens rekening wordt gehouden met de regierol van de provincies.

Daarbij is het uitgangspunt dat binnen een half jaar na inwerkingtreding van dit besluit een voldoende handhavingsniveau is bereikt bij de bevoegde overheden. Hoewel dat niveau zich lastig exact laat definiëren, wordt daarmee bedoeld dat het kabinet in lijn met het gesloten bestuursakkoord met de VNG er vertrouwen in heeft dat de overheden de benodigde capaciteit, kennis en deskundigheid beschikbaar hebben en met elkaar afspraken hebben gemaakt om de handhaving adequaat uit te voeren. Ter financiering wordt de jaarlijkse bijdrage van 13,6 miljoen euro in het gemeentefonds gecontinueerd. Verwacht wordt dat de gemeenten met deze middelen de mogelijkheid hebben om te komen tot een goede invulling van de handhaving, mits door samenwerking de op grond van deze middelen beschikbare capaciteit, kennis en deskundigheid zoveel mogelijk gebundeld worden ingezet.

Bij het vormgeven van toezicht door middel van samenwerking wordt gestimuleerd dat aandacht wordt gegeven aan de mogelijkheden om bij het toezicht een bepaalde mate van landelijke uniformiteit en een goede wisselwerking met de activiteiten van de VROM-Inspectie op het vlak van ketentoezicht en het erkenningstelsel te waarborgen. Een digitaal systeem van informatieuitwisseling kan hierbij behulpzaam zijn.

5.2.8 Heterogeniteit van bouwstoffen

Uit een oogpunt van versterking van de bewijsvoering in strafrechtelijke zaken is het belangrijk dat de spreiding in samenstelling van partijen bouwstoffen (heterogeniteit) een controleerbare factor is. In de ministeriële regeling is reeds eenduidig vastgelegd hoe vanuit oogpunt van handhaving moet worden gehandeld bij spreiding in samenstelling. Het in aanvulling hierop opnemen van eisen die beperkingen opleggen aan de spreiding van de samenstelling kan voordelen hebben uit oogpunt van handhaving, maar ook leiden tot administratieve lasten en beperkingen opleggen aan het hergebruik van bouwstoffen. Pas na een degelijke afweging tussen voor- en nadelen is besluitvorming over eventuele nadere eisen mogelijk. Bij deze afweging zijn vele partijen betrokken. Het resultaat van deze afweging kan in de ministeriële regeling worden verankerd. Verwacht wordt dat deze verankering, indien noodzakelijk, niet eerder dan medio 2008 kan worden geëffectueerd.

5.3 Verhouding tot nationale regelgeving

5.3.1 Wet bodembescherming, Wet verontreiniging oppervlaktewateren en Wet milieugevaarlijke stoffen

Met dit besluit wordt ten aanzien van het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie beoogd in het hele land een algemeen beschermingsniveau voor bodem, grond- en oppervlaktewater vast te stellen. Dit besluit is hiertoe mede gebaseerd op de Wet bodembescherming (Wbb), de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) en de Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms). Door dit besluit op zowel de Wbb als de Wvo te baseren, blijft de toepassing van bouwstoffen, grond en baggerspecie op of in de bodem en in het oppervlaktewater in één besluit gebundeld. Hierbij is gekozen voor rechtstreeks werkende regels krachtens de Wbb en krachtens artikel 2a, eerste lid, van de Wvo.

Wet verontreiniging oppervlaktewateren

Voor de verhouding van dit besluit tot de Wvo wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5, tweede lid.

Wet mileugevaarlijke stoffen

Artikel 24 van de Wms geeft ruimte tot verbreding van het normadressaat bij de toepassing van bouwstoffen in werken. Dit betekent dat naast de toepasser van de bouwstof ook de andere actoren in de bouwstofketen verantwoordelijkheid dragen voor hun aandeel in de kwaliteit van de bouwstof en de bescherming van bodem, grond- en oppervlaktewater en hierop kunnen worden aangesproken. Bij de toepassing van bouwstoffen is dit belangrijk omdat de toetsing van de geproduceerde bouwstof met name aan het begin van de keten plaatsvindt. Bij de toepassing van grond en baggerspecie vindt de toetsing met name bij de toepassing aan het eind van de keten plaats.

Het gebruik van dit artikel betekent niet dat bouwstoffen als gevaarlijke chemische stoffen moeten worden aangemerkt of met de overige artikelen van de Wms te maken hebben.

5.3.2 Bodemsanering

Dit besluit stelt regels over de vaststelling van de kwaliteit van de bodem in relatie tot het toepassen van grond en baggerspecie. Bij het saneren van de bodem wordt vastgesteld wat de kwaliteit is van de bodem na de sanering. Onder omstandigheden laat dit besluit toe dat ernstig verontreinigde grond en baggerspecie wordt toegepast als bodem binnen een bepaald gebied. Dit vergt afstemming tussen de regels en de bevoegdheden voor het toepassen van grond en baggerspecie op grond van dit besluit en de regels voor bodemsanering in de Wet bodembescherming. Besluitvorming op grond van deze regels moet worden afgestemd. Hierbij gaat het met name om het toepassen van ernstig verontreinigde grond en baggerspecie en om de doelstellingen bij sanering en grondverzet.

Vanuit het oogpunt van bodemsanering is het streven steeds gericht geweest op het schoonmaken en schoonhouden van de bodem die ernstig is verontreinigd. Sinds de jaren ’90 is hier een dimensie aan toegevoegd, voortvloeiend uit het gegeven dat bepaalde ernstig verontreinigde gebieden in ons land te kampen hebben met grootschalige diffuse verontreinigen die niet direct aan een puntlozing te relateren zijn. Het opruimen van deze verontreinigingen is te kostbaar en vanuit een perspectief van risico’s vaak niet noodzakelijk. Dit heeft een beleidswijziging tot gevolg gehad. Bij ernstig verontreinigde bodems waar geen sprake is van risico en geen ontwikkelingen plaatsvinden is beheer voldoende.

Voorbeelden van gebieden in Nederland die diffuus zijn verontreinigd met stoffen waarvan de concentraties de interventiewaarden overschrijden, zijn de Kempen, het stroomgebied van de Maas, toemaakdekken in de provincie Utrecht/Zuid Holland en historische binnensteden. In formele zin spreken we hier dan ook over gevallen van ernstige verontreiniging. Het onderhavige besluit richt zich ook op deze verontreiniging voor zover grondverzet in deze gebieden noodzakelijk is. Het bevoegd gezag (gemeente) mag bij het toepassen van de grond en baggerspecie binnen deze gebieden maximale waarden boven de interventiewaarden vaststellen. In dit besluit zijn hier strenge voorwaarden aan verbonden.

De regelgeving in het onderhavige besluit is nadrukkelijk niet bedoeld voor het toepassen van ernstig verontreinigde grond uit saneringsgevallen met een direct aanwijsbare bron. Uiteraard kan een gebied dat diffuus ernstig is verontreinigd niet dienen als een stortplaats voor grond afkomstig uit saneringen. Grond die uit een sanering wordt ontgraven moet worden gereinigd of gestort op een reguliere stortplaats.

Alleen niet ernstig verontreinigde grond die vrijkomt bij een sanering van een verontreinigd bodemcompartiment in het desbetreffende gebied en een kwaliteit heeft die gelijk aan of beter is dan de kwaliteit van de ontvangende bodem kan worden toegepast binnen dat gebied.

In het onderhavige besluit zijn de voorwaarden geregeld waaronder toepassen van ernstig verontreinigde grond en baggerspecie is toegestaan. Beoordeling vindt plaats per stof. De toepassing van ernstig verontreinigde grond en baggerspecie is alleen toegestaan op bodems waar sprake is van diffuus verhoogde achtergrondgehaltes (boven de interventiewaarden) van dezelfde stof(fen) als de toe te passen grond en baggerspecie. Het bevoegd gezag (de gemeente) mag geen maximale waarden vaststellen voor stoffen die kunnen leiden tot onaanvaardbare humane en ecologische risico’s. Voor het bepalen van deze risico’s wordt voorgeschreven uit te gaan van de beoordelingssystematiek volgens het saneringscriterium in artikel 37 Wet bodembescherming.

Wanneer de bodem wordt gesaneerd wordt in het saneringsplan, dat instemming behoeft van het bevoegd gezag bodemsanering, de doelstellingen geformuleerd voor de bodemkwaliteit na afronding van de sanering. In het geval dat het bevoegd gezag (vaak de gemeente) invulling geeft aan de gebiedsspecifieke toetsing en lokale maximale waarden vaststelt, is het gewenst dat deze ook gaan gelden als terugsaneerwaarden. Dit betekent dat er goede bestuurlijke afstemming moet plaatsvinden tussen het bevoegd gezag onderhavige besluit (vaak de gemeente) en de provincie, als de gemeente niet zelf bevoegd gezag bodemsanering is. De provincie zal in haar eigen beleid moeten aangeven dat bij saneringen aangesloten wordt bij de door de gemeente vastgestelde lokale maximale waarden. In een incidenteel geval blijft de provincie echter krachtens de Wbb bevoegd om op basis van de specifieke omstandigheden een andere beschikking te nemen op een individueel geval van bodemsanering. Vanzelfsprekend doet zij dit niet dan na overleg met de betrokken gemeente.

Verwacht wordt dat in gebieden met saneringslocaties de bevoegde decentrale overheid haar verantwoordelijkheid neemt en lokale maximale waarden vastlegt. In het geval dat dit niet zo is, zullen de terugsaneerwaarden op het niveau van de maximale waarden liggen die bij de generieke toetsing van de toepassing van grond en baggerspecie worden gehanteerd.

Op deze wijze kan ervoor worden gezorgd dat dezelfde waarden worden gehanteerd voor enerzijds het toepassen van grond en baggerspecie en anderzijds de doelstelling van bodemsanering en derhalve een goede afstemming wordt gerealiseerd.

In dit besluit is opgenomen, dat de bodembeheerder voor het stellen van lokale maximale waarden advies vraagt aan belanghebbende bestuursorganen, waartoe uiteraard ook het bevoegd gezag bodemsanering wordt gerekend. Het bevoegd gezag onderhavige besluit moet aangeven wat er is gedaan met de verstrekte adviezen. In dat kader kan het bevoegd gezag aangeven dat er zorggedragen is voor afstemming tussen gemeentelijk en provinciaal beleid zodat beide overheden bij de besluitvorming uitgaan van dezelfde kwaliteitseisen.

5.3.3 Afvalstoffenregelgeving

Dit besluit geeft aan wanneer bouwstoffen, grond of baggerspecie geschikt zijn om als zodanig te worden toegepast op of in de bodem of in oppervlaktewater. Het is voor de uitvoering van dit besluit niet relevant of de bouwstoffen, grond of baggerspecie tevens afvalstoffen zijn.

Voor de toepassing van bouwstoffen in werken zijn er een viertal raakvlakken met de afvalstoffenregelgeving.

Ten eerste kunnen werken strikt genomen ook een inrichting zijn in de zin van de Wet milieubeheer. Gelet op het feit dit besluit is gebaseerd op artikel 8.40 van de Wm is een milieuvergunning voor zodanige inrichtingen niet nodig. Daarom is de toepassing van bouwstoffen conform dit besluit uitgezonderd van de werkingssfeer van categorie 28 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Dit was ook in het Bouwstoffenbesluit geregeld.

Ten tweede zou de toepassing van bouwstoffen die tevens afvalstoffen zijn op gespannen voet kunnen staan met het verbod om afvalstoffen buiten inrichtingen «anderszins op of in de bodem te brengen» (artikel 10.2 Wm). Omdat werken als bedoeld in dit besluit vaak juist wel buiten inrichtingen zullen worden aangelegd en tegen de toepassing van bouwstoffen in deze werken – mits aan de eisen van dit besluit wordt voldaan – geen bezwaar bestaat, is dit besluit uitgezonderd van de werkingssfeer van bedoeld verbod. Dit was ook in het Bouwstoffenbesluit geregeld.

Ten derde mogen bouwstoffen in principe niet bestaan uit stoffen die vermeld staan op de lijst als bedoeld in artikel 1 van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen. Voor onder meer bouw- en sloopafval, dat ook op deze lijst voorkomt, is hierop een uitzondering gemaakt, onder de voorwaarde dat het materiaal is bewerkt tot een nieuwe bouwstof, waarvoor een milieuhygiënische verklaring is afgegeven.

Belangrijk is dat de uitzonderingen op de afvalstoffenregelgeving voor afvalstoffen die als bouwstof in een werk worden toegepast alleen gelden, indien deze worden toegepast in werken met een functioneel karakter (verwezen zij hiervoor naar paragraaf 3.2.3. van deze toelichting). Heeft een werk geen functioneel karakter, dan herleven voor toegepaste afvalstoffen op dat moment de afvalstoffenregels. Voor werken die tevens kunnen worden beschouwd als een inrichting betekent dit dat alsnog dient te worden voldaan aan de vergunningplicht van de Wm. Voor het toepassen van bouwstoffen buiten een inrichting geldt in dat geval dat toepassing verboden is op grond van artikel 10.2 Wm, behoudens ontheffing. Deze moet worden aangevraagd bij gedeputeerde staten op grond van artikel 10.63 van de Wm.

Ten vierde dient de voorgenomen toepassing van IBC-bouwstoffen op grond van dit besluit vanuit milieuhygiënisch perspectief te worden gemeld. Indien het bij deze toepassing zou gaan om afvalstoffen, is er geen sprake van overlap met reeds bestaande meldingsverplichtingen voor de afgifte van afvalstoffen. Deze verplichtingen, die zijn opgenomen in het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen, hebben immers betrekking op het deel van de afvalketen dat aan de toepassing van afvalstoffen als bouwstof voorafgaat.

Voor de toepassing van grond en baggerspecie gelden vergelijkbare raakvlakken met de afvalstoffenregelgeving. In de paragrafen 5.4.8 en 5.4.9 wordt uitgebreid beschreven op welke wijze met dit besluit wordt voldaan aan de vereisten van de Kaderrichtlijn afvalstoffen.

5.3.4 Natuurbeschermingsrecht

Richtlijn nr. 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: Vogelrichtlijn) heeft tot doel de bescherming en het beheer van alle vogels die op het communautair grondgebied in het wild leven en hun habitats. De Richtlijn ziet enerzijds op de bescherming van leefgebieden van een aantal specifieke soorten en anderzijds op een algemene bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten. Richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats van flora en fauna (hierna: Habitatrichtlijn) voorziet in de bescherming van natuurlijke habitats en habitats van een aantal specifieke soorten en in de bescherming van dieren- en plantensoorten van communautair belang.

In beide richtlijnen kan een onderscheid worden gemaakt in een gebiedsbeschermingsdeel en een soortenbeschermingsdeel. Het gebiedsbeschermingsdeel is in Nederland geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998, op grond waarvan beschermde natuurgebieden ter uitvoering van de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn of worden aangewezen.

Nederland past een vergunningenstelsel toe op handelingen die schadelijk kunnen zijn voor de natuurwaarden waarvoor deze gebieden zijn aangewezen.

Hiermee wordt voor projecten die mogelijk schadelijk kunnen zijn voor deze gebieden een zorgvuldige afweging gewaarborgd.

Het soortenbeschermingsdeel is geïmplementeerd in de Flora- en Faunawet.

Onder de Flora- en Faunawet is het eveneens verboden om handelingen die schade toe kunnen brengen aan de beschermde soorten, tenzij hiervoor een vrijstelling of ontheffing is verleend.

Dit besluit laat de op kwetsbare of beschermde gebieden toepasselijke regimes onverlet. Het betreft hier in ieder geval de gebieden die in artikel 10 van de Natuurbeschermingswet 1998 zijn aangewezen als beschermd natuurmonument en de gebieden die in artikel 10a van diezelfde wet zijn aangewezen ter uitvoering van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 is het verboden om zonder vergunning van Gedeputeerde Staten, of van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit handelingen te verrichten die schadelijk kunnen zijn voor dergelijke gebieden. Indien het bevoegd gezag heeft besloten dat de toepassing van grond en baggerspecie in een beschermd natuurmonument of een Vogel- of Habitatrichtlijngebied uit milieuhygiënisch oogpunt is toegestaan, dient de degene die baggerspecie toepast hiermee rekening te houden.

Onder beschermde gebieden worden ook de gebieden begrepen van de Ecologische Hoofdstructuur. In de Nota Ruimte, waarin het ruimtelijk rijksbeleid op hoofdlijnen is neergelegd, is vastgelegd dat provincies en gemeenten voor de beschermde gebieden in hun ruimtelijk en waterhuishoudingsbeleid moeten neerleggen waar en hoe negatieve ontwikkelingen voor de aanwezige natuurwaarden en de natuurontwikkeling op het gebied van water-, lucht- en bodemkwaliteit kunnen worden verminderd en voorkomen. Voor de gebieden van de Ecologische Hoofdstructuur geldt tevens een «nee, tenzij»-regime. Dit houdt in dat rond deze gebieden nieuwe plannen, projecten of handelingen die de wezenlijke kenmerken of waarden van een gebied wezenlijk kunnen aantasten niet zijn toegestaan, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er redenen zijn van groot openbaar belang om de plannen, projecten en handelingen wel toe te staan. In geval er toch handelingen worden verricht die schadelijk zijn voor het gebied, dient schade zoveel mogelijk te worden beperkt door mitigerende maatregelen en dient eventuele resterende schade te worden gecompenseerd.

Ook bij particulier of agrarisch natuurbeheer gelden specifieke eisen waaraan een beheerder moet voldoen om bijvoorbeeld voor een subsidie in aanmerking te komen. Door bijvoorbeeld het toepassen van grond of baggerspecie in een bepaald gebied toe te laten, voldoet de beheerder mogelijk niet meer aan de eisen voor het desbetreffende beheer en kan bijvoorbeeld de verleende subsidie worden ingetrokken.

Ten slotte zij opgemerkt dat de Flora- en Faunawet bescherming biedt aan in het wilde levende plantensoorten op hun groeiplaats en aan dieren in hun natuurlijke leefomgeving. De voor planten- en diersoorten schadelijke handelingen zijn verboden, tenzij een vrijstelling, vergunning of ontheffing is verleend.

5.3.5 Meststoffenwet

Krachtens artikel 4 van de Meststoffenwet zijn in hoofdstuk III van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet onder meer de landbouwkundige en milieukundige eisen gesteld waaraan meststoffen moeten voldoen, om als meststof verhandeld en gebruikt te mogen worden. Op het gebruik van meststoffen op of in de bodem is naast de gebruiksvoorschriften van het Besluit gebruik meststoffen, het stelsel van gebruiksnormen van de Meststoffenwet van toepassing. In artikel 36, onderdeel b, zijn de regimes van de Meststoffenwet en het onderhavige besluit op elkaar afgestemd. Als gevolg hiervan is het onderhavige besluit niet van toepassing op het gebruik van meststoffen die aan de in hoofdstuk III van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet gestelde eisen voldoen. Hiermee is beoogd te voorkomen dat deze meststoffen onder de noemer van grond of baggerspecie worden toegepast en aldus aan het stelsel van gebruiksnormen worden onttrokken. Grond of baggerspecie die bij toepassing weliswaar een zekere bemesting van de bodem tot gevolg kan hebben, maar die niet voldoet aan de landbouwkundige en milieukundige eisen van hoofdstuk III van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet dient daarentegen wel te worden toegepast met inachtneming van de eisen die in het onderhavige besluit en in de ministeriële regeling worden gesteld. Dit zal met name de van compost afgeleide producten betreffen, met een lager organisch stofgehalte dan 10 procent, zoals de zogenoemde «zwarte grond». Overigens is ook in hoofdstuk III van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in een afbakening met het onderhavige besluit voorzien. Indien meststoffen met bodembestanddelen worden geproduceerd, moet ten aanzien van deze bodembestanddelen worden voldaan aan de bij of krachtens onderhavig besluit gestelde regels. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat «licht verontreinigde grond» in compost wordt weggemengd.

5.3.6 Stortbesluit bodembescherming

Het Stortbesluit bodembescherming regelt dat het op of in de bodem brengen van afvalstoffen met een bepaald bodembedreigend karakter moet plaatsvinden op een volwaardige stortplaats met uitgebreide IBC-voorzieningen. Indien de voorwaarden van het onderhavige besluit niet van toepassing zijn of indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan, kunnen bouwstoffen en grond worden gestort op grond van het Stortbesluit bodembescherming. Hierbij zal dan moeten worden voldaan aan de eisen gesteld aan de acceptatie van afvalstoffen, die mede zijn gebaseerd op de Europese richtlijn storten.

Het Stortbesluit bodembescherming is niet van toepassing op stortplaatsen waar uisluitend baggerspecie wordt gestort.

5.3.7 Bouwbesluit

Dit besluit en het Bouwbesluit 2003 kunnen beide van toepassing zijn op de toepassing van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Opgemerkt zij dat in het kader van de fundamentele herziening van het Bouwstoffenbesluit ervan is afgezien om te komen tot een integratie van de milieuhygiënische randvoorwaarden voor bodem, grond- en oppervlaktewater in het Bouwbesluit 2003. Wel is gezocht naar onderlinge afstemming waar dat mogelijk is.

5.3.8 Ruimtelijke ordening

Dit besluit verplicht het bevoegd gezag om bij keuze voor generieke toetsing uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van het besluit een bodemfunctieklassenkaart te maken waarin per gebied is aangegeven in welke bodemfunctieklasse het gebied is ingedeeld. Vooralsnog is er voor gekozen om de systematiek van dit besluit niet direct te koppelen aan de ruimtelijke ordeningsregelgeving. Dit heeft te maken met het feit dat de bestemmingen in het bestemmingsplan per gemeente verschillen en de twee bodemfunctieklassen (wonen en industrie) zijn ontstaan uit samenvoeging van acht in dit besluit vastgestelde bodemfuncties. Voor de koppeling van deze bodemfuncties aan de functies in het bestemmingsplan zal een handreiking worden opgesteld.

Het besluit tot vaststelling van de bodemfunctieklassenkaart kan wel gemotiveerd worden door te verwijzen naar de bestemmingen. Wanneer een gemeente bij de bodemfuncties afwijkt van het bestemmingsplan zal zij dit moeten motiveren. Dit kan bijvoorbeeld wanneer er een voorbereidingsbesluit is vastgesteld in verband met toekomstige bestemmingen of wanneer de feitelijke situatie afwijkt van de bestemmingen in het bestemmingsplan.

Het bevoegd gezag kan er echter ook voor kiezen de functiekaart in te vullen door een besluit te nemen waarin voor alle bestemmingen de vertaling naar de bodemfunctieklasse wordt vastgelegd. Zo wordt de relatie met de ruimtelijke ordening zo veel mogelijk gewaarborgd.

Ten overvloede wordt hier benadrukt dat de systematiek van dit besluit naast de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening staat. De bodemfunctieklassenkaart kan dan ook niet de plaats van het bestemmingsplan innemen. Wellicht dat op termijn de bodemfunctieklassenkaart wel een onderdeel kan worden van het bestemmingsplan.

5.3.9 Mijnwetgeving

In artikel 99 van de Wet bodembescherming is een aantal wetten genoemd, die de werkingssfeer van het onderhavige besluit kunnen beperken. Het gebruik van bouwstoffen binnen bij mijnen behorende ondergronds gelegen werken en binnen inrichtingen waarop de Mijnwet 1903 van toepassing is, valt niet onder de werkingssfeer van dit besluit.

5.3.10 London Protocol

Op 7 november 1996 is te Londen tot stand gekomen het Protocol bij het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen uit 1997 (Trb. 1998, 134 en Trb. 2000, 27) (Protocol). Dit Protocol zal binnen afzienbare tijd ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Staten-Generaal.

Het Protocol eist met het oog op de bescherming van het mariene milieu tegen verontreiniging en de bevordering van een duurzaam gebruik en het behoud van mariene bronnen een vergunning voor het storten van afvalstoffen. Het Protocol verstaat niet onder storten «het plaatsen van stoffen met een ander oogmerk dan er zich enkel en alleen van te ontdoen, mits zulks niet strijdig is met het doel van dit Protocol» (artikel 1, vierde lid onder 2.2). Het Besluit bodemkwaliteit waarborgt afdoende dat het nuttig toepassen niet verwordt tot «storten» en voorkomt daarmee dat er spanning ontstaan met de vergunningplicht van het Protocol. Zo stelt het besluit als voorwaarde voor het verspreiden van baggerspecie dat dit plaatsvindt met het oog op het herstellen van de balans tussen sedimentatie- en erosieprocessen en het bevorderen van de ecologische functie van sediment. Daarnaast is met het oog op het Protocol in de ministeriële regeling geregeld dat de generieke kwaliteitsgrenzen voor het toepassen van grond en baggerspecie, waaronder verspreiden van baggerspecie, in zout oppervlaktewater tenminste even streng zijn als die voor zoet water. Tevens kan het bevoegd gezag in het gebiedsspecifieke kader voor het verspreiden van baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee alleen lagere waarden vaststellen dan de waarden die gelden in het generieke kader. Verder geldt het besluit niet voor grootschalige toepassingen van grond en baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee.

5.3.11 Wet verontreiniging zeewater

Voor het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie in zee is de afbakening tussen de Wvo en de Wvz van belang. Voor toepassing in de Noordzee tot aan de kust is in principe vooralsnog ontheffing op basis van de Wvz nodig. Op toepassingen op de kust (oevers) is, gelet op de werkingssfeer van de Wvo, dit besluit van toepassing. De Waddenzee en Zeeuwse en Zuid-Hollandse wateren vallen eveneens onder de werkingssfeer van de Wvo, zodat dit besluit ook op deze wateren van toepassing is.

Het London Protocol zal hoofdzakelijk worden uitgevoerd via de Wvz. In verband met de totstandkoming in 2006 van het eerder genoemde Protocol, is daarom gelijktijdig met het wetsvoorstel tot goedkeuring van het Protocol een wetsvoorstel tot wijziging van de Wvz aanhangig gemaakt bij de Tweede Kamer.

Het Protocol is, zoals hierboven is vermeld, niet van toepassing op «het plaatsen van stoffen met een andere oogmerk dan er zich enkel en alleen van te ontdoen, mits zulks niet strijdig is met het doel van dit Protocol». Met het wetsvoorstel wordt het toepassingsbereik van de Wvz dienovereenkomstig beperkt. Als deze wetswijziging in werking is getreden, zal voor nuttige toepassingen van grond en baggerspecie geen ontheffingsplicht op grond van de Wvz meer zijn vereist. Deze toepassingen vallen dan onder de werkingssfeer van de Wvo. Het toepassen van grond en baggerspecie zal dan worden gereguleerd krachtens de Wvo in dit besluit. In de tot aan de wetswijziging krachtens de Wvz te verlenen ontheffingen zullen in beginsel dezelfde eisen worden gesteld als gelden op grond van dit besluit.

5.4 Verhouding tot Europese regelgeving

5.4.1 Richtlijn bouwproducten

Dit besluit bevat voorschriften die in de eerste plaats zijn gericht op de toepasser van bouwstoffen, maar die ook de bouwstoffen zelf betreffen. Daardoor krijgt dit besluit te maken met het Europese recht en het handelsverkeer. Geconstateerd kan worden dat er thans nog vrijwel geen direct werkende, operationele Europese regelgeving bestaat op het terrein dat door het dit besluit wordt bestreken. Ook op basis van de EG-Richtlijn Bouwproducten zijn nog geen eisen opgesteld, die vergelijkbaar zijn met die van dit besluit.

Het doel van de EG-Richtlijn Bouwproducten is om te komen tot vrij Europees handelsverkeer voor bouwstoffen. Om dit te bereiken wordt gestreefd naar Europese harmonisatie op het gebied van meetmethoden en bewijsvoering. Hierbij wordt gekeken naar verschillende aspecten van bouwstoffen. Het bepalen van emissies uit bouwstoffen is onderdeel van de fundamentele voorschriften rond «hygiëne, gezondheid en milieu». Dit onderdeel wordt de komende jaren uitgewerkt.

Er is een basisdocument vastgesteld, dat de fundamentele voorschriften rond hygiëne, gezondheid en milieu nader uitwerkt. Op basis hiervan is een horizontaal mandaat aan CEN opgesteld voor het onderdeel milieu (Regulated dangerous substances), waarbij voor alle productfamilies de technische specificaties uniform worden vastgesteld. Dit kan betreffen Europese normen (opgesteld door CEN) of richtlijnen voor Europese technische goedkeuringen (opgesteld door de European Organization On Technical Approvals (EOTA)). Producten die voldoen aan de Europese technische specificaties mogen de CE-markering dragen en zijn vrij verhandelbaar in de Europese Unie. Daarbij is het de verantwoordelijkheid van de lidstaten om desgewenst prestatie-eisen voor te schrijven (i.e. samenstellings- en emissie-eisen in het geval van dit besluit).

Zolang het onderdeel dat betrekking heeft op milieu niet is uitgewerkt, gelden in Nederland de regels van het onderhavige besluit als genotificeerde nationale regelgeving op dit gebied. Daarmee gelden alle regels en eisen aan monsterneming, laboratoriumwerk, betrokken organisaties e.d. In alle Europese geharmoniseerde bouwproductnormen is daarom de volgende standaardformulering opgenomen:

«In addition to any specific clauses relating to dangerous substances contained in the Standard, there may be other requirements applicable to the products falling within its scope (e.g. transposed European legislation and national laws, regulations and provisions). In order to meet the provisions of the CPD, these requirements need also to be complied with, when and where they apply.»

5.4.2 Europese bodemstrategie

De Europese Commissie werkt aan een Thematische Strategie inzake de bodembescherming. In dat kader wordt een Mededeling uitgevaardigd waarin de uitgangspunten van het gemeenschappelijke bodembeschermingsbeleid worden neergelegd. Tevens werkt de Europese Commissie aan een kaderrichtlijn die de juridische basis legt voor bodembescherming op Europees niveau.

Naar verwachting zal de kaderrichtlijn de Europese lidstaten de opdracht geven om bodembeleid te voeren en daarover te rapporteren, door middel van het in kaart brengen van risicogebieden en het opstellen van een actieplan om deze risico’s te verminderen. De Europese Commissie heeft aangekondigd tegen de zomer het voorstel te publiceren.

5.4.3 Kaderrichtlijn water

Richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L327) (hierna: Kaderrichtlijn water) heeft als doel de bescherming van oppervlaktewater en grondwater. Hiertoe is in de Kaderrichtlijn water bepaald dat de lidstaten – in beginsel in het jaar 2015 – bepaalde milieudoelstellingen moeten bereiken. De milieudoelstellingen van de Kaderrichtlijn water betreffen chemische en ecologische doelstellingen die moeten leiden tot een goede toestand van oppervlaktewater en grondwater. Deze doelstellingen zijn vastgelegd in diverse onderdelen van artikel 4 van de Kaderrichtlijn water, met bijbehorende uitzonderingsbepalingen. De milieudoelstellingen van de Kaderrichtlijn water betreffen chemische en ecologische doelstellingen die moeten leiden tot een goede toestand van oppervlaktewater en grondwater. Deze doelstellingen zijn vastgelegd in diverse onderdelen van artikel 4 van de Kaderrichtlijn water, met bijbehorende uitzonderingsbepalingen. Op grond van artikel 4 wordt voor het merendeel van de kunstmatig dan wel sterk veranderende waterlichamen het bereiken van een goede ecologische toestand en een goed ecologisch potentieel nagestreefd overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van bijlage V van de kaderrichtlijn. Uiteindelijk moet de toepassing van de bijlagen van de Kaderrichtlijn water, alsmede de vaststelling van dochterrichtlijnen voor prioritaire stoffen en voor grondwater in het jaar 2009 resulteren in concrete, gekwantificeerde doelstellingen. Op diverse plaatsen in de Kaderrichtlijn water is sprake van een maatschappelijk haalbare en kosteneffectieve aanpak; zonodig kan daartoe voor een of meer waterlichamen verlenging van de streeftermijn tot 2021 of 2027 plaatsvinden, dan wel een minder stringente doelstelling worden bepaald.

Op dit moment is dus nog niet volledig te overzien welke verplichtingen uit de Kaderrichtlijn water per waterlichaam voortvloeien. Hierbij is mede van belang dat nog een aantal kaders nader moeten worden ingevuld, zoals de indeling in waterlichamen, alsmede het maatregelenpakket per stroomgebieddistrict dat – met publieke participatie – zal worden ontwikkeld om de milieudoelstellingen te realiseren en dat eveneens in 2009 zal worden vastgelegd. Mede in verband hiermee zijn in de Kaderrichtlijn water een aantal overgangsbepalingen opgenomen die erin voorzien dat «oude» Europese richtlijnen inzake de bescherming van het oppervlaktewater en grondwater voorlopig nog ten dele van kracht blijven.

Ten aanzien van de bescherming van het oppervlaktewater betreft dit richtlijn 76/464 betreffende verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd. (Pb EG L129) (hierna: Richtlijn 76/464). De Richtlijn 76/464 heeft geen betrekking op het in het oppervlaktewater brengen (hierna: lozen) van baggerspecie en is derhalve enkel relevant voor het lozen van bouwstoffen en grond. Niettemin is in dit besluit om redenen van uniformiteit tot één gezamenlijk toetsingskader voor grond en baggerspecie gekozen. Bij de (nadere) vaststelling daarvan wordt een afweging gemaakt tussen enerzijds het realiseren van afdoende mogelijkheden om tot (her)gebruik van bouwstoffen, grond en baggerspecie te (kunnen) komen en de bescherming van het oppervlaktewater anderzijds. Daarbij is als uitgangspunt genomen, dat geen sprake mag zijn van achteruitgang van de toestand van oppervlaktewaterlichamen. Voor de beoogde normstelling, alsmede de specifieke milieueffecten voor het oppervlaktewater wordt verwezen naar de hoofdstukken 3 en 4.

5.4.4 Grondwaterrichtlijn

Richtlijn nr. 1980/68/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen (PbEG L20) (hierna: Grondwaterrichtlijn) beoogt de verontreiniging van grondwater te verminderen door middel van harmonisatie van regelgeving van de Lidstaten betreffende lozingen van bepaalde gevaarlijke stoffen in het grondwater en door totstandbrenging van een systematische controle op de grondwaterkwaliteit. Deze richtlijn heeft tot doel verontreiniging van het grondwater door stoffen van Lijst I en II te voorkomen en het zoveel mogelijk beperken of beëindigen van de gevolgen van de bestaande verontreiniging. Mede met het oog op de Grondwaterrichtlijn is in artikel 12a, derde lid, van de Wbb voorzien in een grondslag om, voor zover nodig, emissie-eisen vast te stellen en worden andere voorwaarden gesteld ter bescherming van het grondwater. Hierbij wordt een afweging gemaakt tussen de bescherming van het grondwater enerzijds en het realiseren van afdoende mogelijkheden om tot (her)gebruik van bouwstoffen, grond en baggerspecie te (kunnen) komen. Ten slotte is van belang op te merken dat vrij recentelijk een nieuwe Grondwaterrichtlijn (2006/118/EG) is vastgesteld waarin ten aanzien van de doelstelling om de inbreng van verontreinigende stoffen in grondwater te voorkomen of de beperken een aantal uitzonderingen zijn opgenomen. Dit betreft onder meer een uitzondering voor ingrepen in oppervlaktewater ten behoeve van, onder andere, het verminderen van de gevolgen van overstromingen en droogte en het beheer van water en waterwegen, ook op internationaal niveau.

5.4.5 Richtlijn storten

Richtlijn nr. 1991/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PbEG L182) beoogt de negatieve gevolgen van het storten van afvalstoffen voor het milieu en de risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen of zoveel mogelijk te verminderen. Aangezien grond en baggerspecie vaak afvalstoffen zijn (zie paragraaf 2.8 van de richtlijn) kan deze richtlijn van toepassing zijn, tenzij de betreffende handelingen met grond en baggerspecie worden uitgezonderd in artikel 3 van de richtlijn. De verspreiding van slib voor bemesting en grondverbetering, gebruik van inerte afvalstoffen voor terreinophoging en -verbetering en het storten van ongevaarlijke baggerspecie langs kleine waterwegen of in oppervlaktewater (met inbegrip van haar bedding en ondergrond) zijn in elk geval uitgezonderd van deze richtlijn. Mede in verband met deze uitzondering wordt met dit besluit aan artikel 11e van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen een derde lid toegevoegd. Zie hieromtrent de toelichting bij artikel 70 van dit besluit.

5.4.6 Vogel- en Habitatrichlijn

Richtlijn nr. 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: Vogelrichtlijn) heeft tot doel de bescherming en het beheer van alle vogels die op het communautair grondgebied in het wild leven en hun habitats. De Richtlijn ziet enerzijds op de bescherming van leefgebieden van een aantal specifieke soorten en anderzijds op een algemene bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten. Richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats van flora en fauna (hierna: Habitatrichtlijn) voorziet in de bescherming van natuurlijke habitats en habitats van een aantal specifieke soorten en in de bescherming van dieren- en plantensoorten van communautair belang. In beide richtlijnen kan een onderscheid worden gemaakt in een gebiedsbeschermingsdeel en een soortenbeschermingsdeel. Het gebiedsbeschermingsdeel is in Nederland geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998, op grond waarvan beschermde natuurgebieden ter uitvoering van de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn of worden aangewezen. Nederland past een vergunningenstelsel toe op handelingen die schadelijk kunnen zijn voor de natuurwaarden waarvoor deze gebieden zijn aangewezen. Hiermee wordt voor projecten die mogelijk schadelijk kunnen zijn voor deze gebieden een zorgvuldige afweging gewaarborgd.

In de Flora- en Faunawet is onder meer het soortenbeschermingsdeel van de Vogel- en Habitatrichlijn geïmplementeerd. Onder de Flora- en Faunawet is het eveneens verboden om handelingen die schade toe kunnen brengen aan de beschermde soorten, tenzij hiervoor een vrijstelling of ontheffing is verleend.

In het beleidskader voor de toepassing van grond en baggerspecie zijn op het toepassen van deze stoffen in beschermde gebieden, of indien de toepassing schade kan veroorzaken voor beschermde flora en fauna, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en Faunawet onverkort van toepassing.

5.4.7 Milieu-effectrapportage en strategische milieubeoordeling

Richtlijn nr. 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PbEG L175) schrijft voor dat voor een aantal categorieën projecten die aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, een milieu-effectrapport wordt gemaakt, en voor een aantal projecten voorschrijft dat nagegaan wordt of een dergelijk rapport moet worden gemaakt. Dit wetsvoorstel laat de implementatie van deze richtlijn in de Wet milieubeheer onverlet, met dien verstande dat een beperkte wijziging noodzakelijk is in verband met de nieuwe klasse indeling voor baggerspecie. Zie hieromtrent de toelichting bij artikel 74 van dit besluit.

5.4.8 Kaderrichtlijn afvalstoffen voor grond en baggerspecie

De toepassing van grond en baggerspecie in of op de bodem moet in overeenstemming zijn met het Europese recht. Eén van de belangrijkste toetsingskaders voor de toepassing van grond en baggerspecie binnen het Europese recht is Richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PbEG 1975, L 194), hierna aangeduid als «de Kaderrichtlijn afvalstoffen».

In de Kaderrichtlijn zijn afvalstoffen gedefinieerd als: elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. De categorieën in bijlage I zijn zeer ruim omschreven en bovendien is als laatste categorie omschreven «alle stoffen, materialen of producten die niet onder de hierboven vermelde categorieën vallen», zodat er vrijwel niets is dat niet in beginsel onder de Kaderrichtlijn afvalstoffen kan vallen.

Het doorslaggevende criterium is de vraag of de houder (de producent of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft) zich van die stoffen ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Dat criterium wordt in de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie en, in navolging van dat Hof, door de Nederlandse Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zeer ruim uitgelegd. Als recent voorbeeld daarvan kan de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Van de Walle (C-1/03) worden genoemd. Daarin oordeelde het Hof van Justitie dat per ongeluk door koolwaterstoffen verontreinigde bodem zelfs voordat die is ontgraven als afvalstof moet worden beschouwd. In het licht van de richtlijn en deze jurisprudentie moet ervan uit worden gegaan dat grond en baggerspecie na het ontgraven ervan in de meeste gevallen als afvalstof dienen te worden beschouwd. Om die reden zijn de voorschriften in dit besluit opgesteld met als uitgangspunt dat dit besluit aan alle eisen voldoet die aan afvalstoffen worden gesteld: degene die grond of baggerspecie toepast, hoeft zich dan niet (of in elk geval zo min mogelijk) af te vragen of hij al dan niet met een afvalstof bezig is.

Er zijn twee vormen van zich ontdoen van afvalstoffen, te weten verwijdering en nuttige toepassing. Het onderscheid tussen deze twee begrippen is, zoals hierna zal blijken, van belang in het licht van artikel 11 van de Kaderichtlijn en dit besluit. Verwijdering kan in het algemeen aldus worden gekarakteriseerd dat een verwijderingshandeling elke verdere toepassing van een stof uitsluit, hetgeen het meest duidelijk is in geval van lozing, verbranding of storten op een stortplaats. De juridische term «nuttige toepassing» roept niet zelden vraagtekens op in de praktijk, maar mag niet worden verward met de taalkundige betekenis van die woorden: er gelden specifieke juridische criteria voor het beoordelen of een handeling als nuttige toepassing mag worden aangemerkt of niet. Een onderbouwing dat een handeling milieuhygiënisch verantwoord of zelfs nuttig is voor het milieu, of anderszins nuttig, is dan ook niet zonder meer relevant.

Het onderscheid tussen «verwijdering» en «nuttige toepassing» wordt gemaakt in artikel 1 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. De begrippen verwijdering en nuttige toepassing sluiten elkaar uit: een handeling kan nooit beide zijn, maar altijd slechts één van beide. Voor de definitie van verwijdering wordt verwezen naar de handelingen die zijn opgesomd in bijlage IIA bij de Kaderrrichtlijn afvalstoffen, voor nuttige toepassing naar bijlage IIB. De bijlagen zijn echter niet uitputtend en dus op zichzelf niet voldoende om van een bepaalde handeling eenduidig vast te stellen van welk begrip sprake is. Deze begrippen zijn daarom verder ontwikkeld in de jurisprudentie van het Hof van Justitie.

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie, met name het arrest Abfall Service (C-6/00) zijn indicaties af te leiden, die in latere arresten steeds zijn herhaald. Indicaties die in elk geval in acht moeten worden genomen bij het toetsen van handelingen, zijn:

– Lijkt de handeling meer op een handeling die voorkomt in de lijst met verwijderingshandelingen of lijkt zij meer op een handeling uit de lijst met nuttige toepassingshandelingen?

– Wat is het hoofddoel van de handeling? Worden de afvalstoffen alleen toegepast om er vanaf te zijn (waarbij de toepasser er een nuttige bestemming voor zoekt) of is de toepassing het hoofddoel en worden afvalstoffen gebruikt om primaire grondstoffen te vervangen?

– Is er voorafgaande behandeling nodig voordat de stof kan worden hergebruikt?

De Kaderrichtlijn afvalstoffen bevat een doelbepaling (artikel 4) die de lidstaten ertoe verplicht de nodige maatregelen te nemen om te waarborgen dat handelingen met afvalstoffen geen nadelige gevolgen hebben voor de gezondheid van de mens of het milieu; in het bijzonder zijn onder meer water, lucht, bodem, fauna en natuur genoemd. De eisen vastgelegd in dit besluit en die bij ministeriële regeling geven invulling aan artikel 35 van dit besluit en daarmee aan artikel 4 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Aan deze doelbepaling is invulling gegeven bij het vaststellen van de verplichtingen die bij dit besluit zijn gesteld. Daarnaast is in artikel 6 van dit besluit dit vereiste expliciet opgenomen voor zover dit besluit de bevoegdheid bevat om bij ministeriele regeling de noodzakelijke milieuhygiënische normstelling vast te stellen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat deze randvoorwaarde als uitvloeisel van artikel 4 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen ook is opgenomen in artikel 12a, tweede lid, van de Wet bodembescherming. Op grond daarvan is de randvoorwaarde van toepassing op de bevoegdheid om als bestuursorgaan op grond van de artikelen 44 en 46 van dit besluit een gebiedsgericht toetsingskader te kunnen vaststellen.

Het doel dat in artikel 4 is omschreven, krijgt een nadere uitwerking in de artikelen 9 en 10. De Kaderrichtlijn afvalstoffen stelt een vergunning verplicht voor handelingen met afvalstoffen. Volgens artikel 9 dient de vergunning met name betrekking te hebben op soort en hoeveelheid afvalstoffen, technische eisen, voorzorgsmaatregelen, de plaats om afvalstoffen te verwijderen en de behandelingsmethode, maar er kunnen ook andere voorwaarden aan worden verbonden die nodig zijn uit oogpunt van milieubescherming. De vergunning kan worden geweigerd indien de voorgenomen handeling uit milieubeschermingsoogpunt niet aanvaardbaar is.

De lidstaat kan een beroep doen op artikel 11 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Dat artikel schept de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van de vergunningplicht binnen de in dat artikel genoemde voorwaarden. Ten eerste is het artikel uitsluitend van toepassing op «nuttige toepassing» of «verwijdering in eigen beheer» (van dat laatste is in dit besluit geen sprake: het gaat dan om grote inrichtingen die in eigen beheer hun afval verwijderen). Een handeling die moet worden beschouwd als «verwijdering» kan dus niet worden vrijgesteld van de vergunningplicht op grond van dit artikel.

Bij het verlenen van een vrijstelling dient aan de volgende voorwaarden in artikel 11 te worden voldaan:

– het moet zoals gezegd gaan om nuttige toepassing als bedoeld in de Kaderrichtlijn afvalstoffen;

– de lidstaat moet per type activiteit algemene voorschriften stellen, dus gedifferentieerd typen activiteiten benoemen en reguleren;

– de soort afvalstoffen benoemen;

– regelen om welke hoeveelheid afvalstoffen het gaat;

– de aard van de afvalstoffen regelen (bijvoorbeeld samenstelling, verontreinigingsgraad, et cetera);

– regelen onder welke voorwaarden de afvalstoffen mogen worden gebruikt.

De ratio hiervan is dat de algemene regels naar hun aard de vergunning moeten kunnen vervangen, maar dan voor een grotere groep gevallen. Dat volgt uit het systeem van de Kaderrichtlijn (met name de artikelen 9, 10 en 11). Deze figuur is daardoor enigszins vergelijkbaar met de 8.40-amvb’s (besluiten met algemene regels op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer die de milieuvergunning vervangen) in het Nederlandse recht: in die amvb’s kunnen alleen regels worden gesteld voor inrichtingen met een beperkte milieubelasting en homogene kenmerken, zodat voor een grotere groep inrichtingen in feite dezelfde voorschriften worden gegeven als in een milieuvergunning zouden zijn opgenomen.

Van belang is nog dat artikel 11 de richtlijn over gevaarlijke afvalstoffen5 onverlet laat. Die richtlijn stelt aanvullende voorwaarden indien sprake is van gevaarlijke afvalstoffen, in verband met de sterkere schadelijkheid voor het milieu van die categorie afvalstoffen. In verband daarmee is die categorie afvalstoffen dan ook uitgezonderd van de reikwijdte van dit besluit. Dat betekent dat te allen tijde van geval tot geval moet worden beoordeeld of – en zo ja onder welke voorwaarden – handelingen met gevaarlijke afvalstoffen toelaatbaar zijn.

Tot slot en ook van groot belang is dat de voorschriften zo moeten worden opgesteld dat is gewaarborgd dat de vrijgestelde activiteiten te allen tijde in overeenstemming zijn met het doel van de Kaderrichtlijn afvalstoffen zoals dat naar voren komt uit artikel 4 en de considerans van de richtlijn (dat vergt kortom een milieuhygiënische onderbouwing).

Dit besluit beoogt gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 11 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen biedt. Als een lidstaat een beroep doet op dat artikel 11 (en dus, althans voor wat betreft dit besluit, stelt dat sprake is van nuttige toepassing) heeft de lidstaat de volledige bewijslast. Van sommige handelingen die in dit besluit zijn gereguleerd, is niet op het eerste gezicht duidelijk of het verwijdering of nuttige toepassing is, omdat de betreffende handeling zowel op een handeling in bijlage IIA (verwijdering) als bijlage IIB (nuttige toepassing) lijkt. Als een lidstaat een handeling als nuttige toepassing interpreteert, die niet in bijlage IIB staat, ligt de bewijslast volledig bij de lidstaat. De volgende paragraaf bevat daarom voor elke in dit besluit gereguleerde activiteit een gemotiveerde beoordeling van de vraag of die activiteit kan worden gekwalificeerd als nuttige toepassing. Daarbij is tevens aangegeven waarom een toepassing die schijnt te lijken op een verwijderingshandeling in bijlage IIA desondanks niet als verwijderingshandeling maar toch als nuttige toepassing moet worden gekwalificeerd.

Er zij op gewezen dat de Europese Commissie en het Europese Hof van Justitie gelet op hun rol in het toezicht op de naleving van het gemeenschapsrecht met hun interpretatie de doorslag geven in de beoordeling.

Ter uitvoering van de registratieplichten vervat in de artikelen 11, tweede lid, en 14 van de Kaderrichtlijn is artikel 42 in dit besluit opgenomen.

5.4.9 Kaderrichtlijn afvalstoffen voor bouwstoffen

Voor bouwstoffen geldt dat in dit besluit geen onderscheid wordt gemaakt tussen primaire bouwstoffen en afvalstoffen. Beide moeten op dezelfde wijze voldoen aan de milieuhygiënische eisen om als bouwstof te mogen worden toegepast. Voor zover bouwstoffen tevens afvalstoffen zijn, moet daarnaast wel worden voldaan aan de eisen die de Kaderrichtlijn afvalstoffen stelt.

Afvalstoffen spelen op twee manieren een rol in de bouwstoffenstroom. Ten eerste worden afvalstoffen gerecycled tot nieuw toe te passen bouwstoffen of als grondstof toegepast voor de productie van nieuwe bouwstoffen. Ten tweede kunnen sommige bouwstoffen die vrijkomen uit een ouder werk direct worden hergebruikt, zonder verdere bewerking tot nieuw product. Op beide manieren wordt het gebruik van primaire hulpbronnen verminderd en worden afvalstoffen nuttig toegepast. Hierin heeft dit besluit voor het onderdeel bouwstoffen dezelfde doelstelling als de Kaderrichtlijn afvalstoffen.

Een voorwaarde voor het (opnieuw) mogen toepassen van bouwstoffen is dat het leven in de bodem (inclusief het grondwater) en in het oppervlaktewater hiervan geen noemenswaardige nadelige gevolgen ondervindt. Deze voorwaarde is de bestaansreden van het in dit besluit neergelegde beleid voor bouwstoffen. Hiervoor is risicogebaseerde normstelling ontwikkeld en is een helder kader opgesteld. Dit alles komt overeen met de voorwaarden die de Kaderrichtlijn afvalstoffen stelt aan het nuttig toepassen van afvalstoffen.

Voor het voorkomen van risico’s voor lucht, fauna en flora, geluid- of stankhinder en natuur- en landschapsschoon in gelden nationaal andere wet- en regelgevingskaders, zoals bijvoorbeeld de Wet milieubeheer, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet.

De Kaderrichtlijn afvalstoffen geeft aan dat algemene voorschriften voor nuttige toepassing mogen worden opgesteld (zoals dit besluit), waarin soort en hoeveelheid afvalstoffen zijn vastgesteld en is aangegeven onder welke voorwaarden de activiteit kan worden vrijgesteld van een vergunning. Voor bouwstoffen geldt dat de soort afvalstof helder is gedefinieerd. Het gaat om afvalstoffen die kunnen voldoen aan de definitie van een bouwstof, op grond waarvan in een materiaal meer dan 10% silicium, calcium en/of aluminium aanwezig dient te zijn. De nuttige toepassing is het toepassen en houden van bouwstoffen in een werk. Hieraan is een aantal randvoorwaarden verbonden.

Ten eerste moet het gaan om de toepassing van een gekeurde bouwstof met milieuhygiënische verklaring, op grond waarvan het vertrouwen mag bestaan dat de bouwstof voldoet aan de milieu-eisen.

Ten tweede moet het werk een aanwijsbare functie hebben.

Ten derde moet het werk zodanig zijn ontworpen dat de uitloging beperkt blijft tot acceptabele niveaus. Deze eis geldt met name voor IBC-bouwstoffen, maar ook voor andere bouwstoffen waarvoor toepassingsbeperkingen gelden. Die toepassingsbeperkingen zijn aangegeven in beoordelingsrichtlijnen of op het bij een bouwstof behorende certificaat.

Ten slotte moeten bouwstoffen verwijderbaar worden toegepast en moeten ze ook worden verwijderd wanneer het werk zijn functie verliest en (gedeeltelijk) wordt gesloopt.

De hoeveelheid bouwstof die per activiteit mag worden toegepast verschilt in de praktijk per werk, afhankelijk van de aan een werk te stellen functionele eigenschappen. Hierbij kan worden gedacht aan onder andere civieltechnische, bouwtechnische, geluidstechnische of esthetische (bijvoorbeeld in relatie tot natuurschoon)eigenschappen. In de praktijk kan de toe te passen hoeveelheid bouwstof uiteenlopen van een kruiwagen tot een miljoen ton bouwstoffen. De hoeveelheid toe te passen bouwstof is in dit besluit daarom vastgesteld in relatie tot de functie die het werk vervult. Kan de hoeveelheid toe te passen of toegepaste bouwstoffen niet worden onderbouwd in relatie tot de functie van een werk, dan geldt de vrijstelling van dit besluit van het verbod van artikel 10.2 Wm om zich van afvalstoffen te ontdoen door deze – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting anderszins op of in de bodem te brengen niet (meer) en brengt artikel 8.40 Wm niet met zich mee dat de algemene regels van dit besluit de vergunningplicht op grond van artikel 8.1, Wm vervangen. In dat geval valt het toepassen van afvalstoffen onder de vergunningplicht van artikel 8.1, of de ontheffingsplicht van artikel 10.63 Wm.

Voor wat betreft melding en registratie van afvalstoffen zijn voor bouwstoffen in dit besluit geen extra regels opgenomen. Dit is reeds geregeld in de artikelen 10.38 tot en met 10.40 Wm.

Hoofdstuk 6. Voorbereiding van het besluit

6.1 Advies Technische Commissie Bodembescherming

6.1.1 Bouwstoffen

Op 20 januari 2006 heeft de Technische Commissie Bodembescherming (TCB) advies uitgebracht aangaande het besluit. Door de tijdsdruk waaronder dit besluit tot stand is gekomen, kon de TCB hierbij op dat moment nog niet beschikken over alle gegevens met betrekking tot de invloed van de voorgenomen regels op onder meer de uiteindelijk gekozen modellering bij bouwstoffen en over de aanpassingen in beleidskeuzes die nog zijn gemaakt. Het advies werkt op een aantal punten door in hoofdstuk 3 van dit besluit.

Op hoofdlijnen onderschrijft de Commissie de productgerichte benadering, waardoor de regelgeving rond bouwstoffen eenvoudiger en beter handhaafbaar wordt.

Ten aanzien van grondwater vraagt de TCB aandacht voor de relatie met de voor grondwater nog vast te stellen drempelwaarden op grond van de nieuwe Europese Richtlijn Grondwater. Deze drempelwaarden zullen echter pas formeel eind 2008 worden vastgesteld. Pas op dat moment kunnen hieraan consequenties worden verbonden met betrekking tot de normstelling voor bouwstoffen.

Ten aanzien van de modellering van de emissie uit bouwstoffen adviseert de TCB om een gevoeligheidsanalyse uit te voeren. Hieraan is invulling gegeven door het door de TCB bestudeerde RIVM-model te leggen naast een model van ECN, waarin een aantal bodemspecifieke eigenschappen beter kan worden verdisconteerd. Op grond van deze vergelijking blijkt dat de oorspronkelijke, door de TCB bekritiseerde belasting naar het grondwater aanzienlijk lager uitpakt dan eerder werd ingeschat. Dit leidt tot een betere balans tussen de bescherming van bodem en water aan de ene kant en de afzet van bouwstoffen aan de andere. Voor verreweg de meeste stoffen komt de emissie-eis overeen met het beschermingsniveau dat als uitgangspunt is gekozen.

Ten aanzien van de geschiktheid van de twee gebruikte rekenmodellen voor het bepalen van generieke emissienormen voor bouwstoffen, is op 30 maart 2006 aan de TCB een aanvullend advies gevraagd. Het advies van de TCB luidt dat beide modellen, PEARL en ORCHESTRA, goede perspectieven bieden voor de onderbouwing van emissienormen. Naar het oordeel van de TCB behoeven de berekeningen echter op drie aspecten verbetering:

1. de emissienormen voor met name de middencategorie «mobiele» componenten moeten voor een ruimere tijdschaal dan honderd jaar inzichtelijk worden gemaakt;

2. voor PEARL moet de bandbreedte van de adsorptiecoëfficiënten voor een aantal componenten beter worden onderbouwd;

3. voor ORCHESTRA is het nodig om inzicht te verschaffen in de invloed van de natuurlijke variabiliteit van bodemeigenschappen op de berekende emissiewaarden.

Ten aanzien van de resultaten van een ruimere tijdschaal dan honderd jaar verwacht zowel de TCB als de betreffende onderzoekers dat de resultaten van beide modellen ook voor de middencategorie «mobiele» componenten dichter bij elkaar komen te liggen. Om bodem en water voldoende te beschermen is beleidsmatig op basis van de resultaten tot honderd jaar vooralsnog gekozen voor de voor het bedrijfsleven gunstige waarden. Vooralsnog omdat beleidsmatig voor een fasering wordt gekozen en moet zeker niet worden uitgesloten dat voor een betere bescherming van bodem en water de emissiewaarden worden aangescherpt. Met het bedrijfsleven zullen nadere afspraken hierover worden gemaakt.

Aanvullende berekeningen zullen worden gedaan om het effect van de piekbelasting na honderd jaar in beeld te brengen. Bij deze berekeningen zal ook het effect van de bodemdikte van 0,30 meter worden meegenomen.

De onderbouwing van een aantal adsorptiecoëfficiënten met PEARL zal op een later moment met de resultaten van het eerste punt worden betrokken. Met ORCHESTRA is inmiddels een gevoeligheidsanalyse gemaakt en de resultaten hiervan zijn bij de normstelling betrokken.

De TCB beveelt verder aan om in analogie voor grond en bagger een toetsingsregel te ontwikkelen om tegemoet te komen aan de natuurlijke variabiliteit in bouwstoffen. Bij navraag heeft de Commissie verduidelijkt dat een toetsingsregel alleen van toepassing zou moeten zijn wanneer de eisen op het niveau van de milieugewenste eisen liggen. Een toetsingsregel kan op verschillende manieren worden ingevuld. Een deel van deze invulling heeft plaatsgevonden met de gevoeligheidsanalyse. Voor de rest kan een toetsingsregel nog niet overal van toepassing kan zijn, omdat de voorgestelde emissienormen soms hoger liggen dan de milieugewenste normen. Daarom is gekozen geen verdere toetsingsregel voor nieuw geproduceerde bouwstoffen te maken.

Wel is een toetsingsregel ontwikkeld voor reeds toegepaste bouwstoffen, die weer hergebruikt worden zonder bewerking. Reden is dat deze bouwstoffen onder het normstellingskader van het Bouwstoffenbesluit of daarvoor zijn toegepast in het milieu en alleen bij grotere overschrijdingen alsnog zouden moeten worden afgekeurd.

6.1.2 Grond en baggerspecie

De Technische Commissie Bodembescherming (TCB) heeft in januari 2006 geadviseerd over de hoofdlijnen van het nieuwe bodembeleid. Hoewel de TCB een aantal kritische vragen heeft gesteld, heeft de TCB ook begrip getoond voor de beleidsmatige keuzes die voor grond en baggerspecie in het nieuwe beleidskader zijn gemaakt. TCB heeft onvoldoende inzicht in de effecten van het beleid, zeker gezien de vele veranderingen die nu tegelijk worden doorgevoerd. Er is sprake van een optelsom van versoepelen en strenger worden. Bij het uitwerken van de ministeriële regeling, waarin een aantal technische aspecten nader wordt uitgewerkt is ruimte voor meer specifieke advisering door de TCB.

De TCB pleit voor voldoende aandacht voor de milieuhygiënische gevolgen en geeft aan dat als er vanwege maatschappelijke belangen risico’s worden overschreden, dat herstelbaar moet zijn. De TCB ondersteunt het hanteren van de Achtergrondwaarden 2000 grens voor het vrij kunnen toepassen van grond en baggerspecie. De TCB stelt een aantal kanttekeningen bij de normstelling en het klassensysteem, ziet ruimte voor normopvulling en als gevolg daarvan een risico op onherstelbare diffuse verontreiniging van de bodem. De TCB heeft gevraagd de invoering van een extra klassengrens te overwegen. De TCB vindt dat de vergelijking tussen de kwaliteit van de ontvangende bodem en de kwaliteit van de toe te passen grond en baggerspecie stofafhankelijk zou moeten zijn. Anders kan niet worden voorkomen dat de bodem belast wordt met stoffen die plaatselijk niet of nauwelijks aanwezig zijn. Verder vraagt de TCB om één samenhangend klassensysteem voor grond en baggerspecie en om een functiegerichte invulling van de klasse hoog. De TCB betreurt het in stand houden van een uitzondering voor het verspreiden van grond en baggerspecie op aangrenzende percelen en bepleit aansluiting bij het klassensysteem dat geldt voor grond en baggerspecie. De TCB adviseert om via monitoring in de komende jaren zicht te krijgen op de kwaliteitsverslechtering van het gebied. De TCB staat achter het instrument Bodemkwaliteitskaart, maar pleit wel voor een landelijk uniform systeem en voor een goede overgangsregeling.

De normopvulling die wordt veroorzaakt door het klassensysteem zal in de praktijk zeer beperkt zijn. Binnen de bandbreedte van de bodemklasse is er stand-still voor zowel de kwaliteit als de functionaliteit. Die blijft in ieder geval onder de interventiewaarde en is minder extreem dan nu onder het Bouwstoffenbesluit gebruikelijk is. De ophoging wordt in dat kader als werk gezien en dus is er de mogelijkheid om tot de interventiewaarde toe te passen op schone grond. De opvulling tot klassengrenzen treedt bovendien maar beperkt op omdat het beleidskader geen prikkels introduceert om te gaan slepen met grond tussen gebieden met verschillende kwaliteit: er is immers ook ruimte voor toepassing in de categorie grote bodemtoepassingen. Voorts is de Nederlandse landbodem voor 86% in gebruik als landbouw of natuurgrond (waarvoor de Achtergrondwaarden 2000 de grens vormt), voor ca. 7% als woongrond (klasse midden) en voor ca. 7% als verkeer/industrie (klasse hoog), waaruit moge blijken dat normopvulling slechts in potentie op 14% van de landbodems aan de orde is, nog los van het feit dat flinke delen van die 14% vanwege hun goede kwaliteit (schoon) geen normopvulling toestaan. Het klassensysteem hoeft daarom niet te worden uitgebreid, wat tevens de eenvoud en uitvoerbaarheid van het systeem ten goede komt.

In het nieuwe beleid voor grond en baggerspecie constateert de TCB een dreigende achteruitgang van de bodem- en grondwaterkwaliteit in het landelijk gebied, aangezien zowel generiek als gebiedsspecifiek meer ruimte wordt geboden voor de toepassing van verontreinigde grond en baggerspecie. Inmiddels heeft een nadere uitwerking van zowel het gebiedspecifieke als het generieke toetsingskader plaatsgevonden, waardoor de zorg van de TCB kan worden weggenomen. De bodembeheernota is nu met zodanige waarborgen omkleed, dat van een verslechtering van de kwaliteit van de bodem en het grondwater in een door het bevoegd gezag aangewezen gebied geen sprake zou mogen zijn. Verwezen zij naar paragraaf 4.6.2 en 4.6.3. Onder het generieke toetsingskader hebben de Achtergrondwaarden 2000 als absolute grens te gelden voor de kwaliteit van grond en baggerspecie in gebieden met de functie landbouw of natuur. Voorts wordt opgemerkt dat ten aanzien van het verspreiden van baggerspecie een niet-acceptabele achteruitgang van de bodem- en grondwaterkwaliteit zal worden voorkomen middels het vaststellen van nieuwe grenzen bij ministeriële regeling. Op voorhand kan worden gesteld dat de normen niet op het niveau van de Achtergrondwaarden 2000 komen te liggen. Bij de vaststelling van deze nieuwe grenzen zal echter, overeenkomstig artikel 6 van dit besluit, rekening worden gehouden met de risico’s voor de gezondheid van de mens, de landbouw en ecologische risico’s onder meer als het gevolg van oplading. Oplading ontstaat doordat het herhaaldelijk opbrengen van grond en baggerspecie kan leiden tot een geleidelijke toename van milieubedreigende stoffen in de bodem.

In de uiteindelijke invulling van de klassen is grotendeels aangesloten bij de functiegerichte grenzen zoals die zijn afgeleid door het RIVM. Daar waar het verschil met de Interventiewaarde klein is, is omwille van de eenvoud van het systeem gekozen voor de interventiewaarde. Voor wat betreft de indeling van de bodem in klassen in het generieke systeem wordt een toetsingsregel ingevoerd die pas bij overschrijding van meerdere stoffen leidt tot indeling in een hogere klasse. Dit is bedoeld om de nadelen van een stofonafhankelijke beoordeling van de vergelijkbare kwaliteit tussen bodem en grond en baggerspecie te beperken. Deze toetsingsregel wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. Als voorlopige toetsingsregel geldt dat een ontvangende bodem pas ingedeeld in een hogere klasse als tenminste twee stoffen in die slechtere klasse zitten of ingeval het een stof betreft waarvan de overschrijding van de normgrens meer dan 50% is. Deze voorlopige toetsingsregel zal bij het totstandkomen van de ministeriële regeling worden geëvalueerd en eventueel worden bijgesteld als blijkt hij onvoldoende waarborgen biedt om de bodem te beschermen. In het gebiedsspecifieke systeem worden lokale maximale waarden op stofniveau vastgesteld.

De vergelijking tussen de kwaliteit van de ontvangende bodem en de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie zou volgens het TCB stofafhankelijk moeten zijn. In principe is een stofafhankelijke beoordeling een goed uitgangspunt. Bij een stofonafhankelijke beoordeling is er sprake van potentiële normopvulling en is er een risico dat nieuwe verontreinigende stoffen in een gebied worden geïntroduceerd (bijv. grond met teveel kwik toepassen in een gebied met teveel koper).

In het gebiedsspecifieke kader worden mede daarom de lokale maximale waarden en de toepassing van de grond en baggerspecie op stofniveau uitgevoerd. Daarnaast zal dit probleem hier «niet» spelen omdat alleen gebiedseigen grond en baggerspecie mag worden toegepast. Ook de risicotoolbox zal zorgen dat er geen nieuwe risico's voor mens, dier en plant ontstaan in een gebied.

In het generieke kader speelt dit probleem met name in de klasse/functie wonen en bedrijven. Bij de klasse/functie landbouw en natuur mag alleen schone grond en baggerspecie worden toegepast en speelt dit probleem dus niet.

Om de terechte zorg van het TCB weg te nemen en tevens de gewenste vereenvoudiging in de normsstellingsystematiek te realiseren is en wordt gewerkt aan een toetsingregel: de ontvangende bodem zal pas op basis van 2 of 3 verhoogde stofgehaltes in een volgende klasse worden ingedeeld terwijl de toe te passen grond/baggerspecie op basis van de stof met het hoogste gehalte wordt ingedeeld. In de komende periode zal worden bezien of in de toetingregel nadere eisen moeten worden gesteld om de terechte zorg van het TCB tav normopvulling en/of nieuwe verontreinigingen/risico’s weg te nemen.

Voor het verspreiden van baggerspecie op aangrenzende percelen is een uitzondering nodig om voldoende ruimte te hebben voor onderhoudsbaggerspecie die ontstaat uit werkzaamheden ten dienste van de waterhuishouding, binnen milieuverantwoorde grenzen. Bij gebiedsspecifieke afwijking moeten de consequenties voor de bodemkwaliteit inzichtelijk worden gemaakt via een door het Rijk vastgelegde methodiek, voordat besluitvorming kan plaatsvinden.

De mogelijkheden voor monitoring van de bodemkwaliteit in aanvulling op bestaande meetnetten zullen nog worden bezien. Mogelijk kan daarbij gebruik worden gemaakt van de gegevens die gegenereerd worden voor het maken en actualiseren van bodemkwaliteitskaarten.

Er zal geen vierde bodemklasse worden ingesteld. Dit leidt teveel tot extra complicering van het systeem, zonder afdoende milieuvoordeel te bieden.

De TCB is een voorstander van één samenhangend klassensysteem dat geldt voor zowel grond als baggerspecie. Verder betreurt de TCB het instandhouden van de uitzondering voor het verspreiden van baggerspecie op aangrenzende percelen en bepleit aansluiting bij het bodemklassensysteem.

Bij de lopende aanpassing van de baggerspecieklassen zal worden bezien in hoeverre het mogelijk is om beide klassen op elkaar aan te sluiten. De uitzondering voor het verspreiden van baggerspecie op aangrenzende percelen blijft nodig om voldoende ruimte te hebben voor onderhoudsbaggerspecie die ontstaat uit werkzaamheden ten dienste van de waterhuishouding.

De TCB staat achter het instrument bodemkwaliteitskaart, maar pleit wel voor een landelijk uniform systeem en voor een goede overgangsregeling.

Deze aanbeveling wordt meegenomen in de uitwerking van de ministeriële regeling.

6.2. Reacties naar aanleiding van de voorpublicatie

6.2.1 Aantal en algemene duiding

Naar aanleiding van de publicatie van het ontwerpbesluit (Stcrt. 2006, 66) werden van 47 personen en instanties schriftelijke reacties ontvangen. Een overzicht van die personen en instanties is als bijlage bij de nota van toelichting opgenomen.

Een groot aantal van de binnengekomen reacties ging in op de leesbaarheid en de opbouw en structuur van het ontwerpbesluit. Naast verzoeken om verduidelijking of signalen dat bepaalde onderdelen van het besluit onduidelijk waren, zijn ook voorstellen gedaan voor tekstuele verbetering, verduidelijking en aanvulling. Al deze reacties zijn geanalyseerd en hebben, waar deze tot verbetering van het besluit strekten, geleid tot aanpassingen in de tekst van het besluit, in de volgorde van de artikelen en in de nota van toelichting. Daarnaast gingen veel reacties in op de inhoud van het ontwerpbesluit.

De vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft naar aanleiding van het ontwerpbesluit 34 vragen gesteld die door de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zijn beantwoord (Kamerstukken II 2005–2006, 29 383, nr. 52). Met de commissie heeft voorts een algemeen overleg over het ontwerpbesluit plaatsgevonden (Kamerstukken II 2005–2006, ...). De verwerking van de inhoudelijke inspraakreacties is hoofdzakelijk bepaald door de uitgangspunten zoals neergelegd in de antwoorden op de vragen van de vaste commissie en de uitkomsten van het algemeen overleg.

6.2.2 Reikwijdte

In de inspraak is ervoor gepleit de meldingsverplichtingen die niet gelden bij grondverzet door particulieren, ook niet te laten gelden voor agrarische bedrijven. Een goede bedrijfsvoering vergt dat bij deze bedrijven veelvuldig in meer of mindere mate grondverzet plaatsvindt. Aan het bezwaar dat alle handelingen met grond binnen een agrarisch bedrijf steeds gemeld zouden moeten worden, is tegemoetgekomen met de beperking dat van melding alleen kan worden afgezien als het gaat om het toepassen van grond of baggerspecie binnen een landbouwbedrijf, indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt toegepast.

6.2.3 Bevoegd gezag bij slootdempingen

Onder de werking van het Bouwstoffenbesluit was het onduidelijk bij wie het bevoegd gezag berustte bij demping van oppervlaktewater bijvoorbeeld een sloot. Wie in dat geval bevoegd gezag is, zal afhankelijk zijn van de specifiek omstandigheden van het geval. Om die reden kan ook in het kader van dit besluit niet in de gewenste duidelijkheid worden voorzien. In paragraaf 4.7.5 is getracht enigszins richting te geven aan de uitvoeringspraktijk voor dergelijke overgangssituaties.

6.2.4 Normstelling

Zeer veel reacties hadden betrekking op de normstelling voor bouwstoffen en grond en baggerspecie en de consequenties daarvan voor bepaalde bouwstoffen of bepaalde grond- of baggerspeciestromen. Deze reacties vinden niet hun weerslag in eventuele aanpassingen van het besluit maar worden betrokken bij de opstelling van de bij het besluit behorende ministeriële regeling en het overleg daarover. Voor een eerste inzicht in de gevolgen van de normstelling was aan het ontwerpbesluit een tabel gevoegd met voorlopige normwaarden. In de ministeriële regeling vindt de verdere uitwerking van de normstelling plaats. Aan de hand van de uitgewerkte normstelling zal een bedrijfseffectentoets worden uitgevoerd waarin de (financiële) gevolgen voor diverse bouwstoffen en grond- of baggerspeciestromen zullen worden aangegeven.

Ook werd er aangegeven dat het niet goed mogelijk was om een beeld te krijgen van het nieuwe kader, omdat de ministeriële regeling nog niet is vastgesteld. Een zorgvuldig eindoordeel over het voorliggende besluit is echter goed te geven. Het relevante deel van de inhoud van de regeling is daartoe immers opgenomen in de toelichting en de bijlagen bij het Besluit. Hoewel op detailniveau de normen nog nadere uitwerking behoeven kan op hoofdlijnen een goed totaalbeeld worden verkregen van de inhoud van het Besluit en de daarop gebaseerde regelingen.

6.2.5 Onderscheid tussen bouwstoffen en grond en baggerspecie

Enkele reacties hadden betrekking op de verschillen tussen het toetsingskader voor bouwstoffen enerzijds en dat voor grond en baggerspecie anderzijds en de negatieve gevolgen die deze zouden kunnen hebben voor bepaalde bouwstoffen. Uitgangspunt van het besluit is echter dat de mate van bescherming bij grond en baggerspecie verschilt van die van bouwstoffen. Grond en baggerspecie bevinden zich immers al in het milieu, terwijl bouwstoffen afkomstig zijn uit een (industrieel) productieproces. Aan de kwaliteit van bouwstoffen mogen dan ook andere eisen gesteld worden.

6.2.6 Aansluiting bij de ruimtelijke ordening

In de inspraak is meerdere keren aangegeven dat er voor wat betreft de functiekaarten (in het generieke kader) een betere vertaling naar de ruimtelijke ordening zou moeten komen.

Het is momenteel niet mogelijk om de functiekaarten één op één door te vertalen naar de ruimtelijke ordening. De functies zijn namelijk een onderdeel van het centraal vastgelegde kader en de bestemmingen in een bestemmingsplan worden decentraal vastgesteld. Er is dus niet één lijn te trekken uit de gebruiksfuncties in de bestemmingsplannen, hetgeen wel nodig is voor het generieke kader bij grond en baggerspecie. Wel wordt in het Besluit mogelijk gemaakt dat door middel van een transponeringstabel het bevoegd gezag bij besluit kan aangeven welke functie bij welke bestemming hoort (in plaats van het apart opstellen van een functiekaart). Daarnaast is expliciet aangegeven dat voor de motivering uiteraard kan worden aangesloten bij de ruimtelijke ordening. Aldus wordt de relatie met de ruimtelijke ordening niet uit het oog verloren.

Ook werd de vraag gesteld of gegevens uit gemeentelijke bestuurlijke informatiesystemen gebruikt mogen worden de vast te stellen bodemfunctiekaarten. Tegen het gebruik van bestaande gegevens bestaat geen bezwaar, mits voldaan wordt aan dezelfde voorwaarden als bij gegevens die onder de werking van het besluit tot stand komen.

6.2.7 Decentralisatie

Een groot aantal reacties had betrekking op de decentralisatie van het grond- en baggerbeleid.

Daarbij was sprake van instemming met het nieuwe beleidskader, naast vrees voor een grote mate van versnippering met alle negatieve gevolgen van dien. Gesteld kan worden dat binnen het nieuwe beleidskader het decentrale gezag gebonden is aan op rijksniveau vastgestelde randvoorwaarden. Enerzijds maakt dit mogelijk dat ingespeeld kan worden op lokale situaties, terwijl anderzijds gezorgd wordt voor een milieuhygiënische waarborg.

Er werd verzocht om uitleg over standstill op gebiedsniveau. Deze invulling van standstill geldt in het decentrale kader. Een bevoegd gezag kan er voor kiezen om een gedeelte van een gebied «vuiler» te laten worden (mag alleen met gebiedseigen grond en niet met grond van puntverontreinigingen) om een ander gedeelte van het gebied te laten «verschonen». Hierdoor kan er op de vierkante centimeter een achteruitgang van de bodem optreden (wat uiteraard nooit mag leiden tot risico’s voor mens, dier en plant), maar wordt in het gehele gebied tenminste standstill gewaarborgd.

6.2.8 Opnieuw gebruiken van bouwstoffen

In enkele reacties werd gesteld dat het opnieuw gebruiken van bouwstoffen aan een aanzienlijk zwaarder regime wordt onderworpen dan voordien. De vraag hierbij is waarmee dit regime wordt vergeleken. Onder de vigeur van het Bouwstoffenbesluit konden bouwstoffen alleen opnieuw worden toegepast wanneer zij opnieuw gekeurd waren door middel van een partijkeuring. In de Tijdelijke Vrijstellingsregeling Bouwstoffenbesluit 2004 (later opgenomen in de Wijziging Bouwstoffenbesluit 2005) werden enkele bouwstoffen van deze verplichting vrijgesteld. Deze vrijstelling wordt thans verbreed naar alle bouwstoffen, zij het dat dan wel een simpele melding van het opnieuw gebruiken van een bouwstof moet worden gedaan. De vrijstelling geldt niet wanneer sprake is van eigendomsoverdracht.

Aan de bezwaren dat bijvoorbeeld bij dakreparaties het opnieuw gebruiken van uitgehaalde dakpannen steeds gemeld zou moeten worden, wordt tegemoetgekomen door het continueren van de vrijstelling van de Wijziging Bouwstoffenbesluit 2005 met betrekking tot het zonder bewerking opnieuw op of in de bodem gebruiken van vormgegeven bouwstoffen van beton, keramiek, natuursteen en van bakstenen.

6.2.9 Afstemming met de RAW-systematiek

In de inspraak werd gesteld dat een afstemming tussen het Besluit bodemkwaliteit en de RAW-systematiek, bijvoorbeeld op het gebied van risicoverdeling en aansprakelijkheid van deelnemers in de keten, werd gemist. Deze afstemming werd essentieel geacht voor de uitvoerbaarheid. Met de vertegenwoordigers van het CROW (Kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte), die de RAW (Rationalisatie en automatisering in de grond-, water- en wegenbouw en de verkeerstechniek) beheert, heeft hierover overleg plaatsgevonden. Van die zijde werd aangegeven, dat er geen problemen bij de invoering van het Besluit bodemkwaliteit worden verwacht. Wel zullen er aan de RAW kleine aanpassingen moeten plaatsvinden, waaraan van ambtelijke zijde medewerking is toegezegd.

6.2.10 Bestuurlijk lasten

In de inspraak is naar voren gekomen dat niet duidelijk is hoe in de kosten van de decentrale overheden is voorzien. Zoals uit de paragrafen 3.6.7 en 4.11.4 blijkt wordt er geen verhoging van de bestuurlijke lasten verwacht. Mocht dit anders zijn dan gelden uiteraard de afspraken die zijn gemaakt tussen de rijksoverheid en de decentrale overheden: er wordt dan gekeken wat er moet worden gecompenseerd.

6.3 Advies Raad van State

In het onderhavige besluit is voor een belangrijk deel het advies van de Raad van State over de wijziging van de Wet bodembescherming met het oog op de nieuwe regels voor de toepassing van bouwstoffen, grond en baggerspecie6 geïncorporeerd, zoals ook is aangegeven in het nader rapport7.

De Raad van State heeft op 10 oktober 2006 advies uitgebracht over het onderhavige besluit8.

6.4 Notificatie

Het ontwerpbesluit is op 13 september 2006 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2006/0496/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).

De artikelen 28, 29, 31, 38 en 63 bevatten mogelijk technische voorschriften. Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; ze zijn evenredig en, daar waar nodig, voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning. Er zijn geen reacties ontvangen van de lidstaten.

Na deze melding is een beperkte verruiming aangebracht in artikel 29, eerste lid, onder d, waarmee een bepaling uit het Bouwstoffenbesluit wordt gecontinueerd. Verder is artikel 3.8.2, eerste lid, van de ontwerpregeling bodemkwaliteit, die op 17 oktober 2006 is gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2006/0557/NL), eveneens ter voldoening van artikel 8, eerste lid, van genoemde richtlijn, overgeheveld naar het besluit in artikel 28, eerste lid, onder d. Hetzelfde geldt voor artikel 3.3.1, tweede lid, van genoemde ontwerpregeling, dat is overgeheveld naar artikel 26, vierde lid van het besluit en voor artikel 4.7.1, eerste lid, onder b van de ontwerpregeling, dat is overgeheveld naar artikel 42, tweede lid, onder e. Deze wijzigingen bevatten geen nieuwe technische voorschriften. Om deze reden is het gewijzigde ontwerpbesluit niet opnieuw aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen gemeld ter voldoening van artikel 8, eerste lid, van genoemde richtlijn.

Het ontwerpbesluit is niet aan de WTO gemeld, omdat het in dat kader geen significante gevolgen heeft.

II. ARTIKELSGEWIJS

Grondslagen van het besluit

Wet milieubeheer

De in de aanhef genoemde artikelen van de Wet milieubeer die beogen om aan het besluit de noodzakelijke delegatiegrondslagen te bieden voorzover die gronslagen niet mede in de andere in de aanhef genoemde wetten kan worden gevonden zijn in de eerste plaats de artikelen 1.1, zevende lid, 10.2, tweede lid, 10.15, eerste en 10.17, eerste lid waarin regels worden gesteld met betrekking tot nuttige toepassing van afvalstoffen. Die grondslagen zijn noodzakelijk voor wat betreft de hoofdstukken 1, 3, 4 en 5. Artikel 8.40 van de Wet milieubeheer geeft de noodzakelijke steun aan het besluit waar het gaat om de de regels die betrekking hebben op inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer. De overige genoemde artikelen uit hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer bieden steun aan de aan het slot van het besluit opgenomen wijzigingsvoorstellen voor enkele met de aan de orde zijnde materie verband houdende andere besluiten. De artikelen 11.1, 11.2 en 11.3 van de Wet milieubeheer bieden de noodzakelijke delegatiegrondslagen voor hoofdstuk 2 van het besluit.

Wet bodembescherming

Voor wat betreft de Wet bodembescherming bieden de in die wet genoemde artikelen 6, 7 en 8 met name steun aan de regels met betrekking tot de toepassingen van grond en baggerspecie waar deze bepalingen betrekking hebben op het stellen van regels die in het belang van de bescherming van de bodem en meer in het bijzonder zien op het verrichten van handelingen met stoffen op of in de bodem of het uitvoeren van werken op of in de bodem. De artikelen 12a en 12b bieden steun aan die bepalingen van het besluit waarbij een differentiatie wordt aangebracht in de bodem voor de toepassingen van grond en baggerspecie en waarbij de mogelijkheid wordt gebruikt om bestuursorganen aan te wijzen die onder bepaalde voorwaarden kunnen afwijken van de bij of krachtens het besluit gestelde voorschriften. De overige genoemde artikelen van de Wet bodembescherming bieden een nadere detaillering van de genoemde bevoegdheden om in dit besluit nadere regels te stellen en eventueel te delegeren naar het niveau van de ministeriële regeling.

Wet verontreiniging oppervlaktewateren

Om deze algemene regels mogelijk te maken, is de Wvo gewijzigd. Conform de bestaande systematiek voor algemene regels naast of in de plaats van de vergunningplicht is om de nieuwe algemene regels mogelijk te maken overwegend aansluiting gezocht bij de wijzigingen die in de Wm worden doorgevoerd9. In afwijking daarvan is voor wat betreft de hieronder als laatst genoemde verandering aangesloten bij de daarop betrekking hebbende wijziging die in de Wbb doorgevoerd is10.

– bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, of een lozing aan het bevoegd gezag gemeld moet worden. Voorafgaand aan de wetswijziging was deze melding altijd vereist;

– er wordt een delegatiemogelijkheid geboden om binnen de in dit besluit gestelde randvoorwaarden bij ministeriële regeling in de noodzakelijke normstelling voorzien;

– de wet biedt de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur te bepalen dat in plaats van bij of krachtens dit besluit aangegeven (technische) maatregelen andere, tenminste gelijkwaardige maatregelen kunnen worden toegepast;

Er is behoefte aan de mogelijkheid om decentraal in afwijking van het bij of krachtens dit besluit gestelde generieke toetsingskader te voorzien in een gebiedsgericht toetsingskader. De wetswijziging voorziet daarvoor in een op dit besluit afgestemde grondslag.

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1, eerste lid

Achtergrondwaarden – De achtergrondwaarden zijn ontleend aan de waarden die zijn vastgesteld in het project Achtergrondwaarden 2000 (AW 2000) en zijn gepubliceerd in het TNO-rapport 2006-U-R0044/A, Beleidsmatig vervolg AW 2000, Voorstellen voor normwaarden op achtergrondniveau en bijbehorende toetsingsregel; maart 2006. De achtergrondwaarden zijn vastgesteld op basis van gehalten aan chemische stoffen zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden, omdat daarin naar verwachting een niet meer dan normale diffuse achtergrondbelasting uit antropogene en natuurlijke bronnen aanwezig wordt geacht (in de definitie uitgedrukt als een goede bodemkwaliteit). Bodems in relatief onbelaste gebieden in Nederland voldoen in overgrote meerderheid aan de achtergrondwaarden. Met een normale diffuse achtergrondbelasting wordt bedoeld de verspreide belasting van de Nederlandse bodem, vooral via atmosferische depositie.

Locaties waar een vermoeden bestaat van bodembelasting door lokale bronnen zijn bij de bepaling van de achtergrondgehalten niet meegenomen.

Baggerspecie – Anders dan in de definitie van «grond», ontbreekt in de definitie van baggerspecie het woord «vast». Baggerspecie is immers geen vast materiaal. Sediment valt mede onder het begrip «baggerspecie». Voor de vraag of al dan niet sprake is van baggerspecie is de herkomst daarvan leidend. Indien het materiaal via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte is vrijgekomen, is sprake van baggerspecie als bedoeld in dit besluit. Indien de baggerspecie echter vervolgens daarbuiten op of in de landbodem wordt toegepast, is na de toepassing niet langer sprake van baggerspecie als bedoeld in dit besluit. Indien het materiaal te zijner tijd weer wordt ontgraven is dan ook sprake van grond.

Zie ook paragraaf 4.1.1 voor een nadere toelichting.

Accreditatie – Zie de nota van toelichting bij het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer.

Bouwstof – Steenachtig materiaal bedoeld om te worden toegepast in een werk. Het gaat hierbij dus niet om grondstoffen of halffabrikaten. Die vallen buiten dit besluit. Ook bouwstoffen die zijn vervaardigd, maar die niet aan de eisen blijken te voldoen en die vervolgens worden afgevoerd, zijn niet bedoeld om te worden toegepast.

Certificaat – Zie de nota van toelichting bij het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer.

Erkenning – Zie de nota van toelichting bij het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer.

Grond – Zie paragraaf 4.3.1.

IBC-bouwstof – Een niet-vormgegeven bouwstof die niet kan voldoen aan de emissie-eisen voor open toepassingen, maar wel aan de eisen voor geïsoleerde toepassingen (zie ook de toelichting bij artikel 30).

Instelling – Zie de nota van toelichting bij het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer.

Milieuhygiënische verklaring – Zie paragraaf 5.1.

Normdocument – Zie de nota van toelichting bij het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer.

Partij – Dit is de eenheid die wordt gehanteerd voor het verhandelen en toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Ook de bemonstering en keuring zijn gebaseerd op een bepaalde partijgrootte. Voor een partij geldt dat deze een beperkte kwaliteitsverdeling moet hebben. Dit heeft tot gevolg dat ook alleen verschillende partijen van vergelijkbare kwaliteit mogen worden samengevoegd tot een nieuwe partij, zoals bouwstoffen die aan dezelfde maximale waarden voldoen, ongekeurde bouwstoffen van vergelijkbare aard en oorsprong, of grond of baggerspecie van dezelfde bodemkwaliteitsklasse. Anders zou sprake kunnen zijn van het wegmengen van verontreinigingen, hetgeen onwenselijk is voor het milieu.

Toepassen van een bouwstof – Bij het toepassen gaat het zowel om het daadwerkelijk aanbrengen van bouwstoffen in een werk, als om het houden van een bouwstof in dat werk. Zowel de aannemer en de opdrachtgever, als de eigenaar en beheerder van het werk worden hierdoor aangemerkt als toepasser in de zin van dit besluit. Daarnaast kan er sprake zijn van toepassen door een «houder» in de zin van de Kaderrichtlijn afvalstoffen, te weten de producent van de afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft. Wie zal worden aangesproken, is sterk afhankelijk van de fase van totstandkoming waarin het werk zich bevindt.

Voor de toepassing van het besluit wordt onder «het toepassen van bouwstoffen in oppervlaktewater» mede verstaan het toepassen van bouwstoffen op of in de bodem onder oppervlaktewater. Onder het toepassen van bouwstoffen wordt ook het toepassen daarvan op of in de bodem van dat oppervlaktewater, de waterbodem, verstaan. Hiermee wordt de in de jurisprudentie gevormde lijn ten aanzien van de reikwijdte van het begrip oppervlaktewater expliciet tot uitdrukking gebracht. In de jurisprudentie is namelijk bepaald, dat de reikwijdte van het begrip «oppervlaktewater» en daarmee van de Wvo zich niet enkel beperkt tot het water zelf, maar ook de bodem omvat waarop dit water zich al dan niet bij voortduring bevindt. Zie hieromtrent ook paragraaf 1.6

Toepassen van grond of baggerspecie – Bij het toepassen gaat het zowel om het daadwerkelijk aanbrengen van grond of baggerspecie op of in de bodem of in oppervlaktewater, als om het houden van grond of baggerspecie op of in de bodem of in de bodem onder oppervlaktewater. Ook wordt hieronder verstaan het verspreiden van baggerspecie en het tijdelijk opslaan van grond of baggerspecie in afwachting van de definitieve toepassing. Zowel de toepasser en de opdrachtgever, als de eigenaar en de beheerder van de bodem of de bodem onder oppervlaktewater worden hierdoor aangemerkt als toepasser in de zin van dit besluit. Daarnaast kan er sprake zijn van toepassen door een «houder» in de zin van de Kaderrichtlijn afvalstoffen, te weten de producent van de afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft. Wie zal worden aangesproken, is sterk afhankelijk van de fase van totstandkoming waarin het werk zich bevindt.

Hierbij wordt opgemerkt dat er niet in alle gevallen gesproken kan worden van het «houden» van grond of baggerspecie in een bepaalde toepassing. Zo wordt bij het verspreiden van baggerspecie in oppervlaktewater baggerspecie niet in een toepassing gehouden, omdat daarmee niet wordt beoogd om een blijvende toepassing op een bepaalde locatie te realiseren. Het houden van grond en baggerspecie is wel relevant voor grootschalige toepassingen. Zie verder ook de toelichting bij artikel 35.

De tweede alinea bij de definitie van toepassen van een bouwstof is van overenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor bouwstoffen moet worden gelezen; grond of baggerspecie.

Werk – Dit is een breed begrip dat alle functionele toepassingen van bouwstoffen op of in de bodem of in oppervlaktewater dekt. Daarbij gaat het in de meeste gevallen om gebouwen, wegen, spoorwegen, bruggen, enzovoort. In de definitie van het toepassen van bouwstoffen is opgenomen dat het gaat om het in een werk aanbrengen of houden van bouwstoffen. In een aantal situatiesmogen geen bouwstoffen worden toegepast. Deze situaties zijn uitgezonderd van het begrip werk.

Het gaat hierbij om verondiepingen en dempingen van oppervlaktewater en ophogingen tot het maaiveld ten behoeve van de aanleg van woonwijken en industrieterreinen. Het oogmerk van deze toepassingen is dat ze blijvend onderdeel gaan uitmaken van de bodem. Dergelijke toepassingen behoren te worden aangelegd met grond of baggerspecie en niet met bouwstoffen. Dit past bij het onderscheid in uitgangspunten tussen de toepassing van bouwstoffen en de toepassing van grond en baggerspecie. Hierbij geldt dat bouwstoffen tijdelijk worden toegepast en na het wegvallen van de functie van een werk weer moeten worden verwijderd, terwijl grond en baggerspecie blijvend onderdeel worden van de bodem.

Een fundering onder een gebouw, weg of parkeerterrein blijft wel mogelijk als een werk waarin bouwstoffen worden toegepast. Hier is het oogmerk niet het blijvend onderdeel uitmaken van de bodem, maar om een civieltechnisch goede constructie te maken. Ook een werk op een verondieping, zoals een laag breuksteen om wegspoeling van de toegepaste grond of bagger te voorkomen, blijft een civieltechnisch noodzakelijk werk uitgevoerd met bouwstoffen.

Werkzaamheid – Zie de nota van toelichting bij het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer.

Artikel 2

Het bevoegd gezag en de bevoegdheid tot bestuurlijke handhaving in het kader van dit besluit is verdeeld over verschillende bestuursorganen. Dit is mede een gevolg van de bestaande structuren van de wetten waarop dit besluit is gebaseerd. De bevoegdheidsverdeling is uitgebreid beschreven in paragraaf 5.2.2.

Eerste lid

Het toezicht op de toepassing van grond, baggerspecie of bouwstoffen en de bestuurlijke handhaving van het zelf toepassen of door een ander laten toepassen van bouwstoffen is de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders.

Tweede lid

Wanneer in het kader van hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer een ander bevoegd gezag is aangewezen voor het verlenen van een vergunning voor een inrichting, is dat gezag ook bevoegd voor de toepassing van bouwstoffen binnen die inrichting. Voor inrichtingen waarvoor geen vergunningplicht geldt, maar waarop algemene regels op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer van toepassing zijn, is het bevoegd gezag in het kader van de desbetreffende algemene maatregel van bestuur tevens het bevoegd gezag voor het onderhavige besluit.

Derde lid

Gezien de reikwijdte van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag voor de toepassing van bouwstoffen in het oppervlaktewater, zowel ten aanzien van de aannemer, als de opdrachtgever.

Vierde lid

In de praktijk zal de VROM-Inspectie de bevoegdheden uitoefenen die aan de minister van VROM zijn geattribueerd. Deze bevoegdheden betreffen de rol van bevoegd gezag voor de productie tot en met transport van bouwstoffen.

Artikel 3

Eerste lid

Het college van burgemeester en wethouders is het bevoegd gezag voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem.

Tweede lid

Wanneer in het kader van hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer een ander bevoegd gezag is aangewezen voor het verlenen van een vergunning voor een inrichting, is dat gezag ook bevoegd voor de toepassing van grond en baggerspecie binnen die inrichting (zie ook de toelichting bij artikel 2, tweede lid).

Derde lid

De toelichting bij artikel 2, derde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4

Dit artikel regelt de handhaving van de bij of krachtens dit besluit geldende verplichtingen voor de verschillende toepassingsvormen van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Hierbij wordt aangesloten bij de bevoegdheden van de verschillende bestuursorganen, zoals die in de artikelen 2 en 3 zijn vastgelegd. Voor een toelichting met betrekking tot de verschillende toepassingsvormen wordt verwezen naar de toelichting bij de artikelen van hoofdstuk 3 en 4.

De Minister van VROM heeft op basis van het eerste lid de taak om de handhaving in de keten en bij de toepassing zodanig te organiseren en te faciliteren dat deze doelmatig en effectief kan verlopen.Uiteraard vindt er eerst afstemming plaats met de bestuursorganen die krachtens het tweede en derde lid een rol spelen bij de handhaving.

Voor toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie in oppervlaktewater wordt vooralsnog vastgehouden aan de bestaande organisatie van de handhavingwaarbij de hoofdregel is dat de dagelijkse besturen van de waterschappen deze rol vervullen ten aanzien van regionale oppervlaktewateren en de minister van Verkeer en Waterstaat (regionale diensten rijkswaterstaat) ten aanzien van de (veelal) grotere zogenaamde rijkswateren. Dit vloeit voort uit artikel 1 van de Wvo, dat uitgaat van een breed normadressaat, alsmede artikel 3 van de Wvo, dat ten grondslag ligt aan de verdeling van de bevoegdheden tussen waterschappen en het Rijkrijkswaterstaat.Op grond van de artikelen 1 en 29 Wvokan in beginsel zowel ten aanzien van de aannemer, als de opdrachtgever door de waterkwaliteitsbeheerder tot handhaving over worden gegaan. Het doorvoeren van de voor de landbodem in het kader van de ketenhandhaving gekozen knip, zou een fundamentele wijziging van de Wvo met zich meebrengen die vooralsnog niet opportuun wordt geacht. Bij een dergelijke wijziging, die mede in het licht van de Waterwet moet worden bezien, doet zich onder meer de vraag voor of deze wijziging zich tot de werking van dit besluit zou moeten beperken. Op basis van de ervaringen die de komende twee jaar worden opgedaan met het besluit en in afstemming met de regionale waterkwaliteitsbeheerders zal worden bezien of alsnog moet worden aangesloten bij de voor de landbodem gekozen organisatie van de handhaving.

In het tweede lid is bepaald dat ingeval van meerdere bevoegde gezagsinstanties voor één toepassing, bijvoorbeeld bij grote werken die gemeentegrensoverschrijdend zijn, één bevoegd gezag wordt aangewezen. Hieruit vloeit niet noodzakelijk een aanwijzing van de minister uit voort. Voor het geval waarin het laatste zich voordoet, is in het eerste lid een uitzondering opgenomen. Het gecoördineerde toezicht kan vorm krijgen doordat het aangewezen bevoegd gezag dienst doet als loket voor degene die de bouwstof, grond of baggerspecie toepast of een overlegstructuur organiseert om een eenduidige aanpak van het toezicht van de betrokken gemeenten te bewerkstelligen.

De bepalingen in het eerste en tweede lid zijn mede ingegeven door het systeem dat in artikel 18.3 van de Wet milieubeheer is neergelegd en dat mede herkenbaar is in artikel 5.3 van het ontwerp van Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Op basis van het derde lid handhaven burgemeester en wethouders de verplichtingen met betrekking tot het toepassen op de landbodem, de plicht om een milieuhygienische verklaring te verstrekken met het oog op het toepassen van bouwstoffen en de meldingsplicht. Burgemeester en wethouders zijn op grond van dit artikel niet bevoegd om de verplichtingen met betrekking tot toepassing in oppervlaktewater te handhaven.

Voor wat betreft het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie op of in de landbodem zal de VROM-inspectie de handhavingstaak die in het vierde lid aan Onze Minister is toegekend uitoefenen ten aanzien van degene die in opdracht bouwstoffen toepast. Hierbij dient met name te worden gedacht aan (onder)aannemers. Deze taak is gelegd bij de landelijke inspectie en niet bij individuele gemeenten, omdat aannemers veelal landelijk opereren (zie ook paragraaf 5.2.1 en verder). Anders dan voor bouwstoffen zijn voor grond of baggerspecie in hoofdstuk 4 van het besluit geen voorschriften opgenomen voor de keten tot het toepassen, zijnde de productie tot en met het transport van grond of baggerspecie. In belangrijke mate wordt dit deel van de keten gereguleerd in hoofdstuk 2 van het besluit en hebben de minister van VROM en de minister van Verkeer en Waterstaat daarvoor een handhavingstaak.

Het vijfde lid voorkomt dat elke schakel in de keten zich genoodzaakt ziet om te voldoen aan de in dat lid genoemde verplichtingen. Deze bepaling beoogt de administratieve lasten, zowel aan de kant van de uitvoering als aan de kant van de handhaving, te beperken.

Artikel 5

Eerste lid

Dit artikel bepaalt het toepassingsbereik van dit besluit. Dit besluit ziet enerzijds op het – in een werk – toepassen van bouwstoffen en anderzijds op het toepassen van grond en baggerspecie voor zover het de in artikel 35 genoemde handelingen betreft. Overeenkomstig artikel 11 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen kunnen afvalstoffen uitsluitend worden toegepast als nuttige toepassing.

Hiertoe geeft het artikel in de eerste plaats in de onderdelen a en b twee criteria voor functionaliteit, waarmee afdoende wordt gewaarborgd dat bouwstoffen, grond of baggerspecie alleen worden benut voor maatschappelijk noodzakelijke toepassingen waarbij de toe te passen hoeveelheden begrensd zijn tot hoeveelheden die daadwerkelijk nodig zijn voor deze toepassingen.

Er mag ten eerste niet meer materiaal worden toegepast dan nodig is voor de toepassing, waarbij bijvoorbeeld kan worden gedacht aan het aanleggen van een geluidswal die hoger is dan nodig om het geluid te weren. Ten tweede mag er ook geen toepassing plaatsvinden die niet volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats waar en onder de omstandigheden waaronder wordt toegepast. Aan die maatstaven wordt onder meer inhoud gegeven door technische inzichten, normen, producteisen mede met het oog op verwachte ruimtelijke ontwikkeling van een bepaald gebied. Zo wordt een geluidswal in een gebied zonder geluidsgevoelige objecten gezien als een middel om zich te ontdoen van afvalstoffen.

In de derde plaats is in onderdeel c een koppeling gemaakt met nuttige toepassingen in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Dit vereiste komt slechts in beeld indien een werk of een toepassing van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35 toch geen nuttige toepassing blijkt te zijn, hoewel is voldaan aan de onderdelen a en b van dit artikel en de overige eisen die daaraan zijn gesteld bij of krachtens dit besluit.

In de praktijk betekent dit artikel dat altijd een goede civieltechnische, bouwtechnische, geluidstechnische, of zelfs esthetische onderbouwing beschikbaar moet zijn, afhankelijk van het doel van het werk of de toepassing van grond of baggerspecie. Indien niet aan de criteria voor functionaliteit wordt voldaan is geen sprake van nuttige toepassing, maar van het verwijderen van afvalstoffen. Hiervoor geldt het stortregime van de Wm.

In paragraaf 5.3.3 is voor wat betreft het toepassen van bouwstoffen en in de toelichting op artikel 35 voor wat betreft het toepassen van grond of baggerspecie onderbouwd welke nuttige toepassingen als bedoeld in voornoemde richtlijn het betreft. Uitgangspunt is dan ook dat het bevoegd gezag ingeval van werken als bedoeld in artikel 1 en toepassingen als bedoeld in artikel 35 van dit besluit er vanuit mag gaan dat sprake is van een nuttige toepassing, mits dat werk of die toepassing voldoet aan de daaraan gestelde eisen bij of krachtens dit besluit.

Tweede lid

In dit lid wordt gebruik gemaakt van de in de artikelen 2 a en 2b van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) geboden mogelijkheid om de vergunningplicht te vervangen door algemene regels. Het lid bepaalt dat een vergunningplicht niet geldt voor toepassingen die onder de reikwijdte van dit besluit vallen en voldoen aan de in het eerste lid gestelde eisen. Voor zover een toepassing niet aan het eerste lid voldoet geldt de vergunningplicht op grond van de Wvo onverkort. Voor toepassing van bouwstoffen, grond of baggerspecie is dan ingevolge de Wm sprake van storten en moet worden bezien of – voor zover de Wm storten mogelijk maakt – hiervoor ook een vergunning op grond van de Wvo kan worden verleend.

In een aantal gevallen kan niet worden teruggevallen op de vergunningplicht. In de eerste plaats geldt dit voor toepassingen die weliswaar onder de reikwijdte van het eerste lid vallen, maar die krachtens de artikelen 28, vijfde lid en 37, eerste lid, zijn verboden. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de (nuttige) toepassing van grond of baggerspecie, waarbij het zogenaamde saneringscriterium wordt overschreden. Daarnaast kan voor de volgende twee situaties niet alsnog een vergunning worden verleend. Voor IBC-bouwstoffen en het verspreiden in oppervlaktewater buiten aangewezen verspreidingsvakken of boven aangewezen hoeveelheden is expliciet bepaald, dat toepassing daarvan verboden is, waardoor regulering hiervan niet via een Wvo-vergunning kan plaatsvinden. Voor dergelijke toepassingen kan niet alsnog een vergunning worden verleend, maar dient op basis van dit besluit handhavend te worden opgetreden.

Derde lid

Door de wijziging van de Wet milieubeheer met ingang van 1 januari 2008 (Stb. 2006, 606) is het stelsel van de Wet milieubeheer aangepast in die zin dat de vergunningplicht ingevolge die wet alleen geldt, indien het een inrichting betreft die is aangewezen op grond van artikel 8.1 van die wet.

Dit noopt tot aanpassing van het ontwerp om het tot nog toe gevolgde stelsel, te weten algemene regels voor de toepassing om de vergunningplicht te omzeilen, te behouden.

De afvalstoffenrichtlijn noopt tot het opnemen van een stelsel dat neerkomt op een systeem van algemene regels dan wel een vergunningplicht. Deze voorgestelde bepaling beoogt een aanvulling van het besluit om het in overeenstemming te brengen met de genoemde wijziging van de Wet milieubeheer.

Artikel 6

In dit artikel wordt bepaald dat het stellen van regels en het toetsen aan maximale waarden dienen te voldoen aan artikel 4 van de KRA. De regels die zijn vastgelegd in de in dit artikel genoemde artikelen zijn zodanig opgesteld dat wordt voldaan aan art. 4 van de KRA, indien bouwstoffen, grond of baggerspecie worden toegepast volgens deze regels in samenhang met de overige artikelen in dit besluit inclusief de ruimte die het lokale bevoegd gezag wordt geboden bij de toetsing van de toepassingen in het gebiedsspecifieke kader.

Artikel 7

In het kader van de toepassing van bouwstoffen en grond of baggerspecie op of in de bodem of in oppervlaktewater gelden de algemene zorgplichtbepalingen van artikel 13 Wbb, artikel 1.1a Wm en artikel 2 van de Wms. Zij zijn bedoeld als vangnet voor situaties waarin sprake is van kennelijk onzorgvuldig handelen waardoor schade kan ontstaan voor de mens en het ecosysteem, zonder dat een specifiek wettelijk voorschrift wordt overtreden. De onderhavige bepaling heeft dezelfde klassieke vangnetfunctie, maar ziet anders dan de eerder genoemde bepalingen speciaal op oppervlaktewater.

De vangnetfunctie brengt met zich mee dat het bevoegd gezag op basis van de onderhavige bepaling handhavend kan optreden, indien (potentieel) nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater optreden als gevolg van een toepassing in het kader van het besluit. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij parameters die niet op de lijst van bijlage 1 van het besluit voorkomen of bij parameters die wel op deze lijst voorkomen, maar waarvoor in de ministeriële regeling bij het besluit geen eisen zijn opgenomen, zoals voor nutriënten, zwevend stof, pH en reducerend vermogen. Hierbij kan worden gedacht aan een geval waarin bemeste landbouwgrond in oppervlaktewater wordt toegepast voor het verondiepen van een put. Hierdoor kunnen blijvende negatieve effecten op de kwaliteit van het oppervlaktewater optreden, ondanks dat met het verondiepen juist een verbetering van de waterkwaliteit wordt beoogd. Een ander voorbeeld is een plotselinge verandering van de pH van het oppervlaktewater door toepassing van te grote hoeveelheden van bepaalde typen bouwstoffen in te korte tijd in een kleine oppervlaktewateren, waardoor vissterfte kan optreden.

Om in zulke situaties nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zoveel mogelijk te voorkomen kan het bevoegd gezag toepassers vooraf om informatie vragen en zo nodig bij voorbaat in de vorm van een beleidsregel aangeven in welke gevallen zich nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater voordoen. Indien desondanks sprake is van zodanige nadelige gevolgen en de toepasser voldoet niet aan de verplichting om deze ongedaan te maken of zoveel mogelijk te beperken, kan het bevoegd gezag tot handhaving overgaan.

Overtreding van de zorgplicht is een economisch delict dat strafbaar is gesteld op grond van de Wet op de economische delicten.

Naast de klassieke vangnetfunctie heeft de onderhavige bepaling ook een deregulerende functie. Dit wil zeggen dat de bepaling ook kan fungeren als aanvulling op de algemene regels voor toepassingen van bouwstoffen, grond en baggerspecie in het besluit. Voor toepassingen in oppervlaktewater is op grond van artikel 5, tweede lid, van het besluit geen vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren vereist, mits wordt voldaan aan de voorwaarden die worden genoemd in het eerste lid van dat artikel. Artikel 5, tweede lid, geldt niet voor toepassingen van bouwstoffen, grond en baggerspecie op of in landbodem. Voor een toepassing op of in landbodem die nadelige gevolgen kan hebben voor het oppervlaktewater, zou – zonder de zorgplichtbepaling – een vergunning op grond van de Wvo zijn vereist. Hierbij moet worden gedacht aan toepassingen die op grond van het besluit zijn toegestaan, waarbij stoffen in het oppervlaktewater komen die niet in de lijst in bijlage 1 van het besluit worden genoemd of krachtens het besluit zijn genormeerd. Indien bij een zodanige toepassing de in de onderhavige zorgplichtbepaling omschreven maatregelen worden genomen, treedt deze bepaling echter als algemene regel in de plaats van een vergunningplicht. Mede om die reden is de onderhavige bepaling in het besluit opgenomen.

De deregulerende functie kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij het vrijkomen van overtollig verzilt water als gevolg het toepassen van zeezand. Voor de lozing van dit overtollige water diende onder vigeur van het Bouwstoffenbesluit (naast een melding op grond van het Bouwstoffenbesluit voor de toepassing zelf) een vergunning op grond van de Wvo te worden verleend (vgl. onder meer ABRvS 15 februari 2006, nr. 200506339/1). Aangezien deze lozing onlosmakelijk verbonden is met de toepassing van zeezand, is een afzonderlijke vergunning, mede vanwege het streven naar reductie van de administratieve lasten niet gewenst. De onderhavige bepaling bewerkstelligt dat, indien wordt voldaan aan de zorgplicht, voor een dergelijke lozing geen Wvo-vergunning nodig is.

Voor toepassingen op of in de landbodem met gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater, waarbij de zorgplicht niet wordt nagekomen, kan geen vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewater worden verleend. In artikel 28, vijfde lid, en artikel 37 van dit besluit is namelijk een (absoluut) verbod opgenomen om bouwstoffen respectievelijk grond of baggerspecie in strijd met artikel 7 toe te passen.

Artikel 8

Dit artikel is de uitwerking voor dit besluit van artikel 71 van de Wet bodembescherming.

Artikel 9 tot en met 23, derde lid, 24 en 25

Deze artikelen zijn toegelicht in het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer.

Artikel 23, vierde lid

Dit lid is nieuw ten opzichte van het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer. Een erkenning kan worden geschorst of ingetrokken, indien in verband met activiteiten met betrekking tot bodem, grond, baggerspecie of bouwstoffen een van de wettelijke voorschriften wordt overtreden die zijn genoemd in het eerste lid onder e. De informatie waaruit blijkt dat er sprake is van dergelijke overtredingen kan afkomstig zijn uit zowel bestuurlijke als strafvorderlijke en justitiële dossiers. Voor het verstrekken van dergelijke informatie gelden de artikelen 9 en 39 sub f van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en artikel 13 van het Besluit justitiële gegevens (Bjg). Nu deze bepalingen het niet mogelijk maken om justitiële en strafvorderlijke gegevens te verstrekken die verband houden met werkzaamheden in het bodembeheer, kunnen Onze Ministers op grond van dit lid, voor zover er aanwijzingen zijn dat er sprake is van een overtreding, de betrokken persoon of instelling verzoeken om een VOG over te leggen en op die manier bij hun besluit rekening houden met dergelijke gegevens.

Indien de desbetreffende persoon of instelling binnen de door Onze Ministers gestelde termijn geen VOG overlegt, kan een erkenning voor maximaal twee jaar worden geschorst.

Artikel 26

Eerste lid

Dit besluit stelt regels aan (steenachtige) bouwstoffen. In de meeste gevallen zal in de praktijk direct duidelijk zijn wanneer sprake is van een (steenachtige) bouwstof. In gevallen van twijfel kan gebruik worden gemaakt van de bepalingsmethode die bij ministeriële regeling is geregeld, waarmee het percentage silicium, calcium of aluminium wordt bepaald waaruit het steenachtige karakter kan worden afgeleid. Vlakglas, metallisch aluminium, grond en baggerspecie zijn in de definitiebepaling uitgezonderd van het begrip «bouwstof». Deze kunnen derhalve niet als bouwstof worden toegepast.

Ook asbest is volgens de definitie een steenachtige bouwstof. Gezien de milieuhygiënische eigenschappen van asbest mag deze echter niet meer als bouwstof worden toegepast. Dit is geregeld in het Productenbesluit asbest. Asbest kan nog wel als verontreiniging voorkomen in secundaire materialen, bijvoorbeeld in puingranulaat. Bij ministeriële regeling zullen hiervoor samenstellingseisen worden opgenomen, die eveneens volgen uit het Productenbesluit asbest.

Tweede lid

Een bouwstof geldt als vormgegeven als deze in de toepassing een minimale grootte heeft van 50 cm3, dan wel voldoet aan de bij ministeriële regeling opgenomen regels omtrent de vereiste korrelverdeling. Vormgegeven bouwstoffen vertonen onder normale gebruiksomstandigheden nagenoeg geen erosie of slijtage (i.e. duurzame vormvastheid). Het bepalen van de duurzame vormvastheid is verder geregeld in de ministeriële regeling. Voorbeelden van vormgegeven bouwstoffen zijn bakstenen, betonklinkers, asfaltbeton en heipalen. Ook slakken uit bijvoorbeeld een metaalbereidingsproces kunnen hieronder vallen, indien deze slakken de vereiste voldoende volume hebben.

Bouwstoffen die niet voldoen aan de vereisten voor vormgegeven bouwstoffen gelden als niet-vormgegeven bouwstoffen. Het onderscheid tussen deze twee soorten bouwstoffen is mede van belang voor de wijze waarop de emissie moet worden bepaald en voor de normstelling.

Derde lid

In een partij bouwstoffen kan grond of baggerspecie zijn terechtgekomen (bijvoorbeeld bij ontgraving van bouwpuin voorafgaand aan het breken). Dit is niet meteen een reden om de partij bouwstoffen als zodanig af te keuren, hoewel grond en baggerspecie zijn uitgezonderd in de definitie van een bouwstof. Wel geldt dat de partij bouwstoffen met niet meer dan 20 gewichtsprocenten grond of baggerspecie mag zijn vermengd. De desbetreffende grond of baggerspecie mag niet bewust worden toegevoegd. Dit is onder meer geregeld in de regelgeving voor inrichtingen of in die voor afvalstoffen. Indien teveel grond in de bouwstof is terechtgekomen kan dit bijvoorbeeld worden afgezeefd.

Het gaat bij deze bepaling niet om grond of baggerspecie die als grondstof wordt toegepast voor het maken van een bouwstof (zoals in beton), die inherent in de bouwstof aanwezig is (zoals in geïmmobiliseerde grond of drinkwaterreststoffen), of die om civieltechnische redenen aanwezig is in de bouwstof (zoals in BSA-granulaat). Dit is tot uitdrukking gebracht door te spreken over: «voor zover deze geen functioneel onderdeel uitmaakt van de bouwstof».

Artikel 27

Eerste lid

Toepassing van bouwstoffen aan de binnenkant van gebouwen, zoals binnenvloeren en tussenmuren, leiden niet tot emissies richting de bodem of het oppervlaktewater en zijn daarom uitgezonderd van de bepalingen van dit besluit (zie ook paragraaf 3.2.3). Bouwstoffen die slechts in Nederland aanwezig zijn om te worden doorgevoerd naar een ander land, vallen evenmin onder dit besluit.

Tweede lid

Dit besluit is van toepassing op elke handeling waarbij bouwstoffen in een werk worden aangebracht. Hieronder valt ook het tijdelijk verwijderen van bouwstoffen om deze vervolgens op de oorspronkelijke plaats weer aan te brengen, zoals bij werkzaamheden aan ondergrondse kabels en leidingen of het hergebruiken van bouwstoffen bij een verbreding van een (vaar)weg. In dergelijke situaties worden er in beginsel geen nieuwe verontreinigingen in het milieu gebracht en verandert er in feite weinig tot niets aan de milieubelasting door de bouwstoffen. Om die reden en met het oog op het streven naar een sterke vermindering van de administratieve lasten is er in lijn met het Bouwstoffenbesluit voor gekozen om in die gevallen de verplichtingen op grond van artikel 28 tot en met 32 niet van toepassing te laten zijn. Hierdoor leidt de tijdelijke verplaatsing van de bouwstoffen niet tot een voor het besluit relevante wijziging, in die zin dat het geen nieuwe verplichtingen voor de toepasser van de bouwstof oplevert. De regel ziet niet alleen op werken die op grond van dit besluit worden gerealiseerd, maar ook op werken die tot stand zijn gebracht onder meer onder het regime van het Bouwstoffenbesluit, het daaraan voorafgegane IPO-interimbeleid, of voor die tijd zonder dat ze als een werk werden betiteld. Het moet wel nuttige toepassingen betreffen die in het kader van dit besluit als een werk in de zin van artikel 1 kunnen worden gezien.

Met het oog op de controleerbaarheid moet het gaan om bouwstoffen die in hetzelfde werk worden teruggebracht, of voor zover het oude «werken» betreft dezelfde toepassing. Bij het terugbrengen van de bouwstoffen is wel enige speelruimte is. De volgende voorbeelden kunnen daarbij worden gegeven:

– het tijdelijk uitnemen en weer terugplaatsen van stortsteen (oeverbescherming) bij het verbreden van een vaarweg (oeverbescherming wordt weer oeverbescherming, maar niet exact op dezelfde plaats);

– het bij wegreconstructies tijdelijk uitnemen van puingranulaatfundering onder een wegverharding, en het na reconstructie van dezelfde weg weer toepassen van het puingranulaat als fundering van die weg (puingranulaatfundering wordt weer puingranulaatfundering, niet op exact dezelfde plaats, maar wel als onderdeel van de reconstructie).

Daarnaast wordt aan deze tijdelijke uitname een aantal aanvullende voorwaarden gesteld. In de eerste plaats moeten de bouwstoffen onder dezelfde condities opnieuw worden aangebracht, opdat de bouwstof qua samenstelling en emissie niet verandert. Het emissiegedrag van bouwstoffen kan bijvoorbeeld ongunstig worden beïnvloed door wisseling tussen zuurstofrijke en zuurstofarme omstandigheden. Bouwstoffen met een hoge pH-waarde of sterk reducerende eigenschappen kunnen als funderingsmateriaal weinig effect hebben op de bodem, maar kunnen in een open toepassing zonder de afschermende werking van een wegverharding of in oppervlaktewater wel tot ongewenste effecten leiden.

In de tweede plaats mag geen sprake zijn van bewerking van de bouwstof vanaf de uitname tot het opnieuw aanbrengen daarvan. Onder bewerken wordt in dit verband verstaan het verrichten van handelingen met de betrokken bouwstof, waardoor die bouwstof qua samenstelling of emissie verandert. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het breken van de bouwstoffen.

Dit artikel brengt weliswaar geen nieuwe verplichtingen (bijvoorbeeld het wederom melden van de opnieuw aan te brengen bouwstoffen) met zich mee, maar de overige verplichtingen ten aanzien van het toepassen van de bouwstoffen in een werk gelden onverminderd. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan de verwijderingsplicht en de zorgplicht in artikel 7. Daarnaast is andere regelgeving, bijvoorbeeld Arbo-regelgeving betreffende het werken met bouwstoffen, onverminderd van toepassing.

Tot slot wordt over de verhouding tot artikel 29, eerste lid, onder c nog het volgende opgemerkt.

In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of de toepassing van bouwstoffen valt onder de reikwijdte van artikel 27, tweede lid. Indien dit niet het geval is, moet worden bezien of de uitzondering van artikel 29, eerste lid, onder c van toepassing is.

Artikel 28

Dit artikel bepaalt wat de voorwaarden zijn voor het vervaardigen, invoeren, in Nederland toepassen of voor handelsdoeleinden voor de Nederlandse markt voorhanden hebben, vervoeren, aan een ander ter beschikking stellen of toepassen van bouwstoffen.

De Regeling bodemkwaliteit bevat een nadere uitwerking van deze bepaling.

Artikel 29

In dit artikellid wordt voor zowel het toepassen van bouwstoffen in de bodem, als in oppervlaktewater de verplichting de samenstellings- en emissiewaarden te bepalen, alsmede het overleggen van een milieuhygiënische verklaring uitgezonderd voor een aantal specifieke bouwstoffen, dan wel toepassingen daarvan. Deze bouwstoffen, dan wel toepassingen daarvan moeten evenwel onverminderd aan de samenstellings- en immissiewaarden als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder b voldoen. In verband hiermee is in het tweede lid een expliciete zorgplicht opgenomen. Het benodigde onderzoek dient ingevolge dit besluit aan strikte eisen te voldoen en brengt dientengevolge de nodige kosten met zich mee. Gebleken is dat die zich voor bepaalde bouwstoffen, dan wel toepassingen niet verhouden tot het gegeven dat die bouwstoffen (vrijwel) altijd aan de milieuhygiënische grenzen van dit besluit voldoen.

Eerste lid, onderdeel a

Metselmortel en de meeste soorten natuursteenproducten zijn uitgezonderd van de verplichting de samenstellings- en emissiewaarden te bepalen. De branches van deze bouwstoffen kenmerken zich door een groot aantal kleine productiebedrijven.

In het kader van het Bouwstoffenbesluit zijn in 1999 de economische effecten van certificering voor onder meer de metselmortelbranche onderzocht, ter uitvoering van de motie Udo c.s. van 17 december 1998. Uit deze analyse bleek dat voor kleine bedrijven in de metselmortelbranche grote negatieve economische gevolgen te verwachten waren. Deze zouden kunnen leiden tot ongewenste marktverschuivingen met mogelijk negatieve milieu-effecten. Ook in later onderzoek bleek certificering in deze branche niet wenselijk. In dit besluit wordt de uitzonderingspositie die metselmortel reeds had in het Bouwstoffenbesluit gehandhaafd.

In de natuursteenbranche geldt eenzelfde beeld met veel kleinschalige bedrijven, die de financiële last van verklaringen niet kunnen dragen. Deze last staat voor deze bedrijven ook niet in verhouding tot het milieubezwaar dat het gebruik van deze bouwstof met zich meebrengt. De uitzondering geldt niet voor breuksteen en steenslag, die niet-vormgegeven bouwstoffen zijn en die veel grootschaliger zijn van opzet.

Onderdeel b

De uitzondering voor het hergebruik van vormgegeven bouwstoffen van beton, keramiek, natuursteen en bakstenen was in de Wijziging Bouwstoffenbesluit 2005 reeds opgenomen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat mijnsteen niet onder het begrip natuursteen valt. Het onderzoeken van de milieuhygiënische kwaliteit van deze bouwstoffen wordt te kostbaar gevonden in verhouding tot de milieuhygiënische risico’s. Gebleken is namelijk dat deze bouwstoffen ook na eerste toepassing vrijwel altijd aan de eisen van het besluit voldoen. De uitzondering is gezien de milieuhygiënische doelstelling van het onderhavige besluit niet van toepassing als de bouwstof is bewerkt, omdat hierdoor de samenstelling en emissie kunnen wijzigen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de onderzoeksverplichting wel geldt bij bouwstoffen die nieuw op de markt worden gezet en voor de eerste keer in een werk worden toegepast.

Onderdeel c

Het doel van deze uitzondering is om de administratieve lasten te beperken voor bouwstoffen die zich reeds in het milieu bevinden en die niet van eigenaar wisselen. Deze uitzondering betekent ook dat bouwstoffen kunnen worden vervoerd naar een andere werk zonder dat hiervoor een nieuwe verklaring nodig is. De verplichting blijft wel gelden als de bouwstof van eigenaar verwisselt, in navolging van de Europese Richtlijn Bouwproducten. Daarnaast mogen de bouwstoffen geen bewerking ondergaan en moeten ze onder dezelfde condities worden toegepast (zie hieromtrent de toelichting bij artikel 27, tweede lid). Dan kunnen namelijk de samenstelling of emissie-eigenschappen veranderen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de hergebruikte bouwstoffen wel aan de overige eisen van het besluit moeten voldoen.

De uitzondering komt niet in de plaats van de zogenaamde tijdelijke uitname van bouwstoffen, bedoeld in artikel 27, tweede lid, bijvoorbeeld het tijdelijk openbreken van een straat met het doel om kabels te leggen, waarna de bouwstoffen voor de bestrating weer op dezelfde plek terug gelegd worden. Voor dergelijke werkzaamheden gelden niet opnieuw de verplichtingen op grond van dit besluit.

Onderdeel d

Naar schatting worden jaarlijks enkele honderdduizenden tonnen asfalt opnieuw warm in situ hergebruikt als asfalt. Dit betekent dat het asfalt in één procesgang wordt gefreesd en opnieuw wordt aangebracht, zonder tussenkomst van een asfaltcentrale. Asfalt en asfaltbeton voldoen normaal gesproken aan de eisen van het besluit, tenzij oude teerhoudende lagen aanwezig zijn. In die gevallen worden de samenstellingseisen voor PAK’s overschreden. Het gebruik van teer in asfalt is niet meer toegestaan en teerhoudende asfaltgranulaat (TAG) moet apart worden afgevoerd. Dit is geregeld in de Tijdelijke vrijstellingsregeling Bouwstoffenbesluit 2004.

Om de teerhoudende delen te identificeren, moet asfalt dat warm in situ wordt hergebruikt worden onderzocht op basis van het hiervoor ontwikkelde CROW-publicatie 210 «Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt», april 2007. In deze publicatie wordt aan de hand van een stappenplan geïnventariseerd of teerhoudende lagen aanwezig zijn. Hiertoe wordt gekeken naar de leeftijd van de weg (recent asfalt is teervrij), zonodig indicatief bemonsterd en zonodig uiteindelijk een intensief onderzoek uitgevoerd.

Onderdeel e

Voor particuliere toepassers van bouwstoffen (zoals doe-het-zelvers) of particuliere eigenaars (zoals huizenbezitters) geldt geen verplichting om de kwaliteit van bouwstoffen te bepalen, of om een milieuhygiënische verklaring te kunnen overhandigen (zie ook paragraaf 3.6.3). Dit ligt alleen dan anders indien het toepassen in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geschiedt. De reden voor deze vrijstelling van genoemde verplichtingen is dat dit een onevenredige zware lastendruk legt bij particulieren, terwijl deze tegelijkertijd de kennis en positie missen om de kwaliteit van toegepaste bouwstoffen daadwerkelijk te kunnen beïnvloeden. Wel geldt dat de toepassing van bouwstoffen moet voldoen aan de overige regels die zijn gesteld bij of krachtens dit besluit, zodat het bevoegd gezag kan ingrijpen als de situatie dit vereist.

Tweede lid

De bouwstoffen die van de verplichtingen uit artikel 28, eerste lid zijn uitgezonderd, moeten wel voldoen aan de samenstellings- en immissiewaarden. De uitzondering brengt met zich mee dat in beginsel mag worden aangenomen dat aan die vereisten wordt voldaan. De uitzondering is op grond van dit artikellid echter niet van toepassing als er aanwijzingen zijn dat niet wordt voldaan aan de samenstellings- en immissiewaarden. Dit doet zich bijvoorbeeld voor bij waarneembare verontreinigingen, zoals olievlekken, bij bouwstoffen waarvan bekend is dat die in het verleden wel zijn toegepast maar vrijwel nooit voldoen en indien informatie omtrent het vorige gebruik daartoe aanleiding geeft.

Met organoleptische waarneming wordt zowel visuele waarneming als het waarnemen van geur bedoeld. Gelet op ARBO-regelgeving is het echter niet de bedoeling om actief aan de bouwstof te ruiken, maar wordt gedoeld op de situatie dat passief, bij bijvoorbeeld overslaghandelingen, een geur wordt waargenomen die kan wijzen op verontreiniging. Bij de beoordeling of al dan niet gebruik kan worden gemaakt van de uitzondering van de onderzoeksverplichtingen is het raadzaam om vroegtijdig contact op te nemen met het bevoegd gezag en in het bijzonder voorzichtig te zijn met bouwstoffen die niet onder het regime van dit besluit zijn gebruikt.

Artikel 30

Eerste lid

De meeste niet-vormgegeven bouwstoffen voldoen aan de emissie-eisen voor ongeïsoleerde toepassingen. Bouwstoffen die meer uitlogen, maar die nog wel aan de emissie-eisen voor geïsoleerde toepassingen voldoen, worden IBC-bouwstoffen genoemd. Deze mogen alleen worden toegepast met isolerende voorzieningen, om daarmee de bodem toch afdoende te beschermen (zie ook paragraaf 3.5). De IBC-bouwstof mag slechts vanaf een minimumvolume worden toegepast om de beheersbaarheid van de toepassingen te vergroten. In de praktijk van het Bouwstoffenbesluit is gebleken dat een goed ontwerp en een juiste uitvoering van IBC-voorzieningen kritische factoren zijn voor de bescherming van de bodem. Daarom is gekozen een aangewezen instantie te laten toezien op het ontwerp, de aanleg en het beheer (de staat van het werk tijdens de gebruiksfase). In alle gevallen is goedkeuring van deze instantie nodig om het werk te mogen uitvoeren, danwel in de huidige staat te laten.

Tweede lid

In het kader van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewateren betrof de IBC-bouwstof een zogenaamde categorie 2-bouwstof. In praktijk is een dergelijke bouwstof voor zover bekend nooit in oppervlaktewater toegepast. Dit had met name te maken met de ondoenlijkheid om de effectiviteit van de isolatiemaatregel in oppervlaktewater te kunnen garanderen. Om die reden is het in oppervlaktewater toepassen van IBC-bouwstoffen verboden. Dit brengt met zich mee dat hiervoor ook geen vergunning op grond van de Wvo kan worden verleend.

Artikel 31

Dit artikel beoogt ruimte te geven voor innovatie en flexibiliteit binnen de generiek geldende regels van dit besluit. Zo wordt het mogelijk om isolerende voorzieningen toe te passen die niet voldoen aan de daarvoor door Onze Ministers gestelde eisen, mits daarbij de bodem, met uitzondering van de bodem onder oppervlaktewater, ten minste in dezelfde mate wordt beschermd als door de de standaardmethode. Een andere voorwaarde om van de standaardmethode af te kunnen wijken is dat het een generiek toepasbare methode moet betreffen, niet om een locatiespecifieke methode (afhankelijk van de bodem). Dit betekent ook dat als een alternatieve methode eenmaal is goedgekeurd, deze breder beschikbaar wordt voor de markt als bruikbare methode.

Het initiatief voor het gebruik van een gelijkwaardige methode ligt bij de toepasser. De aanvraag hiertoe wordt in de praktijk namens de Minister van VROM door SenterNovem/Bodem+ in behandeling genomen. Het agentschap kan een gelijkwaardigheidsverklaring afgeven.

De aanvrager dient in een onderzoeksrapport te onderbouwen dat sprake is van een hooguit gelijkwaardige belasting van bodem en oppervlaktewater. Het onderbouwende rapport wordt beoordeeld door het agentschap SenterNovem.

De beslissing van het agentschap SenterNovem is een beschikking die vatbaar is voor bezwaar en beroep. Ingevolge artikel 87 van de Wet bodembescherming in samenhang met artikel 20.1 van de Wet mileubeheer kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Indien bij toepassing van een IBC-bouwstof gebruik is gemaakt van het gelijkwaardigheidsartikel, dient dit aan het bevoegd gezag te worden gemeld (zie de toelichting bij artikel 32).

Artikel 32

Alleen het voornemen tot hergebruik van bouwstoffen, bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder c, en het toepassen van IBC-bouwstoffen worden gemeld. De melding geschiedt aan de Minister van VROM, die de gegevens doorzendt aan het bevoegd gezag. Voor het overige is de melding van een voorgenomen toepassing van bouwstoffen niet vereist. Het bevoegd gezag heeft ten aanzien van deze toepassingen wel de bevoegdheid om tot vijf jaar na het tijdstip waarop de bouwstof is toegepast, degene die de bouwstof heeft toegepast te verzoeken de milieuhygiënische verklaring of voor zover van toepassing de erkende kwaliteitsverklaring die is verstrekt voor de desbetreffende toepassing te overleggen. Dit geldt eveneens voor de afleveringsbon en is als zodanig voorgeschreven in artikel 28, derde lid.

Artikel 33

Deze bepaling ziet op de tijdelijke aard van een werk. Wanneer een werk zijn functie verliest, moet het werk worden verwijderd. De bouwstoffen moeten dan worden teruggenomen, omdat deze anders tot fysische en op termijn ook tot chemische verontreiniging van de bodem zouden kunnen leiden.

Het is de taak van de toepasser van bouwstoffen om deze op zodanige wijze toe te passen dat ze later weer terugneembaar zijn. Het is de taak van de eigenaar om zijn werk zodanig te beheren en te onderhouden, dat geen vermenging met de bodem of het oppervlaktewater plaatsvindt zo lang het werk bestaat. Gewoonlijk zal hierbij kunnen worden volstaan met het normale beheer, gericht op de instandhouding van het werk.

Verder is de eigenaar verantwoordelijk voor het verwijderen van alle bouwstoffen bij het slopen van (een deel van) het werk. Gemeenten kunnen handhavend optreden op grond van artikel 4, derde lid, wanneer zij constateren dat de toepasser heeft nagelaten de bouwstoffen te verwijderen. Een niet-functioneel werk blijft in het dichtbevolkte Nederland nooit lang onopgemerkt en zal vrijwel altijd worden gesloopt om plaats te maken voor iets anders. Hiervoor dienen de normale vergunningsprocedure in acht te worden genomen, waardoor het bevoegd gezag meestal op de hoogte zal zijn van een dergelijke situatie.

In het geval dat het verwijderen van een bouwstof meer schade toebrengt aan de bodem dan het laten zitten, mag de eigenaar deze in de bodem achterlaten. Het gaat dan bijvoorbeeld om betonnen heipalen die in de bodem een waterafsluitende laag doorboren.

Artikel 34

Eerste lid

Dit artikellid biedt de grondslag om bij ministeriële regeling om een onderzoekmethode voor te schrijven op basis waarvan kan worden getoetst of het materiaal voldoet aan de criteria die in de definitie voor grond, dan wel baggerspecie, zijn vastgelegd in artikel 1 van dit besluit.

Tweede en derde lid

In grond of baggerspecie bevindt zich vaak bodemvreemd materiaal, zoals puin, hout of baksteenscherven, dat al in de bodem zit als het wordt afgegraven. Het gaat nadrukkelijk niet om het bijmengen van bodemvreemd materiaal in grond of baggerspecie. Doorgaans is de aanwezigheid van bodemvreemd materiaal in grond of baggerspecie niet bezwaarlijk, maar het is wel noodzakelijk dit te begrenzen. Grond of baggerspecie met maximaal 20 gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal, wordt in het kader van dit besluit mede beschouwd als grond of baggerspecie. Dit laat onverlet dat bij ontgravings- en sloopwerkzaamheden zorgvuldig moet worden gewerkt. Dat betekent het scheiden van grond en baggerspecie die al dan niet zijn vermengd met ander materiaal, het apart ontgraven en afvoeren van bijvoorbeeld puinlagen in de bodem, en het daar waar mogelijk afzeven en apart verwerken van bodemvreemd materiaal. Waar nodig of zinvol kan het percentage bodemvreemd materiaal door zeven onder de 20 gewichtsprocenten worden gebracht.

Afhankelijk van de kwaliteit van de ontvangende bodem kunnen beperkingen van toepassing zijn. Het kan daarbij zowel gaan om beperkingen ten aanzien van het percentage bodemvreemd materiaal in grond en baggerspecie als om beperkingen ten aanzien van de aard van het bodemvreemd materiaal. Bij ministeriële regeling kan op grond van milieuhygienische overwegingen de grens voor bodemvreemd materiaal voor specifieke toepassingen lager worden vastgesteld dan 20 gewichtsprocent, bijvoorbeeld voor gebieden met een bijzonder beschermingsniveau. Dit betekent niet dat het materiaal niet als grond of baggerspecie wordt beschouwd, maar dat de desbetreffende grond of baggerspecie in de gegeven context niet mag worden toegepast. Voor gebieden waarin standaard hoge percentages bodemvreemd materiaal voorkomen, kunnen de op grond van dit vierde lid bij ministeriele regeling vastgestelde lagere maximale gewichtspercentages tot het maximum van 20 gewichtsprocenten worden verhoogd indien dit noodzakelijk is vanuit milieuhygienisch oogpunt. Het bevoegd gezag kan hiertoe overgaan op grond van het gebiedsspecifiek toetsingskader (artikelen 44, 45 en 46) in de Nota bodembeheer voor bijvoorbeeld gebieden met veel puinhoudende stedelijke ophooglagen.

Artikel 35

De voorschriften voor de toepassing van grond of baggerspecie zijn zodanig vormgegeven dat wordt voldaan aan de eisen die gelden voor het omgaan met afvalstoffen. De reden hiervoor is dat grond en baggerspecie in het licht van de Kaderrichtlijn afvalstoffen en de jurisprudentie inzake afvalstoffen als afvalstof kunnen worden beschouwd. Door in het besluit reeds rekening te houden met de eisen die voor afvalstoffen gelden, hoeft degene die grond of baggerspecie toepast zich zo min mogelijk af te vragen of de afvalstoffenregelgeving van toepassing is.

Op grond van de Kaderrichtlijn afvalstoffen is voor handelingen met afvalstoffen een vergunning vereist, tenzij lidstaten toepassing hebben gegeven aan artikel 11 van die richtlijn. Dat artikel schept de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van de vergunningplicht binnen de in dat artikel genoemde voorwaarden. Dit besluit beoogt gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 11 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen biedt. Dit artikel strekt hiertoe.

Er zijn twee vormen van zich ontdoen van afvalstoffen, te weten verwijdering en nuttige toepassing. Het onderscheid tussen deze twee begrippen is van belang in het licht van artikel 11 van de Kaderichtlijn en dit besluit. Verwijdering kan in het algemeen aldus worden gekarakteriseerd dat een verwijderingshandeling elke verdere toepassing van een stof uitsluit, hetgeen het meest duidelijk is in geval van lozing, verbranding of storten op een stortplaats. De juridische term «nuttige toepassing» roept niet zelden vraagtekens op in de praktijk, maar mag niet worden verward met de taalkundige betekenis van die woorden: er gelden specifieke juridische criteria voor het beoordelen of een handeling als nuttige toepassing mag worden aangemerkt of niet. Een onderbouwing dat een handeling milieuhygiënisch verantwoord of zelfs nuttig is voor het milieu, of anderszins nuttig, is dan ook niet zonder meer relevant.

Het onderscheid tussen «verwijdering» en «nuttige toepassing» wordt gemaakt in artikel 1 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. De begrippen verwijdering en nuttige toepassing sluiten elkaar uit: een handeling kan nooit beide zijn, maar altijd slechts één van beide. Voor de definitie van verwijdering wordt verwezen naar de handelingen die zijn opgesomd in bijlage IIA bij de Kaderrrichtlijn afvalstoffen, voor nuttige toepassing naar bijlage IIB.

Als een lidstaat een beroep doet op dat artikel 11 (en dus, althans voor wat betreft dit besluit, stelt dat sprake is van nuttige toepassing) heeft de lidstaat de volledige bewijslast. Van sommige handelingen die in dit besluit zijn gereguleerd, is niet op het eerste gezicht duidelijk of het verwijdering of nuttige toepassing is, omdat de betreffende handeling zowel op een handeling in bijlage IIA (verwijdering) als bijlage IIB (nuttige toepassing) van de Kaderrichtlijn afvalstoffen lijkt. Als een lidstaat een handeling als nuttige toepassing interpreteert, die niet in bijlage IIB staat, ligt de bewijslast volledig bij de lidstaat. Daarom is voor elke in dit besluit gereguleerde handeling die in het eerste lid van dit artikel is opgenomen, gemotiveerd beoordeeld of die handeling kan worden gekwalificeerd als nuttige toepassing. Daarbij is tevens aangegeven waarom een toepassing die schijnt te lijken op een verwijderingshandeling in bijlage IIA desondanks niet als verwijderingshandeling, maar toch als nuttige toepassing moet worden gekwalificeerd. Zie paragraaf 5.4.8 voor een uitgebreide toelichting.

Hierna is per handeling een gemotiveerde beoordeling opgenomen, aan de hand van de criteria van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Daarbij wordt zoveel mogelijk verwezen naar een specifieke categorie van nuttige toepassing die voorkomt in bijlage IIB bij de Kaderrichtlijn afvalstoffen.

Daarnaast dienen de toepassingen met het oog op de Kaderrichtlijn afvalstoffen te voldoen aan de voorwaarden van artikel 5 van die richtlijn.

Onderdeel a

Dit onderdeel betreft bouwconstructies en wegconstructies die op of in de bodem worden aangelegd. Deze – veelal infrastructurele – constructies zijn in een moderne samenleving noodzakelijk en worden op grote schaal aangelegd of gereconstrueerd. Grond en baggerspecie zijn hiertoe geschikte materialen. Indien geen grond of baggerspecie beschikbaar zou zijn, zou materiaal speciaal voor deze doelen moeten worden gewonnen, zoals in het verleden vaak gebruikelijk was. Door hiertoe grond of baggerspecie te gebruiken wordt de schade aan natuur, landschap en milieu ten gevolge van de winning van (primaire) materialen tot een noodzakelijk minimum beperkt. Het gebruik van grond of baggerspecie strekt dan ook tot vervanging van primaire grondstoffen en kan daarom als nuttige toepassing (categorie R5) worden gekwalificeerd. Vanzelfsprekend dient daarbij ook te worden voldaan aan de andere criteria van het besluit, waaronder de kwaliteitscriteria.

Onderdeel b

Dit onderdeel heeft enkel betrekking op handelingen op of in de landboden, hetgeen tot uitdrukking is gebracht door het begrip «op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater». Als gevolg van de bodemgesteldheid in Nederland wordt er van oudsher regelmatig opgehoogd. Dit heeft tot doel de fysieke bodemgesteldheid te verbeteren, het maaiveld te verhogen ten opzichte van het grondwaterniveau en te compenseren voor zakkingen en zettingen. Vooral in het veenweidegebied treedt bodemdaling op als gevolg van inklinking.

Voor het realiseren van woningbouw en het vestigen van bedrijven is het vaak noodzakelijk om de bodem op te hogen in verband met de grondwaterstand, met name in voormalig agrarisch gebied. Indien geen grond en baggerspecie beschikbaar zouden zijn voor dit doel, zou elders materiaal speciaal moeten worden ontgraven met het oog op de noodzakelijke ophoging, zoals in het verleden vaak gebruikelijk was. Het gebruik van grond en baggerspecie in deze toepassingen strekt dan ook tot vervanging van primaire grondstoffen en is om die reden een nuttige toepassing (categorie R5). Opmerking verdient dat deze handeling niet ziet op het vervolgens (na ophoging) toepassen van grond of baggerspecie in het kader van de (her)inrichting van het specifieke terrein, dan wel de locatie.

Voor landbouw en natuurgebieden heeft de ophoging een ander doel. Op landbouwlocaties is het om landbouwkundige redenen noodzakelijk dat het maaiveld een bepaalde hoogte heeft ten opzichte van het grondwater, omdat gewassen anders te droog of juist te nat worden. Door inklinking en uitspoeling daalt het niveau van het maaiveld, zodat het periodiek moet worden opgehoogd.

In natuurgebieden wordt onder meer grond verzet met het oog op natuurontwikkeling die gebaat is bij variëteit in biotopen. Deze ophogingen kunnen worden uitgevoerd met grond en baggerspecie zodat daarvoor geen gebruik gemaakt hoeft te worden van primaire grondstoffen.

In het verlengde van het bovenstaande wordt ook het gebruik van grond of baggerspecie voor het ophogen van tuinen ter verbetering van de bodemgesteldheid als een toepassing als bedoeld in dit onderdeel beschouwd.

Het gebruik van grond en baggerspecie in natuur- en agrarische gebieden en in tuinen strekt dan ook tot vervanging van primaire grondstoffen en is, indien ook is voldaan aan de overige eisen die in dit besluit worden gesteld, een nuttige toepassing (categorie R11).

Voor deze handelingen kan geen gebruik worden gemaakt van het toetsingskader voor grootschalige toepassingen als bedoeld in de artikelen 62 tot en met 64.

Onderdeel c

Saneringslocaties en stortplaatsen worden afgedekt met een duurzame afdeklaag, zoals leeflagen of bovenafdichtingen. Hierbij gaat het om het zoveel mogelijk voorkomen van risico’s voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreinigde grond of baggerspecie. De leeflaag maakt het mogelijk om weer normale activiteiten op die locatie te ondernemen, zoals bijvoorbeeld wonen, werken of recreatie. Doorgaans verplicht een saneringsbeschikking of de Wet milieubeheer hiertoe. Daarnaast moet worden gedacht aan de stortplaatsen die onder het Stortbesluit bodembescherming vallen. Voor al deze situaties voorziet dit besluit in een uniform milieuhygiënisch toetsingskader voor de op grond van die wetten aan te brengen afdeklaag. Met betrekking tot stortplaatsen en voormalige stortplaatsen sluit het begrip afdeklaag aan bij het begrip bovenafdichtingsconstructie in de zin van artikel 5, onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag. De zogeheten egalisatie- of steunlaag wordt dus niet tot de afdeklaag gerekend.

Indien geen grond en baggerspecie beschikbaar zouden zijn voor dit doel, zou het afdekmateriaal speciaal moeten worden ontgraven met het oog op deze toepassing. Het gebruik van grond en baggerspecie in deze toepassingen strekt dan ook tot vervanging van primaire grondstoffen en dient als ook is voldaan aan de overige eisen die in het besluit worden gesteld als nuttige toepassing (categorie R5) te worden gekwalificeerd.

Onderdeel d

In dit onderdeel zijn de toepassingsvormen opgenomen die voortvloeien uit de water(bodem)opgave ten behoeve van het klimaatbestendig maken van watersystemen, de doelstellingen op grond van artikel 4 van de Kaderrichtlijn Water en het bevorderen van de natuurwaarden, waaronder de instandhoudingsdoelstellingen op grond van artikel 10a, tweede lid van de Natuurbeschermingswet 1998) en de instandhouding van de afvoer- en scheepvaartfunctie van watersystemen. De toepassingen omvatten ophogingen, verondiepingen en dempingen. Naast toepassingen in het oppervlaktewater, kan het hierbij ook toepassingen op of in de bodem betreffen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan noodzakelijke toepassingen aan de binnendijkse zijde van een gebiedsontwikkelingsproject ter realisering van de wateropgave.

Zo is met het oog op de klimaatverandering in Nederland ter voorkoming van wateroverlast noodzakelijk om op grote schaal (her)inrichtingsmaatregelen uit te voeren. Voorbeelden hiervan zijn de herprofilering van het buitendijkse gebied in de vorm van de aanleg van terpen en compartimenteringsdijken, in samenhang met maatregelen ter bevordering van de waterafvoer of vergroting van de waterberging. Enerzijds is bij de herprofilering dus sprake van een behoefte aan materiaal (ophogingen) en anderzijds komt er materiaal vrij (verdiepingen). Door de bij de verdiepingen vrijkomende grond of baggerspecie te gebruiken voor de benodigde ophogingen, dan wel waterbouwkundige constructies wordt voorkomen dat onnodig primaire grondstoffen gewonnen moeten worden. Het gebruik van grond en baggerspecie in deze toepassingen strekt dan ook tot vervanging van primaire grondstoffen en kan, voor zover ook aan de overige criteria van dit besluit wordt voldaan, als nuttige toepassing worden gekwalificeerd. Dit geldt evenzeer voor de situaties dat in het te herprofileren gebied zelf onvoldoende grond of baggerspecie vrijkomt voor de realisering van de benodigde ophogingen en derhalve gebruik gemaakt wordt van grond of baggerspecie die elders vrijkomt bij noodzakelijke ontgravingen. In dit onderdeel is tot uitdrukking gebracht, dat dit geen betrekking heeft op eventuele ophogingen op of in de bodem als bedoeld in onderdeel b. Voor zover dergelijke ophogingen in oppervlaktewater worden gerealiseerd, vallen deze wel onder dit onderdeel en kan ook gebruik worden gemaakt van het toetsingskader voor grootschalige toepassingen.

Zo is met het oog op de klimaatverandering in Nederland ter voorkoming van wateroverlast noodzakelijk om op grote schaal (her)inrichtingsmaatregelen uit te voeren. Voorbeelden hiervan zijn de herprofilering van het buitendijkse gebied in de vorm van de aanleg van terpen en compartimenteringsdijken, in samenhang met maatregelen ter bevordering van de waterafvoer of vergroting van de waterberging. Enerzijds is bij de herprofilering dus sprake van een behoefte aan materiaal (ophogingen) en anderzijds komt er materiaal vrij (verdiepingen). Door de bij de verdiepingen vrijkomende grond of baggerspecie te gebruiken voor de benodigde ophogingen, dan wel waterbouwkundige constructies wordt voorkomen dat onnodig primaire grondstoffen gewonnen moeten worden. Het gebruik van grond en baggerspecie in deze toepassingen strekt dan ook tot vervanging van primaire grondstoffen en kan, voor zover ook aan de criteria van artikel 5 van dit besluit wordt voldaan, als nuttige toepassing worden gekwalificeerd. Dit geldt evenzeer voor de situaties dat in het te herprofileren gebied zelf onvoldoende grond of baggerspecie vrijkomt voor de realisering van de benodigde ophogingen en derhalve gebruik gemaakt wordt van grond of baggerspecie die elders vrijkomt bij noodzakelijke ontgravingen. In dit onderdeel is tot uitdrukking gebracht, dat dit geen betrekking heeft op eventuele ophogingen op of in de bodem als bedoeld in onderdeel b. Voor zover dergelijke ophogingen in oppervlaktewater worden gerealiseerd, vallen deze wel onder dit onderdeel en kan ook gebruik worden gemaakt van het toetsingskader voor grootschalige toepassingen.

De winning van bouwgrondstoffen betekent veelal dat (diepe) putten ontstaan die aangemerkt worden als oppervlaktewater in de zin van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Voor een duurzame vervulling van gebruiksfuncties is het vaak nodig dat dergelijke putten worden verondiept of gedempt. Dit gebeurt veelal in samenhang met een breder pakket aan maatregelen dat in het gebied nodig is voor de realisering van een veilig en gezond leef- en woonmilieu. Denk hierbij aan maatregelen in het rivierengebied in het kader van hoogwaterbescherming, landschapsherstel, inrichtingsmaatregelen ten behoeve van de Kaderrichtlijn Water en maatregelen voor de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaartfunctie. Bij deze maatregelen komen grote hoeveelheden grond en baggerspecie vrij. Door deze grond en baggerspecie te gebruiken voor het functioneel verondiepen of dempen van putten wordt voorkomen dat hiertoe onnodig primaire grondstoffen moeten worden gewonnen.

Daarnaast kan het dempen van oppervlaktewater nodig zijn ten behoeve van de transitie van havengebieden tot bijvoorbeeld woon-, werkgebieden of recreatiegebieden. Dit kan ook aan de hand zijn bij de herontwikkeling van bijvoorbeeld polders in de zin dat hiertoe watergangen gedempt moeten worden. Indien geen grond of baggerspecie beschikbaar zouden zijn voor deze doelen, zou materiaal speciaal moeten worden ontgraven met het oog op deze toepassingen. Het gebruik van grond of baggerspecie conform de criteria van dit besluit strekt in deze toepassingen dan ook tot vervanging van primaire grondstoffen en kan daarom als nuttige toepassing (categorie R5 en voor wat betreft zandwinputten R11) worden gekwalificeerd.

Onderdeel e

In de eerste plaats kan bij dit onderdeel worden gedacht aan voormalige winplaatsen die door de winning van delfstoffen zijn ontstaan. Voor een duurzame en veilige vervulling van gebruiksfuncties is het vaak nodig dat dergelijke groeves weer worden aangevuld (stabilisatie met het oog op de veiligheid, herinrichting ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit).

Voor het behoud van de functionele eigenschappen van de toepassingen, als bedoeld in de onderdelen a tot en met d, kan het nodig zijn dat onderhouds- of herstelwerkzaamheden worden uitgevoerd. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij schade als gevolg van extreme weeromstandigheden. Het ligt in de rede dat hiertoe vergelijkbare materialen worden gebruikt als de materialen (in casu grond en baggerspecie) die ten behoeve van de toepassing zelf zijn benut, alsmede dat deze materialen van vergelijkbare kwaliteit zijn.

Door grond of baggerspecie te gebruiken voor de benodigde aanvullingen wordt voorkomen dat onnodig primaire grondstoffen gewonnen moeten worden. Het gebruik van grond en baggerspecie in deze toepassingen strekt dan ook tot vervanging van primaire grondstoffen en kan, voor zover ook aan de overige criteria van dit besluit wordt voldaan, als nuttige toepassing (categorie R5) worden gekwalificeerd.

Onderdeel f

Met dit onderdeel wordt de mogelijkheid tot het verspreiden van (onderhouds)baggerspecie op de kant voortgezet. Het verspreiden van baggerspecie over aan de watergang grenzende percelen is een eeuwenoude vorm van actief bodembeheer. Het gaat daarbij in hoofdzaak om materiaal dat door afspoeling van naastliggende gronden in de betreffende watergang terecht is gekomen en hierop weer wordt teruggebracht. Dit terugbrengen is nodig voor een verantwoord bodembeheer en bodemgebruik. De relevantie van het opbrengen van baggerspecie gelegen in de instandhouding van de voor het bodemgebruik benodigde hoogteligging en de verbetering van de bodemvruchtbaarheid. De hiervoor genoemde handelingen zouden ook met primaire grondstoffen kunnen worden ondernomen en aldus kan de baggerspecie deze grondstoffen vervangen. Het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen binnen de criteria van dit besluit is daarom een nuttige toepassing (categorie R11).

Onderdeel g

Met dit onderdeel wordt de bestaande mogelijkheid tot het verspreiden van (onderhouds)baggerspecie in oppervlaktewater voorgezet. Sediment maakt een natuurlijk onderdeel uit van het watersysteem en vervult hierin waardevolle ecologische en (hydro)morfologische functies. Het beleid is er daarom op gericht om zoveel mogelijk te voorkomen dat sediment vrijkomend bij werkzaamheden ten behoeve van het waterbeheer (zoals het op diepte brengen en houden van havens en vaarwegen) onnodig wordt onttrokken aan het watersysteem.

Zo heeft bijvoorbeeld de aanleg van havengebieden en vaarwegen in beginsel een verstorende invloed op de sedimenthuishouding en hiermee op de optimale vervulling van de sedimentfuncties. Verstorend in de zin dat in havengebieden en een aantal vaarwegen veel grotere hoeveelheden sediment worden «ingevangen» dan onder meer natuurlijke omstandigheden het geval zou zijn. Het periodiek baggeren van havens en vaarwegen en het weer in oppervlaktewater verspreiden van de hierbij vrijkomende baggerspecie bevordert zoveel mogelijk de natuurlijke sedimenthuishouding: ingevangen riviersediment kan zijn riviergang verder vervolgen, vanuit zeehavengebieden alsnog de zee bereiken en de extra onttrokken hoeveelheden zeesediment worden weer toegevoegd aan de kuststroom. Hiermee kan het sediment zijn natuurlijke ecologische en (hydro)morfologische functies weer ten volle vervullen. Zo is de kraamkamerfunctie van Waddenzee, Zeeuwse en Zuid-Hollandse Delta afhankelijk van voldoende natuurlijke slibtoevoer. Tevens wordt door het verspreiden van baggerspecie de zand- en slibhonger van het water beperkt, hetgeen bijdraagt aan de bescherming van het achterland bij hoogwaters.

Behalve in rivieren en de kustgebieden wordt baggerspecie ook verspreid in meren en plassen, zij het op veel kleinere schaal maar wel vanuit vergelijkbare ecologische en morfologische oogmerken.

Mede vanuit het perspectief van herstel van de natuurlijke functies van het sediment in watersystemen wordt het verspreiden van baggerspecie in de Vierde Nota Waterhuishouding als structurele, nuttige en dus duurzame bestemmingsoptie beschouwd.

Verspreiding op uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden en platen, is niet toegestaan. De reden van deze uitzondering is dat het in de regel in grote oppervlaktewateren waarin deze aanwezig zijn, gaat om grote hoeveelheden baggerspeciewerk. Veelal is er geen noodzaak voor het opbrengen van dit soort hoeveelheden onderhoudsbaggerspecie ten behoeve van de verbetering van de bodemvruchtbaarheid, of het herstel van de uiterwaarden. Bovendien kan het (ongecontroleerd) verspreiden van grote hoeveelheden baggerspecie schadelijk zijn voor de aanwezige natuur door afdekking ervan..Voor zover daarbinnen sprake is van watergangen als bedoeld in onderdeel f (verspreiden op aangrenzend perceel), is het aldaar bedoelde verspreiden van baggerspecie wel toegestaan. Hierbij kan worden gedacht aan baggerspecie die vrijkomt bij onderhoudswerkzaamheden in kleinere watergangen, niet betreffende de hoofdgeul, binnen deze gebieden.

De hiervoor genoemde handelingen zouden ook met primaire grondstoffen kunnen worden ondernomen en aldus kan de baggerspecie deze grondstoffen vervangen. Het verspreiden van baggerspecie in oppervlaktewater binnen de criteria van dit besluit, kan daarom als nuttige toepassing (categorie R11) worden gekwalificeerd.

Onderdeel h

Het besluit regelt de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie, zoals deze tot de inwerkingtreding van het onderhavige besluit viel onder het regime van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De nieuwe regeling komt tegemoet aan de wens tot deregulering door de vergunningverlening te vervangen door algemene regels. Geconstateerd is dat een vergunning op grond van de Wet milieubeheer en voor zover relevant de Wet verontreiniging oppervlaktewateren een zwaar middel kan zijn voor de bestaande vormen van tijdelijke opslag.

Voor opslag in afwachting van toepassing op een geplande en gemelde eindbestemming, kan voortaan gebruik worden gemaakt van dezelfde voorschriften als voor de algemene toepassingen, met dien verstande dat vanwege de aard van de handeling (tijdelijke opslag) niet behoeft te worden getoetst aan de bodemfunctie. Voorwaarde is dat de opslag op de bodem maximaal drie jaar duurt en opslag in oppervlaktewater 10 jaar en dat de opgeslagen grond en baggerspecie vervolgens nuttig wordt toegepast. De afwijkende termijn van tien jaar voor toepassing in oppervlaktewater houdt verband met de Europese richtlijn Storten en wordt nader toegelicht bij artikel 70.

Voor zover de uiteindelijke toepassing kan worden aangemerkt als nuttige toepassing, geldt dit ook voor de daaraan voorafgaande tijdelijke opslag van grond en baggerspecie (categorie R13).

De reikwijdte van dit onderdeel is beperkt tot de toepassingen, bedoeld in de onderdelen a tot en met e.

Indien niet wordt voldaan aan de voorschriften en voorwaarden, geldt voor de tijdelijke opslag net als voorheen een vergunningplicht op grond van de Wet milieubeheer en voor zover relevant de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

Onderdeel i

Het komt voor dat waterschappen baggerspecie uit een watergang tijdelijk opslaan op één van de naastliggende percelen in (weiland)depots om de baggerspecie te ontwateren en te laten rijpen alvorens het materiaal op dezelfde locatie of elders toe te passen. Deze vorm van tijdelijke opslag van baggerspecie op het naast de watergang gelegen perceel in (weiland)depots vindt plaats conform de toetsingsregels voor verspreiden van baggerspecie. Voorwaarde is dat de opslag maximaal drie jaar duurt en dat de opgeslagen baggerspecie vervolgens in een nuttige toepassing als bedoeld in de onderdelen a tot en met f wordt aangebracht. Voor zover dat gebruik kan worden aangemerkt als nuttige toepassing, kan ook de tijdelijke opslag van afvalstoffen die daarvoor bestemd zijn als nuttige toepassing worden aangemerkt (categorie R13). De reikwijdte van dit onderdeel is daarom beperkt tot de toepassingen bedoeld in de onderdelen a tot en met f, die als nuttige toepassingen moeten worden aangemerkt.

Artikel 36

Eerste lid

Het toepassen van gevaarlijke afvalstoffen, zoals gedefinieerd in de Wet milieubeheer op grond van het Europese recht, kunnen onaanvaardbare risico’s voor mens, plant of dier met zich meebrengen. Om deze reden is het niet toegestaan grond en baggerspecie toe te passen die gevaarlijke afvalstoffen zijn.

Tweede lid, onderdeel a

Het toepassen van grond of baggerspecie waarin stoffen aanwezig zijn in een concentratie hoger dan de interventiewaarde is niet toegestaan, omdat die onaanvaardbare risico’s voor mens, plant of dier met zich mee kunnen brengen. Hierop zijn uitzonderingen geformuleerd in artikel 44 en 45. Die komen er op neer dat het niet is toegestaan ernstig verontreinigde grond en baggerspecie toe te passen, tenzij de samenstelling van de grond of baggerspecie is bepaald door stoffen die verspreid in de bodem voorkomen als gevolg van diffuse verontreiniging. Het bevoegd gezag kan dan de maximale waarden voor het toepassen van grond en baggerspecie boven de interventiewaarden vaststellen.

Onderdeel b

Hoofdstuk 4 van het besluit geldt niet voor het toepassen van op grond gelijkende producten die overeenkomstig de krachtens artikel 4 van de Meststoffenwet gestelde regels als meststof mogen worden verhandeld. Dit betreft in ieder geval het product compost dat aan in hoofdstuk III van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet opgenomen landbouwkundige en milieukundige eisen voldoet.

Onderdeel c

Het toepassen van ernstig verontreinigde grond valt niet onder de reikwijdte van dit besluit. Het Besluit uniforme saneringen regelt onder meer de tijdelijke uitname van ernstig verontreinigde grond. De afbakening van dit besluit met het Besluit uniforme saneringen is in dit onderdeel expliciet geregeld.

Derde lid

Dit artikel komt nagenoeg overeen met artikel 27, tweede lid, van hoofdstuk 3 met betrekking tot bouwstoffen. De tijdelijke uitname van de grond en baggerspecie uit een toepassing leidt niet tot een voor het besluit relevante wijziging, in die zin dat het geen nieuwe verplichtingen voor de toepasser van de grond of baggerspecie oplevert. Om die reden worden de artikelen 38 tot en met 64 niet van toepassing verklaard. Dit is in lijn met de uitzondering op grond van artikel 28, derde lid, onder 2°, van de Wet bodembescherming, op grond waarvan voor een tijdelijke verplaatsing van grond geen meldingsplicht geldt. De gedachte bij beide uitzonderingen is dat in deze situaties er weinig tot niets verandert aan de milieubelasting van de grond of baggerspecie. Dit artikel geldt niet alleen voor toepassingen die op grond van dit besluit worden gerealiseerd, maar ook voor toepassingen die onder meer onder het regime van het Bouwstoffenbesluit, het daaraan voorafgegane IPO-interimbeleid, of voor die tijd tot stand zijn gebracht. Daarbij moet het wel nuttige toepassingen betreffen.

Met het oog op de controleerbaarheid moet de grond of baggerspecie wel in dezelfde toepassing worden teruggebracht. Bij het terugbrengen van de grond of bagger is wel enige speelruimte. Indien sprake is van dezelfde toepassing en aan de andere voorwaarden wordt voldaan, dan hoeft de grond of baggerspecie niet precies weer op de plaats van uitname te worden aangebracht. Hierbij kunnen de volgende voorbeelden worden gegeven:

– het in het kader van de (spoor)wegenbouw of -reconstructie wegnemen van bermgrond voorafgaand aan (spoor)wegverbreding en het opnieuw terugbrengen als bermgrond in de nieuwe berm (zelfde soort toepassing: berm wordt berm, maar niet op de exact zelfde plaats);

– bij het verplaatsen van een sloot wordt de grond die vrijkomt uit de nieuw te graven sloot gebruikt om de bestaande sloot mee te vullen (bodem wordt weer bodem).

Toetsing aan kwaliteit en functie kan achterwege blijven omdat de betreffende handelingen ter plaatse niet tot (extra) aantasting van de bodem(functie) leiden. Om dit te waarborgen spreekt het artikel daarnaast over «onder dezelfde condities» en «zonder te zijn bewerkt». Voor een toelichting op deze voorwaarden wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 27, tweede lid. In aanvulling daarop worden hieronder een aantal voorbeelden gegeven die niet aan de voorwaarde «onder dezelfde condities» voldoen:

– het toepassen van (niet gerijpte) baggerspecie op landbodem (natte toepassing wordt droge toepassing);

– het toepassen van grond afkomstig uit de kern van een weglichaam of geluidswal als afdeklaag van respectievelijk het weglichaam of de geluidswal (onderlaag wordt toplaag).

Onder «bewerken» vallen de volgende voorbeelden:

– rijpen van baggerspecie, voor zover de tijdelijke verplaatsing hierop gericht is;

– ontwateren van baggerspecie, voor zover de tijdelijke verplaatsing hierop gericht is;

– zandscheiding.

De eerste twee voorbeelden betreffen niet tijdelijke verplaatsing die enkel en alleen om logistieke redenen plaatsvindt. Ook daarbij kunnen (bijkomende) natuurlijke chemische en fysische processen optreden die onontkoombaar zijn, zonder dat er be- of verwerkingsactiviteiten plaatsvinden die dergelijke processen zouden bevorderen.

De volgende voorbeelden vallen niet onder het begrip «bewerken»:

– het uitzeven van bodemvreemde bestanddelen;

– louter natuurlijke, niet gestimuleerde processen of omstandigheden, zoals verdamping, microbiële afbraak, natuurlijke oxidatie en reductie;

– wijziging van de structuur van de grond of bagger, zoals ten gevolge van graafwerkzaamheden of het ploegen van landbouwgronden.

De gedachte bij het eerste en derde voorbeeld is dat de grove bestanddelen veelal bouwstoffen betreffen, die als zodanig weer kunnen worden toegepast. De kwaliteit van de grond en baggerspecie zelf blijft hierdoor onveranderd.

Hoewel dit artikel een uitzondering maakt voor de verplichtingen op grond van artikel 38 tot en met 64 (bijvoorbeeld het wederom melden van de opnieuw aan te brengen grond of baggerspecie), gelden de overige verplichtingen ten aanzien van het toepassen van grond of baggerspecie onverminderd. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan de zorgplicht in artikel 7. Daarnaast is andere regelgeving, bijvoorbeeld Arbo-regelgeving betreffende het werken met verontreinigde grond, onverminderd van toepassing.

Anders dan artikel 29, eerste lid, onder c, voorziet dit artikel niet in een uitzondering op de onderzoeksverplichting van de kwaliteit van de te hergebruiken grond of baggerspecie. De belangrijkste reden hiervoor is dat voor grond of baggerspecie geen landelijk uniform toetsingskader geldt, maar de toepassingsmogelijkheden per gebied kunnen verschillen omdat deze afhankelijk zijn van de bodemfunctieklasse en de kwaliteit van de ontvangende bodem.

Artikel 37

Zie omtrent de consequenties van dit verbod de toelichting bij artikel 5.

Artikel 38, 39 en 40

Degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen moet de kwaliteit van de partij grond of baggerspecie en voorzover de kwaliteit van de grond of baggerspecie niet aan de achtergrondwaarden voldoet, de kwaliteit van de ontvangende bodem (laten) vaststellen. Dit kan alleen door een erkende persoon of instelling, die hiertoe een milieuhygiënische verklaring verstrekt en moet conform het van toepassing zijnde toetsingskader geschieden.

Grond of baggerspecie zijn in verschillende kwaliteitsklassen onder te brengen, hetgeen in de Regeling bodemkwaliteit is uitgewerkt. Deze indeling is relevant voor de toepassing van grond of baggerspecie in het generieke kader.

Het zesde lid, onderdeel b, van artikel 38, sluit aan bij de indeling van gewassen zoals deze krachtens artikel 10 van de Meststoffenwet bij ministeriële regeling is vastgesteld. Er wordt onderscheid gemaakt in akkerbouw-, blad-, kool-, vrucht-, stengel-, knol-, wortel-, bloembollen- en fruitteeltgewassen, kruiden, enz. De wet onderscheidt grofweg de verschillende sectoren en biedt een handvat om onderscheid te maken naar gewassen op basis van bemesting. Vergelijkbare gewassen zullen hierbij een vergelijkbare «verontreiniging», dus bodemkwaliteit, hebben.

In artikel 39 is bepaald dat de toetsingskaders van dit besluit niet gelden en dat het (laten) vaststellen van de kwaliteit van de ontvangende bodem niet is vereist indien de grond of baggerspecie de achtergrondwaarden niet overschrijdt. Grond of baggerspecie die aan de achtergrondwaarden voldoen kunnen in feite overal worden toegepast.

Artikel 41

In bijlage 1 bij dit besluit is een lijst met 122 parameters opgenomen en is daarmee gelimiteerd. Het gaat om een groslijst van bekende potentiële probleemstoffen voor de bodem. Hiervan zal bij ministeriële regeling een selectie worden gemaakt van de meest relevante stoffen waaraan grenswaarden zullen worden verbonden, eventueel aangevuld met andere stoffen als daar vanuit de productie- of locatiespecifieke omstandigheden aanleiding toe bestaat.

Met het oog op toekomstige ontwikkelingen is ook een groslijst van stoffen opgenomen, waarop parameters staan waarvoor nog geen grenswaarden is vastgesteld. Ter verduidelijking een voorbeeld. Van een aantal bouwstoffen met specifieke toepassingen is bekend dat er problemen zijn met de pH. Nu ontbreekt nog een normstelling voor pH. In de toekomst is het denkbaar dat er wel een grenswaarde komt. Dit is relatief eenvoudig realiseerbaar, omdat de pH ook op de groslijst in het besluit staat.

Een parameter die niet op de groslijst voorkomt kan milieuhygiënisch wel een probleem vormen. Degene die grond of baggerspecie toepast dient ook in dit geval voldoende zorg in acht te nemen (zorgplicht). Zie onder meer de toelichting bij artikel 7.

Artikel 42

In dit artikel is de melding van de voorgenomen toepassing van grond of baggerspecie op of in de bodem geregeld. Eventueel kan bij ministeriële regeling worden geregeld dat aanvullende gegevens dienen te worden verstrekt.

De melding geschiedt via een centraal meldsysteem dat wordt beheerd door SenterNovem, hiertoe gemandateerd door de Minister van VROM. Elke melding die binnenkomt wordt direct aan het bevoegd gezag doorgegeven. Ook voor tijdelijke opslag geldt een meldingsplicht met uitzondering van de situaties die zijn beschreven in paragraaf 4.3.2. Hierbij is het melden van de eindbestemming noodzakelijk voor zover de tijdelijke opslag langer dan zes maanden duurt.

De meldingsplicht is niet van toepassing op hoeveelheden schone grond en baggerspecie kleiner dan 50 m3. In dat geval wordt alleen de toepassingslocatie gemeld.

De plicht tot bewaren van kwaliteitsgegevens is beperkt tot die toepassingen waarvoor geen meldingsplicht geldt, dan wel de melding is beperkt tot de toepassingslocatie.

De beperking in het tiende lid hangt samen met afspraken die zijn gemaakt in het kader van het London Protocol

Artikel 43

Tot de inwerkingtreding van dit besluit maakte een aantal waterkwaliteitsbeheerders gebruik van de mogelijkheid om in de Wvo-vergunning of Wvz-ontheffing waarmee het verspreiden van baggerspecie in oppervlaktewater werd gereguleerd, tevens de vakken aan te wijzen waarin de verspreiding moest plaatsvinden. Dit droeg bij aan optimalisering van het verspreiden van baggerspecie met het oog op de versterking van de gebiedskwaliteit.

Vanwege de bevordering van de baten van het verspreiden van baggerspecie als nuttige toepassingsvorm en hiermee het versterken van de gebiedskwaliteit is het van belang dat de waterkwaliteitsbeheerder de mogelijkheid van aanwijzing van verspreidingsvakken alsmede de aldaar maximaal te verspreiden hoeveelheden blijft behouden. Hiertoe is in het besluit een regeling opgenomen.

De aanwijzing geschiedt bij besluit als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) door het bevoegd gezag. Deze kan bij de vaststelling daarvan – afhankelijk van de specifieke situatie – gebruik maken van de zogenaamde Uniforme openbare voorbereidingsprocedure (Afdeling 3.4, Awb), dan wel de verkorte procedure op grond van titel 4.1 Awb. Hierbij kan overigens sprake zijn van een eigenstandig besluit, dan wel een besluit waarin op grond van het eerste lid van dit artikel lokale maximale waarden zijn gesteld. Voorzover tot aanwijzing van verspreidingsvakken is overgegaan brengt het derde lid met zich mee, dat daar buiten geen baggerspecie mag worden verspreid. Indien hiertoe wel zou worden overgegaan, kan op grond van deze bepaling handhavend worden opgetreden.

Artikel 44 en 45, eerste lid

In het eerste lid van de artikelen 44 en 45 is bepaald dat de decentrale overheid voor respectievelijk de landbodem en de waterbodem van een specifiek gebied voor bepaalde toepassingen lokale maximale waarden kan vaststellen voor de ontvangende bodem, dan wel voor het percentage bodemvreemd materiaal een ander percentage kan vaststellen dan dat bedoeld in artikel 34, tweede en derde lid. Dit percentage bodemvreemd materiaal mag echter nooit meer zijn dan 20 gewichtsprocent. Het gebiedsspecifieke toetsingskader is nader toegelicht in paragraaf 4.6.

Artikel 44 en 45, tweede lid

Het is mogelijk dat de kwaliteit van de bodem voor enkele stoffen boven de maximale waarden van de bodemfunctieklasse industrie (landbodem) of de interventiewaarden (waterbodem) ligt. De lokale maximale waarden kunnen onder voorwaarden daarboven worden vastgesteld. In deze leden zijn die voorwaarden opgenomen, dan wel wordt er naar verwezen. De voorwaarden in artikel 44, tweede lid, onder a en b gelden daarnaast in het geval dat een ander percentage bodemvreemd materiaal wordt afgeleid dan generiek op grond van artikel 34, tweede en derde lid is toegestaan.

In onderdeel c van het tweede lid van artikel 44 en het derde lid van artikel 45 is het zogenaamde saneringscriterium bedoeld. Laatstgenoemde voorwaarde is niet relevant voor het vast te stellen andere percentage bodemvreemd materiaal.

De mogelijkheid tot vaststelling van lokale maximale waarden die minder streng zijn dan de maximale waarden van de bodemfunctieklasse industrie of interventiewaarden beperkt zich tot de grond of baggerspecie die afkomstig is uit het gebied waarvoor de lokale maximale waarden zijn opgesteld. Op deze wijze wordt voorkomen dat het gebied wordt belast met «nieuwe» of «extra» verontreiniging.

De hiermee geboden toepassingsmogelijkheden voor grond of baggerspecie beperken zich dus tot de functionele verplaatsing van verontreinigingen binnen het gebied. Hiermee wordt nadere invulling gegeven aan het standstill-beginsel op gebiedsniveau (zie ook de toelichting bij artikel 52). Door slimme toepassingsvormen of -locaties te kiezen kan per saldo de kwaliteit van het gebied worden verbeterd. Hierbij dient zoveel mogelijk aansluiten te worden gezocht met andere maatschappelijk noodzakelijke maatregelen in het gebied.

Artikel 46 en 48

Voor het verspreiden van baggerspecie in oppervlaktewater is een apart gebiedsspecifiek kader opgenomen, hetgeen is verwoord in deze artikelen.

Voor de toepassing van dit gebiedsspecifieke kader is in artikel 46 een tweetal beperkingen opgenomen. Indien gewenst kan voor daarbij aan te wijzen stoffen gebiedsgericht alleen lagere waarden worden vastgesteld dan generiek is bepaald in artikel 60.

Voor de Nederlandse territoriale zee geldt voor alle stoffen dat gebiedsgericht alleen lagere waarden kunnen worden vastgesteld. Deze laatste beperking vloeit voort uit de inhoud en strekking van het London Protocol.

In artikel 48 is bepaald wat het besluit van de decentrale overheid waarin de maximale waarden voor verspreiden in oppervlaktewater zijn vastgelegd, tenminste dient te bevatten. Belangrijk onderdeel is de onderbouwing voor de maximale waarden in relatie tot de gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en de maatschappelijke noodzaak van deze waarden. Voor de onderbouwing van de gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater wordt een relatie gelegd met het herverontreinigingsniveau ten gevolge van de actuele kwaliteit van het zwevend stof in het oppervlaktewater van het bodembeheergebied. De risicotoolbox, zoals geregeld bij ministeriële regeling op grond van artikel 47, is in deze niet relevant.

Artikel 47

In dit artikel is bepaald wat het besluit van de decentrale overheid waarin de lokale maximale waarden voor de ontvangende bodem zijn vastgelegd tenminste dient te bevatten.

Eerste lid, onderdeel a

In dit onderdeel wordt gedoeld op de zogenaamde bodemkwaliteitskaart. Voor het opstellen van deze kaart is een een richtlijn ontwikkeld.

Voor de toepassing in oppervlaktewater gelden geen bodemfuncties. Gezien het dynamische karakter van het watersysteem, wordt bij toepassingen in oppervlaktewater uitsluitend rekening gehouden met de actuele kwaliteit van de ontvangende waterbodem.

Onderdeel d

Met de methoden die in de Regeling bodemkwaliteit zijn opgenomen wordt gedoeld op de zogenoemde Risicotoolbox.

Artikel 52

Dit artikel beschrijft de situaties waarin grondverzet en baggerverzet uitsluitend binnen het eigen beheergebied is toegestaan.

In het eerste lid is de algemene regel opgenomen dat de kwaliteit van de grond en baggerspecie nooit de lokale maximale waarden, zoals vastgesteld in de nota bodembeheer, mag overschrijden. Het tweede lid geeft aan dat de mogelijkheid van vaststelling van lokale maximale waarden die minder streng zijn dan de maximale waarden die op grond van het generieke kader voor de betreffende bodemkwaliteitsklasse zouden gelden, zich beperkt tot de grond of baggerspecie die afkomstig is uit het bodembeheergebied waarvoor de lokale maximale waarden zijn vastgesteld.Zo wordt invulling gegeven aan het standstill-beginsel op gebiedsniveau.

In het derde lid is de regel opgenomen dat een verslechtering van de bodemkwaliteit, door toepassing van een slechtere kwaliteit op een schonere bodem, alleen mag plaatsvinden met grond en baggerspecie afkomstig uit hetzelfde bodembeheergebied. Via een bodembeheernota kan namelijk invulling worden gegeven aan standstill op gebiedsniveau: de bodemkwaliteit mag plaatselijk verslechteren, mits dit elders in het gebied tot een kwaliteitsverbetering leidt. Door grond en baggerspecie van slechtere kwaliteit, afkomstig van buiten het gebied waarop de bodembeheernota op van toepassing is, toe te staan op een betere kwaliteit bodem in het gebied, wordt namelijk geen invulling gegeven aan standstill op gebiedsniveau. Conform het vierde lid bestaat te alle tijde het verbod waarin is geregeld dat grond met een kwaliteit boven de referentiewaarde industrie niet mag worden toegepast in oppervlaktewater. Via een gebiedsspecifiek kader is deze laatste regel niet te verruimen.

Artikel 53

Dit artikel beoogt met het oog op een goed bodembeheer het actualiseren van de besluiten van het bevoegd gezag ter vaststelling van lokale maximale waarden. Dit is te vergelijken met de herziening van de waarden, bedoeld in artikel 61.

Bij de herziening worden in ieder geval betrokken de gevolgen van de lokale maximale waarden voor de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het oppervlaktewater, de feitelijke toepassingsvormen en -locaties, het aantal toepassingen over de periode waarop de herziening betrekking heeft. Ook moet hierbij worden ingegaan op de plek van herkomst van de toegepaste grond of baggerspecie in vergelijking met de nieuwe toepassingslocatie, waarbij de oude en nieuwe bodemfuncties en het aantal mensen dat aan de grond of baggerspecie is blootgesteld van belang zijn.

De gegevens met betrekking tot de bodem en het oppervlaktewater worden verkregen met inachtneming van de eisen die daaraan bij of krachtens hoofdstuk 2 van het besluit.

Het bevoegd gezag kan indien het onderzoek uitwijst dat er geen sprake is van een verbetering of gelijk blijven van de kwaliteit van de bodem of het oppervlaktewater in zijn bodembeheergebied onder meer besluiten om andere lokale maximale waarden vast te stellen of bepalen dat toepassingen binnen het betreffende gebied voortaan binnen het generieke toetsingskader vallen. Hiervoor geldt artikel 51 van het besluit.

Het bevoegd gezag dat nalaat om het lokale bodembeheer actueel te houden schendt de beginselen vanbehoorlijk bestuur en kan daarop op grond van de Algemene wet bestuursrecht worden aangesproken.

Artikel 54

In dit artikel wordt tot uitdrukking gebracht dat het generieke toetsingskader alleen geldt in geval de decentrale overheid geen lokaal bodembeleid (op grond van het gebiedsspecifiek toetsingskader) voert.

Artikel 55 en 56

Voor een zo transparant mogelijke toepassing van grond en baggerspecie wordt het wenselijk geacht dat de gemeenten op een kaart voor hun gebied de bodemfunctieklassen hebben vastgelegd. Het bevoegd gezag dient deze kaart binnen een half jaar na inwerkingtreding van dit besluit te hebben vastgesteld. Er wordt blijkens dit artikel uitgegaan van de indeling in twee klassen van de bodem die de verschillende bodemfuncties omvatten. Dit is nader uitgewerkt in de Regeling bodemkwaliteit. De maximale waarden van deze bodemfunctieklassen zijn bepalend voor de vraag aan welke kwaliteit de toe te passen grond of baggerspecie moet voldoen. Gebieden, zoals landbouw en natuurgronden, waaraan de achtergrondwaarden zijn gekoppeld, hoeven niet te worden ingetekend. Het systeem is zo opgesteld dat de gebieden waar geen bodemfunctieklasse is vastgesteld, alleen grond beneden de norm van de achtergrondwaarden kan worden toegepast.

De bodemfuncties die behoren tot de hierboven genoemde bodemfunctieklassen zijn afgeleid van de bestemming in het vigerende bestemmingsplan.

Het vaststellen van de functiekaart wordt beschouwd als een besluit als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 57 en 58

In het generieke toetsingskader geldt in tegenstelling tot het gebiedsspeciefieke toetsingskader niet de verplichting voor het bevoegd gezag een bodemkwaliteitskaart op te stellen. Bij gebreke van een dergelijke kaart dient degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen zelf de bodemkwaliteitsklasse vast te stellen. De criteria hiervoor zijn uitgewerkt in de Regeling bodemkwaliteit.

Artikel 59

Eerste lid

In het generieke kader geldt voor de landbodem dat getoetst wordt aan de bodemfunctieklasse en aan de bodemkwaliteitsklasse. Uit deze toetsing volgt dat de strengste norm geldt.

Tweede lid

Bij de toepassing of tijdelijke opslag van grond of baggerspecie op of in de bodem onder oppervlaktewater wordt alleen getoetst aan de maximale waarden van de bodemkwaliteitsklassen. Bij tijdelijke opslag op de landbodem kan eveneens worden volstaan met toetsing aan de bodemkwaliteitsklasse.

Derde lid

Dit lid is opgenomen om te voorkomen dat grond die niet op de bodem kan worden toegepast wel in oppervlaktewater kan worden toegepast.

Artikel 60

In de Regeling bodemkwaliteit zijn de maximale waarden opgenomen waaraan baggerspecie moet voldoen bij verspreiding en tijdelijke opslag op een aan een watergang grenzend perceel en bij verspreiding in oppervlaktewater.

Tweede lid

Opgemerkt zij dat hier onder weg verstaan moet worden een smalle strook, zoals een landweg of een schouwpad, niet een provinciale weg of rijkswegen.

Artikel 61

De herziening van de waarden, bedoeld in dit artikel, is geregeld met het oog op het voortschrijdend karakter van het milieukwaliteitsbeleid.

Artikel 63

Dit artikel geeft de criteria aan op basis waarvan grond en baggerspecie grootschalig mag worden toegepast en die ook gelden voor de instandhouding van de toepassing. De optie grootschalige toepassingen neemt een aparte positie in dit besluit in. Indien voor de optie grootschalige toepassingen wordt gekozen gelden niet de besluiten die door een bevoegd gezag voor een bodembeheergebied zijn genomen conform afdeling 2, paragraaf 1 of de normstelling die geldt voor het generieke kader conform afdeling 2, paragraaf 2. Uitzondering hierop wordt gevormd voor de toepassing van de leeflaag die bovenop de laag grond of baggerspecie moet worden toegepast. Deze grond of baggerspecie moet wel voldoen aan afdeling 2, paragraaf 1 of 2, terwijl er op grond van milieuhygienische overwegingen nadere regels met betrekking tot de dikte van de leeflaag of de laag bouwstoffen kunnen worden gesteld. Dit betekent dat met in achtneming van het vereiste beschermingsniveau de gestelde eisen kunnen worden aangescherpt of versoepeld.

Het bevoegd gezag mag het gebruik van de optie grootschalige toepassingen ook niet verbieden in een nota bodembeheer of anderszins. De keuze voor de optie grootschalige toepassingen moet in de melding op grond van artikel 42, tweede lid, onderdeel b, kenbaar worden gemaakt. Conform artikel 62 is de optie wel uitgesloten voor toepassing in de Nederlandse territoriale zee. Deze beperking vloeit voort uit afspraken die gemaakt zijn in het London Protocol. Beleidsmatig is er ook voor gekozen om de optie voor grootschalige toepassingen niet toe te staan voor ophogingen conform artikel 35, onder b.

Voor grootschalige toepassingen geldt geen toetsing aan de kwaliteit van de ontvangende bodem, zoals geldend bij de algemene toepassingen. In plaats van een vergelijking van de toe te passen grond en baggerspecie met de ontvangende bodemkwaliteit, staat bij grootschalige toepassingen de emissie van stoffen uit de toe te passen grond en baggerspecie centraal. De toetsing van grond- en baggertoepassingen richt zich op de risico’s van verspreiding vanuit de toepassingslocatie. Toetsing aan de kwaliteit en functie van de ontvangende bodem is niet relevant en vindt niet plaats. De emissie-eisen vormen de maximale grens van toelaatbare uitloging naar de bodem en het grondwater. Dit is vergelijkbaar met de systematiek die ook voor bouwstoffen geldt en eerder ook in het Bouwstoffenbesluit is gehanteerd. Bepaling van de emissie is echter niet altijd noodzakelijk, zoals in situaties waarvan in de praktijk uit onderzoek is vastgesteld dat bij een bepaald niveau van stoffen in de bodem of onder bepaalde omstandigheden de emissie-eisen die in de Regeling bodemkwaliteit zijn opgenomen, niet worden overschreden.

De kwaliteit van de toe te passen grond en baggerspecie mag verder bij toepassing op de landbodem nooit boven de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie uitkomen en dienen bij toepassing in het watersysteem te voldoen aan de interventiewaarden waterbodem. Dit is consistent met de algemene regels van het generieke kader.

Voor toepassing van grond en bagger als leeflaag geldt wel het algemene toetsingskader. Indien de leeflaag bestaat uit bouwstoffen, dan gelden de voorwaarden uit hoofdstuk 3 van het Besluit.

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4.9.

Vijfde en zesde lid

In deze leden is voor de dikte van in wegen en spoorwegen toe te passen grond en baggerspecie een uitzondering gemaakt, mits wordt voldaan aan de criteria die zijn genoemd. Voor dit soort goed zichtbare objecten met een aanwijsbare beheerder, geldt een minimale toepassingshoogte van 0,5 meter. De bermen en taluds van gemeentelijke wegen worden getoetst aan de kwaliteit en functie van de naastliggende bodem, vergelijkbaar met de regels voor de leeflaag zoals opgenomen in artikel 63, gezien de omstandigheid dat gemeentelijke wegen vaak door bewoond gebied gaan. In het besluit is geregeld dat de bermen of taluds van rijkswegen, provinciale wegen en spoorwegen, begrensd tot een fysieke afscheiding met een maximum van hemelsbreed gemeten 10 meter vanaf de rand van de verharding of ballastbed, alleen getoetst worden aan de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie en er geen toets geldt aan (ontvangende) bodemkwaliteit. Hiervoor is gekozen vanwege het feit dat de milieubelasting van het verkeer (nog steeds) een bron vormt voor vervuiling van de berm. Bij wegen vindt sterke beïnvloeding van de kwaliteit van de berm plaats door afstromend en verstoven wegwater en door belasting via de lucht. Bij spoorwegen met name via depositie van stoffen van bovenleidingen. De grootste belasting beperkt zich tot de eerste 10 meter naast de verharding. Voor dit deel van de berm is het daarom niet zinvol te strenge eisen te stellen aan de bodemkwaliteit. Bij kleinere wegen kan de berm smaller zijn dan de vermelde 10 meter en geldt een fysieke afscheiding tot een naastgelegen perceel of naastgelegen bodemgebruik als grens. Bij autowegen beperken fysieke afscheidingen als geluidsschermen en grondwallen de verspreiding van verontreinigingen. In deze gevallen houdt de uitzondering op tot achter de voorziening. Indien de grootschalige toepassing zich verder strekt dan deze fysieke afscheiding of de 10 meter vanaf de rand van de verharding of ballastbed, dan blijven de regels van kracht voor leeflagen, zoals opgenomen in het vierde lid.

Artikel 64

De subdelegatie in dit artikel moet waarborgen dat de kwaliteit van het grondwater en het oppervlaktewater wordt beschermd conform de Europese Grondwaterrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Ook de kwaliteit van de omliggende bodem moet worden gewaarborgd.

Artikel 65

Het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming wordt met de inwerkingtreding van dit besluit ingetrokken. Het Bouwstoffenbesluit blijft echter van kracht voor zover het betreft de Tijdelijke Stimuleringsregeling verwerking baggerspecie. Op grond van deze regeling kon een verzoek tot het verstrekken van subsidie worden ingediend ter tegemoetkoming van de kosten van verwerking van baggerspecie tot bouwstof. De Tijdelijke Stimuleringsregeling verwerking baggerspecie is vervallen op 21 juli 2006. In artikel 12, tweede lid, van de Tijdelijke Stimuleringsregeling verwerking baggerspecie is echter geregeld dat op voor de vervaldatum ingediende aanvragen voor een subsidie de regeling van toepassing blijft. Op de datum van inwerkingtreding van dit besluit is de afhandeling van alle subsidieverzoeken op grond van de Tijdelijke Stimuleringsregeling verwerking baggerspecie nog niet afgerond. Om die reden is in dit artikel van dit besluit geregeld dat het Bouwstoffenbesluit van toepassing blijft op alle op het moment van inwerkingtreding van het besluit nog lopende subsidieprocedures op grond van de Tijdelijke Stimuleringsregeling verwerking baggerspecie.

Artikel 66

Het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer wordt ingetrokken en gaat op in hoofdstuk 2 van dit besluit.

Artikel 67

De tekst van paragraaf 1.2.5, onderdeel e en paragraaf 3.2.6, onderdeel e, van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning is afgestemd op de voorschriften die ten aanzien van het bodemonderzoek(srapport) sinds de wijziging van de Woningwet van 1 april 2007 zijn opgenomen in artikel 8, derde en vierde lid, van die wet, op het Besluit bodemkwaliteit en op de model-voorschriften over bodemonderzoek van de Modelbouwverordening 1992 van de VNG, zoals dat model na de 9e serie wijzigingen luidt.

Artikel 68

Onderdeel A

Omdat het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming met dit besluit wordt ingetrokken, moet onderdeel c van categorie 28.3 worden gewijzigd. Een toepassing van bouwstoffen, grond of baggerspecie waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is, zou kunnen worden aangemerkt als een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Daarmee zou er een vergunningplicht gaan gelden voor activiteiten die zijn gereguleerd in het onderhavige besluit. Aangezien dat niet gewenst is, wordt dit onderdeel van categorie 28.3 zodanig gewijzigd dat deze toepassingen zijn uitgezonderd van het inrichtingenbegrip met dien verstande dat de vergunningplicht herleeft indien en voorzover binnen de inrichting niet wordt gehandeld in overeenstemming met de bepalingen van dat besluit.

Onderdeel B

Sinds de wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer van 5 juli 2001, Stb. 2001, nr. 336 wordt blijkens de bijbehorende nota van toelichting verondersteld dat niet langer sprake kan zijn van een inrichting voor het opslaan van baggerspecie. Deze wijziging had tot doel in de noodzakelijke regelgeving te voorzien ter implementatie van de Europese richtlijn Storten (richtlijn 1999/31/EG). Hierbij werd aangenomen dat de tijdelijke opslag van baggerspecie altijd kan worden aangemerkt als een vorm van bewerken of verwerken van baggerspecie (de richtlijn spreekt over «behandeling»). Hiermee is onbedoeld voorbij gegaan aan de uitvoeringspraktijk waarbij in het geval van tijdelijke opslag van (natte) baggerspecie weliswaar sprake kan zijn van natuurlijke chemische en fysische processen, maar de opslag lang niet altijd gericht is op het bevorderen daarvan. De opslag heeft dan de daadwerkelijk ver- of bewerking niet tot doel, maar vindt puur om logistieke redenen plaats (zie ook de toelichting bij artikel 70). Deze processen zijn nu eenmaal onontkoombaar bij tijdelijke opslag, maar vinden ook bij andere toepassingen met baggerspecie plaats. Bovendien kan in het geval van baggerspecie afkomstig uit bijvoorbeeld uiterwaarden sprake zijn van droge baggerspecie, waardoor dergelijke processen zich niet voordoen. Dit artikel heeft tot doel categorie 28 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer in overeenstemming te brengen met de uitvoeringspraktijk. Daartoe is de bovenstaande wijziging van voornoemd besluit terug gedraaid en wordt in categorie 28.4, onder a tot uitdrukking gebracht dat ook sprake kan zijn van tijdelijke opslag van baggerspecie. Meer specifiek wordt hiermee de bevoegd gezagverdeling tussen burgemeester en wethouders enerzijds en provinciale staten anderzijds gelijk getrokken met die voor de tijdelijke opslag van grond.

Artikel 69

Onderdeel B

Gelet op het nieuwe artikel 2, onderdeel b, van het Besluit vrijstellingen stortverboden buiten inrichtingen geldt het verbod van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer niet voor het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie als bedoeld in dit besluit. Het onderscheidt dat in deze amvb werd gemaakt in verschillende klassen van onderhoudsspecie vervalt, omdat de milieuhygiënische kwaliteit van baggerspecie volledig wordt gereguleerd door het onderhavige besluit.

Met opzet is er voor gekozen om niet op te nemen dat de vrijstelling van artikel 2, onder b, alleen geldt voor bouwstoffen, grond of baggerpecie die aan de eisen van het onderhavige besluit voldoen. Dergelijke bouwstoffen, grond of baggerspecie vallen hierdoor alleen onder de reikwijdte van het onderhavige besluit. Hierdoor is het niet mogelijk om bouwstoffen, grond of baggerspecie die niet aan de eisen van het onderhavige besluit voldoen alsnog toe te passen, maar dan onder verlening van een ontheffing op grond van artikel 10.63 van de Wet milieubeheer. Dit laatste zou kunnen leiden tot werken met bouwstoffen die wél en tot werken met bouwstoffen die niet aan het onderhavige besluit voldoen. Deze keuze wordt uit milieuhygiënisch oogpunt onwenselijk geacht. Alleen bouwstoffen, grond of baggerspecie die aan de milieuhygiënische eisen van dit besluit voldoen, mogen derhalve worden toegepast.

Op grond van het gewijzigde vijfde lid kan bouw- en sloopafval als bouwstof in het kader van het onderhavige besluit worden toegepast, voor zover het granulaat betreft. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan ballastgrind dat wordt toegepast bij de aanleg en het onderhoud van spoorwegen.

Categorie 24 is toegevoegd om het mogelijk te maken grond die verontreinigingen bevat die de interventiewaarden als bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit te boven gaan, onder strikte voorwaarden bij of krachtens hoofdstuk 4 van dit besluit, toe te kunnen passen.

Onderdeel D

De vraag of avi-bodemas als bouwstof kan worden toegepast, wordt volledig gereguleerd door het onderhavige besluit. Artikel 4a vervalt daarom.

Artikel 70

Onderdeel A

Artikel 3, tweede lid, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen is op eenzelfde wijze aangepast als artikel 2, vijfde lid, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen. Verwezen zij naar de toelichting bij artikel 69.

Onderdeel B

In artikel 11e van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen is de verplichting voor het bevoegd gezag opgenomen om aan een Wm-vergunning voor de tijdelijke opslag van afvalstoffen een uiterste termijn van één of drie jaar op te nemen. Na die termijn is dan niet langer sprake van opslag maar van storten en dus van een stortplaats met de daarbij behorende verplichtingen. Deze verplichting bestaat op grond van de Europese richtlijn Storten (Richtlijn 1999/31/EG). Deze richtlijn is echter niet van toepassing op het storten van ongevaarlijke specie in oppervlaktewater, met inbegrip van de bedding en haar ondergrond (artikel 3, tweede lid, derde gedachtestreepje). Blijkens de toelichting op het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen is voornoemde verplichting onbedoeld ook van toepassing op de tijdelijke opslag van baggerspecie in oppervlaktewater.

Er is daarbij namelijk uitgegaan van de veronderstelling, dat de tijdelijke opslag van baggerspecie altijd kan worden aangemerkt als een vorm van bewerken, of verwerken van baggerspecie (de richtlijn spreekt over «behandeling»), waardoor voornoemde verplichting om die reden niet van toepassing zou zijn. Dit kan inderdaad opgaan voor zogenaamde doorgangdepots, voor zover de «opslag» mede het bewerken, dan wel verwerken van de baggerspecie tot doel heeft. Daarnaast is echter veelvuldig sprake van tijdelijke opslag van baggerspecie in het kader van de uitvoering van (grond)werken, zoals de aanleg van dijken en terpen en de herinrichting van watersystemen. Hierbij kan weliswaar ook sprake zijn van het optreden van (bijkomende) natuurlijke chemische en fysische processen die nu eenmaal onontkoombaar zijn bij tijdelijk opslag; er vinden echter geen be- of verwerkingsactiviteiten plaats die dergelijke processen zouden bevorderen. De tijdelijke opslag heeft met andere woorden niet mede be- of verwerken tot doel. Deze opslag vindt puur om logistieke redenen plaats; de baggerspecie kan na ontgraving niet direct worden toegepast en wordt voorafgaand daaraan nabij de plaats van definitieve bestemming opgeslagen. Er is derhalve nog steeds sprake van tijdelijke opslag van baggerspecie (categorie 28.1, onder a, onder 2°, van het Ivb), waardoor de verplichting van artikel 11e hierop ondanks eerdergenoemde uitzondering in de Europese richtlijn Storten van toepassing is. Aan die onwenselijke situatie is – voor zover het de tijdelijke opslag in oppervlaktewater betreft – met deze wijziging een einde gekomen.

Om vooral juridische redenen dient in een (alternatieve) uiterste termijn voor deze tijdelijke opslag van baggerspecie in oppervlaktewater te worden voorzien. De opslag zal immers een eindig karakter dienen te hebben, aangezien anders sprake is van het zich ontdoen van afvalstoffen, oftewel het verwijderen van afvalstoffen als bedoeld in de Kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn 2006/12/EG). Hiervoor wordt een uiterste termijn van tien jaar aangehouden. Deze termijn is afgestemd op de duur van tijdelijke opslag zoals deze in het bijzonder bij de uitvoering van grote (rivierverruimings)projecten op of in de waterbodem gebruikelijk is. De gezondheid van de mens en de toestand van het milieu zijn hierbij niet in het geding (artikel 4 Kaderrichtlijn afvalstoffen). De algemene criteria op grond van dit Besluit voor het toepassen van baggerspecie zijn immers ook van toepassing op de tijdelijke opslag van baggerspecie in oppervlaktewater («standstill» om te voorkomen dat de kwaliteit van de ontvangende bodem verslechtert). Daar komt nog bij dat de baggerspecie op een relatief beperkte oppervlakte wordt opgeslagen ten opzichte van de oppervlakte van de ontgravingslocatie(s). Het op deze wijze concentreren van de baggerspecie draagt significant bij aan het verder reduceren van blootstellings- en verspreidingsrisico’s van eventuele baggerspecieverontreiniging. Deze risicoreductie neemt in de tijd alleen maar toe vanwege steeds verdergaande immobilisatie van de eventueel in de baggerspecie aanwezige verontreiniging door een samenspel van chemische, biochemische en fysische processen. Vanuit louter milieuhygiënische redenen zou het dus niet nodig zijn de tijdsduur van tijdelijke opslag van baggerspecie in oppervlaktewater te limiteren.

Door over «ten hoogste tien jaar» te spreken, wordt tot uitdrukking gebracht dat er voor de beoogde termijn van opslag aantoonbaar een noodzaak moet bestaan. Het feit dat deze termijn is gekoppeld aan de uiteindelijke eindbestemming van de baggerspecie en deze eindbestemming in de melding op grond van dit besluit moet worden aangegeven, biedt hiervoor een waarborg.

Ten slotte verdient opmerking, dat voornoemde uitzondering in Europese richtlijn Storten tevens betrekking heeft op het verspreiden van ongevaarlijke baggerspecie langs kleine waterwegen als bedoeld in artikel 35, onder g. Dit omvat echter niet het voorafgaand daaraan opslaan van die baggerspecie. Hiervoor geldt derhalve wel een uiterste termijn van drie jaar op grond van artikel 11e, tweede lid, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen.

Artikel 72

Op grond van artikel 12, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm) en artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag (hierna: het uitvoeringsbesluit) wordt een aantal stoffen, preparaten en andere producten voor de toepassing van de Wbm niet tot afvalstoffen gerekend. Dit heeft tot gevolg dat over deze stoffen geen afvalstoffenbelasting verschuldigd is wanneer zij worden afgegeven aan een afvalverwijderingsinrichting om te worden verwijderd (gestort).

In artikel 5 van het uitvoeringsbesluit werd verwezen naar bepalingen in het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming. Omdat het Bouwstoffenbesluit bij onderhavig besluit is ingetrokken, is artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag aangepast. Het uitgangspunt is daarbij gehanteerd dat bouwstoffen en grond die tot op heden voor de op basis van de Wbm geheven afvalstoffenbelasting niet als afvalstoffen werden aangemerkt en daarom niet onder de heffing van afvalstoffenbelasting vielen, ook na de aanpassing buiten de heffing vallen.

In onderdeel l wordt thans verwezen naar bepalingen in het Besluit bodemkwaliteit, onder meer naar de definitie van bouwstoffen in artikel 1. Naast een kwaliteitsverklaring en een partijkeuring wordt in het vervolg ook een fabrikant-eigenverklaring in de zin van het Besluit bodemkwaliteit als bewijsmiddel geaccepteerd om aan te tonen dat sprake is van bouwstoffen die voor de Wbm niet tot afvalstoffen worden gerekend.

Het nieuwe onderdeel m strekt ertoe grond die aan bepaalde eisen voldoet en die wordt toegepast in voorzieningen binnen een inrichting, buiten het begrip afvalstoffen te plaatsen. Uit de bewijsmiddelen (kwaliteitsverklaring, partijkeuring of fabrikant-eigenverklaring) moet blijken dat de grond voldoet aan de generieke eisen uit het Besluit bodemkwaliteit voor de bodemfunctieklasse industrie.

Artikel 73

Het Besluit overige niet-meldingsplichtige gevallen bodemsanering heeft tot doel een meldingsplicht als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming achterwege te laten indien het bevoegd gezag reeds over de noodzakelijke informatie beschikt om vast te stellen dat geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Naast de situaties waarbij het bevoegd gezag op grond van aanvragen voor vergunningen op grond van onder meer de Wet milieubeheer of Wet verontreiniging oppervlaktewateren (artikel 2, eerste lid onder a) over die informatie beschikt, waren in de onderdelen b en c van dat lid een tweetal specifieke situaties genoemd. Het betrof de volgende situaties:

b. indien de uitvoering van een openbaar werk of van baggerwerkzaamheden waarbij baggerspecie klasse 1, 2 of 3 wordt verplaatst:

1°. geschiedt op last van, door of vanwege, of met instemming van het bevoegde gezag, en

2°. het bevoegde gezag heeft vastgesteld dat geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, of

c. indien het verspreiden van onderhoudsspecie klasse 1 of 2 op land met inachtneming van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen en de daarop gebaseerde ministeriële regeling geschiedt.

De situaties worden ondervangen door de toepassingen als genoemd in artikel 35 van dit besluit. Om die reden worden de onderdelen b en c vervangen door een nieuw onderdeel b waarin wordt verwezen naar de bij een melding op grond van het Besluit bodemkwaliteit te verstrekken gegevens. Indien op grond daarvan door het bevoegd gezag kan worden vastgesteld dat geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging kan een melding op grond van artikel 28 achterwege blijven.

In artikel 1 waren ten behoeve van de in onderdelen b en c genoemde situaties definities opgenomen voor klassen van baggerspecie en onderhoudsbaggerspecie. Deze zijn niet langer noodzakelijk en derhalve vervallen. Bovendien wordt met de inwerkingtreding van dit besluit een nieuwe klasse indeling gehanteerd.

Artikel 74

Met dit besluit wordt de tot nu toe aangehouden klasse indeling voor (onderhouds)baggerspecie vervangen door een nieuwe klasse indeling en daarnaast een aantal wijzigingen doorgevoerd met betrekking tot de tijdelijke opslag van baggerspecie. Deze wijziging werkt ook door naar de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 en wel specifiek voor wat betreft categorie 18.3. Op grond deze categorie is een stortplaats voor baggerspecie mer-plichtig respectievelijk mer-beoordelingsplichtig indien zich de gevallen voordoen als omschreven in de bijbehorende Kolom 2. Daarvoor is in dit kader van belang dat sprake moet zijn van het storten van baggerspecie van de klasse 3 of 4. Klasse B uit de nieuwe klasse indeling komt grotendeels overeen met klasse 3 en 4 baggerspecie en wordt derhalve ter vervanging daarvan in onderdeel 1°.in de tweede kolom voor beide activiteiten opgenomen.

Artikel 75

Dit artikel bevat een overgangsrechtelijke bepalingen met betrekking tot het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming. Hoewel grond en baggerspecie expliciet worden genoemd, is dat strikt genomen niet noodzakelijk. Grond en baggerspecie zijn namelijk bouwstoffen in de zin van het Bouwstoffenbesluit. Ter voorkoming van misverstanden worden ze hier apart genoemd, omdat in het onderhavige besluit wel een onderscheid tussen bouwstoffen en grond of baggerspecie wordt gemaakt.

Dit artikel heeft betrekking op ten tijde van de inwerkingreding van dit besluit bestaande werken. Het Bouwstoffenbesluit blijft van toepassing op het houden van bouwstoffen in een werk, indien de bouwstoffen voor dit tijdstip in het betreffende werk zijn gebruikt.

Artikel 76

De Vrijstellingregeling grondverzet maakt het hergebruik van licht verontreinigde grond en baggerspecie als bodem mogelijk naast de toepassing in werken als bedoeld in het Bouwstoffenbestoffenbesluit, onder de voorwaarde dat het bevoegd gezag een bodemkwaliteitskaart heeft vastgesteld. Voor toepassingen op grond van de Vrijstellingsregeling grondverzet geldt geen verwijderingsplicht, zoals voor toepassingen in een werk. De grond of baggerspecie kan dus blijvend deel uitmaken van, en vermengd raken met de bodem. Feitelijk vormt de Vrijstellingsregeling grondverzet de voorbode van de regeling van de toepassing van grond of baggerspecie in dit besluit. Indien het bevoegd gezag voor een specifiek gebied gebiedsspecifiek beleid heeft vastgesteld op grond van dit besluit, gaat het bevoegd gezag na in hoeverre de bestaande bodemkwaliteitskaart herziening behoeft. De Vrijstellingsregeling grondverzet ziet niet op het verspreiden van baggerspecie, de tijdelijke opslag van grond of baggerspecie en de grootschalige toepassingen. Dit artikel geldt daarom niet voor dergelijke toepassingen. Deze overgangsbepaling geldt voor de duur van de bodemkwaliteitskaart met een maximum van vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 77

Partijkeuringen, erkende kwaliteitsverklaringen of andere bewijsmiddelen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit zijn afgegeven op grond van het Bouwstoffenbesluit, blijven gelden voor de duur van de betreffende verklaring, tot ten hoogste drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit.

Dit betekent dat de partij waarop de verklaring betrekking heeft mag worden toegepast, mits op de wijze zoals aangegeven op de verklaring. De op de verklaring aangeduide maximale toepassingshoogte en eventuele andere technische eisen die waren gekoppeld aan het Bouwstoffenbesluit blijven derhalve onverkort van kracht op de partij. Indien de verklaring aangeeft dat sprake is van een categorie 2-bouwstof, dient deze onder IBC-voorzieningen te worden aangebracht. Voor de specifieke IBC-voorzieningen geldt het nieuwe besluit wel, tenzij het gaat om een situatie als bedoeld in artikel 79.

Artikel 78

Het Bouwstoffenbesluit van toepassing op het gebruiken van bouwstoffen, indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit een melding is gedaan krachtens artikel 11, eerste lid, artikel 18, tweede lid of artikel 21, tweede lid, van het Bouwstoffenbesluit en binnen een half jaar na dit tijdstip is begonnen met de toepassing, tot ten hoogste drie jaar na dit tijdstip.

Artikel 79

Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding, dan wel uiterlijk een half jaar na inwerkingtreding van het besluit een vergunning is verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, Wm of artikel 1, Wvo, voor handelingen die vallen onder de reikwijdte van het besluit, blijft het recht van toepassing dat geldt voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit tot ten hoogste drie jaar na dit tijdstip.

Dit overgangsrecht geldt niet voor het verspreiden van baggerspecie in oppervlaktewater, met uitzondering van de voorschriften die betrekking hebben op de aanwijzing van verspreidingsvakken. Deze voorschriften blijven gelden tot ten hoogste een half jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit.

Artikel 80

Het besluit zal gedurende twee jaar na de datum van inwerkingtreding niet van toepassing zijn op tarragrond. Tot die tijd geldt voor tarragrond de Vrijstellingsregeling plantenresten en tarragrond.

Artikel 81

Dit besluit treedt pas in werking voor toepassingen van grond en baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee als de wijziging van de Wvz in werking is getreden. Op grond van de Wvz, zoals die thans luidt, is voor deze toepassingen een ontheffing vereist. Na de wetswijziging vallen zij niet meer onder het toepassingsbereik van de Wvz, maar onder de Wvo. Zij worden dan krachtens de Wvo gereguleerd in dit besluit. Wanneer de wijziging van de Wvz in werking treedt is nog niet bekend.

Artikel 82

Het besluit zal binnen drie jaar na inwerkingtreding worden geëvalueerd.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

XNoot
1

Kamerstukken II, 2003/04, 29 200 XI, nr. 7.

XNoot
2

Kamerstukken II, 2003/04, 28 663.

XNoot
3

Kamerstukken II, 2004/05, 28 199, nr. 13.

XNoot
4

In de beleidsregels verontreinigde grond Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen is een percentage van 50% aangehouden voor grond die wordt aangeboden op een stortplaats.

XNoot
5

Richtlijn 78/319/EEG van de Raad van 20 maart 1978, betreffende toxische en gevaarlijke afvalstoffen, PbEG 1978, L 84.

XNoot
6

Advies van 23 december 2005, nr. W08.05.0433/V.

XNoot
7

Kamerstukken II, 2005/06, 30 522, nr. 4.

XNoot
8

Advies van 10 oktober 2006, nr. W08.06.0339/V, en van 10 september 2007, nr. W08.07.0189/IV.

XNoot
9

Stb. 2006, 606.

XNoot
10

Stb. 2006, 152.